The Project Gutenberg eBook of Noli me tangere: Filippijnsche roman

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Noli me tangere: Filippijnsche roman

Author: José Rizal

Translator: Abraham Anthony Fokker

Release date: June 18, 2007 [eBook #21848]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Distributed
Proofreaders team at http://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK NOLI ME TANGERE: FILIPPIJNSCHE ROMAN ***



Noli me tangere.

Filippijnsche roman

Druk van het Soerabajasch Handelsblad,
Soerabaja 1912.

[1]
[Inhoud]

I.

Een avond-partijtje.

In de laatste dagen van October gaf Don Santiago de los Santos, meer bekend onder den naam “Capitán Tiago” een avond-partijtje, dat hoewel tegen zijn gewoonte eerst in den namiddag aangekondigd, reeds het onderwerp van alle gesprekken in Binondo uitmaakte, evenals in andere buitenwijken en zelfs te Intramuros. Capitán Tiago ging toen door voor den gulsten man die er liep, en men wist dat zijn huis, evenals zijn land, zijn deuren niet gesloten hield, tenzij voor den handel of ieder nieuw of gewaagd denkbeeld.

Gelijk een electrische schok liep het nieuws door de wereld der klaploopers, tafelschuimers en doodvreters, die God in zijn oneindige goedheid zoo liefdevol in Manila doet tieren. Sommigen zorgden voor schoensmeer; anderen keken om naar knoopen en dassen, maar allen waren vervuld van de gedachte hoe ze wel den heer des huizes op de gemeenzaamste wijze begroeten zouden, om te doen gelooven aan oude vriendschapsbanden, [2]of zich te verontschuldigen, voor ’t geval dit beter te pas kwam, dat ze niet vroeger hadden kunnen verschijnen.

Deze feestmaaltijd werd gegeven in een huis van de Calle de Anloague, en daar we ons het nummer niet herinneren, zullen we ’t zoo beschrijven, dat men het nog zou kunnen herkennen, indien ten minste de aardbevingen het nog niet vernield hebben. We gelooven niet, dat zijn eigenaar het zal laten slopen, want met dit werk belast zich daar God of “de Natuur” gewoonlijk; want deze laatste heeft daar ook van ons gouvernement veel werken aangenomen.

Het is een vrij groot gebouw, in den stijl van de meeste daar te lande, gelegen met het front naar een arm der Pasig-rivier, door sommigen “ria de Binondo” genoemd, welk water, evenals alle rivieren van Manila, de veelzijdige rol vervult van badplaats, riool, wasch- en vischgelegenheid, vervoer- en verkeersmiddel, ja, zelfs van waterleiding voor de dorstigen, ingeval de Chineesche waterdrager zulks oorbaar acht. Het is vermeldenswaard dat deze machtige slagader der voorstad, waar het verkeer het drukst is en de beweging het levendigst, over een afstand van bijna een kilometer nauwelijks één houten brug telt, welke gedurende zes maanden aan één kant stuk en aan den andere voor ’t overige deel des jaars onbegaanbaar is.

Zoo komt het, dat in het heete jaargetijde de paarden van deze gestadige “status quo” profiteeren, om daar in ’t water te springen, tot groote verrassing des afgetrokken stervelings, die binnen [3]in ’t rijtuig ligt te dommelen of te filosofeeren over de vooruitgang dezer eeuw.

Het huis, dat wij bedoelen, is wat laag en heeft niet zeer onberispelijke lijnen: of de bouwmeester niet best zien kon, of dat het een gevolg was van de aardbevingen en orkanen, kon niemand met zekerheid zeggen. Een breede trap met groene leuningen en hier en daar belegd met een kleedje, leidt van de “zagnan” of voorhal, bevloerd met tegeltjes, naar de hoofd-verdieping tussen bloempotten en -vazen op voetstukken van Chineesch aardewerk met bonte kleuren en fantastische teekeningen.

Aangezien er geen portiers noch lakeien zijn, die u om of naar een uitnoodigings-kaart vragen, zullen we maar naar boven gaan, o gij die me leest vriend of vijand! Zoo u althans de tonen van het orkest, het licht of ’t veel beteekenend gerinkel van vaatwerk aantrekt, en gij zien wilt, hoe de avondpartijen daar ginds in de Parel van het Oosten toegaan. Met genoegen en voor mijn gemak zou ik u gaarne de beschrijving van het huis besparen, doch deze is zeer belangrijk; want wij stervelingen in ’t algemeen zijn als de schildpadden: we worden geprijsd en gesorteerd naar onze schilden; om deze en andere eigenschappen zijn ook de stervelingen van de Filippijnen gelijk aan de schildpadden.

Wanneer we naar boven gaan, komen we dadelijk in een ruim vertrek, dat men daar “caïda” noemt, ik weet niet waarom, want op dezen avond dient het als eetzaal en tevens als muzieksalon. In ’t midden schijnt een lange tafel, overvloedig en weelderig versierd, [4]den tafelschuimer toe te lonken met zoete beloften, en dat schuchtere jonge meisje, de eenvoudige “dalaga” te bedreigen met twee doodvervelende uren in gezelschap van vreemde mannen, wier taal en gesprek een zeer bizonder karakter plegen te hebben. In tegenspraak met deze aardsche toebereidselen zijn de bonte schilderijen aan de wanden, voorstellende godsdienstige onderwerpen als “het Vagevuur” of “de Hel”, “het Laatste Oordeel,” “de Dood der Rechtvaardigen”, die “des Zondaars”, en op den achtergrond, gevangen in een prachtige en smaakvolle renaissance-lijst, die wel door een Arévolo kon gesneden zijn, een merkwaardig doek van groote afmetingen waarop men twee oude vrouwen ziet... Het onderschrift luidt: “Onze Lieve vrouw van Vrede en goede reis, die men in Antipolo vereert, in de gedaante van een bedelares, bezocht de vrome en beroemde Capitana Inés gedurende haar ziekte”1. De voorstelling, zoo ze al niet veel smaak en kunst verraadt, bezit daarentegen een overmaat van natuurlijkheid: de zieke lijkt wel een lijk in ontbinding door de gele en blauwe tinten van haar gelaat; de glazen en overige voorwerpen ter geleide der langdurige ziekten, zijn zoo nauwkeurig weergegeven, dat men zelfs zien kan wat erin zit. Bij ’t aanschouwen van deze schilderijen, die de eetlust opwekken en landelijke denkbeelden doen rijzen, denkt wellicht deze of gene, dat de leepe heer des huizes [5]heel goed den aard kende van het meerendeel van hen, die aan zijn tafel moesten aanzitten, en om zijn gedachte een weinig te omsluieren heeft hij aan de zoldering kostbare Chineesche lampen laten hangen, kooien zonder vogels, roode, groene en blauwe bollen van gefoelied glas, gedroogde hangplanten, opgeblazen opgezette visschen, die men “botete’s” noemt, en meer zoo, terwijl alles aan de rivierzijde afgesloten was door grillige houten bogen, half Chineesch half Europeesch waar doorheen men het uitzicht had op een plat dak met klimplantleidingen en prieeltjes, schaars verlicht door papieren lantarentjes van allerlei kleuren.

Daar in de zaal bevinden zich de gasten tusschen ontzaggelijke spiegels en schitterende kroonlampen: daar staat op een houten onderstel de prachtige vleugelpiano, die een ongehoorde som gekost heeft, en die op bedoelden avond nog kostbaarder was, omdat niemand haar bespeelde. Daar vindt men Ook een groot olieverfportret van een mooie man, in rok, stijf, rechtop, symmetrisch als de stok met kwast, die hij tusschen zijn strakke met ringen bedekte vingers draagt. Het portret schijnt zoo te zeggen:

“H’m, h’m! kijk ereis aan wat ik aan mijn lijf heb, en hoe deftig ik ben!”

De meubels zijn smaakvol, wellicht ongeriefelijk en ongezond: de heer des huizes denkt niet aan de gezondheid van zijn gasten, maar aan zijn eigen weelde. De dysenterie is wel iets vreeselijks, maar u zit op Europeesche leuningstoelen, en die heeft u niet altijd! zou hij hun zeggen. [6]

De zaal is bijna vol met menschen: de mannen gescheiden van de vrouwen, evenals in de katholieke kerken en in de synagogen. De dames bestaan uit een klein aantal jonge meisjes, half Spaansche, half Filippijnsche: ze doen den mond open om te geeuwen, maar weten dat met hun waaiers te bedekken; ze murmelen te nauwernood eenige woorden; ieder gesprek, dat men waagt te doen, sterft weg in enkele lettergrepen, als geruchten die men ’s nachts in een huis hoort, gedruisch van ratten of hagedissen. Zijn het wellicht de beeltenissen der verschillende vrouwen, die aan de wand hangen, welke ze nopen het stilzwijgen te bewaren en godvruchtige ernst te betrachten? Of maken de vrouwen hierop juist een uitzondering?

De eenige, die de dames ontving, was de oude nicht van Capitán Tiago, een vrouw met goedige gelaatstrekken en die vrij slecht Spaansch sprak. Al haar beleefdheid en hoffelijkheid bestond daarin, dat ze aan de Spanjaarden een blaadje met sigaretten en “boejo” (sirih) aanbood, en zich precies als de monniken door de Filippijners de hand liet kussen. De arme oude begon zich ten slotte te vervelen, en gebruik makende van het gedruisch van een bord dat brak, ging ze ijlings heen, onder het mompelen van:

“Jezus! wacht maar, rakkers!”

En ze verscheen niet meer.

Wat de mannen aangaat, die maakten wel meer leven.

Eenige adelborsten waren in een der hoeken druk aan ’t praten, maar op gedempten toon, terwijl ze van tijd tot tijd [7]opkeken en soms met den vinger wezen naar verschillende personen in de zaal; en ze lachten onder elkaar op meer of min bedekte wijze. Twee vreemdelingen daarentegen, beiden in ’t wit, liepen met de armen op den rug en zonder een woord te spreken, met groote stappen van ’t eene uiteinde der zaal naar ’t andere, zooals passagiers die zich vervelen, op het dek van een schip doen. Al de belangstelling en de grootste drukte gingen uit van een groepje, gevormd door twee monniken, twee burgers en een militair rondom een tafeltje, waarop men flesschen wijn en Engelsche biscuits zag staan.

De militair was een oude luitenant, lang en met een streng voorkomen: hij leek wel een hertog van Alva, die wat achtergebleven was op de ranglijst der Guardia Civil. Hij sprak weinig, maar bars en kort. Een der “frailes”, een jonge dominikaan, mooi, netjes en keurig als zijn bril met goud-montuur, had een vroegtijdige ernst over zich: het was de pastoor van Binondo, en in vroeger jaren was hij professor geweest aan San Juan de Setrán. Hij had de roep van een volleerd spreker, en wel zoo zeer, dat in de tijden, waarin de zonen van Guzmàn2 het waagden in spitsvondigheden den strijd aan te binden met de wereldlijken, de bekwame woordvechter B. de Luna hem nooit van zijn stuk had kunnen brengen of vastzetten: de fijne bewijsvoering van Fray Sibyla liet hem een figuur slaan als de visscher, [8]die alen met strikken wilde vangen. De dominikaan sprak weinig, en scheen zijn woorden te wegen.

De ander daarentegen, die Franciskaner was, sprak druk en gesticuleerde nog meer. Ten spijt van zijn haren, die reeds grijs begonnen te worden, scheen zijn stevig gestel zich goed te houden. Zijn regelmatige trekken, zijn weinig geruststellende blik, zijn breede kaken en herkulische vormen gaven hem het aanzien van een vermomd Romeinsch patriciër en onwillekeurig herinnerde hij u aan een van de drie monniken, waarover Heine spreekt in zijn “Goden in ballingschap”, die op de September-nachtevening, ginds in Tyrol, te middernacht in een bootje een meer over voeren, en telkens in de handen van den armen veerman een zilveren munt achterlieten, koud als ijs, hetwelk hem met ontzetting vervulde. Evenwel was Fray Dámaso niet geheimzinnig zooals zij: hij was vroolijk, en hoewel zijn stem bruusk klonk, als van een man, die nog nooit verlegen gestaan heeft, die al wat hij zegt voor heilig en onverbeterlijk houdt, zijn opgewekte en vrijmoedige lach wischte dezen onaangenamen indruk dadelijk uit, en zelfs zag men zich gedwongen hem te vergeven, dat hij daar in de zaal een paar voeten zonder sokken en behaarde beenen vertoonde, die stellig een fortuintje zouden opgebracht hebben aan een Mendieta op de kermissen van Quiapo.3 [9]

Een der burgers, een klein manneke, met een zwarte baard, had als eenige merkwaardigheid zijn neus, die naar zijn afmetingen te oordeelen, niet van hem kon wezen; de ander, een blond jongmensch scheen kortelings in ’t land aangekomen te zijn; met deze voerde de Franciskaan een levendige woordenwisseling.

“U zult ’t zelf wel zien”, zeide de monnik, wanneer u maar eens een paar maanden langer in ’t land bent, zult u ’t wel met mij eens zijn, dat het heel wat anders is in Madrid te regeeren, of hier in de Filippijnen te wezen.”

“Maar...”

“Ik bijvoorbeeld,” ging Fray Dámaso voort, de stem verheffende, om den ander niet aan ’t woord te laten, “ik die al drie-en-twintig jaren pisang en rijst eet, ik kan er met gezag over meepraten. Kom me niet voor den dag met theorieën en beweringen. Ik ken de inlanders. Ga nu ’s na. Nauwelijks was ik hier in ’t land, of ik werd geplaatst op een dorp, wel klein, maar zeer werkzaam voor zijn landbouw. Ik kende toen nog niet goed Tagaalsch, maar ik nam de vrouwen al de biecht af, en we verstonden elkaar, en ze hielden ten slotte zooveel van me, dat, drie jaar later, toen ik naar een grooter dorp werd overgeplaatst, dat vacant was gekomen door den dood van den inlandschen pastoor, al die vrouwen begonnen te schreien, me met geschenkjes overlaadden, en met muziek uitgeleide deden...”

“Maar dat bewijst toch alleen...”

“Wacht u toch even! Niet zoo haastig oordeelen! Hij die me opvolgde, bleef korter, en toen die heenging kreeg hij [10]nog meer uitgeleide, meer tranen en meer muziek, en dat terwijl hij meer ranselde, en de parochie-gelden opgeslagen had tot het dubbele van vroeger.”

“Maar u zult mij veroorloven...”

“Ik zal u meer zeggen: in ’t dorp San Diego ben ik twintig jaren geweest en ik ben er eerst enkele maanden... uit (hier scheen hij te ontstemmen). Twintig jaren—dat zal niemand me tegenspreken—zijn meer dan genoeg om de menschen op een dorp te leeren kennen. San Diego had zes duizend zielen, en ik kende iederen bewoner, alsof ik hem gebaard en gezoogd had: ik wist aan welken voet deze mank ging, waar een ander de schoen wrong, wie ’t hof maakte aan dit of dat meisje, welke mistappen dit gedaan had en met wie, wie de ware vader van ’t kind was enz.; ik nam immers ieder levende ziel de biecht af, en ze wachtten zich wel, om hun plicht te verzuimen. Laat Santiago, onze gastheer ’t maar zeggen, of ik lieg. Hij heeft daar veel land en daar hebben wij vriendschap gesloten. Nu goed, hoor nu ’s, hoe die inlanders zijn: toen ik heenging deden me te nauwernood een paar oude vrouwtjes en eenige geestelijke broeders uitgeleide. En dat terwijl ik er twintig jaren geweest was!”

“Maar ik zie niet in wat dit te maken zou hebben met de vrijmaking van ’t tabaks-monopolie,” antwoordde de blonde jongeman, gebruik makende van een pauze, gedurende welke de Franciskaan zich een glaasje sherry inschonk.

Fray Dámaso liet vol verbazing bijna zijn glas vallen. Hij bleef een oogenblik het jong mensch van ’t hoofd tot de voeten opnemen. [11]

“Hoe zoo? Hoe is dat nu?” riep hij daarna met de grootste verwondering, “is ’t mogelijk, dat u dat niet inziet: ’t is zoo klaar als de dag? Ziet u dan niet, m’n waarde heer, dat dit alles tastbaar bewijst, dat de nieuwigheden van de ministers onzinnig zijn?”

Ditmaal was ’t de blonde die verlegen stond. De luitenant fronste de wenkbrauwen nog meer. Het kleine ventje schudde het hoofd, alsof hij Fray Dámaso in ’t gelijk stelde of ’t niet met hem eens was. De dominikaan vergenoegde zich met iedereen bijna den rug toe te keeren.

“Meent u?” kon ten slotte de jongeman heel ernstig vragen, terwijl hij den pater vol nieuwsgierigheid aankeek.

“Of ik dat meen? Ik geloof eraan als aan ’t Evangelie! De inlander is zoo lui!”

“Och, neem me niet kwalijk, dat ik u in de rede val,” zeide het jongmensch, zachter sprekende en zijn stoel naderbij brengend, u heeft daar een woord uitgesproken, dat mijn belangstelling bijzonder gaande maakt. Bestaat werkelijk die luiheid bij de inlanders, als iets ingeborens, of is ’t eigenlijk zoo, dat—zooals een buitenlandsch reiziger opmerkte—wij met die luiheid onze eigen luiheid verontschuldigen, onze achterlijkheid en ons koloniaal beleid? Hij sprak van andere koloniën, waar de bewoners van ’t zelfde ras zijn....

“Och kom! Jaloezie! Vraag ’t maar ’s aan meneer Laruja, die ’t land ook kent. Vraag hem maar ’s of de domheid en luiheid van de inlanders ergens haar wedergade vinden!”

“Werkelijk,” antwoordde het kleine [12]kereltje, dat bedoeld was: nergens ter wereld ziet u luier individuen dan de inlanders hier. Nergens ter wereld!”

“Geen verdorvener en geen ondankbaarder wezens!”

“Geen onbeschofter ook!”

De blonde jonge man begon met ongerustheid overal heen te kijken.

“Heeren,” zeide hij zacht, “ik geloof dat wij aan huis zijn bij een inlander. De jonge dames...”

“Loop heen! Maak u zich niets ongerust, hoor! Santiago houdt zichzelf niet voor een inlander, en bovendien is hij er niet bij. En dan... al was hij erbij? Die beweringen zijn maar dwaasheden van nieuwelingen. Laten er maar een paar maanden voorbijgaan: u zult wel van meening veranderen wanneer u veel inlandsche feesten en danspartijen bijgewoond heeft, op de inlandsche bedden geslapen en veel ‘tinola’ gegeten heeft.”

“Is dat wat u ‘tinola’ noemt niet een vrucht, een lotus-soort, die de menschen... zoo iets van... zoo vergeetachtig maakt?”

“Och wat lotus of loterij!” antwoordde Fray Dámaso lachend, “u slaat de plank mis. Tinola is een goelái van kip en kalebas. Hoe lang bent u hier?”

“Vier dagen,” bracht de jonge man eenigszins geraakt uit.

“Komt u als ambtenaar?”

“Nee, meneer: ik kom voor eigen rekening, om het land te leeren kennen.”

“M’n lieve man, wat bent u een witte raaf!” riep Fray Dámaso uit, terwijl hij hem nieuwsgierig opnam. “Voor eigen rekening gekomen en dan voor zulke dwaasheden! [13]

“Wat ’n fenomeen! Terwijl er zooveel boeken zijn ... och, als je maar wat hersens in je kop hebt ... kun je immers een heel dik boek schrijven: er zijn er zoo ettelijken! Als je maar wat hersens in je kop hebt ...”

“U zei zoo, eerwaarde heer pater Dámaso,” viel plotseling de dominikaan in, “dat u twintig jaren in het dorp San Diego geweest is, en het toen verlaten heeft ... Was u niet ingenomen met de plaats?”

Fray Dámaso verloor op deze vraag, die op zoo natuurlijken en bijna onverschilligen toon gedaan was, opeens zijn vroolijkheid en hield op met lachen.

“Nee!” gromde hij droogjes en liet zich met geweld tegen den rug van zijn stoel vallen.

De dominikaan ging nog onverschilliger voort:

“’t Moet droevig wezen een plaatsje te verlaten waar men twintig jaren geweest is en dat men kent als de jas die men aan heeft.

“Ik ten minste vond het onplezierig Camiling te verlaten en daar was ik nog maar enkele maanden geweest... maar de superieuren deden het voor ’t heil van de gemeente... voor mijn eigen heil.”

Fray Dámaso scheen dien avond voor de eerste maal zeer afgetrokken. Op eens gaf hij een vuistslag op de leuning van zijn stoel, en zwaar ademend riep hij uit:

“Er is godsdienst of die is er niet, dat wil zeggen: òf de pastoors zijn vrij òf ze zijn ’t niet! Het land gaat te gronde, ’t is naar de maan!”

En weer sloeg hij met zijn vuist. [14]

De heele zaal wendde zich verrast naar het groepje; de dominikaan hief het hoofd op om onder zijn bril door naar hem te kijken. De twee vreemdelingen, die heen-en-weer wandelden, stonden even stil, keken elkaar aan, toonden elkaar even hun snijtanden en zetten onmiddellijk hun wandeling weer voort.

“Hij is uit zijn hum, omdat u hem geen ‘reverencia’ genoemd heeft!” mompelde meneer Laruja in ’t oor van ’t blonde jongmensch.

“Wat wil uwe reverentie toch zeggen? Wat scheelt u?” vroegen de dominikaan en de luitenant elk op zijn eigen toon.

“Daardoor krijgen we al die rampen! Het bestuur steunt de ketters tegen de bedienaren van ’t heilige woord!” ging de Franciskaner voort en balde zijn stoere knuisten.

“Wat bedoelt u toch?” vroeg de wenkbrauw-fronsende luitenant nogmaals, terwijl hij zich half oprichtte.

“Wat ik bedoel?” herhaalde Fray Dámaso, zijn stem nog verheffend en de luitenant recht in de oogen ziende: “Ik bedoel al wat ik wil! Ik, ik wil zeggen, dat wanneer een pastoor het lijk van een ketter uit zijn kerkhof wegdoet niemand, zelfs de koning niet, het recht heeft zich ermee te bemoeien en nog veel minder er straf voor op te leggen. Dus een generaaltje, zoo’n generaaltje van niks...”

“Pater, Zijn Excellentie is hier plaatsvervanger van den Koning als beschermer van de Kerk!” riep de krijgsman opstaande.

“Och wat Excellentie of plaatsvervanger!” [15]antwoordde de Franciskaner, die ook opstond. “In vroeger tijd zouden ze ’m wel eruit gezet hebben, zooals dat gebeurd is met dien goddeloozen gouverneur Bustamante. Dat waren nog ’s tijden van goed geloof!”

“Ik moet u zeggen, dat ik niet kan toestaan... Zijn Excellentie vertegenwoordigt hier Zijne Majesteit!”

“Och wat Majesteit... larie! Voor ons is er geen anderen koning dan de wettige....”

“Halt!” riep de luitenant dreigend en alsof hij zich tot zijn soldaten richtte, “u trekt alles in wat u gezegd heeft, of ik geef er morgen kennis van aan den gouverneur...”

“Ga nu op ’t oogenblik maar dadelijk!” antwoordde Fray Dámaso sarkastisch, met gebalde vuisten op hem toetredend. “Meent u soms dat ik, omdat ik geestelijke kleeding draag, geen man ben...? Zal ik u soms mijn rijtuig leenen?!”

De oneenigheid kreeg een grappige wending, doch gelukkig kwam de dominikaan tusschenbeide.

“Heeren!” zeide hij op een toon van gezag en met die neusstem, welke zoo fraai klinkt bij monniken: “we moeten hier de dingen niet verwarren en ook geen beleedigingen zoeken, waar er geen zijn. We moeten bij Fray Dámaso de woorden van den man wel onderscheiden van die van den priester. Deze laatste als zoodanig—per se—kunnen nooit kwetsen, want ze komen voort uit de volstrekte waarheid. In die van den mensch moeten we nóg een onderscheid maken: de woorden die hij zegt ab irato, die hij zegt ex ore, maar niet [16]in corde, en die hij zegt in corde. Deze laatste zijn de eenige die kwetsen kunnen en dan nog naar gelang of ze om de een of andere beweegreden reeds van te voren in den geest bestonden—in mente—of dat ze alleen maar per accidens, in ’t vuur van ’t gesprek geuit worden, of dat er...”

“Nu dan, ik weet ‘per accidens’ en uit mezelf, hoe de zaak in elkaar zit, pater Sibyla! viel de militair in, die in de war raakte van al die onderscheidingen en bang begon te worden, dat hij ten slotte de schuldige zou blijken. “Ik weet hoe ’t gegaan is en nu mag u straks weer distincties maken. Gedurende de afwezigheid van Fray Dámaso in San Diego, liet de coadjutor het lijk begraven van een heel waardig man... ja, meneer, een heel waardig man. Ik ben verscheidene malen met hem in aanraking geweest en heb ook wel bij hem gelogeerd. Dat hij nooit gebiecht heeft!... nu wat zou dat? Ik ga ook niet naar de biecht. Maar te zeggen dat hij zich van kant gemaakt heeft is een leugen, pure laster. Een man als hij, die een zoon heeft, waar hij zijn heele liefde en hoop op heeft, een man die op God vertrouwt, die zijn plichten kent tegenover de maatschappij, een rechtschapen en eerlijk man, die maakt zich niet van kant. Dat zeg ik en wat ik verder denk verzwijg ik, maar daar mag uwe reverentie me dankbaar voor wezen.”

En den Franciskaan zijn rug toedraaiend, vervolgde hij: “Nu goed, deze pastoor heeft toen bij in ’t dorp terugkwam eerst den armen coadjutor mishandeld, en toen het lijk laten opgraven om het uit het kerkhof weg te laten brengen [17]ergens anders heen, weet ik waar. Het dorp San Diego is zoo laf geweest om er heelemaal niet tegenop te komen. ’t Is waar, dat maar heel weinigen ervan hoorden: de overledene had geen enkel familielid en zijn eenige zoon is in Europa. Maar de gouverneur is er achter gekomen en, omdat die een man is van een edel hart, heeft hij om straf voor hem gevraagd..... en pater Dámaso kreeg overplaatsing naar een beter dorp. Dat is de heele zaak. Uwe reverentie kan nu weer distincties maken.”

En dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich van ’t groepje. Fray Sibyla verontschuldigde zich dadelijk dat hij zulk een teer punt had aangeroerd.

Allengs keerde de bedaardheid in ’t gezelschap weder. Men praatte opgewekt, ook over den afwezigen gastheer, over wien aardigheden ten beste werden gegeven, iets waar uit zeker weinig waardeering voor dezen sprak.


1 Een dergelijk schilderij bestaat in ’t klooster van Antipolo. Noot van de Berlijnsche uitgave.

2 Monniken, volgers van den heiligen Dominicus, stichter der Dominikaner-orde, 13e eeuw.

3 Mendieta, zeer bekend personage te Manila, portier van den burgemeester, ondernemer van kinder-tooneelvertooningen, directeur van een poppen-theater enz. Quiapo, dorpje in de omstreken van Manila.

[Inhoud]

II.

Crisóstomo Ibarra.

’t Waren geen mooie, keurig gekleede jonge meisjes, die op eens aller aandacht bij ’t binnenkomen trokken, zelfs die van Fray Sibyla; ’t was ook niet Zijne Excellentie de gouverneur met zijn adjudanten, die den luitenant uit zijn eenzelvigheid wegrukten, en Fray Dámaso als versteend deden staan: ’t waren eenvoudig het origineel van het portret in rok en iemand, dien hij bij de hand leidde: een jongmensch, dat streng in de rouw gekleed was.

“Goeden avond, dames en heeren! Goeden avond, pater!” was het eerste wat Capitán Tiago uitbracht, terwijl hij [18]de geestelijken de hand kuste, waarop deze vergaten hem den zegen te geven. De dominikaan had zijn bril afgezet om den binnentredenden jongen man aan te kijken en Fray Dámaso staarde bleek en met wijdgeopende oogen naar hem.

“Ik heb de eer u Don Crisóstomo Ibarra voor te stellen, de zoon van mijn overleden vriend!” ging Capitán Tiago voort. “Deze heer is pas uit Europa aangekomen en ik ben hem gaan afhalen.”

Bij ’t klinken van dezen naam hoorde men eenige uitroepen; de luitenant vergat den heer des huizes te begroeten. Hij trad op den jongeman toe en nam hem van ’t hoofd tot de voeten op. Deze wisselde toen de gebruikelijke beleefdheidsfrazen met het heele gezelschap en scheen niets bijzonders in zijn verschijning te hebben dan zijn zwarte kleedij te midden van die zaal vol menschen. Zijn knappe gestalte, zijn gelaatstrekken, zijn bewegingen ademden evenwel dien geur van gezonde jeugd, waar zoowel het lichaam als de ziel behoorlijk ontwikkeld waren. Men zag in zijn vrijmoedig vroolijk gelaat eenige lichte sporen van het Spaansche bloed door een schoone bruine tint heen, iets rooskleurigs op de wangen, wellicht de uitwerking van een verblijf in de koude landen.

“Wel!” riep hij met blijde verrassing uit, “de pastoor van mijn dorp! Pater Dámaso, de intieme vriend van mijn vader!”

Aller blikken wendden zich naar den Franciskaan; deze verroerde zich niet.

“Neem me niet kwalijk, ik heb me [19]zeker vergist!” hervatte Ibarra eenigszins verlegen.

“Je hebt je niet vergist!” kon ten slotte de ander met veranderde stem antwoorden. “Maar je vader is nooit een intieme vriend van me geweest.”

Ibarra trok langzaam de hand terug die hij hem toegestoken had, keek hem vol verwondering aan, wendde zich om en bevond zich zoo tegenover de strenge figuur van den luitenant, die voortging met hem gade te slaan.

“Jongmensch, bent u de zoon van Don Rafael Ibarra?”

De jongeman boog.

Fray Dámaso richtte zich in zijn stoel op en keek den luitenant recht in de oogen.

“Welkom in uw land en moge u er gelukkiger wezen dan uw vader!” riep de krijgsman met beverige stem uit.

“Ik heb hem gekend en heb veel met hem omgegaan. Ik kan zeggen dat het een van de waardigste en rechtschapenste menschen op de Filippijnen was.”

“Mijnheer!” antwoordde Ibarra ontroerd, de lof die u over mijn vader uitspreekt, verdrijft den twijfel over zijn lot, dat ik, zijn zoon, nog niet ken.”

De oogen van den ouden man vulden zich met tranen, hij wendde zich half om en verwijderde zich snel.

De jongeman zag zich alleen in ’t midden van de zaal; de heer des huizes was verdwenen en hij vond niemand die hem aan de jonge dames kon voorstellen. Velen daarvan keken belangstellend naar hem. Na eenige oogenblikken weifelens richtte hij zich met een eenvoudige en natuurlijke gratie tot het groepje: [20]

“Mag ik zoo vrij zijn”, zei hij, “maar over de voorschriften van een strenge etikette heen te stappen? Ik ben zeven jaar uit mijn land weg geweest en nu ik er terug ben kan ik mijn bewondering niet weerhouden, en niet nalaten zijn kostelijkste sieraad te begroeten, ‘zijn vrouwen.’”

Daar niemand het waagde een enkel woord terug te zeggen zag hij zich verplicht heen te gaan. Hij trad op een groepje heeren toe die, toen ze hem aan zagen komen, een halven cirkel vormden.

“Heeren!” zeide hij, “ik zal maar de Duitsche gewoonte volgen en mezelf voorstellen: dat doet men daar als er niemand anders voorstelt. Ik heb zooeven den hemel en de vrouwen van mijn land begroet: nu wil ik de burgers, mijn landgenooten, begroeten. Heeren, mijn naam is Juan Crisóstomo Ibarra y Magsalin!”

Men noemde namen. Een jongmensch werd als dichter begroet. Men vroeg hem waarom hij niet meer schreef, en hij vertelde van iemand, die een onnoozelheid in een gedicht had gezet en er bijna om verbannen was: hij zou zoo gek niet wezen! En hij verwijderde zich uit de groep.

Een man met vroolijk lachend uiterlijk kwam aangedraafd. Hij gaf Ibarra de hand. Hij was gekleed als een inlander, met briljanten knoopen aan zijn hemd.

“Meneer Ibarra, ik wou ’s graag met u kennis maken. Kaptein Tiago is een groot vriend van me en ik heb uw vader gekend. Ik heet Capitán Tinong. Ik woon in Tondo, waar u welkom in [21]in mijn huis is: ik hoop, dat u me de eer ’s zal aandoen. Kom morgen bij ons eten.”

Ibarra toonde zich verrukt over zooveel vriendelijkheid. Capitán Tinong glimlachte en wreef zich in de handen.

Ibarra verontschuldigde zich: hij moest den volgenden dag naar San Diego....

Een knecht van ’t café “la Campana” kwam zeggen dat het eten klaar was. De menschen defileerden naar binnen, waarbij de dames, vooral de Filippijnschen, zich herhaaldelijk lieten bidden.

[Inhoud]

III.

Het feestmaal.

Fray Sibyla scheen zeer voldaan; hij schreed rustig voort en op zijn samengedrukte en fijne lippen was geen minachting meer te lezen; zelfs verwaardigde hij zich met de manke doctor De Espadaña te praten, die met monosyllaben antwoordde, want hij stotterde een beetje. De Franciskaan was in een vreeselijk humeur: hij schopte tegen de stoelen die hem hinderden op zijn weg, en zelfs gaf hij een stoot met zijn elleboog tegen een “kadet.” De luitenant was hoog-ernstig. De anderen praatten druk en prezen de prachtige tafel. Doña Victorina trok echter verachtelijk haar neus op, doch onmiddellijk daarop keerde ze zich woest om, als een slang waarop getrapt wordt: inderdaad had de luitenant op den sleep van haar japon zijn voet gezet.

“Maar heeft u dan geen oogen?” zeide ze.

“Jawel, mevrouw, en een paar betere dan de uwe; maar ik keek even naar uw lokken,” antwoordde de weinig galante [22]krijgsman en verwijderde zich.

Als bij instinkt richtten zich de twee monniken naar het hoofd-eind van de tafel, wellicht uit gewoonte en zooals te verwachten was gebeurde er wat placht te geschieden bij mededingers naar een professoraat: ze hemelen de verdiensten en de meerderwaardigheid van den tegenstander op, maar geven dadelijk daarop juist het tegenovergestelde te kennen en mopperen om ’t hardst als ze niet benoemd worden.

“Ga vóór, Fray Dámaso!”

“Aan u, Fray Sibyla!”

“U bent een oude vriend van den huize... biechtvader van wijlen mevrouw... leeftijd, waardigheid en zieleherderschap...”

“Niet zoo heel oud, hoor! En dan... u bent de pastoor van de wijk hier!” antwoordde Fray Dámaso half vriendelijk en zonder den stoel los te laten.

“Nu, als u ’t beveelt, gehoorzaam ik!” besloot pater Sibyla, en maakte zich gereed om neer te zitten.

“Ik beveel niets!” protesteerde de Franciskaan, “ik niet, hoor!”

Fray Sibyla ging al zitten zonder acht te slaan op het protest, toen zijn blikken die van den luitenant ontmoetten. De hoogste officier is volgens de opvatting der geestelijken op de Filippijnen veel lager dan de leekebroeder-kok. Doch Fray Sibyla was een zeer beleefd man en antwoordde:

“Mijnheer de luitenant, hier zijn we in de wereld, niet in de kerk: deze plaats komt u toe.”

Maar, te oordeelen naar den toon waarop hij sprak, kwam de plaats hem ook in de wereld toe. De luitenant, hetzij om zich geen moeite te geven of om [23]niet tusschen twee “frailes” te zitten, weigerde vrij droogjes.

Niemand van de kandidaten had aan den huisheer gedacht. Ibarra zag hem met voldoening en een glimlach op de lippen naar het tooneeltje kijken.

“Hoe zoo, don Santiago, gaat u niet tusschen ons in zitten?” Maar al de plaatsen waren reeds bezet: Lucullus at niet bij Lucullus aan huis.

“Hou u bedaard, niet opstaan!” zeide Capitán Tiago en legde zijn hand op den schouder van het jongemensch. “Dit feest geef ik juist om onze Lieve Vrouw te danken voor uw behouden aankomst. Hé, laten ze de ‘tinola’ brengen. Ik heb ‘tinola’ laten maken; die zult u wel in lang niet gegeten hebben?”

Men bracht een grooten dampenden schotel. De dominikaan prevelde het “benedicite”, waarop bijna niemand kon antwoorden en begon den inhoud te verdeelen. Doch door onoplettendheid of iets anders trof Padre Dámaso den schotel, toen er alleen nog maar tusschen veel “laboe” en bouillon een kaal kippenhalsje en een vleugelstukje in dreven; anderen aten pootjes en borst, vooral Ibarra had de lekkere beetjes. De Franciskaan zag alles, kauwde wat op de “laboe”, nam een beetje bouillon, liet toen met gedruisch zijn lepel vallen en schoof daarna woest zijn bord van zich af. De dominikaan was geheel verdiept in een gesprek met den blonden jongeman.

“Hoe lang bent u van ’t land weg geweest?” vroeg Laruja aan Ibarra.

“Bijna zeven jaar.”

“Wel, wel, dan zult u alles vergeten zijn!” [24]

“Integendeel. En al scheen mijn land mij vergeten te hebben, ik heb er altijd aan gedacht.”

“Wat wilt u daarmee zeggen?”

“Ik woû zeggen dat ik een jaar lang geen tijding van huis gehad heb. En zoo ben ik hier als een vreemdeling, die niet eens weet wanneer of hoe zijn vader gestorven is.”

“Och!” riep de luitenant uit.

“En waar was u dan, dat u geen telegram gezonden heeft?” vroeg Doña Victorina. “Toen wij trouwden hebben we een telegram naar Spanje gezonden.”

“Mevrouw, de laatste twee jaren ben ik in Noord-Europa geweest: in Duitschland en in Russisch-Polen.”

Doctor De Espadaña, die tot nog toe niets had durven zeggen, achtte het gepast iets in ’t midden te brengen:

“Ik heb ... heb in Sp.... Spanje een Pool gekend, van War .... war ... Warschau. Hij heette Stad ... Stadnitzki, als ik me wel herinner. Heeft u hem misschien ge... ge... gezien?” vroeg hij schuchter en bijna blozend.

“’t Is best mogelijk”, antwoordde Ibarra vriendelijk, “maar op ’t oogenblik herinner ik ’t me niet.”

“Nu, u kó ... kon hem niet met een ander verwa-wa-warren,” hervatte de dokter met meer zelfvertrouwen, “hij was goudblond en spr.... sprak hee.... hee-heel slecht Spaansch.”

“Dat zijn wel duidelijke kenteekenen, maar ongelukkigerwijze heb ik daar geen woord Spaansch gesproken, behalve aan een paar konsulaten.”

“En hoe heeft u dat geleverd?” vroeg Doña Victorina verbaasd. [25]

“Ik sprak de taal van ’t land, mevrouw.”

“Spreekt u ook Engelsch?” vroeg de dominikaan, die in Hongkong geweest was en het “Pidgin English” goed sprak, die verbastering van Shakespeare’s taal door de zonen van ’t Hemelsche Rijk.

“Ik ben een jaar in Engeland geweest onder menschen die enkel Engelsch spraken”.

“En welk land bevalt u in Europa het best?” vroeg hem het blonde jongmensch.

“Na Spanje, mijn vaderland, ieder vrij land van Europa”.

“En zeg me nu ’s, u die zooveel gereisd heeft: wat lijkt u wel ’t merkwaardigste dat u gezien heeft?” vroeg Laruja.

Ibarra scheen even te denken.

“Merkwaardig in welk opzicht?”

“Bijvoorbeeld ... ten opzichte van ’t leven van de volken, hun maatschappelijk, staatkundig, godsdienstig leven, in ’t algemeen, hoofdzakelijk alles bijeengenomen...”

Ibarra dacht een heele poos na.

“Ronduit gezegd, bevalt me alles in die landen, afgezien van de nationale trots van elk... Voordat ik een land bezocht, trachtte ik de geschiedenis ervan te bestudeeren, zijn Exodus om zoo te zeggen, en dan vond ik daarna alles natuurlijk. Ik heb altijd gezien dat de welvaart of de ellende van de volken in rechte rede staan tot hun vrijheden of vooroordeelen, en bijgevolg tot de opofferingen of de zelfzucht van de voorouders”.

“En heeft u dat alleen maar gezien?” vroeg de Franciskaan met een spotlach. Van ’t begin van den maaltijd af had [26]hij geen enkel woord gesproken, wellicht in beslag genomen door het eten. “Om zoo iets onbeteekenends te weten te komen hoefde u uw geld niet te vermorsen; dat weet hier iedere schooljongen.”

Ibarra wist niet wat hij zeggen zou; de overigen keken elkaar verbaasd aan en vreesden een uitbarsting. “Het maal loopt op zijn eind en zijn eerwaarde is al verzadigd,” wilde het jongmensch opmerken, maar hij hield zich in en zeide slechts:

“Heeren, u moet zich niet verwonderen over de familiariteit waarmee onze vroegere pastoor mij behandelt. Zoo ging hij met me om toen ik nog een kind was, want voor zijn weleerwaarde gaan de jaren tevergeefs voorbij. Maar ik ben er hem erkentelijk voor, omdat hij me die dagen van weleer zoo levendig vóór den geest brengt: toen kwam de weleerwaarde dikwijls bij ons thuis, en at ook aan mijns vaders tafel.”

De dominikaan keek steelsgewijze naar den Franciskaan; deze zat te beven. Ibarra stond op en vervolgde:

“U zult me veroorloven dat ik heenga, want omdat ik pas aangekomen ben en morgen weer op reis moet, heb ik nog een boel zaken af te doen.”

Een glas wijn opnemende, riep hij: “Nu, mijnheeren, op Spanje en de Filippijnen.” En hij dronk het glas leeg, dat hij te voren niet aangeraakt had. De oude luitenant volgde hem na, zonder een woord.

Capitán Tiago wilde Ibarra niet laten gaan: Maria Clara zou komen, Isabel was haar gaan halen en de nieuwe pastoor van zijn dorp zou komen, o, een [27]heilig man.

Ibarra beloofde den volgenden morgen, even vóór zijn vertrek, aan te zullen komen. Hij moest vandaag een heel dringend bezoek brengen.

Toen hij weg was luchtte de Franciskaan zijn ergernis:

“Heeft u ’t gezien?” zei hij tot het blonde jongmensch en schermde daarbij met zijn dessert-mesje: “Da’s nu alleen trots! Ze kunnen niet velen dat de pastoor ze terecht wijst! Ze denken dat ze al heel wat zijn! Dat komt er nou van als de jongelui naar Europa gezonden worden: het gouvernement moest het verbieden.”

“En de luitenant,” zei Doña Victorina, den Franciskaan bijvallende, “die heeft den heelen avond een boos gezicht gezet. ’t Is maar goed dat hij weg is. Zoo oud en dan nog luitenant!”

De dame kon de toespeling op haar krullen en de vertrapte strook van haar onderrok niet vergeten.

[Inhoud]

IV.

Ketter en opstandeling.

Ibarra was onzeker. De avondwind, welke in die maanden te Manila reeds vrij frisch pleegt te zijn, scheen de lichte wolk van zijn voorhoofd te wisschen waardoor het verduisterd was; hij nam zijn hoed af en ademde op.

Rijtuigen flitsten voorbij als bliksemstralen, huur-“kalessen” kwamen met druilige stap langs hem heen, voetgangers van allerlei nationaliteit kruisten zijn pad. Met den ongelijkmatigen gang van den afgetrokkene of werklooze richtte zich de jongeling naar het Binondo-plein—Binondo is een voorstad—en [28]keek overal om zich heen, alsof hij iets herkennen wilde.

Het waren dezelfde straten op dezelfde wijze wit en blauw geverfd, met gewitte of als graniet-imitatie geschilderde muren; de kerktoren vertoonde nog steeds zijn klok met de doorzichtige wijzerplaat; ’t waren nog dezelfde Chineesche winkels met hun vuile gordijnen en hun ijzeren roeden, waarvan hij er eens op een nacht een verbogen had, net zooals de onopgevoede Chineezen van Manila doen.

Niemand had het ding weer recht gebogen!

“’t Gaat langzaam hier!” mompelde hij, en volgde de Calle de la Sacristia.1

De verkoopers van sorbets riepen nog steeds: “Sórbetee; de “huepes” of lampjes verlichtten nog altijd dezelfde stalletjes van Chineezen en vrouwen die eetwaren en vruchten verkochten.

“’t Is wonderlijk!” riep hij uit, “dat is dezelfde Chinees van zeven jaar geleden en die ouwe vrouw ... dezelfde!

Je zou zeggen, dat ik van nacht gedroomd had van een zevenjarige reis door Europa! ... en, wel allemachtig! die steen daar is nog net zoo van zijn plaats als ik hem gelaten heb!”

Inderdaad zat de steen op den hoek van het wandelpad der Calle de la Sacristia nog los.

Terwijl hij bezig was dit wonder der stedelijke bestendigheid te beschouwen, werd er zacht een hand op zijn schouder gelegd. Hij hief het hoofd op en stond tegenover den ouden luitenant, [29]die hem bijna lachend aankeek; de krijgsman had niet meer de harde uitdrukking met de gefronste wenkbrauwen, die hem zoo zeer kenmerkte.

“Jongmensch, u moet voorzichtig zijn! Neem een les aan uw vader!” zeide hij.

“Neem me niet kwalijk, maar ’t komt me voor dat u veel van mijn vader gehouden heeft. Zou u me niet kunnen zeggen hoe ’t toch met hem gegaan is?” vroeg Ibarra hem aanziende.

“Hoe zoo, weet u dat dan niet?” vroeg de ander.

“Ik heb het don Santiago gevraagd, maar hij woû ’t me eerst morgen zeggen. Weet u ’t misschien?”

“Wel natuurlijk, net als iedereen! Hij is in de gevangenis gestorven.”

De jongeman trad een schrede terug en keek den luitenant strak aan.

“In de gevangenis? Wie is in de gevangenis gestorven?” vroeg hij.

“Mijn lieve man, uw vader: hij zat gevangen!” ging de krijgsman eenigszins verwonderd voort.

“Mijn vader ... in de gevangenis.. zat hij gevangen? Wat zegt u? Weet u wie mijn vader was? Bent u wel...?” vroeg de jonge man, den officier bij den arm vattend.

“Ik geloof, dat ik me niet vergis: ’t was don Rafael Ibarra.”

“Jawel, don Rafael Ibarra!” riep de jongeman zwakjes.

“Och, ik dacht dat u ’t wist!” mompelde de militair op medelijdenden toon, toen hij zag wat er in Ibarra’s ziel omging. “Ik veronderstelde, dat u..... maar laat u niet ontmoedigen! Hier kun je niet een eerlijk man zijn zonder ’s in de gevangenis gezeten te [30]hebben!”

“Ik moet aannemen dat u geen gekheid met me maakt”, hervatte Ibarra met flauwe stem na eenige oogenblikken zwijgens. “Kan u me ook zeggen waarom hij in de gevangenis was?”

De oude man scheen zich te bedenken.

“’t Verwondert mij zeer dat ze u heelemaal niet op de hoogte van uw familie-aangelegenheden gesteld hebben.”

“In zijn laatsten brief van een jaar geleden zeide hij mij, dat ik niet ongerust moest wezen als hij me niet schreef, want hij zou ’t erg druk hebben. Hij beval me aan voort te gaan met studeeren.... Hij zond me zijn zegen!”

“Nu, dan heeft hij u dien brief vlak voor zijn dood geschreven: ’t zal gauw een jaar zijn dat we hem in zijn dorp begraven hebben.”

“Om welke reden was mijn vader gevangen?”

“Om een zeer eervolle reden. Maar wilt u met me mee gaan? Ik ga naar de kazerne; ik zal ’t u onderweg vertellen. Geef u me maar een arm.”

Ze liepen een poos zwijgend naast elkaar voort: de oude man scheen na te denken en streek onderwijl aan zijn sik, als verwachtte hij daarvan inspiratie.

“Zooals u zeer goed weet”, begon hij, “was uw vader de rijkste man in de provincie en ofschoon hij bij velen bemind en geëerd was, waren er weer anderen die hem haatten of benijdden. Wij Spanjaarden, die naar de Filippijnen komen, zijn ongelukkigerwijze niet wat we moesten wezen; ik zeg dit zoowel voor een van uw voorouders, als voor uw vaders vijanden. De voortdurende vervanging door anderen, het zedelijk [31]verval van de hoogere kringen, het werken met kruiwagens, het goedkoope en korte van de reis: dat heeft de schuld van alles. Hier komt het uitvaagsel van ’t moederland en als er nog ’s een goede komt, dan bederft hij gauw hier in ’t land. Nu dan, uw vader had onder de pastoors en de geboren Spanjaarden heel veel vijanden.”

Hier zweeg hij even.

“Eenige maanden na uw vertrek begonnen de onaangenaamheden met pater Dámaso, zonder dat ik me de ware reden kan verklaren. Fray Dámaso beschuldigde hem dat hij niet biechtte: te voren biechtte hij evenmin en toch waren ze toen goede vrienden, zooals u zich nog wel herinneren zal. Bovendien was don Rafael een eerbaar man en rechtvaardiger in zijn handelingen dan velen die de biecht afnemen of ter biecht gaan.

“Don Rafael hield er voor zich zelf een zeer strenge moraal op na en wanneer hij me over die onaangenaamheden sprak zei hij altijd: ‘Meneer Guevara, gelooft u dat God een misdaad vergeeft, een moord bijvoorbeeld, alleen omdat men het aan een priester gezegd heeft, een man die ten slotte het recht heeft om de zaak te verzwijgen en omdat men bang is in de hel geroosterd te worden, wat ze berouw noemen? Omdat men laf is, en maar brutaal is op assurantie? Ik heb een ander idee van God,’ zeide hij; ‘voor mij wordt het eene kwaad niet met het andere hersteld en wordt er niet vergeven om ijdele huilpartijen, evenmin als om aalmoezen aan de kerk.’ En hij gaf me dit voorbeeld: ‘Als ik een huisvader [32]heb vermoord, als ik van een vrouw een ongelukkige weduwe gemaakt heb en hulpelooze weezen van gelukkige kinderen, zal ik dan aan de eeuwige gerechtigheid voldaan hebben door me te laten ophangen, het geheim aan iemand toe te vertrouwen die het bewaren zal door aalmoezen te geven aan de pastoors, die ze nog ’t minst noodig hebben, door de aflaat te koopen of nacht en dag te zitten snotteren? En ’t leven, dat verloren is gegaan, en de weezen? Mijn geweten zegt me, dat ik den vermoorde zoo goed mogelijk moet vervangen, dat ik me geheel-en-al voor mijn verdere leven aan het welzijn van ’t gezin moet wijden, dat ik ongelukkig gemaakt heb. En zelfs dan nog: Wie kan de liefde van echtgenoot of vader vergoeden?’

“Zoo redeneerde uw vader en met die strenge zedeleer trad hij steeds op, en men kan wel zeggen dat hij nooit iemand eenig leed heeft aangedaan. Integendeel: hij trachtte door goede werken zekere ongerechtigheden uit te wissen, die hij zeide dat zijn voorouders bedreven hadden. Maar om terug te komen op zijn onaangenaamheden met den pastoor, die namen een leelijken keer: pater Dámaso maakte toespelingen op hem van den kansel en ’t was wel een wonder dat hij hem niet met name noemde, want van zijn karakter was alles te verwachten. Ik voorzag dat vroeg of laat de zaak kwaad zou afloopen.”

De oude luitenant zweeg weer eenige oogenblikken.

“Er liep toen een gewezen kanonnier in de provincie rond, iemand die [33]om zijn al te groote domheid en onleerzaamheid eruitgezet was. Omdat de man niets had om van te leven en hij zich niet aan eenige handenarbeid mocht wijden van wege ons ‘prestige’ als blanken, kreeg hij van ik weet niet wie, het baantje van gaarder van de belasting op rijtuigen. De ongelukkige kerel had heelemaal geen opvoeding gehad en de inlanders leerden hem gauw kennen. Voor hen is een Spanjaard die niet lezen of schrijven kan een fenomeen. Overal werd hij voor den gek gehouden: hij betaalde de belasting die hij inde, met beleedigingen, en hij besefte dat hij een voorwerp van spot was. Dit maakte zijn karakter, dat al vanzelf ruw en boosaardig was, nog erger. Ze gaven hem met opzet geschreven bewijsjes omgekeerd, hij deed dan alsof hij lezen kon en teekende waar hij een wit plekje zag met een paar krabbels, die een handteekening moesten voorstellen. De inlanders betaalden maar hielden hem voor den gek. Hij slikte alles, maar hij inde zijn belasting en in deze stemming ontzag hij niemand. Met uw vader had hij zelfs hoogloopende standjes gehad.

“’t Gebeurde op een dag, terwijl hij bezig was een papier dat men hem in een winkel gegeven had te keeren en te draaien, met de bedoeling om het recht voor zich te krijgen, dat een schooljongen zijn kameraden naar hem wees, hem uitlachte en uitjouwde. De man hoorde het gelach, en zag een lachje spelen op de ernstige gezichten van de omstanders. Hij verloor zijn geduld, keerde zich snel om en begon de jongens na te loopen, die onder ’t wegloopen hem toeriepen, ‘ba, be, bi, bo, bu.’ Blind van woede [34]en niet in staat ze in te halen, smijt hij zijn stok naar hen, en die raakt er een op ’t hoofd, zoodat hij neervalt. Daarna loopt hij op hem toe, trapt en schopt hem, en geen van allen die hem bespot hadden, had de moed om tusschenbeide te komen. Tot zijn ongeluk kwam uw vader daar voorbij: woedend loopt hij op den belastinggaarder af, grijpt hem bij zijn arm en maakt hem uit voor al wat leelijk is. De man, die zeker alles rood zag van woede heft zijn hand op, maar uw vader gaf hem den tijd niet, en met de kracht die zijn Baskische afkomst verraadt ...sloeg hij hem volgens sommigen; anderen zeggen dat hij hem alleen maar een duw gaf. Maar in allen gevalle: de man wankelde, viel eenige passen verder neer en met zijn hoofd tegen een steen aan. Don Rafael nam kalmpjes den gewonden jongen op en bracht hem naar de rechtbank. De gewezen kanonnier braakte bloed en kwam niet meer bij: eenige minuten later was hij dood. Zooals natuurlijk was kwam de justitie tusschenbeide; uw vader werd gevangen genomen en toen verhieven zich al zijn verborgen vijanden. ’t Regende van lasterlijke aantijgingen: hij werd aangeklaagd als opstandeling (filibustero) en als ketter. Ketter te zijn is overal een groot ongeluk, vooral in dien tijd, toen de provincie bestuurd werd door een ‘alcalde’, die zich op zijn vroomheid liet voorstaan, die met zijn bedienden hardop zijn rozenkrans bad; misschien deed hij het opdat iedereen hem hooren en met hem samen bidden zou. Maar filibustero is erger dan ketter en veel erger dan drie belastinggaarders [35]vermoord te hebben, die allen lezen en schrijven kunnen. Iedereen viel hem af. Zijn papieren en boeken werden in beslag genomen. Men beschuldigde hem dat hij geabonneerd was op de Correo de Ultrámar en op de kranten van Madrid, dat hij u naar Duitsch-Zwitserland gezonden had, dat men bij hem gevonden had brieven en een portret van een veroordeelden priester, en weet ik wat niet al. Uit alles werden aanklachten gehaald, zelfs uit het feit dat hij een inlandsche ‘Camisa’ [soort lange kabaai2] droeg, terwijl hij afstammeling van echte Spanjaarden was. Als ’t een ander man was geweest, zou uw vader allicht gauw op vrije voeten gesteld zijn, want er was een dokter die den dood van den belastinggaarder aan een congestie toeschreef; maar zijn fortuin, zijn vertrouwen in ’t gerecht en zijn haat aan alles wat niet wettig of rechtvaardig was, brachten hem ten val. Ik zelf, al heb ik er een afkeer van om iemands genade in te roepen, ik ging naar den Capitán-General, onzen landvoogd vóór dezen dien we nu hebben. Ik legde hem uit dat iemand, die iederen Spanjaard, arme of landverhuizer in zijn huis ontvangt, hem spijst en huisvest en in wiens aderen nog het edele Spaansche bloed bruist, onmogelijk een ‘filibustero’ kon wezen. Tevergeefs stond ik er met mijn hoofd voor in, zwoer ik bij mijn armoede en mijn militaire eer. Ik kreeg alleen gedaan, dat ik slecht ontvangen, nog slechter weggezonden werd en den bijnaam opliep van ‘Chiflado’ (niet recht wijs).”

De oude man hield op om op adem te komen, en ziende dat zijn metgezel [36]zweeg en naar hem luisterde zonder hem aan te kijken, ging hij voort:

“Ik bemoeide me op verzoek van uw vader met de verdediging; ik wendde me tot den beroemden Filippijnschen advokaat, den jongen A., maar deze weigerde zich met de zaak in te laten. ‘Ik zou ze verliezen’, zei hij mij. ‘Mijn verdediging zou een nieuwe aanleiding zijn voor een aanklacht tegen hem en misschien ook tegen mij.

‘Ga u maar naar meneer M., dat is een hartstochtelijk redenaar, iemand met een makkelijk woord, Spanjaard van geboorte en die heel wat kan uitwerken.’ Zoo deed ik, en de beroemde advokaat belastte zich met de zaak, die hij meesterlijk en schitterend verdedigde.

“Maar er waren veel vijanden en sommigen daarvan waren verborgen en onbekend. ’t Krioelde van valsche getuigen en hun lasterpraatjes, die elders met een enkele ironische of sarkastische opmerking van den verdediger ontzenuwd waren geworden, werden hier dingen van beteekenis.

“Als de advokaat gedaan kreeg ze den kop in te drukken door er andere, die daarmee in onderlingen strijd waren tegenover te stellen, kwamen er dadelijk weer nieuwe beschuldigingen opzetten. Ze beschuldigden hem, dat hij zich wederrechtelijk van veel gronden had meester gemaakt; ze vroegen hem vergoeding van allerlei schade; ze zeiden, dat hij betrekkingen onderhield met de struikroovers (toelisan’s), om te maken dat ze zijn velden en zijn vee met rust lieten. Ten slotte raakte de kwestie zoo in de war, dat na [37]een jaar niemand er meer iets van begreep. De ‘alcalde’ moest er zijn baantje bij laten. Er kwam een ander, die den naam had van rechtschapen, maar ongelukkigerwijze bleef hij maar enkele maanden; zijn opvolger hield te veel van goede trekpaarden.

“Het lijden, de onaangenaamheden, de ongemakken van ’t gevangenis-leven, of de smart van zooveel ondankbaren te zien, pakten zijn ijzeren gestel zoodanig aan, dat hij de kwaal kreeg, waaraan alleen ’t graf een einde maakt. En toen alles uit zou wezen, toen hij vrijgesproken van de aanklacht van hoogverraad en moord op den belastinggaarder uit de gevangenis ontslagen zou worden, stierf hij daar zonder iemand bij zich te hebben. Ik kwam juist bijtijds genoeg om hem te zien sterven.”

De oude man zweeg. Ibarra zeide geen enkel woord. Intusschen waren ze aan de poort van de kazerne aangekomen. De militair stond stil en hem de hand toestekende, zeide hij:

“M’n beste jongen, vraag u de bijzonderheden maar aan Capitán Tiago. En nu, goeden nacht. Ik moet gaan kijken of er niets bijzonders is.”

Ibarra drukte hartelijk, maar zwijgend de magere hand en stil volgde hij hem met de oogen tot hij uit het gezicht verdween.

Hij keerde langzaam terug en zag een rijtuig voorbijkomen. Hij gaf een teeken aan den koetsier.

“Hôtel de Lala!” zeide hij nauw hoorbaar.

“Die komt zeker uit het cachot,” dacht de koetsier, terwijl hij een zweepslag aan de paarden gaf. [38]


1 “Calle” (spr. kaljee) is straat in ’t Spaansch.

2 Een soort bloes.—J.H.

[Inhoud]

V.

Een ster in den duisteren nacht.

Ibarra ging naar zijn kamer die op de rivier uitzag en liet zich in een leuningstoel neervallen, om door ’t open raam te turen naar de wijde ruimte daar voor hem.

In ’t huis aan den overkant was licht en gerucht van vroolijke stemmen; als hij een tooneelkijker gehad had, zou hij er heel wat bijzonderheden van ’t levendig schouwspel hebben kunnen waarnemen.

Doch Ibarra zag niets van dat al: zijn oogen aanschouwden heel wat anders. Vier kale, vuile muren omsloten een kleine ruimte; in een daarvan was heel in de hoogte een getralied venster; op den walgelijk smerigen vloer een mat en op die mat lag een zieltogende grijsaard. De oude man, die moeilijk ademhaalde, wendde den blik overal heen en sprak schreiend een naam uit. Hij was alleen. Men hoorde nu en dan het gedruisch van een ketting of een gekreun door den wand heen... en dan daar heel in de verte een vroolijk feest, bijna een bacchanaal, een jongmensch lacht, schreeuwt, giet wijn over de bloemen onder toejuiching en opgewonden gelach der anderen. En de oude man had de trekken van zijn vader, het jongmensch leek op hem en de naam door den ouden grijsaard weenend uitgesproken was de zijne!

De lichten in het huis aan den overkant werden uitgedaan, de muziek en het gedruisch hielden op, maar Ibarra hoorde nog de angstkreten van zijn vader, die den zoon zocht in zijn laatste ure. [39]

De stilte had haar hollen adem over Manila laten gaan en alles scheen te slapen in de armen van het niet. Men hoorde het hanengekraai afwisselen met de klokslagen der torens en met het klagelijk roepen van den druiligen schildwacht. Een stukje maan begon zich te vertoonen. Alles scheen te rusten, ja, zelfs Ibarra sliep ook reeds, wellicht vermoeid van de reis.

Doch de jonge Franciskaan, die kort te voren onbeweeglijk en stil naar de liefelijke verschijning had gekeken—het jonge meisje, dat het middelpunt had uitgemaakt van ’t feest aan den overkant—zonder aan de feestvreugde deel te nemen, sliep niet maar waakte. Met den elleboog op de vensterbank van zijn cel, het bleeke en magere gelaat geleund op de palm van zijn hand, staarde hij stil naar een verre ster, die daar schitterde aan den duisteren hemel. De ster verbleekte en verdween, de afnemende maan verloor haar flauwe glanzen, maar de monnik verroerde zich niet van zijn plaats: hij keek naar de verre kim, die wegzonk in de ochtendnevelen, naar het veld van Bagumbayan, naar de zee die nog lag te slapen.

[Inhoud]

VI.

Capitán Tiago.

Uw wil geschiede hier op aarde! Capitán Tiago was kort van gestalte, licht van huidskleur, rond van lichaam en gelaat, dank zij een overmaat van vet. Dit had hij van den hemel gekregen volgens zijn bewonderaars, van ’t bloed der armen volgens zijn vijanden. Zoo leek Capitán Tiago jonger dan hij werkelijk was. Men zou hem dertig of vijf-en-dertig [40]jaar gegeven hebben. De uitdrukking van zijn gezicht was in den tijd waarin ons verhaal speelt, steeds welzalig. Zijn schedel rond, klein en bedekt met haar zoo zwart als git, lang van voren en heel kort van achteren bevatte, naar men zeide, heel wat binnen zijn bolte. Zijn kleine oogen—die echter niet schuin stonden—veranderden nooit van uitdrukking. Zijn neus was fijn en niet plat en ware zijn mond niet vervormd geworden door het misbruik van tabak en “boejo” (sirih)—waarvan de “sepah”, samengedrukt binnenin zijn wang, de regelmaat van zijn trekken verstoorde—dan zouden we zeggen, dat hij zich gerust voor een knap man mocht houden en uitgeven, wat hij ook deed. In weerwil van dat misbruik hield hij zijn tanden echter steeds blank: zijn eigen en de twee die de tandmeester hem geleverd had tegen twee “duro’s” ’t stuk.

Men hield hem voor een van de rijkste grondeigenaars van Binondo, en een van de voornaamste landheeren, door de terreinen die hij in Pampanga en in de Laguna de Bay bezat, vooral in ’t dorp San Diego waarvan de canon of de pacht met ieder jaar steeg. San Diego was zijn lieveling-plaats om zijn aangename baden, zijn beroemde “Gallera”—strijdperk voor hanen—en de herinneringen die hij ervan bewaarde; daar bracht hij op zijn minst twee maanden door.

Capitán Tiago had veel eigen huizen in Santo Cristo, in de Anloague- en in de Rosario-straat. De opiumpacht was in zijn handen en in die van een Chinees, en het is onnoodig te zeggen dat ze er [41]samen kolossale winsten uithaalden. Hij zorgde voor het eten der gevangenen van Bilibid, en voor “zacate”—een paardenvoeder uit verschillende grassoorten bestaande—aan veel voorname huizen van Manila, bij kontraktlevering natuurlijk. Op goeden voet met alle overheids-personen, handig, buigzaam, en zelfs vermetel, waar ’t gold te speculeeren op den nood van zijn evenmensch, was hij de eenige en gevreesde mededinger van een zekeren Perez ter zake van verpachtingen en ’t publiek verkoopen van allerlei baantjes en bedrijven, die het bestuur der Filippijnen steeds aan den zorg van particulieren overlaat. Zoodat in het tijdperk dezer gebeurtenissen Capitán Tiago een gelukkig man was, voorzoover in die landen een man met een kleine schedel gelukkig kan wezen: hij was rijk, was op voet van vrede met Onzen Lieven Heer, met het gouvernement en met zijn medemenschen.

Dat hij op voet van vrede met God was, stond ontwijfelbaar vast, was bijna een dogma: er was geen enkel motief om niet wel met den goeden God te zijn, als men ’t goed heeft op aarde, wanneer men nooit met Hem omgegaan heeft en Hem ook nooit geld geleend heeft. Hij had zich in zijn gebeden nooit tot Hem gewend, zelfs niet in zijn grootsten nood: hij was rijk en zijn goud bad wel voor hem. Voor missen en smeekbeden had God immers machtige en trotsche priesters geschapen; voor novenen en rozenkransen had God armen geschapen ten gunste van de rijken, arme luitjes die voor éen “peso” bereid zijn, om zestien “mysteriën” af te bidden en al de heilige [42]boeken te lezen, tot zelfs den bijbel in ’t Hebreeuwsch als je den prijs wat verhoogde. En zoo hij ook al eens in een erg noodgeval geestelijke hulp noodig en zelfs geen enkele roode Chineesche kaars bij de hand had, dan wendde hij zich tot de mannelijke en vrouwelijke heiligen van zijn devotie en beloofde hun veel, om ze te verplichten en ze geheel en al te overtuigen van de goedheid zijner bedoelingen en verlangens. Doch de heilige aan wie hij ’t meeste beloofde en tegenover wie hij ’t meest zijn beloften nakwam, was de Heilige Maagd van Antipolo, onze Lieve Vrouw van Vrede en Goede reis; want tegenover sommige kleine heiligen was de man noch bijzonder stipt noch strikt eerlijk: soms, wanneer hij gekregen had wat hij wenschte dacht hij niet meer aan hen—’t is waar, dat hij ze dan ook niet meer lastig viel als de gelegenheid zich daartoe voordeed. Capitán Tiago wist, dat er in den kalender veel werklooze heiligen te bevinden waren, die wellicht daar boven in den hemel niet wisten wat ze doen moesten. Bovendien schreef hij aan de Lieve Vrouw van Antipolo grooter macht en baat toe dan aan al de andere Heilige Maagden. Die deur daar in de zaal, verborgen achter een zijden gordijn, leidt naar een kapelletje of “oratorio”, dat in geen enkel Filippijnsch huis mag ontbreken: daar staan de huisgoden van Capitán Tiago. Daar ziet men beelden van de Heilige Familie met bovenlijf en ledenmaten van ivoor, oogen van glas, lange wimpers en blond haar, puik beeldhouwwerk van Santa Cruz. Olieverf-schilderijen van Paco en Hermita [43]stellen martelingen van heiligen, wonderen van de Heilige Maagd enz. voor. Wie kan dat heirleger van beeltenissen opsommen en zeggen, welke glanzen en volmaaktheden daar in die schatkamer verscholen zijn? Er is daar ook een fraaie heilige Michaël van verguld en geschilderd hout, bijna een meter hoog: hij ziet er vreeselijk uit, draagt een Grieksch schild en zwaait in de rechterhand een Djolosche kris, klaar om den vrome of ieder ander die hem te na komt te treffen—zoo zou men zeggen—veeleer dan de gestaarte en gehoornde duivel, die zijn slagtanden in zijn juffer-been slaat. Capitán Tiago dorst hem nooit te naderen, zoo bang was hij voor een wonder. Had hij daar niet allerlei akeligheden van gelezen: je kon nooit weten. Capitán Tiago was een voorzichtig en godsdienstig man, hij kwam liever niet te dicht bij die kris van den heilige Michaël.

Er ging geen jaar voorbij, dat Capitán Tiago niet met een orkest deelnam aan de bedevaart naar Antipolo: dan bekostigde hij twee dankmissen van de vele, die de “novenario’s” vormden en de andere dagen vulden, waarop er geen novenario’s waren. Daarna nam hij een bad in de beroemde batis of bron, waar hetzelfde heilige beeld gebaad had. Daar bij die bron moest Capitán Tiago gebraden speenvarken eten, sinigang van dalag met bladeren van alibambang1 [44]en andere min of meer smakelijke gerechten. De twee missen kwamen hem op iets meer dan vierhonderd peso’s, maar dat was nog goedkoop als men naging, hoe de Moeder Gods geëerd werd met vuurzonnen, vuurpijlen, bommen en mortier-schoten; als men de groote winsten kon berekenen, die hij in den verderen loop van ’t jaar, dank zij die missen, zou maken.

Doch Antipolo was niet het eenige tooneel van zijn geruchtmakende vroomheid. Te Binondo, in Pampanga en in ’t dorp San Diego zond hij aan den pastoor goudstukken voor gunstig-stemmende missen, wanneer hij daar een grooten inzet gedaan had op een haan, die er voor hem vechten moest. Capitán Tiago hield er zijn voorteekenen op na: hij lette op de vlam der kaarsen, op het opstijgen van den wierook-walm, op de stem van den priester enz., en uit den indruk, dien hij daarvan kreeg, maakte hij zijn winkansen op. ’t Is algemeen bekend dat Capitán maar zelden een weddenschap verloor, en die enkele keeren was dat te wijten, of aan den dienstdoenden priester, die schor was, of ’t kwam omdat er weinig lichten aan waren, dat de waskaarsen veel talk bevatten, of dat er een valsch geldstuk tusschen de gezonden munten voorkwam, enz., enz. Dat waren immers maar kleine beproevingen des hemels om hem vaster in ’t geloof en in de devotie te maken. Bemind bij de pastoors, geëerbiedigd door de kosters, op de handen gedragen door de Chineesche kaarsen-verkoopers en vuurwerk-makers, was de man gelukkig in den godsdienst hier op aarde, en menschen van karakter en groote vroomheid [45]schreven hem ook grooten invloed toe aan ’t hemelsche Hof.

Dat hij in vrede leefde met het bestuur, daar viel niet aan te twijfelen, hoe moeilijk de zaak ook leek. Niet in staat om een nieuwe gedachte te vatten of voor te stellen en tevreden met zijn “modus vivendi”, was hij steeds bereid om te gehoorzamen aan ’t alleronbeduidendst ambtenaartje, om geschenkjes te zenden bestaande in hammen, kapoenen, kalkoenen, Chineesche vruchten op alle tijden van ’t jaar. Hoorde hij kwaad spreken van de inlanders, dan stemde hij, die zich niet tot hen rekende, dadelijk in met het koor en sprak nog erger kwaad; werd er kritiek geoefend op de Chineesche of Spaansche kleurlingen, dan kritizeerde hij hard mee; wellicht omdat hij zich voor een volbloed Spanjool hield. Hij was de eerste om iedere nieuwe belasting toe te juichen, vooral wanneer hij er een verpachting of kontraktje achter rook. Hij had altijd muziek-korpsen bij de hand om geluk te wenschen of serenades te brengen aan alle mogelijke gouverneurs, burgemeesters, fiskaals enz., enz., op hun heiligen- of jaardagen, bij geboorte of dood van een hunner bloedverwanten, in ’t kort bij iedere kleine afwisseling in de gewone eentonigheid van hun bestaan. Daarvoor liet hij dan lofdichten en hymnen schrijven.

Hij was voorzitter van de rijke vereeniging van kleurlingen. In de twee jaren van zijn bestuur werkte hij zich door tien “rokken”, evenzooveel hooge hoeden en een half dozijn stokken; de rok en de hoed in den gemeenteraad, in Malakanjang en in de kazerne; de hooge [46]hoed en de rok bij het hanengevecht, op de markt, bij de processies, in de winkels der Chineezen. En onder zijn hoed en in zijn rok zweette Capitán Tiago door ’t gezwaai met zijn stok met het kwastje, beredderde, regelde en ontredderde hij alles met een wonderbaarlijke bedrijvigheid en ernst, die nog wonderbaarlijker was. Zoo zagen de autoriteiten in hem een man bezield met den besten wil, vreedzaam, onderworpen, gehoorzaam, niet wars van onthalen en aanhalen, die nooit een enkel boek of tijdschrift uit Spanje las, ofschoon hij goed Spaansch sprak. Ze beschouwden hem met de gewaarwording, waarmee een arm student kijkt naar de afgesleten hak van zijn ouden schoen, scheefgetrokken door zijn manier van loopen.—Op hem waren de beide zaligsprekingen—christelijk en profaan—van toepassing: “zalig zijn de armen van geest” en “zalig zijn de bezitters.” De onvromen hielden hem voor een zot, de armen voor een hardvochtig uitbuiter der ellende, en zijn ondergeschikten voor een dwingeland. En de vrouwen? Och, och, de vrouwen! Laster-geruchten gonsden in de armzalige nipah-huisjes en men verzekert dat er daar klachten en snikken gehoord werden, vermengd nu en dan met het gekrijt van een kind. Meer dan één jong meisje werd met den vinger smadelijk nagewezen door de dorpsmenschen: ze kijkt met doffen blik en haar boezem is verwelkt. Doch deze dingen benamen hem den slaap niet. Geen enkel jongmeisje roofde hem zijn rust: ’t was een oudje, dat hem lijden deed, een oudje dat hem concurrentie aandeed in de vroomheid en dat van de pastoors [47]meer geestdriftige loftuitingen en vleitaal verdiend had dan hij in zijn beste dagen had kunnen verwerven.

Tusschen Capitán Tiago en deze weduwe, erfgename van broeders en neven, bestond een heilige wedijver die der kerk tot heil strekte, evenals de concurrentie der stoombooten van Pampanga toentertijd ten goede kwam aan het publiek.

Gaf Capitán Tiago een zilveren stok met smaragden en topazen aan de een of andere Heilige Maagd, wel dan was Doña Patronicio al aan ’t bestellen van een ander van goud met diamanten bij den juwelier Gadáunez. Richtte Capitán Tiago voor de processie van kerstmis een eereboog op met twee vlakken, van opgebold doek met spiegels, glazen ballons, lampen en kronen, dan wist Doña Patronicio er voor een te zorgen met vier vlakken, twee el hooger, met meer behangsels en sieraden. Doch dan nam hij zijn toevlucht tot zijn specialiteit: tot de missen met bommen en vuurwerk, en dan moest Doña Patronicio met haar tandvleesch op haar lippen bijten; want, daar ze erg zenuwachtig was, was ze niet in staat het klokken-gelui en nog minder het geknal van ’t vuurwerk te verdragen. Terwijl hij in zijn vuistje lachte, zon zij op wraak en betaalde met het geld van anderen de beste redenaars van de vijf corporaties te Manila, de beroemdste kanunniken der kathedraal en zelfs de Paulisten, om op de plechtige dagen over theologische en zeer diepzinnige onderwerpen te prediken tot de zondaren, die alleen wat straat-Spaansch verstonden. Geen wonder dat Capitán Tiago haar uit den grond [48]van zijn hart het verlies van vijf of zes van haar processen of, nog liever, een zalig maar spoedig uiteinde toewenschte. Maar ze had goede advokaten en een gezondheid, waar geen ziekte vat op had. Als ze ooit heilig verklaard werd—wat haar vereerders vast geloofden—dan was Capitán Tiago bereid haar zelfs aan de altaren te aanbidden, mits ze maar spoedig hemelwaarts trok.

Zoo was Capitán Tiago toen. Wat zijn verleden aangaat, hij was de eenige zoon van een suikerplanter van Malabón, tamelijk welgesteld, maar zoo gierig dat hij geen rooie duit wilde uitgeven voor de opvoeding van zijn zoon. Daarom werd de kleine Santiago bediende bij een goeden dominikaan, een zeer deugdzaam man, die hem al het goede dat hij kon en wist, trachtte te leeren. Toen hij juist aan de studie van “de logica” zou beginnen, stierf zijn beschermer en kort daarop zijn vader, zoodat er een eind kwam aan zijn studiën. Toen moest hij zich aan de zaken wijden. Hij trouwde met een mooi meisje uit Santa Cruz, dat hem hielp fortuin maken en hem zijn maatschappelijke positie gaf. Doña Pia Alba vergenoegde zich niet met het opkoopen van suiker, koffie en indigo: ze woû zaaien, en zoo kocht het nieuwe echtpaar grond in San Diego. Van dien tijd dateerde zijn vriendschap met pater Dámaso en met Rafael Ibarra, toenmaals de rijkste kapitalist van ’t dorp.

Het uitblijven van een erfgenaam in de eerste zes jaren van zijn huwelijk maakte van dat streven naar rijkdom bijna een laakbare eerzucht, en toch was Doña Pia welgevormd, sterk en gezond. Hij probeerde van alles: liet missen [49]lezen, bezocht heilige plaatsen, gaf aalmoezen en meer zoo, maar alles te vergeefs. Totdat Fray Dámaso hem aanraadde naar Obando te gaan; daar danste hij ’t feest van San Pascual Bailón en vroeg om een zoon. ’t Is bekend dat er te Obando een Drievuldigheid is, die zoons en dochters schenkt ter keuze: Onze lieve Vrouw van Salambau, de heilige Clara en San Pascual. Dankzij deze wijze raad, voelde Doña Pia, dat ze moeder zou worden.... Ach, ’t ging haar als de visscher uit Macbeth, die ophield met zingen, toen hij een schat gevonden had: zij verloor haar vroolijkheid, werd bedroefd en men zag haar niet meer lachen. Och, allemaal grilletjes van een zwangere! zei iedereen, tot zelfs Capitán Tiago. Een kraamkoorts maakte een einde aan haar droefheid, terwijl ze een mooi dochtertje als weesje achterliet. Fray Dámaso hief het zelf ten doop. En daar San Pascual niet de jongen geschonken had, waarom hij gevraagd was, gaven ze haar de namen Maria Clara ter eere van de Maagd van Salambau en Santa Clara, terwijl San Pascual Bailón tot straf verloochend werd. Het meisje groeide op onder de verzorging van tante Isabel, de pater vereerende oude, die wij in ’t begin van ons verhaal hebben ontmoet. Ze woonde het grootste deel van ’t jaar te San Diego om het gezonde klimaat, en daar vertroetelde Fray Dámaso zijn petekind. Maria Clara had niet de kleine oogen van haar vader: evenals haar moeder had zij ze groot, donker, overschaduwd door lange wimpers, vroolijk en lachend wanneer ze speelde, droevig, diep en peinzend wanneer ze stemmig keek. Als kind had haar lokkig haar een bijna [50]blonde tint. Haar neus was zuiver geteekend en noch scherp noch plat; de mond herinnerde aan de kleine en bevallige van haar moeder, met de snakige kuiltjes in de wangen. Haar huid had de fijnheid van een uie-schilletje en de witheid van katoen, zooals haar dolverliefde familieleden zeiden, die de trek van Capitán Tiago’s vaderschap herkenden in Maria Clara’s kleine en welgevormde ooren.

Tante Isabel schreef die eigenaardigheden toe aan zwangerschaps-invloeden bij Doña Pia: ze herinnerde zich dat ze haar in de eerste maanden herhaalde malen had zien schreien voor de beeltenis van den heiligen Antonius. Een andere nicht van Capitán Tiago was van hetzelfde gevoelen: alleen verschilde die in de keuze van heilige. Voor haar was het òf de Heilige Maagd, òf Sint Michaël. Een beroemd wijsgeer, neef van Capitán Tiago, en die zijn Amat2 uit het hoofd kende, zocht de verklaring in planeet-invloeden.

Maria Clara, afgod van iedereen, groeide op onder lachjes en liefkozingen. Zelfs de geestelijke broeders vertroetelden haar, wanneer ze haar bij de processies in ’t wit kleedden, haar weelderige lokkentooi doorstrengeld met tjempaka’s en leliën, met twee zilveren en gouden vleugeltjes aan den rug van haar kleedje en twee witte duiven met blauwe lintjes vastgemaakt, in de hand. En dan was ze zoo vroolijk, ze kon zoo echt kinderlijk babbelen, dat Capitán Tiago buiten zich zelve van liefde voor haar, niet [51]ophield met de heiligen van Obando te zegenen en iedereen aan te raden er zich mooie beeldjes van aan te schaffen.

In tropische landen wordt een meisje van dertien of veertien jaar vrouw, gelijk de bloemknop, die ’s nachts nog gesloten den volgenden ochtend reeds bloem is. In dit overgangstijdperk vol mysteriën en romantisch gedweep ging Maria Clara op raad van den pastoor van Binondo naar de kloosterschool van Santa Catalina, om van de nonnen daar een strenge, godsdienstige opvoeding te erlangen. Met tranen nam ze afscheid van pater Dámaso en van den eenigen vriend met wien ze in haar kindsheid gespeeld had, van Crisóstomo Ibarra, die daarna ook naar Europa vertrok. Daar in het klooster, dat met de buitenwereld slechts verbinding had door een dubbel tralie-werk vóór de vensters en dan nog alleen onder toezicht van de “waakzuster”, bracht ze zeven jaar van haar leven door.

Ieder met zijn bijzondere oogmerken en de wederzijdsche genegenheid der jongelieden begrijpende, kwamen don Rafael en Capitán Tiago overeen hun kinderen te laten trouwen en vereenigden ze zich onder een firma. Deze gebeurtenis, die plaats had eenige jaren na het vertrek van den jongen Ibarra, werd met gelijken jubel gevierd door twee harten, die elk in een uiteinde der wereld en in zeer verschillende omstandigheden verkeerden.


1 Sinigang is onze pindang (visch-soep); dalag (ophiocephalus) groeit in de rivieren, meeren en moerassen en vindt men in den regentijd op de rijstvelden en ondergeloopen landen; alibambang is de bauhinia malabarica Roxb.

2 De “Biblia” (bijbel) van Torres Amat, aartsbisschop van Tarrogona.

[Inhoud]

VII.

Idylle op een plat dak.

Tante Isabel en Maria Clara waren dien morgen vroeg naar de mis gegaan; [52]deze smaakvol gekleed, met een rozenkrans van blauwe kralen, die haar half als armband diende en de ander met haar bril op, om gedurende het Heilige Offer het “Anker der Redding” te lezen.

Nauw was de priester van ’t altaar verdwenen of het jonge meisje gaf haar verlangen te kennen om heen te gaan, tot groote verwondering en ergernis der goede tante, die haar nichtje voor vroom en bidvaardig hield, niet minder dan een non. Morrend en onder ’t slaan van kruisjes stond de goede oude op.

“Och, de goede God zal ’t wel vergeven. Hij zal ’t hart van de jonge meisjes wel beter kennen dan u, tante,” had de ander tot haar gezegd, om een einde te maken aan haar strenge, hoewel tenslotte moederlijk-bedoelde verwijten.

Nu waren ze bedaard en Maria Clara gaf afleiding aan haar ongeduld met het haken van een zijden beursje, terwijl tante de sporen van ’t afgeloopen feest wilde uitwisschen en haar veeren stoffer begon te hanteeren. Capitán Tiago was bezig wat papieren na te kijken en door te lezen.

Ieder gedruisch op straat, ieder rijtuig dat voorbijkwam, deed den boezem van ’t meisje popelen en beven. Ach, nu wou ze wel weer in ’t rustige klooster wezen, onder haar vriendinnen! Daar kon ze “hem” ten minste zonder angst of verlegenheid te zien krijgen....

“Ik geloof, Maria, dat de dokter gelijk heeft,zei Capitán Tiago. “Je moet naar boven, je bent erg bleek, je hebt verandering van lucht noodig. Wat dunkt je, Malabón....of San Diego?”

Bij dezen laatsten naam werd Maria [53]Clara zoo rood als een klaproosje en kon ze niet antwoorden.

“Je moet nu maar met tante Isabel naar de kloosterschool gaan om je kleeren te halen en afscheid te nemen van je vriendinnen,” ging Capitán Tiago voort, zonder ’t hoofd op te heffen, “je gaat er daarna niet meer heen.”

Maria Clara voelde dien vagen weemoed, welke zich meester maakt over de ziel, wanneer men voor altijd een oord gaat verlaten, waar men gelukkig geweest is, doch een andere gedachte verdreef die smart.

“En over vier of vijf dagen, wanneer je je goed hebt, gaan we naar Malabón.... je peetvader is niet meer in San Diego. De pastoor, dien je gisteravond hier gezien hebt, die jonge pater, is de nieuwe pastoor dien we daar nu hebben. ’t Is een heilige.”

“San Diego staat haar beter aan, neef!” merkte tante Isabel op. “Bovendien hebben we daar een beter huis en het feest is op komst.”

Maria Clara had haar tante wel willen omhelzen, maar ze hoorde een rijtuig stilstaan, en werd bleek.

“O ja, dat is waar!” antwoordde Capitán Tiago en van toon veranderend, hervatte hij:

“Don Crisóstomo!”

Maria Clara liet het werkje vallen, dat ze in de hand had; ze wilde opstaan, maar ze kon niet, een zenuwachtige huivering ging haar door ’t lichaam. Men hoorde stappen op de trap en daarna een heldere mannelijke stem. Als had die stem tooverkracht bezeten, onttrok het jongemeisje zich aan haar ontvoering en liep hard weg, om zich [54]te verschuilen in het bidkapelletje, waar de heiligenbeelden stonden. Neef en nicht begonnen te lachen en Ibarra hoorde nog het gedruisch van een deur die gesloten werd.

Bleek, snel ademend, drukte het jongemeisje de handen op haar popelenden boezem en wilde luisteren. Ze hoorde de stem, die zoo geliefde stem, die ze nu al zoolang alleen in haar droomen gehoord had. Hij vroeg naar haar. Dol van vreugde kuste ze den heilige, die ’t dichtst bij de hand stond, den heiligen Antonius. Daarna zocht ze een gaatje om naar hem te kijken, hem op te nemen; ze zag door ’t sleutelgat, dat hij glimlachte en toen haar tante haar in haar aanschouwing stoorde, sloeg ze, zonder goed te weten wat ze deed, haar armen om den hals van ’t oudje en overstelpte haar met kussen.

“Maar, dwaas kind, wat scheelt je?” kon de oude ten slotte uitbrengen, terwijl ze een traan uit haar verwelkte oogen wegpinkte.

Maria Clara werd verlegen en bedekte zich de oogen met haar molligen arm.

“Kom, maak je klaar, gauw!” voegde de oude op hartelijken toon eraan toe, “terwijl hij met je vader over jou spreekt... kom, laat hem niet op je wachten.”

De jonge vrouw liet zich leiden als een kind en beiden sloten zich op in haar kamer.

Capitán Tiago en Ibarra waren in levendig gesprek toen tante Isabel verscheen, die haar nichtje half met zich meesleepte, terwijl deze overal heen keek, behalve naar de menschen.

Zij en de jonge man wisselden daarna [55]slechts één blik: hun ontroering vond geen woorden.

En daarna, toen het verliefde paartje, vluchtend voor den stoffer van tante Isabel die zich weer roerde, naar het platte dak ging om vrij te praten, wat vertelden ze elkaar toen daar tusschen de kleine klimop-leidingen, zoodat gij ervan huiverdet, roode bloempjes van ’t “engelen haar”? Vertelt het, gij die geuren in uw adem, kleuren op uw lipjes hebt; gij zefir die vreemde melodieën leerdet in ’t geheim van den duisteren nacht, in ’t mysterie onzer maagdelijke wouden; vertelt het, zonnestralen, schitterende openbaring des Eeuwigen op aarde, eenig onstoffelijk wezen in de wereld van materie, vertelt het, gij, want ik vind niets dan prozaïsche malligheid!

Maar nu gij niet wilt, zal ik ’t zelf toch maar probeeren.

De hemel was blauw. Een frisch windje, dat niet naar rozen rook, bewoog de bladeren en bloemen der klimplanten—daarom huiverde het “engelen haar”—de glazen ballons, de gedroogde visschen en de Chineesche lampen. Het geplas van een “sagoean” (roei-riem uit één stuk hout) in de troebele wateren der rivier, het rollen der rijtuigen en karren over de Binondo-brug drongen duidelijk tot hen door; maar niet wat de tante mompelde:

“Heel goed zoo, daar worden jullie door de heele buurt in ’t oog gehouden”, zeide zij.

In ’t eerst zeiden ze alleen maar dwaasheden, die zoete dwaasheden veel gelijkend op grootspraak voor de Europeesche menschen; smakelijk als honig [56]voor de lieden van ’t land, maar lach- of ergernis-wekkend voor vreemdelingen.

“Heb je altijd aan me gedacht?” vraagt zij jaloersch. “Heb je me op je vele reizen niet vergeten? Zooveel groote steden met zooveel mooie vrouwen!”....

Hij weet de vragen te ontwijken en is een beetje vrij met de waarheid.

“Zou ik je kunnen vergeten?” antwoordt hij, terwijl hij verrukt in haar donkere pupillen staart. “Kon ik ooit een heilige belofte schenden? Herinner je je dien stormachtigen nacht nog wel toen je me zoo alleen zag schreien bij ’t lijk van mijn moeder en je naar mij toekwam, je hand op mijn schouder lei—je hand, die je me al een heelen tijd niet toeliet vast te houden—en dat je toen tegen me zei: ‘Gij hebt je moeder verloren: ik heb er nooit een gehad’... en dat je toen samen met me schreide? Jij hield van haar en zij van jou als van een dochter. Buiten regende en donderde het, maar ’t was me of ik muziek hoorde, alsof ik het bleeke gezicht van de doode zag glimlachen.... O, als mijn ouders nog leefden... en je konden zien! Ik greep toen je hand en die van mijn moeder, ik zwoer je lief te hebben en je gelukkig te zullen maken, welk lot me ook door den hemel beschoren zou worden. Die eed heeft me nooit bezwaard, en daarom vernieuw ik dien nu. Kon ik je vergeten? Je leek me daar in ’t verre Europa mijn fee, de geest, de dichterlijke vleeschwording van mijn vaderland, mooie, eenvoudige, kinderlijke dochter van ’t Filippijnsche land, ’t heerlijke land, dat de deugden van ’t Spaansche moederland vereenigt met de schoone eigenschappen van [57]een jong volk, zooals zich in jouw wezen al het schoone van beide rassen vereenigt. Daarom smelten de liefde voor jou en die ik mijn vaderland toedraag inéén. Hoe kon ik je vergeten? Overal stond je beeld me voor den geest, overal was ’t of ik je naam hoorde. Waar ik ook was, in Duitschland met zijn koude winters, zijn lange nachten en schemeravonden, in ’t zonnig Italië en de heerlijke landschappen van Andaloezië, waar de lucht vol is van geuren, waar overal oostersche herinneringen zweven, daar spraken me al de poëzie en al de kleurenpracht van jouw liefde...”

“Ik heb niet zooveel gereisd als jij: ik ken alleen Manila en Antipolo—jouw land,” antwoordde zij glimlachend; “maar van ’t oogenblik dat ik je vaarwel zei en naar ’t klooster ging, heb ik altijd aan je gedacht en ik heb je niet vergeten, wat mijn biechtvader me ook beval en welke boetedoeningen die me ook oplegde. Ik herinner me alles van onze spelen, van onze ruzies, toen we kleine kinderen waren. Herinner je je nog dien keer, toen je werkelijk boos waart? Ik vond het toen vreeselijk, maar later in ’t klooster lachte ik erom en verlangde er naar, dat ik weer ’s zoo ruzie met je kon hebben... om dan daarna weer goede vrienden te worden. Weet je nog toen we met je moeder samen in dat beekje gingen baden? Jij was, toen ik de mooie vlinders achterna liep, ineens weg en toen je terugkwam had je een krans van blaren en bloemen bij je; dien zette je op mijn hoofd en noemde me Cloë. Ik maakte er toen ook een voor jou van klimop. Maar je moeder pakte gauw [58]mijn krans, wreef die fijn met een steen, samen met de ‘gogo’—een soort ‘merang’—waarmee ze onze hoofden zou wasschen. Jij kreeg tranen in de oogen en zei, dat zij niets van de mythologie begreep. ‘Och, domme jongen,’ antwoordde je moeder toen, ‘je zult merken, hoe lekker je haren straks zullen ruiken.’ Ik begon te lachen, jij waart boos, je wou niet met me praten en de rest van den dag keek je zoo ernstig, dat ik wel lust had om te huilen. Toen we teruggingen naar ’t dorp en de zon zoo vreeselijk brandde, plukte ik salie-blaren voor je, die aan den kant van den weg groeiden en ik gaf je die, om ze in je hoed te doen, dat je geen hoofdpijn zou krijgen. Toen lachte je weer, ik greep je hand en we waren weer goeie maatjes.”

Ibarra keek erg gelukkig, haalde zijn zak-portefeuille voor den dag en nam er een papier uit, waarin een paar zwartachtige droge en geurige blaadjes ingepakt waren.

“Jouw salie-blaadjes!” antwoordde hij op haar blik.

“Dat ’s alles wat je me ooit gegeven hebt.”

Zij haalde op haar beurt snel een zakje van wit satijn uit haar boezem.

“Afblijven!” riep ze, en gaf hem een tik op zijn hand.

“Niet aankomen: dat ’s een afscheidsbrief.”

“Is het de brief, dien ik je voor mijn vertrek geschreven heb?”

“Heb je me soms ooit een andere geschreven, mijn heer?”

“En wat had ik je daarin te vertellen?”

“O, ’n boel fopperij!” antwoordde zij [59]lachend, terwijl ze te kennen gaf hoe welgevallig haar die leugentjes waren. “Stil! ik zal je den brief voorlezen, maar ik zal je verliefderigheden maar overslaan, om je te sparen.”

En het blad papier op de hoogte van haar oogen houdende, om te maken, dat de jongeman haar gezicht niet zag begon ze:

“Mijn... ik lees niet wat er nu volgt, want dat is een leugentje,” en ze doorliep eenige regels met de oogen. “Mijn vader staat erop, dat ik vertrekken zal, in weerwil van mijn smeeken.—“Je bent nu een man, heeft hij tot me gezegd, je moet de wetenschap van ’t leven leeren: die kan je eigen land je niet geven; dan kun je later nuttig zijn voor je vaderland. Als je bij mij blijft, in deze atmosfeer van vooroordeelen, zal je gezichtskring nooit ruim worden. En wanneer je eenmaal alleen staat, zal je gaan als de plant, waarvan onze dichter Baltasar spreekt: “Opgegroeid in ’t water, verwelken haar bladeren, zoodra men ze maar een korten tijd niet begiet. Een oogenblik van hitte doet haar verdorren.” Wel, kijk, je bent bijna een jonge man, en je schreit nog!”—Dit verwijt trof me en ik bekende, dat ik je liefhad. Mijn vader zweeg, dacht even na en zijn hand op mijn schouder leggend, zeide hij me met bevende stem: “Denk je, dat jij alleen kunt liefhebben, dat je vader niet van jou houdt en ’t niet naar vindt van je te scheiden? Kort geleden hebben we je moeder verloren. Ik word al zoetjes-aan oud, en ik kom zoo op den leeftijd, dat men den steun en de troost aan de jeugd zoekt. En toch aanvaard ik mijn [60]eenzaamheid, al weet ik ook, dat ik je misschien nooit terugzie. Maar ik moet aan dingen van grooter belang denken... De toekomst opent zich voor je, voor mij gaat ze sluiten. Jouw liefdesleven begint net, ’t mijne gaat verdwijnen. Bij jou kookt het bloed in de aderen, bij mij dringt de koude erin. En toch schrei je, en kun je ’t heden niet opofferen voor een morgen, die nuttig kan wezen voor jou en voor je land!”—Mijn vaders oogen vulden zich met tranen, ik viel voor hem op de knieën, omhelsde hem, vroeg hem om vergiffenis en zeide hem dat ik bereid was te vertrekken.”

Ibarra’s ontroering belette haar verder te lezen: de jongeman was bleek, en stapte van ’t eene uiteinde van het platte dak naar ’t andere.

“Wat scheel je? wat is er?” vroeg zij hem.

“Jij hebt me doen vergeten, dat ik mijn plichten heb, dat ik nu dadelijk naar ’t dorp moet vertrekken. Morgen is het Allerzielen.”

Maria Clara zweeg, zag hem een oogenblik met haar groote droomoogen aan en een paar bloemen plukkende zeide ze aangedaan:

“Ga, ik hou je niet tegen. We zien elkaar over eenige dagen terug! Leg die bloemen op ’t graf van je vader!”

Eenige oogenblikken later ging de jongeling de trap af, vergezeld door Capitán Tiago en tante Isabel, terwijl Maria Clara zich in het bidkapelletje opsloot.

“Wees zoo goed aan Andeng te zeggen dat ze het huis in orde moet maken want Maria en Isabel komen [61]gauw! Goeie reis!” zeide Capitán Tiago, terwijl Ibarra in ’t rijtuig stapte, dat daarop wegreed in de richting van het San Gabriël-plein.

En toen zeide hij bij wijze van troost tot Maria Clara, die lag te schreien naast een beeld van de Heilige Maagd:

“Kom, steek twee kaarsen van twee realen aan, de één ter eere van San Rogue en de ander voor San Rafael, de schutspatroon der reizigers! Steek ook de lamp aan van onze Lieve Vrouw van Vrede en Goede Reis, want er zijn een boel toelisan’s (roovers). ’t Is beter nu vier realen te besteden aan was en zes voor olie dan later een bom duiten te moeten uitgeven als losgeld.

[Inhoud]

VIII.

Herinneringen.

Ibarra’s rijtuig reed door de drukste buitenwijk van Manila. Wat hem den vorigen nacht droevig gestemd had, deed hem nu bij daglicht ondanks zichzelf glimlachen.

De levendigheid, die zich overal vertoonde, zooveel rijtuigen die daar hoen en weer voorbijschoten, de vrachtkarren, de kalessen, de Europeanen, de Chineezen, de inlanders, ieder in zijn kleederdracht, de fruitverkoopers, de makelaars, de naakte sjouwers, de stalletjes met eetwaren, de hôtels, “de restaurants”, de winkels, tot zelfs de zware karren getrokken door de onverstoorbare onverschillige buffels, die er pleizier in schenen te hebben al filosofeerend vrachten voort te slepen, alles, ’t gedruisch, de bedrijvigheid, ja zelfs de zon, een zekere bijzondere lucht die er hing, de bonte kleuren, wekten [62]in zijn gedachten een wereld van sluimerende herinneringen.

De straten waren nog ongeplaveid. Twee dagen achtereen scheen de zon, en de begane grond zette zich om in stof, dat alles bedekte, de voorbijgangers deed hoesten en hun oogen blind maakte; ’t regende een dag en er ontstond een moeras, dat ’s avonds de rijtuiglantaarns weerspiegelde, en ze op vijf meter afstand op de smalle wandelpaden bespatte. Hoeveel vrouwen hadden er niet in die moddergolven hun geborduurde muiltjes laten steken!

Men zag toen een rij dwangarbeiders langs de straat gaan, met geschoren hoofd, gekleed in een hemd met korte mouwen en een broekje tot aan de knieën met nummers en blauwe letters erop; aan de beenen hingen kettingen, half gewikkeld in vuile lappen om de schuring of wellicht de koude van ’t ijzer te ontgaan; twee aan twee aan elkaar verbonden door een touw, geblakerd door de zon, op van hitte en vermoeienis, aangedreven en geranseld met een stok door een anderen dwangarbeider, voor wien ’t wellicht een troost was, dat hij op zijn beurt anderen kon mishandelen.

Het waren lange mannen, met sombere gelaatstrekken, waarop hij nog nooit de opflitsing van een lach gezien had; hun oogen echter schoten vonken, telkens wanneer de stok zwiepend op hun schouders neerkwam, of wanneer een voorbijganger hun een half afgebrand en afgezogen eindje sigaar toewierp; de dichtst bij zijnde greep het en verborg het in zijn salákot,1 de overigen [63]keken met een zonderlinge blik naar de andere voorbijgangers. Het was Ibarra als hoorde hij nog het gedruisch dat ze maakten bij ’t stukslaan van steenen, om de kuilen op straat aan te vullen en ’t vroolijk tingelen der zware voetboeien aan hun gezwollen enkels. Hij herinnerde zich huiverend een tooneel, dat op zijn kinderlijke verbeelding een diepen indruk gemaakt had: het was middag en de zon liet haar gloeiende stralen loodrecht neervallen. In de schaduw van een houten kar lag een dier mannen, levenloos met halfgeloken oogen. Twee anderen waren zwijgend bezig een rotan draagbaar klaar te maken, zonder toorn, zonder smart, zonder ongeduld, zooals ’t eigenaardig karakter der inboorlingen meebrengt.—“Vandaag jij, morgen wij,” zeiden ze zeker bij zichzelven. De menschen liepen haastig voorbij zonder er acht op te slaan; de vrouwen gaven onderweg één blik en gingen verder. Het schouwspel was zoo gewoon, het had de harten ongevoelig gemaakt. De rijtuigen snorden voorbij en weerkaatsten op hun glanzend vernis de stralen dier schitterende zon in den wolkenloozen hemel. Hij alleen, de elf-jarige knaap, zoo pas uit het dorp gekomen, was ontroerd en de volgende nacht kreeg hij alleen er een nachtmerrie van.

De goede eerwaardige Puente de Barcas, die echt-Filippijnsche brug, die al haar best deed om te dienen, in weerwil van haar natuurlijke onvolkomenheden, die zich ophief en weer neerzakte al naar de grillen der Pasig-rivier, en door deze meer dan eens gebeukt en vernield.

De amandel-boomen der Plaza de San [64]Gabriel waren niet grooter geworden, ze bleven achterlijk in hun groei.

De Escolta-straat leek hem fraaier, al nam ook een groot gebouw met steunbeelden de plaats in van haar oude camarines—de lage gebouwtjes met de Chineesche winkels erin. De Puente de España, een nieuwe brug, trok zijn aandacht. De huizen aan den rechteroever der rivier tusschen rietbosschen en geboomte, daar ginds waar de Escolta eindigt en het eiland Isla del Romero begint, brachten hem de frissche ochtenden in herinnering, toen hij daar met zijn vrienden voorbijvoer in een banca—een klein nauw schuitje—om naar de baden van Ulf Ulf te gaan.

Hij kwam tal van rijtuigen tegen, getrokken door prachtige spannen dwergpaarden: binnenin zaten ambtenaren die nog half slapend naar hun bureau gingen, militairen, Chineezen, in patserige en potsierlijke houdingen, deftige monniken, kanunniken enz. In een smaakvolle victoria meende hij Padre Dámaso te herkennen—ernstig en met gefronste wenkbrauwen. Maar deze was al voorbij en thans groette hem vroolijk uit zijn rijtuig Capitán Tinong die daar met vrouw en beide dochters aankwam.

Bij ’t afgaan van de brug zetten de paarden er den draf in, koersnemende naar de wandelplaats de la Sabana. Links klonk uit de sigaren-fabriek van Arroceros het gebeuk der sigaren-maaksters op de tabaks-blaren. Ibarra kon niet nalaten te glimlachen, toen hij zich dien sterken geur herinnerde, om vijf uur in de namiddag de Puente de Barcas omzwevend en die hem als kind misselijk [65]maakte. Het levendige gepraat, de kwinkslagen die hij hoorde, voerden werktuigelijk zijn verbeelding naar de wijk Lavapiés te Madrid met haar sigaren-maaksters, die er zoo vaak opstootjes maken!

De botanische tuin verjoeg zijn lachende herinneringen. Ibarra keek een anderen kant uit—’t was een treurig schouwspel vergeleken bij wat hij elders, ook in andere koloniën gezien had. Hij keek naar rechts, en daar zag hij ’t oude Manila, nog omringd door zijn vestingwerken en grachten als een armbloedig jongmeisje in een japon uit de dagen van haar grootmoeder.

Hij zag in de verte de zee, en dacht aan ’t verre Europa met de geestelijk-ontwikkelde volkeren, die ’t stoffelijke niet veroordeelen en niettemin geestelijk meer zijn dan die welke zich erop laten voorstaan, dat ze ’t geestelijke vereeren!...

De heuvel, eenigszins afgezonderd staande naast de wandelplaats de la Luneta2, trok thans zijn aandacht.

Hij dacht aan den man, die hem de oogen zijns geestes geopend had, die hem het goede en rechtvaardige had leeren begrijpen. De denkbeelden die hij hem bijgebracht had waren niet veel, dat is waar, maar ’t waren geen ijdele napraterijen, ’t waren overtuigingen die niet verbleekten in ’t licht der schitterendste brandpunten van vooruitgang. Die man was een oude geestelijke en de woorden, die hij bij zijn afscheid tot hem gesproken had, weerklonken nog in zijn ooren: “Vergeet niet, dat als de wetenschap het erfdeel van de menschheid is, [66]alleen de moedigen die erven”, had hij vermaand. “Ik heb getracht je bij te brengen wat ik zelf van mijn leermeesters heb ontvangen. Ik heb dat kapitaal trachten te vermeerderen zooveel ik maar kon, en ik geef het over aan het komende geslacht. Jij moet hetzelfde doen met wat jou te beurt valt en jij zult het kunnen verdrievoudigen, want je gaat naar zeer rijke landen.” En hij voegde er toen lachend aan toe: “Zij komen hier om goud te zoeken, gaan jullie ook naar hun land om een ander soort goud te zoeken, waarvan wij hier niet genoeg hebben. Maar vergeet daarom niet, dat niet alles goud is wat er blinkt.” Die man was daar gestorven.

Op deze herinneringen antwoordde hij bij zichzelf:

“Nee, in weerwil van alles, bovenal het vaderland, bovenal de Filippijnen, dochter van Spanje, bovenal het Spaansche vaderland! Nee, wat het noodlot ook gewild heeft, dat bezoedelt het vaderland niet, nee!”

Zijn aandacht werd niet getrokken door la Ermita—de kluizenarij—die fenix van “nipah”, welke zich uit zijn as verheft in den vorm van wit-en-blauw geschilderde huizen, overdakt met rood-geverfd zink. Noch werden zijn blikken afgeleid naar Malate, noch naar de cavalerie-kazerne met haar boomen voor, noch naar de bewoners, noch naar de nipah-huisjes met meer of min pyramide- of prisma-vormige daken, verborgen tusschen pisang- en pinang-boomen, gebouwd als de vogelnestjes door iedere huisvader voor zich.

Het rijtuig rolde verder: men kwam een vrachtkar tegen getrokken door een [67]of twee paarden, welker tuig van Manila-hennep de provincie verraadde. De karrevoerder trachtte een blik te werpen op den reiziger in ’t mooie rijtuig en ging voorbij zonder een woord en zonder een enkele groet. Nu en dan verlevendigde een kar getrokken door enkele log en onverschillig voortsjokkende karbouwen den breeden stoffigen weg, waar de felle tropische zon blaakte. ’t Weemoedig, eentonig gezang van den karrevoerder boven op den rug van den buffel begeleidt het snerpend geknars van ’t droge wiel met de ontzaggelijke as aan ’t zware vehikel. Soms klinkt het doffe geluid der versleten ijzers van een “paragos”, de Filippijnsche slede, die met horten en stooten voortschuift over ’t stof of de modderpoelen van den weg. Op de velden en akkers graasde het vee, in gezelschap van de witte reigers, die doodkalm boven op de grazende ossen zaten. In de verte dartelen troepjes merries...

Het rijtuig rolde waggelend voort, als een beschonkene over ’t hobbelig terrein, ging een bamboe-brug op, besteeg een hooge helling of ratelde snel omlaag.


1 “Toedoeng” zeggen wij in N.-I.

2 Hier werd de schrijver gefusilleerd.

[Inhoud]

IX.

Locale aangelegenheden.

Ibarra had zich niet vergist: in die victoria zat inderdaad Padre Dámaso, die zich naar ’t huis begaf waar hij juist vandaan kwam.

“Waar gaan jullie heen?” vroeg de broeder aan Maria Clara en aan tante Isabel, die op ’t punt waren, om in een met zilver beslagen rijtuig te stappen. Padre Dámaso gaf op afgetrokken wijze tikjes met de hand op de wangen van het meisje. [68]

“Naar ’t klooster om mijn goed te halen,” antwoordde ze.

“Aha, aha! We zullen ’s zien wie verder komt, we zullen ’s zien”... mompelde hij in gedachten, tot niet geringe verwondering van de beide vrouwen. Met gebogen hoofd en langzamen tred richtte hij zich naar de trap en ging naar boven.

“Hij is zeker bezig met zijn preek van buiten te leeren?” zeide tante Isabel. “Kom, stap in, Maria, ’t wordt zoo laat.”

Of Padre Dámaso een preek instudeerde of niet, valt niet te zeggen, doch zeer gewichtige zaken moesten wel zijn aandacht in beslag nemen, want hij stak zijn hand niet eens uit voor Capitán Tiago, zoodat deze bijna een knieval moest doen om die te kussen.

“Santiago!” was ’t eerste wat hij zeide, “we moeten over heel belangrijke zaken spreken. Laten we naar je kantoor gaan.”

Capitán Tiago werd ongerust, hij verloor zijn spraakvermogen, maar hij gehoorzaamde en volgde den stoeren geestelijke. Deze sloot de deur achter zich dicht.

Terwijl dit geschiedde, was Fray Sibyla, onze geleerde dominikaan, na de mis gelezen te hebben, naar ’t klooster van zijn orde gegaan dat gelegen was aan den ingang van de poort, die beurtelings “de Isabel II” of “de Mojallones” heette, al naar de koninklijke familie die te Madrid zetelde.

Hij liep haastig naar boven en klopte aan een deur.

“Binnen!” zuchtte een stem.

“God geve uwe reverentie weer gezondheid!” was de groet van den jongen [69]dominikaan bij ’t binnenkomen.

In een groote leuningstoel zag men een ouden geestelijke zitten, geel en uitgemergeld als een heilige van Ribera’s penseel. Zijn oogen lagen diep in de kassen, waarboven weelderig borstelende wenkbrauwen, die door hun schier gestadig fronsen de fonkeling van zijn blik verhoogden.

Padre Sibyla sloeg hem ontroerd gade, met de armen gekruist onder ’t eerwaardige schouderkleed van de Heilige Dominicus. Daarna boog hij ’t hoofd, zonder een woord te spreken en scheen af te wachten.

“Ach!” zuchtte de oude man, “de doktoren raden me een operatie aan, Hernando, een operatie op mijn leeftijd. Och dit land, dit vreeselijke land! Ik word wel vreeselijk gestraft, Hernando!

Fray Sibyla sloeg langzaam de oogen op en keek den zieke strak in ’t gelaat.

“En wat heeft uwe reverentie besloten?” vroeg hij.

“Te sterven! Och, blijft me soms iets anders over? Ik lijd te veel, maar.... ik heb zoovelen laten lijden... Ik betaal mijn schuld! En jij, hoe is ’t met jou, wat heb je voor nieuws?”

“Ik kwam u spreken over wat u me opgedragen had.”

“O, en hoe is ’t daarmee?”

“Poeh!” antwoordde de jonge man, ging zitten en wendde het gelaat minachtend af, “ze hebben ons kletspraatjes verteld: de jonge Ibarra is een verstandig jongmensch. Goed bij de pinken, maar niet kwaad.”

“Denk je dat?”

“Gisterenavond zijn de vijandelijkheden begonnen.” [70]

“Nu al? En hoe was dat?”

Fray Sibyla verhaalde in ’t kort wat er tusschen Padre Dámaso en Crisóstomo Ibarra voorgevallen was.

“Bovendien”, voegde hij er ten slotte aan toe “’t jonge mensch gaat trouwen met de dochter van Capitán Tiago, die opgevoed is in de kloosterschool van onze zusters. Hij is rijk en zal zich wel geen vijandschap op den hals willen halen om zijn geluk en zijn fortuin misschien te verspelen.”

De zieke bewoog ten teeken van instemming het hoofd.

“Ja, dat denk ik ook wel... Met zoo’n vrouw en zulk een schoonvader zullen we hem met lichaam en ziel in onze macht hebben. En zoo niet, des te beter als hij zich eens onze vijand verklaarde!”

Fray Sibyla keek den ouden man verwonderd aan.

“Ten bate van onze Heilige Broederschap, natuurlijk,” voegde hij er met moeite ademend aan toe. “Ik heb liever aanvallen dan dat zotte aanhalen en pluimstrijken van de vriendjes ...’t Is waar, dat ze betaald worden.”

“Denkt uwe reverentie dat?”...

De grijsaard keek hem droevig aan.

“Hoû dat maar voor zeker!” bracht hij met moeite uit. “Onze macht duurt net zoo lang als men eraan gelooft. Als ze ons aanvallen, zegt het gouvernement: ze worden aangevallen, omdat men een beletsel voor zijn vrijheid in hen ziet; laten we ze dus in bescherming nemen.”

“En als het gouvernement hen gelooft? Het gouvernement is soms...”

“Dat zal ’t niet doen!”

“En toch, als ’t eens, belust op wat [71]wij binnenhalen mocht toegeven aan zijn begeerte... als er ’s een durf-al was, een vermeteling...”

Oh, dan staat het ellendig met hem!”

Beiden zwegen een poos.

“Bovendien,” ging de zieke voort, “wij hebben noodig, dat ze ons aanvallen, dat ze ons wakkerhouden: dat doet ons onze zwakke zijden zien en maakt ons beter. Overdreven lof brengt ons van de wijs, doet ons indutten, maar buitenaf maakt het ons belachelijk en de dag dat we belachelijk worden, vallen we meteen, net als in Europa. ’t Geld komt niet meer in de kerken, niemand koopt meer borstlapjes of riemen of wat ook, en zoodra we niet meer rijk zijn, hebben we de gewetens niet meer in onze macht.

“Och kom! we hebben toch altijd onze landgoederen, onze boerderijen...”

“Die verliezen we allemaal, zooals we die in Europa verloren hebben! En ’t ergste is nog, dat we onze eigen val bewerken. Bijvoorbeeld: dat drijven om ieder jaar maar willekeurig de grondlasten van onze landen te verhoogen, dat drijven waar ik in al onze kapittels zoo tegen gevochten heb, dat richt ons te gronde: De inlander ziet zich gedwongen om ergens anders grond te koopen, die even goed of beter is dan de onze. Ik vrees, dat we al beginnen te dalen: Quos vult perdere Jupiter, dementat prius.1 Laten we daarom ons gewicht niet te zwaar maken: ’t volk mort al. Ik denk er zoo over als jij: laten de anderen daar ginds hun eigen [72]zaken regelen, laten wij het prestige zien te houden dat ons rest. En aangezien we spoedig voor God zullen verschijnen, moeten we ons van alle zonden schoonmaken... De barmhartige God hebbe deernis met onze zwakte!”

“Dus uwe reverentie gelooft, dat de ‘canon’ of grondlasten?...”

“Laten we toch niet meer over geld spreken!” viel de zieke met een zekeren afkeer in, “je zei zooeven, dat de luitenant beloofd had aan Padre Dámaso...”

“Jawel, vader” antwoordde Fray Sibyla lachend, “maar van morgen zag ik hem en toen zeide hij, dat hij spijt had van alles wat er gisterenavond gebeurd was, dat de Jerez-wijn hem naar ’t hoofd gestegen was en dat Padre Dámaso in ’t zelfde geval verkeerde als hij. En de belofte? vroeg ik hem uit gekheid. Heeroom, antwoorde hij, ik kan mijn woord houden, wanneer ik daarmee mijn eer niet bezoedel: ik ben geen overbrenger en ben ’t ook nooit geweest; daarom draag ik ook niet meer dan twee sterretjes op mijn kraag.”

Na nog wat over onverschillige dingen te hebben gepraat, ging Fray Sibyla heen.

Ofschoon de luitenant inderdaad niet naar Malacanan—het paleis van den gouverneur—geweest was, had deze toch van de zaak gehoord.

“Vrouw en monnik kunnen niet beleedigen,” had hij lachend tot een zijner adjudanten gezegd, die hem ’t geval had medegedeeld. “Ik wou wel in vrede leven den tijd dat ik nog hier ben, en ik wil geen kwestie meer hebben met mannen in rokken. Er was meer dan dat: ik ben er ook achter, dat de ‘provincial’ [73]zich niet om mijn orders bekommerd heeft. Ik vroeg als straf overplaatsing voor dien ‘fraile’: ze hebben hem een veel beter dorp gegeven. Och, ‘monnikerijen’ (frailadas) zeggen we in Spanje!”

Doch toen Zijne Excellentie weer alleen was, lachte hij niet meer.

“O! als dit volk niet zoo aarts-dom was,” zuchtte hij, “zou ik die eerwaarde heeren wel klein krijgen! Maar ieder volk verdient zijn lot, en laten we doen wat iedereen doet.”

Capitán Tiago beëindigde intusschen zijn conferentie met Padre Dámaso, of beter gezegd die van dezen met hem.

“Dus je bent nu gewaarschuwd!” zeide de Franciskaner bij ’t afscheid. “Dit alles had vermeden kunnen worden, als je me eerst geraadpleegd hadt, als je niet gelogen had toen ik er je naar vroeg. Zie, dat je niet meer zulke dolligheden uithaalt en vertrouw op haar peet!”

Capitán Tiago stapte twee of driemaal de zaal om, zuchtend en in gepeinzen verdiept. Plotseling liep hij, als kreeg hij een goeden inval, naar het bidkapelletje en blies daar haastig de kaarsen en de lamp uit, die hij er had laten aansteken om Ibarra op zijn reis te beveiligen.

“We hebben nog den tijd, en de reis duurt lang!” mompelde hij.


1 Wien Jupiter verderven wil, maakt hij eerst waanzinnig.

[Inhoud]

X.

Het dorp.

Bijna aan den oever van het meer ligt het dorp San Diego te midden van bouwlanden en sawah’s. Het voert suiker, rijst, koffie en vruchten uit of verkoopt ze op onvoordeelige wijze aan den Chinees, die den eenvoud en de ondeugden [74]van den inlander weet te benutten.

Van boven uit de kerktoren heeft men een prachtig panorama. Te midden van die opeenhooping van daken van nipah, pannen, zink en “cabonegro” (idjoek),1 gescheiden door moes- en bloemtuinen, onderscheidt een ieder van die hoogte zijn huisje. Alles dient er tot kenmerk: een boom—de fijnbebladerde asem—, de met vruchten beladen klapperboom, een buigzaam riet, een pinang-palm, een kruis. Daar ginds is de rivier, een reusachtige kristallen slang, slapend in het groene kleed. Van afstand tot afstand breidelen rotsblokken, in ’t zandig bed verspreid haar loop; verderop vernauwt ze zich tusschen twee hooge oeverkanten, waaraan boomen met ontbloote wortels zich stuipend vastklampen. Hier weer vormt zich een zachte glooiing, en de rivier wordt breeder en verlangzaamt haar stroom. Ginds, iets verder staat op den hoogen oever een huisje gelijk een ontzaggelijke steltlooper op dunne pooten boven den afgrond, als spiedend, om zijn prooi in het water te bespringen. Palmstammen of boomen met den bast er nog aan, wiebelend onvast, verbinden de beide oevers. En zijn ’t ook slechte bruggen, ’t zijn daarentegen prachtige gymnastiek-toestellen, om ’t evenwicht op te houden. En dat is ook niet te versmaden: de jongens die in de rivier baden, vermaken zich daar met de angst-bewegingen der vrouw, die er over gaat met een mand op het hoofd, of met den ouden man, die bevend voortstapt en zijn stok in ’t water laat vallen.

Doch wat altijd de aandacht trekt, dat is een soort beboscht schier-eilandje in [75]die zee van bouwland. Daar staan eeuwen-ouden boomen, met holle stammen, die eerst dan sterven, wanneer eens een bliksemstraal de trotsche kruin treft en verteert. Men zegt, dat het vuur dan bij den boom blijft en daar uitgaat. Men vindt daar ontzaglijke rotsen, door tijd en natuur met fluweelig mos bekleed. Het stof hoopt zich laag op laag in de holten op, de regen legt het vast en de vogels zaaien er zaadkorrels in. De tropische plantengroei ontwikkelt er zich in volle vrijheid: kreupelhout en struikgewas, gordijnen van ineengestrengelde slingerplanten gaande van boom tot boom, hangend aan de takken, zich klemmend aan de wortels, kruipend over den grond, en, als ware Flora nog niet bevredigd, zet plant zich op plant; mos en paddestoelen leven op de spletige stammen, en luchtige sierlijke hangplanten verwarren hun omhelzingen door het loof van de gastvrije boomen.

Dat bosch werd geëerbiedigd: vreemde overleveringen deden er de ronde over, maar ’t waarschijnlijkste en daarom juist het minst geloofde en bekende, schijnt het volgende te wezen:

Toen het dorp nog een ellendige hoop hutten was, en daartusschen nog weelderig het gras opschoot, in de tijden dat er ’s nachts herten en wilde zwijnen kwamen, verscheen daar op een dag een oude Spanjaard met holle oogen, die vrij goed Tagaalsch sprak. Nadat hij het terrein in verschillende richtingen had nagegaan en doorkruist, vroeg hij naar de eigenaars van het bosch waar warme bronnen voortkwamen. Een paar lieden deden zich op, en beweerden het te zijn, [76]en de oude man kreeg het eigendomsrecht erover in ruil voor wat kleeren, kleinoodiën en eenig geld. Daarna, men wist niet hoe, verdween hij. De menschen hielden hem reeds voor “betooverd,” toen een walgelijke lucht, die zich uit het naburige bosch verspreidde, de aandacht van een paar veehoeders trok; ze gingen erop af en vonden den ouden man reeds in staat van ontbinding aan den tak van een baliti-boom hangen. In levenden lijve boezemde hij al schrik in door zijn diepe, holle stem, door zijn ingezonken oogen en zijn klanklooze lach; doch nu hij zelfmoord gepleegd had, verstoorde hij de slaap der vrouwen. Sommigen van dezen wierpen de verkregen sieraden in de rivier en verbrandden de kleedingstukken. En sinds het lijk begraven werd aan den voet zelf van de baliti was er geen sterveling meer, die zich daar dorst te wagen. Een herder, die naar zijn beesten zocht, vertelde dat hij lichtjes had gezien; de jongelieden liepen weg en hoorden toen weeklachten. Een ongelukkige verliefde jongeling, die om zijn ongenaakbare liefste te vermurwen, beloofde den nacht onder den boom door te brengen en er een lange rotan omheen te winden, stierf aan een felle koorts, die hem overviel den dag volgende op den nacht van zijn weddenschap. Er waren over deze plek veel andere verhalen en overleveringen in omloop.

Er verliepen verscheidene maanden, en er kwam een jongeling, naar ’t scheen een Spaansche kleurling. Deze beweerde de zoon te wezen van den overledene, en zette zich in dat oord neer, om er zich aan den landbouw te wijden, [77]vooral de indigo-teelt. Don Saturnio was een in-zich-zelf-gekeerd jongmensch, van een heftige en soms wreede inborst, maar hij was zeer werkzaam en bedrijvig: hij omringde het graf van zijn vader met een muur, en ging er zoo nu en dan naar kijken. Toen hij al vrij oud was, huwde hij met een meisje uit Manila, bij wie hij een zoon, Rafael, kreeg. Deze was de vader van Crisóstomo.

Don Rafael wist zich van jongs af bemind te maken bij de landlieden: de akkerbouw, begonnen en behartigd door zijn vader, ontwikkelde zich snel. Er kwamen nieuwe bewoners toestroomen, ook veel Chineezen. Het gehucht werd spoedig een dorp en kreeg een inlandschen pastoor. Daarna werd het een aanzienlijk vlek, de pastoor overleed, en Fray Dámaso kwam in zijn plaats. Maar het graf en het aangrenzend terrein werden in eere gehouden. De Chineezen waagden het soms, gewapend met stokken en steenen, in den omtrek rond te dwalen, om djamboe’s, papaja’s, djamblang’s enz. te plukken, en het gebeurde, dat midden in hun bezigheid of wanneer ze zwijgend staarden naar het touw dat nog altijd van een der takken hing, er een of twee steenen neervielen, zonder dat men wist waar ze vandaan kwamen. Dan gilden ze “de ouwe! de ouwe!”, smeten vruchten en stokken weg, sprongen uit de boomen, liepen door rotsen en struikgewas, en stonden niet stil voordat ze uit het bosch waren—sommigen bleek en hijgend, anderen schreiend en maar heel enkelen lachend. [78]


1 Zwarte borstelige vezels van de arenpalm (Arenga pinnata Mer.).—J.H.

[Inhoud]

XI.

De grootmachtigen.

Wie waren de overheids-personen van ’t dorp?

Don Rafael was het niet, toen die nog leefde, al was hij er ook de rijkste, eigenaar van de meeste gronden, en al had ook bijna iedereen verplichting aan hem. Daar hij bescheiden was en de waarde van al wat hij deed trachtte te verbloemen, kreeg hij in ’t dorp nooit zijn partij, en we hebben reeds gezien, hoe men tegen hem optrad toen men hem zag wankelen.—Zou ’t dan Capitán Tiago wezen? Wanneer die er aankwam, werd hij inderdaad door zijn schuldenaars met muziek ontvangen; ze richtten feestmalen voor hem aan en overlaadden hem met geschenken. De beste vruchten sierden zijn tafel. Als er gejaagd werd op hert of wild zwijn kreeg hij een kwart. Vond hij het paard van een van zijn schuldenaars mooi, dan zag hij ’t een half uur later in zijn stal. Dat is alles waar, maar ze lachten om hem, en noemden hem achter zijn rug “Koster” Tiago.

Dan misschien het dorps-hoofd?

Dit was een stumper, die niets te bevelen had, maar gehoorzaamde. Hij beknorde niemand: hij werd beknord. Hij beschikte niet: men beschikte over hem. Daarentegen was hij verantwoordelijk tegenover den Alcalde Mayor voor al wat men bevolen, verordend of beschikt had, alsof alles uit zijn brein was gekomen. Doch, dit te zijner eere, hij had de waardigheid noch gestolen noch zich aangematigd: ze had hem vijf duizend peso’s gekost en heel wat vernederingen. En naar ze hem opbracht, [79]vond hij dat erg goedkoop.

Wie dan?

Wel, San Diego was een soort pauselijk Rome. De pastoor was er de Paus en het Vatikaan; de onderluitenant—alférez—van de guardia civil de Koning van Italië en het Quirinaal. En hier zoowel als in ’t andere Rome kwam uit deze verhouding oneindig geharrewar voort, want elk van hen wou de baas wezen, en vond den ander overbodig.

Fray Bernardo Salvi was de stille, jonge Franciskaan, waarover we gesproken hebben. Door zijn gewoonten en manieren onderscheidde hij zich zeer van zijn broeders en nog meer van zijn voorganger, den heftigen Padre Dámaso. Hij was tenger, zwak van gezondheid, bijna altijd in gepeinzen, strikt in de vervulling zijner godsdienstplichten en vol bezorgdheid voor zijn goeden naam. Een maand na zijn aankomst traden bijna allen op de plaats toe tot de broederschap van V. O. F. (venerable orden de San Francisco), tot groote droefenis van haar mededingster, de broederschap van den Allerheiligsten Rozenkrans. Het was om te dansen van pret wanneer men aan ieders hals vier of vijf “scapalieren” en om ieders middel een koord met knoopen zag, en dan die processies van lijken of spoken met ruige pijen om! De opper-koster maakte een heel kapitaaltje door het verkoopen—door het als aalmoezen wegschenken, wil ik zeggen—van al de voorwerpen, die men zoo noodig heeft, om de ziel te redden en den duivel te keeren.

Zooals we zeiden, was Padre Salvi zeer nauwgezet in de vervulling van zijn plichten: volgens den alférez al te nauwgezet. [80]Wanneer hij aan ’t preeken was—daar hield hij veel van—werden de deuren der kerk gesloten. Iederen misslag van zijn ondergeschikten placht hij te straffen met boeten; want ranselen deed hij maar heel zelden, in welk opzicht hij ook verschilde van Padre Dámaso: die regelde alles met vuist- en stokslagen, die hij lachend en uiterst welgemoed uitdeelde. Het vasten en de onthouding verarmden zijn bloed, prikkelden zijn zenuwen, en, zooals de lieden zeiden, steeg de wind hem naar zijn hoofd. Zoo kwam het, dat de ruggen der kosters niet goed onderscheiden konden, wanneer een pastoor veel vastte of veel at.

De eenige vijand dezer geestelijke macht met neiging tot wereldlijke tevens, was, zooals we gezegd hebben, de alférez. De eenige, want de vrouwen vertelden, dat de duivel hem ontliep. Eens op een dag toch, toen die ’t gewaagd had hem te verzoeken, werd hij gegrepen, aan een poot van zijn krib gebonden, met het koord afgeranseld, en eerst weer na negen dagen in vrijheid gesteld.

Hieruit volgt, dat iemand die na zoo iets zich zulk een man tot vijand maakte, ten slotte in nog kwader reuk moest staan dan de arme onvoorzichtige duivels, en de alférez verdiende zijn lot. Zijn vrouw, een oude Filippijnsche, die zich geweldig poeierde en verfde, heette Doña Consolación; haar man en anderen noemden haar anders. De alférez wreekte zijn echtelijke ellende op zijn eigen persoon door zich te bedrinken als een karbouw, door zijn soldaten te laten exerceeren in de zon, terwijl hij in de schaduw bleef, of nog vaker door [81]zijn vrouw af te rammelen.

Hij en zij sloegen—alsof ’t maar een grapje was—elkaar bont en blauw, en schonken de buren gratis-voorstellingen.

Telkenmale dat deze schandalen ter oore kwamen van Padre Salvi, lachte deze even en sloeg een kruis, waarna hij een Onze Vader bad. Ze scholden hem voor huichelaar, oproerling, vrek, en Padre Salvi lachte dan weer witjes en bad nog meer.

Om hem te “pesten” verbood de krijgsman, opgezet door zijn vrouw, het wandelen na negen uur in den avond. Doña Consolación beweerde de pastoor eens verkleed te hebben gezien in een inlandsch pina-hemd en een slakot—toedoeng—van nipah op het hoofd, rondkuierend in de late nachtelijke uren. Fray Salvi wreekte zich heiliglijk: wanneer hij zag, dat de alférez de kerk binnenkwam, liet hij stilletjes de koster al de deuren sluiten. Dan besteeg hij de preekstoel en begon te preeken tot de heiligen de oogen sloten en de houten duif boven zijn hoofd, het beeld van den Heilige Geest “Och, toe, schei uit!” mompelde. De alférez was, als alle onboetvaardigen, onverbeterlijk: hij ging vloekend de kerk uit en zoodra hij een koster of een bediende van den pastoor te pakken kon krijgen, ranselde hij hem af en liet hem den vloer van de kazerne en die van zijn eigen huis boenen zoodat dit er daarna fatsoenlijk uitzag. Als dan de koster de boete kwam betalen, die de pastoor hem wegens afwezigheid opgelegd had, verklaarde hij ’t geval. Padre Salvi hoorde hem zwijgend aan, hield het geld, en liet dadelijk zijn geiten [82]en lammetjes los, om ze te laten weiden in den tuin van den alférez, terwijl hij een onderwerp overpeinsde voor een nieuwe preek, die nog veel langer en stichtelijker was dan te voren. Doch deze kleinigheden waren volstrekt geen bezwaar om elkaar de hand te drukken en beleefd toe te spreken, wanneer ze elkaar daarna tegenkwamen.

Wanneer haar man zijn roes uitsliep of zijn middagdutje deed, en Doña Consolación geen ruzie met hem maken kon, zette zij zich op haar gemak aan ’t venster, met een sigaar in haar mond en een blauwflanellen jak aan. Zij, die een hekel had aan de jeugd, bepijlde van daar met haar oogen de jonge meisjes en zond haar kwinkslagen op hun af. Ze waren bang voor haar, gingen bedremmeld voorbij, zonder de oogen op te slaan, de stap versnellend en haar adem inhoudend. Doña Consolación had een groote deugd: ze scheen nooit in een spiegel gekeken te hebben.

Dit zijn de grootmachtigen van ’t dorp San Diego.

[Inhoud]

XII.

Allerheiligen.

Westelijk, te midden van de rijstvelden ligt het kerkhof; daarheen leidt een smal pad, stoffig op heete dagen en bevaarbaar wanneer het regent. Een houten deur en een omheining half van steen en half van riet en staken, schijnt het af te scheiden van ’t verblijf der menschen, doch niet van dat der geiten van den pastoor en eenige varkens uit de buurt, die er in- en uitloopen om nasporingen te doen op de graven of de eenzaamheid ervan wat op te vroolijken. [83]

In ’t midden van die ruime vee-kraal verheft zich een groot houten kruis op een steenen voetstuk. Stormen hebben het blikken Inri ervan gebogen, en regens de letters uitgewischt. Aan den voet van ’t kruis ligt een verwarde hoop doodshoofden en beenderen, die de doodgraver daar neersmijt uit de graven, die hij leeghaalt.

Rondom bespeurt men versche uitgravingen: hier is de grond uitgehold, ginds vormt de aarde een heuveltje. Tusschen de graven groeit welig onkruid, dat zich ook slingert langs de muren en nissen, menige spleet, ontstaan door aardbevingen, aan ’t oog onttrekkend.

De menschen hebben juist de dieren weggejaagd; alleen steekt nog een enkel varken zijn kop met de blinkende oogjes door een groot gat van de heining, houdt zijn snuit in de lucht en schijnt tot een biddende vrouw te zeggen:

“Zeg, eet niet alles op; laat mij wat, hè?”

Twee mannen graven een graf dicht bij de heining, die daar uit het lood dreigt te schieten; de eene, de doodgraver, doet het onverschillig—hij gooit wervels en andere beenderen weg als een tuinman steenen en dorre takken—de ander is afgetrokken, zweet, rookt en spuwt iederen keer.

“Zeg ’s!” zegt de rooker in Tagaalsch, “zou ’t niet beter zijn, dat we op een andere plek gingen graven?

Hier is ’t nog zoo nieuw.”

“’t Eene graf is al even versch als ’t ander.”

“Ik kan niet meer! Dat bot, dat je daar kapot gestooten hebt, is nog bloederig... brr! En die haren?” [84]

“Och, wat ben jij jufferachtig!” verweet hem de ander, “’t lijkt wel of je griffier van ’t gerecht was! Als je, zooals ik, een lijk dat twintig dagen oud was, had opgegraven—’s nachts, in ’t donker, bij regen, mijn lantaren ging uit....”

De ander huiverde.

“De doodkist raakte los, de dooie kwam er half uit, hij rook... en als jij hem dan dragen moest.. nou, en ’t regende en we waren beiden druipnat, en..,”

“Brrr! En waarom heb je ’m opgegraven?”

De doodgraver keek hem met verwondering aan.

“Waarom? Weet ik het? Ze hadden ’t me gezegd!”

“Wie had het je gezegd?”

De doodgraver deinsde half terug en keek zijn metgezel van hoofd tot voeten aan.

“Man, je lijkt wel een Spanjaard. Dezelfde vragen deed me een Spanjaard later, maar in stilte. Wel, ik zal je antwoorden, zooals ik toen deed: de groote pastoor had het me bevolen.”

“Och! En wat heb je daarna met het lijk gedaan?” vroeg de “jufferachtige” wederom.

“Wat duivel, als ik je niet kende en niet wist dat je een ‘mensch’ was, zou ik je heusch voor een Spaanschen particulier aanzien: je vraagt net als die ander. Nou... de groote pastoor had me gezegd, dat ik hem moest begraven op het Chineesche kerkhof. Maar omdat de kist erg zwaar en het Chineesche kerkhof nogal veraf ligt....”

“Nee, nee! Ik graaf niet meer!” viel de ander in, vol ontzetting zijn schop [85]loslatend en uit de groeve wegspringend. “Ik heb daar een doodskop doormidden gespleten, ik ben bang dat ik er vannacht niet van slapen kan.”

De doodgraver schoot in een luiden lach, ziende hoe de fijngevoelige zich verwijderde en onderwijl maar al kruisjes sloeg.

Het kerkhof liep langzamerhand vol in de rouw gekleede mannen en vrouwen. Eenige zochten een poos naar een graf, twistten onder elkaar en alsof ze ’t niet eens konden worden, gingen ze vaneen en een ieder knielde neer waar het hem het beste voorkwam. Anderen, die nissen hadden voor hun verwanten, staken kaarsen aan en begonnen vrome gebeden te prevelen. Men hoorde ook zuchten en snikken, die men trachtte te verdrijven of te smoren. De latijnsche woorden der gebeden ruischten door de lucht.

Een oud mannetje, met levendige oogen, trad blootshoofds binnen. Velen lachten toen ze hem zagen, en enkele vrouwen fronsten de wenkbrauwen. De oude man scheen er geen acht op te slaan, want hij richtte zich naar den hoop schedels, knielde er neder en zocht een poos met de oogen naar iets tusschen de beenderen. Daarna verwijderde hij de schedels een voor een en, alsof hij niet vond wat hij zocht, fronste hij de wenkbrauwen, schudde het hoofd herhaaldelijk en keek overal om zich heen; eindelijk stond hij op en trad op den doodgraver toe.

“Zeg ’s!” zeide hij. Deze hief het hoofd op.

“Weet je misschien, waar een mooi doodshoofd is, zoo blank als het vleesch [86]van een klapper, met een volkomen gaaf gebit, en dat ik daar had, onder die blaren, aan den voet van ’t kruis?”

De doodgraver haalde de schouders op.

“Hier!” vervolgde de oude en wees op een zilverstuk, “ik heb niets meer dan dit, maar je zult het krijgen, als je dien kop voor me vindt.”

De glans van het geldstuk deed den ander nadenken, hij keek naar het knekelhuis, en zei:

“Is hij daar niet? Nee? Nou, dan weet ik ’t niet.”

“Zal ik je ’s wat zeggen?” ging de oude voort, “zoodra ze me betalen wat ze me schuldig zijn, zal ik je meer geven. ’t Was de schedel van mijn vrouw. Dus, als je me die vinden kunt...”

“Is hij daar niet? dan weet ik ’t niet! Maar, als je wilt, kan ik je wel een ander geven.”

“Je bent al net als het graf dat je graaft!” voegde de oude man hem zenuwachtig toe, “je kent de waarde niet van wat je verloren laat gaan. Voor wie is dat graf?”

“Weet ik ’t? voor een dooie!” antwoordde de ander humeurig.

“Als het graf, net als het graf!” herhaalde de oude en lachte droogjes, “je weet niet wat je weggooit en wat je inslikt. Graven maar, graven maar!”

En hij wendde zich om en ging naar den uitgang.

De doodgraver was intusschen met zijn arbeid gereed gekomen. Twee heuveltjes versche roodachtige aarde verhieven zich aan de kanten der groeve. Hij haalde wat sirih uit zijn salákot, en begon die te kauwen. Onderwijl keek hij met wezenlooze blik naar al wat om hem [87]heen gebeurde.

[Inhoud]

XIII.

Voorteekenen van storm.

Op ’t oogenblik dat de oude man heenging, hield er aan den ingang van het pad een rijtuig stil, dat een lange reis scheen afgelegd te hebben: het was bedekt met stof, en de paarden stonden in ’t zweet.

Ibarra stapte uit, gevolgd door een ouden bediende. Hij zond het rijtuig met een wenk weg en richtte zich, zwijgend en ernstig, naar het kerkhof.

“Ik ben ziek geweest en heb het druk gehad, zoodat ik niet ben kunnen terugkomen!” zeide de oude man schuchter. “Capitán Tiago zei dat hij wel voor een nis zou zorgen. Maar ik heb bloemen geplant en een kruis neergezet, dat ik zelf gesneden heb.”

Ibarra antwoordde niet.

“Daar achter dat groote kruis, heer!” ging de knecht voort, wijzende naar een hoek, toen ze de poort door waren gegaan.

Ibarra was zoo afgetrokken, dat hij de beweging van verbazing niet bespeurde, die eenige personen maakten toen ze hem herkenden. Deze staakten hun gebed en keken hem vol nieuwsgierigheid na.

De jonge man liep voorzichtig en vermeed de graven, welke men gemakkelijk aan een inzakking van den grond kon herkennen. Eertijds liep hij er zonder aarzelen over, thans eerbiedigde hij ze: zijn vader lag daar immers ook. Hij stond stil, toen hij aan den anderen kant van het huis gekomen was, en keek overal heen. Zijn medegezel stond bedremmeld [88]en verlegen: hij zocht sporen op den grond en zag nergens een kruis.

“Is ’t hier?” mompelde hij bij zich zelf. “Nee, ’t is daar ginds, maar de aarde is er omgewoeld!”

Ibarra keek hem angstig aan.

“Jawel!” ging hij voort, “ik herinner me, dat er een steen naast was. Het graf was wat kort. De doodgraver was ziek en een helper van hem moest het toen doen.... Maar we zullen hem zelf ’s vragen, wat er met het kruis gedaan is.”

Hij wendde zich tot den doodgraver die hen nieuwsgierig gadesloeg, en daarna groette door zijn “salákot” aftenemen.

“Kan u ons zeggen, op welk graf daar een kruis was?” vroeg de bediende.

De aangesprokene keek naar de plek en dacht even na.

“Een groot kruis?”

“Jawel, groot,” bevestigde de oude met vreugde, beteekenisvol naar Ibarra ziende wiens gelaat opklaarde.

“Een kruis met snijwerk en vastgemaakt met rotan?” vroeg de doodgraver verder.

“Ja zeker, juist, juist!” en de knecht teekende op den grond een bizantijnsch kruis.

“En waren er bloemen op ’t graf gestrooid?”

“Oleanders, tjempaka’s en viooltjes!”

“Ja zeker!” hervatte de oude man vol vreugde, en bood hem een sigaar.

“Nu, zeg u ons dan welk graf het is, en waar het kruis is.”

De doodgraver krabde zich achter het oor en antwoordde geeuwend:

“Het kruis... wel... dat heb ik verbrand!” [89]

“Verbrand! En waarom heb je ’t verbrand?”

“Omdat de groote pastoor het me gezegd had.”

“Wie is dat, de groote pastoor?” vroeg Ibarra.

“Wie? Die erop-in ranselt, pater ‘Stok’.

Ibarra streek de hand langs ’t voorhoofd.

“Maar, dan zult u ons toch wel kunnen zeggen, waar het graf is? Dat moet u zich toch herinneren.”

De doodgraver glimlachte.

“De dooie is er niet meer in!” antwoordde hij bedaard.

“Wat zegt u?”

“’t Is nog al duidelijk!” voegde de man er op gekscheerenden toon aan toe, “ik heb een week geleden een vrouw op zijn plaats begraven.”

“Ben je gek?” vroeg de knecht hem. “’t Is toch nog geen jaar dat we ’m begraven hebben.”

“Nou ja: ’t is ook al heel wat maanden geleden dat ik hem opgegraven heb. De ‘groote pastoor’ woû ’t hebben, om hem naar ’t Chineesche kerkhof over te brengen. Maar omdat hij wat zwaar was en ’t dien nacht regende...”

De man kon niet verder. Ontsteld trad hij terug, toen hij Ibarra’s houding zag. Deze sprong op hem af, greep hem bij een arm en schudde hem door elkaar.

“En dat heb je gedaan?” vroeg de jongeman op onbeschrijfelijken toon.

“Word maar niet boos, heer,” gaf de ander verbleekend en bevend terug, “ik heb hem niet bij de Chineezen begraven. Ik zei zoo bij me zelf: ’t is beter te verdrinken dan onder Chineezen te liggen, en ik heb ’m toen maar [90]in ’t water gegooid!”

Ibarra lei zijn beide vuisten op zijn schouders en keek hem een lange poos aan, met een uitdrukking die vreeselijk was.

“Je bent een ellendeling, niets meer!” zeide hij, en, als een gek over beenderen, graven en kruisen heenloopend, ging hij haastig naar buiten.

De doodgraver betastte zich zijn arm en mompelde:

“Je hebt toch maar wat te stellen met die dooien! De groote Padre gaf me een ransel, omdat ik hem had laten begraven, toen ik ziek was. Nu breekt deze me bijna mijn arm stuk, omdat ik hem opgegraven heb. Die Spanjaarden zijn toch rare kerels! Ik zal er mijn baantje nog bij inschieten.”

Ibarra liep haastig voort, zijn blik in de verte. Zijn knecht volgde hem schreiend.

De zon neigde reeds ten ondergang. Dikke donderwolken bedekten den hemel naar ’t oosten toe. Een droge wind bewoog de lovermassa’s der boomen, en deed de rietvelden kreunen.

Ibarra liep blootshoofds. Uit zijn oogen welde geen traan, aan zijn boezem ontsnapte geen zucht. Hij liep voort, alsof hij voor iemand vluchtte, wellicht van de schim zijns vaders, wellicht van den naderenden storm. Hij ging dwars door het dorp, en richtte zich naar den buitenkant, naar ’t oude huis dat hij nu sinds jaren niet betreden had. Omringd door een muur, waartegen verscheidene kaktussen groeiden, scheen het hem toe te wenken; de vensters gingen open, de kananga-boom, beladen met bloemen, bewoog vroolijk zijn takken; de duiven [91]fladderden rondom het kegelvormig dak van hun woning, die midden in den tuin stond.

Doch de jongeling lette niet op deze vreugden, die de terugkomst in ’t oude huis hem bood: hij hield de oogen strak gevestigd op de gedaante van een priester, die in tegengestelde richting aankwam. Het was de pastoor van San Diego, de peinzende Franciskaan, die we kennen als de vijand van de alférez. De wind boog de breede randen van zijn hoed om; zijn grofharig kleed sloot om zijn leden en deed die duidelijk uitkomen, zoodat zijn schrale dijen en ietwat naar binnen staande knieën te zien kwamen. In zijn rechterhand droeg hij een dikken bamboe-stok met ivoren handvat. ’t Was de eerste maal dat Ibarra en hij elkaar zagen.

Bij de ontmoeting stond de jongeman even stil en nam hem van hoofd tot voeten op. Fray Salvi ontweek zijn blik en deed afgetrokken.

De aarzeling duurde slechts een seconde; Ibarra trad snel op hem toe, hield hem staande door een krachtigen handdruk op zijn schouder en vroeg bijna onverstaanbaar:

“Wat heb je met mijn vader gedaan?”

Fray Salvi, bleek en bevend, toen hij de gevoelens waarnam die zich op ’t gelaat van den jongeman afteekenden, kon niet antwoorden: hij voelde zich als verlamd.

“Wat heb je met mijn vader gedaan?” herhaalde de ander met gesmoorde stem.

De geestelijke, allengs neergebogen door de hand die op hem drukte, bracht er met moeite uit: [92]

“U vergist zich. Ik heb niets met uw vader gedaan!”

Niets?” hervatte Ibarra, terwijl hij hem zoo hard neerdrukte, dat hij hem op zijn knieën deed vallen.

“Nee, ik verzeker ’t u! Dat was mijn voorganger, “t was Padre Dámaso...”

“O!” riep de jongeman uit. En hem loslatende, sloeg hij zich voor ’t voorhoofd. Daarna verliet hij de arme Fray Salvi, en liep haastig naar zijn huis.

De bediende was intusschen komen aanzetten en hielp den geestelijke opstaan.

[Inhoud]

XIV.

Tasio de gek of de wijsgeer.

De oude zonderling van ’t kerkhof doolde afgetrokken door de straten.

’t Was een oud-student in de filosofie, die zijn studie had opgegeven om zijn bejaarde moeder genoegen te doen. En dat was niet uit gebrek aan middelen of bekwaamheid: ’t was juist omdat zijn moeder rijk was, en men algemeen zeide dat hij “aanleg” had. De goede vrouw vreesde dat haar zoon een geleerde zou worden en God zou vergeten: daarom gaf ze hem de keus tusschen priester worden of het Colegio de San José te verlaten. Hij was verliefd en koos het laatste. Toen trouwde hij. Weduwnaar en wees binnen ’t jaar, zocht hij een troost in de boeken: zoo bevrijdde hij zich van droefheid en bleef vrij van hanegevechten en lediggang. Maar hij kreeg zoo’n liefde voor boeken, dat hij zijn fortuin verwaarloosde en allengs geheel geruïneerd was.

De fatsoenlijke menschen noemen hem Don Anastasio of de filosoof Tasio, en [93]onopgevoeden—de meerderheid—Tasio de gek, om zijn zonderlinge denkbeelden en zijn vreemde manieren in den omgang.

Zooals wij zeiden, dreigde er dien avond een storm. Eenige bliksemstralen verlichtten de loodgrauwe hemel met een bleek licht, de atmosfeer was drukkend en de lucht in hooge mate benauwend.

Tasio scheen zijn geliefden schedel reeds vergeten te hebben; hij glimlachte nu, terwijl hij naar de donkere wolken opkeek.

Bij de kerk kwam hij een man tegen, die een alpacajas aanhad en in zijn hand een heele vracht kaarsen droeg, behalve nog een stok met kwast, als teeken van zijn waardigheid.

“U schijnt vroolijk te wezen?” vroeg deze in de landstaal.

“Zeker, mijnheer de burgemeester, ik ben blij, omdat ik op iets hoop.”

“Zoo! En waarop hoopt u dan?”

“De storm!”

“De storm! U wilt zeker gaan baden?” vroeg de “gobernadorcillo” op spottenden toon, kijkende naar de eenvoudige kleeding van den ouden man.

“Baden... ’t zou niet kwaad wezen, vooral niet als je tegen wat vuils aanloopt,” antwoordde Tasio droogjes, schoon ietwat minachtend en keek daarbij zijn toespreker in ’t gelaat, “maar ik hoop op iets beters.”

“Wat dan?”

“Wat bliksemstralen, om menschen te treffen en huizen te verbranden!” gaf de wijsgeer ernstig terug.

“U moest maar ineens de zondvloed vragen!” [94]

“We verdienen ’m allen. U en ik ook! U, mijnheer de Gobernadorcillo, heeft daar een vracht kaarsen bij u die afkomstig zijn van den Chineeschen winkel; ik heb nu meer dan tien jaar aan iedere nieuwe ‘Capitán’ voorgesteld, om bliksemafleiders te koopen. En ze lachen me allemaal uit: ze koopen bommetjes en vuurpijlen en laten voor geld de klokken luiden. Nog erger: u zelf bestelde den dag na mijn voorstel bij de Chineesche gieters een klokje voor Sinte Barbara. En de wetenschap leert dat het gevaarlijk is klokken aan te raken bij onweer. En zeg me nu ’s: hoe kwam het, dat in ’70, toen de bliksem in Binjan insloeg, die juist in de kerk terecht kwam en de klok en ’t altaar vernielde? Wat deed toen dat klokje van Sinte Barbara?”

Op dat oogenblik flikkerde er een bliksemstraal. “Jezus Maria en Jozef! Heilige Barbara, bidt voor ons!” mompelde de “gobernadorcillo”, die bleek werd en een kruis sloeg.

Tasio schoot in een schaterlach.

“Jelui zijn de naam van je patronesse waardig!” zeide hij in ’t Spaansch, keerde hem zijn rug toe, en richtte zich naar de kerk.

De kosters waren binnen bezig een “túmulus” op te richten met kaarsen en kandelabers eromheen. Het waren twee groote tafels op elkaar, bedekt met zwarte witgerande doeken; hier en daar waren doodshoofden geschilderd.

“Is het voor de zielen of voor de kaarsen?” vroeg hij. En twee knapen ziende van wellicht tien en zeven jaar, wendde hij zich tot hen, zonder het antwoord der kosters af te wachten. [95]

“Gaan jullie met me mee, jongens?” vroeg hij hun.

“Je moeder heeft een heerlijk avondeten voor jullie klaar gemaakt: een pastoor ’t lusten.”

[Inhoud]

XV.

De kosters.

Don Anastasio bevond zich met de twee koorknaapjes in de kerk. Hij vroeg hen wanneer zij naar huis gingen.

“De hoofdkoster laat ons er niet uit voor achten, meneer!” antwoordde ’t oudste ventje. “Ik hoop mijn loon te krijgen, dan kan ik het aan moeder geven.”

“Zoo! En waar gaan jullie heen?”

“Naar den toren, om te luiden voor de zielen.”

“Gaan jullie naar den toren? Pas op! Kom niet te dicht bij de klokken zoolang ’t onweert.”

Daarop verliet hij de kerk, niet zonder eerst met een medelijdenden blik de twee knapen te hebben gevolgd, die bezig waren de trappen op te gaan naar het koor.

Tasio wreef zich de oogen, keek nog eens naar den hemel en mompelde:

“Nou zou ’t me spijten, als het insloeg.”

En met gebogen hoofd richtte hij zich mijmerend naar den buitenkant van ’t dorp.

“Zeg, komt u eerst even binnen!” riep een stem uit een venster hem in ’t Spaansch toe.

De filosoof hief het hoofd op en zag een man van dertig tot vijf-en-dertig jaar, die hem toelachte.

“Wat leest u daar?” vroeg Tasio en [96]wees op het boek dat de man in zijn hand hield.

“’t Is iets nieuws—mooi boek: ‘De kwellingen der zaligen in ’t Vagevuur!’ was het vroolijk bescheid.

“Man! man! man!” riep de oude uit met twee intervallen, terwijl hij het huis binnenging. “De schrijver moet wel een knap man wezen.”

Bij ’t opgaan der trap werd hij vriendschappelijk ontvangen door den heer des huizes en diens jonge vrouw. Hij heette Don Filipo Lino en zij Teodora Vina. Don Filipo was de “teniënte mayor” of onder-burgemeester en het hoofd van een bijna vrijzinnige partij, als men die zoo noemen mag, en als er op de Filippijnsche dorpen partijen bestaanbaar zijn.

“Heeft u op ’t kerkhof den zoon van den overleden Don Rafael ontmoet, die pas uit Europa terug is?”

“Ja, ik heb ’m gezien, toen hij uit zijn rijtuig stapte.”

“Ze zeggen dat hij ’t graf van zijn vader was gaan zoeken. De slag moet wel vreeselijk geweest zijn.”

De “wijsgeer” haalde de schouders op.

“Stelt u geen belang in zijn ongeluk?” vroeg de jonge huisvrouw.

“Je weet toch wel dat ik een van de zes was die met het lijk mee zijn gegaan. Ik was ’t die me tot den Capitán General gewend heb, toen ik zag dat hier iedereen, tot zelfs de autoriteiten, het zwijgen deden tot zulk een groote ontheiliging. En dat terwijl ik altijd liever een goed mensch in zijn leven eer dan hem na zijn dood te aanbidden.”

“En?” [97]

“U weet wel, mevrouw, dat ik geen aanhanger ben van ’t erfelijk koningschap. Door ’t beetje Chineesch bloed dat mijn moeder mij gegeven heeft, denk ik eenigszins als de Chineezen: ik eer de vader om den zoon, maar niet de zoon om den vader. Laat ieder de belooning of de straf krijgen voor wat hij zelf, niet voor wat anderen gedaan hebben.”

“Heeft u een mis laten lezen voor uw overleden vrouw, zooals ik ’t u gisteren aangeraden heb?” vroeg de vrouw, om van gesprek te veranderen.

“Nee!” antwoordde de oude man lachend.

“Hoe jammer!” riep ze met oprechte spijt, “ze zeggen dat tot morgen tien uur de zielen vrij rondwaren en wachten op de bemiddeling van de overlevenden; dat een mis in deze dagen gelijkstaat met vijf op andere dagen van ’t jaar of met zes zelfs, zooals de pastoor vanmorgen zei.”

“Hola! Dat wil dus zeggen dat we een termijn van genade hebben, waar we van moeten profiteeren?”

“Maar Doray!” viel Don Filipo in, “je weet toch wel dat Don Anastasio niet aan ’t vagevuur gelooft.”

De oude man protesteerde: hij kende zelfs de geschiedenis ervan. Zoo kwam ’t gesprek op ’t vagevuur en de filosoof vertelde hoe ’t geloof daaraan in de wereld was gekomen. En Doray vroeg hem, of hij dan in de verdoemenis geloofde. ’t Einde van zijn redeneering was dat hij niet kon gelooven in zulk een wreeden God, dat hij duizenden millioenen zielen eeuwig zou willen verdoemen om erfzonde of eigen dwalingen van een oogenblik. [98]

Ongerust over zijn boeken, omdat op dien nacht diefstal door de vingers zou worden gezien, verliet onze zonderling het echtpaar, en spoedde zich ondanks regen en onweer naar zijn woning.

De donder rolde met korte tusschenpoozen, en iedere slag werd voorafgegaan door een vreeselijk bliksem-geflikker; ’t was of God met letters van vuur zijn naam aan den hemel schreef, en ’t eeuwige gewelf er angstig van rilde. De regen viel bij stroomen neer en, voortgezweept door den wind, die akelig huilde, veranderde hij iederen keer als verdwaasd van richting. De klokken hieven met angstvolle stem hun droefgeestig gebed aan, en in de korte stilte, die het geweldige loeien der ontketende elementen telkens afwisselde, klonk het als een klagelijk gekreun door de lucht.

Op de tweede verdieping van den toren bevonden zich de twee knapen, die we terloops pratende met den filosoof hebben gezien. De jongste, die groote zwarte oogen en een schuchter gelaat had trachtte zich tegen het lichaam van zijn broer aan te dringen. Deze leek veel op hem, alleen was zijn blik dieper en de uitdrukking van zijn gezicht vastberadener. Beiden waren armelijk gekleed, en hun plunje vertoonde overal lappen en stoppen. Gezeten op een stuk hout, hield elk van hen een touw in de hand, waarvan het andere uiteinde zich hoog boven hen in de duisternis der derde verdieping verloor. De wind dreef den regen in hun gezicht, en deed de vlam flikkeren van een eindje kaars, dat daar op een grooten steen stond, die op Goeden Vrijdag in ’t [99]koor heen-en-weer gerold werd, om den donder na te bootsen.

“Trek toch aan ’t touw, Crispin!” zeide de oudste tot zijn broertje.

Deze ging er weer aan hangen, en boven hoorde men een zwakke klaagtoon, die onmiddellijk door een donderslag, door duizend echo’s herhaald, overstemd werd.

“Och! als we nu toch maar thuis waren bij moeder!” zuchtte de kleine, zijn broer aanziende. “Daar zou ik niet bang zijn.”

De oudste antwoordde niet: hij keek naar ’t afdruipen van de was aan de kaars, en scheen in gedachten.

“Thuis zegt niemand me dat ik steel!” hervatte Crispin; “moeder zou ’t niet toelaten! Als ze eens wist dat ze me hier ranselen...”

De oudste wendde de oogen van de vlam af, richtte het hoofd op, beet met kracht in het dikke touw en trok er geweldig aan, zoodat het welluidend gonsde.

“Moeten we altijd zoo blijven voortleven, broer?” ging Crispin voort. “Ik wou dat ik morgen thuis ziek werd, ik woû dat ik heel lang ziek lag, dan zou moeder me oppassen en hoefde ik niet meer naar ’t klooster terug! Dan zouden ze me geen dief meer noemen en me evenmin meer ranselen! En jij moest ook maar ziek worden, zeg.”

“Nee!” antwoordde de oudste, “we zouden allemaal doodgaan, moeder van verdriet, en wij van den honger.”

Crispin zeide niets terug.

“Hoeveel verdien jij deze maand?” vroeg hij na een oogenblik.

“Twee peso’s: ze hebben me twee boeten gegeven.” [100]

“Betaal wat ze zeggen dat ik gestolen heb, dan zullen ze ons niet meer voor dieven uitschelden. Betaal het maar, broer!”

“Ben je gek, Crispin? Moeder zou niets te eten hebben. De eerste koster zegt dat je twee ‘onza’s’ gestolen hebt, en twee onza’s zijn twee-en-dertig peso’s.”

De kleine telde op zijn vingers, tot dat hij aan twee-en-dertig kwam.

“Zes handen en twee vingers! En iedere vinger een peso,” mompelde hij daarop peinzend. “En iedere peso... hoeveel ‘cuarto’s’ is dat?”

“Honderd zestig.”

“Honderd zestig cuarto’s? Honderd zestig maal een cuarto. Och hemeltje! En hoeveel is honderd zestig?”

“Twee en dertig handen,” antwoordde de oudste. Crispin zat een oogenblik naar zijn handjes te staren.

“Twee en dertig handen!” herhaalde hij, “zes handen en twee vingers, en iedere vinger twee-en-dertig handen... en dan iedere vinger een cuarto... Och lieve tijd, wat ’n cuarto’s! Je zou ze in drie dagen niet kunnen tellen... En daar kon je pantoffels voor koopen voor je voeten, en een hoed voor je hoofd, als de zon warm schijnt, en een groote parapluie voor als ’t regent en eten, en kleêren voor jou en voor moeder en...”

Crispin verzonk in gedachten.

“Nu spijt het me dat ik niet gestolen heb!

“Crispin!” vermaande hem zijn broer.

“Word maar niet boos! De pastoor heeft gezegd dat hij me dood zou ranselen met een stok, als ’t geld niet voor den dag komt. Als ik het gestolen had, zou ik ’t nu voor den dag kunnen [101]brengen...en als ik dood ging zouden jij en moeder ten minste kleêren hebben! Had ik ’t maar gestolen!”

De oudste zweeg en trok aan het koord. Daarop antwoordde hij zuchtend:

“Waar ik bang voor ben, is dat moeder een hevig standje zal geven, als ze ’t hoort!”

“Geloof je dat?” vroeg de kleine verwonderd. Je moet haar zeggen dat ze mij al veel geslagen hebben, ik zal haar mijn striemen laten zien en mijn kapotte zak: ik heb maar een cuarto gehad, die ze me voor mijn paschen gegeven hadden en de pastoor heeft me die gisteren afgenomen. Ik had nog nooit zoo’n mooie cuarto gezien. Moeder zal ’t niet willen gelooven, ze zal ’t niet gelooven!”

“Als de pastoor het zegt...”

Crispin begon te schreien, en stamelde onder het snikken door:

“Ga jij dan alleen weg, ik wil niet weggaan. Zeg aan moeder dat ik ziek ben. Ik wil niet weggaan.”

“Crispin huil nu maar niet. De oude Tasio heeft gezegd dat we van avond lekker zullen eten.”

Crispin hief het hoofd op en keek zijn broer aan.

“Lekker eten! Ik heb nog heelemaal niet gegeten: ze willen me geen eten geven zoolang dat geld nog niet terecht is... Maar als moeder ’t gelooft? Jij moet haar zeggen, dat de eerste koster liegt, en de pastoor die hem gelooft ook, dat ze allemaal liegen; dat ze zeggen dat we dieven zijn, omdat onze vader zich slecht gedraagt en...”

Doch er kwam een hoofd voor den dag uit de holte van het trapje dat naar [102]de eerste verdieping voerde, en dit hoofd deed als dat van Meduza de woorden op de lippen van den knaap bevriezen. Het was een langgerekte magere kop met lange zwarte haren. Een blauwe bril verborg het eene blinde oog.

Het was de hoofd-koster die zoo zonder gedruisch, onverwachts placht te verschijnen.

De twee broertjes werden ijskoud.

“Jij, Basilio, krijgt een boete van twee realen, omdat je niet in de maat luidt!” zeide hij met een spelonkstem, alsof hij zijn stembanden kwijt was. “En jij, Crispin, jij moet van nacht hier blijven, totdat wat je gestolen hebt, terecht is.”

Crispin keek naar zijn broer, alsof hij om bescherming vroeg.

“We hebben vrij-af gekregen...moeder wacht ons om acht uur thuis”, stamelde Basilio schuchter.

“Nou mag jij ook niet om acht uur weg! Tot tien uur!”

“Maar, meneer, om negen uur mag je niet meer op straat, en ons huis is zoo ver.”

“Zoo, woû jij me de wet stellen?” vroeg de man toornig. En Crispin bij een arm vattende trachtte hij hem weg te slepen.

“Meneer! ’t Is al een week dat we moeder niet gezien hebben!” smeekte Basilio, zijn broertje vastgrijpende, als wilde hij hem verdedigen.

De hoofdkoster gaf hem een tik zoodat hij losliet en trok Crispin mee. Deze begon te schreien en liet zich op den grond vallen, terwijl hij tot zijn broêr zeide:

“Ga niet van me weg. Ze zullen me doodmaken!” Maar de koster lette er [103]niet op, sleepte hem de trap af en verdween in de duisternis.

Basilio bleef achter zonder een woord te kunnen uitbrengen. Hij hoorde de stooten die het lichaam van zijn broertje tegen de treden der trap deed, dan een kreet, verscheidene klappen met de vlakke hand en daarna verstomden die hartverscheurende geluiden allengs.

De knaap stond ademloos met gebalde vuisten en wijd opengesperde oogen te luisteren.

“Wanneer zal ik een veld kunnen beploegen?” mompelde hij binnensmonds, en ging haastig naar beneden.

Toen hij aan ’t koor gekomen was, luisterde hij nog eens aandachtig: de stem van zijn broertje verwijderde zich snel, en de kreet: “moeder! broer!” stierf geheel weg, toen er een deur dicht ging. Bevend, bedekt met zweet, bleef hij een oogenblik stilstaan. Hij beet op zijn vuist, om een kreet te versmoren, die uit zijn hart opdrong, en liet zijn blikken dwalen door de halve duisternis der kerk. Daar ginds brandde zwakjes de olielamp. In ’t midden stond de katafalk. De deuren waren alle gesloten, en aan de vensters zaten tralies.

Opeens liep hij het trapje op, ging de tweede verdieping over, waar het kaarsje brandde, en klom naar de derde. Hij maakte de touwen los, die aan de klepels vastzaten, en ging daarna weer naar beneden. Hij was bleek, maar zijn oogen glansden en niet van de tranen.

De regen begon intusschen op te houden en de hemel werd allengs helderder.

Basilio knoopte de touwen aaneen, bond een uiteinde aan een kant van de balustrade, en zonder eraan te denken [104]het licht uit te doen, liet hij zich midden in de duisternis neerglijden.

Eenige oogenblikken later hoorde men op een der straten van het dorp geluid van stemmen, en klonken er twee schoten. Doch niemand maakte zich ongerust, en alles keerde weer tot de vorige rust terug.

[Inhoud]

XVI.

Sisa.

De nacht is donker: de dorpelingen slapen rustig; de families die de afgestorvenen herdacht hebben, genieten voldaan van een vreedzamen slaap: ze hebben drie deelen van den rozenkrans met “requiem’s” en de novene der zielen gebeden, en veel waskaarsen ontstoken voor de heiligen-beelden. De rijken en machtigen hebben hun plicht gedaan jegens de verwanten, die hun fortuin hebben nagelaten. Den volgenden dag zullen ze de drie missen hooren, die elke priester leest; ze zullen dan, naar ze van plan zijn, twee pesos geven om er nog een te lezen en daarna de “aflaat” van de afgestorvenen koopen, die zooveel zonden vergeeft. De hemelsche gerechtigheid schijnt toch waarlijk niet zoo veel-eischend als de menschlijke.

Maar de arme en behoeftige, die nauwelijks genoeg verdient om te bestaan en de belastinggaarders, klerken en soldaten moet omkoopen om in vrede te kunnen leven, slaapt niet rustig, zooals de dichters ter hoofdplaats gelooven, die wellicht nooit de ontberingen der ellende hebben geleden. De arme is droevig en bezorgd. Dien nacht heeft hij wel weinig gebeden [105]opgezegd, maar toch veel in stilte gebeden met smart in ’t hart en tranen in de oogen. Hij weet niet van de “novenen”, kent geen schietgebedjes, noch de verzen, noch de “oremus”, die de geestelijke broeders opgesteld hebben voor hen die geen eigen gedachten noch eigen gevoelens hebben, en hij verstaat ze ook niet. Hij bidt in de taal van zijn nooddruft. Zijn ziel schreit voor hem en voor de dooden, wier liefde zijn eenig goed was. Zijn lippen kunnen “groetenissen” uitspreken, maar zijn geest schreeuwt klachten uit en beschuldigingen...

De arme weduwe waakt tusschen de kinderen, die aan haar zijde slapen: ze denkt aan de aflaten, die ze koopen moet voor de rust van haar ouders en van haar overleden echtgenoot. “Een peso,” denkt ze, “een peso is een week verzorging voor mijn kinderen, een week van lachjes en geluk, mijn spaarpenningen van een heele maand, een kleedje voor mijn dochtertje, dat al vrouw begint te worden...” “Maar ’t hellevuur moet gebluscht worden” zegt de stem die ze heeft hooren preeken; “ge moet u opofferen, ’t moet! De kerk redt voor u de geliefde zielen niet om-niet: ze geeft niet gratis aflaten uit. Ge moet die koopen en in plaats van ’s nachts te slapen, zult ge arbeiden. Uw dochter—wel wat zou ’t, dat haar schaamte onbedekt blijft... Vast maar! Want de hemel is duur? De armen komen zoo moeilijk in den hemel!

Die gedachten zweven in de ruimte tusschen de “sahig,”1 waarop de schamele mat gespreid is, en de “palapoe”,2 [106]waaraan de hangmat is vastgemaakt waar het kind in gewiegd wordt. Zijn ademhaling is gemakkelijk en rustig; van tijd tot tijd maakt het kauwbewegingen en brengt geluiden voort: het droomt van eten; want de hongerige maag is niet voldaan met wat de broertjes hem gegeven hebben.

De cikaden zingen hun eentonig lied eenparig met het snerpen der krekels in het gras, of het geluid der veenmollen, die uit hun schuilplaats kruipen, om voedsel te zoeken, terwijl de “tokèq”—tjakón zegt men in de Filippijnen—, niet meer bevreesd voor ’t water, zijn kop voor den dag steekt uit de holte van een vermolmden boomstam en het concert verstoort met zijn akelig stemgeluid. De honden blaffen jammerend verderop in de straat, en de bijgelovige die het hoort, is overtuigd dat de dieren de geesten en schimmen zien. Maar noch de honden noch de insekten zien de smarten der menschen en toch bestaan ze!

Ginds, ver van ’t dorp, woont de moeder van Basilio en Crispin, vrouw van een harteloos man, die voor haar kinderen tracht te leven, terwijl hij lanterfant en hanegevechten bijwoont. Zijn bezoeken thuis zijn zeldzaam, doch altijd smartelijk. Hij heeft haar stuk voor stuk haar schamel huisraad ontroofd, om aan zijn ondeugd te voldoen, en toen de geduldige Sisa niets meer bezat om de grillen van haar man te bevredigen, toen begon hij haar te mishandelen. Zwak van karakter, met meer hart dan verstand, kon zij alleen liefhebben en schreien. Voor haar was haar echtgenoot haar God, haar kinderen waren haar engelen. Hij die wist hoe zeer hij aangebeden en [107]gevreesd werd, gedroeg zich ook als alle valsche goden: iederen dag werd hij wreeder, onmenschelijker en bedillender.

Toen Sisa hem eens dat ze hem somberder dan ooit zag, raadpleegde over haar plan om Basilio koster te laten worden, ging hij voort met zijn haan te liefkoozen. Hij zei geen ja of nee, en vroeg alleen, of hij dan veel geld zou verdienen. Zij dorst niet verder aan te dringen, doch haar benarde toestand en het verlangen om de jongens lezen en schrijven te laten leeren in de dorpsschool noopten haar om haar plan door te zetten. Haar man zeide weer niets.

Die nacht, zoo ongeveer tien uur of half-elf, toen de sterren reeds aan den hemel fonkelden, die nu weer helder was, zat Sisa op een houten bank, en keek naar eenige takken, die half-weg verbrand waren in haar haard van ruwe hoekige steenen. Op een “toengko” of drievoet stond een potje, waarin rijst kookte, en op gloeiende kolen lagen drie gedroogde sardijnen, van die welke men drie voor twee “cuarto’s” kan koopen.

Ze steunde haar kin op de palm van haar eene hand en staarde naar de geelachtige zwakke vlam van de bamboe, welker vluchtige kolen spoedig tot as vergaan. Een droeve glimlach verlichtte haar gelaat. Ze dacht aan ’t aardige raadsel van den pot en ’t vuur, dat Crispin haar eens opgegeven had. De knaap had gezegd:

Naupoe si Maïtim, sinoeloet ni Lapoelá,

Nang mahaó i koemará-karà3.

[108]

Ze was nog jong en men kon zien dat ze mooi en bevallig moest geweest zijn. Haar oogen, die ze evenals haar ziel aan de kinderen gegeven had, waren schoon, met lange wimpers en diepen blik. Haar neus was welbesneden, haar bleeke lippen waren sierlijk geteekend. Ze was wat de Tagalen noemen kajoemanging kaligatan, dit wil zeggen bruin, maar van een gave, zuivere tint. In weerwil van haar jeugd begon het verdriet of wellicht de honger haar bleeke wangen hol te maken. Haar overvloedige lokken, eertijds het sieraad van haar verschijning waren wel nog netjes opgemaakt, maar uit gewoonte niet meer uit behaagzucht. Ze droeg het haar in een zeer eenvoudigen wrong zonder haarspelden of kammetjes.

Ze was dagen achtereen het huis uit geweest, bezig aan een naaiwerk dat ze zoo spoedig mogelijk af moest hebben. Ze had om geld te kunnen verdienen dien morgen de mis niet bijgewoond, want heen en terug zou haar dat twee uur gekost hebben: armoede dwingt tot zondigen! Toen haar werk af was, had ze ’t naar den klant gebracht, doch deze had haar alleen beloofd te betalen.

Den heelen dag dacht ze aan de genoegens van den avond. Ze wist dat haar kinderen zouden thuiskomen en was Voornemens ze te trakteeren. Ze kocht sardijnen, plukte in haar tuintje de mooiste tomaten omdat ze wist dat die ’t lievelings-eten van Crispin waren. Ze vroeg aan haar buurman, den filosoof Tasio, een plak wildzwijne-vleesch en een bout van een wilden eend waar Basilio zooveel van hield. En vol blijde [109]hoop kookte ze de blankste rijst, die ze zelf had bijeen gegaard op de dorsvloeren. Dat was inderdaad een pastoorsmaaltijd voor de arme knapen.

Maar door een ongelukkig toeval kwam haar man en at de rijst, de snede varkensvleesch, de eendebout, de vijf sardijnen en de tomaten op. Sisa zeide niets, al was ’t haar ook of ze zelf opgegeten werd. Toen hij verzadigd was, dacht hij eraan naar de kinderen te vragen. Toen kon Sisa glimlachen, en voldaan nam ze zich voor, dien avond maar niet te eten, want wat er overbleef was niet genoeg voor drie. De vader vroeg naar zijn kinderen, en dat was voor haar meer dan eten.

Daarop greep hij zijn haan en wilde heengaan.

“Wil je ze niet zien?” vroeg ze angstig. “De oude Tasio heeft me gezegd dat ze wat later zouden wezen. Crispin kan al lezen en.., misschien brengt Basilio zijn loon thuis.

Bij ’t hooren van deze reden stond de man stil, weifelde een oogenblik, maar zijn goede genius zegevierde.

“In dat geval moet je een ‘peso’ voor me bewaren?” zeide hij, en stapte op.

Sisa schreide bitter, maar ze dacht weer aan haar kinderen en droogde haar tranen. Ze kookte nieuwe rijst en maakte de drie sardijnen klaar die er over waren: elk zou er anderhalf krijgen.

“Ze zullen wel goeden eetlust hebben!” dacht ze, “de weg is lang en een hongerige maag heeft geen oogen.”

Aandachtig luisterde ze naar ’t geringste geluid van voetstappen: krachtig en duidelijk, dan waren ze van Basilio, [110]licht en ongelijk, dan van Crispin, dacht ze.

De kalao (toekang) had in ’t bosch al twee- of drie maal zijn kreet doen hooren, sinds de regen opgehouden was, en toch kwamen de kinderen nog maar niet.

Ze deed de sardijnen in den pot om ze warm te houden, en ging naar den drempel der hut, om naar den weg te kijken. Om zich wat afleiding te geven, begon ze zachtkens te zingen. Ze had een mooie stem, en wanneer haar kinderen haar “koendiman” (antwoord me) hoorden zingen, schreiden ze zonder te weten waarom. Doch dien nacht beefde haar stem, en kwamen de tonen traag voor den dag.

Ze staakte haar zang en peilde met haar blik de duisternis. Er kwam niemand uit het dorp, behalve de wind, die het water deed druppelen van de breede bladeren der pisang-boomen.

Plotseling zag ze een zwarten hond voor haar verschijnen. Het dier sleepte iets voort op het pad. Sisa werd bang, nam een steen op en wierp ermee naar het dier. Dit zette het op een loopen en jankte akelig.

Sisa was niet bijgeloovig, maar ze had zooveel over voorgevoelens en zwarte honden hooren spreken, dat ze door ontzetting aangegrepen werd. Ze sloot ijlings de deur, en zette zich naast het licht neder. De nacht begunstigt het geloof aan allerlei akeligs, en de verbeelding bevolkt de lucht met spoken.

Ze trachtte te bidden, de Heilige Maagd, God aan te roepen dat ze haar kinderen behoeden zouden, vooral den kleinen [111]Crispin. En haar gedachten dwaalden af van ’t gebed, om alleen aan hen te denken: aan de gelaatstrekken van hen beiden die haar voortdurend toelachten, in droomenden en in wakenden toestand. Maar plotseling rezen haar de haren te berge: zins-begoocheling of werkelijkheid, ze zag Crispin staan naast den haard, daar waar hij placht te zitten om met haar te keuvelen. Nu zeide hij niets. Hij keek haar aan met zijn groote, peinzende oogen, en glimlachte.

“Moeder, doe open! Doe open, moeder!” zeide de stem van Basilio van buiten.

Sisa huiverde sterk en het vizioen verdween.


1 bamboe-vloer.

2 dak-rib.

3 De zwarte ging zitten en de roode keek hem aan; een oogenblik later weerklonk het “kikiriki.”

[Inhoud]

XVII.

Basilio.

’t Leven is een droom.

Nauw kon Basilio binnenkomen, of wankelend liet hij zich in de armen zijner moeder vallen.

Een onverklaarbare koude overviel Sisa, toen ze hem alleen zag aankomen. Ze wilde spreken, maar ze vond geen klanken; ze wilde schreien, ’t was haar onmogelijk.

Doch op ’t gezicht van ’t bloed, dat het voorhoofd van haar jongen bedekte, kon ze een kreet uitstooten, alsof er een streng van haar hart gebroken ware:

“Mijn kinderen!”

“Wees niet bang, moeder!” antwoordde Basilio, “Crispin is in ’t klooster gebleven.”

“In ’t klooster? Is hij in ’t klooster gebleven? Leeft hij?”

De knaap sloeg zijn oogen naar haar op. [112]

“O!” riep ze uit, van den grootsten angst overslaande tot de hoogste vreugde. Sisa schreide, omhelsde haar zoon, zijn bloedend voorhoofd met kussen overdekkend. “Crispin leeft! je hebt hem in ’t klooster achtergelaten ... en waardoor ben-je gewond, mijn kind? Ben-je gevallen?”

En ze sloeg hem nauwkeurig gade.

“De hoofd-koster zei me, toen hij Crispin meenam, dat ik niet voor tienen naar huis mocht. En omdat dat erg laat was, ben ik gevlucht. In ’t dorp riepen de soldaten me ‘werda’ toe. Ik zette het op een loopen. Toen hebben ze me geschoten en een kogel heeft even mijn voorhoofd geraakt. Ik was bang dat ze me gevangen zouden nemen en dat ze me de kazerne zouden laten schrobben, zooals ze dat met Pablo gedaan hebben, die nog ziek is.”

“Mijn God, mijn God!” mompelde de moeder huiverend, “ge hebt hem gered!”

En terwijl ze doeken, water, azijn en reiger-doos zocht, riep ze:

“Een vingerbreedte verder en je was dood geweest! Ze zouden m’n jongen doodgemaakt hebben! Die lui van de guardia civil denken ook niet aan de moeders!”

“Je moet zeggen dat ik uit een boom gevallen ben, hoor; niemand mag er iets van weten, dat ze me vervolgd hebben.”

“Waarom is Crispin achtergebleven?” vroeg Sisa, nadat ze haar zoon verbonden had.

Deze keek haar enkele oogenblikken aan. Dan haar omhelzend vertelde hij haar geleidelijk de zaak van het goud. Evenwel sprak hij niet van de kwellingen [113]die men zijn broertje aandeed.

Moeder en kind mengden hun tranen.

“Mijn goeie Crispin! Mijn lieve Crispin te beschuldigen! Dat is omdat we arm zijn, en wij armen moeten maar alles verdragen!” mompelde Sisa, met haar oogen vol tranen kijkende naar de tienhoy—het lampje—waarvan de olie opraakte.

Zoo bleven ze een poos zwijgen.

“Heb je al gegeten? Nee? Er is rijst en wat gedroogde sardijnen.”

“Ik heb geen trek. Water, ik wil alleen maar water.”

“Jawel,” hervatte de moeder, “ik wist wel dat je niet hield van gedroogde sardijnen. Ik had wat anders voor je klaargemaakt, maar je vader is er geweest, arme jongen!”

“Is vader er geweest?” vroeg Basilio, en hij keek onwillekeurig vorschend naar het gelaat en de handen van zijn moeder. De vraag van haar zoon kneep het hart van Sisa samen, want ze begreep hem maar al te goed. Daarom haastte ze zich eraan toe te voegen:

“Hij is er geweest, en heeft veel naar jullie gevraagd. Hij woû jullie zien. Hij had ergen honger. Hij heeft gezegd dat als jullie voortgaat met goed op te passen, hij weer bij ons in zou komen wonen.”

“O!” viel Basilio in, en zijn lippen trokken zich met ergernis samen.

“Jongen!” vermaande zij.

“Wees niet boos, moeder!” antwoordde hij ernstig, “is het niet beter zoo met ons drieën: u, Crispin en ik? Maar u schreit. Ik heb niets gezegd.”

Sisa zuchtte.

“Eet je heelemaal niets? Laten we [114]dan naar bed gaan, want het is al laat.”

Sisa sloot de hut, en bedekte de weinige sintels met as, opdat ze niet uit zouden gaan.

Basilio prevelde zijn gebeden, en legde zich te ruste bij zijn moeder, die geknield bad.

Hij voelde zich huiverig. Hij trachtte de oogen te sluiten en dacht aan zijn broertje, dat dien nacht erop gevlast had bij moeder thuis te slapen en dat nu schreide en van vrees beefde in een donkeren hoek van ’t klooster. Zijn ooren herhaalden hem die kreten, zooals hij ze in den toren gehoord had, maar zijn vermoeide hersenen begonnen denkbeelden te verwarren, en de geest der droomen daalde neder op zijn oogen.

Hij zag een alkoof, waar twee kaarsen brandden. De pastoor, met een rotan in de hand, luisterde somber naar den hoofd-koster, die tot hem sprak in een vreemde taal en met vreeselijke gebaren. Crispin beefde en wendde zijn betraande oogen overal heen, alsof hij iemand zocht of naar een schuilplaats uitkeek.

De pastoor richt zich tot hem en roept hem vertoornd iets toe. De rotan suist. De knaap loopt weg om zich achter den koster te verschuilen. Doch deze grijpt hem, maakt zich van hem meester en levert hem over aan de woede des priesters. De ongelukkige worstelt, trapt, schreeuwt, werpt zich op den grond, rolt, staat op, vlucht, glijdt uit, valt en weert de slagen met de handen af, die hij dan gillend van pijn weghoudt. Basilio ziet hem zich wringen, met zijn hoofd tegen den grond slaan, ziet den rotan en hoort hem zwiepen! Wanhopig staat zijn broertje [115]op. Gek van pijn werpt hij zich op zijn beulen en bijt den pastoor in de hand. Deze stoot een kreet uit, en laat den rotan vallen. De koster grijpt een stok, geeft hem daarmee een slag op het hoofd en de knaap valt bedwelmd neer. De pastoor, zich gewond ziende, schopt hem, maar de ander verdedigt zich niet meer, schreeuwt niet meer: hij rolt over den grond als een slappe massa en laat een vochtig spoor achter...

De stem van Sisa riep hem tot de werkelijkheid terug.

“Wat scheelt je? waarom huil je?”

“Ik heb gedroomd!... Och God!” riep Basilio uit en richtte zich op, gutsend van ’t zweet, “’t was een droom, zeg, moeder, het was maar een droom. Niets meer dan een droom!”

“Wat heb je gedroomd?”

De jongen antwoordde niet. Hij ging zitten om zijn tranen en zweet af te drogen. Het was volkomen donker in de hut.

“Een droom, een droom!” herhaalde Basilio zacht.

“Vertel me toch wat je gedroomd hebt. Ik kan niet slapen!” zeide zijn moeder, toen haar zoon zich weer nederlegde.

“Nu dan,” zeide deze zacht, “ik droomde dat we aren gingen lezen... op een veld, waar veel bloemen stonden; de vrouwen hadden manden vol met aren.... Ik herinner me niets verder, moeder, van ’t andere herinner ik me niets meer!”

Sisa hield niet aan. Ze gaf niet om droomen.

“Moeder, ik heb vannacht een plan gemaakt,” zeide Basilio, na eenige oogenblikken van stilte. [116]

“Wat voor plan?” vroeg zij.

Sisa, nederig in alles, was zelfs nederig tegenover haar kinderen: ze hield ze voor verstandiger dan zij zelve.

“Ik wil geen koster meer worden!”

“Hoe zoo?”

“Luister eens, moeder, naar wat ik overdacht heb. Vandaag is de zoon van Don Rafael uit Spanje teruggekomen en die zal wel even goed zijn als zijn vader. Welnu, moeder, morgen haalt u Crispin weg, u ontvangt mijn loon en u zegt dat ik geen koster meer wil worden. Zoodra ik hersteld ben, ga ik Don Crisóstomo opzoeken, en dan zal ik hem vragen, om koe- of karbouwen-hoeder bij hem te worden, ik ben al groot genoeg. Crispin zal kunnen leeren bij de oude Tasio in huis; die ranselt niet en is goed, al gelooft de pastoor ’t ook niet; wat zouden we nog van den pater te vreezen hebben? Geloof me, moeder, de oude Tasio is goed. Ik heb hem dikwijls in de kerk gezien, wanneer er niemand in was. Hij knielde en bad, gelooft u me. Dus moeder, ik word geen koster: je verdient toch weinig, en wat je verdient vliegt weg aan boeten. Iedereen klaagt over ’t zelfde. Ik word herder, en als ik goed zorg voor wat me toevertrouwd wordt, dan houdt mijn baas van me. Crispin houdt veel van melk. Wie weet, of ze me niet een koe-kalfje geven, als zij zien dat ik me goed gedraag. We zullen er goed op passen en ’t vetmesten, net als onze hen. In ’t bosch zal ik vruchten plukken, en ze dan in ’t dorp verkoopen tegelijk met groenten uit onzen tuin. En zoo zullen we geld verdienen. Ik zal strikken en vallen zetten, om vogels [117]en boschkatten te vangen. Ik zal gaan visschen in de rivier, en wanneer ik grooter ben, ga ik jagen. Ik kan dan ook houthakken om te verkoopen of om aan den eigenaar van de koeien cadeau te geven. En zoo houden we hem te vriend. Wanneer ik kan ploegen, zal ik hem vragen, om me een stukje grond af te staan, om er suikerriet of maïs te planten, en dan hoeft u niet meer tot midden in den nacht te zitten naaien. Dan hebben we nieuwe kleêren voor de feestdagen, en zullen we vleesch en groote visch eten. Ondertusschen leef ik vrij, we zullen elkaar alle dagen kunnen zien en samen eten. En omdat toch de oude Tasio zegt dat Crispin veel aanleg voor leeren heeft, zullen we hem in Manila laten studeeren. Ik zal wel werken, om hem te onderhouden, nietwaar moeder? En dan wordt hij dokter, wat dunkt u?”

“Och wat zou ik ervan denken? Stellig!” antwoordde Sisa, haar zoon omhelzend.

Ze had opgemerkt dat deze voor de toekomst in ’t geheel geen rekening hield met zijn vader, en ze schreide stille tranen.

Basilio ging voort met over zijn plannen te spreken met dat vertrouwen van zijn leeftijd, wanneer men alleen ziet wat men wil zien. Sisa zeide op alles ja, alles scheen haar goed. De slaap daalde allengs weer neder op de vermoeide oogleden van den knaap.

Hij zag zich reeds als koehoeder samen met zijn broertje. Ze plukten djamboe’s, klèngkèng’s en andere vruchten in het bosch. Ze liepen van tak tot tak, vlug als vlindertjes. Ze gingen grotten binnen [118]en zagen, dat de wanden glommen. Ze baadden zich in de bronnen en ’t zand bestond uit stofgoud en de steenen waren als de edelsteenen in de kroon der Heilige Maagd. De vischjes zongen en lachten hun toe, de planten bogen hun met munten en vruchten beladen takken. Daarop zag hij een klok, die aan een boom hing, en een lang touw, om haar te luiden. Aan ’t touw was een koe gebonden met een vogelnestje tusschen de horens. En Crispin zat in de klok. En zoo droomde hij verder.

Maar zijn moeder, die niet zijn jeugd had en evenmin een uur geloopen had, sliep niet.

[Inhoud]

XVIII.

Zieltjes in nood.

’t Zal ongeveer zeven uur in den morgen geweest zijn, toen Fray Salvi zijn laatste mis las: alle drie werden in één uur afgedaan.

“De pater is ziek,” zeiden de vrome vrouwtjes. “Hij beweegt zich niet zoo statig en sierlijk als gewoonlijk.”

Hij ontdeed zich van zijn miskleed zonder een woord te zeggen, zonder naar iemand te kijken, zonder een enkele opmerking.

“Opgepast!” fluisterden de kosters onder elkaar. “De storm komt opzetten! ’t Zal zoo meteen boeten regenen. En dat alles om twee beroerde jongens!”

Hij verliet de sakristie, om naar zijn pastorie te gaan, waar in de voorgalerij een achttal vrouwen op de banken gezeten en een man, die heen en weer liep, op hem wachtten. Toen ze hem zagen aankomen, stonden de vrouwen op en een vrouw trad op hem toe, om hem de hand te kussen. Doch de geestelijke maakte [119]zulk een gebaar van ongeduld, dat ze midden op haar weg stil bleef staan.

Ze begreep daar niets van. Zoo’n bejegening aan haar, Zuster Rufa, de vrome “celadora”—soort kommissaris van orde—van de Broederschap!

De vrouwen bespraken levendig het geval en eindigden met ruzie te maken over een verloren varken, dat Rufa beweerde teruggevonden te hebben door de tusschenkomst van den heiligen Antonius terwijl anderen zeiden dat ze een andermans varken voor ’t hare had aangezien en verkocht! Deze twist bijgelegd, ontstond er een woordenwisseling over de keuze van een prediker voor het feest; de pastoor had er drie voorgesteld: pater Dámaso, pater Martin of de “coadjutor”.

Op dat oogenblik kwam Sisa aan, met een mand op haar hoofd. Ze groette de vrouwen en ging de trap op.

“Die gaat naar boven! Laten wij ook naar boven gaan!” zeiden de anderen.

Sisa voelde haar hart hevig kloppen terwijl ze de trap opging; ze wist niet wat ze den pater zou zeggen om zijn toorn te bezweren, en welke gronden ze moest aanvoeren, om voor haar zoontje te pleiten. Dien morgen was ze bij ’t eerste ochtendgloren in haar tuin gegaan, om haar mooiste groenten te plukken die ze daarna tusschen pisang-blâren en bloemen in een mand had gelegd. Ze was ook naar den rivier-oever gegaan om er “pakoe” te zoeken: ze wist dat de pastoor daar als sla veel van hield. Ze had haar beste kleêren aangetrokken, en met de mand op het hoofd was ze zonder haar zoontje te wekken, naar het dorp vertrokken. [120]

Trachtende zoo min mogelijk gedruisch te maken, steeg ze langzaam de trap op, aandachtig luisterend of ze niet wellicht een wel-bekende frissche kinderstem zou hooren.

Doch ze hoorde noch ontmoette iemand, en richtte zich naar de keuken.

Daar keek ze in alle hoeken. Bedienden en kosters ontvingen haar koel. Ze groette, maar kreeg nauwelijks een wedergroet.

“Waar kan ik deze groenten laten?” vroeg ze, zonder zich beleedigd te toonen.

“Daar... waar je wilt!” antwoordde de kok, terwijl hij, druk aan zijn werk, er bijna niet op lette; hij was bezig een kapoen te plukken.

Sisa legde de térong’s, petola’s, de balsem-appels, de “zarzalida” en malsche “pakoe”-takjes netjes op de tafel. Daarna legde ze de bloemen er boven op, lachte vergenoegd, en vroeg aan een bediende die haar handelbaarder voorkwam dan de kok:

“Zou ik den pater niet kunnen spreken?”

“Die is ziek,” antwoordde de man zacht.

“En Crispin? Weet u ook, of die in de sakristie is?”

De bediende keek haar verbaasd aan.

“Crispin?” vroeg hij de wenkbrauwen fronsend.

“Is die niet bij u thuis? wou u dat soms loochenen?”

“Basilio is thuis, Crispin is hier gebleven,” antwoordde Sisa. Ik wil hem zien...”

“Jawel!” zei de bediende. “Hij is gebleven, dat is zoo, maar daarna... [121]daarna is hij met een heeleboel dingen, die hij gestolen had, ervandoor gegaan. De pastoor heeft me van morgen vroeg naar de kazerne gestuurd om er kennis van te geven aan de Guardia-Civil. Ze zullen nu wel naar uw huis zijn gegaan, om de jongens te halen.”

Sisa sloeg de beide handen tegen de ooren, deed den mond open, maar haar lippen bewogen zich tevergeefs: er kwam geen geluid uit.

“Nou, jij hebt ook mooie jongens, hoor!” voegde de kok erbij. “Je kunt wel zien, dat je je man nooit bedrogen hebt: je kinderen zijn net als hun vader! Pas maar op, dat de kleine hem niet nog den baas af wordt!

Sisa barstte in bitter schreien uit en viel op een bank neer.

“Je moet hier niet huilen!” riep de kok haar toe. “Weet je dan niet, dat de ‘padre’ ziek is, ga op straat janken!” De arme vrouw werd bijna de trappen af geduwd, tegelijkertijd dat ook de “zusters” heengingen, die onder elkaar mompelden en gissingen maakten over de ongesteldheid van den pastoor.

De ongelukkige moeder verborg haar gelaat met haar zakdoek, en onderdrukte haar schreien.

Toen ze op straat was, keek ze besluiteloos om zich heen. Dan, als had ze een besluit genomen, verwijderde ze zich snel.

[Inhoud]

XIX.

Avonturen van een schoolmeester.

Het meer, omringd door zijn bergen, sluimert rustig met die huichelarij der elementen, welke heden niet doet vermoeden dat het den vorigen nacht meegeloeid [122]heeft met den storm. Bij ’t eerste glimpje van den dageraad, dat op de wateren de lichtgeesten wakker roept, teekenen zich in de verte, bijna aan de kim, grauwe silhouetten af: het zijn de bootjes der visschers, die hun net ophalen; kleine vaartuigen, die hun zeilen spannen.

Twee mannen, in diepen rouw gekleed, slaan van een hoogte zwijgend het water gade: een van hen is Ibarra en de ander is een jongmensch met een nederig voorkomen en weemoedige trekken.

“Hier is ’t!” zeide de laatste. “Hier werd het lijk van uw vader in ’t water gesmeten. Hier bracht de doodgraver luitenant Guevara en mij!”

Ibarra drukte hartelijk de hand van ’t jongmensch.

“U hoeft er mij niet dankbaar voor te wezen!” hervatte deze. “Ik was uw vader veel verschuldigd en de eenige dienst dien ik hem bewees, was hem naar zijn graf te vergezellen. Ik was gekomen zonder iemand te kennen, zonder aanbevelingen, zonder naam, zonder fortuin, net als nu. Mijn voorganger had de school opgegeven om een tabakshandel te beginnen. Uw vader beschermde mij, verschafte me een huis en deed me alles aan de hand wat ik noodig kon hebben om mijn onderwijs te bevorderen. Hij kwam naar school en deelde eenig klein geld uit onder de arme jongens die goed leerden; hij voorzag ze van boeken en schrijfbehoeften. Och, maar dat duurde kort, zooals alle goede dingen!”

Ibarra ontblootte het hoofd en scheen een heele poos in gebed verzonken. Dan [123]wendde hij zich tot zijn metgezel en zeide:

“U zeide dat mijn vader de arme kinderen hielp.

En nu?”

“Nu doen ze wat ze kunnen, en schrijven wanneer het hun mogelijk is.”

“Hoe zoo?”

“Om hun gescheurde hemden en hun beschaamde gezichten.”

Ibarra zweeg even.

“Hoeveel leerlingen heeft u nu?” vroeg hij ten slotte met een zekere belangstelling.

“Meer dan twee honderd op de lijst, en vijf-en-twintig in de klas.”

“Hoe komt dat zoo?”

De schoolmeester lachte weemoedig en riep:

“Als ik u de oorzaken daarvan woû zeggen, zou ik u een lange, vervelende geschiedenis moeten vertellen.”

“U moet mijn vraag niet aan ijdele nieuwsgierigheid toeschrijven,” ging Ibarra voort, en keek ernstig naar den verren horizont. “Ik heb er verder over nagedacht en ik geloof dat het beter is de denkbeelden van mijn vader te verwezenlijken dan om hem te treuren, en veel beter dan hem te wreken. Zijn graf is de heilige natuur, en zijn vijanden waren dorpsmenschen en een priester: ik vergeef de eersten om hun domheid, en ik eerbiedig den ander om zijn ambt, en omdat ik wil dat de godsdienst geëerbiedigd wordt, die de maatschappij heeft opgevoed. Ik wil me bezielen met den geest van den man, die mij ’t leven gaf, en daarom zou ik hinderpalen willen kennen die het onderwijs hier vindt.” [124]

“Het land” zeide de onderwijzer, “zal uw vaders nagedachtenis zegenen, als u zijn mooie bedoelingen verwezenlijkt. Wilt u weten wat hier het onderwijs in den weg staat? Welnu, in de omstandigheden waarin we leven, zal van het onderwijs zonder een machtige hulp nooit iets terechtkomen. Ten eerste omdat er bij de kinderen geen lokmiddel, geen prikkel is, ten tweede omdat zelfs al waren ze er wel, het gebrek aan middelen en allerlei vooroordeelen ze dooden. Men zegt dat in Duitschland de zoon van een landbouwer acht jaar op de dorpsschool leert. Wie zou hier de helft van dien tijd willen besteden, wanneer men er zulke schamele vruchten van plukt? Ze lezen, schrijven en leeren stukken van buiten in ’t Spaansch en soms heele boeken, zonder er een woord van te begrijpen. Wat voor nut trekt de zoon van onze dorpelingen van de school?”

“En u die weet waar ’t kwaad schuilt, heeft u dan er aan gedacht het te verhelpen?”

“Och!” antwoordde de ander droevig het hoofd schuddend, “een arme schoolmeester kan alleen niet vechten tegen de vooroordeelen, tegen zekere invloeden. In de allereerste plaats zou ik een school moeten hebben, een lokaal, en niet zooals ’t nu is een ruimte naast het rijtuig van den pastoor, onder ’t klooster, waar ik onderwijs mag geven. Daar hinderen de kinderen, die ervan houden hardop te lezen, natuurlijk den ‘padre’; die komt dan soms zenuwachtig beneden, vooral wanneer hij zijn buien heeft; dan beknort hij ze en scheldt mij soms uit. U begrijpt licht, [125]dat men zoo niet kan onderwijzen of leeren. Een kind eerbiedigt zijn leermeester niet meer, zoodra het ziet dat hij beleedigd wordt, zonder dat hij zijn rechten kan doen gelden. Een onderwijzer moet, om aangehoord te worden, om te maken dat men zijn gezag niet in twijfel trekt, prestige hebben, een goeden naam, zedelijke kracht, een zekere vrijheid. En sta u me toe dat ik u over droevige bizonderheden spreek. Ik heb hervormingen willen invoeren en ze hebben me uitgelachen. Om het kwaad te verhelpen waarover ik ze sprak, trachtte ik het Spaansch op mijn school te onderwijzen, want, behalve dat het gouvernement het voorschreef, oordeelde ik ook dat het een voordeel voor alle leerlingen zou wezen. Ik paste de eenvoudigste methode toe—zinnetjes en naamwoorden—zonder veel aan groote regels te doen, hopende hun later de spraakkunst te leeren, wanneer ze al op de hoogte van de taal waren.

Na verloop van eenige weken verstonden de vlugsten me bijna, en maakten die al eenige zinnetjes.”

De schoolmeester zweeg even en scheen te aarzelen. Dan, alsof hij zich daar overheen zette, ging hij voort:

“Ik hoef me niet te schamen voor ’t verhaal van mijn grieven: iedereen zou in mijn geval net-zoo gehandeld hebben. Zooals ik dan zei, begon het goed. Maar, eenige dagen later liet Pater Dámaso, die toen onze pastoor was, mij door den hoofd-koster bij zich roepen. Omdat ik zijn karakter kende en bang was hem te laten wachten, ging ik dadelijk naar boven, kwam binnen [126]en zeî hem goeden dag in ’t Spaansch. Hij stak me als eenige wedergroet zijn hand toe, om die te kussen, trok die daarna terug, en zonder een woord te zeggen, begon hij luidkeels en spottend te lachen. Ik stond beteuterd. De hoofd-koster was erbij. In ’t eerst wist ik niet wat ik zeggen zou. Ik bleef hem aankijken. Maar hij ging door met lachen. Ik werd al ongeduldig, en zag in dat ik een onvoorzichtigheid zou begaan, want een goed christen zijn en waardig daarbij te wezen, vind ik niet onvereenigbaar. Ik wou hem juist vragen waarom hij zoo deed, toen hij opeens van lachen in beleedigen oversloeg, en sarkastisch zeî: ‘Zoo, zoo “buenos dias”!1 Buenos dias! Wel dat ’s leuk! Je kent dus al Spaansch?!’ En toen lachte hij weer.

Ibarra kon niet nalaten even te glimlachen.

“U lacht erom,” hervatte de onderwijzer, zelf ook lachende. “Ik verzeker u dat ik toen heelemaal geen lust in lachen had. Ik stond daar en ik voelde dat het bloed me naar ’t hoofd steeg, en een onweer mijn hersens benevelde. Ik zag den pastoor ver, ver weg. Ik stapte op hem toe, om hem te antwoorden, zonder te weten wat ik eigenlijk wou zeggen. Maar de koster kwam tusschenbeide. Hij zelf stond op, en zei me, dezen keer in ernst, in ’t Tagaalsch: ‘Pronk nu maar bij mij niet met geleende veeren. Hoû je bij je moêrs-taal en bederf het Spaansch niet, want dat is geen kost voor jullie. Ken je meester Ciruela? Nu, Ciruela en die was een schoolmeester die niet [127]kon lezen, hield school.

Ik wou hem aanhouden, maar hij ging zijn kamer in en sloot driftig de deur. Wat moest ik doen, ik die nauwelijks te eten heb met mijn traktement, die om ’t te ontvangen telkens de schriftelijke goedkeuring van den pastoor noodig heb en een reis naar de hoofdplaats van de provincie moet maken. Wat kon ik doen tegen hem, de eerste zedelijke, politieke en burgerlijke autoriteit in een dorp, die gesteund wordt door zijn corporatie, gevreesd door ’t gouvernement, rijk, machtig, die altijd en door iedereen wordt geraadpleegd, aangehoord, geloofd, aan wien altijd iedereen zich stoort? Als die me beleedigt, moet ik mijn mond houden. Als ik er iets tegen zeg, word ik uit mijn baantje gezet en verlies ik voor goed mijn broodwinning. En ’t onderwijs zou daar nog niets door winnen: integendeel, iedereen zou de partij van den pastoor opnemen, ze zouden me uitkrijten, me ijdel, trots, verwaand, een slecht kristen, een onopgevoed mensch noemen, of anders anti-Spaansch gezind en filibustero—opstandeling. Van een schoolmeester verwacht men geen kennis en geen ijver; men eischt alleen van hem berusting, nederigheid, ongevoeligheid. God moge me vergeven, als ik mijn geweten en mijn verstand verloochend heb, maar ik ben in dit land geboren, ik moet leven, ik heb een moeder, en ik geef me over aan mijn lot als een lijk dat door het water wordt meegesleept.”

“En heeft u zich door dien hinderpaal voor altijd laten ontmoedigen? En ’t is u daarna beter gegaan?” [128]

“Gave God dat ik door schande wijs was geworden!” antwoordde hij, “dat mijn ellenden zich daartoe bepaald hadden! ’t Is waar dat ik sinds dien tijd een afkeer kreeg van mijn werkkring. Ik dacht erover, een levensonderhoud te zoeken, evenals mijn voorganger; omdat, als je werk doet tegen je zin en met schaamte, dan is ’t een marteling, en omdat de school me iederen dag mijn hoon herinnerde en ik er heel bittere uren doorbracht. Maar wat moest ik doen? Ik kon mijn moeder die teleurstelling niet geven: ik moest haar zeggen dat haar drie jaren van opoffering, om mij dezen werkkring te verschaffen, nu mijn geluk zijn. Ik moet haar doen gelooven dat de betrekking hoogst eervol is, het werk genotvol, dat mijn weg bezaaid is met rozen; dat ze me in ’t dorp eerbiedigen en hoogachten. Als ik dat niet deed, zou ik een ander ongelukkig maken, zonder dat ik ’t zelf minder werd. Behalve nutteloos, zou dat zelfs zondig wezen. Ik ben dus in mijn betrekking gebleven en heb me niet willen neerslaan: ik heb getracht te worstelen met mijn lot.”

De onderwijzer zweeg een oogenblik, om daarna voort te gaan:

“Ik heb toch profijt gehad van die smadelijke behandeling. Ik deed een zelfonderzoek en besefte tenslotte dat ik heel weinig wist. Ik ging met hart en ziel studeeren. De oude filosoof leende me boeken. Zoo kreeg ik allerlei nieuwe inzichten. Ik begreep dat het ouderwetsche ranselsysteem op school uit den booze was: ’t schaamtegevoel verdwijnt erdoor en de kinderen die een ander kind moeten slaan worden [129]wreed. Ik schafte dus de heele lichamelijke kastijding af. Eerst ging ’t niet best: veel leerlingen leerden slecht, maar ik hield vol, en ik merkte op dat er langzamerhand meer lust kwam. Er kwamen meer kinderen en ze verzuimden minder. Een, die eenmaal in ’t bijzijn van alle anderen geprezen was, leerde den volgenden dag het dubbele. Al heel gauw verbreidde zich in ’t dorp het nieuwtje, dat ik op school niet sloeg. De pastoor liet me roepen, en omdat ik weer zoo’n tooneel als vroeger vreesde, groette ik hem stijf in ’t Tagaalsch. Dezen keer was hij ernstiger tegenover me. Hij zei me dat ik de kinderen bedierf, dat ik mijn tijd verspilde, dat ik mijn plicht niet deed, dat de vader die niet sloeg zijn kind haatte, volgens den Heiligen Geest, dat ‘de letter met het bloed ingaat’ enz., enz. Hij haalde me een hoop dingen aan uit de oude doos, alsof het voldoende was dat iets door de menschen van den ouden tijd gezegd was, om onweerlegbaar te wezen... Nu, ’t kwam daarop neer, dat hij aanbeval naar zijn woorden te handelen en weer tot het oude stelsel terug te keeren, want anders zou hij over me klagen bij den burgemeester. Mijn ongeluk bleef daarbij niet: eenige dagen later kwamen de vaders van de kinderen onder ’t klooster bij me en ik heb al mijn geduld en lijdzaamheid te hulp moeten roepen. Ze spraken met lof over den ouden tijd, toen er flink geranseld werd. Sommigen lieten ’t daar niet bij, maar zeiden me ronduit dat als ik met mijn systeem voortging, hun kinderen niets zouden leeren en dat zij ze van de school af zouden nemen. ’t Gaf niets, of ik al met hun redeneerde: [130]ik was te jong. Och, wat had ik er wel voor gegeven, als ik grijze haren gehad had! Ze haalden het gezag van den pastoor aan, van dezen en genen, en ze stelden ook zichzelf als voorbeeld: als zij geen ransel hadden gehad, hadden ze stellig niets geleerd. De sympatie die enkelen me bewezen, verzoette alleen een beetje de bitterheid van deze teleurstelling.”

“Ik moest dus een stelsel opgeven dat me na veel moeite vruchten begon op te leveren. Wanhopig bracht ik den volgenden dag mijn marteltuigen weer op school, om mijn barbaarsche taak te hervatten. De opgeruimdheid verdween, en er heerschte weer bedroefdheid op de gezichtjes van de kinderen. Ze begonnen al van me te houden! ’t Waren mijn eenige vrienschapsbetrekkingen.... Ofschoon ik trachtte erg spaarzaam te zijn met mijn kastijdingen, voelden de kinderen zich toch diep gekwetst en vernederd. En ze schreiden bitter. Dat deed me pijn, en al was ik inwendig ook wrevelig op hun aartsdomme familie, ik kon me niet wreken op die onschuldige slachtoffers van de vooroordeelen van hun ouders. Hun tranen brandden me in de ziel. Ik gaf het op, en dien eersten dag liet ik de school voor den tijd uitgaan, om thuis op mijn eentje eens uit te schreien... Misschien bent u verwonderd over mijn gevoeligheid, maar u zou die begrijpen, als u in mijn plaats was. De oude Tasio zeî me: ‘Zoo, willen de paters ransel? Waarom heb je hun niet geranseld?’ Als gevolg daarvan werd ik ziek.”

Ibarra luisterde aandachtig.

“Nauwelijks beter, kwam ik weer op [131]school en ik vond mijn leerlingen tot op een vijfde verminderd.

De besten waren heengegaan bij de hervatting van ’t oude systeem. En van degenen die overgebleven waren—die naar school gingen om ’t werken thuis te ontloopen—toonde geen enkele vreugde, niet een wenschte me geluk met mijn beterschap: ’t was hun onverschillig of ik ziek was gebleven, want mijn plaatsvervanger sloeg wel meer, maar kwam daartegenover ook maar zelden op school. Mijn andere leerlingen, die door hun ouders gedwongen werden naar school te gaan, gingen aan den kuier. En ik kreeg de schuld dat ik ze te veel vertroeteld had, ik werd overladen met verwijtingen.

“En heeft u maar vrede genomen met uw nieuwe leerlingen?” vroeg Ibarra.

“Wat kon ik anders?” antwoordde hij. “Maar er was ’t een en ander gebeurd in den tijd dat ik ziek was: we hadden een anderen pastoor gekregen. Ik vatte opnieuw hoog op en probeerde nog eens, of ik niet gedaan kon krijgen dat de tijd voor de kinderen niet heelemaal verloren zou gaan en dat ze zooveel mogelijk profijt zouden trekken van hun kastijdingen. Ik wilde, nu ze me niet konden liefhebben, dat ze tenminste iets nuttigs van me zouden meekrijgen, dat ze later met minder bitterheid aan me terug zouden denken. Er waren geen boeken in ’t Tagaalsch, behalve de katechismus: al ’t overige was in ’t Spaansch. En dan, wat waren dat nog voor boeken? Ik ging aan ’t vertalen, dikteerde stukken, maakte zelfs een kaart van de provincie... Dezen keer kwamen de vrouwen in beroering, de mannen vergenoegden [132]zich met te glimlachen over iets waarin ze een nieuwe dolheid van mij zagen. De nieuwe pastoor liet me roepen. Hij gaf me wel geen standjes, maar zeide dat ik in de eerste plaats aan den godsdienst moest denken, en dat de kinderen, voordat ze die andere dingen leerden, eerst op een examen moesten bewijzen dat ze de godsdienstige boekjes en de katechismus goed van buiten kenden.

“Ik ben dus nu weer aan ’t werk, om van de kinderen papegaaien te maken, zoodat ze al die zaakjes van buiten kennen zonder er iets van te snappen, ’t Gaat... En zoo zullen we doen tot onzen dood en zoo zullen ook doen, die nog geboren moeten worden. En dan praten ze in Europa van vooruitgang!”

“Kom, we mogen niet zoo pessimistisch zijn!” zeide Ibarra, terwijl hij opstond. “De ‘teniënte mayor’ heeft me een uitnoodiging gezonden, om een vergadering van den gemeenteraad bij te wonen... Wie weet of u daar niet een antwoord op uw vragen zal krijgen?”

De onderwijzer stond ook op, doch hij schudde vol twijfel het hoofd, en antwoordde:

“U zult zien dat van ’t voorstel waarover ze me gesproken hebben al even weinig terechtkomt als van al mijn ideeën! ’t Zal wat wezen!”


1 goeden dag.

[Inhoud]

XX.

De vergadering van den gemeenteraad.

De zaal waarin deze gehouden werd, was twaalf tot vijftien meter lang en acht tot tien breed. De muren witgekalkt, waren bedekt met meer of minder [133]leelijke houtskool-teekeningen, sommige zeer onfatsoenlijk, met bijschriften die ze verduidelijkten. In een hoek, netjes tegen den muur gezet, waren een tiental oude vuursteen-geweren zichtbaar tusschen wat vervuilde en verroeste sabels, korte degens en kléwang’s: dat was de bewapening der burgerwacht, der z.g. cuadrillero’s.

Aan het eene uiteinde van de zaal, dat versierd was met smerige roode gordijnen, hing half verborgen aan den wand het portret van Zijne Majesteit. Onder het portret, op een houten estrade, opende een oude leuningstoel zijn verwoeste armen. Daarvoor stond een groote houten tafel, vol inktvlekken, bekerfd en begroefd met inschriften en monogrammen, zooals men die wel ziet op de tafels in Duitsche herbergen die veel door studenten bezocht worden. Banken en kreupele stoelen maakten de verdere meubileering uit.

Dit was de zittingszaal voor het gerechtshof, voor de martelingen enz. Tegenwoordig beraadslagen hier de authoriteiten van het dorp en van de wijken. De partij der ouden is streng gescheiden van die der jongen. Ze kunnen elkaar niet uitstaan en vertegenwoordigen de partij van ’t behoud en die der vrijzinnigen. Alleen neemt hun strijd in ’t dorp een feller karakter aan.

“Ik vind het gedrag van onzen burgervader verdacht, hoor!” zeide Don Filipo de teniënte mayor of onder-burgemeester, het hoofd der liberale partij tot zijn vrienden. “Hij moet bepaald een geheim plannetje hebben, dat hij de discussie over de begrooting tot het laatste nippertje uitstelt. Verbeeld je, we [134]hebben daar nog maar elf dagen voor.”

“En hij is in ’t klooster gebleven, om met den pastoor te konfereeren, die ziek is!” merkte een der jongeren op.

“Dat doet er niet toe!” beweerde een ander. “We hebben alles al klaar. Als nu maar ’t voorstel van de ouden niet de meerderheid krijgt....”

“Dat geloof ik niet!” zei Don Filipo. “Ik zal het voorstel van de ouden indienen....”

“Hoe zoo? Wat zegt u?” vroegen de bijzittenden verbaasd.

“Ik zeg dat, als ik ’t eerst spreek, ik het voorstel van onze vijanden zal indienen.”

“En het onze?”

“Daar moeten de heeren zich mee belasten,” antwoordde de “teniënte” lachend. En zich tot een jong buurthoofd wendend zeide hij: “De heeren moeten eerst spreken, wanneer ik het afgelegd heb.”

“We begrijpen u niet meneer!” zeiden de anderen en keken hem vol bange twijfeling aan.

“Luistert,” zeide Don Filipo zacht tot twee of drie die vlak bij hem stonden. “Van ochtend heb ik den ouden Tasio ontmoet.”

“En toen?”

“De oude man zeide me: ‘Jullie vijanden haten meer jullie zelf dan je ideeën. Willen jullie dat iets niet zal gedaan worden? Dan moeten jullie dat voorstellen. Al was ’t iets nuttigers dan de lucht, ’t wordt verworpen. Als ze je eenmaal geslagen hebben, maak dan dat de minste van jullie voorstelt wat je nu eigenlijk wenscht. Dan zullen je vijanden, om je te vernederen, dat aannemen.’ [135]Maar je moet het geheim bewaren.”

“Maar...”

“Daarom zal ik het voorstel van onze vijanden indienen en het tot in ’t belachelijke overdrijven. Stil, daar heb je meneer Ibarra en den schoolmeester!”

De twee jongelieden groetten links en rechts, zonder deel te nemen aan het gesprek.

Eenige oogenblikken later trad de burgemeester—gobernadorcillo of “gouverneurtje” noemt men hem hier—met een gemelijk gelaat binnen. Het was dezelfde die den vorigen dag een vrachtje kaarsen droeg, toen de oude Tasio hem tegenkwam. Bij zijn verschijning hield het gemompel op, iedereen ging zitten en allengs was het stil geworden.

De “Capitán”—zoo betitelt men den burgemeester—zette zich in den leuningstoel onder het konterfeitsel van Zijne Majesteit, kuchte vier of vijf maal, streek zich de beide handen over het hoofd en het gelaat, zette zijn ellebogen op de tafel, trok ze er weer af, hoestte nog eens en zoo vervolgens.

“Heeren!” begon hij eindelijk met kwijnende stem, “ik heb me verstout u allen op te roepen voor deze vergadering... ehem! ehem! we moeten het feest vieren van onzen beschermheilige San Diego (de Heilige Jakob), den 12en van deze maand ... ehem! ehem! Vandaag hebben we de tweede... ehem! ehem!”

Hier overviel hem een aanhoudende droge hoest, die hem verder het zwijgen oplegde.

Toen verhief zich van de bank der ouden een man van circa veertig jaar, [136]van een zelfbewust uiterlijk. Het was de rijke “Capitán” Basilio, tegenstander van wijlen Don Rafaël, een man die beweerde dat sinds den dood van de heilige Tomas van Aquino de wereld geen stap vooruit had gedaan, ja dat, sedert het oogenblik dat die St. Jan van Lateraan verliet, de menschheid is begonnen achteruit te gaan.

“Veroorlooft mij, edelachtbare heeren, dat ik het woord neem in zulk een belangwekkende aangelegenheid,” zeide hij. “Ik spreek het eerst, ofschoon anderen onder de hier aanwezigen er meer recht op hebben dan ik, maar ik spreek het eerst, omdat het me voorkomt dat in zulke zaken het eerst spreken niet beteekent dat men de eerste is, evenmin het laatst te spreken beteekent dat men de laatste is. Bovendien zijn de dingen die ik te zeggen heb, van zulk een belang dat ze niet mogen veronachtzaamd, noch het laatst mogen gezegd worden. En daarom wil ik ’t eerst spreken, om er het noodige gewicht op te leggen. De edelachtbare heeren zullen me derhalve wel veroorloven dat ik het eerste spreek in deze vergadering, waar ik zeer allernotabelste personen zie, zooals de tegenwoordige burgemeester; de ex burgemeester, mijn hooggeachte vriend Don Valentin, dan de ex burgemeester, mijn jeugd-vriend Don Melchor, en zooveel andere voornaamheden meer welke ik, om kort te zijn, niet wil opsommen en die de edelachtbare heeren hier aanwezig zien. Ik verzoek de edelachtbare heeren dat ze mij het gebruik des woords veroorloven voordat iemand anders spreekt. Zal ik het geluk genieten, dat de vergadering mijn bede verhoort?” [137]

En de redenaar boog glimlachend en eerbiedig.

“Spreek maar: wij luisteren met verlangen naar wat u zeggen zal!” zeiden de bedoelde vrienden en andere personen die hem voor een groot redenaar hielden: de ouden kuchten met voldoening en wreven zich in de handen.

“Capitán” Basilio veegde zich met een zijden zakdoek ’t zweet van ’t voorhoofd en ging voort:

“Nu de edelachtbare heeren zoo minzaam en tegemoetkomend zijn geweest tegen mijn nederig persoontje door mij het gebruik des woords toe te staan voor iemand anders, wie ook, van hen die hier aanwezig zijn, zal ik gebruik maken van dit verlof, dat mij zoo edelmoediglijk is geschonken, en ga ik spreken. Ik verbeeld me met mijn verbeelding dat ik me bevind te midden van de allereerwaardigste senaat van Rome: Senatus populusque romanus, zooals we in die gelukkige tijden zeiden, welke helaas nimmermeer voor ’t menschdom zullen terugkeeren. En ik zal dan vragen aan de patres conscripti, zooals Cicero zou zeggen, als hij hier op mijn plaats stond, dat—in deze belangrijke zaak met het oog op den korten tijd—en tijd is goud, zooals Salomo zeide—ieder van ons zijn gevoelen moet uitspreken: duidelijk, kort en eenvoudig. Ik heb gezegd.”

En voldaan over zichzelf en over de aandacht der toehoorders, ging de redenaar zitten, niet zonder een blik van meerderheids-besef te werpen naar Ibarra, die in een hoek zat, en nog een blik van veel beteekenis tot de anderen, die zeggen wilde: “Nou, ik heb goed [138]gesproken, hè?”

Zijn vrienden gaven antwoord op beide blikken en richtten zich daarbij tot de jongeren, als om ze ’t van nijd te doen besterven.

“Nu kan iederen die wil, spreken, ehem?” hervatte de “gobernadorcillo.” Hij kon niet verder gaan, want zijn hoesten stoorde hem.

Te oordeelen naar de stilte, wilde niemand zich een der “patres conscripti” laten noemen: niemand stond op. Toen maakte Don Filipo gebruik van de gelegenheid en vroeg het woord.

De mannen van ’t behoud knipten met de oogen en gaven elkaar beteekenisvolle wenken.

“Mijne heeren, ik wensch mijn begrooting in te dienen voor de feestelijkheden,” zeide Don Filipo.

“We kunnen die niet aannemen!” antwoordde een teringachtig oudje, onverzoenbaar konservatief.

“We moeten tegenstemmen!” zeiden de andere oppositie-mannen.

“Heeren!” zeide Don Filipo, een glimlach onderdrukkend, “ik heb het voorstel nog niet ingediend en toegelicht, dat wij jongeren hier ter tafel willen brengen. Dit groote voorstel, we zijn er zeker van dat het door ‘een ieder’ zal verkozen worden boven dat hetwelk onze tegenstanders kunnen uitdenken.”

Deze aanmatigende opzet maakte de ergernis der behoudsmannen volkomen: ze zwoeren “in corde” een geduchte oppositie tegen hem te voeren. Don Filipo ging voort:

“We hebben een som van 3500 pesos bijeengebracht. Welnu, met deze som [139]kunnen we een feest vieren dat alle andere, hier te voren ooit gezien, in de schaduw stelt, zoowel in onze provincie als in de naburige.”

“Hm!” klonk het ongeloovig. “Het dorp A. had 5000, B. 4000 peso’s. Hm! Nonsens!”

“Hoort mij aan, heeren, en ik zal u overtuigen!” ging Don Filipo onverstoorbaar voort. “Ik stel voor een groot theater op te richten midden op het plein, dat 150 peso’s moet kosten!”

“Dat ’s niet genoeg, we moeten er 160 voor uittrekken!” wierp een hardnekkig behoudsman tegen.

“Neem daar nota van, meneer de sekretaris, 200 peso’s, voor het theater!” zeide Filipo. “Ik stel voor de komedie-troep van Fondo te engageeren, om zeven avonden achtereen voorstelling te geven. Zeven voorstellingen tegen 200 peso’s per avond, dat maakt 1400 peso.”

Ouden en jongen keken elkaar verbaasd aan: alleen zij die in ’t geheim waren, verroerden zich niet.

“Ik stel bovendien voor groot vuurwerk te geven. Geen bengaalsch licht of zonnetjes: dat’s goed voor kinderen en oude vrijsters. Niks daarvan! wij moeten groote donderpotten en vuurpijlen hebben. Ik stel dus voor: 200 groote donderpotten van 2 peso’s ’t stuk, en 200 vuurpijlen van denzelfden prijs. We zullen ze bestellen bij de vuurwerkmakers van Malabón.”

“Hm!” viel een der ouden in, “een donderpot van 2 peso’s doet me niet schrikken en maakt me niet doof. Ze moeten van 3 peso’s zijn.”

“In de notulen: 1000 peso’s voor 200 donderpotten en 200 vuurpijlen!” [140]

De konservatieven konden zich niet meer inhouden. Enkelen stonden op en gingen overleggen.

“Bovendien, om onze buren te toonen dat we voorname menschen zijn en overvloed van geld hebben,” ging Don Filipo voort, terwijl hij zijn stem verhief en de oudjes een snellen blik toewierp, “stel ik voor: 1e vier predikers voor de twee feestdagen, 2e dat er beide dagen 200 gebraden kippen, 100 vette kapoenen en 50 speenvarkentjes in het meer zullen geworpen worden, zooals Sulla dat deed, de tijdgenoot van dien Cicero, van wien Capitán Basilio zooeven gesproken heeft.”

“Juist, zooals Sulla!” herhaalde Capitán Basilio gevleid.

De verbazing nam trapsgewijze toe.

“Daar er veel rijke menschen komen en ieder van hen duizenden en nog eens duizenden peso’s bij zich heeft, behalve hun beste hanen, en het ‘liampo’1 en speelkaarten, stel ik voor ‘veertien dagen hanegevechten en opening van alle speelhuizen gedurende dien tijd...’

Maar de “jongen” stonden op, zoodat hij even ophield. Ze dachten dat de “teniënte mayor” gek geworden was. De “ouden” vormden een warme diskussie.

“En ten slotte, om de geneugten der ziel niet te veronachtzamen...”

Het gemompel en de kreten die zich uit alle hoeken der zaal verhieven, overstemden den spreker geheel-en-al. ’t Was een geweldig rumoer geworden.

“Nee!” kreet een onverzoenlijke behoudsman, [141]“ik wil niet dat hij al de eer krijgt van ’t feest. Nee! laat mij, laat mij spreken!”

“Don Filipo heeft ons misleid!” zeiden de vrijzinnigen.

“Wij stemmen tegen! Hij is een overlooper naar de oude. Wij stemmen tegen!”

De burgemeester, meer terneergeslagen dan ooit, deed niets om de orde te herstellen: hij hoopte dat men het zelf zou doen.

De kapitein der “cuadrillero’s” vroeg het woord. Hij kreeg ’t, maar deed geen mond open en ging beteuterd en verlegen weer zitten.

Gelukkig verrees Capitán Valentin, de gematigdste der behoudsmannen, en sprak:

“We kunnen wat de ‘teniënte mayor’ heeft voorgesteld niet aannemen, want ’t komt ons overdreven voor. Zooveel donderpotten en zooveel komedie-avonden kan alleen een jongmensch verlangen, zooals de ‘teniënte mayor’; die kan veel nachten achtereen opblijven en veel knallen aanhooren zonder doof te worden. Ik heb de meening ingewonnen van de bezadigde mannen en allen keuren het voorstel van Don Filipo eenstemmig af. Is ’t niet zoo heeren?”

“Ja, ja!” riepen jongen en ouden tegelijk. De eersten waren verrukt een “oude” zoo te hooren spreken.

“Wat moeten we beginnen met vier predikers?” ging de oude man voort. Wat beteekenen die kippen, kapoenen en speenvarkentjes die in ’t meer moeten gegooid worden? Onzin! zouden onze buren zeggen, en dan zouden wij een half jaar lang moeten vasten. Wat hebben wij [142]te maken met Sulla of de Romeinen? Hebben die ons soms op hun feesten genoodigd? Ik tenminste heb nog geen enkele invitatie-kaart van hen ontvangen. En ik ben al oud, asjeblieft!”

“De Romeinen wonen in Rome, waar de Paus is!” mompelde Capitán Basilio.

“Nu begrijp ik het!” riep de oude zonder van streek te raken. “Ze vieren zeker hun feesten in de vasten-dagen en dan zal de Paus wel het eten in de zee laten smijten, om geen zonde te begaan. Maar, in allen gevalle, uw voorstel voor ’t feest is onaannemelijk, onmogelijk. ’t Is een dwaasheid, een dolheid!”

Don Filipo, zoo hevig bestookt, moest zijn voorstel wel intrekken.

De onverdraagzaamste konservatieven, voldaan over de nederlaag van hun ergsten vijand, zagen zonder ongerustheid een jong wijkhoofd opstaan, die het woord vroeg.

“Ik verzoek de heeren mij te vergeven dat ik hoewel nog zoo jong, het woord durf te nemen tegenover zooveel zeer achtenswaardige mannen, achtenswaardig zoowel om hun leeftijd als om het beleid en de bezadigdheid waarmee ze in alle aangelegenheden hun oordeel vellen. Maar aangezien de welsprekende redenaar Capitán Basilio hier allen heeft uitgenoodigd om hun meening bloot te leggen, moge zijn gezagvol woord als verontschuldiging dienen voor de nietigheid van mijn persoontje.”

De behoudsmannen bewogen voldaan het hoofd.

“Dat jongmensch spreekt goed!—Hij is bescheiden!—Hij redeneert bewonderenswaardig!” zeiden ze onder elkaar.

“’t Is jammer dat hij niet goed kan gestikuleeren!” [143]merkte Capitán Basilio op. Maar, nou ja, hij heeft Cicero ook niet bestudeerd, en hij is nog zoo jong.”

“Zoo ik u een programma voorstel, heeren,” ging de jonge man voort, “doe ik dat niet met de gedachte dat u het volmaakt zult vinden of zult aannemen. Ik wil tegelijkertijd dat ik me nogmaals onderwerp aan den wil van allen, aan de ouden bewijzen dat wij altijd eenstemmig met hen denken, aangezien wij al de denkbeelden welke Capitán Basilio zoo sierlijk heeft uitgedrukt geheel tot de onze maken.”

“Goed gezegd, goed gezegd!” zeiden de gevleide behoudsmannen. Capitán Basilio gaf wenken aan den jongen man om hem te kennen te geven, hoe hij zijn arm moest bewegen en zijn voet neerzetten. De eenige die onverstoorbaar bleef, was de “gobernadorcillo”—deze burgervader scheen afgetrokken en bezorgd tegelijk. De jonge man ging voort:

“Mijn voorstel, mijne heeren, komt op het volgende neer: nieuwe schouwspelen uit te denken, die niet zoo gewoon zijn zooals we ze alle dagen zien, en te trachten ervoor te zorgen dat het bijeengebrachte geld niet het dorp uitgaat, en dat het ook niet op ijdele wijze verkwist wordt aan kruid, maar besteed worde aan iets nuttigs voor iedereen.”

“Juist! juist!” stemden de jongeren in, “dat moeten we hebben.”

“Heel goed!” voegden de ouden eraan toe.

“Wat voor nut halen we uit een week komedie-spel, zooals de ‘teniënte mayor’ die vraagt? Wat leeren we nu van die koningen van Boheme en Granada, die hun dochters het hoofd laten afhakken, [144]of ze op een kanon laden, dat dan verandert in een troon? Wij zijn geen koningen, noch barbaren, wij hebben ook geen kanonnen, en als wij hen navolgden, zou men ons ophangen in Bagumbayan. Wat zijn dat voor prinsessen, die zich in ’t krijgsgewoel mengen, hakken en houwen uitdeelen, met prinsen vechten en die alleen rondwaren over bergen en dalen, alsof ze door de tikbalang waren verleid? In onze zeden stellen we de zachtheid en teederheid der vrouw op prijs en zouden we vreezen de hand van een jongmeisje te drukken, als die bezoedeld was met bloed, al was dit dan ook mooren- of reuzenbloed. Onder ons voelen we diepe minachting voor een man die zijn hand opheft tegen een vrouw, zij hij vorst, alférez of eenvoudig landman. Zou ’t niet duizendmaal beter zijn een schildering van onze eigen zeden en gewoonten op het tooneel te brengen, teneinde onze ondeugden en gebreken te verbeteren, en onze goede eigenschappen op den voorgrond te stellen?”

“Juist! Juist!” herhaalden zijn aanhangers.

“Hij heeft gelijk!” mompelden eenige oudjes peinzend.

“Daar had ik nooit aan gedacht!” merkte Capitán Basilio op.

“Maar hoe wilt u dat dan doen?” opperde de onverzettelijke konservatief.

“O, heel gemakkelijk!” antwoordde de jonge man. “Ik heb hier twee komedie-stukjes, die de achtenswaardige grijsaards hier vergaderd, met hun goede smaak en welbekende scherpzinnigheid, stellig zeer aannemelijk en zelfs vermakelijk zullen vinden. Het eene heet ‘De verkiezing [145]van den Burgemeester.’ ’t Is een blijspel in proza, in vijf bedrijven, geschreven door een der hier aanwezigen. Het andere, in negen bedrijven, voor twee avonden, is een fantastisch drama, van een satirisch karakter, en is geschreven door een van de beste dichters onzer provincie. Het heet ‘Maria van de Makilingberg.’ Toen we zagen dat de bespreking van de toebereidselen voor het feest wat laat werd, waren we bang dat we tijd te kort zouden komen: daarom hebben we in stilte onze tooneelspelers gezocht en hun de rollen laten leeren. We hopen dat, als ze nog een week repeteeren, ze ruimschoots in staat zullen wezen met eere voor den dag te komen. Dit, mijne heeren, is behalve nieuw, nuttig en redelijk, per slot van rekening nog goedkoop ook: kostuums hebben we niet noodig, onze gewone van ’t dagelijksche leven kunnen dienen.”

“Ik kom voor de kosten van ’t theater op!” riep Capitán Basilio geestdriftig uit.

“Als er soldaten moeten opkomen, leen ik de mijne!” zeide de kapitein der “cuadrillero’s”.

“En ik... en ik... als er soms een grijsaard noodig is...” stamelde een ander, en richtte zich met majesteit op.

“Aangenomen! Aangenomen!” klonk het van verscheidene kanten.

De “teniënte mayor” was bleek van ontroering; zijn oogen vulden zich met tranen.

“Hij huilt van spijtigheid!” dacht de onwrikbare behoudsman, en hij schreeuwde:

“Aangenomen, aangenomen zonder [146]diskussie!”

En, voldaan over zijn wraak en de volledige nederlaag van zijn tegenstander, begon de man het voorstel van het jongemensch op te hemelen. Doch de spreker ging voort:

“Een vijfde van het bijeengebrachte geld kan gebruikt worden om eenige prijzen uit te deelen, bijvoorbeeld aan den besten leerling van de school, aan den bekwaamsten herder, landbouwer, visscher als anderszins. We kunnen roei-wedstrijden op de rivier en op ’t meer en ook wedrennen houden, we kunnen kokanje-masten oprichten en andere volks-spelen instellen, waaraan onze landlieden kunnen deelnemen. Ik ben er niet tegen dat er, met het oog op het aloud gebruik, ook vuurwerk gegeven wordt: zonnetjes en bengaalsch licht zijn heel mooi en aardig, maar ik geloof niet dat we de donderpotten noodig hebben, die de ‘teniënte mayor’ heeft voorgesteld. Om het feest op te vroolijken zijn twee muziek-korpsen voldoende; zoo vermijden we die ruzies en oneenigheden, die van de arme muzikanten, hier gekomen om met hun arbeid onze feesten op te vroolijken, ware vechthanen maken, die na afloop slecht betaald, slecht gevoed, met bulten en schrammen en soms gewond naar huis gaan. Met het geld dat er stellig over is, kan men beginnen met den bouw van een lokaaltje dat als school kan dienen, want we moeten niet wachten totdat God zelf neerdaalt en er ons een bouwt. ’t Is wel droevig dat, waar we een eerste kwaliteit hane-vechtplaats hebben, onze kinderen vrijwel in den stal van den pastoor moeten leeren: Dit is mijn voorstel zoo [147]ruw-weg: aan u allen, om het verder te volmaken.”

Een vergenoegd gemompel verhief zich in de zaal: schier allen stemden in met hetgeen het jongmensch gezegd had. Slechts een enkele bromde:

“Nieuwigheden, allemaal nieuwigheden! In onze jonge jaren...”

“Laten we ’t voorloopig aannemen,” zeiden de anderen. “Laten we dien daar ’s vernederen.”

En ze wezen naar den “teniënte mayor.”

Toen de orde weer hersteld was, was iedereen ’t reeds eens. Alleen ontbrak nog de beslissing van ’t “gouverneurtje”.

Deze zweette, bewoog zich onrustig op zijn stoel, bracht zijn eene hand langs het voorhoofd, en kon tenslotte met neergeslagen oogen stamelen:

“Ik stem er ook mee in... maar ehem!”

De vergaderden luisterden zwijgend.

“Maar?” vroeg tenslotte Capitán Basilio.

“Volkomen...stem volkomen in!” herhaalde de burgervader!

“Dat wil zeggen...ik stem er niet mee in...jawel, maar...”

En hij wreef met den achterkant van zijn hand over de oogen.

“Maar de pastoor,” ging de ongelukkige voort, “meneer de pastoor wil wat anders.”

“Betaalt de pastoor het feest of doen wij ’t? Heeft hij een enkele ‘cuarto’ bijgedragen!” riep een heldere stem.

Allen keken naar de plaats waar deze vragen vandaan klonken: daar stond de “wijsgeer” Tasio.

De “teniënte mayor” zat roerloos met strakke oogen naar den burgemeester [148]te staren.

“En wat wil de pastoor?” vroeg Capitán Basilio.

“Och... de pater wil... zes processies, drie preeken, drie hoogmissen...en als er geld over is, de komedie van Tondo met zang tusschen de bedrijven.”

“Nu, dat willen wij niet!” zeiden de jongen en enkele ouden.

“De ‘padre cura’ wenscht het!” herhaalde de burgemeester.

“Ik heb den pastoor beloofd dat zijn wil zou gevolgd worden.”

“En waarom heeft u ons dan bijeengeroepen?”

“Juist...om ’t u te zeggen.”

“En waarom heeft u dat niet dadelijk gezegd?”

“Ik woû ’t zeggen, heeren, maar Capitán Basilio sprak toen, en ik...heb geen tijd gehad ... We moeten den pastoor gehoorzamen!”

“We moeten hem gehoorzamen!” herhaalden eenige oudjes.

“We moeten hem gehoorzamen, anders sluit de Alcalde ons allemaal op,” voegden andere oude heeren er droevig aan toe.

“Nu, gehoorzaamt dan en houden jullie feest!” riepen de jongen en stonden op. “Wij nemen onze bijdragen terug.”

“Alles is al binnen!” zeide de “gobernadorcillo”.

Don Filipo trad op hem toe en zeide bitter:

“Ik heb mijn eigenliefde opgeofferd om der wille van een goede zaak; u offert uw waardigheid als man op om der wille van een kwade en stuurt alles in de war.”

Ibarra zeide tot den schoolmeester: [149]

Wenscht u iets op de provincie-hoofdplaats? Ik vertrek er onmiddellijk heen.”

“Heeft u er een zaak af te doen?”

“We hebben een zaak!” antwoordde Ibarra geheimzinnig.

Onderweg naar huis zeide de filosoof tot Don Filipo, die zijn gesternte vermaledijde:

“’t Is onze schuld! Jullie hebben niet geprotesteerd toen ze je een slaaf tot hoofd gaven. En ik, dwaas die ik ben, was ’t vergeten!”


1 Een Chinees hazardspel.

[Inhoud]

XXI.

Geschiedenis eener moeder.

Sisa liep hard naar haar huis in die eigenaardige zinsverwarring welke zich bij ons voordoet, wanneer te midden van ’t ongeluk we ons door iedereen verlaten zien en alle hoop ons verlaat. Dan is ’t of alles om ons verduistert, en als we dan in de verte een nietig lichtje zien schijnen, dan ijlen we erheen, het tegemoet: ’t mocht wat of er midden op ons pad een afgrond gaapte!

De moeder wilde haar kinderen redden. Hoe? Och, moeders vragen niet naar de middelen wanneer het om haar kinderen gaat.

Ze liep wanhopig voort, vervolgd door vrees en akelige voorgevoelens. Zou men haar Basilio al gevangen genomen hebben? Dicht bij haar huis ontwaarde zij de helmen van twee soldaten boven de schutting om haar tuintje. Onmogelijk zou ’t zijn te beschrijven wat er in haar hart omging: ze vergat alles. Ze was zeer goed bekend met de vermetelheid dier mannen, die niemand ontzagen, zelfs de rijksten niet. Wat zou er nu van haar worden en van haar zoontjes, [150]nu ze van diefstal beschuldigd waren? De guardias civiles zijn geen menschen, ’t zijn alleen maar guardias civiles. Ze luisteren niet naar smeekbeden en zijn gewend aan het gezicht van tranen.

Sisa sloeg instinktmatig de oogen ten hemel, en de hemel lachte haar toe met heerlijk licht: enkele blanke wolkjes zweefden in ’t doorschijnend azuur. Ze bleef even staan, om het beven te doen ophouden, dat al haar leden overviel.

De soldaten verlieten haar huis en kwamen zonder iemand terug: ze hadden geen andere gevangene dan de kip die Sisa vetmestte. Ze herademde en vatte weer moed.

“Wat zijn ze goed en wat hebben ze een medelijdend hart!” mompelde ze bijna schreiend van vreugde.

Al hadden de soldaten haar huis verbrand, als ze maar haar kinderen in vrijheid gelaten hadden, dan zou zij ze met zegenbeden overstelpt hebben.

Ze zag weer erkentelijk naar den hemel op, waar een zwerm reigers doorheen vloog, die lichte wolkjes der Filippijnsche hemelen. En met hernieuwd vertrouwen in haar hart vervolgde zij haar weg.

Toen ze die verschrikkelijke mannen naderde, deed Sisa alsof ze overal afgetrokken heen keek, en hield ze zich, alsof ze haar kip niet zag, die luid piepend om hulp vroeg. Toen ze nauw voorbij was, wilde ze hard doorloopen, doch de voorzichtigheid weerhield haar schreden.

Ze had zich nog niet ver verwijderd, toen ze hoorde dat men haar gebiedend iets toeriep. Ze huiverde, maar ze deed alsof ze ’t niet begreep en stapte verder. [151]Er werd nogmaals geroepen, doch ditmaal met een schreeuw en een scheldwoord. Ze wendde zich om, ondanks haar zelve, bleek en bevend. Een guardia civil wenkte haar toe.

Sisa kwam werktuigelijk naderbij, voelende dat haar tong verlamde van ontzetting en haar keel droog werd.

“Zeg ons de waarheid, of anders binden we je aan dien boom daar, of we schieten allebei op je!” zeide er een op dreigende toon.

De vrouw keek naar den boom.

“Ben je de moeder van de dieven, zeg jij?” vroeg de ander.

“Moeder van de dieven!” herhaalde Sisa werktuigelijk.

“Waar is ’t geld dat je zoons je gisterenavond gebracht hebben?”

“O, ’t geld...”

“Ontken ’t maar niet: dat zou je leelijk bekomen!” voegde de ander erbij. We zijn gekomen, om je zoons gevangen te nemen en de oudste is ons ontloopen. Waar heb je de jongste verstopt?”

Toen Sisa dit hoorde, herademde ze.

“Meneer!” antwoordde ze, “ik heb mijn zoon Crispin al verscheidene dagen niet gezien: ik hoopte hem van morgen in ’t klooster te zien en daar zeiden ze me alleen...”

De twee soldaten wisselden een veelbeteekenende blik.

“Goed!” riep een van hen uit: “geef ons het geld dan en we zullen je met vrêe laten.”

“Meneer!” smeekte de ongelukkige vrouw, “mijn kinderen stelen niet, al hebben ze honger. We zijn gewend honger te lijden. Basilio heeft me geen enkele ‘cuarto’ thuis gebracht, kijkt u [152]maar mijn heele huis na, en als u een ‘reaal’ zelfs vindt, mag u met ons doen wat u wilt. Wij arme menschen zijn niet allemaal dieven!”

“Dan,” hervatte de soldaat langzaam en keek daarbij Sisa scherp in de oogen, “ga je met ons mee. Je zoons zullen er wel voor zorgen het geld dat ze gestolen hebben voor den dag te brengen en af te geven. Volg ons!”

“Ik?... u volgen?” stamelde de vrouw terugdeinzend en met schrik kijkend naar de uniformen der soldaten.

“En waarom niet?”

“Ach, hebt medelijden met me!” smeekte ze bijna op haar knieën. “Ik ben heel arm, ik heb geen goud en geen juweelen om u aan te bieden: ’t eenige wat ik had, hebt u al weggenomen, de kip die ik dacht te verkoopen...Neemt alles mee wat u in mijn hut kunt vinden; maar laat me hier met vrede. Laat me hier sterven!”

“Vooruit! Je moet komen, en als je niet goedschiks meegaat, zullen we je binden.”

Sisa barstte in bitter schreien uit. De mannen waren onvermurwbaar.

“Laat me dan ten minste op een afstand voor u uit loopen!” smeekte ze, toen ze voelde dat ze haar ruw beetpakten en voortduwden.

De twee soldaten kregen medelijden, en overlegden fluisterend met elkaar.

“Goed!” zeide de een, “omdat je van hier totdat we aan ’t dorp komen zou kunnen wegloopen, moet je tusschen ons in loopen. Als we eenmaal daar zijn, mag je op twintig pas voor ons uit loopen. Maar pas op, hoor! nergens een winkel binnengaan, geen oponthoud. [153]Vooruit en maak voort!”

Tevergeefs waren de smeekbeden, tevergeefs alle redeneeren, ijdel haar beloften. De soldaten zeiden dat ze zich al voldoende blootgaven en al te veel toestonden.

Toen ze dus tusschen hen beiden in liep, voelde ze zich sterven van schaamte ... wel was er niemand op den weg, maar ... de lucht en het daglicht dan? De ware kuischheid ziet overal blikken op zich gericht. Ze bedekte zich ’t gelaat met haar zakdoek, en blindelings voortgaande, weende ze in stilte over haar vernedering. Ze besefte haar ellende, ze wist dat ze van iedereen verlaten was, zelfs door haar eigen man; doch tot nu toe had ze zichzelve voor eerbaar en achtenswaardig gehouden: tot nu toe had ze met deernis gekeken naar de schandelijk gekleede vrouwen, die men in ’t dorp de soldaten-bijwijven noemde. Nu scheen het haar alsof ze nog een sportje lager dan die wezens op den levensladder was gedaald.

Er klonken voetstappen van paarden: ’t waren de lieden die visch vervoerden naar de binnenlandsche dorpen. Ze deden hun reizen in kleine karavanen—mannen en vrouwen—gezeten op minderwaardige paarden tusschen twee manden, die aan weerskanten van het dier hingen. Verscheidenen van hen hadden haar om een dronk water gevraagd, wanneer ze voorbij haar stulp gingen, en haar dan wat visch ten geschenke gegeven. Thans leek het haar dat ze in ’t voorbijgaan tegen haar aanliepen en haar vertrapten, en dat hun blikken, medelijdend of verachtelijk, door haar zakdoek heen [154]haar gelaat bestookten.

Eindelijk verwijderden de reizigers zich, en Sisa zuchtte. Ze trok even haar doek ter zijde, om te zien of ze nog ver van ’t dorp was. Ze moest nog eenige telegraafpalen voorbijgaan, voordat ze aan de bantajan of het wachthuisje kwam. De afstand had haar nog nooit zoo lang geschenen.

Aan den kant van den weg groeide een lommerrijk bamboe-boschje, in welks schaduw ze eertijds placht te rusten. Daar hield haar minnaar teedere gesprekken met haar. Hij hielp haar om de mand met vruchten en groenten te dragen. Ach! Dat was als een droom vervlogen: de minnaar werd haar echtgenoot, en deze werd aangesteld tot wijkhoofd. En toen begon het ongeluk aan haar deur te kloppen...

Daar de zon begon te branden, vroegen de soldaten haar of ze wilde uitrusten.

“Dank u!” antwoordde ze vol afschuw.

Doch waar haar eerst recht ontzetting overviel, was toen ze ’t dorp naderde. Angstig sloeg ze een blik om zich heen: uitgestrekte rijstvelden, een bevloeiingskanaaltje, armzalige boomen, nergens een afgrond of rots waar ze zich te pletter kon gooien. Ze kreeg er berouw van dat ze de soldaten tot zoover gevolgd was. Ze betreurde de diepe rivier, die dicht bij haar hut liep en welker steile oevers, bezaaid met puntige rotsblokken, haar zulk een zoeten dood boden. Doch de gedachte aan haar kinderen, aan haar zoon Crispin, wiens lot haar onbekend was, was haar een licht in dien nacht. En ze kon gelaten stamelen:

“Later....later gaan we diep in ’t [155]bosch wonen!”

Ze wiste haar oogen af, trachtte zich te kalmeeren, en zich tot de guardia’s wendend, zeide ze zacht:

“We zijn al in ’t dorp!”

De toon van haar stem had een vreemde mengeling van klacht, verwijt en weedom in zich: ’t was een bede, ’t was de in klank saamgevatte smart.

De soldaten werden er ontroerd van en antwoordden met een gebaar. Sisa stapte ijlings vooruit, en trachtte een rustig aanzien in acht te nemen.

Op dat oogenblik begonnen de klokken te luiden ten teeken dat de hoogmis afgeloopen was. Sisa versnelde haar schreden om, zoo mogelijk, de menschen die uit de kerk kwamen te ontgaan. Doch tevergeefs: er was geen kans om de ontmoeting te ontwijken.

Ze groette met bitteren lach twee vrouwen die ze kende. Dezen wierpen een vragenden blik op haar, en verderop boog ze maar ’t hoofd, om die krenkingen te vermijden, en begon ze alleen naar den grond te kijken. En, hoe vreemd! ze struikelde over de steenen op den weg.

De menschen stonden even stil, om haar aan te zien, praatten onder elkaar, terwijl ze haar met de oogen volgden; dat alles zag ze, ze voelde het, al hield ze ook onderwijl den blik neergeslagen.

Ze hoorde de onhebbelijke stem van een vrouwspersoon, die achter haar bijna schreeuwend riep:

“Waar hebben jullie die gepakt? En ’t geld?”

’t Was een vrouw zonder tapis of kain, met een geel-en-blauwe rok en een kabaai van blauw gaas: aan haar dracht [156]kon men zien dat het een soldatenhoer was.

’t Was Sisa als kreeg ze een slag in ’t gezicht: die vrouw had haar in ’t bijzijn van de menigte uitgekleed. Ze sloeg even de oogen op, en drenkte ze in spot en minachting. Ze zag de menschen ver, heel ver van haar af, en toch voelde ze de koude van hun blikken en hoorde ze hun gefluister. De arme vrouw liep voort zonder den grond onder haar voeten te voelen.

“Hei, hierheen!” riep een der guardia’s haar toe. Als een automaat welks mechanisme breekt draaide ze snel op haar hielen rond. En zonder iets te zien, zonder te denken, liep ze ijlings weg, om zich te verschuilen. Ze zag een deur met een schildwacht ervoor, trachtte daar binnen te gaan, doch een andere stem, nog gebiedender dan te voren, verdreef haar van daar weg. Met wankelende schreden zocht ze de richting van die stem, ze voelde dat men haar van achteren voortduwde, ze sloot de oogen, deed twee schreden vooruit, en haar krachten begaven haar. Ze liet zich op den grond vallen, eerst op de knieën, dan zittend. Een schreien zonder tranen, zonder kreten, zonder weeklagen, deed haar lichaam stuiptrekken.

’t Was de kazerne. Daar waren soldaten, vrouwen, varkens en kippen. Enkele mannen waren bezig hun kleeren te verstellen, terwijl hun liefje op de bank lag, met de dij van den man tot hoofdkussen, rokend en landerig naar de zoldering kijkend. Andere vrouwen hielpen de mannen, om hun kleedingstukken, hun wapens enz. te reinigen, terwijl ze halfluid ontuchtige [157]liedjes zongen.

“’t Schijnt dat de kuikens er van door zijn! jullie brengen alleen maar de hen”, zeide een vrouw tot de binnentredenden; ’t was niet uit te maken of ze Sisa bedoelde of wel de kip, die voortging met piepen.

“Och ja, de kip is toch altijd meer waard dan de kuikens!” gaf ze zich zelf antwoord, toen ze merkte dat de soldaten zwegen.

“Waar is de sergeant?” vroeg een der gendarmes op wreveligen toon. “Heeft de onderluitenant er al kennis van gekregen?”

Schoudergeschok was ’t eenig bescheid; niemand gaf zich de minste moeite, om iets na te gaan omtrent het lot der arme vrouw.

Daar bracht ze twee uur door in een staat van halve zinsverbijstering, hurkend in een hoek, het hoofd verborgen tusschen de handen, de haren loshangend, en verward. Om twaalf uur wist de “alférez” of onderluitenant eindelijk van ’t geval, en ’t eerste wat hij deed, was zijn ongeloof te kennen geven terzake van ’s pastoors beschuldiging.

“Jasses, al weer wat van dien beroerden steek!” zeide hij, gelastte dat men de vrouw zou loslaten en dat niemand zich verder met haar zou bemoeien.

Als hij terug wil hebben wat hij verloren heeft, dan moet hij ’t maar aan zijn Heiligen Antonius vragen, of laat hem klagen bij den nuntius! Schei uit!

’t Gevolg was dat Sisa bijna met duwen de kazerne uit werd gezet, want zij zelf wilde zich niet verroeren.

Toen ze zich midden op straat zag, [158]begon ze werktuigelijk naar haar huis te loopen, haastig, het hoofd ontbloot, de haren verward om haar heen hangend, en den blik strak op den verre gezichtseinder gericht. De zon brandde in haar zenith, en er was geen wolkje dat haar schitterende schijf befloersde. De wind bewoog zwakjes de bladeren der boomen. De weg was reeds bijna droog. Geen vogel waagde het de schaduw der twijgen te verlaten.

Sisa bereikte ten slotte haar huisje. Ze ging naar binnen, stom, stil; ze liep er door heen, ging weer naar buiten, begon in alle richtingen te dwalen. Toen liep ze met een vaart naar het huis van den ouden Tasio, klopte aan de deur, maar de man was niet thuis. De ongelukkige keerde naar haar huis terug en begon op eens luidkeels Basilio! Crispin! te roepen. Ieder oogenblik hield ze stil en luisterde aandachtig. De echo herhaalde haar stem. Het zachte gemurmel van ’t water in de naburige rivier, de muziek van ’t bamboeloof waren de eenige stemmen dier eenzaamheid. Ze riep nog eens, besteeg een hoogte, daalde af in een ravijn, ging naar beneden naar de rivier. Haar oogen waarden rond met een akelige uitdrukking erin, van tijd tot tijd flitsten er helle glanzen in, dan werden ze weer dof, als een uitspansel in een stormnacht: men zou zeggen dat het licht der rede nog flikkerde, op ’t punt om te dooven.

Wederom ging ze den weg op naar haar huisje, ging zitten op de mat waarop ze den vorigen nacht met haar zoontje geslapen had; ze hief de oogen op en zag een lap van Basilio’s hemd vastzitten aan het uiteinde van een bamboe van [159]de dinding of heining, die dicht bij den afgrond stond. Ze stond op, greep de lap en keek die bij ’t zonlicht na: er waren bloedvlekken op. Maar wellicht zag Sisa ze niet, want ze ging naar beneden en bleef de lap onderzoeken, midden in den blakerenden zonnegloed, terwijl zij hem ophield. En, als voelde ze alles om zich heen duister worden, alsof ze behoefte had aan licht, staarde ze met wijd-geopende oogen recht in de zon.

Nog dwaalde ze van den eenen kant naar den andere, vreemde geluiden roepend of uitschreeuwend. Men zou er bang van worden haar te hooren: haar stem had een zonderlinge klank, zooals de menschelijke keel die niet pleegt voort te brengen. ’t Was iets nog akeligers dan het huilen en klagen van den wind in een stormnacht binnen de muren en torens van een bouwval.

Zoo overviel haar de avond. Sliep ze eindelijk rustig en vergat ze in den nacht al haar leed? Hoe ’t ook zij, den volgenden ochtend liep Sisa lachend rond, zingend en pratend met al de schepselen der natuur.

[Inhoud]

XXII.

Licht en schaduw.

Terwijl men te San Diego vlaste op de komende feestelijkheden, praatte men er druk en sprak men er kwaad: over den burgemeester, over zijn “teniënte”, over de partij der “jongen”; ja, er waren er die Jan en Alleman van allerlei leelijks ter zake dier feesten beschuldigden.

Men praatte ook over de komst van Maria Clara samen met haar tante Isabel. [160]Men verheugde zich daarover, omdat men van haar hield. En tegelijkertijd dat velen verrukt waren over haar toegenomen schoonheid, verbaasden ze zich over de verandering die ze in ’t wezen van Padre Salvi opmerkten.

“Hij is dikwijls afgetrokken, wanneer hij de mis bedient. Hij spreekt niet veel meer met ons, en hij wordt zienderoogen magerder en stiller.” Zoo spraken zijn vrouwelijke biechtelingen. Zijn kok zag hem met het uur afvallen en beklaagde zich over de geringe eer die hij zijn gerechten bewees. Doch wat het meest de praatjes gaande maakte, was het feit dat men ’s nachts in ’t klooster meer dan twee lichten kon zien, terwijl Padre Salvi op bezoek was bij een partikulier... in ’t huis van Maria Clara! De vrome vrouwtjes sloegen kruisen, maar gingen onderwijl rustig voort met hun gebabbel.

Juan Crisóstomo Ibarra had getelegrafeerd uit de provincie-hoofdplaats om tante Isabel en haar nichtje te begroeten, maar had geen verklaring gegeven van zijn wegblijven. Velen waren in den waan dat hij gevangen zat wegens zijn optreden jegens Padre Salvi op den bewusten avond van Allerheiligen. Doch de nieuwsgierige belangstelling bereikte haar toppunt, toen men hem in den namiddag van den derden dag uit een rijtuig zag stappen voor de kleine woning zijner aanstaande, en men hem hoffelijk den geestelijke zag groeten, die zich eveneens daarheen begaf.

Om Sisa en haar kinderen bekommerde zich niemand...

Het huis van Maria Clara was een keurig nestje, verscholen tusschen oranjeboomen [161]en ilang-ilang.

De twee jongelieden zaten er, kort na Ibarra’s aankomst, aan een venster, dat uitzag op het meer. ’t Was overschaduwd door bloemen en klimplanten, die langs bamboe- en ijzerdraad er om heen geleid waren en er een zachte geur verspreidden.

Zijn lippen stamelen woorden, teederder dan het gesuizel der bladeren en geuriger dan de aromadoorwasemde lucht, die den tuin vervult. Het was het uur waarop de Sirenen van het meer, gebruikmakend van het halfdonker der korte avondschemering, hun vroolijke kopjes opsteken boven de golven, om de stervende zon te bewonderen en met hun zangen te begroeten. Men zegt dat ze blauwe oogen en blauwe haren hebben, dat ze kransen dragen van waterplanten met witte en roode bloemen.

Men zegt dat van tijd tot tijd het blanke schuim hun fijnbelijnde lichaamsvormen blootgeeft, vormen nòg blanker dan dat schuim, en dat, als straks de nacht geheel gevallen is, ze hun zielsverrukkende spelen beginnen en geheimzinnige accoorden laten klinken als van aeolus-harpen.

De jongelieden hadden reeds een heele poos met elkaar gesproken, toen Ibarra tot Maria Clara zeide: “Morgen vóór dag en dauw zal er gebeuren wat je verlangt, vannacht zal ik alles in orde maken, zoodat er niets aan ontbreekt.”

Dan zal ik aan mijn vriendinnen schrijven dat ze komen moeten. Zorg vooral dat de pastoor niet meegaat!”

“Waarom dat?”

“Wel omdat ’t net is alsof hij me bespiedt. [162]Zijn holle sombere oogen doen me onaangenaam aan.

Als hij naar me kijkt, word ik bang. Als hij met me spreekt, klinkt zijn stem zoo vreemd ... Hij heeft het dan over zulke vreemde dingen. Hij vroeg me eens, of ik niet gedroomd had van brieven van mijn moeder. Ik geloof dat hij half gek is. Mijn vriendin Sinang en Andeng, mijn zoogzusje, zeggen dat hij bepaald wat onwijs is, want hij eet niet en hij baadt zich niet, en woont in ’t donker. Maak toch dat hij niet meegaat!”

“We kunnen hem onmogelijk overslaan,” antwoordde Ibarra in gedachten. “’t Gebruik in ’t land wil dat nu eenmaal. Hij komt bij je aan huis, en bovendien heeft hij zich tegenover mij bijzonder edelmoedig gedragen. Toen de burgemeester hem sprak over de zaak die je weet, heeft hij niets dan goed van me gezegd, en er niet aan gedacht het minste bezwaar op te werpen. Maar ik zie dat je een ernstig gezicht zet. Kom, heb maar geen zorg: hij kan toch niet met ons mee in de ‘bangka.’1

Er klonken lichte voetstappen: het was de pastoor die naderbij kwam met een gedwongen glimlach op de lippen.

“De wind is koud!” zeide hij, “als men nu een kou vat, raakt men die niet kwijt voordat de warme tijd begint. Zijt u niet bang, om verkouden te worden?”

Zijn stem klonk beverig en zijn blikken richtten zich naar den verren horizon. Hij keek niet naar de jongelieden.

“Integendeel: de avond lijkt ons aangenaam [163]en de wind heerlijk!” antwoordde Ibarra. “In deze maanden hebben we onzen herfst en onze lente tegelijk: er vallen wat blaren af, maar er komen ook altijd bloemen.”

De geestelijke zuchtte.

“Ik vind dat samengaan van die twee jaargetijden, zonder dat er een koude winter volgt, heerlijk”, ging Ibarra voort.

“In Februari spruiten de loten van de vruchtboomen uit en in Maart hebben we al rijpe vruchten. Wanneer de warme maanden komen, gaan we ergens anders heen.”

Fray Salvi glimlachte. Ze begonnen over onverschillige dingen te praten, over ’t weer, over ’t dorp, over ’t feest. Maria Clara zocht een voorwendsel om heen te gaan, en verwijderde zich.

“Nu we toch over feestelijkheden spreken: sta me toe dat ik u uitnoodig voor een feest dat we morgen vieren, ’t Is een buitenpartijtje, dat onze vrienden en wij elkaar aanbieden.”

“En waar zal dat plaats hebben?”

“De jonge meisjes willen het houden aan de rivier, in ’t bosch hier in de buurt, dicht bij de baliti. We zullen daarom vroeg moeten opstaan, om te maken dat we geen last van de zon hebben.”

De geestelijke dacht even na. Daarna antwoordde hij:

“De invitatie is erg aanlokkelijk en ik neem die aan, om u te toonen dat ik u geen wrok toedraag. Maar ik zal wat later moeten komen, om eerst mijn plichten af te doen. U bent wel gelukkig, vrij te zijn, zoo heelemaal vrij!”

Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, om voor het partijtje van den [164]volgenden dag te gaan zorgen.

’t Was reeds geheel donker.

Op straat kwam er iemand naar hem toe, die hem eerbiedig groette.

“Wie bent u?” vroeg Ibarra hem.

“U kent mijn naam niet, heer,” antwoordde de onbekende. “Ik heb twee dagen op u gewacht.”

“Hoe zoo?”

“Omdat ze nergens medelijden met me hebben, omdat ze zeggen dat ik een bandiet ben, heer! Maar ik heb mijn kinderen verloren, mijn vrouw is krankzinnig en ze zeggen dat ik mijn verdiende loon heb!”

Ibarra nam den man snel van hoofd tot voeten op en vroeg:

“Wat wilt u nu?”

“Uw medelijden inroepen voor mijn kinderen!”

“Ik kan hier niet blijven stilstaan,” antwoordde Ibarra.

“Als u me volgen wil, kan u onderweg me vertellen wat u overkomen is.”

De man dankte, en weldra verdwenen ze samen in de duisternis der slecht-verlichte straten.


1Bangka” een groote roeiboot.

[Inhoud]

XXIII.

De vischvangst.

Nog flonkerden de sterren aan ’t saffieren gewelf en de vogels sluimerden nog op de takken der boomen, toen een vroolijk troepje menschen reeds de straten van ’t dorp doorliep, op weg naar ’t meer, onder het levendige schijnsel der toortsen of hulpes, die ze droegen.

’t Waren vijf jonge meisjes, die haastig voortstapten, elkaar bij de hand of om ’t middel vasthoudend en gevolgd door eenige oude vrouwen en verscheidene [165]dienstboden, welke op bevallige wijze manden vol mondvoorraad, borden en anderszins op ’t hoofd droegen. In de oogen der meisjes lachte de jeugd en blonk de levensvreugde. ’t Overvloedige zwarte haar en de ruime plooien der luchtige gewaden golfden in den morgenwind.

’t Waren Maria Clara en haar vier vriendinnetjes: de vroolijke Sinang, haar nichtje; de streng-bezadigde Victoria; de mooie Idai en de ernstige Neneng met haar bescheiden schuchtere schoonheid.

Ze praatten levendig met elkaar, gaven elkaar kneepjes, fluisterden af en toe in apartjes en schaterden dan, dat het een lust was.

“Je zult de menschen wakker maken!” berispte Tante Isabel, “toen wij jong waren maakten we zoo’n lawaai niet.”

“U zult ook wel niet zoo vroeg opgestaan zijn als wij, en de oudjes zullen toen ook wel niet zoo lui geweest zijn!” antwoordde de kleine Sinang.

Ze waren een oogenblik stil, dan trachtten ze hun stem wat minder uit te zetten, doch al heel spoedig vergaten ze zich, lachten weer en vervulden de straat met hun jeudigfrissche stemmen.

“Toon je maar boos; spreek niet tegen hem!” zeide Sinang tot Maria Clara. “Geef hem maar een flink standje: hij moet geen leelijke gewoonten aannemen.”

“Wees toch niet zoo veel-eischend,” zei Idai.

“Wees veel-eischend, hoor! Niet zot! Een man moet gehoorzaam zijn zoolang hij verloofd is, want later, als hij getrouwd is, doet hij alles waar hij zin in heeft!” zoo raadde de kleine Sinang.

“Wat weet jij daar nou van, kind?” [166]zei haar nichtje Victoria heel wijs.

“St, stil! Daar komen ze aan!”

Inderdaad, er kwam een troepje jongelui aan. Ze droegen groote flakkerende bamboe-fakkels en liepen vrij bezadigd voort onder ’t tokkelen van een gitaar.

“’t Lijkt wel een gitaar van een bedelaar!” zei Sinang lachend.

Toen de twee troepjes elkaar tegenkwamen, waren het de vrouwen die een ernstige en waardige ingetogenheid in acht namen, alsof ze ’t lachen nog nooit geleerd hadden, terwijl daarentegen de mannen praatten, groeten wisselden, lachjes verkochten en zes vragen deden om een half antwoord te krijgen.

“Is het meer kalm? Gelooft u dat we mooi weer zullen krijgen?” vroegen de moeders.

“Maak u maar niet ongerust, dames, ik kan goed zwemmen,” antwoordde een lang en tenger gebouwd jongmensch.

“We hadden toch eigenlijk eerst naar de mis moeten gaan!” zuchtte tante Isabel, de handen ineenslaande.

“’t Is nog tijd, mevrouw: Albino is op ’t seminarie geweest, die kan straks in de ‘bangka’ wel een mis lezen,” antwoordde een ander en wees daarbij op den lange en magere.

Deze, die er als een rechte snaak uitzag, trok, toen hij zich hoorde noemen, dadelijk een boetvaardig gezicht, waarmee hij Padre Salvi trachtte na te apen.

Ibarra nam, zonder zijn ernst af te leggen, toch deel aan de vroolijkheid zijner makkers.

Toen ze aan ’t strand kwamen slaakten de vrouwen onwillekeurig kreten van verrassing en vreugde. Ze zagen [167]daar twee groote bangka’s aan elkaar verbonden en op schilderachtige wijze opgetooid met slingers van bloemen en bladeren, met veelkleurige doeken die er met vergulde nagels opgespijkerd waren, terwijl papieren lantaarntjes, afwisselend met rozen, anjelieren en allerlei vruchten, als ananassen, djamboe’s enzoovoort, aan de geïmproviseerde tenten der vaartuigen hingen. Ibarra had zijn eigen tapijtjes, kleedjes en kussens laten brengen en daarmee gemakkelijke zitplaatsen voor de vrouwen en meisjes ingericht. De stuurstangen en de riemen waren ook versierd. In de grootste bangka waren een harp, gitaars, accordeons en een groote karbouwen-hoorn. In de andere brandde vuur in de kalan’s van aardewerk; daar werden thee, koffie en salabat1 (sorbet) voor ’t ontbijt bereid.

“Hier de vrouwen, daar de mannen!” zeiden de moeders, toen men instapte: “Bedaard, jullie meisjes.

Niet zoo’n beweging maken, anders vergaan we, hoor.”

“Eerst ’t teeken des kruises!” zei tante Isabel en sloeg een kruis.

“En blijven we hier zoo afgescheiden?” vroeg Sinang en trok een lip. “Wij alleen maar?... och jee!”

Dit “och jee!” bezorgde haar een kneep, die haar moeder op ’t geschikte oogenblik wist toe te dienen.

De bangka’s verwijderden zich allang van den oever, terwijl het licht der [168]lantaarntjes vroolijk blikkerde in ’t spiegel-vlakke meer. In ’t oosten verschenen de eerste dageraads-tinten.

Er heerschte vrijwel stilte: de jeugd scheen zich, tengevolge van de scheiding door de moeders ingesteld, aan overpeinzing over te geven.

“Wees voorzichtig!” zei Albino, de oud-seminarist luide tot een ander jongmensch, “druk vooral goed op het ‘werk’, dat er onder je voet is.”

“Wat is er dan?”

“’t Is een prop, die er wel uit zou kunnen springen: dan krijgen we water binnen. Er zijn veel gaten in deze bangka.”

“O jee, we verdrinken zoo meteen!” riepen de vrouwen verschrikt.

Maakt u maar niet ongerust, dames!” verzekerde onze ex-seminarist, “deze bangka is best te vertrouwen, er zijn niet meer dan vijf gaten in, en niet eens erg groot.”

“Vijf gaten! Jezus! Willen jullie ons laten verdrinken?” kreten de vrouwen ontsteld.

“Er zijn er maar vijf, dames en maar zoo groot,” zei hetzelfde jongemensch geruststellend, terwijl hij met duim en wijsvinger een kringetje maakte. Maar goed drukken op de proppen, dan zullen ze er niet uitvliegen.”

“Mijn God! Heilige Moeder Gods! Er komt al water naar binnen!” riep een oudje, dat voelde dat ze nat werd.

Er ontstond een kleine beroering; eenigen gilden, anderen dachten erover in ’t water te springen.

“Goed met de voeten op de proppen drukken hoor!” hervatte Albino en wees naar de plaats waar de jonge meisjes [169]zaten.

“Waar? Waar dan toch? God, we weten ’t niet! Komen jullie toch in ’s hemels naam hier, om ze ons te wijzen: we weten heusch niet waar ze zitten!” smeekten de vreesachtige vrouwen.

De ontzette moeders waren niet eerder gerust voordat vijf jonge meisjes in de andere “bangka” waren gaan zitten. En vreemd genoeg! ’t leek wel, alsof elk van de vijf een gevaarlijk zitplaatsje had gehad, en al de oudjes bij elkaar geen enkel lek in de boot te duchten hadden. En nog vreemder toevalligheid! Ibarra kwam naast Maria Clara te zitten, Albino naast Victoria en zoo verder. De bezorgde moeders keerden tot hun rustige stemming terug. Bij de jonge meisjes bleef de onrust, al veranderde die van aard.

Daar het water volkomen kalm was, en men zich niet ver van de vischstaketsels bevond, terwijl het bovendien nog heel vroeg in den morgen was, besloot men de riemen neer te leggen en gezamenlijk te ontbijten. De lantarens werden uitgedaan, want de dageraad verlichtte reeds het uitspansel.

De morgen was schoon: de wateren begonnen te glanzen. Uit ’t hemellicht en de weerkaatsing daarvan ontstond een klaarheid, die de dingen verlichtte zoodat er schier geen schaduw viel, een schitterende frissche klaarte, kleur-verzadigd als bij sommige zee-tafereelen.

Bijna iedereen was vroolijk. ’t Lichte briesje dat er opstak was ook heerlijk om in te ademen: zelfs hielden de moeders op met vermanen en waarschuwen, om te lachen en gekheid met elkaar te maken. [170]

Eén man alleen, die het gezelschap als loods diende, bleef stil en in-zichzelf-gekeerd bij al die vreugde, ’t Was een jongmensch met stoere lichaamsbouw. Hij had iets belangwekkends in zijn uiterlijk door de droeve uitdrukking van zijn oogen en de strenge lijnen van zijn mond. Zijn zwarte haren, lang en onverzorgd, hingen hem over zijn gespierden nek. Een lange kiel—kamisa—van grove donkerkleurige stof, liet een athletische borst vermoeden, waar de geweldige spieren met die van zijn bloote armen samenwerkten, om als spelenderwijs de beide vaartuigen voort te loodsen: een breede riem van kolossale afmeting diende hem daarbij als roerstang.

Maria Clara had meer dan eens gezien dat hij haar gadesloeg: telkens wendde hij dan snel den blik ergens anders heen, en keek in de verte, naar de bergen of naar den oever. Het jonge meisje kreeg medelijden met zijn eenzaamheid: een paar beschuitjes nemende, bood ze hem die aan. De loods keek haar een oogenblik eenigszins verwonderd aan, doch daarna nam hij ’t gebodene aan en dankte met een enkel nauw verstaanbaar woord.

Niemand dacht verder meer aan den stuurman. Het vroolijke gelach en de invallen der jonge meisjes deden hem geen spier op zijn gezicht vertrekken.

Toen ’t ontbijt afgeloopen was, zette men de tocht naar de visch-perken voort.

Er waren er twee, op eenigen afstand van elkaar gelegen, beide behoorden in eigendom aan Capitán Tiago. Van verre kon men eenige reigers boven op de punten der bamboe-staketsels, in peinzende houding zien zitten, terwijl [171]enkele witte vogels—kalanij of kalau, zooals de Tagalen ze noemen—in verschillende richtingen rakelings langs het watervlak vlogen en de lucht vervulden met hun schel gekrijsch.

Maria Clara keek naar de reigers, die bij ’t naderen der bangka’s in de richting van ’t naburige gebergte wegvlogen.

“Hebben die vogels hun nesten op de bergen?” vroeg het jonge meisje aan den “loods”, wellicht meer om hem aan ’t praten te krijgen dan om ingelicht te worden.

“Waarschijnlijk wel, juffrouw,” antwoordde hij, “maar tot nog toe heeft niemand ooit hun nesten gezien.”

“Hebben ze dan geen nesten?”

“Ik veronderstel dat ze die wel hebben, ze zouden anders al heel ongelukkig wezen.”

Maria Clara bespeurde den toon van droefheid niet waarmee de “loods” deze woorden uitsprak.

“Hoe is dat dan...?”

“Ze zeggen,” antwoordde de jonge man, “dat de nesten van die vogels onzichtbaar zijn, en dat ze ook de eigenschap bezitten, iemand die ze gevangen heeft onzichtbaar te maken. ’t Is ermee als met de ziel: evenals die alleen gezien kan worden in den spiegel van de oogen, zoo laten die nesten zich alleen waarnemen in ’t spiegelvlak van ’t water.”

Maria Clara verzonk in gepeins.

Ondertusschen was men bij de baklad, het vischperk, aangekomen: de oude schuitevoerder bond de vaartuigjes aan een der staketsels vast.

“Wacht,” zei tante Isabel tot den zoon van den ouden man, die zich gereedmaakte om met zijn panalok, een bamboe-stok [172]met een netje eraan, naar boven te klimmen. We moeten eerst de sinigang in orde maken: dan kan de visch uit het water dadelijk in de soep.”

“Die goeie tante Isabel!” riep de ex-seminarist, “die wil de visschen geen oogenblik tijd laten om hun waterland te betreuren.”

Andeng, Maria Clara’s zoogzuster, had, ondanks haar smetteloos vroolijk gezichtje den naam van goed te kunnen koken. Ze maakte rijst-water, tomaten en kamia’s klaar. Enkele anderen hielpen haar of hinderden haar: wellicht wilden ze bij haar in de gunst komen. De jonge meisjes maakten de laboe’s schoon, wieschen de erwten en sneden de paäjap2-vruchten in reepjes zoo groot als sigaretten.

Om het ongeduld te bezweren van hen die wilden zien, hoe de visschen spartelend uit hun gevangenis zouden komen, greep de mooie Iday naar de harp; Iday bespeelde niet alleen goed dit instrument, maar had bovendien heel mooie vingertjes.

Het jonge gezelschap juichte en klapte in de handen, Maria Clara gaf haar een kus. De harp is het instrument dat in die provincie het meest bespeeld wordt en ’t was voor het oogenblik het meest geschikte.

“Zingen, Victoria, zing’s het ‘huwelijks-lied!’ verzochten de moeders.

De jongelui verzetten zich en Victoria, die een goede stem had, klaagde over schorheid. Het “huwelijkslied” is een mooie Tagaalsche treurzang waarin al de ellende en droefheid van ’t huwelijk, [173]zonder de vreugden ervan geschilderd worden.

Toen moest en zou Maria Clara zingen.

“Al wat ik zing is weemoedig.”

“Dat ’s niets, dat ’s niets!” zeiden allen.

Ze liet zich niet lang bidden, greep de harp, speelde een voorspelletje en zong met eenigszins trillende, maar welluidende en gevoelvolle stem:

Zoet zijn de uren in ’t land van geboorte,

Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht.

Heerlijk is ’t briesje dat waait in zijn velden,

En zachter de dood en veel zaal’ger de min.

Innige kussen de lippen omspelen

Begint men in d’armen van moeder zijn dag.

Hunkrend verlangt men haar hals te omsluiten,

En d’oogen weerkaatsen den glimlach van haar.

Zoet is de dood voor het land van geboorte,

Waar al wat de zonne verlicht tot ons lacht.

Doodsch is het briesje dat waait in de velden,

Voor hem die geen land heeft, geen moeder, geen lief.

De stem stierf weg, het gezang hield op, de harp verstomde en nóg bleven allen luisteren. Niemand klapte in de handen. De jonge meisjes voelden hun oogen vochtig worden, Ibarra scheen ontstemd en de jonge “loods” keek strak vóór zich uit.

Plotseling hoorde men iets als een [174]oorverdoovend geloei; de vrouwen en meisjes slaakten een kreet en hielden de ooren dicht. Het was de vroegere seminarist Albino, die met alle macht op de karbouwen-hoorn—de Tamboeli—blies. Het lachen en de opgewektheid herleefden. De oogen, nog zwemmend in tranen, schitterden met vroolijken glans.

“Maar ben je nou van plan ons doof te maken, ketter?” schreeuwde tante Isabel.

“Mevrouw”, antwoordde de ex-seminarist plechtig, “ik heb ’s hooren vertellen van een armen trompetter, daar ver in ’t noorden aan de oevers van den Rijn, die alleen om zijn mooie getoeter getrouwd is met een rijke adellijke jonge dame.”

“Jawel, de trompetter van Säkkingen”, viel Ibarra in, die niet nalaten kon deel te nemen aan de hernieuwden opgewektheid.

En hij begon weer te blazen in den karbouwen-horen, ditmaal met nog meer animo, terwijl hij de mond van ’t blaas-instrument vooral dicht bij de ooren van de jonge meisjes hield, die zich ’t meest verteederd hadden getoond. Natuurlijk ontstond er een kleine opschudding. De moeders deden hem ten slotte door meppen met de muiltjes en knepen, zijn helsche muziek staken.

“Au! au!” riep hij, terwijl hij zijn armen betastte.

“Och, och, wat ’n afstand is er toch tusschen de Filippijnen en de oevers van den Rijn! Daar krijgen ze een lieve vrouw en landerijen, en hier moeten ze gekastijd worden voor hun blazen!”

En allen lachten reeds. Zelfs Victoria. Toch zei Sinang, ’t jonge meisje met de [175]vroolijke oogen, zachtjes tot Maria Clara: “Gelukkige! Wat zou ik ook graag zingen als ik het maar kon!”

Andeng kondigde eindelijk aan dat de “kaldoe” klaar was, om zijn gasten—de visch—te ontvangen.

Het kleine jongmensch, de zoon van den visscher, steeg toen op het gesloten gedeelte van de “séro”—’t uiterste smalle stuk ervan—waar men het Italiaansche opschrift van de hel: “Laat alle hoop varen gij die hier binnentreedt” zou kunnen aanbrengen, als de visschen lezen konden; want geen visch die daar inging kwam eruit, of hij moest sterven. Het is een bijna ronde ruimte, zoo ingericht dat er een man op het hoogste gedeelte staan kan, om daar met zijn netje de visschen te kunnen ophalen.

“Daar zou ik me heusch niet vervelen, als ik er met den hengel mocht visschen!” zeide Sinang popelend van pret.

Iedereen lette op: enkelen meenden reeds de visschen binnen in ’t netje te zien spartelen, het glanzen van de schubben waar te nemen en zoo meer. Doch, toen de jonge man het ding in ’t water stak, sprong er niet een vischje op.

“’t Moet hier vol wezen,” zeide Albino zacht, “’t is al meer dan vijf dagen dat er niemand bij geweest is.”

De visscher haalde den bamboe-stok op... och geen enkel vischje tooide het net: ’t leek wel of het water dat er met zijn zonneglanzen overvloedig afdruppelde er zilverlachjes om liet hooren. Een hè! van verbazing, ergernis en teleurstelling brak van alle lippen.

De jonge man herhaalde de bewerking [176]en ’t was met even weinig resultaat.

“Je kan er niets van!” zei Albino en klauterde op de encerradero, en hij rukte ’t net uit de handen van den onhandigen jongen man.

“Nu moeten jullie ’s zien! Andeng, doe de pot open!” Maar Albino kon er evenmin mee terecht, en het net bleef leeg. Iedereen lachte.

Maak toch geen leven: de visschen hooren ’t en dan laten ze zich niet vangen!” zeide hij. “Dit net is zeker kapot.”

Doch het net bleek volkomen gaaf.

“Laat mij maar ’s,” zeide Leon, de aanstaande van Iday.

Hij keek aandachtig naar de encerradero, onderzocht daarna het net, en, voldaan over zijn onderzoek, vroeg hij:

“Zijn jullie er zeker van dat er in vijf dagen niemand hier geweest is?”

“O, volkomen zeker! De laatste keer was de dag voor Allerheiligen.”

“Nu, dan is of het meer betooverd, of ik haal er wat uit.”

Leon bracht de bamboe in het water, maar men zag zijn gezicht een verbaasde uitdrukking aannemen. Zwijgend keek hij een oogenblik naar ’t naburig gebergte. Daarna ging hij weer voort met de bamboe door het water heen en weer te bewegen. Dan, zonder hem op te halen, mompelde hij:

“Een kaaiman.”

“Een kaaiman!” herhaalde men van alle kanten.

Het woord liep van mond tot mond, te midden van algemeene schrik en ontsteltenis.

“Wat zeg je?” vroegen ze hem. [177]

“Ik zeg dat er een kaaiman in gevangen zit,” verzekerde Leon, en de steel van de bamboe dieper in ’t water stekende, hervatte hij:

“Horen jullie dat geluid? Dat ’s geen zand, dat is de harde rug van den kaaiman. Zien jullie wel, hoe die bamboestokken daar heen en weer gaan? Dat doet hij, om zich los te werken, maar hij zit in elkaar gerold. Wacht... hij is groot: zijn lichaam is bijna een palm of meer breed.”

“Wat moeten we doen?” werd er gevraagd.

“Vangen!” zei er een.

“Jezus! En wie moet hem dan vangen?”

Niemand waagde het daar neer te dalen. Het water was erg diep.

“Als we hem eens aan onze bangka vastbonden, en hem zoo in triomf wegsleepten, zei Sinang. “Dat eet me daar de visch op die voor ons bestemd was!”

“Ik heb tot nu toe nog nooit een levende krokodil gezien!” merkte Maria Clara zacht op.

De “loods” stond op, greep een lang touw en klom vlug op het vlakke bovenstuk van de vangkorf. Leon maakte plaats voor hem.

Behalve Maria Clara had tot op dat oogenblik niemand op hem gelet. Thans bewonderden allen zijn slanke gestalte.

Tot groote verbazing van iedereen en in weerwil van de kreten van angst die allen lieten hooren, sprong de “loods” in de encerradero.

“Neem dit mes mee!” schreeuwde Crisóstomo, en haalde een breed toledaansch mes voor den dag.

Doch in het water bruischte en borrelde [178]het reeds, en de kolk sloot zich geheimzinnig voor ’t oog.

“Jezus, Maria en Jozef!” riepen de vrouwen. “Er gebeurt een ongeluk! Jezus, Maria en Jozef!”

“Maakt u zich maar niets ongerust, dames,” zeide de oude schuitevoerder, “als er in de heele provincie een is die zoo iets doen kan, dan is hij ’t.”

“Wie is die man toch?” vroegen ze.

“Wij noemen hem ‘de loods.’ ’t Is de beste die ik ooit gezien heb. Hij houdt alleen niet van zijn baantje.”

Het water bewoog zich, er kwam meer en meer beroering in: ’t was alsof daar beneden in de diepte een worsteling plaats had. Het heele staketsel raakte aan ’t waggelen. Iedereen was stil, ademloos. Ibarra omklemde zenuwachtig het heft van zijn scherpe mes.

De voorstelling scheen ten einde te loopen. Het hoofd van den jonge man kwam boven water. Men begroette hem met vroolijke uitroepen. De vrouwen en meisjes hadden de oogen vol tranen.

De “loods” klauterde naar boven met het uiteinde van het touw in de hand. Eenmaal boven op het platte gedeelte trok hij ’t naar zich toe.

Het monster vertoonde zich: het koord zat hem dubbel om zijn hals en voorpooten. Het was een groot exemplaar, zooals Leon reeds vooruit gezegd had, hij was gevlekt en zijn rug begroeid met groen mos. Dit laatste beteekent bij de krokodillen hetzelfde als grijs haar bij de menschen. Het dier loeide als een os, het sloeg met zijn staart heftig tegen de bamboestaken van de omwanding, het klampte zich daaraan vast en opende zijn akelige zwarte muil, zoodat de lange [179]slagtanden zichtbaar werden.

De “loods” heesch het gevaarte alleen op: niemand dacht eraan hem te helpen.

Toen zijn prooi geheel uit het water was opgehaald en boven op het platte deel van de encerradero lag, zette hij er zijn voet op, greep met zijn stevige knuisten de geweldige kaken en trachtte de bek met het touw dicht te snoeren.

Het dier deed een nieuwe poging om los te komen: het kromde zijn lichaam, sloeg met zijn geweldige staart tegen den grond, en, opeens los-schietend, stortte het zich met een sprong in het meer buiten de omrastering. Zijn aanvaller werd meegesleurd. De loods was in doodsgevaar. Een kreet van ontzetting klonk uit ieders mond.

Bliksem-snel stortte een ander te water, voordat men nog zien kon dat het Ibarra was. Maria Clara viel niet in zwijm: Filippijnsche vrouwen kennen dat nog niet.

Men zag dat de golven rood werden van het bloed. De jonge visscher sprong gewapend met zijn bolo—een kort breed mes—de diepte in. Zijn vader sprong hem na. Doch nauwelijks waren dezen te water, of men zag Crisóstomo en de loods weer boven komen, beiden vastgeklemd aan het ongedierte. De witte buik was vol wonden en ’t mes zat hem in de keel.

’t Is onmogelijk de vreugde der omstanders te beschrijven; tientallen armen strekten zich naar hen uit om de jonge mannen uit het water te halen. De oudere vrouwen waren half gek. Ze lachten en baden. Andèng vergat heelemaal dat haar soep al driemaal aan den kook was geweest: al de “kaldoe” [180]liep over en deed het vuur uitgaan. De eenige die geen woord kon uitbrengen was Maria Clara.

Ibarra was ongedeerd, terwijl de “loods” een kleine schram in een van zijn armen had.

“Ik ben u mijn leven verschuldigd!” zeide hij tot Ibarra, die zich in wollen dekens en doeken wikkelde.

De stem van den “loods” scheen een zekere smart te verraden.

“U bent roekeloos”, antwoordde Ibarra. “Een anderen keer moet u niet weer zoo God verzoeken.”

“Als u me gevolgd was, als we samen dood gegaan waren,” gaf de ander terug, “daar onder in het meer, dan was ik bij mijn menschen thuis geweest!

Ibarra dacht er op dat oogenblik niet aan dat ook het overschot van zijn vader daar verzonken was.

De ouderen onder de vrouwen van ’t gezelschap wilden niet meer naar een andere baklad gaan; ze verkozen naar huis te gaan. De dag was toch slecht begonnen, en er konden nog heel wat ongelukken gebeuren.

“Dat komt allemaal omdat we niet naar de mis zijn geweest!” zuchtte een oudje.

“Maar wat hebben we dan toch voor ongeluk gehad, mevrouw?” vroeg Ibarra. “De kaaiman alleen, zou ik zeggen!”

“Wat ten duidelijkste bewijst”, concludeerde de oud-seminarist, “dat ons kruipend gedierte in heel zijn zondig bestaan nooit naar de mis is geweest. Ik heb hem nog nooit onder trouwe kerkbezoekende kooplieden opgemerkt.”

De bangka’s gingen dus toch naar een ander vischperk, en Andèng [181]moest nog eens haar sinigang klaarmaken.

De dag spoedde voort. Er woei een frisch windje en de golven rezen iets hooger, bruisend en krullend om het lichaam van de krokodil, meevoerend bergen van schuim “waar flonkerde in kleurenpracht licht van de zon,” zooals de dichter Paterno het uitdrukt.

De muziek werd hervat: Iday bespeelde weer haar harp; de mannen hun accordeons en gitaars, de een wat meer, de ander wat minder zuiver. Maar die zich ’t dapperst weerde was Albino: die tokkelde maar raak, ging ieder oogenblik uit de maat en raakte zelfs eens zoodanig de klus kwijt dat hij, zonder ’t te merken, in een verkeerde sonate oversloeg!

Het tweede visch-perk werd met zekere achterdocht verkend. Menigeen verwachtte daar ’t wijfje van den kaaiman te zullen aantreffen. Doch de natuur is een guit: het net kwam er telkens goed gevuld uit te voorschijn.

Toen trachtte men aan wal te gaan waar het bosch van eeuwenoude boomen stond dat aan Ibarra toebehoorde. Daar in de schaduw en dicht bij de kristalheldere beek, zou men tusschen de bloemen of onder geïmproviseerde tenten een landelijk middagmaal gebruiken.

De muziek weerklonk in de lucht. De rook der steenen komforen steeg vroolijk in dunne spiraalwolkjes naar boven, terwijl het water in ’t verhitte vaatwerk zong.

Daarna verloor de waardige pastoor, door ’t lezen van een paar brieven, die wel-verzegeld en gelakt aangekomen [182]waren, zijn eetlust en liet hij zijn chocolade heelemaal koud worden.

“De pater wordt stellig ziek”, zei de kok, terwijl hij een tweede kop klaarmaakte, “hij heeft al dagen geen trek in ’t eten: van de zes gerechten, die ik hem voorzet, raakt hij er geen twee aan.”

“Dat is omdat hij slecht slaapt,” antwoordde de andere bediende, “hij lijdt aan nachtmerries sedert dat hij een andere slaapkamer heeft. Zijn oogen gaan hoe langer hoe dieper. Hij wordt iederen dag magerder en geler.”

Inderdaad zag Padre Salvi er deerniswaardig uit. Zonder zijn tweede kop chocolade aan te roeren, noch te willen proeven van Cebu’s smakelijke beschuitjes, stapte hij zwijgend door de ruime zaal, terwijl hij in zijn knokige handen een paar brieven verkneep, waarin hij nu en dan las. Ten slotte vroeg hij om zijn rijtuig en gaf hij order dat men hem zou brengen naar ’t bosch met den geheimzinnigen boom, in welks nabijheid het buitenpartijtje gehouden werd.

Daar aangekomen, zond Padre Salvi zijn rijtuig weg en liep alleen het bosch in.

Een somber pad baande zich met moeite een doortocht door het dicht gewas en leidde naar een beek, gevormd door verscheidene warme bronnen, als zooveel andere aan de hellingen van de Makiling. Zijn oevers waren getooid met wilde bloemen. Vele daarvan hadden nog geen latijnschen naam, maar zonder twijfel zijn ze bekend bij de gouden insekten, bij de vlinders van allerlei afmeting en kleur: blauw en goud, wit en zwart, bont, helglanzend, met pauw-schakeeringen, [183]dragend robijnen en smaragden op hun vleugels. Bekend ook bij de duizenden torren en kevers met hun metaal-gloed van goud doorspikkeld. Het gegons dezer insekten, het snerpen der krekels dat dag en nacht aanhoudt, het gekweel der vogels, of het doffe gedruisch van afvallende dorre takken, die onder ’t vallen overal blijven haken, waren de eenige geluiden die de stilte verstoorden in dat oord vol geheimenis.

Een poos bleef onze pastoor dwalen tusschen de dichte slingerplanten, zorgvuldig vermijdend de doorns, die zich aan zijn grofwollen kleed vasthechtten als wilden ze hem tegenhouden, en de wortels der boomen die boven den grond uitkwamen en ieder oogenblik een onervaren voetganger zouden doen struikelen. Plotseling stond hij stil: vroolijk schaterlachen en frissche stemmen troffen zijn oor. Het gelach ging uit van de beek en kwam hoe langer hoe naderbij.

“Ik wil ’s zien of ik een nest kan vinden”, zeide een mooie, lieve stem die den pastoor welbekend was.

“Ik zou hem willen zien, zonder dat hij me zag; ik zou hem overal willen volgen.”

Padre Salvi verborg zich achter den dikken stam van een boom en begon te luisteren.

“Dat wil zeggen dat je met hem wil doen wat de pastoor met jou doet: die beloert je immers overal?” antwoordde een vroolijke stem. “Pas maar op, jaloezie maakt mager en geeft holle oogen!”

“Nee, nee, ’t is geen jaloezie, ’t is louter nieuwsgierigheid!” gaf het zilver-stemmetje [184]terug, terwijl het vroolijk geluid herhaalde: “ja zeker, jaloezie, jaloezie!” en daarna weer schaterlachte.

“Als ik jaloersch was, zou ik niet mezelf maar hem onzichtbaar willen maken, zoodat niemand hem zien kon”.

“Maar dan zou jij hem evenmin zien. En dat ’s goed. Het beste is dat—als we ’t nest vinden—we ’t aan den pastoor cadeau geven: dan zal hij ons kunnen beloeren zonder dat wij hem hoeven te zien. Zou je dat niet lijken?”

“Ik geloof niets van de reiger-nesten”, hervatte de ander. “Maar, als ik ’s op ’n keer jaloersch werd, dan zou ik wel weten, hoe ik zou moeten spionneeren, zonder me zelf te laten zien!”

“Hoe dan, hoe? Misschien zooals zuster Escucha?”3

Vroolijk geschater volgde op deze herinnering uit den kostschooltijd.

“Nou, je weet ook wel hoe wij zuster Escucha bij den neus hadden!”

Padre Salvi zag van zijn schuilplaats Maria Clara, Victoria en Sinang door de beek loopen. Alle drie keken met aandacht naar de oppervlakte van het water, om naar ’t geheimzinnig reiger-nest te zoeken. Ze liepen tot de knieën in ’t water. De ruime plooien van hun badkleedjes verrieden de bevallige lijnen van hun beenen. Ze droegen het haar los en de armen waren bloot, terwijl het bovenlijf bedekt was door een gestreepte blouse in vroolijke kleuren. Onder ’t zoeken naar ’t fabelachtig nest plukten de drie jonge meisjes tevens bloemen [185]en moeskruiden aan den oever.

De Akteon-geestelijke4 sloeg bleek en roerloos de kuische Diana’s daar vóór zich gade: zijn oogen die schitterden in de donkere kassen, werden maar niet moe van het bewonderen der blanke, welgevormde armen, van den fraaien hals met het begin der boezem-welving. De kleine rooskleurige voeten, die daar met het water speelden, riepen in zijn verzwakt lichaam vreemde gewaarwordingen wakker en deden in zijn gloeiend brein ongekende droomen opkomen.

Achter een kromming van de beek verdwenen de lieflijke gestalten tusschen dicht rietgewas, en hun wreede toespelingen werden verder onhoorbaar. Bedwelmd, wankelend, bedekt met zweetdroppelen, trad Padre Salvi te voorschijn uit zijn schuilplaats en keek met verbijsterde oogen om zich heen. Weifelend stond hij roerloos stil. Dan deed hij een paar schreden, als wilde hij de meisjes volgen, doch hij wendde zich daarna om en, langs den oever loopende, trachtte hij de rest van het gezelschap op te zoeken.

Op eenigen afstand vandaar zag hij midden in de beek een soort bad-inrichting, goed omheind, en van boven beschut door een bladerrijk rietbosch. Vandaar klonken vroolijke vrouwenstemmen. Palmbladeren, bloemen en vaandeltjes dienden als versiering. Wat verderop zag hij een bamboebrug en een eindweegs daarvandaan kon hij de mannen [186]zien baden, terwijl een menigte bedienden van beiderlei kunne rondom geïmproviseerde komforen zwermde, druk bezig met het plukken van kippen, het wasschen van rijst, het braden van een speenvarkentje en anderszins. En daar ginds, aan den overkant, op een open plek in ’t bosch, die men daar gemaakt had, vereenigden zich tal van mannen en vrouwen onder een dak van zeildoek, deels opgehangen aan de takken der woudreuzen, deels aan nieuw-opgerichte staken. Daar bevonden zich de alférez, de coadjutor, de burgemeester, zijn teniënte mayor of plaatsvervanger, de schoolmeester en verscheidene gewezen capitan’s, teniëntes of adjunkten, ja zelfs Capitán Basilio, de vader van Sinang, de vroegere tegenstander van wijlen Don Rafael in een oud proces, dat nog voortduurde. Ibarra had hem gezegd: we zijn ’t oneens over een rechtskwestie, en ’t oneens zijn wil nog niet zeggen vijanden zijn.” En de befaamde redenaar der behoudsmannen nam met geestdrift de uitnoodiging van den jongen man aan.

De pastoor werd door allen, zelfs door den alférez met eerbied en onderscheiding ontvangen.

“Maar waar komt u vandaan, weleerwaarde?” vroeg de laatstgenoemde, toen hij bespeurde, hoe zijn gezicht vol schrammen zat en zijn kleed bedekt was, met bladeren en stukjes dor hout. “Bent u gevallen?”

“Nee, ik ben verdwaald!” antwoordde Padre Salvi, terwijl hij zijn oogen neersloeg, om naar zijn kleed te kijken.

Men ontkurkte flesschen met limonade, er werden jonge “klappers” opengeslagen, [187]opdat zij die uit het bad kwamen het frissche water en het malsche vruchtvleesch—nog blanker dan melk—zouden kunnen gebruiken; de jongemeisjes kregen bovendien nog een krans van tjempaka (of sampaga, zooals men daar zegt), waartusschen rozen en ilang-ilang gevlochten waren, die het loshangende haar parfumeerden. Men zette zich of strekte zich uit in de hangmatten, die men aan de boomen had opgehangen, of wel men vermaakte zich rondom een grooten, platten steen gezeten, met een spelletje: men zag er speelkaarten, damborden, boekjes, vijfhoekige schelpjes en steentjes.

Men liet den pastoor den kaaiman zien, maar hij scheen afgetrokken te zijn en toonde alleen eenige belangstelling, toen men hem zeide dat de breede wond in de buik van het dier door Ibarra was toegebracht. Overigens was de andere bevechter van het monster, de geheimzinnige en vermaarde “loods” nergens te zien: hij was reeds verdwenen vòor de alférez aangekomen was.

Eindelijk kwam Maria Clara vergezeld van haar vriendinnetjes uit het bad. Ze was als een roos in den morgendauw. Haar eerste lachje gold Crisóstomo, en ’t eerste wolkje op haar voorhoofd Padre Salvi. Deze bespeurde het en zuchtte diep.

’t Werd etenstijd. De pastoor, de coadjutor, de alférez, de burgemeester en nog eenige capitan’s met de vice-burgemeester of teniënte mayor gingen aan een tafel zitten, waaraan Ibarra de eereplaats innam. De moeders stonden niet toe dat er een enkele man aan de tafel der jonge meisjes aanzat. [188]

“Zeg, Albino, je moet dezen keer maar geen lek-gaten ontdekken zooals in de bootjes, hoor,” zeide Leon tot den oud-seminarist.

“Wat? Wat is dat?” vroegen de oudere vrouwen.

“De bangka’s, dames, waren net zoo gaaf als dit bord,” verklaarde Leon en wees op zijn bord.

“Mijnheer de alférez, weet u al iets van den kerel die Padre Dámaso heeft mishandeld?” vroeg Padre Salvi.

“Van welken kerel, mijnheer de pastoor?” riep de alférez uit, terwijl hij door het glas wijn heen, dat hij bezig was uit te drinken, den geestelijke aankeek.

“Nou, van wien anders dan van den kerel, die eergisteren middag Padre Dámaso onderweg heeft afgeranseld!”

“Heeft-ie Padre Dámaso afgeranseld?!” vroegen er verscheidenen.

De coadjutor scheen in zijn schik.

“Ja zeker, en Padre Dámaso ligt nu te bed!

Ze zeggen dat het dezelfde Elias is, die u in den modderpoel heeft gesmeten, mijnheer de alférez.”

De alférez kreeg een kleur, van schaamte of van den wijn.

“Och, ik dacht zoo,” hervatte Padre Salvi eenigszins spotachtig, “dat u op de hoogte van de zaak zou zijn... dat u als kommandant van de guardia civil...”

De onderofficier beet zich op de lippen en stotterde een zotte verontschuldiging uit.

Op dit oogenblik vertoonde zich een bleeke, magere, ellendig gekleede vrouw. Niemand had haar zien aankomen, want ze liep zoo zachtjes, zoo geruischloos [189]dat men haar ’s nachts voor een schim zou gehouden hebben.

“Geef wat te eten aan die arme vrouw!” zeiden de oudjes. “Hei, kom ’s hier!”

Doch zij vervolgde haar weg, en trad op de tafel toe waar de pastoor zat. Deze wendde het hoofd om, herkende haar, en ’t mes waarmee hij at, viel hem uit de hand.

“Geef die vrouw wat te eten!” beval Ibarra.

“De nacht is donker en de kinderen verdwijnen,” mompelde de bedelares.

Maar bij ’t zien van den alférez die haar toesprak, ontstelde de vrouw hevig en liep hard weg. Weldra was ze tusschen ’t geboomte verdwenen.

“Wie is dat?” vroeg hij.

“Een ongelukkige die gek is geworden door al het verdriet en de schrikken die ze doorstaan heeft,” antwoordde don Filipo. “Ze is al vier dagen zoo.”

“Is ’t misschien een zekere Sisa?” vroeg Ibarra belangstellend.

“Ze is door uw soldaten opgepakt”, ging de teniënte mayor met zekere bitterheid voort, steeds tot den alférez sprekende, “ze zijn met haar door het heele dorp gegaan, om ik weet niet wat dat haar kinderen zouden gedaan hebben en... dat niet opgehelderd is.”

“Hoe nu?” vroeg de alférez zich tot den pastoor wendend, “is ’t misschien de moeder van uw twee kostertjes?”

De pastoor knikte.

“Die zijn verdwenen, zonder dat iemand iets van hen is te weten kunnen komen!” voegde don Filipo er op strengen toon aan toe. Hij keek onderwijl den burgemeester aan, en deze sloeg de [190]oogen neer.

“Ga die vrouw zoeken!” gelastte Crisóstomo aan de bedienden. “Ik heb beloofd moeite te doen, om uit te vinden waar haar kinderen gebleven zijn...”

“Wat is er verdwenen, zegt u?” vroeg de alférez.

“Zijn uw kostertjes verdwenen, mijnheer de pastoor?”

De toegesprokene dronk zijn glas wijn leeg en knikte.

“Caramba, mijnheer de pastoor!” riep onze krijgsman spottend, en vol pret dat hij zich ’s wreken kon, “er verdwijnen een paar zilverstukken van uw weleerwaardigheid, en ze halen me mijn sergeant heel vroeg uit zijn bed, om ze te laten zoeken. Er verdwijnen twee kosters en ‘uwe weleerwaardigheid’ zegt niets... En u, mijnheer de Capitán... ’t Is ook waar dat u...”

En hij voleindigde zijn zin niet, maar barstte in lachen uit, terwijl hij zijn lepel diep in ’t roode vruchtvleesch van een wilde papaja stak.

“De zaak is dat ik verantwoordelijk ben voor ’t geld...”

“Een prachtig antwoord, eerwaarde zieleherder!” viel de alférez met vollen mond in. “Een pracht van een antwoord, heilige man!”

Ibarra wilde tusschenbeide komen, doch Pater Salvi gaf met zichtbaar zelfbedwang en een verknepen lachje terug:

“En weet u, mijnheer de alférez, wat er verteld wordt van ’t verdwijnen van de twee jongens? Niet? Vraag ’t dan maar ’s aan uw soldaten!”

“Hoe dat zoo?” vroeg den ander, zijn vroolijkheid kwijt rakend. [191]

“Ze zeggen dat er in de nacht van hun verdwijnen verscheidene schoten gehoord zijn!”

“Verscheidene schoten?” herhaalde de alférez en keek de omstanders verbaasd aan.

Men knikte bevestigend.

Padre Salvi hervatte daarop langzaam en met wreeden spot in zijn toon:

“Komaan, ik zie wel dat u geen misdadigers oppakt en evenmin weet wat de menschen onder uw orders uitvoeren. En u wilt de zedenmeester spelen en anderen leeren wat hun plicht is. U kent zeker wel het spreekwoord van de beste stuurlui?”...

“Heeren!” viel Crisóstomo in, ziende dat de alférez bleek werd, “naar aanleiding hiervan zou ik ’s willen weten, wat de heeren denken over een plan van me. Ik dacht erover, die krankzinnige vrouw aan de zorgen van een dokter toe te vertrouwen, en dan onderwijl met uw hulp en raad naar haar kinderen te zoeken.”

De terugkomst der bedienden, die de gekke vrouw niet hadden kunnen vinden, maakte ten slotte een eind aan de oneenigheid der twee tegenstanders, doordat het gesprek op een ander onderwerp overging.

Toen ’t eten afgeloopen was, en de thee en koffie opgediend werd, verdeelden zich de jongen en de ouden in verschillende groepjes. Dezen haalden de damborden, anderen grepen naar de kaarten, maar de jonge meisjes, nieuwsgierig naar de toekomst, wilden liever eenige vragen doen aan het “Rad van Fortuin.”

“Kom, mijnheer Ibarra!” riep Capitán [192]Basilio, die wat heel vroolijk begon te worden, “we zijn nu al vijftien jaar aan ’t procedeeren, en er is geen rechter van de audiencia die de zaak uitmaakt: laten we ’s zien, of we ’t schaakbord kunnen laten beslissen.”

Onmiddellijk en met heel veel genoegen!” antwoordde de jongeman. “Een oogenblik, want de alférez wil afscheid nemen.”

Toen men van deze partij hoorde, schaarden zich al de oudere mannen die verstand van schaken hadden om het schaakbord. De partij was belangwekkend, en zelfs de onkundigen voelden zich aangetrokken. De oude vrouwen echter omringden den pastoor, om met hem over godsdienstige onderwerpen te praten, doch Fray Salvi achtte zeker plaats en gelegenheid niet geschikt, want hij gaf vage antwoorden en zijn sombere, iet of wat verstoorde blikken gingen overal heen, behalve naar zijn toespreeksters.

Het spel begon met grooten ernst.

“Als de partij onbeslist blijft, schorten we ons proces op, hoor,” zeide Ibarra.

Midden onder ’t spelen ontving Ibarra een telegrafisch bericht dat hem de oogen deed schitteren en tegelijk deed verbleken. Zonder het te openen stak hij het in zijn zakportefeuille, doch wierp onderwijl een blik op de groep jongelui die onder gelach en geschreeuw voortgingen met de toekomst te ondervragen.

“Schaak aan den koning!” zeide de jonge man.

Capitán Basilio wist geen ander redmiddel dan hem achter de koningin te verbergen. [193]

“Schaak aan de koningin!” zeide de ander weder en dreigde haar met zijn kasteel, dat door een pion verdedigd werd.

Daar hij zijn koningin niet kon dekken en haar evenmin achteruit kon zetten van wege den koning die er achter stond, vroeg Capitán Basilio bedenktijd.

“O gaarne!” antwoordde Ibarra. “Ik had net wat te vragen aan enkelen uit dat groepje daar.”

Hij stond op en gaf zijn tegenstander een kwartier tijd.

Iday hield een kartonnen schijf in de hand waarop acht en veertig vragen geschreven stonden, Albino had het antwoorden-boek.

“Dat ’s gelogen! Dat is niet waar! Dat is ’n puur verzinsel!” riep Sinang op huilerigen toon.

“Wat overkomt je?” vroeg Maria Clara.

“Stel je voor; ik vraag: ‘Wanneer zal ik verstandig worden?’ Ik gooi de dobbelsteenen, en hij daar, die mislukte pastoor, leest in ’t boek: ‘Wanneer de kikkers haren zullen krijgen!’ Hoe vind je dat?”

En Sinang trok een leelijk gezicht tegen den oud-seminarist. Deze bleef lachen.

“Wie zegt je ook om zoo’n vraag te doen?” zeide haar nichtje Victoria. “Je verdient dat je zoo’n antwoord krijgt!”

“Doe eens een vraag!” zeide men tot Ibarra en hield hem de schijf voor. “We hebben afgesproken dat wie ’t beste antwoord kreeg, een geschenk van de anderen zou ontvangen. Wij hebben allemaal al een vraag gedaan.” [194]

“En wie heeft het beste antwoord gekregen?”

Maria Clara, Maria Clara!” riep Sinang. “We hebben haar of ze woû of niet, laten vragen: ‘Is zijn liefde trouw en standvastig?’ en ’t boek heeft geantwoord...”

Doch Maria Clara hield haar, sterk blozend, de beide handen voor den mond en belette haar zoo verder te spreken.

“Nu, geef me dan maar ’t rad!” zeide Crisóstomo lachend.

Ik vraag: ‘Zal wat ik nu onderneem goed afloopen?’

“He, wat ’n leelijke vraag!” riep Sinang uit.

Ibarra wierp de dobbelsteenen neer, en, naar het getal dat ze aanwezen, werd bladzijde en regel opgezocht.

“Droomen zijn droomen,” las Albino op.

Ibarra nam het telegram uit zijn zak en opende het bevend:

“Dezen keer heeft uw boek een leugentje verteld!” riep hij vol vreugde uit... Lees maar!”

“Plan school goedgekeurd; uitspraak over ’t andere gunstig.”

“Wat beteekent dat?” vroeg men om hem heen.

“Was er niet zooeven gezegd dat degeen die ’t beste antwoord ontving een cadeau zou krijgen?” vroeg hij met een van aandoening bevende stem, terwijl hij het papier zorgvuldig in tweeën scheurde.

“Ja, ja!”

“Nu goed, dit is mijn geschenk,” zeide Ibarra, terwijl hij de eene helft aan Maria Clara overreikte. “Ik wil in het dorp een school voor jongens en [195]meisjes oprichten: die school zal mijn geschenk wezen.

“En wat wil dat andere stuk zeggen?”

“Dat zal ik geven aan dengene die het slechtste antwoord gehad heeft.”

“Dan krijg ik ’t! Dan is ’t voor mij?” riep Sinang.

Ibarra gaf haar het papier en verwijderde zich snel.

“En wat wil ’t nu zeggen?”

Doch de gelukkige jonge man was al ver, en ging zijn schaakpartij hervatten.

Fray Salvi, nog steeds afgetrokken kijkend, voegde zich bij het vroolijke troepje jongelui. Maria Clara wischte een traan van vreugde weg.

Het lachen en praten hield op. De pastoor keek naar de jonge mannen, maar slaagde er niet in een enkel woord uit te brengen. De anderen wachtten erop dat hij zou spreken, en bleven zoolang zwijgen.

“Wat is dit?” kon hij eindelijk uitbrengen, terwijl hij het boek opnam en er in bladerde.

“Rad van Fortuin, een boek voor een spelletje,” antwoordde León.

“Weten jullie niet dat het zonde is aan zulke dingen te gelooven?” zeide de pastoor, en verscheurde toornig de bladen.

Kreten van verbazing en ergernis ontsnapten aan aller lippen.

“’t Is nog erger zonde te beschikken over een andermans eigendom, zonder de toestemming van den eigenaar!” gaf Albino terug, terwijl hij opstond.

“Meneer de pastoor, dat noemt men roof, en dat is door God en menschen verboden.”

Maria Clara sloeg de handen in elkaar, keek met betraande oogen naar het [196]overschot van ’t boek dat kort te voren haar zooveel vreugde verschaft had.

Fray Salvi zeide, tegen aller verwachting, niets terug op Albino’s woorden; hij stond een oogenblik de verscheurde bladen na te staren, die in den wind wegdwarrelden. Enkele vlogen in ’t bosch, andere raakten te water. Daarna verwijderde hij zich in schommelenden gang met de handen op het hoofd. Een oogenblik bleef hij staan, om met Ibarra te spreken. Deze geleidde hem naar een der rijtuigen, die daar klaarstonden, om de genoodigden weg te brengen.

“’t Is maar goed dat die spelbreker heengaat!” mompelde Sinang. “Hij heeft een gezicht alsof hij zeggen wil: ‘Lach maar niet, ik ken je zonden.’”

Na het geschenk dat hij aan zijn aanstaande gegeven had, was Ibarra zoo in zijn schik, dat hij begon te spelen zonder veel na te denken of acht te slaan op de zetten die hij deed.

Zoo kwam het dat, ofschoon Capitán Basilio zich alleen nog maar met groote moeite had kunnen verdedigen, de partij toch gelijk-op kwam te staan, dank zij de vele misslagen die de jongeman daarna beging.

“’t Proces wordt opgeschort!” zei Capitán Basilio vroolijk.

“Stellig, we schorten ’t op!” herhaalde Ibarra, “wat ook de beslissing van de rechters mag zijn.”

Ze gaven elkander de hand en drukten die beiden op hartelijke wijze.

Terwijl de aanwezigen dit voorval toejuichten, dat een einde maakte aan een proces dat beide partijen reeds lang verveelde, bracht plotseling de komst van vier guardia civiles en een sergeant, [197]allen gewapend en met opgezette bajonet, stoornis in de vreugde en schrik onder de vrouwen.

“Stil iedereen!” riep de sergeant. “Die zich verroert wordt neergeschoten!”

In weerwil van deze onhebbelijke toesnauwing stond Ibarra op en trad op den man toe.

“Wat wenscht u?” vroeg hij.

“De onmiddellijke uitlevering van een misdadiger, een zekeren Elias, die vanmorgen loodsdiensten voor u gedaan heeft,” was het dreigende antwoord.

“Een misdadiger?... De loods? U moet u vergissen!” hervatte Ibarra.

“Nee, meneer: die Elias is juist beschuldigd dat hij zich aan een geestelijke vergrepen heeft...”

“O, is dat de loods?”

“Dezelfde, naar me gezegd wordt. U laat menschen van een beruchten naam op uw feesten toe, meneer Ibarra.”

Deze keek hem van hoofd tot voeten aan, en antwoordde met souvereine minachting:

“Ik hoef u geen rekenschap van mijn daden te geven! Op onze feesten is iedereen welkom, en als uzelf gekomen waart zoudt u eveneens plaats aan onze tafel gekregen hebben.

Evenals uw alférez: die was nog twee uur geleden in ons gezelschap.”

En dit gezegd hebbende, keerde hij hem den rug toe.

De sergeant beet op zijn knevel, en, overwegende dat hij de zwakste partij was, gaf hij last, overal op de plaats en tusschen de boomen naar den loods te zoeken. Zijn signalement hadden ze op een papiertje bij zich. Don Filip vond het noodig hen te zeggen: [198]

Denkt u er wel aan, dat dat signalement past op negen van tien inlanders: u kan zich zoo licht vergissen!”

Eindelijk kwamen de soldaten terug, en zeiden dat ze nergens schuit of man hadden kunnen ontdekken die hun verdacht voorkwam: de sergeant stamelde een paar woorden, en ging heen zooals hij gekomen was.

De vreugde kwam weer langzamerhand terug. Het regende nu vragen en allerlei kommentaren werden er gemaakt.

“Dus dat is diezelfde Elias, die den alférez in de modder heeft gesmeten,” zeide Leon in gedachten.

“En hoe was dat? Hoe ging dat?” vroegen eenige nieuwsgierigen.

“Ze vertellen dat eens op een dag, in September, toen het erg regenachtig was, de alférez iemand tegenkwam met een vracht hout op zijn rug. De straat was erg modderig en er was alleen aan den kant een smalle doorgang voor een persoon tegelijk. Men zegt dat de alférez, in plaats van zijn paard in te houden, het de sporen gaf en den man toeschreeuwde dat hij achteruit moest. De man scheen daar weinig lust in te hebben om de vracht, die hij droeg, of hij had geen zin om door de modder te ploeteren. Toen wou de alférez, die boos werd, hem omver rijden, maar de man greep een stuk hout en gaf daarmee het paard zoo’n slag op den kop dat het neerviel en zijn ruiter mee in de modder trok! Er wordt bij verteld dat de man toen kalm verder ging, zonder iets te geven om de vijf kogels, die de alférez hem van uit zijn modderbad toezond. Onze militair was gewoon blind van woede en van de modder. Toch [199]wist hij niet wie hem de streek geleverd had, maar hij veronderstelde dat het de beruchte Elias was. Die was eenige maanden geleden in de provincie gekomen, zonder dat iemand wist waarvandaan, en had zich door dergelijke daden bekend gemaakt bij de guardias civiles van enkele dorpen.”

“Is het dan een toelisan (roover)?” vroeg Victoria vol angst.

“Ik geloof het niet, want ik hoor dat hij eens juist tegen toelisan’s gevochten heeft, die een huis wilden plunderen.”

“Hij ziet er heelemaal niet als een misdadiger uit!” voegde Sinang eraan toe.

“Nee alleen kijkt hij erg droevig uit zijn oogen: ik heb hem den heelen ochtend geen enkelen keer zien lachen,” antwoordde Maria Clara peinzend.

Zoo werd het allengs avond en kwam het uur van terugkeer naar ’t dorp.

Bij ’t laatste zonnelicht ging het gezelschap het bosch uit, stil voortstappend langs het geheimzinnige graf van Ibarra’s voorvader. Daarna hernieuwden zich de vroolijke gesprekken.

Bij ’t schijnsel van bamboe-fakkels en bij gitaar-getokkel trok men ten slotte het dorp in.


1 In kalan en salabat zal de Nederlandsch-Indiër gemakkelijk het Jav. woord keren (aarde komfoor) en de bekende serbat der Maleiers herkennen, die uit water, honing en gember vervaardigd wordt.

2 Paäjap is Tagaalsch voor blimbing

3 Sor Escucha, letterlijk: “Luister-zuster”, omdat het de non was belast met het toezicht in de spreekkamer van ’t klooster.

4 Akteon, uit de grieksche fabel-leer beloerde Diana toen ze in ’t bad was. Als straf werd hij in een hert veranderd, dat dadelijk door de honden der goddelijke jagers werd verslonden.

[Inhoud]

XXIV.

Bij den filosoof.

In den morgen van den volgenden dag begaf Ibarra zich naar de woning van den ouden Tasio.

Schier volkomen stilte heerschte er in den tuin, nauwelijks verstoord door de zwaluwen die bij de dakgoten heen en weer fladderden. Het mos groeide [200]op den ouden muur, waar langs een soort klimop zich naar en om de vensters omhoogwerkte. ’t Huisje scheen een oord der stilte.

Ibarra bond zijn paard zorgvuldig aan een paal, en bijna op zijn teenen liep hij door den netten, goed onderhouden tuin, ging de treden van de trap op en, daar de deur openstond, trad hij binnen.

Het eerste wat zich aan zijn blik voordeed, was de oude man zelf, gebogen over een boek, waarin hij scheen te schrijven. Aan de wanden zag men verzamelingen van insekten en bladeren, tusschen landkaarten en oude boekenrekken vol boeken en handschriften.

De oude was zoo verdiept in zijn werk dat hij de aanwezigheid van den jongen man niet eerder opmerkte, voordat deze op ’t punt was om weer heen te gaan, teneinde geen stoornis te veroorzaken.

“Wel, was u daar?” vroeg hij, terwijl hij Ibarra met eenige verbazing aankeek.

“Neem me niet kwalijk”, antwoordde deze, “ik zie dat u ’t erg druk heeft.”

“Dat is zoo, ik was bezig iets te schrijven, maar ’t heeft geen haast en ik wil wat uitrusten. Kan ik u met iets van dienst zijn?”

“Met heel veel!” gaf Ibarra terug, terwijl hij naderbij kwam. “Maar...”

En hij sloeg een blik op ’t boek dat op tafel lag.

“Hoe nu?” riep hij verwonderd uit, wijdt u zich aan ’t ontcijferen van hieroglyfen?”

“Nee, nee!” antwoordde de oude man en bood hem een stoel aan. “Ik ken [201]geen oud-Egyptisch en ook zelfs geen Koptisch, maar ik ken zoo’n beetje het schriftstelsel en ik schrijf in hieroglyfen.”

“Schrijft u in hieroglyfen? En waarom?” vroeg Ibarra twijfelend aan ’t geen hij zag en hoorde.

“Om te maken dat ze me nu niet lezen kunnen!”

De jonge man keek den ander van hoofd tot voeten aan en dacht dat hij misschien werkelijk gek was. Snel liet Ibarra zijn oogen over het boek gaan, om te zien of het waar was wat hem daar medegedeeld was. En duidelijk zag hij daar teekeningetjes van dieren, kringetjes, halfcirkels, bloemen, voeten, handen, armen en zoo meer.

“En waarom schrijft u, als u niet wil gelezen worden?”

“Omdat ik niet voor dit geslacht schrijf. Ik schrijf voor latere tijden. Als ze me nu konden lezen zouden ze mijn boeken verbranden, ’t werk van mijn heele leven. Maar ’t geslacht dat deze teekens zal kunnen ontcijferen zal een ontwikkeld geslacht wezen: ’t zal me begrijpen en zeggen: ‘Niet iedereen sliep in den nacht van onze voorouders!’ De geheimzinnigheid van deze letterteekens zal mijn werk behoeden voor menschelijke domheid, zooals al zooveel waarheden voor de priestervernielzucht behoed zijn door mysterie en allerlei ‘hokus-pokus.’”

“En in welke taal schrijft u?” vroeg Ibarra na een oogenblik zwijgens.

“In onze eigen taal: in ’t Tagaalsch.

“En gaat dat in hieroglyfen?”

“O, ja, beter nog dan in ’t latijnsche schrift: dat is minder geschikt voor [202]onze taal. ’t Is alleen wat lastig, want alle teekens moeten goed afgewerkt worden. Maar ik ben dan ook zoo kort mogelijk: ik zeg alleen ’t hoognoodzakelijke.

’t Werk houdt me bovendien gezelschap wanneer mijn gasten van China en Japan weg zijn.

“Hoe zoo?”

“Wel, hoort u ze niet? Mijn gasten zijn de zwaluwen.

Dit jaar ontbreekt er een: een Chineesche of Japansche straatjongen zal er een gevangen hebben.”

“Hoe weet u dat ze uit die landen komen?”

“Heel eenvoudig: ik bond ieder jaar een papiertje aan de pootjes, voordat ze vertrokken. Ik schreef er Engelsch op, want die taal wordt hier in de omliggende streken veel gesproken. Maar ik kreeg geen antwoord, totdat ik op ’t idee kwam, om er Chineesch op te laten schrijven. In November daarop kwamen ze terug met andere briefjes. Die bleken me in ’t Chineesch en Japansch geschreven te zijn... Maar ik hou u misschien op ...en ik vraag u niet eens, wat u eigenlijk van me verlangt.”

“Ik kwam u over een zaak van belang spreken,” antwoordde de jonge man. “Gisteren avond...”

“Hebben ze den stumper gepakt?” vroeg de oude vol belangstelling.

“Bedoelt u Elias! Hoe weet u dat zoo.”

“Ik heb de muze van de guardia civil gezien.”

De muze van de guardia civil! En wie is dat?”

“Wel, de vrouw van den alférez, die u niet op uw feest genoodigd heeft. [203]Gisteren ochtend werd die geschiedenis met den kaaiman in ’t dorp bekend. De muze van de guardia civil is net zoo kwiek als ze kwaadaardig is, en die veronderstelde dadelijk dat de ‘loods’ dezelfde moest wezen als de brutale rakker, die haar man in de modder gesmeten had, en die ook Pater Dámaso afgeranseld had. En omdat zij de telegrammen leest die haar man moet ontvangen, heeft ze onmiddellijk toen die dronklap en onverstand thuiskwam, zich op u willen wreken en zoo den sergeant met de soldaten op u afgestuurd, om het feest in de war te sturen. Past u maar op! Eva was een goeie vrouw, ze kwam uit Gods handen...Doña Consolación is ’n kwaje, naar men zegt, en je weet niet uit welke handen zij gekomen is! Om goed te kunnen zijn, moet een vrouw ten minste eenmaal van haar leven maagd of moeder geweest zijn.”

Ibarra lachte even en antwoordde, terwijl hij eenige papieren uit zijn zakportefeuille voor den dag haalde:

“Wijlen mijn vader was gewoon u in enkele dingen te raadplegen, en ik herinner me dat hij er nooit spijt van heeft gehad, uw raad te volgen. Ik heb nu iets ondernomen waarvan ik graag den goeden uitslag zou verzekerd zien.”

En Ibarra zette in ’t kort zijn schoolplannetje uiteen, dat hij zijn meisje als verrassing had aangeboden, en liet den verbaasden filosoof de teekeningen zien, die hem uit Manila waren toegezonden.

“Ik zou gaarne van u vernemen, welke menschen ik in ’t dorp op mijn hand zou moeten zien te krijgen, om ’t werk op de beste wijze te doen slagen. U kent [204]de bewoners goed. Ik ben nog nieuweling en bijna een vreemdeling in mijn eigen land.”

De oude Tasio bekeek met vochtige oogen de plannen en teekeningen die daar voor hem lagen.

“Wat u daar gaat verwezenlijken, was mijn droom, de droom van een ouwen gek!” riep hij ontroerd uit. “En nu... ’t eerste wat ik u nu raad, is nooit mij te komen raadplegen.”

De jongeling keek Tasio verwonderd aan.

“Omdat anders de verstandige menschen,” ging hij met bittere ironie voort, “u ook voor een gek zouden houden. De menschen houden iemand voor gek die niet net zoo denkt als zij. Daarom denken ze zoo over mij, en ik ben er erkentelijk voor; want, o wee de dag dat ze me ’s weer mijn verstand zouden teruggeven! Dien dag zouden ze me ’t beetje vrijheid afnemen, dat ik me nu gekocht heb ten koste van mijn reputatie als verstandig man. En wie weet of ze geen gelijk hebben! Ik denk en leef niet naar hun regels; mijn beginselen en mijn idealen zijn anders dan de hunne. Zoo’n gobernadorcillo, die noemen ze verstandig, omdat hij niets anders geleerd heeft dan gedienstig en geduldig te zijn tegenover Pater Dámaso, zijn chocolade op te dienen en zijn humeur te verdragen. Die is daarom nu rijk, die buit de kleine bestaantjes van zijn medeburgers uit en praat soms nog van rechtvaardigheid en recht. ‘Daar heb je nu een knappe kerel!’ denkt het domme volk, ‘kijk ereis aan, die is van niks opgekomen tot grootheid!’ Maar ik, ik heb fortuin en aanzien geërfd, ik heb [205]gestudeerd, en ik ben arm. Ze hebben me niet het minste baantje willen geven. En ze zeggen allemaal:

‘De vent is gek! Die kent ’t leven niet!’ De pastoor noemt me filosoof uit spot; hij vertelt aan iedereen dat ik een soort kwakzalver ben, die geurt met wat hij op de kollege-banken geleerd heeft, terwijl dat juist is wat hem het minst te pas komt. ’t Kan wezen dat ik eigenlijk de gek ben en zij de wijzen; wie kan dat uitmaken?”

En de oude man schudde het hoofd, alsof hij een gedachte van zich af woû zetten en ging voort:

“Wat ik u ook nog raden kan, is dat u den pastoor in den arm neemt, en den burgemeester, allen menschen van positie. Ze zullen u dan allerlei slechte, domme of onnutte raad geven, maar u moet maar denken: raadplegen is nog niet gehoorzamen. Doe u maar zooveel mogelijk net alsof ze in alles en altijd gelijk hebben en laten ze denken dat u handelt naar hun raad.”

Ibarra dacht een oogenblik na, en antwoordde toen:

“De raad is goed, maar moeilijk op te volgen. Zou ik mijn ideeën niet kunnen verwezenlijken, zonder dat er zoo’n schaduw op valt? Zou ’t goede zich geen baan kunnen breken door alles heen, en is ’t wel noodig dat de waarheid kleeren te leen vraagt aan de dwaling?”

“Zeker! Niemand houdt immers van de naakte waarheid!” hervatte de grijsaard. “Dat is alles mooi in theorie, dat is uitvoerbaar in de droomwereld van de jeugd. Daar heb je nu de schoolmeester: die heeft in de lucht geschermd. [206]Een kinderhart dat het goede voorhad, en alleen maar spotternij en hoon heeft geoogst. U heeft me zooeven gezegd dat u een vreemdeling in ’t land was. Dat geloof ik. Den eersten dag na uw aankomst al heeft u een geestelijke in zijn eigenliefde gekwetst, en de man gaat onder de menschen hier door voor een heilige en onder zijn eigen soort voor een geleerde. Denkt u maar niet dat het iets te beteekenen heeft, of de Dominikanen> en de Augustijners met minachting neerzien op de pij, ’t koord en ’t onhebbelijke schoeisel van de Franciskanen. Een groot geleerde—een dokter van de Heilige Tomas van Aquino—heeft zich ergens van Paus Innocentius de Derde aangehaald dat de statuten van die orde geschikter waren voor varkens dan voor menschen. Maar ze reiken elkaar even goed allemaal de hand. Ze zijn ’t allemaal eens wat hun macht aangaat. Allemaal denken ze daarover zooals eens een ‘procurator’ het uitdrukte: ‘De minste lekebroeder kan meer doen dan ’t bestuur met al zijn soldaten.’

Cave ne cadas.1 Het goud is erg machtig: het gouden kalf heeft dikwijls God van zijn altaren geworpen. En dat is al zoo sinds de tijden van Mozes.”

“Ik ben niet zoo’n zwartkijker, en ’t leven in mijn land lijkt mij zoo gevaarlijk niet,” antwoordde Ibarra lachend. “Ik geloof dat u met uw vrees wat overdrijft, en ik hoop al mijn plannen te kunnen verwezenlijken, zonder van dien kant veel tegenstand te ontmoeten.” [207]

“Jawel, als zij u de hand reiken, niet als ze je die onttrekken. Al uw pogen zou gewoon stuk loopen tegen de muren van ’t pastoors-huis, als de pater maar even zijn koord zwaaide of zijn pij schudde. De burgemeester zou u morgen onder ’t een of ander voorwendsel weigeren wat hij u vandaag heeft toegestaan. Geen enkele moeder zou haar kind naar de school laten gaan, en dan zou uw moeite en sloven een negatieve uitwerking hebben: ’t zou iedereen die later iets moois wou ondernemen den moed benemen.”

“En toch,” hervatte de jonge man, “kan ik niet gelooven aan die macht waar u van spreekt. En zelfs een oogenblik aannemende dat die bestond, zou ik immers de verstandige menschen aan mijn zij hebben. En ’t bestuur: dat is immers bezield met uitstekende bedoelingen, dat heeft een ruime blik en beoogt ’t oprechte welzijn van de Filippijnen.”

“’t Bestuur! ’t Bestuur!” mompelde de filosoof, terwijl hij de oogen opsloeg naar de zoldering. Al is ’t ook nóg zoo bezield met den wensch om ’t land groot te maken, voor ’t land zelf en voor Spanje, al is ’t ook dat deze of gene hooge ambtenaar zich nog den edelen zin van de Katholieke Koningen herinnert, en op zijn eentje eraan denkt, ’t bestuur ziet niet, hoort niet, oordeelt niet dan wat de pastoor of de provinciaal wil hebben dat hij ziet, hoort of oordeelt. ’t Is immers overtuigd dat het alleen op hen rust, dat als het zich staande houdt, dat alleen is omdat zij ’t steunen, dat, als ’t leeft, dat is omdat zij ’t goedvinden dat het leeft, en dat zoodra die steun [208]ontbreekt, het in elkaar zal zakken als een ledepop, die niet meer opgehouden wordt. Het bestuur maken ze bang door het volk op te zetten, en ’t volk door te dreigen met de bestuurs-macht. Zoo wordt het een eenvoudig spelletje, dat lijkt op wat er gebeurt met vreesachtige menschen, wanneer ze op akelige plaatsen komen. Ze zien dan hun eigen schaduwen voor spoken aan en houden de echo van hun eigen stemmen voor geestesstemmen. Zoolang het gouvernement zich niet in onmiddellijke aanraking met het land stelt, ontgaat het die voogdij niet. ’t Zal blijven voortbestaan zooals een half-onnoozele jongen die siddert op de stem van zijn oppasser en die bedelt om zijn gunst. Het bestuur denkt in de verste verte niet aan een toekomst van kracht. ’t Is een arm. Het hoofd dat is de pastorie, het ‘klooster’. En door de laksheid waarmee ’t zich van de eene ellende in de andere laat slepen, wordt het een schijnmacht. En zoo laat het in zijn nulliteit en zwakte maar alles aan huurlingen over. Maak maar eens een vergelijking tusschen ons bestuursstelsel en dat van de andere landen waar u vertoefde.”

“O!” viel Ibarra in, “we moeten niet te veeleischend zijn: laten we tevreden zijn nu we zien dat ons volk niet klaagt, dat het niet lijdt, zooals het volk in andere landen. En dat dankt het aan den godsdienst en aan de goedgezindheid van zijn bestuurders.”

“Het volk klaagt niet, omdat het geen stem heeft. ’t Komt niet in beroering, omdat het versuft is, en u zegt dat het niet lijdt, omdat u niet gezien heeft, hoe zijn hart bloedt. Maar eenmaal zullen [209]u de oogen opengaan, dan zult u ’t zien en hooren. En dan, wee degenen die nu genieten van ’t bedrog, die in ’t donker werken en wanen dat iedereen slaapt. Wanneer het daglicht de misgeboorte van den nacht zal beschijnen, dan komt de verschrikkelijke reactie. Zooveel kracht, in zooveel eeuwen neergedrukt, zooveel vergif, drup voor drup uitgeperst, zooveel versmoorde zuchten, dat alles zal dan uitbreken en uitbarsten... Wie zal er dan de rekening vereffenen, een rekening zooals de volken die van tijd tot tijd ter vereffening aanbieden? De Geschiedenis spreekt ervan op zijn bloedigste bladzijden!”

“God zal niet toelaten dat die dag ooit komt. Het bestuur en de godsdienst evenmin!” antwoordde Crisóstomo, die ondanks zichzelve onder den indruk kwam. De Filippijnen zijn godsdienstig en hebben Spanje lief. De Filippijnen zullen weten wat het moederland voor ze doet. Er zijn misbruiken, dat is zoo, er zijn gebreken, dat zal ik niet ontkennen, maar Spanje maakt werk van hervormingen, die ze zullen verbeteren. ’t Bereidt ze voor. ’t Is niet zelfzuchtig.”

“Dat weet ik, en dat is juist zoo droevig. De hervormingen die van bovenaf komen, loopen op niets uit in de lagere sfeeren, dank zij de ondeugden van iedereen. Bijvoorbeeld de felle begeerte om in korten tijd rijk te worden en de domheid van ’t volk, dat maar alles goedvindt. Misbruiken worden niet weggemaakt door een koninklijk besluit, zoolang niet een volijverig gezag voor de uitvoering waakt, zoolang men geen vrijheid van ’t woord geeft tegen de buitensporigheden van kleine [210]tirannen: de plannen blijven plannen, de misbruiken misbruiken, en de minister zal, voldaan over zijn werk, toch rustiger slapen. Wat meer is, als er eens bijgeval een hoog personage komt, met groote en edelmoedige denkbeelden dan hoort die al gauw zeggen—terwijl ze hem achter zijn rug voor gek houden, ‘Uwe Excellentie kent het land niet, Uwe Excellentie kent den aard van den inlander niet, Uwe Excellentie richt ze te gronde op die manier, Uwe Excellentie zou goed doen met te vertrouwen op meneer Zus of meneer Zoo en meer zoo. En als men nu nagaat dat Zijne Excellentie het land werkelijk niet kende—hij had het immers ergens in Amerika gezocht—en dat hij bovendien zwakheden en gebreken heeft als ieder ander mensch, dan is ’t duidelijk dat hij zich laat bepraten. Zijne Excellentie herinnert zich ook dat hij om zijn hooge post te krijgen heel wat heeft moeten zweten en nog meer heeft moeten lijden. Dat hij die post maar voor drie jaar heeft. Dat hij zoetjes aan oud wordt, en ’t geen tijd meer voor hem is, om aan don-quichotterieën te doen; dat hij nu maar alleen aan zijn toekomst moet denken: een mooi huisje in Madrid, een buitentje, een aardig inkomen om weelderig te leven op de hoofdplaats: dat moest hij immers op de Filippijnen zien te winnen. Laten we geen wonderen verwachten. We kunnen moeilijk vragen dat iemand die als vreemdeling in ’t land komt, om zijn fortuin te maken en daarna weer heen te gaan, belang zal stellen in ’t welzijn van ’t land. Wat kan hem de dankbaarheid of de vloek van een volk schelen dat hij niet kent, [211]waar niets hem lief is? Wil roem ons aanlokken, dan moet hij klinken in de ooren van de menschen die we liefhebben, in de atmosfeer van onze woonplaats, van ons eigen land. ’t Land waar onze asch moet rusten. We willen dat onze roem op ons graf zal wijlen, om met zijn stralen de doodskoû te verdrijven, om te maken dat we niet heelemaal in ’t niet opgaan, dat er iets van ons wezen overblijft. Niets van dat alles kunnen we beloven aan den man die over ons wel en wee komt beschikken. En ’t ergste is dat zoo’n man weer heengaat, wanneer hij net begint op de hoogte te komen van zijn plicht. Maar we dwalen af van ons onderwerp.”

“O nee, ik moet nog eerst een paar dingen met u in ’t reine brengen voordat ik daarop terugkom,” viel de jongeman levendig in. “Ik wil toegeven dat het bestuur het volk niet kent, maar ik geloof dat het volk ’t bestuur nog minder kent. Er zijn onnutte slechte ambtenaren, als u wilt, maar er zijn ook goede en als dezen niets kunnen gedaan krijgen dan is ’t omdat ze optornen tegen een logge massa: ’t volk. Dat neemt heel weinig notitie van de dingen die het aangaan. Maar ik ben niet bij u gekomen om hier over veel uit te weiden: ik ben gekomen om u raad te vragen...

En u zegt me dat ik mijn hoofd moet buigen voor zotte afgoden...”

“Ja, en ik zeg ’t nog eens, want hier moet je je hoofd buigen, of ’t geheel laten zakken.”

“’t Hoofd buigen of het geheel laten zakken?” herhaalde Ibarra in gedachten.

“Dat is een hard dilemma! Maar waarom? Is de liefde voor mijn land dan [212]niet overeen te brengen met mijn liefde voor Spanje? Is ’t dan bepaald noodzakelijk, zich te verlagen; om een goed christen te wezen moet men dan zijn eigen geweten veil hebben, om een goed doel te kunnen bereiken? Ik heb mijn vaderland, de Filippijnen, lief, omdat ik er mijn leven en mijn geluk aan dank, en omdat ieder mensch zijn vaderland lief moet hebben. Ik hoû van Spanje, het vaderland van mijn voorouders, omdat, hoe dan ook, de Filippijnen aan Spanje hun geluk en hun toekomst danken. Ik ben katholiek, ik bewaar zuiver ’t geloof van mijn vaderen, ik zie niet in, waarom of ik het hoofd zou buigen, wanneer ik ’t op kan heffen of ’t aan mijn vijanden zou overgeven, wanneer ik die vijanden zou kunnen vertrappen!”

“Omdat het veld waar u wilt gaan zaaien in de handen van uw vijanden is, zeide de filosoof. En daartegen is u niet opgewassen... u moet eerst de hand kussen die...”

Doch de jongeman liet hem niet uitspreken, en riep opgewonden uit:

“Kussen! Maar u vergeet dat die lui mijn vader hebben afgemaakt; dat ze hem uit zijn graf hebben gehaald... maar ik, die de zoon ben, vergeet het niet, en dat ik er geen wraak over neem, is omdat ik den godsdienst ontzien wil.”

De oude filosoof boog het hoofd.

“Meneer Ibarra,” antwoordde hij langzaam, “als u die herinneringen bij u omdraagt—en ik mag u niet raden in dezen naar vergetelheid te streven—dan moet u de plannen die u voorheeft opgeven, en ’t welzijn van uw landgenoten [213]in iets anders trachten te bevorderen. Zoo’n onderneming als de uwe vraagt een ander man, want om zoo iets tot stand te brengen, heeft men niet alleen geld en goeden wil noodig. In ons land wordt daar voor bovendien vereischt zelfverloochening, hardnekkigheid en geloof: de grond is er niet voor bereid, maar staat alleen vol onkruid.”

Ibarra begreep de waarde dier woorden, doch hij meende zich niet te mogen laten ontmoedigen: de gedachte aan Maria Clara was hem te sterk, hij moest wat hij haar geboden had verwezenlijken.

“Geeft uw ervaring u geen ander middel aan de hand dan dat eene harde?” vroeg hij zacht.

De oude greep hem bij den arm en leidde hem naar het venster. Er woei een frissche wind, voorbode van de “norte,” voor zijn oogen strekte zich de tuin uit, begrensd door het uitgestrekte bosch, dat als park dienst deed.

“Waarom zouden wij niet doen evenals die zwakke stengel daar, met al die rozen en knoppen?” zeide de filosoof, terwijl hij naar een schoonen rozenstruik wees. “De wind waait en grijpt hem aan: hij buigt, alsof hij zijn kostbare vracht wil verbergen. Als de stengel rechtop bleef, zou hij afbreken, de wind zou de bloemen verwaaien, en van de knopjes zou niets terechtkomen. De wind gaat liggen en de stengel richt zich weer op, trotsch op zijn schat: wie zal ’t hem kwalijk nemen dat hij voor nooddwang ’t hoofd gebogen heeft? Kijkt u daar verderop eens naar dien reusachtige koepang, die daar zoo statig zijn hoog lover tegen den hemel beweegt. [214]Daar nestelen welig arenden in zoo’n boom. Ik heb hem indertijd als een teer plantje uit het bosch gehaald en ik heb zijn stammetje maanden achtereen met bamboe-stokjes moeten stutten. Als ik hem groot en vol levenskracht overgebracht had, dan zou hij stellig en zeker hier niet zijn blijven leven: de wind zou hem neergesmeten hebben, voordat zijn wortels zich in de aarde hadden kunnen vastwerken, voordat de aarde zelf ook om hem heen voldoende stevig had kunnen worden om hem de noodige steun te geven voor zijn omvang en hoogte. Zoo zal ’t ook met u afloopen, u een plant uit Europa overgebracht naar dit steenachtig terrein, als u geen steun zoekt en u klein weet te maken. U bevindt zich in een ongunstigen toestand, alleen en hoogstaand: de grond onder u bent onvast, de hemel spelt onweer, en ’t is al gebleken dat de kruin van de boomen van uw familie de bliksem aantrekt. ’t Is geen moed meer, maar waaghalzerij alleen te willen vechten tegen zijn heele omgeving. Niemand zal ’t een loods verwijten, wanneer hij schuilt in een haven bij den eersten windstoot van een storm. Bukken als er een kogel komt aansnorren, is geen lafheid; wel is ’t verkeerd dien te trotseeren, om te vallen en niet weer op te staan.”

“En zou dit offer de vruchten leveren, die ik ervan hoop te krijgen? Zou de geestelijke in me gelooven en de beleediging, die ik hem aangedaan heb vergeten? Zouden ze me vrijmoedig helpen, om ’t onderwijs te bevorderen, terwijl dit juist de rijkdommen van ’t land aan de geestelijkheid betwist? Zou ’t niet [215]mogelijk wezen dat ze vriendschap huichelden, dat ze deden alsof ze me beschermen wilden, en dat ze me achter den rug, in ’t donker, bestreden en ondermijnden, dat ze me om zoo te zeggen in mijn hiel verwondden, om me eerder de doen wankelen dan wanneer ze me van voren te lijf gingen? Gegeven de antecedenten die u veronderstelt, kan men alles verwachten.”

De oude man zweeg een wijle, zonder te kunnen antwoorden. Hij dacht eenige oogenblikken na en hervatte:

“Als dat gebeurde, als de zaak faliekant uitging, zou u troost vinden bij de gedachte dat u alles gedaan had wat van uzelf afhing, en zelfs dan zou u iets gewonnen hebben, u zou ’t eerste zaad er gezaaid hebben. Na ’t bedaren van den storm zou er wellicht een zaadje ontkiemen, ’t zou de ramp overleven, ’t soort redden van algeheelen ondergang en later als zaailing kunnen dienstdoen voor de kinderen van den gestorven zaaier. Het voorbeeld kan anderen lokken die nu zich alleen door hun vrees laten weerhouden om een begin te maken.”

Ibarra overwoog deze redeneering, zag zijn toestand in, en begreep dat de oude heer met al zijn zwartziendheid groot gelijk had.

“Ik geloof u!” riep hij uit en drukte hem de hand. “Ik heb niet voor niets op een goeden raad gehoopt. Vandaag nog ga ik ronduit de zaak aan den pastoor blootleggen. Per slot van rekening heeft die me in ’t geheel geen kwaad gedaan, en moet hij een goed man wezen. Ik moet hem bovendien zijn belangstelling vragen voor die ongelukkige gekke vrouw [216]en haar kinderen: ik stel vertrouwen op God en de menschen.”

Hij nam afscheid van den grijsaard, en te paard stijgende, vertrok hij.

“Opgepast!” mompelde de pessimistische wijsgeer, terwijl hij hem met de oogen volgde: we moeten ’s nagaan, hoe ’t lot verder de komedie zal afspelen die op het kerkhof begonnen is.”

Ditmaal vergiste bij zich werkelijk: de komedie was al veel eerder begonnen.


1 Men zegt in de Filippijnen “Convento,” lett. klooster, voor het huis van den pastoor. Zie b.v. Manuel Scheidnagel: Islas Filippinas.

[Inhoud]

XXV.

De vooravond van ’t feest.

’t Is de tiende November, de dag voor het feest.

Het dorp is uit zijn gewone eentonigheid getreden, en geeft zich over aan een groote bedrijvigheid; thuis, op straat, in de kerk, in de hanenvechtplaats en buiten. De vensters worden behangen met vlaggen en sierdoeken van allerlei kleur. De lucht weerklinkt van vuurwerkgeknal en van muziek. ’t Is overal opgewektheid en pretlust.

Allerlei ingemaakte vruchten van ’t land worden door de dalaga in glazen schaaltjes op een tafeltje gerangschikt, waarop ze een geborduurd wit laken gespreid heeft. In ’t patio—de binnenhof—piepen kuikens, kakelen kippen, knorren varkens, die alle opgeschrikt zijn door ’t vreugdebetoon der menschen. De bedienden gaan trap op trap af, dragende verguld vaatwerk en zilveren lepels en vorken. Hier maakt men zich boos, omdat er een bord gebroken wordt, daar lacht men een buitenmeisje uit om haar onhandigheid: overal worden bevelen gegeven, wordt gefluisterd, of gelachen, [217]maakt men toespelingen en opmerkingen, voorspelt men, windt de een den ander op, en alles is verwarring, gedruisch en gewoel. En al deze moeiten en zorgen, al dit wenschen en hopen is voor de bekende of de onbekende gasten die verwacht worden; om dezen of genen feestelijk te onthalen, dien men wellicht nooit te voren gezien heeft en ook misschien nooit meer terug zal zien; zoo dat buitenlander en vreemdeling, vriend en vijand, Filippijner en Spanjaard, arme en rijke er voldaan mogen wezen. Men vraagt zelfs niet van hen dat ze dankbaar zullen zijn, noch verwacht men van hen dat ze de gastvrije familie gedurende of na de verorbering van al ’t goede ongedeerd zullen laten.

De rijken, zij die wel eens een keer in Manila geweest zijn en iets meer gezien hebben dan de andere menschen, hebben bier, champagne, wijn en Europeesche eetwaren gekocht, waarvan ze zelf nauw een hapje of slokje zullen gebruiken. Hun tafel is schitterend aangericht.

In ’t midden staat een fraai nagemaakte ananas, waarin tandestokertjes gestoken zijn, ’t keurige snijwerk der dwangarbeiders, dat ze in hun rusttijd vervaardigd hebben. Men ziet daar een waaier, een ruikertje, een vogel, een roos, een palmboom en eenige kettinkjes, alles uit één stuk hout gesneden. De kunstenaar is een veroordeelde, het werktuig een slecht mes, en de inspiratie de stem van den mandoer. Aan weerszijden van deze ananas—die palillera, dat is tandestoker-houder heet—verheffen zich op glazen vruchten-schalen heele pyramiden van sinaas-appelen, [218]langsoen’s1, srikaja’s, sawomanila’s2 en zelfs mangga’s, ofschoon ’t reeds November was. Dan volgen op groote schotels, neergelegd op uitgesneden en bontgekleurd papier Europeesche en Chineesche hammen, een groote pastei in den vorm van ’t “Lam Gods” of van een duif—de Heilige Geest wellicht—gevulde kalkoenen enz. En tusschen deze in staan de dik-lijvige atjar-flesschen grillig versierd met uitknipsels van pinang-bloesem, bladgroenten en vruchten, die met stroop op den buitenwand der flesschen geplakt zijn.

De glazen bollen—die men aan de zoldering hangt—erfstukken van vader op zoon,—worden schoongemaakt, de koperen hoepels glimmend gepoetst, de petroleum-lampen ontdaan van hun roode hulsels, die ze ’t heele jaar voor vliegen en muskieten behoedt en nutteloos gemaakt hebben. De kristallen hangertjes en prisma’s tingelen harmonieus tegen elkaar aan, ze zingen, en ’t is of ze in de feestvreugde deelen. Ze ontleden de lichtstralen en doen de kleuren van den regenboog op de muren vallen. De kinderen spelen en dartelen, loopen de kleuren na, stooten hier en daar tegen-aan en breken lampenglazen, doch dit belet niet dat de feestvreugde blijft aanhouden: ’t is ook niet alle dagen feest.

Evenals deze eerwaardige lampen treden ook de “werkjes” van ’t jongemeisje uit hun schuilhoeken te voorschijn: gehaakte sluiers, kleedjes, kunstbloemen; er verschijnen antieke kristallen [219]presenteer-blaadjes, waar op de bodem een miniatuur-meertje is voorgesteld met vischjes, krokodillen, schelpdieren, zeewier, koraal- en andere rotsen, gemaakt van hel-kleurig glas. Deze blaadjes worden belegd met sigaren, sigaretten en kleine sirih-pruimpjes, die door fijne jongmeisjesvingers zijn vervaardigd.

De vloer van ’t huis glimt als een spiegel. Gordijnen van zijde of van pina (ananas-vezel) tooien de deuren. Aan de vensters hangen lantarens van glas of van rooskleurig, blauw, groen of rood papier. Het huis komt vol bloemen en bloempotten op voetstukken van Chineesch porselein. Tot zelfs de heiligen maken zich mooi; beelden, platen en relikwieën krijgen hun Zondagsch uiterlijk, men stoft ze af, de glazen worden schoon gemaakt, en bloemtuiltjes aan de lijsten opgehangen.

Op straat worden op geregelde afstanden grillige eerebogen opgericht uit op allerlei manieren bewerkte bamboe. Men noemt die singkaban. Er om heen wordt bamboe-loof aangebracht, waarvan de aanblik alleen de harten der kinderen reeds verheugt. Rondom de binnenhof—’t patio—van de kerk staat het groote en kostbare verhemelte, ondersteund door dikke bamboestaken, waar de processie onder door moet trekken. Nu spelen de kinderen eronder: ze loopen, klauteren, springen, en scheuren de nieuwe baadjes, waar ze op den feestdag mee moesten pronken.

Ginds, op het plein, is van bamboe, nipah-blad en hout een estrade opgericht: het tooneel. Daar zal de komedie van Tondo wondere dingen vertoonen, en [220]met de goden wedijveren in onwaarschijnlijkheden. Daar zullen zingen en dansen Marianito, Chananay, Balbino, Ratia, Carvajal en hoe ze verder heeten mogen. De Filippijner houdt van tooneelspel en woont de dramatische voorstellingen met hartstocht bij, luistert stil naar het zingen, bewondert het dansen en de mimiek, fluit niet uit, maar juicht evenmin toe. Als hem de voorstelling niet bevalt, wel dan verschuift hij zijn woejoe of sirih-pruimpje, en gaat heen zonder de andere menschen te hinderen, die er misschien wel pleizier in hebben. Alleen joelt zoo nu en dan het lage volk wanneer de akteurs de aktrices kussen, maar verder gaat dat niet. Vroeger tijd stelde men alleen drama’s voor. De dorps-poëet maakte een stuk, waarin iedere twee minuten bepaald een gevecht moest voorkomen, verder een “jocoso” of komiek en ijzingwekkende tooneelveranderingen. Doch sinds de Tondosche artiesten iedere vijftien seconden gingen kloppen, kregen ze twee komieken, en begonnen ze nòg onaannemelijker zaakjes te vertoonen, doodden ze hun kollega’s uit de provincie.

De burgemeester was er verzot op, en koos na overleg met den pastoor, het blijspel: “Prins Villardo of de verlossing der slaven uit de snoode spelonk”, een stuk met toover-effekten en vuurwerk.

Van tijd tot tijd luidden de klokken met vroolijk geluid, dezelfde klokken die tien dagen te voren zoo’n droevigen toon hadden laten hooren. Vuur-raadjes en donderpotten doen de lacht daveren: de Filippijnsche vuurwerker die zijn kunst [221]geleerd heeft zonder eenige bekende meester, gaat zijn bekwaamheden aan den dag leggen, werkt druk aan zijn “stieren,” zijn vuur-kasteelen met bengaalsch licht, papier-ballons gevuld met warme lucht, “briljant-wielen”, bommen, vuurpijlen en wat niet al.

Hoor, daar klinkt muziek in de verte. De jongens loopen ijlings het dorp uit, om de muziekkorpsen te begroeten. Er zijn er vijf gehuurd, ongerekend de drie orkesten. De muziek van Parsanghan, ’t eigen korps van de notaris, mag niet ontbreken evenmin als dat van ’t dorp S. P. de T., dat toentertijd beroemd was, omdat het gedirigeerd werd door de “maestro” Austria, bijgenaamd “Cabo Mariano, Mariannen-opperhoofd, de zwerveling, die, naar men zegt, roem en harmonie brengt bij den eersten zwaai van zijn dirigeer-stok. De muziek-kenners roepen over zijn doodenmarsch “De Wilg”, en betreuren het dat hij geen muzikale opleiding gehad heeft, want met zijn genie zou hij anders de glorie van zijn land geworden zijn.

De muziek komt het dorp binnen onder het spelen van vroolijke marschwijzen, gevolgd door schunnig gekleede en half naakte kinderen. De eene draagt ’t baadje van zijn broer, een ander de broek van zijn vader. Zoodra de muziek opgehouden is, kennen ze de melodie van buiten, neuriën of fluiten die na met zonderlinge zuiverheid en geven hun oordeel erover ten beste.

In den tusschentijd komen zoetjes-aan in boeren-karren, “kalessen” en gewone rijtuigen de verwanten, de vrienden, de onbekenden, de spelers en wedders van beroep met hun beste hanen, met zakken [222]goud, bereid om hun fortuintjes te wagen, ’t zij op ’t groene laken, ’t zij binnen de “rueda” van de hane-vechtplaats.

“De alférez heeft voor iederen avond vijftig pesos!” mompelt een klein dik kereltje in ’t oor der pas aangekomenen. “Capitán Tiago komt straks en zal bank houden. Capitán Joaquin brengt achttien duizend pesos. Er zal ook ‘liam-po’ gespeeld worden: de Chinees Carlos houdt het spel met een kapitaal van tien duizend. Van Tanaun, van Lipa en van Batangas, als ook van Santa Cruz komen groote inzetten. ’t Wordt grootscheeps! ’t Wordt grootscheeps! Maar gebruikt een kop chocola. Dit jaar zal Capitán Tiago ons niet meer villen, zooals verleden jaar: hij heeft dezen keer maar drie dankmissen bekostigd, en ik heb een heele moetia kakao.3 En hoe gaat het met de familie thuis?”

“O goed, dank u!” antwoordden de vreemdelingen. “En hoe is ’t met Pater Dámaso?”

“Pater Dámaso preekt ’s morgens, en ’s avonds gaat hij met ons een kaartje leggen.”

“Mooi zoo, mooi zoo! Dan is er heelemaal geen gevaar!”

“Volkomen veilig, we zijn absoluut zeker! De Chinees Carlos laat bovendien los!”

En de kleine dikkerd maakte met zijn vingers een gebaar alsof hij geld telde.

Buiten trokken de bergmenschen, de kasama, hun beste plunje aan, om naar het dorp te komen en daar aan hun compagnons-geldschieters [223]gemeste kippen, wilde varkens, herten en gevogelte te brengen. Dezen laadden op de zware karren brandhout, genen fruit, slingerplanten, de zeldzaamste die in ’t bosch groeien, anderen brachten breedgebladerde sagà biga4 en struiken met hun vuurroode bloemen, om er de deuren der huizen mee te versieren.

Doch waar de meeste drukte heerschte—zoodat het zelfs wel een oploop leek—was daar ginds op een soort ruime ophooging, op eenige schreden van Ibarra’s huis. Er knarsen katrollen, men hoort er kreten, het metaal-achtig geluid van steen-houwen, het geklop van hamers op spijkers, het gekap van bijlen op balken.

Een menigte menschen zijn bezig een breed en diep gat te graven. Anderen leggen steenen op rijen, die zoo juist uit de steengroeven zijn gehaald, ontladen karren, hoopen zand op, stellen draaibanken en wind-assen op...

“Hier! Dat daar! Vlug wat!” riep een oud kereltje met een opgewekt en verstandig gezicht, die een meter met koperen kantjes in de hand had, en een schietlood aan een touwtje daarom heen geslingerd. Het was Señor Juan, de baas van ’t werk, de bouwmeester, metselaar, timmerman, witter, slotenmaker, steenhouwer en—soms ook—beeldhouwer.

“We moeten nu nog klaar komen! Morgen kan er niet gewerkt worden, en overmorgen is het feestdag. Vlug wat!”

“Maak het gat zóó, dat deze cylinder [224]er precies in past!” zeide hij tot een paar steenhouwers die bezig waren een grooten vierkanten steen te polijsten. Hier binnen-in worden onze namen bewaard.”

En hij herhaalde aan iedere vreemdeling die kwam kijken wat hij al honderden malen gezegd had.

“Weet u wat we hier gaan bouwen? Een school, een model dingetje, net als die in Duitschland, beter nog! Het plan is door den architekt R. gemaakt en ik, ik ben de baas van ’t werk! Ja, meneer, kijkt u ’s, dit wordt een paleis met twee vleugels: een voor de jongens, en een voor de meisjes. Hier in ’t midden komt een groote tuin met drie fonteinen; daar, op zij, worden boomen gezet, en daartusschen-in komen moestuintjes, waar de kinderen in hun vrijen tijd kunnen zaaien en planten: zoo maken ze er een nuttig gebruik van en vermorsen hun tijd niet. Kijkt u ’s hoe diep de fondamenten gaan! Drie meter vijf en zestig, alsjeblief! Het gebouw krijgt kelders, onderaardsche kamers, waar de ondeugende kinderen kunnen opgesloten worden. Die komen dicht, heel dicht bij de speelplaats en ’t gymnastieklokaal, dan kunnen de gestraften hooren hoe de goed oppassende kinderen pret hebben. Ziet u die groote, open ruimte? Dat wordt het speelveld voor de jongens, daar kunnen ze in de open lucht vrij loopen en springen. De meisjes krijgen een tuin met banken, schommels, rijen boomen voor het komba-spel5, fonteinen, groote vogelkooien enz.

O, ’t wordt alles prachtig!” [225]

En Ñor6 Juan wreef zich in de handen bij de gedachte aan de eer die hij met zijn werk zou inoogsten. Er zouden vreemdelingen komen om het te zien, en die zouden vragen: “Wie is de groote bouwmeester die dàt werk uitgevoerd heeft?”

“Weet u dat niet? Wel, ’t is haast niet te gelooven dat u Ñor Juan niet zoudt kennen! U komt stellig van heel ver,” zou iedereen antwoorden.

Vervuld van deze gedachten liep hij van ’t eene uiteinde naar ’t andere, keek en pluisde alles na.

“Dat ’s veel te veel hout voor een hijschtoestel, zeg!” zeide hij tot een geelkleurigen man, die eenige werklieden aan ’t werk had; dat zou ik doen van drie lange stukken bij wijze van drievoet, met nog drie andere als dwarshouten.”

Aba!” antwoordde de gele man en lachte eigenaardig, “hoe meer omslag we maken, hoe meer effekt ons werk zal hebben. Het geheel heeft dan meer aanzien, wordt voornamer. En de menschen zullen zeggen: ‘wat is er gewerkt!’ U zult ’s zien hoe ’n hijschtoestel ik in elkaar zet! Ik zal ’t daarna opsieren met bladerrollen, met slingers van blâren en bloemen. Dan zal ’t u genoegen doen, dat u mij onder uw werklui heeft aangenomen. En meneer Ibarra zal niet meer kunnen verlangen.”

En de man lachte weer, en glimlachte; Ñor Juan lachte ook flauwtjes, en schudde ’t hoofd.

Op eenigen afstand van daar zag men eenige kiosken, onder elkaar verbonden door een soort overdekte gang met een [226]dak van pisangblaren.

De schoolmeester was met een dertigtal jongens bezig kransen te vlechten en vlaggen vast te maken aan de met geplooid wit doek overtrokken bamboe-stijltjes.

“Jullie moeten de letters mooi schrijven, hoor!” zeide hij tot de knapen, die voor de opschriften moesten zorgen.

De burgemeester komt, er zullen ook veel pastoors bij ’t feest komen, misschien komt de Capitán Generaal7 want die is in de provincie. Als die heeren zien dat jullie mooi teekenen, dan prijzen ze jullie misschien?”

“En geven ze ons dan een schoolbord?”

“Wie weet. Maar meneer Ibarra heeft er al een uit Manila besteld. Morgen zullen er eenige dingen aankomen, die onder jullie als prijzen verdeeld zullen worden... Och, laat die bloemen maar in ’t water: morgen zullen we wel de bouquetten maken. Jullie moeten nog meer bloemen halen, want de tafel moet er mee bedekt zijn. Bloemen zijn zoo vroolijk voor ’t gezicht.”

“Mijn vader zal morgen baïno-bloemen en een mand tjempaka’s meebrengen.”

“De mijne heeft drie groote karren vol zand gebracht, en ze hebben hem niet betaald.”

“Mijn oom heeft beloofd een onderwijzer te bekostigen,” voegde een neef van Capitán Basilo eraan toe.

Inderdaad had het plan bijna bij iedereen sympathie ontmoet. De pastoor had verzocht zelf beschermheer te mogen wezen en den eersten steen te leggen: [227]een plechtigheid die op den laatsten dag van ’t feest plaats zou hebben en een der voornaamste punten van ’t program zou uitmaken. Zelfs was de coadjutor schuchter bij Ibarra gekomen, om hem al de missen aan te bieden die de vromen voor hem betalen zouden tot de voltooiing van ’t gebouw toe. Meer nog: zuster Rufa, de rijke zuinige dame, had gezegd dat als er soms geld te kort kwam, zij wel in eenige dorpen zou rondgaan, om aalmoezen te vragen. Ze stelde alleen maar als voorwaarde dat ze de reis- en verblijfkosten betaald kreeg en zoo meer. Ibarra dankte haar en antwoordde:

“We zouden niet veel ophalen, want ik ben niet rijk, en dit gebouw wordt ook geen kerk. Bovendien heb ik niet beloofd het te zullen oprichten op een andermans kosten.”

De jongelieden, de studenten, die uit Manila kwamen om ’t feest te vieren, bewonderden hem, en namen hem tot voorbeeld. Helaas keken enkelen alleen naar de manier waarop hij zijn das toeknoopte, anderen naar zijn halsboord, en verscheidenen van hen naar het aantal knoopen van zijn jas en zijn vest.

De noodlottige voorgevoelens van den ouden Tasio schenen voor altijd gelogenstraft. Ibarra gaf dit eens op een dag te kennen, doch de oude zwartkijker antwoordde:

“Denk maar ’s aan wat Baltasar zegt:

Treedt hij bij uw aankomst u blij tegemoet,

Met vriendlijk gebaar en met hartelijken groet,

Voorzichtig dan maar, want die vriendlijke man, [228]

Is wellicht uw vijand, die zint op verraad.

Die Baltasar was even goed dichter als denker.”

Deze en andere voorvallen meer hadden plaats op den dag voor het feest, voor ’t ondergaan der zon.


1 Maleisch langsat; jav. langsep.

2 Heeten te Manila: chicos (kleintjes?). F.

3 = 6 fanegar = 24 schepels.

4 Mal.: birah.

5 Een spel van Chineeschen oorsprong.

6 Ñor, is een verkorting van Señor, meneer.

7 De opperlandvoogd op de Spaansche Filippijnen.

[Inhoud]

XXVI.

In den avond.

Bij Capitán Tiago in huis waren ook groote toebereidselen gemaakt. Zooals van hem te verwachten was, moesten zijn praalzucht en zijn trots als groot-stadsmensch de provincialen schitterend overbluffen. Er was nog een andere reden die hem verplichtte er naar te streven om de anderen den loef af te steken: hij had Maria Clara tot dochter, en zijn aanstaande schoonzoon was op de plaats de man die zoo aller aandacht in beslag nam.

Inderdaad: een der ernstigste bladen van Manila had een hoofdartikel aan hem gewijd, getiteld: “Volgt hem na.” waarin hij overladen werd met loftuitingen en hem tevens eenige raadgevingen werden toegediend. Hij werd er genoemd: “de verlichte jonge en vermogende kapitalist.” Twee regels verder “de edele menschenvriend.” In het volgende gedeelde “de voedsterling van Minerva,” die naar ’t moederland was gegaan, om de echte bakermat der kunsten en wetenschappen te gaan begroeten, en wat verderop “de Filippijnsche Spanjaard” enz. Capitán Tiago brandde van grootmoedige wedijver, en begon erover te denken of het niet misschien ook zijn [229]plicht was, op zijn kosten een klooster te stichten.

Eenige dagen te voren waren er in het huis dat Maria Clara en haar tante Isabel bewoonden een menigte kisten met Europeesche eetwaren en dranken, ontzaglijke spiegels en schilderijen aangekomen. Ook de piano van ’t jonge meisje was erbij gezonden.

Capitán Tiago kwam den dag voor het feest. Toen zijn dochter hem de hand kuste, had hij haar een fraai goud relikwie-kistje met briljanten en smaragden ten geschenke gegeven, dat een spaander bevatte van Petrus’ boot, waar onze Lieve Vrouw gedurende het visschen op gezeten had.

De ontmoeting met den aanstaanden schoonzoon kon niet hartelijker wezen. Men sprak natuurlijk van de school. Capitán Tiago wilde dat ze Sint Franciskusschool zou genoemd worden.

Er kwamen eenige vriendinnen van Maria Clara en deze noodigden haar uit, om mee te gaan wandelen.

“Maar kom gauw thuis,” zeide Capitán Tiago tot zijn dochter, die hem om permissie vroeg, ”je weet wel dat Pater Dámaso van avond komt eten: die is pas aangekomen.”

En zich tot Ibarra wendende, die stil geworden was, voegde hij eraan toe:

“Komt u ook bij ons eten: bij u thuis bent u alleen.”

Met heel veel genoegen, maar ik moet in huis wezen, voor ’t geval er bezoek komt,” antwoordde de jongeman stamelend, terwijl hij Maria Clara’s blik ontweek.

“Breng uw vrienden hier,” gaf Capitán Tiago onverstoord terug, “bij mij in huis [230]is altijd eten in overvloed. Ik zou bovendien graag zien dat u en Pater Dámaso ’t bijlegden...”

“O, daar is ’t nog wel tijd voor!” antwoordde Ibarra met een gedwongen lachje, en hij gaf te kennen dat hij met de meisjes mee wilde gaan.

Ze gingen de trap af.

Maria Clara liep tusschen Victoria en Iday in. Tante Isabel volgde daarachter.

De menschen gingen eerbiedig op zij, om hen door te laten.

Maria Clara was dien avond verrassend schoon: haar bleekheid was verdwenen, en zoo heur oogen al wat peinzend bleven, scheen haar mond van niets dan lachen te weten. Met de minzaamheid der gelukkige jonkvrouw groette ze de oude kennissen uit haar kindsheid, thans de bewonderaars van haar zoo gezegende meisjesjaren. In minder dan veertien dagen had ze haar vroegere vrijmoedigheid, haar kinderlijke praatlust herwonnen, die binnen de benauwde muren van ’t klooster ingesluimerd schenen te wezen. Ze was als de vlinder die bij ’t verlaten van den pop-toestand al de bloemen terugkent. Deze hoefde slechts een oogenblik rond te vliegen en zich te koesteren aan de gulden zonnestralen, om de stijfheid van zijn vorigen staat af te schudden. Het nieuwe leven vond weerklank in heel het wezen van ’t jonge meisje, alles vond ze mooi en goed; ze toonde haar liefde met die maagdelijke aanvalligheid, welke, niet anders dan reine gedachten ziende, het waarom van valsch schaamrood niet kent.

Toch dekte ze zich het gelaat met den waaier, wanneer men haar eens vroolijk plaagde, maar dan lachten haar oogen [231]en doorliep een tinteling haar leden.

Aan de huizen begon men de verlichting aan te steken, en in de straten, waar de muziek rondging, volgden de kroonlampen van bamboe en hout, nabootsingen van kerkkronen.

Binnen in de huizen der straat bespeurde men door de geopende vensters de menschen druk doende in een omgeving van licht en bloemengeur, bij de tonen van piano, harp of orkest. Over de straat liepen Chineezen, Spanjaarden, Filippijners, en deze in Europeesche of wel in inlandsche kleederdracht. Dooreen krioelend, elkaar duwend en dringend liepen daar bedienden met vrachtjes vleesch en kippen, in ’t wit gekleede studenten, mannen en vrouwen, op gevaar af van overreden te worden door de vele rijtuigen en karretjes, die in weerwil van ’t tabi-geroep der koetsiers zich te nauwernood een doortocht konden banen.

Voor ’t huis van Capitán Basilio groetten eenige jongelieden het gezelschap en noodigden het uit, om het huis te bezoeken. De vroolijke stem van Sinang, die de trap kwam afhollen maakte een einde aan alle verontschuldigingen.

“Komen jullie even boven, dan ga ik straks met jullie uit. Ik vind ’t zoo vervelend met zooveel onbekende menschen samen te zijn: ze hebben ’t over niets anders dan over hanen en kaarten.”

Men ging naar boven.

De voorzaal was vol menschen. Enkelen traden naar voren, om Ibarra te begroeten, wiens naam bij iedereen bekend was. Ze sloegen verrukt Maria Clara’s schoonheid gade. En eenige oudjes mummelden, onder het sirihkauwen [232]door: “’t Is net de Heilige Maagd!”

Daar moesten de nieuwgekomenen chocola gebruiken. Capitán Basilio had zich sinds de buitenpartij als een boezemvriend en verdediger van Ibarra doen kennen. Door ’t telegram dat aan zijn dochter Sinang was gegeven vernam hij dat Ibarra op de hoogte was van de voor dezen ongunstige afloop van ’t proces. En omdat hij niet onder wilde doen in grootmoedigheid, stelde hij voor, zijn winst bij ’t schaakspel op te geven.

Doch Ibarra wilde daar niets van weten, en toen sloeg Capitán Basilio voor, dat Ibarra het geld voor de gerechtskosten zou gebruikten om er een onderwijzer aan de toekomstige school mee te betalen. Onze redenaar vond het daarna noodig zijn welsprekendheid aan te wenden bij de andere tegenpartijen die hij had, om ze maar te doen afzien van hun zonderlinge aanspraken. En hij zeide hun:

“Geloof me: bij zoo’n proces komt de winnende partij er als een geplukte kip af!”

Doch hij slaagde er niet in iemand te overtuigen, ook al haalde hij er de Romeinen bij.

Nadat ze chocolade gebruikt hadden, moesten de jongelui de piano hooren: de organist van ’t dorp zou spelen.

“Wanneer ik hem in de kerk hoor,” zeide Sinang en wees naar hem, “heb ik zin om te dansen. Nu hij piano speelt moet ik aan bidden denken. Daarom ga ik maar met jullie mee.”

Wilt u vanavond bij ons komen?” vroeg Capitán Basilio fluisterend aan Ibarra, toen deze heenging. “Pater Dámaso zal de bank houden voor een klein [233]partijtje.”

Ibarra lachte even en antwoordde met een hoofdbeweging, die net zoo goed ja als nee kon beteekenen.

“Wie is dat?” vroeg Maria Clara aan Victoria, en wees met een snellen blik naar een jongmensch dat hen volgde.

“Die...dat is een neef van me”, antwoordde ze eenigzins verlegen.

“En die ander?”

“Dat’s geen neef van me,” gaf Sinang snel terug, “dat is een zoon van mijn tante.”

Ze liepen voorbij de pastorie waar het zeker niet ’t minst druk en levendig toeging. Sinang kon een uitroep van verbazing niet weerhouden, toen ze zag dat de heel ouderwetsche lampen, die Pater Salvi anders nooit liet aansteken om petroleum te sparen, nu brandden. Men hoorde kreten en welluidende schaterlachen. Men zag de “frailes” langzaam heen-en-weer-loopen, met in de maat wiegende hoofden, en de lippen getooid met een dikke sigaar. De wereldlijke heeren die zich onder hen bevonden trachtten al wat de goede paters deden na te doen. Te oordeelen naar de Europeesche kleederen die ze droegen, moesten het beambten of autoriteiten uit de provincie wezen.

Maria Clara bespeurde den lijvigen omtrek van Padre Dámaso naast het onberispelijk “silhouet” van Padre Sibyla. Roerloos op zijn plaats zat de geheimzinnige, zwijgende Padre Salvi.

“Hij is verdrietig!” merkte Sinang op; “hij bedenkt hoeveel hem al die bezoekers kosten zullen. Maar je zult zien dat hij ze niet betaalt, maar de kosters. Zijn logés eten altijd bij een ander.” [234]

“Sinang!” vermaande Victoria.

“Ik kan hem niet uitstaan sedert dat hij ons Rad van Fortuin heeft kapot gemaakt. Ik ga niet meer bij hem biechten.”

Onder al de huizen onderscheidde er zich een, dat niet verlicht was, en zijn vensters ook niet open had staan: ’t was dat van den alférez. Maria Clara verwonderde er zich over.

“Die heks! De muze van de Guardia Civil, zooals de oude heer zegt!” riep de verschrikkelijke Sinang. “Wat gaat haar onze pret aan? Ze zal aan ’t razen wezen. Laat de cholera maar ’s komen, dan zal je zien dat zij inviteert.”

“Maar Sinang!” berispte haar nichtje weder.

“Ik heb haar nooit kunnen uitstaan, en allerminst sedert dat ze ons feest gestoord heeft met haar soldaten. Als ik aartsbisschop was, dan liet ik haar met Padre Salvi trouwen, je zou ’s zien wat ’n kindertjes dat geven zou! Dien armen ‘loods’ te laten oppakken, zie je, die in ’t water gesprongen is alleen om genoegen te doen aan...”

Ze kon haar woorden niet voleindigen: op den hoek van het plein, waar een blinde bij de gitaar de romance der visschen zong, deed zich een vreemd schouwspel voor.

’t Was een man wiens hoofd gedekt was met een groote salakot van palmbladeren, en die een armzalige plunje aan had. Dit bestond uit een in flarden hangende lange jas, en een wijde broek zooals van de Chineezen, die op verscheidene plaatsen gescheurd was. Zijn voeten staken in ellendige sandalen. Zijn gelaat bleef, dank zij de salakot geheel [235]en al in ’t duister, doch uit die duisternis braken van tot tijd twee lichtglanzen die dadelijk weer uitdoofden. Hij was lang van gestalte en naar zijn beweging te oordeelen moest hij jong wezen. Hij zette een mand op den grond neer, en verwijderde zich daarna onder het uitspreken van vreemdsoortige onverstaanbare klanken. Hij bleef geheel afgezonderd staan, net alsof hij en de menigte elkaar meden. Toen kwamen er eenige vrouwen naar hem toe en legden wat vruchten, visch, rijst a. a. in de mand. Toen er niemand meer naar hem toe kwam, klonken er uit de hoedduisternis andere, nog droeviger, maar minder klagelijke geluiden: een dankzegging wellicht. Daarna nam hij zijn mand op en verwijderde zich om elders hetzelfde nog eens te doen.

Maria Clara had een voorgevoel van iets akeligs, en vroeg vol belangstelling naar dat vreemde wezen.

“Dat is de melaatsche,” antwoordde Iday. “Vier jaar geleden heeft hij die ziekte opgedaan: sommigen zeggen doordat hij zijn moeder verpleegd heeft, anderen weer doordat hij in de vochtige gevangenis geweest is. Hij woont daar ginds buiten, niet ver van ’t Chineesche kerkhof. Hij gaat met niemand om, iedereen loopt van hem weg uit vrees voor besmetting. Och, als je toch ’s zijn huisje zag. ’t Is een krot, waar wind, regen en zon vrijen toegang hebben. ’t Is hem verboden iets aan te raken dat aan de menschen toebehoort. Eens op een dag viel er een kleine jongen in ’t kanaal. Het kanaal was niet diep, en hij liep juist daar voorbij—hij hielp er hem dus uit. De vader hoorde ervan, en beklaagde [236]zich bij den burgemeester. En deze liet hem midden op straat zes geeselslagen geven. De rotan moest daarna verbrand worden. Dat was verschrikkelijk om aan te zien: de melaatsche man liep hard weg. Zijn geeselaar hem achterna en de burgemeester schreeuwde hem na: ‘Pas op ’n andere keer. ’t Is beter dat iemand verdrinkt dan dat hij jouw ziekte krijgt.’

“Dat is waar!” mompelde Maria Clara.

En zonder zich rekenschap te geven van wat ze deed, stapte ze snel op de mand toe, en legde daarin het relikwie-kistje dat haar vader haar kort te voren cadeau had gegeven.

“Wat heb je gedaan?” vroegen haar vriendinnen.

“Ik had niets anders!” antwoordde ze, terwijl ze de tranen van haar oogen met een lach trachtte te verbergen.

“En wat kan hij nu beginnen met jouw relikwie-kistje,” zei Victoria. “Eens op een dag gaven ze hem geld, maar hij schoof het met een bamboe van zich weg; waartoe zou hij ’t verlangen, als toch niemand iets aanneemt dat van hem komt? Als hij ’t relikwie-kistje opeten kon, ja!”

Maria Clara keek met jaloezie naar de vrouwen die eetwaren verkochten, en haalde de schouders op.

Doch de leproos trad op de mand toe, greep het kistje, dat in zijn handen blonk, knielde neder, kuste het en, na zich ’t hoofd ontbloot te hebben, drukte hij zijn voorhoofd in ’t stof dat het jongemeisje betreden had.

Maria Clara bedekte zich ’t gelaat met haar waaier en bracht haar zakdoek aan de oogen.

Ondertusschen was er een vrouw naar [237]den ongelukkige toegegaan, terwijl deze scheen te bidden. Ze had het haar loshangend en verward om haar hoofd. In ’t licht der lantarens ontwaarde men de gelaatstrekken der krankzinnige Sisa.

Toen de melaatsche voelde dat zij hem aanraakte, slaakte hij een kreet en sprong op. Doch de krankzinnige klampte zich tot ontzetting der omstanders aan zijn arm vast, en zeide:

“Laten we bidden, laten we bidden! ’t Is vandaag dooden-dag! Die lichten zijn de levens van de menschen. Laten we bidden voor mijn kinderen!”

“Doe ze van elkaar, doe ze uiteen! De krankzinnige zal besmet worden!” schreeuwde men uit de menigte, doch niemand waagde het, hen te naderen.

“Zie je dat licht daar in den toren? Dat is mijn zoon Basilio, die komt aan een touw naar beneden! Zie je dat daar verderop in ’t ‘klooster’? Dat is mijn zoon Crispin, maar ik zal ze niet zien, omdat de pastoor ziek is en veel goud heeft, en het goud raakte weg. Laten we bidden, bidden voor de ziel van den pastoor! Ik bracht hem altijd groenten. Mijn tuin was vol bloemen, en ik had twee kinderen. Ik had een tuin, ik kweekte mijn bloemen en ik had twee kinderen!”

En de leproos loslatend, verwijderde ze zich al zingend:

“Ik had een tuin met bloemen, ik had kinderen, en een tuin met bloemen.”

“Wat heb je voor die arme vrouw kunnen doen?” vroeg Maria Clara aan Ibarra.

“Niets. Niets. Een dezer dagen was ze uit het dorp verdwenen, en hebben ze haar niet terug kunnen vinden!” antwoordde [238]de jongeman half verlegen. “Ik heb ’t bovendien erg druk gehad. Maar maak je maar geen verdriet: de pastoor stelt veel belang in haar!”

“Zei de alférez niet dat hij de kinderen zou laten zoeken?”

“Jawel, maar toen was hij een beetje ...aangeschoten!”

Nauw had hij dit gezegd, of ze zagen de krankzinnige vrouw door een soldaat voortslepen. Ze bood weerstand.

“Waarom neemt u haar gevangen? Wat heeft ze gedaan?” vroeg Ibarra.

“Hoe nu? Heeft u dan niet gezien hoe ze rumoer gemaakt heeft?” antwoordde de bewaarder der openbare rust.

De leproos nam ijlings zijn mand op en verwijderde zich. Maria Clara wilde maar heengaan, want ze had haar vroolijkheid en opgewektheid verloren.

“Er zijn ook menschen die niet gelukkig zijn!” mompelde ze.

Aan de deur van haar huis gekomen, voelde ze haar verdrietigheid nog grooter worden, toen ze zag dat haar aanstaande weigerde boven te komen, en afscheid van haar nam.

“’t Moet!” zeide de jongeman.

Maria Clara ging de trap op, denkende aan ’t vervelende van de feestdagen, wanneer zooveel vreemde menschen zouden komen logeeren.

[Inhoud]

XXVII.

Brieven over het feest.

Om een denkbeeld te geven van ’t feest, volgen hier een paar correspondenties, waarvan een van de briefschrijvers van een ernstig en voornaam blad van Manila, dat alle achting verdient om [239]zijn toon en strenge opvattingen. Enkele geringe en verklaarbare onnauwkeurigheden zal men kunnen verbeteren.

De waardige correspondent van ’t edele blad schreef dan aldus:

Nooit te voren woonde ik bij, noch verwacht ik ooit te zullen zien, een kerkelijk feest zóó plechtig, zóó schitterend en aandoenlijk als dat hetwelk thans in dit dorp wordt gevierd door de weleerwaarde en deugdzame paters Franciskanen.

De toeloop van menschen is geweldig. Ik heb hier het genoegen gehad, schier al de in deze provincie woonachtige Spanjaarden te begroeten. Ik zag er drie eerwaarde paters Augustijners uit de provincie Batangas, twee eerwaarde paters Dominikanen,—een van welke was de zeer eerwaarde pater Fray Hernando de la Sibyla—wier bezoek aan dit dorp voor de bewoners onvergetelijk moet blijven. Ik heb ook een groot aantal chefs van handelshuizen van Cavite en Pampanga, en veel vermogende menschen uit Manila gezien, als ook veel muziekkorpsen, waaronder het bijzonder geschoolde van Parsanghan, toebehoorend aan den notaris Don Miguel Guevara. Ook een menigte Chineezen en inlanders, die, met de eigenaardige nieuwsgierigheid der eersten en den godsdienstzin der laatsten, vlasten op den dag waarop het plechtige feest zou gevierd worden, om de komisch-lyrisch-choreografisch-dramatische voorstelling bij te wonen, voor welk een groot en ruim tooneel midden op het plein is opgericht.

Om negen uur in den avond van den tienden, voorafgaande aan den feestdag, na de weelderige maaltijd, ons door de [240]Hermano mayor1 aangeboden, werd de aandacht van ons allen, wereldlijken en geestelijken, in het klooster, getrokken door de tonen van twee muziekkorpsen die vergezeld door drommen volks en bij ’t knallen van vuurpijlen en donderpotten, en voorafgegaan door de notabelen uit het dorp, naar het klooster kwamen, om ons af te halen en te geleiden naar de voor ons bereide en bestemde zitplaatsen, teneinde de tooneelvoorstelling bij te wonen.

Wij moesten zwichten voor zulk een hoffelijke uitnoodiging, ofschoon ik me veel liever in de armen van Morfeus had geworpen, om zoete rust te schenken aan mijn verkneusde leden, dank zij het geschok en gerammel van ’t voertuig dat de burgemeester van ’t dorp B. ons voor onze overkomst verschaft had.

Wij gingen dus naar beneden en begaven ons naar onze confraters die den avond-maaltijd gebruikten ten huize van den godvruchtigen en vermogenden heer Don Santiago de los Santos. De pastoor van ’t dorp, de zeer eerwaarde pater Fray Bernardo Salvi, en de zeer eerwaarde pater Fray Dámaso Verdolagas, die door de bijzondere gunst des Allerhoogsten reeds hersteld is van het lijden, dat een onvrome hand hem aangedaan had, vergezeld van den zeer eerwaarde pater Fray Hernando de la Sibyla en den braven pastoor van Tenauan en nog andere Spanjaarden, waren de gasten ten huize van den Filippijnschen Cresus. Daar hebben we het geluk gehad niet alleen de weelderige inrichting en den goeden [241]smaak van gastheer en gastvrouw te bewonderen, welke zeker niet alledaagsch is bij inlanders, maar ook de smaakvolle schoone en rijke erfgename, welke laatste een volleerde discipel der heilige Cecilia bleek te wezen want haar meesterlijk klavier-spel bij ’t vertolken der beste Duitsche en Italiaansche compositiën herinnerde mij aan “la Galvez”. Hoe jammer dat zulk een volmaakte jonge dame zoo buitengemeen bescheiden is en haar verdiensten verborgen houdt voor de samenleving, welke voor haar slechts bewonderaars heeft.

Ik mag niet in mijn inktpot laten, dat men ons ten huize van onzen gastheer champagne en fijne likeuren liet gebruiken, en wel in schitterenden overvloed, zooals we dat van den bekenden kapitalist gewoon zijn.

We woonden de tooneelvoorstelling bij. U kent reeds onze artisten Ratia, Carvajal en Fernandez. Hun geestig spel werd slechts door ons begrepen, want de menschen van minder ontwikkeling konden er in ’t geheel niet bij. Chananay en Balbino waren goed, ofschoon een weinig schor. De inlanders, vooral de burgemeester, vonden het Tagaalsche komedie-stukje zeer naar hun zin: deze laatste wreef zich in de handen en zeide ons, dat het wel jammer was dat men de prinses niet met den reus had laten vechten, die haar geschaakt had, hetwelk naar zijn idee wonderbaarlijker zou geweest zijn, te meer als de reus onkwetsbaar bleek te wezen, behalve aan zijn navel, gelijk een zekere Ferragus waarvan de geschiedenis der Twaalf Pairs2 verhaalt. De weleerwaarde pater Fray [242]Dámaso, deelde met de goedhartigheid die hem zoo bijzonder eigen is, deze meening van den “gobernadorcillo”, en voegde er bij, dat in zoo’n geval de prinses er wel voor zou weten te zorgen ’s reuzen navel te ontbloten en hem den genadeslag te geven.

Ik behoef niet te zeggen, dat gedurende de voorstelling de beminnelijkheid des Filippijnschen Rotschilds niet gedoogde dat ons iets zou ontbreken: sorbet, limonade gazeuse, andere frissche dranken, banket en suikergoed, allerlei wijnen gingen overvloedig rond onder de toeschouwers. Zeer opvallend—en te recht—was de afwezigheid van den bekenden, fijn-beschaafden jongeman Don Crisóstomo Ibarra, die, zooals men weet, morgen moet voorgaan bij de plechtige eerste steenlegging van het groote monument, dat hij op zulk een menschlievende wijze laat oprichten.

Deze waardige afstammeling der Pelayos en Elcanos (want, zooals ik vernomen heb, is een zijn voorouders van vaders kant uit onze heldhaftige, edele noordelijke provincies, wellicht een der eerste metgezellen van Magalhaês en Legazpi) heeft zich tengevolge van een kleine ongesteldheid in ’t vervolg van den dag evenmin vertoond. Zijn naam gaat van mond tot mond, en men spreekt dien alleen uit met lof, welke niet anders dan ten goede kan komen aan den roem van Spanje en haar wettige kinderen als wij, die nimmer hun bloed verloochenen, hoe gemengd het ook zij.

Heden, den elfden, in den morgen, woonden we een zeer roerend schouwspel bij. Deze dag is, zooals men algemeen weet, die van het feest der Heilige [243]Maagd des Vredes en dit wordt gevierd door de broeders der Allerheiligste Rozenkrans. Morgen zal ’t de feestdag zijn van den Beschermheilige San Diego3, en daaraan nemen voornamelijk deel de broeders der Ferceros-orde. Tusschen deze beide korporaties bestaat een vrome wedijver om God te dienen, en deze vroomheid gaat zoo ver, dat er heilige oneenigheden zijn ontstaan, zooals wat onlangs voorviel, toen men elkaar den grooten redenaar van erkenden faam betwistte, den reeds zooveel maal genoemden weleerwaarde pater Fray Dámaso, welke morgen van het gestoelte in de kerk van den Heiligen Geest een preek zal houden, die, naar ’t algemeene oordeel, een gebeurtenis op godsdienstig en letterkundig gebied zal uitmaken.

Welnu dan, zooals wij zeiden, woonden we een in hooge mate stichtelijk en roerend schouwspel bij. Zes jonge geestelijken, drie welke de mis moesten lezen en drie anderen bij wijze van akolieten of helpers, traden de sakristie uit en nadat dezen zich voor ’t altaar ter aarde hadden gebogen, hief de misbedienaar, de weleerwaarde pater Fray Hermando de la Sibyla, het “Surge Domine” aan, na hetwelk de processie rondom de kerk zou aanvangen. Hij deed dit met die heerlijke stem en die godsdienstige wijding welke iedereen in hem erkent, en welke hem de algemeene bewondering zoo waardig maken. Toen het “Surge Domine” geëindigd was, maakte de burgemeester, in zwarten rok, [244]met het vaandel in de hand en gevolgd door vier akolieten met wierookvaten een begin met den plechtigen ommegang. Achter hen aan gingen de zilveren kerkkandelabers, het gemeente-bestuur, de keurige in satijn en goud gedoste beelden, voorstellende Sint Dominikus, Sint Jakob en de Heilige Maagd des Vredes, welke laatste een prachtigen blauwen mantel, belegd met verguld-zilveren plaatjes droeg, het geschenk van den godvruchtigen burgemeester, van den zoo navolgenswaardigen en nooit te veel genoemden Don Santiago de los Santos.

Al deze beelden werden voortbewogen in zilveren voertuigen.

Na de Moeder Gods kwamen wij, Spanjaarden en de geestelijken, de misbedienaar schreed voorwaarts onder een draaghemel, gedragen door de baranggay-hoofden, terwijl de processie afgesloten werd door het waardige politie-korps der guardia civil. ’t Is wellicht onnoodig te zeggen dat een menigte inlanders aan weerszijden van de processie liep, op vrome wijze brandende kaarsen in de hand dragende. De muziek speelde onderwijl godsdienstige stapwijzen, terwijl donderpotten en vuurraderen herhaalde salvo’s gaven. Bewonderenswaardig is ’t te zien, hoe deze plechtigheden bescheidenheid en eenige vroomheid wekten in de harten der geloovigen, op te merken de reine, groote vereering die ze wijdden aan de Heilige Maagd des Vredes, de stichtelijkheid en vurige godsvrucht, waarmede wij zulke plechtigheden vieren, wij die het geluk hadden geboren te worden onder de gewijde en onbevlekte vlag van Spanje. [245]

Na afloop van de processie begon de mis-muziek, ten gehoore gebracht door het orkest en de artiesten van den schouwburg. Na het Evangelie, betrad de wel-eerwaarde pater Augustijn Fray Manuel Martin den preekstoel. Deze, expresselijk uit de provincie Batangas overgekomen, heeft het gansche gehoor, en vooral de Spanjaarden in den aanhef die hij in ’t Spaansch gaf, volkomen geboeid en aan zijn lippen doen hangen. Hij sprak die uit in kloeke taal en in zulke gemakkelijk verstaanbare en toepasselijke bewoordingen, dat ze onze harten met gloed en geestdrift vervulden. Zoo toch moet genoemd worden wat men voelt, wat wij voelen, wanneer er gesproken wordt over de Heilige Maagd of van ons geliefd Spanje, en vooral wanneer in den tekst—aangezien deze er zich toe leent—denkbeelden ingelascht kunnen worden van een onzer kerkvorsten, van “Señor Monescillo4 welke denkbeelden ook stellig die van alle Spanjaarden zijn.

Na de mis gingen we weder gezamenlijk met de aanzienlijken van het dorp en andere voorname personen naar het “klooster”, waar we uitnemend werden onthaald met de hoffelijkheid, voorkomendheid en kwistige gastvrijheid welke den wel-eerwaarden pater Fray Salvi kenmerken. Men bood ons sigaren en een stevige “bowl,” die de Hermano mayor beneden ’t klooster had klaargemaakt voor een ieder die den aandrang van zijn inwendigen mensch het zwijgen wilde opleggen. [246]

Gedurende den verderen dag ontbrak er niets, om het feest vroolijk te maken en de opgewektheid te bewaren, welke zoo kenmerkend is bij Spanjaarden: ze kunnen zich bij zulke gelegenheden geen dwang opleggen, en toonen dan hetzij in zang en dans, hetzij in andere eenvoudige en vroolijke verpoozingen, dat ze een edele en krachtige inborst hebben, dat tegenspoeden hen niet neer slaan en dat er op een gegeven plaats slechts drie Spanjaarden hoeven bijeen te zijn, om droefenis en misnoegen te bannen. Er werd dus in veel huizen aan Terpsichore geofferd maar vooral in dat van den roem omstraalden inlandschen millionair, bij wien wij allen ten eten gevraagd waren. Ik behoef u wel niet te zeggen, dat het feestmaal, rijk en schitterend aangericht, de tweede veel verbeterde en vermeerderde druk was van de bruiloft van Kana of van Camacho.

Terwijl wij genoten van ’t heerlijk banket, welks overvloed was toebereid door een kok van het restaurant “la Campana,” speelde het orkest lieflijke melodieën. De zeer schoone dochter des huizes, was gedost in een kostuum, zooals meisjes van gemengd bloed wel dragen, en droeg een kostbaar snoer diamanten (“cascade”). Als altijd was zij de koningin van ’t feest. Wij betreuren het allen in ’t diepst van onze ziel, dat een lichte verrekking van haar bekoorlijk voetje haar beroofd heeft van de dansgenoegens; want, te oordeelen naar ’t geen haar volmaaktheden in alles aantoonen, moet mejuffrouw de los Santos dansen gelijk een sylfide.

Het hoofd van de provincie is heden in den namiddag aangekomen, teneinde [247]de plechtigheid van morgen met zijn tegenwoordigheid op te luisteren. Hij betreurt zeer de ongesteldheid van den alom zoo gezienen landeigenaar, den heer Ibarra. Doch, Gode zij dank, hij is naar men ons mededeelt, aan de beterende hand.

Van avond is er een plechtige processie geweest, daarover spreek ik u in mijn brief van morgen; want, behalve dat ik wat draaierig in mijn hoofd en een beetje doof ben geworden van al het gebulder der donderpotten, ben ik nog erg vermoeid en val ik om van de slaap. Terwijl ik dus herstel van krachten ga zoeken in Morfeus’ armen—alias ’t ijzeren ledikantje in ’t klooster—wensch ik u, hooggeachte vriend, een goeden nacht.

Tot morgen, den grooten dag!

Uw zeer toegenegen vriend die u de hand kust:

De briefschrijver.

San Diego, 11 November.

Dit schreef de goede correspondent van ’t Manilasche blad; wat nu volgt, schreef “Kapitein” Martin aan zijn vriend Luïs Chiquito:

“Waarde Choy! Kom spoedig over, als je kunt, want het feest is heel vroolijk. Stel je voor, dat de bank van Capitán Joaquin bijna gesprongen is: Capitán Diego heeft hem drie keer geslagen en fijn ook, zoodat Cabesang Manuel, de heer des huizes, hoe langer hoe kleiner wordt van de pret. Pater Dámaso heeft door een slag met de vuist een lamp gebroken, omdat hij tot nu toe nog geen enkele winnende kaart gehad heeft. De consul heeft met zijn hanen en ’t bankspel alles verloren wat hij op ’t feest te [248]Binjang en op dat van Pilar de Santa Cruz gewonnen had.

We hadden verwacht, dat Capitán Tiago zijn aanstaanden schoonzoon bij ons zou brengen, den rijken erfgenaam van Don Rafael, maar het schijnt dat deze zijn vader wil nadoen, want hij heeft zich zelfs in ’t geheel niet vertoond. Jammer! ’t Schijnt dat hij nooit zijn eigenbelang zal inzien.

De Chinees Carlos is bezig een schep geld te verdienen met het ‘liam po’. Ik vermoed dat hij iets verborgens bij zich draagt, misschien een magneet: hij klaagt voortdurend over pijn in ’t hoofd. Hij draagt er een doek om, en wanneer het draaibord van de ‘liam po’ langzamerhand stilstaat, dan buigt hij zich eroverheen, zoodat hij het bijna aanraakt, net alsof hij er goed naar kijken wil. Ik vertrouw het zaakje niet, want ik ken meer zulke gevalletjes.

’t Ga je goed, Choy! Mijn hanen houden zich kranig, en mijn vrouw is vroolijk en amuseert zich best.

je vriend
Martin Aristorenas.”

Ibarra had ook een geparfumeerd briefje ontvangen, dat Anding, Maria Clara’s zoogzuster, hem had ter hand gesteld op den avond van den eersten feestdag. ’t Luidde aldus:

Crisóstomo: Je hebt je al den heelen dag niet laten zien. Ik heb gehoord dat je een beetje ziek bent. Ik heb voor je gebeden en twee kaarsen voor je aangestoken ofschoon papa zegt, dat je niet ernstig ziek bent.

Gisterenavond hebben ze me verveeld [249]door me piano te laten spelen en me te vragen, of ik wou dansen. Ik wist niet dat er zooveel lastige, vervelende menschen in de wereld waren! Als Padre Dámaso er niet geweest was—die heeft getracht mij af te leiden door me allerlei dingen te vertellen—had ik me in mijn slaapkamer opgesloten, om maar te slapen. Schrijf me wat je scheelt, dan zal ik papa vragen of hij je op wil zoeken, voorloopig stuur ik je Anding: die kan dan thee voor je zetten; zij doet het goed, en misschien beter dan je bedienden.

Maria Clara.”

“P. S. Als je morgen niet komt, ga ik niet naar de eerste-steen-legging. ’t Ga je goed.”


1 Lett. “oudste broeder”, nl. onder de Franciskanen.

2 Twaalf Pairs refereert aan de Paladijnse wacht van Karel de Grote. Ferragus is de naam van een reus in de vroeg middeleeuwse Franse literatuur.—J.H.

3 Dat is de Heilige Jacob van Compostela, beschermheilige van Spanje.

4 Eertijds aartsbisschop van Toledo, primaat van Spanje.

[Inhoud]

XXVIII.

De Morgen.

De muziek blies de reveille bij ’t eerste morgenkrieken, en deed door vroolijke wijsjes de vermoeide dorpsbewoners ontwaken. Leven en bedrijvigheid hernieuwden zich, de klokken luidden weder, en het gepaf en geknal begon.

Het was de laatste dag van ’t feest, de eigenlijke groote feestdag. Men vlaste op heel wat meer dan den vorigen dag te zien was geweest. De broeders die zich Hermenos Ferceros (derde broeders) noemden, waren talrijker dan die van de Allerheiligste Rozenkrans en de leden dezer broederschap glimlachten vromelijk, zeker als ze waren, hun mededingers te zullen vernederen. Ze hadden een grooter aantal kaarsen gekocht: de Chineesche handelaars deden goede zaken, en dachten er uit dankbaarheid over, zich [250]te laten doopen; ofschoon sommigen beweerden, dat het niet kwam uit geloovigheid, maar uit begeerte om een vrouw te kunnen nemen.

Doch hierop antwoordden de vrome vrouwen:

“Al was dat ook zoo, als zooveel Chineezen tegelijk trouwden, zou dat stellig al een wonderbaarlijk iets wezen, en dan zouden hun vrouwen ze wel bekeeren.”

De menschen trokken hun beste plunje aan, en al de sieraden kwamen uit hun doosjes te voorschijn, zelfs de beroeps-kaartspelers en dobbelaars pronkten met mooie witte hemden, afgezet met groote diamanten knoopen, met zware gouden kettingen en keurige groote flaphoeden van stroo. Alleen de oude filosoof bleef zooals hij was: een donker gestreept hemd van sinamai1, tot aan den hals toegeknoopt, gemakkelijk zittende schoenen en een breeden aschkleurigen vilten hoed.

“U ziet er vandaag droeviger dan ooit uit!” zeide de teniënte mayor tot hem. “Vindt u ’t niet goed, dat we van tijd tot tijd pleizier hebben? Er is immers zooveel om over te schreien.”

“Pleizier hebben beteekent nog niet dwaasheden uithalen!” antwoordde de oude man. “’t Is weer die onzinnige bras-partij van ieder jaar! En waartoe dat alles? Geld weg te smijten als er zooveel ellende en nood om ons heen is! Och, ik begrijp ’t wel: ’t is een zwelg- en bras-partij, om ’t zwijgen op te leggen aan al ’t geklaag!”

“U weet wel dat ik ’t met u eens [251]ben,” hervatte Don Filipo, half ernstig, half lachend. “Ik heb diezelfde meening verdedigd, maar wat kon ik doen tegen den burgemeester en den pastoor?”

“Je ontslag nemen!” antwoordde de filosoof en verwijderde zich.

“Mijn ontslag nemen,” mompelde de ander, terwijl bij naar de kerk opwandelde. “Mijn ontslag nemen!

Jawel! Als mijn betrekking een eerebaantje was, en geen broodwinning, ja dan nam ik mijn ontslag!”

De binnenplaats der kerk was vol menschen. Mannen en vrouwen, kinderen en oude lieden, allen in hun Zondagsche kleedij en grillig door elkaar bewegend, gingen in en uit door de smalle deuren. ’t Rook er naar buskruit, naar bloemen, naar wierook en naar reukwater. Donderpotten, vuurpijlen en voetzoekers deden de vrouwen wegloopen en schreeuwen, en maakten de jongens aan ’t lachen. Een muziek-korps speelde voor het klooster, andere met het gemeentebestuur in optocht erachter, liepen door de straten, waar tal van vlaggen uit de huizen wapperden. Lichte en bonte kleuren trokken de oogen, melodieën en geraas troffen de ooren. De klokken hielden niet op met luiden. Allerlei soorten van rijtuigen, waarvan de paarden soms schichtig werden, steigerden, of ervandoor gingen, woelden dooreen. En, hoewel dit geen nummer van ’t feestprogram uitmaakte, bood het gratis een belangwekkend schouwspel aan.

De Hermano mayor of hoofd-broeder van dien dag had bedienden de straat op gezonden, om genoodigden bijeen te zoeken, op de wijze zooals dit gedaan was door den gastheer waarvan [252]het Evangelie ons spreekt. Men inviteerde schier met geweld de menschen om chocolade, koffie, thee, gebakjes en anderszins te gebruiken. En niet zelden nam de uitnoodiging het karakter van een ruzietje aan.

Men ging de hoogmis vieren, de zoogenaamde mis met de “dalmatiek”—’t witte priesterkleed—, een als die van den vorigen dag, waarover de waardige correspondent gesproken had; alleen zou thans Padre Salvi de celebrant wezen, en onder de personen die tegenwoordig zouden zijn, behoorde de alcalde der provincie en tal van andere Spanjaarden en voorname lieden. Ze wilden allen Padre Dámaso hooren preeken, want deze had een grooten naam in de provincie. Zelfs de alférez, hoe hem ook de les gelezen was door Padre Salvi, kwam mee ter kerke, om een bewijs van zijn goeden wil te geven, en zich zoo mogelijk schadeloos te stellen voor de nare oogenblikken, die de pastoor hem bezorgd had. Zoo groot was de faam, die er van Padre Dámaso uitging, dat de correspondent reeds van te voren aan den hoofdredakteur van het blad allerlei lof over hem schreef. Hij vergeleek hem bij Bossuet, en zeide dat zijn roem zelfs onder inlanders en Chineezen gevestigd was.

Toch scheelde ’t weinig, of onze correspondent had al wat hij geschreven had weer moeten doorhalen, want Padre Dámaso klaagde over zekere lichte verkoudheid, die hij den vorigen nacht had opgedaan; nadat hij een stuk of wat vroolijke stukjes gezongen had, had hij drie glazen sorbet gebruikt, en was toen een oogenblikje naar de komedie [253]gaan kijken. Dientengevolge wilde hij ervan afzien om Gods tolk te wezen voor de menschen, maar omdat er niemand anders was die zich van ’t leven en de wonderen van den heiligen Diego (Jacob) op de hoogte gesteld had—behalve de dorps-pastoor, maar die moest de mis lezen—vonden de andere geestelijken eenstemmig, dat Padre Dámaso’s orgaan in een onverbeterlijken toestand was, en dat het daarom heel jammer zou wezen, als zijn preek, die hij al geschreven en geleerd had, onuitgesproken bleef. Daarom maakte zijn oude huishoudster glazen limonade voor hem klaar, wreef hem borst en hals met zalfjes en olietjes, wikkelde hem in warme doeken, masseerde hem met talentvolle pidjet-handen enz., enz. Padre Dámaso slikte een paar rauwe in wijn geklutste eieren, en den heelen morgen sprak hij geen woord en at hij niets. Te nauwernood dronk hij een glas melk, een kop chocolade en at een dozijn beschuitjes; terwijl hij heldhaftig afzag van zijn gebraden kip en zijn half “Laguna”-kaasje, die hij anders alle morgens verorberde: volgens de huishoudster toch bevatten kip en kaas zout en vet, welke beide stoffen hoest zouden kunnen veroorzaken.

“Alles om den hemel te verdienen en ons te bekeeren!” zeiden de zusters der Ferceros-orde, toen ze van deze opofferingen vernamen.

“De heilige Maagd des Vredes moge hem straffen,” mompelden de zusters van den Allerheiligsten Rozenkrans, die hem maar niet vergeven konden, dat hij naar de zijde van hun vijanden overhelde.

Om half negen trad de ommegang te voorschijn uit de schaduw van ’t zeildoek-verhemelte. [254]Het was er een zooals den vorigen dag, ofschoon er iets nieuws bij was: de broederschap der Hermanos Ferceros. Oude mannen en vrouwen en eenige oude vrijsters liepen in lange pijen, van grof katoen of van zijde, naar mate van de welgesteldheid. Al die wij-gewaden waren van de echte soort: ze kwamen van ’t “klooster” te Manila, vanwaar ’t volk ze tegen vaste prijzen, maar bij wijze van aalmoes ontving. Deze prijzen konden wel verhoogd, maar niet verlaagd worden. In ’t zelfde klooster en in ’t gesticht van tante Clara werden ook andere kleeden verkocht, die de bizondere genade bezitten, dat ze niet alleen aan de dooden, die erin gewikkeld worden, veel aflaat verschaffen, maar ook duurder zijn, naarmate ze ouder, versletener en onbruikbaarder geworden zijn.

De heilige Diego werd gereden in een met gedreven zilveren platen versierd voertuig. Het vrij magere beeld had een ivoren hoofd en bovenlijf, die er streng en statig uitzagen, in weerwil van ’t weelderig kringetje negrito-achtig kroeshaar om de kruinschering.2 Zijn kleed was van goud-omboord satijn.

Daarop volgde onze weleerwaarde vader, de Heilige Franciskus. Dan kwam de heilige Maagd, evenals den vorigen dag, met dit verschil alleen, dat de priester onder de baldakijn ditmaal Padre Salvi was, en niet de zoo voornaam-gemanierde elegante Padre Sibyla. Doch [255]zoo de eerste al een statig uiterlijk miste, ’t zalvende had hij in hooge mate; hij hield de handen in mystieke houding over elkaar, had de oogen neergeslagen, en schreed half gebogen voort. De baldakijn-dragers waren dezelfde baranggay-hoofden, transpireerend van voldoening, dat ze nu, behalve hun gewone baantje van hulp-koster en belastinggaarder, nog de functie uitoefenden van verlossers der dolende, arme menschheid, dus Christusjes speelden, hun bloed gevende voor de zonden der medemenschen.

De “coadjutor” met een koorhemd aan, liep van de eene kar naar de andere, een wierookvat in de hand, op welks geur hij nu en dan ’t reukorgaan van den pastoor onthaalde, waarop deze dan een nog ernstiger en deftiger gezicht zette.

Zoo ging de processie langzaam en bedaard voorwaarts, begeleid door ’t geluid van “bommen”, geestelijke liederen en spelen der muziekkorpsen, die achter iedere kar aanliepen. Intusschen deelde de hoofdbroeder met zooveel voortvarendheid waskaarsen uit, dat velen der medeloopers in den stoet naar huis terugkeerden met een voorraad genoeg voor vier avonden, om bij kaart te spelen. Toen de kar met het beeld der Moedermaagd voorbijreed, knielden de nieuwsgierigen vroom neer, en baden ze vurig “credo’s” en “groetenissen.”

Tegenover een huis, aan welks met kleurige kleeden behangen vensters zich de burgemeester vertoonde, in gezelschap van Capitán Tiago, Maria Clara, Ibarra, en verscheidene Spanjaarden en jongedames, hield de kar stil. Padre Salvi [256]keek toevallig op, doch hij maakte niet het minste gebaar van begroeting of herkenning. Hij richtte zich alleen wat op, ging wat meer recht-op staan, zoodat de “pluviale”, die hij over de schouders droeg, met zekere bevalligheid en met meer zwier kwam te vallen.

Op straat, onder ’t venster, was een jonge vrouw met innemende gelaatstrekken. Ze was zeer goed gekleed en droeg een klein kind in de armen. ’t Scheen een min of een kindermeisje te wezen, want het kind was blank en blond, terwijl zijzelf bruin was en gitzwart haar had.

Toen ze den pastoor zag, strekte ’t wichtje de handjes naar hem uit, lachte met heerlijk-onschuldige kinderlach en riep, op een oogenblik dat het stil was, stamelend: “Pa... pa!” “Papa!”

De jonge vrouw schrok hevig, hield snel haar hand op den mond van ’t kind, en liep heel verlegen ijlings weg. Het kind begon te schreien.

Kwaaddenkenden wisselden blikken van verstandhouding, en de Spanjaarden die getuige waren geweest van ’t tooneeltje glimlachten. De gewone bleekheid van Padre Salvi maakte plaats voor een vuurroode kleur.

En met dat al hadden de menschen ’t mis: de pastoor kende die vrouw zelfs niet; bovendien was het een buitenlandsche.


1 Stof geweven uit een variëteit der abaca, die men albani noemt.

2 Negritos, lett.: negertjes, zwartjes zijn kleine wilden uit de binnenlanden der Filippijnsche eilanden. ’t Zijn kroesharigen in onderscheiding van de sluikharige Indios, de gewone inlanders in die streken.

[Inhoud]

XXIX.

In de kerk.

Het gebouwtje, dat de menschen aan den schepper van al ’t bestaande als woning aangewezen hadden was propvol. [257]

Men duwde, men drong, men verkneusde elkaar, terwijl uit de enkelen die eruit en de velen die erin gingen telkens een pijnlijk “ai” opklonk. In de verte al strekte men den arm uit, om de vingers met wijwater te bevochtigen, maar dan kwam op ’t laatste oogenblik de menschengolving en duwde de hand ervandaan. Dan hoorde men er gekreun. Een vrouw, die in de verdrukking kwam, stiet verwenschingen uit, doch het gedrang hield steeds aan. Eenige oudjes, die erin geslaagd waren hun vingers in ’t wijwater te verfrisschen—een vocht dat al een modderkleurtje had, waarin een heele dorpsbevolking plus de vreemdelingen zich gewasschen hadden—streken het vromelijk, schoon met moeite, op nek, kruin, voorhoofd, kin, borst en navelstreek, overtuigd als ze waren dat ze zoo al die deelen heiligden, en niet meer te lijden zouden hebben van een stijven nek, hoofdpijn, tering of slechte spijsvertering. De jonge menschen—’t zij omdat ze niet zoo ziekelijk waren, of omdat ze niet geloofden in dat gewijde voorbehoedmiddel—maakten ternauwernood het uiterste puntje van een vinger nat—dan konden de vromen ten minste geen aanmerking maken—en deden alsof ze hun voorhoofd even aanraakten. Allicht dacht ’t een of andere jongmeisje: “’t Mag gewijd wezen en al wat je wil, maar ’t heeft een kleurtje!...”

Men haalde zwaar adem. Het was er warm, en er hing een bizonder menschelijk luchtje. Doch de prediker was wel al die narigheid waard. Zijn preek kostte aan ’t dorp twee-honderd-vijftig peso’s. De oude Tasio had gezegd: [258]

“Twee-honderd-vijftig peso’s voor een preek! Een man en een heer! ’t Derde van wat de tooneelspelers krijgen, en die werken er met hun allen drie avonden voor!... Jullie moeten wel erg rijk zijn!”

“Wat heeft dat nu met de komedie te maken?” antwoordde gemelijk de zenuwachtige meester der Derdebroeders. Met zoo’n komedie ga je wel naar de hel, en met de preek naar den hemel. Als hij duizend gevraagd had, zouden we ’t hem gegeven hebben, en er hem nog dankbaar voor wezen...”

“Alles wel beschouwd, heb je gelijk!” hervatte onze wijsgeer. Ik ten minste heb meer pleizier van de preek dan van de komedie.”

“Nou pleizier heb ik van de komedie ook niet!” riep de ander woedend.

“Dat geloof ik graag, jij begrijpt evenveel van ’t een als van ’t ander.

En de onvrome verwijderde zich, zonder acht te slaan op de scheldwoorden en onheils-profetieën, die de prikkelbare meester hem aangaande zijn hiernamaals uitsprak.

Wachtende op de komst van den alcalde stonden de menschen te transpireeren en te gapen. Waaiers, hoeden en zakdoeken dienden als afkoelers. De kinderen kreten en schreiden, wat den kosters werk gaf, om ze de kerk uit te zetten. Dit gaf stof tot denken aan den gewetensvolle bedaarde meester van de Broederschap des Allerheiligsten Rozenkrans.

“Laat de kinderkens tot mij komen,” zeide onze Heer Jezus Christus, dat is waar; maar hier moet erbij gedacht werden: kinderkens die niet schreien. [259]

Een oude vrouw, een van de in boetgewaad gekleeden, zuster Poetê, zeide tot haar kleindochter, een meisje van zes jaar, dat naast haar neergeknield lag:

“Ongelukskind! Let toch op, je zult zoo meteen een preek hooren als op Goeien Vrijdag!”

En ze gaf haar een kneepje, om de vrome aandacht van het kind op te wekken. Dit trok een leelijk gezicht, stak haar snuitje vooruit en fronste de wenkbrauwen.

Eenige mannen zaten op hun hurken bij de biechtstoelen te dommelen. Een oude man, die knikkebollend bezig was gebeden te prevelen en daarbij snel de vingers langs de kralen van een rozenkrans liet gaan, bracht het vrouwtje in de waan, dat zooiets de eerbiedigste manier was, om de raadsbesluiten des hemels te huldigen, en langzamerhand begon zij hem na te doen.

Ibarra stond in een hoek, Maria Clara lag geknield bij het hoofdaltaar op een plek die de pastoor zoo hoffelijk was geweest door de kosters te laten ontruimen. Capitán Tiago ging in rok zitten op een der banken, die voor de overheden bestemd waren. Daarom hielden de kinderen hem voor een tweeden burgemeester, en waagden ’t niet hem te naderen.

Ten slotte verscheen mijnheer de alcalde met zijn gevolg, komende van de sacristie, en zette zich neder op een der prachtige armstoelen, die op een tapijt stonden. De alcalde was in groot costuum, met de sjerp van de Karel de Derde-orde om, en vier of vijf decoraties op de borst. [260]

Het volk herkende hem niet.

“Wel kijk!” riep een landbouwer, “een burger als komediant gekleed!”

“Onnoozele hals!” antwoordde zijn buurman, hem aanstootende, “’t is Prins Villardo, dien we gisterenavond in den schouwburg gezien hebben!”

De alcalde rees in de achting van ’t volk, want zoo was hij in hun oogen de betooverde prins en overwinnaar van reuzen.

De mis begon. Zij die zaten, stonden op, die sliepen ontwaakten door het luiden van ’t belletje en de welluidende stem der zangers. Padre Salvi scheen in weerwil van zijn ernstigheid zeer voldaan, want hij genoot de eer, dat twee Augustijner monniken als diaken en sub-diaken optraden.

Ieder zong goed, toen ’t zijn beurt was; al was ’t meer of minder een neusgeluid en onduidelijke uitspraak, behalve de misbedienaar zelf: zijn stem was iet of wat beverig, en meer dan eens zong hij valsch, tot groote verbazing van de menschen die hem kenden. Niettemin bewoog hij zich korrekt en met zwier. Hij sprak het “Dominus Vobiscum” met zalving uit, terwijl hij ’t hoofd eenigszins op zij hield, en naar de zoldering opkeek. Bij ’t opsnuiven van den wierook hief hij zich op, wierp het hoofd achterwaarts en wandelde dan naar ’t midden van ’t altaar. Hij deed dit zoo statig en waardig, dat Capitán Tiago meer majesteit in hem opmerkte dan in den Chineeschen tooneelspeler van den vorigen avond, met zijn bont beschilderde pakje, zijn vlaggetjes op den rug, zijn paardeharen baard en hooggehakte slobber-muilen—die voor Keizer gespeeld had. [261]

“Daar gaat toch niets af,” dacht hij, “een enkele pastoor van ons is statiger dan alle keizers bij elkaar.”

Eindelijk kwam het langverbeide oogenblik dat men Padre Dámaso zou hooren. De drie geestelijken zetten zich in stichtelijke houdingen op in hun armstoelen, zooals de geachte correspondent ’t zou uitdrukken. De alcalde en overige waardigheidbekleeders volgden. De muziek zweeg.

Deze overgang van ’t gedruisch tot de stilte deed de oude zuster Poetê ontwaken; dank zij de muziek was ze goed en wel aan ’t snurken gegaan. ’t Eerste wat ze deed, was een stoot geven aan haar kleindochtertje, dat ook in slaap was gevallen. ’t Kind gilde, maar werd spoedig afgeleid, door dat ze een oude vrouw bezig zag, zichzelf op overtuigde en geestdriftige wijze stompen in de borst toe te dienen.

Iedereen trachtte zich in een gemakkelijke houding te zetten. Zij die geen bank hadden, gingen op hun hurken zitten, de vrouwen plat op den grond op hun eigen beenen.

Padre Dámaso schreed door de menigte, voorafgegaan door twee kosters en gevolgd door een anderen monnik, die een groot schrijfboek droeg. Hij verdween bij ’t opgaan van het wenteltrapje, doch weldra vertoonde zich weder zijn rond hoofd, daarna zijn vette nek, onmiddellijk gevolgd door zijn lichaam. Vastberaden keek hij overal rond, nauw hoorbaar kuchend. Hij zag Ibarra. Een bijzonder oogknipje moest te kennen geven, dat hij hem in zijn preek niet vergeten zou. Daarna zond hij een blik van minachting naar Padre Manuel Martin, den [262]prediker van den vorigen dag. Deze monstering voltooid hebbende, wendde hij zich op bedekte wijze tot den hem vergezellenden geestelijke, en zeide tot dezen: “opgepast, broeder!” Het schrijfboek werd opengelegd.

Doch het sermoen verdient een afzonderlijk hoofdstuk. Een jongmensch dat toen stenografie studeerde, en de groote redenaars bijzonder vereert, heeft er een verslag van gemaakt. Dank zij dit toeval, zijn we in staat hier een brokstuk gewijde welsprekendheid mede te deelen.

[Inhoud]

XXX.

De Preek.

Fray Dámaso begon langzaam. En vrij zacht sprekende zeide hij:

Et spiritum tuum bonum dedisti, qui doceret eos et manna tuum non prohibuisti ab ore eorum, et aquam dedisti eis in siti.

(En gij hebt uwen goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen, en uw manna hebt gij niet geweerd van hunnen mond, en water hebt gij hun gegeven voor hunnen dorst.)

Zoo sprak de Heer bij monde van Nehemia, hoofdstuk IX, vers 20.

Padre Sibyla keek verwonderd op naar de prediker, Padre Manuel Martin verbleekte en verbeet zich. Dat was beter dan ’t zijne...

’t Zij Padre Dámaso het opmerkte, of dat hij nog heesch was, een feit is het, dat hij verscheidene malen kuchte, terwijl hij beide handen op de leuning van ’t gewijde spreekgestoelte legde. De Heilige Geest bevond zich boven zijn hoofd: de duif was juist nieuw [263]opgeschilderd, netjes wit en schoontjes, met rozenroode snavel en pootjes.

“Hoogedelgestrenge Heer (tot den alcalde), eerwaardste priesters, christenen, broederen en zusteren in Jezus Christus.”

Hier zweeg hij plechtig en liet opnieuw zijn blik waren over zijn gehoor, welks vrome aandacht hem groote voldoening gaf.

Het eerste gedeelte van de preek zou in ’t Spaansch wezen, en het andere in ’t Tagaalsch: “loquebantur omnes linguas (Ze spraken alle talen)”

Na de toespraken en ’t zwijgen, strekte hij met wijdsch gebaar de rechter hand uit naar het altaar, en hield daarbij den blik strak op den alcalde gericht. Daarna deed hij langzaam de armen over elkaar, zonder een enkel woord te zeggen, doch van deze bedaardheid overgaande tot bewegelijkheid, wierp hij ’t bovenlijf achterover en wees naar den hoofdingang. Daarbij doorkliefde hij met zijn eene hand de lucht. Hij deed dit gebaar met zulk een vaart, dat de kosters het voor een bevel hielden, en haastig de deuren sloten. De alférez maakte zich ongerust, en kwam in wijfeling of hij heen zou gaan of blijven, doch de prediker begon reeds met forsche volle en welluidende stem te spreken. Waarlijk, die oude huishoudster had zich wel knap getoond met haar middeltjes.

“Schitterend van glans is het altaar, breed de hoofdingang dezer kerk, de lucht is het voertuig van ’t heilig goddelijk woord, dat van mijn lippen vloeien zal. Luistert gij dus met de ooren der ziel en des harten, opdat de woorden des Heeren niet vallen op steengrond, en de vogelen der Hel ze opeten, maar [264]opdat gij groeit en gedijt gelijk een heilig zaad op den akker onzes eerwaardigen engelachtigen vaders Sint Franciskus. Gij, groote zondaren gevangenen van de Mooren der ziel, die de zeeën des eeuwigen levens onveilig maakt in geweldige schepen des vleezes en der wereld, gij die beladen zijt met de handboeien der wellust en der begeerte, en voortroeit op de galeien des helschen satans, ziet op met eerbiedige ootmoed naar hem die de zielen loskoopt uit de gevangenschap des Duivels, naar den onverschrokken Gideon, den kloeken David, den onoverwinbaren Roland des Christendoms, de hemelsche Guardia Civil, dapperder dan al de guardias Civiles bij elkander, die er geweest zijn en er zullen zijn. (De alférez fronste de wenkbrauwen) Ja, meneer de alférez, dapperder en machtiger, die zonder eenig wapen buiten het houten kruis, moedig de eeuwige toelisan der duisternissen verslaat en al de volgelingen van Lucifer, en die ze alleen voor altijd zou verdelgd hebben, zoo de geesten niet onsterflijk waren. Dit wonder der goddelijke schepping, dit onmogelijk fenomeen is de zalige Diego Alcala, die....”

En zoo ging ’t door.

De onbeschaafde inlanders, die, naar de correspondent zegt, uit dit deel der rede niets anders opgevangen hadden dan de woorden guardia civil, toelisan (roover), San Diego en San Francisco, merkten op wat een leelijk gezicht de alférez getrokken had en het krijgshaftige gebaar van den prediker, en leidden hieruit af, dat deze een berisping toediende aan eerstgenoemde, omdat hij de toelisan’s niet achtervolgde. San [265]Diego en San Francisco zouden zich wel daarmee belasten; en deden ’t heel goed ook, zooals men dat zien kon op een schilderij, dat zich in ’t klooster te Manila bevond, en waar de Heilige Franciskus alleen maar met ’t koord van zijn kleed den inval der Chineezen in de eerste jaren na de ontdekking had weerstaan. De vromen verheugden zich dus niet weinig, ze dankten God voor deze hulp en twijfelden niet, of, als eenmaal de toelisans verdwenen waren, de heilige ook de Guardia Civil zou verdelgen. Ze volgden dus Padre Dámaso verder met verdubbelde aandacht.

De pater wond zich meer en meer op.

Doch zijn toehoorders begonnen allengs te gapen, zelfs Capitán Tiago. Maria Clara luisterde niet. Ze wist dat Ibarra dicht bij haar was, en ze dacht aan hem terwijl ze, zich bewaaierend, keek naar den stier van een der evangelisten, die heel veel van een karbouw had.

Pater Dámaso had het over onvromen en slechtaardigen:

“Gij zult sterven in goddeloosheid, onbekeerd kettergebroed! God kastijdt u reeds hier op aarde met kerker en gevangenschap! De huisgezinnen, de vrouwen moesten van u wegvluchten, de overheid moest u allen laten ophangen, opdat het zaad van Satanas niet opkome in den tuin des Heeren!...

Zoo gij een slecht lid hebt dat u tot zonde brengt, snijdt het af, werpt het in ’t vuur...!”

Fray Dámaso was zenuwachtig geworden, hij had zijn heele preek en welsprekendheid vergeten.

Ibarra werd onrustig: hij keek om [266]zich heen naar een leeg hoekje, doch de heele kerk was vol.

Maria Clara hoorde noch zag iets, want ze staarde naar een schilderij van de gezegende zielen in ’t vagevuur: zielen in de gedaante van spiernaakte mannen en vrouwen, met mijters, hoeden of kappen op, die in ’t vuur aan ’t braden waren en zich vastklampten aan het koord van den Heiligen Franciskus, dat ten spijt van zooveel gewicht, niet brak.

De monnik-voorzegger verloor bij deze improvisatie de draad van den preek en sprong bij vergissing drie lange alinea’s over. Padre Dámaso, die hijgend uitblies van zijn woeste vermaning, vervolgde daarna dus blindelings:

“Wie van u, zondaren die mij aanhoort, zou de wonden willen likken van een armen in lompen gehulden bedelaar? Wie? Laat hem antwoorden en de hand opheffen? Niemand! Ik wist het wel: alleen een heilige als Diego de Alcalá kan zoo iets doen.

Hij likte aan al de rottigheid en zeide tot een verbaasden broeder: ‘Zoo geneest men dezen kranke!’

O, christelijke barmhartigheid! O, vroomheid zonder wedergade. O, deugd der deugden! O, onnavolgbaar voorbeeld! O, onbevlekte talisman!”...

En hij ging voort met een lange sliert van uitroepen, sloeg daarbij de armen over elkaar, en hield ze op of ter neer, net als of hij wilde opvliegen of de vogels verschrikken.

“Voordat hij stierf sprak hij latijn. Verbaast u, zondaren! Gij zult, ook al leert ge ’t en ranselt men er u voor, geen latijn spreken: Gij zult sterven zonder het te kennen. Latijn spreken [267]is een genade Gods, daarom spreekt de kerk latijn. Ik spreek ook latijn!

Hoe! zou God deze troost aan zijn welbeminden Diego onthouden? Mocht hij sterven, mocht Hij hem laten sterven zonder latijn gesproken te hebben? Onmogelijk! God zou niet rechtvaardig, zou niet God geweest zijn! Hij sprak dus latijn; dit wordt getuigd door de schrijvers uit zijn tijd.”

En hij eindigde met het stuk, dat hem de meeste moeite gekost had en dat hij van een groot schrijver Siniboldo de Mas gestolen had!

Ik groet u dus, roemruchte Diego, eer onzer corporatie. Gij zijt ’t toonbeeld van deugd: bescheiden met gevoel van eer, nederig met adeldom, onderworpen met fierheid, sober met eerzucht, tegenstander met eerlijkheid, medelijdend met vergevensgezindheid, godvruchtig, met nauwgezetheid, geloovig met vroomheid, te goedertrouw met eenvoud des harten, kuisch met liefde...”

En zoo volgen nog een twintig dubbel-eigenschappen van den grooten heilige. Dan:

“God helpe mij, om uw grootheid en uw naam te bezingen, die hooger blinkt dan de sterren en schitterender is dan de zon zelve, welke aan uw voeten zwiert! Helpt ook gij mij, bidt God de noodige bezieling door ’t avemaria te bidden.”

Allen knielden neder, en er ontstond een gerommel als van duizend groote horzels. De alcalde boog met veel moeite een knie, en schudde ontstemd het hoofd. De alférez zag bleek en scheen zeer onder den indruk.

Onderwijl was Padre Dámaso, insteê [268]van ’t avemaria te bidden, bezig zijn Heiligen Geest een berisping toe te dienen omdat deze drie van zijn beste alinea’s overgeslagen had. Meteen gebruikte hij twee “spritsen” en een glas Malaga, overtuigd dat hij daaruit grooter bezieling zou putten dan uit alle Heilige Geesten, ’t zij van hout in den vorm van een duif, ’t zij van vleesch in de gedaante van een afgetrokken monnik.

De preek in de landstaal zou beginnen.

Het vrome oudje stoot weer haar kleindochter met den elleboog aan. Deze ontwaakte en vroeg gemelijk:

“Is ’t al tijd om te huilen?”

“Nog niet. Maar je mag niet slapen, nare meid!”

Van het tweede deel der preek—in ’t Tagaalsch—bezitten we geen enkele aanteekening. In deze taal improviseerde Padre Dámaso. Niet dat hij die beter sprak, maar omdat hij de Filippijners uit de provincie voor dom volk hield in zake redenaars-kunst en dus niet bang behoefde te wezen, om tegenover hen onzin uit te slaan. Met de Spanjaarden was dat heel wat anders. Hij had wel eens hooren praten van regels van voordracht, en onder zijn hoorders kon er wel eens iemand wezen die de universiteit van niet te ver kende, misschien wel de gouverneur van de provincie. Daarom schreef hij zijn preeken op, corrigeerde ze, deed er wat af en wat bij, en leerde ze dan van buiten. Een paar dagen van te voren hield hij repetitie.

Het verluidt, dat niemand van de aanwezigen de samenhang van de preek begreep: de menschen waren zoo kort [269]van bevatting en de prediker was “zoo diep”, zooals zuster Roefa het uitdrukte. Zoo wachtte de inlandsche gemeente dus tevergeefs op een gelegenheid om te schreien, en de nare meid van een kleindochter der godzalige oude, viel weer in slaap.

Niettemin had dit gedeelte der predikatie meer uitwerking dan het eerste, ten minste op sommige toehoorders.

Hij begon met een Mana kapatir kon kristiano (Mijn broeders in Jezus Christus), waarop een stortvloed onvertaalbare uitdrukkingen volgde. Hij sprak van de ziel, van de hel, van de mahal na santo pintakasi (eerwaarde heilige schuts-patroon), van de inlandsche zondaren en de deugdzame Franciskaner paters.

“Bliksem!” zei een oneerbiedig Manileen, een jongmensch, tot zijn kameraad: “Dat is Grieksch voor mij. Ik ga weg!”

En, toen hij zag dat de deuren dicht waren, ging hij maar gewoon door de sacristie naar buiten, tot groote ergernis van de kerkgangers en den prediker. Deze werd bleek, en hield midden in een zin op. Enkelen verwachtten een bitsen uitval, doch Padre Dámaso vergenoegde er zich mee, den rustverstoorder na te oogen, en ging daarna voort met zijn preek.

Nu ontketenden zich verwenschingen tegen de booze tijden, tegen het gebrek aan eerbied, de opkomende ongodsdienstigheid. Dit onderwerp scheen zijn kracht te wezen, want hij toonde zich vol bezieling en drukte zich in gespierde en heldere taal uit. Hij sprak over de zondaren die niet biechtten, die in de kerkers stierven zonder de heilige sakramenten, van gevloekte families, van [270]trotsche opgeblazen halfbloedjes, van waanwijze jongelieden, filosoofjes, advokaatjes, studentjes enz., een kwistig gebruik makende van verkleiningsuitgangen, zooals meer menschen tegenover hun vijanden doen, als hun hersens niets beters weten aan de hand te doen.

Ibarra hoorde alles aan, en begreep de toespelingen; schijnbaar bedaard blijvende, zocht hij met de oogen naar God en naar de overheden, maar daar in die tempels waren alleen heilige beelden en de alcalde dommelde.

Intusschen steeg de geestdrift des predikers trapsgewijze. Hij sprak van de oude tijden, toen iedere Filippijner, wanneer hij een geestelijke tegenkwam, zijn hoofddeksel afnam, met de eene knie nederknielde en hem de hand kuste. “Maar tegenwoordig,” voegde hij eraan toe, “tegenwoordig neemt ge alleen de salakot af—die ge schuin op het hoofd zet, om ’t gekamde haar niet in de war te maken! Gij vergenoegt er u mee ‘goeden dag, among!’1 te zeggen en er zijn zelfs studentjes, die een schijntje latijn geleerd hebben, en die, omdat zij te Manila of in Europa gestudeerd hebben, zich gerechtigd achten ons de hand te drukken, in plaats van die te kussen.... O, de dag der gerechtigheid zal weldra komen, de wereld loopt ten einde: veel heiligen hebben het voorspeld! Er zal een regen neerdalen van vuur, steen en asch, om onze hoovaardigheid te kastijden.

En hij vermaande het volk, deze “wilden” toch vooral niet na te volgen, maar ze te ontvlieden en te verafschuwen, [271]omdat ze in de ban waren.

“Hoort wat de heilige conciliën zeggen!” bulderde hij. “Wanneer een inlander op straat een pastoor tegenkomt, moet hij ’t hoofd buigen en zijn hals aan den ‘among’ bieden om er op te steunen. Als de pastoor en de inlander beiden te paard zijn, moet de inlander stilhouden, zijn salakot of hoed eerbiedig afnemen. Eindelijk, als de inlander te paard rijdt en de pastoor te voet gaat, moet de inlander afstappen en niet weer opstijgen, voordat de pastoor soeloeng! (ga heen!) tot hem zegt, of reeds ver weg is. Dit zeggen de heilige conciliën, en hij die niet gehoorzaamt, zal in de kerkelijke ban gedaan worden.”

“En als iemand ’s op een karbouw zit?” vroeg een angstvallige landbouwer aan zijn buurman.

“Dan...moet hij verder gaan!” antwoordde de laatste, die een casuïst was.

Doch ten spijt van de kreten en gebaren des predikers vielen er velen in slaap of hun gedachten raakten aan het dolen. Want ’t ging met deze preek weer als altijd. Tevergeefs trachtten eenige besjes te zuchten en te grienen over de zonde der goddeloozen: ze moesten ervan afzien door gebrek aan deelneming. Zelfs zuster Poetê dacht aan heel wat anders. Een man naast haar was zoo vast in slaap gevallen, dat hij over haar heen omviel, en haar japon in de war maakte. De goede oude greep haar houten sandaal en begon hem wakker te timmeren. Onderwijl riep ze hem toe:

“Och, ga weg, wildeman, beest, duivel, karbouw, hond, verdoemeling!”

Zooals te begrijpen was ontstond er [272]een tumult. De prediker zweeg stil, fronste de wenkbrauwen, verbaasd over zulk een schandaal. De verontwaardiging smoorde de stem in zijn keel, en hij slaagde er slechts in te blêren, terwijl hij met zijn vuisten op de balustrade van den preekstoel beukte. Dit had uitwerking: de oude vrouw liet haar sandaal mopperend los, en, herhaaldelijk een kruis slaande, ging ze vroom op haar knieën liggen.

“O zoo! O zoo!” kon ten slotte de vertoornde geestelijke uitroepen, kruiste de armen en schudde het hoofd.

“Daarvoor nu sta ik hier den heelen ochtend te preeken, wildemannen. Hier in den tempel des Heeren, hier maken jullie ruzie en zegt leelijke woorden tot elkaar, onbeschaamden! O, jullie eerbiedigen niets meer!... Dat is nu wat er komt van de wulpschheid en de onmatigheid dezer eeuw! Ik heb ’t wel gezegd, ha!”

En op dit thema preekte hij nog een half uur door. De alcalde snurkte, Maria Clara zat te knikkebollen: het arme kind kon geen weerstand bieden aan den slaap, want ze had nu geen enkel schilderij en geen enkel beeld meer om te bestudeeren of om afleiding in te zoeken. Ibarra lieten de woorden en de toespelingen volmaakt koud: hij dacht aan een huisje op den top van een berg, en zag Maria Clara in een tuin. Dat beneden in ’t dal de menschen met elkaar harrewarden, wat kon ’t hem schelen!

Padre Salvi had tweemaal het belletje laten luiden, doch dit was olie op ’t vuur: Fray Dámaso was koppig en maakte zijn preek nog langer. Fray Sibyla beet [273]zich op de lippen en verschikte herhaalde malen zijn fraaie gouden bril. Fray Manuel Martin scheen de eenige te wezen die met genoegen luisterde, want hij glimlachte.

Eindelijk zeide onze Lieve Heer dat het genoeg was: de redenaar werd vermoeid en ging den preekstoel af.

Allen knielden, om God te danken. De alcalde streek zich de oogen uit, strekte een arm, alsof hij zich uitrekte, stiet een hartgrondig ah! uit, en geeuwde.

De mis werd voortgezet.

Toen Balbino en Chananay het “Incarnatus est” zongen en iedereen nederknielde, fluisterde er een man in Ibarra’s oor: “Bij de zegeningsplechtigheid niet van den pastoor weggaan, niet in den kuil gaan, niet dicht bij den steen komen: uw leven is ermee gemoeid.”

Ibarra zag Elias voor zich, die onmiddellijk na zijn waarschuwing in de menigte verdween.


1 Among = heer.

[Inhoud]

XXXI.

’t Hijsch-toestel.

Het gele mannetje had zijn woord gestand gedaan: het was niet een eenvoudig hijsch-toestel wat hij boven den open kuil had opgericht, om ’t ontzaggelijke gevaarte van graniet neer te laten; ’t was niet de drievoet, die Ñor Juan verlangd had, om er bovenaan een katrol aan op te hangen. ’t Was iets meer, ’t was behalve een massief, ook een mooi stuk werk, een grootsch en indrukwekkend stuk werk.

Ongeveer acht meter hoog verhief zich het verwarde zeer samengestelde getimmerte: vier dikke in den grond begraven planken dienden als onderstel. [274]Onderling waren deze verbonden door ontzaggelijke diagonaalsgewijze gekruiste balken, aan elkaar vastgemaakt met groote spijkers, die men, met het oog op het tijdelijk karakter van ’t getimmerte, slechts halverwege ingeslagen had. Geweldige kabels, aan alle kanten neerhangend, gaven aan ’t geheel een aanzien van stevigheid en grootschheid. Bontkleurige vlaggen, wapperende wimpels en kunstig ineen gevlochten bloem- en bladslingers van reusachtige afmetingen vormden de bekroning.

Daar boven, in de schaduw der balken, guirlandes en vlaggen, hing bevestigd door touwen en ijzeren haken een reusachtig katrol over welks glanzende zijkant drie kabels liepen, die nog geweldiger waren dan de andere. Daaraan hing de ontzaggelijke gehouwen steen, in ’t midden van een uitholling voorzien, zoodat de uitholling in den steen in den kuil er volkomen op moest passen. In deze kleine holte zouden de dokumenten, dagbladen en penningen komen te liggen, die de geschiedenis van de stichting voor ’t nageslacht moesten bewaren. De drie kabels liepen van boven naar beneden, door een niet minder groot katrol aan den voet van het toestel bevestigd, en waren geslingerd om den cylinder van een draaispil, die door middel van dikke planken op den grond gehouden werd. Deze draaispil kon door twee handvatten in beweging gebracht worden. Door een stel tandraderen verhonderdvoudigde deze draaispil de kracht van een man.

“Kijk”, zeide ’t gele mannetje, terwijl hij een handvat liet draaien, “kijk, Ñor Juan, hoe ik heel alleen die ontzaggelijke [275]steenmassa op- en neerhaal... ’t Ding zit zoo mooi in elkaar, dat ik naar willekeur, duim voor duim, ’t op- en neergaan kan regelen. Zoo kan dus een man heel op zijn gemak beneden in den kuil de steenen op elkaar passen, terwijl ik hier boven sta te draaien.

Ñor Juan kon niet nalaten, den man te bewonderen, die op zoo’n bijzondere manier glimlachte. De toeschouwers maakten hem op- en aanmerkingen, en prezen den gelen man.

“Van wien heeft u de behandeling van machines geleerd?” vroeg Ñor Juan hem.

“Van mijn vader, mijn overleden vader!” antwoordde hij met zijn eigenaardig lachje.

“En uw vader?...”

“Van Don Saturnino, den grootvader van Don Crisóstomo.

“Ik wist niet dat Don Saturnino...”

“O, die wist een heele boel! Hij ranselde niet alleen goed, en zette niet alleen zijn werkvolk voor straf in de zon, hij kon ook de slapenden wakker maken en die wakker waren laten slapen. U zal wel ’s zien wat mijn vader me geleerd heeft, u zult ’t wel ’s zien!”

En ’t gele mannetje lachte weer met zijn zonderlingen glimlach.

Op een tafel, die gedekt was met een perzisch kleed, lagen de looden cylinder en de voorwerpen, die men in de holte der grondsteenen zou neerleggen: een glazen kistje met dikke wanden zou ze bevatten.

In de feesttenten, waar den vorigen dag de onderwijzer en zijn leerlingen zoo druk bezig waren geweest, werd nu het weelderige en overvloedige feestmaal [276]aangericht.

Doch op de tafel voor de schooljeugd bestemd, stond geen enkele flesch wijn; de hoeveelheid fruit was er des te grooter. In ’t priëel stonden de stoelen voor de muzikanten en een tafel vol gebakjes, suikergoed, konfituren en met bladeren en bloemen bekranste karaffen water voor ’t dorstige publiek.

De schoolmeester had klimmasten opgericht en slagboomen aangebracht, en had koekepannen en kookpotten opgehangen voor vroolijke volksspelen.

Do menigte, pronkende in levendig bonte kleederdrachten, verzamelde zich in de schaduw der boomen of onder het loverdak, dat men opgericht had. De staatjongens klommen in de boomen of op hooge steenen, om de plechtigheid beter te kunnen zien. Met afgunst keken ze naar de schoolkinderen, die goed gewasschen en netjes gekleed allen op de voor hen bestemde plaatsen zaten. De ouders dezer laatsten waren in de wolken: zij, arme menschen van buiten, zouden nu hun kinderen zien eten aan een wit tafellaken, bijna net als de pastoor en de alcalde. De gedachte alleen was genoeg, om geen honger te hebben, en zoo’n gebeurtenis zou steeds, van vader op zoon, in de herinnering gehouden worden.

Weldra hoorde men de verre tonen der muziek. Vooraf kwam een bonte wemeling van menschen, van alle leeftijden en gedost in kleederen van allerlei kleuren. Het gele mannetje werd ongerust en keek met een blik nog eens zijn heele toestel na. Een landman onder de toeschouwers volgde dien blik en sloeg al zijn bewegingen gade. ’t Was [277]Elias die ook de plechtigheid was komen bijwonen: door zijn salakot en zijn overige kleedij was hij schier onherkenbaar. Hij had zich ’t beste plaatsje weten te verschaffen bijna vlak naast de draaispil, aan de rand van de uitgraving.

Tegelijk met de muziek kwamen de alcalde, de leden van ’t gemeentebestuur, de monniken behalve Padre Dámaso, en de Spaansche beambten. Ibarra was in gesprek met eerstgenoemde, met wien hij zeer bevriend was, sinds dat hij hem een paar fijne complimenten had gemaakt over zijn decoraties en zijn riddersjerpen. Dit was nu eenmaal ’t zwakke punt bij Zijne Exellentie.

Capitán Tiago, de alférez en nog eenige andere notabelen liepen omstuwd door den stoet jonge meisjes, die allen hun mooie zijden zonneschermen droegen. Padre Salvi volgde, stil en somber als altijd.

“U kan altijd op mij staat maken wanneer ’t een goed werk betreft,” zei de alcalde tot Ibarra. “U heeft mijn steun, en ik zal u alles verschaffen wat u maar noodig heeft, of anders zal ik maken, dat anderen het u verschaffen.”

Naarmate men naderbij kwam, voelde de jongeman zijn hart popelen. Instinktmatig richtte hij een blik naar ’t vreemdsoortig getimmerte, dat daar opgericht was. Hij zag dat het gele mannetje hem eerbiedig groette, en een oogenblik strak naar hem keek. Met verwondering bespeurde hij Elias. Deze bracht hem met een beteekenisvol knipoogje in herinnering wat hij hem in de kerk gezegd had.

De pastoor deed zijn priestergewaad [278]aan en opende de plechtigheid. De eenoogige hoofdkoster hield het boek in zijn handen, en een koorknaap de kwast en ’t wijwater vast. De omstanders, met ontbloot hoofd om hen heen staande, bewaarden zulk een diep stilzwijgen, dat, ofschoon hij met zachte stem las, men duidelijk kon hooren dat de stem van Padre Salvi beefde.

Onderwijl had men in ’t kristallen kistje alles neergelegd wat erin moest—handschriften, kranten, gedenkpenningen enz.—en ’t geheel binnen in den looden koker gedaan, die daarna hermetisch werd toegesoldeerd.

“Meneer Ibarra, wilt u ’t kistje op zijn plaats neerzetten? De pastoor wacht op u!” zeide de alcalde ’t jongemensch zacht in ’t oor.

“Ik zou ’t gaarne doen”, gaf hij even zacht terug, “maar ik vrees dat ik deze eervolle plicht wederrechtelijk aan den notaris zou onthouden: meneer de notaris moet immers officiëel het feit staven!”

De notaris nam het kistje plechtstatig op, liep de bekleede trap af, die naar den bodem van den kuil leidde en zette het met gepaste waardigheid in de holte van den steen. Daarop greep de pastoor de wijwaterkwast en besprenkelde daarmee de steenen.

’t Oogenblik was gekomen, dat ieder zijn schep mortelkalk boven op den grondsteen zou strijken, zoodat de andere er goed vastgemetseld op zou komen te liggen.

Ibarra bood den alcalde een troffel aan, op welk breed zilveren blad de dagteekening gegraveerd stond. Doch Zijne Excellentie hield nog eerst een toespraak in ’t Spaansch. [279]

“Burgers van San Diego!” zeide hij op deftigen toon, wij hebben de eer voor te gaan bij een plechtigheid, waarvan gij het hooge belang zult begrijpen, zonder dat wij ’t u zeggen. Er wordt een school gesticht. De school is het boek waarin de toekomst der volkeren staat geschreven! Wijst ons de school van een volk, en wij zullen u zeggen, wat voor een volk het is.”

En zoo ging hij voort, wijzende op de zegeningen door geestelijkheid en bestuur op de Filippijnen uitgestort. In naam van den Spaanschen koning en ’t doorluchtig bestuur werd zoo de eerste steenlegging ingehuldigd.

Met een leve de Koning en leve Spanje, leve de geestelijkheid en leve de katholieke godsdienst!” werd de toespraak besloten.

“Leve! Leve!” antwoordden veel stemmen. “Leve onze Alcalde!”

Daarna daalde deze statig in den kuil, bij ’t inzetten der muziek. Hij legde eenige scheppen mortel op den steen, en herrees met dezelfde statigheid naar den beganen grond.

De beambten klapten in de handen.

Ibarra bood wederom een zilveren troffel, ditmaal aan den pastoor, die na hem even te hebben aangekeken, langzaam naar beneden ging. Midden op de trap gekomen, sloeg hij de oogen op om naar den steen te kijken, die aan de geweldige kabels hing, doch het was slechts een seconde, onmiddellijk daalde hij verder neder. Hij deed evenals de alcalde, doch ditmaal hoorde men meer toejuichingen: bij de beambten hadden [280]zich eenige monniken en Capitán Tiago gevoegd.

’t Scheen dat Padre Salvi iemand zocht, aan wien hij den troffel zou overgeven. Hij keek weifelend naar Maria Clara, doch, zich bedenkend, bood hij de troffel aan den notaris. Deze trad hoffelijk op Maria Clara toe, maar deze weigerde met een lachje. De monniken, de beambten en de alférez gingen allen een voor een, den kuil in. Capitán Tiago werd niet vergeten.

Bleef nog Ibarra, en reeds zou ’t bevel aan den gelen man gegeven worden om den hangenden steen te laten zakken, toen de pastoor aan den jongeman dacht, en op schertsenden toon, met gedwongen gemeenzaamheid, zeide:

Zult u ook niet een schepje leggen, meneer Ibarra?”

“Dat zou wat moois wezen! Ik maak de podding: zou ik ze dan ook eten?” antwoordde de toegesprokene op denzelfden toon.

“Kom, kom!” zei de alcalde en gaf hem een zacht duwtje. “Als u ’t niet doet, geef ik order dat de steen in ’t geheel niet neergelaten wordt, en dan blijven we hier tot het Laatste gericht!”

Op zulk een dreigement moest Ibarra wel zwichten. Hij verwisselde den kleinen zilveren troffel voor een groote van ijzer, wat enkelen deed glimlachen, en trad bedaard naar voren. Elias keek hem met een onbeschrijflijke uitdrukking aan: men zou gezegd hebben dat zijn heele ziel in zijn oogen was gegaan. De gele man keek naar de gapende opening aan zijn voeten.

Na een snellen blik op den steen boven zijn hoofd, en toen naar Elias en [281]den gelen man, zeide Ibarra met iet of wat beverige stem tot Ñor Juan:

“Geef me even den emmer, en haal een anderen troffel boven!”

De jongeman bleef alleen. Elias keek niet naar hem. Zijn oogen waren strak gevestigd op de hand van den gelen man die, over den kuil gebogen, Ibarra’s bewegingen angstvallig volgde.

Men hoorde het geluid van den schepper, waarmee de massa zand en kalk werd omgeroerd, door ’t zachte geruisch der gelukwenschen heen, die de beambten voor zijn rede tot den alcalde richtten.

Plotseling klinkt een vreeselijk gekraak: de katrol die onder aan ’t toestel vastzat, springt los, en daarmee de draaispil, die als een stormram tegen ’t getimmerte aan beukt. De balken wankelen, de bindsels vliegen los, en alles stort in een seconde en met schrikkelijk gedruisch in elkaar. Een stofwolk stijgt op. Een kreet van ontzetting uit duizenden kelen vervult de lucht. Bijna al de omstanders vluchten in alle richtingen, slechts enkelen ijlen naar den kuil. Alleen Maria Clara en Padre Salvi blijven roerloos, bleek, sprakeloos op hun plaats.

Toen de stofwolk eeniger mate was weggetrokken, zag men Ibarra staan, te midden van balken, bamboe staken, kabels, tusschen de draaispil en ’t steengevaarte dat in zijn val alles had neergestoten en verpletterd! De jongeman had de troffel nog in zijn hand en keek met een ontzettenden blik naar ’t lijk van een man, dat aan zijn voeten lag, half begraven onder de balken.

Bent u niet dood?—Leeft u nog?—Om Gods wil, spreek toch!” zeiden eenige [282]beambten vol ontzetting en deelname.

“Een wonder! Een wonder!” riepen er eenigen.

“Laten er menschen hier komen om ’t lijk van den stakkerd weg te halen!” zei Ibarra als uit een droom ontwakend.

Zijn stem hoorende, voelde Maria Clara dat de krachten haar begaven, en viel zij halfbezwijmd in de armen harer vriendinnen.

Er heerschte een groote verwarring: iedereen sprak, gestikuleerde, liep van den eenen kant naar den andere, daalde af in den kuil of ging eruit, iedereen was verbijsterd en van streek.

“Wie is er dood? Of leeft hij nog? vroeg de alférez.

Men herkende in ’t lijk den gelen man, die naast de draaispil gestaan had.

“Er moet een aanklacht ingediend worden tegen den baas van ’t werk!” was ’t eerste dat de alcalde kon uitbrengen.

Men onderzocht het lijk, legde de hand op zijn borst, maar ’t hart klopte niet meer. De slag had hem aan ’t hoofd getroffen, en ’t bloed kwam hem uit neus, mond en ooren. Aan den hals waren een paar vreemdsoortige sporen te zien: vier diepe indeukingen aan een kant en een aan den tegenovergestelde, ofschoon iets grooter; ze zoo ziende, zou men zeggen dat een stalen hand hem als een tang had vastgegrepen.

De geestelijken wenschten den jongeman hartelijk geluk en drukten hem de hand. De Franciskaner met het nederige voorkomen, die Padre Dámaso als voorzegger had gediend, zeide met huilerige oogen: [283]

“God is rechtvaardig, God is goed!”

“Als ik er toch aan denk, dat ik eenige oogenblikken te voren daar gestaan heb!” zeide een der beambten tot Ibarra,verbeeldt u dat ik de laatste geweest was! Jezus!”

“De haren rijzen me te berge!” zeide er een, die half kaal was.

“’t Is maar goed dat u zoo iets overkomen is, en niet mij”, mompelde een oud kereltje, dat nog beefde.

“Don Pascual!” riepen eenige Spanjaarden.

“Wel, heeren, ik zeg dat omdat meneer toch niet doodgegaan is: als ik niet verpletterd was geworden, zou ik toch stellig daarna doodgegaan zijn, alleen door er aan te denken.”

Doch Ibarra was al weg, om zich op de hoogte te stellen van Maria Clara’s toestand.

“Laat dit toch geen beletsel zijn om het feest voort te zetten, meneer Ibarra!” zeide de alcalde.

“God zij geloofd! De doode is geen geestelijke en geen Spanjaard. We moeten uw behoud vieren. Och, och, als u toch ’s die steen op u gekregen had!”

“Ik had er een voorgevoel van! Een voorgevoel!” riep de notaris uit. “Ik heb ’t wel gezegd: meneer Ibarra ging tegen zijn zin naar beneden. Ik heb ’t wel gezien!”

“De doode is maar een inlander!”

“Laat ’t feest doorgaan! Kom, muziek! We krijgen den doode niet weer levend met treuren. Capitán, hier moeten de noodige maatregelen genomen worden... Laat de baas hier komen!... De baas van ’t werk moet in hechtenis genomen [284]worden!”

“Ja, in ’t blok!”

“In ’t blok! Hei, muziek, muziek! De baas in ’t blok zetten!”

“Meneer de alcalde,” zeide Ibarra op ernstigen toon:

“Als we door treuren de doode niet weer kunnen opwekken, krijgen we dat zeker nog minder gedaan door iemand gevangen te laten nemen, van wien we in ’t geheel niet weten, of hij schuldig is. Ik sta borg voor zijn persoon, en verzoek hem in vrijheid te laten, voor de eerste dagen ten minste.”

“Goed! Goed! Maar laat ’t hem niet weer gebeuren!”

Er deden allerlei praatjes de ronde. Dat er een wonder gebeurd was, stond reeds vast. Fray Salvi scheen niettemin maar weinig ingenomen met het wonder, dat men aan een heilige van zijn corporatie en van zijn parochie toeschreef.

Natuurlijk was er ook iemand, die wist te vertellen dat hij duidelijk, op ’t oogenblik dat alles in elkaar stortte een gestalte in den kuil had zien afdalen, die gekleed was in een donker kleed als dat der Franciskanen. Er was geen twijfel aan: dat moest de heilige Diego zelf geweest zijn. Men vernam ook dat Ibarra de mis bijgewoond had, en de gele man niet: ’t was dus klaar als de dag.

“Zie je? Jij woû niet naar de mis,” zeide een moeder tot haar zoon, “als ik je niet een pak gegeven had om je te dwingen, dan ging je nu ook naar ’t raadhuis, in een kar, net als die daar!”

Inderdaad werd de gele man, of liever zijn lijk, in een mat gewikkeld, naar ’t raadhuis vervoerd.

Ibarra ijlde naar zijn huis, om zich te [285]gaan verkleeden.

“Een leelijk begin, hm!” zei de oude Tasio en verwijderde zich.

[Inhoud]

XXXII.

Vrije gedachten.

Ibarra was bijna klaar, toen een bediende kwam zeggen, dat er een landbouwer was die hem te spreken vroeg.

Veronderstellende dat het een van zijn werklieden was, beval hij hem binnen te laten in het kantoor of studeerkamer, tegelijk, bibliotheek en scheikundig laboratorium.

Doch tot zijn verbazing zag hij de strenge en geheimzinnige gedaante van Elias voor zich staan.

“U heeft mijn leven gered”, zeide deze in de landstaal, Ibarra’s houding begrijpende. “Ik heb u mijn schuld voor de helft betaald, en u heeft me voor niets te danken. Integendeel. Ik ben hier, om u om een gunst te vragen...”

“Zeg op!” antwoordde de jongeman in dezelfde taal, verrast door den toon van ernst van den landbouwer.

Elias keek Ibarra enkele oogenblikken strak aan, en hervatte:

“Wanneer ’t gerecht dit geheimzinnige geval tot klaarheid wil brengen, verzoek ik u dat u niemand iets zegt van de waarschuwing, die ik u in de kerk gegeven heb.”

Maakt u niet ongerust”, antwoordde de jongeman eenigszins ontstemd. “Ik weet dat u vervolgd wordt, maar ik hoû niet van aanbrengerij.”

“O, ’t is niet om mij, ’t is niet om mij!” riep Elias ietwat levendig en fier. “’t Is om u. Ik vrees niets van de menschen.” [286]

De verbazing van Ibarra nam toe: de toon waarop de landbouwer—de vroegere loods—sprak was nieuw en scheen niet in overeenstemming met zijn maatschappelijken staat noch met zijn geldelijke omstandigheden.

“Wat wilt u zeggen?” vroeg hij, terwijl hij den geheimzinnigen man verwonderd aankeek.

“Ik spreek niet in raadselen. Ik tracht me duidelijk uit te drukken. In ’t belang van uw veiligheid is ’t noodig dat uw vijanden gelooven, dat u onvoorbereid en geheel te goeder trouw is geweest.”

Ibarra schrok.

“Mijn vijanden? Heb ik dan vijanden?”

“Die hebben we allemaal, meneer, van ’t kleinste insekt tot den mensch toe, van den armste tot den rijkste en machtigste! Vijandschap is de wet van ’t leven!”

Ibarra keek Elias een oogenblik zwijgend aan.

“U bent geen loods en geen landbouwer!...” mompelde hij.

“U heeft vijanden onder de hoogen en onder de lagen”, ging Elias voort, zonder op de woorden van den jongen man acht te slaan. “U beoogt iets grootsch, u heeft een verleden, uw vader en uw grootvader hebben vijanden gehad, omdat ze hartstochten hebben gehad, en in ’t leven zijn ’t niet de misdadigers, die den meesten haat opwekken, maar mannen van eer.”

“Kent u mijn vijanden?”

Elias antwoordde niet dadelijk, dacht even na.

“Een heb ik er gekend, die doodgegaan is,” antwoordde hij. [287]

“Gisteren avond ontdekte ik, dat hij iets in ’t schild voerde tegen u, doordat ik eenige woorden opving, die hij met een onbekende wisselde, die in de menigte verdween. ‘Die zal niet door de visschen opgegeten worden, zooals zijn vader: dat zal je morgen ’s zien’, zei hij. Die woorden trokken mijn aandacht, niet alleen om de beteekenis, maar ook om hem die ze uitsprak; want de man had zich al eenige dagen geleden aangeboden bij den baas van ’t werk, met het uitdrukkelijke verlangen om de werkzaamheden te leiden bij ’t neerlaten van den steen. Hij vroeg daarvoor geen groot loon en gaf hoog op van zijn bekwaamheden. Ik had geen reden genoeg om aan kwaadwilligheid te gelooven, maar iets in me zeide me, dat mijn vermoedens juist waren, en daarom koos ik, om u te waarschuwen, een oogenblik en een gelegenheid van dien aard, dat u me geen vragen kon doen. Het overige heeft u bijgewoond.”

Reeds een heele poos had Elias gezwegen, en Ibarra nog steeds geen enkel woord geantwoord. Hij was in gedachten verzonken.

“’t Spijt me dat die man dood is gegaan!” hervatte hij eindelijk. “We hadden van hem wel iets meer van de zaak kunnen hooren!”

“Als hij was blijven leven, zou hij ontsnapt zijn aan de onzekere hand van de blinde menschelijke gerechtigheid. God heeft hem gevonnist, God heeft hem gedood, laat God zijn eenige rechter wezen!”

Crisóstomo keek den man, die zoo tot hem sprak, een oogenblik aan, en zijn gespierde armen ziende, die vol [288]striemen en groote blauwe vlekken waren, zeide hij lachend:

“Gelooft u ook aan ’t wonder? Daar heb je nu ’t wonder waarvan ’t volk spreekt!”

“Als ik aan wonderen geloofde, zou ik niet aan God gelooven; dan zou ik aan een tot God verheven mensch gelooven, dan zou ik inderdaad gelooven, dat de mensch God naar zijn beeld en gelijkenis had geschapen,” antwoordde hij hoog ernstig; maar ik geloof in Hem. Ik heb meer dan eens zijn hand gevoeld. Toen alles in elkaar stortte en al wat er op de plek stond dreigde te vernielen, heb ik, ik, den misdadiger vastgehouden. Ik ben naast hem gaan staan: hij werd getroffen, en ik kwam vrij.

U? Dus u?”...

“Ja! Ik heb hem vastgehouden toen hij ontsnappen wou, nadat hij aan zijn duivels werk begonnen was: ik zag zijn misdaad. Ik zeg u: laat God de eenige rechter onder menschen wezen, laat hij de eenige zijn, die recht heeft over het leven. Laat ’n mensch er nooit aan denken hem te vervangen!”

“En toch heeft u dezen keer...”

“Nee!” viel Elias in, de tegenwerping gissende.

“Dat ’s niet hetzelfde. Wanneer een mensch anderen ter dood veroordeelt of voor altijd hun toekomst verwoest, doet hij dat vrijuit en beschikt daarbij over de kracht van andere menschen, om zijn vonnissen uit te voeren, die per slot van rekening wel even zooveel vergissingen of misslagen kunnen wezen. Maar ik heb, toen ik den misdadiger aan ’t zelfde gevaar blootstelde dat hij [289]voor anderen beoogd had, dezelfde kwade kansen geloopen. Ik heb hem niet gedood, ik heb Gods hand hem laten dooden.”

“Gelooft u niet aan toeval?”

“Aan ’t toeval gelooven, is net hetzelfde als te gelooven aan wonderen: beide dingen veronderstellen dat God de toekomst niet kent. Wat is ’n wonder? Een tegenstrijdigheid, een storing in de natuurwetten. Niet voorzien en tegenstrijdig zijn, beteekenen twee groote gebreken in ’t verstand, dat de wereldmachine bestuurt.”

“Wie bent u?” vroeg Ibarra nogmaals, met zekere vrees. Heeft u gestudeerd?”

“Ik heb heel veel in God moeten gelooven, omdat ik mijn geloof in de menschen verloren heb, antwoordde de ander, de vraag ontwijkend.

Ibarra meende den vervolgden jongen man te begrijpen.

Elias loochende de menschelijke gerechtigheid, hij ontzegde den mensch het recht om over zijn gelijken te oordeelen, kwam op tegen de macht en de meerderheid van sommige standen boven de andere.

“Hoe dan ook, u moet toch de noodzakelijkheid van het menschelijk recht aannemen, al is ’t gebrekkig”, gaf Ibarra terug. Hoeveel dienaren God op aarde ook heeft, Hij doet zijn uitspraken niet duidelijk genoeg, om al de millioenen strijdpunten uit te maken, die onze hartstochten opwekken. ’t Is noodig, ’t is noodzakelijk, ’t is rechtvaardig, dat de mensch soms over zijn naasten oordeel velt!”

“Jawel, om ’t goede te doen, niet het kwaad, om te verbeteren, niet om te [290]vernietigen, want, als zijn uitspraken falen, heeft hij de macht niet om het kwaad te herstellen, dat hij aangericht heeft. Maar,” liet hij volgen, terwijl hij van toon veranderde, “deze discussie gaat boven mijn krachten, en ik houd u maar op: u wordt zeker gewacht. Vergeet u niet wat ik u zoo even gezegd heb: u heeft vijanden. Bewaar uzelf voor ’t welzijn van uw land.”

En hij nam afscheid.

“Wanneer zie ik u terug?” vroeg Ibarra.

“Altijd, wanneer u maar wilt, en de keeren dat ik u van dienst kan zijn. Ik ben nog uw schuldenaar!”

[Inhoud]

XXXIII.

De maaltijd.

Ginds in de versierde feesttent zaten de groote mannen van de provincie aan den maaltijd.

De alcalde zat aan ’t eene uiteinde der tafel, Ibarra aan ’t andere. Rechts van den jongen man bevond zich Maria Clara, en aan zijn linkerzijde de notaris. Capitán Tiago, de alférez, de burgemeester, de monniken, de beambten en de enkele jonge dames die gebleven waren, zaten niet naar rang, maar naar eigen verkiezing.

Het feestmaal was nogal opgewekt en vroolijk, doch toen ’t in vollen gang was, kwam er een telegraafbode op Capitán Tiago af, met een voor hem bestemd bericht. Natuurlijk vroeg deze verlof, het te mogen lezen, en even natuurlijk verzocht iedereen hem, het te willen doen.

Onze waardige Capitán fronst eerst de wenkbrauwen, dan trekt hij ze op. [291]Zijn gelaat verbleekt, klaart op, en haastig het papier weer opvouwend, staat hij van tafel op, en zegt gejaagd:

“Dames en heeren, Zijne Excellentie de Gouverneur komt van avond mijn huis met een bezoek vereeren!

En meteen zet hij ’t op een loopen, telegram en servet in de hand, maar zonder hoed, bestormd door achterna gezonden uitroepen en vragen.

De tijding dat de toelisan’s of roovers gekomen waren, zou stellig niet meer opschudding verwekt hebben.

“Hoort u ’s even!” Wanneer komt hij?” “Vertelt u ons toch ’s! Z’n Excellentie!”

Capitán Tiago was al weg.

“Zijne Excellentie komt en gaat logeeren bij Capitán Tiago!” riepen er enkelen, er niet aan denkende, dat daar zijn dochter en zijn aanstaande schoonzoon mee aanzaten.

“Hij kon geen betere keus doen!” antwoordde deze laatste.

De monniken keken elkaar aan. De blik wilde zeggen:

“De Capitán-General doet weer een van zijn dwaasheden: hij beleedigt ons.” Doch ze zwegen allen.

“Ik heb er gisteren al van gehoord”, zeide de alcalde, maar toen was Zijne Excellentie nog niet vast besloten.”

“Weet u wellicht, meneer de alcalde, hoeveel tijd de Gouverneur hier denkt te blijven?” vroeg de alférez ongerust.

“Met stelligheid niet, Zijne Excellentie houdt van verrassingen.”

“Daar komen nog meer telegrammen!”

Deze waren voor den alcalde, den alférez en den burgemeester en bevatten hetzelfde bericht. De geestelijken merkten [292]goed op, dat geen enkel telegram aan den pastoor gericht was.

“Zijne Excellentie zal hier om vier uren in den namiddag aankomen, heeren en dames!” zei de alcalde plechtig.

“We kunnen rustig ons maal beëindigen!”

Het gesprek hervatte zijn gewonen loop.

“Merkwaardig dat onze groote prediker afwezig is!” zeide schuchter een van de beambten, een mak uitziend man, die zijn mond niet opengedaan had, voor ’t oogenblik dat het eten begon, en die nu voor ’t eerst op dien dag sprak.

Allen die de geschiedenis van Crisóstomo’s vader kenden, maakten een gebaar of gaven een knipoogje alsof ze zeggen wilden: “Och loop, ’t eerste wat je zegt is een onhandigheid!”

Doch een der aanzittenden antwoordde snaaks:

“Hij moet wel een beetje moe zijn...”

“Wat, een beetje?” riep de alférez, “bekaf moet hij wezen, afgejakkerd. Asjeblieft, dat was een preek!”

“Een pracht, een reuzen-preek!” zei de notaris.

“Heerlijk, diepzinnig!” voegde de correspondent eraan toe.

“Om zooveel te kunnen spreken, moet men longen hebben zooals hij”, merkte Padre Manuel Martin op.

De Augustijner erkende alleen de kracht van zijn longen.

“En zijn gemakkelijkheid van zich uit te drukken,” liet Padre Salvi volgen.

“Weten de heeren wel dat meneer Ibarra de beste kok in de heele provincie heeft?” zeide de alcalde om ’t gesprek een andere wending te geven. [293]

“Dat heb ik ook al gezegd, maar zijn schoone buurvrouw doet de tafel geen eer aan, want ze eet bijna niets,” gaf een der beambten ten antwoord.

Maria Clara kleurde.

“Meneer, u bent wel vriendelijk... U moet op mijn persoontje maar niet letten,” stamelde zij verlegen, “maar...”

“Door uw aanwezigheid hier alleen doet u de tafel al genoeg eer aan,” kwam de hoffelijke alcalde haar te hulp.

“Meneer de pastoor,” vervolgde hij luider, “ik merk op dat uw hoogeerwaarde den heelen dag stil en in gedachten is...”

“Meneer de alcalde is een ontzagwekkende opmerker!” riep Padre Sibyla op bijzonderen toon.

“Dat ben ik zoo gewoon,” stamelde de Franciskaan, “ik hou meer van luisteren dan van spreken.”

“Uw hoogeerwaarde is er altijd op uit, om te winnen en niet te verliezen!” zei de alférez schertsend.

Padre Salvi nam ’t echter niet als scherts op; zijn blik schitterde even toen hij teruggaf:

Meneer de alférez zal wel weten dat ik ’t niet ben die dezer dagen wint of verliest!”

De alférez lachte gedwongen en deed alsof hij de steek niet gevoeld had.

In de andere feesttent aten de kinderen, voorgezeten door hun onderwijzer. Voor Filippijnsche kleinen maakten ze nogal gedruisch, want in den regel zijn dezen aan tafel en in tegenwoordigheid van vreemden eer schuchter dan ongedwongen. Degeen die zich vergiste met het gebruik van ’t eetgereedschap, kreeg een terechtwijzing [294]van zijn buurman. Daaruit ontstond een woordenwisseling en beiden vonden aanhangers: sommigen beweerden dat de lepel, anderen dat de vork of het mes moest gebruikt worden. En daar zij niemand als bevoegd in deze zaak beschouwden, kwam het niet tot een oplossing.

De ouders gaven elkaar knipoogjes of elleboog-stootjes of andere teekens, en aan hun lach kon men zien, dat ze in hun schik waren.

“Stellig,” zei een boerin tot een oude man, die bezig was zijn sirihpruimpje klaar te maken, “al is ’t ook dat mijn man ’t niet hebben wil, mijn Andoy wordt toch priester. We zijn wel arm, maar we zullen wel werken, en, als ’t noodig mocht wezen, zullen we bedelen. Er zijn altijd menschen te vinden, die er geld voor over hebben, om een arme te helpen priester te worden. Zegt broeder Mateo niet—en die liegt niet—dat Paus Sixtus karbouwenhoeder in Batangas geweest was? Nou, kijk maar ’s naar mijn Andoy, en zeg me dan, of hij niet al ’t gezicht van den heiligen Vincent heeft!”

En de goede moeder glom van trots, toen ze zag dat haar zoontje zijn vork met beide handen vasthield.

“God geve ’t!” antwoordt de oude man, zijn sirih kauwend. “Als Andoy nog ’s paus wordt, gaan we naar Rome. He, he!”

“Wees maar niet ongerust, grootvader! Andoy zal ’t niet vergeten, dat u hem rotan-manden en dikin-mandjes heeft leeren vlechten.”

“Je heb gelijk, Petra, ik geloof ook dat je zoon nog ’s iets groots wordt, op [295]z’n minst aartsvader. Ik heb nog nooit iemand gezien die zoo gauw ’t handwerk geleerd heeft! Zeker, hij zal wel aan me denken wanneer hij als paus of bisschop manden voor zijn keukenmeid moet maken. Hij zal stellig missen voor mijn ziel lezen, he, he!”

En ons oudje vulde zijn kalikoet of sirihzakje tot den rand.

“Als God mijn gebeden verhoort en mijn wensch vervuld wordt, zal ik Andoy zeggen: ‘Vent, ontdoe ons van al onze zonden, zend ons naar den hemel. Dan hoeven we niet meer te bidden of te vasten of aflaten te koopen. Wie een zoon heeft die Zijne Heiligheid de Paus zelf is, die mag vrij zondigen!’

“Zend hem morgen naar mijn huis, Petra,” zeide de oude man vol geestdrift, “ik zal hem leeren nitô-vlechtwerk te maken.”

“Och wat! Wat denkt u wel, grootvader? Denkt u dat een pastoor nog zijn handen verroert? De pastoor, zeg ik je, die niets meer is dan pastoor, die werkt alleen bij de mis... wanneer hij zich omkeert! De aartsbisschop draait zich zelfs niet meer om, die leest de mis zittende. Dus de Paus...wel, de Paus leest de mis in zijn bed, met een waaier in de hand!... wat verbeeldde u zich wel?”

“’t Is toch niet kwaad, Petra, dat hij leert, hoe je met nitô werkt. Dan kan hij salákot’s (hoeden) en sigarenkokers verkoopen, hoeft niet te bedelen, zooals de pastoor dat hier ieder jaar voor den Paus doet. Ik krijg medelijden, als ik denk aan zoo’n armen heilige, en dan geef ik altijd wat ik gespaard heb.”

“Ik ben al besloten, buurvrouw, mijn [296]zoon moet dokter worden. Niks beter dan dokter!”

“Dokter! Zwijg toch, buurman,” antwoordde Petra.

“Er gaat niks boven pastoor!”

“Pastoor! Larie! Pastoor? Een dokter verdient veel geld, de zieken vereeren hem, buurvrouw!”

“Met je welnemen! De pastoor draait zich alleen maar drie of vier keer om, zegt: ‘déminos pabiskoem,’ eet onze Lieve Heer en krijgt geld. Alle menschen, zelfs de vrouwen vertellen hem hun geheimen!”

“En een dokter? Wat denkt u dan wel dat een dokter is? Een dokter ziet alles wat jullie vrouwen mankeeren. Hij voelt de pols van de jonge meisjes...

Ik wou dat ik maar ’s een enkel weekje dokter was.”

“En de pastoor dan? Ziet de pastoor soms ook niet wat zoo’n dokter ziet? Nou, nog beter hoor! U kent het spreekwoord wel: ‘vette kip en rond been voor den pastoor.’

“Wat zou dat? Eten de dokters dan soms gedroogde visch?

Die hebben zeker te klagen?”

“Nee, maar de pastoor maakt zijn handen ten minste niet vuil, zooals zoo’n dokter. En dan heeft hij groote landerijen, en wanneer hij werkt, dan doet hij ’t met muziek en de kosters helpen hem erbij.”

“En de biecht afnemen, buurvrouw? Noem je dat geen werken?”

“Nou, dat ’s ook een werk! Al moest je de heele wereld de biecht afnemen! Dat is zeker sloven en zwoegen, na te gaan wat mannen en vrouwen doen, wat je buren doen! De pastoor gaat [297]alleen maar zitten en dan vertellen ze hem alles. Soms valt hij in slaap. Hij steekt een paar zegeningen af, en klaar is Kees: we zijn weer Gods kinderen! Ik wou dat ik ’s pastoor was op een middag in den vasten tijd!”

“En ’t... ’t preeken dan? Is dat dan soms geen werk? Nou, dan moest u maar ’s opgelet hebben, hoe de ‘groote pastoor’ van ochtend zweette,” bracht de man ertegen in, die voelde dat hij grond verloor.

“Preeken? Preeken een werk? Hoe komt ’t bij u op? Ik woû dat ik maar ’s een halven dag achtereen op de katheder mocht staan, om niets anders te doen dan iedereen uit te vegen en de ooren te wasschen, zonder dat iemand een woord terug durft te zeggen, en dat ze me daar ook nog voor betaalden! Nou, ik wou dat ik ’s pastoor mocht wezen, een morgen maar, wanneer de lui die me geld schuldig zijn de mis bijwonen! Let maar ’s op, daar, hoe dik Padre Dámaso wordt van al zijn standjes geven en ranselen!”

Inderdaad, daar kwam Padre Dámaso aanstappen met den waggelgang van een zwaarlijvig mensch, half lachend, maar op zulk een boosaardige wijze, dat Ibarra, toen hij hem zag, den draad van zijn toespraak kwijt raakte.

De pater werd, schoon met eenige verwondering, door iedereen met teekenen van vreugde begroet, behalve door Ibarra. Men was reeds aan de nagerechten en de champagne schuimde in de kelken.

Padre Dámaso’s glimlach werd zenuwachtig, toen hij zag, dat Maria Clara naast Crisóstomo zat. Doch, een stoel nemende naast dien van den alcalde, vroeg [298]hij te midden van een beteekenisvolle stilte:

“Spraken de dames en heeren over iets? Gaat u dan voort.”

“We waren aan de toasten,” antwoordde de alcalde. “Meneer Ibarra was juist bezig allen te bedanken die hem in zijn menschlievend werk ter zijde gestaan hadden, en hij sprak over den bouwmeester, toen uwe hoogeerwaarde...”

“Och, ik heb geen verstand van bouwkunde,” viel de pater in de rede, “maar ik lach wat om architekten en om de ezels die ze noodig hebben. Kijk daar die kerk, daar heb ik ’t plan voor geteekend, en die is uitstekend gebouwd: dat heeft een Engelsche juwelier nog gezegd, toen hij ’s op een dag in ’t ‘klooster’ bij me logeerde. Om zoo’n plan te maken heb je aan een minimum hersens genoeg!”

“Maar,” hervatte de alcalde, die zag dat Ibarra zweeg, “u zult toch toegeven dat voor zekere gebouwen, bijvoorbeeld zoo’n school, wel een deskundige noodig is!”

“Och wat, larie!” riep Padre Dámaso spottend, “wie een deskundige voor zoo iets noodig heeft, is een snertkundige!

Daar moet je toch waarlijk botter voor wezen dan de inlanders—die bouwen hun eigen huizen—om niet vier van die muren te kunnen opzetten en daar een deksel op te maken; want wat is zoo’n school anders?”

Allen keken naar Ibarra, doch deze ging voort met Maria Clara te praten, ofschoon hij bleek werd.

“Maar uwe hoogeerwaarde moet toch in aanmerking nemen ...”

Doch de Franciskaner liet den alcalde [299]niet aan ’t woord. “U weet toch zeker wel,” ging hij voort, “dat een leekebroeder van ons, de domste dien we hebben, een goed, mooi en goedkoop gasthuis heeft gebouwd. Hij liet flink werken en betaalde niet meer dan acht ‘cuarto’s’ per dag, zelfs aan de menschen die van andere dorpen moesten komen. Die kon er mee omgaan, die deed niet als sommige ‘halve garen’ en sinjo’s, die het werkvolk bederven door hun drie of vier ‘real’ loon te geven”.1

“Zegt uw weleerwaarde dat hij maar acht cuarto’s betaalde? Onmogelijk!” zeide de alcalde, om het gesprek een andere wending te geven.

“Ja, meneer, en zoo moest iedereen doen die zich voor goed Spanjaard uitgeeft. Och, ’t is duidelijk: sinds het Suez-kanaal geopend is, is er hier de klad in gekomen. In vroeger tijd, toen we de Kaap moesten omvaren, kwam er hier niet zooveel tuig, en gingen er ook niet zooveel naar Europa, om als tuig terug te komen!”

“Maar Padre Dámaso!”

“U weet heel goed, hoe de inlander is: als hij maar even wat gestudeerd heeft, hangt hij de geleerde uit. Al die snotjongens die tegenwoordig naar Europa gaan...”

“Maar luister nu toch ’s even, weleerwaarde!” viel de alcalde in, die ongerust begon te worden over ’t aanvallend karakter dier woorden.

“Ze eindigen allemaal zooals ze ’t verdienen”, ging de monnik voort: “de [300]hand Gods is erin te bespeuren; je zou blind moeten wezen, om ’t niet te zien. De ouders van zulk ‘vee’ krijgen in dit leven de kastijding al... die crepeeren in de gevangenis, ha, ha! net als...”

Doch hij bracht zijn zin niet ten einde. Ibarra—die lijkbleek was geworden—had hem met den blik gevolgd. Toen hij de toespeling op zijn vader hoorde, sprong hij op en liet zijn stoere vuist neerkomen op ’t hoofd van den priester, die als bedwelmd achterover viel.

Vol verbazing en schrik dorst niemand tusschen beiden komen.

“Laat me begaan!” riep de jonge man met een vreeselijke stem, en hij strekte zijn hand uit naar een scherp mes, terwijl hij met zijn eene voet op de keel van den pater stond. Deze was inmiddels van zijn verbijstering hersteld. “Die niet dood wil, moet me laten begaan!”

Ibarra was buiten zich zelve: zijn lichaam beefde, zijn oogen bewogen zich dreigend in hun kassen. Fray Dámaso deed een geweldige poging om op te staan, die bijna slaagde, maar de ander greep hem bij zijn keel en duwde hem in elkaar op zijn knieën.

“Meneer Ibarra! Meneer Ibarra!” stamelden enkelen.

Maar niemand, zelfs niet de alférez, waagde het om naderbij te komen. Men zag ’t mes flikkeren en dacht aan de kracht en den gemoedstoestand van den jongeman. Allen voelden zich als verlamd.

“Jullie daar, jullie hebben je mond gehouden, nu neem ik ’t op me. Ik heb gedaan wat ik kon om ’t te vermijden. God heeft ’t zoo gewild, laat God beslissen!” [301]

De jongeman ademde zwaar, maar bleef met ijzeren greep den Franciskaan neerdrukken. Tevergeefs wrong en worstelde deze om los te komen.

“Mijn geweten is volkomen rustig, ik voel niet de minste weifeling...

En om zich heen kijkende, voegde hij eraan toe: “Eerst dit: Is er onder u soms iemand die zijn vader niet liefgehad heeft, die alleen haat voelt, als hij aan hem denkt, iemand die misschien geboren is in schande en vernedering?... Nu? Hoor je, iedereen zwijgt. Zeg, priester van een God van vrede, die altijd den mond vol heeft van heiligheid en godsvrucht, en je hart vol afschuwelijkheid, jij hebt zeker nooit beseft wat een vader is... anders zou je aan den jouwe gedacht hebben! Zie je? onder die menschen daar, die jij minacht, is er geen een zooals jij. Je bent geoordeeld.”

De andere aanwezigen, denkende dat hij een moord zou begaan, kwamen in beroering.

“Laat me begaan,” schreeuwde Ibarra nogmaals met dreigende stem. “Wat? Is er iemand soms bang dat ik mijn handen zal bevuilen met onrein bloed? Heb ik dan niet gezegd dat mijn geweten volkomen rustig was? Laat ons begaan! Luistert, priesters, rechters, jullie die jezelf voor een ander soort menschen houdt, met andere rechten! Mijn vader was een man van eer. Vraagt ’t gerust aan ’t volk hier: dat houdt zijn nagedachtenis hoog. Mijn vader was een goed burger: hij heeft zich voor mij en ’t welzijn van zijn land opgeofferd. Zijn huis stond open voor een ieder, aan zijn tafel was plaats voor iederen vreemdeling of verschoppeling, die in zijn ellende [302]bij hem om hulp kwam! Hij wat een goed christen: hij heeft altijd ’t goede gedaan, en nooit zwakken onderdrukt of ongelukkigen gekweld... Voor deze man heeft hij zijn huis ook opengezet, hij heeft hem aan zijn tafel gehad, hij heeft hem zijn vriend genoemd. Hoe is hij daarvoor beloond? De man heeft hem belasterd, vervolgd, heeft domme menschen tegen hem opgezet door misbruik te maken van zijn heilig ambt. Hij heeft zijn graf geschonden, zijn nagedachtenis gehoond en hem zelfs in zijn doodsrust vervolgd. En omdat hij daar niet mee tevreden is vervolgt hij nu den zoon! Ik heb hem ontweken, ik heb hem vermeden waar ik kon... U hebt hem van morgen den preekstoel hooren verontheiligen door mij aan ’t dweepzieke volk als ’t ware met den vinger aan te wijzen. Ik heb gezwegen. Nu komt hij hier, om twist met me te zoeken. Ik heb eerst in stilte geleden, tot uw verwondering, nietwaar? Maar hij heeft nu weer een nagedachtenis beleedigd, die aan iedereen, die zich een goed zoon voelt, heilig is... U aanwezigen, priesters, rechters, heeft een van u zijn oude vader zijn nachtrust zien opofferen, om voor u te werken, hem van u zien scheiden voor uw welzijn, sterven van verdriet in de gevangenis, smachtend om u te mogen omhelzen, zoekend naar iemand die troosten kon, alleen, ziek en ellendig, terwijl u verweg in ’t buitenland waart?... Hebt u later zijn naam hooren smaden, hebt u ook zijn graf leeg gevonden, toen u er wilde bidden? Niet? Zwijgt iedereen? Dan veroordeelt u hem!”

Hij hief het mes op, maar een [303]jong meisje liep ijlings op hem toe en hield met haar teedere handen zijn arm tegen. ’t Was Maria Clara.

Ibarra keek haar aan alsof hij krankzinnig was geworden. Langzamerhand verslapte de krampgreep van zijn vingers en liet hij ’t lichaam van den monnik los. ’t Mes ontgleed hem. En ’t gelaat met beide handen bedekkend, liep hij door de menigte heen, hard weg.

Spoedig was het gebeurde in ’t dorp bekend. In den beginne wilde niemand ’t gelooven, doch toen men voor de bewijzen zwichten moest, uitte een ieder luide zijn verbazing.

Ieder maakte zijn opmerkingen, al naar den graad van zijn zedelijk peil.

“Padre Dámaso is dood!” zeiden er sommigen. “Toen ze hem van den grond opnamen, was zijn gezicht vol bloed. En hij haalde geen adem meer.”

“Laat hem in vrede rusten, maar hij heeft niets dan zijn verdiende loon!” riep een jongmensch uit. “Als je ’s wist wat hij van morgen in ’t klooster gedaan heeft... ’t Is niet om te zeggen.”

“Wat heeft hij gedaan? Heeft hij de coadjutor weer een pak ransel gegeven?”

“Wat heeft hij toch gedaan? Kom, vertel ’t ons.”

“Hebt u van ochtend een Spaansche sinjo gedurende de preek door de sakristie de kerk uit zien gaan?”

“Zeker, zeker, dat hebben we gezien. Padre Dámaso keek er nog erg naar.”

“Nu goed...na de preek heeft hij hem bij zich laten komen, en hem gevraagd waarom hij heen was gegaan. Ik versta geen Tagaalsch, pater’ zei hij. ‘En waarom heb je ermee gespot en gezegd dat het Grieksch was?’ Dat schreeuwde [304]hij hem in zijn gezicht, en gaf hem meteen een oorvijg. Het jongmensch sloeg terug, en zoo werd ’t een formeele vechtpartij, totdat ze door andere menschen werden gescheiden.”

“Dat moest mij ’s overkomen”... mompelde een student binnensmonds.

“Ik keur ’t optreden van den Franciskaan af,” antwoordde een ander, want godsdienst is iets dat men niemand als straf of boete af moet dwingen. Maar ik ben er bijna blij om, want ik ken dat jongemensch. Ik weet dat hij van San Pedro Makati komt, en goed Tagaalsch spreekt. Tegenwoordig wil hij graag doorgaan voor iemand die zoo kersversch uit Rusland is gekomen. En nu meent hij voornaam te doen door de taal van zijn ouders te verloochenen.

“Dan is ’t maar goed ook dat hij ‘op zijn ziel’ gehad heeft!”

“En toch moeten we tegen ’t gebeurde opkomen,” riep een andere student uit. “Als we ons stilhielden, zou ’t net zijn alsof we ’t goed vonden, en dan kon ’t zelfde een van ons even zoo overkomen. We gaan weer naar de tijden van Nero terug!”

“Je vergist je!” gaf een ander te kennen, “Nero was een groot kunstenaar, en onze pater Dámaso preekt allerberoerdst!”

De commentaren der oudere menschen waren anders.

Terwijl men in een huisje buiten het dorp op de komst van den gouverneur—Capitán Generaal—wachtte, zeide de burgemeester:

“’t Is niet makkelijk te zeggen, wie er gelijk heeft, en wie ongelijk. Maar, als meneer Ibarra een beetje meer de [305]voorzichtigheid had betracht...”

“Als Padre Dámaso de helft van meneer Ibarra’s voorzichtigheid had gehad, wilt u misschien zeggen?” viel Don Filipo in. ’t Kwaje is, dat ze de rollen verwisseld hebben: de jonge man heeft gehandeld als een oud bezadigd man, de oude als een onbesuisd jongmensch.”

“En u zegt dat niemand zich verroerde, dat er niemand tusschenbeide is gekomen, behalve dan de dochter van Capitán Tiago?” vroeg Capitán Martin.

“Geen enkele van de frailes, en de alcalde ook niet? Hm! Erger kon ’t al niet! Ik zou niet graag in ’t vel van dat jongemensch steken. Niemand zal hem ooit vergeven dat hij bang voor hem geweest is. Erger kon ’t al niet, hm!”

“Gelooft u dat heusch?” vroeg Capitán Basilio vol belangstelling.

“Ik verwacht”, zeide Don Filipo, terwijl hij met dezen een blik verwisselde, “dat het dorp hem niet in den steek zal laten. Wij moeten niet vergeten wat zijn familie voor ons gedaan heeft, en wat hij nu voor ons doet. En als misschien de menschen in ’t dorp uit vrees hun mond houden en zich niet roeren, dan zullen zijn vrienden...”

“Maar, heeren,” vroeg de burgemeester, “wat kunnen wij nu doen? Wat kan ’t volk doen? Och, wat er ook gebeurt, de monniken krijgen altijd gelijk.”

“Ze krijgen ‘altijd’ gelijk, omdat wij hun dat ‘altijd’ geven,” gaf Don Filipo kregelig terug, terwijl hij beide malen sterk op dat “altijd” drukte. “Als we maar eens onszelf gelijk gaven, dan zouden we ’s verder kunnen praten!”

De “gobernadorcillo” krabde zich [306]achter zijn oor, keek naar de zoldering, en antwoordde scherp:

“Och, wat ’n warmbloedigheid! ’t Lijkt wel alsof u nog niet weet, in welk land we zijn en onze landlui niet kent. De frailes zijn rijk en steunen elkaar, wij zijn verdeeld en arm. Wel zeker! Probeert u maar ’s hem te verdedigen, en u zult ’s zien hoe ze u alleen laten zitten!”

“Jawel!” riep Don Filipo vol bitterheid uit, “dat zal gebeuren zoolang men er zoo over denkt, zoolang vrees en voorzichtigheid één blijven. Men let meer op een kwaad dat gebeuren kan, dan op ’t goede dat noodzakelijk is. Dadelijk doet zich vrees voor in plaats van vertrouwen. Iedereen denkt aan zichzelf alleen, niemand aan zijn evenmensch. Daarom zijn we allemaal zwak.”

“Nu goed, u moet maar ’s eerst aan een ander denken en dan aan uzelf, en u zult ’s zien hoe ze u met de gebakken peren laten zitten! Kent u ’t Spaansche spreekwoord niet: welbegrepen menschlievendheid begint met zichzelf?”

“Waarom zegt u niet liever,” antwoordde de teniënte mayor buiten zichzelve van ergernis: “dat welbegrepen lafheid begint met zelfzucht en eindigt met schande! Ik neem dadelijk mijn ontslag bij den alcalde: ik ben er beu van, den zot uit te hangen en niemand tot nut te wezen... Adios!”

De vrouwen waren van een ander gevoelen.

“Och, och!” zuchtte er een, die er goedig uitzag, “die jonge menschen toch! Wat zou zijn goeie moeder wel zeggen, als die nog leefde? Och God! Als ik toch ’s bedenk, dat mijn zoon ook zoo [307]iets kan overkomen, want dat ’s ook een heethoofd...Och Heerejee! Ik ben bijna jaloersch op zijn moeder, die dood is... ik zou doodgaan van verdriet.”

“Nu, ik niet,” antwoordde een andere vrouw, “ik zou er geen verdriet van hebben, als zoo iets aan mijn twee zoons overkwam.”

“Wat zegt u, Capitana Maria?” riep de eerste uit, en sloeg de handen in elkaar.

“Ik mag ’t zien, dat een zoon opkomt voor de nagedachtenis van zijn ouders. Capitana Finay, wat zou u wel zeggen als u eens, als weduwe, kwaad hoorde spreken van uw man en uw zoon Antonio zijn hoofd boog en geen woord er tegenin zei?”

“Ik zou hem mijn zegen niet meer willen geven!” riep een derde uit. ’t Was zuster Roefa. “Maar...”

“Mijn zegen niet meer geven, dat nooit!” viel de goedige Capitana Finay in, “een moeder mag zoo iets niet zeggen ...maar ik weet niet, wat ik doen zou ... ik weet niet.., ik geloof dat ik ’t besterven zou...ik zou hem...nee! Lieve God! maar ik zou hem niet meer willen zien...maar wat komt ’t er toch bij u op aan, Capitana Maria?”

“In allen gevalle,” voegde zuster Roefa erbij, “moet men nooit vergeten, dat het een groote zonde is, de hand op te heffen tegen een gewijd persoon, een heilig man.”

“De nagedachtenis van iemands ouders is nog heiliger,” hervatte Capitana Maria. “Niemand, zelfs de Paus niet, en nog minder Padre Dámaso, mag zoo’n heilige nagedachtenis ontwijden!”

“Dat is waar!” mompelde Capitana [308]Finay vol bewondering voor de wijsheid der beide anderen, “waar haalt u toch zulke mooie redeneringen vandaan?”

“Ja, maar hoe is ’t dan met de kerkelijke ban en de verdoemenis?” vond la Roefa nog in te brengen. “Wat beteekenen eer en goede naam in dit leven, als we onze verdoemenis in ’t leven hiernamaals bewerken? Alles is vergankelijk, maar de kerkelijke ban...een dienstknecht van Jezus Christus...te hoonen... zoo iets kan alleen de Paus vergeven!”

“God zal ’t wel vergeven, want ’t is zijn gebod vader en moeder te eeren. God zal hem niet in den ban doen! En ik zeg u: als dat jongmensch in mijn huis komt, dan ontvang ik hem en spreek ik met hem. Als ik een dochter had, dan woû ik dat hij mijn schoonzoon werd: iemand die een goed zoon is, zal zeker een goed echtgenoot zijn en een goed vader ook, gelooft u dat maar, zuster Rufa!”

“Nu, ik denk er anders over. U mag zeggen wat u wilt: al schijnt het ook dat u gelijk heeft, ik blijf den pastoor gelooven. Voor alles zorg ik voor ’t heil van mijn ziel. Wat zegt u, Capitana Finay?”

“Och, wat zal ik u zeggen? U hebt beiden gelijk! Ik weet ’t niet, ik ben maar ’n dom mensch... Maar ik weet wel, dat ik aan mijn zoon zal zeggen, dat hij niet meer studeeren moet! Ze zeggen dat de geleerden aan den galg eindigen. Heilige Moeder Gods! En dan woû mijn zoon nog wel naar Europa!”

“Wat denkt u dan te doen?”

“Hem zeggen dat hij bij me moet blijven. Wat geeft ’t of ie wat meer weet? Morgen of overmorgen gaan we [309]toch dood, de geleerde menschen evengoed als de domme menschen...de hoofdzaak is in vrede te leven.”

En de goede vrouw zuchtte, en sloeg de oogen ten hemel.

“Nu”, zei Capitana Maria ernstig, “als ik rijk was zooals u, dan zou ik mijn zoons vrij laten reizen: ’t zijn jongelieden, en ’t zullen eenmaal mannen moeten wezen...Ik heb wel niet lang meer te leven...we zouden elkaar in ’t andere leven terugzien. Zoons moeten er naar streven, wat meer te zijn dan hun ouders, en als we ze aan den leiband houden, leeren we ze alleen kind zijn?.

“Och, wat ’n vreemde ideën heeft u!” riep Capitana Finay ontsteld uit, en sloeg weer de handen in elkaar. “’t Is net of u geen pijn geleden heeft, toen u uw tweelingen kreeg!”

“Juist omdat ik ze met pijn ter wereld heb gebracht, en ze behoorlijk heb opgevoed, al zijn we nog zoo arm, wil ik niet, dat na al de moeiten en zorgen die ze ons gekost hebben het maar halve mannen werden...”

“Ik geloof niet dat u van kinderen houdt, zooals God het voorschrijft!” zeide zuster Roefa op eenigszins strengen toon.

“Och, neem me niet kwalijk: iedere moeder houdt van haar kinderen op haar eigen manier. Ik heb ze lief om hun zelf. Zoo heeft mijn man ’t me geleerd.”

“Al uw ideën, Capitana Maria,” zeide la Roefa op een preektoon, “zijn al heel weinig godsdienstig. Wordt u maar ’s zuster van den Allerheiligsten Rozenkrans, van Sint Franciskus, van Sinte Rita of van Sinte Clara!” [310]

“Zuster Roefa, zoodra ik me een waardige zuster van de menschen voel, zal ik zien zuster van de heiligen te worden,” antwoordde de ander lachend.


Op ’t marktplein zitten eenige landlieden te praten onder ’t daar opgeslagen verhemelte. De man die zooveel ophad met het doktersberoep zit erbij.

“Wat me ’t meeste spijt,” zei deze, “is dat de school nu niet afkomt.”

“Hoe zoo, hoe nu?” vroegen de omstanders vol belangstelling.

“Mijn zoon kan nu geen dokter meer worden, wel karrevoerder! Er komt niets van! Er komt geen school meer!”

“Wie zegt dat, dat er geen school komen zal?” vroeg een ruwe, stoergebouwde boer, met breede kaken en een smal hoofd.

“Ik! De blanke paters hebben gezegd dat Don Crisóstomo een pilibistiro is. Er komt geen school!”

Allen keken elkaar vragend aan: die naam was iets nieuws voor hen.

“En is dat iets leelijks, die naam?” waagde ten slotte de stoere landbouwer te vragen.

“’t Ergste wat de eene Christen van den ander kan zeggen!”

“Erger dan tarantado en saragaté?”2

“Was ’t dat maar! Daar hebben ze me dikwijls voor uitgescholden, en dat heeft me koud gelaten.”

“Och kom, ’t zal toch niet erger zijn dan ‘indio’, zooals de alférez ons noemt.”3 [311]

De man wiens zoontje karrevoerder zou worden, kijkt somberder, de ander krabt zich achter zijn oor en denkt na.

“Dan is ’t zeker net zooals bitlopora, (vete á la porra, loop naar de weerga!), wat de ‘ouwe’ van den alférez altijd zegt! Nog erger dan dat is spugen op de hostie.”

“Nu dan, ’t is nog erger dan spugen op de hostie op Goeden Vrijdag,” antwoordde hij ernstig. “U zult zich wel herinneren, dat het woord ispitjoso4, als het op iemand toegepast werd, voldoende was om te maken, dat de politie van villa-Abrille hem naar een ballingsoord of naar de gevangenis bracht. Nu, pilibistiro is veel erger: als ze je eenmaal pilibistiro noemen, ga dan maar dadelijk biechten en betaal je schulden af, want dan zit er niets anders op dan dat je je laat ophangen. Dat zeggen de lui die ’t weten kunnen.”

Allen waren onder den indruk.

Ze mogen me dwingen schoenen te dragen en mijn leven lang niets anders te drinken dan van die paardenpies, die ze bier noemen, als ik me ooit pilibistiro laat noemen!” zwoer onze boer terwijl hij zijn vuisten balde. Nou, als ik Don Crisóstomo was, zoo rijk was, en Spaansch kende als hij, en vlug kon eten met mes en lepel zooals hij, dan lachte ik om vijf pastoors bij elkaar!”

“De eerste de beste ‘guardia civil’ die ik kippen zie stelen, noem ik pilibistiro...en dan ga ik dadelijk biechten”, mompelde heel zachtjes een der landlieden, terwijl hij zich van ’t gezelschap verwijderde. [312]


1 Een cuarto is 1/16 van een peseta, dus thans ca. 3 ct N. C., een real vier maal zooveel.

2 Tarantado, door een tarantula-spin gebeten. Saragate, ruziemaker.

3Indios” noemen de Spanjaarden de katholieke inlanders.

4 Verbastering van sospechoso, verdacht.

[Inhoud]

XXXIV.

’t Eerste wolkje.

Ten huize van Capitán Tiago heerschte niet minder verwarring dan in de verbeelding der menschen. Maria Clara deed niets anders dan schreien en luisterde niet naar de troostwoorden van haar tante en van Andéng, haar zoogzuster. Haar vader had haar verboden met Ibarra te spreken, zoolang de geestelijken hem geen absolutie van den kerkelijken ban hadden gegeven.

Capitán Tiago, die het erg druk had met het in orde brengen van zijn huis voor de waardige “ontvangst” van den gouverneur, was naar het “klooster” opgeroepen.

“Schrei maar niet, kindje,” zeide tante Isabel onder ’t zemen der glimmende spiegelvlakken, “ze zullen den ban wel opgeheven krijgen, ze zullen wel aan zijn Heiligheid den Paus schrijven...we zullen een groote gift aan de armen doen...Padre Dámaso heeft alleen maar een flauwte gehad...hij is niet dood!”

“Schrei niet,” zei Andéng zacht tot haar, “ik zal wel zorgen, dat je met hem praten kunt: waartoe dienen anders biechtstoelen, als om te kunnen zondigen? Alles wordt vergeven, als je ’t maar aan den pastoor zegt.”

Eindelijk kwam Capitán Tiago! De vrouwen zochten in zijn gelaat het antwoord op veel vragen; doch ’t gelaat van Capitán Tiago verkondigde ontmoediging. De arme man transpireerde. Hij wreef zijn hand langs zijn voorhoofd, en kon geen woord uitbrengen.

“Wat is er, Santiago?” vroeg tante Isabel vol bezorgdheid. [313]

Hij antwoordde met een zucht, en wischte zich een traan weg.

“Om Gods wil, spreek toch! Wat is er gebeurd?”

“Wat ik wel gevreesd had!” barstte hij eindelijk half schreiend los. Alles is verloren! Padre Dámaso beveelt me de verloving af te breken; als ik ’t niet doe, ben ik verdoemd in dit leven en hier namaals! Ze zeggen allemaal ’t zelfde, zelfs Padre Sibyla! Ik moet de deur van mijn huis voor hem sluiten en...ik ben hem meer dan vijftig duizend peso’s schuldig! Dat heb ik ook aan de paters gezegd, maar ze gaven er niks om. Wat verlies je liever, zeiden ze, vijftig duizend peso’s of je leven en je ziel? Ach, San Antonio! als ik ’t geweten had, als ik ’t geweten had, als ik ’t geweten had!”

Maria Clara snikte.

“Schrei niet, mijn kindje,” hervatte hij, zich tot haar wendend. Jij bent niet zooals je moeder: die schreide nooit... nooit anders dan om een grilletje...Padre Dámaso heeft me gezegd, dat er al een familielid van hem uit Spanje is aangekomen...die bestemt hij je tot aanstaande...”

Maria Clara hield de ooren dicht.

“Maar Santiago, ben je nu heelemaal gek?” riep tante Isabel. “Haar nu met een anderen vrijer aan boord te komen. Denk je dan dat je dochter zoo maar van aanstaande verwisselt, alsof ze een ander hemd aantrekt?”

“Dat heb ik ook niet gedacht, Isabel. Don Crisóstomo is rijk...Spanjaarden trouwen alleen om ’t geld...maar wat wil je dat ik eraan doen zal? Ze hebben me met nog een kerkban gedreigd... Ze zeggen, dat niet alleen mijn ziel groot gevaar [314]loopt, maar ook mijn lichaam ... mijn lichaam, versta je wel, mijn lichaam!”

“Maar jij doet niet anders dan je dochter den moed benemen! Is de aartsbisschop niet een vriend van je? Waarom schrijf je dien niet?”

“De aartsbisschop is ook fraile, en de aartsbisschop doet niet anders dan wat de frailes hem zeggen. Maar Maria, je moet niet schreien: de gouverneur komt straks. Hij zal je willen zien, en je hebt roode oogen...Och, ik die gedacht had een gelukkigen avond te zullen doorbrengen... Zonder die groote tegenspoed zou ik de gelukkigste man op aarde wezen, en iedereen zou me benijd hebben...Bedaar wat mijn kind: ik ben ongelukkiger dan jij, en ik schrei niet! Jij kunt nog een beteren aanstaande krijgen. Maar ik, ik verlies vijftig duizend peso’s! Ach, Heilige Maagd van Antipolo, als ’t me vanavond ten minste maar wat meeliep!”

’t Knallen van schoten, rollen van rijtuigen, paardengetrappel, muziek die de koningsmarsch speelde, kondigden de komst van Z. E. den Gouverneur der Filippijnsche eilanden aan. Maria Clara liep weg, en verschool zich in haar slaapkamer... Arm meisje! Met haar hart speelden grove handen, die er de fijne vezelen niet van kenden!

Terwijl het huis vol menschen liep, en krachtige schreden, commando-stemmen, sabel-gerinkel en sporen-geklik overal weerklonken, lag het zwaarbezochte jonge meisje neergeknield voor een gravure van de Heilige Maagd. Deze was daar voorgesteld in die houding van smartelijke verlatenheid, welke alleen Delaroche doorvoeld heeft, als had hij [315]haar verraste op ’t oogenblik, dat ze ’t graf van haar zoon verliet.

Maria Clara dacht niet aan de smart dier moeder, ze dacht aan haar eigen verdriet. Het hoofd op de borst gezonken en de handen op den grond gesteund, geleek ze den stengel eener lelie door den storm neergebogen. Een toekomstbeeld, waarvan ze jaren gedroomd, dat ze jaren gekoesterd had, welks illusies, opgekomen in de kindsheid en opgegroeid met de jeugd, vorm gaven aan de cellen van haar organisme, thans uit geest en hart te willen wegwisschen met een enkel woord! Dat is ’t zelfde als het kloppen van dat hart te doen ophouden, ’t licht te benemen aan dien geest!

Maria Clara was een even goed en vroom Christin, als een liefhebbende dochter. Niet alleen de kerkelijke ban over Ibarra vervulde haar met angst: het bevel en de bedreigde rust van haar vader eischten thans het offer harer liefde. Ze besefte nu de kracht dezer neiging meer dan ooit te voren. ’t Was een zachtkens voortglijdende rivier geweest, met geurige bloemtapijten aan haar oevers, en fijn zand op haar bedding. Haar water werd te nauwernood door den wind gerimpeld. ’t Was of de stroom allengs minder snel werd, zoo liet ze zich aanzien. Doch opeens vernauwen zich haar oevers, steile rotsen beletten haar den doortocht, eeuwenoude boomstammen liggen over elkaar als om een dam te vormen... O, dan loeit de rivier, dan rijst het water, dan zieden de golven, dan stuiven pluimen van schuim, dan beukt ze de rotsen en stort zich in den afgrond! [316]

Maria Clara wilde bidden, maar wie bidt er in wanhoop? We bidden wanneer we hopen, en anders kunnen we, tot God gewend, slechts klachten uiten.

“Mijn God!” kreet haar hart, “waarom moet gij zoo een man uitstooten, hem de liefde zijner medemenschen ontzeggen? Gij onthoudt hem niet uw zon, noch uw lucht, gij verbergt hem evenmin het gezicht op uw hemel, waarom hem de liefde te weigeren, wanneer men leven kan zonder hemel, zonder lucht en zonder zon, maar nimmer zonder liefde?”

[Inhoud]

XXXV.

Zijne Excellentie.

“Ik wensch dat jonge mensch te spreken!” zeide Zijne Excellentie tot een adjudant, “hij heeft bizonder mijn belangstelling opgewekt.”

“Er is al iemand gezonden, om hem te halen, Excellentie. Maar hier is een jongmensch uit Manila, dat met veel aandrang om gehoor bij u vraagt. We hebben hem gezegd dat u geen tijd had, en dat u niet gekomen waart, om audiënties te verleenen, maar om het dorp en de processie te zien; maar hij zegt dat Uwe Excellentie altijd tijd heeft om recht te doen...”

De gouverneur wendde zich verwonderd tot den alcalde.

“Als ik me niet vergis,” antwoordde deze met een lichte buiging, “is het dezelfde jonge man, die van morgen een kwestie met Padre Dámaso gehad heeft, ter zake van de preek.”

“Nogal een! Heeft die geestelijke ’t in zijn hoofd gezet de heele provincie in beroering te brengen, of gelooft hij, [317]dat hij hier de baas is? Laat hem binnen!”

Zijne Excellentie stapte zenuwachtig op en neer, van ’t eene uiteinde der zaal naar ’t andere.

In de wachtkamer waren verscheidene Spanjaarden, samen met militairen en overheidspersonen van ’t dorp San Diego en naburige plaatsen. In groepjes verdeeld, waren ze druk aan ’t praten of redetwisten. Ook waren daar bijeen al de frailes, behalve Padre Dámaso, om hun opwachting te maken bij den gouverneur.

“Zijne Excellentie de ‘Capitán Generaal’ verzoekt uwe weleerwaarden een oogenblikje geduld te hebben!” zeide de adjudant. “Wilt u maar binnengaan, jongmensch?”

De bewuste Manileen, die Grieksch met Tagaalsch verwarde, trad bleek en bevend de zaal binnen.

Allen waren uiterst verbaasd; Zijne Excellentie moest wel zeer verstoord wezen, om de monniken te laten wachten. Padre Sibyla zeide:

“Ik heb hem niets te zeggen!...Ik vermors hier mijn tijd!”

“Dat zeg ik ook”, voegde een Augustijner eraan toe. “Zullen we maar heengaan?”

“Zou ’t niet beter zijn dat we ons eerst eens op de hoogte stelden, hoe hij denkt?” vroeg Padre Salvi, “dan vermijden we een schandaal...en...konden we hem eens herinneren... aan zijn verplichtingen jegens...den godsdienst...”

“Uwe weleerwaarden gelieven binnen te komen, als ’t u belieft!” zeide de adjudant. Het jongmensch, dat geen Grieksch verstond, werd door hem [318]uitgeleid, en zijn gezicht straalde nu van voldoening.

Fray Sibyla ging ’t eerst binnen; daarna kwamen Padre Salvi, Padre Manuel Martin en de andere monniken. Ze groetten nederig, behalve Padre Sibyla, die zelfs in zijn buiging een zeker meerderheidsvertoon bewaarde.

Padre Salvi daarentegen boog als een knipmes.

“Wie van uwe weleerwaarden is Padre Dámaso?” vroeg Zijne Excellentie opeens, nog zonder dat hij hun een stoel geboden, of naar hun gezondheid gevraagd had, en zonder tot hen de vleiende complimenten te richten, waaraan zulke hooge personages gewoon waren.

“Padre Dámaso is hier niet, meneer!” antwoordde Padre Sibyla op bijna denzelfden drogen toon.

“Die dienaar van Uwe Excellentie ligt ziek te bed,” voegde Padre Salvi er nederig aan toe. “Na ’t genoegen gehad te hebben van u te begroeten en ons op de hoogte gesteld te hebben van den staat van uw gezondheid, zooals het aan alle goede onderdanen van den Koning en alle welopgevoede menschen betaamt, kwamen we ook uit naam van dien eerbiedigen dienaar van Uwe Excellentie, die ’t ongeluk gehad heeft...

“O!” viel de Capitán Generaal in de rede, terwijl hij een stoel op een poot liet ronddraaien, en zenuwachtig lachte, “als alle dienaren van Mijne Excellentie zoo waren als de weleerwaarde Pater Dámaso, dan zou ik liever zelf Mijne Excellentie dienen!”

De weleerwaarden, die reeds lichamelijk stilstonden, stonden thans ook geestelijk stil bij dezen uitval. [319]

“Gaat u zitten, weleerwaarden!” hervatte hij, na een oogenblik zwijgens en op ietwat vriendelijker toon.

Capitán Tiago kwam gerokt en op zijn teenen binnen. Hij leidde Maria Clara aan de hand, die met onzekere schreden en vol verlegenheid de zaal in kwam.

Desondanks maakte ze een bevallige en eerbiedige buiging.

“Is deze jonge dame een dochter van u?” vroeg de gouverneur verwonderd.

“En van Uwe Excellentie!” antwoordde Capitán Tiago hoog-plechtig.

De alcalde en de adjudanten zetten de oogen wijd open. Doch Zijne Excellentie vertrok geen spier van zijn gelaat op deze wat vergedreven Spaansche hoffelijkheid en stak het jonge meisje de hand toe. Op vriendelijken toon zeide hij:

“Gelukkig de vaders die dochters hebben zooals u, mejuffrouw! Ik heb met eerbied en bewondering over u hooren spreken...ik verlangde u eens te zien; om u dank te zeggen voor de schoone daad, die u vandaag heeft volbracht. Ik ben op de hoogte van ‘alles,’ en wanneer ik aan de hooge regeering schrijf, zal ik uw edelmoedig gedrag niet vergeten. Veroorloof me inmiddels, mejuffrouw, dat ik namens Zijne Majesteit den Koning, dien ik hier vertegenwoordig, en die ‘den vrede en rust’ van zijn trouwe onderdanen liefheeft, en in mijn eigen naam, in dien van een vader, die ook dochters heeft van uw leeftijd, u van harte dank te zeggen en voor te dragen voor een belooning!”

“Meneer!” ... antwoordde Maria Clara bevend. [320]

Zijne Excellentie ried wat zij wilde zeggen en hervatte:

“’t Is heel goed, mejuffrouw, dat u zich tevreden stelt met de goedkeuring van uw eigen geweten en met de achting van uwe medeburgers: dat is ook werkelijk de beste belooning, en we moeten ook eigenlijk niet meer verlangen. Maar u moet me niet de mooie gelegenheid benemen, om te doen zien, dat, zoo de gerechtigheid kan straffen, ze ook weet te beloonen, en dat ze niet altijd ‘blind’ is.

De woorden tusschen aanhalings-teekens waren op beteekenisvolle wijze, met verheffing van stem uitgesproken.

“De heer Don Juan Crisóstomo Ibarra wacht de orders van Uwe Excellentie!” zeide zijn adjudant met luider stem. Maria Clara huiverde.

“O!” riep de Capitán General, “veroorloof me, mejuffrouw, dat ik den wensch uitspreek, u terug te mogen zien, voordat ik de plaats verlaat: ik heb u nog zeer belangrijke dingen te zeggen. Meneer de alcalde, u zult me wel op de wandeling willen vergezellen—die doe ik te voet—nadat ik een onderhoud onder vier oogen met meneer Ibarra zal hebben gehad.”

“Uwe Excellentie zal ons veroorloven u te verwittigen,” zeide Padre Salvi nederig, “dat de heer Ibarra in de kerkelijke ban is...”

Zijne Excellentie viel hem in de rede:

“’t Verheugt me zeer, dat ik niet anders te betreuren heb, dan de ongesteldheid van Padre Dámaso, aan wien ik ‘oprecht’ een ‘volledig herstel’ toewensch; want op zijn leeftijd moet een ‘reis naar Spanje’ om gezondheidsredenen [321]niet bizonder aangenaam wezen. Maar dat hangt van hem af... en intusschen wensch ik, dat God de gezondheid van uwe weleerwaarden moge behoeden!”

De geestelijken namen afscheid.

“Nu, of ’t van hem af zal hangen!” mompelde Padre Salvi onder ’t heengaan.

“We zullen ’s zien wie ’t eerst de reis zal maken!” voegde een andere Franciskaan er aan toe.

“Ik ga nu dadelijk weg!” zeide Padre Sibyla spijtig.

“En wij naar onze provincie!” zeiden de Augustijners.

Dezen konden het niet zetten dat, door de schuld van een Franciskaan de gouverneur hen koel ontvangen had.

In de wachtkamer ontmoetten ze Ibarra, hun gastheer van eenige uren te voren.

Ze wisselden geen enkelen groet met hem, wel blikken die heel veel zeiden.

De alcalde daarentegen groette hem, toen de monniken weg waren, en stak hem familiaar de hand toe. Doch de komst van den adjudant, die den jongen man zocht, belette dat het tot een gesprek kwam.

Bij den deur kwam hij Maria Clara tegen: ook hun blikken zeiden veel, al was ’t heel wat anders dan wat de oogen der frailes uitdrukten.

Ibarra was streng in den rouw. Bedaard trad hij binnen en groette diep, ofschoon het bezoek der monniken hem niet veel goeds scheen te voorspellen.

De Capitán Generaal trad hem eenige schreden tegemoet.

“’t Doet me recht veel genoegen, meneer Ibarra, u de hand te mogen drukken,” zeide hij. “Veroorloof me dat ik [322]u hier op vertrouwelijken voet ontvang.”

Zijne Excellentie sloeg inderdaad den jongeman met blijkbare voldoening gade.

“Meneer...u bent wel goed!”

“Uw verwondering is niet vleiend, ’t is alsof u zegt dat u geen goede ontvangst van me verwachtte: dat is twijfelen aan mijn rechtvaardigheid!”

“Een vriendschappelijke ontvangst, meneer, is voor een onbeteekenend onderdaan van Zijne Majesteit als ik ben, geen rechtvaardigheid, maar een gunst.”

“Goed, goed!” zeide Zijne Excellentie en ging zitten, terwijl hij den ander een stoel aanwees, “laat u me een oogenblik vrij mijn hart uitspreken. Ik ben zeer voldaan over uw gedrag, en ik heb u al aan de regeering van Zijne Majesteit voorgedragen voor een decoratie, voor uw menschlievend denkbeeld om een school op te richten...Als u zich tot mij gewend had, zou ik met genoegen de openingsplechtigheid bijgewoond en u misschien een onaangenaamheid bespaard hebben.”

“’t Denkbeeld leek me zoo klein”, antwoordde de jongeman, dat ik het niet waardig genoeg achtte, om uw aandacht af te roepen van uw talrijke bezigheden. Bovendien was het mijn plicht me eerst te richten tot de hoogste overheidspersoon in mijn provincie.”

Zijne Excellentie bewoog het hoofd met een uitdrukking van voldoening, en, steeds gemeenzamer toon aannemende, ging hij voort:

“Wat betreft het ongenoegen dat u met Padre Dámaso gehad heeft, moet u niet vreezen en ook geen wrok koesteren: zoolang ik ’t bestuur voer over deze eilanden zal geen haar op uw hoofd [323]gekrenkt worden. En wat de kerkelijke ban aangaat, daar zal ik wel met de aartsbisschop over spreken, omdat het noodzakelijk is, ons naar de omstandigheden te voegen: hier zouden we niet, zooals in Spanje of daarbuiten in ’t verlichte Europa, openlijk kunnen lachen om zulke dingen. Toch moet u voortaan voorzichtiger wezen. U heeft u tegenover de geestelijke orden gesteld, die om hun beteekenis en hun rijkdom ontzien moeten worden. Maar ik zal u in bescherming nemen, omdat ik houd van goede zoons; ’t doet me goed te zien, dat men de nagedachtenis van zijn ouders eert. Ik heb de mijne ook liefgehad, en bij God! ik weet niet wat ik in uw plaats wel gedaan zou hebben...”

En, snel van gesprek veranderend, vroeg hij:

“Men heeft me gezegd, dat u pas uit Europa terug is. Bent u in Madrid geweest?”

“Jawel, meneer, eenige maanden.”

“Heeft u misschien van mijn familie gehoord?”

“U was juist vertrokken, toen ik de eer had met uw familie in kennis gebracht te worden.”

“En hoe komt het dan, dat u zonder eenige aanbeveling hier teruggekomen is?”

Ibarra boog en zeide: “Omdat ik niet rechtstreeks uit Spanje kom, meneer, en omdat ik wetende hoe uw karakter was, gemeend heb, dat een aanbeveling niet alleen onnut, maar zelfs beleedigend zou wezen; wij Filippijners zijn u allen goed aanbevolen.”

Een glimlach teekende zich op de lippen van den krijgsman. Langzaam, als wikte en woog hij zijn woorden, [324]hervatte hij:

“Erg vleiend voor me dat u zoo denkt en...zoo moet het ook wezen! Niettemin zal ’t u, jongeman, niet onbekend zijn, welke zware lasten ons hier op de Filippijnen drukken. Hier moeten wij, oud-militairen, alles doen en alles zijn: koning, minister van buitenlandsche zaken, van oorlog, van binnenlandsche zaken, van financiën, van justitie enz. en ’t ergste is nog, dat we voor iedere zaak ’t verre moederland hebben te raadplegen. Dat keurt, al naar omstandigheden, goed of af, soms in den blinde, wat wij voorstellen of afraden. U weet hoe ’t gaat: wie te veel hooi op zijn vork neemt... We komen bovendien meestal met heel weinig kennis van het land, en we gaan weer heen, wanneer we ’t beginnen te leeren kennen. Tegenover u kan ik vrij-uit spreken, want ’t zou geen nut hebben, iets anders voor te wenden. Zoodat, als in Spanje waar iedere tak van dienst zijn minister heeft, geboren en getogen op de plaats zelf, waar een pers is en een openbare meening; waar de vrije oppositie het bestuur de oogen opent en het voorlicht, als daar alles onvolmaakt en gebrekkig gaat, is ’t wel een wonder dat hier niet alles een warboel is, waar we die voordeelen missen, en er in ’t verborgene een machtiger oppositie leeft en werkt.

Ons bestuurders ontbreekt de goede wil niet, maar we zien ons gedwongen ons te bedienen van een andermans oogen en armen, die we gewoonlijk niet kennen, en die wellicht in plaats van hun land te dienen, alleen hun eigen belang dienen. Dat is onze schuld niet: dat ligt aan de omstandigheden. De monniken [325]helpen ons niet weinig om uit de moeilijkheid te komen, maar dat is niet meer voldoende...u boezemt me belangstelling in, en ik wenschte wel dat de onvolmaaktheid van ons bestuurstelsel u in niets benadeelde...ik kan niet voor iedereen waken, en niet iedereen kan naar mij toekomen om hulp. Kan ik u van dienst zijn in ’t een of ander? Heeft u iets te verzoeken?”

Ibarra dacht even na.

“Meneer,” antwoordde hij, “mijn grootste wensch is ’t geluk van mijn land, een geluk dat ik zoo gaarne verschuldigd zou zien aan het moederland en aan de inspanning van mijn medeburgers: die zijn immers door eeuwige banden van gemeenschappelijke bedoelingen en belangen verbonden. Wat ik vraag kan het bestuur alleen geven na veel jaren van aanhoudenden arbeid en doeltreffende hervormingen.”

Zijne Excellentie keek hem eenige seconden aan met een blik, dien Ibarra ongedwongen teruggaf.

“U bent de eerste man met wien ik spreek in dit land,” riep hij uit, hem de hand toestekend.

“Uwe Excellentie heeft alleen maar de kruiperige stedelingen leeren kennen, u kent onze eenvoudige dorpelingen niet: anders had u wel echte mannen gezien, als een edelmoedig hart en een eenvoudige levenswijze voldoende zijn om iemand een echt man te doen noemen.”

De gouverneur stond op, en begon in de zaal heen en weer te stappen.

“Meneer Ibarra,” riep hij opeens stilstaande. De jongeman stond ook op. “Binnen een maand vertrek ik misschien. Uw opvoeding en uw denkbeelden zijn [326]niet geschikt voor dit land. Verkoopt u alles wat u bezit, pak uw koffers, en ga met mij mee naar Europa: dat is een betere luchtstreek voor u.”

“Ik zal de herinnering aan uw goedheid steeds mijn leven lang bewaren!” antwoordde Ibarra eenigszins ontroerd, “maar ik moet blijven wonen in ’t land, waar mijn ouders geleefd hebben...”

“Waar ze gestorven zijn, zou juister gezegd zijn! Gelooft u me, misschien ken ik uw land nog beter dan u zelf...

Och! Nu herinner ik me!” riep hij uit, van toon veranderend, “u gaat trouwen met een allerliefst jongmeisje, en ik houd u maar op. Gaat u maar, gaat u maar naar haar toe, en stuur me haar vader maar, dan heeft u meer vrijheid”, voegde hij er lachend aan toe. “Maar u moet niet vergeten dat ik straks met u wandelen wil.”

Ibarra groette, en ging heen.

De gouverneur riep zijn adjudant.

“Ik ben voldaan!” zeide hij, en tikte hem met de vlakke hand op den schouder, “ik heb vandaag voor ’t eerst gezien, hoe men een goed Spanjaard kan wezen en tegelijkertijd een goed Filippijner, die zijn land liefheeft. Ik heb vandaag eindelijk eens die ‘weleerwaarden’ duidelijk gemaakt, dat we hier niet allemaal hun speeltuig zijn: dit jongemensch heeft me de gelegenheid verschaft en ik zal gauw met dien fraile afrekenen. Jammer dat die jongeman den een of anderen dag ... maar roept u ’s den alcalde!”

Deze verscheen onmiddellijk.

“Meneer de alcalde,” zeide hij hem dadelijk bij ’t binnentreden, “om te vermijden dat er weer zulke tooneelen [327]komen als dat waar u bij is geweest, toonelen, die ik betreur, omdat ze ’t prestige van ’t bestuur en van alle Spanjaarden afbreuk doen, veroorloof ik me, u met grooten aandrang den heer Ibarra aan te bevelen, opdat u hem niet alleen de middelen verschaffe om zijn vaderlandslievende plannen uit te voeren, maar u ook vermijde, dat hem voortaan personen, van welken stand of onder welk voorwendsel ook, lastig vallen.”

De alcalde begreep de terechtwijzing, en boog, om zijn ontroering te verbergen.

Laat u ’t zelfde aan den alférez zeggen die hier de sectie kommandeert. En gaat u ’s na, of het waar is, dat deze meneer op zijn eigen houtje handelt, buiten zijn reglementen om. Ik heb daarover meer dan één klacht gehad.”

Capitán Tiago verscheen, strak en glimmend van de stijfsel.

“Don Santiago,” zei Zijne Excellentie op vriendelijken toon tot hem, “kort geleden wenschte ik u geluk, omdat u een dochter heeft als mejuffrouw de los Santos. Nu feliciteer ik u met uw aanstaanden schoonzoon: de deugdzaamste onder de dochters is stellig waardig de vrouw te worden van den besten burger op de Filippijnen. Mag ik ook weten wanneer de bruiloft zal wezen?”

“Meneer!...” stamelde Capitán Tiago, en hij veegde het zweet af, dat hem over zijn voorhoofd liep.

“Komaan, ik zie dat er nog niets bepaald is! Als u soms nog een bruidsjonker noodig heeft, bied ik me met het grootste genoegen aan. Dat zou wezen om de nare nasmaak weg te maken van al de bruiloften waarop ik tot nu toe bruidsjonker geweest ben!” liet hij volgen, [328]terwijl hij zich tot den alcalde wendde.

“Ja, meneer!” antwoordde Capitán Tiago met een glimlach, die hartroerend was.

Ibarra liep bijna hard, om naar Maria Clara toe te gaan: hij had haar zooveel te zeggen en te vertellen.

Hij hoorde vroolijke stemmen in een der kamers, en klopte zachtjes op de deur.

“Wie klopt daar?” vroeg Maria Clara.

“Ik!”

De stemmen bij de deur zwegen, en de deur...ging niet open.

“Ik ben ’t, mag ik binnen?” vroeg de jongeman, wiens hart hevig klopte.

’t Bleef stil. Eenige oogenblikken later kwamen er lichte schreden naar de deur, en de vroolijke stem van Sinang zeide zacht door het sleutelgat:

Crisóstomo, we gaan vanavond naar de comedie. Schrijf wat je Maria Clara te zeggen hebt.”

En de schreden verwijderden zich weer, even snel als ze gekomen waren.

“Wat moet dat nu beteekenen?” mompelde Ibarra in gepeins, terwijl hij langzaam heenging.

[Inhoud]

XXXVI.

De processie.

’s Avonds, toen al de lantarens der vensters reeds aangestoken waren, trok de processie voor de vierde maal uit, bij ’t luiden der klokken en het welbekende geknal en geschiet.

De gouverneur, die te voet uit was gegaan, vergezeld van zijn beide adjudanten, Capitán Tiago, den alcalde, den alférez en Ibarra, en voorafgegaan door [329]guardias civiles en overheidspersonen die den weg open hielden, werd uitgenoodigd om de processie te zien voorbijgaan ten huize van den burgemeester. Deze had een plankier voor zijn huis laten aanbrengen, om daar een loa (loflied) ter eere van den schutsheilige te laten voordragen.

Ibarra zou met genoegen ervan afgezien hebben, dit dichtgewrocht te hooren, en liever de processie hebben zien voorbijgaan in ’t huis van Capitán Tiago, waar Maria Clara met haar vriendinnen zou gebleven zijn, doch Zijne Excellentie wenschte de loa te hooren, en er zat dus voor hem niets anders op, dan zich te troosten met de hoop, haar in de komedie te zien.

De processie begon met de zilveren kerkkandelabers, gedragen door drie gehandschoende kosters. Daarna volgden de schoolkinderen, vergezeld door hun meester; dan de jongens met de papieren lantarens van allerlei vorm en kleur aan een naar eigen smaak versierde bamboe vastgemaakt: deze illuminatie toch werd door de jeugd in iedere wijk zelf bekostigd.

In ’t midden liepen politie-mannen heen en weer, om de orde te handhaven, waarvoor ze zich van hun rotan-stokken bedienden.

Tegelijkertijd dat deze mannen gratis klappen uitdeelden, gaven anderen, als troost aan de slachtoffers, kaarsen van verschillende afmetingen, eveneens gratis.

“Meneer de alcalde”, zeide Ibarra zacht, “worden die klappen uitgedeeld als straf voor gedaan kwaad, of alleen voor plezier?” [330]

“U heeft eigenlijk gelijk, meneer Ibarra!” antwoordde de gouverneur, die de vraag gehoord had. “Dat...barbaarsche gedoe verbaast iedereen die uit andere landen komt. ’t Moest verboden worden.”

Zonder dat men kon verklaren waarom, was de eerste heilige die verscheen Johannes de Dooper. Men zou zeggen, dat hij niet erg in aanzien was: zijn beenen en voeten waren als van een jongmeisje, zijn gelaat dat van een kluizenaar, maar hij werd gedragen op een oude houten baar, en een troepje jongens, met onaangestoken papieren lantarens, die heimelijk elkaar stompen gaven, verduisterden zijn glorie.

De heilige Franciskus, die volgde, werd op een prachtige kar vervoerd, die omringd was van lichtjes en glazen lantarens. Een muziekkorps vergezelde het schitterende voertuig.

Hierna kwam een vaandel, waarop dezelfde heilige was afgebeeld, maar met zeven vleugels. Het werd gedragen door de Hermanos Ferceros of “Derde broeders,” die in grauwe pijen gekleed waren en luide en klagend gebeden opdreunden. Op eveneens onverklaarbare wijze volgde Maria Magdalena, een zeer fraai beeld met overvloedig haar, een doorschijnend fijne geborduurde zakdoek tusschen de met ringen bedekte vingers, en in een zijden met gouden plaatjes versierd kleed. Lampen en wierookvaten omzwierden haar. Men zag haar glazen tranen de kleuren van ’t bengaalsch licht weerkaatsen, dat aan de processie een fantastisch aanzien gaf, zoodat de heilige zondares nu eens groen, dan rood, en andermaal blauw schreide. De huizen begonnen dit licht eerst af te [331]steken toen de heilige Franciskus voorbijkwam; Johannes de Dooper genoot deze eer niet, en ging haastig voorbij, verlegen dat hij de eenige was die in dierenhuiden gekleed ging, onder zooveel met goud en edelgesteenten bedekte menschen.

“Daar komt onze heilige!” zeide de dochter van den burgemeester tot haar bezoeksters: “ik heb haar mijn ringen geleend, maar ’t is om den hemel te verdienen.”

De lichtdragers hielden stil rondom het plankier, om naar de loa te luisteren, de heiligen deden ’t zelfde. Zij, die Johannes den Dooper droegen, werden moe van ’t wachten, zetten zich op hun hurken, en vonden ’t goed hem op den grond te zetten.

“De politie zal aanmerking maken,” zei er een.

“En in de sakristie dan? Daar laten ze ’m in een hoek tusschen de spinnewebben!...”

En Sint Jan, eenmaal op den grond, werd nu geheel een man van ’t volk.

Na de Magdalena kwamen de vrouwen: alleen was hier de volgorde anders dan bij de mannen, want in plaats van met de jongen te beginnen kwamen hier eerst de oudjes terwijl de jonge meisjes de stoet afsloten tot de kar der Heilige Maagd, waarachter de pastoor onder zijn troonhemel liep. Deze gewoonte was overgenomen van Padre Dámaso, die zeide: De Heilige Maagd houdt van de jonge meisjes, niet van de oudjes. Iets dat veel vrome besjes lang niet prettig stemde, maar ’t was nu eenmaal de smaak van Onze Lieve Vrouw.

Sint Jakob (San Diego) volgde op [332]Magdalena, ofschoon hij zich daarover niet scheen te verheugen, want hij bleef boetvaardig kijken evenals in den ochtend, toen hij achter Sint Franciskus aankwam. Zes “Derde-zusters” trokken zijn kar vooruit, om de een of andere gelofte of ziekte: een feit is ’t dat ze trokken, en met allen ijver. Sint Jakob hield stil voor ’t plankier, en wachtte tot men hem groette.

Doch er moest gewacht worden op de kar van de Heilige Maagd, voorafgegaan door als spoken gekleede menschen. De kinderen waren er bang voor, en daarom hoorde men een voortdurend geschrei en gegil. Evenwel zag men te midden van die donkere massa plechtgewaden, monniks- en nonnekappen en hoorde, bij ’t eentonig neusgeluid der gebeden, als witte jasmijnen, als frissche tjampaka’s tusschen oude vodden, twaalf meisjes met witte pakjes en bloemkransen op ’t hoofd, met krullend haar en stralenden blik. ’t Leken kleine lichtgeniën in gevangenschap van spoken. Ze hielden allen twee breede blauwe linten vast, die verbonden waren aan de kar van de Heilige Maagd, en deden denken aan de duiven die de kar der Lente voorttrekken.

Na lang wachten verscheen uit een gordijn een aardig kereltje met vleugels, rijlaarzen, een sjerp, een ceintuur en een hoed met pluimen.

De verzen die ’t ventje voordroeg waren in ’t Latijn, Tagaalsch en Spaansch, en oogstten veel bijval, al verstond men er weinig van.

Daarna zette de stoet zich weer in beweging: Sint Jan vervolgde zijn lijdensweg. [333]

Toen ’t beeld der Maagd voorbij Capitán Tiago’s huis kwam, begroette een hemels gezang het met de woorden van den aartsengel. ’t Was een teedere melodieuze smeekende stem, die ’t “Ave Maria” van Gounod uitschreide, zich zelf begeleidend op de piano. De processiemuziek zweeg, het bid-gedreun verstomde, en zelfs Padre Salvi stond stil. De stem deed innig aan en ontrukte tranen: ze drukte meer uit dan een groet, ’t was een bede en een klacht tegelijk.

Ibarra hoorde de stem aan ’t venster waar hij zat, en ontzetting en weemoed daalden in zijn hart. Hij begreep wat die ziel leed en in een lied uitdrukte, en hij vreesde zichzelf naar de oorzaak van dat leed te vragen.

Somber en in gedachten verdiept vond hem de gouverneur: “u moet aan tafel bij me zitten,” zeide hij tot hem, “daar zullen we ’s spreken over die kinderen, die verdwenen zijn.”

“Zou ik de oorzaak wezen?” zeide de jonge man bij zich zelf en volgde met een leege blik werktuigelijk Zijne Excellentie.

[Inhoud]

XXXVII.

Doña Consolación.

Waarom zijn de vensters in ’t huis van den alférez gesloten? Waar waren, terwijl de processie voorbijtrok, het mannelijk gelaat en de flanellen blouse der Muze van de guardia Civiel? Zou Doña Consolación begrepen hebben, hoe onwelkom haar voorhoofd was, met de dikke aderen erop, die wel azijn en gal schenen te bevatten in plaats van bloed, en de dikke sigaar, waardig sieraad van haar roode lippen, en haar jaloersche blikken? [334]En heeft ze, zwichtend voor een opwelling van edelmoedigheid met haar akelige verschijning de volksvreugde niet willen verstoren? Niet waarschijnlijk.

Het huis vertoont geen lantarens, noch vlaggen. Als de schildwacht niet voor de deur op en neer geloopen had, zou men gezegd hebben dat het huis onbewoond was.

Een zwak licht scheen in de ontredderde voorkamer, en maakte de vuile schelpen, die als ruiten dienst deden en vol met spinnewebben en stof zaten, doorschijnend. De vrouw des huizes, ouder gewoonte luierend, dommelde in een grooten leuningstoel. Ze was gekleed als alle dagen, dat wil zeggen: vreeselijk slordig; als eenige hoofdtooi een doekje, waaruit sprietige, korte, verwarde lokken te voorschijn kwamen; de blauwflanellen blouse, over een hemd dat wit moest geweest zijn, een verkleurde rok, gespannen over de magere platte dijen, die nu over elkaar geslagen waren en koortsachtig trilden. Uit haar mond kwamen van tijd tot tijd gulpen rook, die ze met verveling wegblies in de ruimte, waarin ze staarde, wanneer ze de oogen opendeed.

Die ochtend was onze dame niet naar de mis geweest; niet omdat ze niet gewild had, integendeel, ze had zich gaarne aan de menigte vertoond en de preek gehoord, maar haar man had het haar niet toegestaan. En, zooals altijd, was het verbod gepaard gegaan met een paar scheldwoorden, vloeken en schop-dreigementen. De alférez begreep dat zijn vrouw belachelijk gekleed ging, dat ze den indruk maakte van een soldaten-slet, en dat het niet te pas kwam, haar [335]bloot te stellen aan de blikken van de hooge lui van de hoofdplaats of aan de vreemdelingen.

Doch zij vatte het anders op. Ze was overtuigd dat ze mooi was en aantrekkelijk, dat ze de voornaamheid van een koningin bezat, en dat ze veel beter en met meer weelde gekleed ging dan zelfs Maria Clara: deze droeg immers een gewone tapis (kain), zij een rok. ’t Was bepaald noodig dat de alférez haar zeide: “Hou nu je mond, of ik schop je naar je negerij terug!”

Doña Consolación had geen zin om naar haar negerij teruggeschopt te worden, maar zon op wraak.

’t Donkere gelaat onzer dame was nooit bizonder vertrouwenwekkend geweest, ook niet wanneer ze zich opverfde, maar dien morgen was ze zeer verontrustend, vooral toen men haar van den eenen kant van ’t huis naar de andere stil en, als overpeinsde ze iets schrikkelijks of kwaadaardigs, zag stappen. Haar blik had den weerschijn die uit de pupil van een slang licht, wanneer deze, gevangen, straks doodgetrapt zal worden: hij was koud, fel doordringend, en had iets weerzinwekkends wreeds.

Het kleinste vergrijp, het onbeteekenendste gedruisch ontrukten haar een schandelijk leelijk scheldwoord, dat tot in de ziel griefde, maar niemand antwoordde: zich verontschuldigen zou een nieuwe misdaad wezen.

Zoo ging de dag voorbij. Geen enkel verzet tegenover zich ziende—haar man was uitgevraagd—raakte ze vol gal: ’t was net of de cellen van haar organisme zich laadden met elektriciteit, en ieder [336]oogenblik dreigden uit-een te barsten in een orkaan van straattaal. Alles om haar boog zich, als de korenaren bij ’t eerste blazen van den storm. Ze vond geen weerstand, ze trof geen enkel uitsteeksel, geen enkele verhevenheid om haar boos humeur op te kunnen uitstorten: soldaten en bedienden kropen langs en om haar.

Om het feestgedruisch niet te hooren, beval ze de ramen te sluiten, en droeg ze den schildwacht op, niemand te laten voorbijgaan. Ze bond zich een doekje om het hoofd, als om te beletten dat het uitelkaar zou springen, en, ofschoon de zon nog hoog aan den hemel stond, gaf ze bevel de lichten aan te steken.

Sisa werd, zooals we gezien hebben, als rustverstoorster opgepakt en naar de kazerne gebracht. De alférez was er toen niet, en de ongelukkige moest de nacht op een bank doorbrengen, waar ze met een strakken onverschilligen blik op neerzat. Den volgenden dag zag de alférez haar, en daar hij in die dagen van rumoer bang voor haar was, en geen onaangenaam schouwspel wilde geven, droeg hij de soldaten op, haar te bewaken, haar met medelijden te behandelen en haar eten te geven. Zoo bracht de waanzinnige twee dagen door.

Deze nacht, hetzij dat door de nabijheid van Capitán Tiago’s huis het droevige zingen van Maria Clara tot haar was doorgedrongen, hetzij dat andere muziek haar oude liederen wakker riepen, hoe ’t ook zij, Sisa begon ook met haar lieve weemoedige stem de koendiman (zangen) van haar jeugd te zingen. De soldaten hoorden haar en zwegen: [337]och, die melodieën riepen oude herinneringen wakker, herinneringen uit den tijd toen ze nog onbedorven waren.

Doña Consolación hoorde haar ook in haar verveling, en toen ze vernam wie daar zong, beval ze na eenige oogenblikken nadenken:

Laat haar dadelijk hier bovenkomen.” Iets als een glimlach vloog over haar dorre lippen.

Men bracht Sisa, die zonder eenige verlegenheid, verwondering of vrees te toonen, verscheen. ’t Was of ze onze dame in ’t geheel niet zag. Dit kwetste de ijdelheid onzer Muze, die eerbied en ontzag wenschte in te boezemen.

De alféreza kuchte, gaf den soldaten een teeken dat ze heen konden gaan, en de zweep van haar man van een spijker aan den wand nemende, zeide ze op onheilspellenden toon tot de krankzinnige:

“Kom, nu zingen!” Dit ging in dooreengehaspeld Tagaalsch en Spaansch. Sisa begreep haar natuurlijk niet, en deze onwetendheid bezwoer haar toorn.

Een van de schoone eigenschappen dezer dame was, dat ze deed alsof ze de landstaal niet kende, zoodat ze die zoo slecht mogelijk sprak: zoo meende ze den indruk te maken van een echte Europeesche. En daar deed ze goed aan, want, zoo ze al het Tagaalsch verminkte, het Spaansch kwam uit haar mond niet beter voor den dag, noch wat taalregels, noch wat uitspraak betrof. En toch had haar man alle mogelijke moeite gedaan om haar die te leeren. En menige kneep, menige stomp, menigen stokslag hadden de lessen haar gekost!

Tooneelen van ergernis over onbegrijpelijkheid [338]der leerlinge kwamen telkens voor. Haar man, toen nog korporaal, terwijl zij waschvrouw was, berekende met smart dat zijn wederhelft na tien jaar het spreken geheel-en-al zou verleerd zijn. Toen ze trouwden, verstond zij nog Tagaalsch en kon zich verstaanbaar maken in ’t Spaansch, nu, in den tijd van ons verhaal, sprak ze geen van beide meer: ze had een groote liefhebberij opgevat voor gebarentaal, en daarbij bezigde ze de luidruchtigste en raakste.

Sisa trof het dus, dat ze haar niet begreep. Haar wenkbrauwen wat ontspannend, lachte ze even met voldoening: ongetwijfeld kende ze ’t Tagaalsch niet meer, was ze dus een Europeesche.

“Oppasser, zeg aan deze vrouw in ’t Tagaalsch, dat ze zingen moet. Ze verstaat me niet, ze kent geen Spaansch.”

De krankzinnige begreep den oppasser en zong het lied dat ze in den nacht gezongen had.

Doña Consolación luisterde eerst met een spotlachje op de lippen, doch dit verdween allengs, ze begon aandachtig te worden, daarna ernstig en eenigszins in gepeins verzonken. De stem, de zin der verzen en de zang zelf maakten indruk op haar: dat dorre, droge hart dorstte wellicht naar regen. Zij begreep het goed: “De droefheid, de koude en de vochtigheid, die uit den hemel nederdalen, gehuld in den mantel der nacht,” zooals de koendiman luidde, “’t scheen haar dat ze ook haar pracht tentoongespreid had, verlangend naar bijval en vol van ijdelheid, bij ’t vallen van den avond berouwvol en ontgoocheld, doet een poging om haar verwelkte bloemblaadjes op te heffen naar den hemel, [339]vragend om een weinig schaduw, waar ze weg kan schuilen en sterven, zonder den spot van ’t licht dat haar zag in haar glorie, zonder de ijdelheid van haar trots te zien, en dat ook een weinig dauw moge schreien over haar. De nachtvogel verlaat zijn eenzaam schuil-oord, de holte in den ouden boomstam, en verstoort de weemoed der wouden...”

“Nee, niet zingen”, riep de vrouw van den alférez, nu in uitstekend Tagaalsch, terwijl ze zenuwachtig opstond. “Zing niet meer! Die woorden doen me pijn!”

De krankzinnige zweeg. De oppasser liet zich ontvallen: “Wel, ze kent waarachtig Tagaalsch!” en hij stond vol verbazing zijn meesteres aan te kijken.

Deze begreep dat ze zich verraden had. Ze schaamde zich, en daar haar aard onvrouwelijk was, nam de schaamte den vorm van woede en haat aan. Ze wees den onvoorzichtigen oppasser de deur, en sloot deze met een trap achter hem. Ze liep eenige malen door het vertrek heen en weer, terwijl ze de zweep in haar pezige handen verwrong. En op eens, stilstaande voor de krankzinnige, zeide ze in ’t Spaansch:

“Dans!”

Sisa verroerde zich niet.

“Dans! Dans!” herhaalde ze op dreigenden toon.

De krankzinnige keek haar aan met leege, zinlooze oogen.

De alféreza hief Sisa’s eenen arm op, daarna den andere en schudde dien heen en weer: ’t gaf niets, ze begreep ’t niet.

De andere begon te springen, zich te bewegen, terwijl ze de krankzinnige [340]aanzette, om haar na te doen. Men hoorde uit de verte de processie-muziek een statigen ernstigen marsch spelen, maar onze dame maakte woeste sprongen op een andere maat, een andere muziek: die, welke in haar binnenste weerklonk. Sisa keek haar roerloos aan. Iets als nieuwsgierigheid teekende zich in haar oogen, en een zwakke glimlach bewoog haar bleeke lippen: ze vond het dansen van die dame wel leuk.

Deze hield als verlegen op, zwaaide de zweep, de vreeselijke zweep, zoo welbekend bij dieven en soldaten, te Aelongo gemaakt en door den alférez verbeterd met ingevlochten ijzerdraad, en zeide:

“Nu is ’t jouw beurt om te dansen—dans!”

En ze begon zachtjes op de bloote voeten der krankzinnige te slaan. Deze vertrok haar gezicht van pijn, en bracht de handen aan de voeten, om deze te beschermen.

“Aha! Je begint al!” riep de ander met woeste vreugde, en van ’t “lento” ging ze over in een “allegro vivace.”

De ongelukkige stiet een kreet van pijn uit, en hief levendig den voet op.

“Zul je dansen ... zwarte h...?” zeide onze dame, en de zweep zwierde en zwiepte door de lucht.

Sisa liet zich op den grond vallen, bracht beide handen aan haar beenen, en keek haar beul met uitpuilende oogen aan. Twee harde zweepslagen op den rug deden haar opstaan: ’t was geen kreet meer, ’t was een gehuil dat de ongelukkige uitstiet. Het dunne hemd scheurde, de huid ging stuk, en er vertoonde zich bloed. [341]

Het gezicht van ’t bloed deed Doña Consolación’s opwinding nog toenemen.

“Dans, dans, vervloekte ellendeling! De moeder die je ter wereld bracht mag verdoemd zijn!” riep ze. “Dans of ik ransel je dood!”

En zij zelf, haar aanvattend met de eene hand en haar geeselend met de andere, begon te springen en te dansen.

De krankzinnige begreep haar ten slotte, en volgde, de armen ongeregeld heen en weer bewegend. Een glimlach van voldoening vertrok de lippen der leermeesteres, de glimlach van een vrouwelijke Mefisto, die erin slaagt een groote leerling te krijgen. Er lagen haat, minachting, spot en wreedheid in; een schaterlach had niet meer kunnen uitdrukken.

En, verdiept in ’t genieten van dit schouwspel, hoorde ze haar man niet aankomen, voordat de deur op luidruchtige wijze opengetrapt werd.

De alférez stond bleek en somber kijkend vóór haar. Hij zag wat er voorviel, en wierp zijn vrouw een vreeselijken blik toe. Deze verroerde zich niet van haar plaats en bleef cynisch lachen.

De alférez legde zoo zacht als hij kon de hand op den schouder der zonderlinge danseres, en deed haar stilhouden. De krankzinnige kwam op adem, en ging langzaam op den met bloed bevlekten grond zitten.

De stilte hield aan. De alférez ademde zwaar. Zijn vrouw, die hem met vragende oogen gadesloeg, raapte de zweep op en vroeg hem bedaard en langzaam:

“Wat overkomt je? Je hebt me niet eens nog gegroet!”

De alférez antwoordde niet, maar riep [342]den oppasser.

“Neem deze vrouw mee,” zeide hij, “laat Marta haar een ander hemd geven, en haar behandelen! Jij moet haar goed te eten geven, en een bed... voorzichtig, als ze slecht behandeld wordt! Morgen moet ze naar ’t huis van meneer Ibarra gebracht worden.”

Daarna sloot hij zorgvuldig de deur, schoof er den grendel voor, en trad op zijn vrouw toe.

“Jij legt je erop toe dat ik je dood zal slaan!” zeide hij tot haar met gebalde vuisten.

“Wat scheelt je?” vroeg zij, opstaande en terugtredende.

“Wat me scheelt?” riep hij met donderende stem, vloekend, en, op een papier vol krabbels wijzend, ging hij voort: “Heb jij dezen brief niet aan den alcalde geschreven, en daarin gezegd dat ik me liet betalen, om ’t dobbelen toe te laten, vuile sl...? Ik weet niet wat me let om je te vermorzelen!”

“Komaan, waag dat ’s!” zeide zij spotachtig lachend. “Die mij vermorzelt, moet een andere kerel wezen dan jij!”

Hij hoorde de beleediging, maar hij zag de zweep. Hij greep een bord, dat op tafel stond, en smeet dat naar haar hoofd. De vrouw, gewend aan zulke ruzies, bukte snel, en het bord sloeg stuk tegen den muur. ’t Zelfde lot overkwam een kopje en een glas.

“Lafaard!” riep zij. “Je durft niet naderbij komen!”

En ze sprong naar hem, om hem nog razender te maken. De man werd nu geheel verblind, en brullend wierp hij zich op haar. Doch zij overstriemde hem met wonderlijke vlugheid [343]het gelaat met de zweep en zette het daarna op een loopen.

Ze vluchtte in haar kamer, waarvan ze de deur ijlings op slot deed. Loeiend van woede en pijn, vervolgde de alférez haar, en kwam niet verder dan de deur. Daar braakte hij godslasteringen uit.

“Vervloekt varken, doe open! Doe open, h..., of ik sla je de hersens in!” brulde hij, de deur bewerkend met voeten en vuisten.

Doña Consolación gaf geen antwoord. Men hoorde een gedruisch van stoelen en koffers, alsof iemand een barrikade van huisraad wilde oprichten. Het huis daverde van ’t getrap en ’t gevloek van den echtgenoot.

“Kom niet binnen, kom niet binnen!” zeide de krijschende stem der vrouw. “Als je hier komt, schiet ik op je!”

Hij scheen langzamerhand te bedaren, en vergenoegde zich ermee, van ’t eene eind van ’t vertrek naar ’t andere te loopen, als een wild beest in zijn kooi.

“Ga de straat op, om je kop wat op te frisschen!” ging de vrouw voort met spotten. Ze scheen ondertusschen haar verdedigingstoebereidselen voltooid te hebben.

“Ik bezweer je dat, als ik je te pakken krijg, God je zelfs niet helpen kan, vuil kr...!”

“Jawel! Zeg jij maar wat je wil... je woû me niet naar de mis laten gaan! Je liet me niet afrekenen met onzen lieven Heer!” zeide ze met een sarkasme, waarvan zij alleen ’t geheim bezat.

De alférez greep zijn helm, verschikte zijn kleeren eenigzins en ging met groote stappen heen, maar na enkele oogenblikken [344]keerde hij terug zonder ’t minste gedruisch te maken: hij had zijn laarzen uitgetrokken. De bedienden, gewend aan zulke tooneelen, plachten zich erbij te vervelen, doch de nieuwigheid met de laarzen trok hun aandacht, en de een gaf den ander beteekenisvolle oogknipjes.

De alférez ging op een stoel zitten, naast de onheilvolle deur, en had het geduld om meer dan een half uur te wachten.

“Ben je werkelijk weggegaan, of zit je daar, lamstraal?” vroeg de stem van tijd tot tijd, met wisselend epitheton, maar stijgend in toon.

Eindelijk begon ze stuk voor stuk de meubels weg te halen. Hij hoorde het gedruisch en lachte.

“Oppasser! Is meneer weggegaan?” schreeuwde Doña Consolación.

Op een teeken van den alférez, antwoordde de oppasser:

“Ja, mevrouw, hij is weggegaan.”

Men hoorde haar vroolijk lachen, en de grendel werd weggetrokken.

De echtgenoot stond zachtjes op. De deur ging op een kier... Een kreet, de val van een lichaam, vloeken, gehuil, verwenschingen, slagen, heesche uitroepen... Wie beschrijft wat er voorviel in de duisternis der slaapkamer?

De oppasser liep naar de keuken, en gaf een zeer welsprekend teeken aan den kok.

“En jij krijgt het op je kop!” zei deze.

“Ik? Dat is ook wat moois! Zij vroeg me of hij weggegaan was, niet, of hij teruggekomen was.” [345]

[Inhoud]

XXXVIII.

Recht en Macht.

’t Zal zoowat tien uur in den avond geweest zijn. De laatste vuurpijlen stegen lui op naar den donkere hemel, waar, als nieuwe sterren, eenige papieren ballons stonden te schitteren, die door middel van rook en verwarmde lucht opgezonden waren. Enkele, versierd met vuurwerk, raakten in brand en bedreigden het heele dorp. Daarom bleef men nog steeds mannen zien op de nokken der daken, gewapend met een lange bamboe, met een lap aan ’t uiteinde en voorzien van een emmer water. Hun zwarte silhouetten kwamen scherp uit tegen het flauwe licht der lucht, en ’t leken zoo spoken neergedaald uit hooger sfeeren, om de vreugden der menschen bij te wonen.

Er waren ook tal van raadjes, zonnen, stieren of karbouwen van vuurwerk afgestoken en ook een groote “vulkaan,” die in fraaiheid en grootschheid alles overtroffen had, wat de bewoners van San Diego ooit te voren hadden gezien.

Nu begaf zich de menigte in massa naar het dorpsplein, om voor de laatste maal den schouwburg te bezoeken. Op verschillende plaatsen zag men bengaalsch licht, dat op fantastische wijze de vroolijke groepjes bescheen. De kinderen bezigden fakkels, om in ’t gras mislukte “bommen” en andere overblijfselen te zoeken, die ze zouden kunnen benutten, doch de muziek gaf het teeken, en iedereen verliet de weide.

Het groote tooneel was schitterend geïllumineerd. Duizenden lichten omringden de stutten, hingen van het dak, [346]en bezaaiden den grond in dichte groepen.

Een politie-agent hield er het toezicht op, en wanneer hij toetrad, om ze in orde te brengen, floot het publiek hem toe en schreeuwde, “’t Is al goed, ’t is al goed!”

Voor ’t eigenlijke tooneel stemde het orkest zijn instrumenten en preludieerde melodiën. Hierachter bevonden zich de zitplaatsen waarvan de correspondent in zijn brief sprak. De overheidspersonen van het dorp, de Spanjaarden en de rijke vreemdelingen bezetten allengs de rijen stoelen. Het volk, de menschen zonder titel of traktement, vulden het overige der ruimte. Sommigen sjouwden met een bank, meer om tegemoet te komen aan hun te kleine gestalte dan om erop te gaan zitten. Dit lokte heftig protest uit van de zijde der bankeloozen. Dan gingen ze onmiddellijk eraf, doch weldra stonden ze er weer op, alsof er niets gebeurd was.

Heen en weergeloop, kreten, uitroepen, schaterlachen, een verdwaalde voetzoeker, een zevenklapper hier en daar vermeerderden het gedruisch. Ginds brak er een poot van een bank en vielen tot vermaak der menigte, menschen op den grond, die van verre waren gekomen om te zien, en die nu zelf een schouwspel opleverden. Verderop werd er ruzie gemaakt om een zitplaats; iets meer op een afstand hoorde men het gedruisch van brekende glazen en flesschen: ’t was Andèng, die met ververschingen en dranken aankwam. Met beide handen hield ze het breede presenteerblad vast, doch ze ontmoette [347]haar aanstaande, die van de eigenaardige toestand profiteeren wilde.

De onderburgemeester, de teniënte mayor Filipo, zat voor bij de tooneelvoorstelling; want de burgemeester zelf was een liefhebber van kaarten, van ’t stok spel. Don Filipo sprak met de oude Tasio:

“Wat moet ik doen?” zeide hij, “de alcalde heeft mijn ontslag aanvrage niet willen aannemen. ‘Voelt u zich niet krachtig genoeg, om uw plichten te doen?’ vroeg hij me.

“En wat heeft u hem geantwoord?”

“Meneer de Alcalde, heb ik hem geantwoord, de kracht van een teniënte mayor, hoe onbeteekenend ze ook mocht wezen, is als die van iedere overheid: ze komt van hoogere sfeeren. Zelfs de koning ontvangt ze van ’t volk, en het volk van God. Dit is juist wat ik mis, meneer de Alcalde. Maar de alcalde wilde niet naar me luisteren, en zei me dat we na de feesten daar nog wel over spreken zouden.”

“Moge God u dan helpen!” zeide de oude man en trachtte heen te gaan.

Wilt u de voorstelling niet zien?”

“Dank u! Om te droomen en nonsens uit te slaan heb ik aan mezelf genoeg,” antwoordde de filosoof met een sarkastische lach. “Maar ik herinner me nu: heeft het karakter van ons volk nooit uw aandacht getrokken? ’t Is vreedzaam en ’t houdt van krijgshaftige tooneelen, van bloedigen strijd; ’t is democratisch, en ’t aanbidt keizers, koningen en prinsen; ’t is ongodsdienstig, en ’t maakt zich arm aan allerlei praal voor den eeredienst; onze vrouwen hebben een zachtzinnige aard, en zijn er dol op dat een prinses [348]een lans drilt... Weet u waaraan dit te wijten is? wel...”

De komst van Maria Clara en haar vriendinnen stoorde het gesprek. Don Filipo ontving ze, en geleidde ze naar haar plaatsen. Daarna kwam de pastoor, en er kwamen ook andere burgers wier taak het was de frailes te vergezellen. “God moge ze ook in ’t andere leven beloonen,” zeide de oude Tasio, terwijl hij zich verwijderde.

De voorstelling begon met Chananay en Marianito. Iedereen had alleen oogen en ooren voor ’t tooneel, behalve een: Padre Salvi. Hij scheen daar alleen gekomen te zijn, om Maria Clara gade te slaan, wier droefheid aan haar schoonheid iets zoo ideaals en belangwekkends gaf, dat ze er verrukkelijk uitzag. Doch de oogen van den Franciskaan, diep verscholen in de holle kassen, spraken niet van verrukking; in die sombere blik was iets wanhopig droevigs te lezen: met zulke oogen moet Kaïn van verre naar het paradijs gekeken hebben, welks genietingen zijn moeder hem geschilderd had!

Het bedrijf eindigde toen Ibarra binnentrad. Zijn verschijning wekte een gemompel: ieders aandacht vestigde zich op hem en op den pastoor.

Maar de jongeman scheen ’t niet te merken, want hij groette ongedwongen Maria Clara en haar vriendinnen, en zette zich naast ze neder. De eenige die sprak was Sinang.

“Ben je naar de ‘vulkaan’ gaan kijken?” vroeg ze.

“Nee, meiske, ik heb de Capitán general vergezeld.”

“Wel, da’s jammer! De pastoor is [349]met ons meegegaan, en vertelde ons geschiedenissen van verdoemden. Hoe vind je dat? Om ons bang te maken, en zoo ons pleizier te bederven, geloof je ook niet?”

De pastoor stond op, en trad op Don Filipo toe, met wien hij een levendig twistgesprek scheen te beginnen. De pastoor sprak opgewonden, Don Filipo bedaard en op gedempten toon.

“’t Spijt me, dat ik Uweleerwaarde niet naar den zin kan zijn,” zeide hij, “meneer Ibarra is een der grootste bijdragers voor ’t feest, en hij heeft ’t recht om hier te zijn, zoolang hij de orde niet verstoort.”

“Maar is ’t dan niet de orde verstoren, als men de goede Christenen schandalizeert? ’t Is of men een wolf binnenlaat in de schaapskooi! U zult u hiervoor moeten verantwoorden tegenover God en tegenover de autoriteiten!”

“Ik weet me altijd te verantwoorden voor de daden, die uit mijn eigen wil voortkomen, eerwaarde vader,” antwoordde Don Filipo, even buigend, “maar mijn klein gezag geeft me niet de bevoegdheid, me met godsdienstige zaken te bemoeien. Die aanraking met hem willen vermijden moeten maar niet met hem spreken: meneer Ibarra dwingt evenmin iemand.”

“Maar ’t is gelegenheid geven tot gevaar, en die ’t gevaar liefheeft, komt er in om.”

“Ik zie geen enkel gevaar, eerwaarde vader: meneer de alcalde en de gouverneur, mijn meerderen, hebben den heelen namiddag met hem gepraat, en ik hoef hun geen les te geven.”

“Als je hem er niet uitgooit, gaan [350]wij heen.”

“Dat zou me zeer spijten, maar ik kan niemand eruit gooien.”

De pastoor had er berouw over, maar er was niets meer aan te doen. Hij gaf een teeken aan zijn metgezel, die met tegenzin opstond, en beiden gingen heen. Ze werden nagevolgd door hun trouwe lijftrawanten, niet zonder een blik van haat naar Ibarra te hebben geworpen.

Het gemompel en gefluister werden erger. Verscheidene personen kwamen daarop naar den jongeman toe, groetten hem, en zeiden:

“Wij zijn aan uw kant. U moet maar niet op die lui letten.”

“Wie zijn die lui?” vroeg hij verwonderd.

“De lui die heengegaan zijn om niet in aanraking met u te komen!”

“Ja, ze zeggen dat u in den kerkelijken ban is.”

Ibarra kon van verbazing niets zeggen, en keek om zich heen. Hij zag Maria Clara, die haar gelaat achter de waaier verborg.

“Maar is ’t mogelijk?” riep hij eindelijk uit. “Zijn we nog heelemaal in de middeleeuwen? Zoodat dus...

En op de jongemeisjes toetredende, en van toon veranderend zeide hij:

“Neemt me niet kwalijk, ik had vergeten dat ik een afspraak had. Ik voeg me straks weer bij jullie.”

“Blijf, zeg!” zeide Sinang. “Jejeng gaat straks dansen en die danst hemels.”

“Ik kan niet, lieve kind, maar ik kom terug.”

Het gepraat verdubbelde.

Juist toen de danseres opgetreden was, traden twee soldaten van den guardia [351]civil op Don Filipo toe, en verzochten dat de voorstelling zou ophouden.

“En waarom?” vroeg deze verbaasd.

“Omdat de alférez en zijn vrouw met elkaar gevochten hebben en niet kunnen slapen.”

“Zeg aan den alférez dat we vergunning hebben. Niemand in ’t dorp is hier bevoegd, zelfs niet de burgemeester, die mijn eenige meerdere is.”

“Nu maar de voorstelling moet ophouden!” herhaalden de soldaten.

Don Filipo keerde hun den rug toe. De guardia’s gingen heen.

Om de rust niet te verstoren, zeide Don Filipo niemand iets van ’t gebeurde.

Na ’t stukje Zarzuela, dat zeer werd toegejuicht, vertoonde zich Prins Villardo, die al de Mooren ten strijd uitdaagde, welke zijn vader hadden gevangen genomen. De held dreigde ze, dat hij allen met een slag de hoofden zou afsnijden en die naar de maan zou zenden. Gelukkig voor de Mooren, die zich reeds ten strijd bereidden, ontstond er een tumult. De muzikanten van ’t orkest hielden plotseling op, sprongen op ’t tooneel, en wierpen hun instrumenten weg. De dappere Villardo, die ze niet verwachtte, en ze aanzag voor aanhangers van de Mooren, wierp ook zwaard en schild weg, en zette het op een loopen. De Mooren, die zagen dat zulk een vreeswekkende christen vluchtte, vonden het niet ongeschikt hem na te volgen. Men hoorde kreten, geweeklaag, vervloekingen, godlasteringen, de menschen liepen dooreen en tegen elkaar in, de lichten gingen uit, illuminatie-potjes werden de lucht in geslingerd en meer zoo. Toelisan! [352]toelisan! (roovers) riepen sommigen. “Brand! Dieven!” anderen, vrouwen en kinderen schreiden, banken en toeschouwers rolden tegen den grond, te midden van de algemeene verwarring en ’t lawaai.

Wat was er voorgevallen?

Twee guardia civiles waren met een stok in de hand de muzikanten te lijf gegaan, om de voorstelling te doen eindigen. De teniente mayor met de burgerwacht, met oude sabels gewapend, slaagden erin ze aan te houden, in weerwil van hun tegenstand.

“Brengt ze naar ’t stadhuis!” riep Don Filipo.

“Voorzichtig, hoor, ze niet loslaten!”

Ibarra was teruggekomen, en zocht Maria Clara. De vreesbevangen jongemeisjes klampten zich bleek en bevend aan hem vast.

Tante Isabel bad de litanieën in ’t latijn.

Toen de menschen een weinig van den schrik bekomen waren en ze zich rekenschap hadden gegeven van ’t geen er gebeurd was, barstte de verontwaardiging overal los. Het regende steenen op de twee guardia’s, die door de burgerwacht werden weggevoerd. Er was er een die voorstelde de kazerne in brand te steken, en Doña Consolación samen met den alférez levend te braden.

“Daar dienen ze voor!” riep een vrouw, de mouwen opstroopend en de armen uitstrekkend, “om ’t volk in beroering te brengen. Ze hinderen alleen fatsoenlijke menschen. Daar staan de toelisan’s, de dobbelaars! Laten we de kazerne in brand steken!”

Een betastte zich de armen en vroeg [353]om “bediend” te worden. Klagende kreten kwamen onder de omgevallen banken vandaan: ’t was een arme muzikant. Het tooneel stond vol akteurs en menschen uit het volk, die allen tegelijk spraken. Daar was Chananay, gekleed als Leonora in de Troubadour bezig in pasar-taal te praten met Ratia, die als schoolmeester uitgedost was. Jejeng gehuld in een zijden sjaal, met Prins Villaroo; Balbino en de Mooren deden hun best om de muzikanten te troosten, die min of meer beleedigd waren. Eenige Spanjaarden liepen van den eenen kant naar den andere, iedereen die ze tegenkwamen toesprekend.

Doch er had zich reeds een bende gevormd. Don Filipo, die begreep wat ze voorhadden, liep toe om hen tegen te houden.

“U moet de orde niet verstoren!” riep hij, “morgen zullen we voldoening vragen. Men zal ons recht laten wedervaren. Ik sta u ervoor in, dat men ons recht zal doen!”

“Nee!” antwoordden er enkelen, “’t was net zoo in Calamba.1 Men beloofde toen hetzelfde, maar de alcalde deed niets. We willen ons zelf recht verschaffen! Naar de kazerne!”

Tevergeefs sprak de onderburgemeester ze toe: de menschen volhardden bij hun houding. Don Filipo keek om zich heen naar hulp uit, en zag Ibarra.

“Meneer Ibarra, als ’t u belieft, houdt u ze tegen, onderwijl dat ik cuadrillero’s ga halen!”

“Wat kan ik nu doen?” vroeg de jongeman in verlegenheid. Maar de [354]teniente mayor was al weg.

Ibarra keek op zijn beurt om zich heen, zoekende naar iemand, hij wist niet wie. Gelukkig meende hij Elias te bespeuren. Ibarra liep op hem toe, greep hem bij den arm en zeide in ’t Spaansch:

“Om Gods wil! Doet u iets, als u kan, ik kan niets doen!”

De “loods” had hem stellig begrepen; want hij verdween in de groep.

Men hoorde een levendige woordenwisseling, opgewonden uitroepen; daarna begon de bende langzaam-aan uiteen te gaan, en nam ieder een minder vijandelijke houding aan.

’t Was wel tijd, want de soldaten kwamen gewapend naar buiten, met de bajonet op.

Wat deed intusschen de pastoor?

Padre Salvi was niet naar bed gegaan. Staande, het voorhoofd steunend tegen de jaloezieën, keek hij naar het plein, onbeweeglijk, terwijl hij nu en dan een gesmoorde zucht slaakte. Als het licht van zijn lamp niet zoo schaarsch geweest was, zou men wellicht hebben kunnen zien, dat zijn oogen zich met tranen vulden. Zoo wachtte hij bijna een uur door.

Uit dezen toestand rukte hem het tumult op het plein. Hij volgde met verbaasden blik het verwarde heen- en weergeloop der menschen, wier uitroepen en geschreeuw flauwtjes tot hem doordrongen. Een der bedienden, die buiten adem aankwam, stelde hem op de hoogte van hetgeen er plaats had.

Een gedachte doorflitste zijn verbeelding. Midden in de verwarring en het tumult plegen de lichtmissen gebruik te maken van den schrik en de zwakheid [355]der vrouw. Iedereen vlucht en stelt zich in veiligheid, niemand denkt aan een ander, schreeuwen wordt niet gehoord, de vrouwen bezwijmen, loopen elkaar omver, vallen; ontzetting en vrees luisteren niet naar de stem der kuischheid, en in ’t holle van den nacht..., en wanneer ze zich wapenen! ’t Was of hij Crisóstomo daar zag, de bezwijmde Maria Clara in zijn armen wegvoerende, om in de duisternis te verdwijnen.

Hij ijlde de trappen af, zonder hoed, zonder stok, en als een gek holde hij het plein op.

Daar ontmoette hij de Spanjaarden die de soldaten hadden terecht gewezen. Hij keek naar de plaatsen waar Maria Clara en haar vriendinnen gezeten hadden: ze waren ledig.

“Meneer de pastoor! Meneer de pastoor!” riepen hem de Spanjaarden toe, maar hij lette niet op hen, en liep voort in de richting van Capitán Tiago’s huis. Daar herademde hij; hij zag in ’t openstaande transparant van ’t venster een silhouet, het aanbiddelijke silhouet vol bevalligheid en zacht van omtrekken van Maria Clara, en dat van haar tante, die kopjes en glazen droeg.

“Komaan!” mompelde hij, “’t schijnt dat ze alleen maar ziek geworden is!” Tante Isabel sloot daarop de vensters, en het bevallige silhouet verdween.

De pastoor verwijderde zich van die plaats zonder de menigte te zien. Hij zag in zijn verbeelding een schoone maagde-boezem, die rustig sliep en zacht ademhaalde; de oogleden waren beschaduwd door lange wimpers, die sierlijke booglijnen beschreven als de Maagden van Rafaël, de kleine mond glimlachte; [356]’t geheele gelaat ademde maagdelijkheid, reinheid, onschuld; dat gezichtje was een lieflijke verschijning te midden der witheid van het bed, gelijk een cherubskopje tusschen wolken.

De verbeelding ging verder en zag nog andere dingen; doch wie schrijft al wat een vurig brein zich kan verbeelden?

Wellicht de correspondent van het blad, die zijn beschrijving van ’t feest en al het voorgevallene op deze wijze eindigde:

“Dank, duizendmaal dank aan de tijdige en werkdadige tusschenkomst van Zijn-Weleerwaarde Pater Bernardo Salvi, die ieder gevaar tartend, onder ’t verwoede volk, te midden van de dolle menigte zonder hoed, zonder stok, de ontketende hartstochten deed bedaren, enkel door zijn overtuigend woord, door de majesteit en het gezag die nooit ontbreken bij een priester van den Godsdienst des vredes. De deugdzame monnik heeft, met een zelfverloochening zonder wedergade, het genot van den slaap gederfd, dat ieder goed geweten als het zijne smaakt, om te beletten dat zijn kudde een klein ongeluk zou treffen. De bewoners van San Diego zullen zonder twijfel deze verheven daad van hun heldhaftigen zieleherder niet vergeten, en zullen hem voor alle eeuwigheid dankbaar weten te zijn.


1 In 1879.

[Inhoud]

XXXIX.

Twee bezoeken.

In den gemoedstoestand waarin Ibarra zich bevond, was het hem onmogelijk in slaap te komen, zoodat hij, om zijn geest af te leiden en de droevige [357]gedachten, die ’s nachts nog pijnlijker werden van zich af te zetten, zich in zijn eenzame studeerkamer aan ’t werk zette. De dageraad verraste hem, toen hij nog bezig was met het maken van mengsels en verbindingen, aan welker werking hij stukjes riet en andere zelfstandigheden onderwierp, die hij daarna in genummerde en gelakte flakons wegborg.

Een bediende kwam binnen, en berichtte hem de komst van een boer.

“Laat hem binnenkomen!” zeide hij, zonder zich zelfs om te keeren.

De binnentredende was Elias, die daarna zwijgend bleef staan.

“O, bent u ’t?” riep Ibarra in ’t Tagaalsch uit, toen hij hem herkende.

“Neem me niet kwalijk dat ik u heb laten wachten. Ik had het niet gemerkt: ik was bezig een belangwekkende proef te doen...”

“Ik wilt u niet storen!” antwoordde de jonge “loods.”

“Ik ben in de eerste plaats gekomen, om u te vragen, of u soms iets voor de provincie Batagas hebt: ik ga daar nu heen.

En ten tweede om u een slechte tijding te brengen...”

Ibarra keek den “loods” vragend aan.

“De dochter van Capitán Tiago is ziek,” hervatte Elias kalm, “maar niet ernstig.”

“Ik had het wel gevreesd!” riep Ibarra met zwakke stem uit. “Weet u wat haar scheelt?

“O koorts! Als u nu verder niets te bevelen heeft...”

“Dank u, mijn vriend. Ik wensch u een goede reis..., maar veroorloof me eerst [358]een vraag te doen. Als u die onbescheiden vindt, antwoord dan maar niet.”

Elias boog.

“Hoe heeft u dat opstootje gisteravond kunnen bezweren?” vroeg Ibarra, hem strak aanziende.

“O heel eenvoudig!” antwoordde Elias met de grootste natuurlijkheid. “De leiders van de beweging waren twee broers, wier vader doodgeslagen is door de guardia civil. Eens op een dag had ik het geluk ze te redden uit dezelfde handen, waarin hun vader gevallen was, en beiden zijn me daar dankbaar voor. Ik heb me gisterenavond tot hen gewend, en zij hebben op zich genomen, de anderen van hun plan af te brengen.”

“En die twee broers wier vader doodgeslagen is?...”

“Die zullen wel net zoo eindigen als hun vader,” antwoordde Elias zacht; “wanneer ’t ongeluk ’t eenmaal op een familie heeft gemunt, moeten al de leden eraan gelooven. Wanneer de bliksem een boom treft, maakt hij hem heelemaal tot asch.”

En Elias, ziende dat Ibarra zweeg, nam afscheid. De laatste verloor, toen hij zich alleen zag, de kalme houding die hij in tegenwoordigheid van den “loods” had in acht genomen, en de smart vertoonde zich op zijn gelaat.

“Ik, ik heb haar zoo ellendig gemaakt!” mompelde hij.

Hij kleedde zich vlug aan, en ging de trap af.

Een klein mannetje, in de rouw, met een groot litteeken op de linkerwang, groette hem nederig, en hield hem onderweg aan. [359]

“Wat wilt u?” vroeg Ibarra hem.

“Meneer, ik heet Lucas, ik ben de broer van den man die gisteren gestorven is.”

“Zoo! Ik betuig u wel mijn leedwezen... En?”

“Meneer, ik wou ’s weten, hoeveel u zal betalen aan de familie van mijn broer.”

“Betalen?” herhaalde de jongeman, zonder zijn ergernis te kunnen bedwingen. “Daar zullen we wel ’s over praten. Komt u vanavond maar terug; want ik heb nu geen tijd.”

“Zegt u alleen maar, hoeveel u betalen wilt!” hield Lucas aan.

“Ik heb u gezegd dat we daarover wel ’s een anderen keer spreken zullen, ik heb nu haast!” zeide Ibarra ongeduldig.

“Heeft u nu geen tijd, meneer?” vroeg Lucas met bitterheid, en ging vlak voor hem staan. Heeft u geen tijd, om u met de dooden bezig te houden?”

“Kom vanavond, m’n goeie man!” herhaalde Ibarra, zich bedwingende; “ik moet nu een zieke gaan opzoeken.”

“Zoo, en vergeet u om een zieke de dooden? Gelooft u dat we, omdat we arm zijn...?”

Ibarra keek hem aan en sneed hem het woord af.

“Stel mijn geduld niet op den proef!” zeide hij, en ging zijns weegs. Lucas bleef hem nastaren, met een glimlach vol haat.

“’t Is wel te merken dat je de kleinzoon bent van den man die mijn vader tot straf in de brandende zon heeft gezet!” mompelde hij binnensmonds. “Je hebt hetzelfde bloed!” [360]

En, van toon veranderend, liet hij volgen:

“Maar, als je goed betaalt...goeie maatjes, hoor!

[Inhoud]

XL.

Dokter De Espadaña en zijn vrouw.

Het feest was voorbij. De dorpsbewoners vonden weder, evenals alle jaren, dat hun kas armer was geworden, dat ze veel gewerkt, gezweet en gezwoegd hadden, zonder zich vermaakt of nieuwe vrienden verkregen te hebben, in een woord, dat ze het lawaai en de hoofdpijn duur betaald hadden. Maar wat doet dat ertoe: ’t komende jaar zal men ’t zelfde doen, ’t zelfde in de volgende eeuw, want ’t is tot-nu-toe zoo de gewoonte geweest.

Ten huize van Capitán Tiago heerschte vrij groote droefenis; al de vensters zijn gesloten, de menschen loopen geruischloos rond, en alleen in de keuken durft men luide te spreken. Maria Clara, de ziel van ’t huis, ligt ziek te bed. Haar toestand is te lezen in ieders gelaat, zooals men het lijden des geestes leest in de trekken van een persoon.

“Wat dunkt je, Isabel, zal ik de offergave doen aan het Kruis van Toenasan of aan dat van Matahong?” vroeg de veelbeproefde vader zacht. “Het kruis van Toenasan groeit, maar dat van Matahong zweet. Welk van de twee hou jij voor wonderdadiger?”

Tante Isabel dacht na, schudde het hoofd en mompelde:

“Groeien...wel groeien is grooter wonder dan zweten: we zweten allemaal, maar groeien doen we niet allemaal.”

“Dat ’s waar, ja, Isabel, maar bedenk [361]wel dat zweten, dat het zweten van hout dat voor de poot van een bank bestemd was, geen klein wonder is...Och ’t beste zal wezen, de offergave aan de beide kruisen aan te bieden. Zoo zijn beide partijen bevredigd, en zal Maria Clara spoediger beter worden. Zijn de kamers in orde? Je weet wel dat er met den dokter en zijn vrouw een nieuwe meneer meekomt, familie van Padre Dámaso. Er mag niets ontbreken.

Spoedig daarna reed er een rijtuig voor.

Capitán Tiago gevolgd door tante Isabel, liep ijlings de trap af, om de aankomenden te ontvangen. Dit waren Doctor Fiburcio de Espadaña, zijn wederhelft mevrouw Victorina de los Reyes de Espadaña en een jongmensch met een innemend gelaat en aangenaam voorkomen.

Zij droeg een zijden ochtendjapon, afgezet met bloemen, en een hoed met een groote papegaai erop, die half verdrukt zat tusschen blauwe en roode linten. Het stof van den weg, vermengd met het rijstpoeder op haar wangen, schenen haar rimpels te hebben vermeerderd. Evenals eertijds te Manila leidde ze nu ook haar manke man aan den arm.

“Ik heb ’t genoegen u voor te stellen onzen neef Don Alfonso Linares de Espadaña!” zeide Doña Victorina, op het jongemensch wijzende. Meneer is petekind van een familielid van Padre Dámaso, partikulier sekretaris van alle ministers...”

De jongeman groette hoffelijk; Capitán Tiago kuste hem bijna de hand.

De talrijke koffertjes en valiezen werden naar boven gebracht en Capitán [362]Tiago geleidde zijn gasten naar hun logeerkamers.

Toen men bezig was het tweede ontbijt te gebruiken, kwam Padre Salvi, en het echtpaar, dat hem reeds kende, stelde hem den jongen Linares met al zijn titels voor, zoodat deze bloosde.

Men sprak natuurlijk over Maria Clara. Het jongemeisje rustte en sliep. Men sprak over de reis. Doña Victorina vierde haar praatlust bot, en kritizeerde de gewoonte der provinciemenschen, hun nipah-woningen, de bamboe bruggen, zonder te vergeten aan den pastoor mede te deelen, hoe wel ze was met allerlei groote lui.

“U moest twee dagen vroeger hier geweest zijn, Doña Victorina,” antwoordde Capitán Tiago, gedurende een korte tusschenpoos, “dan zou u den capitán general ontmoet hebben: die heeft daar gezeten.”

“Wat? Hoe? Is Zijne Excellentie hier geweest? En in uw huis? Och kom!”

“Ik zeg u dat hij daar gezeten heeft! Als u maar twee dagen eerder gekomen was...”

“Och! Hoe jammer dat Clarita niet eerder ziek geworden is!” riep zij met waarachtige spijt. En zich tot Lidares wendende, liet ze volgen:

“Hoor je dat, neef? Zijne Excellentie is hier geweest! Je ziet wel dat De Espadaña gelijk had, toen hij zeide dat je niet bij een armzalige inlander aan huis zou komen, want u moet weten, Don Santiago, dat onze neef in Madrid bevriend was met ministers en hertogen, en dat hij dineerde bij den graaf del Campanario.”

“Van den hertog de la Torre, Victorina,” [363]verbeterde haar man.1

“Dat ’s net hetzelfde, wat woû je nou?”

“Zou ik vandaag ook Padre Dámaso in zijn dorp kunnen vinden?” viel Linares in de rede, zich tot Padre Salvi wendend. “Men heeft me gezegd dat het hier dicht-bij was.”

“Hij is juist hier, en zal heel gauw komen,” antwoordde de pastoor.

“Wat doet me dat genoegen! Ik heb een brief voor hem,” riep de jongeman uit, “en als ’t niet was door dit gelukkige toeval, dat me hier brengt, zou ik opzettelijk gekomen zijn, om hem op te zoeken.”

Het “gelukkige toeval” was intusschen wakker geworden.

“De Espadaña,” zei Doña Victorina, haar ontbijt beëindigend, “zullen we ’s naar Clarita gaan kijken?” En tot Capitán Tiago:

“Voor u alleen, Don Santiago, voor u alleen! Mijn man behandelt alleen voorname menschen, en dan nòg...! Mijn man is niet zooals die lui van hier... in Madrid bezocht hij uitsluitend menschen van hoog aanzien.”

Dat de groote geneesheer vroeger ambtenaartje bij de douane geweest was, en nooit eenige studie van geneeskunde gemaakt had, wist hier niemand. Zij evenmin.

Ze gingen naar de ziekekamer.

Het vertrek was bijna donker, de vensters waren gesloten uit vrees voor tocht, en het licht dat er scheen, kwam van de kaarsen, die stonden te branden [364]voor het beeld der Heilige Maagd van Antipolo.

Het hoofd omwonden met een in eau de cologne geweekte doek, het lichaam zorgvuldig gewikkeld in witte lakens, met veel plooien erin, die haar maagdelijke vormen verheelden, lag het jonge meisje in haar ledikant van kamagon-hout, achter gordijnen van jusi en pina. Heur haar, als een lijst om haar ovaal gelaat, verhoogde de doorschijnende bleekheid, welke slechts verlevendigd werd door haar groote droefenisvolle oogen. Naast haar bed zaten de beide vriendinnen en Andeng met een ruiker leliën.

De Espadaña nam haar pols, onderzocht de tong, deed verschillende vragen, en zeide, terwijl hij het hoofd heen en weer bewoog:

“Wel...ze is ziek, maar ze kan genezen worden!”

Doña Victorina keek de omstanders fier aan.

“’s Morgens ijslands mos met melk, wat alteastroop, twee pillen van ‘hondetong’, schreef de Espadaña voor.

“Schep maar moed, Clarita,” zei Doña Victorina, naderbij komend, “we zijn gekomen om je beter te maken... Ik zal je mijn neef voorstellen.”

Linares was in gedachten verdiept, in stille beschouwing van die welsprekende oogen, welke iemand schenen te zoeken, en hoorde niet dat Doña Victorina hem riep.

“Meneer Linares”, zeide de pastoor tot hem, hem ontrukkend aan zijn geestvervoering, “daar komt Padre Dámaso.”

Inderdaad kwam de genoemde aan, bleek en eenigszins bedroefd. Toen hij [365]het bed verliet, was zijn eerste bezoek voor Maria Clara. ’t Was niet meer de Padre Dámaso van voorheen, zoo sterk en spraakzaam; thans stapte hij zwijgend en eenigszins wankelend voort.


1 Campanario = klokketoren. Torre = toren; de dame vergiste zich dus door van de naam “Van de Toren” “Van de Klokketoren” te maken.

[Inhoud]

XLI.

Plannen.

Zonder zich aan iemand te storen, ging hij regelrecht naar het bed der zieke, en, haar bij de hand nemende, zeide hij met onzeggelijke teederheid, terwijl tranen in zijn oogen opwelden:

“Maria, Maria, mijn kindje, je moet niet doodgaan, hoor.”

Maria sloeg de oogen op en keek hem met eenige verwondering aan.

Niemand van hen die den Franciskaan kenden vermoedde in hem teedere gevoelens. Onder dat ruwe, grove uiterlijk geloofde niemand dat er een hart aanwezig was.

Padre Dámaso kon niet verder gaan, en verwijderde zich van het jongemeisje, schreiend als een kind. Hij ging naar de voorgalerij, om vrij te kunnen toegeven aan zijn smart, onder het lievelings-klimop van Maria Clara’s balkon.

“Wat houdt hij veel van zijn petekind!” dachten allen. Fray Salvi sloeg hem roerloos en zwijgend gade, terwijl hij onmerkbaar op zijn lippen beet.

Toen Padre Dámaso wat bedaard was, stelde Doña Victorina hem den jongen Linares voor, die eerbiedig naar hem toe kwam.

De pater nam hem zwijgend op, van hoofd tot voeten, nam den brief aan, dien de ander hem reikte, en las dien naar ’t scheen zonder hem te begrijpen, want hij vroeg: [366]

“En wie bent u?”

“Alfonso Linares, het petekind van uw zwager...” stamelde het jongemensch.

Padre Dámaso wierp het lichaam naar achteren, sloeg den jongen man nog eens met aandacht gade, en, terwijl zijn gelaat verhelderde, stond hij op.

“Dus jij bent het petekind van Carlicos!” riep hij uit, en omhelsde hem. “Kom, laat me je omhelzen... een paar dagen geleden heb ik een brief van hem gehad... dus dat ben jij! Ik kende je niet... trouwens, je was nog niet geboren, toen ik het land verliet. Ik kende je niet!”

En Padre Dámaso drukte het jongemensch in zijn stoere armen, dat hij er rood van zag—van verlegenheid of van gebrek aan lucht. Padre Dámaso scheen zijn verdriet geheel vergeten te zijn.

Toen de eerste oogenblikken van hartelijkheid voorbij waren, en hij de noodige vragen gedaan had naar Carlicos en naar Pepa, vroeg Padre Dámaso:

“En... komaan! Wat wil Carlicos nu dat ik voor je doen zal?”

“Ik geloof dat hij in den brief daar iets van zegt..,” stamelde Linares wederom.

“In den brief? Zoo? wel, dat ’s waar! En hij wil dat ik een baantje en een vrouw voor je zoek! Hm! Een baantje... een baantje, dat ’s makkelijk. Kun je lezen en schrijven?”

“Ik ben in de rechten gepromoveerd aan de universiteit van Madrid.”

Caramba! Dus je bent een rechtsverdraaier?

Nou, daar heb je geen snuit voor... [367]je lijkt eer een jongejuffrouw, maar des te beter! Maar een vrouw voor je te vinden ... hm, hm! een vrouw...”

“Och, pater, dat heeft niets geen haast,” zeide Linares bedremmeld.

Doch de pater stapte van ’t eene eind van de voorgalerij naar ’t andere, en mompelde:

“Een vrouw, een vrouw!”

Zijn gelaat stond niet meer bedroefd of vroolijk; thans drukte het den grootsten ernst uit, en ’t scheen dat hij diep nadacht. Padre Salvi keek uit de verte naar dit heele tooneeltje.

“Ik dacht niet dat de zaak me zooveel narigheid zou bezorgen”, mompelde Padre Dámaso op huilerigen toon. “Maar van twee kwaden dan maar ’t minste.”

En zijn stem verheffende, trad hij op Linares toe, en zeide:

“Kom hier, m’n jongen, laten we ’s met Santiago gaan praten.”

Linares verbleekte, en liet zich door den geestelijke, die in gedachten verzonken voortliep, meetrekken.

Toen was het de beurt van Padre Salvi om, peinzend als altijd, heen en weer te gaan wandelen.

Een stem die hem goeden dag zeide ontrukte hem aan zijn peinzens-zware wandeling. Hij hief het hoofd op, en stond tegenover Lucas, die hem nederig groette.

Wat wil je?” vroegen ’s pastoors oogen.

“Pater, ik ben de broer van den man die op den dag van ’t feest gestorven is!” antwoordde Lucas op klagenden toon.

Padre Salvi trad een schrede terug. [368]

“En wat zou dat?” mompelde hij nauw hoorbaar. Lucas deed zijn uiterste best om te schreien, en veegde zich de oogen met zijn zakdoek af.

“Pater,” zeide hij snotterend, “ik ben bij Don Crisóstomo aan huis geweest, om een schadevergoeding te vragen. Eerst ontving hij me met schoppen, en zei dat hij niets wou betalen, omdat zijn leven gevaar geloopen had door de schuld van mijn lieven en ongelukkigen broer. Gisteren ben ik weer bij hem geweest, om hem te spreken, maar hij was al naar Manila vertrokken. Hij had bij wijze van aalmoes vijfhonderd peso’s voor me achtergelaten, met de boodschap dat ik nooit meer terug moest komen. Och, pater, vijfhonderd peso’s voor mijn armen broer, vijfhonderd peso’s! Och pater!...

De pastoor hoorde hem in ’t begin met verbazing en aandacht aan, en allengs teekende zich op zijn lippen zulk een glimlach van minachting en spot tegenover zulk een komedie, dat, als Lucas dien had kunnen zien, hij hals over kop zou weggeloopen zijn.

“En wat wil jij nu van mij?” vroeg hij hem, terwijl hij hem den rug toekeerde.

“Och pater, zegt me om Gods wil wat ik doen moet: Uweleerwaarde heeft altijd goeden raad gegeven.”

“Wie heeft je dat gezegd? Jij bent niet van hier...”

“Iedereen in de provincie kent Uweleerwaarde.”

Padre Salvi trad met vertoornden blik op hem toe, en hem de straat wijzend, zeide hij tot den ontstelden Lucas:

“Ga naar je huis, en wees Don Crisóstomo [369]dankbaar dat hij je niet in de gevangenis heeft laten zetten!”

Scheer je weg.”

Lucas vergat zijn aanstellerij, en mompelde:

“Wel, ik dacht...”

“Pak je weg,” schreeuwde Padre Salvi zenuwachtig.

“Ik zou Padre Dámaso wel ’s willen spreken..”

“Padre Dámaso heeft het druk... Pak je weg,” gelastte de pastoor nogmaals op strengen toon.

Lucas ging mopperend de trappen af.

“Nou, dat ’s er ook een...als hij ’s niet goed betaalt...

Die ’t beste betaalt...

Op ’t schreeuwen van den pastoor was iedereen komen toeloopen, zelfs Padre Dámaso, Capitán Tiago en Linares.

“Een onbeschaamde schooier, die om een aalmoes komt vragen, en niet werken wil,” zeide Padre Salvi terwijl hij zijn hoed en zijn stok greep, om naar het klooster te gaan.

[Inhoud]

XLII.

Gewetensonderzoek.

Lange dagen en droeve nachten zijn voorbijgetrokken over de legerstede van Maria Clara. Ze was, enkele oogenblikken na dat ze “bediend” was, weer ingestort, en gedurende haar ijlen had ze maar steeds den naam van haar moeder uitgesproken, die ze nooit gekend had. Doch haar vriendinnen, haar vader en haar tante hadden gewaakt; ze hadden missen laten lezen en offergaven geschonken aan al de wonderdoende beelden. Capitán Tiago beloofde de Heilige Maagd van Antipolo een gouden [370]stok ten geschenke te geven. En ten slotte begon de koorts allengs, maar geregeld af te nemen.

Doctor Espadaña was verbaasd over de geneeskracht van alteastroop en ijslands mos; want hij had verder niets voorgeschreven. Doña Victorina was zoo in haar schik over haar man, dat eens op een dag, toen deze haar op haar sleep trapte, zij niet haar gewone straf toepaste—hem zijn tanden af te nemen—maar zich vergenoegde met hem te zeggen:

“Als je niet toevallig mank was, zou je zelfs op mijn korset trappen.”

En zij droeg er geen!

Op een middag, terwijl Sinang en Victoria hun vriendin bezochten, waren in de eetkamer de pastoor, Capitán Tiago en de familie van Doña Victorina bezig wat te gebruiken en onderwijl te praten.

“Nu, ’t spijt me wel”, zeide de dokter, ’t zal Padre Dámaso ook erg spijten.”

“En waarheen zegt u dat ze hem overplaatsen?” vroeg Linares aan den pastoor.

“Naar de provincie Tabayas, antwoordde deze achteloos.

“Wie ’t ook erg spijten zal is Maria, wanneer ze ’t hoort”, zeide Capitán Tiago. “ze houdt van hem, alsof ’t haar vader was.”

Fray Salvi keek hem schuin aan.

“Ik geloof, pater”, ging Capitán Tiago voort, “dat deze heele ziekte komt van de narigheid die ze op den feestdag gehad heeft.”

“Ik ben van ’t zelfde gevoelen, en u heeft er goed aan gedaan, meneer Ibarra niet toe te staan met haar te spreken, ’t Zou haar verergerd hebben.” [371]

“En als wij er niet geweest waren”, viel Doña Victorina in, “zou Clarita al in den hemel aan ’t lofzingen wezen.”

“Amen Jezus!” meende Capitán Tiago te moeten zeggen.

Gelukkig voor u dat mijn man niet juist een voornameren zieke onder handen had, want dan had u een ander moeten roepen, en hier zijn ’t allemaal domkoppen. Mijn man...”

“Ik geloof en blijf bij wat ik gezegd heb,” viel de pastoor op zijn beurt in, “de biecht die Maria Clara gedaan heeft, heeft de gunstige crisis teweeggebracht, die haar leven gered heeft. Een rein geweten is meer waard dan veel medicijnen, en, ’t zij verre van me dat ik de macht van de wetenschap ontken, vooral niet van de chirurgie, maar een rein geweten... u moet maar ’s de vrome boeken lezen, en u zult zien hoeveel genezingen bewerkt zijn, enkel door een goede biecht!”

“Neem me niet kwalijk,” bracht Doña Victorina gepikeerd hiertegen in, “die kracht van een biecht...nou geneest u de vrouw van den alférez maar eens met een biecht!”

“Een wond, mevrouw, is volstrekt geen ziekte waarop het geweten eenigen invloed kan hebben!” antwoordde Padre Salvi streng. “En toch zou een goede biecht haar behoeden voor herhalingen van zulke afranselingen als die van vanmorgen.”

“Ze verdient het!” ging Doña Victorina voort, alsof ze Padre Salvi niet gehoord had. “Die vrouw is erg onhebbelijk! In de kerk doet ze niet anders dan naar mij kijken. Natuurlijk, ’t is ook maar iemand van niets. Zondag wou ik haar [372]vragen, of ik soms apen in mijn gezicht had; och maar wie wil zich bevuilen door te praten met menschen beneden zijn stand?”

Van zijn kant hervatte de pastoor, alsof hij evenmin deze heele tirade gehoord had:

“Geloof me, Don Santiago, om uw dochter heelemaal te genezen, is ’t noodig dat ze morgen een communie doet. Ik zal haar het viaticum brengen ...ik geloof dat ze niets zal hebben om te biechten. Maar, als ze van avond wil...”

“Ik weet niet,” voegde dadelijk Doña Victorina eraan toe, gebruik makende van een oogenblik stilte, “ik begrijp niet, dat er mannen in staat kunnen wezen met zulke vogelverschrikkers als die vrouwen te trouwen. Van verre zie je al vanwaar ze komt. ’t Is haar aan te zien dat ze vergaat van jaloezie. ’t Is te begrijpen! Wat verdient zoo’n alférez?

“Dus, Don Santiago, zegt u maar aan uw nicht dat ze de zieke moet voorbereiden op de communie van morgen. Ik kom vanavond om haar absolutie te geven voor haar zondetjes...”

En ziende dat tante Isabel uitging, zeide hij haar in ’t Tagaalsch:

“Bereidt u uw nichtje voor, dat ze vanavond moet biechten. Ik zal haar morgen het viaticum brengen, daar zal ze spoediger door herstellen.”

“Maar, pater,” waagde Linares schuchter tegen te werpen, “u moet nu niet gelooven dat ze in doodsgevaar is.”

Maakt u maar niets ongerust!” antwoordde hij, zonder hem aan te kijken, “ik weet heel goed wat ik doe. Ik ben al bij heel wat zieken geweest. Bovendien [373]moet zij maar zelf zeggen, of ze de heilige communie wil doen, en u zult zien dat ze in alles toestemt.”

Voorloopig stemde Capitán Tiago in alles toe.

Tante Isabel trad de ziekenkamer binnen.

Maria Clara lag nog te bed, bleek, zeer bleek; naast haar zaten haar beide vriendinnen.

“Neem nog een korreltje,” zeide Sinang zacht, en bood haar een wit pilletje aan, dat ze uit een glazen buisje haalde, “hij zegt dat je met de medicijn moet ophouden, als je gegons in de ooren voelt.”

“Heeft hij je niet nog eens geschreven?” vroeg de zieke zacht.

“Nee. Hij moet het zeer druk hebben!”

“Heeft hij niets aan me laten zeggen?”

“Hij zegt alleen maar, dat hij zal trachten van den aartsbisschop kwijtschelding te krijgen van den kerkelijken ban, om dan...”

Het gesprek werd hier gestoord door de komst der tante.

“De pater zegt dat je je moet voorbereiden op biechten, mijn kindje,” zeide zij. “Laat haar nu alleen, dan kan ze haar gewetensonderzoek doen.”

“Maar ze heeft immers nog geen week geleden gebiecht!” protesteerde Sinang. “Ik ben niet ziek, en ik zondig niet zoo vaak als zij!”

“Och kom, weet je niet wat de pastoor zegt? De rechtvaardige zondigt zeven maal op een dag. Zeg, zal ik je het Anker, de Ruiker of de Rechte weg ten Hemel brengen?”

Maria Clara antwoordde niet.

“Nou, je moet je maar niet vermoeien,” [374]voegde de goede tante eraan toe. Ik zelf zal je ’t gewetensonderzoek voorlezen, en dan moet jij maar alleen aan je zonden zien te denken.”

“Schrijf hem dat hij niet meer aan mij moet denken!” fluisterde Maria Clara Sinang in ’t oor, toen ze afscheid van haar nam.

“Hoe zoo?”

Doch de tante kwam binnen, en Sinang moest wel heengaan, zonder te begrijpen wat haar vriendin haar gezegd had.

De goede tante zette een stoel bij het licht, zette de bril op de punt van haar neus, en, een boekje openslaande, zeide ze:

“Let nu goed op, mijn kind. Ik zal beginnen met de geboden Gods. Ik zal langzaam lezen, dan kun je nadenken. Als je me niet goed verstaan hebt, moet je ’t me zeggen, dan zal ik ’t overdoen. Je weet wel dat ik, waar ’t je welzijn geldt, nooit moe word.”

Ze begon met eentonig neusgeluid de beschouwingen omtrent de zondegevallen voor te lezen. Na iedere paragraaf zweeg ze een heele poos, om het jonge meisje tijd te geven, zich haar zonden te herinneren en er berouw over te hebben.

Maria Clara keek starend voor zich uit. Toen het eerste gebod, “God lief te hebben boven alle dingen,” gelezen was, sloeg Tante Isabel haar boven haar bril even gade, en was tevreden over haar peinzend en droevig aanzien. Ze hoestte vroom, en begon, na een lange pauze, aan ’t tweede gebod. De goede oude las met zalving, en toen de beschouwingen gelezen waren keek ze [375]weer eens naar haar nichtje, dat langzaam het hoofd naar den anderen kant wendde.

“Och!” zeide tante Isabel bij zichzelve, “dat van ’t ijdel gebruiken van zijn heiligen naam, daar heeft ’t arme schaap zich nooit aan schuldig gemaakt. Laten we ’t derde nemen.”

En het derde gebod werd ontleed en gecommentarieerd, en alle gevallen werden gelezen waarin men er tegen zondigt. Daarna wendde ze zich weer naar ’t bed. Doch deze keer bracht de tante de bril naar boven, en wreef zich de oogen uit: ze had gezien dat haar nichtje de zakdoek naar ’t gezicht bracht als om tranen af te drogen.

“Hm!” zei ze, “hm! hm! ’t Arme kind is zeker in slaap gevallen gedurende de preek.”

En haar bril weer op ’t puntje van haar neus zettend, zeide ze bij zichzelf:

“Laten we ’s zien, of ze net zoo als ze de feestdagen niet heeft geëerd, ook vader en moeder niet geëerd heeft.”

En ze las het vierde gebod, met nog zeuriger stem en nog meer door den neus, geloovende zoo meer plechtigheid aan de zaak bij te zetten, zooals ze dat veel geestelijken had hooren doen.

Het jonge meisje bracht intusschen verscheidene malen de zakdoek aan de oogen, en haar ademhaling werd hoorbaarder.

“Wat ’n goede ziel!” dacht het oudje; “zij die zoo gehoorzaam en zoo inschikkelijk tegenover iedereen is! Ik heb meer zonden gedaan, en ik heb nooit echt kunnen schreien.”

En ze begon aan ’t vijfde gebod, met nog meer zeurigheid en zoo mogelijk nog [376]erger neusgeluid, en met zooveel geestdrift, dat ze ’t gesnik van haar nichtje niet hoorde. Alleen na een pauze die ze maakte, na de beschouwingen over doodslag met gewapende hand te hebben gelezen, bemerkte zij ’t gekreun der zondares. Toen steeg de toon boven ’t verhevene, ze las wat er nog stond op een toon die ze dreigend trachtte te maken, en ziende dat Maria nog steeds bleef schreien, zeide ze, terwijl ze dichter bij ’t bed kwam:

“Schrei maar, kind, schrei maar! Hoe meer je schreit, hoe eer God je vergeven zal. Wees maar zeker dat de smart van zondeinkeer beter is dan die van zelfverwijt! Geef je zelf ook slagen op de borst, maar niet hard, want je bent nog ziek.”

Doch, alsof de smart om toe te nemen verborgenheid en eenzaamheid behoefde, hield Maria Clara, toen ze zich verrast zag, langzaam op met zuchten, en droogde haar oogen, zonder een woord te zeggen, of haar tante te antwoorden.

Deze ging met lezen voort, maar omdat het schreien van haar publiek opgehouden was, verloor ze de geestdrift, en gaven de laatste geboden haar zelfs slaap, en deden haar geeuwen tot groot nadeel van het eentoonig neusgeluid, dat op die wijze afgebroken werd.

“Als ik ’t niet zag, zou ik ’t niet gelooven!” dacht de goede oude vrouw daarna. “Dit meisje zondigt als een soldaat tegen de vijf eerste geboden juist het omgekeerde van ons vroeger! Wat gaat het vreemd in de wereld tegenwoordig!”

En ze stak een groote kaars aan voor de Heilige Maagd van Antipolo, en nog [377]twee kleinere voor onze Lieve Vrouw der Rozenkrans en Onze Lieve Vrouw van de Pilaar, terwijl ze er zorg voor droeg een ivoren kruisbeeldje te verwijderen en in een hoek te leggen, om daaraan toch vooral duidelijk te kennen te geven, dat de kaarsen niet voor dat beeldje waren aangestoken. De maagd van Delaroche kreeg ook niets: ’t was een onbekende vreemdelinge, en tante Isabel had nog nooit van een wonder van haar gehoord.

We weten niet wat er voorgevallen is bij de biecht van dien avond: wij eerbiedigen zulke geheimen. De biecht duurde lang, en de tante, die uit de verte haar nichtje in ’t oog hield, kon opmerken dat de pastoor, in plaats van ’t oor gekeerd te hebben naar den mond der zieke, integendeel het gezicht naar haar gewend had, en slechts in de schoone oogen van het jongemeisje scheen te willen lezen wat ze dacht, of er naar te gissen.

Bleek en met opeengeklemde lippen verliet Padre Salvi het slaapvertrek. Zijn somber en met zweet bedekt voorhoofd ziende, zou men gezegd hebben, dat hij biechteling was geweest en geen absolutie had kunnen krijgen.

“Jezus, Maria en Jozef!” zeide onze tante, en sloeg een kruis, om een slechte gedachte van zich te verjagen.

“Wie snapt nu de jonge meisjes van tegenwoordig?!”

[Inhoud]

XLIII.

De vervolgden.

Bij het flauwe schijnsel dat de maan afzond door het dichte gebladerte der boomen dwaalde een man met langzame [378]bedaarde schreden door het bosch. Van tijd tot tijd, en als om zich te oriënteeren, floot hij een bizonder wijsje, waarop in de verte dezelfde tonen plachten te antwoorden. De man luisterde aandachtig, en vervolgde dan zijn weg in de richting van ’t verwijderd geluid.

Ten slotte, na ’t doorworstelen van duizend moeilijkheden, die een maagdelijk woud ’s nachts aanbiedt, kwam hij aan een klein open terrein, hel beschenen door de maan in haar eerste kwartier. Hooge rotsen, gekroond door boomen, rezen rondom op en vormden een soort bouwvallig amfitheater. Vers omgehakte boomen, verkoolde stammen vulden ’t midden, waartusschendoor ontzaggelijke rotsblokken lagen, door de natuur gedeeltelijk met haar mantel van groen gebladerte bedekt.

Nauwelijks was de onbekende aangekomen, of een andere gestalte, plotseling voor den dag komende van achter een groot stuk rots, trad naar voren, en een revolver uit den gordel nemend, vroeg hij op bevelenden toon in ’t Tagaalsch terwijl hij de haan van ’t wapen overhaalde:

“Wie ben je?”

“Is de oude Pablo bij jullie?” vroeg de eerste bedaard en onverschrokken zonder zich te storen aan de vraag.

“Spreek je van den Capitán? ja die is er.”

“Zeg hem dan dat Elias hem hier zoekt,” zeide de man die niemand anders was dan onze geheimzinnige “loods”.

Bent u ’t, Elias?” vroeg de onbekende met zekeren eerbied en naderbij komend, zonder nochthans zijn revolver weer bij zich te steken. “In dat geval gaat u [379]maar mee.”

Elias volgde hem.

Ze gingen een soort hol binnen, dat diep in de aarde wegzonk. De gids, die den weg kende, waarschuwde de loods wanneer hij afdalen, zich bukken of kruipen moest. Evenwel duurde het niet lang, of ze kwamen in een soort zaal, armzalig verlicht door pek-toortsen, en waarin zich twaalf gewapende kerels bevonden met ongure gelaatstrekken en vuil gekleed. Sommigen zaten, anderen lagen op den grond, en er werd nauwelijks gesproken. Met de ellebogen op een steen geleund, die dienst deed als tafel, en peinzend het licht gadeslaande, dat zoo weinig klaarte verspreidde bij zooveel rook, zag men een oude man met een droef gelaat, het hoofd gewikkeld in een bebloede zwachtel. Niet wetende dat die spelonk de verblijfplaats van toelisan’s of roovers was, zou men de wanhoop lezend op ’t gelaat des ouden mans, zeggen dat het de Hongertoren was op den vooravond van de dag waarop Ugolino zijn kinderen zou verslinden.1

Bij de komst van Elias en zijn gids richtten de mannen zich half op, doch op een teeken van den laatste stelden ze zich gerust, en vergenoegden zich met de loods, die ongewapend kwam, nauwkeurig op te nemen.

De oude man wendde langzaam het hoofd om, en werd de ernstige verschijning van Elias gewaar. Deze sloeg hem onbevangen gade, vol droefheid en belangstelling.

“Ben jij het?” vroeg de oude, wiens [380]gelaat, bij ’t herkennen van den jongen man, eenigszins opklaarde.

“In wat ’n toestand vind ik u!” mompelde Elias bij zichzelf, terwijl hij ’t hoofd schudde.

De oude man boog zwijgend het hoofd, gaf de mannen een teeken, waarop zij opstonden, en heengingen, niet zonder eerst met een blik de gestalte en de lichaamsbouw van den loods te meten.

“Ja!” zeide de grijsaard tot Elias, zoodra ze alleen waren: “zes maanden geleden, toen ik je een schuilplaats in mijn huis bood, was ik ’t die medelijden met jou had. Nu is ons lot veranderd, en ben jij ’t die medelijden met mij hebt. Maar ga zitten, en vertel me ’s, hoe je hier gekomen bent.”

“Zoo wat veertien dagen geleden hebben ze me van uw ongeluk gesproken,” antwoordde de jongeman langzaam en zacht, terwijl hij naar het licht keek; “ik ben dadelijk op weg gegaan, en heb u overal in de bergen gezocht; ik heb bijna twee provincies afgezocht.”

om geen onschuldig bloed te vergieten, heb ik moeten vluchten. Mijn vijanden vreesden zich te vertoonen en stelden alleen eenige ongelukkigen tegenover me, die me niet het minste kwaad gedaan hebben.”

Na een kort stilzwijgen, dat hij benutte om de gedachten te lezen op het sombere gelaat van den grijsaard, hervatte Elias:

“Ik ben gekomen om u iets voor te stellen. Nadat ik tevergeefs gezocht had naar een of ander overblijfsel van de familie, die het ongeluk van de mijne veroorzaakt heeft, heb ik besloten de provincie waar ik woon te verlaten, om naar ’t noorden te verhuizen, onder de [381]ongeloovige onafhankelijke stammen; wilt u het leven opgeven dat u nu leidt, en met mij meegaan? Ik zal uw zoon wezen, nu u de uwen verloren heeft. En ik die geen familie heb, zal in u een vader hebben.”

De oude man schudde het hoofd, en zeide: “Wanneer men op mijn leeftijd een wanhopig besluit neemt, dan is dat omdat er niets anders is. Een man die, als ik, zijn jeugd en zijn rijpere jaren heeft doorgebracht in arbeid voor zijn eigen toekomst en die van zijn kinderen; een man die zich onderworpen heeft getoond aan al de wilsuitingen van zijn meerderen, die gewetensvol moeilijke betrekkingen vervuld heeft, alles geleden heeft, om in vrede en in een zoo groot mogelijke rust te leven; wanneer die man, wiens bloed door ouderdom bekoeld is, afstand doet van zijn heele toekomst, aan den rand van ’t graf, dan is dat omdat hij rijpelijk overwogen heeft dat vrede niet bestaat en ook niet het hoogste goed is. Waartoe ellende lijden in een vreemd land? Ik had twee zoons, een dochter, een eigen huis, fortuin. Ik genoot achting en aanzien. Nu ben ik als een boom die van zijn takken beroofd is, nu dwaal ik rond als een vluchteling, opgejaagd als een wild dier in ’t bosch, en dat alles waarom? Omdat een man mijn dochter onteerd heeft, omdat haar broeders rekenschap vroegen over de schanddaad van dien man, en omdat die man met zijn waardigheid van geestelijke boven de gewone menschen verheven staat. Alles wel beschouwd heb ik, vader, onteerd in mijn ouderdom, de beleediging vergeven, ben ik toegevend geweest tegenover de hartstochten [382]van de jeugd en de zwakheden van ’t vleesch. En wat moest ik doen tegenover een onherstelbaar kwaad, wat anders dan zwijgen en redden wat me nog restte? Maar de misdadiger was bang voor een wraak die hij min of meer nabij achtte, en zocht het ongeluk van mijn zoons. Weet je wat hij gedaan heeft? Nee? Weet je niet dat hij een diefstal in ’t klooster verzon, en dat onder de beschuldigden een van mijn zoons voorkwam? De ander kon hij er niet in betrekken, want die was afwezig. Weet je de martelingen waaraan hij onderworpen werd? Je kent ze, omdat ze in alle dorpen zoo toegepast worden! Ik, ik zag mijn zoon opgehangen aan zijn haren, ik hoorde zijn kreten, ik hoorde dat hij me riep, en ik, die laf was en aan vrede gewend, ik heb den moed niet gehad noch om te dooden, noch om te sterven! Weet je dat de diefstal niet bewezen kon worden, dat men inzag dat het laster was, en dat de pastoor voor straf naar een ander dorp werd overgeplaatst? En dat mijn zoon ten gevolge van de marteling gestorven is? De andere, die mij restte, was niet laf als zijn vader, en daar de beul vreesde dat hij misschien in hem zijn broer wreken zou, werd hij onder voorwendsel dat hij geen bewijs van vestiging had,—dat hij voor ’t oogenblik vergeten had—door de guardia civil opgepakt, mishandeld, geprikkeld en met scheldwoorden tot het uiterste gebracht zoo zelfs dat hij tot zelfmoord gedwongen werd. En ik, ik heb zooveel schande overleefd, maar al heb ik niet den moed als vader gehad om mijn kinderen te verdedigen, er blijft mij een hart voor de wraak, en ik zal me wreken! [383]De ontevredenen gaan zich meer en meer onder mijn bevel vereenigen, mijn vijanden doen mijn troep toenemen, en op den dag dat ik mij sterk genoeg voel, zal ik naar de vlakte afdalen en mijn wraak en mijn eigen leven in ’t vuur uitdooven! En die dag zal komen, of er is geen God!”

En de oude man richtte zich zenuwachtig op, en met fonkelenden blik en een hol klinkende stem voegde hij eraan toe, terwijl hij aan zijn lange haren rukte:

“Vloek, vloek over mij, die de wrekende hand van mijn zoons heb tegengehouden: ik heb ze vermoord! Had ik toegelaten dat de schuldige stierf, had ik minder in Gods rechtvaardigheid en die van de menschen geloofd, dan had ik nu mijn kinderen, voortvluchtig misschien, maar zou ze hebben en ze zouden niet den marteldood gestorven zijn! Ik was niet geboren om vader te zijn! Daarom heb ik ze niet! Vloek over mij, die op mijn leeftijd nog niet geleerd had het midden te kennen waarin ik leefde! Maar in vuur en bloed en in mijn eigen dood, zal ik je weten te wreken!” De ongelukkige vader had zich ten toppunt van smart, het verband afgerukt, en nu vertoonde zich een breede wond aan zijn voorhoofd, waaruit bloeddruppels neervielen.

“Ik eerbiedig uw smart,” hervatte Elias, en ik begrijp uw wraakbegeerte. Ik ben net als u, en toch, uit vrees om een onschuldige te treffen, vergeet ik liever mijn ellende.”

“Jij kunt vergeten, omdat je jong bent, en omdat je geen enkele zoon verloren hebt, geen enkele laatste hoop! [384]Maar ik zweer ’t je: ik zal geen onschuldige doen lijden. Zie je deze wond? Om niet een arme wachtkerel die zijn plicht deed te dooden, heb ik me die laten toebrengen.”

“Maar bedenkt u niet,” zeide Elias na een oogenblik zwijgens, “bedenkt u niet in welk een schrikkelijke brand u ons arm volk zal werpen? Als u met eigen hand wraak neemt, zullen uw vijanden vreeselijke weerwraak nemen niet tegen u, maar tegen ’t volk, dat als naar gewoonte, beschuldigd wordt, en dan, wat ’n onrecht!”

“Laat het volk leeren zich te verdedigen, laat iedereen zich verdedigen!”

“Weet u wel dat zoo iets onmogelijk is! Meneer, ik heb u gekend in een anderen tijd, toen u nog gelukkig was. Toen gaf u me wijze raad. Staat u me toe?...”

De grijsaard kruiste de armen, en scheen vol aandacht.

“Meneer,” ging Elias voort, zijn woorden goed overwegend, “ik heb het geluk gehad, een dienst te kunnen bewijzen aan een rijken jongeman, iemand met een goed en edel hart en die zijn land liefheeft. Men zegt dat die jongeman vrienden in Madrid heeft. Ik weet het niet, maar wel kan ik u verzekeren dat hij op vriendschappelijken voet staat met den Capitán Generaal. Wat zou u ervan zeggen, als wij hem tot onzen aanklager maakten, als we hem belang deden stellen in de zaak van ons ongelukkige volk?”

De oude man schudde het hoofd.

“Zeg je dat hij rijk is? Rijke menschen denken aan niets anders dan hun rijkdom te vermeerderen: trots en praal verblinden ze en omdat ze gewoonlijk er zelf goed aan toe zijn, vooral wanneer [385]ze machtige vrienden hebben, bekommert zich geen van hun om de ongelukkigen. Ik weet dat alles, omdat ik zelf rijk ben geweest!”

“Maar de man van wien ik spreek, is niet zooals anderen.

“’t Is een zoon die gehoond is geworden in de nagedachtenis van zijn vader. ’t Is een jongmensch dat, omdat hij spoedig een gezin zal hebben, aan de toekomst denkt, aan een goede toekomst voor zijn kinderen.”

“Dan is ’t een man die spoedig gelukkig zal wezen, en onze zaak is niet die van de gelukkige menschen.”

“Maar ’t is wel die van de mannen die een hart hebben!”

“Laat ’t wezen!” hervatte de oude man, en ging weer zitten, “neem aan dat hij onze pleitbezorger is bij den opperlandvoogd, veronderstel dat hij op de hoofdplaats afgevaardigden vindt die voor ons willen opkomen, geloof je dan dat ons recht zal gedaan worden?”

“Laten we ’t probeeren, voordat we bloedige maatregelen nemen,” antwoordde Elias. “’t Moet u wel verbazen dat ik, een ander ongelukkige, jong en sterk als ik ben, u, een oud en zwak man, vreedzaam optreden aanraad. Maar dat komt omdat ik zooveel ellenden gezien heb door ons veroorzaakt, evenzeer als door de onderdrukkers: ’t is altijd de weerlooze die ’t gelag betaalt.”

“En als we toch niets bereiken?”

“Iets zal er bereikt worden, gelooft u me: niet alle bestuurders zijn onrechtvaardig. Als we niets gedaan krijgen, als ze onze klachten in den wind slaan, als de mensch doof geworden is voor de smartkreten van zijn evenmenschen, dan [386]ben ik tot uw orders!”

De grijsaard omarmde vol geestdrift Elias.

“Ik neem je voorslag aan, Elias. Ik weet dat je je woord houdt. Je zult bij me komen, en ik zal je helpen, om je voorouders te wreken, jij zult mij helpen om mijn kinderen te wreken! Mijn zoons die zoo waren als jij!”

“Intusschen moet u iedere gewelddadigheid vermijden.”

“Jij moet de klachten van ’t volk blootleggen: je kent ze. Wanneer zal ik je antwoord vernemen?”

“Zend me over vier dagen een man naar het strand van San Diego, en ik zal hem het antwoord zeggen dat de man in wien ik mijn hoop stel me gegeven heeft. En zoo niet, dan ben ik de eerste die valt in den strijd, dien we samen ondernemen zullen.”

“Elias zal niet sterven, Elias zal de aanvoerder wezen, wanneer Capitán Pablo voldaan over zijn wraak gevallen is,” zeide de grijsaard.

En hij zelf vergezelde den jongeman tot buiten het hol.


1 Dante. Inferno 33.

[Inhoud]

XLIV.

De hanenvechtplaats.

Om den Zondag in eere te houden gaat men op de Filippijnen gewoonlijk naar het hanenperk. Het hanenvechten is een hartstocht die sinds een eeuw in ’t land ingevoerd en geëxploiteerd wordt, is een der volksondeugden, die meer op den voorgrond treedt dan het opium-schuiven bij de Chineezen. Daar gaat de arme heen om wat hij bezit op ’t spel te zetten, begeerig als hij is om geld te verdienen zonder te werken. Daar gaat [387]ook de rijke heen, om verstrooiing te zoeken, het geld gebruikende, dat er overschiet van zijn festijnen en genade-missen; maar de som die verspeeld wordt is van hem, de haan is wellicht met meer zorg opgekweekt dan de zoon, opvolger van den vader in ’t hanenperk, en dit verontschuldigt de spelers.

Aangezien het bestuur het toestaat, en ’t zelfs bijna aanbeveelt—want het gelast dat het schouwspel alleen gegeven mag worden op “openbare pleinen,” op “feestdagen” (opdat iedereen het zien kunne en het voorbeeld moge aanmoedigen), “na de groote mis tot het donker” (acht uur), zullen we eens dit spel gaan bijwonen, om eenige kennissen op te zoeken.

Het hanenperk van San Diego onderscheidt zich slechts onbeduidend van die welke men op andere plaatsen vindt. Het bestaat uit drie afdeelingen: de eerste, die voor den ingang, is een groote rechthoek van zoowat twintig meter lengte bij veertien breedte; aan een der zijden opent een deur, waar gewoonlijk een vrouw bij waakt, die belast is met het innen van sa-pintoe of het toegangsgeld. Van dit geld ontvangt het gouvernement een gedeelte: eenige honderdduizenden peso’s jaarlijks. Men zegt dat voor dit geld, dat de ondeugd voor haar vrijheid betaalt, prachtige scholen worden opgericht, bruggen gebouwd en straatwegen aangelegd, dat men daarvoor prijzen uitlooft om landbouw en handel te bevorderen...Gezegend de ondeugd die zulk een goeden uitslag oplevert!1 In [388]deze eerste afdeeling zijn de verkoopsters van sirih, sigaretten, lekkernijen en andere eetwaren enz. Daar krioelt het van jongens, die hun vaders en ooms vergezellen, welke hen zorgvuldig inwijden in de geheimen des levens.

Deze afdeeling staat in verbinding met een ander van ietwat grooter afmetingen, een soort “foyer”, waar het publiek zich vereenigt voor het “loslaten” der hanen.

In de foyer bevinden zich de meeste hanen, met een touw aan den grond vastgemaakt, door middel van een pen van been of wilde palm; daar zijn de beroepsspelers, de verslaafden, daar is de ervaren mesjes-bevestiger; daar wordt onderhandeld, overwogen, te leen gevraagd, verwenscht, gezworen en gevloekt, gelachen dat het davert. Ginds streelt er een zijn haan, hem de hand over de glanzende veeren strijkend; hier onderzoekt er een en telt de schubben der pooten; daar vertelt men de daden der helden; wat verder zult ge een troepje lieden zien, welke met pruilend gelaat een ontveerd hanelijk wegdragen: het dier dat maanden lang de lieveling geweest is, nacht en dag vertroeteld en verzorgd, en waarop ze streelende hoop-verwachtingen bouwden, is nu niet meer dan een lijk, en wordt straks verkocht voor een peseta, om met gember klaargemaakt dienzelfden avond gegeten te worden. Sic transit gloria mundi! De spelverliezer keert naar zijn huis terug, waar hem de ongeruste vrouw en de lompig-gekleede kinderen wachten, zonder ’t kapitaaltje en zonder de haan. Van dien heelen gulden droom, van al die zorgen maanden lang, van ’t morgenkrieken [389]tot zonsondergang, van al die moeite en last, is niets dan een peseta het resultaat, de asch die gebleven is van zooveel rook.

In deze “foyer” redetwisten de domsten; de slimmeren onderzoeken gewetensvol de zaak, wegen, beschouwen, spreiden de vleugels uit, betasten de spieren der hanen! Sommigen gaan zeer goed gekleed, gevolgd en omringd door de aanhangers hunner dieren; anderen, vuil, met het stempel der ondeugd op hun gelaat geprent, volgen angstvallig de bewegingen der rijken, en letten aandachtig op de weddenschappen, want de beurs kan wel leegraken, maar de passie niet verzadigd worden: daar is geen enkel gezicht dat niet opgewonden is, daar vindt men niet de luie, apathische, stille Filippijner. Hij is nu een en al bewegelijkheid, hartstocht, vurig verlangen. Men zou zeggen dat ze de dorst hebben die het slijkwater opwekt.

Van deze plaats komt men in ’t arena, dat rueda heet. De grond, omsloten door bamboe, is hier meestal hooger dan in de vorige afdeelingen. In ’t bovenste deel, en bijna aan de zoldering rakend, bevinden zich trapsgewijze geschikte zitplaatsen voor het publiek of voor de spelers, die per slot van rekening dezelfden zijn. Gedurende het gevecht vullen zich deze zitplaatsen met mannen en jongens, die schreeuwen, krijschen, zweten, ruzie maken en vloeken. Gelukkig komt bijna nooit een vrouw daar. In de rueda zijn de notabelen, de rijken, de befaamde beroepsspelers, de contractant en de spelrechter. Op den grond, die uitstekend vastgestampt is, vechten de dieren, en van daar-uit deelt het lot aan de [390]huisgezinnen lach en traan, smulpartijen of honger uit.

Op ’t uur dat wij binnenkomen, zien we reeds de gobernadorcillo, Capitán Pablo, Capitán Basilio, Lucas, de man met het litteeken in zijn gezicht, die zooveel verdriet had over den dood van zijn broer.

Capitán Basilio treedt toe op iemand uit het volk en vraagt hem:

“Weet je ook welke haan Capitán Tiago meebrengt?”

“Ik weet het niet, meneer. Vanochtend zijn er twee van hem aangekomen, een ervan is de lasak (wit en rood), die de talisain (bonte) van den consul verslagen heeft. Gelooft u dat mijn boelik (wit en zwart) met hem zou kunnen vechten?”

“Ik geloof ’t zeker! Ik verwed er mijn huis en mijn hemd om!”

Op dat oogenblik kwam Capitán Tiago binnen. Hij ging gekleed als de groote spelers: een hemd van kanten-linnen, wollen pantalon en een grooten strooien flaphoed. Achter hem aan kwamen twee bedienden, de lasak en een witten haan van ontzaggelijke afmetingen dragend.

“Sinang heeft me gezegd dat Maria ’t iedere maand beter maakt!” zeide Capitán Basilio.

“Heeft u gisterenavond verloren?”

“Een beetje. Ik weet dat u gewonnen heeft... ik zal zien, of ik ’t goed maak.”

Wilt u de lasak laten vechten?” vroeg Capitán Basilio, terwijl hij naar den haan keek, en hem van den bediende vroeg.

“Dat ligt eraan, als er op gewed wordt.”

“Hoeveel stelt u?” [391]

“Minder dan twee laat ik hem niet gaan.”

“Heeft u mijn bulik gezien?” vroeg Capitán Basilio, en riep een man die een kleinen haan droeg.

Capitán Tiago onderzocht hem, en na hem gewogen en na zijn schubben betast te hebben, gaf hij hem terug.

“Hoeveel zet u op?” vroeg hij.

“Evenveel als u.”

“Twee en vijfhonderd?”

“Drie?”

“Drie!”

“Voor de volgende!”

De kring van nieuwsgierige spelers verbreidde het bericht dat twee beroemde hanen zouden vechten. Beiden hadden hun geschiedenis en hun gevestigde roep. Iedereen wilde de twee beroemdheden zien, ze onderzoeken. Men uitte meeningen, men deed voorspellingen.

Intusschen neemt het stemmengerucht toe, wordt de verwarring grooter, men dringt binnen de rueda en bestormt de zitplaatsen. De “loslaters” brengen twee hanen naar het strijdperk, de eene wit, de andere rood, reeds gewapend maar de mesjes zitten nog in de schede. Men hoort uitroepen “op de witte!” “op de witte!”, een enkele stem roept “op de roode!” De witte was de “beroepene,” de roode de “verlatene”, dat wil zeggen de verworpeling en de lieveling.

Onder de menigte loopen guardia civiles rond. Ze dragen niet de uniform van het welbeproefde korps, maar zijn ook niet in burgerkleeding. Een broek van ruw wollen stof met roode franje, een hemd met blauwe vlekken van de afgevende kiel, politie-muts, ziedaar de vermomming in overstemming met hun [392]houding. Ze wedden en houden toezicht, ze verstoren de orde, terwijl ze zeggen die te handhaven.

Onder ’t geschreeuw door worden de handen uitgestrekt waarin men met geld zwaait en rinkelt, terwijl men in den zak het laatste geldstuk opzoekt, of, als dat er niet is, zijn woord wil verpanden, belovende dat men zijn karbouw, den aanstaanden oogst enz. wil verkoopen; twee jongelieden, blijkbaar broeders, volgen met jaloersche oogen de spelers, komen naar elkaar toe, mompelen schuchtere woorden waar niemand naar luistert, worden telkens somberder en kijken elkaar met ergernis en spijtigheid aan. Lucas neemt ze tersluiks op, glimlacht boosaardig, laat zilveren peso’s klinken, gaat vlak langs de beide broeders, en terwijl hij naar de rueda kijkt, roept hij:

“Ik betaal vijftig, vijftig tegen twintig op den witte!”

De twee broeders wisselen een blik.

“Ik heb ’t je wel gezegd,” mompelt de oudste, “dat je niet al het geld moest verwedden. Als je mijn raad gevolgd hadt, zouden we nu overhebben, om op den roode te zetten!

De jongste van de twee trad schuchter op Lucas toe, en raakte even zijn arm aan.

“Ben jij ’t?” roept deze en keert zich om, net doende alsof hij verrast was, “neemt je broer mijn voorstel aan, of kom je om te wedden?”

“Hoe wil je dat we zullen wedden, als we alles verloren hebben?”

“Dus neem je ’t aan?”

“Hij wil niet! Als u ons wat kon leenen: u zegt immers dat u ons kent...”

Lucas krabde zich achter ’t oor, trok [393]zijn hemd glad, en antwoordde:

“Ja zeker ken ik jullie. Jullie zijt Tarsilo en Bruno, jonge en sterke kerels. Ik weet dat je vader gestorven is tengevolge van de honderd geeselslagen daagsch, die deze soldaten hem gaven. Ik weet dat jullie er niet aan denkt om hem te wreken...”

“Bemoei u niet met onze zaken,” viel Tarsilo, de oudste, in, dat brengt ongeluk. Als we geen zuster hadden, dan waren we al lang opgehangen!”

“Ophangen? Ze hangen alleen een lafaard op, iemand die geen geld en geen voorspraak heeft. En in allen gevalle is de wildernis dichtbij.”

“Honderd tegen twintig, ik zet op den witte!” riep er een onder ’t voorbijgaan.

“Leen ons vier peso’s ... drie ... twee,” smeekte de jongste. We geven u later ’t dubbele terug. Ze laten meteen de hanen los.”

Lucas krabde zich nog eens achter ’t oor.

Pst! Dit geld is niet van mij, Don Crisóstomo heeft het mij gegeven voor wie hem dienen willen. Maar ik zie wel dat jullie niet zijt zooals je vader. Die was wel moedig. Laat hij die ’t niet is geen pretjes zoeken.”

En hij verwijderde zich van hen, doch niet ver.

“Laten we ’t aannemen, wat geeft ’t?” zeide Bruno.

’t Is toch een en ’t zelfde, of je opgehangen of gefusilleerd wordt: wij arme lui dienen nergens anders voor.”

“Je hebt gelijk, maar denk aan onze zuster.”

Onderwijl is het strijdperk ontruimd. De kampstrijd zal een aanvang nemen. [394]Het geschreeuw bedaart allengs, en de twee “loslaters” en de “mesjes-vastmaker” blijven in ’t midden staan. Op een teeken van den spelrechter ontbloot de eerste de stalen navaja’s en de fijne lemmeten blinken dreigend, flikkerend.

De twee broeders gaan droevig en stil naar de omheining van het perk, en kijken toe, het voorhoofd tegen de bamboe aan. Een man treedt op hen toe, en zegt fluisterend:

“Zeg, man, honderd tegen tien. Ik ben voor den witte!”

Tarsilo kijkt hem verbouwereerd aan. Bruno geeft hem een stoot met de elleboog, waarop hij met een gegrom antwoordt.

De “loslaters” houden de hanen met meesterlijke zachtheid vast, zorgdragend zich niet te kwetsen. Er heerscht een plechtig stilzwijgen: men zou wanen dat de aanwezigen behalve de twee loslaters gruwelijke wassen poppen waren. De eene haan wordt bij den andere gebracht, terwijl men den kop van den eene vasthoudt, opdat hij door ’t krijgen van een pik van den ander toornig wordt, en omgekeerd: bij ieder doel moet gelijkheid wezen, zoowel tusschen Parijsche als tusschen Filippijnsche hanen. Daarna laat men ze elkaar in ’t gezicht kijken, waardoor de arme beestjes weten wie hun een veertje uitgerukt heeft en met wie ze moeten vechten. De halsveederen rijzen op, ze kijken elkaar strak aan, en toornflitsjes ontsnappen uit hun kleine ronde oogjes. Dan is het oogenblik gekomen. Men zet ze op den grond neer en laat hun verder vrij spel.

Langzaam treden ze vooruit. Men hoort [395]hun schreden op den harden grond. Niemand kikt, in ademlooze spanning. De kop neerbuigend en opheffend, als meten ze elkaar met de blik, uiten de beide hanen geluiden, wellicht van bedreiging en minachting. Ze hebben het glanzend lemmet ontwaard, dat koude blauwige flikkeringen uitzendt. Het gevaar spoort hen aan, en ze gaan vastberaden op elkaar af; doch op een pas afstands staan ze stil, met strakken blik, ’t hoofd naar beneden, en weer gaan de halsvederen omhoog. Op dat oogenblik worden de hersentjes door bloed beloopen, de oogen flitsen, en met hun natuurlijken moed werpen ze zich onstuimig op elkaar: snavel stoot tegen snavel, borst tegen borst, staal tegen staal en vleugel tegen vleugel. De slagen zijn met meesterschap afgeweerd, en er zijn alleen enkele veeren gevallen. Ze meten zich opnieuw met elkaar. Plotseling vliegt de witte op, en zwaait het doodelijke staal, maar de roode is op zijn pooten doorgezakt, heeft den kop gebogen, en de witte heeft slechts in de lucht geschermd. Doch, bij ’t weer neerstrijken op den grond en verwonding van achteren ontwijkend, keert hij zich snel om, en maakt front. De roode valt hem met woede aan, doch hij verdedigt zich bedaard: niet voor niets is hij de lieveling van ’t publiek. Iedereen volgt bevend en in angstige spanning de wisselingen van ’t gevecht, terwijl men nu en dan een onwillekeurige kreet laat hooren. De grond raakt bedekt met roode en witte veeren, met bloed bespet. Maar ’t duel is niet op ’t eerste bloed. De Filippijnen, hier de wetten volgend door ’t bestuur gegeven, willen dat het op leven [396]en dood zij, of totdat de eerste vlucht. Het bloed drenkt reeds overal den grond, de slagen komen korter op elkaar, doch de overwinning blijft onbeslist. Eindelijk, met een uiterste krachtsinspanning, stort de witte vooruit, om den genadeslag toe te brengen, steekt zijn mesje in den vleugel van den roode, en dit dringt tusschen de beenderen door. Doch de witte is in de borst gewond, en beiden, schier bloedeloos, uitgeput, hijgend, de een tegen den ander aangedrukt, blijven zoo roerloos staan, totdat de witte neervalt, bloed spuwt uit zijn snavel, met de pooten spartelt en zieltoogt. De roode vastgehouden aan den vleugel, blijft naast hem, zakt allengs op zijn pooten ineen en sluit langzaam de oogen.

Daarop verklaart de spelrechter, in overeenstemming met de voorschriften van ’t bestuur, dat de roode overwinnaar is. Een woest geschreeuw begroet deze uitspraak, een geschreeuw dat men in ’t heele dorp kan hooren, gerekt eentonig en een poos durend. Die het in de verte hoort begrijpt dan dat de “verlatene”—niet de “lieveling” overwinnaar is geweest. Anders zou het gejubel niet zoo lang geduurd hebben. ’t Is ermee als met de volken: als een klein volk erin slaagt de overwinning te behalen op een groot, wordt die bezongen, en door alle eeuwen heen verteld.

“Zie je wel?” zei Bruno spijtig tot zijn broeder. “Als je me hadt willen gelooven, zouden we nu honderd peso’s hebben: door jouw schuld zitten we zonder een cuarto.”

Tarsilo antwoordde niet, maar keek met oogen half dicht om zich heen, als zocht hij iemand. [397]

“Daar staat hij te praten met Pedro,” hervatte Bruno. “Hij geeft hem geld, wat ’n geld!”

Inderdaad telde Lucas in handen van Sisa’s man zilvermunten uit. Ze wisselden nog heimelijk eenige woorden, en gingen dan vaneen, naar ’t scheen voldaan.

“Pedro heeft zich zeker verbonden: nou, die weet ten minste wat hij doet!” zuchtte Bruno.

Tarsilo bleef somber en in gepeins voor zich staren. Met zijn hemdsmouw veegde hij zich ’t zweet af, dat langs zijn voorhoofd gutste.

“Broer,” zeide Bruno, “ik ga, als jij niet besluiten kunt. De partij gaat door: de lasak moet winnen en we mogen zoo’n mooie gelegenheid niet laten voorbijgaan.

Ik wil wedden bij ’t volgende gevecht. Wat kan ’t me schelen? Zoo wreken we onzen vader.”

“Wacht!” zeide Tarsilo, en keek hem strak in de oogen: beiden waren bleek. “Ik ga met je mee. Je hebt gelijk: we zullen onzen vader wreken.”

Hij bleef echter stilstaan, en veegde zich weer ’t zweet van ’t voorhoofd.

“Waarom blijf je staan?” vroeg Bruno ongeduldig.

“Weet je welke hanen nu volgen? Zijn ze de moeite waard?...”

“Dat ’s ook wat moois! Heb je ’t niet gehoord? De boelik van Capitán Basilio tegen de lasak van Capitán Tiago. Volgens de regels van ’t spel moet de lasak het winnen.”

“O de lasak! Ik zou ook wel willen wedden...maar laten we ons eerst verzekeren.” [398]

Bruno maakte een gebaar van ongeduld, maar volgde zijn broeder. Deze bekeek de haan goed, sloeg hem in de onderdeelen gade, wikte en woog, deed eenige vragen: de ongelukkige weifelde. Bruno was zenuwachtig, en keek hem vertoornd aan.

“Maar zie je dan die breede schub niet die hij daar, bij zijn spoor, heeft? Zie je die pooten niet? Wat wil je meer? Kijk die beenen ’s, spreid die vleugels ’s uit! En deze gespleten schub boven deze breede, en deze dubbele?”

Tarsilo hoorde niet naar hem, maar ging voort met het dier te onderzoeken: het gerinkel van goud en zilver drong tot zijn ooren door.

“Laten we nu naar den boelik gaan kijken,zeide hij met gesmoorde stem.

Bruno stampvoette, knarsetandde, maar gehoorzaamde zijn broeder.

Ze traden op een andere groep toe. Daar was men bezig den haan te wapenen, men zocht navaja’s uit, de atador of mesjes-vastmaker maakte roode zijde klaar, smeerde hem met was in, en wreef hem verscheidene malen.

Tarsilo omvatte het dier in een somber-wezenloozen blik: ’t was alsof hij den haan niet zag, maar iets anders in de toekomst. Hij streek met de hand over ’t voorhoofd.

“Ben je genegen?” vroeg hij zijn broeder met doffe stem.

“Ik? Te voren al. Ik hoefde ze niet eerst te zien!”

“’t Is dat...onze arme zuster...”

“Och wat! Hebben ze je dan niet gezegd dan Don Crisóstomo aan ’t hoofd staat? Heb je hem niet zien wandelen met den gouverneur? Wat voor gevaar [399]loopen we dan?”

“En als we dood gaan?”

“Wat zou dat nog? Onze vader is doodgeranseld.”

“Je hebt gelijk!”

Beide broeders zochten Lucas op tusschen de groepen.

Zoodra ze hem gewaar werden, stond Tarsilo stil.

“Nee, laten we weggaan van hier. We gaan ons ongeluk tegemoet!” riep hij.

“Ga jij weg, als je wil, ik neem ’t aan!”

“Bruno!”

Ongelukkigerwijze naderde een man, en zeide tot hen:

“Wed u mee? Ik ben voor de boelik.” De twee broeders antwoordden niet.

“Ik heb gewonnen!”

“Hoeveel?” vroeg Bruno.

De man begon zijn muntstukken van vier peso’s te tellen. Bruno keek hem ademloos aan.

“Ik heb twee honderd: vijftig tegen veertig!”

“Nee!” zeide Bruno beslist. “Zet...”

“Goed: vijftig tegen dertig!”

“Verdubbel als u wilt!”

“Goed! De boelik is van mijn baas, en ik heb net gewonnen: honderd tegen zestig.”

“Top! Wacht, ik zal even geld halen.”

“Maar ik zal ’t geld in bewaring nemen,” zeide de ander, die niet veel vertrouwen had in Bruno’s uiterlijk.

“’t Is me om ’t even!” antwoordde deze, die wel vertrouwen had in zijn eigen knuisten.

En zich tot zijn broeder wendend, zeide hij hem:

“Als jij blijft, ik ga heen.” [400]

Tarsilo dacht even na: hij had zijn broeder lief, maar hield ook van ’t spel. Hij kon hem niet alleen laten, en mompelde: “Goed, ’t zij zoo!”

Ze traden op Lucas toe: deze zag hen aankomen, en glimlachte.

“Oom!” zei Tarsilo.

“Wat is er?”

“Hoeveel geeft u?” vroegen ze allebei.

“Ik heb ’t al gezegd: als jullie op je nemen, om anderen te zoeken voor ’t overvallen van de kazerne, geef ik je dertig peso’s, aan elk van jullie, en tien aan elken kameraad. Als alles goed afloopt, krijgt elk van den troep honderd, en jullie elk ’t dubbele: Don Crisóstomo is rijk.”

“Aangenomen!” riep Bruno. “Geef op ’t geld!”

“Ik wist wel dat jullie dapper waren evenals je vader! Kom mee, laten de lui die hem van kant gemaakt hebben, ons niet hooren!” zeide Lucas, en wees naar de guardias civiles.

En ze naar een hoek brengende, zei hij hun terwijl hij het geld uittelde:

“Morgen komt Don Crisóstomo en brengt wapens. Overmorgen avond, zoo tegen acht, moeten jullie naar het kerkhof gaan, en ik zal je zijn laatste beschikkingen zeggen.

Jelui hebben tijd om deelnemers te zoeken.”

Ze gingen vaneen. De twee broeders schenen van rol verwisseld te hebben: Tarsilo was kalm, Bruno ongerust.


1 Ironie van den schrijver: het geld werd daar natuurlijk niet voor besteed.

[Inhoud]

XLV.

De twee dames.

Terwijl Capitán Tiago zijn lasak liet vechten, maakte Doña Victorina een [401]wandeling door het dorp, met de bedoeling om te zien, hoe de luie inlanders hun huizen en zaaivelden hadden. Ze had zich zoo zwierig mogelijk aangekleed, en op haar zijden morgenjapon al haar linten en bloemen aangebracht, om de provinciemenschen te overbluffen en hun te laten zien, hoe groot de afstand was tusschen hen en haar hoogheilige persoon. En de arm gevende aan haar manken echtgenoot, liep ze te pronken door de straten van het dorp, te midden van de stomme verbazing der bewoners.

Neef Linares was thuis gebleven.

“Wat hebben die inlanders leelijke huizen!” begon Doña Victorina, terwijl ze een vies gezicht zette, “ik begrijp niet hoe ze erin leven kunnen, daar moet je toch een inlander voor wezen. En wat zijn ze slecht opgevoed en trotsch! Ze komen ons tegen, en nemen den hoed niet eens af! Sla ze op hun hoed zooals de pastoors en de luitenants van de guardia civil doen, leer hun manieren.”

“En als ze mij terugslaan?” vroeg dokter Espadaña.

“Daar ben je een man voor!”

“Maar...maar ik ben mank!”

Doña Victorina raakte uit haar humeur. De straten waren niet geplaveid, en de sleep van haar japon kwam vol stof. Ze ontmoette bovendien verscheidene jongemeisjes, die onder ’t voorbijgaan de oogen neersloegen, en niet, zooals ze behoorden, haar kostbaar kleed bewonderden. Sinang’s koetsier, die haar en haar nichtje in een smaakvolle “tres-por-ciento1 rondreed, had de onhebbelijkheid, [402]hun “tabik” toe te roepen, en dat met zulk een geweldige stem, dat zij op zij moest gaan en alleen maar kon protesteeren. “Hoor toch ’s dien lomperd van een koetsier! Ik zal z’n baas ’s zeggen, dat hij zijn bedienden een betere opvoeding moet geven.

“Laten we naar huis gaan!” beval ze aan haar man. Deze, die voor een onweer vreesde, draaide rond op zijn kruk, en gehoorzaamde het bevel.

Ze kwamen den alférez tegen. Men groette elkaar, en dit verergerde nog Doña Victorina’s ontevredenheid: de krijgsman maakte niet alleen geen compliment over haar kleeding, maar nam haar bijna spottend op.

“Jij moest zoo’n gewonen alférez geen hand geven,” zeide ze tot haar echtgenoot, toen de ander weg was. “Hij kwam nauwelijks even aan zijn pet, en jij hebt nog wel je hoed voor hem afgenomen. Je weet je afstand niet te bewaren!”

“Hij is hier de ...baas!”

“En wat kan ons dat schelen? Zijn wij soms inlanders?”

“Je hebt gelijk!” antwoordde hij, omdat hij geen ruzie wilde maken.

Ze kwamen voorbij het huis van onzen militair. Doña Consolación zat aan ’t raam, als naar gewoonte, gekleed in ’t flanel en haar stinkstok rookend. Daar het huis laag was, konden ze elkaar goed aankijken, en Doña Victorina haar duidelijk waarnemen. De Muze der guardia civil nam haar bedaard van hoofd tot voeten op, en, daarna de onderlip naar voren brengend spoog ze, en keerde ’t hoofd naar den anderen kant. Dit was te veel voor Doña Victorina’s geduld, en, haar man zonder [403]armsteun latend, posteerde ze zich vlak voor de alféreza, bevend en sprakeloos.

Doña Consolación wendde langzaam ’t hoofd om, nam haar opnieuw kalmpjes op, en spoog nog eens, maar ditmaal met grooter minachting.

“Wat scheelt u, dame?” vroeg ze.

Kunt u me ook zeggen, mevrouw, waarom u me zoo aankijkt? Bent u jaloersch?” brengt Doña Victorina er eindelijk uit.

“Ik jaloersch, ik? En op u?” zei de Medusa met een hoonlach. “Ja, ik ben jaloersch op de krullen!”

“Kom hier, vrouw!” zeide de dokter. Let toch niet op...op die vrouw!”

“Laat me die onbeschofte schooister eerst een les geven!” antwoordde de vrouw, terwijl ze haar man een duw gaf, die hem bijna tegen den grond deed vallen. En, zich weer tot Doña Consolación wendend, zei ze:

“Denk eraan met wie u te doen heeft! Ik ben geen provinciaal of een soldaten-slet! In mijn huis in Manila komen geen alféreces, die wachten daar aan de deur.”

“Hola, doorluchtige mevrouw Blaaskaak! De alféreces zullen er niet binnenkomen, maar wel de invaliden, zooals die daar. Ha, ha, ha!”

Als het blanketsel ’t niet belet had, dan had men Doña Victorina kunnen zien blozen. Ze wilde haar vijandin te lijf, doch de schildwacht hield haar tegen. Intusschen kwam de straat vol nieuwsgierigen.

“Zeg ’s, ik verlaag me door met u te spreken. Menschen van rang en stand... Wilt u mijn goed wasschen? Ik zal u goed betalen! Dacht u dat ik niet wist [404]dat u waschvrouw geweest is?”

“Gelooft u dat we niet weten, wie u is, en wat voor volk u meebrengt? Och kom! M’n man heeft ’t me al gezegd! Mevrouw, ik heb ten minste niet aan meer dan aan één man toebehoord. Maar u? Je moet wel van honger op sterven liggen, om je zoo tevreden te stellen met het uitschot, de afval van de heele wereld!”

Deze slag was raak. Doña Victorina stroopte de mouwen op, balde de vuisten, en de tanden op elkaar klemmend, begon ze te zeggen:

“Kom naar beneden, oude zeug, en ik zal je je vuile mond kapot slaan! Slet van een heel bataljon, hoer van geboorte!”

De Medusa verdween snel van het venster, en weldra zag men haar naar beneden hollen, zwaaiend met haar mans zweep.

Smekend trachtte Don Tiburcio tusschenbeide te komen, maar ze zouden handgemeen geworden zijn, als de alférez niet gekomen was.

“Dames!... Don Tiburcio!” riep deze.

“U moet uw vrouw beter opvoeden en haar betere kleeren koopen. Als u geen geld heeft, moet u de lui van ’t dorp maar berooven: daarvoor heeft u soldaten!” schreeuwde Doña Victorina.

“Hier ben ik, mevrouw! Waarom slaat Uwe Excellentie nu mijn mond niet kapot? U heeft niets meer dan tong en zwadder, juffrouw Groote Piet!”

“Meneer de alférez!” stamelde de echtgenoot.

“Och, loop heen, kwakzalver! Je draagt geen broek, sukkel!”

Er ontstond een twist met woorden [405]en gebaren, met kreten, beleediging en scheldwoorden. Al ’t vuil dat ze in hun mars droegen werd voor den dag gehaald, en aangezien ze alle vier tegelijk spraken en elkaar zooveel dingen zeiden die zekere standen naar beneden halen, doordat ze veel waarheden helder deden uitkomen, zien we er van af al wat ze zeiden, neer te schrijven. De nieuwsgierigen, al hoorden ze ook niet alles wat ze elkaar zeiden, vermaakten zich niettemin kostelijk, en vlasten erop dat ze handgemeen zouden worden. Ongelukkigerwijze voor hen kwam de pastoor en maakte er een eind aan.

“Heeren, dames! Wat ’n schandaal! Meneer de alférez!”

“Wat heeft u hier te maken, huichelaar, groote Carlist!”

“Don Fiburcio, neem uw vrouw mee! Mevrouw, bedwing uw tong, als ’t u belieft!

“Zegt u dat aan die bloedzuigers!”

Allengs raakte het woordenboek van scheldwoorden uitgeput, en eindigde deze aflezing van onhebbelijkheden bij de echtparen. Dreigend en elkaar na-jauwend, gingen ze ten slotte vaneen. Fray Salvi liep van de eene naar de andere zijde, en verlevendigde het tooneel. Als onze vriend de correspondent van Manila toch eens erbij geweest was...

“Vandaag nog gaan we naar Manila, en we vervoegen ons bij den gouverneur!” zeide Doña Victorina woedend tot haar man. “Jij bent geen man: ’t is jammer voor de broek die je draagt!”

“Ma ... maar, vrouw, en de guardias dan? Ik ben immers mank!”

“Je moet hem op ’t pistool of op de sabel uitdagen, of anders... of anders...” [406]

En Doña Victorina keek hem in zijn tanden.

“M’n lieve mensch, ik heb nooit een pistool...”

Doña Victorina liet hem niet uitspreken: met een verheven gebaar rukte ze hem midden op de straat het gebit uit zijn mond en trapte erop. Hij, half schreiend, en zij vonken schietend, kwamen thuis.

Linares was op dat oogenblik aan ’t praten met Maria Clara, Sinang en Victoria, en daar hij niets van de oneenigheid wist, maakte hij zich niet weinig ongerust, toen hij zijn neef en nicht ontwaarde. Maria Clara, die tusschen kussens en dekens in een armstoel lag, was niet weinig verwonderd de nieuwe gelaatsuitdrukking van haar dokter te zien.

“Neef,” zeide Doña Victorina, “jij moet nu dadelijk den alférez gaan uitdagen, of anders...”

“En waarom?” vroeg Linares verbaasd.

“Je moet hem nu dadelijk gaan uitdagen, anders zeg ik hier aan iedereen wie je bent.”

“Maar Doña Victorina!”

De drie vriendinnen keken elkaar aan.

“Zoo, denk je dat? De alférez heeft ons beleedigd, en heeft er van alles uitgebraakt, gezegd dat jij was wat je was! De ouwe heks is naar beneden gekomen met een zweep, en deze hier, deze vent heeft zich laten uitschelden... een man!”

“Och!” zei Sinang, “ze hebben gevochten, en dat hebben wij niet gezien!”

“De alférez heeft de dokter z’n tanden uitgeslagen!” voegde Victorina erbij.

“Vandaag nog gaan we naar Manila. [407]Jij blijft hier, om hem uit te dagen, of anders zeg ik aan Santiago dat het alles leugen is wat je hem verteld hebt, dan zeg ik hem...”

“Maar, Doña Victorina, Doña Victorina!” viel Linares haar bleek in de rede, terwijl hij op haar toetrad, “bedaart u toch. Doet u me niet herinneren, dat... en hij zeide er zachtjes bij: “niet onvoorzichtig zijn, vooral nu niet.”

Toen dit juist plaats had, kwam Capitán Tiago van de hanegevechten thuis. Hij was bedroefd en zuchtte: hij had zijn lasak verloren, zijn wit-en-roode haan.

Doña Victorina gaf hem geen tijd om uit te blazen.

In weinig woorden en met veel gescheld erin vertelde ze hem al wat er gebeurd was, natuurlijk zichzelf in een gunstig daglicht plaatsend.

“Linares zal hem gaan uitdagen, hoort u? Zoo niet, dan moet u hem niet toestaan dat hij met uw dochter trouwt, dat moet u dan niet doen! Als hij geen moed heeft, verdient hij Clarita niet.”

“Dus je trouwt met dien meneer?” vroeg Sinang, wier vroolijke oogen zich met tranen vulden. “Ik wist dat je verstandig was, maar niet veranderlijk.”

Maria Clara, bleek als was, richtte zich half op, en keek met ontstelde oogen naar haar vader, naar Doña Victorina en naar Linares. Deze kreeg een kleur, Capitán Tiago sloeg de oogen neer, en de dame liet volgen:

“Clarita, denk daar steeds aan: trouw nooit met een man die geen broek aan heeft. Je loopt kans dat zelfs de honden je beleedigen.”

Doch het jongemeisje antwoordde niet, [408]en zeide tot haar vriendinnen:

“Willen jullie me naar mijn kamer brengen, ik kan niet alleen.”

Ze hielpen haar opstaan, en het middel omvat door de ronde armen harer vriendinnen, het marmeren voorhoofd geleund tegen den schouder van Victoria, ging het jongmeisje haar slaapkamer in.

Dienzelfden avond haalden beide echtgenooten hun zaakjes bijeen, boden Capitán Tiago de rekening, die eenige duizenden beliep aan, en den volgenden dag heel vroeg vertrokken ze naar Manila in ’t rijtuig van hun gastheer. De schuchtere Linares was als wreker achtergebleven: die rol was hem althans toebedeeld.


1 lett. 3 percent, naam van een soort open rijtuig.

[Inhoud]

XLVI.

Het Raadsel.

De donkere zwaluwen

zullen wederkeeren.....

Becquer.1

Zooals Lucas had medegedeeld, kwam Ibarra den volgenden dag aan. Zijn eerste bezoek gold de familie van Capitán Tiago, met het doel om Maria Clara te zien, en haar te vertellen dat “Su Ilustrisima” de aartsbisschop hem reeds met den godsdienst verzoend had: hij had een aanbevelingsbrief aan den pastoor bij zich, eigenhandig geschreven door den aartsbisschop. Niet weinig verheugde zich daar tante Isabel over: zij hield van den jongeman, en zag met leede oogen de huwelijksplannen van Linares met haar nichtje aan. Capitán Tiago was niet thuis.

“Kom binnen,” zeide de tante in haar krom Spaansch.

“Maria, Don Crisóstomo is weer in [409]Gods genade: de aartsbisschop heeft hem ‘geëxcomulgeerd.’

Doch de jongeman kon niet naar haar toe komen. De glimlach bestierf op zijn lippen en de woorden vloden weg uit zijn geheugen. Bij ’t balkon stond naast Maria Clara Linares, bezig ruikertjes te maken van de bloemen en bladeren der klimplanten. Op den vloer lagen rozen en tjampaka’s verspreid. Maria Clara, half uitgestrekt op haar stoel, bleek, in gedachten, met droeven blik, speelde met een ivoren waaier, net zoo wit als haar fijne spitse vingers.

Op de verschijning van Ibarra verschoot Linares van kleur, en verfden Maria Clara’s wangen zich rood. Ze trachtte op te staan, doch, daar haar krachten haar begaven, sloeg ze de oogen neer, en liet haar waaier vallen.

Een stilzwijgen vol verlegenheid hield eenige oogenblikken aan. Ten slotte kon Ibarra vooruittreden, en met beverige stem mompelde hij:

“Ik ben net aangekomen, en ik heb me vreeselijk gehaast om je te komen zien...Ik zie dat je beter bent dan ik dacht.”

Maria Clara scheen stom geworden te zijn: ze bracht geen enkel woord uit, en bleef de oogen neergeslagen houden.

Ibarra keek Linares van hoofd tot voeten aan, een blik die het verlegen jongemensch met trots doorstond.

“Wel, ik merk dat mijn komst niet verwacht werd,” hervatte hij langzaam. “Maria, neem me niet kwalijk dat ik me niet heb laten aandienen. Op een anderen dag zal ik je uitleg kunnen geven van mijn gedrag...we zien elkaar nog... stellig.” [410]

Deze laatste woorden vergezeld van een blik naar Linares. Het jongemeisje sloeg de schoone oogen, vol reinheid en weemoed tot hem op, zoo smeekend en welsprekend, dat Ibarra ontroerd bleef staan.

“Kan ik morgen komen?”

“Je weet dat je mij altijd welkom bent,” antwoordde ze nauw hoorbaar.

Ibarra verwijderde zich schijnbaar kalm, maar met een storm in zijn hoofd en koude in ’t hart. Wat hij daar gezien en gevoeld had, was onbegrijpelijk; wat was ’t: twijfel, verkoeling, verraad?

“O, een vrouw per slot van rekening!”

Zonder erbij te denken kwam hij aan de plaats waar de school gebouwd werd. Het werk was ver gevorderd.

Ñor Juan met zijn maatstok en zijn schietlood liep op en neer tusschen de talrijke arbeiders. Toen hij hem zag, liep hij hem tegemoet.

“Don Crisóstomo,” zeide hij,bent u dan toch eindelijk gekomen. We wachtten u allen. Kijkt u ’s, hoe de muren zijn: ze zijn al één meter tien hoog, binnen twee dagen zijn ze op manshoogte. Ik heb alleen maar de beste houtsoorten gebruikt. Wenscht u de kelder-verdieping te zien?”

De werklieden groetten eerbiedig.

“Hier zijn de afvoer-leidingen, die ik me veroorloofd heb erbij te maken”, zeide Ñor Juan. “Deze onderaardsche kanaaltjes leiden naar een soort zinkput op dertig pas afstand. Die dient als mest-bewaarplaats voor den tuin. Dat stond niet in ’t plan. Staat het u niet aan?”

“Juist ’t tegendeel, ik keur ’t goed [411]en wensch u geluk met uw denkbeeld. U bent een echte bouwmeester. Bij wien heeft u geleerd?”

“Bij mezelf, meneer,” antwoordde de oude man bescheiden.

“O, voordat ik ’t vergeet: laten den angstvalligen weten—voor ’t geval dat er ’s een niet met me zou durven praten—dat ik niet meer in de kerkelijke ban ben. De aartsbisschop heeft me ten eten gevraagd.”

“Och, meneer, we letten niet op de kerkelijke bans!

We zijn allemaal geëxcomulgeerd. Zelfs Padre Dámaso is ’t, en toch blijft hij even dik.”

“Hoe zoo?”

“Nou dat geloof ik: voor een jaar heeft hij den ‘coadjutor’ een pak ransel gegeven, en de ‘coadjutor’ is net zoo goed priester als hij. Wie geeft er nu om een kerkelijke ban?”

Ibarra bespeurde Elias onder de werklieden. Deze groette hem evenals de anderen, doch met een blik gaf hij hem te kennen dat hij hem iets te zeggen had.

Ñor Juan,” zeide Ibarra,wilt u me ’s de lijst van de werklui brengen?”

Ñor Juan verdween, en Ibarra trad op Elias toe, die op zijn eentje een grooten steen optilde en op een kar laadde.

“Als u me eenige uren voor een gesprek kan toestaan, gaat u dan in den namiddag langs het meer wandelen en stap in mijn bangka, want ik heb u over gewichtige zaken te spreken”, zeide Elias zich verwijderend, nadat hij den hoofdknik van den jongeman gezien had.

Ñor Juan bracht de lijst, maar Ibarra las die tevergeefs: Elias’ naam kwam er niet op voor. [412]


1 Gustavo Adolfo Bécquer, Spaans schrijver van post-moderne gedichten en korte verhalen.—J.H.

[Inhoud]

XLVII.

De stem der vervolgden.

Voordat de zon onder was zette Ibarra den voet in Elias’ bangka, aan den oever van ’t meer. De jongeman scheen ontstemd.

“Vergeeft u me, meneer,” zeide Elias met zekere droefheid, toen hij hem gewaar werd. “Vergeeft u me, dat ik me veroorloofd heb u hier te laten komen: ik wilde u in volle vrijheid spreken, en hier zullen we geen getuigen hebben.

Binnen een uur kunnen we terug zijn.”

“U vergist u, vriend Elias,” antwoordde Ibarra en trachtte te glimlachen. “U zal me moeten brengen naar dat dorp daar, waarvan we hier den klokketoren kunnen zien. Het noodlot dwingt me ertoe.”

“Het noodlot?”

“Ja. Verbeeld u dat ik, hierheen komende, den alférez ontmoette, die met alle geweld me zijn gezelschap wilde aanbieden. Ik die aan u dacht, en wist dat hij u kende, heb, om hem weg te krijgen, gezegd dat ik naar dat dorp ging, waar ik den heelen dag zal moeten wezen, want de man wil me morgen middag daar komen halen.

“Ik ben u erkentelijk voor die attentie, maar u had hem eenvoudig moeten uitnoodigen, om mee te gaan,” antwoordde Elias heel gewoontjes.

“Hoe zoo! En u dan?”

“Hij zou me niet herkend hebben, want den eenigen keer dat hij me gezien heeft, kon hij er niet aan denken om mijn persoonlijkheid vast te stellen.”

“Ik ben er ellendig aan toe!” zuchtte [413]Ibarra, aan Maria Clara denkend. “En wat had u me te zeggen?”

Elias keek om zich heen. Ze waren reeds ver van den oever; de zon was ondergegaan, en, daar er op die breedte nauwelijks schemering is, begonnen de schaduwen zich uit te breiden, en deden den maneschijn in volle pracht schitteren.

“Meneer,” hervatte Elias op diep-ernstigen toon, “ik ben de drager van de wenschen van veel ongelukkigen.”

“Van ongelukkigen? Wat wilt u zeggen?”

Elias vertelde in enkele woorden het gesprek dat hij gehad had met het opperhoofd der toelisan’s, doch sloeg daarbij diens weifelingen en bedreigingen over. Ibarra luisterde aandachtig naar hem, en toen Elias zijn verhaal geëindigd had, heerschte er een lang stilzwijgen, dat Ibarra het eerst verbrak:

“Dus wenschen ze.....?”

“Radikale hervormingen in de gewapende macht, in de geestelijkheid, in de rechtsbedeeling, dat wil zeggen, ze vragen een vaderlijken blik van de zijde van ’t bestuur.”

“Hervormingen in welke beteekenis?”

“Bijvoorbeeld: meer eerbied voor de menschelijke waardigheid, meer veiligheid voor lijf en goed, minder macht bij de toch al gewapende macht, minder voorrechten voor zulk een lichaam, dat er gemakkelijk misbruik van maakt.”

“Elias,” antwoordde de jongeman, “ik weet niet wie u bent, maar ik raad dat u geen alledaagsch mensch bent. U denkt en werkt anders dan de andere menschen. U zult me begrijpen, als ik u zeg, [414]dat, al is de tegenwoordige toestand ook gebrekkig, hij nog erger zou worden als hij veranderde. Ik zou de vrienden die ik in Madrid heb, kunnen laten spreken, ‘door ze te betalen,’ ik zou met den capitan general kunnen spreken, maar zij zouden niets bereiken, en de capitan general heeft niet zooveel macht om zooveel nieuwigheden in te voeren. En ik zou evenmin een stap in die richting doen, omdat ik heel goed begrijp dat, al is ’t waar dat die corporaties hun gebreken hebben, ze tegenwoordig noodig zijn: ze zijn wat men noemt een ‘noodzakelijk kwaad.’

Elias hief het hoofd op, en keek hem verbaasd aan.

“Gelooft u ook al in ’t noodzakelijk kwaad, meneer?” vroeg hij met eenigszins bevende stem. “Gelooft u dat men, om goed te doen, ’t kwade moet doen?”

“Nee. Ik geloof erin als in een gewelddadig middel waarvan we ons bedienen, wanneer we een ziekte willen genezen. Nu goed, ’t land is een organisme dat aan een slepende ziekte lijdt, en om het te genezen, ziet het bestuur zich genoodzaakt van middelen gebruik te maken, die hard en gewelddadig mogen wezen, maar niettemin nuttig en noodzakelijk zijn.”

’t Is een slechte dokter, meneer, die alleen maar tracht de verschijnselen te verbeteren en ze te onderdrukken, zonder dat hij de oorzaak van de kwaal tracht na te gaan, of, als hij die kent, bang is die aan te grijpen. De guardia civilheeft alleen maar dit eene doel: onderdrukking van de misdaad door schrik en geweld, een doel, dat alleen maar bij toeval bereikt wordt. En men [415]moet zich wel bewust zijn, dat alleen die maatschappij streng mag wezen tegen de individuen, die haar de noodige middelen voor haar zedelijke verheffing gegeven heeft. Aangezien er in ons land geen maatschappij is—want volk en bestuur vormen geen eenheid—moet het bestuur toegevend zijn, niet alleen omdat het toegevendheid noodig heeft, maar omdat het lid van die maatschappij dat door ’t bestuur verwaarloosd en in den steek gelaten wordt, minder verlicht is. Bovendien, als men uw vergelijking volgt, is de behandeling die men op de kwalen van het land toepast zoo verwoestend, dat die zich alleen laat voelen in ’t gezonde gestel, waarvan het de levenskracht verzwakt en voor de kwaal vatbaar maakt. Zou het niet verstandiger wezen het zieke gestel te versterken, en de gewelddadigheid van het geneesmiddel wat te temperen?”

De guardia civil verzwakken zou ’t zelfde wezen als de veiligheid in de dorpen in gevaar te brengen.”

“De veiligheid in de dorpen!” riep Elias op bitteren toon. “’t Zal gauw vijftien jaar zijn dat die dorpen hun guardia civil hebben. En zie nu ’s: we hebben nòg toelisan’s, nòg hooren we van plunderingen van dorpen, nòg komt struikrooverij voor. De diefstallen gaan voort, en de daders worden niet gevonden. De misdaad bestaat, en de echte misdadiger waart vrij rond; maar niet de vreedzame dorpeling. Vraagt u maar ’s aan ieder fatsoenlijk dorpsbewoner, of hij die instelling voor iets goeds houdt, een bescherming van ’t bestuur, en niet voor een opgelegd iets, een dwingelandij waarvan de buitensporigheden meer [416]kwaad doen dan de gewelddaden van de misdadigers. Die laatste zijn werkelijk groot, maar ze zijn zeldzaam, en daarentegen is men gerechtigd zich te verdedigen. Tegen de knevelarijen van ’t wettig gezag wordt zelfs geen protest geduld, en al zijn ze niet zoo groot, ze zijn toch aanhoudend en gesanktioneerd.”

“Wat werkt die instelling uit in ’t leven op onze dorpen? Ze verlamt het verkeer, omdat iedereen bang is, om allerlei nietigheden te worden lastig gevallen. Ze is meer gevestigd op formaliteiten dan op ’t wezen van de zaken zelf, ’t eerste kenteeken van onmacht. Omdat iemand zijn pas niet bij zich heeft, moet hij gebonden en mishandeld worden. ’t Doet er niet toe, of het een fatsoenlijk en geacht man is. De chefs houden ’t voor hun eerste plicht zich te laten groeten, goedschiks of kwaadschiks, zelfs in ’t duister van den nacht, waarin ze nageaapt worden door de ondergeschikten, om de buitenmenschen te mishandelen en te berooven. En voorwendsels ontbreken hun niet. De onschendbaarheid van ’t eigen huis bestaat niet: onlangs nog overvielen ze te Kalamba door het raam het huis van een vreedzaam bewoner, aan wien de chef verplichting had. Veiligheid van persoon is er niet: wanneer ze de kazerne of hun huis moeten schoon hebben, gaan ze erop uit en houden iedereen die geen weerstand biedt aan, om hem den heele dag te laten werken. Wilt u meer? Nu dan, gedurende de feesten die we gehad hebben zijn de verboden spelen doorgegaan, maar de geoorloofde vermakelijkheden, die hebben ze onhebbelijk [417]verstoord. U heeft gezien hoe ’t volk over hun dacht. Wat heeft het hun gebaat, dat ze hun drift bedwongen hebben, en op de rechtvaardigheid van de menschen hopen? Och, meneer, als u dat de orde handhaven noemt!...”

“Ik erken dat er misbruiken zijn,” hervatte Ibarra, “maar laten we die aanvaarden voor al ’t goede dat er ook is. Deze instelling mag gebrekkig wezen, maar, geloof me, ze belet door den schrik die ze inboezemt het toenemen van misdadigers.”

“Zegt u liever dat door dien schrik het aantal misdadigers vermeerdert,” verbeterde Elias. “Voor de instelling van dat lichaam waren bijna alle misdadigers—met zeer weinig uitzonderingen—boosdoeners door honger: ze plunderden en roofden om te kunnen leven. Maar nauwelijks was de duurte voorbij, of de wegen waren weer vrij van roovers. De arme, maar dappere dorpswachtlieden—de cuadrillero’s—met hun gebrekkige wapens, waren voldoende om ze op de vlucht te jagen. Toch zijn ze zoo belasterd door menschen die over ’t land geschreven hebben, de stumpers, die als recht hadden te mogen sterven, als plicht te vechten, en als belooning uitgelachen te worden. Nu zijn er toelisan’s, en die blijven ’t hun heele leven. Een misstap, een misdaad die op onmenschelijke wijze gestraft is, de weerstand tegen de buitensporigheden van die macht, vrees voor verschrikkelijke folteringen, dat drijft deze voor altijd uit de samenleving en veroordeelt ze om of te moorden of te sterven. Het schrikbewind van de guardia civil sluit hun de deur voor berouw. En aangezien een toelisan in de bergen [418]beter vecht en zich verdedigt dan een soldaat, waar hij om lacht, volgt daaruit dat we niet in staat zijn het kwaad uit te roeien, dat we zelf in de wereld gebracht hebben. Denkt u, aan wat ’t wijs beleid van gouverneur de la Torre uitgewerkt heeft: de kwijtschelding van straf, die hij aan die ongelukkigen gegeven heeft, bewees dat er daar in die bergen nog een hart klopte in de menschen, dat ze alleen hoopten op vergiffenis. Zoo’n schrikbewind is nuttig, als het volk slaaf is, wanneer de bergen geen holen hebben, wanneer het gezag achter elke boom een schildwacht zet, en wanneer het lichaam van de slaaf alleen maar maag en ingewanden heeft. Maar wanneer zoo’n wanhopige, die vecht voor zijn leven, voelt dat zijn arm sterk is, zijn hart klopt en zijn heele wezen vol gal loopt, zou dan een schrikbewind den brand kunnen blusschen bij dengeen die zelf de brandstof levert?”

“U brengt me aan ’t wankelen, Elias. Ik zou waarlijk gaan gelooven dat u gelijk had, als ik niet mijn eigen overtuigingen had. Maar let op een feit—u hoeft dat niet kwalijk te nemen, want ik sluit u uit en beschouw u als een uitzondering: Wie zijn de menschen die zulke hervormingen wenschen? Bijna allemaal misdadigers of menschen die op ’t punt staan om ’t te worden!”

“Misdadigers of aanstaande misdadigers, maar waarom zijn ze ’t? Omdat men hun den vrede verstoord heeft, het geluk afgeroofd, hun gekwetst heeft in hun dierbaarste neigingen; en toen ze bescherming vroegen bij de justitie, hebben ze de overtuiging gekregen dat ze [419]die alleen van zichzelf konden verwachten. Maar u vergist u, meneer, als u denkt dat alleen misdadigers die hervormingen vragen. Gaat u maar van dorp tot dorp, van huis tot huis, luistert u maar ’s naar de zuchten van de gezinnen, en u zal u overtuigen, dat de kwalen die de guardia civil herstelt, gelijk, zoo niet minder erg zijn, dan die ze voortdurend veroorzaakt. Moeten we daaruit besluiten, dat al de dorpsmenschen misdadigers zijn? Waartoe ze dan tegen de anderen te verdedigen? Waarom ze dan niet allemaal uitgeroeid?”

“Er is hier een misvatting, die me op ’t oogenblik ontgaat, de een of andere fout in de theorie die door de praktijk te niet gedaan wordt, want in Spanje, in ’t vaderland, bewijst dat korps goede diensten—heeft dat vroeger ook gedaan.”

“Ik twijfel er niet aan: misschien is ’t daar beter ingericht, het personeel beter gekozen. Misschien ook omdat Spanje het noodig heeft, de Filippijnen niet. Onze zeden, onze wijze van zijn, waar men zich altijd op beroept, wanneer men ons een recht wil ontzeggen, worden geheel uit ’t oog verloren, wanneer men ons iets wil opleggen. En zegt u me ’s, meneer: waarom hebben de andere volken deze instelling niet ingevoerd, die door hun naburigheid met Spanje er meer op moesten lijken dan de Filippijnen? Zou ’t daarom wezen dat ze minder diefstallen op hun spoorwegen, minder moorden hebben, en men elkaar op de groote hoofdplaatsen minder dolksteken geeft?”

Ibarra boog het hoofd als in gedachten, dan richtte hij het op en antwoordde:

“Dit vraagstuk, mijn vriend, eischt een [420]ernstige studie. Als mijn nasporingen me zeggen dat die klachten gegrond zijn, zal ik aan mijn vrienden in Madrid schrijven, aangezien we geen afgevaardigden hebben. Geloof intusschen dat het bestuur een korps noodig heeft met een onbeperkte macht, om zich te doen eerbiedigen, en een gezag om den noodigen indruk te maken.”

“Dat moet zoo wezen, meneer, wanneer het bestuur in oorlog is met het land. Maar, ten bestwil van ’t bestuur, moeten we ’t volk niet doen gelooven dat het weerstand biedt aan ’t gezag. En al was ’t zoo, als we macht boven prestige verkozen, moesten we wel goed toezien, aan wie we die onbeperkte macht geven. Zooveel macht in handen van domme mannen, beheerscht door hartstochten zonder zedelijke opvoeding, zonder beproefde eerlijkheid, is een wapen in de handen van een gek onder een weerlooze menigte. Ik geef toe, en wil met u gelooven, dat het bestuur dien arm noodig heeft: nu, laat het dan dien arm goed kiezen, laat het de waardigsten ervoor uitkiezen. En aangezien het liever zichzelf gezag geeft dan dat het volk het dat zou toestaan, moet het ten minste toonen, dat het zich dat gezag weet te geven.”

Elias sprak hartstochtelijk, met geestdrift. Zijn oogen schitterden, en de klank van zijn stem had iets trillends. Er volgde een plechtige stilte: de bangka, niet door de riemen voortbewogen, scheen rustig op ’t water te blijven liggen. De maan scheen met heerlijken glans in een saffieren hemel. Enkele lichtjes ontvonkten in de verte op den oever. [421]

“En wat vragen ze meer?” vroeg Ibarra.

“Hervorming van ’t priesterschap,” antwoordde Elias op ontmoedigden, droeven toon. “De ongelukkigen vragen meer bescherming tegen...”

“Tegen de geestelijke orden?”

“Tegen hun onderdrukkers, meneer.”

“Zouden de Filippijnen vergeten zijn wat ze aan die orden te danken hebben? Zouden ze de ontzaglijke schuld van dankbaarheid vergeten zijn aan degenen die ze onttrokken hebben aan de dwaling, om hun ’t geloof te geven, aan hen die ze hebben beschermd tegen de buitensporigheden van het burgerlijk bestuur? Dat komt ervan, als men de geschiedenis van zijn land niet kent!”

Elias was verbaasd, en kon nauwelijks geloof slaan aan wat hij hoorde.

“Meneer,” hervatte hij op ernstigen toon, “u beschuldigde het volk van ondankbaarheid: veroorlooft u mij, een uit dat volk, dat ik het verdedig. Gunsten die men aandoet, moeten, om recht op erkentelijkheid te hebben, belangeloos zijn. Laten we de zending erbuiten laten, ook de christelijke liefdadigheid, waar zoo mee gesold wordt. Laten we ook niet spreken van de geschiedenis, laten we niet vragen wat Spanje gedaan heeft met de Joden, het volk dat aan heel Europa een boek, een godsdienst en een God gegeven heeft. Wat heeft het met de Arabieren gedaan, het volk dat het een beschaving geschonken heeft, verdraagzaam is geweest met zijn godsdienst, en dat zijn nationaal bewustzijn heeft opgewekt, een bewustzijn dat onder de romeinsche en gotische overheersching ingeslapen, ja bijna dood was? [422]U zegt dat ze ons het geloof gegeven en ons uit de dwaling hebben verlost. Noemt u die uiterlijke praktijken geloof, noemt u dien handel in riempjes en schapulieren godsdienst, of die wonderen en vertelsels, die we dagelijks te hooren krijgen, waarheid? Is dat de wet van Jezus Christus? Daarvoor hoefde een God zich niet te laten kruisigen, en wij ons niet te verplichten tot een eeuwige dankbaarheid: bijgeloof bestond lang te voren, ze hoefde alleen maar wat mooier gemaakt en de prijs van de koopwaar wat hooger gesteld te worden. U zult me zeggen, dat, hoe gebrekkig de godsdienst die we nu hebben ook moge wezen, hij toch te verkiezen is boven dien we hadden. Ik geloof het en ben ’t eens, maar hij is te duur gekocht, want daarvoor hebben we afstand gedaan van onze nationaliteit en onze onafhankelijkheid. Daarvoor hebben we aan zijn priesters onze beste dorpen gegeven, onze velden, en zelfs geven we onze spaarpenningen voor ’t aankoopen van godsdienstige voorwerpen. Men heeft bij ons een artikel van buitenlandsche nijverheid ingevoerd, we betalen er goed voor, en we leven in vrede. Als u me spreekt van de bescherming tegen de encomendero’s,1 zou ik u kunnen antwoorden dat we door hen juist onder de macht van die encomendero’s zijn gevallen. Maar nee, ik erken dat een waarachtig geloof en een waarachtige menschenliefde onze eerste zendelingen leidde, [423]toen ze naar onze stranden kwamen. Ik erken de schuld van dankbaarheid jegens die edele harten. Ik weet dat het Spanje van toen overvloed van helden in alle standen telde, zoowel in ’t godsdienstige als in ’t politieke, in ’t burgerlijke en in ’t militaire. Maar omdat de voorouders deugdzaam waren, zouden we daarom nu misbruiken in hun ontaarde afstammelingen maar moeten dulden? Omdat men ons een groote weldaad heeft aangedaan, zouden we nu schuldig zijn, door te beletten, dat men ons kwaad doet? Het land vraagt geen afschaffing, ’t vraagt alleen hervormingen die de nieuwe omstandigheden en nieuwe behoeften vereischen.”

“Ik heb mijn vaderland lief, zooals u ’t ook lief kan hebben, Elias. Ik begrijp eenigszins wat u verlangt. Ik heb met aandacht aangehoord wat u gezegd heeft, en alles wel beschouwd, geloof ik dat we de dingen met hartstocht-oogen zien. Hier minder dan elders zie ik de noodzakelijkheid van hervormingen in.”

“Is ’t mogelijk, meneer?” vroeg Elias, de handen ontmoedigd uitstrekkend. “Ziet u de noodzakelijkheid van hervormingen niet in, u wiens familie-rampen?...”

“O, ik vergeet mezelf en vergeet mijn eigen narigheid waar het de veiligheid in de Filippijnen, waar ’t de belangen van Spanje geldt!” viel Ibarra levendig in.

“Om de Filippijnen te behouden is het noodig dat de frailes voortgaan zooals ze nu doen, en in de vereeniging met Spanje ligt het heil voor ons land.”

Ibarra had uitgesproken, en Elias luisterde nog. Zijn gelaat stond droef, [424]zijn oogen hadden hun glans verloren.

“De zendelingen hebben ’t land veroverd, dat is waar,” hervatte hij. “Gelooft u dat de Filippijnen door de frailes behouden zullen worden?”

“Ja, alleen door hen, zoo gelooft iedereen het die over de Filippijnen geschreven heeft.”

“O!” riep Elias uit, terwijl hij ontmoedigd de riem in de bangka neersmeet. “Ik dacht niet dat u zoo’n min idee had van ’t bestuur en van ’t land. Waarom veracht u allebei niet? Wat zou u zeggen van een gezin dat alleen in vrede leeft door tusschenkomst van een vreemde? Een land dat gehoorzaamt, omdat men het bedriegt, een bestuur dat gebiedt, omdat het gebruik maakt van dat bedrog, een bestuur dat zelf niet in staat is zich bemind te maken noch zich te doen eerbiedigen! Vergeeft u me meneer, maar ik geloof dat uw bestuur dom en zelfmoordend optreedt, als het werkelijk zich verheugt dat men zoo denkt. Ik dank u intusschen voor uw vriendelijkheid. Waar wilt u dat ik u heen zal brengen?”

“Nee,” hervatte Ibarra, “we zijn aan ’t redetwisten, we moeten weten wie er gelijk heeft in zulk een gewichtige aangelegenheid.”

“Verschoon me, meneer,” antwoordde Elias ’t hoofd schuddend, “ik ben niet welsprekend genoeg om u te overtuigen. Al heb ik wat opvoeding genoten, ik ben een inlander, mijn leven is voor u twijfelachtig, en mijn woorden zullen u altijd verdacht voorkomen. Zij die ’t tegenovergestelde beweerd hebben zijn Spanjaarden, en als zoodanig—al zeggen ze ook gemeenplaatsen of onnoozelheden[425]—geven hun toon, hun titels en hun afkomst hun zooveel gezag, dat ik er voorgoed van moet afzien ze tegen te spreken. Bovendien, wanneer ik zie dat u, die uw land liefheeft, u, wiens vader rust onder deze kalme golven, u, die u hebt zien tarten, beleedigen en vervolgen, wanneer u nog zulke meeningen blijft aanhangen, in weerwil van alles en van uw hooge beschaving, dan begin ik te twijfelen aan mijn overtuigingen, en neem ik de mogelijkheid aan dat het volk zich vergist. Ik moet die ongelukkige menschen die hun vertrouwen op andere menschen gesteld hebben, nu zeggen dat ze alleen op God en hun eigen arm moeten bouwen. Ik dank u nog eens, en wacht uw order, waarheen ik u brengen moet.”

“Elias, uw bittere woorden gaan me ter harte, en brengen mij ook in twijfel. Wat zal ik u zeggen? Ik ben niet te midden van ’t volk opgevoed, en ik ken misschien zijn behoeften niet. Ik heb mijn jeugd in de Jezuïetenschool doorgebracht. Ik ben opgegroeid in Europa, ik heb me gevormd door boeken, en ik heb alleen kunnen lezen wat de menschen aan ’t licht hebben kunnen brengen: wat in ’t duister blijft, wat de schrijvers niet zeggen, dat is mij onbekend. En toch heb ik evenals u ons vaderland lief, niet alleen omdat het ieders plicht is het land lief te hebben waaraan hij zijn bestaan dankt, en waaraan hij misschien ook zijn laatste toevlucht zal verschuldigd zijn; niet alleen omdat mijn vader ’t me zoo geleerd heeft, omdat mijn moeder eene inlandsche was, en omdat al mijn mooiste herinneringen daar leven; ik heb [426]’t bovendien lief omdat ik daaraan mijn geluk dank en zal danken!”

“En ik omdat ik het mijn ongeluk dank!” mompelde Elias.

“Ja, vriend, ik weet dat u lijdt, u is ongelukkig, en dat doet u de toekomst donker inzien, en heeft invloed op uw manier van denken. Daarom luister ik met zeker voorbehoud naar uw klachten. Als ik de drijfveeren kon waardeeren, een deel van dat verleden...”

“Mijn ongeluk erkent een anderen oorsprong. Als ik wist dat het verhaal ervan eenig nut kon aanbrengen, zou ik ’t u doen, want, daargelaten dat ik er heelemaal geen geheim van maak, is het ook wel bij vrij veel menschen bekend.”

“Misschien dat ik mijn oordeelvellingen zal wijzigen, wanneer ik het weet. Ik hoef u niet meer te zeggen dat ik meer op feiten dan op theorieën afga.”

Elias zweeg eenige oogenblikken.

“In dat geval, meneer,” hervatte hij, “zal ik u in ’t kort mijn geschiedenis vertellen.”


1 In vroeger tijd waren dit landheeren, die de inlanders tot werken op hun grond dwongen. Elias zinspeelde op den strijd tusschen de monniken en de eerste volksplanters.

[Inhoud]

XLVIII.

De familie van Elias.

’t Zal zoowat zestig jaar geleden zijn dat mijn grootvader te Manila woonde, en als boekhouder in een Spaansch handelshuis werkzaam was. Hij was toen zeer jong, was getrouwd en had een zoon. Op een nacht, men weet niet hoe, brandde het magazijn af, de brand deelde zich mee aan ’t heele huis, en van dit aan andere gebouwen. De verliezen waren ontelbaar, men zocht naar een schuldige, en de koopman beschuldigde mijn grootvader. Tevergeefs kwam hij er tegen op, en, omdat hij arm was, en [427]dus geen beroemde advocaten kon betalen, werd hij veroordeeld om in ’t openbaar gegeeseld en door de straten van Manila rondgeleid te worden.

Nog niet lang geleden was deze onteerende straf nog in gebruik. ’t Volk noemde ze ‘paard en koe,’ en ze was duizendmaal erger dan de dood. Mijn grootvader van iedereen verlaten, behalve van zijn jonge vrouw, zag zich aan een paard vastgebonden, gevolgd door een wreede menigte menschen, gegeeseld op iederen hoek van een straat, ten aanzien van iedereen, van zijn broeders en in de nabijheid van de ontelbare tempels van een Vredegod. Toen de ongelukkige—al voor altijd onteerd—had voldaan aan de wraak van de menschen met zijn bloed, zijn martelingen en zijn gegil, moesten ze hem van ’t paard afhalen, want hij was flauw gevallen. En God gave dat hij toen gestorven was! Met een van die verfijnde wreedheden gaven ze hem de vrijheid. Zijn arme vrouw, die toen zwanger was, bedelde tevergeefs van deur tot deur, om werk of een aalmoes, om te kunnen zorgen voor haar zieken man of haar ongelukkig kind. Och, wie heeft eenig vertrouwen in de vrouw van een eerloozen brandstichter? Zijn vrouw moest zich dus aan de prostitutie overgeven!”

Ibarra stond op van zijn bank.

“O, maak u niet ongerust! Prostitutie was geen schande meer voor haar, evenmin voor baar man: eer en schaamte bestonden immers niet meer. De man herstelde van zijn wonden, en ging zich met zijn vrouw en kind verschuilen ergens in de bergen van deze provincie. Hier baarde zijn vrouw een misvormd [428]kind met allerlei ziekten, dat gelukkig stierf. Hier woonden ze nog eenige maanden, ellendig, eenzaam, gehaat en gevreesd bij een ieder. Daar mijn grootvader zijn ellende niet verdragen kon, en hij minder moedig was dan zijn vrouw, hing hij zich op, wanhopig als hij was zijn vrouw ziek en verstoken van alle hulp en zorg te zien. Het lijk verging in ’t gezicht van den zoon, die zijn zieke moeder nauwelijks kon verzorgen, en de stank deed het gerecht erachter komen.

“Mijn grootmoeder werd beschuldigd en veroordeeld, omdat ze geen kennis had gegeven van ’t overlijden. Men legde haar den dood van haar man ten laste, en dit werd geloofd. Want, waartoe is niet de vrouw van een ellendeling in staat, die ook nog publieke vrouw geweest was? Als ze zweert, noemen ze haar meineedig, als ze schreit, zeggen ze dat ze liegt, en als ze God aanroept, dat ze God lastert. Toch hadden ze nog wat meegaandheid, en wachtten ze eerst haar bevalling af, om haar daarna te geeselen. U weet dat de monniken het geloof verbreiden, dat inlanders alleen met slaag kunnen behandeld worden: leest u maar wat Padre Gaspar de San Agustin zegt.

“Als de vrouw veroordeeld wordt, zal ze den dag vervloeken waarop haar kind geboren wordt, wat behalve het verlengen van de straf, een verkrachting van moederlijke gevoelens is. Ongelukkigerwijze had de vrouw een voorspoedige bevalling en kreeg ze—ook al een ongeluk—een flinke zoon. Twee maanden later werd het vonnis voltrokken, tot groote voldoening van de menschen, [429]want zoo geloofden ze hun plicht te vervullen. Al niet meer met rust gelaten in deze bergen, vluchtte ze met haar twee zoons naar de naburige provincie. En daar leefden ze als wilde beesten: hatend en gehaat. De oudste van de twee broers, zich te midden van zooveel ellende zijn gelukkige kinderjaren herinnerend, werd toelisan, zoodra hij zich daartoe krachtig genoeg voelde. ’t Duurde niet lang, of de bloeddorstige naam van Balat verbreidde zich van provincie tot provincie; hij was de schrik van de dorpen, want in zijn wraak verdelgde hij alles te vuur en te zwaard. De jongste, die van nature een goed hart had, had zich bij zijn lot en schande neergelegd: hij leefde met zijn moeder van wat het bosch opleverde, ze kleedden zich van de lompen die de voorgangers hun toewierpen. Zij had haar naam verloren: men kende haar alleen bij de benamingen: ‘veroordeelde, hoer, gegeeselde.’ Hij was alleen bekend als de zoon van zijn moeder, want om de zachtheid van zijn karakter hielden ze hem niet voor een zoon van den brandstichter, en omdat men bij de inlanders in zake zedelijkheid alles in twijfel kan trekken. Eindelijk viel de beruchte Balat op ’n dag in handen van ’t gerecht, dat hem streng rekenschap vroeg van zijn misdaden—het had niets gedaan om hem ’t goede te leeren. En op een morgen, toen de jonge man zijn moeder zocht, die naar ’t bosch was gegaan om paddestoelen te zoeken, en nog niet terug was, vond hij haar lang uit op den grond, aan den kant van den weg liggen, met haar gezicht naar de lucht, de oogen wijd opengespalkt en strak, [430]de vingers gekromd en in de aarde gewoeld, waar bloedvlekken te zien waren. De jonge man kwam op ’t idee zijn oogen op te slaan, en den blik van ’t lijk te volgen. En toen zag hij aan een tak een man hangen, en aan dien man ’t bloedige hoofd van zijn broer!”

“Groote God!” riep Ibarra.

“Dat kon mijn vader roepen!” ging Elias koeltjes voort. “De menschen hadden den struikroover gevierendeeld, en de romp begraven, maar de ledematen werden verspreid en in verschillende dorpen opgehangen. Als u soms eens van Kalamba naar Santo Tomas gaat, zult u nog een armzalige lomboy-boom aantreffen, waar een been van mijn oom aan heeft gehangen: de natuur heeft hem vervloekt, en de boom groeit niet en geeft geen vrucht. Hetzelfde hebben ze met de andere ledematen gedaan, maar ’t hoofd als ’t beste van ’t individu, als wat men het makkelijkst herkent, dat hebben ze voor zijn moeders hut opgehangen!”

Ibarra boog het hoofd.

“De jonge man vluchtte als een gevloekte,” ging Elias voort. “Hij vluchtte van dorp tot dorp, over bergen en dalen, en toen hij zich al onbekend achtte, trad hij als daglooner in dienst bij een rijk man in de provincie Tabajas. Zijn werkzaamheid en de zachtheid van zijn karakter verschaften hem de achting van allen die zijn verleden niet kenden. Door hard werken en sparen kreeg hij een kapitaaltje bijeen, en omdat de ellende voorbij en hij jong was, dacht hij aan zijn geluk. Zijn aardig voorkomen, zijn jeugd en zijn eenigszins welgestelde positie deden hem de liefde winnen van [431]een meisje van ’t dorp. Maar hij dorst haar hand niet te vragen, omdat hij bang was dat dan zijn verleden bekend zou worden. De liefde vermocht meer, en beiden vergaten zich. De man waagt er alles op om de eer van zijn meisje te redden: hij vraagt haar ten huwelijk, men brengt de papieren voor den dag, en alles komt uit. De vader van ’t meisje was rijk, en kreeg gedaan dat de man vervolgd werd. Hij trachtte zich niet te verdedigen, bekende alles en werd verbannen naar een presidio of dwangarbeiders-kolonie. Het jonge meisje bracht een jongen en een meisje ter wereld, die in ’t geheim werden gezoogd. Men liet ze gelooven dat hun vader dood was, wat niet moeilijk was, want hun moeder zagen ze ook, toen ze nog heel jong waren, heengaan, zoodat ze er niet aan konden denken hun afkomst na te gaan. Doordat onze grootvader rijk was, hadden we ’t als kinderen zeer goed. Mijn zuster en ik werden samen opgevoed. We hielden van elkaar, zooals alleen tweelingen dat kunnen, die geen andere liefde kennen. Toen ik nog heel jong was, ging ik op ’t Jezuïeten College leeren, en mijn zuster ging, om niet heelemaal van mij gescheiden te worden, naar de kostschool van La Concordia. Toen onze korte schooltijd om was—want we wilden niets anders zijn dan landbouwers—gingen we naar ’t dorp terug, om bezit te nemen van de erfenis van onzen grootvader. We leefden eenigen tijd gelukkig, de toekomst lachte ons toe, we hadden veel bedienden, onze velden gaven een goeden oogst, en mijn zuster was op ’t punt juist om te gaan trouwen met een jongmensch dat ze aanbad, en dat [432]haar evenzeer lief had. Door geldkwesties, door mijn karakter, dat toen trotsch was, raakte ik in onmin wet een verren verwante, en eens op een dag slingerde hij mij mijn duistere geboorte en mijn eerloozen afkomst in ’t gezicht.

“Ik beweerde dat het laster was, en eischte voldoening. Het graf waarin zooveel rottenis sluimerde, opende zich weer, en de waarheid kwam voor den dag, om me te beschamen. Tot overmaat van ramp hadden we sinds jaren een ouden knecht, die al mijn grillen verdroeg zonder zich ooit te beklagen, en die zich vergenoegde met alleen maar te schreien en te kermen onder ’t gelach en den spot van de andere bedienden. Ik weet niet hoe dat familielid erachter kwam: een feit is ’t dat hij dien ouden knecht voor ’t gerecht liet dagen en hem de waarheid deed verklaren. De oude knecht was onze vader, die met hart en ziel verkleefd was aan zijn kinderen, en dien ik herhaalde malen mishandeld had. Ons geluk was weg, ik deed afstand van ons fortuin, mijn zuster verloor haar verloofde, en we vertrokken met onzen vader uit het dorp, om hier of daar elders heen te gaan. De gedachte dat hij tot ons ongeluk had bijgedragen verkortte het leven van den ouden man. Van zijn lippen vernam ik ’t heele droeve verleden.

Mijn zuster en ik bleven alleen.

“Zij schreide veel, maar bij al de smart die over ons kwam, kon ze haar liefde niet vergeten. Zonder te klagen, zonder een woord te zeggen, zag ze haar vroegeren verloofde met een ander trouwen, en ik zag haar langzamerhand [433]zieker worden, zonder haar te kunnen troosten. Op een dag verdween ze. Tevergeefs zocht ik haar overal, tevergeefs deed ik overal navraag, totdat ik zes maanden later vernam dat men in dien tijd, na een aanwas van ’t meer, op ’t strand van Kalamba tusschen het riet het lijk van een jongmeisje gevonden had. Ze had, naar men zeide, een mes in haar borst steken. De overheid van dat dorp liet de zaak in de naburige dorpen bekend maken. Niemand had zich aangemeld, om het lijk op te vragen, geen enkel jongmeisje zou er verdwenen zijn. Naar de gegevens die ik later kreeg, naar de kleeren, de sieraden, het mooie gezichtje, het zeer overvloedige haar, begreep ik dat het mijn arme zuster moest geweest zijn. Van dien tijd af dool ik van de eene provincie naar de andere. Mijn roep en mijn geschiedenis zijn in den mond van velen. Men vertelt allerlei dingen van me, die ik gedaan zou hebben; soms is ’t laster, maar ik stoor me weinig aan de menschen, en ga mijn gang.

Daar heeft u in ’t kort mijn geschiedenis, en de geschiedenis van een geval van menschenrecht.”

Elias zweeg, en ging voort met roeien.

“Ik begin te gelooven dat u geen ongelijk heeft,” zei Crisóstomo zacht, “wanneer u zegt dat de gerechtigheid het goede moest nastreven door de belooning van de deugd en de opvoeding van de misdadigers. Alleen maar... ’t is onmogelijk, ’t is een utopie; want waar moet al het geld vandaan komen? Al de nieuwe beambten?”

“En waarvoor zijn dan de priesters die hun zending van vrede en menschenliefde [434]verkondigen? Zou ’t verdienstelijker wezen het hoofd van een kind met water te bevochtigen, het zout te eten te geven, dan in ’t verduisterde geweten van een misdadiger de vonk aan te blazen die God ieder mensch heeft gegeven om ’t goede te zoeken? Zou ’t menschelijker wezen, een veroordeelde naar ’t schavot te geleiden dan hem te leiden langs ’t moeilijke pad dat van de ondeugd naar de deugd gaat? Worden er niet al spionnen, beulen en guardias civiles betaald? Dat kost ook geld, en is nog smerig bovendien.”

“Vriend, noch u noch ik zullen ’t gedaan krijgen, al willen we ’t ook.”

“Alleen, ja, dan zijn we niets. Maar neem de zaak van ’t volk op, vereenig u met het volk, sla zijn klachten niet in den wind, geef het goede voorbeeld aan de anderen, geef een denkbeeld van wat een vaderland is!”

“Wat het volk vraagt, is een onmogelijkheid. We moeten afwachten.”

“Afwachten, afwachten staat gelijk met lijden!”

“Als ik ’t vroeg, zouden ze me uitlachen.”

“En als ’t volk u steunt?”

“Nooit! Ik zal nooit de man zijn die de menigte moet leiden om door geweld gedaan te krijgen wat het bestuur niet geschikt acht. Nee! En als ik eens die gewapende menigte zag, zou ik me aan de zijde van ’t bestuur scharen en ze bestrijden, want in die bende zou ik mijn volk niet zien. Ik wil hun heil: daarvoor richt ik een school op. Ik zoek ’t te bereiken door ’t onderwijs, door de trapsgewijze vooruitgang. Zonder licht is er geen weg te vinden.” [435]

“Zonder strijd is er ook geen vrijheid!” antwoordde Elias.

“Maar zoo’n vrijheid wil ik niet!”

“Maar zonder vrijheid is er geen licht,” hervatte de loods levendig.

“U zegt dat u uw land weinig kent. Ik geloof ’t. U ziet de worsteling niet die voorbereid wordt, u ziet de wolk aan den horizon niet. De strijd begint in de sfeer van de denkbeelden, om dan naar de arena af te dalen, die met bloed geverfd zal worden. Ik hoor Gods stem: wee degenen die hem zullen tegenstreven! Voor hun is de geschiedenis niet geschreven!”

Elias scheen geheel veranderd: staande, met ontbloot hoofd, had zijn mannelijk gelaat, beschenen door de maan, iets buitengewoons. Hij schudde zijn overvloedig haar, en ging voort:

“Ziet u dan niet hoe alles ontwaakt? De slaap heeft eeuwen geduurd, maar eens viel de bliksemstraal, die vernielde, maar tot nieuw leven riep. Van toen af werken er nieuwe stroomingen in de geesten, en deze stroomingen, die nu gescheiden zijn, zullen zich eenmaal onder Gods leiding vereenigen. God heeft de andere volken niet verzaakt, hij zal evenmin ons verzaken: zijn zaak is de vrijheidszaak.”

Een plechtige stilte volgde op deze woorden. Intusschen naderde de bangka, onmerkbaar door de golven voortbewogen, den oever. Elias was de eerste die de stilte verbrak.

“Wat moet ik zeggen aan degenen die me zenden?” vroeg hij, van toon veranderend.

“Ik heb ’t u al gezegd: dat ik hun toestand ten zeerste betreur, maar dat [436]ze moeten hopen en afwachten, want de misstanden worden niet genezen door ander kwaad, en in ons ongeluk hebben we allen mee schuld.”

Elias gaf verder geen antwoord. Hij boog het hoofd, en ging door met roeien. En aan den oever gekomen, nam hij afscheid van Ibarra, zeggende:

“Ik dank u, meneer, voor de welwillendheid waarmee u wel naar me heeft willen luisteren. In uw eigen belang verzoek ik u dat u voortaan mij vergeet, en dat u me niet herkent, in welken toestand u me ook mag aantreffen.”

En dit gezegd hebbende, bracht hij de bangka weer van den oever, roeiend naar een boschje aan ’t strand. Gedurende de lange overtocht bleef hij zwijgen. Hij scheen niet anders te zien dan de duizenden diamanten, die hij met zijn roeiriem uit het meer ophaalde en weer daaraan teruggaf, waar ze geheimzinnig verdwenen tusschen de donker-blauwe golven.

Eindelijk was hij aangekomen. Een man kwam te voorschijn uit het boschje en trad op hem toe.

“Wat zal ik aan onzen hoofdman zeggen?” vroeg hij.

“Zeg hem dat Elias, als hij niet eerder sterft, zijn woord zal nakomen,” antwoordde hij droevig.

“Wanneer zal je je dan bij ons voegen?”

“Wanneer onze hoofdman meent dat het uur van gevaar gekomen is.”

“Dat ’s goed, vaarwel!”

“Als ik niet voor dien tijd dood ben,” mompelde Elias. [437]

[Inhoud]

XLIX.

Veranderingen.

De schuchtere Linares was ernstig gestemd en vol ongerustheid. Hij had daar juist een brief ontvangen van Doña Victorina, die in behoorlijke taal overgebracht, zoo luidde:

“Geachte Neef,

Binnen drie dagen hoop ik van u te vernemen of de alférez u reeds gedood heeft of gij hem.

Ik wil niet dat er nog een dag langer voorbijgaat, zonder dat die vlegel zijn straf krijgt. Als deze termijn verstreken is, en gij hem nog niet hebt uitgedaagd, zeg ik aan Don Santiago, dat ge nooit sekretaris geweest zijt, en evenmin jongeluis-partijtjes gegeven hebt aan Canovas of pret gemaakt hebt met generaal Don Arseno Martines. Dan zeg ik aan Clarita dat het alles praatjes geweest zijn. En ik geef je geen roode duit meer. Maar als gij hem uitdaagt, beloof ik u alles wat je wilt. Dus, zorgt er nu voor dat ge hem uitdaagt: ik zeg u vooruit dat ik niets weten wil van voorwendsels of uitvluchten,

Uw hartelijk liefhebbende nicht:

Victorina de los Reyes de Espadaña.

Sampalok, Maandag 7 uur ’s avonds.”

Het was een ernstig geval: Linares kende het karakter van Doña Victorina, en wist waartoe ze in staat was.

Met haar redelijk te praten, was net hetzelfde als van eerlijkheid en fatsoen te spreken tot een carabinero van de belasting, wanneer die ’t in zijn hoofd krijgt smokkelwaar te vinden waar die niet is. Smeken baatte niet, om den tuin leiden was nog erger. Er zat niets anders [438]op dan de uitdaging te doen.

Maar hoe? dacht hij, alleen heen en weer stappend, als hij me royaal naar de maan laat loopen? Als ik ’s zijn vrouw tegenkom? Wie zal getuige willen wezen? De pastoor? Capitán Tiago? Verwenscht het oogenblik dat ik naar haar raad geluisterd heb! Beroerd wijf! Wie noodzaakte me om op te snijden, leugens te verkoopen, om met allerlei gezwets me in te dringen? Wat zal die jongedame nu van me zeggen?... Nu spijt het me dat ik secretaris bij alle ministers geweest ben!

In deze droeve overdenking was de goede Linares, toen Padre Salvi binnenkwam. De Franciskaan was werkelijk nog magerder en bleeker dan gewoonlijk, maar zijn oogen schitterden met een eigenaardigen glans, en op zijn lippen zweefde een vreemde glimlach.

“Zoo, meneer Linares, zoo alleen?” groette hij en richtte zich naar de zaal, door welker half-geopende deur eenige tonen van een piano naar buiten kwamen.

Linares wilde glimlachen.

“En Don Santiago?” liet de pastoor volgen.

Capitán Tiago verscheen juist, kuste den pastoor de hand, ontdeed hem van zijn hoed en stok, en lachte als een gelukzalige.

“Wel, wel!” zeide de pastoor de zaal binnentredend, gevolgd door Linares en Capitán Tiago. “Ik heb goed nieuws aan u allen te vertellen. Ik heb brieven uit Manila ontvangen, die me bevestigen wat meneer Ibarra me gisteren kwam meedeelen...dus, Don Santiago, ’t beletsel is vervallen.” [439]

Maria Clara, die tusschen haar twee vriendinnen aan de piano zat, richtte zich half op, doch de krachten begaven haar, en ze ging weer zitten. Linares verbleekte, en keek Capitán Tiago aan. Deze sloeg de oogen neer.

“Dat jongemensch lijkt me per slot van rekening zeer sympathiek,” ging de pastoor voort, “eerst beoordeelde ik hem verkeerd...hij is wat driftig, maar daarna weet hij zijn fouten zoo goed te herstellen, dat men geen wrok tegen hem kan koesteren. Als Padre Dámaso niet...”

De pastoor wierp een snellen blik naar Maria Clara, die luisterde, maar zonder de oogen op te slaan van de muziek voor haar, in weerwil van de stille kneepjes die Sinang haar toediende. Zoo drukte deze haar vreugde uit. Als ze alleen was geweest, had ze gedanst.

“Padre Dámaso?” vroeg Linares.

“Ja, padre Dámaso heeft gezegd,” hervatte de pastoor zonder zijn blik van Maria Clara af te wenden, “dat hij als Maria’s peetvader niet kon veroorloven ...maar nu ja, ik geloof dat als meneer Ibarra hem vergiffenis vraagt, waar ik niet aan twijfel, alles weer in orde komt.”

Maria Clara stond op, verontschuldigde zich en ging vergezeld van Victoria, het vertrek uit.

“En als Padre Dámaso hem niet vergeeft?” vroeg Capitán Tiago zacht.

“Dan...moet Maria Clara ’t zelf weten ...Padre Dámaso is haar...geestelijke vader. Maar ik geloof dat ze ’t bij zullen leggen.”

Op dat oogenblik hoorde men schreden, en Ibarra vertoonde zich, gevolgd [440]door tante Isabel. Zijn komst bracht een zeer verschillenden indruk te weeg. Hij groette Capitán Tiago vriendelijk—deze wist niet of hij lachen of schreien moest—en Linares met een diepe buiging met het hoofd. Fray Salvi stond op, en gaf hem zoo hartelijk de hand, dat Ibarra een blik van verbazing niet kon bedwingen.

“Verwonder u niet,” zeide Fray Salvi, ik was net bezig u te prijzen.”

Ibarra dankte, en trad op Sinang toe.

“Waar ben je den heelen dag geweest?” vroeg deze met haar jongmeisjes praatlust. “We vroegen elkaar af: waar zou die uit het vagevuur losgekochte ziel toch wel heen zijn? En elk van ons meisjes zei iets.”

“En mag ik weten wat dat was?”

“Nee, dat ’s een geheim, maar ik zal ’t wel onder vier oogen zeggen. Zeg ons nu waar je geweest bent, om ’t te zien, wie er goed heeft kunnen raden.”

“Nee, dat ’s ook een geheim, maar ik zal ’t je wel onder vier oogen zeggen, als de heeren me veroorloven.”

“Wel, natuurlijk, natuurlijk! Dat ontbrak er nog maar aan!” zei padre Salvi.

Sinang nam Crisóstomo mee naar ’t eene uiteinde van de zaal: zij was in de wolken dat ze een geheim zou hooren.

“Zeg me nu ’s, vriendinnetje,” vroeg Ibarra, “is Maria boos op me?”

“Ik weet ’t niet, maar ze zegt dat het beter is dat je haar vergeet, en dan begint ze te schreien. Capitán Tiago wil dat ze trouwt met dien meneer, Padre Dámaso ook, maar zij zegt geen ja en geen nee. Van morgen toen we naar je [441]vroegen en ik zei: Zou hij soms ’t hof zijn gaan maken aan ’t een of ander meisje?, antwoordde zij me: ‘God gave ’t!’ en barstte in schreien uit.”

Ibarra keek ernstig.

“Zeg Maria dat ik haar alleen wil spreken.”

“Alleen?” vroeg Sinang en fronste de wenkbrauwen.

“Heelemaal alleen, nee, maar die vent moet er niet bij wezen.”

“Dat ’s lastig. Maar wees maar gerust: ik zal ’t haar zeggen.”

“En wanneer zal ik ’t antwoord weten?”

“Morgen. Ga vroeg naar huis. Maria wil nooit alleen zijn. Wij zijn bij haar: Victoria slaapt de eene nacht naast haar, ik de andere. Morgen is ’t mijn beurt. Maar hoe is ’t nu met het geheim? Ga je heen zonder me ’t voornaamste gezegd te hebben?”

“Dat ’s waar ook! Ik ben in ’t dorp de los baños1 geweest. Ik ga de cokos-aanplantingen exploiteeren, want ik denk een fabriek op te richten met je vader als deelgenoot.”

“Niets anders dan dat? Nu, dat’s ook een geheim!” riep Sinang luid, op den toon van een opgelichte woekeraar. “Ik dacht...”

“Voorzichtig! Ik sta je niet toe dat je ’t vertelt!”

“Alsof ik daar lust in had!” antwoordde Sinang, en trok haar neusje op. “Als ’t nog ’s wat belangrijkers was, zou ik ’t aan mijn vriendinnen zeggen. Maar ’t koopen van klappers! Wie stelt nu [442]belang in klappers?”

En als een pijl uit een boog ging ze weer naar haar vriendinnen.

Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, daar hij zag dat het samenzijn moeilijk anders dan gedwongen kon wezen. Capitán Tiago keek zuurzoet, Linares was stil en zat waar te nemen, de pastoor deed alsof hij vroolijk was en sprak over dingen die hem volmaakt onverschillig waren.


1 Van de baden, d. w. z. waar de badplaats is.

[Inhoud]

L.

De kaart der dooden en de schimmen.

De bewolkte hemel verborg de maan. Een koude wind, voorbode van de naderende December-maand, blies wat dorre bladeren en stof weg op het smalle pad dat naar ’t kerkhof voert.

Drie schimmen spraken zacht tot elkaar onder de poort.

“Heb je Elias gesproken?” vroeg een stem.

“Nee, je weet toch dat hij erg vreemd en voorzichtig doet, maar hij moet een van de onzen zijn: Don Crisóstomo heeft hem ’t leven gered.”

“Daarom ook heb ik ’t aangenomen,” zeide de eerste stem. “Don Crisóstomo zorgt ervoor dat mijn vrouw genezen wordt bij een dokter in huis in Manila. Ik heb me belast met het ‘klooster,’ om mijn rekening met den pastoor te vereffenen.”

“En wij met de kazerne, om aan de civiles te zeggen dat onze vader zoons had.”

“Met hoevelen zullen jullie zijn?”

“Met ons vijven. Met vijf zijn er genoeg. De knecht van Don Crisóstomo zegt dat [443]we met ons twintigen zullen wezen.”

“En als ’t jullie tegenloopt?”

“St!” zei er een, en allen zwegen.

Men zag bij de halve duisternis die er heerschte een schim aankomen, die langs de buitenmuur voortgleed. Van tijd tot tijd hield hij stil alsof hij ’t hoofd achterwaarts keerde.

En daar was wel reden voor. Achter hem aan, op zoowat twintig pas afstands, kwam een andere grootere schim, die nog meer schim scheen te wezen dan de eerste, zoo luchtig stapte hij over den grond, terwijl hij telkens wanneer de eerste stilstond en omkeek verdween, alsof de aarde hem verzwolg.

“Ik wordt achtervolgd!” mompelde de ander, “zou ’t de guardia civil wezen? Zou de hoofdkoster liegen?

“Ze zeggen dat de samenkomst hier is,” zeide de tweede schim zacht. “’t Moet wel iets kwaads betreffen, wanneer de twee broers het voor me verborgen houden.”

De eerste schim kwam eindelijk aan de poort van het kerkhof. De drie eersten traden vooruit.

“Zijn jullie ’t?”

“Ben jij ’t?”

“We moeten uiteen gaan, want ik word achtervolgd!

Morgen krijgen jullie de wapens en den nacht daarop zal ’t wezen. De kreet is ‘Leve Don Crisóstomo!’ Ga nu heen!”

De drie schimmen verdwenen achter de muren. De nieuw-aangekomene verschool zich in de holte van de poort en wachtte in stilte.

“Laten we ’s zien wie me daar volgde!” mompelde hij. [444]

De tweede schim naderde met veel omzichtigheid, en stond stil, als om rond te kijken.

“Ik ben te laat gekomen!” zeide hij halfluid, “maar misschien komen ze terug.”

En daar er een fijne dichte regen begon te vallen, kwam hij op de gedachte onder de poort te gaan schuilen.

Natuurlijk ontmoette hij den ander.

“O! Wie bent u?” vroeg de laatst gekomene met mannelijke stem.

“En wie bent u?” antwoordde de ander bedaard.

Een oogenblik stilte. Ze trachtten elkaar te herkennen aan den klank der stem en elkaars trekken te onderscheiden.

“Wat wacht u hier?” vroeg de mannelijke stem.

“Op ’t slaan van acht, om de kaart van de dooden te hebben. Ik wil van avond een som winnen,” antwoordde de ander op heel natuurlijken toon. “En u, waarvoor komt u?”

“Voor... ’t zelfde.”

Awá!1 dat doet me plezier: dan heb ik gezelschap. Ik heb kaarten bij me. Bij de eerste klokslag zet ik albur, bij de tweede gallo; die dan bewegen zijn de kaarten van de dooden, en die moet je met geweld in handen zien te krijgen. Heeft u kaarten bij u?”

“Nee!”

“Wat dan?”

“Wel, heel eenvoudig: net zooals u voor hun ‘de bank’ houdt, hoop ik dat [445]zij die voor mij zullen houden.”

“En als de dooden geen bank willen houden?”

“Wat is eraan te doen? ’t Spelen is nog niet verplicht gesteld onder de dooden...”

Er was een oogenblik stilte.

“Komt u gewapend? Hoe gaat u vechten met de dooden?”

“Met mijn vuisten,” antwoordde de grootste van de twee.

“Och, duivels, nu herinner ik me dat de dooden niet willen inzetten, als er meer dan een levende is. En we zijn met ons beiden...”

“Werkelijk? Nu, ik wil niet weggaan.”

“Ik ook niet, ik heb geld noodig,” antwoordde de kleinste.

“Maar laten we wat afspreken: laten we samen spelen, en die verliest moet heengaan.”

“Goed...” antwoordde de ander met eenigen tegenzin.

“Laten we dan naar binnen gaan. Heeft u lucifers?” Ze traden binnen, en zochten in de halve duisternis een geschikt plekje. Weldra ontwaarden ze een nis, waarop ze gingen zitten. De kleinste haalde uit zijn salakot een spel kaarten, en de ander stak een lucifer aan.

Bij ’t licht keken ze elkaar aan, maar, naar de uitdrukking van hun gezicht te oordeelen, kenden ze elkaar niet. De eene lange met de mannelijke stem was Elias, de kleinste Lucas met het litteeken op zijn wang.

“Coupeeren!” zeide deze, hem steeds gadeslaande.

Hij verwijderde eenige beenderen, die hij op de nis vond, en nam een aas en een vrouw uit. Elias stak telkens een [446]nieuwe lucifer aan.

“Op de vrouw!” zeide hij, en om de kaart aan te wijzen, legde hij er een wervelbeen op.

“Goed!” zei Lucas, en na vier of vijf kaarten haalde hij een aas uit.

“U heeft ’t verloren,” voegde hij erbij. “Laat me nu alleen, om mijn kansje te wagen.”

Elias verwijderde zich zonder een woord, en verdween in de duisternis.

Eenige minuten later sloeg de kerkklok het uur der zielen. Maar Lucas noodigde niemand tot spelen: hij riep de dooden niet op, zooals het bijgeloof dat voorschrijft, maar hij ontblootte het hoofd, en prevelde eenige gebeden, onderwijl kruisen slaande met dezelfde vurigheid waarmee het hoofd van de broederschap der allerheiligste Rozenkrans het op dat oogenblik zou gedaan hebben.

De heele nacht bleef het motregenen. Om negen uur waren de straten reeds donker en verlaten. De olie-lantarens, die iedere bewoner moet ophangen, verlichtte nauw een kring van een meter straal: ze schenen aangestoken, om te laten zien dat het donker was.

Twee guardias civiles stapten in de straat op en neer, dicht bij de kerk.

“’t Is koud!” zei de een in ’t Tagaalsch, met een Wisajasche tongval.2 We krijgen geen enkelen koster te pakken, om het kippenhok van den alférez te repareeren... Met den dood van dien eene hebben ze een lesje gekregen: dat ’s vervelend.” [447]

“Dat vind ik ook,” antwoordde de ander. “Niemand steelt of maakt straatrumoer. Maar er wordt, Goddank, gezegd dat Elias in ’t dorp is. De alférez zegt dat hij die hem pakt in drie maanden geen ransel krijgt.”

“Zoo? Ken je z’n signalement uit je hoofd?” vroeg de Wisajer.

“Of ik! Lange gestalte volgens den alférez, middelmatig volgens Padre Dámaso; kleur bruin, oogen zwart, neus gewoon, mond gewoon, baard geen, haar zwart...”

“Zoo! En bijzondere kenteekenen?”

“Zwart hemd, zwarte broek, houthakker...”

“O, die zal niet ontsnappen: ’t is net of ik hem zie.”

“Ik verwar hem niet licht met een ander, al lijkt hij er ook op.”

De twee soldaten zetten hun ronde voort.

Bij ’t licht der lantarens zien we weer twee schimmen heel omzichtig de een achter den ander gaan. Een krachtig Quien vive?” (Wie daar?) houdt beiden staande, en de eerste antwoordt met bevende stem: “España!”

De soldaten grijpen hem aan en slepen hem naar een lantaren, om hem te herkennen. ’t Was Lucas, doch de soldaten weifelen, en kijken elkaar aan, als om elkaar te raadplegen.

“De alférez heeft niet gezegd dat hij een litteeken had!” zegt de Wisajer zacht. “Waar ga je heen?”

“Om een mis voor morgen te bestellen.”

“Heb je Elias niet gezien?”

“Ik ken hem niet, meneer!” antwoordt Lucas. [448]

“Ik vraag je niet of je hem kent, stommerik! Wij kennen ’m ook niet. Ik vraag je of ’m gezien hebt.”

“Nee, meneer.”

“Luister goed, ik zal je zeggen hoe hij eruit ziet. Gestalte soms lang, soms gewoon, haar en oogen zwart, al ’t overige is gewoon,” zegt de Wisajer. “Zou je ’m nu kennen?”

“Nee, meneer!” antwoordde Lucas verbouwereerd.

Schei dan uit, ezelskop!” En ze gaven hem een duw.

“Weet jij waarom Elias voor den alférez lang en voor den pastoor kort is?” vroeg de Tagaal diepzinnig aan den Wisajer.

“Nee.”

“Omdat de alférez in de modder gezakt was, toen hij hem waarnam en de pastoor behoorlijk op zijn voeten stond.”

“Dat ’s waar!” riep de Wisajer uit. “Je bent een slimmerd... Zeg, hoe ben jij zoo guardia civil geworden?”

“Ik ben ’t niet altijd geweest: eerst was ik smokkelaar,” antwoordde de Tagaal met fierheid.

Doch weder trok een schim hun aandacht: ze riepen weer: Quien vive? en brachten hem naar ’t licht.

Ditmaal was het Elias in eigen persoon, die zich aan hen voordeed.

“Waar ga je heen?”

“Ik ga een man achterna die mijn broer geslagen en gedreigd heeft. Hij heeft een litteeken op zijn gezicht en heet Elias,..”

“O!” riepen de twee, en keken elkaar ontzet aan. En onmiddellijk liepen ze hard in de richting van de kerk, waar [449]eenige minuten te voren Lucas verdwenen was.


1 Uitroep, die de Filippijnsche inlanders telkens bezigen, en die allerlei beteekenissen kan hebben. Hier: Goed! Mooi zoo!

2 Wisaja is een andere Filippijnsche taal dan Tagaalsch; ’t wordt gesproken in Cebu en Panay.

[Inhoud]

LI.

Il buon di si conosce da mattina.1

Reeds vroeg verspreidde zich in ’t dorp het gerucht dat er den vorigen nacht verscheidene lichtjes op ’t kerkhof gezien waren.

Het hoofd der broederschap van de Hermanos Ferceros sprak van aangestoken kaarsen, en beschreef den vorm en grootte ervan, maar hij kon niet bepaald het aantal noemen, want hij wist alleen dat hij er meer dan twintig had kunnen tellen.

Zuster Sipa, van de broederschap van den Allerheiligsten Rozenkrans mocht niet dulden dat alleen iemand van de vijandelijke broederschap die “genade Gods” gezien had; zuster Sipa had, al woonde ze niet in de buurt, duidelijk geklaag en gekerm gehoord, en zelfs aan de stemmen zekere personen meenen te herkennen met wie zij vroeger... doch uit christelijke liefde, vergaf ze niet alleen, maar bad ze, en verzweeg ze hun namen. Om welke reden allen haar “incontinenti” heilig prezen.

Zuster Roefa had inderdaad niet zoo’n fijn gehoor, maar ze mocht niet dulden dat zuster Sipa het gehoord had en zij niet; daarom had zij een droom gehad, en veel zielen hadden zich aan haar vertoond, niet alleen van doode menschen, maar ook van levenden. De lijdende zielen vroegen een deel van haar “aflaten”, die ze [450]keurig opgeteekend en opgespaard had. Zij zou de namen aan de belanghebbende families kunnen zeggen, en vroeg alleen een kleine aalmoes om den Paus in zijn behoeften bij te staan.

Een kleine jongen, die herder van beroep was, die het waagde te verzekeren dat hij maar één licht en twee mannen met een salakot op gezien had, ontkwam ternauwernood aan een afranseling en scheldwoorden. Tevergeefs zwoer hij: zijn karbouwen waren erbij geweest, die konden getuigen.

“Wou jij soms meer weten dan de celador van de broederschap en de zusters, vrijmetselaar, ketter?” zeiden ze tot hem en keken hem daarbij met booze oogen aan.

De pastoor besteeg den preekstoel, en preekte weer over het vagevuur, en de peso’s kwamen weer uit hun schuilhoekjes om een misje te winnen.

Doch laten we de gekwelde zielen voor wat ze zijn, en luisteren we naar het gesprek van Don Filipo en den ouden Tasio, die ziek lag in zijn eenzame woning. Reeds dagen lang had hij ’t bed niet verlaten, overmand door een zwakte die snel toenam.

Ik weet heusch niet of ik u geluk moet wenschen omdat ze uw ontslagaanvrage hebben aangenomen. Vroeger, toen de burgemeester zoo onbeschaamd de meening van de meerderheid opzij zette, toen was het gepast uw ontslag te nemen. Maar nu u in strijd is met de guardia civil is het niet behoorlijk. In oorlogstijd moet men op zijn post blijven.”

“Jawel, maar niet wanneer de generaal zich verkoopt,” antwoordde Don [451]Filipo. “U weet immers dat de gobernadorcillo den volgenden ochtend de soldaten in vrijheid gesteld heeft, die ik had kunnen gevangen zetten, en dat hij geweigerd heeft een enkelen stap te doen. Zonder de toestemming van mijn meerdere kan ik niets.”

“U alleen niets, maar met de anderen samen veel. U had van deze gelegenheid moeten gebruik maken om een voorbeeld te geven aan de andere dorpen. Boven ’t belachelijk gezag van zoo’n gobernadorcillo staat het recht van ’t volk. ’t Was het begin van een goede les, en u heeft die verloren laten gaan.”

“En wat zou ik hebben kunnen doen tegenover den vertegenwoordiger van de vooroordeelden? Daar heb je nu meneer Ibarra, die heeft zich gebogen voor de geloofs-overtuigingen van de menigte. Denkt u soms dat hij gelooft in een kerkelijken ban?”

“U bent niet in dezelfde positie: meneer Ibarra wil zaaien, en om te zaaien, moet men bukken en aan de stof gehoorzamen. Uw zending was schudden, en om te schudden heb je kracht noodig en aandrift. Bovendien, de strijd moest niet aangebonden worden tegen den burgemeester, de leus moest wezen: tegen hem die misbruik maakt van zijn macht, tegen dengeen die de openbare rust verstoort, tegen dengeen die zijn plicht verzaakt. En u zou niet alleen gestaan hebben, want ’t land van nu is niet meer hetzelfde van twintig jaar geleden.”

“Gelooft u dat?” vroeg Don Filipo.

“En beseft u dat dan niet?” antwoordde de oude man, zich in bed half oprichtend. “Och, dat komt omdat u het [452]verleden niet gezien heeft, u heeft de uitwerking van de Europeesche immigratie niet bestudeerd, van ’t komen van nieuwe boeken en van ’t naar Europa trekken van jonge menschen. U moet studeeren en vergelijken. ’t Is waar dat de koninklijke Pauselijke universiteit van Santo Tomas nog bestaat, met zijn zeer geleerd klooster, en dat nog eenige vernuften zich oefenen in ’t formuleeren van allerlei haarkloverijen der scholastiek, maar waar vindt men nu die metafysische jeugd van onze tijden, met archeologische geleerdheid, die met afgetobde hersens ergens in een uithoek van de provincie al spitsvondigheden uitpluizend stierf, zonder tot het volkomen begrijpen te komen van de eigenschappen van ’t ‘wezen’, zonder het vraagstuk opgelost te hebben van ‘wezen en bestaan,’ allerverhevenste begrippen, die ons het wezenlijke deden vergeten, ons bestaan en ons eigen wezen? Kijk nu eens naar de jeugd! Vol geestdrift bij ’t zien van ruimer horizonten, studeert ze geschiedenis, wiskunde, aardrijkskunde, litteratuur, natuurkunde, talen, allemaal vakken waarvan we vroeger met afschuw hoorden, alsof ’t ketterijen waren. De vrijzinnigste van mijn tijd verklaarde ze voor minderwaardig tegenover de ‘kategorieën’ van Aristoteles en de wetten van de sluitrede. De mensch heeft ten slotte geleerd mensch te zijn. Hij ziet af van de ontleding van zijn God, van ’t doordringen in ’t onvatbare, in dat wat hij niet gezien heeft, van ’t wetten geven aan zijn hersenschimmen. De mensch begrijpt dat zijn erfenis de uitgestrekte wereld is, waarvan de heerschappij [453]in zijn bereik ligt. Vermoeid van zijn onnutten, aanmatigenden arbeid, buigt hij ’t hoofd, en onderzoekt wat hem omringt. Zie hoe nu onze dichters geboren worden. De muzen van de natuur openen ons langzamerhand haar schatten en beginnen ons toe te lachen, om ons op te wekken tot den arbeid. De proefondervindelijke wetenschappen hebben al hun eerste vruchten gegeven; er ontbreekt alleen nog aan dat de tijd ze volmaken zal. De nieuwe advocaten worden gevormd naar de nieuwe denkbeelden van de rechts-filosofie. Enkelen beginnen te schitteren te midden van de duisternis, die onze balie omringt, en bespeuren een verandering in den loop der tijden. Hoor hoe de jeugd spreekt, bezoek de centra van onderwijs, en er zullen andere namen klinken in de akademische gehoorzalen dan in de kloosters: daar hoorden we alleen die van Santo Tomas, Suarez, Amat, Sanchez en andere afgoden van mijn tijd. Tevergeefs jammeren de frailes van den preekstoel tegen den zedelijken achteruitgang, evenals de vischverkoopers jammeren over de schrielheid der koopers, zonder dat ze merken dat hun koopwaar oud en onbruikbaar is. Tevergeefs strekken de kloosters hun vangarmen en wortels naar de dorpen uit, om er den nieuwen stroom te verstikken. De goden gaan heen. De wortels van den boom kunnen de planten die erop steunen wel verzwakken, maar niet het leven benemen aan andere wezens, die als de vogels, omhoog stijgen naar den hemel.”

De filosoof sprak met vuur. Zijn oogen schitterden.

“En toch is de nieuwe kiem klein. [454]Als iedereen zich tot taak maakt den vooruitgang tegen te werken, dien we zoo duur koopen kan hij verstikt worden,” bracht Don Filipo ongeloovig ertegen in.

“De kiem verstikken...wie zal dat doen? De mensch, die zieke dwerg, den vooruitgang verstikken, dien machtigen zoon van den tijd en de werkzaamheid? Wanneer heeft hij dat gekund? Het dogma, het schavot en de brandstapel, die hem trachten tegen te houden, brengen hem juist vooruit. ‘En toch beweegt ze zich,’ zeide Galilei, toen de Dominikanen hem dwongen om te verklaren dat de aarde zich niet bewoog; ’t zelfde kan men zeggen van den menschelijken vooruitgang. Er zullen eenige wilsuitingen met geweld worden onderdrukt, er zullen enkele individuen worden opgeofferd, maar wat geeft het: de vooruitgang zal zijn weg vervolgen, en uit het bloed van hen die vallen zullen nieuwe en krachtige loten opkomen. Zie hoe zelfs de pers, hoe reactionair ze ook zou willen wezen, mee een schrede vooruit doet. Zelfs de Dominikanen ontkomen niet aan deze wet, en ze doen de Jezuïeten, hun onverzoenlijke vijanden, na: ze geven feesten in hun kloosters, richten tooneeltjes op, maken gedichten, want, doordat het hun niet aan verstand ontbreekt, al wanen ze zich ook in de vijftiende eeuw, begrijpen ze dat de Jezuïeten gelijk hebben, en zullen ze zelfs deelnemen aan de toekomst van de jonge volken, die ze opgevoed hebben.”

“Volgens u gaan de Jezuïeten met den vooruitgang mee?” vroeg Don Filipo verwonderd. “Waarom bestrijdt men hen dan in Europa?”

“Ik zal u als een oude scholasticus [455]antwoorden,” hervatte de filosoof, terwijl hij weer ging liggen, en zijn spottende gelaatsuitdrukking herkreeg. “Op drie manieren kan men met den vooruitgang meegaan: aan de spits, opzij en erachter aan. De eersten zijn de leiders, de tweeden laten zich leiden, en de laatsten worden meegesleept, en tot dit soort behooren de Jezuïeten. Zij zouden hem wel willen leiden, maar omdat ze zien dat hij sterk is en andere neigingen heeft, kapituleeren ze, en willen ze liever volgen dan verpletterd te worden of midden op den weg in ’t donker achter te blijven. Nu goed, wij hier op de Filippijnen, loopen minstens op twee eeuwen afstand achter den wagen aan: we beginnen nauwelijks uit de middeleeuwen te komen. Daarom vertegenwoordigen de Jezuïeten, die in Europa reactionair zijn, van hier uit gezien de vooruitgang. De Filippijnen zijn aan hun ’t opkomend onderwijs, de natuurwetenschappen,—de ziel van de negentiende eeuw—verschuldigd, evenals aan de Dominikanen de scholastiek, die al dood was ten spijt van Leo de XIII: er is geen paus die weer op kan wekken wat het gezond verstand ten doode gedoemd heeft... Maar, waar zijn we beland?” vroeg hij van toon veranderend. “O ja, we spraken over den tegenwoordigen toestand van de Filippijnen... Ja, nu treden we in het tijdperk van strijd, ik bedoel jullie; ons geslacht behoort aan den nacht, wij gaan heen. De strijd gaat tusschen het verleden, dat zich met vervloekingen vastgrijpt en klampt aan ’t wankelend feodaal kasteel, en de toekomst, waarvan we de triomfzang in de verte hooren, bij den glans [456]van een doorbrekenden dageraad, die de blijde boodschap van andere landen zal brengen... wie zullen er vallen en begraven worden in de bouwvallen?”

De grijsaard zweeg, en, ziende dat Don Filipo hem peinzend aankeek, lachte hij en hervatte:

“Ik kan haast raden wat u denkt.”

“Heusch?”

“U denkt dat ik me heel goed vergissen kan,” zeide hij met droeven lach. “Ik heb nu koorts, en ik ben niet onfeilbaar: homo sum, humani nil a me alienum puto,2 zeide Terentius; maar als hij zich soms veroorlooft te droomen, waarom dan niet aangenaam te droomen in de laatste levensuren? En dan, ik heb niet anders geleefd dan van droomen! U heeft gelijk: een droom! Onze jongelui denken aan niets anders dan aan liefdesavonturen en genoegens: ze verbruiken meer tijd en spannen zich meer in om een jongmeisje te misleiden en te onteeren, dan om aan ’t heil van hun land te denken. Onze vrouwen vergeten, om hun zorg voor Gods huis en Gods familie, hun eigen huis en familie. Onze mannen zijn alleen werkzaam voor ondeugd, ze zijn heldhaftig in schande. De kindschheid ontwaakt in duisternis en sleur. De jeugd leeft de beste jaren zonder ideaal, de rijpe leeftijd is onvruchtbaar, en leeft alleen maar om met zijn voorbeeld de jeugd te bederven... Ik ben blij dat ik dood ga... Claudite jam rivos, pueri.3 [457]

Wilt u de een of andere medicijn?” vroeg Don Filipo, om een andere wending aan ’t gesprek te geven, want hij zag dat het gelaat van den zieke versomberd was.

“Menschen die sterven, hebben geen medicijnen noodig. Jullie die blijven wel. Zeg aan Don Crisóstomo dat hij me morgen moet komen opzoeken, want ik heb hem heel belangrijke dingen te zeggen. Binnen enkele dagen ben ik er geweest. De Filippijnen liggen in ’t duister!”

Don Filipo verliet na nog eenige minuten gepraat te hebben, ernstig en in gepeins verzonken het huis van den zieke.


1 Den goeden dag kent men aan den morgen. [Italiaansch spreekwoord].

2 Ik ben een mensch en niets menschelijksch acht ik me vreemd. F.

3 Kinderen, sluit de beken af. D. w. z.: ’t Is genoeg, laat het nu uit zijn [3e ecl. v. Vergilius] F.

[Inhoud]

LII.

Quidquid latet apparebit,

Nil inultum remanebit.1

De klok kondigt het avondgebed aan. Bij ’t hooren van ’t vroom geluid staat iedereen stil, verlaat zijn werkzaamheden en ontbloot het hoofd; de landman die van ’t veld komt, houdt op met zijn zang, laat de gestadig voortstappende karbouw waar hij op zit stilstaan en bidt. De vrouwen slaan een kruis midden op straat, en bewegen opzichtig de lippen, opdat toch niemand twijfele aan hun godsvrucht. De man houdt op met het aaien van zijn haan, en bidt het angelus, opdat het lot hem gunstig moge wezen. In de huizen bidt men met luider stemme...ieder geluid dat niet dat van ’t avemaria is, verdwijnt, verstomt.

Niettemin gaat de pastoor, met een [458]hoed op, haastig de straat over, en wekt de ergernis van veel oude vrouwtjes: en, nog schandelijker! hij gaat naar ’t huis van den alférez. De vrome vrouwen achten ’t oogenblik reeds gekomen, om hun lippenbeweegingen te staken, om ’s pastoors hand te kussen, maar Padre Salvi let niet op ze: vandaag heeft hij geen plezier in ’t leggen van zijn beenige hand op den christelijken neus, om ze van daar zachtjes te laten neerglijden (zooals Doña Consolación opgemerkt heeft) naar de boezem van een lieftallig jongmeisje, dat buigt om den zegen te vragen. Wel een zaak van gewicht moet zijn gedachten bezig houden om hem zoo zijn eigen belangen en die der kerk te doen vergeten!

Inderdaad loopt hij haastig de trap op, en klopt ongeduldig op de deur van den alférez, die met boos gezicht verschijnt, gevolgd door zijn wederhelft, die zuurzoet glimlacht.

“O, meneer de pastoor! Ik wou juist naar u toe: uw bok...”

“Ik heb iets van hoog belang...”

“Ik kan niet toelaten dat mijn schutting vernield wordt, ik schiet erop, als hij terugkomt!”

“Dat wil zeggen, als u tijd van leven heeft tot morgen!” zeide de pastoor hijgend, en zich naar het voorvertrek richtend.

“Wat? Gelooft u dat die lamstraal mij dood zal maken? Ik schop hem naar de andere wereld!”

Padre Salvi deinsde een schrede terug, en keek instinktmatig naar den voet van den alférez.

“Van wien spreekt u?” vroeg hij bevend. [459]

“Van wien zou ik anders spreken dan van dat mispunt, dat me uitdaagt voor een duel op de revolver op honderd pas?”

“O!” riep de pastoor, die weer op adem kwam, en voegde eraan toe: “Ik kom u over een zeer dringende zaak spreken.”

“Valt u me toch niet lastig met zaken, ’t zal wel weer net zoo wezen als met die jongens!”

Als het licht niet van een olielamp en de ballon niet zoo smerig geweest was, zou de alférez kunnen zien, hoe bleek de pastoor eruit zag.

“’t Geldt vandaag in allen ernst ’t leven van ons allemaal!” hervatte deze halfluid.

“In allen ernst!” herhaalde de alférez verbleekend. “Schiet dat jongemensch goed?...”

“Ik spreek niet over hem.”

“Wat dan?”

De fraile wees hem naar de deur, die hij toen op zijn manier met een trap sloot. De alférez vond de handen overbodig, en zou er niets bij verloren hebben, als hij niet meer tot de “tweehandigen” behoord had. Een verwensching en een gebrul kwam als antwoord van buiten.

“Lomperd! Je hebt mijn voorhoofd kapot gegooid!” kreet zijn eega.

“Draai nu maar af!” zeide hij bedaard tot den pastoor.

Deze keek hem een heele poos aan, daarna vroeg hij met het eentonige neusgeluid van den prediker:

“Heeft u niet gezien, dat ik hard ben komen aanloopen?”

“Ja, ik mag verrekken, als ik niet [460]dacht dat u diarree had!”

“Nu goed”, zei de pastoor zonder zich te storen aan de grofheid van den alférez, “wanneer ik zoo mijn plicht verzuim, is dat om ernstige redenen.”

“En wat verder?” vroeg de ander, en stampte op den grond.

Bedaar!”

“Nu dan, waartoe dan al die haast?”

De pastoor kwam dicht bij hem en vroeg geheimzinnig:

“Weet u niets nieuws?”

De alférez trok de schouders op.

“U bekent dat u volstrekt niets weet.”

Wilt u me over Elias spreken, die gisteren nacht door uw hoofdkoster verborgen is?” vroeg hij.

“Nee, nee, ik spreek nu niet over die praatjes,” antwoordde de pastoor uit zijn humeur. “Ik spreek over een groot gevaar.”

“Maar...wat dondersteen! Biecht u dan op!”

“Nou!” zeide de fraile langzaam en met zekere minachting, “u zult weer ’s een keer zien wat de invloed van ons geestelijken is: de minste lekebroeder gaat tegen een heel regiment op; dus een pastoor...”

En de stem latende zakken en erg geheimzinnig doende, liet hij volgen:

“Ik heb een groote samenzwering ontdekt!”

De alférez sprong op, en keek ontsteld naar den pastoor.

“Een verschrikkelijke en goed op touw gezette samenzwering, die vanavond moet uitbarsten.”

“Vanavond!” riep de alférez en vloog op den pastoor af.

En naar zijn revolver en zijn sabel [461]die aan de wand hingen, toeloopend, riep hij:

“Wie zal ik gevangennemen? Wie zal ik gevangennemen?”

Bedaar, er is nog tijd, dank zij de haast die ik gemaakt heb. Tot acht uur!”

“Ik fusilleer ze allemaal!”

“Luistert u toch! Vanavond is een vrouw, wier naam ik niet zeggen mag (’t is een biechtgeheim) bij me gekomen, en heeft me alles verteld. Om acht uur willen ze zich bij verrassing meester maken van de kazerne, dan gaan ze ’t klooster plunderen, nemen het politievaartuig en vermoorden al de Spanjaarden.”

De alférez stond verbouwereerd.

“De vrouw heeft me niets meer dan dat gezegd,” zeide de pastoor.

“Heeft ze niets meer gezegd? Nu, dan neem ik haar gevangen!”

“Dat kan ik niet toestaan: de biechtstoel is de troon van den God van barmhartigheid.”

“God en barmhartigheid kunnen mij niet schelen! Ik neem haar gevangen!”

“U verliest het hoofd. Wat u doen moet is u op alles voorbereiden: wapen stilletjes uw soldaten en leg ze in hinderlaag; stuur mij vier guardia’s voor ’t ‘klooster,’ en waarschuw de menschen van de politieprauw.”

“Die is er niet! Ik ga hulp vragen aan de andere sekties!”

“Nee, want dan wordt het gemerkt, en dan voeren ze niet uit wat ze op touw gezet hebben. ’t Komt erop aan ze op heeterdaad te betrappen, en dat we ze laten opbiechten, ik bedoel dat u ze zal laten opbiechten. Ik als priester mag [462]me in zulke zaken niet mengen. Let op mijn woorden: hier valt voor u een ridderorde en promotie te halen; alleen vraag ik dat u laat uitkomen, dat ik u gewaarschuwd heb.”

“Dat doe ik vast, padre, en misschien wordt u bisschop!” antwoordde de alférez met een stralend gezicht, terwijl hij naar de mouwen van zijn uniformjas keek.

“Dus u stuurt me vier verkleede guardia’s, nietwaar? Opgepast! Vanavond om acht uur regent het luitenantssterretjes en ridderorden!”

Terwijl dit tooneeltje plaats had, liep er een man hard den weg over die naar Crisóstomo’s huis voerde, en besteeg haastig de trap.

“Is meneer thuis?” vroeg de stem van Elias aan den huisknecht.

Meneer is aan ’t werk in zijn studeerkamer.”

Om zijn ongeduld af te leiden bij ’t wachten op ’t oogenblik dat hij tot een verklaring kon komen met Maria Clara, was Ibarra in zijn laboratorium aan ’t werk gegaan.

“Wel, bent u dat, Elias?” riep hij uit. “Ik dacht net aan u. Gisteren had ik verzuimd u te vragen naar den naam van den Spanjaard, in wiens huis uw grootvader woonde.”

“’t Is nu niet over mij, meneer, dat...”

“Kijk ’s,” ging Ibarra voort, zonder de opgewondenheid te ontwaren, terwijl hij een stukje bamboe bij een vlam bracht: “Ik heb een groote ontdekking gedaan: deze bamboe is onbrandbaar.”

’t Is nu geen tijd om over die bamboe te spreken, meneer, wel, dat u binnen [463]een minuut uw papieren bijeenpakt en vlucht.”

Ibarra keek Elias verbaasd aan, en, ziende hoe ernstig zijn gelaat stond, viel het voorwerp dat hij in de hand hield op den grond.

“Verbrand alles wat u compromitteeren kan en zorg dat u binnen een uur op een veiliger plaats is.”

“En waarom?” vroeg hij ten slotte.

“Breng al de kostbaarste zaken die u bezit in veiligheid...”

“En waarom?”

“Verbrand alle papieren waarop iets door of voor u geschreven staat: ’t onschuldigste kan in uw nadeel gebruikt worden...”

“Maar waarom dan toch?”

“Waarom? Omdat ik daar juist een samenzwering heb ontdekt waarvan men u de schuld wil geven, om u in ’t ongeluk te storten.”

“Een samenzwering?... En wie zet die op touw?”

’t Is me niet mogelijk geweest, er achter te komen, wie de aanlegger is. Ik heb zooeven gesproken met een van de stumpers die ervoor betaald worden, en die ik niet tot andere gedachten heb kunnen brengen.”

“En heeft die man u niet verteld wie hem betaalt?”

“Jawel, en hij eischte van me dat ik ’t geheim zou bewaren, hij zei me dat u het was.”

“Groote God!” riep Ibarra verplet.

“Meneer, twijfel er toch niet aan, laten we geen tijd verliezen, want de samenzwering barst misschien vanavond nog uit!”

Ibarra, de oogen wijd opengespalkt, en [464]de handen aan ’t hoofd scheen hem niet te hooren.

“De slag is niet meer af te wenden,” ging Elias voort. “Ik ben te laat gekomen. Ik ken de raddraaiers niet... Red u, meneer, bewaar u zelf voor uw land!”

“Waar moet ik heen vluchten? Ik word van avond gewacht!” riep Ibarra aan Maria Clara denkend.

“Naar ’t een of ander dorp, naar Manila, naar ’t huis van de een of andere overheidspersoon, maar ergens anders, dan kan men niet zeggen dat u de beweging geleid heeft!

“En als ik zelf eens de samenzwering aan ’t licht bracht?”

“U zelf!” riep Elias uit, hem aanstarende, terwijl hij terugdeinsde. “U zou voor verrader en lafaard doorgaan in de oogen van de samenzweerders, en voor kleinzielig in de oogen van de anderen. Men zou zeggen dat u hun een strik gespannen had om zelf verdienstelijk te schijnen, men zou zeggen...

“Maar wat dan te doen?”

“Wat ik u al gezegd heb: alle papieren vernietigen die u heeft, en die betrekking hebben op uw persoon, vluchten en de gebeurtenissen afwachten.”

“En Maria Clara?” riep de jongeman. “Nee, liever sterven!”

Elias wrong zich de handen en zeide:

“Nu goed, vermijd dan ten minste de slag: bereid u voor tegen dat men u aanklaagt!”

Ibarra keek verbijsterd om zich heen.

“Help me dan. Daar in die portefeuilles heb ik de brieven van mijn familie. Zoek die van mijn vader uit, die kunnen me misschien compromitteeren. [465]Lees de onderteekeningen.”

En ontzet, verbijsterd, opende en sloot de jonge man laadjes, haalde papieren bij elkaar, las haastig brieven, verscheurde er enkele, behield andere, nam boeken uit de kasten, bladerde erin en anderszins. Elias deed hetzelfde, maar geregelder, schoon met gelijken ijver. Doch op eens hield bij op, zijn oogen staarden, hij draaide een papier dat hij in de hand had om en om, en vroeg toen met bevende stem:

“Heeft uw familie Don Pedro Eibarramendia gekend?”

“Wel, dat geloof ik!” antwoordde Ibarra een lade opentrekkende, en er een pak papieren uitnemende. ’t Was mijn overgrootvader!”

“Uw overgrootvader Don Pedro Eibarramendia?” vroeg Elias wederom, lijkbleek en met verwrongen gelaatstrekken.

“Ja”, antwoordde Ibarra afgetrokken, “we hebben den naam, omdat die wat lang was, verkort.”

“Was ’t een Baskiër?” hervatte Elias en trad op hem toe.

“Ja, een Baskiër, maar wat scheelt u?” vroeg de ander verbaasd.

Elias balde de vuist, drukte die tegen zijn voorhoofd, en keek Crisóstomo aan. Deze deinsde een schrede terug, toen hij de uitdrukking van zijn gelaat zag.

“Weet u wie die Don Pedro Eibarramendia was?” vroeg Elias met opeen geklemde tanden. “Don Pedro Eibarramendia was de ellendeling, die mijn grootvader belasterde, en al onze rampen bewerkte...Ik zocht naar zijn naam, God brengt me bij u... Geef me rekenschap van al ons lijden!”

Crisóstomo keek hem verplet aan [466]doch Elias schudde hem aan den arm, en zeide op bitteren toon, waarin haat loeide:

“Kijk me goed aan, kijk of ik geleden heb, en u leeft, u heeft lief, u heeft fortuin, een eigen huis, u wordt geacht en gezien, u leeft... u leeft!”

En buiten zichzelf liep hij toe op een kleine verzameling wapens, maar nauw had hij twee dolken eruit genomen, of hij liet ze vallen, en keek als verdwaasd Ibarra aan. Deze bleef roerloos staan.

“Wat ging ik daar doen?” stamelde hij. En hij vluchtte weg uit het huis.


1 Twee welbekende verzen van ’t Dies irae: “Al wat verborgen ligt zal geopenbaard worden, en niets zal ongestraft blijven.”

[Inhoud]

LIII.

De slag.

Ginds in de eetzaal, zitten Capitán Tiago, Linares en tante Isabel aan den avonddisch. In de ontvangkamer hoort men ’t leven van borden, lepels en vorken. Maria Clara heeft gezegd dat ze geen eetlust had, en is aan de piano gaan zitten, terwijl de vroolijke Sinang naast haar haar geheimzinnige woorden in ’t oor zegt, en Padre Salvi rusteloos op en neer wandelt van ’t eene eind van ’t vertrek naar ’t ander.

Niet dat de herstellende geen honger zou hebben, o neen; ’t is omdat ze de komst van iemand verwacht en gebruik gemaakt heeft van ’t oogenblik waarop haar Argus niet tegenwoordig kan wezen: ’t uur van ’t avondeten voor Linares.

“Je zult zien dat dat spook tot acht uur blijft,” fluistert Sinang, en wijst naar den pastoor. “Om acht uur moet hij komen. Die daar is even verliefd als Linares.”

Maria Clara keek verschrikt haar vriendin aan. Deze ging, zonder ’t te [467]merken, voort met haar schrikbarend gepraat:

“O, ik weet wel waarom hij niet heengaat, in weerwil van mijn bedekte wenken: hij wil geen licht branden in ’t klooster! Zeg, weet je dat sinds je ziek geworden bent, de twee lampen, die hij liet aansteken, weer uitgedaan zijn?...Maar kijk nu toch ’s wat ’n oogen hij opzet, en wat ’n gezicht hij zet!

Op dat oogenblik sloeg het op de huisklok acht uur. De pastoor huiverde, en zette zich in een hoek.

“Hij komt al!” zei Sinang, en kneep Maria Clara in den arm. “Hoor je ’t?”

De kerkklok luidde, en allen stonden op, om te bidden. Padre Salvi dreunde met zwakke en bevende stem het misoffer op, doch daar ieder zijn eigen gedachten had, lette niemand erop.

Toen het bidden nauw afgeloopen was, vertoonde zich Ibarra. De jongeman was in den rouw, niet alleen wat zijn kleeding aanging, maar ook zijn gelaat, zoozeer zelfs dat Maria Clara, toen ze hem zag, opstond en een stap naar hem toe deed, als om hem te vragen wat hem scheelde. Doch op ’t zelfde oogenblik liet zich geweervuur hooren. Ibarra stond stil, zijn oogen gingen rond, hij bleef in zijn woorden steken. De pastoor verborg zich achter een pilaar. Nieuwe schoten en salvo’s klonken aan den kant van ’t klooster, gevolgd door kreten en geloop. Capitán Tiago, tante Isabel en Linares kwamen binnenstormen en riepen: “Toelisan, toelisan!” Andeng volgde zwaaiend met het braadspit, en liep op haar zoogzuster toe.

Tante Isabel viel op haar knieën, schreide en bad het “kyrie eleison.” [468]Capitán Tiago droeg, bleek en bevend, een kippelever aan een vork, en bood die schreiend aan de Heilige Maagd van Antipolo. Linares stond met vollen mond en was gewapend met een lepel. Sinang en Maria Clara hielden elkaar omarmd. De eenige die roerloos, als versteend bleef staan, was Crisóstomo, wiens bleekheid onbeschrijflijk was.

De kreten en knallen hielden aan, de vensters werden met gedruisch gesloten. Men hoorde ’t geluid van fluiten, een schot van tijd tot tijd.

“Kyrie eleison! Santiago, de voorspelling komt uit...Sluit de vensters!” kreet tante Isabel.

“Vijftig groote donderpotten met twee genade-missen!” antwoordde Capitán Tiago. “Ora pro nobis!”

Allengs trad weer een vreeselijke stilte in... Men hoorde de stem van den alférez, die hard loopende schreeuwde:

“Meneer de pastoor! Padre Salvi! Komt u?”

“Miserere! De alférez wil bediend worden!” riep tante Isabel.

“Is de alférez gewond?” vroeg eindelijk Linares.

“O!”

En nu pas bemerkte hij dat hij nog niet ingeslikt had wat in zijn mond was.

“Meneer de pastoor, komt u hier! Er is niets meer te vrezen!” bleef de alférez schreeuwen.

Fray Salvi besloot eindelijk te gaan. Bleek kwam hij uit zijn schuilhoek, en ging de trap af.

“De toelisan’s hebben den alférez vermoord! Maria, Sinang, naar je kamer. Goed de deur versperren!”

“Kyrie eleison!” [469]

Ibarra begaf zich ook naar de trap, ten spijt van tante Isabel, die zeide:

“Ga niet uit, want je hebt niet gebiecht, ga niet uit!”

De goede oude was zeer bevriend geweest met zijn moeder.

Maar Ibarra verliet het huis: ’t was hem of alles om hem heen dwarrelde, of de grond onder zijn voeten week. Zijn ooren gonsden, zijn beenen bewogen zich zwaar en ongeregeld: bloedgolven, licht en duister volgden elkaar op in zijn netvlies.

Ofschoon de maan prachtig scheen, struikelde de jongeman over de steenen en balken, die op de eenzame, verlaten straat lagen.

Bij de kazerne zag Ibarra soldaten met de bajonet op ’t geweer, levendig met elkaar praten. Daardoor kon hij onopgemerkt voorbijgaan.

In ’t gemeentehuis hoorde men slagen, kreten, ai’s en verwenschingen. De stem van den alférez overstemde alles.

“In ’t blok! Handboeien aan! Twee schoten op wie zich beweegt! Sergeant, u moet de wacht betrekken! Er mag nu niemand op straat, al was ’t God zelf, niet! Capitán, er wordt niet geslapen!”

Ibarra verhaastte zijn schreden naar zijn huis. Zijn bedienden wachtten hem in ongerustheid.

“Zadel ’t beste paard, en dan kunnen jullie gaan slapen!” zeide hij hun.

Hij trad zijn studeerkamer binnen, en wilde in allerijl een koffertje klaarmaken. Hij opende een ijzeren kist, haalde al het geld er uit dat er in lag, en deed dat in een zak. Hij verzamelde zijn kleinoodiën, nam een portret van Maria Clara van den wand, en, na zich gewapend [470]te hebben met een dolk en twee revolvers, richtte hij zich naar een kast, waar hij ijzeren gereedschap had.

Op dat oogenblik klonken er drie doffe harde slagen op de deur.

“Wie is daar?” vroeg Ibarra op somberen toon.

“Maak open in naam des Konings, maak dadelijk open, of we smijten de deur in!” antwoordde een bevelende stem in ’t Spaansch.

Ibarra keek naar het venster. Zijn oogen flikkerden, en hij haalde de haan van zijn revolver over. Doch, zich bedenkend, liet hij de wapens liggen, en ging zelf opendoen, op ’t oogenblik dat de bedienden kwamen toeloopen.

Drie guardia’s grepen hem dadelijk aan.

“In naam des konings, geef u gevangen!” zeide de onderofficier.

“Waarom?”

“Dat zult u daar wel gezegd worden. ’t Is ons verboden het u te zeggen.”

De jongeman dacht een oogenblik na, en wellicht niet willende dat de soldaten zijn vlucht-toebereidselen zouden zien, greep hij een hoed en zeide:

“Ik ben tot uw beschikking! Ik veronderstel dat het voor enkele uren zal wezen.”

“Als u belooft niet te zullen ontsnappen, zullen we u ongebonden laten: de alférez staat u dezen gunst toe. Maar als u wegloopt...”

Ibarra volgde hen, zijn bedienden verbijsterd achterlatend.

Wat was er intusschen van Elias geworden?

Toen hij Crisóstomo’s huis verliet, liep hij als een bezetene zonder te weten [471]waarheen hij ging. Hij stak de velden over, en kwam aan ’t bosch in een heftige opwinding. Hij vluchtte weg van het dorp, hij vluchtte van het licht, de maan hinderde hem, hij begaf zich in de geheimzinnige schaduw der boomen. Daar, nu eens stilstaande, dan weer voortgaande langs onbekende paden, steunende tegen de eeuwenoude stammen, dringende in ’t kreupelhout, keek hij naar het dorp, dat daar aan zijn voeten zich baadde in maanlicht, uitgestrekt in de vlakte aan den oever der zee. De vogels, gestoord in hun slaap, vlogen op. Reusachtige vleermuizen, nachtuilen gingen met schrille kreten, van den eenen tak op den andere en keken hem met hun ronde oogen aan. Elias hoorde ze niet, lette er niet op. Hij waande zich vervolgd door zijn vertoornde voorouders; hij zag aan iederen tak de noodlottige mand met het bloedige hoofd van Balat, zooals zijn vader het hem verteld had; hij waande aan den voet van iederen boom tegen het lijk van zijn grootmoeder aan te stooten; het scheen hem toe in de duisternis het walgelijk geraamte van zijn eerloozen grootvader te zien bungelen...en het geraamte, het lijk der oude en het hoofd riepen hem na: “Lafaard, lafaard!”

Elias verliet den berg, vluchtte weg, en daalde af naar de zee, waar hij aan ’t strand opgewonden voortliep; doch daar in de verte, midden in ’t water, waar van het maanlicht een nevel scheen op te trekken, waande hij een schim te zien oprijzen en heen en weer bewegen: de schim van zijn zuster, de borst bebloed, en het haar dwarrelend in de lucht. [472]

Elias viel op zijn knieën op het zand.

“Jij ook!” mompelde hij, zijn armen uitstrekkend.

Maar, den blik strak op den nevel, stond hij langzaam op, stapte hij vooruit en ging in ’t water, alsof hij iemand volgde. Hij liep de glooiende helling af die de zandoever daar vormde. Reeds was hij ver van den kant, het water reikte hem tot aan het middel, en hij ging voort, steeds voort, als bekoord door een verlokkenden geest. Het water kwam hem reeds aan de borst...doch daar klonk het geweervuur, het visioen verdween, en de jongeman kwam tot de werkelijkheid terug. Dankzij den kalmen nacht en de grootere dichtheid der lucht drongen de knallen helder en duidelijk door. Hij stond stil, dacht na, bespeurde dat hij zich in ’t water bevond. Het meer was kalm, en hij onderscheidde zelfs de lichtjes in de visschershutten.

Hij keerde naar den oever terug, en richtte zich naar ’t dorp: Waartoe? Hij zelf wist het niet.

Het dorp scheen onbewoond; de huizen waren alle gesloten. Zelfs de dieren, de honden die ’s nachts plachten te blaffen, hadden zich angstig verborgen. Het zilverig maanlicht verhoogde de droefheid en eenzaamheid van ’t oord.

Vreezende de guardia civiles te zullen ontmoeten, nam hij zijn weg dwars door de boomgaarden en tuinen, in een waarvan hij twee menschelijke gedaanten meende te ontwaren. Doch hij vervolgde zijn weg, en springend over heiningen en muurtjes, kwam hij na veel moeite aan ’t andere einde van ’t dorp, waar hij zich naar Crisóstomo’s huis begaf. Aan de deur stonden de bedienden, bezig [473]de gevangenneming van hun heer te bespreken en te bejammeren.

Eenmaal op de hoogte van ’t geen er voorgevallen was, verwijderde Elias zich, liep om het huis heen, sprong over den ringmuur, klauterde naar binnen door een venster en drong in de studeerkamer, waar de kaars nog brandde die Ibarra er gelaten had.

Elias zag de papieren en de boeken; hij vond de wapens en de zakjes, die het geld en de kleinoodiën bevatten. Hij riep voor zijn verbeelding op wat daar had plaats gehad, en zooveel papieren ziende die den eigenaar konden compromitteeren, dacht hij eraan ze bijeen te rapen, ze ’t venster uit te werpen en te begraven.

Hij wierp een blik op den tuin, en bij ’t licht der maan zag hij twee guardia civiles, die met een helper kwamen: de bajonetten en de helmen glinsterden in de duisternis.

Toen vatte hij een besluit: hij stapelde kleeren en papieren midden in ’t vertrek op, goot daar een petroleum-lamp op leeg, en stak alles aan. Hij deed ijlings de wapens in zijn gordel, zag het portret van Maria Clara, weifelde even...dan stak hij ’t in een van de zakjes, en ’t een en ander meenemend, sprong hij het venster uit.

’t Was hoog tijd: de guardia civiles waren al bezig de deur in te slaan...

“Laat ons naar boven, om beslag te leggen op de papieren van je meneer!” zeide de politieman die erbij was.

“Heeft u er verlof toe? Anders komt u niet boven,” zeide een oude man.

De soldaten duwden ze met kolfslagen op zij, liepen de trap op...maar een [474]dikke rook vulde het heele huis, en reusachtige vuurtongen kwamen uit de voorzaal, likkend langs deuren en vensters.

“Brand! Brand!” riepen allen.

Een ieder ijlde toe, om te redden wat hij kon, maar ’t vuur had het kleine laboratorium reeds bereikt, en de brandbare stoffen ontploften. De guardias civiles moesten terug: de vuurgloed versperde hun den weg loeiend en alles wat hij tegenkwam wegvagend. Tevergeefs haalde men water uit de put. Allen schreeuwden, vroegen om hulp, maar niemand kwam. Het vuur bereikte de overige vertrekken en verhief zich ten hemel, dikke rookspiralen opstuwend. Reeds was het heele huis een prooi der vlammen, de gloeiend heete wind wakkerde ze aan. Van verre kwamen eenige landlieden aanloopen, doch ter plaatse aangekomen, konden ze slechts den schrikkelijken brandstapel zien, de ondergang van ’t oude, zoo lang door de elementen gespaarde gebouw.

[Inhoud]

LIV.

Wat men zegt en wat men gelooft.

God liet het eindelijk morgen worden voor ’t zwaarbezochte dorp.

De straat waarin de kazerne en het gemeentehuis stonden, bleef verlaten en eenzaam; de huizen gaven geen teeken van leven. Niettemin ging een houten vensterblind met geraas open, en vertoonde zich een kinderkopje, dat naar alle kanten heendraait, de hals rekt en in alle richtingen uitkijkt. “Klets!” klinkt het en de frissche menschelijke huid komt in gewelddadige aanraking met een stuk gelooide huid; de mond van ’t kind [475]vertrekt zich pijnlijk, zijn oogen sluiten zich, het kopje verdwijnt, en het venster gaat weer dicht.

Het voorbeeld is gegeven: dat open en dichtdoen is zeker gehoord, want een tweede venster gaat langzaam open, en er vertoont zich heel voorzichtigjes het hoofd van een oude vrouw, gerimpeld en tandeloos: ’t is zuster Poetê in eigen persoon, die zooveel opschudding maakte terwijl padre Dámaso aan ’t preeken was. Kinderen en oude vrouwen zijn nu eenmaal de vertegenwoordigers der nieuwsgierigheid op aarde: de eersten uit lust om te weten, de anderen uit lust om zich te herinneren.

Zeker is er niemand die het waagt haar een slag met een muiltje te geven, want ze blijft daar, kijkt met gefronste wenkbrauwen in de verte, spoelt zich den mond, spuwt met gedruisch, en slaat dan een kruis. Het huis aan den overkant opent ook schuchtertjes een raampje, en laat het hoofd van zuster Roefa door, dezelfde die niet wil bedriegen of zich laten bedriegen. Ze kijken elkaar een oogenblik aan, glimlachen, geven elkaar teekens en slaan weer een kruis.

“Heerejee! ’t Leek wel een genade-mis, met een mooi stuk vuurwerk!” zegt zuster Roefa.

“Sinds de plundering van ’t dorp door Balat heb ik nooit zoo’n nacht gezien!” antwoordt zuster Poetê.

“Wat is er geschoten! Ze zeggen dat het de bende van den ouden Pablo is.”

Toelisan’s? Dat kan niet! Ze zeggen dat het de burgerwacht is tegen de civiles. Daarom is Don Filipo gevangen genomen.” [476]

Sanctus Deus! Ze zeggen dat er minstens vijftig dooden gevallen zijn.”

Andere vensters gingen er open, en verscheidene tronies vertoonden zich, wisselden groeten en maakten commentaren op ’t gebeurde.

Bij ’t licht van den dag die beloofde prachtig te zullen worden, zag men flauw in de verte soldaten heen en weer gaan, als aschkleurige schimmen.

“Daar gaat weer een doode!” zeide een aan een venster.

“Een? Ik zie er twee.”

“En ik...maar zeg, ik wed dat u niet weet wat het geweest is?” vroeg een man met een snaaksch gezicht.

“Zeker wel! De burgerwacht.”

“Nee, meneer: een oproer in de kazerne!”

“Wat oproer? De pastoor tegen den alférez?”

“Niets daarvan, hoor,” zei degeen die de vraag gedaan had. “De Chineezen zijn opgestaan.”

En hij sloot zijn venster weer.

“De Chineezen!” herhaalden allen met de grootste verbazing.

“Daarom zie je er geen een!”

“Ze zullen allen dood zijn.”

“Ik dacht al bij mezelf dat ze iets kwaads in ’t schild voerden. Gisteren...”

“Ik heb ’t wel gezien. Gisterenavond...”

“Jammer!” zei zuster Roefa, “zoo allemaal dood te gaan voor Paschen, wanneer ze met hun geschenken komen.”

Hadden ze nog maar ’t nieuwe jaar afgewacht...”

De straat werd allengs drukker; eerst waren het de honden, de kippen, de varkens en de duiven die ’t verkeer beproefden. Op deze dieren volgden [477]eenige in lompen gekleede kinderen, die elkaar aan den arm vasthielden en schuchter naar de kazerne toe gingen. Dan eenige oude vrouwtjes, met de zakdoek op het hoofd en onder de kin vastgeknoopt, met een grooten rozenkrans in de hand, doende alsof ze baden, opdat de soldaten ze vrij voorbij zouden laten gaan. Toen men zag dat men rond kon loopen, zonder een schot te krijgen, begonnen de mannen voor den dag te komen, en deden heel onverschillig. In den beginne beperkten zich hun bewegingen tot een wandelingetje voor ’t huis, waar ze hun haan aanhaalden. Daarna probeerden zij ze uit te breiden, terwijl ze van tijd tot tijd stilstonden. En zoo kwamen ze tot voor het gemeentehuis.

Een kwartier later deden andere geruchten de ronde. Ibarra had met zijn bedienden Maria Clara willen wegvoeren, en Capitán Tiago had haar verdedigd, geholpen door de guardia civil.

Het aantal dooden was niet meer veertien, maar dertig. Capitán Tiago was gewond, en vertrok juist met zijn gezin naar Manila.

De komst van twee cuadrillero’s of burgerwachten, die een menschelijke gedaante op een baar droegen, en gevolgd werden door een guardia civil, bracht groote ontsteltenis te weeg. Men vernam dat ze van ’t “klooster” kwamen. Naar den vorm der voeten, die afhingen, ried een vrouw wie ’t wezen kon. Een eind verder zeide men dat hij ’t was. Nog iets verder vermenigvuldigde de doode zich, en geschiedde ’t mysterie der Heilige Drievuldigheid. Daarna herhaalde zich het wonder van de brooden en de visschen, en was het aantal dooden [478]reeds acht en dertig.

Om half acht, toen er nog meer guardia civiles aankwamen, afkomstig uit de naburige dorpen, was de lezing van ’t gebeurde reeds duidelijk en in bizonderheden uitgewerkt.

“Ik kom daar net van ’t gemeentehuis, waar ik Don Filipo en Don Crisóstomo gevangen heb gezien,” zeide een man tot zuster Poetê. “Ik heb met een van de cuadrillero’s gesproken, die daar de wacht hielden. Welnu, Bruno, de zoon van dien eene die doodgeranseld is, je weet wel, heeft gisterenavond alles verklaard. Zooals je weet wil Capitán Tiago zijn dochter laten trouwen met dien jongen Spanjaard. Nou, Don Crisóstomo was daar beleedigd door en wou zich wreken. Hij heeft toen getracht al de Spanjaarden te vermoorden, den pastoor inkluis. Gisterenavond hebben ze de kazerne en ’t klooster aangevallen. En gelukkig, door Gods barmhartigheid, was de pastoor juist bij Capitán Tiago in huis. Ze zeggen dat er een boel gevlucht zijn. De guardias civiles hebben Don Crisóstomo’s huis in brand gestoken, en als ze hem niet van te voren hadden gevangen genomen, zouden ze hem mee verbrand hebben.”

“Hebben ze zijn huis in brand gestoken?”

“Al de bedienden zijn gevangen genomen. Kijk ’s hoe je van hier de rook nog kunt zien!” zeide de verteller, op een venster toetredend. “De lui die daar vandaan komen, vertellen heel droevige dingen.”

Allen keken naar de aangewezen plaats: een lichte rookzuil steeg nog langzaam ten hemel. Allen maakten meer [479]of min medelijdende, meer of min beschuldigende commentaren.

“Arme jongen!” riep een oude man, Poetê’s echtgenoot.

“Jawel!” antwoordde zij, “maar, zie je, gisteren heeft hij ook geen mis voor de ziel van zijn vader laten lezen en die zal ’t zeker meer noodig hebben dan anderen.”

“Maar, vrouw, heb je dan geen medelijden?...”

“Medelijden met iemand die in den ban is? ’t Is een zonde medelijden te hebben met Gods vijanden, zeggen de pastoors. Herinner je je nog wel? Op ’t kerkhof liep hij als in een veekraal!”

“Maar ’t kerkhof lijkt immers op een veekraal,” antwoordde de oude man, “alleen dat in een veekraal maar één soort beesten binnengaan...”

“Komaan!” riep zuster Poetê hem toe, “nu ga je ook nog een verdedigen die God zoo duidelijk straft. Je zult zien, dat ze jou ook nog gevangen nemen. Steun jij maar iets dat aan ’t vallen is!”

De echtgenoot zweeg op dit argument.

“Best te begrijpen!” hervatte het oudje, nadat hij Padre Dámaso afgeranseld had, bleef hem alleen nog maar Padre Salvi te vermoorden.”

“Maar je kunt me niet tegenspreken, dat hij een goeie jongen was, toen hij klein was.”

“Jawel, ’t was een goeie jongen,” gaf het besje terug, “maar hij is naar Spanje gegaan. Iedereen die naar Spanje gaat, komt als ketter terug, hebben de pastoors gezegd.”

“Och och!” riep haar echtvriend, die de gelegenheid schoon zag om haar schaakmat te zetten. En de pastoor dan, en al [480]de pastoors, en de aartsbisschop, en de Paus, en de Heilige Maagd, komen die niet van Spanje? Awa! Zouden dat soms ook ketters zijn? Awa!

Gelukkig voor zuster Poetê stoorde de komst van een dienstmeisje, dat in groote opwinding en bleek kwam aanloopen, de woordenwisseling.

“Er hangt iemand in den tuin van mijn buurman!” zei ze hijgend.

“Hangt er iemand?” riepen ze allen vol ontzetting.

De vrouwen sloegen een kruis. Niemand kon zich van zijn plaats verroeren.

“Ja, meneer...” ging de dienstmaagd bevend voort. “Ik ging juist erwten plukken...ik kijk naar den moestuin van onzen buurman, om te zien of hij er was... en daar zie ik een man heen en weer bewegen. Ik dacht dat het Teo, de knecht, was, die me altijd...nou ja...Ik kom naderbij om...erwten te plukken, en ik zie dat hij ’t niet is, maar een ander... een doode; ik loop, ik loop en...”

“Laten we ’s naar hem gaan kijken,” zeide de oude man, en stond op. “Breng jij ons.”

“Ga niet!” schreeuwde zuster Poetê, en greep hem bij zijn kiel. “Je zult een ongeluk krijgen! Heeft hij zich opgehangen? Des te erger voor hem!”

“Laat me gaan, vrouw. Ga jij naar ’t raadhuis, Juan, om kennis te geven. Misschien is hij nog niet dood.”

En hij ging naar den moestuin, gevolgd door het dienstmeisje, dat zich achter hem verschool. De vrouwen, zuster Poetê inkluis, liepen vol vrees en nieuwsgierigheid daarachter aan.

“Daar is hij, meneer,” zei ’t dienstmeisje en stond stil, terwijl ze met den [481]vinger naar iets wees.

De stoet hield stil op eerbiedigen afstand, en liet den ouden man alleen verder gaan.

Een menschelijk lichaam, hangend aan den tak van een sentoel-boom, slingerde zacht heen en weer, bewogen door den morgenwind. De oude man keek er een poos naar. Hij zag de voeten en armen stijf, de kleeren bevlekt, het hoofd gebogen.

“We mogen hem niet aanraken, voor dat het gerecht erbij is,” zeide hij luide. “Hij is al stijf: hij is al een heelen tijd dood.”

De vrouwen kwamen langzamerhand naderbij.

“’t Is de man die in dat huisje woonde, dezelfde die twee weken geleden gekomen is. Kijk maar ’s naar dat litteeken op zijn gezicht.”

“Ave Maria!” riepen eenige vrouwen.

“Zullen we voor zijn ziel bidden?” vroeg een jongmeisje, zoodra ze ’t lijk voldoende had bekeken en opgenomen.

“Dwaas kind, kettersche meid!” berispte haar zuster Poetê. “Weet je niet wat Padre Dámaso gezegd heeft? ’t Is God verzoeken voor een verdoemde te bidden. Iemand die zelfmoord pleegt, is voor eeuwig verdoemd. Daarom wordt hij ook niet in gewijde aarde begraven.”

En ze voegde eraan toe:

“Ik had al gedacht dat het met dien vent slecht moest afloopen: ik heb nooit kunnen nagaan waar hij van leefde.”

“Ik heb hem twee keer met den hoofdkoster zien spreken,” merkte een jongmeisje op.

“Dat zal ook wel niet geweest zijn, om te gaan biechten of een mis te [482]bestellen!”

De buren kwamen toeloopen, en een talrijke kring vormde zich om het lijk, dat maar steeds bleef slingeren. Na een half uur kwam er een politie-agent, de commissaris en twee cuadrillero’s. Dezen maakten het los en legden het op een draagbaar.

“De lui hebben haast om dood te gaan,” zei de commissaris lachend, terwijl hij de pen die hij achter zijn oor droeg daarvandaan nam.

Hij deed zijn strikvragen, nam een verklaring af van de dienstbode, die hij trachtte vast te praten, haar nu eens met booze oogen aanziend, dan eens haar dreigend, dan weer haar woorden in den mond leggend die ze niet gezegd had, zoo zeer dat zij, vreezende naar de gevangenis te zullen gaan, begon te schreien, en verklaarde dat ze geen erwten zocht, maar dat ze...en ze haalde Teo als getuige aan.

Ondertusschen bekeek een landman met een groote salakot op en een groote pleister aan zijn hals het lijk en het touw.

Het gelaat was niet lijkkleuriger dan de rest van ’t lichaam; boven de plek waar ’t touw gebonden was, zag men twee schrammen en twee blauwe striempjes; de schrijning van ’t koord was wit en vertoonde geen bloed. De nieuwsgierige boer onderzocht het hemd en de broek goed, merkte dat ze vol stof en kort te voren op enkele plaatsen gescheurd waren; doch wat het meest zijn aandacht trok, dat waren de zaden van amores secos,1 die overal, tot aan de boord van het hemd aan hem vastgekleefd [483]zaten.

“Wat zie je aan hem?” vroeg de commissaris.

“Ik kijk of ik hem ook herkennen kan, meneer,” stamelde hij, zich half ’t hoofd ontblootend, dat wil zeggen de salakot meer naar beneden halend.

“Heb je niet gehoord dat het een zekeren Lucas is? Slaap je?”

Allen schoten in een lach. De boer bracht verlegen eenige woorden uit, en ging met gebogen hoofd langzaam heen.

“Hei, waar ga je naar toe?” riep de oude man hem toe. Daar kun je er niet uit: daar langs ga je naar het huis van den dooie!

“De man slaapt nog!” zeide de commissaris spottend. “We zullen wat water over hem moeten gooien.”

De omstanders lachten weer.

De boer verliet de plaats waar hij zulk een leelijke rol gespeeld had, en richtte zich naar de kerk. In de sakristie vroeg hij naar den hoofdkoster.

“Die slaapt nog!” antwoordde men hem barsch. “Weet u niet dat ze vannacht het klooster geplunderd hebben?”

“Ik zal wachten tot hij wakker wordt.”

De kosters keken hem aan met de grofheid van lieden die gewend zijn slecht behandeld te worden.

In een hoek, die donker bleef, sliep de eenoogige op een langen stoel. Zijn bril zat hem tegen ’t voorhoofd tusschen de lange haarlokken; de borst uitgemergeld en rachitisch, was bloot, en rees en daalde regelmatig.

De boer ging erbij zitten, bereid om geduldig te wachten, maar er ontglipte hem een muntstuk, en hij ging dit met een kaars zoeken, onder den stoel van [484]den hoofdkoster. Daarbij bespeurde hij ook zaden van amores secos aan de broek en de mouwen van ’t hemd des slapenden. Deze ontwaakte eindelijk, wreef zich zijn eene gezonde oog uit, en ontving den man met een snauw.

“Ik wou een mis bestellen, meneer!” antwoordde hij op een toon van verontschuldiging.

“Al de missen zijn al afgeloopen,” zeide daarop de eenoogige zijn toon wat verzachtend. “Als je er morgen een hebben wilt...Is het voor de zielen in ’t vagevuur?”

“Nee, meneer,” antwoordde de boer en gaf hem een peso.

En hem scherp aankijkend in ’t eene oog, liet hij volgen:

“’t Is voor iemand die spoedig zal sterven.” En hij verliet de sakristie.

“Ik had hem gisteren avond kunnen pakken!” zeide hij zuchtend, terwijl hij den pleister wegnam, en zich oprichtte, om het gelaat en de gestalte van Elias weer aan te nemen.


1 Desmodium canescens, een peulvrucht.

[Inhoud]

LV.

“Vae Victis!”

Eenige guardia civiles wandelen met onheilspellende gelaatsuitdrukking voor de poort van ’t gemeentehuis, dreigend met de kolven hunner geweren de straatkinderen, die op hun teenen gaan staan, of de een op den ander klimmen, om iets door de tralies te kunnen zien.

De groote zaal biedt niet meer het feestelijk aanzien van den dag waarop het feestprogram er afgehandeld werd. Ze is nu somber en weinig geruststellend. De guardia civiles en de soldaten van de burgerwacht, die er nu in zitten, [485]spreken te nauwernood met elkaar. Op de tafel zijn de commissaris, twee schrijvers en eenige soldaten bezig papieren vol te krabbelen. De alférez loopt heen en weer, en kijkt van tijd tot tijd met een woesten blik naar de deur. Geen Temistokles na den slag van Salamis zou zich bij de Olympische spelen fierder getoond hebben dan hij. Doña Consolación zit in een hoek te gapen, en vertoont daarbij een zwart bakhuis en een geaccidenteerd gebit. Haar blik vestigt zich koud en onheilspellend op de deur der gevangenis, waar allerlei onfatsoenlijke teekeningen op staan. Ze had van haar man die door de overwinning beminnelijk was geworden vergunning gekregen het verhoor en wellicht de daaruit voortvloeiende martelingen bij te wonen. De hyena rook lijken, ze likte haar muil, en het lange uitblijven der strafoefening verdroot haar.

De burgemeester is zeer onder den indruk: zijn leunstoel, de groote onder het portret van zijne Majesteit, is ledig, en schijnt voor een ander bestemd.

Bij negenen komt de pastoor bleek en met gefronste wenkbrauwen binnen.

“Nou, u heeft ook op u laten wachten!” zegt de alférez tot hem.

“Ik had er liever niet bij willen wezen,” antwoordt Padre Salvi zacht, zonder acht te slaan op den verwijtenden toon van den ander. “Ik ben erg zenuwachtig.”

“Omdat er niemand gekomen is, om zijn post niet te verlaten, dacht ik dat uw tegenwoordigheid...U weet zeker dat ze van middag eruit gaan.”

“De jonge Ibarra en de teniënte mayor...?” [486]

De alférez wees naar de gevangenis.

“Er zijn er acht in,” zeide hij. “Bruno is vannacht om twaalf uur gestorven, maar hij had zijn verklaring afgelegd.”

De pastoor wees naar Doña Consolación, die met een geeuw en een “aah” antwoordde, terwijl ze zich op den stoel onder ’t portret van den koning neerzette.

“We kunnen beginnen!” zei ze.

“Haal de twee die in ’t blok zitten!” beval de alférez met een stem, die hij zoo schrikwekkend mogelijk trachtte te maken, en zich tot den pastoor wendend, voegde hij er op anderen toon aan toe:

“Ze zitten met hun beenen twee gaten verder dan gewoonlijk!”

Voor hen die niet vertrouwd zijn met deze folteringen zij hier vermeld dat het “blok” een der onschuldigste is. De gaten waar de beenen der gevangenen in gaan, staan ongeveer een handbreedte van elkaar af. Als men nu twee gaten overspringt, komt de man die er zijn beenen in heeft, in een eenigszins gedwongen houding, met een eigenaardige hindernis aan zijn enkels, en een vaneen-spalking van zijn onderste ledematen van meer dan een el wijd: ’t is niet dadelijk doodelijk, zooals men zich zeer goed kan voorstellen.

De bewaarder gevolgd door vier soldaten schoof de grendels weg, en opende de deur. Een walgelijke lucht en een dikke vochtige walm ontsnapten uit de stikdonkere opening, en tegelijk hoorde men wat klagen en snikken. Een soldaat stak een lucifer aan, maar de vlam ging uit in de bedorven atmosfeer, en men moest wachten tot er luchtverversching intrad. [487]

Bij het flauwe schijnsel van een kaars zag men even eenige menschelijke gedaanten: mannen die hun knieën vasthielden en het hoofd ertusschen verscholen, voorover op den grond liggend, naar den wand toegekeerd en zoo meer. Men hoorde kloppen en knarsen, gepaard met gevloek: ’t blok werd losgemaakt.

Doña Consolación zat half naar voren gebogen, de nekspieren gespannen, met uitpuilende, op de halfgeopende deur strak gerichte, oogen.

Tusschen twee soldaten kwam een sombere gedaante te voorschijn, Tarsilo, de broer van Bruno. Aan de handen droeg hij boeien. Zijn verscheurde kleeren lieten goed ontwikkelde spieren ontwaren. Zijn oogen vestigden zich onbeschaamd op de vrouw van den alférez.

“Dit is de man die zich het moedigste verdedigd heeft en zijn kameraden heeft gezegd te vluchten,” zeide de alférez tot padre Salvi.

Daarna kwam een ander, die er stumperachtig uitzag, en jammerde en schreide als een kind: hij hinkte en had zijn broek vol bloed.

“Genade, meneer, genade! Ik zal niet meer op de binnenplaats komen!” schreeuwde hij.

“’t Is een rakker,” merkte de alférez op, met den pastoor sprekende. “Hij wou vluchten, maar ze hebben ’m in zijn dij geschoten. Dit zijn de eenigen die we levend te pakken hebben gekregen.”

“Hoe heet je?” vroeg de alférez aan Tarsilo.

“Tarsilo Alasigan.”

“Wat heeft Don Crisóstomo jullie beloofd, als jullie de kazerne aanvielen?” [488]

“Don Crisóstomo heeft nooit aanraking met ons gehad.”

“Ontken ’t niet! Waarom wilden jullie ons overvallen?

“U vergist u: u heeft onzen vader doodgeranseld, wij wilden hem wreken, anders niet. Zoek mijn twee kameraden maar.”

De alférez keek verbaasd naar den onderofficier.

“Ze zijn daarginds in een ravijn, daar hebben wij ze ingesmeten, daar liggen ze te rotten. Nu mag u mij dooden: u zal niets meer van me te hooren krijgen.”

Er was een oogenblik stilte.

“Je zult ons zeggen wie je andere medeplichtigen zijn,” riep de alférez, en zwaaide met een rotan.

Een verachtelijk lachje speelde om de lippen van den beklaagde.

De alférez overlegde eenige oogenblikken, zacht sprekend, met den pastoor. En zich daarna tot de soldaten wendend, gelastte hij:

“Breng den man waar de lijken zijn!”

In een hoek van de binnenplaats, op een ouden handwagen lagen vijf lijken opeengehoopt, half bedekt door een stuk-gescheurde mat, vol onreinheden. Een soldaat wandelde er op-en-neer, ieder oogenblik spuwend.

“Ken je ze?” vroeg de alférez, terwijl hij de mat oplichtte.

Tarsilo antwoordde niet; hij zag het lijk van den man der krankzinnige met twee anderen, dat van zijn broeder doorzeefd met bajonet-steken, en dat van Lucas, nog met het touw aan zijn hals. Zijn blik werd weer somber, en een zucht scheen uit zijn borst te ontsnappen.

“Ken je ze?” werd hem weer gevraagd.

Tarsilo bleef stom. [489]

Een zwiepend geluid doorsneed de lucht, en de rotan striemde over zijn rug. Hij rilde, zijn spieren trokken zich samen. De rotanslagen herhaalden zich, maar Tarsilo bleef onverstoord.

“Dan maar ranselen tot hij crepeert of spreekt!” kreet de alférez buiten zich zelve.

“Spreek dan toch!” zeide de commissaris, “in elk geval maken ze je dood.”

Weer werd hij naar de zaal gebracht waar de andere gevangene de heiligen aanriep, terwijl zijn tanden klapperden en zijn knieën knikten.

“Ken je dien man?” vroeg Padre Salvi.

“Ik zie hem voor ’t eerst!” antwoordde Tarsilo, met zeker medelijden naar den ander kijkend.

De alférez gaf hem een stomp en een trap.

“Maak hem aan de bank vast!”

Zonder hem de handboeien af te nemen, die vol bloed zaten, werd hij aan een houten bank vastgebonden.

De ongelukkige keek om zich heen, als zocht hij wat, en zag Doña Consolación. Hij lachte schamper. De omstanders waren verwonderd en volgden zijn blik. Ze zagen toen dat onze dame zich een beetje op haar lippen beet.

“Ik heb nooit zoo’n leelijke vrouw gezien!” riep Tarsilo te midden van de algemeene stilte. “Ik ga liever op een bank als deze slapen, dan naast haar, zooals de alférez.”

De muze verbleekte.

“U gaat me doodranselen, meneer de alférez,” ging hij voort, “vanavond zal uw vrouw me wreken door u te omhelzen.” [490]

“Doe een prop in zijn mond!” schreeuwde de alférez, bevend van woede.

’t Scheen wel alsof Tarsilo niets anders verlangde, want toen hij de prop in zijn mond had, glansden zijn oogen van voldoening.

Op een teeken van den alférez begon een guardia gewapend met een rotan, zijn droevige taak. Het lichaam van Tarsilo kromp ineen. Een gesmoord, lang-gerekt gebrul liet zich hooren, ondanks den doek, die hem in den mond zat. Hij boog het hoofd. Zijn kleeren kwamen vol bloed.

Padre Salvi stond met moeite op, bleek, met verdwaasden blik. Hij gaf een teeken met de hand, en verliet wankelend de zaal. Op straat zag hij een jongmeisje, dat met den rug tegen den muur geleund, daar stokstijf stond te luisteren, starend in de ruimte, de verstuipte handen tegen den ouden muur aangedrukt. De zon bescheen haar ten volle. Ze telde, ademloos naar ’t scheen, de doffe slagen en ’t hartverscheurend gekreun en gebrul. ’t Was Tarsilo’s zuster.

In de zaal werd intusschen het tooneel voortgezet: de ongelukkige, op van de pijn, zweeg en wachtte tot zijn beulen vermoeid zouden zijn. Eindelijk liet de soldaat hijgend zijn arm zakken, en de alférez, bleek van toorn en verbazing, gaf een teeken dat hij losgemaakt moest worden.

Doña Consolación stond toen op en fluisterde haar man iets in ’t oor. Deze knikte ten teeken van instemming.

“Naar de put met hem!” zeide hij.

De Filippijners weten wat dit beteekent. In het Tagaalsch vertalen ze ’t met timbaïn, van ’t werkwoord timba, [491]water putten. We weten niet wie dit foltermiddel heeft uitgevonden, maar we houden ’t voor vrij oud.

In ’t midden van ’t patio—de binnenplaats—van ’t gemeentehuis verhief zich de schilderachtige putrand, ruw van ongemetselde steenen opgebouwd. Een landelijk toestel van bamboe, in den vorm van een hefboom, diende om water te putten. Het vocht was slijmerig, vuil en kwalijk riekend. Potscherven, vuilnis en allerlei vloeibare stoffen vereenigden zich daar, want die put was als de gevangenis: daar kwam terecht al wat de maatschappij wegwerpt of voor onnut houdt; iets dat daar in valt, hoe goed het ook geweest is, is voor goed verloren. Toch raakte de put nooit verstopt. Soms werden de gevangenen veroordeeld om hem uit te diepen, niet omdat men dacht uit die straf eenig nut te trekken, maar om de moeilijkheden.

Tarsilo keek met strakken blik naar al de toebereidselen die de soldaten maakten. Hij was zeer bleek en zijn lippen beefden, of prevelden een gebed. De fierheid zijner wanhoop scheen verdwenen, of ten minste verzwakt. Verscheidene malen boog hij zijn opgerichte nek, en vestigde den blik op den grond, berustend in zijn lijden.

Men bracht hem naar den putrand. Doña Consolación volgde lachend. De rampzalige wierp een jaloerschen blik naar de hoop lijken, en een zucht ontweek aan zijn borst.

“Spreek nou!” zeide de commissaris weer tot hem, “je wordt in elk geval opgehangen. Sterf dan ten minste zonder zooveel geleden te hebben.”

“Als je daar uit komt, moet je dood,” [492]zeide een cuadrillero.

Men nam de prop uit zijn mond, en hing hem op aan de voeten. Hij moest met het hoofd naar beneden neergelaten worden, en eenigen tijd onder water blijven, op dezelfde wijze als men dat met den putemmer doet, alleen dat ze den man er langer in laten.

De alférez verwijderde zich om een horloge te halen, en de minuten af te tellen.

Onderwijl hing Tarsilo, zijn lang haar warrelend in de lucht. Hij hield de oogen half dicht.

“Als jullie christenen zijn, als jullie een hart hebben,” stamelde hij smekend, “laat me dan gauw zakken, of maak dat mijn hoofd tegen den muur aan slaat, en dat ik sterf. God zal je voor dat goede werk beloonen...misschien komen jullie nog eenmaal in ’t zelfde geval als ik!”

De alférez kwam terug, en had, met het uurwerk in de hand, het toezicht op de nederlating.

“Langzaam, langzaam!” schreeuwde Doña Consolación, de ongelukkige met den blik volgend. “Voorzichtig!”

De zwengel daalde langzaam. Tarsilo streek tegen de uitstekende steenen en de vieze planten aan, die in de reten groeiden. Dan hield de zwengel op te zakken. De alférez telde de sekonden.

“Op!” kommandeerde hij kort-af na verloop van een halve minuut.

Het zilverig welluidend gedruppel van water op water kondigde de terugkeer van ’t slachtoffer naar ’t licht aan. Ditmaal ging het sneller, daar het tegenwicht zwaarder woog. De steenbrokken en schilfers, die van de put werden afgescheurd, [493]vielen met gedruisch neer.

Voorhoofd en haar bedekt met walgelijke modder, het gelaat vol wonden en afschavingen, het lichaam druipnat, verscheen de man aan de oogen van de zwijgende menigte; de wind deed hem huiveren van koude.

“Wil je nu spreken?” vroeg men hem.

“Zorg voor mijn zuster!” stamelde de ongelukkige en keek smekend naar een cuadrillero.

De bamboe-zwengel knarste weer, en de veroordeelde verdween nogmaals. Doña Consolación merkte op dat het water rustig bleef. De alférez telde een minuut.

Toen Tarsilo weer bovenkwam, waren zijn trekken verwrongen en lijkbleek. Hij richtte een blik naar de omstanders, en hield de met bloed beloopen oogen open.

“Zul je nu spreken?” vroeg de alférez op ontmoedigden toon.

Tarsilo schudde ontkennend het hoofd, en weer werd hij neergelaten. Zijn oogleden sloten zich, zijn pupillen bleven naar de hemel kijken, waar witte wolken zweefden. Hij boog den hals, om het daglicht te blijven zien, doch weldra moest hij weer onder water, en viel weer ’t schandelijk scherm, dat het schouwspel der wereld aan zijn oogen onttrok.

Er ging een minuut voorbij. De Muze, die aandachtig toekeek, zag groote luchtbellen aan de oppervlakte van ’t water komen.

“Hij heeft dorst!” zei ze lachend.

En ’t werd weer rustig.

Dezen keer duurde het anderhalve [494]minuut, voor de alférez zijn teeken gaf.

Tarsilo’s trekken waren niet meer verwrongen. De half geopende oogleden lieten het wit van ’t oog zien. Uit den mond kwam modderig water met bloederige sliertjes. De koude wind blies, maar zijn lichaam huiverde niet meer.

Allen keken elkaar aan, zwijgend, bleek en verbijsterd. De alférez gaf een teeken om hem los te maken, en verwijderde zich in gedachten verdiept. Doña Consolación bracht verscheidene malen haar brandende sigaret tegen zijn bloote beenen aan, maar het lichaam huiverde niet en de sigaret ging uit.

“Hij heeft zichzelf laten stikken!” mompelde een cuadrillero. “Kijk ’s hoe zijn tong omgedraaid zit, alsof hij die heeft willen inslikken.”

De andere gevangene sloeg bevend en zwetend het tooneel gade: hij keek als een gek naar alle kanten.

De alférez zeide aan den commissaris dat hij hem ondervragen moest.

“Meneer, meneer!” kermde hij, “ik zal alles zeggen wat u maar wilt!”

“Goed! Laten we ’s hooren: hoe heet je?”

“Andong,1 meneer!”

“Hoe dan: Bernardo, Leonardo, Ricardo, Eduardo, Gerardo?”

“Andong, meneer!” herhaalde de onnoozele hals.

Zet u maar Bernardo of wat dan ook,” besliste de alférez.

“Familie-naam?”

De man keek hem ontzet aan. [495]

“Wat voor ‘van’ heb je, wat zeggen ze achter je naam Andong?”

“O, meneer! Andong Halve Gare, meneer!”

De omstanders konden hun lachen niet honden. Zelfs de alférez stond stil op zijn wandeling.

“Beroep?”

“Klapperpooter, meneer, en bediende bij mijn schoonmoeder.”

“Wie heeft je gelast de kazerne aan te vallen?”

“Niemand, meneer!”

“Hoe zoo niemand? Lieg niet, hoor, of je gaat ook in de put. Wie heeft je gelast? Zeg de waarheid!”

“De waarheid, meneer!”

“Wie?”

“Wie, meneer?”

“Ik vraag je wie je gelast heeft oproer te maken?”

“Welk oproer, meneer?”

“Ik bedoel omdat je gisterenavond op de binnenplaats van de kazerne was.”

“O meneer!” riep Andong blozend.

“Nu, wie heeft daar de schuld van?”

“Mijn schoonmoeder, meneer!”

Een luid gelach begroette deze woorden.

De alférez stond weer stil, en keek met niet strenge oogen naar den stakker. Deze dacht dat zijn woorden een goeden indruk gemaakt hadden, en ging aangemoedigd voort:

“Ja, meneer, mijn schoonmoeder geeft me niks anders te eten dan rotte oneetbare kost. Gisterenavond, toen ik zoo langs den weg liep, kreeg ik buikpijn. Ik zag dat de binnenplaats van de kazerne dichtbij was, en ik zei zoo bij mezelf: ’t Is avond, niemand ziet je. Ik ging naar binnen... en toen ik opstond, [496]hoorde ik overal schieten. Ik was juist bezig mijn broek op te halen...”

Een rotan slag sneed hem het woord af.

“Naar de gevangenis!” beval de alférez. “Vanmiddag naar de hoofdplaats!”


1 Gemeenzaam verkleinwoord van ettelijke namen op do zooals de Tagalen dat vormen.

[Inhoud]

LVI.

De gevloekte.

Weldra verbreidde zich in het dorp de tijding dat de gevangenen zouden vertrekken. In den beginne werd ze met schrik aangehoord, daarna kwamen het geschrei en het gejammer.

De families der gevangenen liepen als gekken: ze gingen van het klooster naar de kazerne, van de kazerne naar het gemeentehuis, en daar ze nergens troost vonden, vervulden ze de lucht met kreten en gekerm. De pastoor had zich opgesloten, omdat hij ziek was. De alférez had zijn wacht versterkt, en deze ontving de smekende vrouwen met de kolf van ’t geweer. De gobernadorcillo, ’t onnutte wezen, scheen zotter dan ooit. Tegenover de kazerne liepen van ’t eene uiteinde naar ’t andere de vrouwen die nog krachten hadden; de anderen gingen op den grond zitten, terwijl ze de namen hunner dierbaren uitspraken.

De zon brandde, en geen enkele dier ongelukkigen dacht eraan heen te gaan. Doray, de vroolijke gelukkige echtgenoote van Don Filipo, doolde ontroostbaar rond, in haar armen haar kindje dragend. Beiden schreiden.

“Ga maar heen,” zeiden ze haar, “uw kind zal koorts oploopen.”

“Waartoe zou ’t leven als ’t geen vader heeft om ’t op te voeden?” antwoordde [497]de diepbedroefde vrouw.

“Uw man is onschuldig. Hij komt misschien terug!”

“Jawel, wanneer wij al dood zijn!”

Capitana Finay schreide en riep haar zoon Antonio. De dappere Capitana Maria keek naar ’t kleine traliewerk, waar achter haar beide tweelingen, haar eenige kinderen waren.

Daar was ook de schoonmoeder van de klapperpooter. Zij schreide niet: ze wandelde heen-en-weer, gestikuleerde met opgestroopte mouwen, en sprak het publiek toe:

“Heb je ooit zoo iets gezien? Mijn Andong gevangen nemen, op hem schieten, hem in ’t blok doen en hem naar den hoofdplaats brengen, alleen omdat... omdat hij een nieuwe broek aanhad? Dat roept om wraak! De guardias civiles maken misbruik van hun gezag! Ik zweer dat, als ik er ooit weer een aantref die een afgelegen plekje in mijn tuin zoekt, zooals dikwijls gebeurd is, dan snij ik erin... dan snij ik erin, of anders mogen ze ’t mij doen!”

Doch weinig lieden stemden in met de muzelmansche schoonmoeder.

“Van dit alles heeft Don Crisóstomo de schuld,” zuchtte een vrouw.

De schoolmeester doolde eveneens onder de menigte rond. “Ñor” Juan wreef zich niet meer in de handen, hij had ook zijn schietlood en zijn meter niet bij zich: de man was in ’t zwart want hij had de kwade tijding gehoord, en trouw aan zijn gewoonte, om de toekomst als iets gebeurds te beschouwen, droeg hij rouw om den dood van Ibarra.

Om twee uur ’s middags hield een kar, door twee ossen getrokken, stil [498]voor het gemeentehuis.

De kar werd omringd door de menigte, die hem wilde uitspannen en vernielen.

“Dat moet je niet doen,” zei Capitana Maria, “wou je dat ze te voet gingen?”

Dit weerhield de menschen. Twintig soldaten traden naar buiten, en omringden het voertuig. Daarna verschenen de gevangenen.

De eerste was Don Filipo, die gebonden was. Hij groette glimlachend zijn vrouw. Doray barstte in bitter schreien uit, en het kostte twee guardias moeite, om te beletten dat ze haar man omhelsde. Antonio, de zoon van Capitán Finay, kwam schreiend als een kind voor den dag, hetwelk slechts de kreten van zijn familie deed toenemen. De onnoozele Andong barstte in schreien uit, toen hij zijn schoonmoeder, de oorzaak van zijn ongeluk, gewaar werd. Albino, de oud-seminarist, was ook aan de handen gebonden, evenals de beide tweelingen van Capitana Maria. Deze drie jongelieden waren ernstig en somber. De laatste die naar buiten kwam was Ibarra, los, maar tusschen twee guardias civiles in. De jongeman was bleek. Hij zocht een hem bevriend gezicht.

“Die is de schuld van alles!” riepen er verscheidene stemmen. “Die is ’t meest schuldig, en die loopt ongebonden!”

“Mijn schoonzoon heeft niets gedaan, en die heeft de handboeien aan!”

Ibarra wendde zich tot zijn bewakers:

“Bind me, maar doe ’t goed: elleboog tegen elleboog!” zeide hij.

“We hebben er geen order toe!”

“Bind me!”

De soldaten gehoorzaamden.

De alférez vertoonde zich te paard, [499]tot de tanden gewapend. Nog tien of vijftien soldaten volgden hem.

Iedere gevangene had daar zijn familieleden, die voor hem smeekten, van hem schreiden, en hem de liefste naampjes gaven. Alleen Ibarra had er niemand; zelfs “Ñor” Juan en de schoolmeester waren verdwenen.

“Wat hebben mijn man en mijn zoon u aangedaan?” zei Doray tot hem. “Kijk mijn arme zoon! U heeft hem zijn vader afgenomen!”

“Je bent een lafaard!” schreeuwde Andong’s schoonmoeder hem toe. “Terwijl de anderen voor je aan ’t vechten waren, hield jij je verscholen, lafaard!”

“Wees vervloekt!” zei een oude man tot hem, terwijl hij hem volgde, “vervloekt het goud dat je familie opgehoopt heeft, om onze rust te verstoren!”

“Laten ze je ophangen, ketter!” riep een verwante van Albino hem toe. En zich niet kunnende inhouden, raapte ze een steen op, en gooide dien naar hem.

Het voorbeeld werd snel gevolgd, en op den ongelukkigen jongeman regende het stof en steenen.

Ibarra verdroeg onverstoord, zonder woede, zonder een klacht, de rechtvaardige wraak van zooveel zwaarbezochte harten. Dat was het afscheid, het vaarwel dat hem toegeroepen werd door zijn dorp, waar al zijn liefde was. Hij boog het hoofd. Wellicht dacht hij aan een man die onder geeselslagen door Manila rondgeleid werd, aan een oude vrouw die dood neerviel op het gezicht van ’t hoofd van haar zoon. Wellicht kwam Elias’ geschiedenis hem voor den geest.

De alférez vond het noodig de menigte [500]te doen verwijderen, maar de steenworpen en scheldwoorden hielden aan. Een moeder alleen wreekte haar smart niet aan hem: ’t was Capitana Maria. Roerloos, met op elkaar geklemde lippen, de oogen vol stille tranen zag ze haar twee zoons weggaan. Ze stond daar onbewegelijker, en haar smart was grooter dan die der Niobe uit de fabel.

De stoet verwijderde zich.

Ibarra zag de rookende puinhoopen van zijn huis, van ’t huis zijner ouders, waar hij geboren was, waar de liefste herinneringen zijner kindsheid en zijner jongelingsjaren leefden. Tranen, lang weerhouden, welden thans uit zijn oogen; hij boog het hoofd en weende, zonder de troost te hebben van zijn schreien te kunnen verbergen, zoo gebonden als hij daar was, noch de hoop dat het bij iemand deernis zou wekken. Nu had hij geen vaderland, geen huis, geen liefde, geen vrienden, geen toekomst meer!

Van een hoogte sloeg een man den akeligen stoet gade. ’t Was een oud man, bleek, mager, gewikkeld in een wollen deken, met moeite leunend op een stok. ’t Was de oude filosoof Tasio, die op het bericht van ’t gebeurde niet langer in bed wilde blijven maar erheen wilde snellen. Doch zijn krachten hadden het hem niet veroorloofd. De grijsaard volgde de kar met den blik, totdat hij in de verte uit het gezicht verdween. Hij bleef een poos in gedachten verzonken, en met gebogen hoofd staan. Daarna richtte hij zich op, en ging, met groote moeite en iedere keer stilstaande, den weg naar zijn huis op.

Den volgenden dag vonden de herders [501]hem dood liggen op den drempel van zijn eenzaam verblijf.

[Inhoud]

LVII.

Vaderland en belangen.

De telegraaf bracht onder ambtsgeheim het bericht van ’t gebeurde naar Manila over, en zes en dertig uur later spraken met veel geheimzinnigheid en niet weinig bedreigingen de bladen er over; echter, was er bijgevoegd, was ’t een en ander verbeterd en besnoeid door den fiskaal. Ondertusschen waren het partikuliere berichten, uitgaande van de “kloosters,” die het eerst van mond tot mond gingen, doch in stilte en tot groote ontzetting van hen die ze vernamen. Het feit, in duizend lezingen verminkt, werd met meer of minder gemak geloofd al naar mate het de hartstochten en de denkwijze van een ieder streelde of kwetste.

Zonder dat de openbare rust gestoord scheen, althans in schijn werd de vrede der haardsteden hersteld, als in een vijver: terwijl de oppervlakte zich glad en effen vertoont, krioelen, glijden en vervolgen elkaar de stomme visschen. Ridderkruisen, ordeteekens, galons, baantjes, prestige, macht, aanzien, waardigheden enz. begonnen rond te dwarrelen als vlinders in een atmosfeer van gouden muntstukken, voor de oogen van een deel der bevolking. Voor het andere, verhieven zich aan de kim, afstekend tegen den aschkleurigen ondergrond, als zwarte silhouetten, tralies, ketens en zelfs het noodlottige galgen-hout. ’t Was of men in de lucht de verhooren, de vonnissen, de kreten, ontwrongen door de foltertuigen, kon waarnemen. De Mariannen-eilanden [502]en Bagoembajan vertoonden zich gehuld in een bloedig-lompige sluier: men verwarde visschers en visschen. Het lot liet de gebeurtenis aan de verbeelding der Manilenen zien als zekere Chineesche waaiers: een kant zwart, en de andere kant vol verguldsel, levendige kleuren, vogels en bloemen.

In de “kloosters” heerschte de grootste opwinding. Men spande rijtuigen in; de “provincialen” bezochten elkaar, hielden geheime samenkomsten. Ze vervoegden zich in de paleizen om hun steun aan te bieden aan het “bestuur dat in zeer ernstig gevaar verkeerde.”

Men sprak weer over komeeten, maakte toespelingen, gaf speldeprikken enz.

“Een Te Deum, een Te Deum!” zeide een monnik in een klooster. “Dezen keer moet er niets in ’t koor ontbreken! ’t Is geen geringe goedheid van God, dat Hij nu doet zien, juist in zulke verdorven tijden, hoeveel wij waard zijn!”

“Na dit lesje zal generaaltje Mal Agüero1 zich op zijn lippen bijten,” antwoordde een ander.

“Wat zou er van hem geworden zijn zonder de corporaties?”

“En om het feest beter te vieren, moet aan den broederkok en den rentmeester gezegd worden... gaudeamus drie dagen lang!”

“Amen! Amen! Leve Salvi! Leve!”

In een ander klooster was het weer anders.

“Zie je wel. Dat is nu een leerling van de Jezuïeten: van ’t Ateneo gaan de opstandelingen uit!” zeide daar [503]een fraile.

“En godloochenaars.”

“Ik heb ’t wel gezegd: de Jezuïeten storten ’t land in ’t ongeluk, bederven de jeugd; maar men duldt ze, omdat ze wat krabbels op een papier zetten, wanneer er aardbeving is...”

“En God weet hoe ze wezen zullen!”

“Jawel, spreek ze maar ’s tegen! Als alles beeft en zich beweegt, wie schrijft er dan hanepoten? Onzin, Padre Secchi...

En ze lachen met souvereine minachting.

“Maar de stormen dan, en de tyfon’s?” vroeg een ander met bijtende ironie. “Is dat niet goddelijk?”

“De eerste de beste visscher kan ze voorspellen!”

“Als de man aan ’t bewind een stommeling is... zeg me hoe ’t met je hoofd staat, en ik zal je zeggen wie je vader is! Maar u zult ’s zien, als de vrienden elkaar vooruithelpen: de bladen vragen bijna om een bisschopsmijter voor Padre Salvi.”

“En hij krijgt ’m! En lekker ook!”

“Denk je dat?”

“Dacht je van niet? Ze geven die tegenwoordig voor allerlei dingen. Ik weet van een die hem wel voor minder gekregen heeft: hij schreef een prullig boekje, waarin hij aantoonde dat de inlanders alleen maar geschikt waren voor handwerkslieden...bah, ouwe zeurpraatjes!”

“Dat is zo! Al die onrechtvaardigheden doen kwaad aan den godsdienst!” riep een ander uit. “Als de mijters oogen hadden, en ’s konden zien op wat voor schedels of ze...”

“Als de mijters natuurvoorwerpen [504]waren,” voegde een ander er met neusgeluid bij.Natura abhorret vacuum.2

“Daarom juist krijgen zij ze te pakken: het leege trekt ze aan!” antwoordde nog een ander.

Dit een en ander en meer zoo werd in de “convento’s” gezegd.


In zijn weelderig ruim salon zit Capitán Tinong—dezelfde gastvrije man die indertijd met zooveel aandrang Ibarra tot een bezoek aan zijn huis uitnoodigde—in een grooten leuningstoel. Hij streek mismoedig de handen over het voorhoofd en den nek, terwijl zijn eega, Capitana Tintjang, zat te schreien en een boetpredicatie tegen hem hield in ’t bijzijn van zijn twee dochters, die in een hoek stom, verbijsterd en ontroerd toeluisterden.

“Ach, Heilige Maagd van Antipolo!” riep de vrouw.

“Ach, Heilige Maagd van den Rozenkrans en van de Riem!

Och och! Onze lieve Vrouw van Novaliches!”

“Nanay!” antwoordde ’t jongste der meisjes.

“Ik heb ’t je wel gezegd!” ging de vrouw verwijtend voort. “Ik heb ’t je wel gezegd. Och, Heilige Maagd del Carmen, och, och!”

“Maar je hebt me immers niets gezegd!” waagde Capitán Tinong op huilerigen toon te antwoorden. “Integendeel, je hebt me juist gezegd dat ik er goed aan deed bij Capitán Tiago aan huis [505]te komen, en zijn vriendschap aan te houden, omdat...omdat hij rijk was...en je zei me...”

“Wat? Wat heb ik je gezegd? Dat heb ik je niet gezegd, ik heb je niets daarvan gezegd! Och, als je toch naar me geluisterd had!”

“Nu gooi je de schuld op mij!” hervatte hij op bitteren toon, terwijl hij met de hand op de armleuning van zijn stoel sloeg. “Heb je dan niet gezegd dat ik goed gedaan had met hem uit te noodigen, om bij ons te komen eten, omdat hij rijk was...? Jij zei zelf dat we alleen maar kennissen en vrienden onder de rijken moesten hebben. Awa!

“’t Is waar, dat heb ik je gezegd... omdat er niets anders op zat: jij prees hem maar altijd: Don Crisóstomo voor, Don Crisóstomo na, awa! Maar ik heb je niet aangeraden dat je hem zou ontmoeten en met hem praten op die bijeenkomst. Dat kun je me niet tegenspreken.”

“Wist ik soms dat hij daarheen zou gaan?”

“Je hadt het moeten weten!”

“Hoe kon dat, als ik hem niet eens kende?”

“Nou, dan had je hem moeten kennen!”

“Maar, Tintjang, ’t was immers den eersten keer dat ik hem zag, dat ik van hem hoorde spreken!”

“Dan had je ’m maar eerder moeten gezien hebben, of van hem gehoord hebben! Daarvoor ben je een man, daarvoor draag je een broek en lees je het Diario de Manila!” antwoordde de gade onverschrokken, en wierp hem een vreeselijken blik toe. [506]

Capitán Tinong wist niet wat hij zou antwoorden.

Capitana Tintjang, niet tevreden met deze overwinning, wilde hem geheel vernietigen, en met gebalde vuisten op hem toetredend, voer ze tegen hem uit:

“Heb ik daarvoor jaar in jaar uit gezwoegd en gesloofd en gespaard, dat jij met stommiteiten de vrucht van mijn inspanning zult wegsmijten? Nu zullen ze komen, om je te verbannen, ze zullen ons goed afnemen, zooals ook overkomen is aan de vrouw van...O, als ik een man was!”

En ziende dat haar man ’t hoofd boog, begon ze weer te snikken, maar herhaalde onderwijl steeds:

“O, als ik toch een man was, als ik een man was!”

“En als jij nu ’s man was,” vroeg tenslotte de echtgenoot gepikeerd, “wat zou je dan doen?”

“Wat? Wel...wel...ik ging nog vandaag me bij den gouverneur aanmelden, om mijn diensten aan te bieden, om te vechten tegen de opstandelingen. Nu onmiddellijk!”

“Maar heb je dan niet gelezen wat ’t Dagblad zegt? Lees! “Het snoode verraad is met voortvarendheid, kracht en vastberadenheid onderdrukt, en weldra zullen de rebellen, de vijanden van ’t vaderland, en hun medeplichtigen al het gewicht en de gestrengheid der wetten voelen”... Zie je? Er is geen oproer meer.”

“Dat doet er niet toe, je moet je toch aanmelden, net zooals ze ’t in ’72 gedaan hebben, en die zijn toen vrijgekomen.”

“Jawel! Iemand die ’t ook gedaan heeft, padre Burg...” Doch hij kon den [507]naam niet geheel uitspreken, want zijn vrouw liep op hem toe, en hield hem den mond dicht.

“Komaan, nou nog mooier! Spreek dien naam uit, dan hangen ze je morgen in Bagoembajan op! Weet je dan niet, dat het genoeg is hem uit te spreken om zonder vorm van proces te worden veroordeeld? Wel zeker, ga je gang maar!”

De Capitán had, al had hij haar nog zoo gaarne willen gehoorzamen, ’t niet gekund: met beide handen hield zijn vrouw zijn mond dicht, terwijl ze zijn klein hoofd tegen de leuning van den stoel drukte. En wellicht zou de arme man gestikt zijn, als niet een nieuw personage tusschenbeide gekomen was.

Dit was neef Don Primitivo, die den theoloog Amat uit zijn hoofd kende, een man van zoowat veertig jaar, keurig net gekleed, met een buikje en eenigszins gezet.

Quid video?” riep hij bij ’t binnenkomen uit. “Wat is er? Quare?3

“Och neef!” zei de vrouw en liep schreiend op hem toe, “ik heb je laten roepen, omdat ik niet weet wat er van ons vrouwen worden zal...wat raad je ons? Spreek, jij die Latijn geleerd hebt, en kunt redeneeren...”

“Maar eerst quid quaeritis? Nihil est in intellectu quod prius non fuerit in sensu; nihil volitum quin praecognitum.4

En hij ging heel bedaard zitten. Als hadden de latijnsche zinnen een stillende [508]kracht bezeten, hielden beide echtelieden op met schreien en gingen naar hem toe, wachtende van zijn lippen den raad, gelijk indertijd de Grieken het reddend orakel verbeidden, dat hen zou verlossen van de invallende Perzen.

“Waarom schreien jullie? Ubinam gentium sumus?5

“Je weet ’t bericht van ’t oproer...”

Alzamentum Ibarrae ab alferesio Guardia civilis destructum?6 Et nunc? Wat zou dat nog? Is Don Crisóstomo je wat schuldig?”

“Nee, maar, weet je, Tinong heeft hem ten eten gevraagd, hij heeft hem gegroet op de Puente de España op klaarlichten dag! Ze zullen zeggen dat hij een vriend van hem is!”

“Een vriend?” riep de latinist verwonderd uit. Amice, amicus Plato, sed magis amica veritas!7 Zeg mij met wie je omgaat, en ik zal je zeggen wie je bent! Malum est negotium et est timendum rerum istarum horrendissimum resultatum!8

Capitán Tinong werd schrikkelijk bleek, toen hij zooveel woorden op um hoorde: deze klank was hem onheilspellend. Zijn vrouw sloeg de handen smeekend ineen en zeide:

“Neef, spreek nu geen latijn tegen ons; je weet wel dat we geen filosofen zijn zooals jij. Spreek Tagaalsch of Spaansch tegen ons, maar geef ons een raad.” [509]

“Jammer dat jullie geen latijn verstaan, nicht: de latijnsche waarheden zijn leugens in ’t Tagaalsch. Bijvoorbeeld Contra principia negantem fustibus est arguendum.9 In ’t latijn is het een waarheid als een koe. Ik heb ’t eens in ’t Tagaalsch toegepast, en toen kreeg ik op mijn kop. Daarom is ’t erg jammer dat jullie geen latijn kennen, in ’t latijn zou alles geschikt kunnen worden.”

“Wij kennen ook veel oremus, parce nobis en Agnus Dei catolis (voor qui tollis...). Maar nu zouden we elkaar niet verstaan. Geef Tinong nu ’s een argument aan de hand, dat ze hem niet ophangen!”

“Je hebt er verkeerd aan gedaan, heel verkeerd, neef, met vriendschap aan te gaan met dat jongemensch!” antwoordde onze latinist. “De rechtvaardigen betalen voor de zondaren. Ik zou je bijna aanraden je testament te maken... Vae illis! Ubi est fumus est ignis! Simili gaudet atqui Ibarra ahorcatur, ergo ahorcaberis.10

En misnoegd schudde hij het hoofd.

“Saturnino, wat scheelt je?!” kreet Capitana Tintjang vol ontzetting. “Och lieve God! Hij is dood!

Een dokter! Tinong, Tinongoy!”

De beide dochters kwamen toegeschoten en alle drie begonnen te jammeren.

“Is maar een flauwte, nicht, een flauwte! Ik zou me meer verheugd hebben, [510]als...als het...maar ongelukkigerwijze is het niets dan een flauwte. Non timeo mortem in catre sed super espaldonem Bagumbayanis.11 Breng water!”

“Ga nu niet dood!” riep de vrouw schreiend. “Ga nu niet dood, want ze komen je gevangennemen! Och, och, als je doodgaat, en de soldaten komen! Och, och!”

De neef besprenkelde zijn gezicht met water, en de ongelukkige kwam bij.

“Kom, niet huilen! Inveni remedium, ik heb ’t middel gevonden. Laten we hem naar zijn bed brengen. Kom moed gevat! Want ik ben hier bij jullie met al de wijsheid der Ouden...Laat een dokter halen. En nu dadelijk, nicht, ga je naar den gouverneur, en je brengt hem een cadeau, een gouden ketting, een ring..Dadivae quebrantant penas.12 Je zegt dat het een paaschgeschenkje is. Sluit de vensters en deuren, en laat aan iedereen die naar mijn neef vraagt zeggen dat hij ernstig ziek is. Onderwijl verbrand ik alle brieven, papieren en boeken, dan kunnen ze niets vinden. Zoo heeft Don Crisóstomo ook gedaan. Script testes sunt! Quod medicamenta non sanat, ignis sanat.13

“Ja, heel goed neef. Verbrand alles maar!” zeide Capitana Tintjang. “Hier heb je de sleutels, hier de brieven [511]van Capitán Tiago: verbrand ze! Laat er geen enkele Europeesche krant overblijven: die zijn erg gevaarlijk. Hier heb je de Times, die ik bewaard had om zeep en kleeren in te pakken. Hier zijn de boeken.”

“Ga naar den capitan general, nicht”, zeide Don Primitivo, “laat me alleen. In extremis extrema.14 Geef me de macht van een romeinschen dictator, en je zult ’s zien, hoe ik de heele sante..., ik bedoel den neef red.”

En hij begon orders en nog ’s orders te geven, muurplanken door te rommelen, papieren, boeken, brieven enz. te verscheuren. Weldra brandde er een heele stapel in de keuken. Oude donderbussen werden met een bijl slukgeslagen; roestige revolvers in de plee gesmeten. De meid, die den loop van een voorblazer wilde bewaren, kreeg een uitbrander.

Conservare etiam sperasti perfida?15 In ’t vuur! En hij zette zijn “auto de fe” voort.

Hij zag een oud boekdeel in perkament, en las den titel:

“Omwentelingen der hemellichamen door Copernicus.” Foei! Ite, maledicti, in ignem kalanis,”16 riep hij, en wierp het in ’t vuur. Omwentelingen en Copernicus! Misdaad op misdaad! Als ik niet op tijd gekomen was. ‘De vrijheid der Filippijnen.’ Kijk er ’s aan! Wat ’n boeken! In ’t vuur ermee!” [512]

En er werden onschuldige boeken verbrand, geschreven door onnoozele schrijvers. Zelfs ’t lieve “Capitein Jan” kon niet ontkomen. Neef Primitivo had gelijk: de goeden moeten voor de kwaden lijden.

Vier of vijf uur later vertelde men op een voornaam avondpartijtje in Intramuros de gebeurtenissen van den dag. ’t Waren veel oude vrouwen en trouwlustige oude vrijsters, vrouwen of dochters van ambtenaren, gekleed in ochtendjaponnen, zich bewaaierend en geeuwend. Onder de mannen, die evenzeer als de vrouwen in hun trekken hun opvoeding en hun afkomst verrieden, bevond zich een heer op leeftijd, klein en met één arm, die door allen met veel onderscheiding behandeld werd, en die tegenover de anderen een minachtend zwijgen bewaarde.

“’t Is waar, dat ik vroeger de frailes en guardias civiles niet uit kon staan, omdat ze zoo onopgevoed zijn,” zeide een dikke dame. “Maar nu ik hun nut en hun diensten gezien heb, zou ik bijna met genoegen met een hunner trouwen. Ik ben vaderlandslievend.”

“Ik zeg ’t zelfde!” liet een magere volgen. “Hoe jammer dat we den vorigen gouverneur niet hebben: die zou ’t land schoongeveegd hebben als een miskelk-schoteltje!”

“En dan zou ’t uit wezen met dat filibustero-gespuis!”

“Zeggen ze niet dat er nog veel eilanden onbevolkt zijn? Waarom zenden ze daar niet al die halve gare inlanders heen? Als ik capitan general was...”

“Dames,” zeide de éénarmige: “de capitan general kent zijn plicht. Naar [513]ik gehoord heb, is hij zeer ontstemd; want bij had dien Ibarra met gunsten overladen.”

“Met gunsten overladen!” herhaalde de magere, zich woest waaierend. “Kijk nu toch ereis aan hoe ondankbaar die inlanders zijn! Kan je ze dan nog wel als menschen behandelen? Jezus!”

“En weet u wat ik gehoord heb?” vroeg de éénarmige.

“Komaan! Wat is ’t? Wat zegt men?”

“Vertrouwenswaardige personen,” zeide de éénarmige te midden van de grootste stilte, “verzekeren dat al dat lawaai om een school op te richten een puur verzinsel was.”

“Jezus! Hebt u ’t gehoord?” riepen de vrouwen, reeds geloovend dat het een verzinsel was.

“De school was een voorwendsel: wat hij wou oprichten, was een fort, waaruit hij zich goed zou kunnen verdedigen, als wij hem aanvielen...”

“Jezus! Wat ’n schandaal! Alleen een inlander is in staat zulke laffe gedachten te hebben,” riep de vette uit. “Als ik de capitan general was, dan zouden ze ’s wat zien...dan zouden ze wat zien...”

“Dat zeg ik ook!” riep de magere uit, zich tot den éénarmige wendend. “Ik zou ieder advocaatje, geleerdetje of koopman gevangen laten nemen, en zonder vorm van proces, zou ik ze verbannen of achter slot en grendel stoppen.

’t Kwaad met de wortel uitroeien!

“Ze zeggen nog wel dat die filibustero van Spaansche afkomst is!” merkte de éénarmige op, zonder iemand aan te kijken.

“O, jawel!” riep de dikke onverschrokken [514]uit, “’t moeten toch altijd die sinjo’s wezen! Geen enkele inlander heeft begrip van een omwenteling! Voed maar raven op, voed raven op!...”

“Weet u wat ik heb hooren zeggen?” vroeg een nonna, die op die wijze het gesprek afbrak. “De vrouw van Capitán Tinong...weet u wel? Dezelfde bij wie in huis we gedanst en gesoupeerd hebben op ’t feest in Tondo...”

“Die met haar twee dochters? Nu, wat dan?”

“Wel, die heeft juist van middag den capitan general een ring van duizend peso’s waarde cadeau gegeven!”

De éénarmige keerde zich om.

“Werkelijk? En waarom dat?” vroeg hij met schitterende oogen.

“Het mensch zei: als Paaschgeschenk...”

“’t Is pas over een maand Paschen!”

“Ze zal bang wezen dat ze de bui op haar kop krijgt...” merkte de vette op.

“En ze schuilt voor den tijd,” voegde de dunne erbij.

“Wie zich verontschuldigt, beschuldigt zich!”

“Dat dacht ik ook juist: u heeft de vinger op de wond gelegd.”

“Je moet zoo iets goed nagaan,” bracht peinzend de eenarmige in ’t midden. “Ik voor mij vrees, dat er iets achter zit.”

“Er zit iets achter, ja ja! Dat wou ik juist ook zeggen,” herhaalde de magere.

“En ik,” zeide een ander, haar ’t woord afgrissend, “de vrouw van Capitán Tinong is erg gierig... ze heeft ons nog geen enkel cadeau gezonden, en dat terwijl we bij haar gelogeerd hebben. [515]

Dus als zoo’n schriel inhalig mensch een cadeautje van duizend peso’s afschuift...”

“Maar is dat heusch waar?” vroeg de éénarmige.

“En of! Zoo waar als iets, hoor! De aanstaande van mijn nichtje, die adjudant is bij Zijne Excellentie, heeft het haar zelf gezegd. Ik maak me sterk dat het dezelfde ring is die de oudste van de meisjes aan had op het feest. Ze zit altijd vol briljanten!”

“Een loopende uitstalkast!”

“Och, een manier om reklame te maken als ieder andere! In plaats van een modeplaat te koopen of een winkel te betalen hoef je nou maar...”

De éénarmige verliet onder een voorwendsel het gezelschap.

En twee uur later, toen allen sliepen, kregen verscheidene burgers van Tondo een uitnoodiging door tusschenkomst van soldaten...Het Gezag mocht niet toestaan dat zekere personen van positie en fortuin in huizen sliepen die zoo slecht bewaakt en zoo weinig frisch waren: in ’t Fort Santiago en andere gouvernementsgebouwen zou de slaap rustiger en versterkender wezen. Onder deze begunstigde personen bevond zich de ongelukkige Capitán Tinong.


1 “Slecht voorteeken” bijnaam van generaal Jovellar, toenmalig gouverneur-generaal.

2 “De natuur heeft een afschuw van ’t ledige.”

3 Wat zie ik? Waarom?

4 Wat vragen jullie? Niets bestaat in ’t verstand dat niet eerst door de zintuigen is gegaan. Men verlangt niet wat men niet kent.

5 Onder wat voor menschen zijn we?

6 Snert-latijn. Het oproer van Ibarra onderdrukt door den alférez.

7 Vriend, Plato is mijn vriend, maar meer nog is de waarheid mijn vriendin.

8 De zaak is slecht, en een vreeselijk einde is te vreezen.

9 Tegen iemand die de beginselen ontkent, moet men met stokslagen redeneeren.

10 Wee hen! Waar rook is, is vuur. Soort zoekt soort, en nu dus Ibarra wordt opgehangen, zult gij dus ook opgehangen worden. N. B. ahorcar is Spaansch voor ophangen.

11 Ik ben niet bang voor den dood op ’n bed, maar wel in de vesting van Bagoembajan. Catre is Spaansch voor veldbed, ijzeren bed; espaldon idem voor vestingwerk.

12 Geheel Spaansch op dadivae na: geschenken breken rotsen.

13 Geschriften zijn getuigen. Wat geneesmiddelen niet genezen, dat geneest het staal, wat het staal niet geneest, dat geneest het vuur.

14 Bij uiterste dingen uiterste middelen.

15 Trouwelooze, hooptet gij het ook te bewaren?

16 Gaat, gevloekten, in ’t vuur van de kalan. Kalan is Tagaalsch, = maleisch keran, Jav. kêrên.

[Inhoud]

LVIII.

Maria Clara gaat trouwen.

Capitán Tiago is zeer in zijn schik. Gedurende de heele nare periode heeft niemand zich met hem bemoeid: men heeft hem niet gevangen genomen, men heeft hem niet onderworpen aan afzondering, verhoor, elektrische machines, voortdurende voetbaden in onderaardsche [516]vertrekken en andere guitenstreken meer, die wel bekend zijn bij zekere persoonlijkheden welke zichzelf beschaafd noemen. Zijn vrienden, dat wil zeggen zij die ’t eenmaal waren [want de man verloochende zijn Filippijnsche vrienden, van af het oogenblik waarin ze verdacht voor ’t gouvernement werden,] zijn ook naar hun huizen teruggekeerd, na eenige dagen vacantie in de rijksgebouwen. De gouverneur had zelf order gegeven dat men ze uit hun bezittingen zou zetten, daar hij ze niet voldoende waardig achtte om daarin te blijven, tot groot verdriet van den éénarmige, die zijn aanstaande Paschen in hun talrijk en welgesteld gezelschap had willen vieren.

Capitán Tinong kwam ziek, bleek, gezwollen in zijn huis terug—het uitstapje was hem niet best bekomen—, en zoo veranderd dat hij geen woord zeide, zelfs geen groet overhad voor zijn gezin, dat schreide, lachte en gek werd van plezier. De arme man kwam zijn huis niet uit, om geen gevaar te loopen dat hij een opstandeling, een filibustero, zou moeten groeten. Zelfs neef Primitivo met al zijn wijsheid der ouden kon hem niet aan zijn in-zich zelf-gekeerdheid ontrukken.

Crede prime,1 zeide hij tot hem “doordat ik niet tijdig alle papieren heb kunnen verbranden, hebben ze je te pakken gehad. Maar als ik je heele huis had verbrand, hadden ze je geen haar op je hoofd gekrenkt. Doch quod eventum, eventum. Gratias agamus Deo quia non in Marians Insulis es, camotes seminando.2 [517]Geschiedenissen gelijkende op die van Capitán Tinong waren Capitán Tiago niet onbekend. De man liep over van dankbaarheid, zonder dat hij precies wist aan wien hij zulke bizondere gunsten verschuldigd was. Tante Isabel schreef het wonder toe aan de Heilige Maagd van Antipolo, aan die van den Rozenkrans, of ten minste aan de Virgen del Carmen, en op zijn allerminst, ’t minste dat ze kon toegeven, aan Onze Lieve Vrouw van de Riem; volgens haar kon het wonder niet van elders gekomen zijn. Capitán Tiago ontkende het wonder niet, maar voegde erbij:

“Ik geloof het Isabel, maar de Heilige Maagd van Antipolo zal het niet alleen gedaan hebben. Mijn vrienden zullen ook meegeholpen hebben, mijn aanstaande schoonzoon, meneer Linares, die, zooals je weet gekheid maakt met den minister Antonio Canovas, dezelfde waarvan een prentje in de illustratie stond, waar hij zich alleen maar verwaardigt de helft van zijn gezicht aan de menschen te laten zien.”

En de goede man kon een lachje van tevredenheid niet bedwingen telkenmale wanneer hij een belangrijk bericht omtrent de gebeurtenissen hoorde. En daar was wel reden voor. Men fluisterde stilletjes dat Ibarra zou opgehangen worden; dat ofschoon er veel bewijzen ontbraken om hem te veroordeelen, er onlangs een voor den dag was gekomen, dat de beschuldiging bevestigde; de deskundigen [518]zouden verklaard hebben dat inderdaad de bouwwerken voor de school konden gehouden worden voor een bolwerk, een versterking, alhoewel eenigszins gebrekkig, zooals van domme inlanders niet anders kon verwacht worden. Deze geruchten stelden hem gerust, en deden hem glimlachen.

Op dergelijke wijze als Capitán Tiago en zijn nicht van meening verschilden, verdeelden zich de vrienden der familie ook in twee partijen: de eene hield het met de wonderen, de andere met het bestuur, ofschoon deze laatste partij onbeteekenend was. De mirakel-menschen waren weer onderverdeeld: de hoofdkoster van Binondo, de verkoopster van waskaarsen en het hoofd van een broederschap zagen de hand Gods, bewogen door de Maagd van den Rozenkrans. De Chineesche kerkkaarsen-leverancier—die haar voorziet wanneer ze naar Antipolo gaat—zeide, terwijl hij zich waaierde en een been heen en weer bewoog, in zijn verhaspeld Spaansch:

“Wees niet dwaas: ’t is de Maagd van Antipolo, bepaald! Die kan meer dan alle anderen. Wees maar niet dwaas!”

Capitán Tiago had groote achting voor den Chinees, die zich uitgaf voor waarzegger, dokter enz. De palm van de hand zijner overleden echtgenoote onderzoekend in de zesde maand van haar zwangerschap, had hij voorspeld:

“Als ’t geen jongen is en niet dood gaat, dan zal ’t een heel goede vrouw worden!”

En Maria Clara kwam ter wereld om de profetie van onze helden te vervullen.

Capitán Tiago echter was een voorzichtig [519]en angstvallig man, en kon maar niet zoo dadelijk besluiten als de Trojaan Paris. Hij kon maar niet zoo ineens de voorkeur geven aan een der twee maagden uit vrees, dat hij de andere zou beleedigen, hetwelk ernstige gevolgen zou kunnen na zich slepen. “Voorzichtig!” zei hij bij zichzelf, “laten we nu niet de boel bederven!”

In deze weifelingen verkeerde hij toen de gouvernementspartij aankwam: Doña Victorina, Don Tiburcio en Linares.

Doña Victorina sprak voor de drie mannen en voor haar zelve, vermeldde de bezoeken van Linares aan den capitan general, en gaf herhaalde malen bedektelijk de wenschelijkheid van een aanzienlijk familielid te kennen.

Ze lispte tegenwoordig, om een Andalusischen tongval na te doen.

“Ja!” zeide ze van Ibarra sprekend, “die had het wel verdiend. Ik heb ’t dadelijk wel gezegd, toen ik hem zag: dat is een filibustero. Wat heeft jou de gouverneur ook weer gezegd? Wat heb je hem gezegd, wat voor berichten heb je hem over Ibarra gegeven?”

En ziende dat de neef draalde met te antwoorden, ging ze, zich tot Capitán Tiago wendend, voort:

“Gelooft u me maar, als ze hem ter dood veroordeelen, zooals te hopen is, dan zal ’t aan mijn neef te danken zijn.”

“Nicht! nicht!” protesteerde Linares.

Doch ze liet hem geen tijd:

“Och wat ’n diplomaat ben jij geworden! We weten dat je de raadsman bent van den gouverneur, die kan gewoon niet buiten je... Wel, Clarita, wat ’n genoegen je te zien!”

Maria Clara vertoonde zich, nog bleek, [520]ofschoon reeds vrijwel hersteld van haar ziekte. Het lange haar was opgenomen met een lichtblauw zijden lint. Ze groette bedeesd, met een droevig lachje, en trad op Doña Victorina toe, voor den gebruikelijken kus.

Na de gewone beleefdheidsfrazen, ging de pseudo Andalusische voort:

“We komen jullie opzoeken. U bent er mooi afgekomen, dank zij uw relaties!” En ze keek veelbeteekenend naar Linares.

“God heeft mijn vader behoed!” antwoordde het jongemeisje zacht.

“Jawel, Clarita, maar de tijd van de wonderen is al voorbij: wij Spanjaarden zeggen: wantrouw de Maagd en zet het op een loopen.”3

“Juist om...om...omgekeerd!” zei haar echtvriend.

Capitán Tiago, die tot-nog-toe geen tijd had gevonden om een woord te zeggen, waagde het te vragen, met veel aandacht lettend op ’t antwoord:

“Dus u, Doña Victorina, u gelooft dat de Maagd?...”

“Wij komen juist met u over de ‘maagd’ spreken,” antwoordde ze geheimzinnig, en wees daarbij naar Maria Clara. “We moeten over zaken spreken.”

Het jongemeisje begreep dat ze heen moest gaan. Ze zocht een voorwendsel, en verwijderde zich, onderweg steunend tegen de meubelen.

Wat in dit onderhoud afgehandeld werd is te min en te kleinzielig voor vermelding. Toen het afgeloopen was, en men scheidde, was iedereen in [521]zijn schik.

Daarna zeide Capitán Tiago tot tante Isabel:

“Laat aan ’t logement zeggen dat we morgen een feest geven! Bereid jij Maria erop voor, dat ze binnenkort gaat trouwen.”

Tante Isabel keek hem ontsteld aan.

“Je zult ’s zien! Wanneer meneer Linares mijn schoonzoon is, gaan we in alle paleizen in en uit. Ze zullen jaloersch op ons wezen, ze zullen ’t allemaal besterven van nijd!”

En zoo kwam het dat den volgenden dag ’s avonds om acht uur Capitán Tiago’s huis weer vol menschen was; alleen waren ditmaal zijn genoodigden uitsluitend Spanjaarden en Chineezen. Het schoone geslacht was vertegenwoordigd door Spaanschen, zoowel uit Spanje als uit de Filippijnen.

Daar waren de meeste onzer bekenden bijeen: Padre Sibyla, Padre Salvi onder verscheidene andere Franciskanen en Dominikanen; de oude luitenant van de guardia civil, de heer Guevara, somberder dan ooit; de alférez, die voor den duizendsten keer zijn veldslag vertelde, onderwijl over zijn schouders iedereen aankijkend en zich houdend voor een Don Juan van Oostenrijk; hij was nu luitenant met den graad van “Comandante”; de Espadaña, die met eerbied en vreeze naar hem keek en zijn blikken ontweek, en Doña Victorina, die “’t land” had. Linares was nog niet gekomen, want als persoon van gewicht, moest hij later komen dan de anderen: er zijn wezens die zoo ingebeeld zijn, dat ze met een uur te laat bij allen toch groote mannen blijven. [522]

In de groep der vrouwen was Maria Clara het voorwerp van praatjes.

“Phu!” zei een jongmeisje, “aardig trotsch...”

“Ziet er wel lief uit,” antwoordde een ander, “maar hij kon er wel een uitgekozen hebben, die niet zoo onnoozel keek.”

“Dat doet het goud, meiske, de schoone jongeling verkoopt zich.”

Ergens anders zeide men:

“Dat gaat trouwen, terwijl de eerste aanstaande op ’t punt staat om opgehangen te worden!”

“Dat is nog ’s overleg: een plaatsvervanger klaar te hebben.”

“Als ze nu weduwe wordt...”

Deze gesprekken werden wellicht gehoord door het jongemeisje in kwestie. Ze zat op een stoel, bezig een presenteerblaadje met bloemen in orde te maken—want men zag haar beven, verbleken en zich herhaalde malen op de lippen bijten.

In den kring der mannen ging het gesprek op luiden toon, en liep natuurlijk over de laatste gebeurtenissen. Allen waren aan ’t woord, zelfs Don Tiburcio; allen behalve Padre Sibyla, die een minachtend zwijgen bewaarde.

“Ik heb hooren zeggen dat uwe weleerwaardigheid het dorp gaat verlaten, Padre Sibyla,” vroeg de nieuwe luitenant, die door zijn nieuwe sterretje beminnelijker geworden was.

“Ik heb er niets meer te doen. Ik blijf voor goed in Manila...en u?”

“Ik ga ook heen,” antwoordde hij zich langer makende, “het gouvernement heeft me noodig om met een vliegende colonne de provincies van gespuis te [523]zuiveren.”

Fray Sibyla keek hem snel van hoofd tot voeten aan, en keerde hem verder geheel den rug toe.

“Is het al met zekerheid bekend, wat er gedaan zal worden met den aanvoerder, ‘ons oproermakertje?’” vroeg een beambte.

“Spreekt u van Crisóstomo Ibarra?” vroeg een ander. “’t Waarschijnlijkste en rechtvaardigste is wel dat hij opgehangen wordt, evenals die lui van ’72.”

“Hij wordt verbannen!” zei de oude luitenant droogjes.

“Verbannen! Alleen maar verbannen! Maar dat zal dan toch wel een levenslange wezen!” riepen er verscheidenen tegelijk.

“Als dat jongemensch,” hervatte luitenant Guevara op luiden en strengen toon, “meer op zijn hoede was geweest; als hij minder vertrouwen gesteld had in zekere personen, aan wie men schrijft, als onze ambtenaren van ’t openbaar ministerie niet al te spitsvondig het geschrevene wisten uit te leggen, zou die jonge man stellig vrijgesproken zijn.”

Deze verklaring van den ouden luitenant en de toon van zijn stem brachten een groote verrassing te weeg in ’t gehoor dat hij had; men wist niet wat men daarop zeggen zou. Padre Salvi keek naar een anderen kant, wellicht om niet den somberen blik te zien, dien de oude man op hem richtte. Maria Clara liet de bloemen vallen, en bleef roerloos zitten. Padre Sibyla, die de kunst van zwijgen verstond, scheen ook wel de eenige te wezen die een vraag kon doen.

“Spreekt u van brieven, meneer de Guevara?” [524]

“Ik spreek van ’t geen de verdediger gezegd heeft; die heeft zijn zaak met ijver en warmte opgenomen. Behalve enkele dubbelzinnige regels, die dat jongmensch aan een vrouw geschreven had, voordat hij naar Europa vertrok, regels waarin de fiskaal een plan en een bedreiging tegen het bestuur zag, en die hij erkende geschreven te hebben, was er niets waaruit men iets tegen hem kon halen.”

“En de verklaring van den bandiet voor zijn sterven?”

“De verdediger toonde de nietigheid daarvan aan, want, volgens den bandiet zelf hadden zij nooit met het jongmensch zelf contact gehad, maar alleen met een zekeren Lucas, en dat was een vijand van hem, zooals bewezen is kunnen worden: de man heeft zich van kant gemaakt, misschien wel uit berouw. ’t Is bewezen dat de papieren op het lijk gevonden vervalscht waren, want het schrift was gelijk aan dat van meneer Ibarra voor zeven jaar, maar niet aan zijn tegenwoordige hand, waardoor men veronderstelt dat die bezwarende brief als model gediend heeft. Nog meer: de verdediger zeide dat, als meneer Ibarra de brief niet had willen erkennen, er veel voor hem had gedaan kunnen worden. Maar toen hij dien zag, werd hij bleek, verloor den moed en bevestigde alles wat hij daarin geschreven had.”

“U zeide”, vroeg een Franciskaan, “dat de brief aan een vrouw gericht was. Hoe kwam die in handen van den fiskaal?”

De luitenant antwoordde niet. Hij keek even naar Padre Salvi, en verwijderde zich, zenuwachtig plukkende aan de punt [525]van zijn grijzen baard, terwijl de anderen commentaren maakten.

“Dat is de vinger Gods!” zei er een, “zelfs de vrouwen haten hem.”

“Hij heeft zijn huis in brand gestoken in ’t idee dat hij daardoor zich redden zou, maar hij rekende buiten de waardin, dat wil zeggen buiten zijn liefje, zijn babai,” voegde een ander er lachend bij. “Zoo wordt het vaderland gered!”

Intusschen stond de oude krijgsman stil op een van zijn wandelingen, en trad op Maria Clara toe, die roerloos op haar stoel zat te luisteren naar ’t gesprek. Aan haar voeten zag men de bloemen liggen.

“U bent een heel verstandige jonge dame,” zeide de oude luitenant zacht tot haar, “u heeft er goed aan gedaan dien brief af te geven...Zoo heeft u zich met de uwen een rustige toekomst verzekerd!”

Zij zag hem heengaan, en huiverde. Ze beet zich op de lippen. Gelukkig kwam tante Isabel voorbij. Maria Clara had nog de kracht om haar bij het kleed te grijpen.

“Tante!” stamelde ze.

“Wat is er, kind?” vroeg deze ontsteld, toen ze ’t gelaat van ’t jongemeisje zag.

“Breng me in mijn kamer!” smeekte ze, zich vastklampend aan den arm der oude vrouw, om op te staan.

“Ben je ziek, mijn kindje? Wat scheelt je?”

“Een duizeling...al die menschen in de zaal...zooveel licht...ik moet wat rusten. Zeg aan vader dat ik wil gaan slapen.”

“Je bent heelemaal koud! Wil je soms wat thee?” [526]

Maria Clara schudde het hoofd, deed de deur van haar slaapkamer op slot, en liet zich slap neervallen op den grond, aan den voet van een heiligen-beeld.

“Moeder, o moeder, moeder!” snikte ze.

Door het venster en de deur, die uitkwam op het platte dak, viel het licht der maan.

De muziek ging voort met haar vroolijke walsen.

Het gelach en het geroezemoes der gesprekken drongen in de slaapkamer door. Verscheidene malen kwamen haar vader, tante Isabel, Doña Victorina en Linares aan haar deur kloppen, maar Maria Clara verroerde zich niet: een gereutel ontsnapte aan haar borst.

Uren gingen zoo voorbij. De vroolijkheid van den maaltijd hield op. Men hoorde dansen, zingen. De kaars raakte op en ging uit, maar het jongemeisje bleef onbewegelijk op den grond, beschenen door de stralen der maan, liggend aan de voeten van ’t beeld van Jezus’ Moeder.

Het huis werd allengs weer stil, de lichten werden uitgedaan, tante Isabel klopte nog eens aan.

“Nou, ze is in slaap gevallen!” zeide ze luid. “Och, ze is jong, en heeft in ’t geheel geen zorgen, ze slaapt als een rots!”

Toen alles stil was, stond ze langzaam op, en liet een blik om zich heen gaan. Ze keek naar het platte dak, de kleine wingerdleiding, waarover het weemoedig maanlicht lag gespreid.

“Een rustige toekomst! Slapen als een rots!” mompelde ze, en richtte zich naar het plat. [527]

De stad lag te slapen. Slechts van tijd tot tijd hoorde men het gedruisch van een rijtuig, dat bolderde over de houten brug over de rivier, welker eenzame wateren rustig het licht der maan weerspiegelden.

Het jongemeisje sloeg de oogen op: de hemel was van een saffieren helderheid. Langzaam ontdeed ze zich van haar ringen, haar oorhangers, haarnaalden en kammetje, en legde ze neer op de leuning van het platte dak. Toen keek ze naar de rivier.

Een bangka, geladen met zacate-gras, legde aan onder aan den steiger, die ieder huis aan den rivieroever bezit. Een van de twee mannen die er in zaten, besteeg de steenen trap, sprong de muur over, en enkele seconden later hoorde men hem de trap naar de azotea, ’t platte dak, opgaan.

Maria Clara zag dat hij stil stond, toen hij haar gewaar werd, doch ’t was slechts een oogenblik, want de man kwam langzaam naderbij, en bleef op drie passen afstands staan. Maria Clara deinsde terug.

Crisóstomo!” stamelde ze vol ontzetting.

“Jawel, Crisóstomo!” antwoordde de jonge man op ernstigen toon, “een vijand, een man die redenen had om me te haten, Elias, heeft me uit de gevangenis gehaald, waar mijn vrienden me in opgesloten hadden.”

Op deze woorden volgde een droef stilzwijgen. Maria Clara liet het hoofd zinken, en liet moedeloos de beide handen vallen.

Ibarra ging voort:

“Bij ’t lijk van mijn moeder zwoer ik [528]dat ik je gelukkig zou maken, hoe mijn lot ook wezen zou! Jij mocht je belofte breken, ze was je moeder niet—maar ik, die haar zoon ben, ik houd haar nagedachtenis in eere, en trots allerlei gevaren ben ik hier gekomen, om mijn eed gestand te doen. En ’t toeval wil, dat ik met je zelf kan spreken, Maria. We zullen elkaar niet meer terugzien. Je bent jong, en wellicht zal eenmaal je geweten je beschuldigen... Ik kom je zeggen, voordat ik vertrek, dat ik je vergeef. Nu, wees gelukkig, vaarwel!”

Ibarra wilde heengaan, doch ’t jongemeisje hield hem tegen.

Crisóstomo!” zeide ze, “God heeft je gezonden, om me van wanhoop te redden...Hoor me aan, en oordeel me dan!...”

Ibarra trachtte zich met zacht geweld van haar los te rukken.

“Ik ben niet gekomen, om je rekenschap te vragen van je daden...ik ben gekomen om je rust te geven.”

“Ik wil die rust niet, die jij me geven wilt. Ik zal mezelf wel een rustig gemoed geven! Jij veracht me, en je minachting zou me bitter stemmen tot mijn dood toe!”

Ibarra zag de wanhoop en de smart in de arme vrouw, en vroeg haar wat ze dan verlangde.

“Dat je gelooft, dat ik je altijd liefgehad heb!”

Crisóstomo lachte bitter.

“O, je twijfelt aan me, je twijfelt aan de vriendin van je kinderjaren, die nooit een enkele gedachte voor je verborgen gehouden heeft!” riep het jongemeisje met smart. “Ik begrijp je! Wanneer je mijn geschiedenis kent, de droeve [529]geschiedenis die me tijdens mijn ziekte werd geopenbaard, dan zal je medelijden met me hebben, en zal je niet meer zoo’n lachje voor mijn smart overhebben.

Waarom heb je me maar niet laten sterven onder de behandeling van mijn dommen dokter? Jij en ik zouden beiden gelukkiger geweest zijn!”

Maria Clara zweeg even om op adem te komen, en hervatte dan:

“Jij hebt het gewild, jij hebt aan me getwijfeld. Och, laat mijn moeder ’t me vergeven! In een van de pijnlijke nachten van mijn laatste ziekte, openbaarde een man me den naam van mijn waren vader, en verbood me je liefde...tenzij mijn vader zelf je den hoon vergat dien je hem aangedaan hadt!”

Ibarra deinsde een schrede terug, en keek het jongemeisje verschrikt aan.

“Ja,” ging ze voort, “de man zeide me, dat hij onze vereeniging niet mocht toestaan, omdat zijn geweten het hem verbood, en hij zich dan genoodzaakt zou zien de zaak ruchtbaar te maken, op gevaar van een groot schandaal, want mij vader is...”

En ze fluisterde den jongeman een naam in ’t oor, zoodat hij alleen die hooren kon.

“Wat moest ik doen? Moest ik de nagedachtenis van mijn moeder, de eer van mijn onechte vader, en den goeden naam van den waren, opofferen aan mijn liefde?”

“Maar bewijzen, gaf hij je bewijzen? Jij had bewijzen noodig!” riep Crisóstomo ten hoogste ontroerd.

Het jonge meisje haalde twee papieren uit haar boezem.

“Twee brieven van mijn moeder, twee [530]brieven geschreven te midden van haar berouw, toen ze mij onder ’t hart droeg! Daar, lees ze, en je zult zien, hoe ze me verwenscht, en naar mijn dood verlangt...mijn dood, die mijn vader tevergeefs met medicijnen trachtte te bewerken! Deze brieven had hij vergeten, in een laadje laten liggen. Een andere man vond ze en bewaarde ze, en heeft ze me alleen afgegeven in ruil voor jouw brief...om zich te vergewisschen zooals hij zeide, dat ik niet zou gaan trouwen zonder de toestemming van mijn vader.

Sedert dat ik ze bij me draag in plaats van jouw brief, voel ik iets kouds aan mijn hart. Ik heb je opgeofferd, mijn liefde opgeofferd... wat doet men niet voor een moeder die dood is en twee vaders, die nog leven? Kon ik vermoeden welk gebruik ze van je brief zouden maken!? Ibarra stond verplet. Maria Clara ging voort:

“Wat bleef me nog? Kon ik je soms zeggen, wie mijn vader was, kon ik je zeggen dat je hem vergiffenis moest vragen, aan hem die jouw vader zooveel heeft doen lijden? Kon ik misschien aan mijn vader zeggen dat hij je vergeven zou, kon ik hem zeggen dat ik zijn dochter was, aan hem, die zoo naar mijn dood verlangd had? Er bleef me niets anders over dan te lijden, het geheim bij me te bewaren, en in mijn lijden te sterven!... Nu, mijn liefste, nu je de droeve geschiedenis van je Maria kent, zul je nu nog dat minachtende lachje voor haar overhebben?”

“Maria, jij bent een heilige!”

“Ik ben gelukkig, nu ik weet dat je me gelooft...”

“En toch...” hervatte de jonge man [531]van toon veranderend, “ik heb hooren vertellen dat je gaat trouwen...”

“Ja, dat is zoo!” snikte ze, “mijn vader eischt dat offer van me...hij heeft me lief gehad en opgevoed en ’t was zijn plicht niet. Ik betaal hem deze schuld van dankbaarheid, door hem met deze nieuwe vermaagschapping zijn rust te verzekeren.

“Maar...”

“Maar?”

“Ik zal de eeden van trouw die ik jou gezworen heb niet vergeten.”

“Wat ben je van plan te doen?” vroeg Ibarra trachtende in haar oogen te lezen.

“De toekomst is duister, en ’t lot ligt verborgen!

Ik weet niet wat ik doen zal. Maar weet dat ik maar een keer zal liefhebben, en zonder liefde zal ik aan niemand toebehooren. En jij, wat zal er van jou worden?”

“Ik ben maar een vluchteling, ik vlucht. Binnenkort zal men mijn ontsnapping ontdekken, Maria.”

Maria drukte het hoofd van den jongen man tusschen haar beide handen, kuste hem verscheidene malen op de lippen, omhelsde hem. Dan, hem bruusk van zich verwijderend, zeide ze:

“Vlucht, vlucht! Adios!

Ibarra keek haar met schitterende oogen aan, doch op een teeken van ’t jonge meisje ging hij heen, dronken, wankelend...

Weer sprong hij over den muur en stapte in de bangka. Maria Clara, leunend op de borstwering, keek hem na.

Elias ontblootte het hoofd, en groette haar met een eerbiedige buiging. [532]


1 Spaansch latijn: primo = neef (cousin) in ’t Spaansch.

2 Weer lastig te verstaan voor iemand die geen Spaansch kent: Want geloof me, neef, wat gebeurd is, is gebeurd. Laten we God danken dat je niet op de Marianneneilanden bent, bezig camotes te zaaien (bataten).

3 Ze bedoelt: Vertrouw op de Heilige Maagd, en leg je te slapen.

[Inhoud]

LIX.

De jacht op ’t meer.

“Luister ’s meneer, wat voor plan of ik overdacht heb,” zeide Elias peinzend, terwijl ze naar San Gabriel koers zetten. “Ik zal u nu bij een vriend van me in Mandaloejong verborgen houden. Ik zal u al uw geld brengen, dat ik gered en bewaard heb aan den voet van de baliti-boom, in ’t geheimzinnige graf van uw voorvader. Dan verlaat u het land...”

“Om naar ’t buitenland te gaan?” viel Ibarra in.

“Om uw verdere levensdagen in rust door te brengen. U heeft vrienden in Spanje, u bent rijk, u zult zich de straf wel kunnen laten kwijtschelden. In allen gevalle is het buitenland voor u een beter vaderland dan ’t eigene.”

Crisóstomo antwoordde niet, hij overlegde in stilte.

Ze kwamen op dat oogenblik aan de Pasig, en de bangka begon den stroom op te varen. Op de Españabrug reed haastig een ruiter, en men hoorde een gerekt, schel gefluit.

“Elias,” hervatte Ibarra, “u dankt uw ongeluk aan mijn familie. U heeft me tweemaal ’t leven gered, en ik ben u niet alleen dankbaarheid schuldig, maar ook teruggave van uw fortuin. U raadt me om in ’t buitenland te gaan leven.

Nu, kom dan met me mee, en laten we samen als broeders leven.

Hier bent u toch ook ongelukkig.”

Elias schudde droevig het hoofd, en antwoordde:

“Onmogelijk! ’t Is waar dat ik in mijn land niet kan liefhebben, niet gelukkig kan zijn, maar ik kan er lijden en [533]sterven, en misschien voor zijn zaak: dat is altijd wat. Laat het ongeluk van mijn vaderland mijn eigen ongeluk wezen, en aangezien ons geen edele gedachte bindt, aangezien onze harten niet kloppen voor een naam, laat dan tenminste de gemeenschappelijke tegenspoed me aan mijn landgenooten binden, laat me ten minste met hun samen over onze smarten schreien, en eenzelfde leed onze harten doen krimpen.”

“Waarom raadt u me dan om heen te gaan?”

“Omdat u elders gelukkig kan wezen, en ik niet, omdat u niet deugt voor leed, en omdat u uw land zou verafschuwen, wanneer u eenmaal u zelf ongelukkig zag door toedoen van dat land. En zijn vaderland verafschuwen is het grootste ongeluk.”

“U bent onbillijk voor me!” riep Ibarra met bitter verwijt. “U vergeet dat ik, nauwelijks hier, dadelijk ben begonnen met ’t goede voor mijn land te beoogen..”

Wees niet beleedigd, meneer, ik maak u geen enkel verwijt: ’t ware te wenschen dat iedereen u na kon volgen! Maar ik vraag geen onmogelijke dingen van u, en u moet zich niet beleedigd achten, als ik u zeg dat uw hart u misleidt. U hadt uw land lief, omdat uw vader het u zoo geleerd had. U hadt het lief, omdat u er liefde, fortuin, jeugd hadt; omdat alles u toelachte: uw land had u geen enkel onrecht aangedaan. U hadt het lief zooals we alles liefhebben wat ons gelukkig maakt. Maar den dag waarop u uzelf arm, hongerig, vervolgd, aangeklaagd en verkocht ziet door uw eigen landgenooten, dien dag zult u uzelf, uw vaderland en iedereen verloochenen.” [534]

“Uw woorden zijn kwetsend voor me,” zei Ibarra geraakt.

Elias boog het hoofd, dacht even na, en hervatte:

“Ik wil u uit den droom helpen, meneer, en u een droevige toekomst besparen. Herinner u maar ’s dien keer, toen ik met u sprak in deze zelfde bangka, bij ’t licht van deze zelfde maan, zoowat een maand geleden. Toen was u gelukkig. De smeekbede van de ongelukkigen drong niet tot u door; u versmaadde hun klachten, omdat het klachten van misdadigers waren, u gaf meer gehoor aan hun vijanden, en in weerwil van mijn argumenten en mijn smeeken, koos u de partij van hun onderdrukkers. En toen hing het van u af, of ik misdadiger zou worden, of me zou laten dooden, om een heilige belofte gestand te doen. God heeft het niet veroorloofd, want het oude hoofd van de bandieten is gestorven...Er is net een maand voorbij, en nu denkt u al anders!”

“U beeft gelijk, Elias, maar een mensch is nu eenmaal afhankelijk van omstandigheden, toen was ik verblind, ik had ’t land, weet ik ’t? Nu heeft het ongeluk me den blinddoek van de oogen gerukt. De eenzaamheid en de ellende in de gevangenis hebben me geleerd, en nu zie ik de vreeselijke kanker die aan deze maatschappij vreet, die zich in zijn vleesch vastwerkt, en een gewelddadige uitsnijding eischt. Zij hebben me de oogen geopend, ze hebben me de wonde laten zien, en dwingen me om misdadiger te worden! En nu ze ’t eenmaal gewild hebben, zal ik filibustero wezen, maar een echte. Ik zal al de ongelukkigen oproepen, allen die in hun borst een [535]hart voelen kloppen, dezelfden die u naar me toe gezonden hebben...Nee, ik zal niet misdadig wezen: die strijdt voor zijn vaderland is dat nooit, integendeel! Wij hebben hun drie eeuwen lang de hand toegestoken, we vragen hun om liefde, we verlangen ernaar, ze broeders te mogen noemen. En hoe antwoorden ze ons? Met beleediging en hoon en spot: ze ontzeggen ons zelfs het recht ons menschelijke wezens te noemen. Er is geen God, geen hoop, geen menschlievendheid: er is alleen maar ’t recht van den sterkste!”

Ibarra was zenuwachtig, zijn heele lichaam beefde.

Ze gingen ’t paleis van den capitan general voorbij, en meenden bij de wacht beroering en onrust te ontwaren.

“Zou de vlucht ontdekt zijn?” mompelde Elias.

Gaat u liggen, meneer, dan kan ik u met het zacate-gras bedekken; want we komen zoo meteen voorbij ’t kruitmagazijn, en ’t mocht den schildwacht ’s verdacht voorkomen, dat we met ons beiden zijn.”

De bangka was een van die ranke smalle kano’s, die niet drijven, maar over ’t water heenglijden.

Zooals Elias voorzien had, hield de schildwacht hem aan, en vroeg hem waar hij vandaan kwam.

“Van Manila, ik heb zacate gebracht aan de rechters en aan de pastoors,” antwoordde hij, handig den tongval der lieden van Pandakan nabootsend.

Een onderofficier kwam voor den dag, en stelde zich op de hoogte van ’t geen er plaats had.

Soeloeng! (Ga door!)” zeide deze tot [536]hem, “ik waarschuw je dat je niemand in je bangka mag nemen, want er is zoo juist een gevangene ontsnapt. Als je hem oppakt en aan mij uitlevert, zal ik je een goede fooi geven.”

“Goed, meneer. Hoe ziet hij eruit?”

Hij draagt een gekleede jas en spreekt Spaansch. Dus, opgepast!”

De bangka verwijderde zich. Elias wendde het hoofd om, en zag het silhouet van den schildwacht, staande bij den oever.

“We zullen eenige minuten oponthoud hebben,” zeide hij zacht, “we moeten de Beatarivier op, om te doen alsof ik van Pena Francia ben. U zult de rivier zien, die bezongen is door Francisco Baltasar.”

Het dorp sliep in ’t maanlicht. Crisóstomo stond op, om de kerkhofachtige vredigheid der natuur te bewonderen. De rivier was breed en haar oevers waren vlak en bebouwd met zacate-gras.

Elias wierp zijn vracht aan den oever neer, greep een lange bamboe en haalde onder uit het gras eenige lege wajons of zakken van palmblad. Ze voeren verder.

“U bent vrij in uw doen en laten, meneer, en over uw toekomst beschikt u zelf,” zeide hij tot Crisóstomo, die bleef zwijgen. “Maar als ik een opmerking mag maken, dan moet ik u zeggen: Denk er wel goed over na, wat u gaat doen, u gaat een oorlog aanstoken, want u heeft geld en verstand, en u zult al heel gauw veel hulp vinden: noodlottigerwijze zijn er veel ontevredenen. Maar, in de worsteling die u gaat beginnen, zullen het de onbeschermden en onschuldigen [537]zijn die ’t meest te lijden krijgen. Dezelfde gevoelens, die een maand geleden maakten, dat ik me tot u wendde om hervormingen te vragen, zijn het ook die me nu drijven om u te zeggen, dat u zich wel bedenken moet. Het land denkt er niet aan, meneer, zich los te maken van het moederland: het vraagt alleen een beetje vrijheid, gerechtigheid en liefde. U zult hulp krijgen van de ontevredenen, de misdadigers, de wanhopigen, maar het volk zelf zal zich onthouden. U vergist u, wanneer u, nu u alles donker ziet, denkt dat het land wanhopig is. Het land lijdt, jawel, maar het hoopt ook nog, het gelooft, en zal alleen dan opstaan wanneer het zijn geduld kwijt raakt, dat wil zeggen, wanneer zij die besturen het willen, en dat is nog ver-af. Ik zelf zal u niet volgen: ik zal nooit mijn toevlucht nemen tot zulke uiterste middelen, zoolang ik hoop zie in de menschen.”

“Dan ga ik zonder u!” antwoordde Crisóstomo vastberaden.

“Is dat uw vast besluit?”

“Vast en eenig, bij de nagedachtenis van mijn vader. Ik laat me niet straffeloos mijn rust en mijn geluk afnemen, ik die alleen ’t goede verlangd heb, ik die alles heb geëerbiedigd en geleden om der wille van een schijnheiligen godsdienst, uit liefde voor een vaderland. Hoe hebben ze ’t me vergolden? Ze hebben me in een eerloos cachot gegooid, en mijn aanstaande vrouw geprostitueerd. Nee, me niet wreken zou een misdaad wezen, dat zou ’t zelfde wezen als ze aan te moedigen tot nieuwe ongerechtigheden! Nee, ’t zou lafheid, kleinmoedigheid wezen, te stenen en te [538]klagen wanneer er bloed en leven is, wanneer bij beleediging en uittarting nog hoon komt! Ik zal ’t domme volk oproepen, ik zal ’t zijn ellende laten zien. Laat het niet denken aan broeders. Er zijn alleen wolven, die elkaar verslinden. En ik zal hun zeggen dat tegen die onderdrukking ’t eeuwige recht van den mensch opstaat en opkomt, om zijn vrijheid te veroveren.”

“’t Onschuldige volk zal lijden!”

“Des te beter. Kunt u me naar ’t gebergte brengen?”

“Totdat u in veiligheid is!” antwoordde Elias.

Weer kwamen ze op de Pasig-rivier uit. Ze spraken van tijd tot tijd over onverschillige dingen.

“Santa Anna!” mompelde Ibarra, “u kent dat huis zeker wel?”

Ze kwamen voorbij het landhuis der Jezuïeten.

“Daar heb ik heel wat gelukkige en vroolijke dagen gesleten!” zuchtte Elias. “In mijn tijd kwamen we er iedere maand... toen was ik als de anderen: ik had fortuin, familie, ik droomde van een toekomst en zag die reeds half. In die dagen kwam ik mijn zuster opzoeken in ’t colegio in de buurt. Ze gaf me dan een werkje van haar...ze had een vriendinnetje bij zich, een mooi jongmeisje. Alles is voorbij als een droom.”

Ze bleven zwijgen tot ze aan Malapad nabato (breede rots) kwamen. Zij, die wel eens ’s nachts de Pasig hebben bevaren, in een van die tooverachtige nachten, die men op de Filippijnen kan hebben, wanneer de maan van ’t kristalhelder azuur weemoedvolle poëzie uitstort; wanneer de schaduwen de ellende der [539]menschen verbergen, en de stilte de armzalige klanken hunner stem verdooft; wanneer alleen de natuur spreekt, dezulken zullen begrijpen wat de beide jonge mannen overdachten.

Te Malapad nabato was de carabinero slaperig, en ziende dat de bangka leeg was, en geen buit opleverde—hij zou die anders inhalen, naar de traditioneele gewoonte van zijn korps en ’t aan zijn ambt verbonden gebruik—liet hij de reizigers gemakkelijk door.

De guardia civil van Pasig vermoedde ook niets, en ze werden niet lastig gevallen.

’t Begon te dagen, toen ze aan ’t meer kwamen. ’t Lag daar glad en rustig als een reusachtigen spiegel. De maan verbleekte, en het Oosten tintte zich met een rooskleurige gloed. Op eenigen afstand werden ze een grijze massa gewaar, die langzaam naderbij kwam.

“De falua—het politie-vaartuig—komt,” fluisterde Elias. “Leg u neer, en ik zal u toedekken met die zakken.”

De gedaante van ’t vaartuig werd duidelijker waarneembaar.

“Ze gaan tusschen den wal en ons,” merkte Elias ongerust op. En hij wijzigde langzamerhand de koers van zijn bangka, roeiend in de richting van Binangonan. Tot zijn groote schrik bespeurde hij dat de falua ook van koers veranderde, terwijl een stem hem aanriep.

Elias hield stil en dacht na. De oever was nog ver af, en weldra zouden ze in ’t bereik van de geweren der falua zijn. Hij dacht erover de Pasig weer op te varen: zijn bangka ging sneller dan [540]’t andere vaartuig. Doch tot overmaat van ramp kwam er een andere bangka van de Pasig. En men kon de helmen en bajonetten der guardias civiles reeds zien blinken.

“We zijn in den val!” mompelde hij, verbleekend.

Hij keek naar zijn stevige armen, en ’t eenig besluit nemende dat hem mogelijk bleef, begon hij uit alle macht te roeien in de richting van ’t eiland Taljim. Inmiddels kwam de zon op.

De bangka gleed snel voort. Elias zag op de falua, die bijdraaide, eenige mannen staan, die hem wenkten.

Kunt u een bangka besturen?” vroeg hij aan Ibarra.

“Jawel; waarom?”

“Omdat we verloren zijn, als ik niet in ’t water spring, en ze van ’t spoor leid. Zij zullen me vervolgen, ik zwem en duik goed... ik zal ze van u afleiden. Daarna moet u maar zien dat u in veiligheid komt.”

“Nee. Blijf, en laten we ons leven duur verkoopen!”

“Dat zou niets geven: we hebben geen wapens en met hun geweren schieten ze ons als vogeltjes neer.”

Op dat oogenblik klonk er een eigenaardig gesis in ’t water, alsof er een heet voorwerp in viel. Onmiddellijk volgde een knal.

“Ziet u wel?” zeide Elias, zijn riem in de bangka leggend.

“We zien mekaar terug op kerstnacht op ’t graf van uw grootvader. Red u!”

“En u?”

“God heeft me wel voor grooter gevaren behoed.” [541]

Elias trok zijn kiel uit. Een kogel rukte dien uit zijn handen, en twee knallen klonken achter elkaar. Zonder te ontstellen, drukte hij Ibarra’s hand. Deze bleef uitgestrekt op den bodem der bangka liggen. Hij zelf sprong in ’t water, met zijn voet het ranke vaartuigje wegduwend.

Men hoorde verscheidene kreten, en weldra verscheen op eenigen afstand het hoofd van den jongeman boven water, om adem te halen. Onmiddellijk daarop verdween ’t weer.

“Daar, daar is hij!” schreeuwden er ettelijken tegelijk, en weer floten de kogels.

De falua en de bangka begonnen hem beide na te zetten: een flauwe zogstreep teekende zijn koers, waarbij hij zich telkens verder van Ibarra’s vaartuig verwijderde, dat nu dobberde alsof het verlaten was. Iedere keer dat de zwemmer het hoofd boven water stak, om op adem te komen, schoten de guardias civiles en falua-mannen op hem.

De jacht duurde voort. De kleine bangka van Ibarra was al ver weg, de zwemmer naderde allengs den oever, die nu op een vijftig vadem afstands voor hem lag. De roeiers waren reeds vermoeid, doch Elias was ’t ook, want hij kwam nu telkens met het hoofd boven, en telkens in een andere richting als om zijn vervolgers van de wijs te brengen. Nu verried het zog niet meer de koers van den duiker. Voor de laatste maal zagen ze hem dicht bij den oever, op een tien vadem afstand ongeveer. Ze vuurden...daarna gingen er ettelijke minuten voorbij: er kwam niets meer aan de oppervlakte van ’t meer, dat nu [542]rustig en verlaten was.

Een half uur later beweerde een roeier in ’t water, bij den oever, sporen van bloed te zien, doch zijn kameraden schudden het hoofd, met een uitdrukking op ’t gelaat die zoowel ja als neen kon beteekenen.

[Inhoud]

LX.

Padre Dámaso verklaart zich.

Tevergeefs hoopten zich op een tafel de kostbare bruiloftsgeschenken op: noch de briljanten in hun blauw fluweelen etuis, noch de borduurwerken van pina, noch de stukken zijde trokken de blikken van Maria Clara tot zich. Het jonge meisje staart, zonder te zien noch te lezen, op de courant, die verhaalt van den dood van Ibarra, van zijn verdrinken in ’t meer.

Plotseling voelt ze dat er twee handen op haar oogen gelegd worden, die haar tegenhouden, en een vroolijke stem, die van padre Dámaso, zegt tot haar:

“Wie ben ik? wie ben ik?”

Maria Clara springt op van haar stoel, en kijkt hem met ontsteltenis aan.

“Dwaze meid, was je bang, zeg? Je hadt me niet verwacht, wel? Nu, ik ben van uit de provincie gekomen, om je bruiloft bij te wonen.

En met een lachje van vergenoegdheid stak hij haar de hand toe, om die te kussen. Maria Clara boog bevend, en bracht de hand eerbiedig aan haar lippen.

“Wat is er, Maria?” vroeg de Franciskaan, zijn vroolijken glimlach verliezend, en met zekere ongerustheid, “je handje is koud, je wordt bleek...ben je ziek, mijn kindje?” [543]

En Padre Dámaso trok haar naar zich toe met een teederheid, waartoe men hem niet in staat zou achten, greep haar beide handen, en keek haar vragend aan.

“Heb je geen vertrouwen meer in je peet?” vroeg hij op een verwijtenden toon. “Kom, ga nu hier zitten, en vertel me ’s al je narigheidjes, zooals je dat deed toen je nog een kind was, toen je kaarsen wou hebben, om er wassen poppetjes van te maken. Je weet wel dat ik altijd van je gehouden heb...ik heb je nooit een standje gegeven...”

Padre Dámaso’s stem was niet meer stuursch, en kreeg zelfs hartelijke toonbuigingen. Maria Clara begon te schreien.

“Schrei je, m’n kind? Waarom schrei je? Heb je ruzie met Linares gehad?”

Maria hield haar ooren dicht.

“Niets over hem...nu!” riep het jongemeisje.

Padre Dámaso keek haar vol verbazing aan.

“Wil je me je geheimen niet toevertrouwen? Heb ik niet altijd getracht je kleine grillen te bevredigen?”

Het jongemeisje hief haar betraande oogen naar hem op, keek hem een wijle aan, en begon dan weer bitter te schreien.

“Schrei toch zoo niet, mijn lieveling, want je tranen doen me pijn! Vertel me je smart. Je zult zien hoe je peetvader je liefheeft!”

Maria Clara kwam langzaam naar hem toe, viel op haar knieën, en haar in tranen badend gezichtje tot hem opheffend, zeide ze heel zacht, nauw hoorbaar:

“Houdt u nog van me?”

“Kind?” [544]

“Dan...bescherm dan mijn vader en verbreek mijn huwelijk!”

En het jongemeisje vertelde hem haar ontmoeting met Ibarra, doch verborg hem het geheim harer geboorte.

Padre Dámaso kon zijn ooren nauwelijks gelooven.

“Zoolang hij leefde,” hervatte het jongemeisje, “wilde ik nog strijden, hoopte en vertrouwde ik nog. Ik wilde leven, om over hem te hooren spreken...maar nu ze hem vermoord hebben, nu is er geen reden voor mij om nog te leven en te lijden.”

Ze zei dit alles langzaam, zacht, bedaard en zonder tranen.

“Maar, dwaas kind, is dan Linares niet duizendmaal beter dan?...”

“Toen hij nog leefde, kon ik gaan trouwen...ik was van plan daarna te vluchten...mijn vader beoogt niet anders dan de familiebetrekking aan te knoopen! Nu hij dood is, zal niemand anders me zijn vrouw noemen...Toen hij nog leefde kon ik me verlagen, toen bleef me nog de troost, te weten dat hij bestond, en misschien aan mij zou denken. Nu hij dood is...’t klooster of ’t graf.”

De toon waarop ’t meisje sprak, had zulk een vastheid, dat padre Dámaso’s vroolijk gezicht geheel veranderde en een diep-peinzende uitdrukking kreeg.

“Had je ’m zoo lief?” vroeg hij stamelend.

Maria Clara antwoordde niet. Fray Dámaso liet het hoofd op de borst zakken en bleef zwijgen.

“Mijn kind!” riep hij met smart bewogen stem, “vergeef me dat ik je ongelukkig gemaakt heb, zonder het te weten. Ik dacht aan je toekomst, ik [545]wilde niets dan je geluk. Hoe kon ik toestaan dat je trouwde met iemand van ’t land, om je als vrouw ongelukkig en als moeder al even rampzalig te zien? Ik kon je liefde niet uit je hoofd wegnemen, en ik verzette me met alle macht er tegen; ik maakte misbruik van alles, om jou, alleen maar om jou. Als je zijn vrouw geworden was, zou je later geschreid hebben, om den toestand van je man: die zou aan allerlei geweldenarijen blootgestaan hebben; als moeder zou je geschreid hebben om je kinderen; als je ze opvoedde bereidde je hun een droevige toekomst; dan werden ’t vijanden van den godsdienst, en zou je ze opgehangen of verbannen zien. Als je ze onwetend liet, zou je ze getiranniseerd en gesmaad zien! Daar kon ik niet in treden! Daarom zocht ik een man voor je, die je de gelukkige moeder zou kunnen maken van kinderen die heerschen en niet hoeven te gehoorzamen aan anderen, die straf opleggen en niet zelf lijden...Ik wist dat je jeugdvriend goed was, ik hield van hem als zijn vader, maar ik haatte hem van af ’t oogenblik dat ik zag dat hij je in ’t ongeluk zou storten. Want ik heb je lief, ik aanbid je, ik hou van je zooals men een dochter liefheeft. Ik heb geen liefde boven die voor jou. Ik heb je zien groot worden. Er gaat geen uur voorbij dat ik niet aan je denk. Ik droom van je. Je bent mijn eenige vreugde.

En Padre Dámaso barstte in schreien uit als een kind.

“Nu goed, als u me liefheeft, maak me dan niet eeuwig ongelukkig. Hij leeft niet meer, ik wil non worden.”

“Non worden, non worden!” herhaalde [546]hij. “Jij weet niet mijn lieveling, hoe ’t leven is, dat verborgen ligt achter de kloostermuren, je kent het niet. Ik zie je duizendmaal liever ongelukkig in de wereld dan in ’t klooster...Hier kunnen je klachten gehoord worden; daar hooren alleen de muren je...Je bent mooi, heel mooi, en je bent niet bestemd voor de bruid van Christus. Geloof me, mijn kind, de tijd wischt alles uit. Later zul-je vergeten, je zult weer liefhebben, je zult je man liefhebben...Linares.”

“Of ’t klooster of...dood,” herhaalde Maria Clara.

“’t Klooster, het klooster of dood!” riep Padre Dámaso uit. “Maria, ik ben al oud, ik zal niet langer kunnen waken over jou en je rust...Zoek wat anders, een andere liefde, een anderen jongeman, wie ’t ook zij, alles liever dan ’t klooster.”

“Naar ’t klooster of dood!”

“Mijn God, mijn God!” riep de priester, zich het gelaat met de handen bedekkend. “Gij straft me, ’t zij zoo. Maar behoed mijn kind..”

En zich tot het jongemeisje wendend, zeide hij:

“Je wilt dus non worden? Goed, je zult ’t zijn, ik wil je dood niet.”

Maria Clara greep hem beide handen, drukte ze en kuste ze knielend.

“Mijn peetvader, mijn lieve peetvader!” stamelde ze.

“Mijn God, ge bestaat, want ge kastijdt! Maar wreek u op mij, en tref niet dat onschuldige, red mijn dochter.”

[Inhoud]

LXI.

De “Heilige Nacht.”

Daarboven, op de helling van een [547] berg, bij een stortbeek, staat tusschen geboomte verscholen een op boomstammen gebouwde hut. Op het dak van kogon1 slingert en rankt, beladen met vruchten en bloemen, de kalebas-plant. Hertegewei, schedels van wilde varkens eenige met lange slagtanden versieren de landelijke woonstede. Daar huist een Tagaalsch gezin dat zich wijdt aan jacht en houthakken.

In de schaduw van een boom maakt de grootvader bezems van de middennerf van palmbladeren, terwijl een jongmeisje kippeneieren, citroenen en groenten in een mand legt. Twee kinderen, een jongen en een meisje, spelen naast een knaap die, bleek-weemoedig, met groote oogen en diepen blik, op een gevallen boomstam zit. In zijn vermagerde gelaatstrekken herkennen we Sisa’s zoon Basilio, den broer van Crispin.

“Wanneer je been beter is”, zeide het meisje tot hem, “gaan we verstoppertje spelen, en ik zal moedertje zijn.”

“Je klimt dan met ons mee op den top van den berg,” voegde het knaapje erbij, “dan krijg je hertebloed met citroen te drinken, daar word-je dik van. En dan zal ik je leeren springen, van de eene rots op de andere, boven de stortbeek.”

Basilio lachte droef, keek naar de wond aan zijn voet, en richtte dan den blik naar de zon, die schitterend scheen.

“Verkoop die bezems,” zeide de grootvader tot het jonge meisje, “en koop iets voor je broertje en je zusje, want ’t is vandaag feest.” [548]

“Voetzoekers, ik wil voetzoekers!” riep de jongen.

“Ik een kop voor mijn pop!” riep het meisje, haar zuster bij haar kleedje grijpend.

“En jij, wat wil jij?” vroeg de grootvader aan Basilio.

Deze stond met moeite op, en kwam naar den ouden man toe.

“Meneer,” zeide hij tot hem, “ik ben dus nu meer dan een maand ziek geweest?”

“Sedert dat we je flauw en vol wonden vonden liggen, zijn er twee maanden om. We dachten dat je sterven...”

“God moge ’t u vergelden. Wij zijn heel arm!” antwoordde Basilio, “maar nu het toch feestdag is, wil ik naar het dorp gaan, om mijn moeder of mijn broertje op te zoeken. Ze zullen wel ongerust om me zijn.”

“Maar, m’n jongen, je bent nog niet beter en je dorp ligt ver weg: je komt er niet vóór middernacht.”

“Dat is niets, meneer! Mijn moeder en mijn broertje moeten erg bedroefd wezen: alle jaren vieren we dit feest samen...verleden jaar hebben we met ons drieën een heele visch opgegeten... Moeder moet zeker geschreid hebben, toen ze me zocht.”

“Je komt niet levend in ’t dorp, jongen! Vanavond hebben we kip en wild-zwijnsvleesch. Mijn zoons zullen je zoeken, wanneer ze van ’t veld terugkomen...”

“U heeft veel zoons, en mijn moeder heeft niet anders dan ons beiden. Misschien denkt ze dat ik al dood ben. Vanavond wil ik haar een pleziertje aandoen, een nieuwjaars-cadeautje van God gaan brengen: een zoon.” [549]

De oude man voelde zijn oogen vochtig worden, legde de hand op het hoofd van den knaap, en zeide aangedaan:

“Je lijkt een oude man! Goed, ga dan maar, zoek je moeder, geef haar ’t kerstcadeautje...van God, zooals jij zegt. Als ik den naam van je dorp geweten had, was ik er wel heengegaan, toen je ziek was.”

“Ga je heen?” vroeg het jongetje. “Daar beneden zijn soldaten, er zijn veel roovers. Wil je mijn voetzoekers niet zien? Pief paf poef!”

“Wil je geen blindemannetje spelen, met verstoppen?” vroeg op haar beurt het meisje. Heb je je wel ’s verstopt? Niet-waar, er is niets zoo prettig als achternagezet te worden en je dan te verstoppen!

Basilio glimlachte. Hij greep zijn stok, en met tranen in de oogen zeide hij:

“Ik kom gauw terug, ik breng mijn broertje mee: je zult hem zien en met hem spelen. Hij is even groot als jij.”

“Loopt hij ook mank?” vroeg het meisje, “dan zullen we hem ‘moedertje’ laten wezen bij ’t “pico-pico”-spel.”

“Vergeet ons niet,” zei de oude man; “neem dezen plak wildzwijnsvleesch mee, en geef dien aan je moeder.”

De kinderen vergezelden hem tot aan de bamboebrug over de stortbeek met zijn klaterenden loop.

Lucia liet hem op haar arm leunen, en ze verdwenen uit het gezicht der kinderen.

Basilio stapte luchtig voort, in weerwil van zijn omzwachtelden voet.


De noorden wind giert, en de bewoners van San Diego bibberen van koude. [550]

’t Is kerstnacht, en toch is het dorp triestig. Geen enkele papieren lantaren hangt uit de vensters, geen enkel geluid in de huizen duidt op verheugenis als in andere jaren.

In de “opkamer” van Capitán Basilio’s huis zaten deze en Don Filipo, wiens ongeluk hen beiden tot vrienden gemaakt had, naast een tralievenster te praten; terwijl aan ’t andere Sinang, haar nichtje Victoria en de mooie Iday naar de straat uitkeken.

De afnemende maan begon aan de kim te blinken, en verzilverde wolken, boomen en huizen,