The Project Gutenberg eBook of Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels

Author: Alfred Edmund Brehm

Release date: May 10, 2009 [eBook #28746]
Most recently updated: January 5, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by the Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HET LEVEN DER DIEREN: DEEL 2, HOOFDSTUK 01: DE BOOMVOGELS ***


Het Leven der Dieren

Tweede druk—met ongeveer 1200 fraaie afbeeldingen.

Tweede Deel.—De Vogels.
Zutphen.—P. van Belkum Az.

[1]

Algemeene beschouwingen over den bouw en de levenswijze der Vogels.

Men kent den Vogel aan zijne vederen.” In dit spreekwoord ligt een belangrijk kenmerk ter onderscheiding van de Vogels van alle overige Gewervelde Dieren opgesloten. Door er nog bij te voegen, dat een scheede van hoorn de kaken bedekt en dat de voorste ledematen in vleugels veranderd zijn, waaruit volgt, dat het aantal pooten tot twee is verminderd, heeft men de belangrijkste, uitwendig waarneembare kenmerken van de Vogels opgenoemd.

Hoe karakteristiek echter de eigenaardigheden van den lichaamsbouw der Vogels ook schijnen, toch vertoont hun geraamte zooveel overeenkomst met dat van de Kruipende Dieren, dat er voldoende redenen bestaan om de Reptiliën aan te merken als minder sterk gewijzigde afstammelingen van wezens van hetzelfde maaksel als die, waaruit de gevederde Gewervelde Dieren zijn voortgesproten. Kenmerkend voor de Vogels is hun geschiktheid voor ’t vliegen; de meest in ’t oog loopende eigenaardigheden van hun uitwendigen vorm en van hun inwendig maaksel hangen met dit vermogen ten nauwste samen.

De schedel is sterk uitgezet en uit verscheidene beenderen samengesteld; deze zijn bij het jonge dier door duidelijk zichtbare naden verbonden, op lateren leeftijd echter zoo volledig onderling vergroeid, dat er van hun vroegeren, gescheiden toestand geen sporen overblijven. Opmerkelijk is de grootte van de oogkassen en de dunheid van den wand, dien zij met elkander gemeen hebben. Onder het achterhoofdsgat komt slechts één gewrichtsknobbel voor; een grootere beweeglijkheid van den kop dan bij de Zoogdieren bestaat, is hiervan een gevolg.

Het aantal halswervels wisselt af van 9 tot 24; ook hun verbinding laat allerlei bewegingen toe; de 6 à 10 rompwervels en de 9 à 20 lende- en heiligbeenwervels daarentegen zijn zeer weinig beweegbaar en vergroeien dikwijls met elkander tot één been: het lendeheiligbeen. Het aantal staartwervels, dat bij de Zoogdieren zoo verschillend is, bedraagt bij de Vogels meestal 8 à 10, maar kan door vergroeiing verminderen; steeds zijn deze wervels vollediger ontwikkeld dan bij de Zoogdieren, vooral de laatste wervel, die de groote staartveeren draagt, en een vertikale, drie- of vierzijdige beenplaat geworden is. De dunne en breede ribben, welker aantal gelijk is aan dat van de rugwervels, zijn hieraan en door tusschenkomst van bijzondere beenderen (borstbeenribben), voor ’t meerendeel ook aan het borstbeen door gewrichten verbonden. Alle ribben, met uitzondering van de eerste en de laatste, zijn aan haar achterrand voorzien van een haakvormig uitsteeksel, dat tegen den voorrand van de verder achterwaarts gelegen rib aanligt en veel bijdraagt tot de stevigheid van de borstkas. Het borstbeen gelijkt op een groot schild, dat een overlangschen kam draagt. De grootte van dit schild en de hoogte van den kam hangen af van de ontwikkeling der hieraan ontspringende, krachtige borstspieren en verschillen dus, al naar de meerdere of mindere geschiktheid van den Vogel voor ’t vliegen. Bij de Valken b.v. is de borstbeenkam zeer hoog en heeft een sterk gekromden rand; bij de Struisvogels ontbreekt hij geheel.

De schoudergordel bestaat uit het lange, smalle schouderblad, welks voorste uiteinde door het zoogenaamde “ravenbeksbeen” en bovendien nog door een van de beide tot het “vorkbeen” vereenigde sleutelbeenderen met het borstbeen verbonden is. Het schouderblad en de beide sleutelbeenderen (als zoodanig beschouwt men het ravenbeksbeen en iedere helft van het vorkbeen) werken alle drie samen tot het vormen van de gewrichtskom van het schoudergewricht, waarmede het geraamte van den vleugel geleed is. Dit bestaat uit het opperarmbeen (een lang met lucht gevuld pijpbeen), de beide voorarmbeenderen (waaraan op te merken valt, dat de ellepijp geen ellebooguitsteeksel heeft en forscher ontwikkeld is dan het spaakbeen), twee kleine handwortelbeenderen, twee (hoogstens drie) gedeeltelijk aaneengegroeide middelhandsbeenderen en de kootjes van drie vingers: de duim (die bij verscheidene Vogels een op een klauw gelijkenden nagel draagt, welke onder de vederen verborgen is en in dit geval uit twee leden bestaat, maar anders slechts één lid bezit), een groote, tweeledige, middelste en een kleine, éénledige, buitenste vinger; alleen de duim kan afzonderlijk bewogen worden.

De poot bestaat uit boven- en onderbeen, den loop (die door vergroeiing van een deel van den voetwortel en een deel van den middelvoet ontstond) en de teenen (die met den loop gezamenlijk meestal “voet” worden genoemd). Het dijbeen is altijd korter dan het opperarmbeen; het zeer weinig ontwikkelde kuitbeen is met het forsche scheenbeen vergroeid; het loopbeen is een lang pijpbeen, waaraan van onderen gewrichtsvlakken voorkomen ter aanhechting van de teenen. Gewoonlijk zijn drie teenen naar voren en één (de duim of binnenteen) naar achteren gericht. Bij enkele Vogels is echter ook de binnenteen naar voren gekeerd; bij sommige behoudt hij zijn gewonen stand, maar is [2]weinig ontwikkeld; bij andere wijst, behalve de binnenteen, ook de buitenteen achterwaarts; bij uitzondering blijven aan den voet slechts twee uitwendig zichtbare teenen over. De binnenteen bestaat in den regel uit twee, de binnenste voorteen uit drie, de middelste uit vier, de buitenste uit vijf leden.

Van de spieren verdienen vooral vermelding de borstspieren, daar zij de vleugels bewegen. Bij de Vogels bereiken zij een veel grooteren omvang dan bij eenig ander Gewerveld Dier. Door haar samentrekking veroorzaken zij den neerwaartschen vleugelslag. Hare minder krachtige “antagonisten,” de spieren voor den opwaartschen vleugelslag, ontspringen aan den kam, die gevormd wordt door de doornuitsteeksels van de rug- en lendeheiligbeenwervels.

Het zenuwstelsel is bij de Vogels minder ontwikkeld dan bij de leden der vorige klasse. Hoewel ook bij de Vogels de massa van de hersenen grooter is dan die van het ruggemerg, zijn deze belangrijkste centrale deelen bij hen van eenvoudiger maaksel. De groote hersenen, hoewel in twee halfronden verdeeld, missen de windingen, die zoo kenmerkend zijn voor de Zoogdieren.

Alle zintuigen zijn voorhanden en tot op zekere hoogte goed ontwikkeld; geen van hen is onbruikbaar, hoewel eenige een eenvoudige samenstelling vertoonen. Het oog verdient in de eerste plaats genoemd te worden, zoowel omdat het naar verhouding zeer groot is, als wegens zijn inwendig maaksel. De vorm en de grootte van de oogen zijn trouwens zeer verschillend; bij alle Vogels, welker gezicht ver reikt, en bij alle, die een nachtelijk leven leiden, komen zeer groote, bij de overige kleinere oogen voor. Een eigenaardigheid van het vogeloog is de beenige ring in het harde oogvlies; deze bestaat uit 12 à 30 vierzijdige, dunne beenplaten welker randen dakpansgewijs over elkander kunnen schuiven; hare grootte, vorm en stevigheid loopen zeer uiteen. Voorts komt in het oog van den Vogel een zoogenaamde “kam” voor: een vaatrijk vlies, dat met talrijke plooien voorzien en met zwarte kleurstof overtrokken is, in ’t achterste gedeelte van het glaslichaam ligt (vóór de plaats waar de gezichtszenuw in den oogbol doordringt) en zich dikwijls tot aan de lens uitstrekt. Beide, de ring en de kam, stellen waarschijnlijk den Vogel in staat, om naar verkiezing ver- en kortzichtig te zijn; in ieder geval hebben zij invloed op de bewegingen, die binnen in het oog plaats vinden. Een bovenste en een onderste ooglid zijn steeds aanwezig. Bovendien bezitten de Vogels nog een derde, halfdoorzichtig ooglid, het zoogenaamde “wenkvlies”, dat, van den binnenhoek van het oog uitgaande zijwaarts voor den oogbol kan worden geschoven, en bij zeer fel licht ongetwijfeld goede diensten kan bewijzen. Een uitwendig oor is er niet. De groote gehooropeningen liggen zijwaarts aan ’t achterste deel van den kop, en zijn bij de meeste Vogels omgeven of bedekt door straalswijs geplaatste vederen, die echter de geluidgolven niet beletten in het gehoororgaan door te dringen. Bij de Uilen wordt de oorschelp vervangen door een vliezige, zeer beweeglijke plooi, die overeind gezet kan worden en ook de gehooropening kan sluiten. Het trommelvlies komt op geringen afstand van de oppervlakte voor.

De reukorganen staan achter bij die van de Zoogdieren. Een uitwendig waarneembare neus en groote neusholten ontbreken.—Naar het schijnt, bezitten slechts weinige Vogels een fijnen smaak; daar de tong slechts bij enkele zoo samengesteld is, dat zij geschikt zou kunnen zijn om er mede te proeven. Over ’t algemeen wordt dit lichaamsdeel waarschijnlijk meer als tastorgaan dan als smaakzintuig gebruikt; ook kan het dienst doen bij het opnemen van het voedsel, o. a. door er een prooi aan te spietsen.

De organen voor den bloedsomloop en de ademhaling zijn zeer volkomen ontwikkeld. De Vogels hebben een hart met twee kamers en twee boezems, dat, wat samenstelling betreft, zeer veel gelijkt op dat der Zoogdieren, maar naar verhouding veel krachtiger spieren bezit. Aan weerszijden van het hart zijn de beide longen gelegen, nevens de spits van het hart de beide afdeelingen van de lever: het middelrif, dat bij de Zoogdieren de borstholte (met het hart en de longen) van de buikholte (met de lever, de maag, enz.) afscheidt, is n.l. bij de Vogels zeer weinig ontwikkeld en mist de spieren, die het bij de ademhaling der Zoogdieren een rol doen spelen. De longen dringen door in de tusschenruimten, die de ribben overlaten, waar bij de Zoogdieren de tusschenribspieren voorkomen, die hier wegens de onbeweeglijkheid der ribben overbodig zijn. Bovendien strekken de longen zich verder benedenwaarts uit. De ingeademde lucht vult bij de Vogels, behalve ook nog verscheidene luchtzakken, die door het geheele lichaam verspreid zijn, en zelfs in de beenderen voorkomen, niet alleen in het kanaal, dat in het middelste gedeelte der pijpbeenderen gevonden wordt, maar ook in de kleinere holten van het been. De luchtpijp bestaat uit beenige, door vliezen vereenigde ringen; de bovenste, maar vooral de onderste van deze tot beschutting van de luchtpijp dienende beenderen, onderscheiden zich door hun eigenaardige samenstelling; zij vormen organen, die bovenste en onderste strottenhoofd heeten. Het bovenste strottenhoofd dient niet, zooals bij de Zoogdieren, voor de stemvorming; het ligt achter de tong, is bijna driehoekig en bezit geen strotklepje; zijn opening (stemspleet) is omgeven door wratjes, die rijk zijn aan zenuwen; hare randen zijn bekleed met een zachte, gespierde huid, waardoor het strottenhoofd volkomen gesloten kan worden. Het onderste strottenhoofd begint dicht bij de plaats waar de luchtpijp zich in twee longpijpen splitst. Hier vormen de sterk gewijzigde laatste luchtpijpringen den zoogenaamden trommel, welks inwendige ruimte in twee gangen is verdeeld door den beugel, een overlangs gericht beenig schot, uitgaande van het punt waar de beide longpijpen uiteenwijken. Hier komen de stembanden voor, gevormd door plooien van het slijmvlies, dat de luchtpijp inwendig bekleedt; zij begrenzen de twee stemspleten, welker randen bij het uitstroomen van de lucht in trilling gebracht worden, en op deze wijze tot het voortbrengen van de stem dienen. Aan weerszijden van het onderste strottenhoofd zijn spieren gelegen ten getale van 1 à 5 paren, die de veelzijdige bewegingen van het stemorgaan mogelijk maken. Bij slechts weinige Vogels ontbreken deze spieren geheel, bij andere, o. a. bij de meeste Zangvogels, zijn er 5 paren aanwezig, die gezamelijk den zangspiertoestel vormen.—Hoogst eigenaardig zijn bij verscheidene Vogels de krommingen van de luchtpijp; deze daalt van het onderste gedeelte van den hals niet altijd onmiddellijk in de borstholte af, maar dringt bij enkele Vogels vooraf in den kam van het borstbeen door, of vormt aan de buitenzijde der borstspieren een meer of minder lange lus, waarna zij zich weder naar boven richt, om eerst nu in de borstholte af te dalen.

De Vogels hebben geen tanden: zij verzwelgen hun voedsel zonder het vooraf te kauwen; reeds hierdoor verschillen hunne spijsverteringswerktuigen aanmerkelijk [3]van die der Zoogdieren. Ook ontbreken bij gene de vleezige lippen, die bij deze meestal aanwezig zijn. Daarentegen zijn de kaken der Vogels bedekt met een scheede van hoorn; zij vormen den snavel. Bij vele Vogels is de wortel van den bovensnavel gezoomd met een meestal geelachtige, zelden blauwachtige, zachte huid, die washuid heet. Bij de Roofvogels, die over dag jagen, is deze huid het duidelijkst zichtbaar; bij vele moeras- en watervogels, vooral bij de Eenden, bekleedt zij bijna den geheelen snavel met uitzondering van het voorste gedeelte; doordat zij veel zenuweindtoestellen bevat, is zij voor tastorgaan geschikt; bij de Uilen en Hoenderen is zij onder de vederen verborgen. De speekselklieren zijn aanwezig; van een vermenging van het voedsel met speeksel in de mondholte kan echter nagenoeg geen sprake zijn, daar de spijs vóór het doorslikken niet gekauwd wordt. Bij vele Vogels komt zij in de eerste plaats in een verwijding van den slokdarm, die krop heet, hier wordt zij voorloopig bewaard en ondergaat eenige veranderingen. Bij andere komt zij onmiddellijk in de voormaag of kliermaag, die op den slokdarm volgt; de wand van het spijskanaal is hier rijk aan klieren, maar steeds dunner dan die van de eigenlijke maag of spiermaag. De voormaag is het grootst bij die soorten van Vogels, welke geen krop hebben. De spiermaag kan zeer ongelijk ontwikkeld zijn. Gewoonlijk is zij dunwandig bij de Vogels, die zich uitsluitend of bij voorkeur met andere dieren voeden, zeer sterk gespierd daarentegen bij die, welke plantaardige stoffen als voedsel gebruiken; inwendig is zij dan met een harde, geplooide huid bekleed, welke met de krachtige spieren van den maagwand, die haar bewegen, een wrijftoestel vormt, waardoor de spijzen, die met zandkorrels en steentjes gemengd zijn, fijngemaakt en in een brij veranderd worden.

De huid van de Vogels komt, wat haar samenstelling betreft, in hoofdzaak met die der Zoogdieren overeen. Ook zij bestaat uit drie lagen: het verhoornde en het nog levende gedeelte van de opperhuid en de lederhuid. De eerstgenoemde is dun en sterk geplooid; aan den loop en de teenen verdikt zij zich echter en vormt schubben; ook aan den snavel is zij sterker ontwikkeld. De lederhuid is verschillend van dikte: bij sommige Vogels zeer dun, bij andere dik en hard, steeds rijk aan bloedvaten en zenuwen, aan de binnenzijde vaak met een dichte vetlaag bedekt. De veeren ontwikkelen zich in instulpingen van de huid, die, oorspronkelijk vaatrijke, aan de oppervlakte uitpuilende verhevenheden waren, welke zich echter langzamerhand in de lederhuid terugtrekken. Zij ontstaan op soortgelijke wijze als de haren, stekels en schubben van de Zoogdieren, hoewel er in dit opzicht tusschen de Vogels onderling en ook tusschen de verschillende gedeelten van het vogellichaam nog veel onderscheid valt op te merken. Aan de veder merkt men op de as en de uit “baarden” samengestelde vlag, aan de as de spoel en de schacht; de veeren zelve worden onderscheiden in buitenveeren of omtrekveeren en donsveeren. De eerstgenoemde worden verdeeld in pennen (slagpennen aan den vleugel, stuurpennen aan den staart) en kleine veeren (vleugel- en staartdekveeren en bekleedingsveeren), de slagpennen in groote of handpennen en kleine of armpennen. De aansluiting van den uitgebreiden vleugel aan de veeren van den romp wordt verkregen door de veeren van den bovenarm; die van de onderzijde heeten okselveeren, die van de bovenzijde schouderveeren. Aan het handgedeelte van den vleugel komen gewoonlijk 10 handpennen of slagpennen van den eersten rang voor; het aantal armpennen of slagpennen van den tweeden rang is echter zeer verschillend. De kleine pennetjes aan den duim vormen te zamen den duimvleugel. De staart bestaat in den regel uit 12 stuurpennen, zelden zijn er minder, dikwijls meer. De buitenveeren zijn niet overal even dicht bijeengeplaatst, maar integendeel op een bepaalde wijze over vedervelden verdeeld, zoodat eigenlijk het grootste gedeelte van het lichaam naakt is en de bevedering beperkt blijft tot smalle strooken, die bij de verschillende Vogelgroepen ongelijk verdeeld zijn. De Vogels, welker vederenkleed overal even dicht is, kunnen niet vliegen. De schouderveeren en bekleedingsveeren van het voorste deel van den rug vormen te zamen den mantel. Alle bekleedingsveeren zijn dakpansgewijs gerangschikt; de slagpennen en stuurpennen bedekken elkander waaiersgewijs. De dekveeren zijn van boven naar onderen over de onderste gedeelten der slagpennen en stuurpennen gelegen en worden daarnaar onderscheiden in boven- en onderdekvederen van den vleugel en van den staart. Aan den kop onderscheidt men aan de bovenvlakte het voorhoofd, de kruin en het achterhoofd, aan elke zijvlakte den teugel (onder welken naam men de streek tusschen het oog en den wortel van den bovensnavel verstaat), de onder het oog gelegen wangen en de oorstreek (rondom de meestal onder vederen verborgen ooropening). De bovenzijde van den hals heet nek, de zijden blijven den naam van hals behouden, de voorzijde heet keel of voorhals. Aan den romp onderscheidt men den rug (boven- en onderrug; de zijvlakten heeten zijden of flanken, terwijl de ondervlakte verdeeld is in borst en buik.—De donsvederen hebben een korte as, welker baarden niet op twee rijen zijn geplaatst, en geen aaneengesloten geheel, geen vlag, vormen zooals die van de omtrekveeren, maar dunner en buigzamer zijn.—De kleurenpracht der veeren wordt slechts voor een klein deel veroorzaakt door de kleurstoffen die zij bevatten, grootendeels echter door de straalbreking; zij hangt dus af van de gesteldheid van de oppervlakte der veeren.

De Vogels overtreffen alle andere dieren door de snelheid van hun stofwisseling, door hun hooge lichaamstemperatuur. Het eene verschijnsel is een gevolg van het andere: aan hun krachtige ademhaling danken de Vogels hunne meerdere werkzaamheid en kracht. Zij ademen veel sterker dan de andere dieren, want de zuurstof van de lucht komt niet alleen door tusschenkomst van het bloed, en dus scheikundig gebonden aan de bloedkleurstof, maar ook als zoodanig in alle deelen van hun lichaam; daar, zooals reeds gezegd is, niet alleen de longen, maar ook de luchtzakken, de groote en kleine holten der beenderen, en soms zelfs bepaalde ruimten in de huid met lucht gevuld worden. Het bloed wordt rijkelijker met zuurstof voorzien dan bij de overige dieren; oxydatieverschijnselen in het lichaam hebben sneller en krachtiger plaats, de door de zuurstof veroorzaakte prikkel is grooter, de geheele bloedsomloop sneller: men heeft opgemerkt, dat de slagaders en aders naar verhouding dikker zijn, dat het bloed rooder is, meer bloedlichaampjes bevat dan bij de overige Gewervelde Dieren. Hiermede staat de onvergelijkelijke bedrijvigheid der Vogels in het nauwste verband, terwijl voor het stofverbruik, dat er [4]een noodzakelijk gevolg van is, natuurlijk weder een snellere spijsvertering vereischt wordt.

Naar verhouding eet de Vogel meer dan eenig ander wezen. Niet weinige Vogels eten bijna voortdurend, zoolang zij wakker zijn; de insectenjagers eten zooveel, dat het gewicht, van de per dag verbruikte hoeveelheid voedsel twee- à driemaal grooter is dan hun eigen lichaamsgewicht. Bij de vleescheters is de verhouding gunstiger, daar zij per dag nog geen zesde gedeelte van hun gewicht aan voedsel noodig hebben; meer dan dit heeft waarschijnlijk geen der planteneters noodig; toch moeten ook zij in vergelijking met de Zoogdieren veeleters genoemd worden. Het voedsel wordt onmiddellijk in de kliermaag of vooraf in den krop gebracht, en hier voor de vertering voorbereid; in de maag wordt het geheel verweekt of als tusschen molensteen fijngewreven. Verscheidene Vogels vullen bij het eten het spijskanaal tot aan het keelgat met voedsel, andere stoppen den krop zoo vol, dat hij als een bol aan den hals uitpuilt. De Roofvogels kunnen zelfs oude beenderen verteren; in het spijskanaal van groote, zaadetende Vogels worden stukken ijzer veranderd, totdat zij een geheel anderen vorm hebben dan vroeger. Onverteerbare stoffen blijven bij sommige weken lang in de maag liggen, voordat zij verder vervoerd worden; door andere worden zij als ballen weder uitgespuwd. Ondanks de snelle stofwisseling hoopt zich bij overvloedige voeding onder de huid en tusschen de ingewanden zeer veel vet op; als het dier verscheidene dagen achtereen honger moet lijden, wordt dit vet echter volkomen weder verbruikt. Toch kunnen de Vogels het langer dan de meeste Zoogdieren zonder voedsel uithouden.

Het vliegen is de voortreffelijkste bewegingswijze van de Vogels. Alle overige dieren, die geschikt zijn om zich in de lucht te bewegen, fladderen of gonzen; de Vogels alleen vliegen. Dit danken zij aan het maaksel hunner wieken, welker pennen elkander waaiersgewijs bedekken, en zóó gebogen zijn, dat de vleugel aan de benedenzijde een trogvormige uitholling vertoont. Bij de bovenwaartsche beweging van de vleugels ontstaan ruimten tusschen de opeenvolgende slagpennen, waardoor de lucht heendringen kan; bij den neerwaartschen slag voegen de vlaggen zich innig aaneen, en bieden een grooten weerstand aan ’t doordringen van de lucht. De Vogel zal dus stijgen bij iederen neerwaartschen vleugelslag. Daar deze zoowel van voren naar achteren als van boven naar onderen gericht is, beweegt het dier zich meteen vooruit. De snelheid, die de vliegende Vogel kan bereiken, is grooter dan die van eenig ander dier; terwijl hij ook door zijn geschiktheid om de beweging vol te houden, niet achterstaat bij andere wezens. Wat hij in dit opzicht vermag, gaat ons begrip te boven: in weinige dagen kan hij een reis van vele duizenden kilometers volbrengen, in weinige uren een breede zee overtrekken. Vele trekvogels vliegen dagen achtereen zonder een verpoozing van eenig belang; uren lang kunnen sommige Vogels in de lucht spelen; alleen in zeer ongunstige omstandigheden geraken zij buiten staat om zich verder te bewegen.

In den regel zijn de goede vliegers voor ’t gaan meer of minder ongeschikt; ook onder hen zijn er echter eenige, die goed kunnen loopen. De wijze, waarop deze beweging geschiedt, is zeer verschillend; men spreekt bij de Vogels van rennen, draven, loopen, springen, stappen, huppelen, wandelen; sommige kunnen alleen op een plompe wijze waggelen, terwijl andere zich voortschuiven of laten glijden. In vele opzichten verschilt deze beweging, hoewel zij twee ledematen vereischt, van den gang van den mensch. Met uitzondering van eenige weinige Zwemvogels, die zich niet anders dan schuivend over den bodem kunnen voortbewegen, gaan alle Vogels op de teenen. Het best, hoewel niet het vlugst, wordt dit gedaan door die, welker lichaam in het midden ondersteund wordt: de langpootige Vogels loopen goed maar met afgemeten schreden; de kortpootige hebben een gebrekkigen, gewoonlijk huppelenden gang; de bezitters van middelmatig lange pooten bewegen zich zeer snel, zij rennen meer dan zij loopen. Log en onbeholpen is de gang van alle Vogels, welker lichaam een steilen stand heeft. Die, welke eveneens ver achterwaarts geplaatste pooten hebben, maar het lichaam vooroverbuigen, gaan weinig beter, omdat zij bij elken stap het voorste gedeelte van den romp op een duidelijk merkbare wijze moeten draaien. Eenige uitstekende vliegers kunnen in ’t geheel niet meer gaan; eenige uitmuntende duikers kunnen zich alleen schuivend en kruipend over den bodem verplaatsen. Bij zeer snellen loop maken vele gebruik van hunne vleugels.

Niet weinige leden van deze klasse kunnen zich behendig in ’t water bewegen, volbrengen gedurende het zwemmen hunne meeste verrichtingen, roeien over de oppervlakte voort en kunnen ook duiken. Iedere Vogel zwemt, als hij in het water wordt geworpen; de geschiktheid voor ’t zwemmen komt niet uitsluitend aan de eigenlijke Zwemvogels toe. De vederen staan bij deze en alle andere in ’t water levende Vogels dichter bijeen dan bij de overige; bovendien worden zij voortdurend met vet besmeerd en zijn hierdoor uitmuntend tegen het water bestand. De Vogel, die aan de oppervlakte van ’t water zwemt, behoudt dezen stand zonder eenige inspanning; iedere roeiwerking dient bij hem uitsluitend tot voortbeweging van ’t lichaam. Voor ’t zwemmen gebruikt hij gewoonlijk alleen de voeten, die met saamgevouwen teenen naar voren getrokken, vervolgens uitgespreid en daarna met volle kracht tegen het water gedrukt worden; als hij bedaard zwemt, geschiedt dit eerst met den eenen en dan met den anderen poot, bij snel zwemmen meestal met beide tegelijk. Om te sturen wordt één poot met uitgespreide teenen achterwaarts gestrekt en de andere voor ’t roeien gebruikt. Meestal gaat met de geschiktheid tot zwemmen die tot duiken gepaard. Eenige Vogels zwemmen onder water sneller dan aan de oppervlakte en wedijveren met de Visschen; andere zijn alleen dan tot duiken in staat, als zij zich van een zekere hoogte in het water laten neerploffen. Deze beide bekwaamheden zijn van beteekenis voor de levenswijze van het dier. Zij, die van den waterspiegel uit met een meer of minder zichtbaren sprong in het water duiken, worden zwem- of sprongduikers, zij die uit de lucht in het water neerschieten, stootduikers genoemd. De diepte, die zij bij ’t duiken bereiken, hunne richting en snelheid bij deze beweging, de tijd, dien zij onder de oppervlakte doorbrengen, zijn zeer verschillend. Eidereenden kunnen, naar men zegt, 7 minuten lang onder water blijven en tot een diepte van 120 M. afdalen; de meeste Vogels bereiken stellig zulk een diepte niet en keeren reeds na hoogstens 3 minuten naar den waterspiegel terug om adem te halen. Eenige Vogels, die niet tot de Zwemvogels behooren, kunnen niet slechts zwemmen en duiken, maar ook op den bodem van ’t water rondloopen.

Een andere vaardigheid, die bij vele Vogels voorkomt, is het klimmen; vele zijn meesters in deze kunst. Hiertoe bedienen zij zich bij voorkeur van de voeten, [5]sommige bovendien van den snavel en van den staart, in bepaalde gevallen zelfs van de vleugels.

Een begaafdheid, waardoor de Vogels boven de meeste dieren uitmunten, is het bezit van een luide, volle en zuivere stem. Wel is waar kunnen vele Vogels slechts weinige tonen of alleen onaangename, krijschende en gillende geluiden voortbrengen; de meeste echter hebben een buitengewoon buigzame en klankvolle stem. Deze maakt een veelomvattenden spraak en een liefelijk gezang mogelijk.

Uit nauwgezette waarnemingen is gebleken, dat de Vogels tot aanduiding van verschillende gewaarwordingen, indrukken en begrippen bepaalde geluiden laten hooren, waaraan men zonder overdrijving de beteekenis van woorden kan toekennen, daar de dieren hierdoor elkander mededeelingen kunnen doen; ook voor den opmerkzamen waarnemer worden deze klanken verstaanbaar, indien hij geen moeite schroomt om hunne bedoeling te leeren begrijpen. De Vogels lokken of roepen, geven hunne vreugde en liefde te kennen, dagen mededingers tot den strijd uit of roepen vrienden te hulp, waarschuwen elkander tegen vijanden en andere gevaren, kortom zij doen mededeelingen van allerlei aard. Niet alleen Vogels, die tot één soort behooren, kunnen elkanders geluiden verstaan; de meer bevoorrechte leden van deze klasse kunnen ook met minder begaafden spreken. Naar de aanmaning van de groote Moerasvogels luisteren hunne kleinere, op het strand levende verwanten; een Kraai waarschuwt de Spreeuwen en andere Vogels, die op den akker hun voedsel zoeken; het angstgeschreeuw van den Merel is een aansporing tot waakzaamheid voor alle bewoners van het woud. Vogels die zeer voorzichtig zijn, doen ten bate van allen als schildwachten dienst en hunne berichten worden door de overige goed ter harte genomen. Gedurende den paartijd babbelen en minnekoozen de Vogels dikwijls alleraardigst onderling; op een niet minder liefderijke wijze spreekt de moeder met hare kinderen. Sommige Vogels werken samen tot de uitvoering van bepaalde composities, doordat de eene het geroep van den anderen beantwoordt; andere geven lucht aan hunne gewaarwordingen zonder er op te letten of er al dan niet naar hen geluisterd wordt. Dit laatste is o. a. het geval bij de Zangvogels, de lievelingen van de schepping gelijk men ze wel noemen mag, die meer dan de andere leden hunner klasse onze geheele liefde verworven hebben.

Wat de geschiktheid tot het doen van mededeelingen door de spraak betreft, staan beide geslachten ongeveer op dezelfde hoogte; het zingen evenwel is een voorrecht van de mannetjes, slechts hoogst zelden leert een wijfje het voortbrengen van eenige muzikale strophen. Bij alle eigenlijke Zangvogels zijn de spieren aan het onderste strottenhoofd in hoofdzaak op gelijksoortige wijze ontwikkeld; hun bekwaamheid in ’t zingen is echter zeer verschillend. Iedere soort heeft tonen, die haar kenmerken, en een bepaalden omvang van de stem. Sommige Vogels verbinden de tonen op een eigenaardige wijze tot coupletten of strophen, die door de meerdere of mindere volheid, afronding en sterkte der tonen gemakkelijk van andere afdeelingen van het gezang onderscheiden kunnen worden. Bij sommige omvat het lied slechts weinige tonen, terwijl het zich bij andere over verscheidene octaven uitstrekt. Een Vogel “slaat”, wanneer zijn gezang uit strophen bestaat, die goed gearticuleerd worden voorgedragen, duidelijk vaneen gescheiden zijn. Van “gezang” is meer bepaaldelijk sprake, als de tonen, hoewel voortdurend afwisselend, een meer vloeiende melodie, geen strophen vormen. De Nachtegaal en de Vink slaan, de Leeuwerik en Distelvink zingen. Het “gekweel” is een meer verward, niet gearticuleerd mengsel van tonen, gewoonlijk alleen zachte en hooge. Alleen de slag en het gezang hebben muzikale waarde en maken op ons een krachtigen indruk. Iedere Zangvogel weet trouwens afwisseling in zijn lied te brengen. Ook de omgeving oefent invloed uit op deze wijzigingen: Vogels van dezelfde soort zingen in het gebergte anders dan in de vlakte, hoewel een nadere omschrijving van dit verschil alleen door een deskundige kan worden gegeven. Een Vogel die goed slaat of zingt, kan op het gezang van andere Vogels in de door hem bewoonde streek een gunstigen invloed oefenen en uitmuntende leerlingen vormen; terwijl omgekeerd slechte zangers goede bederven kunnen: de jonge Vogels volgen het voorbeeld van de oudere leden van hun soort, maar nemen ongelukkig, evenals de menschen, lichter gebreken dan volmaaktheden over. Sommige Vogels bepalen zich niet tot het gezang, dat hun van nature eigen is, maar voegen hierbij enkele tonen of strophen uit het gezang van andere Vogels en zelfs klanken of geluiden die niet van Vogels afkomstig zijn, en hun aandacht getrokken hebben. Zulke Vogels worden gewoonlijk “Spotvogels” genoemd, hoewel hun met dezen naam onrecht aangedaan wordt. Zangvogels in den eigenlijken zin van ’t woord—d. w. z. zulke, die niet slechts een zangspiertoestel bezitten, maar ook werkelijk zingen—treft men aan in alle landen der wereld, hoewel zij het veelvuldigst zijn in den noordelijken gematigden gordel.

Al wat ik vroeger van het verstand en den aard der Zoogdieren gezegd heb, is mijns inziens ook toepasselijk op de Vogels; ik zou geen talent, geen karaktertrek van gene weten te noemen, die ook niet bij deze opgemerkt kan worden. Men moet echter bij alle dergelijke vraagpunten wel in ’t oog houden, dat onze verklaringen van vele verschijnselen van het leven der dieren weinig meer zijn dan onderstellingen. In het gunstigste geval wordt het dier en zijn aard door ons slechts gedeeltelijk begrepen. Soms kunnen wij ons een denkbeeld vormen van zijne gedachten en oordeelvellingen: in hoever dit denkbeeld juist is, weten wij echter niet.

De Vogels zijn wereldburgers. Zoover de aarde onderzocht is, heeft men ze gevonden: op de eilanden om de beide polen, zoowel als bij den evenaar, in zee niet minder dan op of boven de hoogste bergtoppen, in vruchtbare landstreken en ook in woestijnen, in het oerwoud zoowel als op kale, onmiddellijk aan de zee grenzende rotspunten. Iedere aardgordel herbergt eigenaardige gevederde bewoners. Over ’t algemeen zijn de regels van de geographische verbreiding der dieren ook op de Vogels toepasselijk: in de koude gordels vindt men wel een verbazend groot aantal individuën, maar slechts een betrekkelijk gering aantal soorten; de verscheidenheid van vormen neemt gestadig toe, naarmate men nader bij den evenaar komt. De nivelleerende invloed van het water is ook hier waarneembaar: het bezit en onderhoudt betrekkelijk weinige soorten. Op het land daarentegen komen nevens elkander zeer verschillende levensomstandigheden voor, welker verscheidenheid zich ook in de vogelwereld afspiegelt. Want niet slechts in iederen gordel, maar zelfs in ieder gebied, dat door een bijzondere, plaatselijke gesteldheid gekenmerkt is, treden eigenaardige Vogels op: in de toendra’s of waterwoestijnen van het hooge [6]noorden andere dan in de zandwoestijn, in de vlakte andere dan in het gebergte, in boomlooze gewesten andere dan in het woud. De vogelfauna’s verschillen in dezelfde mate als de gesteldheid van den bodem en het klimaat. Op het water is de verbreidingskring van iedere soort op zich zelf beschouwd grooter dan op het land, waar soms reeds een breede stroom, een gedeelte van de zee, een gebergte van de grensscheiding vormt; toch zijn er ook grenzen voor het verspreidingsgebied der zeevogels. Er zijn uiterst weinig Vogels, die in den letterlijken zin van ’t woord alle deelen der aarde bewonen; tot dusver is dit slechts van een enkelen landvogel en van eenige moerasvogels en watervogels aangetoond. Een wereldburger is b.v. de Moerasuil of Kortoorige Uil, die in ieder der vijf werelddeelen gevonden wordt; een wereldburger is ook de Gewone Steenlooper, die aan de kusten van alle vijf werelddeelen, op het westelijk zoowel als op het oostelijke halfrond voorkomt. In den regel strekt de verbreidingskring zich verder uit van ’t oosten naar ’t westen dan van ’t noorden naar ’t zuiden: in het noordelijk halfrond leven vele Vogels, die in alle drie werelddeelen ongeveer in gelijken getale gevonden worden. In de richting van ’t noorden naar ’t zuiden daarentegen kan een verschil in ligging van eenige honderden kilometers reeds een groote verandering in de vogelfauna teweegbrengen. Het bewegensvermogen van een Vogel is niet evenredig aan de grootte van zijn verbreidingskring: zeer goede vliegers kunnen tot een betrekkelijk klein gebied beperkt zijn, terwijl Vogels met minder goede vliegwerktuigen een veel grootere verbreiding kunnen hebben. Ook de reizen, die op geregelde tijden ondernomen worden, het trekken en het zwerven der Vogels, dragen, zooals ons later zal blijken, niet bij tot het vergrooten van hunne verbreidingskringen.

Faunistische statistieke opgaven leeren, dat de oostelijke helft der aarde door ongeveer 4300, de westelijke door ongeveer 3000 soorten van Vogels bewoond wordt. Deze getallen zijn echter slechts bij benadering juist, en stemmen ook niet overeen met de begrootingen van andere vogelkenners. Waarschijnlijk is onze schatting niet te laag, als wij het aantal der op heden werkelijk bekende vogelsoorten op 10000 stellen.

De Vogels hebben zeer verschillende verblijfplaatsen. Zij bewonen alle oorden, waar zij hunne behoeften kunnen bevredigen. De in ’t water levende Vogels begeven zich van de zee tot op de groote hoogte in ’t gebergte; nog hooger dan zij verheffen zich de moerasbewoners, om de eenvoudige reden, dat zij minder aan het water gebonden zijn. Ook het droge land heeft overal zijne standvastige bewoners; zelfs te midden van de woestijn, op zandvlakten, waar, naar men zou kunnen meenen, ternauwernood eenig schepsel het noodige voedsel kan vinden, komen sommige Vogels nog aan den kost. Voor ’t meerendeel hangt echter hun bestaan, zoo niet onmiddellijk dan toch middellijk, even goed van de plantenwereld af als dat der Zoogdieren. Eerst in het woud openbaart deze klasse haar geheelen rijkdom, haar groote verscheidenheid van vormen. De zee verschaft voedsel aan millioenen Vogels van gelijke soort, die zich gedurende den broedtijd op bepaalde rotswanden, eilanden en schorren verzamelen. Maar, hoe talrijk deze gezelschappen ook zijn: op het land en zelfs in het woud vindt men zwermen, die niet minder leden tellen; bovendien komt hier veelvormigheid voor, terwijl ginds eenvormigheid regel is. Het aantal Vogelsoorten neemt toe, naarmate men nader bij den evenaar komt, omdat tusschen de keerkringen het land meer afwisseling aanbiedt dan ergens anders: door deze veelzijdigheid van den bodem kunnen de eischen voor het bestaan van een grooter aantal verschillende soorten bevredigd worden. Om dezelfde reden zijn het juist niet de groote wouden, die de grootste menigvuldigheid van vormen aanbieden, maar veeleer gewesten, waar bosschen met heiden of steppen, bergen met dalen, droog land met moerassige of waterrijke oorden afwisselen. Bij een door bosschen vloeiende rivier, een door boomen omgeven moeras, een overstroomd gedeelte van het woud, vereenigen zich altijd meer soorten van Vogels dan men elders bijeen ziet, omdat op plaatsen, waar de voortbrengselen van het water nevens die van het land voorkomen, noodzakelijkerwijze een grooter overvloed van voedingsmiddelen voorhanden zal zijn, dan daar, waar het eene of andere gebied de overhand heeft. Evenals alle overige schepsels zijn de Vogels meer of minder gehecht aan een bepaalde plaats, naarmate zij hier meer of minder gemakkelijk hun voedsel kunnen verkrijgen.

De Vogels verstaan meesterlijk de kunst om van een bepaald gebied partij te trekken. Zij doorzoeken elke spleet, alle schuilhoeken en woonplaatsen van dieren; al wat eetbaar is, pikken zij op. Als men let op de soort van voedsel en de wijze waarop het verkregen wordt, kan men ook bij hen van verschillende beroepen of handwerken spreken. Eenige, zooals vele zadeneters en de Duiven, gebruiken geen andere voedingsmiddelen dan die, welke open en bloot liggen; andere zaadetende Vogels halen de gewenschte buit uit peulen en andere doosvruchten; de Hoenderen brengen zaden, wortels, knollen en dergelijke stoffen aan ’t licht door in den grond te krabben. De vruchteneters plukken bessen of andere sappige vruchten met den snavel af, eenige van hen doen dit gedurende het vliegen. De insecteneters zoeken hun buit, onverschillig in welk levenstijdperk hij verkeert, van den bodem op, nemen hem van de takken en bladen af, trekken hem uit bloemen, spleten en barsten naar buiten, brengen hem dikwijls eerst na een langdurigen en moeilijken arbeid te voorschijn, of vervolgen hem met de tong tot in de verst afgelegen hoeken van zijne schuilplaatsen. De Raven verrichten al deze bezigheden te zamen genomen en liefhebberen ook op het terrein van de echte Roofvogels. Van deze beoefent ieder zijn eigenaardige kostwinning zoo volledig mogelijk. Men vindt onder hen bedelaars of tafelschuimers, straatreinigers en verzamelaars van afval; sommige eten alleen aas, andere hoofdzakelijk beenderen; vele, die geen afkeer hebben van krengen, maken bovendien ook wel jacht op levende dieren. Sommige Roofvogels vervolgen hoofdzakelijk groote Insecten, en vallen slechts nu en dan kleine Gewervelde Dieren aan, die daarentegen de eenige prooi zijn, die door andere leden van hetzelfde gilde wordt nagejaagd. Er zijn Roofvogels, die alleen zittend of loopend, andere, die alleen vliegend wild trachten te overmeesteren, terwijl enkele op allerlei wijzen aan den kost zien te komen. Bij de Moeras- en Watervogels is het evenzoo gesteld. Vele van hen zoeken op, wat open en bloot ligt, andere doorzoeken de schuilplaatsen van dieren; eenige eten plantaardige en dierlijke stoffen, andere uitsluitend de laatstgenoemde; deze verkrijgen hun voedsel door het ziften van het vloeibare slijk, gene duikelen hun buit, van een soms niet onbelangrijke diepte uit het water op; sommige zoeken hunne slachtoffers onder water; andere schieten uit de lucht neer op een te voren uitgekozen prooi. Er is geen landstreek, geen plekje op aarde, dat niet door Vogels geëxploiteerd wordt. Ieder tracht zijne begaafdheden op de best mogelijke wijze in praktijk te brengen en zoo [7]goed als ’t kan in zijn onderhoud te voorzien. Van de uitrusting en de wapens, van den lichaamsbouw van den Vogel hangt het af, welk beroep hij uitoefent.

De Vogel doorleeft een korte kindsheid, maar een lange jeugd, zij het dan ook, dat deze niet geëvenredigd is aan den voor hem bereikbaren leeftijd. Wel is zijn groei spoedig afgeloopen en is hij reeds weinige weken na zijn verschijning op de wereld geschikt om deel te nemen aan hare moeiten en strijd, opgewassen tegen lotswisselingen en vijandelijkheden; er moet echter nog een geruime tijd verloopen, voor hij gelijk geworden is aan zijne ouders. Zooals iedereen weet, ontwikkelt hij zich uit het ei, en wel onder den invloed van de warmte, die de broedende moeder, de rotting van plantaardige stoffen of de zon hem toevoert. De grootte en de vorm van het ei zijn zeer verschillend. De grootte is meestal in zoover geëvenredigd aan den omvang van het lichaam der moeder, dat het gewicht van het ei een bepaald deel uitmaakt van het lichaamsgewicht van het eierleggende dier, maar vertoont overigens veel afwisseling; er zijn Vogels, die naar verhouding van hun omvang zeer groote, andere, die betrekkelijk zeer kleine eieren leggen. Gewoonlijk verschilt de vorm niet aanmerkelijk van dien van het kippenei; bij enkele is het ei echter meer tol- of peervormig, bij andere meer rolrond. Van de kleur van het ei kan weinig in ’t algemeen gezegd worden, alleen dit, dat de eieren, die in holen gelegd worden, meestal wit of althans éénkleurig zijn, terwijl die, welke in open nesten komen te liggen, meestal vlekken op de schaal hebben.

Zoodra het wijfje een voldoend aantal eieren gelegd heeft, begint het broeden. De moeder blijft op het nest zitten en levert—hetzij alleen of geregeld vervangen door haar echtgenoot—aan de in het ei aanwezige kiem de warmte van haar lichaam; ook trekt zij soms voor een tijd partij van de warmte, die door de zonnestralen geleverd of door de gisting van rottende plantaardige stoffen ontwikkeld wordt. Al naar de weersgesteldheid komen de eieren vroeger of later uit; de wisselingen van den broedtijd zijn echter bij de dieren van een zelfde soort niet zeer belangrijk. Anders is het, zooals te verwachten was, met den broedtijd van verschillende soorten gesteld: een Struis broedt langer dan een Kolibri, gene 55 à 60, deze 10 à 12 dagen; de gemiddelde duur van de bebroeding kan men op 18 à 26 dagen stellen.

Voor de vorming en ontwikkeling van de kiem wordt een temperatuur van 37.5 à 40 graden Celsius vereischt. Het is niet noodig, dat deze teweeggebracht wordt in aanraking met het lichaam van den broedenden Vogel; zij kan met inachtneming van bepaalde voorwaarden aan alle mogelijke, andere warmtebronnen ontleend worden. De oude Egyptenaars wisten reeds voor duizenden van jaren, dat men de broedende hen vervangen kan door op kunstmatige wijze voortgebrachte warmte, mits de temperatuur op één hoogte worde gehouden. De blootstelling van het bevruchte kippenei aan een standvastige temperatuur van 37.5 graden Celsius gedurende 21 dagen, levert bijna zonder uitzondering een kuiken. Met het oog op de stofwisseling van de kiem die zich binnen de eischaal bevindt, is een behoorlijke luchtverversching in de ruimte, die de bebroede eieren bevat, volstrekt noodzakelijk: uit een ei, dat door de fijne openingen van de schaal geen zuurstof kan opnemen, zal zich geen kuiken ontwikkelen.

Weinige Vogels bereiken in het ei een even hoogen ontwikkelingstrap als bijvoorbeeld het Hoen; betrekkelijk weinige zijn in staat om eenige minuten na het verlaten van den dop onder leiding van de moeder of zelfs zonder eenige hulp van de zijde der ouden in den letterlijken zin van het woord de eerste schreden te doen op den levensweg. Juist zij, die als volwassenen de grootste spierkracht en geschiktheid tot beweging bezitten, zijn in hun jeugd buitengewoon hulpbehoevend. De nestvlieders komen bevederd en met goed ontwikkelde zintuigen, de nestblijvers naakt en blind ter wereld; gene maken na het verlaten van het ei een zeer aangenamen indruk, omdat zij tot op zekere hoogte volledig ontwikkeld zijn; deze trekken de aandacht door hun gebrekkigheid en leelijkheid. De tijd die voor hun verdere ontwikkeling tot aan het uitvliegen vereischt wordt, is zeer verschillend. De kleine nestblijvers kunnen 3 weken na het verlaten van het ei vliegen, de grootere eerst na verscheidene maanden; bij enkele moeten er verscheidene jaren verloopen, voordat zij aan hunne ouders gelijk zijn. De jeugd van de Vogels is n.l. niet reeds geëindigd als zij het nest verlaten, maar eerst als zij op gelijke wijze als de volwassenen bevederd zijn. Verscheidene hebben aanvankelijk een vederenkleed (jeugdkleed), dat met den tooi van hunne ouders (volkomen kleed) niet overeenstemt; andere gelijken in hun jeugd op het wijfje, zoodat het geslachtsverschil eerst merkbaar wordt, als zij het volkomen kleed verkregen hebben. Enkele Vogels moeten een reeks van jaren doorleefd hebben, voordat zij oud, d. i. werkelijk volwassen, genoemd kunnen worden.

Alle veranderingen, die de bevedering ondergaat, worden veroorzaakt door het afslijten, verkleuren en ruien of vervangen der vederen. Door de afslijting worden de vederen niet altijd leelijker, integendeel dikwijls verkrijgen zij hierdoor een fraaier voorkomen, want op deze wijze worden de onooglijke gekleurde spitsen der vederen verwijderd en treden de vroolijker gekleurde middelste gedeelten meer op den voorgrond. Hierdoor ontstaat in den regel het zoogenaamde pracht- of bruiloftskleed der Vogels. De verkleuring, een verschijnsel dat vroeger door vele onderzoekers geloochend werd en toch wel degelijk bestaat, brengt op een andere wijze, waarvan ons de verklaring tot dusver ontbreekt, verandering in de kleur van enkele deelen van het gevederte teweeg. De Zeearenden b.v. hebben gedurende hun jeugd een effen donker kleed, terwijl bij de volwassenen steeds de staart, bij andere soorten ook de kop wit is.

De ouderdom, die de Vogel bereiken kan, staat eenigzins in verband met zijn grootte en misschien ook met den duur van zijn jeugd. Over ’t algemeen mag men zeggen, dat de Vogels zeer oud kunnen worden. De Kanarievogels leven, als zij goed verzorgd worden, ongeveer even lang als Huishonden, n.l. 12, 15, 18 jaren; voorzoover zij aan een gewelddadigen dood ontkomen, worden zij in de vrije natuur waarschijnlijk nog ouder. Er zijn voorbeelden van bekend, dat Arenden meer dan 100 jaar als gevangenen hebben geleefd en dat Papagaaien verscheidene menschenleeftijden medemaakten.

Geen ander schepsel verstaat de kunst om zoo snel te leven als de Vogel; geen ander schepsel weet zoo goed partij te trekken van den tijd als hij. De langste dag is hem bijna niet lang genoeg, de kortste nacht bijna niet kort genoeg; zijn bedrijvige aard verzet zich tegen het verslapen en verdroomen van de helft van ’t leven; wakker, opgewekt, vroolijk wil hij den tijd, die hem gegund is, doorbrengen. [8]

Alle Vogels ontwaken vroeg uit den korten nachtslaap. De meeste zijn in beweging, nog voordat het morgenrood de gezichtseinder kleurt. In de landen binnen den poolcirkel maken zij gedurende het jaargetijde, waarin de zon niet beneden de kim daalt, nauwelijks eenig onderscheid tusschen de uren van den dag en die van den nacht.

De Vogel, die met een stem begaafd is, begroet de komst van den morgen met zijn gezang. Eerst nadat hij gezongen heeft begint hij voedsel te zoeken. Bijna alle Vogels doen dit hoofdzakelijk gedurende twee gedeelten van den dag, des morgens en tegen den avond; de middaguren zijn gewijd aan de rust, het schoonhouden van hun lichaam, het ordenen van hunne vederen. Uitzonderingen op dezen regel merkt men op bij alle Vogels, die meer dan andere bij ’t verkrijgen van hun voedsel van een gelukkig toeval afhangen. De Roofvogels eten slechts éénmaal per dag; zij, die niet zelf een prooi overmeesteren, maar gebruik maken van dieren, die op een andere wijze den dood vonden, zijn volstrekt niet altijd zoo gelukkig iederen dag te kunnen eten, maar moeten dikwijls dagen lang hongerlijden. In de meeste gevallen wordt de spijs verslonden op den dag, waarop zij verworven werd; enkele Vogels echter—bijvoorbeeld Klauwieren, Spechten en Boomklevers—brengen een voorraad proviand bijeen en bewaren deze op bepaalde plaatsen; zij hebben dus echte voorraadschuren, waaruit ook gedurende den winter geput wordt. Na den maaltijd wordt gedronken en daarna een bad genomen, tenzij zand, stof of sneeuw het water moeten vervangen. Na deze verkwikking is de Vogel gewoon door genoegelijke rust de spijsvertering te bevorderen, zijne vederen te reinigen en in orde te brengen; daarna wordt een tweede jachttocht ondernomen. Als ook deze naar wensch is afgeloopen, begeeft hij zich tegen den avond naar de bepaalde plaatsen, om met andere dieren van zijn soort gezellig samen te zijn; de Zangvogel laat dan nogmaals uit volle borst zijne liederen weerklinken; eerst dan begeeft hij zich ter ruste, hetzij op bepaalde slaapplaatsen in gezelschap van een aantal soortgenooten, òf, gedurende den broedtijd, in de nabijheid van het nest, waarop zijn gade de eieren uitbroedt, of waarin de nog hulpbehoevende kinderen liggen, voor zoover deze hem niet vergezellen. Het slapengaan geschiedt niet zonder verdere voorbereiding, maar wordt integendeel voorafgegaan door langdurige beraadslagingen, een druk gesnap, geschreeuw en gekrijsch, totdat eindelijk de vermoeidheid zich doet gelden. Een ongunstige weêrsgesteldheid verstoort den regel en brengt verandering in de levenswijze, daar het weder over ’t geheel genomen een zeer grooten invloed op den Vogel heeft.

Als de natuur herleeft, wordt ook de Vogel tot een nieuw leven opgewekt. Overal valt zijn paartijd samen met de lente; in de landstreken onder de keerkringen paren de Vogels dus in het begin van het regenseizoen, dat niet met onzen winter, maar met onze lente overeenkomt. In tegenstelling met andere dieren sluiten de meeste Vogels een huwelijksverbond voor het geheele leven; veelwijverij komt slechts bij weinige soorten voor, terwijl zij bij de Zoogdieren geen zeldzaamheid is. Het paartje, dat zich eens vereenigde, blijft gedurende het geheele leven trouw aaneenverbonden. Terwijl de mannetjes het hof maken aan de wijfjes, beijveren zij zich zeer om hun beminnelijkheid goed te doen uitkomen; eenige openbaren hun liefde door een smachtend geroep of gezang, nog andere door sierlijke dansen, nog andere door spelen in de lucht, enz.

Reeds gedurende het minnespel zoekt het paartje een geschikte plaats uit voor het nest, tenzij de Vogels behooren tot een der soorten die gezellig nestelen, volksplantingen vormen en ieder jaar naar dezelfde plaats terugkeeren. In den regel bevindt het nest zich ongeveer in het middenpunt van het door den Vogel bewoonde gebied; de plaats waar het gebouwd wordt, is natuurlijk bij verschillende soorten zeer ongelijk. Strikt genomen zijn er liefhebbers voor ieder bruikbaar plekje, in de hoogte zoowel als in de diepte, in het water zoowel als op het land, in het bosch zoowel als op het veld. De Roofvogels geven de voorkeur aan hoogten voor het aanleggen van hun “horst” en gaan er zelden toe over om op den bodem te nestelen, waar daarentegen bijna alle Loopvogels hun nest maken. De bosch- en boomvogels bouwen het in de twijgen, op de takken, in door henzelf uitgehouwen of op andere wijze gevormde holten van boomstammen, in het mos op den bodem enz. De moerasvogels nestelen in het riet en andere aan den oever groeiende planten of op kleine eilandjes, of maken een op het water drijvend nest. Sommige zeevogels verbergen het in rotsspleten, in holen die door henzelf gegraven zijn en op andere dergelijke plaatsen; kortom de ligging van het nest is zoo verschillend, dat er in ’t algemeen niets anders van gezegd kan worden, dan dat ieder nest òf op een verborgen plaats aangelegd en op deze wijze voor de vijanden onzichtbaar gemaakt is, òf wanneer het open en bloot ligt, zoo gebouwd is, dat het niet gemakkelijk wordt opgemerkt, òf eindelijk voorkomt op plaatsen, die voor de te duchten vijanden ontoegankelijk zijn. Wanneer Vogels tot een zelfde familie of orde behooren, mag men hieruit nog niet afleiden, dat zij op dezelfde wijze hun nest zullen bouwen als hunne verwanten; want juist door de plaats waar zij nestelen, verschillen de leden van één familie, ja zelfs de soorten van één geslacht aanmerkelijk van elkander.

De eenvoudigste nesten zijn die van de Vogels, welke hunne eieren zonder eenige voorzorgsmaatregelen op den bodem neerleggen; op hen volgen zij, die op zijn minst een kuiltje voor de eieren in den grond graven; vervolgens komen de Vogels, die dit kuiltje met zachte stoffen bekleeden. Dezelfde opeenvolging komt voor bij die, welke niet op den vlakken bodem maar in holen broeden, en tot op zekere hoogte ook bij hen, die een drijvend nest vervaardigen, hoewel deze natuurlijk alle eerst een soort van vlot moeten bouwen. Onder de nesten in de boomen merkt men bijna evenveel wijzen van nestbouw op, als er Vogelsoorten zijn, die in boomen wonen. Sommige brengen slechts weinige takjes op een slordige wijze bijeen, andere vervaardigen althans een behoorlijke onderlaag, nog andere geven hieraan een komvormig gedaante; deze bekleeden de holte van binnen met riet en fijne takjes, gene met nog dunnere twijgen, worteltjes, haren en vederen; verscheidene bouwen een dak over het nest, enkele verlengen zelfs de ingangsopening tot een buis. Op de Vogels, die hun nest van takjes bouwen, volgen in de eerste plaats de wevers, die niet alleen grashalmen, maar ook wollige, plantaardige stoffen dooreenvlechten, samenweven en tot een viltachtige massa verwerken, deze met draden, die de natuur hun levert, of die zij zelve vervaardigen, in den letterlijken zin van ’t woord aaneennaaien en op deze wijze hun meesterschap in ’t nesten bouwen toonen. Meesters in deze kunst zijn echter ook de Vogels van ’t metselaarsgilde, die de wanden van hun nest van leem samenstellen. Deze bouwstof wordt door vermenging met speeksel vooraf toebereid en geschikter gemaakt voor ’t beoogde [9]doel; daar hierdoor de samenhang der aarddeeltjes toeneemt, zoodat het nest zeer stevig wordt. Verscheidene metselaars maken trouwens volstrekt geen gebruik van leem, maar lijmen fijne plantendeelen, zooals mos en stukjes van bladen, met hun speeksel aaneen; andere maken alleen van de laatstgenoemde stof gebruik, die weldra hard worden, den wand van het nest moet vormen. In den regel dient het nest alleen om er eieren in te leggen en uit te broeden en als wieg en kinderkamer voor de jongen; eenige Vogels bouwen echter ook nesten, die voor speel- en uitspanningsplaatsen of als winterverblijf moeten dienen; andere gebruiken de nesten, die reeds als broedplaatsen dienst deden, ook voor het andere doel. Het eerst bedoelde geval komt voor bij verscheidene Wevervogels en ook bij de Atlas- en Kraagvogels (Ptilorynchus en Chlamydera), ook bij een moerasvogel (Scopus umbretta), wiens reusachtig nest een broedvertrek en ontvangkamer, een eetzaal en een uitkijkkamer bevat. Het laatstgenoemde verschijnsel merkt men o. a. op bij de Spechten, die altijd in holle boomen slapen, en bij de Musschen, die gedurende den winter in het warm gevoerde nest den nacht doorbrengen.

Het wijfje bouwt het nest, het mannetje sleept de bouwstoffen aan. Dit is de regel maar ook de omgekeerde arbeidsverdeeling komt voor. Bij de Wevervogels b.v. bouwen alleen de mannetjes, de wijfjes getroosten zich hoogstens de moeite om aan het inwendige van het nest een kleinigheid te veranderen. Bij de meeste overige Vogels neemt het mannetje minstens de taak van schildwacht bij het nest op zich; alleen bij die soorten, welke in veelwijverij leven, bemoeit het zich in ’t geheel niet met deze werkzaamheden. Gedurende den nestbouw maakt het mannetje bij vele Vogelsoorten zich nog op een andere wijze verdienstelijk; het weet n.l. door gezang of gekweel aan zijn arbeidende wederhelft afleiding te verschaffen.

Eenige Vogels bouwen gemeenschappelijk nesten, waarin verscheidene moeders gezamenlijk eieren leggen; zij bebroeden deze te gelijker tijd en ook wel om beurten. Andere verdeelen een met vereenigde krachten opgerichte woning in verscheidene kamertjes, die ieder voor één familie een verblijfplaats oplevert.

Het jong wordt na het verlaten van de eischaal op een hoogst doelmatige wijze gevoederd. Aanvankelijk krijgt het uitsluitend zeer zachte spijzen, die langzamerhand door vastere stoffen worden vervangen, totdat het eindelijk in staat is om hetzelfde voedsel te gebruiken als zijne ouders. Na het uitvliegen worden de jongen nog onderricht in ’t beroep van de dieren hunner soort en leeren zij zelfstandig hun voedsel zoeken; eerst wanneer het kroost zoover gevorderd is, laten de ouders het op eigen wieken drijven.—Alle Vogels zijn innig gehecht aan hunne kinderen, zij verdedigen hen zoo goed zij kunnen tegen ieder gevaar, wenden alle mogelijke middelen aan om den vijand van hun spoor af te brengen en wagen zonder aarzeling hun eigen leven voor hun kroost. De kinderen van hun kant zijn even sterk gehecht aan hunne ouders en geven steeds gehoorzaam gevolg aan hun roepstem of loktoon.

Verscheidene Vogels beginnen onmiddellijk na het eindigen van den broedtijd een reis, die in verband met de soort en de familie waartoe zij behooren, met het land en het district dat zij bewonen, van langeren of korteren duur is, zich over een meer of minder grooten afstand uitstrekt. De Vogels, die het geheele jaar door een vaste verblijfplaats hebben, heeten “standvogels”; de overige “trekken” of “zwerven”. Door het “trekken” duidt men verhuizingen aan, die ieder jaar op een bepaalden tijd en in een bepaalde richting plaats hebben. De Vogels “zwerven”, wanneer zij reizen ondernemen, waartoe de nood hen dwingt; deze reizen geschieden zoo min op een bepaalden tijd als in een bepaalde richting; zij hebben niet ieder jaar plaats en houden op, als de oorzaak die er aanleiding toe heeft gegeven, niet meer bestaat. Vaak wordt de eene woonplaats met een andere verwisseld om van een voedsel, dat hier in overvloed verkrijgbaar is, partij te trekken. Het “rondstrijken” verschilt van het zwerven alleen, doordat het tot een kleiner gebied beperkt blijft.

Onze gevederde zangers “trekken”, als zij ons in den herfst verlaten om in de lente terug te keeren. Het trekken verdrijft de watervogels uit onze streken, nog voordat het ijs hun gebied onbewoonbaar maakt; het dwingt vele Roofvogels hun reeds naar elders vertrokken buit te volgen. Van de Europeesche vogelsoorten trekken meer dan de helft, van de Noord-Amerikaansche en Noord-Aziatische een even groot deel. Alle volgen in meerdere of mindere mate een zuidelijke richting: zij die de oostelijke helft van de aarde bewonen, begeven zich in vele gevallen zuidwestwaarts; de Vogels van het westelijk halfrond reizen meestal naar het zuidoosten; dit staat in verband met de ligging van het door hen bewoonde deel der wereld ten opzichte van de overige deelen en de gesteldheid van den aardgordel, waarin zij den winter zullen doorbrengen. Wanneer de richting van den trek overeenstemt met die van rivieren en van dalen, worden deze als heerwegen gebruikt, terwijl de hooge dalen in het gebergte als passen voor de reizigers dienst doen; hier verzamelen de trekvogels zich gaandeweg. Eenige trekken bij paren, andere tot gezelschappen vereenigd, de zwakke hoofdzakelijk ’s nachts, de sterke ook over dag. Zij reizen meestal snel, alsof een onoverwinnelijke drang hen aanspoort; zij worden, als de tijd van reizen nadert, onrustig, ook wanneer zij in een kooi zijn opgesloten; dit is ook dan het geval, als zij op zeer jeugdigen leeftijd uit het nest genomen en in de gevangenschap grootgebracht werden. Sommige verlaten ons reeds vroeg in ’t jaar, andere veel later; iedere soort echter op een bepaalden tijd, waarvan slechts weinig afgeweken wordt. Zij, die het laatst vertrekken, keeren het eerst terug; zij die ons het eerst verlieten, komen het laatst weerom. De Gierzwaluw reist reeds in de laatste dagen van Juli af en is eerst in Mei weer hier; de langst achterblijvende trekvogels verhuizen eerst in November, en zijn reeds in Februari bij ons teruggekeerd. Hunne winterkwartieren beslaan een zeer uitgestrekt gebied; van sommige is het onbekend, waar zij eindelijk rust vinden. Verscheidene overwinteren reeds in Zuid-Europa, vele in Noord-Afrika tusschen den 37en en 24en graad N.B.; niet weinige dringen diep in de verzengde luchtstreek door, en worden gedurende onze wintermaanden aan de kusten van de Roode Zee of van den Indischen Oceaan en verder westwaarts tot aan die van den Atlantischen Oceaan aangetroffen. Een dergelijk winterkwartier vormen Indië, Birma, Siam, het zuiden van China en de naburige eilanden. De Noord-Amerikaansche Vogels reizen tot in het zuiden van de Vereenigde Staten en tot in Middel-Amerika. Ook op het zuidelijk halfrond vindt een geregelde trek plaats. De Vogels van Zuid-Amerika vliegen in noordelijke richting tot in het zuiden en het midden van Brazilië, die van Zuid-Australië verhuizen naar Noord-Australië, gedeeltelijk zelfs naar Nieuw-Guinea en de naburige eilanden.

Gewoonlijk komen de trekvogels korten tijd voordat [10]zij afreizen zullen, bijeen en vormen zwermen, die eenige dagen op een en dezelfde plaats vertoeven en de afzonderlijk voorbijtrekkende Vogels tot zich lokken; eindelijk, als de zwerm een zekere grootte heeft bereikt, vliegen alle gezamenlijk weg. Bij enkele soorten heeft vooraf een monstering van de leden van het reisgezelschap plaats. Onderweg blijven zij in meerdere of mindere mate tot een geheel vereenigd; meestal is dit ook in het winterkwartier het geval. Gedurende de reis behouden de trekvogels een bepaalde rangorde; gewoonlijk zijn zij wigvormig gerangschikt of liever volgens twee rechte lijnen, die in schuinsche richting elkander naderen en van voren aan de spits ineenvloeien; de vlucht gelijkt dus op een ∧. Andere vliegen in reeksen; nog andere vormen, hoewel zij op een bepaalden afstand van elkander blijven een verwarden, aan de buitenzijde echter eenigszins afgeronden hoop. De meeste vliegen op een aanzienlijke hoogte, verscheidene schieten evenwel uit deze hoogte plotseling omlaag, scheeren een tijdlang op korten afstand van den bodem voort en verheffen zich langzamerhand weer tot hun vroegere hoogte. Zwakke Vogels maken onderweg gebruik van bosschen en van kreupelhout om zich te beveiligen; zij vliegen althans over dag zooveel mogelijk van den eenen boom naar den anderen, van bosch tot bosch. Loopvogels die door het vliegen te veel vermoeid worden, leggen een groot deel van den weg te voet af, verscheidene watervogels zwemmen gedurende een kort gedeelte van de reis. Tegenwind begunstigt en bespoedigt het vliegen, vóórdewind stoort en vertraagt de reis, en houdt haar ook wel dagen lang tegen. De hevige onrust die alle gemoederen bezielt, eindigt eerst bij het bereiken van het einddoel; maar ook hier keeren zij eerst dan tot hun gewone levenswijze terug, als de liefde opnieuw in hun hart ontwaakt.

In sommige gevallen kan het zwerven in zoover op het trekken gelijken, dat het op een bepaalden tijd en op een meer of minder regelmatige wijze plaats vindt. Vele van de soorten die in het hooge noorden leven, zijn zwerfvogels, die binnen een bepaald gebied wel ieder jaar van de eene plaats naar de andere trekken, maar niet telken jare verre reizen ondernemen naar warmere landen. De aanleidende oorzaak tot zulke reizen zal waarschijnlijk gebrek aan voedsel zijn, dat reeds merkbaar is, of weldra merkbaar zal zijn of misschien eenvoudig gevreesd wordt. Alle Vogels, die hun voedsel op den bodem zoeken en dus door een dikke sneeuwlaag voor een tijd verstoken worden van de mogelijkheid om hun kost te winnen, zwerven geregelder dan die, welke in de bosschen voedsel vinden. Daarom komen de laatstgenoemde Vogels, vooral zij die boomzaden en bessen eten, niet iederen winter in onze gewesten, dikwijls ziet men ze hier gedurende vele opeenvolgende jaren in ’t geheel niet; terwijl zij bijna zonder uitzondering bij ons verschijnen, als hier de zaden en de bessen overvloediger zijn dan gewoonlijk. Een tegenstelling met deze niet aan een vasten regel gebonden reizigers vormen alle Vogels, die den bovensten gordel van het hooge gebergte bewonen; geregeld begeven zij zich ieder jaar naar lager gelegen oorden om in het begin van de lente, eveneens op een bepaalden tijd, weder naar hun standplaats terug te keeren; hun wijze van reizen gelijkt dus op die van de echte trekvogels.

Het rondzwerven geschiedt gedurende het geheele jaar over de geheele wereld. Alle vrijgezellen of weduwenaars zwerven rond; groote Roofvogels moeten dit wel doen om hun voedsel te verkrijgen; andere Vogels zwerven, naar het schijnt, meer tot hun genoegen dan uit behoefte; enkele bewegen zich in een zeer engen kring, andere mijlen ver. Op welke wijze de Vogel ook reizen moge, hetzij hij dit doet als een landverhuizer of als een landlooper, en hoever hij zijn reis ook uitstrekt, zijn vaderland is alleen daar, waar hij mint en zich voortplant. In dezen zin kan men het nest het domicilie, het eigenlijke tehuis van den Vogel noemen.

“Het aantal Vogelsoorten, dat (tot 11 April 1896) in Nederland in ’t wild levend werd aangetroffen, bedraagt 312. Van 175 dezer soorten is waargenomen, dat zij hier te lande broeden. Van deze 175 blijven 17 het geheele jaar door op hare broedplaatsen wonen (standvogels), terwijl 28 andere soorten van het eene broedseizoen tot het andere een zwervend leven leiden (zwerfvogels), de 130 overige komen hier in ’t voorjaar en verlaten ons in ’t najaar (trekvogels). Van de 137 elders broedende soorten komen 71 min of meer geregeld ieder jaar op den trek tot ons, terwijl de overige 66 als naar hier afgedwaald kunnen worden beschouwd. [De bovenstaande opgaven zijn ten deele ontleend aan de “Naamlijst der in de provincie Friesland in ’t wild waargenomen Vogels” en aan de “Verslagen” in het “Tijdschrift der Nederlandsche Dierkundige Vereeniging” door Mr. Herman Albarda, ten deele aan Schlegel’s “Vogels” in “De Dieren van Nederland”.]

De Zoogdieren wekken de belangstelling van den mensch vooral wegens het voordeel, dat zij opleveren, de Vogels wegens het genoegen, dat zij hem verschaffen. De Zoogdieren moeten offers brengen, als zij het noodlot willen ontgaan van door den mensch uitgeroeid te worden; de Vogels daarentegen zijn boven alle overige dieren bevoorrecht met de genegenheid en de liefde van den mensch. De bevalligheid van hun gestalte, de kleurenpracht van hun vederenkleed, de snelheid en vlugheid van hunne bewegingen, hun welluidende stem, hun beminnelijke aard trekken ons onwederstaanbaar aan. Reeds de eerste menschen, van welker gevoelens berichten tot ons zijn gekomen, waren vogelvrienden: de wilden namen hen onder hun bescherming; de priesters uit vroegere tijdperken beschouwden ze als heilige dieren; de dichters der oudheid en van den tegenwoordigen tijd hebben zij tot geestdrift vervoerd. Hun leven, hun stem, hun vlucht, hun duidelijk merkbare tevredenheid met hun bestaan maken ons ontvankelijk voor verhevene gevoelens, stichten ons. Wij verleenen hun gaarne de gastvrijheid en toonen hun de vriendschap die wij aan de meeste Zoogdieren en in nog meerdere mate aan de Kruipende en Kikvorschachtige Dieren onthouden; wij verleenen hun die ook, wanneer zij ons weinig voordeel brengen. Uit hun midden kiezen wij meer metgezellen voor kamer en huis dan uit alle overige diergroepen te zamen genomen: zelfs wanneer wij ons gereed maken om hen met netten en strikken te vervolgen, is de genegenheid, die wij voor hen gevoelen, niet uitgebluscht. Zij zijn onze schootkinderen en lievelingen. Hun leven is van hooge beteekenis voor onze bezittingen en voor ons welvaren. De Vogels vormen een onontbeerlijken schakel in de reeks der wezens; zij waken met goed gevolg voor het evenwicht in de dierenwereld en voorkomen de te sterke vermenigvuldiging van de leden van andere klassen, vooral van de Insecten, die een woestijn zouden maken van de wereld, indien deze aan hen was prijsgegeven. Het nut van de Vogels kan niet [11]berekend of geschat worden, omdat hierbij allerlei nog onopgehelderde vraagstukken in aanmerking komen; wel mogen wij echter met vrij groote zekerheid aannemen, dat de diensten, die de Vogels ons bewijzen, van meer beteekenis zijn dan de schade, die zij veroorzaken. Daarom doen wij wèl met hen te beschermen en te gemoet te komen. De land- en boschbouw van den tegenwoordigen tijd benadeelen juist die Vogels, welke ons het naast aan ’t hart liggen, want zij ontneemt of bemoeielijkt hun de gelegenheid tot het verkrijgen van woningen en broedplaatsen en van voedsel; zij dwingt hen dus naar elders de wijk te nemen, een voor hen beter geschikte verblijfplaats te zoeken. Wij moeten daarom trachten plaatsen, waar zij veilig wonen en nestelen kunnen, voor hen te behouden of in te richten. Deze beteekenis verbind ik aan de ernstige aanmaning, die ik reeds sedert jaren bij alle verstandige menschen ingang tracht te doen vinden: Bescherm de Vogels!

[12]

Eerste Orde.

De Boomvogels (Coracornithes).

Als de hoogst ontwikkelde Vogels beschouwen wij met Fürbringer de Boomvogels. Op grond van nauwgezette onderzoekingen van het inwendige samenstel der Vogels vereenigt hij onder dezen naam de zeven onderorden van de Kleine Vogels, Knaagsnaveligen, Zitvoetigen, Platsnaveligen, Koekoekvogels, Baardkoekoekvogels en Rakvogels. De eerste rang komt toe aan de Spechtmuschvogels of Kleine Vogels (Picopasseriformes); zij worden verdeeld in vijf groepen: de Muschvogels, de Springvogels of Schijnzangvogels, de Spechtvogels, de Snorvogels of Groothandigen en de Muisvogels. Bovenaan staan de Muschvogels.


Meer dan de helft van alle Vogelsoorten wordt tot dusver nog vrij algemeen onder den naam Muschvogels (Passeres) samengevat. Het is moeielijk algemeene kenmerken voor deze groep op te geven wegens de veelheid en de verscheidenheid van de hiertoe behoorende vormen. De grootte van deze Vogels wisselt af binnen veel wijdere grenzen dan in een der andere groepen, n.l. tusschen die van den Raaf en die van het Goudhaantje. Niet minder opmerkelijk is het verschil, dat bij vergelijking van de snavels, de voeten, de vleugels en de staarten, van de gesteldheid en de kleur van het vederenkleed wordt waargenomen. Het zal wel niet mogelijk zijn van den snavel der Muschvogels een ander gemeenschappelijk kenmerk op te geven dan dat hij middelmatig lang is en geen washuid heeft. Van de pooten kan alleen gezegd worden, dat de bevedering van het onderbeen zich tot aan het spronggewricht uitstrekt, dat de hoornlaag die den loop bekleedt, aan de voorzijde uit groote platen bestaat (meestal zeven), dat de voet sierlijk gebouwd is en dat de binnenteen, die gewoonlijk dikker en langer is dan de tweede teen (of binnenste voorteen) een achterwaartschen stand heeft. Voorts verdient vermelding, dat het onderste strottenhoofd bij de meeste Muschvogels bijzonder sterk ontwikkeld is en door 2 à 5 paar spieren, die over de voor- en achtervlakte verdeeld zijn, bewogen wordt.

De buitenveeren of omtrekveeren, welker aantal in den regel betrekkelijk gering is, groeien op bepaalde vedervelden; van deze vertoonen vooral het rugveld en het onderveld bij alle Muschvogels overeenkomstige eigenschappen. Aan het handgedeelte van den vleugel komen in den regel 10 of 9 slagpennen voor. Het aantal slagpennen aan den voorarm wisselt af van 9 tot 14; het eerstgenoemde aantal komt het veelvuldigst voor. De staart bezit 12, bij uitzondering echter 10 stuurpennen.

In overeenstemming met de buitengewone talrijkheid der Muschvogels is hun verbreiding. Zij zijn wereldburgers en vormen het belangrijkste gedeelte van de bevederde bevolking van alle breedte- en hoogtegordels, van alle gewesten, van iedere plaats. Zij bewonen ieder land, ieder terrein, de ijzige velden van het hooge gebergte of van het noorden zoowel als de door de zon geblakerde vlakten van de keerkringsgewesten, de hoogte zoowel als de diepte, het woud zoowel als het veld, de rietbosschen der moerassen zoowel als de kale steppen, de wereldstad met haar gewemel van menschen zoowel als de woestijn; zij ontbreken nergens waar hun eenige kans geboden wordt om in hunne behoeften te voorzien: zelfs op de woeste, rotsachtige eilanden te midden van de IJszee vinden zij een verblijfplaats en voedsel. In de bosschen komen zij veelvuldiger voor dan in boomlooze landstreken, onder de keerkringen in grooter aantal dan in de gematigde en de koude aardgordels; ook dit echter is, wanneer men op de geheele groep let, slechts met eenige beperking juist. Vele soorten leven altijd of bijna altijd op den bodem; verreweg de meeste zijn hier althans geen vreemdelingen. Slechts zeer weinige van haar vermijden de nabuurschap van den mensch; vele komen zelfs uit eigen beweging bij hem te gast en bezoeken onbeschroomd zijn huis en zijn hof, zijn boomgaard of zijn bloementuin.

Door de Muschvogels in ’t algemeen tot de hoog begaafde leden van de klasse der Vogels te rekenen, geeft men hun den rang die hun toekomt. Niet weinige vogelkenners beschouwen in navolging van Cabanis den Nachtegaal als de volkomenste van alle Vogels; Owen heeft eens beweerd, dat de Raven aanspraak zouden kunnen maken op dezelfde onderscheiding. Werkelijk bezitten de Muschvogels buitengewone begaafdheden; naar den geest niet minder dan naar het lichaam. Hoewel zij niet alle uitmuntend vliegen, kunnen enkele van hen in dit opzicht met iederen anderen Vogel wedijveren; verreweg de meeste staan, wat deze bekwaamheid betreft, altijd nog hooger dan alle leden van verscheidene orden. Op den bodem bewegen althans de meeste zich gemakkelijk en behendig; sommige stappen, andere huppelen, slechts weinige trippelen. Vele sluipen zoo vlug als Muizen tusschen dicht bijeen groeiende twijgen door; sommige klauteren langs boomstammen, takken en twijgen, andere houden [13]zich hier met lichaamsoefeningen bezig, en kunnen zelfs allerlei acrobatische toeren verrichten. Hoewel de meeste het water schuwen, weten echter eenige zich ook hier te redden op een wijze, die bijna zonder wederga is: over den bodem van ’t water loopend, vervolgen zij hun prooi; zonder schroom vliegen zij door den waterval, die zich schuimend en met donderend geraas in den afgrond stort.

Alle zintuigen van de Muschvogels zijn goed ontwikkeld. Dat het gezicht de eerste plaats inneemt, geldt misschien voor alle zonder uitzondering; ook het gehoor en het gevoel zijn, naar het schijnt, bijzonder fijn. Hoewel de smaakzin niet ontbreekt, is hij toch ongetwijfeld niet van groote beteekenis; de reuk is, voor zoover men kan nagaan, slechts bij enkele scherp; waarschijnlijk mag men dus de toestellen voor de beide laatstgenoemde zinnen weinig ontwikkeld of rudimentair noemen. Hoewel de meeste Muschvogels goedaardig en onergdenkend zijn en men het dus niet onmogelijk kan achten, dat zij in sommige omstandigheden een onjuist oordeel vellen, toonen echter alle in kritieke omstandigheden een goed inzicht in den toestand waarin zij verkeeren. Zij leeren den aard en de handelingen van hunne vijanden kennen en beoordeelen, en worden hierdoor in staat gesteld om gevaren te ontwijken; tevens leven zij in goede verstandhouding met hunne vrienden en maken gebruik van hun gastvrijheid: zij wijzigen dus hun gedrag in overeenstemming met de omstandigheden, met tijd en met plaats, naar de menschen waarmede zij verkeeren, naar den tegenwoordigen stand van zaken en naar de gebeurtenissen die vroeger hebben plaats gehad. Hunne eigenschappen en hartstochten openbaren zij zeer duidelijk: nu eens zijn zij gezellig, vreedzaam en liefderijk, dan weder ongezellig en strijdlustig. Hun gevoel is zoo levendig, dat het niet zelden hun verstand beheerscht; enkele worden er zoo geheel door overweldigd, dat zij hun bezinning verliezen, wat hun niet zelden het leven kost. Ieder die deze Vogels nagegaan heeft, zou mededeelingen kunnen doen, waardoor het gestelde bewezen wordt: ’t zij, dat hij een Muschvogel aan een hulpbehoevende, zwakke en zieke soortgenoot barmhartigheidsdiensten heeft zien bewijzen; ’t zij dat hij opmerkte, hoe getemde, in kooien levende Vogels van zeer verschillende afdeelingen dezer diergroep, hun verzorger en heer alle blijken van liefde gaven, waartoe zij in staat zijn, hoe zij treurend zwegen, als hij afwezig was, hoe zij hem vroolijk begroetten, zoodra zij hem terugzagen; ’t zij eindelijk dat hij met fijn gevoel luisterde naar een van de heerlijke liederen, waardoor juist deze Vogels ons weten te betooveren. Dat de meeste Muschvogels een uitmuntend geheugen bezitten, draagt er veel toe bij, om hun geest te ontwikkelen en te verheffen.

Verreweg de meeste Muschvogels geven bewijzen van groote bekwaamheid in het zingen. Tot deze Vogelgroep behooren alle echte zangers, de ware meesters in deze edele kunst. Zij weten de kenners van hun gezang even goed in verrukking te brengen als uitmuntende menschelijke zangers en zangeressen hun gehoor. Alle Muschvogels die werkelijk zingen, doen dit met geestdrift en volharding; zij zingen niet alleen ter wille van hun wijfje of van hunne verzorgers, maar ook voor hun eigen vermaak; op gelijke wijze zullen zij in andere omstandigheden hun lied als wapen bezigen, er mede strijden en hierdoor de zege behalen of het onderspit delven.

Even veelzijdig als de talenten der Muschvogels zijn de levenswijze, de gewoonten, de voeding, de voortplanting, kortom alle werkzaamheden en handelingen van deze wezens. In hun levenswijze is evenveel verscheidenheid op te merken als in hun gestalte, hunne vermogens en hunne verblijfplaatsen; hun gedrag is even ongelijk als zij zelve zijn. De meeste toonen zich in hooge mate gezellig van aard. Afzonderlijk ontmoet men ze slechts bij toeval, bij paren alleen in den broedtijd; gedurende de overige maanden van het jaar vereenigen de paren en de gezinnen zich tot troepen, de troepen tot zwermen, de zwermen dikwijls tot ware legers. Deze verzamelingen bestaan niet slechts uit soortgenooten, maar bevatten ook leden van andere soorten van ’t zelfde geslacht; in sommige gevallen blijven zij maanden lang bijeen, beschouwen elkander als bondgenooten en handelen gemeenschappelijk. Zulke verzamelingen kan men in het najaar, als het broeden en het ruien afgeloopen zijn, in onze woonplaatsen, op onze velden zien; zulke vereenigingen verschijnen des winters op de erven der boerderijen en in de straten der steden als bedelaars; zulke bondgenootschappen blijven ook in den vreemde bestaan. Andere Muschvogels leven als kluizenaars; in het gebied, welks grenzen zij ijverzuchtig bewaken, dulden zij geen tweede paar, zelfs hunne eigene jongen niet, zoodra deze zichzelf kunnen redden.

Strikt genomen moet men de leden van deze diergroep als roofvogels beschouwen, hoe weinig deze aanduiding ook door de gewone beteekenis van het woord gerechtvaardigd wordt. Verreweg de meeste voeden zich, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk met andere dieren: met allerlei Insecten, Weekdieren en Wormen; de grootste leden van de groep gedragen zich werkelijk als roofvogels, daar zij zich bij ’t jagen geenszins tot kleine dieren bepalen. Bijna alle Muschvogels die zich hoofdzakelijk met andere dieren voeden, verslinden echter bovendien ook vruchten, bessen en zaden, terwijl zij, die in den regel plantaardig voedsel gebruiken, bijna zonder uitzondering gedurende eenigen tijd op Insecten jacht maken. Het best past dus op hen misschien den naam alleseters.

Al naar dierlijke of plantaardige stoffen het hoofdbestanddeel van zijn voedsel uitmaken, is de Muschvogel genoodzaakt om zijn geboortegrond te verlaten, waar de winter hem voor een ledigen disch zou plaatsen, of is hij in staat om jaar in, jaar uit dezelfde streek te blijven bewonen. Geen van de Muschvogels, die in warme landen leven, trekt; hoogstens zwerven zij van het eene gebied naar het andere, zooals enkele van de in ’t noorden blijvende soorten ook gewoon zijn te doen. Hier te lande worden in den herfst bosch, veld en weide ontvolkt; want betrekkelijk gering is het aantal der in ons vaderland thuis behoorende soorten der orde, welke instaat zijn om hier den winter door te komen; niet alleen de meeste insectenroovers, maar ook vele zaadeters verhuizen naar het zuiden, ja zelfs verscheidene alleseters geven gevolg aan deze aandrift.

Het voorjaar, hetzij lente of regenseizoen, is de tijd waarin de liefde in het hart van de meeste Muschvogels ontwaakt; juist onder hen treft men echter eenige soorten aan, die zich weinig bekommeren om het opnieuw herleven der natuur, bij wie het broeden niet gebonden is aan een bepaalden tijd van ’t jaar, maar die integendeel hetzij de ijskoude winter van het noorden of de drukkende hitte van den tropischen zomer trotseeren. Verreweg de meeste echter houden trouw het oog gevestigd op de wisseling der jaargetijden, regelen zich daarnaar en achten de lente het schoonste seizoen.—De nesten der Muschvogels zijn even verschillend als zij zelve; in ’t algemeen kan hierover [14]alleen dit opgemerkt worden, dat de knapste nestbouwers onder de Vogels, ware kunstenaars op dit gebied, leden zijn van de groep, die wij nu bespreken. Het broedsel bestaat uit 4 à 12 of meer, meestal bontgekleurde eieren. De beide ouders broeden en beide voeden gemeenschappelijk hunne jongen op. Meestal wordt het eerste broedsel in den loop van den zomer gevolgd door een tweede, ja zelfs door een derde.

Over ’t geheel genomen, overtreft het nut van de Muschvogels de schade die zij aanrichten. Wel zijn er onder hen enkele, die ons meer nadeel doen dan voordeel; hun aantal is echter zoo gering, dat de gevolgen van hun arbeid ternauwernood eenig gewicht in de schaal leggen, tegenover dien van alle overige. Verreweg de meeste soorten maken zich zeer verdienstelijk door het verdelgen van Insecten, Slakken en Wormen, die voor onze landbouwproducten schadelijk zijn. Niet weinige van hen verlevendigen door hun kostelijk zangerstalent bosch en veld in zoo hooge mate, dat vooral zij het voorjaar tot lente stempelen. Juist de beste zangers brengen ons niets anders dan voordeel; de schadelijkste Muschvogels zijn, wat het zingen betreft, brekebeenen. Tot deze categorie moeten wij enkele Raven rekenen, voorts verscheidene kleine Vinken en Wevervogels die soms wel een nuttig werk verrichten door het opzoeken van onkruidzaden en af en toe ook door het vangen van Insecten, maar toch in andere tijden, als zij, tot groote zwermen vereenigd, op het rijpend koorn of op de vruchtdragende ooftboomen neerstrijken, zeer lastig kunnen worden. Daar het vleesch van deze Vogels terecht smakelijk wordt genoemd, is er een reden te meer om hun vernielzucht te keer te gaan door ze te dooden. Maar ook de vangst van enkele, in grooten getale voorkomende, niet schadelijke soorten, bijvoorbeeld van Lijsters, is niet zulk een onverschoonbaar misdrijf als sommigen beweren; in geen geval althans dragen de vogelvangers alleen de schuld van de vermindering van het aantal dezer Vogels, gesteld al dat deze aangetoond kon worden. Hoe dit ook zij, het is en blijft een goede zaak ook voor hen in de bres te springen, daar alle Muschvogels, met uitzondering van die weinige, welke sterk en zeer behendig zijn, toch al zoo veel te lijden hebben van allerlei vijanden.

Minstens evenveel Muschvogels als men in onzen tijd aan den Moloch, aan de maag, offert, worden gevangen om als kamervogels den mensch gezelschap te houden. Geen andere groep der Vogelklasse levert er zooveel. Aan haar ontleenen wij het eenige huisdier, dat wij in den eigenlijken zin van ’t woord in een kooi houden, en dat het voorrecht heeft ons in ’t midden van den winter aan de lente te herinneren.

Over de indeeling van deze soortenrijke groep—bij welker beschrijving ik, meer dan bij eenige andere, beperkingen in acht moet nemen—bestaan zooveel verschillende meeningen, dat nagenoeg iedere zelfstandig arbeidende onderzoeker zijn eigen stelsel volgt. Eenige achten het wenschelijk, de Muschvogels in twee onderafdeelingen te splitsen: de Zangvogels en de Schreeuwvogels, naar de ontwikkeling van de zangspieren aan het onderste strottenhoofd. Wij zullen met deze zienswijze rekening houden.


Bij de Zangvogels (Oscines), die de groote meerderheid van alle Muschvogels uitmaken, is het onderste strottenhoofd volledig ontwikkeld en meestal voorzien van vijf paar spieren, die over de voorzijde en de achterzijde van dit orgaan verdeeld zijn. Uitwendig zijn zij kenbaar aan de zeer geringe ontwikkeling of het volslagen gemis van de eerste der tien groote slagpennen; bovendien is de loop aan de voorzijde “gelaarsd”, dat wil zeggen, bekleed met aaneengegroeide, groote hoornplaten, die aan weerskanten verbonden zijn met een onverdeeld zijstuk.

In navolging van Reichenow plaatsen wij onder de Zangvogels de Zangers (Sylviidae) bovenaan. Volgens den genoemden onderzoeker zijn zij de volkomenste Vogels, omdat zij de gelijkmatigste ontwikkeling vertoonen. Zij zijn kenbaar aan hun gestalte, welke met die van de Grasmusch of met die van de Lijster overeenkomt, aan den korten, dunnen (of slechts middelmatig dikken), priemvormigen (of zwak gekromden) snavel, aan de goed ontwikkelde, spits toeloopende vleugels, aan den middelmatig langen staart, die slechts weinig langer of zelfs korter is dan de vleugels en aan den loop, die een weinig langer is dan de middelste voorteen. Deze familie omvat, volgens Reichenow, ongeveer 370 soorten (hierbij 40 inheemsche) en heeft vertegenwoordigers in alle werelddeelen; betrekkelijk de meeste bewonen den gematigden gordel van de Oude Wereld.

De familie der Zangers wordt in twee onderfamiliën gesplitst. De eerste omvat de Grondzangers of Lijstervogels (Turdinae), welker loop van voren door een onverdeelde hoornplaat bedekt is; de jonge Vogels verschillen van hunne ouders door de vlekken op het vederenkleed.

Grondzangers komen in alle werelddeelen voor; zij bewonen zeer verschillende terreinen; de meeste houden zich echter in bosschen op. Als een eigenaardigheid van hen valt op te merken, dat de meeste zich veel op den bodem ophouden, zoowel wanneer deze met planten begroeid als wanneer hij steenachtig of rotsachtig is, om ’t even of hij sterk overschaduwd of door de brandende zonnestralen beschenen wordt. In ieder opzicht hoog begaafd, verwerven zij zich door hun meestal voortreffelijk gezang onze bijzondere genegenheid; bovendien zijn zij steeds nuttig voor ons werkzaam en verdienen hierdoor de welwillendheid, waarmede zij algemeen bejegend worden. Insecten, vooral in den larvetoestand, allerlei Weekdieren, Wormen (in de meest uitgestrekte beteekenis van het woord) uit den grond en uit het water, als de vruchten rijp zijn bovendien verschillende soorten van bessen, maken hun voedsel uit. De nestbouw en de eieren wijken zoo uiteen, dat hiervan bezwaarlijk iets gezegd kan worden, dat op alle toepasselijk is; ook de wijze, waarop zij hunne jongen grootbrengen, varieert zeer.

Als zij te rechter tijd gevangen zijn en doelmatig verzorgd worden, geraken zij spoedig gewoon aan het verlies van hun vrijheid, worden zeer gehecht aan hun meester, geven dezen hun genegenheid en aanhankelijkheid op allerlei wijzen te kennen, toonen droefheid, als zij hem missen, een uitbundige vreugde, zoodra zij hem weder zien verschijnen, kortom zij treden in een zeer innige betrekking tot den mensch.

*

Den hoogsten rang onder de Grondzangers verdienen misschien de Roodstaartjes (Erithacus). Zij zijn vooral te herkennen aan de roestbruine kleur van hun staart, voorts aan den sierlijken snavel, de betrekkelijk fijne snavelborstels en de middelmatig lange vleugels.

Onze sedert overouden tijd hooggeroemde Nachtegaal (Erithacus luscinia) kan met weinige woorden [15]beschreven worden. De vederen van de rugzijde zijn vaal rosbruin, op den kruin en den rug het donkerst, die van de buikzijde licht geelachtig grijs, aan de keel en op het midden van de borst het lichtst, de binnenste helft van de vlag der slagpennen is donkerbruin, de stuurpennen zijn roestkleurig bruinrood. Het oog is roodbruin, de snavel en de voeten zijn roodachtig grijsbruin. Het jeugdkleed heeft een roodachtig bruingrijze grondkleur, waarop vlekken voorkomen, omdat de vederen van de rugzijde ieder afzonderlijk lichtgele schachtvlekken en zwartachtige randen hebben. De lengte van het mannetje bedraagt 7 cM.; het wijfje is een weinig kleiner.

In sommige Europeesche landen is onze Nachtegaal vervangen door een iets grootere en vooral forschere soort, die in Duitschland Sprosser heet—de Poolsche Nachtegaal (Erithacus philomela). De beide verwanten gelijken veel op elkander; de laatstgenoemde is over ’t geheel genomen iets donkerder van kleur en is het best te herkennen aan de veel geringere lengte van de eerste slagpen en aan de wolkachtige vlek op het bovengedeelte van de borst.

De Nachtegaal wordt van Groot-Brittannië af broedend gevonden in West-, Middel- en Zuid-Europa; het gebied waarin hij broedt, strekt zich echter, naar het schijnt, oost- en zuidwaarts niet ver uit; men ontmoet hem echter nog veelvuldig in Zuid-Rusland en de Krim, voorts in Kaukasië, Klein-Azië en Palestina. Hij geeft de voorkeur aan de vlakte, vermijdt echter de bergstreken niet geheel, voor zoover hier breedbladige boomen en struiken groeien. In Zwitserland is hij, volgens Tschudi, in een hoogtegordel van 1000 M. boven den zeespiegel “niet bepaald zeldzaam”; in Spanje treft men hem, naar ik zelf heb opgemerkt, op de genoemde hoogte nog overal aan; 600 M. hooger komt hij nog geregeld voor. Bosschen van breedbladige boomen met veel laag hout, nog liever kreupelbosschen die door beken en waterloopen doorsneden worden, de oevers van groote wateren, tuinen met boschjes die goede schuilhoeken bevatten, acht hij voor verblijfplaats het best geschikt. Hier woont het eene paar naast het andere, ieder paar echter in een nauwkeurig begrensd gebied, dat zorgvuldig bewaakt en tegen concurrenten met moed verdedigd wordt. Daar waar plekjes zijn, die de door hen gestelde eischen bevredigen, zijn de Nachtegalen steeds veelvuldig. Men ontmoet hen hier in nagenoeg alle streken, waar eenig houtgewas gevonden wordt, gewoonlijk echter in geringen getale. In ’t midden van groote bosschen houden zij zich in den regel niet op, wel dicht bij den buitenkant, vooral in akkermaalshout, voorts in plantsoenen en tuinen en langs wandelwegen. “Op de klei zeldzaam, soms een paar dagen gedurende den voorjaarstrek” (Albarda). Veel talrijker dan in Nederland en Duitschland vindt men ze echter in Zuid-Europa, b.v. in Spanje. Zonder veel overdrijving mag men zeggen dat hier iedere geschikte plaats, elke haag, ieder kreupelboschje een nachtegalenpaartje herbergt. Een lentemorgen op den Montserrat, een avondwandeling binnen de ringmuren van de Alhambra zal bij ieder die ooren heeft om te hooren, onvergetelijke herinneringen achterlaten. Men hoort dan honderd Nachtegalen tegelijkertijd zingen; overal weerklinkt hetzelfde lied. De geheele, groote, groene Sierra Morena heeft aanspraak op den naam van nachtegalentuin, en er zijn vele zulke gebergten. Men begrijpt niet, hoe het mogelijk is, dat zulk een klein stukje grond, als aan ieder paar ten deel kan vallen, den kost kan verschaffen aan twee zooveel eischende Vogels met hun talrijk gebroed.

1) Nachtegaal (Erithacus luscinia). 2) Sprosser (Erithacus philomela). ⅔ v. d. ware grootte.

1) Nachtegaal (Erithacus luscinia). 2) Sprosser (Erithacus philomela). ⅔ v. d. ware grootte.

Het verbreidingsgebied van den Poolschen Nachtegaal begrenst dat van den Gewonen in het noorden en in het oosten. Hij is in Denemarken de meest voorkomende soort, de eenige, die in Skandinavië, het oosten van Pommeren en het geheele noorden en midden van Rusland gevonden wordt; hij vervangt zijn stamgenoot ook in Polen, bewoont het middelste deel van het Donau-dal, te beginnen bij Weenen en verder benedenwaarts en houdt zich aan gene zijde van den Oeral in alle rivierdalen van de West-Siberische steppe op. [16]

De beide soorten van Nachtegalen komen in alle hoofdzaken zoo volkomen met elkander overeen, dat men bij hun beschrijving zich nagenoeg tot één soort bepalen kan. Ook ik zal dit doen in hetgeen nu volgt, en heb dus voortaan meer bepaaldelijk onzen Nachtegaal op ’t oog. Daar waar deze uitmuntende zanger overtuigd is van de bescherming van den mensch, vestigt hij zijn woonplaats in de onmiddellijke nabijheid van menschelijke woningen en toont dan niet meer de geringste schroomvalligheid, eerder een zekere driestheid; het kost dan ook geen moeite hem bij zijne handelingen te bespieden. “Het gedrag van den Nachtegaal,” zegt Naumann, “verraadt een bedachtzamen, ernstigen aard. Hij beweegt zich op een weldoordachte, waardige wijze; zijne standen openbaren fierheid; door deze eigenschappen staat hij in zekeren zin hooger dan alle overige inheemsche Zangers. Het is, alsof zijne gebaren het bewustzijn aanduiden, dat hem algemeen deze voorrang wordt toegekend. Hij stelt veel vertrouwen in de menschen, woont gaarne te midden van hen en onderscheidt zich door zijn bedaarde en stille houding. Jegens andere Vogels is hij zeer vreedzaam; ook met zijne soortgenooten zal hij slechts zelden twisten.” Gewoonlijk ziet men hem op korten afstand van den bodem in de twijgen zitten; hij zit tamelijk rechtop, heeft den staart opgewipt, de vleugels zoover afhangend, dat hunne spitsen onder den staartwortel komen te liggen. Tusschen de twijgen huppelt hij zelden; wanneer dit geschiedt, maakt hij groote sprongen. Op den bodem houdt hij den romp steil omhoog gericht en springt met opgeheven staart “fier” rond; hij maakt dan echte sprongen, die door een oogenblik van rust afgebroken worden. Als het een of ander verschijnsel zijn aandacht trekt, wordt de staart snel en plotseling opgewipt; deze beweging maakt hij trouwens bij iedere gelegenheid. Zijn vlucht is snel, gemakkelijk, volgens stijgende en dalende booglijnen, in kleinere ruimten fladderend en schommelend; hij vliegt evenwel slechts over korte afstanden, van struik tot struik; over dag vliegt hij nooit in het vrije veld. Dat hij ook zeer snel kan vliegen, blijkt, wanneer twee ijverzuchtige mannetjes elkander nazitten.

De lokstem van den Nachtegaal is een helder, gerekt “wie-d”, waarmede gewoonlijk een ratelend “karr” verbonden wordt. Als hij angstig is, herhaalt hij de klank “wie-d” verscheidene malen, en voegt er slechts nu en dan den roep “karr” tusschen. Toorn wordt te kennen gegeven door het onaangenaam klinkend geluid “rè”, een behagelijke gemoedsstemming door een diepklinkend “tak”. De jongen roepen aanvankelijk fie-d”, later “kro-èk”. Het spreekt van zelf, dat deze voor den gewonen omgang bestemde klanken door wijzigingen van de intonatie, waarvan ons oor in de meeste gevallen niets bespeurt, een zeer verschillende beteekenis verkrijgen. Het slaan, waardoor de Nachtegaal zich meer dan alle andere Vogels de genegenheid van den mensch heeft verworven, munt uit door een groote volheid van toon, door een zoo aangename verscheidenheid van accoorden, en een zoo verrukkelijke melodie, als bij geen ander vogelgezang wordt aangetroffen. Op een onbeschrijfelijk bevallige wijze wisselen zacht gefloten met helder klinkende, weemoedig klagende met vroolijk juichende, wegsmeltende met statige, trillende of rollende strophen af. Merkwaardig is de buitengewone buigzaamheid van stem van onzen zanger; terwijl de eene strophe met zachte tonen begint, die allengs in sterkte toenemen en langzaam wegsterven, worden in een andere kort afgebroken, harde tonen op smaakvolle wijze in snelle opeenvolging herhaald; droefgeestige klanken, die met de zuiverste fluittonen vergelijkbaar zijn, vloeien met vroolijker klanken zacht ineen. De pauzen tusschen de strophen verhoogen de werking der heerlijke melodiën; om hare schoonheid goed te doen uitkomen, is het matig snelle tempo voortreffelijk geschikt. Het is moeilijk uit te maken, wat meer onze bewondering verdient, de groote verscheidenheid van verrukkelijke tonen of hun volheid en buitengewone kracht. Onbegrijpelijk is het, dat een wezen van zoo geringe grootte in staat is tot het voortbrengen van zulke krachtig klinkende geluiden, dat zulke fijne keelspieren zooveel arbeid kunnen verrichten. Sommige strophen worden zoo heftig uitgestooten, dat ons oor op korten afstand door de schel klinkende tonen pijnlijk aangedaan wordt.

De slag van een Nachtegaal moet 20 à 24 verschillende strophen bevatten om den naam van uitmuntend te verdienen; bij vele van deze virtuozen is de afwisseling geringer. De woonplaats oefent hierop een belangrijken invloed uit; want, daar de jonge Nachtegalen alleen door oudere soortgenooten, die met hen dezelfde landstreek bewonen, gevormd en onderwezen kunnen worden, is het verklaarbaar, dat in het eene gewest bijna zonder uitzondering uitmuntende, in het andere daarentegen bijna geen andere dan middelmatige zangers voorkomen. Oude mannetjes slaan in den regel beter dan jongere; oefening is ook bij de Vogels een noodzakelijk vereischte voor het bereiken van een hoogen trap van volmaaktheid in de edele kunst. Het vurigst klinkt de slag als de ijverzucht in ’t spel komt; het lied wordt dan een wapen, dat iedere strijder op de best mogelijke wijze tracht te hanteeren. Enkele Nachtegalen wettigen in zooverre hun naam, dat zij zich hoofdzakelijk ’s nachts laten hooren; andere zingen bijna niet anders dan over dag.

De lokstem van den Poolschen Nachtegaal klinkt anders dan die van den Gewonen: niet “wie-d—karr”, maar “glok—arr”; zijn slag is gekenmerkt door een grootere diepte van toon en een langzamer voordracht, die meer ingehouden en door langere pauzen afgebroken wordt; krachtiger en luider klinkend, maar uit een geringer aantal strophen samengesteld dan de slag van den inheemschen zanger, moet hij toch even hoog geschat worden als deze. Zelfs geven enkele liefhebbers aan den Poolschen Nachtegaal de voorkeur; zij prijzen terecht de onvergelijkelijke schoonheid van zijne zoogenaamde kloktonen.

De Nachtegalen verschijnen in onze gewesten in de laatste helft van April, al naar de weersgesteldheid iets vroeger of iets later, ongeveer in den tijd dat de Hagedoorn zijne bladeren begint te ontplooien. Zij reizen afzonderlijk en des nachts, de mannetjes het eerst, de wijfjes iets later. Soms ziet men in den vroegen morgen er een boven uit de lucht naar beneden storten en het kreupelboschje opzoeken, waarin hij zich over dag zal ophouden; gewoonlijk echter geven zij hun aanwezigheid het eerst door hun slag te kennen. Ieder hunner keert terug naar hetzelfde deel van het woud, naar denzelfden tuin, hetzelfde boschje, waar hij de vorige zomers doorbracht; het jonge mannetje tracht zich te vestigen in de nabijheid van de plaats waar zijn wieg stond. Dadelijk na de behouden terugkomst in het vaderland neemt het slaan een aanvang; in de eerste nachten na de reis weerklinkt het onverpoosd: misschien wel om aan het wijfje, dat hoog in de lucht voorttrekt, als teeken te dienen, of met de bedoeling om een hart, dat nog vrij is, te veroveren. Niet altijd komt het echtverbond [17]zonder strijd en zorg tot stand, want ieder vrijgezel streeft er naar om aan een ander mannetje de bruid of de ega te ontvrijen.

De bouw van het nest vangt nu aan en wordt spoedig tot een goed einde gebracht. Het doel van den arbeid is trouwens geen kunstwerk. Een hoop droge bladen, vooral van eiken, vormt den grondslag van het nest; droge halmen en stengels, bladen van zeggen en riet vormen de holte, die van binnen met fijne worteltjes of halmpjes en pluimen, ook wel met paardehaar en wollige plantenvezels bekleed wordt. Bij uitzondering maakt de Nachtegaal den onderbouw van stevige takjes, de wanden van het eigenlijke nest van stroo. Het nest van den Poolschen Nachtegaal verschilt van dat van den Gewonen door de meerdere dikte van de wanden en van de uit haren van dieren bestaande voering. Zoowel van de eene als van de andere soort is het nest in den regel op den grond of op korten afstand hierboven aangelegd: in uithollingen van den bodem, tusschen de jonge uitspruitsels van een omgehouwen boom of van een boomstronk, in struiken of in een graspol. Soms heeft men uitzonderingen op dezen regel waargenomen: een Nachtegaal bouwde, naar Naumann verhaalt, zijn nest in een hoop dorre bladeren, die binnen in een tuinhuisje lag, een andere op het nest van een Winterkoninkje, dat ongeveer 1.5 M. boven den bodem op een dennentak was bevestigd.

Het aantal eieren bedraagt 4 à 6. Hun schaal is dun en glad, heeft een doffen glans en een groenachtig bruingrauwe kleur. Zoodra de eieren in het nest voltallig zijn en het broeden begint, verandert het gedrag van het mannetje. Bij het broeden wordt ook zijn hulp vereischt; hij moet het wijfje aflossen, minstens gedurende eenige uren op het midden van den dag en houdt reeds om deze reden minder tijd voor ’t zingen over. Nog slaat hij, om zijn wijfje genoegen te doen en voor zijn eigen vermaak, maar bijna uitsluitend over dag, nagenoeg nooit meer ’s nachts. Het nest wordt zorgvuldig door hem bewaakt, ook spoort hij zijn gade tot ijverig broeden aan: een Poolsche Nachtegaal, wiens wijfje Päszler van ’t nest verjoeg, staakte onmiddellijk zijn gezang, vloog naar zijn wederhelft en herinnerde haar “met een toornig geschreeuw en met snavelbeten aan hare huiselijke plichten.” Bij ’t naderen van vijanden geven de voor hun gebroed bezorgde Nachtegalen bewijzen van grooten angst, maar ook van moed; zij toonen een roerende zelfopoffering door zichzelf in gevaar te begeven. De jongen worden met allerlei kleine dieren gevoederd, groeien snel, verlaten het nest reeds “als zij ternauwernood van de eene twijg naar de andere kunnen fladderen”, en blijven tot aan den ruitijd in het gezelschap van hunne ouders. Deze beginnen alleen dan met een tweede broedsel als de eieren van het eerste hun ontnomen werden. Hun liefde voor hun kroost blijft onverminderd als men de jongen, voordat zij vliegen kunnen, uit het nest neemt, in een kooi opsluit en deze in de nabijheid van de nestelplaats ophangt; de trouwe ouders voederen dan hunne kinderen, alsof zij nog in het nest zaten. Reeds korten tijd nadat zij hun intrede in de wereld hebben gedaan, beginnen de jonge mannetjes hun keel te beproeven; zij “dichten” (zoo noemen de Duitschers deze pogingen om te zingen). Dit “dichten” gelijkt niet op den slag van den vader; deze, die hun leermeester zou kunnen zijn, zwijgt trouwens reeds, als zijne spruiten beginnen te stamelen; want, zooals men weet, verstomt de Nachtegaal reeds tegen St. Jan. De jeugdige zangers zijn in de volgende lente nog leerlingen. In den beginne zijn hunne liederen zacht en gebrekkig; de ontwakende liefde brengt hen echter tot het volle begrip van de heerlijke kunst, waarin zij later meesters zullen zijn.

In Juli verwisselen de Nachtegalen van vederen; na het ruien gaan de leden van het gezin uiteen; in September begeeft oud en jong zich op reis, gewoonlijk weder tot familiën, in sommige gevallen tot grootere gezelschappen vereenigd. Zij reizen snel en ver, maar worden in den vreemde weinig opgemerkt. Ik heb ze, ieder op zich zelf levend, in de bosschen van Oost-Soedan aangetroffen.

Daar de Nachtegalen, en vooral hun gebroed, door vele vijanden vervolgd worden, is het de plicht van ieder verstandig mensch om, wanneer hem hiervoor de gelegenheid wordt geboden, den edelen zangers plaatsen te verschaffen, waar zij zooveel mogelijk beveiligd zijn. In groote tuinen moest men, volgens den raad van den zeer verdienstelijken Lenz, dichte hagen planten, die b.v. uit kruisbessenstruiken zouden kunnen bestaan, en alle bladen, die in den herfst afvallen, daar laten liggen. Zulke plaatsen worden spoedig door de Nachtegalen opgezocht, omdat zij al hunne eischen bevredigen. Door het dichte struikgewas worden de Vogels beveiligd, terwijl de bladerenhoop een verzamelplaats wordt van Wormen en Insecten en door geritsel de nadering van een vijand verraadt. Nog meer dan voor viervoetige en gevleugelde roovers, moet men de Nachtegalen tegen tweebeenige deugnieten beschermen. Hoe verstandig de onvergelijkelijke zangers ook zijn, voor vallen, strikken en netten nemen zij zich niet genoeg in acht; zelfs door den eenvoudigsten vangtoestel laten zij zich verschalken.

Als de naaste verwanten van de Nachtegalen beschouwt men de Blauwborstjes (Cyanecula). Bij de mannetjes van dit ondergeslacht is de rugzijde donker aardkleurig bruin, de onderzijde vuilwit, aan de zijden en van achteren met grijs bruinachtige tint, de keel echter prachtig lazuurblauw, met of zonder een anders gekleurde vlek of kol; het blauwe keelschild gaat aan de onderzijde in een zwarte dwarsstrook over, die door een smal streepje van lichte kleur van een halvemaanvormige borstvlek gescheiden is; boven ieder oog bevindt zich een witachtige streep, de beide strepen vloeien op het voorhoofd ineen; de teugels zijn zwartachtig; de slagpennen hebben een bruingrijze, de stuurpennen een zwartbruine kleur. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart; de voeten zijn aan de voorzijde groenachtig grijs, aan de achterzijde geelachtig. De lengte bedraagt ongeveer 15 cM.

De soorten zijn hoofdzakelijk kenbaar aan de kleur van de keel. Zoo heeft het mannetje van het Zweedsche of Toendra-blauwborstje (Erithacus suecicus) in het midden van het blauwe keelschild een kaneelroode, het Witvlek-blauwborstje (Erithacus cyaneculus) een witte kol. Het Witvlek-blauwborstje is de grootste en krachtigste soort. De wijfjes hebben ongeveer dezelfde kleur als de mannetjes en zijn dus moeielijk van deze te onderscheiden. De beide soorten komen, wat levenswijze en gewoonten betreft, in hoofdzaken overeen.

Het Zweedsche Blauwborstje is inheemsch in het noorden van de Oude wereld en bezoekt van hieruit Zuid-Azië, Noord-Afrika. Enkele malen werd het in ons land broedend gevonden, “in sommige plaatsen van Noord-Brabant vrij menigvuldig” (Schlegel); ook op den trek komt het zelden tot ons. Het verschijnt in het begin van April (zelden vroeger, meestal eerst tegen het midden van de maand) en reist in September [18]naar zijn winterverblijf. Het houdt zich “het liefst op in eenzame, lage, vochtige, met gras en struiken begroeide streken; het verschuilt zich echter veelal zoodanig, dat men het zeldzaam te zien krijgt.” In Duitschland vindt men het aan de oevers van rivieren, beken en meren, voor zoover deze met struiken, gras en riet dicht begroeid zijn; in het noorden bewoont het de Toendra’s. De Blauwborstjes trekken niet zoo ver weg als de overige zangers, overwinteren reeds in Opper- en Middel-Egypte of in het midden van China en het noorden van Indië; enkele exemplaren ondernemen echter zwerftochten naar de zuidelijke laagvlakten van Oost-Indië of tot in de bosschen van het gebied van den Boven-Nijl.

Ook het Witvlek-blauwborstje wordt hier nu en dan aangetroffen. “Voorwerpen van deze soort waren dit jaar nogal vrij wat op de Amsterdamsche vogelmarkt te vinden. Eén voorwerp heeft te Franeker overwinterd en verscheen dagelijks op een voederplaats, in gezelschap van een Roodborstje.” (Albarda: “Waarnemingen in 1891.”)

Vochtige, dichte kreupelhout-bosschen in de nabijheid van het water leveren zomerverblijfplaatsen aan de Blauwborstjes. Daarom vermijdt het Witvlek-blauwborstje in Duitschland gedurende den broedtijd het gebergte bijna geheel, terwijl het Toendra-blauwborstje in het noorden geen verschil maakt tusschen hoog en laag gelegen gewesten, in Scandinavië geeft het zelfs de voorkeur aan hoogten, omdat op de breede Fjelds van het gebergte tal van meren of poelen voorkomen, die door honderden kleine beken onderling verbonden en, evenals deze, met laag groeiende struiken omzoomd en omgeven zijn. Zulke plaatsen zijn voor het Blauwborstje een waar paradijs; op haar moeten de vlakten van Midden-Europa gelijken om de witvlek-blauwborstjes aan te lokken: hier bouwt het paartje in den voortplantingstijd het nest.

Het Blauwborstje is een lief vogeltje, dat de genegenheid wint van ieder, die er kennis mede maakt. Niet alleen zijn schoonheid, maar in nog hoogere mate zijn gedrag, zijn aard en zijne gewoonten trekken ons aan en boeien ons. Evenals bij de meeste Grondzangers zijn bij het Blauwborstje de gaven van lichaam en geest op de gelukkigste wijze vereenigd. Het beweegt zich met de grootste behendigheid op den bodem: het is een Grondzanger in den eigenlijken zin van ’t woord. Het stapt niet, maar huppelt; de sprongen volgen elkander zoo schielijk op, dat men ze niet onderscheiden kan; men zou het loopende Blauwborstje eerder voor een Renvogel dan voor een Zanger houden. Dit is het geval op droge zoowel als op slijkerige gronden, op open plaatsen zoowel als in het dichtste struikgewas en in het gras; want het verstaat meesterlijk de kunst om zich overal te bewegen. Te midden van de takken vliegt het hoogstens van den eenen naar den anderen en blijft rustig zitten op den tak, dien het vliegend bereikt. Terwijl het op den bodem zit of loopt, maakt het een zeer aangenamen indruk. Het zit rechtop met opgewipten staart; zijn houding is fier, ja zelfs eenigszins driest. Het vliegt haastig, maar niet bijzonder vlug volgens meer of minder groote booglijnen, zelden echter over groote afstanden. Gewoonlijk verheft het zich slechts 1 à 2 M. boven den bodem; het keert er op terug bij de eerste schuilplaats, die het ontdekt, om zijn weg loopend te vervolgen. De zintuigelijke vermogens van het Blauwborstje zijn ongeveer even ontwikkeld als die van den Nachtegaal; ook wat het verstand betreft, komen deze dieren overeen. Het Blauwborstje is schrander en merkt spoedig op of een ander wezen het met vriendschappelijke of met vijandige bedoelingen nadert. Gewoonlijk doet het niemand leed, jegens den mensch is het argeloos; door de ervaring, dat men het lagen legt, wordt het echter weldra zeer voorzichtig en schuw. Wanneer het niet gestoord wordt, legt het een grenzenlooze levenslust en een benijdenswaardige blijmoedigheid aan den dag; het is, zoolang het zijn dagelijksch brood krijgt, voortdurend goed gehumeurd, vroolijk en vergenoegd; het houdt veel van beweging en in de lente ook van zingen. Met andere Vogels leeft het in vrede, met zijns gelijken stoeit het graag; zulk een spel kan echter in bitteren ernst ontaarden, wanneer de liefde en met haar de ijverzucht ontwaakt is. Dan komt het wel eens voor, dat twee mannetjes met elkander in strijd geraken en dezen met groote verbittering voortzetten, ja zelfs niet rusten, voordat één van de beide kampioenen bezweken is. Twee Blauwborstjes, die tezamen dezelfde kamer, dezelfde kooi bewonen, vechten soms zoo hevig met elkander, dat het eene door de beten van het andere den dood vindt.

Evenals bij zoovele Grondzangers bestaat ook de lokstem van het Blauwborstje uit de klanken “Tak tak”; een zacht, als “Fied, fied” klinkend geluid drukt teederheid, een onnavolgbaar gekras toorn uit. Het gezang is bij de verschillende soorten ongelijk. Het best en het meest zingt het Witvlek-blauwborstje, het slechtst het Toendra-blauwborstje. Bijna alle mannetjes nemen in het gezang dat hun van nature eigen is, tonen uit de liederen van andere Vogels op en ook wel geluiden van andere dieren, die niet zingen kunnen. Dat dit talent van nabootsing ook door anderen is opgemerkt, blijkt uit den naam “Honderdtongige Zanger”, dien de Lappen aan het Toendra-blauwborstje geven.

Het voedsel van deze Vogels bestaat uit allerlei slag van wormpjes en Insecten, die in vochtige streken gevonden worden, in den herfst bovendien uit bessen.

Hun nest wordt dicht bij het water gebouwd, op den bodem of op korten afstand er boven, in uithollingen van den grond, waar het half verborgen is tusschen wortels of ruigte. In het midden van Mei vindt men er 6 à 7 eieren in; deze hebben een zeer fijne schaal, die op licht blauwachtig groenen grond met roodbruine vlekjes gestippeld of aan het stompe uiteinde met bruinachtige wolkjes geteekend is. Het broeden geschiedt om beurten door de beide ouders en duurt ongeveer twee weken.

Gevangen Blauwborstjes zijn een sieraad van een volière. Bij doelmatige verzorging worden zij weldra zeer tam, hoe wild en schuw zij zich in den beginne toonden; ook zingen zij dan vlijtig; zij moeten echter zeer zorgvuldig behandeld worden.


Een snavel, welke op dien van een Lijster gelijkt, langs de ruglijn eenigszins gebogen en kort voor de zwak benedenwaarts gekromde spits (of haak) met een ondiepe inkerving voorzien is, middelmatig hooge, zwakke pooten, tamelijk korte en zwakkelijke vleugels, welker vierde en vijfde slagpen de overige in lengte overtreffen, een middelmatig lange, uit toegespitste veeren bestaande staart, die in het midden een weinig uitgerand is, een los vederenkleed, dat bij beide seksen dezelfde kleur vertoont, maar gedurende de jeugd vlekken heeft, zijn de kenmerken van een ondergeslacht, welks meest bekende vertegenwoordiger ons Roodborstje (Erithacus rubeculus) is. De bovenzijde is donker olijfkleurig grijs, de onderzijde grijsachtig, het voorhoofd, de keel en het bovenste deel [19]van de borst zijn geelachtig rood. Het oog is groot en bruin, de snavel zwartachtig bruin, de voet roodachtig hoornkleurig. De lengte bedraagt 15 cM.

Naar het schijnt, is ons Roodborstje alleen in Europa inheemsch; zijn verbreidingsgebied reikt althans niet ver voorbij de grenzen van dit werelddeel. Op den trek bezoekt het Noord-Afrika, Syrië, Palestina en Perzië; de meeste Roodborstjes, die ons in den winter verlaten, blijven echter reeds in Zuid-Europa achter, enkele zelfs in Duitschland. Het zuiden van Engeland verlaten zij in ’t geheel niet, voor ’t meerendeel althans overwinteren zij daar. In Nederland en Duitschland is het overal veelvuldig. Ook hier blijven vele exemplaren den winter over; in de nabijheid van boerderijen, in tuinen en op stallen zoeken zij dan hun voedsel. Ieder bosch met dicht kreupelhout verschaft dezen Vogel een woonplaats; gedurende zijne reizen bezoekt hij ieder boschje, iedere haag, in ’t gebergte zoowel als in de vlakte, in den akker zoowel als in den tuin, vlak bij of tusschen de woningen der menschen.

Het Roodborstje is een allerliefst vogeltje, dat bij iedere gelegenheid zijn opgewekte, vroolijke inborst openbaart. Het zit op den bodem rechtop met eenigszins afhangende vleugels en horizontaal gerichten staart; als het op een takje zit, is zijn houding een weinig achteloozer. Het huppelt met luchtige sprongen snel, maar meestal met tusschenpoozen over den bodem of over horizontale takken heen; het fladdert van de eene twijg naar de andere; het vliegt zeer behendig, hoewel niet regelmatig; korte afstanden legt het half springend half zwevend of, zooals Naumann zegt, “snorrend” af; als het zich over een grooten afstand moet verplaatsen, volgt het een uit lange en korte bogen bestaande kronkellijn; zonder inspanning maakt het zwenkingen tusschen dichte struiken door, kortom het geeft bewijzen van groote behendigheid. Het houdt er van, zich in een open ruimte op den bodem of op een vooruitstekende twijg te bevinden; niet gaarne (en over dag waarschijnlijk nooit) vliegt het hoog in de lucht; steeds is het integendeel op zijn veiligheid bedacht, hoe vermetel het in sommige gevallen moge schijnen. Voor den mensch koestert het nagenoeg geen vrees; het kent echter zijne vijanden wel en geeft blijken van angst of bezorgdheid, zoodra zij verschijnen. Bij den omgang met zijne soortgenooten en met zwakke dieren in ’t algemeen toont het een lieftallige speelschheid maar ook neiging tot plagen en een zeer onaardige krakeelzucht; zijn leven is daarom niet bepaald gezellig en zelden vreedzaam. Aan den anderen kant merkt men bij dit vogeltje ook veel goedaardigheid op: het openbaart medelijden en zelfs barmhartigheid. Voor Zangvogeltjes, die hunne ouders verloren, voordat zij in staat waren om zich zelf te redden, zijn de Roodborstjes dikwijls trouwe pleegouders, voor zieke soortgenooten vaak barmhartige helpers geweest.

1) Roodborstje (Erithacus rubeculus). 2) Gekraagde Roodstaart (Erithacus phoenicurus). ½ v. d. ware grootte.

1) Roodborstje (Erithacus rubeculus). 2) Gekraagde Roodstaart (Erithacus phoenicurus). ½ v. d. ware grootte.

Een mannelijk Roodborstje werd bij het nest van zijne jongen gevangen en met deze in een kamer gebracht; hij ging voort met zijn kroost te verzorgen, zooals hij vroeger had gedaan; hij voederde en verwarmde het en bracht het groot. Ongeveer 8 dagen later bracht de vogelvanger een ander nest met jonge Roodborstjes in de kamer bij het oude mannetje, dat hij behouden had. En werkelijk, toen de jongen honger kregen en begonnen te schreeuwen, kwam de oude Vogel bij hen, bekeek ze een tijd lang, vloog toen naar het napje met mierenpoppen, begon met grooten ijver de taak van pleegvader en voedde ook deze jongen op, alsof het zijne eigene waren. Aan Naumann is een soortgelijk geval overkomen, toen hij een jong Robijntje wilde grootbrengen. De steeds hongerige Vogel schreeuwde aanhoudend en wekte daardoor het medelijden op van een in de kamer rondvliegend Roodborstje. Dit begaf zich naar de kooi van den schreeuwleelijk, die om voeder smeekte. “Onmiddellijk vloog het op de tafel, haalde broodkruimels, stopte deze in den bek van het jong en herhaalde dit zoo vaak het weesje er om vroeg.” Ook in de vrije natuur [20]ziet men soms Roodborstjes een innige vriendschap sluiten met Vogels van een andere soort. In een boschje niet ver van Köthen heeft zich het merkwaardige verschijnsel voorgedaan, dat een Roodborstje met een Fitis (of Kleine Gele Hofzanger) in hetzelfde nest eieren heeft gelegd. De Fitis had het nest gebouwd; beide legden er eieren in, ieder 6; beide hebben eendrachtig tegelijkertijd op de 12 eieren gebroed.

Het Roodborstje heeft echter nog andere goede eigenschappen. Het is bemind wegens zijn liefelijk gezang. Zijn lied bestaat uit verscheidene, met elkander afwisselende, uit fluittonen en trillers samengestelde strophen, die luid en met een langzaam tempo voorgedragen worden, zoodat het gezang een plechtigen indruk maakt. Dit lied klinkt in de kamer even aangenaam als in het bosch; daarom wordt het Roodborstje zeer dikwijls in een kooi gehouden. Het geraakt spoedig aan de gevangenschap gewoon, legt de schuwheid, die het aanvankelijk toonde, geheel af en wordt volkomen gemeenzaam met den mensch. Na eenigen tijd vat het een groote genegenheid voor zijn verzorger op: het begroet hem door liefelijk te kweelen, den krop op te blazen en allerlei aardige bewegingen te maken. Bij behoorlijke behandeling kan het vele jaren als gevangene in ’t leven blijven en geraakt, naar het schijnt, geheel met zijn lot verzoend. Er zijn voorbeelden van bekend, dat Roodborstjes, die een winter in de kamer hadden doorgebracht en in de volgende lente weer vrijgelaten werden, in het laatste gedeelte van den herfst naar het huis van hun gastheer terugkeerden, als ’t ware om dezen te verzoeken hen weder op te nemen. Enkele heeft men zoo goed aan de kooi kunnen gewennen, dat men ze kon toestaan uit en in te vliegen. Eenige paren hebben zich in de kooi voortgeplant.

Het Roodborstje verschijnt bij ons reeds in het begin van Maart, indien de weersgesteldheid dit maar eenigszins toelaat; het heeft echter in het vaderland, waar het de komst van de lente aankondigt, dikwijls nog veel te lijden van koude en gebrek. Alleen en onder luid geroep reist het des nachts door de hooge luchtlagen en strijkt met het aanbreken van den dag in wouden, boschjes of tuinen neder om hier uit te rusten en zich te verzadigen. Zoodra het zich voorgoed in een streek gevestigd heeft, weergalmt het bosch van zijn luidklinkende lokstem, een scherp “sjniekeriekiek”, dat dikwijls herhaald wordt en soms trillerachtig klinkt; bij de eerste warme zonnestraal hoort men ook zijn fraai gezang. Als men nagaat, vanwaar het geluid komt, ziet men op de toptwijg van een der hoogste boomen van het bosch het mannetje zitten, opgericht met eenigszins afhangende vleugels en opgeblazen keel, in een waardige, fiere houding, ernstig, deftig, alsof het den gewichtigsten arbeid van zijn geheele leven verrichtte. Het zingt reeds in de morgenschemering en gaat hiermede voort, totdat de nacht begint, in de lente zoowel als in den herfst. Vol ijverzucht bewaakt het zijn gebied en duldt hier geen ander paar; het gebied van het eene paar grenst echter onmiddellijk aan dat van het andere. In het midden van het district, dat ieder paar als zijn eigendom beschouwt, staat het nest, steeds dicht bij of op den bodem, in uithollingen van den grond of in door rotting hol geworden boomstronken, tusschen wortels, in het mos, achter graspollen, zelfs in de verlaten holen van sommige Zoogdieren, enz. Droge boombladen, waarmede zelfs een zeer groot hol gedeeltelijk gevuld wordt, mos, droge stengels en bladen of mosplantjes alleen worden samengeweven om den buitenwand van het nest te vormen; fijne worteltjes, halmpjes, haren, wol, vederen, die sierlijk laagsgewijs bijeengevoegd zijn, vormen de binnenbekleeding. Als de wanden van het hol zich niet over het nest heen uitstrekken, wordt hierover ook nog een dak gebouwd, waaronder zijdelings een ingang is aangebracht. In het einde van April of in het begin van Mei is het vereischte aantal eieren, 5 à 7, in het nest aanwezig; deze eieren hebben een dunne schaal en zijn op geelachtig witten grond overal voorzien met donkerder, roestgeelachtige stippels. De beide ouders broeden om beurten; de jongen komen na omstreeks 14 dagen uit den dop, groeien, dank zij de goede zorg van de ouders, schielijk op, worden na het uitvliegen nog omstreeks 8 dagen lang door hunne natuurlijke verzorgers bewaakt en onderricht en gaan dan hun eigen gang. De oude dieren beginnen nu voor een tweede broedsel te zorgen, voor zoover de weersgesteldheid dit toelaat. Als men het nest of de sinds kort uitgevlogen jongen nadert, laten de ouden herhaaldelijk hun lokstem en het waarschuwend signaal “sieh” hooren en maken zeer angstige bewegingen; de jongen, welker gekweel even te voren gehoord werd, zwijgen na deze aanmaning onmiddellijk en klimmen meer dan zij vliegen in de kroon omhoog.

In den beginne worden de jongen met allerlei weeke wormpjes gevoederd; later krijgen zij hetzelfde voedsel als door de ouden gebruikt wordt: Insecten van allerlei soort en van alle ontwikkelingstoestanden, Spinnen, Slakken, Aardwormen, enz.; in den herfst laven de ouden zoowel als de jongen zich aan de bessen, waarmede boomen en struiken van bosschen en tuinen beladen zijn. In den winter zag Büttikofer een Roodborstje aan een opengehakte bijt bezig met het vangen en verslinden van Stekelbaarsjes, die in menigte daarheen kwamen om lucht te scheppen (Albarda, 1890). In de gevangenschap geraakt het Roodborstje gewoon aan nagenoeg alle stoffen die de mensch als voedsel gebruikt.

Nadat de broedtijd is afgeloopen, in Juli of Augustus, ruien de Roodborstjes; zoodra zij hun nieuw kleed voltooid hebben, beginnen zij er aan te denken hunne winterkwartieren op te zoeken. Deze vullen zich allengs met de gasten uit het noorden. Daar waar men des zomers te vergeefs naar Roodborstjes zocht, ziet men ze thans op elken struik. Alle hooge gebergten van Zuid- en Middel-Spanje, iedere boomgroep, elke tuin herbergen eenige dezer Zangers. Ieder hunner bewoont ook hier een bepaald gebied, in welks bezit het zich weet te handhaven; het Roodborstje is nu echter bescheidener dan in het vaderland: met een enkelen struik is het tevreden; alle tezamen vormen als ’t ware slechts één gezin. In ’t eerst zijn de wintergasten stil en stom; zoodra echter de zon haar verlevendigenden invloed uitoefent, ontwaakt de levenslust der bannelingen opnieuw: zij zingen, zij plagen elkander, zij twisten onderling. Het lied, dat men hier het eerst van hen hoort, en dat ook bij ons op een zonnigen winterdag door de achtergebleven soortgenooten wordt aangeheven, is zacht, meer een gekweel dan een gezang; met iederen dag neemt echter hun blijmoedige stemming toe; lang voordat de lente in het land hunner geboorte haar intocht deed, is zij in hun hart ontwaakt. Zij beginnen weer te zingen als zij den terugtocht naar ’t noorden aanvangen.

De Roodstaartjes (Ruticilla) kenmerken zich door een slank lichaam, door een priemvormigen snavel (die aan de spits van den bovensnavel met een klein haakje voorzien is, maar hiervóór geen inkerving vertoont), [21]door slanke, zwakkelijke voeten met hoogen loop, tamelijk lange vleugels (welker derde handpen de langste is) een middelmatig langen, bijna recht afgesneden staart en een los vederenkleed, dat in verband met leeftijd en geslacht verschillend gekleurd is. Zij bewonen de Oude Wereld en zijn vooral in Azië talrijk vertegenwoordigd.

Het Zwarte Roodstaartje (Erithacus titis) is grootendeels zwart; de kop, de rug en het onderste gedeelte van de borst zijn min of meer aschgrauw, de buik is witachtig, de vleugels zijn wit gevlekt, de stuurpennen en staartwortelvederen zijn op elken leeftijd en bij beide geslachten geelachtig roestrood, met uitzondering van de beide middelste stuurpennen, die een donkerbruine kleur hebben. Bij het wijfje en bij het éénjarige mannetje is de hoofdkleur effen donkergrijs; bij de jongen komen op dit grijs zwartachtige wolkjes voor. De lengte bedraagt 16 cM.

Het door dezen Roodstaart bewoonde gebied strekt zich uit over Middel- en Zuid-Europa en bovendien over Klein-Azië en Perzië. In het zuiden van ons werelddeel is hij standvogel; in het noorden wordt hij door den winter genoopt het gebied, waar hij broedt, te verlaten en naar Zuid-Europa, Klein-Azië, Syrië, Palestina en Noord-Afrika te vluchten. Oorspronkelijk een kind van het gebergte en een bewoner van rotsen, heeft deze Vogel, die hier te lande tegenwoordig een huisdier is geworden, zich er langzamerhand aan gewend op menschelijke woningen verblijf te houden, zonder hierbij onderscheid te maken tusschen volkrijke steden en eenzame boerderijen. Waar hij voorkomt, ontmoet men hem bijna altijd ook bij huizen, met welker bouw men nog bezig is, niet als bewoner, maar wel als eerste, gemeenzame gast: zonder zich om de metselaars te bekommeren, houdt hij zich op de allengs verrijzende, nog vochtige muren met de jacht bezig. “Hij is”, volgens W. Marshall [die de Vogels, welke den mensch volgen, terwijl hij het door hem bewoonde gebied uitbreidt, tegenoverstelt aan die, welke door de beschaving verdreven worden (“Cultuurvolgers” en “Cultuurvlieders”)], “op zijn manier ook een volgeling van den beschaafden mensch, niet zoozeer van hem, die den bodem ontgint en voor den landbouw geschikt maakt, als wel van den oprichter van steenen huizen, kerken, paleizen, torens en vestingen. Evenals de Gierzwaluwen en de Zwaluwen schijnt hij te meenen, dat deze gebouwen rotsen zijn, welker aantal tot zijn groote blijdschap van jaar tot jaar in Europa toeneemt; hij betreurt het, dat toevalligerwijze hierin, behalve hij, ook menschen wonen, met hun nasleep van ondeugende kinderen en Katten. De wieg van dezen wakkeren klant heeft, naar het schijnt, in het westen en midden van Zwitserland gestaan; hier komt hij, volgens Tschudi, op alle hoogten voor, die gelegen zijn tusschen de verblijfplaatsen van den Nachtegaal in de vlakte en het gebied van den Alpen-Bastaard-Nachtegaal aan de grenzen van de eeuwigdurende sneeuw, ja zelfs in nog hoogere oorden. Ten westen van de Alpen en van de hiermede verbonden gebergten is hij zeldzaam; in de Spaansche gebergten ontmoet men hem slechts enkel; in Portugal wordt hij zeer zelden aangetroffen; op de Kanarische en Balearische eilanden en in Algerië ontbreekt hij, hoewel de Gekraagde Roodstaart in al deze gewesten broedt. Opmerkelijk is het trouwens, dat deze beide vogels niet goed naast elkander gedijen;—hier te lande” (in Duitschland) “wordt de Zwarte Roodstaart in dezelfde mate zeldzamer als het aantal Gekraagde Roodstaarten toeneemt. Ook op het Balkan-schiereiland is de Zwarte Roodstaart een zeldzaamheid.”—In Duitschland is deze Vogel langs verschillende wegen binnengetrokken. Gesner ontving hem reeds voor drie eeuwen uit Straatsburg; volgens Landois is hij eerst in den nieuwen tijd in Westfalen inheemsch geworden; in Oldenburg vestigde hij zich in 1820; thans is hij ook veelvuldig op het eiland Sylt, waar hij tegen het einde van de periode 1850–1860 zeer zelden broedde. In Engeland werd, zoover men weet, het eerste exemplaar in het jaar 1829 bij Londen gedood, terwijl twee andere individuen in het volgende jaar bij Bristol en Brighton gevangen werden; nog omstreeks 1850 werden de in Engeland aanwezige Vogels van deze soort als afgedwaald aangemerkt. Hier te lande broedt hij, naar het schijnt, vooral in de grensprovinciën [Noord-Brabant, Limburg, Gelderland, Groningen (1889)]; in andere deelen van ons land houdt hij zich in het voorjaar wel eens op, zonder er te broeden. Dat hij zich ook hier verder verbreidt, blijkt uit de verslagen van Mr. Herman Albarda: “Mij zijn twee voorbeelden bekend, dat deze soort ook in Zuid-Holland tot broeden is gekomen. In 1886 huisde een paar, van het begin van Maart tot 8 Mei, op een weinig bezocht, voor het publiek gesloten terrein achter den dierentuin te ’s Gravenhage. Het wijfje werd 8 Mei gevangen en legde in de kooi een eitje. Het mannetje bleef nog een paar dagen, maar liet zich niet vangen. Eerst later werd het nest gevonden. Het lag in den kop van een knotwilg, ongeveer een halven meter beneden het vlieggat en bevatte vier glanzend witte eieren. Ook is goed geconstateerd, dat deze soort, ten minste éénmaal, heeft genesteld in de St.-Pieterskerk te Leiden.” Later werd het broeden van dezen Vogel ook in Utrecht (1887) en nogmaals in Zuid-Holland (1888) waargenomen.

Bij ons komen de Zwarte Roodstaarten in April terug, in Midden- en Noord-Duitschland in het laatste derde gedeelte van Maart, in Zuid-Duitschland reeds iets vroeger. Ook zij reizen afzonderlijk en des nachts, de mannetjes het eerst, de wijfjes eenige dagen later. Onmiddellijk na zijn terugkomst in het vaderland zet de Vogel zich neer op den nok van hetzelfde dak, dat vroeger zijn lievelingsverblijf was. Nu begint het opgewekte, drukke zomerleven. Evenals alle leden van zijn familie is hij een zeer bedrijvige, werkzame, wakkere, onrustige en bewegelijke klant; van ’t aanbreken van de morgenschemering tot na zonsondergang is hij in de weer: zijn lied is van de gezangen, die men op een lentemorgen hoort, een der eerste; zijn eenvoudig wijsje weerklinkt nog na de avondschemering. Zijne bewegingen komen veel overeen met die van de Tapuiten. Hij is buitengewoon vlug en behendig, huppelt en vliegt met even groot gemak, bukt zich of wipt althans met den staart bij iedere gelegenheid, ook wel zonder dat er reden voor bestaat. Bij ’t zitten heeft hij een vastberaden, opgerichte houding. Hij huppelt met groote sprongen schoksgewijze of met korte tusschenpoozen; vliegend beweegt hij zich “bijna huppelend of met overhaasting snorrend over groote afstanden; hij volgt daarbij een onregelmatige, uit groote en kleine bogen bestaande, slangvormige lijn”. Zijn vaardigheid in ’t vliegen is zoo groot, dat hij op de wijze van de Vliegenvangers zijn buit kan verkrijgen; hij haalt namelijk zonder inspanning vliegende Insecten in en hapt ze op. Zijne zintuigen zijn uitmuntend, zijn verstand is volstrekt niet weinig ontwikkeld. Hij is schrander en vindingrijk, weet zeer goed vijanden te onderscheiden, [22]wantrouwig jegens zijne vrienden; hij vertrouwt de menschen, welker ongenoode gast hij is, in den regel niet; bij voorkeur houdt hij zich op een bescheiden afstand van hen, zoo mogelijk kiest hij de nok van een dak tot standplaats. Hier gevoelt hij zich veilig en stelt schijnbaar geen belang in hetgeen er onder hem voorvalt. Hij is niet zeer gezellig en houdt er van om zonder ander gezelschap dan zijn wederhelft een bepaald gebied te bewonen; hier duldt hij geen ander paartje van dezelfde soort; in den regel kibbelt en twist hij met andere Vogels, die zich in zijn nabijheid willen vestigen. Zijn lokstem is aangenaam, zijn gezang echter niet fraai en door een eigenaardig gekras gekenmerkt. Zijn roepstem klinkt als “fied tek tek” en wordt, als hij angstig is of in gevaar verkeert, talloos vele malen in snelle opeenvolging herhaald. Zijn gezang is verdeeld in 2 of 3 strophen, die voor een deel uit gefloten, voor een deel uit gillende en krassende tonen bestaan en volstrekt niet welluidend zijn. Ook hij bezit de gave om de liederen van andere Vogels na te bootsen; tusschen de aan hen ontleende klanken hoort men echter steeds zijn eigen krassende muziek.

De Roodstaart voedt zich bijna uitsluitend met Insecten, bij voorkeur met Vliegen en Vlinders. Zelden daalt hij op den bodem af; wanneer hij dit doet, zal hij alleen in stille boerderijen of op hekken en spalieren zich geruimen tijd ophouden, om een laag vliegende buit te grijpen of in een tuin rijpe bessen te plukken.

De voortplanting geschiedt in Mei. In het gebergte nestelt het paar in gaten en spleten van rotsen; in de vlakte nestelt het bijna uitsluitend in gebouwen; de hiervoor dienende gaten van muren hebben soms een wijde, soms een nauwe opening; kopstukken van balken, kroonlijsten en andere uitstekende gedeelten van het gebouw moeten echter eenigermate beschut zijn tegen de onaangenaamheden van het weder. Zeer zelden maakt het paar voor het genoemde doel gebruik van een hollen boom. Op plaatsen in het gebergte, waar kromhoutdennen en sparren alleenstaande rotsmassa’s omgeven, wordt de Roodstaart soms gedurende den broedtijd een woudbewoner en nestelt op den bodem onder struiken en steenen. Enkele malen komt het voor, dat hij geen geschikte plaats om te broeden kan vinden dan binnenshuis; zoo heeft hij wel eens, alle schroomvalligheid uit het oog verliezend, in de kachel van een schoollokaal of in een brievenbus zijn nest gebouwd. Wanneer het nest in een holte gelegen is, vult het deze geheel; met meer zorg wordt het echter aangelegd, als het vrij op een balk rust. Ook hier wordt wel is waar een groote hoop wortels, plantenstengels en halmen op een ongeregelde wijze samengebracht, de nestholte wordt nu echter van binnen met vele haren en vederen zeer zacht bekleed. Hierin worden vervolgens 5 à 7 sierlijke eitjes gelegd; deze zijn fijn van schaal en glanzig wit van kleur. De beide ouders broeden, beide houden zich met de voedering van de jongen bezig en toonen belangstelling in hun kroost. Bij dreigend gevaar geven zij bewijzen van grooten moed en trachten door allerlei middelen de aandacht van den vijand van de geliefde kinderen af te leiden. De jongen verlaten het nest meestal te vroeg en worden daarom licht een prooi van roofdieren; binnen weinige dagen worden zij echter behendig genoeg om zich zelf te kunnen redden. Zoodra de ouders van oordeel zijn, dat de jongen bekwaam genoeg zijn voor hun kostwinning, beginnen zij met een tweede en zelfs met een derde broedsel. Enkele Roodstaarten knoopen soms, juist gedurende den broedtijd, merkwaardige vriendschapsbanden aan. “In mijn houtschuur”, verhaalt Päszler, “legde een Roodstaart eieren in een zwaluwennest. Toen de bouwmeesters van dit nest van hun winterreis terugkwamen en hun broedplaats bewoond vonden, bouwden zij een andere vlak naast de oude. Terwijl de Boerenzwaluwen nog met den nestbouw bezig waren, begon het Roodstaartje te broeden; hoewel de ijverige Zwaluwen het dikwijls met den staart bedekten en in het aangezicht streken, liet het zich in zijn bedrijf niet storen. Later begon ook de Zwaluw te broeden; de beide moeders zaten toen in volkomen eendracht naast elkander. Als de mannetjes-zwaluw het broedende wijfje kwam bezoeken en haar mooie verhalen deed van den blauwen hemel en van de vette Muggen, richtte hij het woord soms ook tot de buurvrouw. Deze broedde hare jongen uit; nu duldde de Zwaluw op haar beurt de aanraking van het roodstaartmannetje, dat voedsel kwam aandragen. Toen de jongen grootgebracht waren, koos het Roodstaartje een wagenschuur, die aan den overkant gelegen was, als plaats voor een nieuw nest. En ziet! de Zwaluwen volgden haar voorbeeld, herstelden een oud nest, dat in de nabijheid lag en ook hier hielden de beide paartjes goede buurschap.”

Tot hetzelfde ondergeslacht behoort de Gewone of Gekraagde Roodstaart, die ook wel Muurnachtegaal en (bij Haarlem) Blauw Paapje wordt genoemd (Erithacus phoenicurus). Deze leeft bijna uitsluitend op boomen, in het bosch zoowel als in den tuin. Bij het oude mannetje zijn het voorhoofd, de zijden van den kop en de keel zwart, de overige bovendeelen aschgrauw, de borst, de zijden en de staart donker roestrood, de voorkop en het midden van de onderzijde wit. Het wijfje is van boven donkergrijs, van onderen grijs; de keel is soms donkerder van kleur. Bij het jong zijn de bovendeelen grijs, roestgeel en bruin gevlekt; de grijze vederen van de onderzijde hebben roestgele randen. Het oog is bruin, de snavel en de voeten zijn zwart. De lengte bedraagt 24 cM.

De Gekraagde Roodstaart bewoont een uitgestrekter gebied dan zijn verwant; hij ontbreekt in geen enkel land van Europa. Hoewel hij aan de vlakte de voorkeur geeft, wegens de daar voorkomende bosschen met breedgebladerde boomen, vermijdt hij ook het gebergte niet. Naar het oosten strekt zijn verbreidingsgebied zich uit tot in Perzië en Toerkmenië, verder oostwaarts wordt hij door verwante soorten vervangen. Hij verschijnt hier te lande eerst in April, verlaat ons weder in September en trekt naar het binnenland van Afrika, uit meer oostwaarts gelegen gewesten echter naar Indië.

De levenswijze, handelingen, zeden en gewoonten van den Gekraagden Roodstaart herinneren in vele opzichten aan die van de voorgaande soort, met dit verschil, dat gene zich bij voorkeur op boomen ophoudt. Zijn gezang is beter, welluidender en rijker dan dat van zijn neef; de tonen van de 2 of 3 strophen, waaruit het bestaat, zijn zacht en fluitend, wel eenigszins droefgeestig, maar over ’t geheel genomen toch zeer aangenaam. Ook hij bootst gaarne de geluiden van andere Vogels na. Zijn voedsel is hetzelfde als dat van den Zwarten Roodstaart; de Gekraagde Roodstaart zoekt het echter (in verband met zijn woonplaats) voor een deel van de bladen af en zamelt ook meer op den bodem in. Zijn nest bevindt zich in den regel in holle boomen, slechts bij uitzondering in muren of gaten van rotsen, bijna altijd echter in een holte en wel bij [23]voorkeur in een holte met een nauwen ingang. Dit nest is slordig gebouwd; het bestaat uit een wanordelijke opeenstapeling van dunne worteltjes en halmpjes en is van binnen rijkelijk gevoerd met veeren. De 5 à 8 eieren, die het in de laatste helft van Mei bevat, zijn glad van schaal en fraai blauw groen van kleur.

In Juni wordt voor de tweede maal gebroed; het paartje kiest echter telkens een anderen hollen boom uit voor het aanleggen van het tweede nest en keert eerst in den volgenden zomer naar het vorige terug.

De Gekraagde Roodstaart wordt vaker dan zijn zwarte naamgenoot in een kooi gehouden; hij zingt hier vlijtig en bijna gedurende het geheele jaar; hij wordt echter door zijn telkens weer herhaalden loktoon: “oe-iet oe-iet tak tak” lastig. Dit verhindert sommige vogelliefhebbers echter niet, veel van deze soort te houden.

*

Tot het geslacht der Grastapuiten (Pratincola) behooren twee inheemsche soorten. De kleinste is bekend onder den naam van Paapje (Pratincola rubetra); in Gelderland heet zij Kleine Walduker, bij Haarlem Kleine Stag of Stompstaartje. De zwartbruine kleur van de bovenzijde is gevlekt door de breede, roestgrauwe randen van de veeren; de onderzijde is roestgeelachtig wit; een witte streep, die op de kin begint, strekt zich aan weerszijden van den voorhals uit; een boogvormige, witte streep bevindt zich aan weerszijden van den kop boven de oogen en een derde witte streep op het midden van de vleugels. De lengte is 14 cM.

Het Paapje, dat bij ons vooral in de duinstreken menigvuldig is, maar ook elders in de zandstreken, in hooilanden, tusschen struiken broedt, komt in grooten getale voor in alle vlakten van Duitschland en van de naburige landen; bovendien wordt het in Noord- en Zuid-Europa en in West-Azië aangetroffen; in den winter bezoekt het Afrika en Indië. Bij ons verschijnt het eerst in ’t begin van Mei en blijft hier hoogstens tot in het einde van September, in Spanje daarentegen ziet men het gedurende het geheele jaar; zelfs Groot-Brittannië verlaat het gedurende den winter niet meer.

De Roodborst-tapuit of Roodborstige Walduker (Pratincola rubicola) is iets grooter en fraaier van kleur dan de vorige soort. De bovenzijde en de keel zijn zwart, de onderdeelen roestrood; de staartwortel en de onderbuik benevens een vlek op den vleugel en aan de zijde van den hals zijn zuiver wit. Deze bij ons zeldzame soort bewoont vruchtbare heidestreken en wordt in Groningen, Gelderland en sommige duinpannen aangetroffen. “Enkele paren broeden in Gaasterland” (1884). “Broedende gevonden te Wolvega (Friesland) en in het Loosdrechtsche bosch (Utrecht 1895)” (Albarda).

1) Gewone Tapuit (Saxicola oenanthe), 2) Paapje (Pratincola rubetra) en 3) Roodborst-tapuit (Pratincola rubicola). ½ v. d. ware grootte.

1) Gewone Tapuit (Saxicola oenanthe), 2) Paapje (Pratincola rubetra) en 3) Roodborst-tapuit (Pratincola rubicola). ½ v. d. ware grootte.

“De Roodborst-tapuit,” schrijft Schlegel, “is vooral merkwaardig om zijn buitengewoon grooten verspreidingskring, die zich over het grootste gedeelte van Europa, over Azië tot Japan en China, en over Afrika tot de Kaap de Goede Hoop uitstrekt. Even merkwaardig is het, dat de voorwerpen, die in onze duinen, en wel langs de strandreep broeden, gelijk degenen die Engeland bewonen, in den winter niet verhuizen, hetgeen wel het geval is met degene, die aan de landgrenzen van ons Rijk en in het gematigde Europa broeden.”

Weiden, die door beken doorsneden worden of in de [24]nabijheid van andere wateren gelegen zijn, aan het vrije veld of aan bosschen grenzen en met enkele lage struiken begroeid zijn, leveren de meest gewilde verblijfplaatsen aan de Grastapuiten. Dat deze Vogels vervelender zijn dan andere soorten van hun familie, valt niet tegen te spreken; toch behooren zij tot de opgewektste, bedrijvigste, onrustigste en vlugste Vogels van ons vaderland. Op den grond huppelen zij met snelle sprongen voort, staan stil op elke verhevenheid, buigen zich snel voorover en wippen den staart naar beneden. Hun lief gezang bestaat uit verscheidene korte strophen van volle en zuivere tonen, die met velerlei afwisseling voorgedragen worden en waarmede zij de geluiden van andere Vogels der door hen bewoonde landstreek vermengen.

Hun voedsel bestaat uit Insecten, vooral Kevers, kleine Sprinkhanen, zoowel volwassene als larven, rupsen, Mieren, Vliegen, en dergelijke diertjes, die zij van den bodem opzoeken of in de vlucht vangen. Zij nestelen in den regel in hooilanden meestal in een ondiepe uitholling van den bodem, soms tusschen struiken; het nest is altijd zeer goed verborgen, zoodat men het niet gemakkelijk kan vinden. Als het paartje geen stoornis ondervindt, broedt het slechts éénmaal per jaar.

Vele vijanden, vooral alle kleine Roofdieren, Ratten en Muizen bedreigen het leven der jongen, de kleine Edelvalken maken ook jacht op de oude Grastapuiten. De mensch maakt nergens werkelijk jacht op hen, maar beschermt ze veeleer hier en daar. In Zwitserland is het volksgeloof verbreid, dat de koeien van een Alp dadelijk roode melk beginnen te geven, wanneer daar een Roodborst-tapuit gedood wordt. In de gevangenschap zijn zij, zelfs wanneer zij vrij in de kamer mogen rondvliegen, vervelend en stil.


De Tapuiten (Saxicola), die de kern van de onderfamilie uitmaken, zijn tamelijk slanke Vogels met priemvormigen, vóór de neusgaten versmalden snavel; deze is aan den wortel breeder dan hoog, aan de spits een weinig benedenwaarts gebogen, aan den scherpen rand met een nauwelijks merkbare inkerving voorzien, en aan den snavelrug kantig; de voeten zijn hoog en zwak van loop, de teenen middelmatig lang, de vleugels eenigszins stomp; de derde en de vierde slagpen steken verder uit dan de overige; de staart is kort, tamelijk breed en recht afgesneden; het los aanliggende vederenkleed is goed gevuld en vertoont bij alle verscheidenheid toch overeenstemming van kleur.

De eereplaats onder de Europeesche soorten komt toe aan den uitheemschen Rouwtapuit (Saxicola leucura), een van de grootste leden van het geslacht. Zijn lengte bedraagt 20 cM. Zijne vederen zijn gelijkmatig donkerzwart en zwak glanzig, met uitzondering van den staart, die alleen aan de spits met een zwarte dwarsstrook geteekend, doch overigens zuiver wit is, evenals zijne bovenste en onderste dekvederen.

Deze sierlijke Vogel is over het grootste deel van Spanje verbreid en komt bovendien in Zuid-Frankrijk, Zuid-Italië, Griekenland en het noordwesten van Afrika voor. Overal waar hij gevonden wordt bewoont hij het gebergte, van den voet tot op een hoogte van 2500 M. Zijne lievelingsplaatsen zijn de wildste, meest verbrokkelde rotsen. Het is een schrandere, roerige en schuwe Vogel, die zelfs het eenzaamste gebergte verlevendigen kan.


De Gewone Tapuit, ook wel genaamd Witstaart, Wijntapper, Steenslijper, Duinduiker, Tapier en Stag, in Gelderland Walduker en Heidehupper, bij Groningen en in Friesland Vitop, op Ameland Kwid (Saxicola oenanthe), is licht aschgrauw aan de bovenzijde, wit aan den staartwortel en aan de onderzijde, met uitzondering van de roestgeelachtige borst; het voorhoofd en een van hier uitgaande streep boven de oogen zijn wit; een aan den teugel beginnende, over de oogen en de oorstreek gerichte vlek, de vleugels en de beide middelste stuurpennen zijn zwart; de overige stuurpennen zijn alleen aan de spits zwart, voor ’t overige wit. Het oog is bruin, de snavel en de voeten zijn zwart. De lengte bedraagt 16 cM.

Het is gemakkelijker te zeggen, in welke landen van de beide noordelijke faunistische rijken de Tapuit niet gevonden wordt, dan aan te geven, waar men hem wel aantreft. Hij broedt in alle landen gelegen tusschen de Pyreneeën en den Parnassus aan den eenen, en Lapland aan den anderen kant, alsmede op IJsland, zoo ook in alle landen van Azië, die ongeveer op dezelfde breedte liggen; in Amerika echter is hij, naar het schijnt, tot het hooge noorden beperkt. Op zijn winterreis doorkruist hij meer dan de helft van Afrika. De in Azië broedende Tapuiten trekken zuidwaarts tot in de bovenste provinciën van Indië, waar zij, hoewel zeldzaam, ’s winters waargenomen worden.


In Zuid-Europa wordt het geslacht der Tapuiten vertegenwoordigd door twee nauw verwante soorten, den Roodachtigen Tapuit (Saxicola rufescens) en den Blonden Tapuit (Saxicola stapazina). De laatstgenoemde, die enkele malen in den zomer in duinpannen bij Haarlem en Wassenaar en ook op de heide bij Oud-Loosdrecht en bij Dedemsvaart (1895) waargenomen is (Albarda), heeft de bovenzijde, de borst en den buik roestkleurig, de keel en de vleugels zwart, de kleine dekveeren roestkleurig gezoomd. De andere is aan de bovenzijde witachtig grijs, van onderen grijsroodachtig wit; een smalle streep van den rand van den snavel tot aan het oog, een langwerpige wangvlek die het oog gedeeltelijk omsluit, de vleugels, de middelste stuurpen en de spitsen van de overige stuurpennen zijn zwart. Bij de jongen van beide soorten zijn de kop, de nek en de rug grijs geelachtig, alle vederen hebben een witte streep op de schacht en een grijzen rand langs de spits, de onderdeelen zijn vuilwit, op de borst grijsachtig, met onduidelijke grijsbruine zoomen aan de vederspitsen, de slagpennen en de stuurpennen zijn bleekzwart, de dekvederen roestgrijsachtig gezoomd.


Steenachtige gronden zijn de liefste verblijfplaatsen van alle genoemde Tapuiten. Zij zijn zeldzaam in het bebouwde land, maar worden reeds geregeld aangetroffen op plaatsen, waar tusschen de velden rotsblokken uitsteken, steenen tot muren opeengestapeld of tot hoopen verzameld zijn. In de zoo steenachtige gewesten van Zweden, in Zuid-Duitschland, in Zwitserland komt de Gewone Tapuit algemeen voor; in Scandinavië kan men hem als een der laatst overgebleven vertegenwoordigers van de levende natuur beschouwen. In de Zwitsersche Alpen verheft hij zich tot boven de grenzen van den groei van houtige planten. Bij ons vindt men hem in duinen en op heidevelden; soms ook op weilanden en op braak liggende akkers, langs wegen op hoopen grind, meer op zandgrond dan in kleistreken; hij houdt zich gaarne op, waar steenen liggen en maakt zijn nest tusschen deze, of in het duin aan den ingang van oude konijnenholen. De overige soorten [25]hebben een soortgelijke levenswijze. Zij bewonen de eenzaamste streken en de eigenlijke woestijn; hen bemerkt men nog te midden van de gloeiende vlakten, waar alle leven uitgebluscht schijnt te zijn.

Onze Tapuit is een uiterst beweeglijke, wakkere, behendige, onrustige, bij de geringste aanleiding wegvliegende, ongezellige en voorzichtige, bijna zelfs menschenschuwe Vogel. Hij houdt er van alleen te wonen en leeft met geen anderen Vogel in nauwe gemeenschap. Alleen op den trek en nog meer in zijne winterkwartieren voegt hij zich bij de leden van andere soorten van zijn geslacht of van zijn familie; doch nooit gaat hij met hen een vriendschapsbond aan. Het gebeurt wel eens, dat twee paartjes dicht bij elkander huizen en broeden; voortdurend liggen zij dan echter overhoop.—Ieder die naar Vogels kijkt, moet den Tapuit weldra opmerken. Hij kiest steeds het hoogste punt van zijn woongebied tot rustplaats, houdt zich hier echter geen minuut lang werkelijk stil, maar beweegt zich bijna onverpoosd. Op de rotsen zit hij in opgerichte houding, maar nooit rustig; op zijn minst slaat hij af en toe den staart naar onderen en maakt telkens buigingen, vooral wanneer hij iets merkwaardigs waarneemt. De Spanjaarden noemen hem en andere soorten wegens dit noodelooze bukken “Sacristan” (koster); alle Tapuiten doen dezen naam eer aan. Op den bodem huppelt de Tapuit met snelle en korte sprongen voort, zoo vlug, dat het is, alsof hij voortrolt. Maar hoe snel hij ook loopt, steeds blijft hij plotseling staan, als er een steen op zijn pad ligt; stellig klimt hij dan op deze verhevenheid, buigt herhaaldelijk en zet dan eerst zijn weg voort. Hij vliegt uitmuntend, altijd op korten afstand van den bodem, zelfs wanneer hij kort te voren op een aanzienlijke hoogte zat en dus eerst naar omlaag moest schieten. Hij beweegt de vleugels zeer snel en scheert volgens een bijna rechte, maar bij nader inzien toch uit korte bogen bestaande lijn boven den bodem voort, gewoonlijk naar een tamelijk ver verwijderde zitplaats, die hij als ’t ware klauterend bereikt, daar hij bij zijn aankomst aan den voet van het voorwerp, waarvan het hoog gelegen rustpunt deel uitmaakt, zich met de vleugels weder omhoog moet werken. Zijn lokstem klinkt als “gioev gioev”; hij verbindt met dit zachtjes gefloten geluid gewoonlijk, vooral als hij opgewonden wordt, het kort afgebroken toevoegsel “tak”. Het zonderlinge en niet bepaald aangename gezang van den Vogel bestaat meestal uit slechts weinige strophen, waarin voornamelijk de loktoon en krassende geluiden met elkander afwisselen. Er zijn echter onder de Tapuiten ook enkele meesters in de zangkunst, tamelijk goede “spotvogels”; bovendien tracht ieder door ijver te vergoeden, wat er aan zijn begaafdheid ontbreekt; met weinige pauzen zingen zij van den vroegen morgen tot den laten avond en dikwijls ook nog midden in den nacht.

Kleine Kevers, Vlinders, Vliegen, Muggen en de larven van deze Insecten zijn het voedsel van onzen Vogel. Van zijn hoog standpunt overziet hij zijn gebied; zijn scherpziend oog merkt ieder wezen op, dat zich op den bodem of in de lucht beweegt. Loopende Insecten jaagt hij te voet na, vliegende vervolgt hij op de wijze van de Roodstaartjes tot hoog in de lucht.

Hij nestelt in den regel in rotsspleten of in gaten van het gesteente, zeldzamer in houthoopen, onder oude stammen, in holen van den grond, onder overhangende rotsen, of zelfs in holle boomen. Het nest, dat in den regel van boven beschut wordt door den wand van de ruimte, waarin de Vogel het bouwde, is een verwarde hoop van slordig samengevoegde fijne worteltjes, grasbladen en halmen; deze hoop bevat een door dikke wanden begrensde holte, welker dichte en zachte bekleeding uit wol van dieren of planten, haren en vederen bestaat. Hierin worden 5 à 7 dikbuikige, dunschalige eieren van lichtblauwachtige of groenachtig witte kleur gelegd; slechts bij uitzondering vindt men eieren, die met bleeke, geelroode punten geteekend zijn. Het wijfje broedt bijna alleen; de opvoeding van de jongen wordt echter door beide ouders met even grooten ijver behartigd. Hun bezorgdheid voor het kroost is zeer groot. Zoolang het wijfje op de eieren zit, staat het mannetje op een korten afstand van het nest in den letterlijken zin van ’t woord op schildwacht en vliegt met angstig geschreeuw om iederen naderenden vijand heen. Het wijfje tracht, als het in groot gevaar verkeert, den vijand te misleiden. Gewoonlijk broedt het paar slechts éénmaal, n.l. in Mei. De uitgevlogen jongen blijven bij hunne ouders, totdat deze zich naar hunne winterkwartieren begeven en reizen met hen mede. Dit geschiedt in het laatst van September; tegen het midden van April komen zij hier terug.

Oud gevangen Tapuiten geraken moeielijk aan het verlies van hun vrijheid gewoon; met jongen die uit het nest genomen zijn, gaat dit gemakkelijk; alleen aan kundige opmerkers kan het in een kooi houden van deze Vogels genoegen verschaffen.

*

Wegens het zeer dichte vederenkleed schijnt de romp van de Waterspreeuwen (Cinclus) dik te zijn, hoewel zij eigenlijk slank is. De snavel is betrekkelijk zwak, recht, aan den rug een weinig bovenwaarts, aan de spits benedenwaarts gebogen; zijdelings samengedrukt loopt hij naar voren smal toe; de spleetvormige neusgaten kunnen door vliezige, met veertjes begroeide klepjes afgesloten worden. De voeten zijn hoog, maar stevig, met lange teenen voorzien en met sterk gekromde, stevige, smalle klauwen gewapend, die aan de onderzijde twee snijdende randen hebben. De vleugels zijn buitengewoon kort, sterk afgerond en over hun geheele lengte ongeveer gelijk van de breedte, de derde slagpen van de hand is de langste, de vierde is ongeveer even lang; de eerste is zeer kort. De staart is zoo kort, dat men bijna van een staartstompje kan spreken. Het vederkleed eindelijk is zeer dicht en zacht en, evenals bij de Zwemvogels, uit buitenveeren en donzige onderveeren samengesteld. Het inwendig maaksel stemt in hoofdzaken met dat van de overige Zangvogels overeen.

De Waterspreeuwen bewonen de Oude en de Nieuwe Wereld, bij voorkeur het noordelijke deel der aarde; zij worden echter ook nog in de bergstreken van het zuider-halfrond, o. a. in de Andes aangetroffen. De weinige, tot dusver bekende soorten komen in levenswijze met elkander overeen, zoodat de beschrijving van de eenige Midden-Europeesche, ook bij ons inheemsche soort volkomen voldoende is om een denkbeeld van het geheele geslacht te geven.


De Waterspreeuw (Cinclus merula), is 20 cM. lang. De kop en de nek zijn vaalbruin, overigens zijn de veeren van de bovenzijde leikleurig met zwarte randen; de gorgel en de hals zijn melkwit, het bovenste deel van de borst is roodbruin, het onderste deel en de buik zijn donkerbruin.

In ons vaderland komt deze Vogel, naar het schijnt, [26]in zeer kleinen getale en van jaar tot jaar zeldzamer voor. In andere landen van Middel-Europa treft men hem aan in alle gebergten, die rijk zijn aan water. Op voor hem geschikte plaatsen is hij wel geen veelvuldige, maar toch een zeer geregelde verschijning. Zijne lievelingsplaatsen zijn de heldere, overschaduwde forellenbeken, waaraan de Duitsche hoog- en middelgebergten zoo rijk zijn. Hij volgt ze tot haar oorsprong, zelfs wanneer deze een gletscherpoort is; ter wille van haar dwaalt hij zelfs in de vlakte af, die hij overigens meer of minder vermijdt; bij deze beken zal men hem niet tevergeefs zoeken, tenzij haar water door afvalproducten uit de fabrieken vergiftigd of althans troebel geworden is. Hij blijft trouw aan de eens gekozen standplaats, die hij zelfs gedurende den strengsten winter niet verlaat. Op een heuvelachtig terrein kiest hij zich een deel van de beek uit, dat althans hier en daar van een ijskorst verschoond blijft; want hij zoekt zijn voedsel niet zoozeer aan den oever van de beek als in het water zelf. Daarom geeft hij boven alles de voorkeur aan de afvoerwegen van diepe bronnen of aan watervallen en stroomversnellingen, omdat de ijsvorming ginds door de warmte, hier door de sterke strooming verhinderd wordt. Hoe krachtiger strooming de woudbeek heeft, hoe meer watervallen zij vormt, hoe heviger zij bruischt en klatert, des te aanlokkelijker komt zij hem voor. Meer nog dan van den eigenlijken waterval en van de hieronder ontstaande draaikolken, houdt hij van de randen der kalme watervlakte, die iets verder gewoonlijk aanwezig is, omdat de maalstroom hier allerlei voedingsmiddelen heenvoert. Ieder paar neemt gewoonlijk 2 KM. van de beek in bezit, vliegt binnen dit gebied op en neder en verlaat deze waterader nimmer. Daar waar het gebied van het eene paar eindigt, begint dat van een ander paar; op deze wijze kan een beek in ’t gebergte van den oorsprong tot aan de plaats waar zij in een grooteren stroom uitmondt, met Waterspreeuwen bezet zijn.

De Waterspreeuw is niet slechts een van de meest in ’t oog loopende, maar ook een van de meest aantrekkelijke Vogels. Zijne begaafdheden zijn van een zeer bijzonderen aard. Vlug en behendig als een Kwikstaart loopt hij over de steenen van het rivierbed; op de wijze van de Kwikstaarten en Oeverloopers beweegt hij den staart en het achterste deel van den romp op en neer; hij huppelt van de steenen af in ’t water, waadt al dieper en dieper, tot halverwege de borst, tot de oogen, nog dieper, tot het water zich boven hem sluit, wandelt vervolgens 15 à 20 seconden lang over den bodem voort, ’s zomers onder de golven, ’s winters onder de ijskorst, tegen den stroom in of met hem mede, alsof hij op den vlakken bodem ging. Hij begeeft zich in den grilligsten maalstroom, in den woeligsten waterval, waadt, zwemt, gebruikt zijne korte vleugels als roeiriemen, vliegt als ’t ware onder het water voort, evenals hij in werkelijkheid door een loodrecht naar beneden stortende watermassa heen vliegt. Geen enkele andere Vogel beheerscht het water op dezelfde wijze als hij. Niet altijd daalt hij langzamerhand al verder en verder wadend van zijn hoog gelegen standplaats in ’t water af; dikwijls stort hij van zijn uitkijkpunt plotseling in de diepte neer, meer gelijk een Kikvorsch dan als een IJsvogel. Door zijn wijze van vliegen herinnert hij aan den IJsvogel, maar misschien nog meer aan ons Winterkoninkje. Als hij opgejaagd wordt, vliegt hij met snel opeenvolgende vleugelslagen evenwijdig aan den waterspiegel weg en volgt iedere kromming van de beek. Hij breekt zijn vlucht plotseling af, zoodra hij bij een andere veilige rustplaats is aangekomen; het is echter volstrekt geen zeldzaamheid, dat hij, aangelokt door het zien van een buit, plotseling uit de lucht in ’t water neerschiet. Als hij vervolging ducht, vliegt hij wel 400 à 500 schreden ver; in andere gevallen snort hij gewoonlijk eenvoudig van den eenen hoogen steen naar den anderen. Als hij met meer volharding wordt nagejaagd en tot de overtuiging komt, dat hij gevaar loopt, verlaat hij soms de geringe hoogte, waarop hij zich tot dusver bewoog en verheft zich steil in de lucht tot boven de toppen der boomen langs den oever of nog hooger. In zulke omstandigheden kan het ook voorkomen, dat hij van de eens aangevangen richting afwijkt en zelfs de oevers van de beek verlaat, om zich volgens groote booglijnen verder voorwaarts te begeven of naar zijn vroegere zitplaats terug te keeren.

De Waterspreeuw is schrander, voorzichtig en listig; zonder schuw te zijn, geeft hij hoogst zorgvuldig acht op al wat er in zijn omgeving voorvalt. Hij kent zijne vrienden nauwkeurig en niet minder goed zijne vijanden. Den mensch, die zijn stille woonplaats mocht betreden, ontvlucht hij reeds, als hij hem in de verte opmerkt; voor roofdieren van allerlei slag neemt hij zich niet minder goed in acht. En toch zal deze Vogel, die in de Sierra Nevada of onder de gletschers van de Zwitsersche Alpen even voorzichtig is als in de bergstroomen van Lapland, aan de bedrijvigheid van den mensch gewoon geraken en zelfs buitengewoon gemeenzaam worden, zoodra zich bij hem de vaste overtuiging heeft gevestigd, dat hij geen gevaar loopt. In de nabuurschap van de door waterraderen bewogen molens is hij een geregelde gast, die den molenaar en zijne knechts als goede vrienden beschouwt. Zelfs te midden van dorpen gevoelt hij zich soms zeer veilig. Zoo zag A. von Homeijer een paar Waterspreeuwen te midden van de stad Baden-Baden blijken geven van hun vaardigheid in ’t duiken; zonder eenigen schroom deden zij dit in de onmiddellijke nabijheid van de drukst bezochte hôtels, ten aanschouwe van de badgasten, omdat zij bij ervaring wisten, dat zij hier gerust konden zijn.

Evenals vele andere visschers is de Waterspreeuw volstrekt niet gesteld op het gezelschap van zijne soortgenooten. Alleen gedurende den broedtijd zoeken het mannetje en het wijfje elkanders nabijheid; alleen zoolang de jongen nog hulpbehoevend zijn, ziet men de leden van een gezin nauw aaneenverbonden; in alle overige tijdperken van het jaar leeft iedere Waterspreeuw in meerdere of mindere mate op zich zelf, hoewel de beide echtgenooten elkander herhaaldelijk bezoeken. Iedere buurman, die het waagt het gebied van een paar te betreden, wordt hevig nagejaagd; de indringer wordt onverbiddelijk door den rechtmatigen eigenaar verdreven. Zelfs eigen kinderen worden, zoodra zij zich zelf kunnen redden, de wijde wereld ingezonden; voor geen hunner wordt ooit een uitzondering gemaakt. ’t Is moeielijk te begrijpen, hoe het hun mogelijk is een geschikte woonplaats te verkrijgen. Om Vogels die tot een andere soort behooren, bekommert de Waterspreeuw zich niet; hij beschouwt ze, naar het schijnt, niet met vriendschap, maar met onverschilligheid. Kwikstaarten en IJsvogels duldt hij op zijn gebied.

1) Waterspreeuw, 2) Winterkoning, 3) Groote Gele Kwikstaart.

1) Waterspreeuw, 2) Winterkoning, 3) Groote Gele Kwikstaart.

Het geluid, dat hij gewoonlijk voortbrengt en in den regel laat hooren, als hij opgejaagd wordt, klinkt als “tserr” of “tserb”. Het gezang van het mannetje is een zacht, maar zeer liefelijk gesnap; het bestaat uit snorrende geluiden, die zacht voorgedragen worden en [28]tjilpende, die beter hoorbaar zijn; het herinnert zoowel aan sommige gedeelten van het lied van het Blauwborstje, als aan het getjilp van den Tapuit; door Snell wordt het zeer juist vergeleken met het zachte klateren en ruischen van een over een steenachtige bedding stroomend beekje. Bijzonder ijverig zingt hij op heldere lentedagen, vooral in de morgenuren; maar zelfs door de strengste koude laat hij zich niet van de wijs brengen: hij zingt zoolang de hemel blauw is. “Het is,” zegt Schinz, “een zeer eigenaardig verschijnsel, in Januari bij felle koude, terwijl de geheele natuur verstijfd schijnt, het gezang te hooren van dezen Vogel, die dikwijls te midden van het ijs, op een paal of op een steen zit.” Het is, kan ik er bijvoegen, voor den deskundige, die den wakkeren Zanger nagaat, een waarlijk verheffend schouwspel, te zien hoe de virtuoos, nadat hij zijn lied ten einde gebracht heeft, zich met frisschen moed in het ijskoude water stort, hier baadt, rondloopt of zwemt, alsof hij van den winter en van de koude niets bespeurt.

Zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit Insecten en hunne larven. Bij de Waterspreeuwen, die men onderzocht heeft, vond men in de maag Muggen, Haften, Watermotten (Kokerjuffers) en verschillende kevertjes, bovendien ook plantendeeltjes, die waarschijnlijk slechts toevallig doorgeslikt werden en kleine steentjes, zooals vele Vogels verzwelgen om hun spijsvertering te bevorderen. Van Gloger is de mededeeling afkomstig, dat de Waterspreeuw in den winter ook kleine Schelpdieren en jonge vischjes verslindt en daarom in dit seizoen een tranige lucht verspreidt.

Zoolang het water van de beek in ’t gebergte helder en zuiver is, valt er, volgens A. von Homeyer, in het bedrijf van den Waterspreeuw weinig afwisseling op te merken en heeft deze Vogel de volgende dagverdeeling: “Hij is wakker, zoodra de eerste schemering zich in ’t oosten vertoont en blijft onverpoosd aan ’t werk, totdat de duisternis invalt. In de morgenuren zingt hij vlijtig en houdt zich intusschen ook ijverig met de jacht bezig; nu en dan heeft er misschien een twist of een vechtpartij plaats met een indringerigen buurman; maar ook hierdoor worden de gewone bezigheden slechts voor weinige minuten afgebroken, want de strijd is spoedig afgeloopen en de indringer op de vlucht gedreven. Als de middag komt en de zon brandt, zoekt de Waterspreeuw beschutting in zijne meest geliefde schuilplaatsen tusschen de steenen of, vooral daar waar de oever overhangt, in de tusschenruimten van de wortels der boomen en struiken, die aan den oever groeien. Hier brengt hij, de witte borst naar ’t water gekeerd, eenige uren droomend door; ook in dezen tijd echter laat hij niets, wat eetbaar is, onverschillig voorbijgaan. Tegen den avond wordt er opnieuw ijverig gevischt, gejaagd, gedoken en gezongen; daarna is het tijd om zich te begeven naar een van de holen, die als slaapplaatsen dienen en duidelijk hieraan kenbaar zijn, dat zij meer dan de overige met den drek van den Vogel verontreinigd zijn. Zoolang het dag is, ziet men den Waterspreeuw steeds wakker, altijd opgewekt, voortdurend in beweging, onverpoosd werkzaam; zoolang dit het geval is, behoudt hij ook zijn opgeruimde gemoedsstemming. Gansch anders is zijn stemming, wanneer er gedurende geruimen tijd regen valt en ook het water van zijn beek, dat gewoonlijk zoo helder is, troebel wordt. Dan kost het hem moeite de noodige hoeveelheid voedsel te verkrijgen en moet hij tot bijzondere kunstgrepen zijn toevlucht nemen. Hij verlaat dan zijne lievelingsplaatsen te midden van den bruisenden stroom en begeeft zich naar die plekjes, waar het gras van den oever in het water hangt, of naar die, waar waterplanten aan de oppervlakte drijven. Terwijl hij tusschen deze planten waadt of, indien het water diep is, zwemt, is hij ijverig aan het visschen; hij doet dit op soortgelijke wijze als de Eenden, door met den snavel iederen halm, elk blad of iedere rank om te keeren en de waterdiertjes, die aan de keerzijde zitten, er af te zoeken. Als de regen lang aanhoudt, komt hij soms in grooten nood en wordt door de ontbering droefgeestig gestemd. Dan is er geen sprake meer van gezang en van noodelooze bewegingen. Als de nood ten top gestegen is, bezoekt hij ook de stille bochten aan den oever, die hij in andere gevallen vermijdt en gaat hier aan ’t jagen. Maar zoodra het water opnieuw helder wordt en de zon weder schijnt, keert ook zijn goed humeur terug en is hij even opgeruimd en vroolijk als ooit te voren.”

De Waterspreeuw broedt, als hij niet gestoord wordt, gewoonlijk slechts éénmaal, bij uitzondering echter ook wel tweemaal in ’t jaar, voor ’t eerst in April. In ’t begin van deze maand wordt het nest gebouwd; 14 dagen later vangt het leggen aan. Het nest staat altijd aan den waterkant, vooral daar waar een rots er over heen hangt, of er naast oprijst, waar een elzestam of een dam een geschikte holte vormt, ook onder bruggen, onder de gemetselde kanalen, die het water toevoeren aan de waterraderen van ijzerwerken of andere fabrieken, in de muren van het molenradkanaal, zelfs tusschen de schoepen van de waterraderen, wanneer deze een tijdlang stil gestaan hebben. Het liefst kiest de Vogel zijn nestelplaats zóó, dat vóór het nest een watermassa naar beneden valt. Dan is het natuurlijk volkomen beveiligd tegen de nasporingen van Katten, Marters, Bunzingen en Wezels; alleen voor de Ratten is het dan nog bereikbaar. De buitenste lagen van het nest bestaan uit takjes, stengels, wortels en bladen van grassen, stroohalmen, dikwijls ook uit water- of landmossen; van binnen is het met boombladen bekleed. Het is los gebouwd, maar dikwandig, van binnen dieper dan een halve bol en heeft altijd een nauwen ingang en een dak, die beide gewoonlijk dezelfde zijn als die van de holte waarin het nest zich bevindt, voor zoover het deze geheel vult. Wanneer echter de nestelruimte te groot is, wordt op het nest een dak gebouwd als op dat van een Winterkoning, en krijgt het een nauw vlieggat. Het is dan grootendeels uit mos samengesteld. Het wijfje broedt zoo trouw, dat men het kan grijpen, als het op de eieren of op de nog zeer kleine jongen zit. Gewoonlijk brengt het echter van elk broedsel niet meer dan 2, zeldzamer 3 jongen groot. Waarschijnlijk is het bederven van verscheidene eieren van dezen Vogel een gevolg van de omstandigheid, dat het nest dikwijls door en door nat wordt.

Girtanner heeft Waterspreeuwen, die jong uit het nest genomen waren, groot gebracht, en zelfs oud gevangen dieren gewend aan het voedsel dat hij hun gaf. Eenige paren heb ik van hem gekregen en gedurende geruimen tijd in ’t leven gehouden. Ik mag wel zeggen, dat weinige inheemsche Vogels mij meer genoegen hebben verschaft dan deze.


Een ander merkwaardig geslacht van de onderfamilie der Lijstervogels is dat der Rotslijsters (Monticola); geen zijner leden is inheemsch; twee hunner, n.l. de Roode en de Blauwe Rotslijster, komen, hoewel zeldzaam, in Duitschland voor.


De Roode Rotslijster (Monticola saxatilis), [29]gelijkt in vele opzichten op een Roodstaart, maar is veel grooter dan deze, daar haar lengte 23 cM. bedraagt. De vederen van den kop, van de voorzijde van den hals, van den nek en van den staartwortel hebben een fraaie, blauwachtig grijze kleur, die van ’t onderste deel van den rug zijn witachtig blauw of wit; de geheele onderzijde, met uitzondering van den hals, is prachtig donker roestrood; de schoudervederen zijn donker aschgrauw of leikleurig zwart, de slagpennen zwartbruin. Het oog is roodbruin, de snavel dof zwart, de voet roodachtig grijs.

De Roode Rotslijster is eigenlijk een bewoner van het gebied der Middellandsche Zee en is derhalve thuis op nagenoeg alle hooge gebergten van Zuid-Europa. In noordelijker gewesten werd zij enkele malen broedend aangetroffen; tamelijk regelmatig broedt zij in Stiermarken, Karinthië, Boven-Oostenrijk, Tirol en langs den Rijn, bij uitzondering in Boheme, de Lausitz en in het Hartzgebergte.

Roode Rotslijster (Monticola saxatilis). ½ v. d. ware grootte.

Roode Rotslijster (Monticola saxatilis). ½ v. d. ware grootte.

Door hare gewoonten gelijkt zij op onze Roodstaartjes. Haar gezang is uitmuntend, luid en vol van klank, maar toch zacht en fluitend; een eigenaardigheid van dezen Vogel is, dat hij dikwijls geheele strophen of zelfs reeksen van strophen uit de liederen van andere Vogels in zijn eigen gezang opneemt.

Zijn voedsel bestaat uit allerlei Insecten, in den herfst ook uit bessen en vruchten. Wanneer gevangen Vogels van deze soort goed behandeld worden, merkt men aan hen zoovele en zoo velerlei voortreffelijke eigenschappen op, dat men ze gerust tot de beste kamervogels, die Europa oplevert, kan rekenen.


De Blauwe Rotslijster (Monticola cyanus) is een weinig grooter dan de vorige soort; zij is 23 à 25 cM. lang. De veeren van het mannetje zijn gelijkmatig leikleurig blauw; de dof zwarte slagpennen en stuurpennen zijn blauw gerand. Het oog is bruin; de snavel en de voeten zijn zwart.

Geheel Zuid-Europa, Noord-Afrika en een groot deel van Middel-Azië zijn het vaderland van dit dier. In de zuidelijke kroonlanden van Oostenrijk, vooral in Dalmatië, Istrië, Kroatië en het zuiden van Tirol komt het veelvuldig voor. Verder treft men het aan in Griekenland, Italië, het zuiden van Frankrijk en Spanje, zoo ook in Palestina, Egypte tot Abessinië en het Atlas-gebied. Gedurende den winter verschijnt de Blauwe Rotslijster geregeld in Indië; toch mag men haar eigenlijk niet als een trekvogel beschouwen; want reeds in Zuid-Europa ontmoet men haar jaar in, jaar uit op dezelfde standplaatsen, hoogstens met dit verschil, dat zij in den winter aan zonnige hellingen de voorkeur geeft.

In aard en gewoonten gelijkt zij zeer op de Roode Rotslijster, van welke zij echter ook in vele opzichten verschilt. Meer dan deze houdt zij van de eenzaamheid, van rotswanden en enge bergkloven waar geen boomen gekapt worden, vooral van rotsachtige rivierdalen. Zij is een buitengewoon levendige, bedrijvige, beweeglijke Vogel en zingt zeer vlijtig. Haar gezang, hoewel van minder allooi dan dat van de Roode Rotslijster, is toch zeer fraai en wordt bijna in ieder jaargetijde gehoord. Evenals haar naaste verwant kan zij bij doelmatige verzorging jaren lang in de kooi leven. In Italië, op Malta en in Griekenland is zij als kamervogel zeer gezocht. Vele van deze Vogels worden van Griekenland naar Turkije uitgevoerd; op Malta worden goede zangers van deze soort zeer hoog geschat: voor een mannetje betaalt men ƒ24 à ƒ36. Een rijke Maltezer dame achtte zich hoogst gelukkig, dat zij een bijzonder begaafde Blauwe Rotslijster voor ƒ90 had kunnen machtig worden, “en het had moeite gekost den vroegeren eigenaar tot het afstaan van den Vogel te bewegen.”

*

De Lijsters (Turdus) vormen een soortenrijk geslacht, dat over de geheele wereld verbreid is; in gestalte en aard gelijken zij zeer veel op elkander; zij behooren tot de grootste Zangvogels en hebben in meerdere of mindere mate een slanken lichaamsbouw. [30]Haar snavel is middelmatig lang, bijna recht; de bovensnavel heeft een zacht gebogen ruglijn en vertoont vóór de spits een ondiepe inkerving; de voeten zijn middelmatig hoog en slank; de vleugels zijn wel niet bijzonder lang, maar betrekkelijk spits; de derde en de vierde slagpen zijn langer dan de overige; de staart is zelden meer dan middelmatig lang en in den regel recht afgesneden of aan de zijden slechts weinig afgerond; het vederenkleed eindelijk is zacht, maar toch niet zeer wijdstralig; de kleur is zeer ongelijk. Bij de meeste soorten zijn de dieren van beiderlei kunne op gelijke wijze geteekend; het tegenovergestelde geval komt trouwens ook niet zelden voor. De jongen zijn gevlekt. Door het beschouwen van onze inheemsche soorten kunnen wij de zeden en gewoonten van nagenoeg alle echte Lijsters leeren kennen.

Zes soorten van Lijsters worden in ons land broedend gevonden; sommige van deze bouwen hier zelden een nest, andere broeden alleen in ’t noordoostelijkste deel van ons land; slechts van twee—de Zanglijster en de Merel—werd dit meer algemeen waargenomen. De grootste van deze zes soorten—de Groote Lijster (Turdus viscivorus)—wordt in Groningen Zwarte Lijster, in Friesland Dubbele Lijster, bij Haarlem Dubbele Grauwe Lijster genoemd. Zij is 26 cM. lang, waarvan de staart 11 cM. in beslag neemt. De bovendeelen zijn donkergrijs en ongevlekt, de zijden van den kop zijn vaal roestgeel, de onderdeelen roestgeelachtig wit; de gorgel is met driehoekige, de borst met ei- of niervormige, bruinzwarte vlekken geteekend; de slagpennen, de groote vleugeldekvederen en de stuurpennen zijn zwartgrijs met een lichten, grijsgeelachtigen zoom. Het oog is bruin, de snavel donker, de voet licht hoornkleurig. Het wijfje is kleiner dan het mannetje. De jongen hebben aan de onderdeelen gele, overlangsche vlekken en zwartachtige vlekken op de vederspitsen; de dekvederen van hunne vleugels hebben gele kanten.

1) Zanglijster (Turdus musicus) en 2) Beflijster (Turdus torquatus). ½ v. d. ware grootte.

1) Zanglijster (Turdus musicus) en 2) Beflijster (Turdus torquatus). ½ v. d. ware grootte.

De Groote Lijster houdt zich op in alle landen van Europa, van het hooge noorden tot aan de meest zuidelijk gelegen gewesten en overschrijdt de grenzen van dit werelddeel zeer ver in zuidoostelijke richting; men vindt haar nog in den Himalaja en in Indië. “Haar voorkomen is gebonden aan het bestaan van groote bosschen van naaldhout. In ons land meestal slechts op den trek en dan nog wel zeldzaam; enkele malen in Groningen broedende gevonden. ’t Meest ziet men ze op den trek in ’t laatst van October en in ’t begin van April.—Te zeldzaam om van groote beteekenis te kunnen zijn.” (Ritzema Bos.) In Duitschland komt deze Vogel vooral in het Schwarzwald voor. Uit het hooge noorden begeeft hij zich op den trek naar het zuiden en westen en komt dan tot in het noordwesten van Afrika.

De Zanglijster (Turdus musicus), in Friesland Bonte Lijster, bij Haarlem Grauwe Lijster of Grauwtje genoemd, de lieveling van alle bewoners van het gebergte, gelijkt eenigszins op de vorige soort, maar is aanmerkelijk kleiner. Haar lengte bedraagt 22 cM. De bovenzijde is olijfkleurig grijs, de onderzijde geelachtig wit met driehoekige of eivormige, bruine vlekken, die echter op den buik minder overvloedig zijn dan bij de Groote Lijster. Bovendien zijn bij deze de dekvederen aan de onderzijde van den vleugel wit, bij gene daarentegen bleek roestgeel; de dekvederen van de bovenzijde van den vleugel onderscheiden zich voorts bij de Zanglijster door vuil roestgele vlekken aan de spits. Het wijfje en het [31]mannetje verschillen van elkander alleen door de grootte.

De Zanglijster bewoont het grootste deel van Europa benevens Noord-, en Middel-Azië; op den trek komt zij veelvuldig in ’t noordwesten, zeldzamer in ’t noordoosten van Afrika voor. In Duitschland broedt zij in alle groote bosschen; ook in ons land broedt zij “vrij algemeen, maar niet in grooten getale. Tegen ’t laatst van Maart begint reeds het broeden. De noordelijker nestelende Zanglijsters trekken in ’t najaar en ’t voorjaar door ons land; aldus worden zij gedurende een groot deel van ’t gure jaargetijde hier in grooten getale aangetroffen.”

De Koperwiek (Turdus iliacus), in Groningen Schatlijster of Oranjelijster genaamd, is aan de bovenzijde olijfkleurig aardbruin, aan de onderzijde witachtig, aan de zijden van de borst hoog roestrood, aan den hals geelachtig, overal met donkerbruine, driehoekige en ronde overlangsche vlekken geteekend. De oogen zijn koffiebruin, de snavel is zwart, de voeten zijn roodachtig. De lengte bedraagt 22, de staartlengte 8 cM.

Deze Vogel broedt geregeld in het hooge noorden van Europa (zoo ook in het noorden en oosten van Azië en in het noordwestelijk gedeelte van den Himalaja); bij uitzondering nestelt hij ook wel op zuidelijker breedten, bij ons soms in de provincie Groningen. Jaarlijks komt hij hier op den doortrek, gewoonlijk in ’t midden van October uit het noorden, in Maart en April uit het zuiden, soms in ontelbare menigte, vooral in het voorjaar. Sommige van onze Koperwieken overwinteren in Noord-Afrika, de meeste echter in ’t zuiden van Europa.

De Kramsvogel of Veldjakker (Turdus pilaris), die ook wel aangeduid wordt met de namen Veldlijster of Schaarlijster (in Friesland), Dubbele Lijster (in Groningen), Tjakker (op Texel), Kamlijster (bij Haarlem), is bont van kleur. De kop, het achterste deel van den hals en de staartwortel zijn aschgrauw, het bovenste deel van den rug en de schouderstreek zijn vuil kastanjebruin, de slag- en stuurpennen zwart, de vleugeldekvederen aan den buitenrand en aan de spits aschgrauw; de beide buitenste stuurpennen zijn wit gezoomd; de keel en het voorste deel van den hals zijn donker roestgeel met zwarte, overlangsche vlekken; de bruine vederen van de zijden van de borst hebben witte randen, de overige onderdeelen zijn wit. Het oog is bruin, de snavel geel, de voet donkerbruin. De lengte bedraagt 26, de staartlengte 10 cM.

De Kramsvogel, die oorspronkelijk in het noorden van Europa en van Azië thuis behoort, is sedert ongeveer drie menschenleeftijden begonnen ook in Duitschland en zelfs langs de kusten der Noordzee tot in Groningen te broeden; hij nestelt hier in bosschen en boomgaarden, zelfs in tuinen. De overige gedeelten van Nederland bezoekt hij alleen op den trek in October en November. Dikwijls blijft hij hier langer, soms den geheelen winter over tot in het midden of het einde van April. Gedurende zachte winters worden groote vluchten van deze Vogels in de lage weilanden gevonden; bij hooge sneeuw bezoeken zij zelfs de stadstuinen. Zij, die in zuidelijker streken hunne winterkwartieren hebben, gaan niet verder dan Noord-Afrika, Palestina of Kasjmir.

De Beflijster (Turdus torquatus), die ook wel Dominé-, Ring-, Krans- of Kringlijster, Kraag-, Berg- of Ringmerel heet, leeft en broedt in de gebergten van het noorden en midden van Europa; in Duitschland wordt zij het veelvuldigst in de hooge, zeldzamer in de middelmatig hooge bergstreken gevonden. In Skandinavië is zij even algemeen als in Zwitserland. Die van Skandinavië bezoeken ons nu en dan op den trek; zij komen hier in de laatste helft van September, doch zelden in grooten getale, blijven hoogstens 14 dagen en zoeken vervolgens in Zuid-Europa of hoogstens in het Atlasgebied hare winterkwartieren op. Bij ons broedt de Beflijster slechts toevallig. Zij wordt 26 cM. lang en heeft een 11 cM. langen staart. Het mannetje is kenbaar aan een breeden, halvemaanvormigen, witten borstband; overigens is het op dofzwarten grond met lichte, halvemaanvormige vlekken geteekend. Het oog is bruin, de snavel zwart, met uitzondering van een roodachtig geel strookje aan den wortel van de onderkaak; de voeten zijn zwartbruin.

De Merel of Zwarte Lijster (Turdus merula), in Gelderland en Groningen Gietling genoemd, onderscheidt zich van hare verwanten door hare betrekkelijk korte, stompe vleugels en door den betrekkelijk langen, aan de spits afgeronden staart. De veeren van het oude mannetje zijn zwart, de oogen bruin met hooggele randen aan de oogleden; de snavel is oranjegeel; de voeten zijn donkerbruin. Totale lengte 25, staartlengte 12 cM.

De Merel is in geheel Europa bezuiden 66° N.B. op alle voor haar geschikte plaatsen inheemsch en broedt ook in Nederland overal, zelfs in de steden; zij komt bovendien in West-Azië en Noordwest-Afrika, op Madera, de Kanarische eilanden en de Azoren voor. Slechts enkele van de Merels, die in het hooge noorden geboren en grootgebracht zijn, trekken in het najaar zuidwaarts; zij nemen hun weg ten deele over ons land; vele overwinteren echter reeds in het zuiden van Zweden. Die, welke hier te lande broeden, verlaten ons in ’t midden van October en komen tegen ’t midden van Maart terug, voor zoover zij hier niet blijven, wat vooral de meeste oude mannetjes doen. De Merel bewoont bij voorkeur vochtige bosschen en over het algemeen alle plaatsen, waar vele boomen groeien en tevens veel onderhout gevonden wordt.

Sedert 50 à 60 jaren en dus in zekeren zin onder onze oogen is er in de gewoonten en de levenswijze van dezen Vogel een zeer opmerkelijke verandering tot stand gekomen. Gloger kon nog in het begin van het tijdperk 1830–1840 van alle vertegenwoordigers dezer soort getuigen, dat zij zeer schuw zijn, verborgen en eenzaam in bosschen leven, zich alleen door den nood gedrongen daarbuiten begeven, zelfs op den trek zeer ongaarne in kleine of ijle bosschen neerstrijken en bijna nooit op een open plaats of zelfs op een hoogen boom zich nederzetten. Voor de Merels, die aan het woud getrouw gebleven zijn, geldt deze karakterschets ook thans nog in alle opzichten; zij is echter niet meer toepasselijk op de steeds toenemende scharen van die, welke hoofdzakelijk in de westelijke helft van Duitschland en in Nederland langzamerhand in de tuinen en plantsoenen te midden van de dorpen en steden zijn doorgedrongen, zich hier volkomen thuis gevoelen en gemeenzame gasten van den mensch geworden zijn. Het is iederen liefhebber van tuinieren bekend, dat de Merels nu en dan teere planten, vooral die, welke zich met ranken vasthechten, vernielen, zoodat planten, waaraan men bijzondere waarde hecht, door een netwerk tegen haar beschut moeten worden. [32]De verandering van levenswijze, die men bij de Merels opmerkt, heeft echter, naar uit vele waarnemingen blijkt, ook nog andere gevolgen gehad; “die, welke in steden overwinterden en hier met rauw en gekookt vleesch gevoederd werden, hebben waarschijnlijk ten gevolge van deze voedering de gewoonte aangenomen, hun verlangen naar vleesch te bevredigen door het verslinden van jonge, vooral van nog onbevederde, kleine Zangvogels.” Van zulke rooverijen mag men echter niet de geheele soort, maar vermoedelijk alleen enkele ontaarde exemplaren beschuldigen. Evenmin kan men bewijzen, dat de Merels daar, waar zij zich in grooten getale vestigen, de kleinere Zangvogels zouden verdringen. Op plaatsen waar het voedsel schaarsch is, zullen de sterkste Vogelsoorten ongetwijfeld niet veel voor de zwakkere overlaten en hierdoor indirect hun het leven op deze plaatsen onmogelijk maken; het wegblijven van de kleine Zangers uit sommige gewesten kan echter ook wel een gevolg zijn van andere, gedeeltelijk nog onbekende oorzaken. Stellig overdrijft men, door de Zwarte Lijsters hiervan de schuld te geven, zonder ander bewijs dan dat zij bij ons overwinteren en dat hier en daar enkele individuën bij ’t plegen van misdrijven betrapt werden. Men verlieze niet uit het oog, dat tal van waarnemingen geleerd hebben, hoe uitmuntend de Merels en de kleinere Zangers naast elkander kunnen gedijen.

Behalve de zes genoemde, in ons land broedende vormen, zijn een drietal andere soorten van Lijsters een enkele maal hier waargenomen. Deze zijn:

de uit Azië afkomstig Roodkeelige Lijster (Turdus ruficollis), die door den betrekkelijk langen staart met de Merel en de Beflijster overeenkomt en ongeveer zoo groot is als de laatstgenoemde; zij is olijfbruinachtig grijs; de borst en de buik zijn witachtig, de keel, de wenkbrauwen, de krop en de binnenvlag der stuurpennen roestrood;

de Vale Lijster (Turdus pallens), die oostelijk Azië bewoont en somtijds op den trek naar Europa verdwaalt, is een weinig grooter dan de Zanglijster; hare onderdeelen zijn ongevlekt, de kop en de hals donkergrauw; boven de oogen bevindt zich een witte streep; de borst is roestgeel;

de Siberische Lijster (Turdus sibiricus) is blauwzwart met een lange, witte streep boven de oogen en komt in grootte met de vorige soort overeen.

In de andere Europeesche landen werden nog negen soorten van Lijsters gevonden, die echter niet in ons werelddeel broeden; zij bezoeken het slechts zelden en behooren eigenlijk in Noord-Amerika, Azië of Afrika thuis.

De Lijsters zijn wereldburgers en hebben in verschillende landen ook een eenigszins verschillende levenswijze, bij voorkeur echter leven zij altijd en overal in bosschen. Minder kieskeurig dan de overige Grondzangers, nemen zij ieder met boomen begroeid oord voor lief; want niet alleen de prachtige wouden der Europeesche vlakten en de oerwouden der keerkringslanden, maar ook bosschen zooals die van het Schwarzwald of schrale kreupelbosschen, zooals in de steppen gevonden worden, weten haar te boeien; ja zelfs nog boven de grenzen van den boomgroei, onmiddellijk onder en tusschen de gletschers vinden zij woonplaatsen, die hunne eischen bevredigen. Trouwens slechts weinige soorten blijven voortdurend in ’t zelfde oord; de meeste toonen een reislust, die door weinige andere Vogels geëvenaard wordt. Zij die als zelden verschijnende gasten tot ons komen, hebben een weg moeten afleggen, die bijna de helft van den omtrek der aarde omvat Hun uitgangspunt was Kamtschatka, het alleroostelijkste deel van Siberië. Bij onze naburen vertoonen zich zelfs soorten, die de Beringzee overtrekken en geheel Azië doorreizen moesten om Europa te bereiken.

Alle Lijsters zijn hoog begaafd, vlug van beweging, behendig, met uitmuntende zintuigen uitgerust, schrander, in ’t zingen bekwaam, opgewekt van aard, onrustig, gezellig, maar in ’t geheel niet vredelievend. Zij hebben vele goede eigenschappen, maar ook vele, die ons slecht voorkomen. Van den vroegen morgen tot in den laten avond ziet men ze bijna onophoudelijk in beweging; alleen door den gloed van de middagzon wordt haar bedrijvigheid eenigermate verminderd. Door hare bewegingen herinneren zij in vele opzichten aan andere Grondzangers; op den bodem bewegen zij zich behendig huppelend met groote sprongen; als zij iets opmerken, wat hun aandacht trekt, wippen zij, evenals de kleinere Grondzangers, den staart omhoog, terwijl tegelijkertijd de vleugels een benedenwaartschen schok krijgen. Te midden van de takken springen zij vlug en behendig rond; bij sprongen over groote afstanden moeten de vleugels medehelpen. Zij vliegen uitmuntend. De meeste soorten zullen, als zij opgeschrikt worden, op een schijnbaar onbeholpen wijze over den bodem wegfladderen, zoo mogelijk van den eenen struik naar den anderen; dezelfde Vogels schieten evenwel met een buitengewone snelheid door de lucht, zoodra zij tot een zekere hoogte zijn opgestegen.

De zintuigen van de Lijsters zijn gelijkmatig ontwikkeld. Zelfs kleine Insecten kunnen zij op een grooten afstand waarnemen. Wanneer zij hoog boven de aardoppervlakte voorttrekken, zijn zij in staat om de voorwerpen onder haar nauwkeurig te onderscheiden. Zij hebben niet alleen een zeer scherp gehoor, maar ook een zeer goed onderscheidingsvermogen voor geluiden, zooals reeds uit haar gezang valt af te leiden. Door haar snoepachtigheid geven zij bewijzen van een goed ontwikkelden smaak. Ieder, die deze Vogels heeft leeren kennen, zal hunne geestvermogens hoog stellen. Zij zijn niet slechts schrander, maar ook listig, niet slechts schuw, maar beredeneerd voorzichtig, driest en tevens wantrouwig; zij zijn vlug van begrip en oordeelen zeer juist; bovendien maken zij gebruik van alle mogelijke middelen om hun veiligheid te verzekeren. In het bosch worden zij tot waarschuwers, welker raad niet alleen door de leden van hetzelfde geslacht, maar ook door andere Vogels en zelfs door Zoogdieren ter harte wordt genomen. Alles wat opmerkelijk, ongewoon of nieuw is, trekt hun aandacht. Met onverholen nieuwsgierigheid komen zij nader om een voorwerp, dat hun belangstelling wekt, beter te kunnen bekijken; ook dan echter verliezen zij de zorg voor hun veiligheid niet uit het oog, maar blijven op een eerbiedigen afstand. De Lijsters, die in de stille, slechts zelden door menschen bezochte wouden van het noorden opgegroeid zijn, laten zich licht verschalken, door het ten toon gespreide voedsel tot onvoorzichtigheid verleiden of door andere leden van haar soort in verborgen vallen lokken. De ervaring scherpt echter weldra haar verstand; zij die eens bedrogen werden, laten zich niet licht ten tweeden male op dezelfde wijze beetnemen. De meeste soorten hebben, naar het schijnt, behoefte aan gezelligheid. Zooals reeds opgemerkt werd, zijn zij volstrekt niet vredelievend, maar geraken integendeel zeer dikwijls met elkander in strijd. Toch kunnen zij, bij wijze van spreken, elkander niet missen: de lokstem van de eene wordt zelden door andere gehoord [33]zonder het gewenschte gevolg. Zij zoeken het gezelschap niet alleen van andere Vogels van dezelfde soort, maar ook van de Lijsters in ’t algemeen: het komt voor, dat verscheidene gedurende geruimen tijd bijeenblijven, gemeenschappelijk reizen en gezamelijk den winter in den vreemde doorbrengen. In geval van nood voegen zij zich ook bij andere Vogels. Wanneer zij opgesloten worden, gaan zij aanvankelijk geweldig te keer, maar beschouwen weldra den persoon, die haar vriendelijk behandelt, als een vriend en vatten een innige genegenheid voor hem op.

De stem en het gezang vertoonen bij de verschillende soorten van Lijsters vele punten van overeenkomst, maar toch ook groot verschil. De lokstem van de Groote Lijster klinkt als “sjnerr” en gelijkt op het geluid, dat men voortbrengen kan, door met een stokje over de tanden van een kam te strijken. Als de Vogel opgewonden is, wordt het “sjnerr”-geroep versterkt door het tusschenvoegen van “ra ta ta”. Zijn angstkreet is een onbeschrijfelijk gesjirp, dat trouwens in soortgelijke omstandigheden door de meeste Lijsters op gelijke wijze wordt voortgebracht. De lokstem van de Zanglijster is een heesch gefluit, dat niet ver hoorbaar is en op de klank “tsiep” gelijkt, waaraan dikwijls de syllabe “tak” of “tök” wordt toegevoegd. De lokstem van den Kramsvogel bestaat uit een snelle opeenvolging van de scherp uitgestooten klanken “tsjak tsjak tsjak”, waaraan hij den naam Tjakker dankt; hieraan wordt door hem het schelle “gri gri” toegevoegd, wanneer hij andere Lijsters uitnoodigt om bij hem te komen. De lokstem van den Koperwiek bestaat uit den hoogen toon “tsi” en den daaropvolgenden zware toon “gak”, als angstroep laat hij het ratelende “sjerr” of “tsjerr” hooren. De Beflijster lokt door “tök tök tök” te roepen en daartusschen het laag geïntoneerde “tak” te laten hooren; zij maakt echter ook wel, evenals hare verwanten, een ratelend geluid. De Merel eindelijk roept tremoleerend “sri” en “trenk”; bij het zien van een verdacht verschijnsel hoort men van haar het luid klinkend gekrijsch “dieks, dieks”, waarop, als het vluchten noodig wordt geacht, het haastige “gri giech giech” volgt. Al deze geluiden, die, zooals van zelf spreekt, door onze klankteekens slechts op een zeer onvolkomen wijze uitgedrukt kunnen worden, ondergaan in bepaalde omstandigheden velerlei wijzigingen. Zij zijn trouwens voor alle Lijsters verstaanbaar: de eene soort geeft gevolg aan de lokstem van de andere; vooral het waarschuwend signaal wordt door allen goed ter harte genomen.

De Lijsters behooren wat hun gezang betreft, tot de meest begaafde van alle Zangvogels. De eerepalm komt aan de Zanglijster toe; bijna op gelijke hoogte staat de Merel; op haar volgen de Groote Lijster en de Kramsvogel. De Noren noemen de Zanglijster den “Nachtegaal van het Noorden”. Haar gezang is rijk van inhoud, welluidend en ver hoorbaar. Met de fluitende geluiden wisselen trouwens ook schrijnende, minder luide en niet zeer aangename tonen af; hierdoor wordt echter de liefelijkheid van de geheele compositie slechts weinig verminderd. Het gezang van de Merel bevat verscheidene buitengewoon fraaie strophen; het klinkt echter niet zoo vroolijk, maar plechtstatiger of droefgeestiger dan dat van haar meer begaafde verwante. Het lied van de Groote Lijster bestaat uit een gering aantal strophen, hoogstens 5 of 6, die niet veel van elkander verschillen, maar bijna zonder uitzondering uit volle, gefloten tonen samengesteld zijn; daarom mag men ook dit gezang uitmuntend noemen. Hetzelfde kan gezegd worden van het lied van den Koperwiek en van de Beflijster. “Hoewel aan het gezang van deze Vogels de eigenaardige gloed van den Nachtegaalslag ontbreekt,” zegt Tschudi, “brengt het een onuitsprekelijk vroolijk leven in den stillen ernst van de grootsche landschappen van het gebergte, wanneer het in juichende, honderdstemmige koren uit alle hooge wouden weerklinkt.”—De Lijsters dragen haar gezang op een zeer eigenaardige wijze voor. Opmerkelijk is de tegenstelling, die er schijnt te bestaan tusschen de voordracht van deze Vogels en hunne gewone gebaren. Vele Zangers begeleiden hun gezang met allerlei vlugge bewegingen: de Lijsters echter zitten stil gedurende het zingen en hare liederen zijn kalm, plechtig als kerkgezang. Iedere strophe is duidelijk afgerond, iedere toon vormt een afgesloten geheel, de slag van de Lijster is daarom beter geschikt voor het woud dan voor de kamer.—De Merel, die bij ons overwintert, begint reeds in Februari, als de sneeuw en het ijs in het woud nog heerschen, hare liederen voor te dragen; ’t is alsof de Zanglijster, die dan in den vreemde verblijf houdt, op dit tijdstip aan haar vaderland denkt en het een groet toezendt door haar gezang. De mannetjes wedijveren met elkander, evenals dit bij de meeste goede zangers geschiedt. Als de eene Lijster begint te zingen, kan een andere, die haar hoort, niet nalaten dit gezang op gelijke wijze te beantwoorden. De eene leert van de andere: goede zangers kweeken uitmuntende leerlingen, brekebeenen bederven het gezang van geheele generatiën. Vooral de Merel neemt licht iets over van het gezang van hare soortgenooten en zelfs van andere Zangvogels; hierdoor wordt zij soms een echte “spotvogel”. Het is alsof de Lijster in haar gezang een zekere ijdelheid openbaart, want hoe verborgen zij zich gewoonlijk houdt,—als zij haar lied laat hooren, treedt zij op den voorgrond. Zij kiest dan steeds een hoogen boomtop als zetel en zendt vandaar hare heerlijke klanken door het woud.

Het voedsel van de Lijsters bestaat uit Insecten, Slakken en Wormen, in den herfst en in den winter ook uit bessen. De Lijsters zoeken haar prooi grootendeels van den bodem, en houden zich daarom iederen dag verscheidene uren hier op. Van het bosch vliegen zij naar weiden en akkers, naar de oevers van rivieren en beken en naar andere plaatsen, waar de kans bestaat om voedsel te vinden. Wanneer er niets valt op te rapen, wroeten zij met den snavel in de afgevallen bladen om een nieuwen voorraad voedingsmiddelen te ontdekken. Om vliegende Insecten bekommeren zij zich weinig of niet; toch ziet men sommige Merels van tijd tot tijd op een onbehendige wijze hun prooi al vliegend vervolgen. Naar het schijnt, zijn de meeste soorten zeer verlekkerd op bessen; sommige geven de voorkeur aan die van de eene, andere aan die van een andere plant. De Groote Lijster verdient den naam “Misteldrossel”, dien hij in Duitschland draagt, want zij is bijzonder gesteld op de bessen van de Vogellijm (in ’t Duitsch “Mistel”), zoekt deze overal op en twist hevig met andere Vogels om het bezit van deze lekkernij. Reeds de Ouden beweerden, dat de verspreiding van de zaden dezer woekerplant aan de Groote Lijster te danken is en deze meening schijnt gegrond te zijn. De Beflijster zoekt, zoodra het broeden afgeloopen is, met zijn gezin de groeiplaatsen van de blauwe boschbessen op en eet hiervan dan zooveel, dat haar vleesch blauw, hare beenderen rood en hare veeren bevlekt worden. Dat de Kramsvogel den naam “Wachholderdrossel” niet ten onrechte draagt (“Wachholder” is de plant, die [34]wij jeneverbes noemen), behoeft bijna niet verzekerd te worden: zij doorzoekt in den winter de jeneverbesstruiken met grooten ijver en maakt zulk een overvloedig gebruik van de door haar zoo hoog geschatte vrucht, dat haar vleesch er een eigenaardigen, aangenamen smaak door verkrijgt. Bovendien eten alle Lijsters aardbeien, frambozen, braambessen, aalbessen, roode en zwarte vlierbessen, roode boschbessen, wegedoornbessen, kruisbessen, lijsterbessen, kersen, druiven enz.

Korten tijd na haar terugkomst in ’t vaderland heeft de voortplanting van de Lijsters plaats; de in ’t noorden wonende soorten broeden trouwens zelden voor het begin van Juni. Verscheidene soorten, vooral de Kramsvogel en de Beflijster, behouden ook op de broedplaats haar gezelligheid, andere scheiden zich gedurende den voortplantingstijd van hare soortgenooten af en bewaken ijverzuchtig het gebied, dat zij zich toegeëigend hebben. De nesten worden op verschillende plaatsen gebouwd in verband met de soort en met de door haar bewoonde streek; de nesten zelf zijn in hoofdzaken gelijk. De Groote Lijster bouwt haar nest reeds in Maart, gewoonlijk op een naaldboom en op een hoogte van 10 à 15 M. boven den grond; het bestaat uit fijne, dunne takjes, stengels, halmen, mossen die met de nog daaraan hangende aarde van den bodem of van de boomen zijn losgemaakt, fijne wortels en dergelijke materialen; de nestholte is glad en netjes gevoerd met droge grasbladen, halmpjes en pluimen. Het broedsel bestaat uit 4 of 5 betrekkelijk kleine eieren met gladde schaal, die op een bleek zeegroenen grond grove en fijnere, paarsachtig grijze stippels vertoont. Wanneer de omstandigheden niet al te ongunstig zijn, broedt het paar tweemaal in den loop van den zomer.—Het nest van de Zanglijster is in den regel lager geplaatst, meestal op zwakke boompjes of in struiken; de buitenste lagen zijn van de reeds genoemde materialen vervaardigd, maar zijn fijner bewerkt, de dikte is geringer; van binnen is het nest netjes en stevig en bekleed met een zeer glad gestreken laag fijn gebeten, vermolmd hout, welks vezels aaneenkleven door vermenging met het speeksel, dat de Vogel er met den snavel doorheenkneedt. In het begin van April bevat het nest 4 à 6 eieren, die een glanzige, gladde schaal hebben, welke op zeegroenen grond met fijne of grootere, zwarte of zwartbruine vlekken geteekend is. In den voorzomer wordt voor de tweede maal gebroed.—De Kramsvogel nestelt, zooals reeds vroeger werd opgemerkt, sedert bijna een eeuw ook in Duitschland geregeld; hare eigenlijke broedplaatsen zijn echter de berkenbosschen van Noord-Europa en Siberië. Hier ziet men bijna op iederen stam een nest. Sommige boomen dragen er, zooals ik zelf in Skandinavië heb opgemerkt, 5 à 10, waarvan echter meestal op een gegeven oogenblik slechts één gebruikt wordt, waaruit blijkt, dat een en hetzelfde deel van het woud ieder jaar voor het broeden weder wordt opgezocht. Als men hier komt, als de Vogels eieren of jongen hebben, merkt men een buitengewoon groote bedrijvigheid op. Het geheele bosch weerklinkt van het gezang en het angstig geschreeuw der Vogels, want het aantal broedende paartjes bedraagt honderden. Ieder nest bevat 5 of 6 eieren, die op dof- of heldergroenen grond met groote, uitvloeiende vlekken of met kleinere, scherper begrensde stippels van roodbruine kleur bezaaid zijn; aan het dikkere eind staan deze gewoonlijk dichter bijeen dan elders; soms zijn zij kransgewijs gerangschikt.

De Merel eindelijk, die niet in de nabijheid van steden of dorpen is grootgebracht, nestelt in het kreupelhout, het liefst op jonge naaldboomen en altijd op korten afstand van den grond, soms zelfs op den bodem. Het nest is in verband met deze verschillende standplaatsen verschillend gebouwd. Als het zich in holten van boomen met groote opening bevindt, hetgeen ook wel voorkomt, bestaat het eenvoudig uit een weefsel van mos, dat op den grond groeit en dorre halmen; als het vrij staat, zijn de buitenwanden vervaardigd van fijne worteltjes, stengels en gras en van binnen bekleed met een laag vettige, vochtige aarde, die zeer glad gemaakt is, maar altijd vochtig blijft. Bij zeer gunstige weersgesteldheid vindt men er reeds omstreeks het midden van Maart, anders eerst tegen het einde van die maand 4 à 6 betrekkelijk groote eieren in; deze zijn op bleek blauwgroenen grond overal bedekt met licht kaneelkleurige of roestgele vlekken en stippels. Het tweede broedsel is gewoonlijk in het midden van Mei voltallig.

Het wijfje wordt alleen in de middaguren door het mannetje afgelost; beide ouders houden echter zeer veel van hun kroost en toonen veel angst als een vijand het nest nadert. Dikwijls vallen de Lijsters den vijand werkelijk aan door op hem neer te schieten of dicht bij hem langs te vliegen; zij trachten hem op deze wijze schrik in te boezemen. Als moed niet baat, nemen zij tot list haar toevlucht; zij houden zich, alsof zij ziek zijn en niet voort kunnen; zij fladderen en huppelen schijnbaar met de grootste moeite over den grond, lokken hierdoor het roofdier, dat zich verschalken laat, werkelijk van het nest af, brengen hem al verder en verder van den weg af en keeren daarna vroolijk naar hare jongen terug. Nadat de eieren 14 à 16 dagen lang ijverig bebroed zijn, komen de jongen uit; deze worden hoofdzakelijk met Insecten grootgebracht en ruim van voedsel voorzien; als zij drie weken oud zijn, kunnen zij vliegen. Weinige weken na het uitvliegen beginnen zij te ruien en als de reis naar de winterkwartieren aanvangt, dragen zij reeds hun tweede kleed.

Met uitzondering van de Merel verlaten al onze Lijsters in den herfst haar vaderland en begeven zich naar zuidelijker gewesten. De soorten die in ’t hooge noorden broeden, vinden gedeeltelijk reeds in Duitschland een winterkwartier; de hoofdmassa trekt naar Zuid-Europa. Daar krioelt het overal van Lijsters gedurende de wintermaanden. Op de zonnige hellingen van de hooge gebergten van Spanje vestigen zich de Beflijsters, die thans tot meer of minder groote vluchten vereenigd zijn; in de wouden, kreupelbosschen en wijngaarden vliegen duizenden van Zanglijsters en Koperwieken rond. De Groote Lijster ziet men zeldzamer, gesteld al dat die, welke men in Spanje ontmoet, als trekvogels beschouwd mogen worden. De Kramsvogel behoort tot de zeldzaamste wintergasten van het Iberische Schiereiland. Hetzelfde geldt voor Zuid-Italië en voor Griekenland. Alle Lijsters zijn gedurende de reis tot talrijke gezelschappen, soms tot ontzaglijk groote zwermen vereenigd; deze vormen zich reeds in ’t noorden en trekken op een aanzienlijke hoogte, waarschijnlijk niet veel beneden de 2000 M., naar ’t zuiden voort. “In den herfst van het jaar 1852,” verhaalt Gadamer, “hoorde ik, terwijl ik mij in een woud bevond, plotseling boven mij een vreeselijk gebruis, waarmede een geluid, dat op een schel gehuil geleek, gepaard ging. Ik schrok er van, daar ik meende, dat er een meteoorsteen zou vallen op de plaats waar ik stond. Spoedig echter werd het raadsel opgehelderd, want ik bevond mij plotseling te midden [35]van meer dan 10000 Koperwieken, die van een buitengewone hoogte op alle naburige boomen neervielen. Het dalen geschiedde zoo snel, dat ik de Vogels niet kon onderscheiden, voordat zij zich op den boom neergezet hadden.”

Men mag veronderstellen, dat de Lijsters reeds voor lang op dezelfde wijze gevangen werden als thans, hoewel de ouden misschien nog geen vogelnetten of lijsterstrikken gebruikten, zooals wij nu. Tegenwoordig worden beide soorten van vangtoestellen hier te lande misschien minder gebruikt dan vroeger: in Italië, Spanje en Griekenland daarentegen maakt iedereen jacht op Lijsters; bijna onberekenbaar groot is het aantal Vogels, dat daar gedood wordt.

Alle Lijsters zijn geschikt voor de kooi; haar luid klinkend en krachtig gezang is echter voor het enge vertrek wel wat sterk en haar groote eetlust veroorzaakt bezwaren, die zelfs door de meest nauwgezette zindelijkheid niet geheel weggenomen kunnen worden. In een groote, in de vrije natuur geplaatste volière zijn zij uitmuntend op haar plaats. Hare opgewektheid en bedrijvigheid verschaffen haar warme vrienden; zij laten haar uitmuntend gezang reeds hooren in de eerste maanden van het jaar, als de andere Vogels nog zwijgen.


De tweede onderfamilie van de Zangers omvat de Grasmuschachtigen (Sylviinae), kleine, slank gebouwde Zangvogels, met slanken, dunnen, priemvormigen snavel, welks rugrand tot aan de spits zwak gebogen is, terwijl de bovensnavel achter de spits een geringe inkerving vertoont; de voeten zijn kort of hoogstens middelmatig hoog, de vleugels middelmatig lang en meestal afgerond; de staart is verschillend van vorm, nu eens korter dan weer langer; het vederenkleed is zoo zacht als zijde.

Tot deze onderfamilie behooren ruim 100 soorten. Zij zijn over alle landen van het oostelijk halfrond verbreid; in Amerika worden zij niet gevonden. De Grasmuschachtigen bewonen ieder gebied, alle hoogte- en breedtegordels; zij ontbreken nergens, waar het land met planten begroeid is; zij houden zich op in het woud zoowel als in alleenstaande boschjes, in de met hoogstengelige planten bedekte steppe en in de riet- of biesbosschen; zij brengen dus leven in streken van zeer verschillende plaatselijke gesteldheid en doen dit wegens hunne groote begaafdheden meestal op een hoogst bevallige wijze. Wakker en bedrijvig, vermaak scheppend in beweging en onrustig van aard, sluipen en kruipen zij met onovertreffelijke behendigheid door de dichtste wildernissen van planten van allerlei soort. Zij gevoelen zich uitmuntend thuis zoowel in de boomkronen als te midden van de meest verward dooreengroeiende struiken en van het dichtste riet; verscheidene zijn even goed ervaren in ’t loopen als in ’t sluipen door nauwe tusschenruimten. Hoewel hun vliegvermogen niet uitmuntend mag heeten, is het meestal toch zeer voldoende, zelfs scheppen zij behagen in velerlei kunststukken op dit gebied. Verreweg de meeste verdienen den naam, dien zij met de Lijsterachtigen gemeen hebben: van verscheidene geslachten behooren alle leden tot de beste zangers, die wij kennen; enkele kunnen zelfs aanspraak maken op den naam van meesters in deze kunst. Ook hunne hoogere vermogens mag men goed ontwikkeld noemen. Wat de volkomenheid hunner zintuigen betreft, staan zij, naar het schijnt, niet achter hunne verwanten. Ieder die ze heeft leeren kennen, zal een hoog denkbeeld hebben gekregen van hun verstand. Zij zijn schrander, weten hunne handelingen te wijzigen in overeenstemming met de omstandigheden, onderscheiden hunne vrienden en vijanden, toonen gemeenzaamheid daar waar deze op haar plaats is, en zijn schuw daar waar zij vervolgingen te verduren hebben gehad; zij laten list zoowel als eerlijkheid en openhartigheid, vertrouwelijkheid zoowel als wantrouwen blijken, leven met andere Vogels in de beste overeenstemming, zoolang dit hun mogelijk is en houden vrede met hunne soortgenooten zoolang totdat met de liefde ook de ijverzucht in hen ontwaakt; zij zijn trouw als echtgenooten en zelfopofferend als ouders, geven merkwaardig treffende bewijzen van zelfopoffering terwille van hun kroost,—kortom zeer uiteenloopende, voortreffelijke eigenschappen vindt men bij hen vereenigd.

Alle soorten die bij ons in ’t noorden wonen, zijn trekvogels; de meeste verschijnen eerst in hun vaderland, als de lente werkelijk aangevangen is. Dan kiest ieder paar voor ’t broeden een bepaald gebied uit, ’t zij groot of klein, waarin het zich tegen andere Vogels van dezelfde soort handhaaft; slechts bij uitzondering duldt het een tweede paar binnen de grenzen van zijn gebied. Onmiddellijk na de keuze van de broedplaats begint de bouw van het nest, dat door de dieren van verschillende soort op verschillende plaatsen aangelegd en op verschillende wijze samengesteld kan worden. De beide ouders zijn gewoon het broedsel, dat uit 4 à 6, hoogstens uit 8 eieren bestaat, beurtelings te bebroeden, en wijden zich met gelijken ijver aan de verzorging der jongen. Deze worden uitsluitend met Insecten gevoederd, die ook hoofdzakelijk het voedsel van de ouden uitmaken, hoewel deze in den herfst allerlei bessen en andere vruchten niet geheel versmaden. Geen enkele soort van deze onderfamilie veroorzaakt ons een merkbare schade; waarschijnlijk moet ieder harer leden nuttig genoemd worden, hoewel het soms niet gemakkelijk is dit voor iedere soort aan te toonen. Alle verdienen daarom onze bescherming en zijn de genegenheid waardig, die haar wegens haar voortreffelijk gezang bijna zonder uitzondering door oud en jong betoond wordt; alle zijn geschikt voor het leven in een kooi en zullen onder de kamervogels steeds een hoogen rang innemen.

*

De kenteekenen van de Bastaardnachtegalen (Accentor) zijn: een krachtige romp, een kegel-priemvormige, rechte, middelmatig lange snavel, welks scherpe randen sterk naar binnen gebogen zijn en welks spleetvormige neusgaten van boven door een vlies bedekt worden, middelmatig hooge, tamelijk dikke voeten met korte maar krachtige teenen, middelmatig of tamelijk lange vleugels, welker derde of vierde slagpen gewoonlijk de langste is, een korte, matige breede staart en een los vederenkleed. Tusschen de beide seksen bestaat geen groot verschil, wel tusschen de oude Vogels en de jonge.

Tot dit geslacht rekent men een twaalftal soorten, welker verbreidingsgebied tot Europa en het gematigde deel van Azië beperkt is. In Europa treft men slechts twee van deze soorten aan, waarvan één ook in ons vaderland. De meeste leven in ’t gebergte en houden bij voorkeur op den bodem verblijf; in een vreemdsoortige, gebukte houding huppelen zij hier meer of minder vlug rond; overigens vliegen zij bijna altijd op korten afstand van den bodem en zoeken hier of in lage struiken haar voedsel, dat uit Insecten, bessen en kleine zaden bestaat. Tegen het begin van den winter [36]verlaten sommige het noorden en begeven zich naar zuidelijker gewesten of zoeken haar toevlucht op de zuidelijke berghellingen. Haar voortplanting heeft vroeg in ’t jaar plaats; zij bouwen tamelijk kunstige nesten en leggen 3 á 6 groenachtige eieren.

1) Bastaardnachtegaal (Accentor modularis) en 2) Alpen-bastaardnachtegaal (Accentor collaris). ½ v. d. ware grootte.

1) Bastaardnachtegaal (Accentor modularis) en 2) Alpen-bastaardnachtegaal (Accentor collaris). ½ v. d. ware grootte.

De Bastaardnachtegaal of Winterzanger, in Friesland ook wel Grauwpieper, in Noordbrabant Doornkruiper, in Gelderland Boeren-nachtegaal genoemd (Accentor modularis), is aschgrauw op den kop, den hals, de keel en de krop, grijsachtig wit aan de kin, heeft boven op den kop uitvloeiende, zwarte schaftstrepen; de oorstreek is bruinachtig met lichtere streepjes, de borst en de buik zijn witachtig, de flanken bruinachtig met donkere schaftstrepen, de onderstaartdekvederen zijn bruin en ieder met een witachtigen rand voorzien; de slagpennen en de stuurpennen zijn bruinzwart, met een roestbruinen zoom aan de buitenvlag. Het oog is lichtbruin, de snavel bruin, de voet roodachtig. De lengte bedraagt 15, de staartlengte 6 cM.

In alle landen tusschen den 64en graad N.B., de Pyreneeën, de Alpen en den Balkan wordt de Bastaardnachtegaal, naar ’t schijnt, broedend aangetroffen; hij komt echter ook verder noordwaarts voor, verschijnt in den winter zeer geregeld in ’t zuiden van Europa en begeeft zich zelfs naar Noord-Afrika en West-Azië. In Middel-Duitschland en ook bij ons komt hij in Maart, houdt zich een tijdlang op in heggen en hakhoutboschjes en begeeft zich dan naar zijn broedplaats in het bosch; aan sparren en dennen geeft hij de voorkeur boven breedgebladerde boomen; hij houdt meer van ’t gebergte dan van de vlakte. Bij ons bouwt hij zijn nest niet meer dan 1 M. boven den bodem, gewoonlijk in hagen en hakhout. Sommige ouden overwinteren hier; de jongen trekken naar ’t zuiden.

“Door al zijne gewoonten,” schrijft mijn vader, “onderscheidt de Bastaardnachtegaal zich zoo zeer van alle andere Vogels, dat een deskundige hem reeds van verre herkennen kan. Niet alleen in ’t dichtste kreupelhout, maar ook op den bodem huppelt hij met het grootste gemak rond; hij kruipt door alle schuilhoeken, beweegt zich zonder moeite tusschen de hooge, dorre grashalmen door, zoekt voedsel tusschen de afgevallen bladen en doet dit alles met groote behendigheid. Op den grond volgen zijne sprongen zoo schielijk opeen, dat het is, alsof men een Muis ziet loopen. Zijn gezang bestaat uit weinige tonen, die door elkander heen geward worden en niet zeer liefelijk zijn.” Zijn loktoon klinkt als “di doeï diï” of “sri sri”; de schelle roep “di-du” geeft angst te kennen; gedurende het vliegen roept hij “bi bi biel”; zijn lied bestaat hoofdzakelijk uit de klanken “die die dee hie dee”. De eene Vogel zingt bijna als de andere; soms heeft men geringe afwijkingen van den regel opgemerkt.—In den zomer voedt de Bastaardnachtegaal zich hoofdzakelijk met Insecten, vooral met kleine Kevers en hunne larven, gedurende het trekken eet hij bijna uitsluitend kleine zaden; ook slikt hij tot bevordering van de spijsvertering zandkorrels door.

De Bastaardnachtegalen geraken spoedig aan de gevangenschap gewoon en worden na verloop van korten tijd zeer tam. Wegens hun gemeenzaamheid wekken zij de belangstelling van de liefhebbers van Vogels, hoewel hun gezang niet veel beteekent.

Op de hooge gebergten van Zuid- en Midden-Europa ziet men dikwijls de Alpen-bastaardnachtegaal (Accentor collaris). Deze gelijkt wel eenigzins op een Leeuwerik. De bovendeelen zijn grijsbruin, de nek en de zijden van den hals zuiverder grijs, de mantel en de schouders met breede, donkerbruine schaftvlekken geteekend; de veeren van kin en keel zijn wit met een zwarten eindzoom, de overige onderdeelen bruinachtig grijs, de zijden roestrood, de slagpennen en hunne dekveeren bruinzwart, de stuurpennen zwartbruin aan de buitenzijde vaalbruin gezoomd, aan het einde van de binnenvlag roestkleurig witachtig. Het oog is bruin, de bovensnavel hoornzwart, de ondersnavel hoorngeel, de voet geelbruinachtig. De lengte bedraagt 18, de staartlengte 8 cM.

Op de Alpen is hij overal veelvuldig, op het Reuzengebergte komt hij wel is waar zeldzaam, maar toch [37]geregeld voor. In Zwitserland bewoont hij vermoedelijk alle bergketenen. Girtanner trof hem in het gebergte overal aan, waar de eischen, die hij aan ’t leven stelt, bevredigd kunnen worden. In ’t Reuzengebergte is zijn verbreiding beperkt tot weinige plaatsen, hoofdzakelijk tot den Reuzenkop en den Hohe Rad; hier kan men hem op of bij plaatsen, waar men hem eenmaal heeft waargenomen, althans in den zomer ieder jaar wederzien; daar hij, naar het schijnt, met een gebied van weinige hectaren volkomen tevreden is. In Zwitserland ziet men ze bijna altijd tot kleine gezelschappen vereenigd, die aan de omgeving van herdershutten en veestallen de voorkeur schijnen te geven boven de eenzame gedeelten van het gebergte, of althans zich hier dadelijk vertoonen, zoodra het weder stormachtig is of wanneer er in de hoogere streken van het gebergte sneeuw valt. Zijne verblijfplaatsen zijn niet zoo hoog gelegen als die van de Sneeuwvink; het liefst vestigt hij zich op gruishellingen, die aan den voet van rotswanden voorkomen en niet geheel ontbloot zijn van planten. Op de voor regen beveiligde rotspunten van deze wanden is in den regel het nestje te vinden. Om te zingen kiest het mannetje een vooruitstekenden rotsklomp of een afgezonderd liggenden, hoogen steen uit. Zijn gezang beteekent niet veel, maar is toch niet vervelend en is geheel in overeenstemming met de zachtaardige, vriendelijke inborst van den zanger.

Wanneer deze Vogels volkomen veilig zijn of meenen te zijn, huppelen zij onophoudelijk over en tusschen de met mos begroeide rotsklompen rond, laten intusschen voortdurend vroolijke loktonen hooren en gaan langzaam verder. Terwijl zij dit doen, zijn zij met hun snavel voortdurend bezig, nemen hier een zaadje, daar een wormpje, ginds een bes op; want de Alpen-bastaardnachtegaal lust nagenoeg alles wat niet te hard is of er niet al te weerbaar uitziet. Zoolang hij het in ’t hooge gebergte kan uithouden, d. w. z. zoolang de bodem niet al te dik met sneeuw bedekt is, verlaat hij zijn standplaats niet; natuurlijk begeeft hij zich naar omlaag, zoodra de winter met koude hand zijn voedsel bedekt. Dan daalt hij tot in de dorpen van het gebergte af, volgt met de Steenkraaien en Sneeuwvinken de sporen van Paarden op de wegen of verschijnt zelfs tusschen de stille hutten van de Alpenbewoners.

In gunstige zomers broedt de Alpen-bastaardnachtegaal, evenals zijn inheemsche neef, tweemaal; men vindt dan zeer vroeg in ’t jaar en bovendien tegen het einde van Juli eieren in zijn nest. Dit wordt gebouwd in spleten en gaten van ’t gesteente, onder rotsblokken of in dichte boschjes van Alpenrozen, altijd echter op beschutte en verborgen plaatsen; het is samengesteld uit op den bodem groeiend mos en grashalmen en is van binnen met zeer fijn mos of met haren van Paarden of Runderen en wol netjes bekleed. De 4 à 6 langwerpige, blauwachtig groene eieren hebben een gladde schaal en verschillen alleen door hun meerdere grootte van die van onzen Bastaardnachtegaal.

Alpen-bastaardnachtegalen geraken licht aan het verblijf in een kooi gewend, worden zeer tam, verdragen de gevangenschap eenige jaren, als men ze goed verzorgt en loonen de moeite, die men aan hen besteedt, door hun aangenaam, zacht gezang en door den ijver, waarmede zij hun eenvoudig lied ten beste geven.

*

Van alle geslachten dezer onderfamilie is dat der Grasmusschen (Sylvia) het meest bekende. Het kenmerkt zich door den slanken lichaamsbouw, den kegel-priemvormigen snavel met flauw gebogen ruglijn; vóór de benedenwaarts gekromde spits van den bovensnavel komt een kleine inkerving voor; de stevige voeten zijn tamelijk kort, de vleugels middelmatig lang en eenigszins afgerond; de staart is kort of middelmatig lang; het vederenkleed eindelijk is dicht, zijdeachtig zacht, in den regel niet bijzonder levendig van kleur.

Het geslacht der Grasmusschen omvat ongeveer 23 soorten, die het oostelijk halfrond bewonen en in het noordelijke gebied van de Oude Wereld het talrijkst zijn. Zij houden zich op in wouden van breedgebladerde boomen en van naaldhout, in kreupelbosschen en tuinen, zoowel in hooge als in lage streken. Bijna alle begaafdheden van de leden harer familie komen bij haar vereenigd voor. Zij zingen uitmuntend, eten Insecten, Spinnen, bessen en andere vruchten en bouwen laag in het kreupelhout hare kunstelooze nesten.

De grootste van alle in Duitschland levende soorten, die ook een paar malen in ons land, en wel in de nabijheid van de stad Groningen, waargenomen werd, is de Gestreepte Grasmusch (Sylvia nisoria). Haar lengte bedraagt 18 cM. Hare bovendeelen zijn olijfkleurig bruingrijs; de bovenkop is iets donkerder; de witte veeren van de onderzijde zijn evenals die van de zijden van den kop, van de kin, de keel en de flanken aan ’t einde met een smallen, donkeren zoom voorzien, waardoor donkere dwarsbanden ontstaan; de vleugels zijn bruingrijs, de staartveeren donker aschgrauw, de buitenste stuurpennen met witten zoom.

De Gestreepte Grasmusch bewoont of bezoekt Middel- en Zuid-Europa, met uitzondering van Groot-Brittannië, tot aan het zuidelijke deel van Zweden, bovendien het westen van Azië en het noorden van China; in den winter begeeft zij zich op den trek naar het binnenland van Afrika. In enkele gedeelten van Duitschland, hoofdzakelijk in de door rivieren doorsneden vlakten en aan de met kreupelhout begroeide oevers van groote rivieren is zij veelvuldig, op andere plaatsen ontbreekt zij geheel of behoort zij althans tot de grootste zeldzaamheden. Zij komt er niet vóór den laatsten dag van April en blijft er hoogstens tot in Augustus.

Op den bodem beweegt zij zich moeielijk; zij zet zich daarom zelden hierop neder; daarentegen vliegt zij goed, hoewel ongaarne; met verrassende behendigheid sluipt zij tusschen de twijgen door. Haar lokstem is een smakkend “tsjek”, het tot waarschuwing dienend geluid een snorkend “err”, haar gezang, dat als ’t ware een samenvoeging is van het lied van den Tuinfluiter en dat van de Rosse Grasmusch, is op verschillende woonplaatsen en bij verschillende individuën ongelijk, maar over ’t geheel genomen welluidend en rijk aan tonen.

Bij doelmatige verpleging geraakt de Gestreepte Grasmusch aan ’t leven in de kooi even goed en spoedig gewoon als hare andere inheemsche verwanten; ook stelt zij geen hoogere eischen dan deze; weldra zal zij vlijtig zingen en na verloop van tijd wordt zij zeer tam.

De op één na grootste Grasmusch van Europa is de uitheemsche Meesterzanger (Sylvia orphea), die een lengte van 17 cM. heeft. De veeren van de bovendeelen zijn aschgrauw, op den rug met een bruinachtig waas overtogen, op de kruin en in den [38]nek bruinachtig dofzwart, aan de onderzijde wit, aan de zijden van de borst licht roestkleurig; de slagpennen en stuurpennen zijn dof zwartbruin; de smalle buitenvlag van de buitenste stuurpen is wit, de breede binnenvlag vertoont aan de spits een witte, wigvormige vlek van dezelfde kleur, de tweede stuurpen heeft een witte vlek op het midden van de spits. Het oog is lichtgeel, de bovensnavel zwart, de ondersnavel blauwachtig zwart, de voet roodachtig grijs, een naakte ring om het oog blauwachtig grijs.

De Meesterzanger is een bewoner van Zuid-Europa. In Spanje zal men hem zelden tevergeefs zoeken in oorden, waar de piniolen-den zijn schermvormige kroon uitspreidt of waar in de vruchtbare vlakten karoebenboomen, vijgeboomen en olijfboomen bijeenstaan. Zijn winterreis strekt hij tot Centraal-Afrika en Indië uit.

In tegenstelling met de andere Grasmusschen geeft de Meesterzanger de voorkeur aan hooge boomen; in het eigenlijke kreupelhout heb ik hem nimmer waargenomen. Veel vaker dan het gebergte kiest hij de vlakten tot woonplaats: bebouwde, weelderig begroeide en geregeld besproeide landstreken verwezenlijken, naar het schijnt, alle eischen, die hij aan zijn verblijfplaats stelt. Zeer gaarne vestigt hij zich ook in dennebosschen. Op zulke plaatsen verneemt men zijn gezang overal en ziet men, op deze geluiden afgaande, het paar in de hoogste boomkronen zich vermeien.

1) Gestreepte Grasmusch (Sylvia nisoria), 2) Tuinfluiter (Sylvia hortensis) en 3) Zwartkop (Sylvia atricapilla). ½ v. d. ware grootte.

1) Gestreepte Grasmusch (Sylvia nisoria), 2) Tuinfluiter (Sylvia hortensis) en 3) Zwartkop (Sylvia atricapilla). ½ v. d. ware grootte.

De Meesterzanger verdient zijn naam. Men heeft op de waarde van zijn lied willen afdingen; er is echter geen twijfel aan, dat hij zelfs in zijn familie een hoogen rang inneemt. Zijn lied herinnert eenigszins aan den slag van onze Merel, maar is niet zoo luid en wordt ook niet zoo gearticuleerd voorgedragen. A. von Homeyer, die gedurende geruimen tijd een Meesterzanger in een kooi heeft gehouden, zegt, dat deze Vogel beter zingt dan eenige andere Grasmusch. Enkele Meesterzangers nemen ook tonen uit de liederen van vele andere Vogels in hun gezang op.

Zijn voedsel bestaat uit Insecten en dergelijke kleine, in zijn vaderland voorkomende dieren, uit bessen en andere vruchten.

De broedtijd vangt aan in het midden van Mei en duurt tot in het midden van Juli; dan heeft het ruien plaats. Gedurende den paartijd zijn de mannetjes in de hoogste mate strijdlustig; als hun ijverzucht ontwaakt is, vervolgen zij elkander vol woede. Het nest bevindt zich in het hoogste gedeelte van de boomkroon.

De Vogel, die het fraaist zingt op de Kanarische Eilanden, de Kapriote, is in Europa onbekend. Hij is zoozeer op zijn vrijheid gesteld, dat hij zich niet laat temmen. Ik bewonderde zijn zoetvloeienden, melodieusen slag in een tuin bij Orotava, maar kon hem niet genoeg van nabij bezien om te bepalen tot welk geslacht hij behoort.” Zoo schreef A. von Humboldt; na het bezoek, dat deze groote natuuronderzoeker aan de eilanden bracht, zijn vele jaren voorbij gegaan, voordat wij vernamen, welken vogel hij bedoelde. Thans weten wij, dat de hooggeroemde Kapriote, die de Kanariërs vol trots hun Nachtegaal noemen, dezelfde Vogel is als onze Zwartkop (Sylvia atricapilla, hierboven afgebeeld), een der bekwaamste, lieftalligste en meest beroemde Zangers van onze bosschen en tuinen. De vederen van de bovenzijde zijn grauwzwart, die van de onderzijde lichtgrijs; de keel is witachtig grijs, de kruin bij het oude mannetje donkerzwart, bij het wijfje en het jonge mannetje roodbruin van kleur. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs. De lengte van dit vogeltje bedraagt 15 cM.

De Zwartkop bewoont geheel Europa, in noordelijke richting tot aan Lapland, en West-Azië; voorts Madera, de Kanarische Eilanden en de Azoren. Hier overwintert hij; Griekenland zoowel als Spanje bezoekt [39]hij slechts op den trek, hoewel hij zijn reis tot in Centraal Afrika uitstrekt. Hij komt ieder jaar in April uit het zuiden naar hier; in de lage landen houdt hij zich hoogstens gedurende twee of drie dagen in de tuinen op. In de bosschen van de hooge diluviale zandgronden onzer grensprovinciën broedt hij vrij algemeen, zeldzaam ook in de bosschen van duinstreken. In September verlaat hij onze gewesten,

“De Zwartkop,” schrijft mijn vader, “is een wakkere, behendige en voorzichtige Vogel. Hij is voortdurend in beweging, huppelt onverpoosd en met groote vaardigheid in het dichtste kreupelhout rond, houdt den romp intusschen horizontaal en heeft de voeten een weinig opgetrokken, legt de vederen bijna altijd glad tegen het lichaam aan en houdt ze zeer schoon en netjes. Op den grond komt hij zelden. Als men hem nadert, terwijl hij zich op een open plaats bevindt, tracht hij zich onmiddellijk tusschen de twijgen te verbergen of redt zich door de vlucht. Hij weet dit zoo behendig te doen, dat men de oude vogels dikwijls lang te vergeefs met het geweer moet nagaan; de jongen zijn, zelfs nog in den herfst, minder voorzichtig. Hij vliegt snel, bijna rechtuit, met sterken vleugelslag, maar gaat in één vlucht zelden ver. Slechts na een langdurige vervolging verheft hij zich hoog in de lucht en verlaat de plaats voor goed. In den broedtijd heeft hij zich een tamelijk groot gebied uitgekozen en blijft soms niet eens daarbinnen. Zijn loktoon is een aangenaam klinkend “tak tak tak”; hierop volgt een zeer zachte toon, die niet door letters nagebootst kan worden. Zijn “tak”-geroep heeft zooveel overeenkomst met dat van den Nachtegaal en van den Braamsluiper, dat het slechts door deskundigen behoorlijk onderscheiden kan worden. Het drukt door de verschillende intonaties, die er aan gegeven worden, verschillende gemoedstoestanden uit; men hoort het daarom het meest van de oude Vogels, die hunne jongen voederen. Het mannetje zingt uitmuntend; zijn gezang wordt terecht slechts weinig lager geschat dan de nachtegalenslag. Sommige schatten het lager, andere hooger dan dat van den Tuinfluiter. De zuiverheid en kracht der tonen, welke op die van een fluit gelijken, wegen volgens het oordeel van de vogelliefhebbers wel op tegen de kortheid der strophen. Niet alle exemplaren zijn trouwens in dit opzicht even begaafd. Alle zijn echter vol ijver; bijna gedurende den geheelen dag, van den vroegen morgen tot ’s avonds, weerklinkt hun fraai gezang.”

Deze Vogel broedt tweemaal per jaar: voor ’t eerst in Mei, bovendien nog in Juli. Zijn nest bevindt zich steeds in het dichte struikgewas: waar naaldboomen de overhand hebben, gewoonlijk in de twijgen der dicht opeengehoopte jonge sparren, waar breedgebladerde boomen zijn, hoofdzakelijk in allerlei doornstruiken. Het is betrekkelijk goed, maar geheel op de wijze van de nesten der andere soorten van Grasmusschen gebouwd. Het broedsel bestaat uit 4 à 6 langwerpig ronde eieren met gladde, glanzige schaal, die op een vleeschkleurigen grond een teekening van donkerder vleeschkleurige en bruinroode vlekken, wolkjes en stippels vertoonen.

Wegens zijn uitmuntend gezang wordt de Zwartkop vaker dan alle overige soorten van Grasmusschen in een kooi gehouden. “De Zwartkop,” schrijft Graaf Gourcy, “is een van de allerbeste zangers en verdient, naar mijn smaak, in de kamer de voorkeur boven iederen Nachtegaal. Zijn langdurig, in één adem voortgezet gezang is zoetvloeiender, het biedt meer verscheidenheid aan en is niet zoo doordringend als dat van de beide soorten van Nachtegalen, van welker slag de Zwartkop toch vele bestanddeelen aan den zijnen toevoegt. Vele exemplaren zingen bijna het geheele jaar door, andere 8 à 9 maanden lang. Die, welke men zelf grootgebracht heeft, zijn niets waard, hoewel zij soms een liedje leeren fluiten. Een dergelijke Vogel bootste het wijsje van den postiljon uitmuntend na.” Alle Zwartkoppen, zelfs die, welke in volwassen toestand gevangen zijn, worden zeer tam en zijn dan hun meester zoo genegen, dat zij hem dikwijls reeds, als hij in de verte zichtbaar is, met gezang begroeten, en ook dan niet ophouden, als hij hen met hun kooi ronddraagt. “In de hoofdstad van Kanaria,” verhaalt Bolle, “heeft men nog de herinnering bewaard aan de Kapriote van een non, die gewoon was om dagelijks, als zij haar nog jeugdig vogeltje eten gaf, herhaaldelijk: “Mi nino chiceritito” (“Mijn allerliefst vogeltje”) te zeggen, welke woorden het diertje zonder eenige inspanning luid en duidelijk leerde naspreken. Het volk was opgetogen over het wonderbaarlijke verschijnsel, dat een Zangvogel praten kon. Jaren lang was deze de trots van de bevolking; groote sommen werden tevergeefs voor het dier geboden. De eigenares kon niet scheiden van haar lieveling, die de eenige vreugde van haar leven was en waardoor zij zich volkomen gelukkig gevoelde. Maar wat schitterende beloften haar niet hadden kunnen ontnemen, werd aan de vrouw ontroofd door den boosaardigen nijd, die zelfs onder de zoo zachtzinnige en vriendelijke Kanariërs niet geheel is uitgedoofd: de Vogel werd vergiftigd. Zijn roem heeft hem overleefd, nog lang zal men te Ciudad de las Palmas over hem spreken.”

De Tuinfluiter, die in Friesland Groote Grijze Hofzanger, in Groningen Groote Hofzanger, bij Haarlem Kersenpikkertje heet (Sylvia hortensis, afgebeeld op p. 38), staat als zanger nagenoeg op één lijn met den Meesterzanger en den Zwartkop. Zijn lengte bedraagt 16 cM. Het wijfje is kleiner, maar komt in kleur met het mannetje overeen. De veeren van de bovenzijde zijn olijfkleurig grijs, die van de onderzijde lichtgrijs, aan de keel en den buik witachtig; de slagpennen en de staart zijn olijfkleurig bruin; het oog is licht grijsbruin; de snavel en de voeten zijn vuil loodkleurig grijs.

Middel-Europa kan als het vaderland van den Tuinfluiter worden beschouwd. In noordelijke richting strekt zijn verbreidingsgebied zich uit tot den 69en breedtegraad; zuidwaarts neemt het aantal dieren van deze soort schielijk af. Bij ons komen zij in het laatst van April of in ’t begin van Mei, om in September weder te vertrekken; zij broeden hier overal in tuinen en langs wegen. Ook zij bewonen het woud en houden zich zoowel in breedgebladerde boomen als in naaldboomen op; toch verdienen zij den naam, die hun gewoonlijk gegeven wordt, want iedere tuin die vele boomen bevat, vooral iedere boomgaard is in staat om hen te lokken en te boeien. Zij leven zoowel in lage struiken als in kronen van middelmatig hooge boomen, maar gaan om te zingen bij voorkeur op een tamelijk hooge plaats zitten.

De Tuinfluiter is een rustige, goedaardige Vogel, die een stil maar werkzaam leven leidt, waarin hij geen der hem omringende Vogels hindert of vijandschap betoont; zelfs aan den mensch geeft hij eenige blijken van vertrouwelijkheid; want, hoewel voorzichtig, is hij niet schuw en verricht zijne bezigheden dikwijls onbeschroomd in de twijgen van vruchtboomen waaronder menschen aan den arbeid zijn. Evenals de andere Grasmusschen huppelt hij in sterk gebukte [40]houding zonder inspanning snel tusschen de takken door; op den bodem beweegt hij zich echter even onbeholpen en zeldzaam als zij. Daar hij zich meer in de boomen dan in de struiken ophoudt, ziet men hem vaker dan de andere leden van zijn geslacht over groote, ongedekte terreinen van den eenen boom naar den anderen vliegen; hij rept zich dan met snellen vleugelslag in één richting voort, terwijl hij bij grootere reizen een regelmatig heen en weer gebogen lijn volgt. Zijn lokstem is een smakkend geluid, dat als “tek, tek” klinkt; hij waarschuwt met een snorkend “rhahr”; zijn angstgeschreeuw is een moeielijk te beschrijven gekwaak; een behagelijke stemming wordt te kennen gegeven door de klanken “biwèwèwuu”, die zoo zacht zijn, dat men ze alleen op korten afstand kan hooren. Door zijn lied verdient de Tuinfluiter een plaats onder de beste Zangers onzer bosschen en tuinen. Zoodra het mannetje in de lente tot ons komt, vergast hij zijne vrienden op zijn voortreffelijk gezang, dat geheel bestaat uit zachte, maar toch luide en zeer afwisselende tonen, welke op die van een fluit gelijken en een lange melodie vormen, welke met een matig snel tempo en meestal zonder pauze wordt voorgedragen; tot na St. Jan hoort men dit lied gedurende den geheelen dag, van ’s morgens vroeg tot na zonsondergang, uit het groene loover der boomen weerklinken. Alleen zoolang het mannetje zijn ega bij het broeden behulpzaam is, zingt het gedurende de middaguren niet, overigens musiceert het op elk uur van den dag bijna overpoosd, totdat de jongen uit den dop gekomen zijn, dan maken de zorgen voor het kroost veelvuldiger pauzen noodzakelijk. Alleen vroeg in den morgen, juist als de schemering begint, zingt het zittend; op latere uren rust het zelden en slechts voor eenige oogenblikken in een haag of in de kroon van een boom; bijna voortdurend is het in beweging, huppelt zingend van de eene twijg op de andere en zoekt intusschen zijn voedsel. De melodie van den Tuinfluiter is langer dan die van eenige andere, thans bekende Grasmuschsoort; zij gelijkt eenigszins op die van den Zwartkop en nog meer op die van de Gestreepte Grasmusch; zij zou, behoudens de gewoonlijk zuiverder wijze van fluiten, volkomen gelijk zijn aan het gezang van de laatstgenoemde, indien hierin niet eenige minder welluidende of minder zachte passages voorkwamen.

1) Braamsluiper (Sylvia curruca), 2) Rosse Grasmusch (Sylvia rufa). ½ v. d. ware grootte.

1) Braamsluiper (Sylvia curruca), 2) Rosse Grasmusch (Sylvia rufa). ½ v. d. ware grootte.

Het nest staat soms dicht bij, soms hoog boven den bodem, nu eens in lage struiken, dan weer op kleine boompjes. Van alle nesten van Grasmusschen is dit met de minste zorg samengesteld; vooral de bodem van het nest is zoo dun, dat men zich er over verwonderen moet, dat de eieren er niet doorzakken. Deze zijn ten getale van 5 of 6; gewoonlijk zijn zij dofbruin en aschgrauw gevlekt en gemarmerd op fletsch roodachtig witten grond. Als het paartje niet gestoord wordt, broedt het slechts éénmaal per jaar.

Wegens zijn uitmuntend gezang wordt de Tuinfluiter dikwijls in een kooi gehouden; hij is hiervoor even goed geschikt als eenige andere soort van zijn geslacht, wordt spoedig zeer tam, zingt vlijtig en kan het bij goede verzorging 10 à 15 jaren in de gevangenschap uithouden. Hiermede is echter in tegenspraak de volgende aanhaling uit A. Nuyens’ “De Vogelwereld”; “De Tuinfluiter blijft in de kooi zelden lang in ’t leven. ’t Is een teere Vogel, die men zorgvuldig moet verplegen. Miereneieren, meelwormen, nachtegaalvoer, bessen en vruchten zijn het aangewezen voedsel. Jongen, uit het nest opgevoed, worden zeer tam, maar leven zelden langer dan 2 of 3 jaar in de kooi”.

De algemeen bekende Braamsluiper (Sylvia curruca), ook wel Molenaartje, Brummeldiefje, Babbelaartje, in Friesland Kleine Grijze Hofzanger of Klappermannetje, in Groningen Kersenpikker, in Noord-Brabant Garendiefje genoemd, gelijkt in kleur wel eenigszins op den Tuinfluiter, maar is aanmerkelijk kleiner: hij is slechts 14 cM. lang. De bovenkop is aschgrauw, de rug bruinachtig grijs, de teugel grijszwartachtig, de onderzijde wit, aan de zijden van de borst met een geelachtig rood waas; de olijfbruine vleugel- en staartvederen zijn aan de buitenzijde met een smallen, vaalbruinen, die van den vleugel bovendien aan de binnenzijde met een witachtigen zoom voorzien; de buitenste staartpen is aan de buitenzijde, zijn eindhelft ook aan de binnenzijde wit. Het oog is bruin, de snavel donkergrijs, de voet blauwachtig grijs.

Het verbreidingsgebied van den Braamsluiper omvat den geheelen gematigden gordel van Europa en Azië; noordwaarts strekt het zich uit tot Lapland, oostwaarts tot China, zuidwaarts tot Griekenland; op den trek begeeft hij zich tot in Centraal-Afrika en Indië.

Bij ons broedt hij vrij algemeen, vooral in boschjes langs den duinkant, in den omtrek van boerenwoningen en zelfs in stadstuinen op heesters of ook op lage takken van boomen; hij komt gemiddeld 22 April, soms eerst in Mei; in September verlaat hij ons weder. De Braamsluiper is een zeer montere en lieftallige Vogel, die bijna nooit lang op dezelfde plaats verblijf houdt, maar altijd in beweging is, gaarne met andere [41]Vogels stoeit en met zijne soortgenooten krijgertje speelt; intusschen let hij niet op de tegenwoordigheid van den mensch en speelt onbeschroomd in diens nabijheid. Bij guur en vochtig weder staan zijne veeren soms ruig, overigens ziet hij er altijd glad en slank uit; hij sluipt en huppelt behendig van tak tot tak en wordt hierdoor licht uit het oog verloren door den persoon, die zijne bewegingen nagaat. Hoewel hij gemakkelijk en vlug door de struiken huppelt, kost de beweging op den grond hem veel inspanning; slechts zelden daalt hij daarom op den bodem af. Hij vliegt met gemak en snel, wanneer hij groote afstanden moet afleggen, maar in andere gevallen op een fladderende en onvaste wijze. Zijn lokstem is een smakkende of klappende, zijn angstroep een kwakende toon. Zeer dikwijls hoort men het mannetje zingen. Dit gezang “bestaat uit een lang aangehouden zacht geluid, uit allerlei bij afwisseling kwetterende en zacht fluitende, soms piepende tonen, waaraan als slot een korter “forto” wordt toegevoegd;” dit slotaccoord, waardoor zijn lied zich onderscheidt van dat van alle andere Grasmuschsoorten, in een tjingelende of klapperende triller.

Het nest wordt gebouwd te midden van dichte struiken, laag boven den grond, in het bosch bij voorkeur in sleedoornen en hagedoornen, op akkers in omheiningen van doornachtige heesters, in tuinen meestal in kruisbessenstruiken; het is zeer licht gebouwd, rust eenvoudig op een twijg zonder er mede verbonden te zijn en gelijkt voor ’t overige op de nesten van de verwante soorten. Het broedsel bestaat uit 4 à 6 eieren met gladde schaal, die op een zuiver witten of blauwachtig groenen grond aschgrauwe of paarsachtig grijze en geelachtig bruine vlekken en stippels vertoonen. De beide ouders broeden om beurten, zij zien de jongen binnen 13 dagen uitkomen, zijn even sterk aan hun kroost gehecht als de andere soorten van Grasmusschen, maken evenals deze van list gebruik, wanneer hunne lievelingen gevaar loopen en gaan bovendien den naderenden vijand met angstig geschreeuw tegemoet. Hunne jongen laten zij nooit in den steek, zelfs bij ’t grootbrengen van den hun opgedrongen jongen Koekoek, voor wien zij dikwijls als pleegouders dienen, toonen zij veel zelfverloochening.

Evenals de meeste Grasmusschen laat ook de Braamsluiper zich gemakkelijk verschalken; zonder moeite geraakt hij gewoon aan het voedsel, dat men hem in de gevangenschap geeft en kan het dan lang in de kooi uithouden.

De Rosse Grasmusch (Sylvia rufa), komt hier te lande niet voor, hoewel zij in Duitschland broedt. Zij onderscheidt zich door haar slankheid en is 15 cM. lang. De bovendeelen zijn roodachtig omberkleurig, de kin, de keel en het onderste deel der wangen zijn wit, de overige onderdeelen licht vleeschkleurig rood; de slagpennen en hunne dekveeren hebben een breeden, roestbruinen zoom.

Deze soort is verder noordwaarts verbreid dan een harer verwanten: zij wordt zelfs in het noorden van Skandinavië gevonden; in oostelijke richting strekt haar verbreidingsgebied zich tot in West-Azië uit. Tegen den winter trekt zij naar Middel-Afrika, ook de Kanarische eilanden worden dan door haar bezocht. In Middel-Europa geeft zij aan lage doornstruiken de voorkeur boven iedere andere verblijfplaats.

De Rosse Grasmusch is een buitengewoon bedrijvige, vlugge en behendige Vogel; zij is geen oogenblik in rust, maar huppelt onophoudelijk in de struiken rond en kan wegens de slankheid van haar lichaam zelfs tusschen de meest verward dooreengegroeide twijgen zeer behendig doorkruipen; alle schuilhoeken worden door haar onderzocht, met dit doel blijft zij dikwijls geruimen tijd verborgen. Het gezang van het mannetje is wel zeer gevariëerd, maar niet zeer klankvol; het bestaat uit tal van afgebrokene tonen en moet, wat liefelijkheid en fraaiheid betreft, bij dat van de meeste inheemsche Zangvogels ver achterstaan. De Rosse Grasmusch laat haar gezang hooren niet slechts als zij zit of staat, maar ook gedurende het vliegen. Zingend begeeft zij zich naar den hoogsten top van een struik, verheft zich daarna fladderend tot een hoogte van 15 à 30 M. en schiet, altijd door zingend, fladderend in scheeve (of met tegen ’t lichaam aanliggende vleugels in bijna loodrechte) richting weer naar beneden. Voor een deskundige is zij hierdoor reeds op een afstand kenbaar.

In de kooi houdt men dezen Vogel minder dikwijls dan zijne verwanten. Zijn gezang bevalt niet aan iederen liefhebber; er wordt echter te veel op afgegeven; de zanger verdient meer waardeering dan hem tot nog toe ten deel gevallen is.

De Gebrilde Grasmusch (Sylvia conspicillata) is als ’t ware een verfraaide nabootsing van de Rosse Grasmusch in ’t klein: zij is 12.7 cM. lang. Haar naam ontleent zij aan den witten ring, die het oog omgeeft. Van de Rosse Grasmusch, waarvan zij volgens sommige onderzoekers een verscheidenheid is, verschilt zij, behalve door de geringere grootte en de fraaiere kleur, ook hierdoor, dat bij haar niet de derde, maar de vierde slagpen van den eersten rang de langste is.

De Gebrilde Grasmusch kan beschouwd worden als karakteristiek voor de kuststreken van de Middellandsche zee. Zij bewoont het zuiden van Frankrijk, Spanje, Portugal, Noordwest-Afrika, Palestina tot Perzië, Klein-Azië, Griekenland, het zuiden van Italië en bovendien de Eilanden van het Groene Voorgebergte. In Spanje, zoowel als in Griekenland, op Sardinië en op Malta, bevolkt zij de dorre berghellingen, die met rosmarijn en andere zeer laag groeiende struiken, of met distels bekleed zijn. Naar het schijnt, is zij hier standvogel of hoogstens zwerfvogel.

De Baardgrasmusch (Sylvia subalpina) bewoont gedurende den broedtijd alle zuidelijke kuststreken van de Middellandsche zee en Zwarte zee, oostwaarts tot in Transkaukasië; gedurende den winter houdt zij zich op in Middel- en West-Azië. Dit vogeltje is werkelijk allerliefst van kleur: zijn bovenzijde is fraai aschgrauw, de onderzijde grootendeels grijsachtig wit, de keel echter levendig roestbruin-rood en door een smallen, witten band, die van den snavelwortel naar de schouders loopt, gescheiden van de donker gekleurde bovenzijde; een krans van roodachtige veertjes omgeeft het oog; de slagpennen en staartveeren zijn donkerbruin; de buitenvlag van de staartpennen is voor drie vierdedeel van zijn lengte wit, de binnenvlag met een lichtkleurige, wigvormige vlek geteekend; de overige stuurpennen hebben een witten zoom. Het oog is roodachtig grijs, het ooglid licht steenrood, de snavel dof hoornglanzig zwart, de voet roodachtig grijs. De lengte bedraagt 12.5 à 13 cM.

Alle middelmatig hooge en lage gebergten van het noorden van Spanje zijn bedekt met een merkwaardig woud, dat door de inboorlingen zeer eigenaardig “laag [42]woud” of “struikwoud” wordt genoemd: een dwergwoud in den waren zin van ’t woord. Het bestaat uit prachtige soorten van heideachtigen, cistusachtigen, altijd groene eiken- en ijpenstruiken, die tot een nagenoeg ondoordringbare wildernis vereenigd zijn. Enkele boompjes verheffen zich boven dit labyrinth van planten en schijnen hooger dan zij werkelijk zijn, omdat men ze onwillekeurig vergelijkt met het dwergwoud beneden hen. Dit woud, dat ook in andere landen van Zuid-Europa en in Noordwest-Afrika velerwege de overhand heeft gekregen, kan als het eigenlijke vaderland van de genoemde dwergachtige Grasmusch aangemerkt worden. Daar zij argeloozer is dan alle andere soorten van haar geslacht, kan men haar tot op zeer korten afstand naderen om haar levenswijze na te gaan; zonder zich te bekommeren over den mensch, die sluipend in haar nabijheid gekomen is, laat zij haar liefelijk liedje hooren. Zoolang de aartsvijand der dieren haar niet vervolgt, houdt zij deze, naar het schijnt, in alle omstandigheden en overal voor een wezen, dat zij volstrekt niet behoeft te vreezen. Hare handelingen vertoonen veel overeenkomst met die van onzen Braamsluiper en nog meer met die van het Fluweelen Kopje, dat dezelfde gewesten bewoont als zij. In haar wildernis van struiken weet zij zich op uitmuntende wijze te redden; zij beweegt zich echter meer boven dan in de heesterboschjes.

De tot dusver genoemde Grasmusschen komen zoozeer met elkander overeen, dat iedere verdeeling van het geslacht in groepen overbodig schijnt. Andere vertoonen een eenigszins afwijkend voorkomen, daar de derde, vierde en vijfde slagpen van de zeer korte en sterk afgeronde vleugels de overige in lengte overtreffen; de lange staart is duidelijk trapvormig; de overige veeren van het ruim voorziene kleed hebben haarvormige baarden.

Een van de meest bekende soorten van deze groep is het Fluweelen Kopje (Sylvia melanocephala), dat een lengte heeft van 14 cM. De veeren van de bovenzijde zijn grauwzwart, die van de onderzijde wit met een roodachtig waas; de kop is fluweelachtig zwart, de keel zuiver wit; de vleugels en de staart zijn zwart, de drie buitenste paren stuurpennen en de buitenvlag der slagpennen echter wit. Het oog is bruingeel, het naakte, sterk gezwollen ooglid steenrood, de snavel blauwgrijs, de voet roodachtig grijs.

Te beginnen bij Zuid-Frankrijk en Zuid-Italië is het Fluweelen Kopje over geheel Zuid-Europa, Noord-Afrika en West-Azië verbreid; het wordt zelfs op de kleinste eilanden nog aangetroffen, wanneer hier slechts dichte heesterbosschen voorkomen. In het “lage woud” en in alle tuinen van Griekenland, Italië en Spanje is het veelvuldig. Het trekt niet, maar blijft evenals al zijne verwanten voortdurend in zijn geboorteland. Met den niet bijzonder schellen loktoon, die als “trek trek trek” klinkt, vangt gewoonlijk ook het gezang aan: een tamelijk lang lied met veel afwisseling, dat uit ratelende en fluitende tonen samengesteld is en welks laatste gedeelte verscheidene zeer lief klinkende strophen bevat. Dikwijls hoort men het lied van dezen zanger ook, als hij van de eene plaats naar de andere vliegt of wanneer hij opstijgt en weder op een tak neerstrijkt.

Op Sicilië, Sardinië, Corsika, de Balearen, in Portugal, Griekenland en op de naburige eilanden leeft een tweede soort van dezelfde groep, n.l. de Sardinische Grasmusch (Sylvia sarda). De veeren van de bovenzijde zijn zwartachtig aschgrauw met een licht roestkleurig waas, die van de onderzijde dof roestbruinachtig; de keel is witachtig, de buik vuilwit; de slagpennen en stuurpennen zijn zwartbruin met roestbruinachtigen zoom, het buitenste paar stuurpennen heeft aan de buitenvlag een smallen, roestkleurig witachtigen rand. Het oog is nootbruin, de naakte rand van het ooglid geelachtig vleeschkleurig, de snavel zwart met geelachtigen rand aan den wortel van den ondersnavel, de voet licht hoornkleurig.

Deze Grasmusch is misschien de algemeenste van alle op Sicilië voorkomende Vogels. Zij bewoont gebergten en vlakten, maar uitsluitend die, welker bodem met cistaceeën en heidestruiken begroeid is. Vooral op heuvels vindt men haar in zeer grooten getale. Voortdurend is zij in beweging, gaat van den eenen cistusstruik naar den anderen, om in ’t eene oogenblik Kevertjes uit een bloemkroon op te pikken, in ’t andere een fladderende Spanrupsvlinder over den grond loopend te vervolgen. Van tijd tot tijd laat zij haar klankvol liedje hooren, dat veel overeenkomst heeft met het gekweel van een jong Kanarievogel-mannetje, maar ervan verschilt, doordat het evenals het gezang van het Roodborstje met een mol eindigt. Ofschoon de Sardinische Grasmusch niet zeer luid zingt, kan men haar lied toch op een grooten afstand hooren, vooral sommige schellere tonen, die bijna volkomen op het geluid van kleine klokjes gelijken.

De Provençaalsche Grasmusch (Sylvia provincialis), die men in Spanje zeer dikwijls ontmoet, mag men als de naaste verwant van de vorige soort beschouwen. Hare bovendeelen zijn aschgrauw, de onderdeelen donker wijnrood; de keel is geelachtig wit gestreept; de slagpennen en stuurpennen zijn bruinachtig grijs; de vier buitenste stuurpennen van elke staarthelft hebben aan de spits een witten zoom. Het oog is helder roodbruin en met een steenrooden ring omgeven; de snavel heeft een zwarte kleur. De lage naaldhoutwildernissen der Catalonische gebergten en hunne met forsche heidestruiken, met cistaceeën begroeide noordelijke hellingen, de woestenijen van Valencia, die slechts onvolkomen bekleed zijn met armoedig struikgewas, de op steppen gelijkende hoogvlakten van Castilië, eikenwouden, kreupelhout, lage heesterbosschen, kortom de “struikwouden” in de uitgebreidste beteekenis van ’t woord, zijn het vaderland van deze vogelsoort. Nauwelijks heeft men den voet gezet in een dezer oerwouden van de kleine leden van het zangersgilde, of men verneemt de eenvoudige, maar aantrekkelijke liederen van den Provençaalschen Zanger, welke zoo sprekend gelijken op die van zijn Sardinischen collega; ook ziet men dan soms het roodborstige vogeltje op den top van een struik.

*

Het soortenrijke geslacht der Rietzangers (Acrocephalus)1 behoort grootendeels in ’t Noordelijke faunistische Rijk van de Oude Wereld thuis; het is echter ook vertegenwoordigd in het Indische, het Ethiopische en het Australische Rijk. Zijne kenmerken zijn: de slanke romp, de langwerpige kop met plat voorhoofd en betrekkelijk dikke, priemvormige of verlengd kegelvormige snavel, de krachtige voeten met langen loop en dikke, in scherp gekromde nagels eindigende teenen, de korte, afgeronde vleugels, welker [43]spits gevormd wordt door de tweede of door de tweede en derde handpen, de middelmatig lange, afgeronde, trapvormige of wigvormige staart, het gladde, min of meer harde vederenkleed, welks groene of grijsgeelachtige kleur in overeenstemming is met die van riet en dergelijke langstengelige waterplanten.

Het uiterlijk en de bewegingen van deze zeer eigenaardige Vogels staan in nauw verband met de plaats waar zij zich ophouden. Zij, de zangers der met riet, zeggen, biezen en gras begroeide oorden, leven steeds op den bodem en bezitten alle eigenschappen, die met zulk een levenswijze samengaan. In alle opzichten hoog begaafd, onderscheiden zij zich ook door hun gezang: hun lied is een moeras- en waterlied. Hun voedsel zoeken en vinden zij op den bodem en op korten afstand boven den waterspiegel, op de planten van de “wouden”, die zij bewonen en waarin zij hun meestal kunstvol nest bouwen.

De grootste en meest bekende soort van het geslacht is de Karekiet, ook wel Rietlijster en Groote of Dubbele Karekiet genoemd (Acrocephalus turdoides). Deze is 21 cM. lang. De veeren van de bovenzijde zijn donkerbruin, die van de onderzijde roest-geelachtig wit, aan de keel en het midden van de borst lichter. Het oog is donkerbruin, de snavel donkerbruin, aan de onderzijde geel, de voet bruinachtig.

Karekiet (Acrocephalus turdoides). ½ v. d. ware grootte.

Karekiet (Acrocephalus turdoides). ½ v. d. ware grootte.

Met uitzondering van Groot-Brittannië bewoont de Karekiet, wiens verbreidingsgebied zich noordwaarts uitstrekt tot in het noorden van Zweden, alle vlakke gewesten van ons werelddeel, die tot de gematigde luchtstreek behooren, en bovendien West-Azië; des winters bezoekt hij het grootste deel van Afrika en dringt tot in Kaapland door. Nooit verlaat hij de rietvelden; op reis zelfs vliegt hij van het eene water naar het andere. Op zijn broedplaats verschijnt hij bij ons gemiddeld den 7en Mei; hij blijft hier hoogstens tot in het einde van September.

In de lente, onmiddellijk na zijn aankomst, hoort men onophoudelijk van den vroegen morgen tot laat in den avond (gedurende den eersten tijd van zijn tegenwoordigheid in onze streken zelfs op alle uren van den nacht) het luide, ver klinkende, uit volle, sterke tonen samengestelde gezang van het mannetje, dat in verscheidene, op menigvuldige wijze afwisselende strophen verdeeld is. Men zou zeggen, dat de aandacht, die de zanger geschonken heeft aan de geluiden der Kikvorschen, in zijne muzikale uitingen merkbaar is, want zij herinneren niet minder aan het knorren en kwaken van deze waterbewoners, dan aan het lied van den een of anderen Vogel. Zacht fluitende tonen worden door dezen virtuoos niet voortgebracht; zijn geheele lied bestaat uitsluitend uit krakende en krijschende geluiden. “Dorre dorre dorre, karre karre karre, kerr kerr kerr, kai kai kai kai, karre karre karre, kiet” zijn de duidelijkste en voornaamste bestanddeelen van dit lied. En toch maakt het indruk. Er ligt iets gezelligs in deze klanken, iets vroolijks in de wijze waarop zij voorgedragen worden. Omdat men daar, waar zij ons oor treffen, bijna nooit het gezang van andere Vogels hoort, maar gewoonlijk niet anders verneemt dan de stem van watervogels, het snateren van Ganzen en Eenden, het kwaken van Reigers, het ratelen van de Roode Patrijzen, stelt men trouwens ook bescheidener eischen en is men geneigd een zachter oordeel uit te spreken.

De Karekiet broedt, evenals hare verwanten, niet voordat het nieuw uitspruitende riet een voldoende hoogte heeft bereikt, dus op zijn vroegst in het einde van Mei, meestal eerst omstreeks het midden van Juni, gewoonlijk broeden verscheidene paren gezellig op één broedplaats, zelfs wanneer deze slechts een kleine plas is. Het nest staat doorgaans aan den waterkant van het rietveld en nooit ver daarbinnen, integendeel dikwijls zeer vrij; bijna altijd is het boven het water en niet boven den vasten grond gebouwd, aan of liever tusschen 4, zeldzamer 5, hoogstens 6 riethalmen bevestigd, die in de wanden van het nest zijn ingeweven of deze doorboren; geregeld bevindt het zich op een hoogte, die door het water nooit bereikt wordt zelfs bij buitengewoon hoogen stand, zelden een volle meter boven den waterspiegel. Waarheidslievende onderzoekers hebben opgemerkt, dat de Rietzangers in hun omgeving in sommige jaren, schijnbaar zonder eenige aanleiding, hunne nesten veel hooger bouwden dan anders; tot hun verwondering zagen zij in deze gevallen het weder plotseling, soms lang nadat het nest gereed was, gedurende geruimen [44]tijd regenachtig worden, zoodat de waterstand in de plassen en rivieren ver boven de gewone hoogte steeg; de nesten hadden hiervan echter geen hinder, maar zouden overstroomd zijn, indien de Vogels ze niet hooger hadden gebouwd dan gewoonlijk!—Het nest zelf is dikwandig en veel hooger dan breed, de rand van de nestholte is binnenwaarts gebogen. De wanden bestaan uit dorre grasbladen en halmen, die naar binnen toe steeds fijner worden en met eenige worteltjes de binnenbekleeding vormen. Al naar de standplaats van het nest worden de bladen verschillend gekozen, ook wel met bastvezels van netels, met weegbree, zaadharen en zelfs met spinsels van rupsen, hennepen wolvezels gemengd, terwijl droge graspluimen, rosmarijnkronen, paardehaar en dergelijke stoffen voor het bekleeden van de nestholte dienen. Het broedsel, dat uit 4 of 5 eieren bestaat, is zelden voor het midden van Juni voltallig. De eieren, die op blauwachtigen of grijsgroenachtig witten grond met zeer donkere, olijfbruine, aschgrauwe en leikleurige vlekken, punten en veegen bijna gelijkmatig bedekt zijn, worden 14 à 15 dagen lang ijverig bebroed. De jongen worden met Insecten grootgebracht, door de ouden teer geliefd en tegen gevaar gewaarschuwd; zij staan ook na het uitvliegen nog lang onder hun leiding.

Gevangen Karekieten zijn aangename kamergenooten, hoewel zij niet lang de gevangenschap verdragen; zoodra zij gewend zijn aan het voeder, dat zij in de kooi krijgen, zullen zij hunne veeren glad en net houden, buitengewone behendigheid, vlugheid en bekwaamheid in ’t klimmen ten toon spreiden en bovendien door zeer ijverig te zingen hunne verzorgers genoegen geven; zij kunnen mettertijd zeer tam worden.

De Kleine Karakiet (Acrocephalus arundinaceus) draagt zijn naam terecht, daar hij als ’t ware een verkleinde nabootsing is van de vorige soort. Men noemt hem ook wel Rietvink. Hij is 14 cM. lang, aan de rugzijde roestkleurig bruin, aan de buikzijde zeer licht roestgeel, bijna wit; boven de oogen bevindt zich een helder roestkleurig bruine streep. Ook door zijn wijze van nestelen in rietvelden en met riet begroeide slootkanten gelijkt hij veel op zijn grootere verwant. Terwijl deze in ons land vooral aan met riet begroeide oevers van meren of andere uitgestrekte wateren aangetroffen wordt, is gene met kleinere plassen en sloten tevreden en daarom meer algemeen verbreid. Hij komt gemiddeld den 26sten April in Friesland (Albarda), in andere provinciën iets vroeger, en vertrekt in ’t laatst van Augustus. De eieren zijn op groenachtig of grijsachtig witten grond meer of minder dicht bezet met olijfgrijze of olijfbruine, ook wel met aschgrauwe vlekken.

Nog algemeener dan de vorige soort, waarmede hij in grootte en kleur nagenoeg geheel overeenstemt, is de Boschrietzanger of het Wilgensijsje (Acrocephalus palustris); zijn levenswijze is echter anders, hij nestelt niet in ’t riet, maar in ’t kreupelhout langs sloot- en waterkanten dicht bij den grond, vooral tusschen brandnetels of wilgetwijgen.

De vleugels en de staart zijn iets langer; de snavel en de voeten iets korter en krachtiger dan die van zijn evenknie. De eieren zijn groengrijs met donkerder groene stippen. Van alle Rietzangers heeft deze de grootste muzikale gaven. Zijn zang is rijk aan afwisseling en met aangename fluittonen gemengd; hij herinnert aan het gezang van sommige Grasmusschen.

De algemeenste van alle inheemsche soorten van Rietzangers is die, welke meer bepaalde Rietzanger, bij Rotterdam ook wel Trintrampje wordt genoemd (Acrocephalus schoenobaenus)2. Zijn lengte bedraagt 14 cM. De bovendeelen en de smalle buitenzoomen van de donkerbruine slagpennen, vleugeldekvederen en stuurpennen zijn vaalbruinachtig; de mantel en de schouders vertoonen wegsmeltende, donkere schaftstreepen. Op het midden van de kruin en den bovenkop komt op zwartbruinen grond een vaalbruinachtige, donker gestreepte, overlangsche veeg voor, aan weerszijden een breede wenkbrauwstreep, de teugel is met een door ’t oog gerichte, smalle streep versierd, de zijden van den kop en de onderdeelen zijn teer roestgeelachtig, de keel, de buik en de onderdekveeren van den staart lichter, meer witachtig van kleur.

Van den 68en graad N.B. af is de Rietzanger over geheel Europa verbreid; ongeveer bij dezelfde breedte begint zijn verbreiding ook over West-Siberië en West-Azië.

Onze Vogel bewoont bij voorkeur moerassen en waterkanten, het liefst plaatsen welke met hooge zeggen, biezen en andere smalbladige moerasplanten begroeid zijn, bovendien echter ook velden in moerassige streken, die door waterstroomen met riet langs de oevers omsloten zijn, kortom het moeras en niet het rietbosch. Hij komt hier gemiddeld den 20en April en verlaat ons eerst in October; enkel ziet men hem zelfs nog in November. Den winter brengt hij in Middel-Azië door.

De Rietzanger overtreft als sluiper alle tot dusver genoemde soorten en is in dit opzicht de evenknie van den Sprinkhaan-rietzanger. Met de vlugheid van een Muis beweegt hij zich door een doolhof van planten of op den grond; minder behendig toont hij zich bij ’t vliegen, daar hij nu eens snorrend, dan weer fladderend, in den waren zin van ’t woord wippend, volgens een kronkellijn zich voortbeweegt, zelden groote afstanden vliegend aflegt en meestal plotseling regelrecht in het moeras neerstrijkt. Zijn lokstem is een knippend geluid; een onbehagelijke gemoedstemming geeft hij door een snorkend “sjarr” te kennen, angst door een krijschend gekwaak; zijn zeer aangenaam gezang is gekenmerkt door lange, luide, trillende fluittonen, die dikwijls herhaald worden; het gelijkt op dat van andere Rietzangers, maar brengt toch ook weer dat van den Kwikstaart of van de Boerenzwaluw in herinnering; er is zooveel afwisseling in, dat het op een lijn gesteld kan worden met het lied van de Grasmusch.

In den regel houdt de Rietzanger zich zooveel mogelijk verborgen; gedurende den paartijd echter vertoont hij zich aan den top van hooge planten of op vrij uitstekende takken, om te zingen of om een mededinger op te sporen, wiens lied zijn ijverzucht prikkelt. Uit nieuwsgierigheid handelt hij op soortgelijke wijze. Als men een Patrijshond de struiken laat doorzoeken, waarin zich een Rietzanger ophoudt, ziet men dezen dikwijls bij een bies- of riethalm omhoog klauteren, om zich heen kijken en daarna bliksemsnel weer omlaag verdwijnen. Terwijl het wijfje broedt, zingt het mannetje op alle tijden van den dag zeer ijverig, het meest in de morgenschemering, maar ook gedurende heldere nachten; zonder hem zou men in de gewesten, die hij op deze lieftallige wijze vervroolijkt, nagenoeg nooit klanken en zangen vernemen. Een groote verandering is in hem op te merken, [45]zoodra hij in vuur geraakt. In opgewonden toestand gedraagt hij zich zóó, dat een ongeoefende hem vermoedelijk voor een geheel anderen Vogel zal aanzien; dan vliegt hij, vooral bij fraai weder en omstreeks het midden van den dag zeer dikwijls met langzame vleugelslagen van zijn zitplaats in schuinsche richting al zingend omhoog, zweeft, de vleugels zoo hoog houdend dat de spitsen elkander aanraken, langzaam weer omlaag, of schiet regelrecht van boven naar beneden; intusschen gaat hij steeds voort met luidkeels te zingen en blaast zich bovendien tot een bal op.

De Insecten, waarmede de Rietzanger zich voedt, zijn ongeveer dezelfde als die, welke aan zijne verwanten tot spijs dienen; bessen eet hij eveneens. Het nest wordt gebouwd op zeer verschillende plaatsen, die in den regel moeilijk toegankelijk zijn; o. a. vindt men het op sekgraspollen tamelijk diep in het moeras, dikwijls echter op volkomen droog land, soms in de nabijheid, soms op een afstand van 100 à 200 schreden van het water, zelfs op een met struiken en grassen begroeid zandig terrein, nu eens op den bodem zelf, dan weer in lange knotwilgjes, tusschen wilgetwijgen, netelstengels en andere stevige, als pijlers dienende planten vastgeweven. In het begin van Juni vindt men in dit nest 5 of 6 eieren, die aan het eene uiteinde sterk afgerond zijn, aan ’t andere buitengewoon spits toeloopen. Zij zijn op vuilwitten of grijsachtig witten grond met doffe en onduidelijke vlekken en krieuwelige stippels van bruingrijze en grijze kleur geteekend en gemarmerd. De jongen verlaten het nest niet voordat zij volkomen in staat zijn om te vliegen; zij gebruiken hunne vleugels in den eersten tijd in ’t geheel niet, maar kruipen als Muizen tusschen de dichtste waterplanten door.

Gevangen Rietzangers behooren tot de zeldzaamheden, niet omdat zij moeielijk te onderhouden, maar omdat zij moeielijk te vangen zijn.

De Water-rietzanger (Acrocephalus aquaticus) gelijkt op de vorige soort, maar is meer ros van kleur; hij bewoont het warme gedeelte van Europa, maar broedt in kleinen getale ook in Midden-Europa. Van tijd tot tijd komt hij in ons land voor, zooals reeds door Temminck werd verzekerd. In September 1887 ontving de verzameling van Natura Artis Magistra te Amsterdam twee voorwerpen, welke zich tegen de vuurtorens van IJmuiden hadden doodgevlogen. Levend werd daar in Augustus 1889 een mannelijk exemplaar gevangen, dat in de Amsterdamsche diergaarde een plaats vond (Albarda).

*

De Sprinkhaan-rietzangers (Locustella) verschillen in gestalte en aard voldoende van hunne verwanten om den rang van een geslacht in te nemen. De romp is slank, de snavel breed, naar de spits priemvormig, de voet tamelijk hoog en met lange teenen voorzien; de vleugels zijn kort en afgerond; van de handpennen zijn de tweede en de derde langer dan de overige; de staart is middelmatig lang, breed en trapvormig; de onderdekveeren van den staart zijn zeer lang, de overige veeren zacht en fijn; zij hebben een somber bruinachtig groene kleur en zijn op den rug en de voorborst met donkerder vlekken geteekend.

Als type van dit geslacht geldt de Sprinkhaan-rietzanger, die aan den duinkant boven Haarlem Stapel genoemd wordt (Locustella naevia). Hij is 13.5 cM. lang. De veeren van de bovenzijde zijn olijfbruin, op den kop met kleine, rondachtige, op den mantel en de schouders met breede, pijlvormige, bruinzwarte vlekken geteekend; de onderdeelen zijn bijna roestgeel, de kin, de keel, de onderborst en het middenste gedeelte van den buik zijn lichter van kleur en zweemen naar wit, op den kop met fijne, donkere schaftstreepen, op de onderdekvederen van den staart met breede, uitvloeiende schaftvlekken geteekend; de slagpennen zijn zwartachtig bruin met smalle olijfgrauwe zijkanten, die naar achteren breeder worden, de stuurpennen donkergroenachtig bruingrijs, met lichter gekleurden zoom en gewoonlijk met donkerder dwarsbanden. Het oog is grijsbruin, de snavel hoornkleurig, de voet licht roodachtig.

Van Zweden of Rusland af is de Sprinkhaan-rietzanger over geheel Middel-Europa verbreid; op den trek komt hij in het zuiden van ons werelddeel of Noordoost-Afrika. Hij bewoont de vlakten, komt echter geenszins overal, maar slechts plaatselijk hier en daar zeer veelvuldig voor, op andere plaatsen, vooral in ’t gebergte, in ’t geheel niet. Ten onzent werd hij vooral op duingronden, hetzij in de doornstruiken langs den strandreep, hetzij in het eikenhout langs den duinkant of in de duinpannen, waargenomen. Hij nestelt daar in het gras en in kruiden, het liefst in of bij struikgewas; het nest is tamelijk diep, bevindt zich op of zelfs gedeeltelijk in den grond en bevat zes rondachtige, witte, rood- en bruinachtig gevlekte en gemarmerde eieren. Het broeden werd waargenomen in Noord-Holland bij Zandpoort en Velsen, in Zuid-Holland bij Lisse, Wassenaar en Sassenheim, in Noord-Brabant bij Cromvoirt (Albarda).—Deze Vogel, die behendig loopt, zoekt zijn voedsel, dat uit Insecten bestaat, veelal op den grond. Zijn zang, dien hij dikwijls gedurende den geheelen nacht laat hooren, kan met dien van den Grooten Groenen Sprinkhaan vergeleken worden. Hieraan ontleent hij zijn naam.

De Nachtegaal-rietzanger, bij Rotterdam Snor genoemd (Locustella luscinoides), is meer bruin van kleur dan de vorige soort en heeft eenigszins zeisvormige vleugels. In ons land werd hij tot dusver slechts aan en bij de Maas, bij Kralingen en in het Kralinger meer, broedend gezien. Hij bewoont het riet of het gras, klimt zeer vlug langs halmen en andere stengels op en loopt met gemak langs den grond. Zijn zachte, snorrende zang heeft deze eigenaardigheid, dat hij niet van de zijde waar de Vogel zich bevindt, maar van de tegenovergestelde zijde schijnt te komen. Het nest is 1.5 à 4.5 dM. boven het water tusschen riet- en grashalmen geplaatst en ruw uit rietbladeren opgebouwd; het bevat 5 witachtige, fijn geelachtig en bruin gevlekte eieren.

*

De Spotters (Hypolais) zijn over het Noordelijke faunistische Rijk der Oude Wereld, het Indische en het Ethiopische Rijk verbreid. Deze betrekkelijk groote Grasmuschachtige Vogels hebben een grooten, dikken en breeden snavel met scherpe, doch nagenoeg niet ingebogen randen, stevige voeten, matig lange vleugels, waarin de derde en vierde slagpennen voorbij de andere uitsteken en een middelmatig langen of korten, ondiep uitgeranden staart.

De Spotvogel, ook wel Geelborstje, Geelbuikje of Citroentje, in Friesland Groote Gele Hofzanger genoemd (Hypolais philomela)3 is aan de bovenzijde olijfgroen grijs, op den [46]teugel en aan de onderzijde bleek zwavelgeel, welke kleur in de oorstreek, op de zijden van den hals en van den romp ongevoelig in zwak olijfkleurig grijs overgaat; de slagpennen zijn olijfbruin; hun buitenvlag heeft een groenachtigen, de binnenvlag een breeden, vaal witten zoom; de staartveeren zijn lichter van kleur dan de slagpennen en aan den buitenrand evenals deze gezoomd. Het oog is donkerbruin, de snavel grijsbruin, aan den wortel van de onderkaak roodachtig geel, de voet lichtblauw. Deze Vogel is 10.5 cM. lang.

Middel-Europa mag het vaderland van den Spotvogel genoemd worden. Van hier is hij noordwaarts tot in Scandinavië verbreid; Griekenland bezoekt hij niet anders dan op den trek.

Meer dan zijne verwanten is de Spotvogel weekelijk en kouwelijk. Hij komt hier eerst terug, als alle boomen in ’t blad staan, nl. tegen half Mei (in Friesland gemiddeld op 7 Mei) en vertrekt weer tegen September. Den winter brengt hij in Afrika door. Hij houdt zich gaarne in de onmiddellijke nabijheid van den mensch op, geeft aan tuinen en boomgaarden de voorkeur boven het bosch, vestigt zich hier liever in de boschranden dan in het eigenlijke woud, ontbreekt geheel in de naaldboombosschen en begeeft zich ook niet naar hooge bergstreken. Tuinen met heggen en struiken, waar vlier, liguster, sering, kornoelje en dergelijke heesters dicht bijeen groeien en niet al te laag blijven of boomgaarden, welker omheiningen uit heesters bestaan, dienen hem geregeld tot verblijfplaats. Hier te lande vindt men hem overal, waar houtgewas voorkomt, zelfs in stadstuinen.

Spotvogel (Hypolais philomela). ⅔ v. d. ware grootte.

Spotvogel (Hypolais philomela). ⅔ v. d. ware grootte.

Bij de keuze van zijn woonplaats gaat hij zeer zorgvuldig te werk; aan een gebied, dat eens door hem in bezit genomen werd, toont hij zich zeer gehecht en keert er iederen zomer in terug, zoo lang hij leeft. Slechts gedurende het zingen blijft hij lang op dezelfde plaats; overigens is hij bijna voortdurend in beweging. Zijn lokstem is een zacht “tek, tek,” waaraan ook wel een welluidend “teruut” wordt toegevoegd, als uitdrukking van een bijzonder verlangen, van ijverzucht of toorn of tot waarschuwing tegen een dreigend gevaar; zijn boosheid en misschien ook wel zijn strijdlust geeft hij gewoonlijk te kennen door de klanken “hettettet.” Zijn gezang maakt niet op iedereen indruk en wordt daarom verschillend beoordeeld; trouwens alle Spotvogels zingen niet gelijk: de eene is uitmuntend begaafd en mengt de meest verschillende geluiden van Vogels uit den omtrek door zijn wijsje heen; de andere is een erbarmelijke brekebeen, die slechts weinige welluidende tonen voortbrengt en de minder aangename het sterkst doet uitkomen. Zij zingen van ’t aanbreken van den dag tot tegen den middag en ’s avonds tot aan ’t ondergaan van de zon; den meesten ijver toonen zij, zoolang het wijfje broedt, of een medezinger hen tot den strijd uitdaagt.

Hun voedsel bestaat hoofdzakelijk uit kevertjes en andere kleine, vliegende Insecten, die zij van de bladen afzoeken of in de vlucht vangen.

De Spotvogel broedt, wanneer hij niet gestoord wordt, slechts éénmaal in ’t jaar, n.l. tegen het einde van Mei of in ’t begin van Juni. Het nest wordt in den regel in den dichtsten struik van zijn gebied gebouwd, liefst in vlier, hazelaar, liguster of hondsboompjes, zelden of nooit in gedoornde heesters; hoewel er geen zeer verborgen plaats voor gekozen wordt, is het toch altijd door bladen overschaduwd. Het heeft den vorm van een diepen nap; zijn buitenwand is van droog gras, bastvezels, wol van planten en dieren, berkenbast, rupsenspinsels, papier en dergelijke stoffen zeer kunstig en stevig saamgevoegd; van binnen is het met eenige veeren bekleed en met fijne grashalmen en paardehaar gevoerd. De 4 à 6 langwerpige eieren zijn op rozerooden of rozerood-olijfgrijzen grond met zwartachtige of roodbruine stippels en adertjes geteekend. De mannetjes en wijfjes broeden om beurten; de jongen komen binnen 13 dagen uit en worden door de ouders met allerlei kleine Insecten grootgebracht.

De Spotvogel kan in een kooi zeer moeilijk in ’t leven gehouden worden; men moet hem zeer zorgvuldig behandelen, mierenpoppen, meelwormen en dergelijk voedsel geven; in ’t gunstigste geval kan men hem dan een jaar, soms langer behouden. [85]

In Zuid-Europa en Noordwest-Afrika komen andere soorten van ’t zelfde geslacht voor—o.a. de Grijze Spotvogel (Hypolais opaca)—die in levenswijze met den bij ons inheemschen vorm overeenkomen.

*

De naaste verwanten van de Spotters zijn de Boschzangers (Phylloscopus)4. Deze kleine Vogeltjes hebben een zwakken snavel, die aan den wortel eenigszins verbreed, overigens priemvormig en van voren zijdelings samengedrukt is, middelmatig lange, zwakke voeten, waaraan korte teenen voorkomen, tamelijk lange vleugels, welker derde en vierde slagpennen langer zijn dan de overige, een matig langen, recht afgesneden of flauw uitgeranden staart en een los vederenkleed, dat bij beide seksen nagenoeg dezelfde kleur heeft.

In ons vaderland broeden drie soorten van Boschzangers, welker levenswijze in hoofdzaak overeenkomt. Het meest algemeen verbreid zijn de 12 cM. lange Fitis of Kleine Gele Hofzanger (Phylloscopus trochilus) en de 1 cM. kortere Tjiftjaf (Phylloscopus rufus) die in Friesland Duimpje, in Groningen Tierentijn, bij Haarlem Klein Vinkenbijtertje heet. Beiden komen in tuinen en boschjes voor. De 13.5 cM. lange Fluiter (Phylloscopus sibilatrix) is hoofdzakelijk beperkt tot droge gronden, zooals in Gelderland en langs onze duinen, waar hij het meest in sparren en beukenbosschen voorkomt.

Bij de Fitis is de rugzijde groenachtig grijs, op den stuit in groen overgaande, de buikzijde lichtgeel met uitzondering van de witte borst en buik; de slagpennen en de staartveeren zijn olijfkleurig bruin, beide op de buitenvlag met een smallen, bruinachtig groenen, de eerstgenoemde bovendien op de binnenvlag met een breederen, witachtigen zoom voorzien; de wangen zijn geelachtig; boven de oogen komt een lichtgele streep voor; de pooten zijn bruinachtig geel.

De bovendeelen van den Tjiftjaf zijn groenachtig bruingrijs, de onderdeelen vuilwit, aan de zijden geelachtig, de keel en de krop bruinachtig, de slagpennen en de staartveeren ongeveer als bij de Fitis, de onderste vleugeldekveeren geel; een smalle streep boven de oogen is geelachtig wit, een onduidelijke streep aan den teugel bruin; de pooten zijn zwartbruin.

De Fluiter onderscheidt zich van zijne verwanten door een diep uitgesneden staart; zijn rugzijde is geelachtig groengrijs, de buikzijde zuiver wit, behalve de kin, de keel, de voorborst en de, onderste vleugeldekveeren, die, evenals de zijden van den kop en een tot aan de slapen reikende streep boven de oogen, een bleekgele kleur hebben; de slagpennen en de staartvederen zijn olijfbruin, naar buiten met smalle groene, naar binnen met witte randen; de pooten zijn roodachtig bruingeel.

1) Grauwstuit-boschzanger (Phylloscopus superciliosus), 2) Vuur-goudhaantje (Regulus ignicapillus), 3) Goudhaantje (Regulus cristatus). ½ v. d. ware grootte.

1) Grauwstuit-boschzanger (Phylloscopus superciliosus), 2) Vuur-goudhaantje (Regulus ignicapillus), 3) Goudhaantje (Regulus cristatus). ½ v. d. ware grootte.

Het verbreidingsgebied van deze drie Boschzangers omvat geheel Middel-Europa en West-Azië; dat van de Fitis strekt zich oostwaarts over het grootste deel van Azië en zuidwaarts tot aan de Middellandsche zee uit; de Tjiftjafs komen nog in het noorden van Zweden voor; hunne beide verwanten gaan niet verder dan het midden van dit rijk. Alle overwinteren in Afrika; de Fitis begeeft zich het verst zuidwaarts en wordt dan ook in Indië gevonden; terwijl de beide andere soorten in Noord- en Midden-Afrika blijven.

Onopgemerkt of zonder herkend te worden trekt ieder jaar een Boschzanger, die in het verafgelegen Oost-Azië broedt, door Europa en soms ook door ons vaderland om op een afstand van vele duizenden kilometers van zijn nestelplaats, in West-Afrika, den winter door te brengen: dit doet de Grauwstuit-boschzanger (Phylloscopus superciliosus). De bovendeelen van dezen Vogel zijn dof olijfkleurig groen; een licht geelachtige, tamelijk breede, met zwart omzoomde streep, die bij het neusgat aanvangt, strekt zich over de oogen uit tot aan den achterkop; over het midden van den kruin loopt een tweede, onduidelijke streep van lichtere kleur dan de omliggende veeren; de zijden van den romp, van den [48]krop tot de schenkels zijn teer groenachtig geel, overigens zijn de onderdeelen geelachtig wit; de slagpennen en de staartveeren zijn zwartbruin, naar buiten met smallen olijfgroenen zoom; de slagpennen zijn ook aan de binnenzijde wit gezoomd; de armpennen en de grootste bovendekvederen van den vleugel hebben aan de spits een bleekgelen rand, waardoor twee lichte dwarsstrooken op de vleugels ontstaan. Dit vogeltje is 9 à 10 cM. lang.

De uitgestrektheid van het broedgebied van den Grauwstuit-boschzanger is tot dusver nog niet bekend; alleen weet men, dat hij Toerkistan, Oost-Siberië (te beginnen bij het meer van Baikal), China en het Himalaja-gebied bewoont, dat hij op een hoogtegordel tusschen 1000 en 2500 M. verblijf houdt en broedt, en iederen winter naar het zuiden van Indië trekt. Bijna even geregeld, maar steeds in veel geringer aantal volgt hij ook den westelijken weg door Noord- en West-Europa; volgens Gätke ziet men hem bijna ieder jaar op het kleine eiland Helgoland, waaruit deze nauwgezette onderzoeker de onderstelling put, dat deze Vogel ongetwijfeld ieder jaar door Duitschland trekt, hetgeen ons alleszins aannemelijk voorkomt. Werkelijk heeft men onzen Boschzanger in de meest verschillende landen van Europa gevangen, o. a. herhaaldelijk in den omtrek van Berlijn en in Anhalt, bovendien in Engeland, in Nederland (éénmaal bij Leiden), bij Weenen, bij Milaan en in Palestina.

De bewegingen en de handelingen van de Boschzangers verraden een voortdurende blijmoedigheid. Stil op een en dezelfde plaats te blijven kost hun moeite. Evenals de Grasmusschen zijn zij bijna onophoudelijk in beweging; nu eens sluipen zij behendig tusschen de twijgen door, dan weer vliegen zij naar den top van een twijg, blijven er voor fladderen om een Insect op te pikken, of begeven zich zingend naar een anderen boom. En wanneer het al eens gebeurt, dat zij een poos op dezelfde plaats blijven zitten, wippen zij voortdurend met den staart. Zij vliegen fladderend en min of meer onvast op en neer; ook als zij een grooteren afstand doorvliegen, volgen zij een onregelmatige, uit langere en kortere bogen samengestelde kronkellijn. Het gezang van de Fitis bestaat eenvoudig uit een opeenvolging van zachte tonen, die als “huu-ied, huu-ied, ho-ied, ho-ied, ho-ied, ho-ied” klinken, maar het smeltende van deze fluitende geluiden, hun opklimming en weekheid, maakt dit gezang zoo eigenaardig en aantrekkelijk, dat het de voorkeur verdient boven den slag van vele Vogels. Alle soorten zingen ijverig zoolang de broedtijd duurt, intusschen blazen zij de keel op, zetten de veeren van de kruin overeind en laten de vleugels hangen of brengen ze in trillende beweging; beginnen reeds ’s morgens zeer vroeg te zingen en blijven aan den gang tot na het ondergaan van de zon. Het eveneens aangename gezang van den Fluiter, hoewel even kort als dat van de Fitis, klinkt geheel anders; de voornaamste strophe van zijn lied kan ongeveer door “siesiesiesiesierrrrrierrierr” nagebootst worden. Het lied van den Tjiftjaf begint met de syllaben “triep, triep, triep, het”, waarop de luidere klanken “diëllr, dellr, diëllr, dellr” volgen.

Alle Boschzangers bouwen op of onmiddellijk boven den bodem een meer of minder kunstig nest, dat den vorm heeft van een bakkersoven. De Fluiter kiest als nestelplaats het onderste deel van een ouden boomstomp of den voet van den een of anderen boomstam, die met heide, boschbessen, mos of gras dicht omgeven is, vervaardigt hier van stevige grashalmen, fijne houtspaanders, mosstengels, denneschors, splinters en dergelijke materialen een koepelvormig gebouw, dat een middellijn van 13 cM. buitenwerks en een ingangsopening van 4 cM. wijdte heeft; van binnen wordt het met fijne grashalmen zeer netjes gevoerd. Om dit groote werkstuk tot stand te brengen maakt het wijfje eerst het kuiltje, waarin het nest aangebracht zal worden; door met groote moeite de gras- en mosstengels uit te trekken en met den snavel zoolang in den grond te woelen, totdat deze halfbolvormig uitgehold is. Eerst nu beginnen zij de bouwmaterialen voor het nest bijeen te brengen en te ordenen; hoewel zij alleen in de morgenuren hiermede bezig zijn, werken zij met zooveel ijver en vlijt, dat het geheel in weinige dagen voltooid is. Gedurende den arbeid trachten zij zich zooveel mogelijk schuil en hun woning geheim te houden; ver van hier plukken zij het mos en het gras dat zij noodig hebben, vliegen er mede op hooge, dicht bij ’t nest staande boomen en strijken eerst van hier uit neder op de plaats, waar zij aan ’t bouwen zijn.

Behalve van de behaarde en bevederde roovers, die op allerlei kleine Vogels jacht maken, hebben de jongen in het nest van den Boschzanger veel te lijden van Muizen en Boschspitsmuizen, misschien ook van Slangen, en Hagedissen, nog meer echter van lang aanhoudende plasregens. Alleen in Italië, het zuiden van Frankrijk en Spanje maakt de mensch jacht op deze lieve, wakkere Vogels om ook hen in de keuken te gebruiken. Men ziet de Boschzangers zelden in de kooi, hoewel zij zeer wel in ’t leven gehouden kunnen worden, wanneer hun een behoorlijke verzorging ten deel valt; daar zij spoedig tam en gemeenzaam worden schenken zij hun meester ruimschoots vergoeding voor de aan hen besteede moeite.

*

De Goudhaantjes (Regulus) hebben een rechten, dunnen, aan den wortel eenigszins verbreeden snavel, welke zoo scherp is als een naald; de snavelrug is tamelijk hoog; de bovensnavel is vóór de benedenwaarts gebogen spits met een ondiepe inkerving voorzien. De voet is slank en heeft een langen loop; de vleugels zijn kort, sterk afgerond en breed; de vierde en vijfde slagpen zijn de langste; de middelmatig lange staart is eenigszins uitgesneden; hun vederenkleed is rijk voorzien en bestaat uit lange wijdbaardige veeren. De leden van dit geslacht bewonen Europa, Azië en Noord-Amerika.

Het ruim 9 cM. lange Goudhaantje (Regulus cristatus) wordt ook wel Goudsbloem of St. Maartens vogeltje, bij Haarlem ook Sparresijsje of Bergsijsje genoemd. De bovenzijde is vaal olijfgroen; de rand van het voorhoofd en een streep boven de oogen zijn lichter van kleur; de veeren van den bovenkop zijn geel, die van de kruin lang en schel oranjekleurig, aan weerszijden door een groote, overlangsche streep begrensd; de onderdeelen zijn roestgeelachtig wit, de slagpennen en de staartvederen olijfbruin, de armpennen hebben aan de binnenzijde een witten rand en achter den geelachtig witten wortel van de buitenvlag een zwarte dwarsstreep, de achterste bovendien een witte vlek aan de spits; de dekveeren van de armpennen en de voorste van de dekveeren der voorafgaande reeks zijn aan de spits met een breeden, geelachtig witten rand versierd, waardoor twee dwarsbanden ontstaan. Het oog is donkerbruin, de snavel hoornglanzig zwart, de voet bruinachtig. [49]

Het verbreidingsgebied van het Goudhaantje omvat nagenoeg geheel Europa en het noorden van Azië tot aan het Amoer-gebied. Hoewel niet veelvuldig, broedt het ook in ons vaderland, vooral in de oostelijke grensprovinciën, bovendien in Friesland (Beetsterzwaag, Olterterp), Zuid-Holland (Oudewater, Lisse), Noord-Holland (Hilversum). Veel grooter echter is het aantal der Goudhaantjes, die in October op den trek uit het noorden tot ons komen; sommige zwerven gedurende den geheelen winter in onze bosschen rond, de overige begeven zich naar ’t zuiden, trekken in Maart en April weer door ons land en bezoeken dan dezelfde oorden als in den herfst, n.l. tuinen, streken waar veel kreupelhout groeit, naaldhoutbosschen en bosschen met breedgebladerde boomen. In Duitschland, waar zij “Wintergoudhaantjes” worden genoemd, zijn zij evenals bij ons standvogels en zwerfvogels. Dikwijls komt het voor, dat één van deze vogeltjes gedurende het geheele jaar in een gebied van één of een half uur middellijn te vinden is. Ook in de hooge bergstreken van Zuid-Europa worden zij des zomers aangetroffen; in de naburige vlakten komen zij in den herfst, om in het begin van de lente weer te vertrekken.

Het Vuurgoudhaantje (Regulus ignicapillus) komt in vorm en grootte met de overige soort overeen, maar verschilt er op elken leeftijd van door een witte streep boven en een zwarte streep over de oogen. Het middelste deel van de kruin is vuurrood, naar weerszijden in schel geel overgaande; de zwarte streep, die deze “kroon” begrenst, is breeder dan bij den minder schitterend gekroonden vorm.

Enkele exemplaren van dit lieve vogeltje komen hier in ’t najaar voor; het broedt in Nederland niet, wel in streken die op gelijke breedte meer noordwaarts liggen, zelfs in ’t naburige Munsterland. Na den broedtijd verlaat het zijn woonplaats, zwerft een tijdlang rond en komt dan ook in ons land; tegen den winter trekt het naar ’t zuiden (Frankrijk, Italië, Griekenland en Spanje). Ook in Duitschland overwintert het niet, hetgeen aanleiding heeft gegeven tot den naam “Zomergoudhaantje”. Het komt daar in het laatst van Maart of in het begin van April, om tot in het laatst van September of het begin van October te blijven. Gedurende den eersten tijd na zijn komst zwerft het in boschjes en in kreupelhout rond, het begeeft zich echter spoedig naar de naaldhoutbosschen, waar de zwerm zich in de sparren verstrooit. Vele Vuurgoudhaantjes trekken verder noordwaarts, vele blijven in Duitschland. Zij reizen ’s nachts en zoeken over dag hun voedsel. In den zomer houden zij bijna voortdurend op hooge boomen verblijf en komen slechts zelden in het kreupelhout of in lage naaldboomboschjes; zooals reeds werd opgemerkt, zwerven zij in September rond en zoeken daarna hunne winterkwartieren op.

In de meeste opzichten komen de beide soorten van Goudhaantjes overeen wat levenswijze en gewoonten betreft. Zeer dikwijls bewonen zij hetzelfde gebied en gebruiken gelijksoortig voedsel; zij nestelen op gelijke wijze. Beide houden zich bij voorkeur op in naaldhoutbosschen meestal op de boomen, maar ook in het lagere hout; zelfs dalen zij niet zelden tot den bodem af. Het Goudhaantje houdt meer van dennen, het Vuurgoudhaantje meer van sparren dan van iedere andere boomsoort; beide echter verkiezen kleine bosschen boven uitgestrekte wouden. “Opmerkelijk,” zegt Naumann, “is hun voorkeur voor naaldboomen. Als men in ’t laatst van den herfst een gezelschap Goudhaantjes in een tuin ziet neerstrijken, waar slechts een enkele den of spar staat, zoeken zij dezen onmiddellijk op; ook houden zij zich in zulke tuinen langer op dan in andere en zitten meestal in de bedoelde boomen. Zij doorkruisen op hunne zwerftochten echter ook alle bosschen, die uitsluitend breedgebladerde boomen bevatten.” Bij fraai, helder en niet te koud winterweer zitten zij boven op de naaldboomen, bij regen, wind en storm of zeer strenge koude zoeken zij een rustplaats op lage struiken en op den bodem. In den winter houden zij zich altijd op in die gedeelten van het woud, welke door de zon beschenen worden.

Opmerkelijk is de buitengewone onrustigheid van deze Vogels. Het Vuurgoudhaantje wipt onophoudelijk van den eenen tak op den anderen en houdt zich slechts zelden gedurende korten tijd stil, gaat op de wijze van de Meezen onder aan een twijg hangen, blijft fladderend op dezelfde plaats om evenals de Boschzangers een Insect van een twijgspits af te zoeken en vliegt zonder inspanning en gedruisch van boom tot boom. Behalve in den broedtijd vindt men het zelden alleen, gewoonlijk bevindt het zich in gezelschap van zijne soortgenooten en van andere Vogels.

De loktoon is een zwak geluid, dat als “sie sie” of “tsiet” klinkt; men hoort haar zoowel van ’t mannetje als van ’t wijfje, terwijl zij zitten. Het gezang, dat de ouden in de lente en in den zomer, de jongen (zelfs die, welke midden in een ruitijd zijn) in Augustus, September en October voortbrengen, begint met “sie sie,” wisselt daarna echter hoofdzakelijk tusschen twee toonen van ongelijke hoogte af en heeft een behoorlijk slot. Op warme winterdagen zingen de Goudhaantjes prachtig. Op een eigenaardige wijze gedragen zij zich vaak in den herfst van ’t begin van September tot aan ’t einde van November. Eén van hen begint “sie sie” te schreeuwen, draait zich om en slaat met de vleugels. Op dit geschreeuw komen andere Goudhaantjes af, die zich op dezelfde wijze gedragen en elkander nazitten; 2 à 6 Vogels nemen aan dit spel deel. Het Vuurgoudhaantje is veel vlugger en onrustiger, maakt snellere bewegingen, maar is ook ongezelliger dan zijn verwant. Terwijl men deze buiten den broedtijd altijd in gezelschap en tot vluchten vereenigd ziet, leeft gene eenzaam of bij paren. In den herfst vindt men dikwijls twee exemplaren bijeen, die dan altijd tot één paar behooren. Als één van hen geschoten wordt, stelt de andere zich zoo aan, dat men deernis krijgt met zijn verdriet, hij schreeuwt onophoudelijk en kan in lang niet besluiten om verder te vliegen. Ook de loktoon van dezen Vogel is geheel anders dan die van zijn stamgenoot: het geluid “sie sie sie” wordt veel krachtiger en op een anderen toon uitgestooten, zoodat de beide soorten zelfs aan den loktoon herkend kunnen worden, hoewel het niet wel mogelijk is, het verschil zoo te omschrijven, dat zelfs een onkundige het goed leert beseffen. Veel gemakkelijker kan dit met het gezang geschieden. Bij het Goudhaantje wisselen in het midden van het gezang twee tonen met elkander af en aan ’t slot hoort men een voor finale geschikte strophe; bij ’t Vuurgoudhaantje wordt de “sie”-klank op één toon voortgezet en heeft geen slot, zoodat het geheele gezang bestaat uit een aantal snel opeenvolgende “sie”-klanken. In de lente en in ’t midden van den zomer zingt dit vogeltje dikwijls, zelfs op den trek, in den herfst echter uiterst zelden; ook in dit opzicht verschillen zij van hunne verwanten. Beider gezang is zoo ongelijk, dat men bij stil weer hieraan de eene soort duidelijk van de andere onderscheiden kan.

De beide Goudhaantjes broeden tweemaal ’s jaars, [50]voor de eerste maal in Mei, voor de tweede maal in Juli. Beide bouwen bolvormige, zeer dikwandige nesten, die van buiten 9 à 11, van binnen slechts 6 cM. middellijn hebben en ongeveer 4 cM. diep zijn. Deze staan zeer verborgen aan de spits van lange takken van sparren en dennen, tusschen dicht bijeengroeiende twijgen en naalden en op afhangende twijgen; deze zijn geheel of gedeeltelijk omgeven door de buitenste laag grondstoffen voor den nestbouw en reiken tot aan den bodem van het nest of verheffen zich er boven. De buitenste, stevig samengevoegde laag bestaat uit korstmossen van sparren en andere boomen, waarmede soms eenige weinige bladmossen en haren gemengd zijn; deze laag verkrijgt de noodige stevigheid door spinsels van Rupsen, die vooral om den tak, waarop het nest rust, gewikkeld worden; zij is gevoerd met een groot aantal veeren van kleine vogeltjes, die in het bovenste deel van het nest alle naar binnen gericht zijn en aan den rand zoover uitsteken dat zij een deel van de opening dekken. Het eerste broedsel bestaat uit 8 à 10, het tweede uit 6 à 9 zeer kleine eitjes. Deze zijn op witachtig grijzen of bleek vleeschkleurigen grond met leemgrauwe, aan het dikkere einde gewoonlijk sterker opeengehoopte stippels geteekend, ook wel geaderd of gemarmerd. Zij zijn zoo broos, dat men ze met de grootste voorzichtigheid behandelen moet om te verhoeden, dat zij bij ’t aanvatten breken. De jongen worden door de beide ouders gevoederd. Dit vereischt veel arbeid, daar het voedsel uit zeer kleine Insecten en insecteneieren bestaat. De jongen zitten in ’t nest opeengepakt en moeten om plaats te vinden de ruimte langzamerhand verwijden. Het gezin van de Goudhaantjes blijft slechts korten tijd bijeen; de ouders verlaten wegens hun tweede broedsel spoedig de jongen van het eerste nest; na het tweede broeden vereenigen zij zich met andere familiën tot vluchten.

Verschillende Insecten en hunne larven, maar ook fijne zaden maken het voedsel van de Goudhaantjes uit. In den zomer eten zij kevertjes en kleine rupsen, in den winter bijna uitsluitend Insecten en larven. Zij zoeken deze van de twijgen af, halen ze tusschen de naalden of andere bladen weg, grijpen een door hen opgespoorden buit, terwijl zij fladderend zweven voor de plaats waar hij zit of maken jacht op hem, terwijl hij vliegt.

De Goudhaantjes worden zelden in de kooi gehouden, omdat het moeielijk is ze te gewennen aan het voedsel, dat zij daar krijgen; bovendien zijn zij zeer teer en sterven dikwijls reeds bij de vangst. Als zij eens aan het leven in de gevangenschap gewend zijn kan men ze bij behoorlijke verzorging jaren lang in de kooi houden; het zijn dan allerliefste kamervogels. Als zij vrij in de kamer rondvliegen, maken zij zich door het vangen van Vliegen verdienstelijk; buiten in ’t woud zijn zij nuttig door het verslinden van Insecten, die voor de boschteelt nadeelig zijn.


Het naast verwant aan de Zangers zijn de Timaliën (Timeliidae); deze op Zangers gelijkende Muschvogels vormen een onduidelijk begrensde familie; meestal hebben zij korte en afgeronde vleugels met een betrekkelijk lange eerste handpen; hunne zachte veeren zijn vooral op den staartwortel lang.

De onderfamilie der Schijnlijsters (Miminae) bestaat uit lijsterachtige Vogels, waarvan de Spotlijster (Mimus polyglotta)—de Mocking Bird (Spotvogel) der Anglo-Amerikanen—het meest vermaard is. De veeren van de bovenzijde zijn grijsbruin, die van de onderzijde vaalbruinachtig, op de kin en den buik lichter, bijna wit; de slagpennen bruin met vaalgrijzen zoom. Het oog is bleekgeel, de snavel bruinachtig zwart, de voet donkerbruin. De lengte bedraagt 25 cM.

Spotlijster (Mimus polyglotta). ½ v. d. ware grootte.

Spotlijster (Mimus polyglotta). ½ v. d. ware grootte.

De Vereenigde Staten zijn het vaderland van de Spotlijster; in de zuidelijke Staten komt zij veelvuldiger voor dan in de noordelijke. Van hier trekt zij in den herfst geregeld naar lagere breedten, reeds in Louisiana echter blijft zij het geheele jaar zoo niet op dezelfde plaats dan toch in hetzelfde gewest. Zij bewoont het lage houtgewas in al zijne vormen, kreupelbosschen zoowel als plantages en tuinen, broedt onbeschroomd in de nabijheid van den mensch, wiens [51]bescherming zij geniet en houdt zich vooral in den winter op korten afstand van bewoonde plaatsen op. Zij geeft de voorkeur aan zandige, met wijd uiteenstaande, lage boomen en struiken begroeide vlakten aan rivieroevers of aan de zeekust. Dieper in het woud komt zij zelden voor, hoogstens alleen op den trek.

Hare bewegingen gelijken op die van de Lijsters, herinneren echter dikwijls ook aan die der Zangers. Op de wijze van een Lijster huppelt zij op den bodem rond, spreidt intusschen dikwijls den staart uit en vouwt hem daarna schielijk toe. Zij beweegt zich volgens korte bogen, als zij van den eenen struik naar den anderen vliegt; ook dan wordt de staart afwisselend uitgespreid en weer opgevouwen. Gedurende hare reizen legt zij groote afstanden af, maar beweegt zich nooit evenals onze Lijsters lang achtereen in dezelfde richting voort, altijd vliegt zij naar den naastbijstaanden boom.

De Spotlijster dankt haar roem niet aan haar eigen gezang maar aan haar talent van nabootsing, waarvan de Amerikaansche natuuronderzoekers geestdriftige beschrijvingen hebben gegeven. Wilson en Audubon zijn van oordeel, dat geen andere Zangvogel hem evenaart wat omvang van stem en verscheidenheid van timbre betreft. “Het is niet de zachte toon van de fluit of van eenig ander muziekinstrument, dat men hoort,” zegt Audubon, “het zijn de schoone geluiden van de natuur zelf. De volheid van tonen van het gezang, de verscheidenheid van intonatie en klankschakeering, de omvang van de stem, de schitterende voordracht zijn weergaloos. Waarschijnlijk bezit geen enkele andere Vogel zulke groote muzikale gaven als deze door de natuur zelf gevormde heerscher in het gebied der tonen. Verscheidene Europeanen hebben beweerd, dat het lied van den Nachtegaal met dat van den Spotvogel op één lijn gesteld kan worden; beide kunstenaars heb ik dikwijls hooren zingen, in de vrije natuur zoowel als in de kooi; ik zie er geen bezwaar in te verklaren, dat de tonen van den Nachtegaal, ieder voor zich beschouwd, even fraai zijn als die, welke de Spotvogel voortbrengt; het lapwerk van den Nachtegaal te vergelijken met de volledig afgeronde compositie van den Spotvogel is echter een dwaasheid.” Wilson gaat niet zoover in zijn lof; Europeesche deskundigen zijn zelfs een geheel andere meening toegedaan. “De Spotlijster,” zegt Gerhardt, “heeft haar vermaardheid ongetwijfeld te danken aan haar bekwaamheid in het navolgen van vreemde gezangen. Daar zeer weinige Vogels van de Nieuwe Wereld goed zingen, trekt ieder eenigszins dragelijk vogelgezang zeer de aandacht der Amerikanen, die vooral hierom de Spotlijster zoo verheerlijken. De lof, dien zij haar toezwaaien, is op zijn minst genomen overdreven: een kenner van het gezang der Europeesche Vogels zou een minder geurige wierook gebruiken.” De berichten van de Amerikaansche onderzoekers over de bewonderenswaardige gave van navolging welke de Spotlijster bezit, worden trouwens door Gerhardt in hun vollen omvang bevestigd. “Den 29sten Juni,” verhaalt hij, “lette ik op een zingend mannetje in onze nabijheid. Zooals gewoonlijk vormden de loktoon en het gezang van den Amerikaanschen Winterkoning bijna het vierde gedeelte van zijn lied. Na het voordragen van dit gezang en van den loktoon van de Purperzwaluw, schreeuwde onze Vogel plotseling als een Musschenvalk, vloog van den dorren tak, waarop hij tot dusver had gezeten, naar een omheining en bootste onder het vliegen den loktoon van de Tweekleurige Mees en van de Zwerflijster na. Op de heg liep hij met afhangende vleugels en omhooggeheven staart heen en weer, zong intusschen als een Vliegenvanger, een Troepiaal en een Tangara en lokte als de Zwartkoppige Spechtmees. Hij vloog vervolgens in een braambessenstruik, plukte er een paar vruchten af en riep daarna als de Goudspecht en als de Virginische Kwartel. Toen ontdekte hij een Kat, die aan den voet van een zwaar beschadigden boom rondsloop, schoot onmiddellijk luidschreeuwend op dezen rustverstoorder toe, ging, nadat de vijand de vlucht genomen had, zingend op een afgebroken tak van den bedoelden boom zitten en begon zijn lied van voren af aan.” Wilson zegt, dat de stem van de Spotlijster vol en krachtig en bijna voor elken overgang geschikt is: “Deze Vogel is in staat tot het voortbrengen van alle mogelijke geluiden te beginnen bij de heldere en weeke tonen van de Boschlijster tot het woeste gekrijsch van den Gier. De Spotlijster volgt wat tempo en toonhoogte betreft, trouw den zanger, wiens lied hij zich toeëigent en overtreft deze gewoonlijk nog door de liefelijkheid en de kracht van de voordracht. In de bosschen van zijn vaderland kan geen andere Vogel met hem wedijveren. Zijne liederen wisselen bijna tot in het oneindige af. Zij bestaan uit korte afdeelingen van 2 à 6 tonen, die met groote kracht en snelheid uitgebracht worden en soms met onverminderden gloed een uur lang achtereenvolgens weerklinken. Dikwijls meent de toehoorder, dat hij het gemeenschappelijk gezang van een groot aantal Vogels hoort. Deze zanger is in staat den jager en zelfs andere Vogels te misleiden.” De liederen zijn verschillend al naar de plaats waar de Spotlijster zich ophoudt. In het eenzame woud bootst zij de Vogels uit haar omgeving na, in bewoonde streken bevat haar gezang alle klanken, die men in de buurt van menschelijke woningen hoort. Dan worden niet slechts het kraaien van den haan, het kakelen van de hennen, het snateren van de Ganzen, het kwaken van de Eenden, het miauwen van de Kat, het blaffen van den Hond, het knorren van het Zwijn, maar ook het knarsen van een deur, het piepen van een weerhaan, het krassen van een zaag, het klapperen van een molen en honderd andere geluiden met de grootst mogelijke nauwkeurigheid nagebootst. Soms brengt zij onder de huisdieren een groote opschudding teweeg. De slapende Hond zal bij haar volkomen trouwe navolging van het gefluit van zijn meester, plotseling opspringen om zijn heer te zoeken; zij brengt de klokhen tot vertwijfeling door op bedriegelijke nauwkeurige wijze te piepen als een kuiken, dat in verlegenheid verkeert; zij boezemt het vreesachtige pluimvee schrik in door het gekrijsch van den roofvogel te laten hooren; zij wekt ijdele illusies op in ’t brein van den verliefden kater door de teedere uitnoodiging van zijn geliefde zonder fout te herhalen. In de kooi verliezen de Spotlijsters niets van haar begaafdheid, integendeel zij leeren nog andere tonen en klanken kennen, die zij dikwijls op de komiekste wijze door hare welluidende melodieën heenmengen.

Al naar de plaats, waar zij woont, broedt de Spotlijster vroeger of later in ’t jaar. Het eerste broedsel bestaat uit 4 à 6, het tweede uit hoogstens 5, het derde zelden uit meer dan 3 eieren. Deze zijn roodachtig en hebben op lichtgroenen grond donkerbruine vlekken en stippels.

Het voedsel is verschillend al naar het jaargetijde. Gedurende den zomer maken Insecten er het hoofdbestanddeel van uit; in den herfst laven ouden en jongen zich aan allerlei bessen. Geheel in tegenstelling met de Lijsters vervolgen de oude Spotvogels vliegende [52]Vlinders, Kevers, Muggen en Vliegen tot hoog in de lucht; ook lezen zij zulke dieren van de boombladen af. In de kooi gewennen zij zich aan lijstervoeder; zij zijn echter veeleischender dan onze Lijsters en verlangen bovenal tamelijk veel meelwormen en mierenpoppen. Bij goede behandeling worden zij zeer tam en gemeenzaam. Enkele exemplaren heeft men volgens de verzekering van Amerikaansche onderzoekers er aan gewend om uit- en in- te vliegen; andere hebben zich in de kooi voortgeplant.


Door vorm, voorkomen, levenswijze en handelingen herinneren de Struiksluipers (Troglodytinae) aan de Waterspreeuwen. Zooals deze zich in het water gedragen bewegen gene zich op het land.

De Struiksluipers zijn kleine Timaliën met korte vleugels, korten staart en ineengedrongen lichaamsbouw; door hun vederenkleed komen zij veel met elkander overeen. De snavel is kort of middelmatig lang, zwak, priemvormig, zijdelings samengedrukt en langs den rug gebogen; de voeten zijn middelmatig lang, tamelijk zwak en kort van teenen, de vleugels kort, afgerond en gewelfd; de vierde of de vijfde handpen is de langste; de staart is zeer kort, wigvormig of afgerond. De grondkleur van het vederenkleed is roodachtig bruin; zwartachtige strepen vormen de teekening hierop.

De meeste Struiksluipers behooren in Amerika thuis, slechts weinige soorten komen in Europa en Azië voor. Zij bewonen gewesten, waar veel struikgewas groeit, bij voorkeur zulke, die ook rijk zijn aan water, en hun de meest mogelijke schuilplaatsen verschaffen. In het gebergte begeven zij zich tot aan de grens van den boomgroei; in noordelijke gewesten treft men ze nog binnen den kouden gordel aan. Kieschkeurig zijn zij eigenlijk niet; zij vinden bij wijze van spreken overal wel een plaatsje, dat hun behaagt. Men ontmoet ze dan ook in ’t midden van ’t woud zoowel als in de tuinen der dorpen en steden, aan de oevers van ’t water zoowel als op de hellingen van het gebergte. Alleen het vrije veld, waar geen struiken groeien, wordt door hen angstvallig vermeden. Alle leden van deze onderfamilie zijn wakkere, bedrijvige, roerige en bijzonder opgewekte dieren. Zij vliegen slecht en daarom nooit ver, huppelen echter buitengewoon vlug en zijn voor het kruipen door holen en verwarde struiken geschikter dan de andere Muschvogels. Voor zoover men ze thans kent, onderscheiden alle soorten zich door een meer of minder voortreffelijk gezang. Enkele behooren tot de beste zangers van hun vaderland;—een soort—de Flageoletvogel (Cypsorhinus musicus)—wordt zelfs als de uitmuntendste van alle Zangvogels der Keerkringslanden van Amerika beschouwd: zijn gezang wordt vergeleken met den klank van kleine glazen klokjes; op velerlei wijze harmonisch verbonden, verbreiden deze tonen zich langzaam en zacht van uit de boomtoppen over de omgeving; oog- en oorgetuigen verzekeren, dat zij zulke klankvolle en toch zachte, fijne en innemende, als ’t ware hemelsche tonen nooit elders gehoord hadden en vóór dien tijd niet mogelijk geacht zouden hebben. Algemeen oefent het uiterlijk van deze allerliefste schepseltjes een onweerstaanbare bekoring uit; waarschijnlijk is in dit gevoel de oorsprong te vinden van de talrijke aantrekkelijke overleveringen, waardoor de dichterlijke phantasie der meest verschillende volken het leven van deze vogeltjes verheerlijkt heeft.

*

Ons Winterkoninkje (Troglodytes parvulus), is een waardige vertegenwoordiger van zijn familie. Zijn lengte bedraagt 10 cM. De veeren van de bovenzijde zijn op roestbruinen of roestgrijzen grond met donkerbruine golflijnen geteekend; een bruine teugelstreep is door het oog gericht, een roestbruinachtige, smalle streep boven ’t oog gelegen; de middelste bovendekveeren van den vleugel zijn aan de spits versierd met langwerpig roode, witte, van achteren zwart gezoomde stippels; de slagpennen zijn gestreept of gevlekt: op de binnenvlag donker bruingrijs, op de buitenvlag afwisselend lichtroestgeelachtig en zwart; de staartveeren zijn roodachtig bruin, aan de zijden lichter met duidelijke, golvende, donkerbruine dwarsstrepen. De oogen zijn bruin, de snavel en de voeten roodachtig grijs. Het wijfje is een weinig lichter van kleur dan het mannetje; de jongen zijn lichter gevlekt dan de ouden, aan de bovenzijde minder, aan de onderzijde meer.

Men heeft den Winterkoning in alle landen van Europa, van noordelijk Skandinavië en Rusland tot aan de zuidspits van Spanje en Griekenland, bovendien in Noordwest- en Midden-Azië aangetroffen. Hij ontbreekt in geen enkel gewest van Nederland of Duitschland en is overal veelvuldig, waar hij geschikt kan leven. De meest verschillende plekjes worden door hem bewoond, het liefst echter dalen, besproeid door een stroompje en begrensd door hellingen, die met struiken bedekt zijn. Evenals de andere leden van zijn familie komt hij in de tuinen van de dorpen en zelfs van de steden; hij vestigt zich in de onmiddellijke nabijheid van bewoonde gebouwen, wanneer hier dichte struiken, heggen of althans groote hoopen rijshout voorkomen. “Door zijn opgewektheid en blijmoedigheid,” zegt Naumann, “door de behendigheid en snelheid, die hij bij het sluipen door de struiken toont, en door een zekere driestheid in zijne handelingen overtreft de Winterkoning de meeste inheemsche Vogels. Zijn driestheid is echter van een zeer bijzonderen aard; zij verdwijnt bij den geringsten schijn van gevaar, verandert op eens in een grenzelooze vrees, maar keert spoedig terug. Zelden verlaat hem zijn vroolijke gemoedsstemming. Altijd huppelt hij zoo driest rond, alsof hij van alles ruimschoots voorzien is, zelfs midden in den winter, als het niet al te zeer stormt, of de zon nu en dan door de wolken breekt. Zelfs wanneer de Musch, de trouwste van onze standvogels, ontevreden over de strenge koude, hare veeren opzet en door haar treurig voorkomen mismoedigheid en droefgeestigheid te kennen geeft, is de Winterkoning nog steeds vroolijk en zingt zijn liedje, alsof het reeds lente was.” Zijn voorkomen is zeer aantrekkelijk. Hij huppelt in gebogen houding buitengewoon snel over den bodem, zoodat men eerder zou meenen een muis te zien loopen dan een Vogel, hij kruipt met bewonderenswaardige behendigheid schielijk door spleten en gaten, die voor iederen anderen inheemschen Vogel ontoegankelijk schijnen, begeeft zich zonder rust te nemen van de eene heg naar de andere, van struik tot struik, van den eenen hoop rijshout naar den anderen; hij onderzoekt alles en komt slechts nu en dan een enkel oogenblik voor den dag; hij neemt dan een houding aan, die hem een driest voorkomen verschaft: de borst eenigszins voorovergebogen, het korte staartje loodrecht omhoog gericht. Dat iets bijzonders zijn aandacht trekt, geeft hij door schielijk opeenvolgende buigingen te kennen; de staart wordt dan nog verder opgewipt dan gewoonlijk. Als hij zich veilig acht, gebruikt hij ieder vrij oogenblik om te zingen of althans om zijn loktoon te laten hooren; [53]alleen in den ruitijd is hij betrekkelijk stil. Zoodra echter zijn liedje uit is, begint het sluipen en kruipen opnieuw.

Hij vliegt slechts, wanneer dit volstrekt noodig is. Gewoonlijk strijkt hij met trillende vleugelslagen volgens een rechte lijn zeer dicht bij den grond langs; als hij groote afstanden vliegend moet afleggen, beschrijft hij een uit korte, zwak gekromde bogen bestaande, slangvormige lijn. Hoeveel moeite het vliegen hem kost, blijkt duidelijk, als men hem op het vrije veld vervolgt. Volgens Naumann kan iemand, die snel loopt, hem zoo vermoeid maken, dat men hem met de handen kan vangen. Trouwens de Winterkoning is zoo bewust van zijn geringe bekwaamheid in ’t vliegen, dat hij de struiken, die hem beschutten, uit eigen beweging nooit verlaat; zelfs dan, wanneer hij niet eens ver van zijn boschje verwijderd is, kruipt hij bij dreigend gevaar liever in een holte weg, dan dat hij de gevaarlijke tocht door de lucht onderneemt. De geluiden die men het meest van hem verneemt, zijn “tserr” of “tserts”, welke klanken op verschillende wijzen geïntoneerd worden en een waarschuwing te kennen geven, die ook door andere Vogels ter harte wordt genomen, voorts een verlenging van deze geluiden of ook wel een dikwijls herhaald “tsek tsek tsek.” Het uitmuntend en hoogst aangenaam gezang van dit vogeltje bestaat “uit vele, op lieftallige wijze afwisselende, helder gefloten tonen, die in het midden van de niet bepaald korte melodie in een klankvollen triller overgaan, lager en lager wordend bij het einde”; deze triller wordt veeltijds herhaald kort nadat het gezang zal ophouden en vormt er dus in zekeren zin de finale van. De tonen zijn zoo krachtig en vol, dat men met verbazing een vogeltje van zoo geringe grootte zóó zingen hoort. In de wintermaanden maakt dit gezang een bijzonderen indruk op het gemoed van den mensch. De geheele natuur is stil en doodsch, de grond met sneeuw en ijs bedekt, de boomen zijn bladerloos, alle Vogels zwijgen en zijn slecht gemutst, alleen hij, bijna de kleinste van alle, geeft vroolijk en welgemoed voortdurend hetzelfde lied ten beste: “Eens toch zal de lente komen”—deze of dergelijke gedachten zullen wel bij iedereen opwellen, zelfs bij den meest verstokten Droogstoppel, die nooit wil inzien, dat ook een dichterlijke natuurbeschouwing recht van bestaan heeft. Hij, wiens hart in den winter bij het gezang van den Winterkoning niet sneller begint te kloppen, is zeer te beklagen!

Het voedsel van den Winterkoning bestaat uit Insecten in al hunne ontwikkelingstoestanden, uit Spinnen en andere kleine diertjes, in den herfst ook uit velerlei bessen.

De plaatsen waar en, in verband hiermede, ook de wijzen waarop het nest gebouwd wordt, zijn zeer verschillend. Men heeft nesten van Winterkoningen gevonden boven in den top van een boom en op den bodem, in holen van den grond en van boomen, in gaten van muren en in rotsspleten, in kolenbrandershutten en onder daken van huizen, in struiken en onder wortels, in houtmijnen en in mijnschachten, altijd en overal echter op met zorg gekozen plaatsen; vooral het plekje, waar in de lente, voordat de planten haar zomersche weelderigheid vertoonen, het eerste nest gebouwd wordt, is soms zeer merkwaardig. Enkele nesten bestaan geheel uit groene, andere uit reeds geel geworden mossen, die tot zulk een dicht vilt verwerkt zijn, dat het geheel er uitziet, alsof de grondstoffen aaneengelijmd zijn; zij hebben den vorm van een bol met een net bewerkte opening, die als in- en uitgang dient. Andere nesten gelijken op een verwarden hoop van bladeren waarin een holte, die met veertjes gevoerd is; nog andere worden voor ’t doel geschikt gemaakt door het opknappen van een reeds aanwezig nest. Hoe dit ook zij, in ieder geval bestaat er verband tusschen den vorm van het nest en zijn standplaats; steeds zijn de bouwstoffen zoo gekozen, dat het nest weinig afsteekt bij zijn omgeving en het dikwijls moeite kost het te vinden, hoewel het in verhouding tot de grootte van den bouwmeester, verbazend groot is. Opmerkelijk is het, dat de Vogel soms een duidelijke voorkeur toont voor een bepaalde plaats. Zoo verhaalt Trinthammer, dat een in ’t gebergte levende Winterkoning met de kolenbranders of peksmelters van woonplaats veranderde, d. w. z. altijd in de hut van deze lieden zich vestigde en hierin zijn nest bouwde, zoowel wanneer de hut op dezelfde plaats stond als in ’t vorige jaar, als wanneer zij elders was opgericht. De kolenbranders kenden dezen Vogel zeer goed: zij wisten, dat het steeds dezelfde was, door de wijze, waarop hij zich gedroeg.—Voorts dient vermeld te worden, dat de Winterkoning nesten bouwt, die uitsluitend als slaapplaatsen, nooit voor ’t broeden worden gebruikt. De slaapnesten zijn echter steeds kleiner dan de broednesten, meestal alleen van mos vervaardigd en van binnen niet met veertjes gevoerd. Door waarnemingen heeft men de zekerheid verkregen, dat de Winterkoningen zeer gaarne den nacht doorbrengen in oude nesten en dat dit niet eenvoudig geschiedt door één of een paar van deze vogeltjes, maar door het geheele gezin. Deze ervaring deed o. a. een boer in Anhalt op, toen hij op een winteravond in den veestal ging om in een der daar hangende zwaluwnesten een Musch te vangen, maar de geheele hand vol vogels kreeg en tot zijn verwondering vijf Winterkoningen zag, die eendrachtelijk het nest als slaapplaats hadden gebruikt.—In gewone omstandigheden broedt het Winterkoningen-paar tweemaal per jaar, voor ’t eerst in April, ten tweeden male in Juli. Het broedsel bestaat uit 6 à 8 betrekkelijk groote, rondachtige eieren, die op een zuiver witten of geelachtig witten grond geteekend zijn met kleine stippels van roodbruine of bloedroode kleur, die aan het dikke einde dikwijls kransen vormen. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten; na verloop van 13 dagen komen de jongen uit, die door de ouders gemeenschappelijk grootgebracht worden, zich lang in het nest ophouden en nadat zij reeds uitgevlogen zijn, nog geruimen tijd bijeenblijven; waarschijnlijk zoeken zij iederen nacht hun wieg weer op om hierin te slapen.

Men vangt den Winterkoning bij toeval in netten, in strikken of op lijmroeden; maar kan hem niet gemakkelijk aan het leven in de kooi gewennen. Wie hierin slaagt, kan veel pleizier beleven van dit Vogeltje, daar het ook in de kooi zeer lieftallig is.


De Grassluipers (Cisticolinae) herinneren aan de Rietzangers. Deze groep van Timaliën is tot de Oude Wereld en Australië beperkt en vooral in den heeten aardgordel talrijk vertegenwoordigd. Zij hebben een middelmatig langen snavel, die zijdelings samengedrukt en gewoonlijk flauw gebogen is; betrekkelijk zeer krachtig gebouwde voeten, korte, afgeronde vleugels en een soms langen, soms korteren, meestal trapvormigen staart; hun vederenkleed is in den regel eenkleurig, bij uitzondering echter ook wel prachtig gekleurd.

Over ’t geheel genomen stemt de verblijfplaats der [54]Grassluipers met die der Rietzangers overeen; het verschil zou misschien hierin gelegen kunnen zijn, dat gene meer nog dan deze de voorkeur geven aan lage struiken, biezen en lang gras. De bekwaamheden van de Struiksluipers zijn bij hen vereenigd met die van de Rietzangers; zoowel in ’t klimmen als in ’t loopen en sluipen zijn zij zeer goed ervaren; zij vliegen echter slecht, onvast en schommelend; door de liefde vervoerd, verheffen zij zich echter boven de toppen der door hen bewoonde planten, zingen hun eenvoudig liedje, terwijl zij sprongsgewijs en fladderend omhoog stijgen, en storten zich daarna weer in het dichte struikgewas beneden hen. Hier, meestal laag boven den grond, vindt men hunne kunstvolle, in zekeren zin weergalooze nesten, die tusschen aaneengenaaide bladen worden gebouwd; hier brengen zij hunne jongen groot; hier vinden zij hun voedsel en brengen zij het grootste deel van hun leven door.

De Cistuszanger (Cisticola cursitans) is 11 cM. lang (hierbij 4 cM. voor den staart). De bovendeelen zijn olijfbruin met donkerbruine vlekken, met uitzondering van den bruinachtigen nek en den roestbruinen staartwortel; de kop is versierd met drie zwartachtige en twee lichtgele, overlangsche strepen; de hals, de keel en het onderlijf zijn zuiver wit, de borst, de flanken en de onderdekvederen van den staart roestgeel, de slagpennen grauwzwart, aan de buitenvlag met roestgelen zoom, de middelste staartvederen roestbruin, de overige grijsbruinachtig met witten rand aan de spits, die hoogerop met een zwarte, hartvormige vlek geteekend is. Het oog is bruinachtig lichtgrjjs, de snavel hoornkleurig, de voet roodachtig.

Midden- en Zuid-Spanje, Zuid-Italië, Sardinië en Griekenland, Noord-Afrika, Midden-, Oost- en Zuid-Azië zijn de landen en landstreken waar de Cistuszanger gevonden wordt. Overal waar hij voorkomt, is hij veelvuldig, op vele plaatsen algemeen. Hij is standvogel en broedt op de plaats, waar hij geboren is. In Spanje bewoont hij alle laagvlakten, voor zoover zij eenigermate aan de door hem gestelde eischen voldoen: de met hoog riet begroeide dammen der sawahs, moerassen, maïs-, lucerne- en hennepvelden en dergelijke plaatsen. Vooral gedurende den broedtijd trekt het mannetje zeer de aandacht. Onder het luid geroep “tsiet tiet tiet” stijgt hij met korte rukken omhoog, vliegt daarna gewoonlijk lang achtereen en voortdurend schreeuwend langs booglijnen heen en weer, gedurende vele minuten kringen beschrijvend om ieder mensch, dat in zijn nabijheid komt. Hij loopt zoo behendig door een grasveld, dat men hem onwillekeurig met een Muis vergelijkt; oude Vogels, die aangeschoten zijn, weten zich in weinige oogenblikken zoo te verbergen, dat men niet in staat is ze te vinden. “Eigenaardig,” zegt Hausmann, “is de wijze, waarop de Vogel de bladen, die het nest zullen omgeven, bijeenvoegt en de wanden van zijn werkstuk dicht en stevig maakt. In den rand van ieder blad prikt hij kleine openingen, waarna beurtelings door het eene blad en het andere een of meer draadjes worden geregen. Deze draden, vervaardigd van spinrag of plantenwol, zijn ongelijk van dikte en niet zeer lang, hoogstens voldoende voor twee of drie steken van het naaiwerk. In het binnenste van het nest heeft plantenwol de overhand; de weinige spinragdraden, die zich daartusschen bevinden, dienen alleen om de andere bouwstoffen bijeen te houden. In de zijdelingsche en bovenste gedeelten van het nest is de binnenste laag onmiddellijk met de aaneengehechte bladen in aanraking; aan het onderste deel echter vindt men tusschen beide een meer of minder dichte, uit kleine, dorre bladen of bloemkronen bestaande laag, tot steun voor den bodem van het nest, die de eieren heeft te dragen. In het bovenste derde gedeelte van den wand is het ronde vlieggat aangebracht. Het geheele gebouw heeft den vorm van een langwerpig ronden of eivormigen buidel. Het staat te midden van een gras-, zeggen- of biezenpol, begint op een afstand van hoogstens 15 cM. boven den grond en is vastgenaaid aan de als dragers dienende bladen, welks op andere rusten, die er ondergeschoven worden en als ’t ware de rol van springveeren vervullen. Zoo verschaffen de heen en weer golvende halmen aan het nest de noodige stevigheid om aan zeer hevige stormen een voldoenden weerstand te bieden.”

Vroeger meende men, dan aan het wijfje de eer van het vervaardigen van het nest toekomt; uit de waarnemingen van Tristram, welke door die van Jerdon bevestigd worden, vloeit echter voort, dat het grootste deel van dezen arbeid door het mannetje wordt verricht.


De Snijdervogels (Orthotomus) zijn slank gebouwd; hun snavel is lang, zwak en recht, de voet is krachtig en lang, de vleugel kort en sterk afgerond, de staart uit smalle veeren samengesteld, meestal kort en dan sterk afgerond, soms lang en trapvormig. De veeren van de bovenzijde zijn in den regel groen.


De Snijdervogel (Orthotomus Bennettii) heeft een geelachtig olijfgroenen mantel, een roestroode kruin, een roodachtig grijzen nek; de onderzijde is wit, naar de flanken grijsachtig uitvloeiend; de slagpennen zijn olijfbruin met bruinachtig groenen zoom, de stuurpennen bruin met groenachtig waas, de buitenste zijn aan de spits wit. Bij het mannetje zijn de beide middelste staartpennen voorbij de andere verlengd. Het mannetje is 17 cM. lang met inbegrip van den 9 cM. langen staart, bij ’t wijfje is deze en ook het geheele lichaam 4 cM. korter.

Van den Himalaja, op 1300 M. hoogte, tot aan de zuidspits van Indië, op Ceylon zoowel als in Birma, voorts in Siam en in het Zuiden van China ontbreken deze Snijdervogels nergens, voorzoover het gewest niet geheel verstoken is van boomen. Zij bewonen tuinen, boomgaarden, heggen, rietvelden en bosschen met middelmatig hooge boomen, leven gewoonlijk paarsgewijs, soms echter ook wel tot kleine familiën vereenigd, huppelen onophoudelijk op de twijgen der boomen en struiken rond, laten dikwijls hun luiden loktoon hooren, die op “toewie” of “prettie prettie” gelijkt, zijn gemeenzaam en houden zich gaarne dicht bij de huizen op, maar worden voorzichtig, wanneer zij bemerken, dat zij nagegaan worden, schuw, wanneer zij vervolgingen te verduren hebben. Hun voedsel bestaat uit allerlei Insecten, vooral Mieren, Cicaden, rupsen en andere larven, die zij van de schors en van de bladen, niet zelden echter ook van den grond opzoeken. Bij het huppelen of bij het eten zijn zij gewoon den staart omhoog te richten en de veeren van den kop overeind te zetten.

De nesten, die Hutton vond, waren zeer sierlijk gebouwd en bestonden uit vruchtharen van riet en zaadharen van de katoenplant, bovendien uit stukken van wollen draden; al deze bouwstoffen waren innig dooreengeweven; zij vormden den wand van het nest, welks holte met paardehaar dicht gevoerd was en dat tusschen twee bladen van een tak van den amaltusboom [55]bevestigd was. Deze beide bladen worden eerst in overlangsche richting op elkander gelegd en daarna aan weerszijden, van de spits tot een weinig boven het midden, met een stevigen draad, die door den Vogel zelf van ruw katoen gesponnen was, aaneengenaaid; op deze wijze bleef als ingang tot het nest een opening over aan het boveneind tusschen de bladstelen, juist daar, waar deze aan den boomtak verbonden zijn. Een ander nest hing aan den top van een tak, ongeveer 60 cM. boven den bodem, en was vervaardigd van dezelfde grondstoffen als het vorige. De bladen waren hier en daar met draden, die de Vogel zelf gesponnen had of ook wel met dun bindgaren, dat hij opgezocht had, aaneengenaaid. Met den snavel en de pooten schuift de Vogel de randen der bladen tegen of over elkander, en steekt den snavel, waarin hij een zelfgemaakte of gevonden draad vasthoudt, er door, totdat zij tegen elkander blijven zitten; in de daartusschen overblijvende ruimte wordt vervolgens het nest gebouwd. Het broedsel bestaat uit 3 of 4 eieren, die op witten, roodachtigen of blauwachtigen grond bruinroode vlekken vertoonen, vooral aan het dunste uiteinde.

Snijdervogel (Orthotomus Bennetti). ⅔ v. d. ware grootte.

Snijdervogel (Orthotomus Bennetti). ⅔ v. d. ware grootte.

In Oost-Indië leven een aantal soorten van Vogels, die hun nest op soortgelijke wijze bouwen als de eigenlijke Snijdervogels, maar door haar opmerkelijk gekromden snavel van deze verschillen. Zij vormen het geslacht Prinia.

Van den Javaanschen Snijdervogel (Prinia familiaris) schrijft Prof. Harting: “Deze bouwt, in het algemeen op dezelfde wijze als de vorige soort, een nest uit een enkel blad of uit twee bladeren, doch hij bezigt om deze samen te naaien niet enkel plantenwol, maar ook zijde, namelijk het spinsel van rupsen. Somwijlen zelfs brengt hij zijn hem van nature geschonken talent niet eens in toepassing, namelijk wanneer hij zijn nestje bouwt tusschen de sparrige takken der op Java veelvuldig tot omheiningen gebruikte lanthana-soorten, alsdan daartoe alleen zulke zelfstandigheden gebruikende, waaruit anders het inwendige bestaat, zooals fijne grashalmen, vezelen van kokosnootschalen, en daarbinnen een stevig bekleedsel van plantenwol en kokosdraden. En terwijl in andere gevallen de gedaante van het nest zich geheel wijzigt naar den vorm der daarvoor gebezigde bladeren en de opening gewoonlijk bovenwaarts gekeerd is, heeft daarentegen zulk een vrij tusschen takjes gebouwd nest een tamelijk regelmatig ronde of eironde gedaante en een zijdelingsche opening. Zoo zien wij weder in dit geval de duidelijke blijken van een soort van overleg, waarvan een verandering in de bouwwijze het gevolg is. Het is, alsof het vogeltje weet, dat zich takken niet laten aaneennaaien, en het zich daarom de vergeefsche moeite spaart, maar eenmaal die plaats voor zijn nestbouw gekozen hebbende, nu ook poogt aan zijn nest een grootere veiligheid te verschaffen, door het van boven te overdekken en den ingang minder in het oog te doen vallen.”


De Emoesluiper (Stipiturus malachurus), vertegenwoordiger van het gelijknamige geslacht, onderscheidt zich vooral door zijn eigenaardigen staart, die slechts zes zeer lange en smalle pennen bevat, welker vlag uit lange, niet samenhangende baarden is samengesteld; vooral bij het mannetje is hij zeer ontwikkeld: hier bedraagt zijn lengte 9 cM., dus meer dan de helft van die van het geheele lichaam. De bovendeelen zijn bruin met overlangsche reeksen van zwarte vlekken; de bovenkop is roestrood, het onderste deel van de keel lichtgrijs, de onderzijde overigens helder rood; de slagpennen en staartveeren zijn donkerbruin, de eerstgenoemde met roodbruinen zoom.

Gould en Ramsay hebben tamelijk uitvoerige berichten gegeven over het leven van dezen aan alle Australische kolonisten welbekenden Vogel. De Emoesluiper [56]bewoont moerassige streken van het zuiden van Australië, van de Moreton-baai aan de oostkust tot aan de Zwanenrivier aan de westkust, bovendien Tasmanië; overal waar hij voorkomt, is hij veelvuldig. Buitengewoon vlug en beweeglijk, bekwaam en behendig, loopt hij over den bodem even snel, als hij half fladderend, half springend tusschen de grashalmen door zijn weg vervolgt; in het zwenken en omkeeren is hij zoo ervaren, dat zijne vijanden in de meeste gevallen te vergeefs jacht op hem maken. Als een vervolger hem onverwachts overvalt, stelt zijn slimheid hem in staat een schuilplaats te vinden en plotseling te verdwijnen. Alleen als hij geen anderen uitweg ziet, zal hij gaan vliegen; na opgeschrikt te zijn, vliegt hij kort boven de toppen der grassen weg en laat zich plotseling weer op den bodem zakken. Soms vertoont hij zich aan den top van een halm om van hieruit zijn wereld te overzien. Als hij rustig zit, is de staart loodrecht omhoog en soms ook wel over den rug naar voren gericht; bij snellen loop heeft de staart een horizontalen, achterwaartschen stand. In den paartijd hoort men van het mannetje een kort, maar aangenaam gekweel; de loktoon is een zacht gesjirp.

*

De Snaplijsters (Timelia) behooren op Malakka, Sumatra, Borneo en Java thuis. Deze eenvoudig gekleurde Vogels bereiken hoogstens de grootte van een Leeuwerik; zij hebben een krachtigen, zijdelings sterk samengedrukten, langs den rug duidelijk gebogen snavel; hun staart is afgerond en korter dan de romp. Zij voeden zich hoofdzakelijk met Insecten en andere kleine dieren, doch ook wel met vruchten, vooral bessen.

Bij de 18 cM. lange, o. a. op Java inheemsche Roodkoppige Timalia (Timelia pileata) is de kruin glanzig kaneelbruin; de andere bovendeelen zijn bruingrijs, de vleugels en de staart iets donkerder, de teugels zwart, een daarboven gelegen streep en de wang wit, de onderdeelen lichtbruinachtig, aan den hals en aan de zijden van de borst grijs, aan den krop met fijne, zwartachtige schaftstreepen geteekend; het oog is dofrood, de snavel zwart, de voet vleeschkleurig.

Horsfield vermeldt als een eigenaardigheid van het gezang van het mannetje, dat het uitsluitend uit de tonen c, d, e, f en g bestaat, die met korte tusschenpoozen zeer geregeld herhaald worden. “De Roodkoppige Timalia,” zegt Bernstein, “bewoont paarsgewijs de dichte opeenhoopingen van struiken, die de wouden omgeven, of vroeger aanwezige bosschen vervangen hebben; zij is veel overvloediger in bergachtige dan in vlakke gewesten. Buiten de genoemde wildernissen vertoont deze Vogel zich zelden; hij blijft daarom licht onopgemerkt. Alleen des morgens ziet men hem dikwijls op een vrijen, boven het struikgewas uitstekenden tak, waar hij zijne door den dauw doornat geworden veeren laat drogen en in orde brengt. Het mannetje draagt, terwijl het wijfje broedt, bij voorkeur van zulk een tak zijn eenvoudig gezang voor. Intusschen laat het de vleugels achteloos hangen en bekommert zich, naar het schijnt, weinig om zijn omgeving. In opgewonden toestand of als de Vogel iets ziet, dat hem verdacht voorkomt, worden de veeren van de kruin opgericht en de uitgespreide staart schoksgewijs opgewipt. Zijn loktoon gelijkt eenigszins op dien van onze gewone Musch.”

*

Van de talrijke geslachten van uitheemsche Zangvogels, die wegens hun nauwe verwantschap met de laatstgenoemde vormen nog tot de familie der Timaliën gerekend worden, vermelden wij alleen nog het geslacht Crateropus, dat Afrika en Zuidwest-Azië bewoont, en hiervan een soort—de Witstuit-schreeuwlijster (Crateropus steatopygus). Deze 20 cM. lange Vogel is donker omberbruin; de kop tot den nek en het midden van de keel, voorts de staartwortel, de aarsstreek en de onderdekvederen van den staart zijn wit; het oog is donker karmijnrood, de snavel zwart, de voet grijs. Hij bewoont de veel struikgewas bevattende bosschen van Abessinië, een verwante vorm die van Oost-Soedan. Erger schreeuwleelijken bestaan misschien niet. Zij geven niet minder ergernis, dan zij genoegen verschaffen; zij verraden aan menig stuk wild de komst van den jager en wekken hierdoor diens rechtmatigen toorn; daar zij echter zoo onderhoudend, zoo vroolijk, zoo grappig zijn, vergeet men licht de teleurstelling, waarvan zij de oorzaak waren en vat genegenheid voor hen op. Hun geschreeuw is verre van welluidend en biedt ook niet veel afwisseling aan; het is echter moeilijk te beschrijven.


Een tamelijk scherp begrensde familie is die der Meezen (Paridae). De snavel van deze Vogels is kegelvormig, recht en kort, aan den rug afgerond, zijdelings samengedrukt, aan de randen scherp; hunne voeten zijn stevig en gespierd, de teenen middelmatig lang en krachtig; de klauwen betrekkelijk groot en scherp gekromd; de vleugels, welker spits gevormd wordt door de vierde en de vijfde handpen, zijn kort en afgerond; de staart is bij de meeste soorten kort, in dit geval recht afgesneden of slechts weinig uitgerand, bij sommige echter lang en dan sterk trapvormig; het vederenkleed is dicht, zacht en sprekend van kleur.

Deze familie is over het noorden der geheele aarde verbreid, maar komt ook voor in het Indische Ethiopische en Australische faunistische Rijk. Eenige tot haar behoorende soorten zijn zwerfvogels, andere standvogels, nog andere “streekvogels”, die in sommige tijden in grooten getale door het land trekken, maar hunne reizen nooit ver uitstrekken, en zich altijd slechts binnen een zeer beperkt gebied bewegen. Haar eigenlijk woon- en jachtgebied is het woud, want nagenoeg alle soorten leven uitsluitend op boomen en struiken; slechts weinige verkiezen het rietveld boven het struikgewas. Niet slechts met hare soortgenooten maar ook met leden van andere soorten derzelfde familie en soms met vreemde Vogels vereenigen de Meezen zich, om in dit gezelschap niet zelden dagen en weken lang te blijven.

Het voorkomen en de handelingen der Meezen zijn in hooge mate aantrekkelijk. Zij behooren tot de roerigste en bedrijvigste Vogels, die men kent. Over dag zijn zij geen oogenblik in rust, maar integendeel onverpoosd werkzaam. Zij vliegen van den eenen boom naar den anderen en klauteren onophoudelijk in de twijgen rond; want haar geheele leven wordt ingenomen door de jacht. In vele opzichten mag men ze hoog begaafd noemen. Op den bodem zijn zij echter zeer onbehendig; zij houden zich daarom hier nooit lang op, maar keeren altijd spoedig weder naar de twijgen terug. Hier huppelen zij vlug heen en weer, hechten zich zonder bezwaar aan de onderzijde van de twijg, zoodat de rug naar onderen gekeerd is, zien kans om in de meest verschillende houdingen niet slechts te blijven, [57]maar zelfs te arbeiden, zijn zeer vaardig in het klimmen en geven bewijzen van groote behendigheid bij het sluipen en kruipen door dicht ineengegroeide wildernissen. Zij vliegen snorrend volgens een uit korte bogen bestaande lijn; deze beweging schijnt hun zeer veel inspanning te kosten; de meeste soorten vliegen daarom maar zelden ver, gewoonlijk begeven zij zich op deze wijze eenvoudig van den eenen boom naar den anderen. Haar stem is een fijn gesjilp, dat wel eenige overeenkomst vertoont met het gepiep van Muizen en voortdurend, schijnbaar zonder eenige aanleiding, wordt voortgebracht.

Vele Meezen eten behalve Insecten ook zaden, de meeste soorten bepalen zich echter geheel tot het eerstgenoemde voedsel en maken bij voorkeur jacht op kleine Insecten, nog meer echter op hunne larven en eieren. Juist hierom zijn deze Vogels zoo bevorderlijk aan het gedijen van de boomen, die meer bepaaldelijk door den mensch verzorgd worden. Wegens haar rustelooze bedrijvigheid hebben de Meezen een betrekkelijk zeer groote hoeveelheid voedsel noodig. Zij zijn de beste insectenverdelgers, die ten onzent leven. Weinige andere Vogels verstaan zooals zij de kunst om een bepaald gebied op de grondigste wijze te doorzoeken en de meest verborgen Insecten op te sporen. Daar zij vlijtig en onvermoeibaar, behendig en scherpzinnig zijn, blijft er maar weinig voor haar verborgen en onbereikbaar. Zij zijn de getrouwste van alle bewakers van het woud, omdat zij in een bepaald gebied blijven en in ieder jaargetijde haar beroep uitoefenen. Het nut dat zij ons aanbrengen, is onberekenbaar groot; men overdrijft echter zeer zeker niet, door te zeggen, dat een Mees gedurende haar leven iederen dag omstreeks duizend Insecten verdelgt. Daaronder zijn er ongetwijfeld vele, die aan onze boomen geen schade doen; de meeste eieren echter, die door de Meezen opgezocht en vernield worden, zouden zonder haar bedrijf zich ontwikkeld hebben tot Insecten, die voor ons zeer nadeelig zijn. Het is de plicht van ieder verstandig mensch om, zoo goed als zulks hem mogelijk is, mede te werken tot bescherming van deze zoo nuttige Vogels niet alleen, maar ook tot bevordering van haar welzijn; men zou haar het vinden van woon- en broedplaatsen gemakkelijker kunnen maken door ten haren behoeve oude, holle boomen te laten staan of broedkasten op te hangen. Het ergste bezwaar, waarmede onze inheemsche Meezen te kampen hebben, is gebrek aan geschikte woningen; dit bezwaar zal, wanneer daartegen geen behoorlijke maatregelen genomen worden, een steeds grooteren omvang aannemen; het doet aan de vermenigvuldiging van de Meezen meer kwaad dan al hare vijanden te zamen genomen, de mensch er onder begrepen. Tot zegen voor het woud is haar voortplantingsvermogen zeer sterk: voor ’t meerendeel leggen zij tweemaal per jaar, telkens 2 à 12 eieren. De talrijke jongen, die zij grootbrengen, zijn reeds in de volgende lente voor de vermenigvuldiging geschikt.

Als kooivogels zijn de Meezen zeer gezellige huisgenooten. Zij geraken merkwaardig schielijk aan het leven in de gevangenschap gewoon, maar worden toch zelden werkelijk tam. Met andere Vogels mag men ze niet in één kooi opsluiten, want zelfs groote dieren worden door haar met moordzuchtige bedoelingen aangevallen; zij klemmen zich op hun rug vast en dooden hen door snavelbeten, breken den schedel van het gedoode slachtoffer open en verslinden de hersenen niet minder gretig, dan een Roofvogel zijn prooi verslindt.


De Boschmeezen (Parus) kenmerken zich door den krachtigen, kegelvormigen, zijdelings samengedrukten snavel, die van voren scherp is, doch niet zoo spits als een naald, door de stevige, met groote, scherpe nagels gewapende voeten, de korte en breede vleugels, waarin de derde en de vierde slagpen de langste zijn, den middelmatig of tamelijk langen, soms zwak afgeronden, soms ondiep uitgesneden staart en het rijk, langbaardig, dikwijls prachtig gekleurde en geteekende vederenkleed.

De meest bekende soort van dit geslacht is onze Koolmees, veelal eenvoudig Mees genoemd, bij Haarlem Plakker, in Gelderland Bijmees, in Friesland Blokvinkje (Parus major); zij is de overal voorkomende vertegenwoordigster en het grootste Europeesche lid van het geslacht der Boschmeezen en van de Meezen in het algemeen. De bovenzijde is olijfgroen, de onderzijde lichtgeel; de bovenkop, de keel, een naar achteren smaller wordende streep, die over de geheele onderzijde loopt, en een boogvormige streep, die zich van den gorgel tot aan den achterkop uitstrekt, zijn zwart, de slagpennen en de stuurpennen blauwgrijs, de zijden van den kop en een dwarsstreep over de vleugels wit. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de voet loodkleurig grijs. De lengte bedraagt 16 cM. met inbegrip van den 7 cM. langen staart.

Ten zuiden van den 65en graad N.B. ontbreekt de Koolmees in Europa nergens; zij is echter volstrekt niet overal veelvuldig, wordt hier en daar in zuidelijke gewesten alleen in den winter aangetroffen, is bovendien over Noord-Amerika en de Kanarische eilanden verbreid, komt in Noord-Perzië nog algemeen voor, maar wordt in het Transkaspische gebied in ’t geheel niet gevonden. Zij is over ons geheele land verbreid, maar broedt in de zeeprovinciën slechts schaars; daarentegen broedt zij in Friesland overal, hier en daar zelfs in steden. In den herfst en ’s winters in den zwerftijd merkt men ze overal in menigte op, in gezelschap van andere Meezen (Pimpel, Zwartkopmees, Zwarte Mees en Staartmees), Goudhaantjes en Boomkruipertjes (Albarda). In Duitschland ziet men haar overal en in ieder jaargetijde, het veelvuldigst echter in de lente en in den herfst, als de in het noorden opgegroeide jongen zich zuidwaarts begeven en door de Midden-Europeesche landen zwerven; haar aantal is echter op lange na niet meer zoo groot als voor één of twee menschenleeftijden; van geen harer verwanten is het zoo sterk afgenomen. Nog ontmoet men haar in ieder plantsoen, in iederen grooten tuin; van jaar tot jaar echter wordt voor haar de kans om een broedplaats te vinden geringer; zij vermijdt daarom, door den nood gedrongen, de nabijheid van menschelijke woningen, waar zij vroeger even veelvuldig was, als in het woud. Tegen het einde van September begint zij te zwerven en in ’t begin van October is het trekken aan de orde van den dag. Omstreeks dezen tijd, vooral op donkere dagen, ziet men honderden van Koolmeezen wegtrekken; meestal volgen zij bepaalde wegen, dikwijls gaan zij met andere Meezen, Boomloopers en Goudhaantjes een Bonten Specht achterna. In Maart keeren de reizigers terug en in April hebben de zwermen zich reeds weder in paren verdeeld.

Bij de Koolmees komen in zekeren zin de eigenschappen van al hare familieleden vereenigd voor. Evenals deze is zij een buitengewoon levendige en opgewekte, een onrustige en rustelooze, nieuwsgierige, bedrijvige, moedige en twistzieke Vogel. “Het is een [58]zeldzaamheid,” zegt Naumann, “haar eenige minuten achtereen stilzittend zelfs of misnoegd te zien. Altijd blijmoedig en onverpoosd huppelt of klautert zij rond tusschen of in de twijgen der boomen, struiken, heggen en omtuiningen, hecht zich nu eens op de eene, dan weer op een andere plaats aan den stam van een boom, wiegt zich met den rug naar beneden aan de dunne spits van een slanke twijg, kruipt door een hollen stam of sluipt behendig door spleten en gaten; zij doet dit alles met de meest afwisselende houdingen en gebaren, met een beweeglijkheid en vlugheid, die aan ’t potsierlijke grenzen. Hoezeer zij door een buitengewone nieuwsgierigheid beheerscht wordt, hoe gaarne zij alle in ’t oog vallende voorwerpen, die zij op haren weg ontmoet, van alle zijden beziet, onderzoekt en er met den snavel op los hamert, toch gaat zij hierbij volstrekt niet zorgeloos te werk; integendeel al hare handelingen openbaren een hoogen graad van schranderheid. Zij weet niet alleen hem, die haar lagen legt, schuw te ontwijken, maar is ook slim genoeg om de plaats, waar zij eens een onaangename ontmoeting had, te vermijden, hoewel zij overigens volstrekt niet schuw is. Men kan het bij wijze van spreken aan haar gezicht zien, dat zij een sluwe, loszinnige Vogel is: zij heeft een bijzonder listigen blik.” Zoo lang mogelijk houdt zij zich in de boomkronen op; den bodem bezoekt zij slechts zelden. Zij vliegt echter ook niet graag over een grooten afstand, want haar vliegvermogen, hoewel beter dan dat van de andere Meezen, is toch altijd nog betrekkelijk gering, hare bewegingen in de lucht zijn lomp en onhandig. Haar stem bestaat uit het gewone “tsiet,” of “siet,” bij dreigend gevaar gevolgd door het waarschuwende “terrr”, bij schrik ook wel voorafgegaan door “pienk pienk”; een teeder gevoel wordt door de syllaben “wudie wudie” uitgedrukt. Het gezang is eenvoudig, maar toch niet onaangenaam; “de tonen klinken,” naar Naumann zegt, “helder als een klokje”, ongeveer als “stiti sietsietsidi” en “sitidoe sitidoe.” Hoewel de Mees gezellig is, bejegent zij zwakkere dieren onverdraagzaam, ja zelfs boosaardig. Erbarmelijk lafhartig, als zij een gevaar vreest, zich onzinnig aanstellend, als zij een Roofvogel opmerkt, verschrikkend, als men een ruischend geluid voortbrengt of een hoed omhoog werpt, die zij dan voor een Valk houdt, valt zij iederen zwakkeren Vogel moordgierig aan en doodt hem, als zij hier kans toe ziet. Zwakke, zieke soortgenooten worden onbarmhartig aangevallen en zoo lang mishandeld, tot zij het leven hebben verloren. Zelfs een grootere Vogel dan zij zelf is niet veilig voor haar. Voorzichtig sluipt zij naar hem toe, tracht hem, gelijk reeds door Beckstein opgemerkt werd, door een krachtigen aanval op den rug te werpen, slaat daarna hare scherpe klauwen diep in de borst en den buik van het slachtoffer, en pikt dit zoo lang en zoo krachtig met den snavel in den kop, tot zij den schedel verbrijzeld heeft en de hersenen, een zeer gezochte lekkernij voor onzen Vogel, kan bereiken. De neiging tot het dooden van andere Vogels neemt, naar het schijnt, in de gevangenschap toe, maar is ook reeds bij de in vrijheid levende Vogels zeer ontwikkeld; de naam Guerrera (krijger, twistzoeker), dien de Spanjaarden aan onze Koolmees geven, is uitmuntend gekozen.

Insecten en hunne eieren en larven maken het hoofdbestanddeel van het voedsel der Koolmees uit, vleesch, zaden en boomvruchten zijn voor haar lekkernijen. Zij schijnt onverzadelijk te zijn; zij vreet van den morgen tot den avond; een Insect, dat zij werkelijk niet meer verslinden kan, wordt toch door haar gedood. Zij ziet kans om zelfs den meest verborgen buit te bemachtigen; als zij hem niet onmiddellijk grijpen kan, hamert zij op de wijzen van de Spechten zoolang met den snavel op de schuilplaats van het gedierte om, tot een stuk schors afvalt en het hieronder verborgen Insect blootgelegd is. In geval van nood neemt zij list te baat, o. a. wanneer zij des winters de Bijen uit den korf wil lokken. “Zij gaat dan,” zegt Lenz, “bij het vlieggat zitten en klopt met den snavel aan, zooals men aan een deur klopt. Binnen in den korf ontstaat een gonzend geluid, weldra komen enkele of vele bewoners naar buiten om den rustverstoorder met steken te verdrijven. Deze echter pakt dadelijk den eersten den besten verdediger van de vesting, die zich buiten de poort waagt, bij den kraag, vliegt met hem naar een takje, houdt hem tusschen de voeten vast, hakt hem het lijf open, verslindt gretig de weeke deelen, laat het pantser vallen en gaat weer heen om een nieuwen buit te zoeken. De Bijen hebben zich intusschen, door de koude afgeschrikt, weer in den korf teruggetrokken. Er wordt weer bij haar aangeklopt, nogmaals wordt er een bij den kraag gepakt en zoo gaat het den eenen dag na den anderen, van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat.” Als er ’s winters een Varken geslacht wordt, is de Mees dadelijk bij de hand, om de grootst mogelijke stukken vleesch machtig te worden. Al het voedsel dat zij gebruikt, wordt vooraf fijn gemaakt. Zij houdt den buit op de wijze van de Raven of Kraaien met de teenen vast, maakt hem met den snavel stuk en eet hem nu bij kleine stukjes tegelijk op. Intusschen is zij buitengewoon bedrijvig; haar werkzaamheid levert een zeer aantrekkelijk schouwspel op. Als zij overvloed van voedsel heeft, verbergt zij een deel, om het te gelegener tijd weer op te zoeken.

Het nest wordt nu eens op korten afstand boven den bodem, dan weer boven in den top van den boom, altijd echter in een holte aangelegd. Aan holle boomen geven de Koolmeezen de voorkeur; zij maken echter ook gebruik van spleten in muren en zelfs van oude verlaten nesten van eekhoorns, Eksters en Kraaien; door het thans heerschende gebrek aan woningen worden zij wel genoopt iedere eenigszins geschikte gelegenheid om te nestelen voor lief te nemen. Het nest zelf is niet zeer kunstvol. Zijn grondslag bestaat uit droge halmen, worteltjes en soms ook mos; voor den bovenbouw worden haren, wol, borstels en veeren als grondstoffen gebruikt. Het broedsel bestaat uit 8 à 14 eieren met dunne schaal, die op glanzig witten grond met fijne of grove, roestkleurige of licht roodachtige stipjes geteekend zijn. De beide echtgenooten broeden om beurten; beide wijden zich met zelfopoffering aan het voederen van hun talrijk gezin; nadat de jongen het nest verlaten hebben, worden zij nog lang door hunne ouders geleid en met zorg onderwezen in de uitoefening van hun beroep. In goede zomers broeden zij steeds tweemaal.

Inheemsche Meezen: 1) Koolmees, 2) Pimpel, 3) Kuifmees, 4) Zwartkopmees, 5) Zwarte Mees.

Inheemsche Meezen: 1) Koolmees, 2) Pimpel, 3) Kuifmees, 4) Zwartkopmees, 5) Zwarte Mees.

Het is niet moeielijk Meezen te vangen; haar nieuwsgierigheid leidt haar dikwijls in ’t verderf. Zij, die eens verschalkt zijn geweest, zullen trouwens niet zoo licht meer in de val geraken. In de kooi zijn zij dadelijk thuis, zij doen althans, alsof zij zich hier van den beginne af op haar gemak gevoelen, onmiddellijk maken zij van ieder geschikt plaatsje om te zitten gebruik, snuffelen overal in en kruipen overal door, vangen Vliegen en nemen onbeschroomd het haar voorgezette voedsel aan; werkelijk tam worden zij echter niet dadelijk, zij moeten eerst volkomen overtuigd [60]zijn van de welwillende bedoelingen van den mensch, voordat zij hem vertrouwen. Door haar beweeglijke, opgewekte en vroolijke natuur verschaffen zij iedereen genoegen; zij worden echter lastig door haar twistgierigheid en moordzucht en doordat zij onophoudelijk pikken aan alle mogelijke voorwerpen, er doorsluipen of er inkruipen en de meubels bevuilen.


De Pimpel of Pimpelmees, ook wel Blauw Meesje of Blauw Muisje genoemd (Parus coeruleus), is aan de bovenzijde groenachtig blauw, de kop, de vleugels en de staart zijn blauw, de onderzijde is geel. Een witte band, die op den voorkop begint en tot aan den achterkop reikt, begrenst de donkere kruin, een smalle, blauwzwarte teugelstreep scheidt haar van de witte wang, die van onderen door een blauwachtigen halsband begrensd wordt. De slagpennen zijn leikleurig zwart, en zien er in saamgevouwen toestand gestreept uit, omdat de achterste op de buitenvlag hemelsblauw en aan de spits wit zijn; de stuurpennen zijn leikleurig blauw. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, aan de randen vuilwit, de voet loodkleurig grijs. Deze Vogel is 11,8 cM. lang met inbegrip van den 5,5 cM. langen staart.

Het verbreidingsgebied van den Pimpel omvat geheel Europa, voor zoover het met bosschen begroeid is, Klein-Azië, Perzië en West-Siberië. Als verblijfplaats kiest hij bij voorkeur bosschen van breedbladige boomen, boomkweekerijen en boomgaarden. In naaldhoutbosschen wordt hij zelden aangetroffen, gedurende den zomer bijna nooit, terwijl hij in de bosschen van breedbladige boomen overal veelvuldig voorkomt. In de lente ziet men deze Vogels tot paren, in den zomer tot familiën, in den herfst tot vluchten vereenigd; deze vluchten ondernemen gemeenschappelijk een meer of minder uitgestrekte reis. Zij, die werkelijk trekken, bewegen zich naar Zuid-Europa, vooral naar Spanje, waar men ze gedurende den winter overal ontmoet; zij reizen echter reeds in Maart naar de noordelijke gewesten terug. In Nederland broedt de Pimpel overal, waar boomen groeien, zelfs in tuinen en plantsoenen van steden; hij houdt zich zoowel in laag houtgewas als in hooge boomen op, maar geeft aan een eenigszins vruchtbaren bodem de voorkeur. Evenals de Koolmees leidt hij in den herfst en in den winter een zwervend leven.

Door zijn voorkomen en zijne gewoonten is de Pimpel als ’t ware een Koolmees in ’t klein. Hij is even bedrijvig, vlug, behendig, driest, vroolijk en opgewekt en bijna even nieuwsgierig, maar ook even boosaardig, twistziek en opvliegend als deze. Zijn gezang is zeer onbeduidend. Zijn voedsel is gelijk aan dat, hetwelk de andere Meezen gebruiken. Van zaden houdt de Pimpel niet; eieren van Insecten vormen het hoofdbestanddeel van zijn maal.

Het nest wordt meestal in een hollen boom, zelden in een gat van een muur, een oud ekster- of eekhoornnest, steeds tamelijk hoog boven den bodem gebouwd; de holte wordt gewoonlijk vooraf gefatsoeneerd. Om geschikte gaten, die door andere in holen broedende Vogels evenzeer begeerd worden, strijdt de Pimpel met volharding en moed; daarom weet hij altijd een doelmatige nestelplaats in te nemen. Het eigenlijke nest is gebouwd in overeenstemming met de wijdte van het hol, maar bestaat meestal uit slechts weinige veeren en haren. Het bevat 8 à 10 kleine, dunschalige eieren, die op zuiver witten grond met roestkleurige stippels bestrooid zijn. Het mannetje en het wijfje broeden om beurten en houden zich ook gemeenschappelijk met de opvoeding van de jongen bezig. Het eerste gebroed vliegt omstreeks het midden van Juni uit, het tweede in ’t einde van Juli of in ’t begin van Augustus.

De Zwarte Mees, die in Gelderland Zwarte Bijmees heet (Parus ater), is 11 cM. lang, van boven grootendeels aschgrauw, aan de zijden bruinachtig, van onderen vuil grijsachtig wit; de kop en de hals hebben een zwarte kleur met uitzondering van de wangen, de zijden van den hals en een breede streep in den nek, die wit zijn; de slagpennen zijn bruinzwart, naar buiten aschgrauw gezoomd; de toppen van de grootste en van de middelste bovendekvederen van den vleugel zijn met witte, op twee reeksen geplaatste vlekken versierd. Dit vogeltje bewoont de naaldhoutbosschen in alle landen van Europa en Azië, van den Libanon tot den Amoer en in Japan. In Nederland broedt het, ofschoon in kleinen getale, in de naaldhoutbosschen van Gelderland en ook in de houtrijke duinstreken van Holland, o.a. bij Lisse (Albarda). In den zwerftijd ontmoet men het in de meeste deelen van ons land, doch alleen in bosschen. Sommige trekken in November naar ’t zuiden en keeren in Maart terug. Wat voedsel, zang en eieren betreft, gelijkt de Zwarte Mees veel op den Pimpel; zij maakt echter haar nest dicht bij den grond (in holle boomen, spleten van rotsen en muren), doch tegenwoordig, door den nood gedrongen, dikwijls in den grond (onder boomwortels, in oude holen van Muizen, Mollen of Bunzingen). ’s Winters eet zij ook wel zaden van naaldboomen.


De Zwartkopmees, ook wel Korstje Kaas, in Gelderland Zwartkoppige Bijmees, in Noordbrabant Ossenkopje, in Friesland Rietmees genoemd (Parus palustris)> heeft een lengte van 12 cM., waarvan 5 op den staart komen. De bovenkop en de nek zijn donkerzwart, de kin en de keel grauwzwart, de bovendeelen vaal aardbruin, de zijden van den kop en den hals benevens de onderdeelen vuilwit, op de flanken bruinachtig uitvloeiend, de slagpennen en staartvederen donker aardbruin, naar buiten met smallen, grijsbruinachtigen zoom. Evenals de Pimpel is zij als broed- en zwerfvogel door ons geheele land verbreid, hoewel zij nimmer in zoo grooten getale voorkomt. Zij heeft een korten en zachten, maar afwisselenden en aangenamen zang. Men vindt haar nest in holle boomen van laaggelegen bosschen, hoogstens 4 M. boven den grond. De 8 à 12 eieren, die zij legt, hebben veel overeenkomst met die van den Pimpel.


De Kuifmees (Parus cristatus), is van boven roodachtig bruingrijs of muisvaal, van onderen witachtig grijs, de vederen van de kuif zijn zwart met witte randen, de wangen wit, een door het oog gerichte teugelstreep, de keel en een van hier uitgaande nekband zijn zwart, de slagpennen en stuurpennen donker grijsbruin, aan den buitenrand lichter gezoomd. Het oog is bruin, de snavel zwart, lichter van kleur dan de randen van de mondspleet, de voet is vuil lichtblauw. Zij is 13 cM. lang met inbegrip van een 5.5 cM. langen staart.

Voorzoover thans bekend, is de Kuifmees tot Europa beperkt. In Nederland komt zij niet veelvuldig voor: broedend is zij waargenomen in Gelderland, Noordbrabant, Groningen, Friesland (Beesterzwaag en Olterterp) en bij Hilversum (Albarda). In de Duitsche naaldhoutbosschen is zij nergens zeldzaam, in de bosschen, die uitsluitend breedbladige boomen bevatten, ontbreekt zij geheel. In Duitschland zoowel als hier [61]te lande blijft zij getrouw aan het door haar gekozen gebied, maar zwerft in den herfst en den winter rond.

De uitbundige vroolijkheid, de lust om zich te bewegen, de behendigheid en de geschiktheid tot het klimmen en zich vasthaken, de driestheid, de moed, de lust tot twisten en vechten, die Meezen zoozeer kenmerken, zijn ook aan deze soort eigen. De gewone mededeelingen door de stem klinken sissend als “siett”, of gerekt als “tèh tèh”; de loktoon is een helder “tsiek guur” of “gluur” (de g uitgesproken zooals in het Fransch), het gezang onbeduidend. Terwijl het mannetje zingt, neemt het verschillende standen aan, het draait en wendt zich, zet de kuif op en legt haar weer neder, kortom het doet zijn best om door allerlei bewegingen zijn beminnelijkheid goed te doen uitkomen.

Staartmees (Acredula caudata). ¾ v. d. ware grootte.

Staartmees (Acredula caudata). ¾ v. d. ware grootte.

Het nest wordt gewoonlijk gebouwd in holten van boomen met nauwe ingangsopening, hoog of laag boven den grond, al naar het uitkomt, ook wel in holle stammen en niet minder vaak in oude nesten van Roofvogels, Raven, Kraaien, Eksters en Eekhoorns.

De Kuifmees is een van de grootste weldoeners der naaldhoutbosschen; want zij voedt zich hoofdzakelijk met eieren en larven van schadelijke Insecten en eet bijna in ’t geheel geen zaden. Van den vroegen morgen tot den laten avond ziet men haar bezig met het zoeken van leeftocht; men heeft kunnen opmerken, dat zij bij voorkeur de eieren van Vlinders, die voor de houtteelt schadelijk zijn, oppikt. Alleen in den winter moet zij soms wel tot zaden haar toevlucht nemen; zoolang zij echter Insecten kan krijgen, eet zij niets anders. Dit is waarschijnlijk de reden, waarom zij moeielijker dan de andere soorten aan de gevangenschap gewoon geraakt.

*

De Staartmeezen (Acredula) worden beschouwd als vertegenwoordigers van een afzonderlijk geslacht, gekenmerkt door het kort ineengedrongen lichaam, den zeer korten en gewelfden, van voren spits eindigenden snavel, de zwakke pooten, den zeer langen, sterk trapvormigen, aan den top uitgesneden staart en de middelmatig lange vleugels, welker spits gevormd wordt door de vierde en de vijfde slagpen.

De Staartmees, ook wel Langstaartje, bij Haarlem Pijlstaartje en Doodshoofdje, in Groningen IJsbeer en Moessien genoemd (Acredula caudata), is boven op den kop en aan de onderzijde wit, in de flanken zwart, rooskleurig bruin uitvloeiend; de bovendeelen zijn overigens zwart, de schouders echter rooskleurig bruin; de achterste armpennen hebben aan de buitenzijde breede, witte randen, de beide buitenste staartveeren zijn aan de buitenzijde en aan den top wit. Het oog is donkerbruin, omgeven door een onbevederden rand, die bij oude Vogels een licht roode, bij jonge een hoog gele kleur heeft; de snavel en de voet zijn zwart. De geheele lengte bedraagt 14.6, die van den staart 8.7 cM.

De Staartmees begeeft zich niet ver zuidwaarts; reeds in Griekenland en Spanje behoort zij tot de zeldzaamheden, hoewel zij in Klein-Azië gevonden wordt. Daarentegen strekt haar verbreidingsgebied zich ver noordwaarts uit; ook in Middel-Azië komt zij voor. Bij ons wordt zij vrij algemeen aangetroffen; zij broedt zelfs in onze tuinen; na den broedtijd, in den herfst en in den winter, zwerft zij rond in gezelschappen van 5 à 15 stuks, die dan ook wel de tuinen in de steden bezoeken. Vele familiën blijven zelfs gedurende den strengsten winter in ons vaderland. Naar het schijnt, geeft de Staartmees aan breedbladige boomen de voorkeur boven het naaldhout; liever nog dan in het woud vestigt zij zich in boomgaarden of in boomrijke vlakten. Zij is opgewekt, vlug, levendig en bedrijvig, maar vroolijker en zachtaardiger, minder opvliegend en roofzuchtig dan de andere soorten van haar familie. Haar gewoon geluid klinkt sissend als “siet”, haar loktoon is een fluitend “tie tie”, haar waarschuwingssein een snijdend “tsie rierie” en “terr”, haar gezang zacht en aangenaam, ofschoon onbeduidend. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit [62]Insecten en wel bij voorkeur uit kleine soorten.

Het nest van de Staartmees gelijkt op dat van de Buidelmees, maar verschilt hiervan in dit opzicht, dat het niet vrij hangt, maar steeds ondersteund wordt. Het heeft den vorm van een groot ei, met een zijdelingsche opening aan ’t boveneind en is ongeveer 24 cM. hoog en 10 cM. wijd. Groene bladmossen, die met spinsels van Insecten en Spinnen tot vilt verwerkt en met korstmossen van boomen, cocons, berkenbast en spinsels van Rupsen en Spinnen bekleed zijn, vormen den buitenwand, een groote hoeveelheid veeren, wol en haar de inwendige bedekking. Steeds gebruikt het Staartmeezen-paartje de mossen en korstmossen van den boom, waarop het zijn nest bouwt, altijd rangschikt het deze bouwstoffen op een soortgelijke wijze, als zij zich op de schors van den boom bevinden. Hierdoor krijgt het nest een bewonderenswaardige overeenkomst met zijn omgeving, zoodat het, zelfs voor een geoefend oog, licht verborgen blijft. Daar het bijeenbrengen van de benoodigde bouwstoffen moeilijk is, plukt het paar, dat gedwongen wordt een nieuw nest te bouwen, soms de reeds aaneengevoegde materialen weder uit en verwerkt ze opnieuw. De nestbouw duurt 2, dikwijls zelfs 3 weken, hoewel de beide echtelingen zeer ijverig werken, het mannetje althans als handlanger het wijfje behulpzaam is. Tegen het midden of het einde van April is het eerste broedsel voltallig. Het bestaat uit een groot aantal eieren, want de Staartmees legt er 9 à 12, soms zelfs 15 à 17. Deze zijn klein, buitengewoon dun van schaal en op witten grond meer of minder overvloedig met licht roestroode stippeltjes geteekend. Sommige wijfjes leggen uitsluitend witte eieren. Na een broedtijd van 13 dagen begint voor de ouders een onverpoosde arbeid; want het is geen kleinigheid een zoo talrijk gezin groot te brengen. Reeds voor de broedende ouders is de ruimte in het nest klein genoeg, voor de jongen wordt zij weldra veel te nauw. Elk van de kinderen doet dus zijn best om zich plaats te verschaffen; zoo komt het, dat het viltachtige weefsel van den nestwand sterk uitgezet wordt en zelfs op sommige plaatsen scheurt. Als er gaten in den bodem van het nest ontstaan, leveren deze een zeer vreemdsoortig schouwspel op; want als de jongen grooter worden, steken zij bijna alle er den voor hen hinderlijken staart door. Later gebruiken zij deze zelfde openingen ook voor een ander doel, waardoor der moeder de zorg voor het schoonhouden van het nest gemakkelijker wordt gemaakt.

Van alle Meezen wordt de Staartmees het tamst; hierdoor en door hare handelingen in het algemeen is zij het lieftalligste lid van de geheele familie.

*

Tot de Rietmeezen (Panurus) behoort het Baardmannetje, ook wel Baardmees en in Friesland Dekvogeltje geheeten (Panurus biarmicus). Het bovenste deel van den kop en den nek zijn fraai aschgrauw, de overige bovendeelen en de middelste staartveeren licht kaneelrood, de bovendekveeren van den staart en de zijden van de borst teer isabelrood; het midden van de onderzijde is zuiver wit; een aan den teugel beginnende, uit lange veeren bestaande baardstreep en de onderdekveeren van den staart zijn zwart, de slagpennen zwartbruin; de buitenvlag van de handpennen en van hare dekveeren is zilverwit, die van de armpennen levendiger kaneelrood dan de bovendeelen van den romp; de achterste armpennen zijn zwart, de buitenste stuurpen is wit. Het oog is oranjegeel-bruin, de snavel fraai geel, de voet zwart. Het geheele lichaam is 16, de staart 8 cM. lang.

Het zuidoosten van Europa, maar ook Nederland, Groot-Brittannië, Zuid-Hongarije, Italië, Griekenland, Spanje en het grootste deel van Middel-Azië zijn het vaderland van het Baardmannetje, uitgestrekte rietvelden zijn woonplaats. Het is aan het rietbosch verknocht en verlaat het slechts door den nood gedwongen. In Nederland komt het slechts op sommige bepaalde plaatsen voor, vooral tusschen Rotterdam en Gouda, waar het o.a. op de plassen bij Kralingen en Stompwijk broedt (Schlegel). Ook broedt het in vrij grooten getale in de rietvelden onder Suawoude, Garijp, Suameer en Rijperkerk in Friesland (Albarda). Het leeft zeer verborgen, paarsgewijs of tot kleine familiën vereenigd, is vlug, behendig, levendig en onrustig, opgewekt en driest als de andere Meezen, beweegt zich even flink als een Rietzanger langs de riethalmen op en neer, vliegt zonder inspanning en bij rukken. Zijn loktoon klinkt als “tsiet tsiet”; zijn gezang is zeer onbeduidend en bestaat uit een zacht gekweel, waarmede eenige afgebrokene, ratelende tonen gemengd worden. Voor ’t overige komt zijn levenswijze in hoofdzaak met die van de andere Meezen overeen. Het nest staat op korten afstand boven den grond in graspollen, meestal zoo, dat enkele grashalmen ingevlochten zijn in den buitenwand, die alleen uit droge pluimen van eenige soorten van riet en cypergrassen bestaat; het doet dus denken aan het nest van de Rietzangers, maar wijkt er sterk van af door de nette bewerking. De 4 à 6 eieren, die er in gelegd worden, zijn op zuiver witten of roodachtig witten grond tamelijk spaarzaam geteekend met roode vlekken en stippels.

Wegens haar fraai voorkomen en aardige bewegingen worden de Baardmeezen dikwijls in de kooi gehouden. Sommige sterven, naar men onderstelt, uit heimwee naar hare metgezellen: de dood van een exemplaar heeft dikwijls ook die van zijn medegevangene ten gevolge. Bij zorgvuldige behandeling kan men deze lieve vogeltjes eenige jaren in de kooi in ’t leven houden.

*

De snavel van de Buidelmeezen (Aegithalus) is echt priemvormig; de voet onderscheidt zich door zijne buitengewoon krachtige teenen; de vleugels zijn kort en stomp, hun spits wordt gevormd door de derde, vierde en vijfde handpennen; de staart is middelmatig lang en zwak uitgesneden; het vederenkleed is zeer wijdbaardig en los.

De Buidelmees (Aegithalis pendulinus) is een van de kleinste soorten van de familie; haar lengte bedraagt 12.2 cM., waarvan 5.5 cM. op den staart komen. De voorkop, de teugel en een vlek onder het oog zijn zwart, de bovenkop, de nek en de achterhals vuilgrijs, de mantel en de schouders kaneelkleurig geelrood, de kin en de keel zuiver wit, de overige onderdeelen isabelkleurig wit, de slagpennen en de stuurpennen bruinzwart, op de buitenvlag met vaalwitten zoom, de bovendekveeren van de armpennen kastanjekleurig roodbruin. Het oog is bruin, de snavel donkerzwart, langs de mondspleet witachtig, de voet zwart of grauwzwart.

Het oosten van ons werelddeel (Polen, Rusland, Galicië, het zuiden van Hongarije, de laaglanden langs den Donau, Turkije, Griekenland en Klein-Azië) vormen het verbreidingsgebied van dezen buitengewoon sierlijken Vogel. In Duitschland behoort hij tot de zeldzaamheden, hoewel hij er herhaaldelijk werd waargenomen. [63]Moerassen en dergelijke plaatsen dienen hem tot woonplaats; dicht begroeide boschgronden, dichte bosschen van wilgen en populieren leveren hem verblijfplaatsen. Of men hem als trekvogel moet beschouwen of eenvoudig als zwerfvogel, is nog niet uitgemaakt. Het staat echter vast, dat de Buidelmeezen tamelijk geregeld op bepaalde tijden van het jaar, en wel in Maart, op hare broedplaatsen aankomen en ze, althans ten deele, in September of October weder verlaten. Op hare zwerftochten verschijnen zij in landen, die buiten haar eigenlijk verbreidingsgebied gelegen zijn; zoo ziet men ze tamelijk geregeld aan de oevers van sommige meren van Noord- en Oost-Duitschland.

Door haar levendigheid, behendigheid en driestheid toont de Buidelmees zich een waardig lid van haar familie. Ook hare bewegingen en haar lokstem zijn mees-achtig. Zij klimt behendig in de twijgen en ook wel bij de riethalmen op en neer, houdt zich zooveel mogelijk verborgen en laat haar schel, ver hoorbaar “tsiett” bijna onophoudelijk weerklinken. Zij is onrustig van aard, heeft voortdurend iets te doen en bevindt zich binnen haar gebied nu eens hier, dan weer daar. Haar wijze van vliegen is haastig en behendig, maar gaat met een eigenaardig getril gepaard; zij vermijdt zooveel mogelijk het vliegen over terreinen, waarop zij geen schuilplaats kan vinden. Allerlei Insecten, vooral die, welke zich in ’t rietveld ophouden en de larven en eieren van deze dieren, worden door haar als voedsel gebruikt. In den winter behelpt zij zich met zaden van riet en andere moerasplanten.

Een bijzondere vermelding verdient de nestbouw dezer Meezen. Zij behooren tot de uitmuntendste bouwmeesters, die wij kennen. Haar nest, een heerlijk kunstwerk is alleen met het bovenste uiteinde vastgehecht; het hangt dus evenals de nesten van de Wevervogels vrij en in de meeste gevallen boven het water. Baldamus, die er de beste beschrijving van heeft gegeven, zegt: “Ik ben 7 weken achtereen bijna dagelijks in de gelegenheid geweest den kleinen bouwkunstenaar gedurende het bouwen van het nest en het broeden na te gaan; ik heb meer dan 30 nesten gezien en in handen gehad. Het bespieden van den arbeid van kunstige nestbouwers is altijd een zeer aantrekkelijke bezigheid; zij is echter bij onzen Vogel meer in ’t bijzonder aangenaam, daar wegens zijn argeloosheid het naderen van zijn werkplaats volstrekt niet moeielijk is. Ik heb den geheelen gang van den arbeid waargenomen en nesten op verschillende trappen van voltooiing gezien en verzameld. Het nest vond ik (in het Witte Moeras) steeds aan de uiterste twijgspitsen van den daar in overvloed voorkomenden brozen wilg. Hoewel er, althans ten tijde van het aanleggen der nesten, steeds water en moerasplanten in de nabijheid waren, bevonden de nesten zich toch niet alle onmiddellijk boven het water; geen enkel nest was ver genoeg in het rietveld gelegen om er eenigermate door verborgen te zijn. Integendeel, de op geringe hoogte aangelegde nesten waren steeds buiten het bereik van den groei der riethalmen, de meeste aan den rand van het rietbosch, bij en boven het open water, alle gemakkelijk te vinden. Zij hingen op een hoogte van 4 à 5 M. boven den bodem, slechts twee waren 2 à 3 M., eenige 6 à 10 M. hoog, één was zelfs dicht bij den top van een hoogen wilg opgehangen. De beide echtelingen bouwen even ijverig; het is bijna niet te gelooven, dat een zoo kunstig gebouw in minder dan 14 dagen voltooid kan worden.

“Van den gang der werkzaamheden valt het volgende op te merken: De Vogel windt bijna altijd wol, zeldzamer haren van Geiten en Wolven of Honden of bast en hennepdraden om een dunne, afhangende twijg, die meestal eenige centimeters onder het bovenste aanknoopingspunt een of meer gaffels vertoont. Tusschen deze vorksgewijze vertakking worden de zijwanden aangelegd, die hieraan hun steun vinden. De Vogel zet vervolgens de viltbereiding zoo lang voort, totdat de zijwanden, die voorbij de toppen van de gaffeltakken naar beneden hangen, van onderen samengetrokken kunnen worden om een vlakken bodem te vormen. Het nest heeft thans den vorm van een korfje met vlakken rand; het zijn deze nesten, die men vroeger voor speelnesten van de mannetjes heeft gehouden. De hiervoor gebezigde grondstof is wol van populieren of wilgen, waardoor bastvezels, wol en haren worden heengewerkt; de plantenwol wordt met speeksel saamgekneed en dooreengeplozen. Het nest heeft nu den vorm van een korfje met dikken, afgeronden bodem. Nu begint de bouw van de eene zijdelingsche opening, die op een klein rond gat na gesloten wordt. Intusschen wordt ook de andere zijde van onderen af opgebouwd. De eene van de beide ronde openingen wordt nu met een buis, die 2 à 8 cM. lang is, voorzien, terwijl de andere nog open blijft en slechts aan den rand glad gemaakt en vervild wordt. Vervolgens wordt de eene opening gesloten; ik heb echter ook een nest gezien met een dubbele buis. Ten slotte wordt de bodem van de nestholte nog met losse, niet ineengedrukte plantenwol dik belegd; eindelijk is het gebouw voltooid. Het nest heeft nu den vorm van een ronden bol of buidel van 15 à 20 cM. hoogte en 10 à 12 cM. breedte en heeft een ronden ingangsbuis, die er als een hals aan een flesch mede verbonden is; soms is deze buis benedenwaarts gebogen en aan het nest vastgehecht, soms heeft zij een horizontale richting. Zulk een nest kan onmogelijk met dat van een anderen Vogel verward worden; daarom weten wij zeker, dat de Buidelmees herhaaldelijk in Duitschland genesteld heeft.”

Baldamus vond nooit meer dan 7 eieren en ook altijd 7 jongen in een nest. De eischaal is uiterst dun en teer, fijnkorrelig van oppervlakte en zonder sterken glans; haar kleur is sneeuwwit, maar schijnt lichtroodachtig door, zoolang het ei niet geledigd is. De beide echtelingen broeden om beurten; beide houden zich gemeenschappelijk met de voedering van de jongen bezig, die met teere rupsjes en vliegende Insecten, vooral met Muggen, grootgebracht worden.

“Ik heb,” zegt Baldamus, “14 jongen gedurende geruimen tijd altijd bijeengehad en in ’t leven gehouden met zoetemelksche kaas, vermengd met fijngewreven hart van Hoenderen. Zij gingen alle te zamen onmiddellijk op het voer af, waren steeds gemeenzaam en tam en altijd hongerig; zij kwamen onmiddellijk uit het nest te voorschijn en vlogen op mij af, zoodra ik na een korte afwezigheid weder in de kamer kwam. Wel stierven er ook bij mij eenige, ondanks de zorgvuldige verpleging; het is echter aan geen twijfel onderhevig, dat deze aardige Vogels in de kooi grootgebracht kunnen worden.”


De naaste verwanten van de Meezen zijn de Boomloopers (Certhiidae), die gekenmerkt zijn door den slanken, gladrandigen snavel, welke minstens zoo lang is als de kop, door 10 handpennen, waarvan de eerste nog niet half zoo lang is als de tweede, door den korten en rechten of middelmatig langen en wigvormigen staart, welks pennen bij vele aan den top stijf [64]zijn, door den loop, die even lang is als de achterteen of korter dan deze; de buitenste voorteen is langer dan de binnenste; de klauwen, vooral die van den achterteen, zijn groot en sterk gekromd. Deze familie wordt in twee onderfamiliën verdeeld: de Boomklevers en de Boomloopers in engeren zin.

Boomklevers (Sittinae) is de naam van een uit ongeveer 30 soorten bestaande onderfamilie, die de volgende kenmerken heeft: de snavel is middelmatig lang, wig-kegelvorming en spits, de snavelrug recht; het voorste gedeelte van den ondersnavel (de rand gevormd door de vereeniging der beide onderkaakshelften) is zwak gewelfd (concaaf); de voet heeft een korten loop en zeer lange teenen, die met groote, spitse, sterk gekromde nagels gewapend zijn; de vleugel, welks spits gevormd wordt door de derde en de vierde handpen, is breed en stomp, de staart kort en breed; het vederenkleed is overvloedig en zacht. Het anatomisch onderzoek wijst een groote overeenstemming in lichaamsbouw aan tusschen deze en de overige Zangvogels.

Boomklever (Sitta caesia). ⅝ v. d. ware grootte.

Boomklever (Sitta caesia). ⅝ v. d. ware grootte.

Voor zoover wij thans weten, ontbreken de Boomklevers in Middel- en Zuid-Afrika en in Zuid-Amerika; bij voorkeur, doch niet uitsluitend, bewonen zij bosschen; zij klimmen bij de boomen op en neer of loopen langs de steilste rotswanden op en af. Misschien mag men zonder overdrijving zeggen, dat zij beter klimmen dan alle andere Vogels; hun vaardigheid in deze wijze van beweging is volstrekt niet geringer dan die der Spechten, zelfs overtreffen zij hen in één opzicht: zij verstaan n.l. de moeielijke kunst om met den kop naar beneden gericht langs loodrechte vlakken af te dalen; zij zijn de eenige Vogels, die dit kunnen doen.

Voor zoo ver bekend, zijn alle soorten van deze onderfamilie “streekvogels”: na den broedtijd zwerven zij in een klein gebied rond, maar behouden overigens jaar in jaar uit dezelfde woonplaats. Overal, waar hooge, oude boomen of ook wel rotswanden hun een voldoende hoeveelheid voedsel verschaffen, kan men zeker zijn hen te zullen ontmoeten; ook in het gebergte treft men ze nog op tamelijk groote hoogten aan. Hun voedsel bestaat grootendeels uit Insecten; zij eten ook wel plantaardige stoffen, hoofdzakelijk zaden, die zij van boomen en rotswanden zoowel als van den grond opzoeken. Zij nestelen in gaten van boomen of rotsen, welker ingang zij bijna altijd met leem en slik bekleeden. Hun broedsel bestaat uit 6 à 9 eieren, die op lichten grond rood gestippeld zijn.

*

De eenige inheemsche soort—de Boomklever (Sitta caesia), die in Groningen Blauwspecht, in Gelderland Brabantertje wordt genoemd—is van boven loodkleurig grijs, van onderen roestgeel; een zwarte streep is door het oog gericht en strekt zich lang de zijden van den kop tot op den hals uit; de kin en de keel zijn wit, de flanken en de onderdekveeren van den staart kastanjebruin, de slagpennen bruinachtig zwartgrijs met lichtkleurigen zoom, de voorste ook aan den wortel wit; de middelste staartveeren zijn aschgrauwachtig blauw, de overige donkerzwart met aschblauwe teekening aan den top, de eerstgenoemde op de buitenvlag met een witachtige vlek vóór de grijze spits en een groote vierhoekige, witte vlek op de binnenvlag. Het oog is nootbruin, de snavel van boven hoornglanzig zwart, van onderen loodkleurig grijs, de voet vuilgeelachtig. Totale lengte 16, staartlengte 4 cM.

Vroeger beschouwde men alle Europeesche vertegenwoordigers van dit geslacht als leden van één soort, welker kenmerken hierboven opgegeven zijn; thans worden tamelijk algemeen de Noordsche Boomklever (Sitta europaea)—die Skandinavië en het noorden van Rusland bewoont—en de iets kleinere Siberische Boomklever (Sitta sibirica)—die in het oosten van Rusland en in Siberië gevonden wordt en wiens verbreidingsgebied zich tot over Japan uitstrekt—als afzonderlijke soorten aangemerkt.

Onze Boomklever ontbreekt in ’t noorden van Europa, maar wordt van Jutland tot aan Zuid-Europa in alle landen gevonden. Bij ons komt hij, naar ’t schijnt, het meest in Gelderland voor, maar is ook in Groningen, Friesland (Ooststellingwerf), in Noord-Holland (Velzen) en in Zuid-Holland (den Haag, Lisse, Leiden) eenige malen waargenomen. Nergens vormt hij groote gezelschappen; hij leeft paarsgewijs of tot kleine familiën vereenigd of te midden van andere Vogels. Bij voorkeur bewoond hij “gemengde” bosschen met hoogstammige boomen, voor zoover het kreupelhout hier niet geheel ontbreekt. Hij vermijdt de nabuurschap van den mensch niet, en is vóór de poorten of in de lommerrijke wandelwegen der steden even talrijk als in het eenzame woud. In den zomer kan één enkele eik [65]hem uren lang boeien en volop werk verschaffen; in den herfst ondervindt ook hij den drang tot reizen en strekt hij zijne tochten verder uit. Overal en altijd houdt hij zich aan de boomen, slechts in geval van nood komt hij er toe een boomlooze streek te doorvliegen.

Een eigenaardige karaktertrek van de Boomklevers is hun neiging tot gezelligheid; zij zoeken echter niet zoozeer het gezelschap van hunne soortgenooten als wel dat van andere Vogels, vooral verschillende soorten van Meezen, Boomkruipers en Goudhaantjes, waarbij zich soms een enkele Bonte Specht voegt, die gedurende geruimen tijd in goede gemeenschap met de overigen leeft. “Wie de eigenlijke aanvoerder is van dit uit zoo ongelijksoortige leden bestaande gezelschap,” zegt Naumann, “of wie de eerste aanleiding heeft gegeven tot hun vereeniging, is niet uit te maken. De eene Vogel volgt de roepstem van den anderen, totdat de drang tot voortplanting bij hen ontwaakt en het gezelschap zich verstrooit.” Zulke genootschappen zijn in al onze wouden zeer gewone verschijnselen; ieder, die eens de eigenaardige lokstem van den Boomklever gehoord heeft, kan ze, hierdoor geleid, gemakkelijk opzoeken en zelf waarnemen. Er bestaat eigenlijk geen innige betrekking tusschen deze Vogels, maar toch een duidelijke samenhang, want men treft dezelfde individuen in ongeveer gelijken getale dagen achtereen op verschillende plaatsen aan.

De loktoon bestaat uit helder gefloten klanken, die op “tu tu tu” gelijken, het gewone geluid echter, dat voortdurend gehoord wordt, zonder dat het eigenlijk iets beteekent, is een kort en niet ver hoorbaar, maar toch scherp “siet”. Bovendien verneemt men tonen, die als “tsierr twiet twiet twiet” of “twèt twèt twèt” klinken. De paringsroep bestaat uit zeer zuiver en luid gefloten tonen, die ver hoorbaar zijn. Hierin is “tu tu” de hoofdzaak; de klanken “kwie kwie” en “trierr” worden er aan toegevoegd. Het mannetje zit in den top van een boom, draait heen en weer en roept “tu”; het wijfje, dat misschien op den stam zit, antwoordt hierop met den klank “twèt”. Daarna vliegen beide gezamenlijk rond en jagen elkander spelend na, nu eens om den boom heenfladderend, dan weer op de takken dartelend en hun vaardigheid in ’t klimmen toonend, altijd door echter onder luid geroep. In zulke omstandigheden is één enkel paar van deze aanvallige Vogels in staat om een tamelijk groot deel van het bosch te verlevendigen.

De Boomklever eet Insecten, Spinnen, zaden en bessen en slikt steentjes door tot bevordering van de spijsvertering. De dieren zoekt hij van de stammen en takken af, haalt ze uit het mos of uit de spleten van de schors of vangt ze door een snellen sprong, wanneer zij bij hem langs vliegen. Zijn snavel is te zwak om, op gelijke wijze als die der Spechten, voor het kloppen op den boom gebruikt te worden; hij hakt geen gaten in den boom, maar maakt wel groote stukken schors los. Bij het jacht maken op Insecten komt hij niet zelden in de onmiddellijke nabijheid van gebouwen, klautert op de muren rond en huppelt ook wel eens de kamer binnen. “Even gaarne als Insecten,” zegt mijn vader, “eet hij zaden, vooral die van beuken, linden, eschdoornen, dennen, edeldennen, sparren en eiken, ook gerst en haver. Zoolang de kegels geheel gesloten zijn, kan hij natuurlijk de zaden van de naaldboomen niet bereiken, zoodra echter de schubben eenigermate uiteenwijken, trekt hij de zaden er tusschen weg en slikt ze door. Naar het schijnt, houdt hij zeer veel van edeldennenzaden, een liefhebberij, die hij met slechts weinige Vogels gemeen heeft. Als onze oude edeldennen rijpe zaden hebben, zijn hunne toppen een gezochte verblijfplaats voor de Boomklevers. De afgevallen zaden zoeken zij van den grond op, de gerst en de haver pellen zij en de eikels pikken zij stuk, voordat zij ze doorslikken. Naar het schijnt, houden zij niet veel van haver en gerst en gebruiken deze alleen in geval van nood, want men vindt zelden graankorrels in hun maag. Beukenoten en lindevruchten eten zij graag; zij bergen deze ook op, om er in tijden van gebrek gebruik van te maken.” “Als bergplaats voor proviand dient soms een spleet in een boom, soms een andere holte, soms zelfs het dak van een huis. De Boomklever brengt niet vele noten op één plaats, maar steekt den eenen hier weg, den anderen ginds, ongetwijfeld, opdat zijn geheele rijkdom niet in eens verloren zal gaan. Eens werd het stroodak van een boerderij in deze streek door een Boomklever als bewaarplaats voor noten gebruikt.” Haacke heeft gezien, dat gevangen Boomklevers hennepzaden in het zand van de volière drukten.

Het nest wordt altijd in een holte gebouwd, gewoonlijk in een gat van een boom, bij uitzondering in spleten van muren of rotsen. Zeer gaarne gebruikt de schrandere Vogel de woning, die baas Specht getimmerd heeft, als wieg voor zijne kinderen. Hij houdt er echter niet van, dat zijn huis een grootere deur heeft, dan volstrekt noodig is; hij maakt daarom gebruik van een goed bedacht middel om den ingang te vernauwen tot de kleine opening, die zijn lichaam kan doorlaten. “Dit geschiedt met leem of een andere kleverige grondsoort, die, evenals men dit van de Zwaluwen gedurende den nestbouw ziet, door het op lijm gelijkende speeksel bevochtigd, verbonden en bijeengehouden wordt. De veranderingen aan de opening van zijn nest brengt hij schielijk tot stand; het eene kluitje leem voor, het andere na draagt hij in den snavel aan en plakt het met dit werktuig vast, nadat hij het aan alle zijden met speeksel bevochtigd heeft. ’t Is alsof men een kleinen metselaar aan ’t werk ziet, die om een deur dicht te metselen den eenen steen na den anderen in de opening legt en vasthecht. Deze muur van leem heeft eene dikte van 2 cM. of meer, en is na gedroogd te zijn, zoo stevig, dat men hem er niet met den vinger uitbreken kan, maar een beitel moet gebruiken om hem weg te nemen.” Het echtpaar is, naar het schijnt, zeer verheugd, als hun woning gereed is. “Het mannetje zit in de nabijheid van het nest en laat jubelend zijn paringsroep weerklinken, terwijl het wijfje ijverig in- en uitgaat.” In het nest gevoelen zij zich, naar het schijnt volkomen veilig. Toen Pralle, om te onderzoeken of een nest van een Boomklever, dat hij onderzoeken wilde, bewoond was, onder tegen den stam klopte, kwam de Vogel halverwege uit de opening te voorschijn, keek een tijd lang nieuwsgierig naar den onderzoeker en sloop daarna met het gevoel van volkomen veilig te zijn weer in zijn hol terug. Dit spel herhaalde zich nog eenige malen en eerst toen men in den boom klom, vloog het dier weg. In bosschen van breedgebladerde boomen bestaat het nest uit stukjes van bladen van beuken en eiken, in naaldhoutbosschen altijd uit uiterst dunne schilfers denneschors, die, daar zij niet stevig vereenigd kunnen worden, zoo los op elkander liggen, dat het moeilijk te begrijpen is, hoe de eieren bij het uit- en invliegen van den Vogel bijeen en boven op de schilfers blijven liggen. Men zou kunnen meenen, dat zij onder dit fijne materiaal bedolven zouden moeten geraken. Op deze gebrekkige ligplaats vindt men in [66]de laatste dagen van April of in de eerste van Mei 6 à 9 eieren, die op kalk- of melkwitten grond uiterst fijn met lichtroode of donkerder stipjes geteekend zijn en veel op eieren van Meezen gelijken. Het wijfje bebroedt ze alleen; de jongen komen na 13 of 14 dagen uit en worden door beide ouders met Insecten, vooral met rupsen gevoederd; zij groeien schielijk, maar blijven in het nest totdat zij in het vliegen volleerd zijn.

De Boomklever begeeft zich argeloos in de meezenknip als deze met hennep of haver als lokaas voorzien wordt, komt met de Meezen op de “meezendans”, wordt in strikken, op lijmroeden of met het slagnet gevangen, wordt ook wel eens een slachtoffer van zijn onvoorzichtigheid, als hem het verlaten van een kamer, waarin hij, niets kwaads vermoedend, doordrong, wordt belet. Veel kommer toont hij niet over ’t verlies van zijn vrijheid; hij neemt zonder bezwaar het voedsel, dat men hem voorzet en behoudt ook in de kooi zijn lieftalligen aard. Met andere Vogels leeft hij in zeer goede harmonie.

Wegens zijn afwijkende levenswijze verdient de Rotsklever (Sitta Neumayeri) naast de inheemsche soort kort vermeld te worden. Ehrenberg ontdekte hem in Syrië, Michahelles vond hem op de hooge gebergten tusschen Bosnië en Dalmatië, andere onderzoekers namen hem dikwijls waar in Griekenland. Hij leeft op soortgelijke wijze als zijn stamgenoot, maar bijna uitsluitend op rotsen en bijzonder gaarne op de muren der oude Venetiaansche vestingen, in welker schietgaten hij gedurig uit- en insluipt. Hij is buitengewoon behendig en klimt langs volkomen verticale rotswanden met dezelfde vastheid van beweging als langs loodrechte muren, hetzij de kop naar boven of naar beneden gericht is. Het is, alsof hij door een magneet wordt vastgehouden.

Boomkruipertje (Certhia familiaris). ⅚ v. d. ware grootte.

Boomkruipertje (Certhia familiaris). ⅚ v. d. ware grootte.

Het nest wordt aan een steilen rotswand vastgekleefd met een vooruitstekende rotspunt, als een door de natuur gevormd dak er boven. Het is buitenswerks zeer groot, kunstig van leem gebouwd, met een 3 à 5 cM. langen ingangsweg voorzien; de nestholte is van binnen met haren van Geiten, Runderen, Honden of Jakhalzen gevoerd, van buiten met de dekschilden van verschillende Keversoorten versierd.


De Boomloopers in engeren zin (Certhiinae) zijn kleine, slanke Vogels met zwakken, meer of minder gebogen, kantigen, in een scherpe spits eindigenden snavel, zwakkelijke, langteenige, met groote, gekromde, scherpe nagels gewapende voeten, stompe vleugels met zwakke veeren, van welker handpennen de vierde de langste is en een tamelijk langen, smallen, wigvormigen, maar toch in twee spitsen uitloopenden staart, die uit twaalf even dikke, veerkrachtige pennen bestaat. Het vederenkleed is uit lange en zachte veeren samengesteld, aan de bovenzijde schorskleurig, van onderen witachtig. De tong is hoornachtig, aan de randen scherp, lang en smal, aan de spits eenigszins uitgevezeld, van achteren getand; zij kan niet ver uitgestoken worden. De zangspieren zijn zeer zwak ontwikkeld.

Het verbreidingsgebied van deze onderfamilie omvat de noordelijke landen van de beide halfronden, bovendien het Indische en het Australische Rijk. Alle soorten zijn bewoners van het woud en brengen hier hun geheele leven door. Zij klimmen bij de boomstammen op als de Spechten, klauteren ook bij verticale takken omhoog, maar gaan nooit, zooals de Boomklevers, met benedenwaarts gerichten kop naar onderen. De meeste Boomloopers zijn eenzaam levende en stille Vogels, die hun voedsel zoeken zonder dat zij sterk de aandacht trekken. Gewoonlijk ontmoet men ze bij paren, alleen na het uitvliegen der jongen tot familiën vereenigd. Sommige voegen zich ook wel eens bij Vogels van andere soorten en zwerven met hen geruimen tijd in het bosch rond; andere houden, naar het schijnt, in ’t geheel niet van gezelligheid. Insecten, hunne eieren, larven en poppen, Spinnen en dergelijke dieren maken hun voedsel uit, toevalligerwijs verzwelgen zij soms zaadkorrels. Hun snavel veroorlooft hun het doorzoeken van barsten en spleten, maar is te zwak om voor het hakken te dienen. Bijna alle soorten broeden in holle boomen en bouwen hier een tamelijk groot nest.

*

Ons Boomkruipertje, in Noordbrabant Klampvogeltje, in Cadzand Duimpje genoemd (Certhia familiaris), is aan de bovenzijde donkergrijs met witachtige, afgeronde vlekken, de teugel is bruingrijs, een streep boven het oog wit, de staartwortel bruingrijs met geelachtig roestkleurig waas; de slagpennen zijn zwart-bruin-grijs en, behalve de eerste, met een witte vlek aan den top en een geelachtig witte middenstreep [67]geteekend, de staartpennen zijn bruingrijs, aan de buitenvlag met lichtgelen zoom. Het oog is donkerbruin, de bovensnavel zwart, de ondersnavel roodachtig hoornglanzig, de voet roodachtig grijs. De bekleedingsveeren hebben haarvormige, niet tot een vlag aaneengevoegde baarden en zijn zoo zacht als zijde. De totale lichaamslengte bedraagt 13, de staartlengte 5.5 cM.

Het verbreidingsgebied van het Boomkruipertje strekt zich uit over geheel Europa, Siberië en Noord-Amerika, zoover de bosschen reiken en omvat bovendien het noordwesten van Afrika, Klein-Azië, Palestina, misschien ook het noorden van Perzië. Op de wijze van de andere Zwerfvogels bewoont dit vogeltje gedurende den voortplantingstijd een zeer beperkt gebied; later zwerft het dikwijls in gezelschap van Meezen, Goudhaantjes, Boomklevers en Spechten rond, steeds echter maakt het slechts korte tochten. Evenals alle klimvogels is het voortdurend bezig en diensvolgens steeds in beweging. Bedrijvig en vlug klimt het bij de boomen omhoog, waarbij het soms een rechtlijnigen, soms een spiraalvormigen weg volgt; intusschen onderzoekt het iedere spleet, iedere barst van de schors, steekt zijn fijn snaveltje tusschen de mosplantjes en onder de korstmossen en weet op deze wijze overal een weinig voedsel buit te maken. Het klimt bij rukken; maar zonder inspanning, en is in staat ook aan de benedenzijde van de takken te loopen. Op den bodem daalt het zelden af; als dit geschiedt, huppelt het hier zeer onbeholpen rond. Het vliegt niet op een regelmatige wijze, maar toch tamelijk snel; het houdt er echter niet van ver te vliegen, maar begeeft zich liever van den top van den eenen boom naar het onderste deel van den stam van een anderen; regelrecht schiet het naar beneden, scheert voor een korte poos dicht bij den grond langs, verheft zich daarna een weinig en zit een oogenblik later weer als vroeger tegen een boom aangeplakt. Zijn gewone stem is zacht, klinkt als “siet” en gelijkt zeer veel op het geluid, dat de Meezen en de Goudhaantjes maken; de lokstem is sterker en klinkt als “frie”; een behagelijke gemoedstoestand geeft het te kennen door het vereenigen van de klanken “siet frie” met den korten en scherpen toon “tsie”. Bij fraai lenteweder voegt het mannetje deze verschillende geluiden samen tot een vervelend, eentonig wijsje; deze compositie verdient echter ternauwernood den naam van gezang. Jegens menschen toont deze Vogel niet den geringsten schroom. Onbevreesd bezoekt hij de tuinen, klautert langs de muren van gebouwen op en af, even goed als langs de boomstammen; niet zelden nestelt hij in hiervoor geschikte holten van de balken der huizen.

Het nest wordt gebouwd in een hol, spleet of barst, al naar de gelegenheid zich voordoet. Niet altijd broedt deze Boomlooper in holle boomen, dikwijls ook in hiervoor geschikte spleten, onder daken van huizen of tusschen de planken, waardoor de muren der gebouwen in bergstreken beschut worden, ook wel in houtmijten, in de ruimte tusschen het hout van een boomstam en de hiervan losgeraakte schors enz. Hoe dieper de holte is, des te beter is zij van zijn gading. Het nest zelf is verschillend al naar de standplaats, nu eens groot, dan weer klein. Het bestaat uit dorre takjes, halmen, grasbladen, boombast, stroo en dergelijke materialen, die met spinsels van rupsen en van Spinnen doorvlochten zijn; van binnen is het gevoerd met fijne bastvezels, heede en een groote hoeveelheid veeren van verschillende grootte. De eigenlijke nestholte is niet zeer diep, de napvormige wand is echter altijd rond en netjes bewerkt, zoodat het nest toch nog kunstig gemaakt moet heeten. Het broedsel bestaat uit 8 of 9 eieren, die op witten grond met fijne, roode stippeltjes bezaaid zijn en zeer veel gelijken op die van de kleine soorten van Meezen. De beide ouders broeden en brengen met buitengewone inspanning hunne talrijke jongen groot. De jongen blijven langen tijd in het nest, verlaten het echter, wanneer zij gestoord worden, nog voordat zij vliegen kunnen en trachten zich dan klimmend te redden; zij verbergen zich met verrassende snelheid als ’t ware voor de oogen van den waarnemer en doen dit op zulk een meesterlijke wijze, dat het moeite kost hen te vinden. Na het uitvliegen blijven zij nog geruimen tijd onder de leiding van hunne ouders; het gezin levert dan een aardig schouwspel op.

Voor het leven in de kooi is het Boomkruipertje niet zeer geschikt.

*

De meeste vogelkenners beschouwen den Rotsklimmer (Tichodroma muraria), een der merkwaardigste Vogels die er bestaan, als een Boomlooper. Het geslacht der Klimmers (Tichodroma) is gekenmerkt door een veeleer ineengedrongen dan slank lichaam met korten hals, grooten kop, zeer langen, dunnen, bijna ronden, alleen aan den wortel kantigen, van voren spitsen, flauw gebogen snavel, tamelijk krachtige voeten met slanke teenen, die met zeer groote, sterk gekromde, fijne en spitse klauwen gewapend zijn; zij hebben middelmatig lange, breede, korte en afgeronde vleugels, welker spits gevormd wordt door de vierde of vijfde slagpen; daarentegen is de eerste zeer kort; hun korte staart bestaat uit zachte, breede, aan de spits afgeronde veeren; hun los, onsamenhangend, zijdeachtig zacht vederenkleed heeft een aangename, ten deele zelfs een sprekende kleur, die al naar het jaargetijde verschilt. De tong herinnert over ’t geheel genomen aan die der Spechten; zij is zoo spits als een naald, zeer lang, daar zij tot aan de spits van den snavel reikt, maar kan niet ver uitgestoken worden en is met een groot aantal borstelvormige weerhaken bezet.

Het vederenkleed van den Rotsklimmer is grootendeels aschgrauw, de keelstreek in den zomer zwart, in den winter wit; de slagpennen zijn zwart, met uitzondering van de wortelhelft van de derde tot de vijftiende slagpen, die een prachtig hoogroode kleur heeft, evenals de kleine vleugeldekveeren en een smalle zoom aan de buitenvlag van de groote dekveeren; de stuurpennen zijn zwart met een witten zoom aan de spits. De binnenvlag van de tweede tot vijfde slagpen is versierd met één of twee witte vlekken, de binnenvlag van de overige met gele vlekken; deze zijn des te onduidelijker naarmate de veeren nader bij het lichaam liggen en op de laatste slagpen in ’t geheel niet meer zichtbaar; ook haar aantal verschilt zeer. Het oog is bruin, de snavel en de voeten zijn zwart. De lengte bedraagt 16 cM.

De Rotsklimmer bewoont alle hooge gebergten van Middel- en Zuid-Europa en van West- en Middel-Azië, oostwaarts tot in het noorden van China; naar men zegt, wordt hij ook in Abessinië aangetroffen. In de Alpen is hij niet zeldzaam, in de Karpathen en Pyreneeën niet minder talrijk vertegenwoordigd. Van de Alpen verdwaalt hij soms naar Duitschland.

Over de levenswijze van dezen Vogel waren tot in den laatsten tijd de berichten zeer onvolledig. Eerst in het jaar 1864 is hierin verandering gekomen door de mededeelingen van Girtanner waaraan het volgende ontleend is: [68]

“Als de reiziger in de Zwitsersche gebergten bij een bezoek aan een hoog gelegen oord de grenzen van het hoogstammige woud overschreden heeft en nog steeds verder doordringt in het doolhof van rotsen, hoort hij, vooral in sommige districten van het Alpengebied, niet zelden een fijn, langgerekt, fluitend geluid, dat van de hoogste gedeelten van den rotswand komt. Het meest stemt het overeen met het bekende gezang van onze Geelgors: het bestaat uit eenige tamelijk luide, snel opeenvolgende klanken van gelijke toonhoogte, gevolgd door een langgerekten eindklank, die verscheidene tonen hooger is; men zou het ongeveer kunnen nabootsen door de syllabe “du du du duiii”. Zoowel verbaasd als verheugd over dit teeken van leven te midden van den zwijgenden chaos van steenklompen, laat de reiziger zijne blikken waren langs den kalen rotswand en bespeurt, gewoonlijk eerst na lang zoeken, tusschen de steenen een Vogeltje, dat met half uitgespreide, roode vleugels zonder inspanning langs den loodrechten, op sommige plaatsen zelfs overhangende wand naar boven klautert. Dit is de Rotsklimmer, een zich bewegende Alpenroos, ronddartelend op zijn eigen terrein en zonder schroom neerziend op den hijgenden toerist, die zich zoo heeft moeten inspannen om deze hoogte te bereiken.

“Volkomen kale rotsen zijn het meest naar den smaak van den Rotsklimmer; hoe woester en minder met planten begroeid een Alpengebied is, des te zekerder kan men er staat op maken hem hier te zullen vinden. De breede strooken gras, die op sommigen hellingen voorkomen, bezoekt hij alleen om daar jacht te maken op Insecten, om er voedsel te verzamelen; anders vliegt hij er vlug overheen en tracht ten spoedigste het naakte gesteente te bereiken. Boomstammen bezoekt hij nooit, ook zag ik hem nimmer neerstrijken op struiken of op de takken, die uit de rotsen te voorschijn komen. Hij leeft slechts in de lucht en op stille rotswanden. Ook van den bodem is hij geen vriend. De daar liggende Insecten tracht hij te grijpen zonder de rots te verlaten; wanneer hij ondanks al zijne wendingen op deze wijze het beoogde doel niet kan bereiken, gaat hij er vliegend op af, zet zich neer om den buit te vatten en hangt in ’t volgende oogenblik reeds weer aan den rotswand, zoekend naar een geschikt plaatsje om er zijn vangst te verslinden. Kevertjes, die zich dood houden en langs de steenen naar beneden laten rollen, in de hoop van op een plaats te vallen, waar hun vijand hen niet bereiken kan, Spinnen, die zich zoo schielijk mogelijk aan een draad naar beneden laten zakken, worden zonder moeite in de lucht gegrepen.

Rotsklimmer (Tichodroma muraria). ½ v. d. ware grootte.

Rotsklimmer (Tichodroma muraria). ½ v. d. ware grootte.

“Bij het naar boven klimmen draagt hij den kop steeds recht omhoog gericht, en ziet er dan bijna even korthalzig uit als de Boomklever. Daar, waar de rotswand overhangt, wordt de kop zelfs achterwaarts gebogen om beschadiging van den teeren snavel tegen de uitstekende steenen te voorkomen. Met bewonderenswaardige snelheid beweegt de Rotsklimmer zich deels stappend, deels springend langs steile, torenhoge rotswanden. Elke stap gaat gepaard met een vleugelslag en dikwijls, vooral bij groote haast of sterke inspanning, bovendien met een kort keelgeluid. Nooit dienen de toppen der slagpennen tot steun, hoewel dit dikwijls beweerd wordt en op een afstand gezien het geval schijnt te zijn. Haar as mist trouwens de hiervoor vereischte stijfheid. Bij nader onderzoek blijkt het, dat de vleugels met een geheel ander doel bewogen [69]worden. Terwijl de as van ’t lichaam evenwijdig aan den rotswand en dus nagenoeg verticaal is, geeft de Rotsklimmer door het elleboogsgewricht omlaag te houden aan de vleugels een boven- en achterwaartsche richting, zoodat zij van de rotsen afstaan, onmiddellijk van boven op de onder hen gelegen luchtkolom kunnen drukken en tot het stijgen medewerken. De mogelijkheid om de vleugels op deze wijze te gebruiken staat in nauw verband met den eigenaardigen, afgestompten vorm van deze organen: het spitser toeloopen van de vleugels zou stellig een ongunstigen invloed oefenen op de grootte van de opstuwende kracht. Gedurende het fladderen spreidt de Rotsklimmer ze trouwens slechts zoover uit, als noodig is, om een behoorlijken windvang te verkrijgen: de opeenvolgende slagpennen moeten elkander wederkeerig nog ver genoeg bedekken. Daar de korte staart hem bij ’t klimmen in ’t geheel geen dienst bewijst, tracht hij dien zoover mogelijk van de rots verwijderd te houden om beschadiging te voorkomen. Bij ’t klauteren langs den rotswand toont deze Vogel zulk een groote kracht en behendigheid, dat vermoedelijk in ’t geheele gebergte geen rotswand voor hem te steil of te glad zal zijn. Gevangen Rotsklimmers loopen zonder moeite langs het behangsel van de kamer naar boven. Hoe steiler en gladder echter het vlak is, dat beklommen zal worden, des te sneller moet de beweging plaats hebben, daar ook dit dier zich op volkomen gladde vlakken slechts gedurende korten tijd in evenwicht kan houden.

“Buiten den voortplantingstijd ziet men de Rotsklimmers zelden bij paren. Meestal zwerft deze Vogel eenzaam door zijn onherbergzaam gebied en geeft intusschen ijverig zijn korte en onbeduidende, maar aangenaam klinkende strophe ten beste. Jegens andere Vogels van zijn soort, die het zelfde gewest doorkruisen, toont hij onverschilligheid, soms tracht hij ze te verdrijven door ze na te jagen. Met Vogels, die tot andere soorten behooren, komt hij slechts zelden in nadere aanraking en wanneer zulks voorkomt, vlucht hij voor hen. Zijn voedsel bestaat uit Spinnen en Insecten; daar deze op groote hoogten niet meer door een groot aantal soorten vertegenwoordigd worden, zal hij wel niet zeer kieskeurig kunnen zijn. Met zijn fijnen snavel kan hij iederen buit, hoe onbeduidend ook, gemakkelijk als met een kleinen knijptang opnemen. De tong wordt uitgestoken, om er de larven, poppen of volkomen Insecten, die met de punt van den snavel aangegrepen en er reeds in opgenomen zijn, aan te spietsen; deze prooi wordt vervolgens door het terugtrekken van de tong naar het achterste deel van den snavel overgebracht.

“Het broeden heeft plaats in de maanden Mei en Juni; het nest is groot, rond, lang, ondiep en opmerkelijk licht; het wordt in ondiepe uithollingen van het gesteente gebouwd van fijn mos, plantenwol, wortelvezels, groote vlokken schapenwol, stukken van weefsels, haar en dergelijke stoffen. Het broedsel bestaat uit vier eieren, die op witten grond geteekend zijn met bruinzwarte, scherp begrensde stippels, die aan het stompe einde het dichtst bijeen staan.

“Daar de Rotsklimmer niets anders dan Insecten eet, kan er natuurlijk geen sprake zijn van eenige door hem aangerichte schade; voordeel brengt zijn werkzaamheid ons trouwens ook slechts in zeer geringe mate wegens de ligging van zijn jachtgebied. Voor den vriend der natuur is hij echter van buitengewone waarde als een der grootste aantrekkelijkheden van onze Alpen. Wanneer plotseling zijn korte strophe op de eenzame hoogten weerklinkt, begroet de reiziger vroolijk de nabijheid van zulk een fraai wezen en rust zijn oog met welgevallen op deze zich bewegende Alpenroos, die de indrukwekkende, maar voor eeuwig verstijfde omgeving op zulk een aangename wijze verlevendigt.”


Tot de Oude Wereld behooren de Honigvogels (Nectariniidae), kleine, sierlijk gebouwde Vogels, waarbij er vele zijn, die met de prachtigste kleuren prijken en hierdoor aan de Kolibri’s herinneren. Zij zijn echter van deze bij den eersten oogopslag te onderscheiden aan de kortheid der vleugels en de lengte van den loop; in verband hiermede is ook hun levenswijze anders.

Deze familie is over Afrika, Azië, Nieuw-Guinea en het noorden van Australië verbreid; vooral in het eerstgenoemde werelddeel is zij door een groot aantal soorten vertegenwoordigd. Overal, waar de Honigvogels voorkomen, zijn zij veelvuldig en dragen hierdoor zeer veel bij tot verfraaiing van de wouden, kreupelbosschen en tuinen. Hoogst merkwaardig zijn hunne gewoonten en handelingen; zij behooren tot de talentvolste en lieftalligste leden der geheele orde. Als in Noord-Afrika de vijg-cactus bloeit, wordt deze plant de vereenigingsplaats van alle soorten, die in den omtrek voorkomen. Hetzelfde verschijnsel merkt men op in de wouden, als hier een enkele bloeiende mimosa te midden van andere boomen staat, voorts bij alle boomen, welker bloemen Insecten aanlokken. In den voortplantingstijd pronken de mannetjes met hun schoonheid, nemen vreemdsoortige standen aan, bewegen zich op een eigenaardige wijze en zingen intusschen ook zeer lief. Het nest is kunstig gebouwd en wordt in de meeste gevallen aan dunne takken bevestigd. Het bevat slechts een gering aantal eieren van zuiver witte kleur.

Bij sommige soorten zijn de beide middelste staartpennen zeer lang. Dit is o. a. het geval bij den Zuid-Afrikaanschen Groenen Suikervogel (Nectarinia famosa), die tot in de tuinen van Kaapstad aangetroffen wordt. Hij is een van de grootste leden zijner familie, daar hij in dit opzicht een Grasmusch evenaart. Het volkomen kleed van het mannetje is fraai grasgroen met metaalglanzigen weerschijn en heeft aan weerszijden van de borst een bundeltje van citroengele veeren.—De Metaalglanzige Honigvogel (Nectarinia metallica), de eerste Vogel van de Keerkringslanden, die men ontmoet, als men, van ’t noorden komend, in ’t binnenland van Afrika doordringt, is zoo groot als een Sijsje. Hij vliegt van bloem tot bloem, vooral op acacia’s en mimosa’s, voortdurend Insecten vangend, schreeuwend en zingend, altijd trouw vergezeld door zijn wijfje. Voor andere Vogels toont hij weinig schroom; ook de mensch kan hem gemakkelijk naderen en zijn levenswijze nagaan. Als hij in gevaar verkeert, schreeuwt hij als een jonge Kat. Het buidelvormige nest, welks zijdelingsche ingang zich aan het boveneind bevindt, hangt aan dunne takken en bevat 3 witte eieren.—Kühl’s Honigvogel (Nectarinia Kuhlii) bewoont Java en behoort mede tot de zeer fraaie soorten. Hij heeft olijfkleurige veeren, maar de bovenkop is metaalgroen, de stuit geel; de keel en de krop is donkerrood; een staalblauwe gordel bevindt zich aan de keel. Na in ’t gebergte gebroed te hebben, trekt deze Vogel naar de lagere, meer bewoonde streken.


De eucalypten en banksias, die verreweg het grootste en meest in ’t oogvallende deel van de Australische [70]plantenwereld uitmaken, zijn een geliefkoosde verblijfplaats voor de leden van verscheidene familiën van Vogels, o. a. van Papegaaien en van de buitengewoon talrijke Honigzuigers of Penseeltongigen (Meliphagidae). De eigenaardigheden van deze Vogels staan in zoo innig verband met die van de genoemde boomen, dat men zich deze nauwelijks zonder gene voorstellen kan. De Honigzuigers eten Insecten, stuifmeel en honig uit de bloemen der eucalypten, die hieraan zoo rijk zijn; zij nemen dit voedsel op met behulp van hun lange tong, die aan de spits penseelvormig en derhalve voor de genoemde verrichting merkwaardig goed geschikt is.

“Een door zijn stem zeer de aandacht trekkende bewoner van de romantische wildernissen van Nieuw-Zeeland,” zegt Rochelas, is de Poë of Toeï. Zonder overdrijving kan men van dezen wondervogel zeggen, dat geen van de zangers der Europeesche wouden zich met hem meten kan. De harmonie en de zachte liefelijkheid van zijn gezang komen mij volkomen onvergelijkelijk voor. Hoe bekoorlijk ik de zangen van den Europeeschen Nachtegaal ook vind, toch worden zij mijns inziens verre overtroffen door die van dezen Vogel; ik moet erkennen, dat ik nooit te voren bij een Vogel zulk een betooverende, klankvolle stem had vermoed.” De reizigers uit lateren tijd, die van den Poë melding maken, zijn wel is waar niet zoo uitbundig in hun lof, maar roemen toch eenstemmig dezen Vogel, als een van de beste zangers van Oceanië.

De Poë of Dominee (Prosthemadera novae-seelandiae), vertegenwoordigt het geslacht der Halskraagvogels (Prosthemadera) en kenmerkt zich door den krachtigen snavel, waarvan zoowel de boven- als de onderkaak flauw gebogen zijn, de stevige voeten met langen loop, de matig lange vleugels, den middelmatig langen, afgeronden staart, de beide pluimpjes van lang- en losbaardige veertjes, die tot een bol ineengerold, aan weerszijden van den hals voorkomen en de lange smalle, met een haarvormige schaft, voorziene veeren aan den bovenhals. Het vederenkleed is grootendeels glanzig staalgroen, met staalblauwen weerschijn op de kleine bovendekveeren van den vleugel, de uiteinden van de langste schouderveeren, den staartwortel en het onderste deel van de borst; donkerbruin met bronskleurigen weerschijn op den mantel, de schouders, den onderrug, den buik en de schenkels; de grootste bovendekveeren van den vleugel, de schaften van de verlengde halsveeren en de beide vederpluimen aan den hals zijn wit, de slagpennen en staartveeren zwart, naar buiten met donkergroenen schijn, de snavel en de voeten zwart. De geheele Vogel is 30, de staart 12 cM. lang.

Door zijn buitengewoon talent van nabootsing is de Poë een lieveling geworden van de kolonisten zoowel als van de inboorlingen. Wanneer hij eens aan de kooi en aan het voedsel, dat men hem daar verschaffen kan, gewend is, leert hij gemakkelijk en snel verscheidene woorden spreken, een wijsje nafluiten, het blaffen van den Hond, het krijschen van een Papegaai, het kakelen van een Hoen nabootsen enz. Buller werd eens niet weinig verrast. “Ik had,” zoo verhaalt hij, “in het raadhuis van Romgitekay het woord gevoerd in een verzameling van inboorlingen, een onderwerp van groot belang met hen besproken, mijn meening met allen ernst en zoo welsprekend mogelijk voor hen ontvouwd. Men stelle zich mijn verwondering voor, toen onmiddellijk nadat ik uitgesproken had en nog voordat het oude opperhoofd, tot wie ik mij meer bepaaldelijk gewend had, tijd gevonden had om te antwoorden, een Toeï, die boven onze hoofden in een kooi hing, met heldere stem en met volkomen juiste intonatie “Tito!” (dat is zoo niet!) riep. “Vriend,” antwoordde mij het oude opperhoofd Nepia Faratao, nadat de algemeene vroolijkheid over dit voorval een weinig bedaard was, “uw bewijsvoering is volkomen juist; maar mijn Mokai, dien zeer schranderen Vogel, hebt gij toch niet overtuigd!”

Poë (Prosthemadera novae-seelandiae). 3/10 v. d. ware grootte.

Poë (Prosthemadera novae-seelandiae). 3/10 v. d. ware grootte.

Naar het schijnt, hebben de Nieuw-Zeelanders van oudsher den Poë zeer graag in een kooi gehouden. [71]

In hooge mate karakteristieke bewoners van het Indische en het Ethiopische Rijk, zijn de Ixos Kortpootlijsters of Bulbuls (Brachypodidae), die een uit weinige geslachten, maar uit ongeveer 150 soorten bestaande familie vormen. In grootte komen zij ongeveer met een klein soort Lijsters overeen. De snavel is slank, de voet heeft een korten loop, de vleugels zijn tamelijk lang; de staart is middelmatig van lengte en sterk afgerond, de bevedering zacht en dicht.

Eén soort van deze familie, de in Syrië, Palestina en Arabië veelvuldig voorkomende en ook op Cyprus en Rhodus inheemsche Geelstuitbulbul (Pycnonotus nigricans), wordt ook in Europa en wel op de Cycladen gevonden. Hij onderscheidt zich door de gele kleur van de onderdekveeren van den staart van den Grijzen Bulbul (Pycnonotus arsinoë), waar deze veeren bruinachtig zijn. Deze in de Nijllanden voorkomende Vogel wordt als een der beste zangers van Noord-Afrika beschouwd.

Een der grootste soorten, de Geelkoppige Ixos (Ixos ochrocephalus), bewoont Malakka, Sumatra en Java. Hij heeft de grootte van een Zanglijster, is op de bovendeelen olijfkleurig, op de onderdeelen grijs met witte, overlangsche vlekken, heeft een witte keel, een gelen bovenkop en zwarte knevelvlekken. Daar hij zeer fraai zingt en buitengewoon mak wordt, is hij bij de vrouwen der Javaansche grooten als kooivogel zeer bemind.

Niet alleen wegens hun gezang, maar ook om hun strijdlust worden de Bulbuls in Indië hoog geschat. Op Ceylon is het een gewoon vermaak van de inboorlingen, deze Vogels met elkander te laten vechten. Ook in Europa worden zij nu en dan in de kooi gehouden; door hun sierlijke houding, hun vroolijk gezang, hun tamheid, tevredenheid en duurzaamheid hebben zij zich de gunst van de liefhebbers van Vogels verworven.


De Leeuweriken (Alaudidae) zijn krachtig gebouwde Muschvogels met grooten kop, korten of middelmatig langen snavel van verschillende dikte, tamelijk korte pooten en middelmatig lange teenen, dikwijls met een op een spoor gelijkenden nagel aan den achterteen, met lange en zeer breede vleugels, een niet bijzonder langen of zelfs korten, meestal afgesneden staart en een aardkleurig vederenkleed, dat bij het mannetje en het wijfje weinig, bij Vogels van verschillenden leeftijd veel verschil aanbiedt. Door hun inwendig maaksel komen zij in hoofdzaken met de andere Muschvogels overeen.

Hoewel de Leeuweriken, waarvan ongeveer 110 soorten onderscheiden worden, in alle werelddeelen vertegenwoordigd zijn, behooren zij toch voor ’t meerendeel tot de Oude Wereld. Zij bewonen open terreinen, bouwland zoowel als woeste gronden, de woestijn zoowel als de steppe. In de Aziatische steppen verlevendigen zij het eentonige landschap door hunne liederen. Paartjes van verschillende soorten wonen dicht bij elkander; hun gemeenschappelijk gezang treft in de lente op iederen tijd van den dag het oor van den reiziger. Steeds ziet hij een van deze Vogels aan den hemel zweven, telkens althans zal een van hen, als de wagen langs zijn rustplaats rolt, of de ruiter voorbij draaft, door het ratelen van de wielen of de hoefslagen van het Paard opgeschrikt, voor een korte poos zingend omhoog stijgen. Alle in ’t noorden wonende Leeuweriken zijn trekvogels of althans zwerfvogels; die van zuidelijke landen zijn stand- of zwerfvogels. Hunne reizen zijn niet zeer uitgestrekt en hun verblijf in den vreemde duurt slechts kort. Zij behooren tot de eerste vogels, die de lente ons brengt en blijven hier tot laat in den herfst.

Van alle Muschvogels loopen zij het best; zij zijn ook in het vliegen zeer ervaren, en doen dit op zeer verschillende wijze. Als zij haast hebben, vliegen zij in groote booglijnen schielijk voort; bij ’t zingen daarentegen stijgen zij fladderend loodrecht omhoog of verheffen zich volgens groote schroeflijnen naar ’t zwerk, dalen van hieruit aanvankelijk langzaam zwevend naar beneden en storten ten slotte plotseling met geheel ingetrokken vleugels als een levenloos voorwerp op den bodem. Hunne zinnen schijnen zonder uitzondering goed ontwikkeld te zijn, hun verstand daarentegen is gering; zij zijn levendig van aard, zitten zelden stil, maar zijn veeleer steeds in beweging en gunnen zich nagenoeg in ’t geheel geen rust. Met andere Vogels van hun soort leven zij, zoolang de liefde niet in ’t spel komt, in de beste verstandhouding, gedurende den paartijd echter in voortdurenden strijd.

Om vreemde Vogels bekommeren zij zich weinig, ofschoon enkele soorten zich bij de zwermen van Gorsen en Vinken voegen. Voor sterkere dieren zijn zij zeer bevreesd; den mensch vreezen zij alleen dan niet, als zij gedurende geruimen tijd niets van hem te lijden hadden en hierdoor volkomen overtuigd zijn van hun veiligheid. De meeste zijn goede zangers. Het lied, dat zij voordragen, is arm aan strophen, maar buitengewoon rijk aan afwisseling; eenige weinige tonen worden op honderderlei wijze versmolten en vormen op deze wijze telkens een nieuw geheel. Alle soorten bezitten het talent om het gezang van andere Vogels na te bootsen: alle in de steppe wonende Leeuweriken zingen nagenoeg gelijk; ieder hunner leert en neemt de eigenschappen over van de andere.

Het voedsel van de Leeuweriken bestaat uit Insecten en plantaardige stoffen. Gedurende den zomer gebruiken zij Kevers, kleine Vlinders, Sprinkhanen, Spinnen en larven; in den herfst en den winter eten zij graankorrels en andere zaden; in de lente bestaat hun maal uit Insecten en jonge plantendeelen, vooral kiemplantjes van graangewassen. Zij slikken de zaden door, zonder ze vooraf te ontbolsteren en verzwelgen daarom ook altijd zand en kleine kiezelsteentjes, die het vergruizen van het voedsel bevorderen. Als drank maken zij gebruik van den dauw op de bladen; zij kunnen het water echter gedurende geruimen tijd geheel ontberen; ook baden zij zich er niet in, maar nemen stofbaden.

Het slordig gebouwde nest, waarvoor echter altijd halmen en bladen van grassen, die dezelfde kleur hebben als de bodem, de grondstoffen leveren en dat daarom uitmuntend verborgen is, wordt aangelegd in een door henzelf uitgekrabd kuiltje in den grond; het eerste broedsel bestaat uit 4 à 6, het tweede uit 3 à 5 gevlekte eieren.

Allerlei Roofdieren—Zoogdieren, Vogels en Reptiliën—niet minder echter de menschen gedragen zich vijandig jegens de Leeuweriken; deze vermenigvuldigen zich echter zoo snel, dat alle verliezen, die hen treffen, weer vergoed worden; hun aantal neemt toe, naarmate de bebouwing van den bodem zich uitbreidt.

*

De Leeuwerik of Akkerleeuwerik, in Friesland Ljuerk genoemd (Alauda arvensis) kenmerkt zich door een betrekkelijk slanken lichaamsbouw, een zwak [72]kegelvormigen, tamelijk korten snavel, middelmatig lange, spits eindigende vleugels, waarin de derde slagpen de langste is, een middelmatig langen, uitgesneden staart en teere voeten met tamelijk korte teenen. De lengte van het geheele lichaam is 18, die van den staart 7 cM. De veeren van de bovendeelen zijn aardbruin met lichteren (vaalbruinen) zoom en donkerder (zwartbruine) schaft; de teugel, een streep boven de oogen en de kin zijn vaalwit; de wangen en de oorstreek zijn bruinachtig roestkleurig, donker gestreept, de keel, de kop, de bovenborst en de zijden eveneens, maar met breedere schaftstrepen; de overige onderdeelen zijn vaalwit; de slagpennen zijn zwartbruin: de eerste met witten, de overige met smallen, vaal roestkleurigen zoom aan de buitenzijde; deze zoom verbreedt zich op de achterste armpennen en hunne dekveeren, die ook aan hun spits een bruinachtig roestkleurigen rand hebben, waardoor twee lichtere dwarsbanden ontstaan; de achterste armpennen en de voorste handpennen zijn aan de spits witachtig, de onderste dekveeren van den vleugel zwartbruin; de staartveeren zijn bruinzwart, aan de buitenzijde met vaalbruinen zoom, de buitenste veer is echter wit met breeden zwarten zoom aan den binnenrand, welke zoom op de tweede veer tot aan de schaft reikt. Het oog is donkerbruin, de snavel hoornbruin, de voet geelbruinachtig.

1) Gewone Leeuwerik (Alauda arvensis), 2) Boomleeuwerik (Galerita arborea), 3) Kuifleeuwerik (Galerita cristata). ⅖ v. d. ware grootte.

1) Gewone Leeuwerik (Alauda arvensis), 2) Boomleeuwerik (Galerita arborea), 3) Kuifleeuwerik (Galerita cristata). ⅖ v. d. ware grootte.

Geheel Europa, te beginnen bij het noorden van Noorwegen en Rusland, en geheel Middel-Azië van de zuidelijke woudgrens af tot aan de randgebergten, zijn het vaderland van den Leeuwerik, die in den winter tot naar Noord-Afrika en Zuid-Indië trekt.

Voor ons is de Leeuwerik een bode der lente, want hij komt hier, als de sneeuw smelt, soms reeds in het begin van Februari; tegen het einde van deze maand heeft hij reeds de woonplaats opgezocht, waar hij gedurende den geheelen zomer blijft, om zich eerst in het laatst van den herfst naar zijne winterkwartieren te begeven, die de meeste in Zuid-Europa, sommige in Noord-Afrika vinden. Voordat de Leeuweriken vertrekken, komen zij in grooten getale bijeen op de korenakkers, vanwaar de oogst dan reeds is weggehaald; zij worden hier van de op den grond gevallen korrels weldra buitengewoon vet; in sommige streken, b.v. in Saksen, worden zij als de avond valt, in menigte in slagnetten gevangen, gedood, in spanen doozen gepakt en overal heen verzonden, waar zij als lekkernij gezocht zijn.

De Leeuwerik is onrustig van aard, blijft zelden lang op dezelfde plaats, maar houdt er meer van gedurig heen en weer te loopen of te vliegen, met andere Vogels van zijn soort te vechten en te krakeelen, en onder al deze bedrijven zijn loktoon of zijn gezang te laten hooren. Hij beweegt zich goed over den bodem, bij langzamen gang telkens knikkend, bij snellen loop evenaart hij bijna den Strandlooper; hij vliegt uitmuntend en op verschillende wijze, al naar het doel dat hij beoogt; bij snelle beweging beschrijft hij groote bogen: de vleugels, die dan in ’t eene oogenblik opgevouwen zijn, snorren in ’t volgende vlug heen en weer; gedurende het zingen eindelijk stijgt hij op de algemeen bekende, langzame wijze met gelijkmatigen vleugelslag al hooger en hooger, met tusschenpoozen waarin hij op dezelfde hoogte blijft zweven. Op den bodem neemt hij graag een vrije standplaats in, b.v. op aardklonten, kleine verhevenheden of steenen, soms ook op den top van een struik, van een boom of van een paal; aan zulke plaatsen is hij zeer gehecht.

Zijn loktoon is een aangenaam klinkend “gerr” of “gerrel”, waaraan de schel gefloten klank “triet” of “tie” wordt toegevoegd. Bij het nest zittend roept hij luid “tietrie”, als hij boos is, op ratelende wijze “sjerrerererr”. Zijn algemeen bekend gezang, dat de akkers en de weiden in vlakke en heuvelachtige gewesten en zelfs in niet al te vochtige moerassen op een hartverheffende wijze verlevendigt, weerklinkt reeds kort na zijn terugkomst en wordt gehoord, zoolang [73]het broeden duurt. Van ’t krieken van den morgen tot aan de avondschemering zingt hij, telkens zich weer boven den bodem verheffend, met bijna sidderend gefladder langzamerhand al hooger en hooger stijgend, soms bijna verdwijnend voor ’t oog, zonder pauze, met meer volharding dan iedere andere Vogel; hij beschrijft intusschen een wijde schroeflijn, keert allengs naar de plaats van uitgang terug, daalt meer en meer, stort zich met tegen het lichaam aangelegde vleugels als een vallende steen omlaag, spreidt op korten afstand van den bodem de vleugels uit en strijkt weder neer in de nabijheid van zijn nest. Zijn gezang bestaat uit slechts weinige, heldere, zuivere, krachtige tonen, maar uit oneindig vele strophen, die nu eens trillend en kweelend, dan weer helder fluitend weerklinken; zij worden door verschillende individuën met talrijke variaties voorgedragen en door enkele talentvolle Zangers zelfs met nabootsingen van passages uit het gezang van andere Vogels aanmerkelijk verrijkt. Zelfs de wijfjes kwinkeleeren; de jonge mannetjes, die slechts weinige weken geleden voor ’t eerst uitvlogen, doen reeds pogingen om te zingen. Leeuweriken, die jong uit het nest genomen zijn, leeren dikwijls het gezang van andere Vogels op volkomen juiste wijze navolgen.

Met andere Vogels van zijn soort leeft de Leeuwerik alleen gedurende den trek en in de winterkwartieren in vrede. Zoolang de liefde hen beheerscht, strijden de mannetjes met elkander bij iedere ontmoeting; dikwijls is deze strijd zeer hevig en langdurig. De beide mededingers grijpen elkander aan en plukharen dat het een aard heeft; niet zelden voegt nog een derde mannetje zich bij hen en komen de drie kampioenen gezamenlijk al draaiend uit de lucht vallen. Voor een oogenblik wordt het gevecht dan opgeschort, om in de volgende minuut hervat te worden. Soms gaan twee tegenstanders ook wel te voet op elkander af en nemen dan soortgelijke standen aan als vechtende hanen; wakker strijden zij, trouwens zonder dat een van hen een wonde van eenige beteekenis ontvangt. De overwonnene moet het veld ruimen, de overwinnaar komt jubelend bij zijn wijfje terug, dat niet al te zelden een werkzaam aandeel neemt “aan de kloppartijen van het mannetje”.

Dikwijls vindt men het nest reeds in het begin van Maart, gewoonlijk op korenakkers en weiden, ook wel echter op eilandjes, die zich boven het moeras verheffen, met grassen of zeggen begroeid, maar overigens nauw door het water ingesloten zijn. De kleine uitholling van den bodem, die als nestelplaats dient, wordt zoo noodig door de beide Leeuweriken zelf uitgekrabd of althans verwijd en afgerond, daarna bekleedt het wijfje, geholpen door het mannetje, haar op een gebrekkige wijze met oude stoppels, bosjes gras, fijne worteltjes en halmpjes en voert de holte van het nest soms bovendien nog met eenige paardeharen. Het broedsel bestaat uit 5 à 6 eieren, die op groengeelachtigen of roodachtig witten grond met vele stippels en vlekken van grijsachtig bruine of grijze kleur zeer ongelijkmatig geteekend zijn.

De dieren van beiderlei geslacht broeden om beurten; de jongen komen binnen 15 dagen uit den dop en verlaten het nest, zoodra zij loopen kunnen. Zoodra hun kroost zelfstandig geworden is, beginnen de ouders met toebereidselen om voor de tweede maal te broeden; als de zomer gunstig is, doen zij dit ook nog voor de derde maal.

De geheele trits van kleine viervoetige roovers, van de Huiskat of de Vos te beginnen tot en met de Wezel, de Spitsmuizen en de Woelmuizen, voorts de Kiekendieven, Raven, Trappen en Ooievaars brengen het Leeuwerikengebroed in gevaar; de Boomvalk, het Smelleken en de Sperwer bedreigen ook het leven van de oude Vogels. Het zal wel niet overbodig zijn er op te wijzen, dat de slachting, die de mensch onder hen aanricht, zelfs wanneer hij de Leeuweriken in massa vangt, steeds ver blijft beneden die, welke het gevolg is van de werkzaamheid hunner zooeven genoemde natuurlijke vijanden. Naarmate de ontginning van den bodem voortschrijdt, neemt het aantal Leeuweriken toe, niet af. Op Nieuw-Zeeland werd onze Leeuwerik ingevoerd; hij is daar op sommige plaatsen zeer talrijk geworden, maar heeft naar gezegd wordt, een belangrijke wijziging ondergaan, wat zijne gewoonten betreft: de Nieuw-Zeelandsche boeren beschuldigen hem n.l. van graandieverij op groote schaal en zeggen, dat zijn trek in graan is toegenomen in dezelfde mate, als zijn gezang slechter is geworden. Ook in Noord-Amerika werd onze Vogel ingevoerd: reeds voor ruim dertig jaren geschiedde dit zonder succes in de staat Delaware, voor ruim twintig jaren bij New-York met weinig resultaat, in New-Jersey echter met zeer goede uitkomst. Onze Leeuwerik werd ook op Groenland en op de Bermudas-eilanden gevonden.

De Kalander-leeuwerik (Alauda calandra), een uitmuntende en daarom hooggeschatte zanger van Zuid-Europa, onderscheidt zich door den krachtigen lichaamsbouw, den opmerkelijk grooten, dikken snavel, de lange, krachtige pooten, de groote, breede vleugels en den bijna rechten, korten, niet uitgeranden staart. Hij bereikt een lengte van 21 cM. De veeren van de bovendeelen zijn vaalbruinachtig, naar buiten isabelkleurig gezoomd, de teugel, een onduidelijke streep boven de oogen, de kin, de keel, de kop en de borst zijn teer roestgeelachtig, de overige onderdeelen wit, aan de zijden isabelbruinachtig, de oorstreek en een onduidelijke baardstreep bruinachtig, twee groote, van onderen soms ineenvloeiende vlekken aan de zijden van den hals zwart, de handpennen bruinzwart, de armpennen aardkleurig bruin, de staartveeren bruinzwart, aan de buitenzijde met een breeden, valen zoom. Het regenboogvlies is donkerbruin, de bovensnavel hoornbruin, de ondersnavel hoorngeel, de voet roodachtig.

Zuid-Europa en meer bepaaldelijk de oeverlanden van de Middellandsche Zee, Noordwest-Afrika en de steppen van Toerkistan zijn het vaderland van den Kalander-leeuwerik, die, van de genoemde landen uitgaande, Noordoost-Afrika, maar slechts zelden de Boven-Nijl-landen bezoekt. Hij bewoont bij voorkeur dorre, niet bevloeide velden of uitgestrekte weidegronden, in Azië de steppe, gezamenlijk met minstens vijf andere soorten, die hij in ieder opzicht overtreft.

Zijne gewoonten verschillen niet belangrijk van die van onzen Akker-leeuwerik. Duidelijk te onderscheiden is hij van onzen Leeuwerik en van alle andere bekende soorten van zijn geslacht door den opgerichten stand van ’t lichaam bij ’t gaan en de buitengewoon krachtige bewegingen van zijne zeer breede vleugels. Evenzeer is hij gekenmerkt door zijn heerlijk gezang. Ieder, die hem voor de eerste maal hoort zingen, blijft verrast staan om daarna met verrukking naar hem te luisteren. Zijn lied verschilt van het gezang van alle mij bekende Leeuweriken door den bewonderenswaardigen rijkdom van tonen, die uitmunten door volheid en kracht. De gezangen van alle soorten van Leeuweriken der steppe versmelten, verdwijnen in het zijne en worden er veredeld door weergegeven; door zijn talent van navolging [74]en door zijn krachtige stem beheerscht hij het prachtige Leeuwerikengezang, dat in deze gewesten gedurende de lente onophoudelijk van den hemel weerklinkt. “Evenzeer als de Kalander-leeuwerik alle overige leden zijner familie in grootte overtreft,” zegt Cetti, “munt hij boven hen uit door zijn gezang. De stem, die hij van nature bezit, is naar het mij voorkomt, een niet bijzonder liefelijk gekweel, zijn phantasie echter verwerkt alle klanken, die hij hoort, om ze later, door zijn dichterlijken gorgel verfraaid, weer te geven. Op het land is hij een echo van alle Vogels; men heeft bij wijze van spreken alleen naar hem te luisteren, men hoort dan alle overige meteen. Hij maakt zoowel van het geschreeuw der Roofvogels, als van de melodiën der Zangvogels gebruik en geeft, terwijl hij in de lucht zweeft, duizenden van ineengevlochten strophen, trillers en liederen ten beste. Hij leert alles, wat men hem voorspeelt; flageolettonen kan geen Vogel beter nabootsen dan hij. De bekwaamheden, die hij verworven heeft, maken hem niet ijdel; hij, de kunstenaar, zingt van ’s morgens tot ’s avonds. Een voor ’t venster hangende Leeuwerik is voldoende om den geheelen omtrek op te vroolijken. Hij is de vreugde en de trots van den handwerksman en brengt alle voorbijgangers in verrukking.” Alle overige waarnemers stemmen in met dezen lof. Wel is het jammer, dat het gezang van dezen Vogel voor de kamer te luid is en dat men het op den duur in een beperkte ruimte niet kan verdragen.

Kalander-leeuwerik (Alauda calandra). ½ v. d. ware grootte.

Kalander-leeuwerik (Alauda calandra). ½ v. d. ware grootte.

Het nest wordt kunsteloos gebouwd van droge stengels en fijne wortels; het is op een verborgen plaats achter aardkluiten of kleine struiken of in het koren, altijd echter in een kleine uitholling van den grond gelegen. De 3 à 5 eieren zijn rondachtig, in het midden sterk gezwollen en op glanzig witten of geelachtig witten grond dicht bedekt met geel-bruine en grijze vlekken en stippels, die tegen het dikke einde dikwijls kranswijs ineenvloeien.

Om dezen hooggeschatten zanger te vangen, gaat men in Spanje ’s nachts op de akkers, waar hij zich ophoudt; eenige van de vogelvangers dragen klokjes zooals de Runderen aan den hals hebben hangen, andere dievenlantaarns, de overige netten. De Leeuweriken worden door het plotseling verschijnende licht verblind, door den klank der klokjes echter in den waan gebracht, dat er een kudde Runderen of Schapen aankomt, zij wachten de nadering van de vogelvangers rustig af, gaan plat op den grond liggen en worden met de netten bedekt of laten zich zelfs met de handen grijpen. Hier te lande kost zulk een Vogel 14 à 15 gulden, wanneer hij goed aan de kooi gewend is.

In de Aziatische steppen vindt men nevens den Kalander-leeuwerik den ongeveer even grooten Zwarten Leeuwerik of Tartaarschen Leeuwerik (Alauda yeltoniensis) die soms wel eens naar West-Europa verdwaalt, maar in Nederland nog niet waargenomen werd. Zijn herfstkleed is donkerzwart, de mantel, de schouderveeren, de achterste armpennen en de staartveeren aan het einde met duidelijken, de veeren van de zijden van de borst met onduidelijken, witachtig isabelkleurigen zoom. Het oog is donkerbruin, de snavel hoorngrijs, de voet zwart.

Deze soort bewoont alle zoutsteppen van Middel-Azië en blijft hier gedurende het geheele jaar, want, naar het schijnt, strekt zij hare zwerftochten niet ver uit en zoekt hoogstens de plaatsen op, waar de sneeuw niet liggen blijft.

*

Een van de lieftalligste soorten van de geheele familie is de Bergleeuwerik of Hoornleeuwerik (Otocorys alpestris)5. Deze is 17 cM. lang met den 7 cM. langen staart. De voorkop, een streep boven de oogen, de kin en de keel zijn lichtgeel, een dwarsstreep op den achterkop, die aan weerszijden boven de slapen als een op een hoorn gelijkend bundeltje veeren [75]eindigt, de teugel en de oorstreek benevens een breed, halvemaanvormig kropschild zijn zwart, de bovenkop, de achterhals en de bovendekveeren van den vleugel zijn teer wijnroodachtig, de overige bovendeelen aardbruin en met donkere schaftvlekken geteekend, de onderdeelen wit, in de flanken wijnroodachtig, de schenkels met donkere overlangsche streepjes, de slagpennen bruin, aan de buitenzijde met vaalbruinachtigen zoom, de dekveeren van de armpennen hebben ook aan de spits zulk een zoom; de staartveeren zijn zwart met uitzondering van de beide middelste, die donkerbruin zijn met vaalbruinen zoom, de beide buitenste aan de buitenzijde wit. De iris is donkerbruin, de snavel blauwachtig grijs, de voet hoornbruin.

De Bergleeuwerik ontleent zijn wetenschappelijken soortnaam niet aan de Zwitsersche, maar aan de Skandinavische Alpen. Hij is een kind van de toendra en broedt in dit gebied overal; hij is derhalve zoowel in de Oude als in de Nieuwe Wereld thuis. Vroeger was de Bergleeuwerik in het noordwesten van Europa een zeldzame verschijning; sedert ongeveer 50 jaren echter heeft hij de grenzen van zijn verbreidingsgebied verder uitgebreid, hij komt nu ook in ’t noorden van Skandinavië geregeld voor.

In verband hiermede heeft de weg, dien deze Vogels volgen, als zij in den winter naar zuidelijker landen trekken, eenige wijziging ondergaan. Zij begeven zich thans in grooter aantal dan vroeger over de kuststreken van de Oostzee en Noordzee, over Duitschland en Nederland, naar de Zuid-Europeesche landen, waar zij hunne winterkwartieren hebben. Van deze zijn ook nu nog de oostelijkste (o. a. het Zuiden van Rusland) het meest bevoorrecht; sommige Bergleeuweriken overwinteren echter in Italië, Provence enz. Dat Nederland in de laatste jaren veelvuldiger door hen bezocht wordt dan vroeger, blijkt uit de aanteekeningen van Mr. Herman Albarda (1863, 1864, 1885, 1891).

Door zijn voorkomen en zijne handelingen gelijkt de Bergleeuwerik zoo zeer op den Akkerleeuwerik, dat ik in deze opzichten geen belangrijk verschil tusschen de beide soorten zou kunnen vermelden. Ik zag gene echter nooit zingend omhoogstijgen, daarentegen wel op steenen of boomtakken zittend, zijn eenvoudig, maar aangenaam klinkend liedje voordragen; volgens Collett verheft hij zich echter wel degelijk zingend in de lucht en laat in dit geval een geheel ander lied hooren, dan als hij stil zit. Het voedsel van dezen Vogel bestaat uit plantaardige stoffen, vooral zaden, en Insecten, hoofdzakelijk uit de in alle toendra’s zoo buitengewoon veelvuldige Muggen en hare larven, waarmede ook de jongen grootgebracht worden.

*

Het geslacht Kuifleeuwerik (Galerita) is van het vorige duidelijk te onderscheiden wegens de tot een puntige kuif verlengde veeren van de kruin.

Bergleeuwerik (Otocorys alpestris). ½ v. d. ware grootte.

Bergleeuwerik (Otocorys alpestris). ½ v. d. ware grootte.

De Kuifleeuwerik (Galerita cristata) is een weinig grooter dan de gewone Leeuwerik, 18 cM. lang met den 6.5 cM. langen staart. Daar de kleur in deze soort aan veel afwisseling onderhevig is, kan er moeielijk iets bepaalds van gezegd worden. De exemplaren, die hier te lande en in Duitschland wonen, zijn van boven op roodachtig leembruinen grond met donkerbruine schaftvlekken geteekend; de veeren van de kuif hebben zwarte schaften; de teugel en een onduidelijke streep boven de oogen zijn licht isabelkleurig, de zijden van den kop bruinachtig leemkleurig, de onderdeelen isabelkleurig wit, op de borst en de flanken naar rood zweemend; de kop en de borst zijn met breede uitvloeiende, donkere, de onderste staartveeren met dergelijke, doch meer wegsmeltende schaftvlekken versierd; de slagpennen zijn donkerbruin, aan de buitenzijde en aan de spits met smallen, aan de binnenzijde met breeden, roestkleurigen rand; de laatste armpennen en de vleugeldekveeren hebben, evenals de zwartbruine staartveeren, aan de buitenzijde en aan den top een leembruinachtigen zoom, die bij deze [76]smal, bij gene breed is; van de beide buitenste stuurpennen is de geheele buitenvlag roestroodachtig. Het oog is donkerbruin, de snavel bruinachtig, de wortelhelft van den ondersnavel en de voet zijn geelachtig.

Met uitzondering van het hooge noorden bewoont onze Kuifleeuwerik bijna geheel Europa, een deel van Azië en een belangrijk deel van Afrika; hij komt in ’t zuiden veelvuldiger voor dan in het noorden en is in Spanje en Noord-Afrika de meest verbreide soort van de geheele familie. Ook in Duitschland echter breidt deze soort haar gebied van jaar tot jaar verder uit; de bergpassen volgend, vestigt zij zich langzamerhand op allerlei plaatsen, waar zij vroeger niet voorkwam. Van de verbreiding van den Kuifleeuwerik sprekend, zegt Schegel: “Hij houdt zich in droge, zandige, open streken op. In ons rijk wordt hij in Gelderland en eenige aangrenzende provinciën op sommige plaatsen van onze heidevelden aangetroffen en komt ook in onze duinstreken, maar enkel bij de dorpen en langs de wegen voor. Dit laatste is trouwens ook het geval in de meeste overige streken, die hij bewoont. Het is een standvogel, die echter in het koude jaargetijde veelal rondzwerft.” In Friesland “broedt hij niet, maar vindt men hem des winters in de zandstreken, in groote vluchten rondzwervend. Sommige overwinteren ook in de buitenwijken van Leeuwarden en zoeken dagelijks met de Musschen hun voedsel nabij de huizen.” (Albarda).

“De verhuizing van den Kuifleeuwerik naar Middel-Europa,” schrijft W. Marshall, “is een buitengewoon merkwaardig verschijnsel. Als standvogel bewoont hij in zeer grooten getale het gebied, dat zich van den voet der Chineesche en Mongoolsche gebergten over Toerkistan, Perzië en het Trans-Kaspische district tot aan Zuid-Rusland uitstrekt. Hij ontbreekt echter in West-Siberië; waarschijnlijk vormt hier de Oeral-rivier, misschien reeds de Wolga, de oostelijke grens van zijn verbreidingsgebied. Uit zijn zuidoostwaarts van ons werelddeel gelegen vaderland is hij langs drie, misschien wel langs vier wegen naar Europa gekomen.

“In het ten zuiden van de Alpen gelegen deel van Boelgarije en Klein-Azië, om de Middellandsche Zee heen tot aan den Atlantischen Oceaan, heeft hij zich misschien reeds voor eenige duizenden van jaren gevestigd; hier zijn een groot aantal rassen van deze soort ontstaan, die zich, zoowel van elkander als van de vormen, die aan deze zijde van de Alpen wonen, door kleur, grootte en, wat opmerkelijk is, ook door hun zang en eenige andere eigenaardigheden van levenswijze onderscheiden.

“De tweede poort, waarvan onze Vogel gebruik gemaakt heeft, om zich naar ’t westen te begeven, is de IJzeren Poort; langs dezen weg is hij echter nog niet zeer ver in de oeverlanden van den Donau doorgedrongen; in 1864 kwam hij nog niet voor bij Arnsdorf in het Weenerwoudgebied, waar hij reeds zes jaren later veelvuldig begon te worden; sinds 1879 wordt hij in de omstreken van Weenen algemeen aangetroffen.

“De derde weg, die voor den intocht van den Kuifleeuwerik gediend heeft (wij zullen haar de Noordduitsche noemen), loopt langs den Oder (misschien nog een vierde langs den Weichsel) en neemt dan een westelijke richting aan om in de eerste plaats de zeekust te volgen. Bij Petersburg wordt de Kuifleeuwerik nog niet aangetroffen, naar Zweden en naar Engeland dwaalt hij slechts zelden af, in Sleeswijk vertoont hij zich uitsluitend gedurende den winter; maar dan veelvuldig; in Holstein echter broedt hij reeds sedert 1850; reeds in 1856 werden enkele nesten op Sylt waargenomen; sedert 1820 heeft men hem in Oldenburg opgemerkt, aanvankelijk was hij hier zeer zeldzaam, reeds in 1853 echter zeer talrijk. In het einde van de vorige eeuw was dit dier in geheel Thuringen alleen als wintergast bekend; in het zuiden van Thuringen komt hij ook thans slechts gedurende strenge winters en dan nog zeldzaam voor; in het noordwesten van dit gebied (bij Schlotheim niet ver van Muhlhausen) broedde hij reeds in 1854 veelvuldig.

“De Kuifleeuwerik is in nog hoogere mate een steppenbewoner dan de overige Vogels, die uit het zuidoosten tot ons gekomen zijn; hierdoor wordt het verklaarbaar, dat hij bij voorkeur de groote heerwegen naar ’t westen volgt en het liefst in hun nabijheid broedt, want juist deze gewesten hebben in hooge mate de eigenaardigheden van steppen, even woest als de Chineesche en de Mongoolsche. De gewoonte van dezen ook in andere opzichten, o.a. door zijn eigenaardige stem en kopversiering, vreemdsoortigen Vogel, om langs de groote verkeerswegen te loopen, heeft ook de aandacht van het volk getrokken: algemeen is b.v. in Thuringen onder het volk de meening verbreid, dat de Kuifleeuwerik in 1813 met de Russen in ’t land gekomen is; iets dergelijks wordt ook van den Gewonen Kakkerlak beweerd.”

In het zuiden van Europa vindt men den Kuifleeuwerik in en bij de dorpen zoowel als op de eenzame, onbewoonde vlakten en in de gebergten; in Nederland en Duitschland geeft hij de voorkeur aan de nabuurschap van den mensch en komt ’s winters bedelen in de dorpen en steden, bij de pakhuizen en keukens.

Buiten den paartijd is de Kuifleeuwerik een stille Vogel, die alleen door zijn algemeenheid in ’t oog valt, voor ’t overige echter zeer bescheiden is. Van den Akkerleeuwerik kan hij gemakkelijk onderscheiden worden door zijn ineengedrongen gestalte en door de spits eindigende kuif, die bijna overeind staat. Door zijn wijze van zitten en loopen en ook door het vliegen gelijkt hij zeer op zijne verwanten. Zijn stem bestaat uit de zachte klanken “hoid hoid”, waarop gewoonlijk een schel, aangenaam klinkend “kwie kwie” volgt. Zijn gezang munt uit door afwisseling van tonen, hoewel hij achterstaat bij dat van den Gewonen en ook zelfs bij dat van den Boomleeuwerik.

De Kuifleeuwerik gebruikt zoowel plantaardig als dierlijk voedsel. In den herfst, den winter en de lente eet hij allerlei soorten van zaden; in de lente plukt hij de toppen van het jonge gras en van andere groene kruiden af.

Zijn nest vindt men op akkers en droge weiden, in wijnbergen, tuinen en op dergelijke plaatsen, dikwijls zeer dicht bij bewoonde gebouwen, in druk bezochte publieke tuinen en zelfs op spoorwegterreinen; het is echter altijd goed verborgen en moeielijk te vinden. De bouwtrant verschilt weinig van die der andere leeuwerikennesten. De 4 à 6, zeldzamer 3 eieren, die het bevat, zijn op gelen of roodachtig witten grond overal met een groot aantal aschgrauwe en geelbruine stippeltjes en vlekjes bezaaid. Door het waarnemen van een paar Kuifleeuweriken in de kooi heeft Liebe het voortplantingsbedrijf van deze (en misschien wel van alle) Leeuweriken op een onverwachte wijze opgehelderd. Het wijfje broedt alleen; zij zit, als het niet zeer koud is, overdag slechts weinig op de eieren, maar verlaat ze ongeveer ieder halfuur om zich op te knappen en om voedsel te zoeken, daar zij door het mannetje niet gevoederd wordt. Na 13 dagen komen de jongen [77]uit; deze worden, hoewel zij slechts gebrekkig met dons bekleed zijn, waardoor de zwartachtig paarse huid overal heenschemert, toch weinig gekoesterd. Alleen des nachts of bij ruw weder zit de moeder aanhoudend op het nest. Het mannetje helpt de jongen grootbrengen door Insecten te verzamelen, deze met den snavel voor te bereiden en ze voor het wijfje neer te leggen, opdat zij ze aan de jongen zal geven. Op den achtsten levensdag loopen de jongen uit het nest en keeren er niet weder in terug. Aanvankelijk huppelen zij op een onbeholpen wijze rond; eerst na den twaalfden dag loopen zij op de wijze van hunne ouders. Deze beginnen, zoodra de jongen zich zelf kunnen redden, aan een tweede en later aan een derde broedsel.

De Kuifleeuwerik wordt niet in zoo grooten getale als de Akkerleeuwerik ten behoeve van de keuken gevangen en ook om andere redenen bijna niet vervolgd. Zijne vijanden zijn dezelfde als die, welke gevaarlijk zijn voor andere op den grond nestelende Vogels. Zelden houdt men hem in een kooi.

De Boomleeuwerik (Galerita arborea), is de kleinste in Nederland broedende soort van de geheele familie. Zijn lengte bedraagt 15.3 à 15.8 cM. met den 5.5 cM. langen staart. De bovendeelen hebben nagenoeg dezelfde kleur als bij den Akkerleeuwerik, maar vertoonen een meer roestroode tint; de onderdeelen zijn witachtig, tot aan de borst overlangs gestreept; de veeren van den bovenkop zijn een weinig verlengd; de buitenste groote dekveeren zijn aan de achterhelft wit; het wit aan den staart is beperkt tot het einde van de vier buitenste paren stuurpennen.

Deze lieftallige Vogel bewoont van het midden van Zweden af geheel Europa en bovendien West-Azië. De door hem bevolkte terreinen zijn echter minder uitgestrekt dan die van de andere Leeuweriken, daar hij zich alleen in de eenzaamste heide- en woudstreken ophoudt. Na den broedtijd komt de Boomleeuwerik met zijne jongen op de afgemaaide hooilanden, voorts bezoekt hij op den trek in de vlakten de braakliggende landerijen en de akkers, waarvan de producten zijn binnengehaald; op zijn reis naar ’t zuiden, die in October aanvangt, legt hij iederen dag slechts een korten weg af, omdat het bijeenzoeken van het voedsel, dat uit kevertjes en nietig kleine zaden bestaat en dus niet overvloedig is, hem veel tijd kost. Zoodra de sneeuw op de bergen gesmolten is, in de laatste helft van Februari of in Maart, keert hij terug van zijn reis, die gewoonlijk reeds in Zuid-Europa eindigde, maar zich ook wel tot Afrika uitstrekte, en vestigt zich weer op zijn oude woonplaats. In ons land komt hij in de meeste streken slechts op den trek en in kleinen getale voor; hij broedt echter in Gelderland, in Noord-Brabant (bij Ginneken) en in Utrecht (bij Soest).

“De Boomleeuwerik,” zegt Brehm, de vader, “is een allerliefst diertje, vlug en behendig van bewegingen, tam en gemeenzaam waar hij ontzien wordt, daarentegen voorzichtig en schuw overal waar hij vervolgingen heeft te verduren of meent te moeten duchten. Hij loopt vlug met kleine passen, houdt intusschen de borst omhoog en zet de veertjes van de kruin op tot een kleine kuif, hetwelk hem zeer goed staat.

“Zijn sierlijk nest is, al naar de weersgesteldheid in de lente, vroeger of later gereed, soms reeds in de laatste dagen van Maart; het is onder een spar of een jeneverbes of eenvoudig in het gras gebouwd. Het is in een uitgekrabde, niet door takken overdekte uitholling van den grond gelegen, uit fijne, droge halmen van grassen samengesteld, dieper dan een halven bol en van binnen zeer glad en netjes bewerkt. Het broedsel bestaat uit 4 à 5, zelden 3 eieren, die op witachtigen grond met grijs- en lichtbruine stippels en vlekjes dicht bestrooid zijn; zij worden met groote toewijding door het wijfje alleen uitgebroed, het mannetje verzorgt intusschen zijn wederhelft met voedsel. De jongen van het eerste broedsel blijven slechts korten tijd onder de hoede van hunne ouders, daar deze spoedig een tweede broedsel beginnen. Nadat ook deze werkzaamheden zijn afgeloopen, vangt het zwerven aan, dit duurt voort, totdat de tijd van trekken is gekomen; de ouders zijn intusschen met al hunne kinderen tot een klein gezelschap vereenigd; soms merkt men vluchten op, die uit twee of meer familiën bestaan. Zij verlaten ons in het einde van October of het begin van November.

“De grootste bekoorlijkheid van den Boomleeuwerik is zijn voortreffelijk gezang. Wanneer men een voetreis doet door een eenzame streek waar geen enkel schoon vergezicht vergoeding geeft voor het ontstemmend schouwspel van den schralen plantengroei, waar schijnbaar geen spoor van dierlijk leven aanwezig is, ziet men soms plotseling den aanvalligen Boomleeuwerik verschijnen, die eerst zijn zachten loktoon “loelloe” laat hooren, daarna omhoogstijgt en luid fluitend en kwinkeleerend halve uren lang onder de wolken zweeft of op een boom zittend zijn aangenaam lied ten einde brengt. Nog liefelijker echter klinkt dit gezang des nachts. Telkens als ik in het stille, middernachtelijke uur een wandeling deed door het armoedige oord, dat onzen Vogel als woonplaats dient, op eenigen afstand het huilen van den Ooruil, en het spinnen van den Geitenmelker of in de onmiddellijke nabijheid het snorren van een voorbijvliegenden Kever opmerkte, bij welke geluiden ik mij in de woeste streek zoo recht eenzaam gevoelde, was ik ten hoogste verblijd, als een Boomleeuwerik zich in de lucht verhief en zijne welluidende trillers liet weerklinken. Lang bleef ik dan staan luisteren naar deze als ’t ware uit den hemel afdalende tonen en zette vervolgens met frisschen moed mijn wandeling voort. Hoewel ik zeer goed weet, dat de Boomleeuwerik begon te zingen, omdat een innerlijke drang hem er toe dreef en omdat hij zijn wijfje door gezang bezig houden en genoegen verschaffen wilde, rees in zulke oogenblikken steeds het denkbeeld in mij op, dat hij opgestegen was om mij, zijn ouden vriend, een dienst te bewijzen, om mij de eenzaamheid te verzoeten.”

De Boomleeuwerik kan zich, wat zijn gezang betreft, met den Nachtegaal niet meten en toch vervangt hij dezen. Het lied van den Nachtegaal weerklinkt slechts gedurende twee maanden: de Boomleeuwerik echter zingt van Maart tot Augustus, na het ruien nog in de laatste helft van September en de eerste van October; bovendien houdt hij zich op in woeste, arme gewesten, in het gebergte, waar buiten hem slechts weinige goede zangers wonen, terwijl zij op de plaatsen, waar hij leeft, misschien geheel ontbreken! Hij is de lieveling van alle bergbewoners, de trots van den liefhebber van kamervogels, de vreugde van den handwerksman, die gedurende de geheele week aan zijn werkplaats gebonden is, hier, evenals zijn vogeltje, gevangen wordt gehouden. Ruimschoots verdient de Boomleeuwerik de genegenheid, die men hem toedraagt, de glorie, die hem omstraalt. Ongelukkig neemt het aantal Vogels van deze soort niet toe, zooals dat van [78]de Akker- en Kuifleeuweriken; integendeel het is jammerlijk aan ’t verminderen, zonder dat men hiervoor een aannemelijke reden weet op te geven.

*

De Woestijnleeuwerik (Ammomanes deserti) is van boven grijsachtig kaneelbruin, op den staartwortel roestroodachtig, van onderen witachtig isabelkleurig; de oorstreek, de krop, de zijden van den romp, de onderdekveeren van de vleugels en van den staart hebben een fijne, roodachtige isabelkleur, op den krop met onduidelijke, overlangsche streepjes; de slagpennen en stuurpennen zijn olijfbruin, gene aan de buitenzijde roestroodachtig kaneelkleurig, de beide buitenste staartveeren aan de buitenzijde tot in de nabijheid van den top roestkleurig isabel. Het oog is bruin, de snavel bruinachtig, de voet donkerbruin. Het geheele dier is 16, de staart 6.5 cM. lang.

Het verbreidingsgebied van den Woestijnleeuwerik omvat het grootste deel van Noord- en Noordoost-Afrika, West-Azië en Midden-Indië; soms, doch zeer zelden, dwaalt hij af naar Zuid-Europa, door Erhard wordt hij echter opgenoemd onder de Vogels, die des zomers op de Cycladen voorkomen.

Hij vermijdt het bebouwde land en bewoont die landstreken, waar het dorre zand de levenwekkende kracht van het water met goed gevolg trotseert. In het zand verdwijnt hij voor de blikken zijner vijanden, in het zand vindt hij zijn voedsel: hij gevoelt zich uitsluitend en volkomen in de woestijn thuis. Zijn lokstem hoort men in Opper-Egypte reeds, zoodra men den laatsten dam overschrijdt, die het aan den stroom ontleende, vruchtbaar makende water tegen het naar vocht verlangende zand beschermt; hij is het, die in de verhevene tempelzalen heerscht als een Isis-priester, die uit den ouden tijd is achtergebleven en een gedaanteverwisseling ondergaan geeft; hem ontmoet men ook als een volslagen huisvogel in de tent van de bruine nomaden. Hij is aanvallig, maar stil en ernstig van aard. Hij loopt buitengewoon snel, vliegt behendig en vlug, hoewel min of meer fladderend. Zijn gewone lokstem maakt een eenigszins droefgeestigen indruk, waardoor men haar welluidendheid bijna zou vergeten. Overal waar deze soort voortkomt, zijn hare vertegenwoordigers veelvuldig; gewoonlijk ontmoet men ze bij paren; met hare soortgenooten leven zij in vrede, maar vereenigen zich zelden met hen tot vluchten.

De Woestijnleeuwerik schuwt den mensch niet. Het komt in den Arabier niet op den argeloozen Vogel vijandig te behandelen; ook de Europeaan wordt hem weldra zoo genegen, dat hij er letterlijk tegen opziet, hem te dooden.

*

Een geheel ander voorkomen dan de meest typische vormen der familie hebben de Kwikstaartleeuweriken (Alaemon). Hunne kenmerken zijn: de slanke lichaamsbouw, de lange, betrekkelijk dunne, meer of minder sterk gebogen snavel, de lange loop met middelmatig lange teenen, waarvan de binnenste of achterwaarts gerichte een tamelijk korte, flauw gebogen klauw of spoor draagt, de zeer lange en breede vleugels, de middelmatig lange staart en het goed gevulde, glad aanliggende kleed.

De Woestijnlooper-leeuwerik (Alaemon desertorum) is van boven roodachtig isabelkleurig, de teugel, een streep boven de oogen, de zijden van den kop en de onderdeelen zijn wit; de kropveeren zijn fijn vaal isabelkleurig en met smalle, donkere schaftstrepen geteekend; de handpennen zijn zwart, de bovendekveeren van de armpennen aan den top wit, de witte armpennen vormen een breede dwarsstrook op den vleugel; de bruinzwarte staartveeren hebben aan de buitenzijde en aan den top een roodachtig isabelkleurigen zoom. Totale lengte 22, staartlengte 9 cM.

Het verbreidingsgebied van deze soort, waarvan herhaaldelijk ook in Zuid-Europa exemplaren zijn geschoten, omvat het geheele noordoosten van Afrika en West-Azië, Palestina, Perzië en Sind. Bijzonder veelvuldig heb ik haar tusschen Kaïro en Suez waargenomen. Ik vond hier kleine familiën van hoogstens 4 à 6 stuks, nooit vluchten, gewoonlijk paren. Het eene paar woont dicht bij het andere; naar het schijnt, bezoeken de buren elkander dikwijls met volkomen vriendschappelijken zin.

Wat levenswijze betreft, houdt de Woestijnlooper-leeuwerik als ’t ware het midden tusschen de leden zijner familie en de Renvogels. Hij loopt bij rukken, buitengewoon snel, veeleer op de wijze der Strandloopers dan op die der Leeuweriken, maar verheft zich met haastige vleugelslagen snel omhoog, zweeft eenige oogenblikken achtereen op dezelfde plaats en laat zich daarna plotseling met opgevouwen vleugels op den bodem of ook wel op een struik nedervallen, springt vervolgens hiervan af op den grond en loopt nu schielijk voort. Dit spel herhaalt hij soms verscheidene, snel opeenvolgende malen. Ik geloof, dat alleen het mannetje zulke bewijzen van bekwaamheid in het vliegen geeft; het kwam mij voor, dat dit spel ten doel had het wijfje genoegen te doen. Het paar blijft trouw vereenigd; het mannetje en het wijfje blijven gedurende het rennen dicht bij elkander en vliegen bijna gelijktijdig op. Jegens den mensch zijn de Woestijnlooper-leeuweriken volstrekt niet schuw; zij naderen de bewoonde stations van den “Oost-Indischen weg” met de argeloosheid van den Kuifleeuwerik; ik ontmoette ze meermalen op de uitgestrekte binnenplaatsen van deze gebouwen.


De leden van de familie der Woudzangers (Sylvicolidae) missen de eerste slagpen. Men merkt bij hen drieërlei vormen op: sommige groepeeren zich om de Piepers, terwijl andere aan Grasmusschen, nog andere aan vinken herinneren.



De Kwikstaarten (Motacillinae) kenmerken zich door hun buitengewoon slank gebouwd lichaam, door den dunnen, rechten, langwerpig priemvormigen, aan de rugzijde kantigen snavel, die vóór de spits van de bovenkaak met een ondiepe inkerving voorzien is, door de middelmatig lange vleugels, waarin de derde slagpen de langste is, maar welker armpennen nagenoeg even lang zijn als de handpennen, door den langen, uit smalle pennen samengestelden, bij uitzondering gaffelvormigen staart, door de tamelijk hooge, uit slanken loop en lange teenen bestaande voeten, die met groote, aan den achterteen dikwijls spoorvormig verlengde klauwen gewapend zijn en door het bont gekleurde kleed, dat al naar het geslacht eenigszins verschilt.

*

De Kwikstaarten in engeren zin of Boom-kwikstaarten (Motacilla) omvatten ruim een dozijn soorten, die uitsluitend in de Oude Wereld thuis behooren, maar hier over alle breedte- en hoogtegordels [79]verbreid zijn. Zij bewonen waterrijke gewesten. Enkele soorten verwijderen zich alleen gedurende hun reis naar ’t zuiden van ’t water, andere zwerven om voedsel te zoeken ook op droge plaatsen rond, daarna keeren zij echter altijd weer naar ’t water terug. De in ’t noorden levende soorten zijn trekvogels, die van ’t zuiden zwerfvogels, sommige volslagen standvogels. In het noorden verschenen zij vroeg in ’t voorjaar en blijven er tot laat in den herfst, hoewel zij hun reis naar ’t zuiden ver uitstrekken. Hunne bewegingen zijn sierlijk en lieftallig. Gewoonlijk gaan zij stappend, op bedachtzame wijze en knikken bij elken stap met den kop; den langen staart houden zij intusschen waterpas of een weinig bovenwaarts gericht en bewegen hem voortdurend op en neer. Zij vliegen snel en behendig, waarbij zij een uit groote bogen bestaanden weg volgen. Hun stem is niet bijzonder krachtig, hun gezang eenvoudig, maar aangenaam. Zij voeden zich met allerlei Insecten en larven en met ongewervelde dieren, die het water bewonen. Het nest is kunsteloos samengesteld uit fijne takjes, worteltjes, halmen, mos, droge bladen en dergelijke materialen, van binnen bekleed met wol of andere zachte stoffen; het wordt gebouwd in holen en kuilen, in den regel dicht bij het water; de eieren hebben een dunne schaal en zijn op lichten of grijsachtigen grond fijn gevlekt.

Witte Kwikstaart (Motacilla alba). ⅗ v. d. ware grootte.

Witte Kwikstaart (Motacilla alba). ⅗ v. d. ware grootte.

De meeste Kwikstaarten weten door hun bevalligheid en vertrouwelijkheid de genegenheid zelfs van de ruwste menschen te winnen; onder de menschen hebben zij daarom nagenoeg geen vijanden; wel wordt hun leven bedreigd door vele roofdieren en staan zij bovendien wegens hun verblijfplaats aan vele gevaren bloot; zij vermenigvuldigen zich echter zoo sterk, dat er voor vermindering van hun aantal geen gevaar bestaat. Hoewel zij door hun lieftalligheid en bevallig voorkomen als kamervogels een aangenamen indruk maken, worden zij zelden in een kooi gehouden.

De Witte Kwikstaart, die ook wel Akkermannetje, Bouwmannetje, Bouwmeestertje, in Zuid-Beveland Paardenwachter, in het land van Kuik Ploegdrijvertje, in Friesland Zwaluwwipstaart, op Ameland Verboden Zwaluw wordt genoemd (Motacilla alba), is in zekeren zin het type van dit geslacht. Zijne bovendeelen zijn grijs, de achterhals en de nek fluweelachtig zwart, de keel, de gorgel en de bovenborst zwart, de voorkop, de teugel, de wangen, de zijden van den hals en de onderdeelen wit, de slagpennen zwartachtig met witachtig grijze zoomen; de witte spitsen van de dekveeren vormen om de vleugels twee lichte banden; de middelste stuurpennen zijn zwart, de overige wit. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 20, staartlengte bijna 10 cM.

In Groot-Brittannië komt nevens den Witten Kwikstaart een verwante vorm voor, die soms als een afzonderlijke soort, soms als een ras wordt beschouwd. Deze, de Rouwkwikstaart (Motacilla alba lugubris), verschilt van den Witten alleen hierdoor, dat in het lentekleed ook de mantel, de staartwortel en de schouders zwart zijn. Wij beschouwen hem als een ras. Nu en dan worden eenige exemplaren van dit ras in Noord- en Zuid-Holland, soms ook in Noordbrabant waargenomen.

De Witte Kwikstaart bewoont geheel Europa, ook IJsland, voorts West- en Middel-Azië, en zelfs Groenland. Behalve in de hoog gelegen bosschen en de bergstreken boven de grens van den boomgroei treft men hem in den letterlijken zin van ’t woord overal aan; naarmate de bebouwing van den bodem toeneemt, vermeerdert ook het aantal van deze Vogels. In den winter trekken zij tot in het binnenland van Afrika, enkele hebben echter reeds in Zuid-Europa en zelfs in Duitschland hunne winterkwartieren bereikt. Ook in ons land blijft een zeker aantal, zelfs bij strenge koude, den winter over.

De Witte Kwikstaart behoort in Nederland tot de zeer gewone Vogels; hij komt hier veelal reeds in de eerste helft van Maart en vertrekt eerst in October. Meestal wordt hij in de nabijheid van het water aangetroffen; gaarne broedt hij in tuinen, ook in woningen, zelfs midden in de steden, waar men hem vaak op de daken der huizen ziet zitten. Buiten zet hij zich veelal op dorre takken van boomen, in het riet of op kruiden. Doorgaans ziet men hem echter op den grond loopen.

In de hoogste mate bewegelijk, onrustig en opgewekt van aard, is hij van den vroegen morgen tot laat in den avond onverpoosd bezig. Alleen gedurende het zingen ziet men hem soms werkelijk stil zitten; [80]rechtop en met hangenden staart blijft hij dan op dezelfde plaats; overigens loopt hij voortdurend heen en weer, of beweegt althans den staart. Hij loopt stappend, beweegt zich op deze wijze vlug en behendig, intusschen den romp en den staart waterpas houdend en den hals een weinig intrekkend. Hij vliegt zonder inspanning en snel; de door hem gevolgde weg bestaat uit lange, stijgende en dalende bogen, die gezamenlijk een lange, slangswijs gekronkelde lijn vormen; meestal vliegt hij laag over het water of den bodem en slechts korte afstanden af, zoodat de reis van zeer korten duur is; op de plaats, waar hij zich nederzetten wil, laat hij zich eensklaps vallen en breidt eerst dicht bij den grond den staart uit om de snelheid van den val te verminderen. Zijn duidelijk hoorbare lokstem klinkt als “kiewie” en wordt soms met “tsiesies” of “tsioewies” verlengd; verliefdheid openbaart hij door een zacht “kwierierie”. Zijn gezang weerklinkt, terwijl hij zit, loopt of vliegt en wordt zeer dikwijls herhaald; hij is wel eenvoudig, maar toch niet onaangenaam. Hij houdt veel van het gezelschap zijner soortgenooten, stoeit gaarne met hen en jaagt hen spelend na, welk spel ook wel eens in een ernstige vechtpartij ontaardt. Jegens andere Vogels is hij niet zeer toeschietelijk, veeleer vijandig; dikwijls zoekt hij ruzie met Vinken, Gorsen en Leeuweriken en voert strijd met Roofvogels.

Allerlei Insecten, volwassene, zoowel als larven en poppen, worden door den Kwikstaart opgezocht aan de oevers van het water, in de slib, tusschen steenen, in mesthoopen, op daken van huizen en andere plaatsen; bliksemsnel schiet hij toe op iederen zichtbaren buit en grijpt hem zonder fout; gaarne volgt hij den ploegenden landman om de Insecten, die de ploegschaar blootlegt, uit de voren op te pikken; geregeld zoekt hij het weidende vee op en blijft soms dagen lang bij de schaapskooien. In den herfst trekken de familiën iederen avond naar de rietvijvers en zoeken hier, nevens de Zwaluwen en Spreeuwen een slaapplaatsje. Later vereenigen alle familiën uit den omtrek zich tot min of meer talrijke vluchten, die aan de oevers der rivieren kunnen aangroeien tot zwermen van duizenden individuen. De op deze wijze gevormde legers trekken gemeenschappelijk naar ’t zuiden, strijken over dag bij de kudden langs of begeven zich van den eenen pas geploegden akker naar den anderen, altijd door in dezelfde richting voortgaande, totdat de duisternis invalt; de reizigers stijgen daarna omhoog en vliegen onder luid geroep in zuidwestelijke richting verder.

Nog fraaier en bevalliger dan de zooeven genoemde soort is de Groote Gele Kwikstaart (Motacilla melanopes)6, die met recht bekoorlijk mag heeten. Het lentekleed van het mannetje is van boven aschgrauw, van onderen zwavelgeel, aan de keel zwart, welke kleur van het grauw der bovenzijde gescheiden is door een witte streep; een streep van dezelfde kleur loopt boven het oog langs; twee lichtgrijze, niet zeer duidelijke banden komen op den vleugel voor. De drie buitenste stuurpennen zijn grootendeels wit, de pooten vleeschkleurig roodgeel. Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Europa, bij het zuiden van Zweden te beginnen, het grootste deel van Azië en eenige gebergten van Noord-, Oost- en West-Afrika, vooral de Atlas, het Abessinische Hoogland en de hooglanden van de westkust. Op de Kanarische eilanden komt zij veelvuldig voor. In Noord-Europa is de Kwikstaart zeldzaam, in Nederland broedt hij alleen in de grensprovinciën, in Midden-Duitschland en verder zuidwaarts vindt men hem bijna overal in het gebergte en zelfs bij iedere heldere beek van de voorbergen, soms zelfs bij zulke beken in de vlakte, in ’t zuiden treft men hem alleen in de hooge gebergten aan. Uit Nederland, waar de soort niet talrijk vertegenwoordigd is, vertrekt zij tegen November naar ’t zuiden en komt in het begin van Maart terug. Enkele exemplaren overwinteren hier te lande en bezoeken in het koude jaargetijde nu en dan de kustprovinciën, waar zij echter nooit broeden.

Weinige Vogels zijn meer op netheid gesteld dan deze lieftallige Kwikstaart. Hij maakt den indruk van een dame, die gedurende de wandeling haar japon opneemt, als hij langs den waterkant of op ondiepe plaatsen in het water stapt; werkelijk draagt hij groote zorg voor de reinheid van zijn vederenkleed en maakt bij ’t gaan sierlijke pasjes als een danseres. Zijn loktoon, dien hij hoofdzakelijk gedurende het vliegen, minder dikwijls zittend laat hooren, heeft zeer veel overeenkomst met dien van den Witten Kwikstaart, zoodat men beide soorten al zeer goed moet kennen om ze, op de stem afgaande, met zekerheid te onderscheiden. Ook de Groote Gele Kwikstaart broedt vroeg in de lente: voor de eerste maal reeds in April, voor de tweede maal niet later dan Juli.

*

De Gele Kwikstaart, ook wel bekend onder de namen Koevinkje (in Groningen), Geel Bouwmannetje (in Friesland) en Geel Akkermannetje (Budytes flavus), wordt wegens zijn korten staart en den op een spoor gelijkenden nagel van den achterteen beschouwd als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht—de Grondkwikstaarten (Budytes). Zijn lengte bedraagt gemiddeld 17 cM. met inbegrip van den 7 cM. langen staart. De bovenkop, de nek en de achterhals, met uitzondering van een boven de oogen zich uitstrekkende, witte streep, zijn aschgrauw, de overige bovendeelen olijfgroen, de bovendekveeren van den staart donkerder, de zijden van den kop en van den hals, evenals de overige onderdeelen, zwavelgeel, de slagpennen bruinzwart, de laatste armpennen met vaalwitten zoom, de grootste bovendekveeren aan ’t uiteinde met vaalwitten rand, waardoor op den vleugel een lichte dwarsstrook ontstaat, de staartveeren zwart, behalve de beide buitenste, die een witte kleur hebben. De oogen zijn bruinzwart, de snavel en de pooten zwart.

Tot hetzelfde geslacht behooren verscheidene vormen met standvastig overervende eigenaardigheden, die door sommige natuuronderzoekers als soorten, door andere als rassen worden beschouwd. Van deze vermelden wij er twee—de Noordsche Gele Kwikstaart (Budytes flavus nigricapillus) en de Engelsche Gele Kwikstaart (Budytes flavus Rayii)—, omdat zij enkele malen (Albarda) ook hier te lande werden waargenomen. Zij verschillen van den Gewonen o. a. door de kleur van den bovenkop, die bij den eerstgenoemden vorm zwart, bij den tweeden geel, bij den Gewonen in de lente grootendeels geelgroen, later aschgrauw is.

In alle noordelijke landen zijn de Gele Kwikstaarten zomervogels, die veel later dan de Witte komen en veel vroeger hunne winterkwartieren opzoeken. Bij ons komen zij in de tweede helft van April en verhuizen in September naar het zuiden. Behalve in Europa [81]broeden zij ook in Middel-Azië en Noordwest-Amerika; ’s winters houden zij zich op in Zuid-Azië, Middel- en Zuid-Afrika. Op den trek strijken zij bij iedere groote kudde vee neder en blijven hier dikwijls gedurende den geheelen dag. Hunne broedplaatsen zijn, behalve in de toendra, waar men deze vrienden van het moeras bij honderdduizenden aantreft, gelegen in vochtige streken of in vlakke landen, die tijdelijk overstroomd worden, bij ons op lage veenachtige gronden, in weiden en moerassen. “Daar, waar de Gele Kwikstaarten broeden,” zegt Naumann, “vindt men des zomers geen koolzaad- of raapzaadveld, geen erwten-, boomen- of wikkenakker van eenige beteekenis, geen klaverveld, geen vrij gelegen vette weide en geen boomlooze, grasrijke moerasstreek, waar niet minstens eenige van deze Vogels huizen. In ongeloofelijk grooten getale bewonen zij enkele broeklanden. In de “marschlanden” of lage, vochtige kuststreken, waar zij behalve welige graanvelden en akkers met vette veldvruchten, water, moerassen, riet en weiden, bijeenvinden, waar behalve landbouw ook veeteelt voorkomt, hebben zij al wat zij wenschen kunnen; hier zijn zij derhalve zeer overvloedig.

Door hunne bewegingen gelijken zij meer op den Witten dan op den Grooten Gelen Kwikstaart. Zij zijn behendig in ’t loopen, bijzonder vaardig echter in ’t vliegen. Als zij over een kleine ruimte heenvliegen willen, geschiedt dit eenigszins bij rukken; op den trek vliegen zij echter buitengewoon snel. Niet zelden blijven zij fladderend of schommelend gedurende geruimen tijd in de lucht zweven boven een en dezelfde plaats; dikwijls schieten zij van aanzienlijke hoogten met toegevouwen vleugels bijna loodrecht naar beneden tot op den grond. Hun lokstem is een fluitend geluid, dat als “bsiuub” of “bielieb”, maar ook een zachte toon, die als “sieb sieb” klinkt; het waarschuwingssein is een scherp uitgestooten “srie”, het paringsgeluid een gerekt “tsierr”. Hun gezang gelijkt op dat van den Witten Kwikstaart.

Het nest rust op den bodem tusschen gras, graan of moerasplanten, meestal in een kleine holte, soms ook onder boomwortels. Fijne wortelvezels, halmen, bladen, hooi en groen mos van den grond zijn de materialen, die, losjes saamgeweven, het kunstelooze nest vormen, dat van binnen met halmpjes, vruchtpluis van distels, wol, eenige paardeharen en veeren bekleed is. De 4 à 6 dunschalige eieren, die het bevat, zijn op vuilwitten of roodachtigen grond met geelachtige of bruingrijze, ook wel met violette stippels en wolkachtige vlekken geteekend. Ieder paartje nestelt slechts éénmaal in ’t jaar en wel in het einde van Mei of het begin van Juni. Het wijfje broedt alleen; de jongen komen na 13 dagen uit den dop. De beide ouders zijn zoo bezorgd voor hun gebroed, dat zij door angstgeschreeuw de plaats van het nest aan den vogelkenner verraden. De jongen verbergen zich aanvankelijk behendig in ’t gras, maar maken weldra een even doelmatig gebruik van hunne vleugels als de ouden. Van nu tot hun afreis naar ’t zuiden, vliegen zij gemeenschappelijk rond; eindelijk vangt op een fraaien herfstdag de trek aan. In dezen tijd ziet en hoort men de Gele Kwikstaarten overal, zelfs in ’t gebergte op plaatsen waar vee graast. Naar het schijnt, wordt de reis vlug afgelegd. Vele overwinteren reeds in Egypte. De groote meerderheid echter vliegt tot in het binnenland van Afrika. Hier ziet men gedurende de wintermaanden iedere kudde Runderen, Schapen of Geiten, ja zelfs iederen Kameel of Ezel, ieder Paard of Muildier door deze aardige Vogels omgeven; op de weideplaatsen wemelt het soms van hen. Zij begeven zich met de grazende Runderen naar de steppen en naar de drinkplaatsen terug.

Van uit het noordoosten van Europa is een der fraaiste van alle Kwikstaarten, de Sporenkwikstaart, zooals wij hem zullen noemen (Budytes citreolus), herhaaldelijk naar West-Europa en ook naar Duitschland afgedwaald. Hij is grooter dan de vorige soort, 18 cM. lang met den 8 cM. langen staart; de kop en de geheele onderzijde, behalve de witte onderdekveeren van den staart zijn levendig citroengeel, de nek en het voorste deel van den rug zwart, welke kleur ongevoelig in het leigrauw van de meer achterwaarts gelegen bovendeelen overgaat; de bovendekveeren van den staart zijn bruinzwart.

*

Groote, Zuid-Aziatische leden van de groep der Kwikstaarten zijn de Vorkstaarten (Enicurus), welker kenteekenen te vinden zijn in den betrekkelijk langen, rechten snavel, de krachtige pooten met langen loop, de korte vleugels en den langen, zeer diep gaffelvormigen staart.

Een der eigenaardigste soorten van dit geslacht is de Vorkstaart, de Meninting der Maleiërs (Enicurus Leschenaultii). Bij dezen 26 à 28 cM. langen Vogel zijn de bovenzijde en de vleugels, de voorhals en de borst donker fluweelachtig zwart, de kuifvormig verlangde veeren van den kop bruin, de wortelgedeelten van de armpennen en hunne dekveeren, die, als een geheel beschouwd, een breeden, halvemaanvormigen dwarsband over den rug vormen, de onderrug en het onderlijf zijn wit; de slagpennen zijn zwartachtig; de staartveeren, met uitzondering van de beide buitenste, zuiver witte, zijn zwart met witten top. De snavel is zwart, de voet geel.

“Deze Vogel,” zegt Bernstein, “behoort uitsluitend thuis in de aan bronnen en beken zoo rijke gebergte van Java en is in de voorbergen nergens zeldzaam; zijn eigenlijk gebied is de gordel van 500 à 1200 M. hoogte. Hier zal men hem bijna aan iedere beek aantreffen. Nooit verwijdert hij zich ver van het water; niet zelden echter verdwaalt hij bij ’t volgen van den loop der beken stroomopwaarts tot diep in de oerwouden, zoodat hij soms tot ieders verwondering voorkomt op plaatsen, waar men hem niet verwacht zou hebben.

“Door zijn voorliefde voor het water gelijkt deze Vogel op den Grooten Gelen Kwikstaart, hoewel de kleur van het vederenkleed den Europeaan op Java aan den Witten Kwikstaart herinnert.”

*

De Piepers (Anthus) moeten misschien beschouwd worden als overgangsvormen van de Zangers tot de Leeuweriken. Hunne kenmerken zijn: een slank lichaam, een dunne, rechte, aan den wortel smalle, priemvormige snavel met ingetrokken rand en een ondiepe inkerving vóór de zeer weinig benedenwaarts gebogen spits van den bovensnavel, voeten met slanken loop en zwakke teenen, maar groote nagels, waarvan één, de achterste, evenals bij de Leeuweriken, bij wijze van een spoor verlengd is, middelmatig lange vleugels, een middelmatig lange staart, een glad aanliggend, grond- of graskleurig vederenkleed.

Dit geslacht, dat omstreeks 50 soorten bevat, is over de geheele aarde verbreid. Alle Piepers brengen [82]het grootste deel van hun leven op den bodem door en strijken slechts nu en dan op de boomen neer. Zij zijn beweeglijk, opgewekt, haastig van aard; zij loopen stappend en schielijk, terwijl zij intusschen zachtjes den staart op en neer wippen; wanneer zij een grooten afstand moeten afleggen, vliegen zij goed, snel, zonder inspanning en volgens boogvormige lijnen. Wanneer het verlangen om te zingen hen naar boven drijft, vliegen zij fladderend en zwevend; zij laten een piependen loktoon hooren en hebben een eenvoudig, maar aangenaam gezang. Hun voedsel bestaat uit Insecten, vooral Kevers, Motten, Vliegen, Haften, Muggen en Bladluizen; ook eten zij Spinnen, Wormen en kleine waterdieren, zelfs fijne zaden; steeds zoeken zij hun voedsel op den grond en jagen slechts bij uitzondering een voorbijschietenden buit vliegend na. Zij bouwen hun nest op den grond; de wand van het nest, hoofdzakelijk bestaande uit droge halmen en wortels van grassen, die met andere plantaardige stoffen los aaneenverbonden zijn, wordt met wol en haren gevoerd. De eieren vertoonen op somber gekleurden grond een zachte, uitvloeiende teekening, die uit stippels, vlekken en streepjes samengesteld is. Naar het schijnt is alleen het wijfje met het broeden belast; beide ouders houden echter veel van hun kroost. De meeste soorten broeden meer dan eens per jaar.

De meest bekende soort van dit geslacht is wel de Graspieper, die gewoonlijk Tiet-, Veld- of Piepleeuwerik wordt genoemd en in Friesland Pieper, op Ameland Rietvinkje heet (Anthus pratensis). De veeren van de bovenzijde zijn olijfbruin, met een zwak olijfgroen waas aan de oppervlakte, met donkerbruine, uitvloeiende schaftstrepen geteekend; de staartwortel is levendiger en meer effen van kleur; de onderdeelen, de wangen en een streep boven de oogen zijn fijn roestgeelachtig, een streep onder het oog en een tot aan de zijden van den hals reikende baardstreep zijn zwart, de slagpennen en staartveeren donker olijfbruin; de uiteinden van de armdekveeren en van de grootste vleugeldekveeren hebben een lichteren rand, waardoor op den vleugel twee onduidelijke dwarsbanden ontstaan; de buitenste staartveeren zijn aan de buitenzijde wit met dofgekleurde spits. De iris is donkerbruin, de bovensnavel dofbruin, de ondersnavel lichtbruin, de voet bruinachtig. De lengte van het geheele dier bedraagt 15, die van den staart 6 cM.

Vorkstaart (Enicurus Leschenaultii). ⅔ v. d. ware grootte.

Vorkstaart (Enicurus Leschenaultii). ⅔ v. d. ware grootte.

Men heeft den Graspieper in de geheele noordelijke helft van Europa en in het grootste deel van Noord-Azië broedend waargenomen en gedurende den winter in Zuid-Europa, Zuidwest-Azië en Noord-Afrika gezien. In ons land wordt hij zeer veelvuldig op weilanden en geestgronden, in moerassen, op heidevelden en ook in de duinen aangetroffen. Hij komt hier, zoodra de sneeuw smelt, gewoonlijk reeds in het begin van Maart, op zijn laatst omstreeks het midden van April en blijft hier tot in November, soms zelfs tot in December. Hij trekt dan naar ’t zuiden in groote zwermen, niet zelden met de Akkerleeuweriken en reist over dag zoowel als ’s nachts.—In den regel beweegt hij zich op den grond, maar zet zich ook dikwijls op kleine hoogten op hekken, of zelfs op takken van struiken neder. Van tijd tot tijd verneemt men zijn lokstem, die als “piep piep” klinkt. In het voorjaar vliegt het mannetje met tusschenpoozen regelrecht omhoog, schiet daarop schielijk weer naar de laagte en laat gedurende dit bedrijf zijn eenvoudigen, tamelijk zachten, maar niet onaangenamen zang hooren. Zijn nest staat op den grond en bevat 5 of 6 grijs- of geelachtig witte, aschgrauw en grijsbruin gevlekte en gemarmerde eieren. [83]

In een groote kooi kan men den Graspieper zeer goed in ’t leven houden; hij wordt zeer tam en zingt tamelijk vlijtig.

De Boompieper (Anthus trivialis)7, gelijkt veel op den Graspieper, maar is iets grooter (lengte van ’t geheele lichaam 17, van den staart 6½ cM), zijn snavel is dikker, de loop krachtiger, de nagel van den achterteen korter en meer gekromd. De bovendeelen zijn op geelachtig bruingrijzen of vuil olijfgroenen grond overlangs gevlekt met donkerder strepen; de onderrug en de staartwortel zijn bijna effenkleurig; een streep boven de oogen, de gordel, de krop, de zijden van de borst, de schenkels en de onderdekveeren van den staart zijn bleek roestgeel, de krop, de bovenborst en de zijden met zwarte overlangsche vlekken: de strepen over de vleugels en de zoomen der schouderveeren zijn lichter van kleur dan bij den Graspieper. Het oog is bruin, de snavel zwart, de voet roodachtig.

In den zomer bewoont de Boompieper de bosschen van Europa en Siberië, in den winter de steppenwouden van Afrika en van de laagste gedeelten van het Himalaja-gebied. Als broedplaats maakt hij gebruik van open plekken in het woud, van plaatsen, die schraal bezet zijn met kreupelhout, van versche houtkappingen en andere weinig begroeide gedeelten van bosschen, ook van die, welke ieder jaar overstroomd worden. In Nederland broedt hij in boschjes op droge gronden, b. v. op de heidevelden onzer grensprovinciën. In Midden-Duitschland komen deze Vogels veelvuldig voor en neemt hun aantal, hier en daar ten koste van dat der Boomleeuweriken, aanmerkelijk toe. De gewoonten van den Boompieper herinneren in vele opzichten aan die van den Graspieper; hij houdt zich echter niet zooveel op den bodem op als deze, maar zit gaarne in boomen. Zijn gezang is fraaier en aangenamer dan dat van zijne verwanten; het is krachtig en liefelijk, gelijkt eenigszins op den slag van den Kanarievogel en onderscheidt zich door volheid en helderheid van toon, door de afwisseling en menigvuldigheid der melodieën.

Het nest wordt gebouwd in het gras, tusschen heidestruiken of onder allerlei planten. Het bevat 4 of 5 grijs-, blauw- of roodachtig witte eieren, die met donkerbruine marmervlekken bedekt zijn.

De Boompieper kan gemakkelijk in de kooi leven; hij wordt zeer tam en verschaft genoegen door de sierlijkheid zijner bewegingen en door zijn uitmuntend gezang.

De Waterpieper (Anthus aquaticus) is van boven donker olijfkleurig grijs, met uitvloeiende, zwartachtig grijze, overlangsche vlekken geteekend, van onderen vuil- of grijsachtig wit, in vleeschkleur overgaande, aan de zijden van de borst donker olijfbruin gevlekt; achter het oog loopt een lichtgrijze streep; over de vleugels strekken zich twee lichtgrijze banden uit. De beide buitenste veeren van den bruinzwarten staart zijn aan den top en aan de buitenzijde wit. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de spits van den ondersnavel geelachtig, de voet donkerbruin. De lengte van ’t lichaam bedraagt 18, die van den staart 7 cM.

Boompieper (Anthus trivialis). ⅔ v. d. ware grootte.

Boompieper (Anthus trivialis). ⅔ v. d. ware grootte.

Terwijl de andere soorten van Piepers een bepaalde voorliefde toonen voor de vlakte en slechts hier en daar bergstreken bewonen, behoort de Waterpieper uitsluitend in ’t gebergte thuis. Hij bewoont in grooten getale den gordel van het kniehout in de Alpen, de Karpathen, het Schwarzwald, de Hartz en het Reuzengebergte en daalt alleen gedurende den trek in de vlakten af. In Zwitserland is hij een van de algemeenste Alpenvogels; het Reuzengebergte wordt door duizenden van deze Vogels bewoond. Op de Alpen hebben zij bij het broeden, volgens Tschudi, dikwijls zeer van het ruwe lenteweer te lijden. “In vele jaren bedekt een late sneeuwvlaag het nestje met de eieren en verdrijft het broedende wijfje; niet zelden wordt dit ook zelfs onder de sneeuw bedolven en gedood; dikwijls wordt het gedwongen nogmaals een nest te bouwen.”

Bij den Duinpieper (Anthus campestris) is de bovenzijde licht geelachtig grijs met onduidelijke, donkere, dun gezaaide vlekken, de onderzijde dof geelachtig wit, aan den krop met eenige donkere schaftstrepen geteekend; boven het oog loopt een licht geelachtige streep; de vleugel vertoont twee geelachtig witte banden. Lichaamslengte als bij de vorige soort, de staart iets korter.

Het verbreidingsgebied van den Duinpieper omvat, met uitzondering van de noordelijkste gedeelten van het toendragebied en van Groot-Brittannië, geheel Europa, Middel- en Zuid-Azië en Noord-Afrika, met inbegrip van de Kanarische Eilanden. Hij geeft aan dorre, [84]steenachtige, op woestijnen gelijkende gewesten de voorkeur boven alle andere en komt daarom ’t zuiden van Europa veel talrijker voor dan in het Noorden. In Nederland broedt hij in de zeeduinen. In Duitschland is hij in sommige oorden niet zeldzaam, in andere wordt hij slechts bij uitzondering aangetroffen; in vruchtbare streken ontbreekt hij geheel. Zijn verblijf bij ons duurt van April tot September. In Zuid-Europa komt hij iets vroeger en vertrekt later.

Door zijne bewegingen herinnert de Duinpieper zoowel aan de Leeuweriken als aan de Kwikstaarten. In nagenoeg horizontale houding, dikwijls met den staart wippend en zooveel mogelijk zich verschuilend, loopt hij over den grond, beklimt van tijd tot tijd een hooger gelegen voorwerp, rust eenige oogenblikken, kijkt met eenigszins omhoog gericht lichaam rond en zet daarna zijn wandeling voort. Bij ’t vliegen beschrijft hij een sterk gebogen kronkellijn. Zijn stem staat achter bij die der overige Piepers. De loktoon is “diellem” of “dlemm”; teedere aandoeningen geeft hij te kennen door de klanken “krietlien tsierloeï” en “tsiuur”, die tevens de hoofdbestanddeelen uitmaken van zijn buitengewoon eenvoudig gezang.

Gedurende den broedtijd maakt ieder paar aanspraak op een tamelijk groot gebied en bewaakt dit ijverzuchtig. Het mannetje vertoont zich dan zeer gaarne op een vrije plaats, zet zich op een hoogen steen, op een uitstekende rotspunt, op muren, zandheuvels enz. of op een struik, zelfs op de onderste takken van boomen, stijgt in scheeve richting in de lucht omhoog, begint op een hoogte van 30 à 50 M. te trillen en te schommelen, vliegt onregelmatig heen en weer en laat intusschen herhaaldelijk zijn “tsierloeï” hooren.

De Oeverpieper (Anthus rupestris) verschilt van den Waterpieper, dien hij in Skandinavië, Denemarken en Groot-Brittannië vervangt, door de eenigszins donkerder kleur der bovendeelen, die met een groenachtig olijfbruine waas overtogen zijn, door de minder duidelijke vleeschkleur van de onderzijde en door de bruinwitte kleur van de vlek aan ’t einde der buitenste stuurpennen. Hij verlaat in October of November zijne broedplaatsen aan de rotsachtige kusten der Noordzee en trekt, terwijl hij zijne winterkwartieren opzoekt, ook door Nederland, waar men in de genoemde maanden enkele exemplaren van deze soort hun voedsel ziet zoeken tusschen de steenen en palen der zeeweringen van de Zuiderzee-kust en op het Noordzee-strand. Soms blijft hij hier gedurende den geheelen winter. In Maart, als hij naar ’t noorden terugkeert, treft men hem soms bij onze binnenwateren aan.

1) Groote Pieper (Anthus Richardii), 2) Waterpieper (Anthus aquaticus), 3) Duinpieper (Anthus campestris). ⅔ v. d. ware grootte.

1) Groote Pieper (Anthus Richardii), 2) Waterpieper (Anthus aquaticus), 3) Duinpieper (Anthus campestris). ⅔ v. d. ware grootte.

Om in het noordwesten van Afrika den winter door te brengen, trekken in den herfst een aantal exemplaren van een aan den Duinpieper verwante soort—den Grooten Pieper (Anthus Richardii)—door het noorden van Duitschland, door Nederland, België, het westen van Frankrijk en door Spanje en Portugal. Bij ons treft men hem meestal in ’t midden van October aan. Hij is de grootste van alle bij ons en in Duitschland voorkomende Piepers (lengte van het geheele lichaam 20, van den staart 8 cM.) en van den Duinpieper gemakkelijk te onderscheiden door de groote lengte van den bijna rechten nagel van den achterteen. Bovendien is hij donkerder van kleur: De bovendeelen zijn geelachtig grijs, op de kruin en den rug met bruinzwarte, breede, op den staartwortel met langwerpige vlekken geteekend; de onderzijde is geelachtig [85]wit en heeft op de borst scherpe, bruine schaftvlekken; de buitenste stuurpen is wit met grijsbruinen binnenkant; de tweede stuurpen heeft een witten buitenrand en een witachtige, wigvormige vlek op de binnenvlag.

Het vaderland van den Grooten Pieper is het steppengebied van Oost-Azië, met inbegrip van het noorden van China. Tegen den winter trekt hij naar ’t zuiden en verschijnt dan in ’t zuiden van China en in geheel Indië. Hij trekt echter ook in westelijke richting en doet dan dikwijls (misschien wel ieder jaar) alle tot Duitschland behoorende Noordzee-eilanden, Denemarken, het zuiden van Zweden, Groot-Brittannië en de hierboven genoemde kustlanden aan.


Een tweede onderfamilie—die der Woudzangers in engeren zin (Sylvicolinae)—omvat een 120-tal soorten, welker vertegenwoordigers Noord-Amerika bewonen, op den trek Middel-Amerika en West-Indië bezoeken, maar hun reis in den regel niet ver over den keerkring uitstrekken. Hun snavel is in den regel een slanke, zijdelings eenigszins samengedrukten kegel, zelden onder en boven een weinig gebogen. In grootte en lichaamsverhoudingen komen zij met onze Grasmusschen overeen, ook hun levenswijze gelijkt in hoofdzaken op die van onze Zangers.

Van dezen groep vermelden wij alleen den Groenen Woudzanger (Sylvicola virens), wiens bovendeelen geelgroenachtig zijn, de zijden van kop en hals grootendeels hooggeel, de kin, de keel en de krop zwart, de overige onderdeelen wit met breede, zwarte strepen aan de zijden; de onderbuik en de stuit zijn geel, de slagpennen en de staartveeren bruinzwart; twee witte dwarsbanden versieren den vleugel. Hij bewoont het grootste deel van de Oostelijke Vereenigde Staten en begeeft zich tegen den winter naar Middel-Amerika en West-Indië. Evenals de meeste soorten van zijn geslacht houdt hij zich na zijn terugkomst uit de winterkwartieren bij voorkeur in de kroon van hooge boomen op en bevolkt dan zoowel het stille woud als de tuinen of plantsoenen in de onmiddellijke nabijheid van bewoonde gebouwen. Eerst in ’t voorjaar, waarschijnlijk zelden voor ’t midden van Mei, komt hij op zijne broedplaatsen aan; hij blijft hier echter tot laat in ’t najaar en onderneemt, althans in de noordelijkste gewesten van zijn verbreidingsgebied, na den aanvang van den herfst meer of minder uitgestrekte zwerftochten. Deze voeren enkele exemplaren zelfs naar de overzijde van den Oceaan; een dier van deze soort werd in October 1858 op Helgoland geschoten.


De Tangaren of Tanagra’s (Thraupinae), die de derde onderfamilie van de familie der Woudzangers vormen, zijn zoo groot als of iets grooter dan onze Musch. Haar snavel is zeer verschillend, steeds echter kegelvormig met flauw gebogen rug; de voeten hebben een korten loop en slanke teenen; de vleugels en de staart zijn middelmatig lang. Haar vederenkleed is tamelijk hard, bont en schel van kleur, meestal blauw, groen, rood met zwart en wit gemengd; dit geldt echter in den regel alleen voor de mannetjes; de kleur van het wijfje is steeds doffer en minder in ’t oog vallend.

Met uitzondering van 4 soorten, die in Noord-Amerika thuis behooren, bewonen alle Tangaren, ongeveer 300 soorten, Zuid-Amerika. Bij voorkeur houden zij zich in bosschen op, eenige soorten op de hoogste boomen, andere in lage struiken. In de onmiddellijke nabijheid van den mensch zoeken zij zelden een woonplaats; wel richten zij soms groote schade aan in de plantages, waarin zij bij zwermen neerstrijken. In het stille woud bekoren zij den natuuronderzoeker door hare reeds van verre in ’t oog vallende, schitterende kleuren; zij zijn een prachtig sieraad van de boomen. De kleurenpracht is echter haar eenige aantrekkelijkheid, want zij zijn stil en vervelend van aard. De gave van het gezang missen zij nagenoeg geheel; hoogstens brengen zij eenige weinige, ternauwernood samenhangende tonen voort. Naar men zegt, komt echter bij enkele een zacht gezang voor.

Haar voedsel is van verschillenden aard; naar het schijnt, vormen bessen of andere weeke, sappige, zoete en melige vruchten van geringe grootte de hoofdbestanddeelen van haar maal. Vele eten bovendien ook Insecten; enkele geslachten gebruiken, evenals de leden van de volgende familie, uitsluitend zaden.

Slechts weinige soorten van deze onderfamilie worden in de kooi gehouden; geen enkele verdient door hare gave de genegenheid van den mensch.

*

Twee soorten van het geslacht der Tangaren in engeren zin (Thraupis) zullen wij als vertegenwoordigers van de onderfamilie beschrijven.

De karmijn-tangara, de Flaxbird (Vlasvogel) der Amerikanen (Thraupis rubra), is de veelvuldigst voorkomende, meest verbreide en daarom meest bekende soort van het geheele geslacht. Haar lengte bedraagt 17 cM. Het bruiloftskleed van het mannetje is vurig karmijnrood, met uitzondering van de zwarte vleugels, waarvan de pennen aan de binnenzijde een witten zoom hebben, de eveneens zwarte stuurpennen en schenkelveeren, benevens de witte middelste en onderste vleugeldekveeren. Kort na den broedtijd legt het mannetje zijn prachtkleed af en tooit zich met de eenvoudige kleuren van het wijfje, dat aan de bovenzijde geelachtig groen, aan de onderzijde groenachtig geel is.

De Vuurroode Tangara (Thraupis aestiva) is 19 cM. lang en dus een weinig grooter dan de vorige soort. De veeren van de onderdeelen zijn vuurrood, die van de bovendeelen donkerder purper-rozerood; de bruine slagpennen en stuurpennen hebben rozeroode buiten- en bruinachtig witte binnenzoomen. Het wijfje is olijfgroen, op den kop en den hals met bruinachtig waas, van onderen geel, langs het midden van de borst en van het onderlijf met groenachtig waas.

In levenswijze komen deze Tangaren overeen. Zij bewonen de indrukwekkende wouden van Amerika, die zoo rijk zijn aan boomen van verschillende soorten; zij leven hier stil en teruggetrokken, meestal bij paren. Gewoonlijk ziet men ze boven op de toppen der boomen. Niet zelden komen zij in de nabijheid van de woningen der planters; zelfs dringen zij in de tuinen door, in den regel als ongenoode gasten, die van de bessen en andere vruchten, o. a. van de zaaddoozen van het vlas (vandaar haar naam) tienden heffen. Hoewel zij nergens veelvuldig zijn, treft men ze overal aan: de Vuurroode Tangara is door geheel Amerika bekend. Zij wordt ook wel Summer-red-bird (Zomerroodvogel) genoemd, omdat haar verblijf in de Vereenigde Staten slechts ongeveer vier maanden duurt, n.l. van Mei tot omstreeks het midden van September. [86]

Wilson deelt een merkwaardig staaltje mede van de liefde dezer Vogels voor hun kroost: “Eens ving ik,” zegt hij, “een jonge Karmijn-tangara, die slechts weinige dagen geleden het nest verlaten had. Ik droeg haar een halve mijl ver mede, sloot haar op in een kooi en hing deze in den tuin, niet ver van het nest van een Baltimore-vogel, waarin, zooals ik zeker wist, jongen waren; ik hoopte, dat de eigenaars van dit nest ook voor de jonge vreemdelinge zouden zorgen. De arme wees werd echter in weerwil van haar jammerlijk geschreeuw, geheel verwaarloosd. Daar zij van mij geen voedsel wilde aannemen, was ik van plan haar terug te brengen naar de plaats, vanwaar zij kwam. Dit bleek onnoodig te zijn, want tegen den avond zag ik een Karmijn-tangara, ongetwijfeld een van de ouders van de gevangene, rondom de kooi vliegen en pogingen doen om er in door te dringen. Bemerkende dat dit niet mogelijk was, vloog zij weg, maar keerde weldra met voedsel in den snavel terug. Tot na zonsondergang vloog zij af en aan en ging vervolgens zitten op een hoogeren tak van denzelfden boom. Met het aanbreken van den dag zag ik haar het werk van den vorigen dag hervatten en hiermede voortgaan tot aan den avond, in weerwil van de vijandige stemming der Baltimore-vogels. Op den 3en en 4en dag stelde zij opnieuw pogingen in ’t werk om haar jong te bevrijden en trachtte zij door geluiden, die angst en teederheid verraadden, haar kind te bewegen naar buiten te komen. Dit was te veel voor den waarnemer: de gevangene werd bevrijd en vloog onmiddellijk naar haar trouwe soortgenoote, die haar onder luide vreugdekreten medenam naar het woud!”

Guttarama (Euphonia violacea). Ware grootte.

Guttarama (Euphonia violacea). Ware grootte.

In de kooi kan men deze Tangara’s met zaden en vruchten in ’t leven houden; de eigenaar beleeft echter niet veel genoegen aan haar: zij zijn te stil en te rustig en haar gezang is te onbeduidend, dan dat de mensch voor haar groote belangstelling kan gevoelen.

Een tweede geslacht van de Tangaren omvat de Organisten (Euphonia). Het zijn tamelijk kleine, dikkoppige Vogels; hun dikke snavel is in de nabijheid van de spits aan den zijrand van den bovensnavel fijn getand, aan den wortel breed en tevens hoog, naar voren meer zijdelings samengedrukt; de randen van de mondspleet zijn niet gezwollen, maar ingetrokken. De vleugels zijn kort, de drie eerste slagpennen van gelijke lengte. De staart is zeer klein: kort, en uit smalle veeren samengesteld. De veeren van den rug zijn bij het mannetje grootendeels blauw of groen met metaalachtigen glans, bij het wijfje altijd olijfgroen; de gele of bleekgroene kleur van hare onderdeelen is gewoonlijk sprekender dan die van de bovenzijde. Een hoogst opmerkelijke eigenaardigheid van deze Vogels komt bij hun ontleding aan het licht. Zij hebben n.l. geen eigenlijke maag; aan ’t einde van den slokdarm komt eenvoudig een spoelvormige, op een krop gelijkende verwijding voor.

De Organisten leven volgens Burmeister eenzaam in het dichte woud, voeden zich met kleine, veelzadige bessen, hebben een aangename, zeer klankvolle stem “met echte octaafmodulaties”, die zij dikwijls laten hooren; zij nestelen in de dichte struiken en leggen zeer langwerpige eieren, die op bleekroodachtige grond aan het stompe einde roodbruin gestippeld zijn.

Het zal voldoende zijn een enkele soort van dit geslacht, n.l. de in Brazilië en Guyana veelvuldig voorkomende Guttarama (Euphonia violacea), te beschrijven. Zij is 10 cM. lang. Bij het mannetje zijn de voorkop en de onderzijde dooiergeel; de bovenzijde, bij den voorkop te beginnen, is violetachtig metaalglanzig blauw; de vleugeldekveeren en de randen der slagpennen, die bij den wortel aan de binnenzijde wit gezoomd zijn, vertoonen een metaalachtig groenen glans. De staartveeren zijn van boven blauwachtig groen met metaalglans, van onderen zwart; de binnenvlag van de beide buitenste paren stuurpennen is wit. Het wijfje is dof olijfgroen van boven, geelachtig grijs van onderen; de slagpennen en de staartveeren zijn grijsbruin.

Hoewel de Guttarama dikwijls in een kooi wordt gehouden, zijn de berichten over haar levenswijze zeer onvolledig: zij is zeer lief, levendig en beweeglijk van aard, huppelt behendig in de kronen der boomen rond, vliegt snel en laat dikwijls haar korten, klankvollen loktoon weerklinken. Haar voedsel bestaat uit velerlei vruchten; tuinen, die sinaasappels, bananen en [87]guayaven voortbrengen, worden vaak door haar geplunderd. Van de overige Tangaren onderscheiden de Organisten zich niet alleen door hun beweeglijkheid, maar ook door hun aardig gezang, dat uit een reeks van kort afgebroken tonen bestaat, die door spinnende en ratelende geluiden aaneen verbonden zijn; het wordt tamelijk zacht, maar vlijtig voorgedragen en maakt een aangenamen indruk.


Ter eere van onzen Vink draagt een vogelgroep, die ongeveer 600 soorten omvat en over alle werelddeelen (Australië alleen uitgezonderd) verbreid is, den naam van familie der Vinken (Fringillidae). De snavel van deze Muschvogel is kegelvormig, verschillend van dikte, aan den wortel met een meer of minder duidelijk uitpuilenden rand voorzien; de bovensnavel is een weinig langer dan de ondersnavel en steekt met zijn fijne, benedenwaarts gebogen spits of “haak” vóór dezen uit; bij enkele vormen zijn boven- en ondersnavel gekruist; de zijranden zijn tot aan den mondhoek eenigszins binnenwaarts gebogen. De voet is middelmatig lang en heeft meestal tamelijk korte teenen, die doorgaans met zwakke nagels gewapend zijn; de loop is van achteren met een onverdeelde hoornplaat bekleed. Het handgedeelte van den vleugel bestaat steeds uit negen slagpennen; de vleugel zelf is verschillend van lengte, de staart hoogstens middelmatig lang; het vederkleed is, behoudens eenige weinige uitzonderingen, dicht en tegen het lichaam aangedrukt. Tusschen mannetjes, wijfjes en jongen bestaat meestal een aanmerkelijk kleurverschil, soms is het zeer gering.

Binnen de hierboven genoemde grenzen, bewonen de Vinken alle breedte- en hoogtegordels, alle oorden, hoe uiteenloopend hun gesteldheid ook zij, van de zeekust tot op de hoogste bergtoppen, eenzame eilanden niet minder dan volkrijke steden, de woestijn zoowel als het woud, kale rotsen zoowel als alle denkbare groepeeringen van planten. Vele in ’t noorden levende soorten zijn trekvogels; die, welke in de zuidelijke gewesten van den gematigden gordel en in de keerkringslanden broeden, zijn zonder uitzondering standvogels. Er zijn echter onder de Vinken ook Vogels, die gedurende den zomer in ijskoude streken nestelen en hun voedsel vinden; vele verlaten hun geboortegrond niet, hoe streng de winter er moge zijn. De trekkende soorten komen in hun vaderland terug, als de sneeuw smelt en verlaten het eerst, als de winter er zijn intocht houdt.

Alle Vinken behooren tot de meest begaafde Muschvogels, al wordt ook van eenige door het volk het tegendeel beweerd. Zij loopen (of liever huppelen) zeer behendig en vliegen goed. Het gezang van de meeste is aangenaam, van enkele zelfs uitmuntend; hunne zintuigen zijn goed ontwikkeld, hunne geestvermogens minstens even volkomen als die van de meeste overige Muschvogels; hierdoor zijn zij in staat om partij te trekken van de hulpmiddelen der meest verschillende oorden. De meeste zijn gezellig, hoewel vele niet anders dan in den herfst en in den winter vreedzaam bijeenleven, op de broedplaatsen daarentegen voortdurend met elkander strijd voeren. Zaden van de meest verschillende planten, in het midden van den zomer ook Insecten, maken hun voedsel uit; de laatstgenoemde zijn het voornaamste voedsel van de jongen; beide soorten van voedingsmiddelen zijn in den regel in overvloed voorhanden; in tijden van gebrek worden de Vogels door den gemeenschappelijken nood vereenigd. Bijna alle soorten besteden veel zorg aan de samenstelling der nesten, voor welker bouw zij verschillende plantaardige en dierlijke stoffen gebruiken; deze nesten zijn dikwandig, in- en uitwendig sierlijk van vorm en met zachte stoffen netjes gevoerd. De meeste broeden ieder jaar tweemaal, enkele driemaal, op 5 tot 8 eieren; deze zijn op lichteren grond met donkerder vlekken of streepjes voorzien. Door de talrijke nakomelingschap, die zij grootbrengen, worden de groote verliezen, die allerlei roofdieren hun toebrengen, vergoed. Ook de mensch behandelt de Vinken soms als vijanden wegens de rooverijen, die zij op akkers, in tuinen en in boomgaarden plegen. Over ’t algemeen echter mag hij hen wel lijden; trouwens, slechts bij uitzondering en gedurende een korten tijd brengen zij schade te weeg. Daarentegen bewijzen zij hem door het dooden van Insecten belangrijke diensten, waarbij nog komt, dat zij door hunne werkzaamheden leven brengen in zijn omgeving en door hun aangenaam gezang zijn gehoor streelen. Daar zij geen hooge eischen stellen en gemakkelijk getemd kunnen worden, zijn zij beter dan de meeste andere leden hunner orde voor kamervogels geschikt. Eén soort, de algemeen bekende Kanarievogel, is zelfs geheel en al een huisdier geworden. Over de geheele wereld verbreid, vervroolijkt hij door zijn liefelijk gezang het eenzame blokhuis van den landverhuizer zoowel als het dakkamertje van den werkman onzer steden.

Wij verdeelen deze familie in vier onderfamiliën; de eerste is die der Echte Vinken (Fringillinae).

*

De Musschen (Passer) zijn krachtig gebouwde Vinken met korten romp, middelmatig langen, dikken, eenigszins knotsvormigen snavel, stevige pooten, stompe vleugels, van welker handpennen de tweede, derde en vierde de spits vormen, korten of hoogstens middelmatig langen, aan ’t einde bijna niet uitgeranden staart en een goed gevuld vederenkleed.

De bij ons meest bekende soort van dit geslacht is de Huismusch of Mus, ook wel Straat-, Steen- of Potmus en (in ’t Friesch) Mosk genoemd (Passer domesticus). De veeren van den voorkop en van het midden van de kruin zijn bruinachtig grijs met wegsmeltenden, roodbruinen zoom aan den top; de nek en een breede streep, die zich van het oog over de slapen en de zijden van den hals tot in den nek uitstrekt, zijn kastanjebruin, de mantel en de schouder lichter, maar met breede, zwarte, overlangsche strepen geteekend; een vlekje aan den achterrand van het oog, de wangen, de oorstreek en het voorste gedeelte van de zijden van den hals zijn wit; de teugel, de rand van het oog en de mondhoekstreek alsmede een groote schildvormige vlek, die de kin, de keel en de kropstreek bedekt, zijn zwart, de overige onderdeelen wit, aan de zijden aschgrauwachtig, de slagpennen zwartbruin, aan de buitenzijde met roestbruinen zoom, de bovenste dekveeren van den vleugel kastanjebruin, die van de grootste reeks aan den wortel zwart, aan het einde wit, waardoor op den vleugel een dwarsband ontstaat, de staartveeren eindelijk donkerbruin. Het oog is bruin, de snavel zwart, in den winter lichtgrijs met donkere spits, de poot bruinachtig geel. Bij het wijfje zijn de bovendeelen roestkleurig vaalbruin, op den mantel met zwarte overlangsche streepjes; een streep, die van den rand van het oog over de slapen naar beneden loopt, is roestgeelachtig wit; de wangen, de zijden van den hals en de onderdeelen zijn grijsbruinachtig, de kin, de borst, het midden van den buik en de aarsstreek lichter van kleur, meer vuilwit, de onderdekveeren van den staart [88]vaal roestbruinachtig. De snavel is bruinachtig. De lengte bedraagt met 3.7 cM. langen staart 16 cM.

1) Rotsmusch (Passer petronius), 2) Halsbandmusch (Passer hispaniolensis), 3) Ringmusch (Passer montanus), 4) Huismusch (Passer domesticus). ½ v. d. ware grootte.

1) Rotsmusch (Passer petronius), 2) Halsbandmusch (Passer hispaniolensis), 3) Ringmusch (Passer montanus), 4) Huismusch (Passer domesticus). ½ v. d. ware grootte.

Ook de Huismusch is volgens W. Marshall een “volger der beschaving”. “De populairste van alle in Duitschland in ’t wild levende Vogels,” schrijft deze geleerde, “is slechts sedert betrekkelijk korten tijd een bewoner van ons vaderland. Het bestaan van de Huismusch is bijna in dezelfde mate van den graanbouw afhankelijk als dat van den Hamster: In Siberië verscheen zij voor ’t eerst in de vorige eeuw, nadat de Russen er de teelt van granen hadden ingevoerd; in Noorwegen reikt haar verbreidingsgebied tot den 66en breedtegraad, waar ook de grens van het verbouwen der veldvruchten gelegen is; in Archangel komt zij nog niet voor; eerst in deze eeuw begon zij zich te vestigen in eenige dorpen van het Thuringerwoud, in sommige is zij ook thans nog niet inheemsch; evenzoo is het gesteld op de Hebriden; in 1864 had zij nog niet alle hooggelegen buurtschappen van het Schwarzwald bereikt. Volkomen waar is het, wat M’Gillivray zegt: Een stadje zonder Musschen maakt een even treurigen indruk als een huis zonder kinderen; vele Musschen in een dorp zijn een bewijs van de welvaart der bewoners, want overal waar weinig te bikken is, valt ook weinig te bedelen.

“Aan den overkant van de Alpen komen eenige rassen van de Huismusch voor, die meer of minder van den stamvorm en van elkander verschillen; hun onderscheiding berust evenwel slechts op het sterker op den voorgrond treden van sommige eigenaardigheden van de kleursverdeeling bij de mannetjes (de wijfjes vertoonen deze afwijkingen niet) en gedeeltelijk op eenigszins gewijzigde gewoonten. De beide voornaamste van deze rassen, n.l. de Spaansche Musch of Halsbandmusch en de Italiaansche Musch, heeft men tot soorten verheven en de verbreiding van deze beide geeft aanleiding tot merkwaardige beschouwingen.

“De Spaansche Musch bewoont van Syrië af de kustlanden ten zuiden van de Middellandsche Zee, Egypte en geheel Noord-Afrika, gaat van hier over naar Spanje, Sicilië en Sardinië, maar niet op het vastland van Italië. Deze zonderlinge verbreiding kan misschien op de volgende wijze verklaard worden: de graangewassen, vooral de tarwe, zijn waarschijnlijk afkomstig uit het westen van Middel-Azië, waar mogelijkerwijze ook de stamvorm van de Huismusch ontstaan is. De graanbouw breidde zich tegelijk met den mensch of iets later dan hij, westwaarts uit: vooreerst naar de oude kultuurlanden van Noord-Afrika, van hier werd hij waarschijnlijk door de Phenicische volken naar het Iberische schiereiland en naar Sicilië en Sardinië overgebracht. Deze oudste verbreidingsweg van de teelt der graangewassen werd waarschijnlijk in overouden tijd gevolgd door de Musch, die, in nieuwe omstandigheden verkeerend en nagenoeg buitengesloten van de vermenging met den stamvorm, de “Spaansche Musch” werd. Veel later in het gevolg van de Grieksch-Italiaansche volken, werd de teelt van de granen overgebracht naar het oostelijkste en het middelste van de Zuid-Europeesche schiereilanden; met haar kwam de “Italiaansche Huismusch”, die ook Klein-Azië, Sicilië en Provence aan haar verbreidingsgebied toevoegde en in de beide laatstgenoemde landen de Spaansche Musch ontmoette. Ook zij heeft in den loop der tijden kenmerken verkregen, waardoor zij van den stamvorm verschilt; deze afwijking is echter op lange na niet zoo ver voortgeschreden als die, welke zijn meer zuidwestwaarts wonende verwante in een veel langduriger tijdperk onderging. Een derde verbreidingsweg naar het westen vond de Musch veel later met de akkerbouwende volken, die zich vestigden [89]in het deel van Europa, dat ten noorden van de Alpen gelegen is; onze Musschen kwamen het laatst in Europa en gelijken nog volkomen op den stamvorm; deze bewoont dus het ontzaglijk groote gebied, dat van Noord-Indië af zich uitstrekt over geheel Azië en Europa aan deze zijde van de Alpen, zoover het graan verbouwd wordt. Hierbij zijn buiten rekening gelaten Zuid-Indië en Ceylon, waar de Huismusch waarschijnlijk, Java, Nieuw-Zeeland en Noord-Amerika, waar zij stellig door onmiddellijke tusschenkomst van den mensch werd ingevoerd.”

Een eigenaardigheid van de Musch is, dat zij overal, waar zij voorkomt, in innige gemeenschap leeft met den mensch. Zij bewoont de drukke hoofdstad zoowel als het eenzame dorp, voor zoover het door koornakkers omgeven is, ontbreekt slechts in enkele dorpen van het woud, volgt den steeds verder doordringenden kolonist door alle landen van Azië, waar zij vroeger niet voorkwam, vestigt zich, door schepen overgebracht, op eilanden, waar zij voorheen onbekend was, en blijft op de puinhoopen van verwoeste dorpen en steden achter als een levende getuige van gelukkiger dagen. Standvogel in den volsten zin van het woord, verwijdert zij zich nagenoeg niet van het rechtsgebied der stad of van de grens der landerijen van het dorp, waar zij geboren werd, neemt echter onmiddellijk een pas gesticht dorp of een nieuw huis in bezit en onderneemt soms ontdekkingsreizen naar gewesten, die buiten haar verbreidingskring gelegen zijn. Zoo ziet men aan het Varangerfjord bijna ieder jaar paren Musschen verschijnen, die het gewest doorkruisen, alle woningen bezoeken, maar spoorloos weer verdwijnen, omdat zij het land niet voor haar geschikt achtten. Wegens haar zeer gezelligen aard, leven zij alleen gedurende den broedtijd bij paren, en hebben ook dan alle betrekkingen met hare stamgenooten niet afgebroken. Dikwijls broedt het eene paar dicht bij het andere; de mannetjes, hoe ijverzuchtig zij overigens ook zijn, zoeken, zelfs wanneer het wijfje op de eieren zit te broeden, altijd het gezelschap van soortgenooten op. De jongen vereenigen zich onmiddellijk nadat zij uitgevlogen zijn, tot troepen, die weldra tot zwermen aangroeien. Zoodra de ouden van ’t broeden af zijn, voegen ook zij zich bij deze vluchten en deelen met de overige leden van het gezelschap vreugde en leed. Zoo lang er graan op de akkers te vinden is, of zelfs zoolang het buiten groen is, vliegen de zwermen alle dagen of vaker nog van het dorp naar de velden om voedsel te zoeken; na ieder uitstapje keeren zij naar het dorp terug. Hier houden zij middagrust in de dichte kronen der boomen of liever nog in de omheiningen; hier verzamelen zij zich ’s avonds onder groot geschreeuw, gestoei en getwist, aanvankelijk op dicht bebladerde boomen, later in schuren, bergplaatsen en andere gebouwen, welke plaatsen haar huisvesting gedurende den nacht moeten verschaffen. In den winter maken zij echte bedden voor zich gereed, zacht en warm gevoerde nesten namelijk, waarin zij kruipen om zich tegen de koude te beveiligen. Met hetzelfde doel kiezen andere Musschen schoorsteenen tot nachtkwartier, zonder zich er over te bekommeren, dat de rook hare veeren met roet bevuilt en zwart maakt.

Hoe plomp de Musch bij den eersten aanblik ook moge schijnen, toch is zij zeer begaafd. Haar wijze van huppelen is log, maar toch tamelijk vlug; zij vliegt met inspanning, waarbij hare vleugelslagen een gonzend geluid maken, in den regel volgens een zwak gekromde booglijn, over een grooten afstand bijna rechtuit; voordat zij zich nederzet, blijft zij een oogenblik zweven; hoewel zij veel houdt van hooggelegen zitplaatsen, stijgt zij niet graag ver omhoog; ondanks haar schijnbare onbeholpenheid weet zij zich uitmuntend te redden. Daar hare geestvermogens goed ontwikkeld zijn, heeft zij zich langzamerhand een bekendheid met den mensch en zijne gewoonten eigen gemaakt, die verbazing wekt en iederen scherpzinnigen waarnemer veel genoegen kan verschaffen. Overal en in alle omstandigheden regelt zij haar doen en laten zoo nauwkeurig mogelijk naar den aard van den persoon, bij wien zij haar kost wint. Zij gedraagt zich daarom in de stad geheel anders dan in het dorp, is gemeenzaam en zelfs indringerig daar, waar zij ontzien wordt, maar buitengewoon voorzichtig en schuw en evenals altijd listig overal, waar zij vervolging te verduren heeft. Haar scherpen blik ontgaat niets, wat haar voordeel, niets, wat haar nadeel zou kunnen brengen; van jaar tot jaar wordt de schat harer ervaringen rijker, zoodat er tusschen ouden en jongen een soortgelijk verschil valt op te merken als tusschen wijzen en dwazen. Evenals zij tot den mensch in een min of meer vriendschappelijke betrekking treedt, zoo ook tot andere wezens; zij vertrouwt of wantrouwt den Hond, dringt zich op aan het Paard, waarschuwt hare soortgenooten en andere Vogels tegen de Kat, steelt den Hoenderen het voer voor den snavel weg, zonder zich te bekommeren over de haar bedreigende beten, eet, wanneer het haar toegestaan wordt, met de meest verschillende dieren uit één schotel. Ondanks haar gezelligen aard ligt zij toch voortdurend overhoop met andere Musschen, die hetzelfde verlangen koesteren. In één opzicht echter kan deze overigens zoo aantrekkelijke Vogel ons niet behagen. Hij is een onuitstaanbare babbelaar en een erbarmelijk zanger. Zijne loktonen—“sjiel sjelm piep”—hoort men tot vervelens toe; wanneer de Musschen zich tot een talrijk gezelschap vereenigd hebben, wordt haar gemeenschappelijk geroep van “tell tell sielb dell dieb sjielk” volkomen onverdragelijk. Hoewel het mannetje ook nog een zacht “duurr” en “die” laat hooren, om de teedere gevoelens, die hem bezielen, aan zijn wijfje kenbaar te maken, kan zijn gezang, waarvan deze geluiden, nevens de vroeger genoemde, het hoofdbestanddeel vormen, onze goedkeuring niet verwerven; het hevig ratelende waarschuwend sein (“terr”) en de angstkreet bij plotseling opkomend gevaar (“tell derer tell tell tell”) doen het oor zelfs pijnlijk aan. Toch schreeuwt, kijft en zingt de Musch zoo ijverig, alsof zij met de stem van een Nachtegaal begaafd is; reeds in het nest tsjilpen de jongen.

Daar de Musch door haar betrekking tot den mensch haar oorspronkelijk lot belangrijk verbeterd en zich een bestaan verzekerd heeft, begint zij reeds vroeg in ’t jaar met den bouw van haar nest en broedt in den loop van den zomer minstens drie-, zoo niet viermaal. Het nest wordt meestal in hiervoor geschikte holen van gebouwen, maar, in verband met de gesteldheid van de woonplaats, ook in gaten van boomen, in zwaluwennesten, in den onderbouw van ooievaarsnesten en eindelijk meer of minder in de twijgen van lage struiken of hooge boomen aangelegd. De samenstelling van het nest verschilt in verband met zijn standplaats; altijd echter is het slordig gebouwd, zoodat men het gerust kan omschrijven als een onordelijk bijeengebrachte hoop stroo, hooi, werk, borstels, wol, haren, papiersnippers en dergelijke materialen; van binnen evenwel is het altijd met een dikke en dichte laag veeren gevoerd. Als het vrij staat in een boom, is het van boven [90]bedekt, als het in een holte aangelegd wordt, nu eens gesloten, dan weer met een dak voorzien. Wanneer het weder eenigszins gunstig is, vindt men reeds in Maart de eieren voltallig. Elk broedsel bestaat uit 5 of 6, bij uitzondering ook wel uit 7 of 8 teere, gladschalige, in kleur en teekening zeer van elkander afwijkende eieren. Meestal zijn zij op bruinachtig blauwen of roodachtig witten grond bruin en aschgrauw gevlekt, gesprenkeld en gestippeld. De beide ouders broeden om beurten. Na 13 of 14 dagen komen de jongen uit; deze worden eerst met weeke Insecten gevoederd; later worden hierbij ook nog zaden gevoegd, die vooraf in den krop geweekt zijn; ten slotte krijgen de jongen hoofdzakelijk zaden of ook wel vruchten. De ouders begeleiden hun kroost nog eenige dagen na het uitvliegen, om ze voor het leven voor te bereiden, verlaten hen vervolgens en maken reeds, als het nest nog maar 8 dagen leeg heeft gestaan, toebereidselen voor een tweede broedsel.

Over het nut en de schade van de Musch zijn de meeningen verdeeld; in den laatsten tijd komt men echter meer en meer tot de overtuiging, dat zij een tafelschuimer is, die op kosten van den mensch leeft en diens bescherming niet verdient. In de straten van de steden en dorpen doet zij ons geen kwaad, omdat zij zich hier vooral met afval voedt; op groote landgoederen, in graanpakhuizen, op korenakkers en in tuinen daarentegen kan zij een belangrijke schade aanrichten door het opeten van het graan, dat als voer aan het pluimvee wordt gegeven, door het rooven en bevuilen van het in de schuur gebrachte koorn, in de tuinen eindelijk door het afbijten van de knoppen der ooftboomen en later ook door het verslinden van de vruchten. In de tuinen en wijnbergen mag zij daarom niet geduld worden. De grootste schade, die zij veroorzaakt, bestaat trouwens hierin, dat zij de allernuttigste Vogels, vooral de Spreeuwen en de Meezen, verdringt en de Zangers min of meer afkeerig maakt van het verblijf in de tuinen, waar zij heerscht. In Noord-Amerika, waar men haar in 1864 invoerde en met vreugde begroette, waar men in de parken nesthuisjes voor haar plaatste en haar op allerlei wijzen beschermde en verzorgde, is men al sinds lang teruggekomen van de vroegere ingenomenheid met de Musch. De boeren hebben geleerd haar als een landplaag te beschouwen, vooral omdat de gunstige omstandigheden, waarin zij geplaatst werd, aanleiding gaven tot een buitengewoon sterke vermenigvuldiging. Reeds 25 jaren na haar invoering werd zij van overheidswege op de lijst der aangeklaagden geplaatst; duizenden van getuigen gaven uitsluitend ongunstige berichten over haar en brandmerkten haar als een voor het algemeen welzijn nadeelige vagebond.

Voor het leven in de kooi is de Musch niet geschikt, ofschoon zij zeer tam kan worden. De dienstbode van een mijner vrienden in Karinthië toonde mij vol trots haar pleegkind en lieveling, een Musch, die niet alleen vrij uit en in mocht vliegen, maar ook de vrijheid had onder haar halsdoek te rusten en te slapen. Ook E. von Liszt bericht ons over een Musch, die als volkomen tamme huisgenoot 8½ jaar lang bij zijn familie leefde. Onze zegsman had het jonge vogeltje te Weenen aan een troep straatjongens ontnomen en het met zorg verpleegd; spoedig was het aan hem en zijne huisgenooten gewend geraakt. Deze Musch, een wijfje, dacht er niet aan om weg te vliegen en verkeerde bij voorkeur in de nabijheid van menschen. Waar zij zich ook bevond, steeds antwoordde zij met een luid “rrr”, als men haar riep. Zij was zoo gehecht aan hare verzorgers, dat zij telkens, als deze gedurende geruimen tijd afwezig waren, treurig werd en begon te kwijnen.

Naar J. Rohweder bericht, is het den onderwijzer Muckenheim te Segeberg zelfs gelukt een wijfjesmusch in volle vrijheid volkomen te temmen. Zij kwam, zoodra hij “pieper!” riep, uit de omgeving van het schoolgebouw aanvliegen, ging naast haar verzorger op de bank zitten en ook wel op zijn schoot of hand. Even gemeenzaam was zij met de leden van zijn gezin; zij bewoog zich vrij in het huis; eens zelfs bracht zij hare pas uitgevlogen jongen mede en voederde een van deze onbeschroomd op de hand van Mückenheim’s dochter.

Sommigen beschouwen de reeds genoemde Spaansche Musch, de Halsbandmusch (Passer hispaniolensis), als een standvastige verscheidenheid van onze Huismusch; zij onderscheidt zich echter van deze niet alleen door haar kleur, maar ook door haar levenswijze zoo aanmerkelijk, dat haar ongetwijfeld den rang van soort moet worden toegekend. Haar lengte komt met die van de Huismusch overeen. De bovenzijde van den kop is kastanjekleurig roodbruin, de mantel en de schouders zijn zwart, de staartwortelveeren zwart, de oorstreek en de zijden van den bovenhals wit. De veeren van de kin, de keel en den krop tot aan de zijden van den onderhals zijn zwart en aan de spits versierd met een smallen grijsachtigen zoom, “waardoor zij gezamelijk gelijken op een losgeraakten halsband van zwarte paarlen”. De overige onderdeelen en de onderdekveeren van den vleugel zijn geelachtig vaalwit, aan de zijden geteekend met breede, zwarte schaftstreepen. De slagpennen hebben een donkerbruine, de bovenste dekveeren van den vleugel een sprekend roodbruine kleur; de groote vleugeldekveeren zijn aan den wortel zwart, overigens wit, waardoor een zeer in ’t oog vallende dwarsstrook ontstaat; de staartveeren zijn donkerbruin, aan de buitenzijde vaal gezoomd. Het oog is vaalbruin, de snavel zwartachtig, in den winter vuilwit de poot bruinachtig. Het wijfje gelijkt op dat van de Huismusch.

De Halsbandmusch is geen “huismusch” maar een echte “veldmusch”, die bij voorkeur in Spanje en Noord-Afrika uitsluitend, waterrijke gewesten bewoont, en slechts toevallig in de nabijheid van menschelijke woningen voorkomt. Hoewel zij deze niet vermijdt, zoekt zij ze echter niet op, zooals de Huismusch altijd pleegt te doen. Juist in Spanje en Egypte, waar de laatstgenoemde Vogel even veelvuldig voorkomt als bij ons, is men in de gelegenheid de geheel verschillende gewoonten van beide soorten te leeren kennen. De Huismusch is ook daar een trouwe metgezel van den mensch, met wiens bedrijf de Halsbandmusch zich niet bemoeit. Rivierdalen, kanalen en de moerassige akkers, die voor de rijstteelt dienen, behagen haar het meest; hier komt zij in buitengewoon talrijke zwermen voor.

“Op de Kanarische eilanden,” zegt Bolle, “verbergt bijna iedere palm in de tusschenruimten harer onderste bladstelen eenige nestjes van Musschen, die reeds op een afstand haar aanwezigheid verraden door haar geraasmakend geschreeuw. Alle palmengroepen dienen tot woonplaats aan een ongeloofelijk aantal van deze Vogels. Daar het bestijgen van de hooge, als masten zich verheffende stammen den mensch moeite kost en tamelijk veel geduld en behendigheid vereischt, kunnen de Musschen hare jongen meestal ongestoord grootbrengen: vandaar haar snelle vermenigvuldiging. De nestelende paren zien zonder vrees den Torenvalk dicht [91]bij hen op een der bladstelen der palmbladen neerstrijken; hun gesjirp en gekweel vermengen zich met het schrille ratelen van den wind, die de leerachtig stijve bladen tegen elkander slaat. Hier en daar, op plaatsen, die aan vochtige luchtstroomen blootgesteld zijn, niet zelden b.v. in de Vega van Canaria, plant de natuur om de broedplaatsen van de Halsbandmusch een hangenden tuin, bekoorlijker en eigenaardiger dan die van Semiramis. Door den wind worden n.l. de tusschenruimte der bladstelen op enkele plaatsen langzamerhand gevuld met stof en aarde, de regen sijpelt hier doorheen en weldra groeien en bloeien in dezen bodem op duizelingwekkende hoogte rozeroode cineraria’s, varens met fijn verdeelde bladen en goudbruinen wortelstok, boomachtige sempervivum’s en andere dergelijke planten.”

Op de Kanarische eilanden en in Egypte begint de broedtijd van de Halsbandmusch in Februari, op zijn laatst in het begin van Maart. Alle kronen van palmen in de Delta waren in de genoemde maanden met vele dozijnen dicht bijeengeplaatste nesten bedekt; bovendien waren alle holten in de stammen dezer boomen met nestelende Halsbandmusschen bevolkt. Het nest verschilt niet van dat van onze Huismusch; het is even slordig en onregelmatig gebouwd. De eieren komen zoozeer met die van onze Ringmusch overeen, dat de exemplaren, welke ik medebracht, er door de bekwaamste deskundigen voor aangezien werden.

De Halsbandmusch is nergens bemind; niet zonder reden wordt over haar een ongunstig oordeel geveld. In de rijstvelden van Egypte, waar zij verbazend talrijk is, richt zij een aanzienlijke schade aan.

In Middel- en Noord-Europa, in geheel Middel-Azië en in Noord-Afrika leeft nevens de Huismusch een ander lid van ’t zelfde geslacht, de Ringmusch, Boom-, Veld- of Bergmusch, in Overijsel Ringeltute genoemd (Passer montanus). Totale lengte 14, staartlengte 5.5 cM. De bovenkop en de nek zijn roodbruin, de wangen en de zijden van den bovenhals wit, de onderdeelen bruinachtig wit, de achterhals, de mantel en de schouders op roestrooden grond met breede, zwarte, overlangsche strepen geteekend, de zwarte keelvlek is klein. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart, de poot roodachtig hoornkleurig.

De Ringmusch is in Middel-Europa overal veelvuldig, in Zuidwest-Europa zeer zeldzaam, in geheel Middel-Azië zeer algemeen; zij komt zelfs nog op Malakka en Java voor, dringt tot binnen den poolcirkel door en vervangt aan den benedenloop van den Ob, in China, in Japan, op Formosa en in Indië de Huismusch. In tegenstelling met deze, geeft zij bij ons (en ook in West-Siberië) aan het vrije veld en aan de bosschen met breedbladige boomen de voorkeur boven de nabijheid van menschelijke woningen. Deze bezoekt zij echter in den winter; in den zomer houdt zij zich op in oorden, waar weiden met bouwlanden afwisselen en oude, holle boomen haar geschikte nestelplaatsen verschaffen. Hier leeft zij gedurende den broedtijd paarsgewijs, overigens echter tot gezelschappen vereenigd. Deze zwerven binnen een beperkten kring rond, vermengen zich met Geelgorsen, Leeuweriken, Vinken, Vlasvinken, en andere Vogels, bezoeken de akkers, of, als de winter streng wordt, de boerenhofsteden, om zich weer in paren te verdeelen, zoodra de lente begint.

In aard en gewoonten gelijkt de Ringmusch zeer op de Huismusch; zij is echter niet zoo schrander als deze, daar haar de innige omgang met den mensch en hierdoor de gelegenheid tot ontwikkeling harer geestvermogens ontbreekt. Van den herfst tot aan de lente vormen granen en andere zaden, in den zomer rupsen, bladluizen en ander ongedierte het voedsel van de Ringmusch. Op tarwe en gierstakkers richt zij soms schade aan; daarentegen laat zij de vruchten en de kiemende tuingewassen onaangeroerd. Hare jongen voedert zij met Insecten en met nog weeke graankorrels. Juist door het eten van onrijpe en rijpe granen zijn deze Vogels schadelijk, daar zij, tot aanzienlijke vluchten vereenigd, in de graanvelden vallen en niet anders dan door het voortdurend afschieten van geweren daaruit verwijderd kunnen worden gehouden. Het nest vindt men in holle boomen, soms ook in heggen of struiken. Het is kleiner dan dat van de Huismusch. Ook de eieren zijn kleiner en bovendien veel sterker gemarmerd en gevlekt. Op vinkebanen wordt deze Musch dikwijls in menigte gevangen; bovendien verschalkt men haar zonder moeite met lijmroeden, strikken en knippen, door slagnetten en allerlei andere vallen. Hare vijanden zijn trouwens dezelfde als die, welke de Huismusch vervolgen.

De Rotsmusch (Passer petronius) gelijkt op het wijfje van onze Huismusch. Haar rug is grijsbruin, met zwartbruine en grijswitte, overlangsche vlekken geteekend; de rug en de bovendekveeren van den staart zijn grijs; de onderzijde is grijswit, de keel echter fraai zwavelgeel, de kruin grijs, aan de zijden en op den voorkop met olijfbruine streepjes; boven het oog komt een lichtere streep voor; de staartveeren hebben op de binnenvlag aan den top een witte vlek. Totale lengte 16, staartlengte 5.6 cM.

Het verbreidingsgebied van de Rotsmusch omvat Middel- en Zuid-Europa, met inbegrip van Madera, Noordwest-Afrika en de Kanarische eilanden, Zuidwest- en West-Azië, Oost-Siberië en Afghanistan. In ons land verdwaalt zij slechts toevallig: éénmaal is zij in Noordbrabant en éénmaal te Harderwijk gevangen. In Duitschland vindt men haar in kleinen getale in rotsachtige streken of als bewoner van oude, vervallen gebouwen, vooral ridderburgen. In ’t Zuiden van Zuid-Frankrijk te beginnen, treedt zij geregelder op; in Spanje, Algerië, op de Kanarische eilanden, in het zuiden van Italië, Griekenland, Dalmatië, Montenegro, Palestina en Klein-Azië, behoort zij tot de algemeen voorkomende inheemsche Vogels; zij bewoont hier alle voor haar geschikte plaatsen, dorpen en steden zoowel als de eenzaamste rotsdalen en vormt zelfs koloniën op gelijke wijze als hare verwanten. In Spanje kon ik er zeker van zijn haar aan iederen steilen wand van het Middelgebergte, maar ook in ieder oud kasteel te zullen aantreffen. Op Canaria zijn de torens en de zeer hooge gebouwen in de steden hare meest geliefde woonplaatsen. Zij vermijdt de menschen dus in ’t geheel niet, maar is in alle omstandigheden op vrijheid van beweging gesteld. In de straten der steden en dorpen daalt zij hoogst zelden af, daarentegen vliegt zij geregeld naar de akkers om hier voedsel te zoeken. Steeds toont zij zich schuw en voorzichtig. Ook daar, waar zij weinig met menschen in aanraking komt, wil zij niets met hen te maken hebben.

Door hare bewegingen verschilt de Rotsmusch aanmerkelijk van hare verwanten. Zij vliegt snel met gonzende vleugelslagen, zweeft, voordat zij zich neerzet, met sterk uitgebreide vleugels en herinnert veel meer aan den Kruisbek dan aan de Musch. Op den bodem huppelt zij tamelijk behendig rond; zittend, neemt zij een drieste houding aan en wipt dikwijls met den staart. Haar loktoon is een smakkend, drielettergrepig geluid (“gie-uu-ieb”), waarbij de klemtoon op de laatste [92]syllaben wordt gelegd; haar waarschuwend geschreeuw klikt als “errr”, gelijkt op dat van de Huismusch, maar is er toch duidelijk van te onderscheiden; haar gezang is een eenvoudig, dikwijls afgebroken gekweel en gegons, dat aan het lied van den Goudvink herinnert, maar niet bijzonder aangenaam klinkt.

Hoogst waarschijnlijk valt van het voedsel hetzelfde op te merken, als wat reeds van de overige Musschen is medegedeeld. Gedurende den zomer eten de Rotsmusschen bij voorkeur Insecten, in den winter zaden, bessen en dergelijke stoffen. Op de straatwegen wroeten zij op de wijze van de Ring- en Huismusschen in den mest om zaden te zoeken.

Alleen in gewesten, waar de Vogels van deze soort veelvuldig zijn, kan men ze zonder groote moeite bemachtigen. In Spanje worden zij in menigte op de markt gebracht. Men vangt ze daar met behulp van lokvogels onder netten of op de met lijmroedjes overdekte “musschenboomen”.

Republikein (Passer socius). ¾ v. d. ware grootte.

Republikein (Passer socius). ¾ v. d. ware grootte.

Het is niet moeielijk de Rotsmusch in een kooi in ’t leven te houden. Zij kan haar verzorger veel genoegen verschaffen, wordt spoedig gemeenzaam met hem, kan met andere Vogels zeer goed overweg, onderscheidt zich door de lieftalligheid van hare handelingen en plant zich, als zij behoorlijk verzorgd wordt, soms in gevangenschap voort.

Een Musch en niet een Wevervogel, waarvoor hij dikwijls aangezien wordt, is de Republikein (Passer socius). De veeren van den bovenkop zijn bruin, die van de overige bovendeelen, van den nek en de zijden van den hals donkerder; de teugel, een aan den mondhoek grenzende streek, de kin en de keel zijn zwart, de zijden van den krop en de overige onderdeelen bleek vaalbruinachtig, de slagpennen en stuurpennen, de dekveeren van den vleugel, de staartwortelveeren en de bovendekveeren van den staart donkerbruin. Het oog heeft een donkerbruine kleur, de snavel en de pooten zijn lichtbruin. Totale lengte 13, staartlengte 5 cM.

Het binnenland van Zuid-Afrika is het vaderland, Groot-Namaqua-land het brandpunt van het verbreidingsgebied van den Republikein. Het opmerkelijkste aan dezen Vogel is zijn wijze van nestelen. Elk gezelschap bouwt de nesten onder een gemeenschappelijk dak. Zoodra deze Musschen een geschikte plaats gevonden hebben in de kroon van een grooten, hoogen boom of desnoods tusschen de bladen van de reusachtige boom-aloë, beginnen zij van hard gras, een groot, gewelfd en waterdicht dak te bouwen, dat, naar gelang van het aantal paren, 12 voet of meer middellijn heeft. Ieder paartje bouwt en overdekt zijn eigen nest, maar het eene bouwt dicht bij het andere en als alle gereed zijn, ziet het geheel er uit als één enkel nest van reusachtigen omvang met een dak er overheen en met tallooze cirkelronde gaten aan de onderzijde. Ieder afzonderlijk nest heeft n.l. een naar onderen gekeerde opening tot ingang en is van fijner gras vervaardigd dan het dak. Het wordt slechts éénmaal gebruikt: in elken volgenden broedtijd worden nieuwe nesten tegen de oude aangebouwd, totdat het dak door het breken van de takken, waarop het rust, of door de werking van weer en wind vermolmd, ineenstort en naar omlaag valt. Het broedsel bestaat uit 3 of 4 blauwachtig witte, aan het dikste einde fijn bruin gestippelde eieren.

*

De Appelvink of Dikbek, in Gelderland Kersebieter of Kernbieter, in Noord-Brabant Kierzeknieper geheeten (Coccothraustes vulgaris), vormt met zijne verwanten een zeer karakteristiek, naar hem benoemd geslacht. De Dikbekken onderscheiden zich door een zeer krachtigen, gedrongen lichaamsbouw; zij hebben een buitengewoon grooten, dikken, volkomen tolvormigen snavel, welks scherpe zijranden eenigszins gebogen en een weinig binnenwaarts gedrukt zijn; de bovensnavel [93]is vóór de spits onduidelijk ingekorven; hunne pooten zijn kort, maar krachtig en met scherppuntige klauwen gewapend; van de betrekkelijk breede vleugels wordt de spits gevormd door de derde handpen, terwijl de binnenste handpennen kort voor de stompe spits op de buitenvlag haakvormig naar buiten gekromd zijn en op de binnenvlag een inham hebben; de staart is zeer kort en in ’t midden duidelijk uitgerand, het vederenkleed is dicht en zacht. Totale lengte 18, staartlengte 6 cM. De voorkop en het voorste deel van de kruin zijn bruingeel, de bovenkop en de zijden van den kop geelbruin, een smalle streep op den voorkop, de teugel en de keel zwart, de nek en de achterhals aschgrauw; de bovenrug is chocoladekleurig, de onderrug licht kastanjebruin; de krop en de borst zijn vuil grijsrood; de buik is grijswit; de aarsstreek en de onderdekveeren van den staart zijn zuiver wit. De slagpennen zijn metaalglanzig blauw met uitzondering van de beide laatste, die een bruinzwarte kleur hebben; op de binnenvlag komt bij den wortel een wit veld voor; deze velden vormen bij het vliegen op den vleugel een witte dwarsstreep. De middelste staartveeren zijn aan den wortel zwart, hun eindhelft heeft een geelbruine buitenvlag, terwijl de spits wit is; de overige zijn aan den wortel zwart, de beide buitenste met zwarte buitenvlag, alle aan het einde met witten zoom. Het oog is grijsrood, de snavel in de lente blauw, in den herfst vuilgeel, de poot vleeschkleurig.

De gematigde landen van Europa en Azië moet men als het vaderland van den Appelvink beschouwen. De noordgrens van zijn gebied loopt door Zweden en door de zuidelijke en westelijke provinciën van Rusland. In Nederland is hij in de meeste streken een zeldzame verschijning, die slechts zeer enkel in het gure jaargetijde hier en daar wordt waargenomen. In Gelderland broedt hij, “en waarschijnlijk, ofschoon slechts bij uitzondering, ook wel in andere provinciën, misschien zelfs in de met bosch begroeide duinstreken van Noordholland” (Schlegel). In Duitschland ziet men hem dikwijls ook ’s winters, waarschijnlijk echter alleen als gast, die uit het noorden van Europa gekomen is, terwijl de daar broedende exemplaren van deze soort geregeld naar ’t zuiden trekken. In Zuid-Europa komt hij alleen op den trek. Zoo zwerft hij door Spanje en steekt naar Noordwest-Afrika over. In Siberië wordt hij van het bronnengebied van den Amoer tot aan de Europeesche grens als zomervogel aangetroffen. In Duitschland is hij op de eene plaats veelvuldig, op de andere zeldzamer, overal echter bekend, wijl hij zich op zijne zwerftochten overal vertoont en door iedereen opgemerkt wordt. Hij kiest als zomerverblijf heuvelachtige landstreken met bosschen van hooge, breedgebladerde boomen, waarop hij den nacht doorbrengt en ook zich den geheelen dag ophoudt, voor zoover hij niet een naburigen kersenboomgaard plundert of op den grond werkzaam is. Na den broedtijd zwerft hij met zijne jongen rond en komt dan ook in de ooft- en groentetuinen. Tegen het einde van October of in het begin van November vangt zijn reis naar ’t zuiden aan, in Maart keert hij weder terug.

De Appelvink is, zooals lichaamsbouw doet vermoeden, een eenigszins plompe en trage Vogel; hij vliegt op een onbeholpen wijze en met veel gedruisch, hoewel niet langzaam. Zijne geestvermogens logenstraffen zijn uiterlijk. Hij is zeer voorzichtig en listig, leert zijne vijanden spoedig kennen en neemt met sluwheid maatregelen voor zijn veiligheid. “Hij vliegt met tegenzin op,” zegt Brehm, de vader, “wanneer men hem nadert, maar is ook gedurende het eten zoo op zijn hoede, dat hij ieder gevaar onmiddellijk bemerkt en het tracht te ontgaan door zich te verbergen in het dichte gebladerte, of door te vluchten, indien dit niet aanwezig is. Hij weet zeer goed, of hij zich genoeg verborgen heeft, want dan blijft hij zeer lang rustig zitten, hetgeen slechts zelden het geval is, wanneer hij zich op een vrije plaats bevindt. Als de boomen bebladerd zijn, kan men hem lang pitten hooren kraken, voordat men hem met de oogen ontdekt. Hij verbergt zich zoo goed, dat ik hem dikwijls op geen andere wijze te zien kon krijgen, dan door hem met steenworpen naar een anderen boom te jagen. Als hij opgejaagd wordt, gaat hij bijna altijd op een boomtop zitten om ieder hem dreigend gevaar van verre te kunnen opmerken. Zijn list gaat gepaard met groote driestheid.”

Het liefst eet de Appelvink de door een harden bolster omgeven zaden van verschillende soorten van boomen. “Aan kersepitten en nootjes van beuken en haagbeuken geeft hij de voorkeur boven ieder ander voedsel. Hij bijt den steel van de kers door en kraakt den steen na er het vleesch, dat hij wegwerpt, afgeschild te hebben, laat het harde hulsel vallen en slikt de pit door. Dit alles duurt een halve, hoogstens een geheele minuut en geschiedt met zooveel kracht, dat men het kraken op een afstand van 30 schreden kan hooren. Met de nootjes van den Haagbeuk gaat hij op soortgelijke wijze te werk. De van haar schaal bevrijde kernen gaan door den slokdarm onmiddellijk naar de maag; eerst als deze er mede gevuld is, worden de volgende in de krop geborgen. Als de boomen alle zaden, die hem tot voedsel dienen verloren hebben, gaat hij ze op den grond opzoeken; daarom ziet men hem in het laatste deel van den herfst en in den winter dikwijls op den bodem rondhuppelen. Bovendien eet hij ook graag zaden van kruiden; daarom komt hij ’s zomers dikwijls in de groentetuinen, en richt hier onder de zaden groote schade aan. Het is bijna niet te gelooven, welk een hoeveelheid kool van allerlei soort een enkele dergelijke Vogel vernielen kan.” In den winter zoekt hij de lijsterbessen op, ook van deze worden alleen de pitten verslonden. Bovendien eet hij boomknoppen en in den zomer zeer dikwijls Insecten, vooral Kevers en hunne larven.

Al naar het weer gunstig is of niet, broedt de Appelvink tweemaal of slechts eens in ’t jaar, in Mei en in het begin van Juli. Ieder paar neemt een uitgestrekt gebied in beslag en duldt hierin geen andere dieren van hun soort. “Het mannetje houdt daarom steeds in den top van een hoogen boom de wacht en verwisselt dezen dikwijls tegen een anderen; intusschen schreeuwt en zingt hij en legt een buitengewone onrust aan den dag.”

Snorrende en scherpe geluiden, die zeer veel gelijken op den als “tsie” of “tsiek” klinkenden loktoon, zijn de bestanddeelen van het gezang, dat door het mannetje uren achtereen onder allerlei wendingen en bewegingen van het lichaam voorgedragen wordt. Het niet bijzonder dikwandige nest, dat toch werkelijk goed gebouwd is en aan zijn buitengewone breedte gemakkelijk herkend kan worden, is hoog of laag geplaatst, rust op zwakke of althans dunne twijgen, maar is gewoonlijk goed verborgen. De eerste grondslag van dit gebouw bestaat uit droge rijsjes, stevige grashalmen, worteltjes en dergelijke materialen, de tweede laag uit grovere of fijnere bladmossen en korstmossen, de binnenbekleeding uit wortelvezels, varkensborstels, paardeharen, schapenwol en dergelijke stoffen. De 3 à 5 eieren zijn tamelijk dik en op een vuil- (of groenachtig [94]en geelachtig) aschgrauwen grond met scherp begrensde en uitvloeiende, bruine, zwartbruine, donker aschgrauwe, lichtbruine en olijfkleurig bruine vlekken, strepen en adertjes geteekend, die rondom het stompe einde het dichtst bijeenstaan. Het wijfje broedt alleen; in de middaguren wordt het door het mannetje afgelost. De jongen worden door beide ouders gevoederd, met zeer veel liefde verzorgd en nog lang na het uitvliegen bijgestaan en met voedsel voorzien; want het duurt eenige weken, voordat zij in staat zijn de harde kersepitten te kraken.

De Appelvink wordt door den vruchtenkweeker zeer gehaat, want de schade, die hij in de kersenboomgaarden aanricht, is verre van onbeduidend. “Eén enkele familie van deze Vogels,” zegt Naumann, “heeft een boom vol rijpe kersen spoedig leeggeplukt. Wanneer zij eenmaal in een boomgaard geweest zijn, kan men er staat op maken, dat zij telkens zullen terug komen, zoolang er nog kersen te vinden zijn; hoe men ook moge geraas maken, ratelen, met de zweep klappen of fluiten, men zal ze niet geheel kunnen keeren; aan alle verschrikkingsmiddelen, waarover men beschikt, geraken zij gewoon. Het eenige middel om hen te verjagen is op hen te schieten en dit moet niet met los kruit gedaan worden, anders geraken zij ook hieraan gewoon. De gewone morellen zijn het meest aan hunne aanvallen blootgesteld. In de groentetuinen doen zij dikwijls veel kwaad aan de zaden en in de erwtenbedden aan de groene peulen. Zij vernielen de lijsterbessen, die de jager voor zijn bedrijf noodig heeft en begaan nog allerlei andere misdrijven. Zij zouden veel minder schade aanrichten, als zij niet zoo moeielijk te verzadigen waren en als zij niet de gewoonte hadden enkele boomen, bedden en plantsoenen telkens weder te bezoeken, totdat zij alle daar aanwezige vruchten en zaden opgegeten hebben.” Het is derhalve niet te verwonderen, dat de mensch zich deze ongenoode gasten met alle mogelijke middelen van den hals tracht te schuiven, strikken en lijmroeden, netten, vallen, geweren en andere wapens tegen hen gebruikt.

De gevangen Appelvink gewent spoedig aan de kooi, neemt allerlei voedsel voor lief, laat zich gemakkelijk temmen, maar blijft toch altijd gevaarlijk, omdat hij, tot toorn vervoerd, in al wat hem voor den snavel komt, bijt en pijnlijke wonden kan toebrengen. Een getemde Appelvink, die het eigendom was van een student in de edele muzenstad Jena, werd door de vrienden van dezen vogelliefhebber dikwijls beschonken gemaakt, door partij te trekken van de zooeven genoemde eigenschap. Dit kostte hun niet veel moeite. Een aan weerszijden geopende penneschacht werd, nadat de eene opening met den vinger gesloten was, met bier gevuld den Vogel voorgehouden en zoodra deze in het opene deel van dit eigenaardige drinkglas beet, omgekeerd, zoodat het bier in de keel van den Appelvink vloeide. Het was voldoende dit kunstje eenige malen te herhalen, om den dikkoppigen drinkebroer zoo dronken te maken, dat hij bij het rondhuppelen omtuimelde.

*

De eigenlijke Vinken (Fringilla) hebben een gestrekten lichaamsbouw, een middelmatig langen, zuiver kegel- of tolvormigen snavel, pooten met korten loop en zwakke teenen, betrekkelijk lange vleugels, waarin de tweede, derde en vierde handpen de spits vormen, en een middelmatig langen, in het midden zwak uitgesneden staart.

De Vink, Schildvink, Maanvink, Kwinker of Boekvink, in Noord-Holland ook wel Oostvink of Blauwkop, in Groningen Kolfvink, in Gelderland Toetvink, in Noordbrabant Botvink, in Cadzand Bogervink, in Friesland Schelvink genoemd (Fringilla coelebs) is op het voorhoofd donkerzwart, op kruin en nek leikleurig blauw, op den mantel roodachtig bruin, op den onderrug en den staartwortel geelachtig groen; de teugel en de kring om het oog, de wang, de keel en de gorgel zijn licht roestbruin, welke kleur op den krop en de zijden van de borst vleeschroodachtig, op het midden van de borst roodachtig wit, op den buik en de onderdekveeren van den staart wit wordt; de handpennen zijn zwart, de laatste armpennen met smallen, lichtgelen buitenzoom, de kleinste dekveeren donker leikleurig blauw, de middelste wit, de groote zwart met breeden, geelachtig witten eindzoom, waardoor een breede, geelachtige en een smallere, witte dwarsband op den vleugel ontstaan; de twee middelste staartpennen zijn donker leikleurig grijs met gele randen, de overige zwart, de binnenvlag van de beide buitenste paren met grooten, wigvormigen, witten vlek, die zich op het buitenste paar ook over het grootste deel van de buitenvlag uitstrekt. De iris is lichtbruin, de snavel in de lente blauw, in den herfst en winter roodachtig wit, de poot vuil vleeschkleurig. Bij het wijfje zijn de kop en de nek groenachtig grijs, een wenkbrauwstreep, de teugel, de kin en de keel witbruinachtig, de overige bovendeelen olijfkleurig grijsbruin, de onderdeelen lichtgrijs. Lichaamslengte 16.5, staartlengte 7.5 cM.

Met uitzondering van de noordelijkste landen is de Vink in geheel Europa een gewone verschijning; in het zuiden vindt men hem echter gedurende den zomer alleen in het gebergte. Bovendien bewonen deze Vogels enkele deelen van Azië en vertoonen zich des winters in kleinen getale in Noord-Afrika. In Nederland broedt de Vink overal in bosschen en zelfs in groote tuinen; in Noord- en Zuid-Holland geschiedt dit echter eerst sinds de tweede helft van deze eeuw meer algemeen. In het najaar, op den trek, komen de Vinken uit het noorden in groote vluchten in ons land en worden dan op de vinkebanen, vooral langs den duinkant, veelvuldig gevangen. Sommige hier broedende exemplaren overwinteren en blijven rondzwerven binnen een beperkt gebied. In Duitschland zijn weinige gewesten waar de Vink niet talrijk voorkomt. Hij bewoont naaldhoutbosschen zoowel als bosschen met breedbladige boomen, uitgestrekte wouden zoowel als hakhoutboschjes, plantsoenen en tuinen; eigenlijk vermijdt hij alleen moerassige of natte oorden. Het eene paar woont dicht bij het andere; ieder tracht echter vol ijverzucht het eens voor zich gekozen gebied te behouden en verdrijft hieruit elken indringer van dezelfde soort. Eerst nadat het broeden afgeloopen is, vereenigen de reislustige Vogels zich tot vluchten; deze gezelschappen, die zich in October vormen, verdwijnen tegen het einde dezer maand, op eenige weinige in het vaderland overwinterende mannetjes na, langzamerhand uit onze gewesten. (Die, welke hier achterblijven, worden wel eens Hofsteevinken genoemd.) Dan nemen zij in Zuid-Europa en in Noordwest-Afrika berg en dal, akker en tuin, bosch en heg in bezit, zijn overal te vinden, overal veelvuldig, maar ook overal in gezelschap, ten teeken dat zij niet in hun vaderland zijn, maar hier als wintergasten verblijf houden. Als de lente in het zuiden aanvangt, is het tijd om zich weder huiswaarts te begeven. Men hoort dan den helderen, krachtigen slag van de mannetjes nog geruimen tijd weerklinken; weldra echter wordt het stil en eenzaam daar, waar [96]honderdduizenden verzameld waren en reeds in het begin van Maart zijn de wintergasten, op de wijfjes na, verdwenen. De Vinken trekken n.l., althans op den terugtocht naar Middel-Europa in afzonderlijke vluchten: de mannetjes het eerst, de wijfjes een halve maand later. Zelden komt het voor, dat beide geslachten voortdurend samenleven en dus ook samen reizen. Als de weersgesteldheid gunstig is, verschijnen de eerste mannetjes reeds in het einde van Februari in Nederland; de hoofdmassa, komt in Maart bij ons aan en de achterblijvers laten tot April op zich wachten.

1) Appelvink (Coccothraustes vulgaris), 2) Groenling (Chloris hortensis), 3) Kneutje (Acanthis cannabina), 4) Vink (Fringilla coelebs), 5) Keep (Fringilla montifringilla).

1) Appelvink (Coccothraustes vulgaris), 2) Groenling (Chloris hortensis), 3) Kneutje (Acanthis cannabina), 4) Vink (Fringilla coelebs), 5) Keep (Fringilla montifringilla).

Het werkelijk kunstige nest is bijna kogelrond, alleen van boven afgesneden. Zijne dikke buitenwanden worden uit groen, op den grond geplukt mos, fijne worteltjes en halmpjes samengesteld, van buiten echter bedekt met korstmossen van den boom, waarop het nest gebouwd is. Deze worden met spinsel van rupsen of Spinnen aaneenverbonden, zoodat het geheel een bedriegelijke overeenkomst heeft met een knobbel van een tak. De nestholte is diep, napvormig en zeer zacht gevoerd met haren en veeren, wol van planten en van dieren. Zoolang de nestbouw en het broeden van het wijfje duurt, hoort men den mannetjesvink bijna gedurende den geheelen dag onafgebroken slaan; ieder ander mannetje in de nabijheid beantwoordt den slag van zijn buurman met meer dan gewonen ijver; de beide mededingers in de zangkunst winden zich op en beginnen een dolle jacht door de twijgen, welke voortduurt totdat de eene den anderen in den letterlijken zin van ’t woord bij den kraag gepakt heeft en, buiten staat om op deze wijze te vliegen met hem draaiend op den bodem valt.—Het wijfje legt 5 of 6 kleine, dunschalige eieren, die gewoonlijk op licht blauwgroenachtigen grond voorzien zijn met bleeke, roodachtig bruine stippen, vlekjes en streepjes en met paarsachtig grijze, wolkachtige vlekjes, welker vorm en teekening zeer uiteenloopt. De eieren moeten 14 dagen bebroed worden; dit geschiedt hoofdzakelijk door het wijfje dat echter door het mannetje vervangen wordt, zoolang gene van ’t nest afwezig moet zijn om voedsel te zoeken. De jongen worden door de beide ouders uitsluitend met Insecten grootgebracht, hebben ook nog een tijdlang, nadat zij uitgevlogen zijn, de hulp van de ouders noodig, maar leeren spoedig zelf hun voedsel zoeken. Als onmondige kinderen openbaren zij hunne aandoeningen door een zonderling klinkend “sjielkend” geschreeuw, later maken zij gebruik van den loktoon der volwassen Vogels. Deze beginnen reeds weinige dagen nadat de opvoeding van hunne jongen voltooid werd, met de zorgen voor een tweede broedsel. De beide ouders houden veel van hun kroost; als een vijand het nest nadert, geven zij hun angst door klagende geluiden en door zeer duidelijk verstaanbare gebaren te kennen.

De Vink is een wakkere, levendige, bekwame, vlugge en schrandere Vogel maar tevens oploopend en twistziek. Gedurende den geheelen dag bijna voortdurend in beweging, is hij alleen ten tijde van de grootste middaghitte iets minder bedrijvig. Op de takken zittend, neemt hij een opgerichte houding aan, op den grond heeft zijn lichaam een meer horizontalen stand; op den bodem gaat hij half huppelend, half loopend, op de twijgen beweegt hij zich graag in zijdelingsche richting; hij vliegt hoog, als hij een grooten afstand heeft af te leggen, laag wanneer het doel van de reis niet veraf is. Zijn lokstem, het bekende “pienk”, of “fienk”, wordt op zeer verschillende wijze geïntoneerd en krijgt hierdoor verschillende beteekenissen. Gedurende het vliegen roept hij op gedempte, kort afgebroken wijze vaker “guup guup” dan “pienk”; voor gevaar waarschuwt hij door een sissend “sie ieh”, waarop ook andere Vogels letten; in den paartijd tsjilpt hij; bij donker weder hoort men van hem een ratelend geluid, dat de jongens in Thuringen door het woord “regen” nabootsen. Zijn slag bestaat uit één of twee strophen, die ieder door een bepaalden klank afgesloten en tot een geheel vereenigd worden. Gedurig worden deze strophen op verschillende wijze gezongen; zij worden met zeer groote volharding en zeer dikwijls in snelle opeenvolging voorgedragen; de vinkenliefhebbers onderscheiden een menigte soorten van slagen, die ieder met een verschillenden naam aangeduid worden. De kennis van deze slagen is een formeele wetenschap geworden, die evenwel hare eigene priesters vereischt en voor niemand, die niet in hunne mysteriën is ingewijd, altijd duister zal blijven. Er zijn bepaalde bergstreken, waar deze wetenschap meer beoefenaars vindt dan eenige andere. Beroemd zijn de Thuringer, de Hartzer en de Boven-Oostenrijksche vinkenliefhebbers wegens hun buitengewone kennis van de bedoelde slagen. Daar waar het ongeoefende oor slechts geringe afwijkingen waarneemt, onderscheiden deze lieden met onfeilbare zekerheid 20 en meer verschillende slagen, waaraan zij namen geven, die onkundigen doen glimlachen, maar die toch meestal zeer goed gekozen en gewoonlijk klanknabootsingen van een deel van den slag zijn. Vroeger werden Vinken, die door een eigenaardigen slag uitmuntten, buitengewoon hoog geschat en voor bijna fabelachtige sommen verkocht; tegenwoordig is deze liefhebberij zeer verminderd.

Alleen in de boomkweekerijen en groentetuinen, waar hij de op den grond liggende zaden opeet, kan de Vink een schade van eenige beteekenis aanrichten. Wel wordt hij soms beschuldigd van een gevoelige schade toe te brengen aan het woud, door het opzoeken van de afgevallen zaden van beuken- en naaldboomen; maar zij, die hem hiervan betichten, gelooven waarschijnlijk zelf niet eens aan de waarheid van deze bewering. Hij eet zaden van verschillende planten, hoofdzakelijk van onkruid, maar voedt zijne jongen en gedurende den broedtijd zich zelf uitsluitend met Insecten, meestal met zulke, die nadeelig zijn voor de boomen, waarop wij prijs stellen. In ’t ongunstigste geval wordt dus alle schade, die hem ten laste gelegd wordt, opgewogen door het nut dat hij aanbrengt. Men moest hem beschermen en tegemoet komen, in plaats van hem meedoogenloos te vervolgen, zooals ongelukkig altijd nog hier en daar geschiedt. De liefhebbers, die voor hunne kooien Vinken vangen, hebben geen schuld aan de vermindering van hun aantal; de vogelvangers echter, die er duizenden tegelijk dooden, doen een gevoeligen afbreuk aan de vermeerdering van deze lieftallige Vogels.

De eenige inheemsche Vogel, die tot hetzelfde geslacht behoort als onze Vink, is de Keep, Bergvink, of Boschvink, in Gelderland Noordvink, in Groningen Kweevink, in Friesland Keepvink of Kwaakvink genoemd (Fringilla montifringilla). Lichaamslengte 16, staartlengte 6.6 cM. De kop, de nek en de mantel, de wangen en de zijden van den bovenhals zijn donkerzwart met blauwachtigen glans, de staartwortelveeren in het midden zuiver wit, aan de zijden zwart, de keel en de borst met een geelachtig waas overtogen, de teugel, de kin en de zijden van den buik geelachtig wit, de laatstgenoemde zwart gevlekt, de slagpennen bruinzwart met geelachtig witten zoom, de schouderveeren roestkleurig; de eindhelft [97]van de staartveeren is wit met geelachtigen zoom. De iris is donkerbruin, de snavel licht blauwzwart, in den herfst wasgeel, de voet roodbruin.

Het vaderland van de Keep is het hooge noorden van de Oude Wereld: de landen benoorden den 59en graad N.B., zoover de boomgroei reikt. Reeds in Augustus vereenigen deze Vogels zich tot zwermen, die zich gedurende de volgende maanden in de zuidelijke gedeelten van hun broedgebied ophouden en daarna langzamerhand verder zuidwaarts trekken; zij doorkruisen geheel Europa tot Spanje en Griekenland en Azië tot aan den Himalaja. Op dezen trek bezoeken zij veelvuldig ons vaderland, waar zij in ’t najaar (in ’t begin van October) aankomen. Gebergten en aaneengeschakelde wouden bepalen de richting van hun reis, voor zoover deze niet gewijzigd wordt door scharen van andere Vinken, waarmede zij zich gaarne vermengen. In Nederland en Duitschland ontmoet men de Keepen in bosschen en op akkers, in den regel in gezelschap van Vinken, Kneutjes, Ringmusschen en Groenlingen.

De Keep heeft met den Vink veel overeenkomst. Ook zij is twistziek, oploopend, bijtlustig en door broodnijd bezield, hoe gezellig zij overigens ook moge schijnen. Haar gezang is een erbarmelijk getjilp zonder welluidendheid, regel of orde; het bestaat eenvoudig uit een willekeurige samenvoeging van de verschillende geluiden, die zij maakt.

Op de Keep wordt vooral jacht gemaakt wegens zijn smakelijk, hoewel eenigszins bitter vleesch; vooral op de vinkenbanen vangt men haar dikwijls in grooten getale. Haar onervarenheid is oorzaak, dat zij zich dikwijls ook in andere vallen laat vangen.

Op groote hoogte, op de Alpengebergte van de Oude Wereld, van de Pyreneën tot in Siberië, in den zomer altijd boven de grenzen van den boomgroei, leeft de aan onzen Vink verwante Sneeuwvink (Fringilla nivalis). Hij verschilt van de vroeger beschreven soorten door den langen, gekromden, spoorvormigen nagel aan den achterteen, de lange vleugels en de gelijke bevedering van mannetjes en wijfjes. Totale lengte ongeveer 20, staartlengte 8 cM. De bovenkop, de wangen, de achterhals en de zijden van den hals zijn licht aschgrauw, de mantelveeren koffiebruin, de keel en de gorgel zwart, de zijden van de borst en de flanken licht geelachtig aschgrauw, de kin, de borst en het midden van den buik vuilwit, de zeven eerste handpennen zwart, aan de buitenzijde en aan den top met bruinachtig witten zoom, de schouderveeren donkerbruin, de middelste staartveeren zwart, aan de binnenzijde wit gezoomd, alle overige sneeuwwit. Het oog is donkerbruin, de snavel leikleurig zwart, in den herfst en in den winter wasgeel, aan de spits altijd zwart, de voet zwart.

Onze Alpen, de Karpathen, de hooge gebergten van Perzië en de Himalaja vormen het verbreidingsgebied van den Sneeuwvink. Bijna even sterk als het Alpensneeuwhoen is hij aan de hooge bergstreken gehecht. Alleen door hevige sneeuwbuien en strenge koude kan hij genoopt worden om de lager gelegen dalen te bezoeken. In het eerste gedeelte van den winter geschiedt dit veel zeldzamer dan in het laatste, omdat de tegen weer en wind geharde Vogel geen last heeft van de sneeuw en van de koude, zoolang er nog voedsel voor hem te vinden is. Zelfs in den strengsten winter verwijdert hij zich nagenoeg niet van het gebergte; de gevallen, waarin men hem op Duitsch grondgebied heeft waargenomen, behooren daarom tot de groote zeldzaamheden. Gedurende den zomer bewoont hij uitsluitend den hoogsten gordel van de Alpen, onmiddellijk onder de grens van de eeuwigdurende sneeuw; in den broedtijd treft men hem bij paren, later in troepen en vluchten, meestal aan den rand der met steenen bedekte hellingen aan, waar hij vlug over de rotsen huppelt, soms voor een poos met zijne metgezellen opvliegt en onder het zacht geroep van “zjuup zjuup” een kort eind vliegt, om weldra weer neer te strijken en even ijverig als te voren het opzoeken van voedsel voort te zetten. Zijn gezang, dat men in de vrije natuur alleen gedurende den voortplantingstijd hoort, bestaat uit dit en andere voor ’t dagelijksch verkeer dienende geluiden en wordt door deskundigen het slechtste van alle vinkengezangen genoemd; het is kort, ruw, hard en onaangenaam schel. Zijne bewegingen herinneren meer aan die van de Sneeuwgors en van den Leeuwerik dan aan die van den Vink; even als gene vliegt hij zonder inspanning en zwevende. Op de wegen in ’t gebergte komt hij des winters geregeld voor de huizen; overal, waar hij zeker is niet lastig gevallen te worden, vliegt hij onbeschroomd in en uit de woningen; door vervolging wordt ook hij na verloop van korten tijd omzichtiger.

*

Amerika is het vaderland van meer dan 70 soorten van bonte, Gors-achtig geteekende Vinken, die Muschgorsen (Zonotrichia) worden genoemd. Zij hebben een slanken, kegelvormigen, sierlijken snavel, die langs de ruglijn weinig gekromd is en in een rechte spits uitloopt; de pooten hebben een langen loop en lange teenen, waaraan groote nagels voorkomen, vooral aan den achterteen, welks nagel bij wijze van een spoor verlengd is; de vleugels zijn middelmatig lang en onderscheiden zich door hunne zeer lange armpennen; de staart is verschillend van lengte. Zij houden veelal verblijf op den bodem en bewegen zich hier geheel op de wijze van de Gorsen. Eenige soorten zijn woudvogels, die de opene plaatsen mijden, andere leven in waterrijke streken aan de oevers van rivieren, nog andere op velden en weiden, eenige zelfs aan de zeekust, enkele eindelijk nemen in de Nieuwe Wereld de plaats van onze Musschen in.

Bij de Noord-Amerikaansche Withalzige Muschgors (Zonotrichia albicollis), zijn de boven- en achterkop zwart; bij deze kleur steken een smalle witachtige, overlangsche lijn op het midden van den kop en een breede streep boven de oogen scherp af; de wangen en de oorstreek zijn aschgrauw, de kin en de keel wit; de onderdeelen zijn wit, met uitzondering van de roestbruinachtige, met donkere, overlangsche streepjes geteekende zijden en den bruinachtig grijzen krop; de bovendeelen en de vleugeldekveeren zijn roestbruin, de mantel en de schouderveeren met zwarte schaftvlekken geteekend, de slagpennen en stuurpennen olijfbruin. De iris is nootbruin, de bovensnavel hoornbruin, de ondersnavel lichtblauw, de poot vleeschkleurig. Totale lengte 17, staartlengte 8 cM.

Deze Vogels zijn over alle oostelijke staten van Noord-Amerika verbreid; in het noorden van dit gebied zijn zij trekvogels, in ’t zuiden wintervogels. Het mannetje is in Juni, zijn voortplantingstijd, zeer roerig en zingt zeer vlijtig zijn lied, welks twaalf tonen één strophe vormen, die, zonder eenige afwisseling telkens weer herhaald, weldra verveelt.

In sommige streken doodt of vangt men de Withalzige Muschgors om haar lekker vleesch of om haar in [98]een kooi te houden; hier zingt zij in de lente ook ’s nachts, gelijk zij in haar vaderland gewoon is te doen.

Een andere vertegenwoordiger van hetzelfde geslacht, de Wintermuschgors, de Snowbird (Sneeuwvogel) der Amerikanen (Zonotrichia hyemalis), verdient vermelding, omdat zij, naar men zegt, eens op IJsland is aangetroffen. Totale lengte 15, staartlengte 7.5 cM. De kop en de bovendeelen zijn donker leigrauw, de onderdeelen, bij de borst te beginnen, wit, de slagpennen en hare dekveeren donkerbruin met bruinachtigen zoom, de staartveeren bruinzwart met uitzondering van de beide buitenste paren, die wit zijn, en van het derde paar, dat met een langwerpige, witte schaftvlek voorzien is. De iris is donkerbruin, de snavel roodachtig vuilwit, de poot vleeschkleurig.

Deze soort bewoont de noordelijke Vereenigde Staten en de verder noordwaarts gelegen gewesten tot binnen den poolcirkel. Zij is een der meest algemeen verbreide vormen van haar geslacht en in de meeste gewesten van Noord-Amerika, althans gedurende een deel van ’t jaar, veelvuldig. De gebergten en het noorden zijn haar vaderland; in de Vereenigde Staten verschijnt zij tegen het einde van October om tegen het einde van April weer te vertrekken. Op een mooien morgen ziet men deze Vogels plotseling in menigte op plaatsen, waar er den vorigen dag geen enkele te vinden was. In den beginne blijven zij vereenigd tot troepen van 20 à 30 individuen, die zich in boschranden, heggen en omtuiningen ophouden; later vereenigen zij zich tot grootere vluchten en, vooral wanneer er stormen in aantocht zijn, tot zwermen van duizenden exemplaren. Zoolang de bodem nog onbedekt is, voeden zij zich met graszaden, bessen en Insecten, niet zelden in gezelschap van Boomhoenderen en wilde Kalkoenen, ook wel van Eekhoorntjes, die met hen hetzelfde voedsel zoeken. Wanneer het echter gesneeuwd heeft en de gewone kostwinning moet worden opgegeven, komen zij op de boerenerven, op de publieke wegen en ten slotte ook in de straten der steden. Argeloos begeven zij zich onder de hoede van den mensch, die iederen dag misbruik maakt van het in hem gestelde vertrouwen door deze Vogels bij honderden te vangen; door goedhartige lieden worden zij echter ook wel gevoederd en beschermd. Hun gemeenzaamheid gaat zoover, dat zij de voetgangers en ruiters dicht bij zich voorbij laten gaan en alleen dan opvliegen, als zij vreezen door de voorbijgangers vertreden te worden. Als de lente aanvangt, verlaten zij de steden en dorpen om hunne broedplaatsen in het gebergte of in het noorden weer op te zoeken.

Kort na hun terugkomst op den geboortegrond vangt de paartijd aan. De mannetjes vechten dan hevig met elkander. In dezen tijd laten zij hun eenvoudig, maar aangenaam gezang hooren waarvan eenige volle langgerekte tonen de hoofdbestanddeelen zijn. Soms treft men gevangen Wintermuschgorsen bij ons in de kooi aan, hoewel er weinige redenen zijn om ze aan te bevelen.


Van de Echte Vinken onderscheiden zich de Goudvinkachtigen (Pyrrhulinae), doordat hun snavel aan den wortel met borstels omgeven is. De snavel is in den regel zeer kort en hoog.

*

Onze Groenling, Groeninger of Greuninger, in Gelderland en Friesland Vlasvink, in Noordbrabant Grunsel, in Groningen Kornuit, te Amsterdam Groenvink genoemd (Chloris hortensis, fig. 2)8, kenmerkt zich door den krachtigen lichaamsbouw, den korten, kegelvormigen snavel, welks zijranden aan beide kaken ingetrokken en scherp zijn; de voeten hebben korte teenen; de spits van de middelmatig lange vleugels wordt gevormd door de drie voorste handpennen; de staart is tamelijk kort. Totale lengte 12,5, staartlengte 6 cM. De meest in ’t oog vallende kleur van het vederenkleed is fraai olijfgeelgroen; de rand van het voorhoofd, een streep boven de oogen, de achterste gedeelten van de wangen, de kin en het voorste deel van de keel zijn helderder, meer geel van kleur; het onderste deel van de borst, de buik, de onderdekveeren van den staart en de rand van den vleugel zijn helder citroengeel; de handpennen zijn grootendeels zwart, aan de spits echter grijs, terwijl bovendien de buitenvlag van de zes eerste, met uitzondering van het dichtst bij den top liggend derde deel, hoog citroengeel is; de armpennen en hare dekveeren zijn zwart, aan de buitenzijde aschgrauw, de overige bovendekveeren van den vleugel olijfgeelgroen, alle slagpennen op de binnenvlag bij den wortel met een witten rand voorzien, de middelste staartpennen geheel, de andere alleen aan de tophelft zwart en overigens citroengeel. De iris is donkerbruin; de snavel en de poot zijn roodachtig grijs. De kleuren van het wijfje zijn minder levendig.

Met uitzondering van de noordelijkste gewesten van Europa ontbreekt de Groenling nergens in dit werelddeel; bovendien is hij over Noordwest-Afrika en over Klein-Azië tot aan den Kaukasus verbreid. Zeer veelvuldig is hij in Zuid-Europa, vooral in Spanje; bij ons echter is hij evenmin zeldzaam. Hij bewoont bij voorkeur vruchtbare gewesten, waar kleine boschjes met akkers, weiden en tuinen afwisselen; in alle vlakten is hij zeer talrijk; hij houdt zich in de onmiddellijke nabijheid van bewoonde gebouwen op, maar vermijdt de wouden. Bij ons vertoeft hij van April tot October; in Duitschland, waar hij na den broedtijd in sommige streken zwerft, blijft hij soms den winter over, in Zuid-Europa is hij standvogel.

Alleen op den trek vereenigen de Groenlingen zich tot talrijke vluchten met verwante Vogels, o.a. met Vinken en Keepen, met Ringmusschen, Geelgorsen, Kneutjes en dergelijke. In de andere jaargetijden leven zij bij paren of familiën. Ieder paar vestigt zich in een klein boschje of in een tuin, kiest hier een dicht bebladerden boom als slaapplaats uit en zwerft van hier uitgaande in den omtrek rond om voedsel te zoeken. Over dag ziet men den Groenling meestal op den grond, waar hij allerlei zaden oppikt. Als hem eenig gevaar bedreigt, vlucht hij in den naastbijgelegen boom en verbergt zich in het loover van de kroon. Hoewel hij een plomp voorkomen heeft, is hij toch wakker en vlug. Op den bodem beweegt hij zich niet ongeschikt, hoewel huppelend; het vliegen kost hem weinig inspanning en geschiedt volgens een boogvormige lijn. Bij het opvliegen laat hij gewoonlijk zijn loktoon, een kort afgebroken “tsjiek” of “tsjek” hooren, soms vele malen achtereen. Om teedere gevoelens uit te drukken gebruikt hij den buitengewoon zachten, maar toch op grooten afstand hoorbaren klank “tswoeï” of “sjwoensj”. Deze dient ook als waarschuwend sein, maar gaat dan gewoonlijk gepaard met een zacht, helder gefluit. Op plaatsen, waar de Groenling zich veilig acht, is hij zeer weinig schuw, in gezelschap van andere wezens evenwel dikwijls zeer voorzichtig. [99]

Zijn voedsel bestaat uit zaden van zeer verschillende, ook wel van vergiftige planten, bij voorkeur echter uit zulke, die veel olie bevatten, zooals raapzaad, krodde, herik, hennepzaad en dergelijke.

Gewoonlijk broedt hij tweemaal, in gunstige zomers ook wel driemaal. Het half bolvormige nest wordt op hooge boomen of struiken in een stevigen gaffel of dicht bij den stam gebouwd en, al naar de gesteldheid van de omgeving, van zeer verschillende stoffen vervaardigd. Dorre rijsjes en worteltjes, kweek, droge halmen en wortels van grassen vormen de onderlaag, waarop een laag fijnere stoffen van dezelfde soort volgt, gewoonlijk gemengd met groene, op den bodem geplukte bladmossen of korstmossen of ook wel met propjes wol. Voor het bekleeden van de nestholte dienen eenige uiterst fijne worteltjes en halmpjes, waarop en waartusschen haren van Paarden, Herten en Reeën liggen en waarmede soms ook wel kleine vlokjes van dierlijke wol saamgeweven worden. Tegen het einde van April vindt men het eerste, in Juni het tweede, in het begin van Augustus het derde broedsel in het nest. Het bestaat uit 4 à 6 zeer buikige, dun- en gladschalige eieren, die op blauwachtig witten of zilverkleurigen grond, vooral aan het stompe einde, met lichtroode, scherp begrensde of uitvloeiende vlekjes en puntjes voorzien zijn. Het wijfje broedt alleen. De jongen worden met zaden grootgebracht. Insecten eten de Groenlingen, naar ’t schijnt, nooit. Toch brengen zij nog wel eenig nut aan door het eten van onkruidzaden. In moestuinen richten zij schade aan. Onze kleine Roofdieren, alsmede Eekhoorns, Hazelmuizen, Kraaien, Eksters, Klauwieren en Gaaien plunderen vele groenlingnesten en verslinden ook de oude Vogels, wanneer zij deze vangen kunnen. Toch neemt hun aantal bij ons eerder toe dan af.

*

De tot het Noordelijke Rijk van de Oude Wereld beperkte Barmkneuters (Acanthis) worden als vertegenwoordigers van een afzonderlijk geslacht beschouwd; zij kenmerken zich door den echt kegelvormigen, ronden, korten, in een scherpe spits eindigenden snavel, de tamelijk lange, smalle, puntige vleugels en den aan ’t einde gaffelvormig uitgesneden, scherphoekigen staart.

Ons Kneutje, ook wel Vlamsijs, Hennepvink of Kneuter, in Gelderland Lukker, in Utrecht, Friesland en Groningen Robijntje, in het land van Kuik Heimourik genoemd (Acanthis cannabina), is op den voorkop bruingeelachtig wit, op de kruin prachtig karmijnrood, op de zijden van den achterkop en den hals aschgrauw met roodachtig gele streepjes, op den rug en de schouders kaneelbruin; de keel en de gordel zijn bruinachtig wit met donkergrijze strepen en vlekken; het midden van de borst, de buik en de onderdekveeren van den staart wit, de zijden van de borst helder karmijnrood, de flanken licht kaneelkleurig, de zwarte handpennen aan de buiten- en de binnenzijde sneeuwwit, aan de spits lichtbruinachtig, de zwartbruine armpennen lichter van kleur en met breedere, licht kaneelkleurige zoomen, de staartveeren zwart, aan weerszijden met helder witte kanten, de bovendekveeren van den staart zwart met witte zoomen. De iris is donkerbruin, de snavel loodkleurig grijs, aan den wortel donkerder, de poot roodachtig grijs. In het winterkleed zijn alle tinten minder zuiver en is het rood door grijze vederranden bedekt. Totale lengte 13, staartlengte 5.5 cM.

Het Kneutje bewoont geheel Europa, Klein-Azië en Syrië en komt op den trek in Noordwest-Afrika, zelden echter in Egypte. Bij ons wordt het algemeen broedend aangetroffen in droge zandstreken, duinen en heiden, vooral wanneer deze met doornstruiken of laag hout begroeid zijn; in de lage landen ontbreekt het. In Duitschland is het overal veelvuldig, het meest nog in heuvelachtige gewesten. Het vermijdt de hooge gebergten en evenzeer uitgestrekte wouden.

Het Kneutje verdient een plaats onder de lieftalligste en bekoorlijkste, inheemsche Vinken, zonder nog te rekenen, dat het door zijn gezang een der meest gewilde kooivogels is. Gezellig, opgewekt, levendig en tamelijk schuw van aard, zijn de Kneutjes buiten den broedtijd altijd tot kleine en groote vluchten vereenigd. In den herfst, gewoonlijk reeds in Augustus, vormen zij groote zwermen; men ziet er dan honderd en meer bijeen. In den winter vermengen zij zich met de Groenlingen, ook wel met de Vinken en Keepen, met de Ringmusschen en de Geelgorsen. In de lente na de paring scheiden zij zich van elkander af, hoewel zij dikwijls vreedzaam in elkanders nabijheid broeden. De Kneuter vliegt zonder inspanning en tamelijk snel, bij rukken en zwevend; vooral voordat hij neerstrijken zal beschrijft deze Vogel dikwijls kringen in de lucht. Dikwijls komt hij al vliegend dicht bij den bodem, zoodat men zou kunnen meenen, dat hij zal gaan zitten; niet zelden stijgt hij dan echter weer omhoog en vliegt een heel eind verder. Op den grond huppelt hij tamelijk behendig rond. Als hij in de boomen zingt, zit hij op den hoogsten top of op een vrij uitstekenden tak; dit doet hij ook in de struiken, vooral in jonge dennen en sparren; over ’t algemeen zit hij gaarne op een top, zelfs wanneer hij niet zingt.

Door zijn bekwaamheid als zanger overtreft hij de meeste leden zijner familie; zijn gezang begint gewoonlijk met de klanken “gek gek”; door deze geluiden worden echter klankvol gefloten tonen heengemengd, beide worden met veel afwisseling en vuur ten gehoore gebracht. Jong in de kooi geplaatste mannetjes leeren gemakkelijk het gezang van andere Vogels nabootsen of wijsjes nafluiten.

Het Kneutje9 vertoeft bij ons in den regel van April tot October en verhuist dan naar de minder koude streken van Europa, waar het gedurende den winter rondzwerft. Reeds in April begint het zijn nest te bouwen; gedurende den zomer broedt het minstens twee-, gewoonlijk echter driemaal. Het nest vindt men op allerlei struiken, vooral doornstruiken, ook somtijds op boomen, maar zelden boven manshoogte. De buitenste laag bestaat uit rijsjes, worteltjes en grashalmen, heide en dergelijke materialen; bij ’t voortzetten van den arbeid worden deze bouwstoffen steeds fijner gekozen, waardoor als ’t ware een tweede laag in den wand van het nest ontstaat. De nestholte wordt van binnen bekleed met wol van dieren en planten, vooral echter met paardenhaar. De eieren 4 of 5 in getal, zijn op blauwachtig witten grond met verspreide lichtroode, donkerroode en kaneelbruine stippels en streepjes geteekend. Zij worden uitsluitend door het wijfje uitgebroed; de jongen, die na verloop van 13 à 14 dagen uitkomen worden met allerlei vooraf in den krop geweekte zaden gevoederd; vooral voor die van het laatste broedsel wordt deze arbeid door de beide ouders gemeenschappelijk verricht. Terwijl het wijfje op het nest zit, gaat het mannetje dikwijls op een naburigen boom zitten en zingt zeer ijverig. In tegenstelling [100]met de Vinken leven de Kneutjes ook gedurende den broedtijd met elkander in vrede. De mannetjes van verscheidene dicht bij elkander broedende wijfjes maken hunne uitstapjes niet zelden met elkander en zingen zonder te krakeelen gezamenlijk naast de nesten.

Het Kneutje voedt zich bijna uitsluitend met zaden, maar wordt toch nergens als een bijzonder schadelijken Vogel beschouwd, tenzij men het de strooperijen waaraan het zich in tuinen schuldig maakt ten nadeele van de zaden van kool, rapen, salade en dergelijke groenten, onbehoorlijk hoog zou willen aanrekenen. Het onkruid levert waarschijnlijk de hoofdschotel van zijne maaltijden. Het eet zaden van weegbree, paardenbloemen, van allerlei soorten van kool, papavers, hennep en rapen en vooral ook van grassen.

Met recht wordt het Kneutje als een der meest aanbevelenswaardige kamervogels beschouwd; het stelt minder hooge eischen dan verreweg de meeste, wordt jegens den persoon, die het grootgebracht en verder verzorgd heeft, dikwijls zeer vriendschappelijk gezind, en zingt bijna gedurende het geheele jaar met vlijt en ijver.

Het Fratertje, dat in Friesland Heidebarmpje in Groningen Barm en Grauwe Barm wordt genoemd (Acanthis flavirostris)10, vervangt het Kneutje in het hooge noorden van Europa, o. a. in het noorden van Groot-Brittannië en in Skandinavië. Het komt bij ons en in de overige landen van Middel-Europa, in het voor- en najaar op den doortrek; ook overwintert het in deze streken, hier en daar rondzwervend; in sommige jaren is het hier veel talrijker vertegenwoordigd dan in andere. De bovendeelen zijn grootendeels zwartbruin; met roestkleurige randen om de veeren; de staartwortel is rood, de borst roestbruin; de onderdeelen zijn overigens wit. De zeer korte snavel is wasgeel, de neusgaten zijn met stijve borstelveeren bedekt. Totale lengte 13, staartlengte 6.5 cM.

Het Barmsijsje of Paapje, in Groningen en Friesland Steenbarmpje genoemd (Acanthis linaria)11, is een andere, veelvuldig bij ons verschijnende, in het hooge noorden broedende soort van hetzelfde geslacht. De voorkop en de kruin zijn donker karmijnrood, de achterkop en de overige bovendeelen dof roestbruin met donkerbruine, overlangsche strepen, de staartwortelveeren bleek karmijnrood, de bovendekveeren van den staart donkerbruin, de wangen en de oorstreek roestbruin met donkerder streepjes, de voorste gedeelten van de wangen, de keel, den krop en de zijden van de borst karmijnrood (de veeren van het midden der keel met smalle, witte zoomen), de overige onderdeelen wit, de slagpennen donkerbruin met twee lichte banden over den vleugel, de staartveeren donkerbruin. Het oog is donkerbruin, de bovensnavel hoornblauw, de ondersnavel geel, de voet grijsbruin. Totale lengte 13, staartlengte 6 cM.

Het verbreidingsgebied van het Barmsijsje omvat den kouden gordel van de Oude en de Nieuwe Wereld, zoover de boomgroei reikt. Van hieruit trekt het ieder jaar naar zuidelijker gewesten en verbreidt zich in de wintermaanden van sommige jaren in onbegrijpelijke menigte over de gematigde streken van het noordelijk halfrond, ook over Nederland en meer zuidelijke landen, somtijds zelfs over Egypte. Enkele paren broeden echter in het Reuzengebergte en in de Karpathen. Ieder, die de ontzaglijke berkenwouden van het hooge noorden doorkruist of althans gezien heeft, begrijpt, waarom het Barmsijsje niet in elken winter even veelvuldig bij ons verschijnt. Alleen wanneer in het noorden de berken niet veel vruchten dragen en onze Vogel dus gebrek aan voedsel heeft, ziet hij zich genoodzaakt naar zuidelijker streken te verhuizen.

Het leven van het Barmsijsje is even nauw verbonden aan de aanwezigheid van berkenbosschen, als het bestaan van den Kruisbek van de naaldhoutbosschen afhangt. In het berkenwoud vinden onze Vogels in den winter zaden, in den zomer gedurende den broedtijd Insecten in zeer groote hoeveelheid. Kort nadat zij op hunne broedplaatsen aangekomen zijn, verstrooien deze overigens zoo gezellige Vogels zich in meerdere of mindere mate, om zich te wijden aan den bouw van hunne nesten. Deze zijn meestal laag boven den grond op struikachtige berken gelegen, komen, wat het bouwplan betreft, het meest met die van onze Kneutjes overeen, zijn napvormig en bestaan uit fijne twijgjes, die de onderlaag—, halmen, bladmossen, korstmossen en haren, die den wand—, alsmede uit veeren, die de binnenbekleeding vormen. De 3 à 5 eieren, die men er in den regel niet vóór het midden van Juni in vindt, zijn op lichtgroenen grond dofrood en lichtbruin gevlekt en gestippeld.

Het Barmsijsje is even goedaardig als ongedurig, behendig en wakker. In het klauteren meer ervaren dan al zijne verwanten wedijvert het niet slechts met den Kruisbek, maar ook met de zoo beweeglijke Meezen. Berken, welker draadvormige twijgen met een zwerm van deze fraaie Vogels bedekt zijn, leveren een prachtig schouwspel op. In de meest verschillende houdingen hangen alle leden van het gezelschap aan de twijgen of klimmen hierlangs op en neder, ijverig bezig met het oppikken van hun voedsel uit de berkenkegeltjes. Ook op den bodem huppelen zij behendig rond. De loktoon is een dikwijls herhaald “tsjettsjek”, dat vooral bij het opvliegen uit aller keel weerklinkt; dikwijls wordt er een teeder klinkend “main” aan toegevoegd. Deze beide geluiden, door een ongeregeld gekweel aaneengekoppeld, maken de hoofdbestanddeelen uit van het gezang, dat met eenige trillers besloten wordt.

In de kooi maken deze lieve vogeltjes zonder eenigen schroom gebruik van het hier aanwezig voedsel en worden na verloop van zeer korten tijd buitengewoon mak; zij zijn met zeer eenvoudig voer tevreden, wekken door hun beweeglijkheid en vaardigheid in ’t klimmen de belangstelling van den toeschouwer en sluiten weldra een innige vriendschap met andere kleine Vogels, die zij op de meest verschillende wijzen liefkozen. Hun gezellige aard strekt hun ten verderve, wanneer de vogelvanger hun lagen legt; want, zoodra er één gevangen is, kost het weinig moeite er meer te vangen, daar deze op den loktoon van hun soortgenoot afkomen.

Bij de hier te lande voorkomende zwermen van Barmsijsjes ontmoet men soms eenige exemplaren van een in Schotland en in de oostelijke Alpen (o.a. in Salzburg) broedende soort; deze is wegens zijn 1 à 1.5 cM. geringere lengte bekend onder den naam van Klein Barmsijsje en wordt door de vogelhandelaars ook wel Steenbarmpje genoemd (Acanthis rufescens). Zij verschilt van de vorige door de rozeroode tint van de witte onderdeelen en doordat niet alleen de stuurpennen, maar ook de slagpennen vuilwit gezoomd zijn. De snavel is geelachtig, de pooten zijn zwart. [101]

Veel zeldzamer dan de vorige soort wordt een enkele maal in Nederland te midden van zijne verwanten het in Groenland broedende Langsnavelige Barmsijsje (Acanthis Holbölli) aangetroffen. Deze soort is kenbaar aan den langen, helder oranjegelen, op den rug zwarten snavel. In grootte komt zij met het gewone Barmsijsje overeen.

*

De Sijsjes (Chrysomitris) kenmerken zich door den langen, in een fijne spits eindigenden, langs de rijglijn flauw gekromden snavel, de met korte nagels gewapende teenen en de betrekkelijk lange vleugels.

Ons Sijsje (Chrysomitris spinus) is op den geheelen bovenkop en den nek zwart, op den achterhals, den mantel en de schouders geelgroen met donkere, overlangsche streepjes; het voorste gedeelte van de wangen, de keel, de zijden van den hals, de krop en de bovenborst zijn fraai olijfkleurig geel, de onderborst en de buik bijna wit, de zijden wit met zwarte, overlangsche vlekken, de overige onderdeelen, de stuit en een streep boven de oogen citroengeel, de bovendekveeren van den staart groen, de slagpennen bruinzwart met gele zoomen, vleugeldekveeren olijfgroen, de staartveeren geel, aan ’t einde zwart. Het oog is donkerbruin, de snavel vleeschkleurig met zwartachtige spits, de poot bruin. Bij ’t wijfje zijn de veeren van de bovendeelen (ook de bovenkop) groenachtig bruin, die van de onderdeelen vuilwit met donkere schaftvlekken; de vleugels en de staart zijn merkbaar bleeker dan bij het mannetje. Totale lengte 12, staartlengte 4.5 cM.

Het verbreidingsgebied van het Sijsje omvat geheel Europa en Azië, zoover deze werelddeelen met bosschen bedekt zijn, noordwaarts strekt het zich uit tot op de breedte van het midden van Noorwegen. In vele van deze landen is het echter slechts als trekvogel bekend. In Nederland is het enkele malen broedend aangetroffen in Gelderland (Schlegel), een paar malen in Friesland (Oudeschoot, Beetsterzwaag), ook te Kralingen (Albarda). Verreweg de meeste Sijsjes komen hier op den trek in het najaar en blijven hier veelal den geheelen winter rondzwerven, om in ’t voorjaar weer naar hunne broedplaatsen te vertrekken. In Duitschland zijn zij zwerfvogels, die buiten den broedtijd verre tochten ondernemen, maar hun vaderland slechts zelden verlaten. Gedurende den zomer bewonen zij de naaldhoutbosschen van bergachtige streken, broeden hier en gaan vervolgens zwerven. In noordelijker gewesten zijn zij trekvogels; deze exemplaren zijn het, die ’t najaar hier of in nog zuidelijker gelegen gewesten komen overwinteren. In sommige winters ziet men ze bij duizenden in of bij de dorpen, in andere winters zijn zij schaars. Zij vermijden boomlooze oorden en houden zich voortdurend in de bovenste twijgen van de boomkronen op.

“Het Sijsje is,” zegt Naumann, “altijd opgewekt, flink en driest; het houdt zijne veeren steeds netjes, hoewel het ze meestal niet tegen het lichaam aanlegt; het beweegt zich vlug in alle richtingen, keert en draait dikwijls het achterlijf van links naar rechts en van boven naar beneden huppelt, stijgt en klimt voortreffelijk, kan met den kop naar onderen aan den top van een heen en weer schommelend takje hangen, langs loodrechte, dunne loten buitengewoon snel op en neer wippen en doet in al deze opzichten niet veel onder voor de Meezen. Zijn wijze van zitten op de takken is zeer verschillend; nergens blijft het lang in rust, tenzij het aan ’t eten is. Ook op den grond huppelt het met gemak en vlug, hoewel het deze bewegingswijze zooveel mogelijk tracht te vermijden.” Het vliegt snel en zonder inspanning en volgt een golvende lijn; het ziet er daarom niet tegen op over groote afstanden te vliegen en stijgt tot een aanzienlijke hoogte op. Zijn loktoon klinkt als “trettet” of als “tettertettet” en “di di” of “di di lei”. Met de laatstgenoemde klanken begint het mannetje gewoonlijk zijn gezang, een niet zeer uitmuntend, maar recht gezellig gekweel, waaraan als slot een lang gerekt “dididlidlideideeee” wordt toegevoegd. Het Sijsje is argeloos en gemeenzaam, gezellig, vreesachtig, vreedzaam en tot op zekere hoogte lichtzinnig; het bekommert zich althans weldra niet meer om het verlies van zijn vrijheid. Als kamervogel is het zeer aan te bevelen. Daar het buitengewoon leerzaam is, kan het in korten tijd allerlei aardige kunstjes leeren verrichten, neemt allerlei voedsel voor lief, is verdraagzaam jegens alle overige Vogels, in welker gezelschap het moet leven, vat een buitengewone genegenheid op voor zijn meester, gewent er aan vrij uit en in de kooi te vliegen, luistert naar en gehoorzaamt aan de roepstem van den mensch en plant zich in de gevangenschap even gemakkelijk voort als eenige andere Vogel, die van zijn vrijheid beroofd is.

Verschillende soorten van zaden, hoofdzakelijk van boomen, jonge knoppen en bladen, gedurende den broedtijd echter Insecten, vormen het voedsel van het Sijsje. De jongen worden voornamelijk met Insecten, meestal met kleine rupsen, Bladluizen enz., grootgebracht en, kort nadat zij hebben leeren vliegen, door hunne ouders naar tuinen en boomgaarden gebracht, omdat hier gewoonlijk meer Insecten te vinden zijn dan in meer dichte bosschen.

De vorm en de samenstelling der nesten is eenigszins ongelijk; van buiten bestaan zij echter hoofdzakelijk uit droge rijsjes, voorts uit bladmossen, die op boomen groeien en korstmossen van sparreboomen, schapenwol en dergelijke bouwstoffen, die door spinsels van rupsen stevig met elkander verbonden worden; van binnen zijn zij bekleed met een dichte laag van worteltjes, plantenwol, korstmossen, bladmosstengeltjes, grasblaadjes en veeren. De wanden van het nest zijn zeer dik, de napvormige holte is tamelijk diep; men vindt er 5 of 6 eieren in; deze zijn ongelijk van vorm, grootte en kleur, op blauwachtig witten of bleek groenachtig blauwen grond met meer of minder duidelijke stippels, vlekken en aders geteekend. Het wijfje broedt alleen en wordt gedurende dit bedrijf door het mannetje uit den krop gevoederd; de jongen komen binnen 13 dagen uit. De beide ouders bemoeien zich met de opvoeding der jongen.

Het Sijsje heeft van zijne vijanden veel te lijden; zijn argeloosheid en gezelligheid brengen het, wanneer het door menschen of roofdieren belaagd wordt, dikwijls in ’t ongeluk.

*

De algemeen bekende Distelvink of Putter, in Groningen ook wel Kletter genoemd (Carduelis elegans), vertegenwoordiger van een gelijknamig, weinige soorten omvattend geslacht (Carduelis), dat in de Oude Wereld inheemsch is, kenmerkt zich door den zeer langwerpig tolvormigen, in een scherpe spits uitloopenden, een weinig naar beneden gekromden snavel, de korte, stevige pooten, welker lange teenen met scherpe nagels gewapend zijn, de spits toeloopende vleugels, van welker slagpennen de vijf eerste de langste zijn, den middelmatig langen, aan den top flauw uitgeranden staart en de losse bevedering. Zijn kleed is [102]zeer bont van kleur. Een smalle band rondom den snavel, de teugel, het midden van de kruin en de achterkop zijn donkerzwart; de voorkop, het achterste gedeelte van de wangen en de keel zijn schel karmijnrood, de slapen en het voorste gedeelte van de wangen wit, de nek, de schouders en de rug geelachtig, de krop en de zijden van de borst licht roodachtig bruin, de gorgel, de staartwortel en de nog niet genoemde onderdeelen wit; de eerste slagpennen zijn over haar geheele lengte donkerzwart, de overige aan de buitenzijde hooggeel op het derde gedeelte, dat het dichtst bij den wortel gelegen is, en vóór de spits met een naar achteren zich vergrootend witachtig schildje versierd. Het oog is nootbruin, de snavel roodachtig wit, maar aan de spits zwart, de poot blauwachtig vleeschkleurig. De mannetjes en de wijfjes gelijken sprekend op elkander. Bij de jongen zijn het rood en het zwart aan den kop nog niet aanwezig. Totale lengte 13, staartlengte 5 cM.

Van ’t midden van Zweden te beginnen wordt de Distelvink in geheel Europa gevonden; hij komt ook voor op Madera, de Kanarische eilanden, in het noordwesten van Afrika en in een groot deel van Azië, van Syrië af tot in Siberië. Op Cuba is hij verwilderd, op Nieuw-Zeeland met goed gevolg ingevoerd. Binnen de grenzen van het genoemde verbreidingsgebied ontbreekt deze soort, naar het schijnt, nergens en neemt het aantal harer vertegenwoordigers toe, naarmate aan het kweeken van fruit meer uitbreiding wordt gegeven; trouwens zij schikt zich uitmuntend in gewijzigde omstandigheden, maar wordt geenszins overal even veelvuldig aangetroffen. In Nederland broedt de Putter op vele plaatsen, waar hout groeit, zelfs in groote tuinen; gaarne houdt hij zich in populieren op, daarentegen mijdt hij de naaldboomen. In het begin van den herfst vereenigen de Distelvinken zich hier en daar tot groote zwermen; gezelschappen, die uit meer dan honderd leden bestaan, zwerven dan door ’t land. Gewoonlijk verdeelen deze scharen zich tegen den aanvang van den winter in kleinere troepen, die weken lang samenleven. Sommige trekken in September naar Zuid-Europa, om in April terug te keeren; enkele overwinteren hier. De meeste broedplaatsen worden gevonden in oorden, waar de bosschen met breedbladige boomen de overhand hebben, of waar fruit wordt gekweekt. Een woudbewoner in de eigenlijke beteekenis van het woord is de Distelvink niet, daar hij niet van aaneengeschakelde, met boomen begroeide terreinen houdt, maar zich liever in tuinen en parken, langs wegen, op grasperken of weiden en dergelijke plaatsen vestigt en hier gewoonlijk ook broedt.

De Distelvink is een zeer lieftallige Vogel, in alle lichaamsbewegingen goed ervaren, onrustig, behendig, schrander en listig; zijn houding is sierlijk en maakt den indruk, alsof hij zich bewust is van zijn schoonheid. Hij is een echte boomvogel, komt slechts ongaarne op den bodem en beweegt zich hier ook tamelijk ongeschikt; hij klimt daarentegen als een Mees, houdt zich evenals het Sijsje met gemak onder aan de dunste twijgen vast en blijft in deze houding eenige minuten lang aan ’t werk. Hij vliegt snel en met gemak, volgt evenals de meeste Vinken een golvende lijn en zweeft alleen dan, als hij zich wil nederzetten. Als rustplaats geeft hij de voorkeur aan de hoogste toppen van boomen en struiken; nooit blijft hij lang op één plaats, altijd komt zijn onrust weer boven. Jegens den mensch toont hij zich steeds voorzichtig; schuw is hij echter alleen dan, als hij reeds vervolgingen te verduren heeft gehad. Met andere vogels leeft hij in vrede, maar toont eenigzins neiging om met hen te stoeien. Zijn lokstem heeft aanleiding gegeven tot zijn Duitschen naam “Stieglitz”, die een navolging is van de klanken “Stiegliet”, “piekelniet” en “piekelniek kie kleia”, welke hij zoowel zittend als onder ’t vliegen laat hooren. Een zacht “mai” wordt als waarschuwend sein gebruikt, door het heesche “rèrèrèrè” openbaart hij een onaangename aandoening. De jongen roepen “tsief lietsie tsie” enz. Het gezang van het mannetje is luid en aangenaam, hoewel de tonen, ieder afzonderlijk genomen, bij die van het Kneutje achterstaan, wat klank en volheid betreft; het zingt met veel afwisseling en zoo vroolijk, dat de vogelliefhebber den Distelvink ook wegens zijn gezang in in hooge eer houdt. In de kooi zingt hij bijna gedurende het geheele jaar; in de vrije natuur zwijgt hij alleen in den ruitijd en bij ongunstige weersgesteldheid.

Het voedsel van den Distelvink bestaat uit velerlei zaden, vooral echter uit die van berken en elzen en niet minder uit die van distels in de uitgebreidste beteekenis van het woord; men kan er daarom staat op maken hem te zullen aantreffen op plaatsen, waar distels of klissen groeien. In den zomer eet hij bovendien Insecten en met deze brengt hij zijne jongen groot. In ieder jaargetijde is zijn werkzaamheid dus nuttig voor ons, niet minder door het azen op schadelijk onkruid als door het vangen van Insecten.

De Distelvink bouwt zijn stevig, dicht ineengewerkt, kunstig nest in bosschen met verspreid staande breedbladerige boomen of in boomgaarden, dikwijls in tuinen en in de onmiddellijke nabijheid van huizen, gewoonlijk 6 à 8 M. boven den grond, meestal in een gaffel van het bovenste deel der kroon; het is zoo goed verborgen, dat het van onderen eerst dan zichtbaar wordt, als de bladen van de boomen vallen. Groene korstmossen, die op de boomen en bladmossen, die op den grond groeien, fijne worteltjes, droge halmpjes, vezels, en veeren, alles aaneenverbonden door spinsels van insectenlarven en Spinnen, vormen den buitenwand van het nest; de binnenbekleeding bestaat uit een laag vruchtpluis van distels, die door een dunne laag paardehaar en varkensborstels op haar plaats wordt gehouden. Het wijfje bouwt dit nest; het mannetje verdrijft haar intusschen den tijd door vlijtig te zingen, maar geeft zich slechts zelden de moeite direct behulpzaam te zijn bij het bouwen. Het broedsel bestaat uit 4 of 5 broze, dunschalige eieren, die op witten of blauwgroenachtigen grond spaarzaam bedekt zijn met violetachtig grijze stippels, maar aan ’t stompe einde een kranswijze teekening vertoonen. Zelden vindt men deze eieren vroeger dan in Mei; waarschijnlijk heeft het broeden slechts éénmaal per jaar plaats. Het wijfje broedt alleen; de jongen verlaten na 13 of 14 dagen het ei; zij worden aanvankelijk met kleine insectenlarven, later met Insecten gevoederd; nadat zij uitgevlogen zijn, staan zij nog gedurende geruimen tijd onder de leiding van de ouders. Evenals het Kneutje brengt ook de Distelvink voedsel aan zijne jongen, wanneer zij vóór het uitvliegen in een kooi opgesloten worden.

*

De snavel van de Geelvinken (Serinus) is klein, kort, dik en voorzien van een stompe spits, van boven een weinig gewelfd, aan de boogvormige zijranden ingetrokken, met een ondiepen inham vóór de spits van den bovensnavel; de voet heeft een korten loop en niet bijzonder lange teenen, die met kleine, flauw gebogen nagels gewapend zijn; de vleugel is middelmatig lang en scherp; zijn spits wordt gevormd door [103]de tweede en de derde slagpen; de staart is middelmatig lang en aan het einde tamelijk diep ingesneden.

Van de eenige, in Duitschland inheemsche soort van dit geslacht, de Europeesche Kanarievogel, het Geel Sijsje, de Gewone Geelvink (Serinus hortulanus), werden sedert 1887 in de wintermaanden herhaaldelijk ook in Nederland enkele exemplaren gevangen, n.l. in Utrecht (Amersfoort), Noordbrabant (’s Hertogenbosch, Vucht), Gelderland (Harderwijk, Doornspijk), voorts te Breskens in Zeeuwsch-Vlaanderen (Albarda). Haar totale lengte bedraagt 12.5 cM., terwijl de staart 6 cM. lang is. De hoofdkleur van het vederenkleed is fraai groen; de achterkop, de rug en de schouders zijn groengeel met uitvloeiende, zwarte, overlangsche vlekken; de voorkop, een streep achter de oogen en een ring aan den nek, de staartwortel en de onderdeelen zijn bleek goudgeel, welke kleur op den buik lichter wordt en op de onderdekveeren van den staart in wit overgaat; de borst en de zijden van den buik zijn met groote, donkerzwarte, overlangsche vlekken geteekend; de slagpennen zijn zwartbruin, aan de buitenzijde met groenachtig gelen, aan de spits met witten zoom, de stuurpennen bruinzwart, aan de binnenzijde met witachtig gelen, aan de buitenzijde met groenachtig gelen zoom. De iris is lichtbruin, de bovensnavel hoorngrijs, de ondersnavel roodachtig grijs, de poot geelachtig vleeschkleurig.

Oorspronkelijk in het zuiden van Europa en in Klein-Azië inheemsch, heeft de Europeesche Kanarie de grenzen van zijn verbreidingsgebied langzamerhand noordwaarts uitgebreid; hij doet dit ook thans nog en vestigt zich, steeds verder voortschrijdend, in gewesten, waar hij een menschenleeftijd geleden nog in ’t geheel niet gevonden werd.

In Duitschland is de Europeesche Kanarie een zwerfvogel, die geregeld in het voorjaar, en wel in de laatste dagen van Maart of in de eerste dagen van April, verschijnt en tot in het laatst van den herfst blijft. In geheel Zuid-Europa vliegt hij gedurende den winter hoogstens van de eene plaats naar de andere, zonder evenwel werkelijk te zwerven. Hij is er veel overvloediger dan in Duitschland, bewoont oorden met zeer verschillende gesteldheid en ontbreekt zelfs op hooge bergtoppen niet. Boomgaarden, in welker nabijheid zich moestuinen bevinden, lokken hem het meest aan, daarom komt hij in Duitschland in sommige streken zeer veelvuldig, in andere dichtbij gelegene in ’t geheel niet voor.

De Europeesche Kanarie is een aardige, levendige en aanvallige Vogel, altijd wakker en goed geluimd, gezellig en vreedzaam, zoolang de liefde geen aanleiding geeft tot scheiding, afzondering en strijd. Die welke het eerst bij ons aankomen, zijn steeds mannetjes; de wijfjes volgen later. Gene worden onmiddellijk opgemerkt wegens hun gezang en hun onrustigen aard; zij gaan op de hoogste boomtoppen zitten, laten de vleugels hangen, richten den staart een weinig op, draaien zich voortdurend naar alle zijden en zingen intusschen zeer ijverig. Dit gezang wordt door Hoffmann zeer juist vergeleken met het lied van den Bastaardnachtegaal, dat evenwel zachter is. Uitmuntend kan men het niet noemen, daar het te eenvormig is en te veel snorrende geluiden bevat; ik moet echter erkennen, dat het op mij altijd een aangenamen indruk heeft gemaakt.

Het nest gelijkt nog het meest op dat van onzen Vink; het wordt op zeer verschillende wijzen samengesteld; soms bestaat het bijna geheel uit dunne worteltjes, soms uit allerlei halmen; van binnen is het bijzonder fijn en zacht met haren en veeren bekleed. Het is nu eens hooger, dan weer lager geplaatst, maar altijd zooveel mogelijk verborgen te midden van de dicht opeengepakte twijgen van een struik of van een boom. Het broedsel bestaat uit 4 of 5 kleine, stompe, buikige eieren, die op vuilwitten of groenachtigen grond overal, aan het stompe einde echter meer dan aan de spits, met dofbruine, roode, roodgrijze, purperzwarte stippels, vlekken en krullen geteekend zijn. In Duitschland begint de broedtijd omstreeks het midden van April. Waarschijnlijk heeft het broeden minstens tweemaal per jaar plaats.

In Spanje vangt men de Europeesche Kanaries op de zoogenaamde “musschenboomen” bij duizenden ten behoeve van de keuken. Hiertoe worden de afgezonderd in ’t veld staande boomen, die aan de Vinkenzwermen tot rustplaats dienen, in groote hoeveelheid bestrooid met esparto (een hard, biesachtig gras, nadat dit met vogellijm bestreken is). Van de talrijke Vogels, die zich op zulke boomen neerzetten, ontsnapt ternauwernood het vierde gedeelte aan de verraderlijke lijmroeden; niet alleen Kanaries, maar ook Vinken en zelfs Arenden vallen den vogelvanger ten buit.—In de kooi maakt de Europeesche Kanarie een aangenamen indruk; hij is echter niet zoo goed tegen de gevangenschap bestand, als men vermoed zou hebben.

“Drie eeuwen zijn voorbijgegaan,” zegt Bolle, “sedert de Tamme Kanarie de grenzen van zijn eigenlijk vaderland overschreden heeft en wereldburger geworden is. De beschaafde mensch heeft de hand naar hem uitgestrekt, hem naar andere gewesten overgebracht en zorg gedragen voor zijn vermenigvuldiging. Gedurende een groot aantal opeenvolgende geslachten is zijn lot aan dat van zijn meester verbonden geweest; dit heeft hem zeer groote veranderingen doen ondergaan. Licht zou men thans, in dezelfde dwaling vervallend als Linnaeus en Brisson, het goudgele huisdiertje kunnen beschouwen als type van de soort en den groenachtigen, in ’t wild levenden Vogel, die de kenmerken van den stamvorm onveranderd behouden heeft, bijna geheel vergeten.”

Er was een onderzoeker als Bolle noodig, om ons het leven van den Kanarie in de vrije natuur te schilderen. Door al zijne voorgangers, met uitzondering alleen van A. von Humboldt, werd aan dit onderwerp weinig zorg gewijd; bovendien zijn de door hen medegedeelde feiten zoozeer met onjuistheden vermengd, dat het moeite kost deze van gene te scheiden. Bolle, die ons een even zuiver als kleurenrijk beeld van den zoo belangrijken Vogel gegeven heeft, trof hem aan op de vijf eilanden van de Kanarische groep, die nog in het bezit zijn van bosschen, n.l. op Gran Canaria, Teneriffa, Gomera, Palma en Ferro. Hij meent echter te mogen aannemen, dat de Kanarie, die op de Kaapverdische Eilanden en op Madera inheemsch is, vroeger eveneens geleefd heeft op verscheidene van de Kanarische Eilanden, welker bosschen thans geheel uitgeroeid zijn. Op de boschrijke eilanden dezer groep bewoont hij alle oorden, waar dicht bijeengroeiende boomen met struiken afwisselen, bij voorkeur de oevers van de met weelderig groen omzoomde geulen, die gedurende het regenseizoen bekend zijn, en in het droge jaargetijde ophouden te vloeien; niet minder veelvuldig houdt hij zich echter op in de tuinen rondom menschelijke woningen. Zijn verbreidingsgebied strekt zich uit van de zeekust tot meer dan 1500 M. daarboven in het gebergte. Overal, waar de eischen, die dit vogeltje aan ’t leven [104]stelt, bevredigend worden, is het veelvuldig; in de wijnbergen algemeen, in de dennebosschen, die de hellingen van het gebergte bekleeden, niet zeldzaam; naar het schijnt, vermijdt het echter de binnenste gedeelten van de schaduwrijke wouden der hooge bergstreken, hoewel het de randen der wouden bewoont.

De Wilde Kanarie, die ook in zijn vaderland door de Spanjaarden en Portugeezen Canario wordt genoemd (Serinus canarius) is aanmerkelijk kleiner en gewoonlijk ook iets slanker, dan de Tamme in Europa geteelde vorm. Zijn totale lengte bedraagt 12 à 13 cM., de staart is 6 cM. lang. Op het oude mannetje zijn de rugveeren geelgroen met zwartachtige schaftstrepen; wegens de groote breedte van de licht-aschgrauwe randen dezer veeren heeft op den rug het aschgrauw bijna de overhand; de staartwortel is geelgroen; de bovendekveeren van den staart echter zijn groen met aschgrauwe randen; de kop en de nek zijn geelgroen met smalle, grijze randen; de voorkop en een breede streep achter de oogen, die aan den nek een kringvormige bocht verkrijgt, zijn groenachtig goudgeel, zoo ook de keel en de bovenborst; de zijden van den hals daarentegen zijn aschgrauw. De kleur van de borst wordt verder achterwaarts lichter, meer geelachtig; de buik en de onderstuitveeren zijn witachtig, de schouders fraai geelgroen met dofzwarte en bleekgroenachtige banden; de zwartachtige slagpennen hebben een smallen, groenachtigen, de zwart-grijze staartveeren een witachtigen zoom. De iris is donkerbruin; de snavel en de pooten zijn bruinachtig vleeschkleurig.

Het voedsel van den Wilden Kanarie bestaat grootendeels, zoo niet uitsluitend uit plantaardige stoffen; fijne zaden, malsch groen en sappige vruchten, vooral vijgen. “Water is voor den Kanarie volstrekt onmisbaar. Hij vliegt dikwijls, meestal in gezelschap, naar de drinkplaats; evenals onze tamme Kanarie, houdt hij veel van baden, waarbij hij zich zeer nat maakt.

Wilde Kanarie (Serinus canarius). ⅔ v. d. ware grootte.

Wilde Kanarie (Serinus canarius). ⅔ v. d. ware grootte.

“De paring en de nestbouw hebben plaats in Maart, meestal eerst in de tweede helft van deze maand. De door mij waargenomen nesten van deze Vogel lagen minstens 2 M. boven den grond, dikwijls veel hooger. Voor jonge, nog slanke boompjes schijnt hij een bijzondere voorliefde te gevoelen; van deze kiest hij het liefst de altijd groene of zeer vroeg in ’t blad staande soorten uit. Het eerste nest, dat wij te zien kregen, vonden wij op een der laatste dagen van Maart 1856 te midden van een verwilderden tuin van de villa Orotava op een ongeveer 4 M. hoogen buksboom, die boven een myrtenboschje uitstak. Het rustte op een gaffel en was van onderen breed, van boven zeer nauw, buitengewoon sierlijk afgerond, net en regelmatig gebouwd, grootendeels uit sneeuwwitte plantenwol samengesteld, waardoor slechts weinige droge halmpjes heengeweven waren. Het eerste ei werd den 30sten Maart gelegd: iederen dag werd er een toegevoegd, totdat er vijf eieren in het nest waren, hetwelk het gewone getal schijnt te zijn in ieder broedsel. De eieren zijn bleek zeegroen en met roodachtig bruine vlekken bezaaid, zelden bijna of geheel effen van kleur. Zij gelijken volkomen op die van den tammen Vogel. In den duur van het broeden is door het temmen geen verandering gekomen; ook de Wilde Kanarie broedt ongeveer 13 dagen. De jongen blijven in het nest, totdat zij volkomen bevederd zijn en worden nog eenigen tijd na het uitvliegen door de beide ouders, vooral echter door den vader, met veel zorg uit den krop gevoederd. Het aantal broedsels in één zomer bedraagt in den regel vier, soms niet meer dan drie. Terwijl het wijfje broedt, zit het mannetje niet ver af, bij voorkeur boven in boomen, die nog geen bladeren hebben. Op zulke plaatsen zingt hij het liefst en het langst achtereen.

“Veel is er over de waarde van het gezang van den Wilden Kanarie gesproken. Door eenigen overschat en al te zeer geprezen, is het door anderen zeer streng beoordeeld. Men is niet ver van de waarheid verwijderd, wanneer men zegt, dat de Wilde Kanarie op dezelfde wijze zingt als onze Tamme. De slag van den laatstgenoemden is volstrekt geen kunstproduct, niet als een geheel aangeleerd, maar over ’t algemeen gelijk gebleven aan het oorspronkelijke gezang. Het moge zoo zijn, dat de opvoeding enkele gedeelten van het gezang heeft kunnen veranderen en ze tot een schitterender ontwikkeling heeft gebracht, dat andere bij de in den natuurstaat levende Vogels frisscher en zuiverder zijn gebleven, over ’t geheel genomen komen de beide Vogels door de voornaamste eigenaardigheden van hun gezang ook thans nog volkomen overeen. Hieruit blijkt, dat, moge een volk zijn taal kunnen verliezen, een vogelsoort de zijne, ondanks allen wijzigingen van de uitwendige omstandigheden, onveranderd [105]behoudt. Zoo luidt het onbevangen oordeel van den waarnemer. Bevooroordeeld wordt hij echter door de duizenden bekoorlijkheden van het landschap, door de tooverkracht van het ongewone schouwspel. Het fraaie gezang, dat hij hoort, wordt nog schooner en klankvoller, doordat het niet in de stoffige kamer, maar onder Gods vrijen hemel weerklinkt, waar rozen en jasmijnen de cipressen omstrengelen; bovendien verliezen de klankgolven, terwijl zij in de ruimte allengs wegsterven, de hardheid, die ons aan het gezang van den tammen Vogel, dat men meestal van zeer nabij hoort, niet bevalt. Hierbij komt nog, dat men niet uitsluitend met het oor hoort, maar onbewust ook de klanken verneemt, die de phantasie ons voor den geest toovert, hetgeen aanleiding geeft tot beoordeelingen, die later bij anderen ontgoochelingen doen ontstaan.

“De wijze van vliegen van den Wilden Kanarie gelijkt op die van het Kneutje. De vluchtlijn is eenigszins golvend en loopt meestal op matige hoogte van den eenen boom naar den anderen. Als de Vogels bij zwermen vliegen, zijn de leden van het gezelschap niet dicht opeengedrongen, maar houdt ieder zich op een korten afstand van zijn buurman en laat intusschen herhaaldelijk den kort afgebroken loktoon hooren.

“Het is zeer gemakkelijk deze diertjes te vangen; vooral als zij jong zijn gaan zij bijna in iederen val, wanneer er slechts een lokvogel van hun soort naast staat: hetgeen een bewijs te meer is voor hun groote neiging tot gezelligheid. Op de Kanarische Eilanden vangt men ze gewoonlijk in een soort van knipkooi, bestaande uit twee naast elkander gelegen afdeelingen, die als vallen dienst doen en ieder voorzien zijn met een dichtslaand deksel dat door een licht verplaatsbaar stelhoutje open wordt gehouden; deze vallen zijn vaneengescheiden door een in ’t midden aanwezige kooi, waarin zich de lokvogel bevindt. De vangst heeft plaats in boomrijke gewesten, waar water in de nabijheid is en levert de beste uitkomsten op in de vroege morgenuren. De prijs van jonge Vogels, die reeds vliegen kunnen, is te Santa Cruz gewoonlijk ongeveer 15 cents per stuk, wanneer men er verscheidene te gelijk koopt. Voor pas gevangen, oude mannetjes betaalt men 60 cents per stuk. Veel duurder zijn zij op Canaria in weerwil van den geringeren prijs der levensbehoeften aldaar, wat op zichzelf beschouwd reeds voldoende is om de grootere zeldzaamheid van de Kanarievogels op dit eiland te verklaren.

“Het duurt langen tijd, voordat de gevangen Kanaries de hun aangeboren wildheid afleggen. Wegens hun onrustigen aard beschadigen zij licht elkanders veeren, wanneer er verscheidene in een kleine kooi opgesloten worden. Zij houden er veel van elkander met den snavel te liefkoozen. De jonge mannetjes beginnen na verloop van korten tijd te kweelen; aan hun luid en langdurig gezang worden zij gemakkelijk herkend. De voedering van deze dieren vereischt veel zorg. Er bestaat misschien onder de zaadeters geen teergevoeliger Vogel. Men verliest de meeste aan kramp: de tweede of derde aanval van deze kwaal brengt in den regel den dood teweeg.”

*

Bij de Roodmusch (Pinicola erithrynus)12 heeft de snavel, die aan den wortel meer breed is dan hoog een iets grootere lengte en een sterker gekromden rug dan bij het vorige geslacht; in den tamelijk spitsen vleugel zijn de tweede en de derde slagpen de langste; de staart is middelmatig lang en flauw uitgerand, de loop krachtig, korter dan de middelste voorteen; de nagels zijn sterk gekromd en zijdelings samengedrukt.

Bij het mannetje van de Roodmusch zijn de kruin, de keel, de krop en de staartwortel karmijnrood, de achterhals en de rug bruingrijs, met donkere, karmijnrood getinte vlekken geteekend, de buik, de schenkels en de onderdekveeren van den staart vuilwit; de donkerbruine slagpennen zijn aan de buitenzijde roestgeelachtig wit gezoomd; de schouderveeren hebben licht bruinachtige randen en zijn karmijnrood getint; de stuurpennen zijn grijsbruin met iets lichteren zoom; de bovendekveeren van den staart hebben een karmijnrooden zoom. Bij het wijfje, heeft in plaats van karmijnrood, vaalgrijs de overhand. Het oog is bruin, de snavel licht-, de voet donkerhoornkleurig. Totale lengte 16, staartlengte 6 cM.

In Europa bewoont de Roodmusch als standvogel alleen de oostelijke landen, meer bepaaldelijk Galicië, Polen, de Oostzeeprovinciën, Middel- en Zuid-Rusland bovendien echter geheel Middel-Azië van den Oeral tot Kamtschatka. Van hier trekt zij geregeld naar ’t zuiden, door China tot Indië en door Toerkistan tot Perzië, verschijnt echter niet al te zelden in Oost-Duitschland, heeft in Silezië en Sleeswijk gebroed en werd herhaaldelijk in Middel-, West- en Zuid-Duitschland, Nederland (te Overveen en nabij Groningen), België, Frankrijk, Engeland en Italië waargenomen. Omstreeks het midden van Mei, op zijn vroegst in ’t einde van April, komt zij op hare broedplaatsen aan, van waar zij in September weder vertrekt. Als verblijfplaats kiest zij bij voorkeur dichte struiken in de nabijheid van het water, ook wel broekland, dat met riet en struiken begroeid is; zij blijft echter niet beperkt tot de lage streken, maar komt ook in heuvelachtige gewesten en zelfs in bergstreken tot boven 2000 M. hoogte voor. Veelvuldig is zij nergens, overal wordt zij verspreid waargenomen; gedurende den zomer vormt zij nooit groote zwermen.

Onmiddellijk na haar aankomst hoort men haar buitengewoon aantrekkelijk gezang, dat rijk aan afwisseling en klankvol is. Hoewel het aan den slag van den Distelvink, het Kneutje en den Kanarie herinnert, bezit het toch zooveel eigenaardigs, dat men het niet met het gezang van eenigen anderen Vink verwarren kan. In Kamtschatka heeft men, naar Von Kittlitz ons mededeelt, van dit lied een zeer aardig klankbeeld in Russische woorden gegeven: “tsjewitsja widel” (“ik heb den Tsjewitsja gezien!”). Tsjewitsja noemt men de grootste, daar aanwezige Zalmsoort, de meest gewilde Visch en het voornaamste voedingsmiddel van de inwoners van dat land; deze Visch komt ongeveer gelijktijdig met de Roodmusch in Kamtschatka aan. Het gezang van den Vogel wordt geacht de aankomst van den Zalm aan te kondigen; de Roodmusch is derhalve in een land, welks bewoners zich hoofdzakelijk met visch voeden, de voorbode van den schoonsten tijd van het jaar en van den hem begeleidenden buit.

Het voedsel van de Roodmusch bestaat uit allerlei soorten van zaden, ook wel uit bladknoppen en jonge uitspruitsels. Ook eet zij, althans in de kooi, mierenpoppen en andere dierlijke stoffen. In hare winterkwartieren voedt zij zich met de zaden van bamboes- en rietsoorten en bewoont hier uitsluitend plaatsen waar deze planten groeien; In Indië wordt zij daarom Reedsparrow (“Rietmusch”) genoemd. Hier, evenals in haar vaderland, bezoekt zij ook de akkers, maar brengt nergens een belangrijke schade aan de gekweekte planten toe. [106]

De gevangen Roodmusch is een zeer aanvallige Vogel; haar kleur is echter vergankelijker dan die van eenigen anderen, met even schoone kleuren prijkenden Vink. Reeds wanneer men haar in de hand neemt, verliezen de veeren een deel van haar glans en diepte van kleur; bij het eerstvolgende ruien wordt het vederenkleed werkelijk wankleurig; zelden gebeurt het trouwens dat zij verscheidene jaren in de kooi blijft leven.

Bij den Haakbek (Pinicola enucleator)13 is de romp krachtig, de snavel aan alle zijden bol, de bovensnavel evenwel bij wijze van een haak over de spits van den ondersnavel naar beneden gebogen, aan de zijranden een weinig uitgesneden; de loop is betrekkelijk kort maar stevig, de teenen zijn krachtig, de klauwen groot, de vleugels, van welker handpennen de tweede en de derde de spits vormen, strekken zich in den toestand van rust over het eerste derde gedeelte van den staart uit; deze is tamelijk lang en in het midden uitgesneden; het vederenkleed eindelijk onderscheidt zich door zijn dichtheid en eigenaardige kleurenpracht. Bij de oude mannetjes heeft een fraaie aalbessenroode kleur de overhand; de keel is lichter van kleur en de roodgrijze vleugels hebben twee witachtige dwarsbanden. De slagpennen en stuurpennen zijn zwartachtig met lichtgele randen. Het oog is donkerbruin, de snavel vuilbruin, aan de spits zwartachtig, de ondersnavel lichter dan de bovensnavel, de voet grijsbruin. Totale lengte 22, staartlengte 8 cM.

Alle landen van het hooge noorden kan men als het vaderland van dezen fraaien en in ’t oog loopenden Vogel beschouwen. Voor zoover men weet, komen de Haakbekken nergens veelvuldig voor, maar leven integendeel gedurende den zomer bij paren en afzonderlijk in een uitgestrekt gebied en vereenigen zich eerst in den herfst tot zwermen. De dan gevormde vluchten zwerven gedurende den geheelen winter in de wouden van het noorden rond, komen ook wel in de nabijheid van afgelegen hofsteden en keeren in het begin van de lente weer naar hunne broedplaatsen terug. Enkele Haakbekken verschijnen als trekvogels, zoo niet ieder jaar dan toch in bijna iederen strengen winter in het noordoosten van Duitschland, de Oostzee-provinciën en het noorden van Rusland, voorts in de hiermede overeenkomstige landstreken van Noord-Azië en Amerika; in talrijke zwermen bezoeken zij de genoemde landen slechts zelden. Slechts dan, wanneer zij door bijzondere gebeurtenissen, vooral door buitengewoon langdurige sneeuwvlagen, genoopt worden naar zuidelijker gewesten te trekken, komt het voor, dat vele vluchten zich vereenigen en zeer talrijke zwermen vormen. In de jaren 1790, 1795, 1798 en 1803 verschenen de Haakbekken in zoo grooten getale in de Oostzeelanden, dat er alleen in den omtrek van Riga gedurende langen tijd iedere week ongeveer 1000 paren gevangen konden worden; in de jaren 1821, 1822, 1832, 1844 en 1878 kwamen zij in moeielijk te schatten hoeveelheid in Pruisen voor. Eénmaal heeft men een dier van deze soort in Nederland waargenomen; het werd 9 Nov. 1890 te Peize (Drenthe) in een lijsterstrik gevonden (Albarda).

Aan de onvrijwillige verhuizingen van deze Vogels naar de ten zuiden van hun vaderland gelegen gewesten, danken wij grootendeels onze bekendheid met hun levenswijze. De in Middel-Europa komende exemplaren toonen hun gezelligen aard, door over dag tot troepen vereenigd te blijven, gemeenschappelijk rond te zwerven, gezamenlijk hun kost te winnen en des nachts in vereeniging hun slaapplaats op te zoeken. Evenals in hun vaderland, houden zij zich ook in den vreemde bij voorkeur op in naaldhoutbosschen; vooral die, welker onderhout uit jeneverbessenstruiken bestaat, worden, naar het schijnt, gaarne door hen opgezocht. In bosschen van breedgebladerde boomen komen zij veel zeldzamer voor; over boomlooze vlakten vliegen zij zoo snel mogelijk heen. Kort na hun komst in den vreemde gedragen zij zich als argelooze, niets kwaads vermoedende Vogels, als dieren die de arglist van den mensch nog niet ondervonden hebben. Zij blijven rustig zitten, als de onderzoeker of de jager den boom nadert, waarop zij zich verzameld hebben, en kijken den schutter domdriest in zijn wapen; zij zijn als ’t ware geheel verbluft en denken er niet aan om te vluchten, als deze den eenen Vogel na den anderen wegvangt of van den boom afschiet. Men kan hun zelfs, terwijl zij aan ’t eten zijn, aan lange stokken bevestigde strikken over den kop werpen; kortom men heeft ze zelfs met de plompste toestellen gevangen. Van de roerende gehechtheid dezer Vogels aan hunne metgezellen gewagen alle onderzoekers, die hen in vrijheid konden waarnemen. Zoo bemerkte een jager, die drie leden van een gezelschap, dat uit vier stuks bestond, in één trek onder een slagnet gevangen had, tot zijn niet geringe verbazing, dat de overgeblevene vrijwillig onder het net kroop, om het lot van de overige Vogels te deelen. Men kan zulk een daad niet als een bewijs van beperktheid van geestvermogens opvatten; uit tal van feiten blijkt, dat ook zij door de ervaring schrander, d. w. z. wantrouwend, schuw en voorzichtig worden.

De levenswijze en gewoonten van den Haakbek herinneren in vele opzichten aan die van den Kruisbek. Hij is op en top een Boomvogel, die zich te midden van de twijgen wel thuis gevoelt, maar op den bodem een vreemdeling is. In de boomkronen klautert hij zeer behendig van den eenen tak op den anderen; springend overschrijdt hij met gemak tamelijk groote tusschenruimte. Gedurende zijn tamelijk snelle vlucht beschrijft hij, evenals de meeste Vinken, uitgestrekte bogen, en begint eerst kort voordat hij zich zal nederzetten, te zweven; zoo hij al een enkele maal op den bodem komt, huppelt hij hier met plompe sprongen rond. Zijn lokstem bestaat uit een aangenaam gefluit, gelijkend op dat van den Goudvink; zijn gezang, dat ook gedurende den geheelen winter weerklinkt, biedt velerlei afwisseling aan; het bevat zachte, zuivere fluittonen, die een zeer liefelijken indruk maken. Gedurende de dagheldere zomernachten van zijn eigenlijk vaderland zingt hij met grooten ijver; de bewoners van Norrland noemen hem daarom “Nachtwachter”. Zijn aard is zachtmoedig en vredelievend; de wijze waarop hij met zijn wijfje omgaat, getuigt van veel zelfverloochening en teederheid.

In de vrije natuur voedt de Haakbek zich met zaden van naaldboomen, die tusschen de uiteengeweken schubben van de kegels weggehaald of van de takken en twijgen, ook wel van den grond, opgezocht worden; ook andere zaden en allerlei bessen gebruikt hij gaarne; boomknoppen of malsche, groene plantendeelen in ’t algemeen zijn voor hem lekkernijen. Vermoedelijk eet hij des zomers bovendien Insecten, vooral de in zijn vaderland zoo buitengewoon menigvuldige Muggen; waarschijnlijk brengt hij hiermede zijn jongen groot; met zekerheid is hiervan echter niets bekend.

Volgens Wolley bouwt de Haakbek in Lapland [107]zijn nest op lage sparren, ongeveer 4 M. boven den grond. De buitenste laag bestaat uit lange, dunne, buigzame takken, die dikwijls uiterst los ineengevlochten zijn; de dichtere binnenbekleeding is met den buitenwand dikwijls slechts losjes verbonden; zij wordt van fijnere wortels, van op boomen groeienden korstmossen en misschien ook wel van halmen vervaardigd. In den regel broedt het wijfje op vier eieren; volgens Naumann verricht zij dezen arbeid alleen, terwijl het mannetje haar den tijd helpt korten door het zingen van zijne heerlijke liederen.

Binnen weinige uren geraken de Haakbekken aan een kooi gewoon; zij eten zonder aarzeling het voor hen bestemde voedsel en worden weldra even tam als andere Goudvinken; de gevangen Vogels blijven echter zelden lang in ’t leven en verliezen reeds bij het eerste ruien voor altoos hunne prachtige kleuren.

*

De Meesvink (Uragus sibiricus) werd vroeger tot de Roodmusschen gerekend, maar wordt thans als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht—dat der Langstaartvinken (Uragus)—beschouwd. Aan zijn niet bijzonder krachtigen snavel is de spits van de bovenkaak slechts weinig over die van de onderkaak heengebogen. Hij heeft zwakke pooten en stompe vleugels, welker spits door de vierde handpen wordt gevormd. De trapvormige, maar toch in ’t midden uitgesneden staart is ongeveer even lang als het overige lichaam. De veeren zijn zoo zacht als zijde; evenals bij de vorige soort, heeft bij het mannetje de roode kleur de overhand, evenwel geen karmijnrood, maar rozerood. Het wijfje is licht olijfkleurig of grijsgroen. Totale lengte 18, staartlengte 9 cM.

De Meesvink bewoont moerassige, met riet begroeide gewesten van Oost-Azië hoofdzakelijk Oost-Siberië, Oost-China en Mandsjoerije, bovendien Oost-Toerkistan. Radde vond hem gedurende het geheele jaar bij den middelloop van den Amoer. In het laatst van den herfst vereenigen de paren zich tot vluchten van 10 à 30 stuks, die onder voortdurend gefluit rondzwerven. Bij Irkoetsk, waar zij zich eerst tegen het einde van September vertoonen, worden zij tegelijk met Meezen, Bloedvinken, Kruisbekken en Sneeuwgorsen door de vogelaars gevangen. In de kooi houden zij zich slechts korten tijd goed en verliezen weldra hun eigenaardige levendigheid bijna geheel. Tot tegen November treft men ze het veelvuldigst aan, omdat zij dan op den doortrek zijn. Een aantal paren vestigen in het genoemde gewest hun winterverblijf en bewonen er in gezelschap van Goudvinken beekoevers, die dicht begroeid zijn met struikgewas; ook houden zij zich gaarne op in de nabijheid van graanbewaarplaatsen, die gewoonlijk gelegen zijn op heuvels in woudstreken, waar het bosch niet zeer dicht is. Soms verdwalen deze Vogels naar het zuidoosten van Europa; naar bericht wordt, heeft men ze zelfs in Hongarije ontmoet.

Het nest van den Meesvink wordt in de eerste helft van Juni, meestal op dwergberken, zelden op kleine wilgen of lorken, in den regel 1.5 à 2 M. boven den grond en altijd zoo dicht mogelijk bij den hoofdstam gebouwd. Het is voor een zoo diksnaveligen Vogel zeer kunstig samengesteld en herinnert aan dat van den Spotvogel; de buitenste laag bestaat uit allerlei droge halmen, samengeweven met vezels van netels, wilgen en andere planten; de holte is netjes gevoerd met fijn gras, haar van Paarden, Reeën en Hazen, dikwijls ook met veeren. Het wijfje broedt op 4, zeldzamer op 3 of 5 eieren; deze zijn zeer fraai van kleur, op donker blauwachtig groenen grond geteekend met weinig talrijke, bruinachtige vlekken en strepen, die alleen aan het dikke uiteinde dicht bijeenstaan. Het mannetje laat gedurende den nestbouw een zacht, maar aangenaam gezang hooren.

*

De eigenlijke Bloedvinken of Goudvinken (Pyrrhula) kenmerken zich door den snavel, die aan den wortel meer breed is dan hoog; de snavelrug is bij den wortel plat, verder naar voren zijdelings samengedrukt en gekromd; de vleugels zijn middelmatig lang en afgerond; hun spits wordt gevormd door de 2e, 3e en 4e handpen. De staart is een weinig uitgerand, de loop zoo lang als de middelste voorteen. Men onderscheidt een tiental soorten van dit geslacht. Die, welke in ons land aangetroffen en hier soms in ’t najaar in lijsterstrikken gevangen worden, bewonen Europa en het noorden van Azië tot Japan. Zij zijn op den bovenkop en aan de keel, op de vleugels en den staart glanzig donkerzwart, op den rug aschgrauw, op den staartwortel en den onderbuik wit; overigens hebben de onderdeelen een fraaie, helderroode kleur. Het wijfje is gemakkelijk te herkennen aan hare aschgrauwe onderdeelen, terwijl ook de andere gedeelten van het vederenkleed over ’t algemeen minder sprekende kleuren vertoonen. Bij de jongen is de bovenkop nog niet zwart. De vleugel is steeds ter hoogte van het handgewricht met twee grijsachtig witte banden geteekend. Als verscheidenheden komen witte of zwarte en bonte Goudvinken voor. Van de hier bedoelde dieren onderscheidt men twee groepen, die onderling alleen in grootte verschillen, maar dit kenmerk standvastig overerven en daarom als afzonderlijke soorten worden beschouwd. De eene, de Kleine Goudvink (Pyrrhula europaea)14 bewoont het westen van Europa; hij is 17 cM. lang, met inbegrip van den 6 cM. langen staart. De Groote Goudvink (Pyrrhula rubicilla)15 is 2 cM. langer; hij broedt in het oosten van ons werelddeel, te beginnen bij de provinciën Pommeren en Pruisen. In het westen komt hij in ’t najaar op den doortrek of als zwerveling gedurende de wintermaanden, bij uitzondering ook in Nederland. Soms, doch zeer zelden heeft men hier eenige broedende exemplaren gevonden, en wel bij Lochem in Gelderland en te Oranjewoud in Friesland (Albarda). De Kleine Goudvinken broeden ook wel in Gelderland; bij Lochem komen zij “in Maart en April bij winderig weer in groote vluchten de knoppen der kersenboomen vernielen; is het weder rustig en zoel, dan schijnen zij meer in de bosschen te blijven, waar zij in menigte broeden” (Brants, 1885). “In de overige streken van ons rijk worden zij slechts in het gure jaargetijde en alles behalve menigvuldig, in kleine troepen zwervende aangetroffen” (Schlegel).

De Goudvinken (in de nu volgende beschrijving worden de beide soorten gemeenschappelijk behandeld) zijn zeer gehecht aan de bosschen, die zij stellig niet verlaten, zoolang zij er voedsel vinden. Eerst als de winter den Goudvink uit zijne woonplaatsen verdrijft, komt hij bij vluchten in de boomgaarden en tuinen der dorpen of in akkermaalshout om hier de weinige bessen en zaadkorrels op te zoeken, die de andere familieleden voor hem nog overgelaten hebben. In het begin van de zwerfperiode ziet men dikwijls alleen mannetjes, later mannetjes en wijfjes te zamen. Zoolang bijzondere omstandigheden den Goudvink niet tot groote reizen [108]nopen, blijft hij in zijn vaderland; in sommige gevallen echter strekt hij zijne tochten tot in het zuiden van Spanje of tot Griekenland uit. Meestal reist hij over dag en vliegt, voor zoover dit mogelijk is, van het eene bosch naar het andere.

“Het woord Gimpel” (de Duitsche naam van den Goudvink), zegt Brehm de vader, “is als scheldwoord tot aanduiding van een bekrompen mensch algemeen bekend; het wekt den indruk, dat onze Vogel dom is. Het valt niet te ontkennen, dat hij geen argwaan heeft en tegen de vervolgingen van den mensch volstrekt niet opgewassen is: hij laat zich gemakkelijk schieten en vangen. Zijn domheid is echter op verre na niet zoo groot als die van den Kruisbek, want, hoewel de nog overige leden van een gezelschap Goudvinken, waarvan er één door een schot gedood werd, daarna soms neerstrijken op of naast den boom, waarin zij aanvankelijk zaten, is het mij toch nooit voorgekomen, dat een ongekwetste Goudvink na een schot bleef zitten, welk geval zich daarentegen bij de Kruisbekken dikwijls voordoet. Indien de Goudvink werkelijk zoo dom is, als men beweert, hoe zou hij dan allerlei wijsjes zoo zuiver kunnen leeren nafluiten?—Een in ’t oogvallende karaktertrek van dezen Vogel is liefde voor zijne soortgenooten. Als er een van ’t gezelschap gedood wordt, jammeren de overige geruimen tijd; zij kunnen er bijna niet toe besluiten om de plaats waar hun metgezel gebleven is, te verlaten, maar willen hem volstrekt medenemen. Dit is het duidelijkst merkbaar, als het gezelschap klein is. Deze innige gehechtheid heeft mij dikwijls getroffen. Eens schoot ik één van twee mannetjes-Goudvinken, die in een struik zaten; de andere vloog zoover weg, dat ik hem uit ’t oog verloor, maar keerde terug en ging weer zitten op den struik, waar zijn kameraad om het leven was gekomen. Verscheidene dergelijke voorbeelden zou ik kunnen noemen.”

“De gang van onzen Goudvink is huppelend, op den grond tamelijk onbeholpen. Op de boomen is hij des te behendiger. Zijne losse en lange vederen legt hij zelden tegen ’t lichaam aan; daarom schijnt hij gewoonlijk veel grooter te zijn dan hij werkelijk is. Gedurende het vliegen, voordat hij opvliegen zal, onmiddellijk na het neerstrijken en bij het uitpluizen van de zaden of pitten ziet hij er slank en net uit; in de kooi laat hij de veeren bijna altijd een weinig hangen. Een boom vol Goudvinken levert een prachtig schouwspel op. Het rood van de mannetjes steekt in den zomer prachtig af tegen de groene bladen en in den winter tegen rijp en sneeuw. Zij schijnen tegen de koude geheel ongevoelig te zijn; want, voor zoover er geen gebrek aan voedsel heerscht, zijn zij, zelfs in den strengsten winter, zeer opgewekt. Door hun buitengewoon dicht vederenkleed zijn zij voldoende beschut. Dit heeft ook op hun wijze van vliegen een grooten invloed; zij doen dit zonder inspanning, maar langzaam, volgens boogvormige lijnen, eenigszins op de wijze van den Vink. De loktoon, die zoowel van de mannetjes als van de vrouwtjes gehoord wordt, is een klagend “juug” of “luuï”, waarnaar men in Thuringen dezen Vogel “Lübich” noemt. Men hoort hem het veelvuldigst gedurende het vliegen, vóór het opvliegen en kort na het neerstrijken. Deze klank dient, al naar de wijze, waarop hij geïntoneerd wordt, soms als lokmiddel, soms als waarschuwend sein, soms als klaagtoon. In al deze gevallen wordt hij goed begrepen. Het gezang van het mannetje steekt niet uit, het onderscheidt zich vooral door eenige ratelende geluiden en kan moeielijk goed omschreven worden. In de vrije natuur wordt het vóór en gedurende den broedtijd voorgedragen; in de kooi zingt de Goudvink bijna het geheele jaar door.”

Boom- en graszaden vormen het voedsel van den Goudvink, bovendien eet hij de pitten van verscheidene soorten van bessen en in den zomer vele Insecten. De sparre-, denne- en zilversparzaden kan hij niet goed uit de kegels plukken; hij zoekt ze daarom van den grond op.

In bergachtige streken, waar uitgestrekte, met bosch begroeide terreinen verborgene, weinig bezochte schuilhoeken bevatten, nestelt de Goudvink geregeld. Bij uitzondering bouwt hij ook wel in parken en groote tuinen zijn nest. Dit is op boomen gelegen, gewoonlijk op geringe hoogte, hetzij in een gaffel van een der hoogste struiken of op een zijtak dicht bij den stam van een boom. Op een buitenste laag van dorre rijsjes van sparren, zilversparren en berken, volgt een tweede laag van uiterst fijne wortelvezels en baardmos; de nestholte is met haren van Paarden en Reeën of ook wel eenvoudig met fijne blaadjes van grassen en fijne stukjes van korstmossen bekleed. Soms bevat de binnenwand ook wel paardenhaar of schapenwol. In Mei vindt men in het nest 4 of 5 betrekkelijk kleine, rondachtige eieren met gladde schaal, die op bleekgroenachtigen of groenblauwachtigen grond met dofviolette of zwarte vlekken en roodbruine stippels, vegen en figuren bezaaid is. Binnen 2 weken broedt het wijfje de eieren uit; zoolang het op de eieren zit, wordt het door het mannetje gevoederd. Beide ouders wijden zich aan de opvoeding hunner kinderen, die zij buitengewoon teeder liefhebben en met gevaar voor hun eigen leven trachten te verdedigen. De jongen krijgen aanvankelijk Insecten, later jonge uitspruitsels van planten en allerlei in den krop geweekte zaden, ten slotte hoofdzakelijk het laatstgenoemde voedsel.

In de bergstreken neemt men de jonge Goudvinken uit het nest nog voordat zij vliegen kunnen, om ze in de kooi op te voeden en te onderrichten. Hoe vroeger men met het africhten beginnen kan, des te beter zijn de uitkomsten. In het Thuringerwoud worden ieder jaar honderden jonge Goudvinken afgericht en daarna door vogelhandelaars naar Berlijn, Warschau, Petersburg, Amsterdam, Londen, Weenen, ja zelfs naar Amerika gebracht. Het onderricht begint reeds op den eersten dag van hun gevangenschap; een hoofdvereischte is, dat de onderwijzer den Vogel het wijsje, dat hij hem wil leeren, steeds zoo zuiver mogelijk en altijd op dezelfde wijze voorfluit. Door bij het africhten van een draaiorgeltje gebruik te maken, verkrijgt men geen goede resultaten. Zelfs door een fluit kan men den goed fluitenden menschenmond niet vervangen. Eenige Goudvinken leeren zonder bijzondere inspanning 2 of 3 stukjes, terwijl andere stumpers blijven; eenige onthouden het geleerde, zoolang zij leven, andere vergeten het weer, vooral gedurende den ruitijd. Ook de wijfjes leeren wijsjes fluiten, hoewel zij dit zelden nagenoeg even vol en zuiver doen als de mannetjes. Sommige van deze worden echte kunstenaars. Het is bijna niet te gelooven, hoeveel een Goudvink leeren kan. Dikwijls leert hij de melodieën van twee liederen fluiten en doet dit zoo mooi, dat men gaarne lang achtereen naar hem luistert. Behalve door zijn talent van nabootsing onderscheidt hij zich van alle overige Vinken, doordat hij zoo gemakkelijk getemd kan worden en een onbeperkte gehechtheid aan en vertrouwen op zijn verzorger toont; hij gevoelt voor dezen een innige vriendschap, juicht, als hij tegenwoordig, treurt, als hij afwezig is; hij sterft zelfs door de overmaat [109]van vreugde of van verdriet, die zijn meester hem bereidt. Zonder buitengewone moeite kan men hem er aan gewennen in en uit de kooi te vliegen. Een aantal voortreffelijke eigenschappen komen dus bij hem vereenigd voor.

De Woestijnvink of Moro (Pyrrhula githaginea) heeft een prachtig gekleurd vederenkleed, dat als ’t ware uit groene en rozeroode atlas bestaat. De roode kleur verkrijgt op lateren leeftijd een hoogeren gloed en een grootere uitgebreidheid en is in de lente, als de kleuren het levendigst zijn, het volledigst ontwikkeld, zoodat zij dan de purperen tint van den Bolderik (Lychnis githago), die onze graanvelden versiert en waaraan de Vogel zijn wetenschappelijken naam ontleent, ver achter zich laat. Bij ’t naderen van den herfst verbleeken de kleuren van het mannetje snel, zoodat zij meer en meer beginnen te gelijken op die van het wijfje, waarin donker geelrood de overhand heeft. Vele kleursverscheidenheden heeft men opgemerkt: enkele mannetjes zien er uit, alsof zij met bloed bedekt zijn, terwijl andere een grijze woestijnkleur vertoonen. De roode kleur blijft niet tot de veeren beperkt, maar is ook in de opperhuid zelf aanwezig, zoodat een geplukte Woestijnvink er als een echte roodhuid uitziet. Zijn lengte bedraagt 13 cM.

Woestijnvink (Pyrrhula githaginea). ⅚ v. d. ware grootte.

Woestijnvink (Pyrrhula githaginea). ⅚ v. d. ware grootte.

Om de woonplaats van dezen Vogel te leeren kennen, moet men zich naar de woestijn begeven, want uitsluitend hier, in de woestijn in de uitgebreidste beteekenis van ’t woord, behoort hij thuis. Bolle vond hem veelvuldig als broedvogel op de Kanarische eilanden en wel voornamelijk op Lanzarote, Fuertaventura en Gran Canaria, niet minder veelvuldig is hij in het grootste deel van Opper-Egypte en Nubië tot in de nabijheid van de Steppen, waar hij langzamerhand verdwijnt. Bovendien is hij verbreid over Perzië en Sind. Van zijn vaderland uit bezoekt hij elken winter als de gast het eiland Malta; ook is hij wel eens naar de Grieksche Eilanden, naar Provence en zelfs naar Toscane afgedwaald. Het terrein, waaraan hij de voorkeur geeft, moet in ieder geval boomloos en door de heete zon beschenen zijn. “Deze schroomvallige Vogel,” zegt Bolle, “wil zijne blikken vrij over de vlakte of over de heuvels laten waren. Hij geeft de voorkeur aan de dorste en steenachtigste plaatsen, waar de opstijgende luchtstroom, die door de middagzon veroorzaakt wordt, boven het geblakerde gesteente trilt. Slechts weinig gras, in den zomer verdord en geel verbleekt, mag tusschen de steenen groeien en zich er boven verheffen, slechts hier en daar mogen lage struiken verstrooid uit den grond ontspruiten, opdat de Woestijnvink zich op een plaats thuis zal gevoelen. Daar leeft hij, meer een bewoner van de vergruisde gesteenten dan van de rotsen, een diksnavelige met de gewoonten van een Tapuit, steeds gezellig, zoolang de voortplantingszorgen hem niet tot afzondering nopen, familiesgewijs of kleine troepen vormend. Vroolijk wipt hij van den eenen steen op den anderen of zwiert, meestal laag vliegend, door de lucht. Zelden kan het oog hem over een grooten afstand volgen; daar de roodachtig grauwe kleur van de vedertooi der oude Vogels onmerkbaar samenvloeit met de gelijksoortige kleur van de steenen en in meerdere mate nog met die van de bladerlooze stammen en takken der euphorbias; ook de isabelkleurige jongen zijn moeilijk te onderscheiden van de vaalgele massa’s zand, tufsteen en kalk. Zeer spoedig zouden wij het spoor van dezen Vogel verliezen, als niet de stem, die een zijner grootste merkwaardigheden is, onzen wegwijzer werd bij het zoeken. Hoor! een geluid als van een kleine trompet schalt door de lucht: gerekt, trillend komt het tot ons; ieder die een fijn gehoor heeft en goed oplet, kan in het onmiddellijk voorafgaande of volgende oogenblik een paar zachte, zilverheldere tonen vernemen, die zoo helder als klokgelui door de stille woestijn weerklinken. Soms echter hoort men merkwaardig doffe klanken, die wel wat gelijken op het gekwaak van den Kanarischen Boomvorsch, maar eenigszins minder heesch zijn; snel achtereenvolgens worden zij uitgestooten en beantwoord met nagenoeg gelijke, hoewel zachtere geluiden, welke als die van een buikspreker van een grooten afstand schijnen te komen. Er is waarschijnlijk niets, dat minder [110]bevrediging verschaft dan een poging om de tonen van een Vogel door letters voor te stellen: vooral bij den Moro komt mij dit bijzonder moeilijk voor. Het zijn inderdaad stemmen uit een afzonderlijk, op zichzelf staand gebied; men moet ze gehoord hebben om er een juiste voorstelling van te kunnen verkrijgen. Niemand zal van een Vogel uit gewesten, die zulk een eigenaardig voorkomen hebben, een werkelijk gezang verwachten. Het wordt vervangen door de genoemde vreemdsoortige klanken, waarop hij dikwijls nog een reeks van kraaiende en snorkende geluiden laat volgen: zij passen door hun zonderlingheid zoo volkomen bij de niet minder ongewone omgeving, dat men er steeds met genoegen naar luistert en met spanning hun herhaling afwacht, zoodra zij verstommen. Op plaatsen, waar de bodem geheel uit stuifzand bestaat, komt de Moro niet voor. Hij is er niet voor ingericht om als een Wulp of een Renvogel over het zand te loopen. Ook steile, rotsachtige gebergten vallen niet in zijn smaak, des te meer houdt hij van woeste, zwarte lavastroomen vol spleten en afgronden, als in een gletscher; deze schijnen hem te behagen wegens de veilige schuilplaatsen, die zij hem in hunne holen aanbieden, hoewel er ternauwernood een groen sprietje te vinden is. Nooit ziet men den Woestijnvink op een boom of struik neerstrijken. In meer bewoonde gewesten zijn deze Vogels tamelijk schuw, daar, waar de eenzaamheid en de stilte van de woestijn hen omgeven, zijn zij echter nog zeer argeloos, vooral de jongen, die men dikwijls onverwacht op een steen naast zich ziet zitten, vanwaar zij den bezoeker met hunne vroolijke, zwarte oogjes aanstaren.”

Ongeveer evenzoo is het in het Nijlgebied gesteld. Hier verlevendigt de Woestijnvink, van Sioet af stroomopwaarts, de rotsachtige oevers van den Nijl, en wel op sommige plaatsen in verbazend groot aantal.

In de vrije natuur voedt deze Vogel zich bijna uitsluitend met verschillende soorten van zaden, misschien ook wel met groene bladen en knoppen; van Insecten houdt hij niet, naar ’t schijnt. Water is voor hem een behoefte. “Hoe schaarsch, troebel en lauw het water van een bron ook zij, met iedere drinkplaats is hij tevreden, indien hij haar dagelijks minstens éénmaal bereiken kan, zij het dan ook door eenige mijlen ver te vliegen.” Hij komt er, als de afstand niet te groot is, tweemaal per dag; des morgens en des namiddags; hij drinkt dan veel en met lange teugen en neemt vervolgens ook wel een bad in het minst diepe deel van het water.

In Maart begint de broedtijd. De mannelijke Vogels hebben hun prachtkleed verkregen en zich met het uitverkoren wijfje van de vlucht afgescheiden, maar zijn daarom niet uit de gemeenschap met hunne soortgenooten getreden. Tristram bericht, dat het nest uitsluitend uit fijne worteltjes en buigzame halmen bestaat. Het bevat 3 of 4 eieren, die op bleek zeegroenen grond met roodbruine stipjes en vlekken geteekend zijn, welke aan het spitse einde en verderop zeer verstrooid staan; doch dicht bij het stompe einde gewoonlijk een krans vormen, die uit fijne krulletjes, zigzaglijnen en groote, licht roodbruine, aan de randen uitvloeiende vlekken samengesteld is.

Woestijnvinken zijn, daar zij in hun vaderland niet gevangen worden, bij ons als kooivogels zeldzaam. In de gevangenschap gedragen zij zich zeer lief, zijn niet moeilijk te onderhouden en worden zeer tam.

*

Het laatste geslacht van de onderfamilie der Vinken omvat de Kruisbekken (Loxia); deze hebben een grooten kop en een ineengedrongen lichaam; zij zijn dus eenigszins plomp van vorm. Hun snavel is zeer forsch, dik, zijdelings samengedrukt, aan de zijranden boogvormig uitgesneden, de smalle rug van den bovensnavel afgerond, in een lange spits eindigend en flauw haakvormig naar beneden gebogen; de ondersnavel die den bovensnavel in stevigheid overtreft, is op soortgelijke wijze als deze, maar in tegenovergestelde richting, n.l. bovenwaarts, gebogen en kruist hem dus, nu eens aan de linker, dan weer aan de rechterzijde.

De grootste en krachtigste soort van dit geslacht is de Groote Kruisbek (Loxia pityopsittacus). Totale lengte 20, staartlengte 7 cM. De snavel is hier in ’t oog loopend forsch, dik en hoog; zoowel de boven- als de ondersnavel zijn bijna volkomen halfcirkelvormig gebogen en kruisen elkander slechts weinig. De kop, de keel, de gorgel, de borst en de buik zijn meer of minder levendig rood, van voren met een tint, welke tusschen die van menie en die van aalbessen afwisselt, op de wangen met een grijsachtig, op de keel met een aschgrauw waas overtogen, de veeren van den rug grijsrood, die van den onderbuik helder aschrood of witachtig met grijsroodachtig waas; de slagpennen, bovendekveeren met vleugel en staart en stuurpennen zijn grijsachtig zwart met roodachtig grijzen zoom. Deze in Oost-Europa broedende Vogel komt in Nederland alleen op zijne zwerftochten na den broedtijd en werd in Utrecht, Drenthe, Noord- en Zuid-Holland, Friesland en Gelderland waargenomen. Zoo “vertoonde zich in de eerste dagen van Juni 1888 nabij Bergum (Friesland) een troep van ongeveer 200 stuks. Zij bleven daar drie weken en voedden zich met de knoppen, spruiten en bloesems van boomen, vooral van eiken. Een twintigtal werd gevangen. Alle waren jonge Vogels in overgangskleed. In het laatst van die maand werden ook enkele voorwerpen te Joure (Friesland) waargenomen. (Albarda). Dergelijke vluchten hebben zich in ’t begin van October 1887 in de dennen langs den duinkant van de gemeenten Bloemendaal, Velsen, en Hillegom vertoond. Eerst na 15 April begonnen zij te vertrekken; enkele vluchtjes zijn nog tot 11 Mei waargenomen (Crommelin).


De gewone en gemeenste soort, die eenvoudig Kruisbek wordt genoemd, in Groningen Kruisvink of Kruiskanarie, in Friesland Dennenpapagaai heet (Loxia curvirostra), is kleiner dan de vorige; zijn snavel is slank, meer lang dan hoog en minder gekromd; de spits van den ondersnavel kruist die van den bovensnavel en steekt duidelijk boven diens rug uit. Totale lengte 17, staartlengte 6 cM. De kop, de nek en de onderdeelen hebben dezelfde kleur als bij de vorige soort, de wangen zijn van achteren donker grijsbruin, de veeren van den onderbuik witachtig grijs, de slagpennen en de stuurpennen benevens hare bovendekveeren grijsachtig zwart met roodachtig grijzen zoom, de onderdekveeren van den staart zwartachtig grijs met witte, roodachtig getinte spitsen. De eenige mededeeling omtrent het broeden van deze soort in Nederland heeft betrekking op een paar dat in 1887 op Vlieland in een spar nestelde (Albarda). Deze Vogels worden echter in verschillende deelen van ons land nagenoeg ieder jaar bij troepen zwervend aangetroffen, dikwijls reeds in den nazomer, soms reeds in de eerste helft van Juni, zij houden zich ook nog in de wintermaanden hier op, vooral in sparrebosschen. [111]

De Witband-Kruisbek (Loxia bifasciata) is kleiner dan de beide reeds genoemde soorten (totale lengte 16, staartlengte 6 cM.). De heerschende kleur van zijn gevederte is prachtig aalbessenrood, dat in den nek en op het midden van de onderzijde in grijs overgaat. Zoowel de groote als de kleine bovendekveeren van den vleugel en ook de schouderdekveeren hebben witte spitsen, waardoor twee breede banden over den vleugel gevormd worden, die ook bij het wijfje en de jongen zichtbaar zijn. Deze soort, die Siberië en Noordelijk Rusland bewoont, komt zwervend na den broedtijd in kleine troepen naar anderen Europeesche landen. Ook Nederland wordt in sommige jaren door haar bezocht. In Febr. 1846 zag men zulk een familie in Utrecht, in Sept. 1889 eenige vluchten in Gelderland, Noord-Holland en Friesland; sommige van deze Vogels werden gevangen (Albarda).

De Kruisbekken behooren tot die leden hunner klasse, welke mijn vader zeer eigenaardig “Zigeuner-vogels” heeft genoemd. Evenals het merkwaardige volk, welks naam zij dragen, verschijnen zij in een bepaalde streek, blijven hier geruimen tijd gevoelen zich er reeds in de eerste dagen na hun komst thuis, houden zich hier soms ook wel met de voortplanting bezig en verdwijnen even plotseling, als zij gekomen zijn. Hunne zwerftochten staan in een zeker verband tot zaadproductie van de naaldhoutbosschen, zonder dat men echter een bepaalden regel zou kunnen vaststellen. Het kan dus voorkomen, dat zij uit onze dennen- en sparrenbosschen jaren lang wegblijven en deze daarna weer in menigte bevolken. Alleen de gesteldheid van de plaats waar zij zich ophouden, staat vast, hun vaderland daarentegen heeft geen grenzen. Alle genoemde soorten zijn broedvogels van Noord-Europa, maar ook van Noord-Azië, voor zoover het met bosschen bedekt is; zelfs is het niet onwaarschijnlijk, dat het laatstgenoemde werelddeel als haar eigenlijk vaderland moet worden beschouwd. Wanneer in aaneengeschakelde wouden de sparren- en dennenzaden zich overvloedig ontwikkeld hebben, hoort men het aan de vogelaars van die gewesten welbekende “göp göp,” “giep giep” of “tsok tsok” van onze Vogels of ook wel het gezang van het mannetje, dat door velen zeer aangenaam wordt geacht. De Kruisbekken zijn aangekomen en hebben het bosch in bezit genomen. Als hier een goede oogst binnen te halen is, maken zij toebereidselen voor de voortplanting, zoo niet dan, zwerven zij een tijdlang rond en vestigen zich op een andere, beter geschikte plaats. Van een woud, dat door hen voor een langduriger verblijf uitgekozen werd, hebben zij weldra de gunstigst gelegen gedeelten opgespoord; deze zijn in zekeren zin als hun eigenlijke woonplaats te beschouwen, waar de over dag rondzwervende gezelschappen zich iederen avond verzamelen.

Alle Kruisbekken zijn gezellige dieren, die gedurende den broedtijd zich paarsgewijs afzonderen, maar toch met hunne soortgenooten in gemeenschap blijven. Ze zijn boomvogels, die slechts in geval van nood op den bodem afdalen om hier te drinken of om eenige afgevallen kegels leeg te pikken. Ze klimmen zeer behendig, waarbij zij zich, evenals de Papegaaien, met de snavelspitsen vasthouden en vooruithelpen, gaan met den kop naar onderen of naar boven, met voet en snavel aan een twijg of een kegel hangen en blijven zonder bezwaar vele minuten achtereen in deze schijnbaar zoo ongemakkelijke houding. Zij vliegen snel en betrekkelijk zonder inspanning met beurtelings sterk uitgebreide en daarna plotseling opgevouwen vleugels, waardoor de gevolgde weg een golvend beloop verkrijgt; zij houden er echter niet van lang achtereen te vliegen.

Gedurende den dag, hoogstens met uitzondering van de middaguren, zijn zij bijna voortdurend aan den arbeid. In de lente, den zomer en den herfst zwerven zij reeds vóór het aanbreken van den dag in het woud rond, van het eene bosch naar het andere of van berg tot berg; in den winter daarentegen, vooral wanneer de koude fel is, blijven zij langer in het oord, dat hun een geschikte slaapplaats verschaft; zij vliegen dan zelden vóór zonsopgang uit, hoewel zij reeds vroeg in den morgen zingen. Het is niet moeilijk deze dieren te vangen, omdat hun overgroote gezelligheid hen dikwijls verleidt tot handelingen, waardoor hun vrijheid in gevaar wordt gebracht: hieruit blijkt echter niet zoozeer gebrek aan verstand als wel de argeloosheid van deze werkelijk beminnenswaardige Vogels. Het mannetje, wiens wijfje zooeven gedood werd, blijft soms verbluft en treurig zitten op den tak, waarvan zijn gezellin werd neergeschoten, of keert, haar zoekend, herhaaldelijk terug naar de plaats waar het onheil voorviel. Alle Kruisbekken worden, nadat zij meermalen treurige ervaringen van de arglistigheid van den mensch hebben opgedaan, gewoonlijk zeer schuw. In de gevangenschap worden zij weldra volkomen tam. Zij vergeten spoedig het verlies van hun vrijheid, leeren hun verzorger als hun meester en gebieder beschouwen, leggen alle vrees voor hem af, laten zich aanraken, op den arm of de hand in de kamer ronddragen en geven hem ten slotte door duidelijk verstaanbare gebaren hun warme liefde te kennen. Wegens de beminnelijke eigenschappen, die zij in de kooi aan den dag leggen, zijn allen, die hen hebben leeren kennen, hun zeer genegen; vooral de bewoners van het gebergte houden de Kruisbekken in hooge eer.

De loktoon van den Grooten Kruisbek is voor beide geslachten dezelfde en bestaat, zooals reeds gezegd is, uit de klanken “göp göp” of “giep giep” en “tsok tsok”. “Göp” roepen zij als zij vliegen of zitten,” zegt mijn vader; “het is zoowel een sein tot vertrek als een middel om de soortgenooten bijeen te roepen en het gezelschap vereenigd te houden; daarom wordt dit “göp” met kracht voortgebracht. Door “giep giep” geven deze Vogels teedere aandoeningen te kennen, de beide echtgenooten roepen dit elkander toe, terwijl zij zitten; zij doen het zoo zacht, dat men dicht bij den boom moet staan om hen te hooren. Dikwijls zou de klank van dit geluid tot de meening kunnen leiden, dat de Vogel zeer ver af is, hoewel deze, zooals men naar boven ziende bemerkt, zich boven den waarnemer bevindt. Zittende Vogels roepen gewoonlijk “tsok” om de voorbijvliegende soortgenooten uit te noodigen bij hen te komen zitten; men hoort het soms ook van vliegende Kruisbekken. Het klinkt krachtig en vol; de lokvogel moet vooral dit geluid voortbrengen. Het gezang van het mannetje wordt door vele menschen aangenaam gevonden. Gewoonlijk zingt de Groote Kruisbek beter dan zijn kleinere verwant; het lied van dezen heeft echter veel overeenkomst met dat van genen. Het bestaat uit een luid voorgedragen strophe, waarop verscheidene kweelende, zwakke en niet ver hoorbare tonen volgen.

Het voedsel van de Kruisbekken bestaat hoofdzakelijk uit de zaden van de boomen van het woud. De sterke snavel met gekruiste spitsen is hun voor het verkrijgen van dit voedsel onontbeerlijk. Het vereischt groote kracht en behendigheid de denne- of sparrekegels zoo open te breken, dat de goed verborgen zaden bereikbaar [112]zijn; maar deze eigenschappen zijn den Kruisbek in hooge mate eigen. Hij komt aanvliegen, gaat met den kop naar onderen gericht aan een kegel hangen, of legt dezen op een tak en gaat er op staan, of bijt hem af, draagt hem naar een tak en houdt hem met de stevige, lange en scherpe nagels vast. “Het is zeer aardig om te zien, hoe de Gewone Kruisbek, een Vogel van de grootte van een Musch, een middelmatig grooten sparrekegel van den eenen boom naar den anderen brengt. Gewoonlijk vat hij met den snavel den kegel zóó aan, dat diens spits recht naar voren gericht is en vliegt, zonder dat dit hem veel moeite kost, tien of zelfs twintig schreden ver naar een naburigen boom om hem hier te openen, daar hij niet op alle boomen takken vindt, die voor dit doel geschikt zijn. Het openbreken geschiedt op de volgende wijze. De Kruisbek scheurt als de kegel vast hangt of ligt, met de spits van den bovensnavel de breede kegelschubben midden door, schuift den min of meer geopenden snavel er onder en licht door een zijwaartsche beweging van den kop de schub op. Nu kan hij de daaronder liggende zaadkorrel met de tong gemakkelijk in den snavel schuiven, waar het zaad eerst nog van den vleugel en van de zaadhuid bevrijd wordt, voordat hij het doorslikt. De kruiswijs gebogen snavelspitsen zijn voor hem en zijne verwanten bij het openbreken van de kegels van het grootste belang, want zulk een snavel behoeft hij slechts weinig te openen om hem een buitengewone breedte te geven, zoodat de kegelschub door een zijwaartsche beweging van den kop met groot gemak opgeheven wordt.”

De Gewone Kruisbek bemoeit zich zelden met dennekegels, daar hij niet de noodige kracht bezit om deze te openen; de Groote Kruisbek echter doet dit zonder moeite, hij kan in één ruk alle schubben optillen, welke zich bevinden boven die, waaronder hij zijn snavel heeft gestoken. Zoolang de Kruisbekken naaldboomzaden kunnen vinden, zoeken zij geen ander voedsel; in geval van nood eten zij zaden van eschdoornen en haagbeuken, ook wel oliehoudende zaden; bovendien maken zij te allen tijde zeer gaarne gebruik van Insecten, vooral van bladluizen, die zij ook in de tuinen en boomgaarden van de dorpen der wouden gaan opzoeken. Onder anderen bijten zij de uitwassen op de bladstelen der populieren aan stukken om de daarin wonende Bladluizen (Pemphigius bursarius) op te eten (Albarda).

Een noodzakelijk gevolg van hun drukken arbeid op de harsrijke takken en kegels van naaldboomen is, dat de Kruisbekken zich dikwijls op een zeer ongewenschte wijze bevuilen. Zij zijn even zindelijk als de meeste overige Vogels en reinigen zich na iederen maaltijd zorgvuldig, om de hen aanklevende harsdeeltjes te verwijderen; vooral den snavel poetsen zij minuten lang op de takken; zij zijn echter niet altijd in staat om hunne veeren zoo goed in orde te houden, als zij wel zouden wenschen; het komt daarom dikwijls voor, dat hunne veeren met een dikke laag hars bedekt zijn. Het lichaam van de Kruisbekken, die lang achtereen niets anders dan zaden van naaldboomen gegeten hebben, wordt zoo met hars doordrongen dat het na den dood geruimen tijd weerstand biedt aan de verrotting.

Een gezelschap Kruisbekken maakt te allen tijde een sieraad uit van den boom, waarin het zich bevindt; de prachtigste vertooning maken deze Vogels echter, wanneer de winter zijn schepter zwaait en de twijgen met een dikke sneeuwlaag bedekt. Dan steken de roode vogeltjes vroolijk af bij het donkere groen der naalden en de witte sneeuw; de geheele boom ziet er dan uit als een kerstboom, zoo fraai als men zich er een kan voorstellen. Behalve door hun bevallige kleur bekoren zij iedereen door hun frissche, vroolijke levenswijze, hun bedaarde, maar voortdurende bedrijvigheid, hun behendig op en neer klauteren, hun lokken en zingen.

De Kruisbekken nestelen in alle maanden van het jaar, in den warmen zomer zoowel als in den ijskouden winter, terwijl de boomen en struiken met sneeuw bedekt en alle overige Vogels van het woud bijna geheel verstomd zijn. Gedurende den nestbouw verdeelt zich het gezelschap in paren. Het nest rust soms op een ver vooruitstekenden tak, waar deze zich gaffelvormig vertakt, soms op een dikken tak bij den stam; nu eens is het dicht bij den top, dan weer ver van dezen gelegen, altijd echter zoo, dat twijgen voor of over het nest langs loopen, waardoor dit tegen de vallende sneeuw beschut en tevens zoo goed mogelijk verborgen wordt. Het is een kunstig bouwwerk, welke buitenste laag vervaardigd is uit dorre sparrerijsjes, heide, droge grashalmpjes, grootendeels echter uit korstmossen van sparrestammen en bladmossen, die op boomen of op den grond groeien; van binnen is het met enkele veeren, grashalmpjes en dennenaalden bekleed. De wand van het nest is ongeveer 3 cM. dik, zijne bestanddeelen zijn uitmuntend samengeweven; de nestholte is naar verhouding diep.

Het wijfje broedt op 3 of 4 betrekkelijk kleine eieren, die op grijsachtig of blauwachtig witten grond met uitvloeiende vlekken en streepjes van bloedroode, bloedbruinachtige of zwartbruine kleur bezet zijn. Soms staan deze vlekjes kranswijs aan het stompe einde, soms zijn zij over het geheele ei verbreid; toch is dit, welke afwijkingen het ook vertoonen moge, altijd te herkennen als een ei van een Kruisbek. De zorgvolle moeder wijdt zich met grooten ijver aan het broeden, terwijl ook het mannetje met lust het op hem rustende deel van den arbeid verricht door de moeder met voedsel te voorzien. De jongen, waaraan de ouders zeer veel liefde betoonen, krijgen reeds op den eersten dag van hun leven sparre- of dennenzaden als spijs, aanvankelijk zulke, die in den krop der ouders geweekt en voor de verteering voorbereid zijn, later harde zaden; zij groeien snel en zijn spoedig zeer behendig en levendig; langer dan andere Muschvogels moeten zij echter door hunne ouders verzorgd worden, omdat hun snavel eerst na het uitvliegen een “kruisbek” wordt en zij dus vóór dien tijd niet in staat zijn om de kegels van de dennen of sparren te openen.

De jacht en de vangst van de Kruisbekken leveren geen bezwaren op. Die, welke pas in onze gewesten gekomen zijn, laten zonder weg te vliegen den jager naderen tot onder den boom, waarin zij zich bevinden, en blijven dikwijls ook dan nog op denzelfden boom zitten, wanneer een hunner metgezellen neergeschoten is. Wanneer men er eens in geslaagd is een van hen te bemachtigen, kan men door dezen als lokvogel te gebruiken, zijne soortgenooten gemakkelijker vangen dan door ze te schieten. In Thuringen maakt men voor dit doel gebruik van lange stokken, welker bovenste gedeelte bij wijze van een struik bekleed is met sparretakken, waaraan lijmroeden bevestigd zijn. Deze stokken worden vóór het aanbreken van den dag in den grond gestoken op vrije, open plekken in het woud; een kooi met een lokvogel er in wordt er onder opgehangen. Alle voorbijvliegende Kruisbekken komen in de nabijheid van den stok om naar hun roependen en lokkenden kameraad te gaan kijken. Vele gaan op den kunstmatigen struik zitten en blijven gewoonlijk aan een van de lijmroeden vastkleven.

[113]

De snavel van de Kernkrakers (Coccoborinae) herinnert aan dien van de Appelvinken; de snavelrug is echter meer gekromd, meer of minder over de spits van den ondersnavel heengebogen; bij sommige loopt hij zelfs uit in een haakvormig benedenwaarts gericht gedeelte, dat aan de achterzijde ingekorven is; de zijranden zijn meer of minder sterk ingetrokken en ook wel zwak binnenwaarts gebogen, aan den bovensnavel boogvormig uitgesneden; de krachtige poot heeft een langen loop en lange teenen; de eerste slagpen is steeds aanmerkelijk korter dan de overige, de derde en de vierde vormen in den regel de spits van den korten vleugel; de lange staart is meestal afgerond, zeldzamer afgeknot of uitgesneden, het vederenkleed vol, zacht, metaalglans, dikwijls effen grijs of groenachtig olijfkleurig grijs, zeldzamer roodachtig geel of zwart en nog minder dikwijls gekenmerkt door velden van sterk sprekende kleur.

1) Roodborst-kardinaal (Coccoborus ludovicianus), 2) Gewone Kardinaal (Coccoborus virginianus) ⅝ v. d. ware grootte.

1) Roodborst-kardinaal (Coccoborus ludovicianus), 2) Gewone Kardinaal (Coccoborus virginianus) ⅝ v. d. ware grootte.

Zuid-Amerika herbergt de meeste soorten van deze onderfamilie, in Noord-Amerika komen er betrekkelijk weinige voor. Door hun uiterlijk en hunne gewoonten gelijken de Kernkrakers veel op onze Appelvinken, maar toch ook in sommige opzichten op de Goudvinken; zij bewonen meer de struiken en de boschranden dan het eigenlijke oerwoud en eten harde zaden, bessen en Insecten. De meeste zijn niet tot zingen in staat, hoogstens hoort men van hen korte loktonen; andere daarentegen zijn beroemd wegens hun lied en worden om die reden als kamervogels zeer gezocht.

Audubon verhaalt: “Gedurende een vermoeiende voetreis, die ik in de maand Augustus langs den oever van de Mohawk-rivier deed, werd ik eens door den nacht overvallen. Ik was weinig bekend met dit deel van het land en besloot hierom den nacht door te brengen op de plaats waar ik mij bevond. De avond was fraai en warm; de sterren spiegelden zich in de rivier; op een afstand hoorde ik het gemurmel van een waterval. Weldra had ik onder een rots een vuurtje aangelegd en lag er naast uitgestrekt. In behagelijke rust, met gesloten oogen, liet ik mijne gedachten den vrijen loop. Ik bevond mij reeds in het rijk der droomen, toen plotseling het avondgezang van een Vogel tot mij doordrong, zoo klankrijk, zoo luid weerklinkend in de stilte van den nacht, dat de slaap, die mij reeds bevangen had, aan mijne oogen ontvlood. Nooit hebben welluidende tonen mij meer genot verschaft. Zij trilden mij door ’t gemoed en maakten mij gelukzalig. Ik zou mij hebben kunnen inbeelden, dat zelfs de Uil over hun liefelijken klank opgetogen was, want hij zweeg in dien nacht. Nog lang nadat de tonen weggestorven waren, bleef ik onder hun bekoring; in deze gemoedsstemming geraakte ik in slaap.”

De Vogel, waarover de dichterlijk gestemde natuuronderzoeker met zooveel verrukking spreekt, is de Roodborst-kardinaal (Coccoborus ludovicianus), vertegenwoordiger van het geslacht der Kardinalen (Coccoborus). Totale lengte 18, staartlengte 7 cM. De bovenzijde, de vleugels, de staart, de kin en de bovenkeel zijn zwart, de overige onderdeelen wit, met uitzondering van een breed, naar achteren spits toeloopend en tot aan het midden van de borst zich uitstrekkend, karmijnrood kropschild; de zijden van den buik en van de schenkels zijn met enkele zwarte strepen geteekend; over de vleugels loopen twee witte banden; de okselveeren en de onderdekveeren van den vleugel zijn karmijnrood; de eindhelft van de buitenste staartveeren is aan de binnenzijde wit. De iris is donkerbruin, de snavel lichtgeel, de poot grijsachtig bruin. [114]

Het verbreidingsgebied van deze Vogels omvat het oosten van de Vereenigde Staten; op den trek bezoeken zij Middel-Amerika tot aan Nieuw-Granada. Binnen de genoemde grenzen komen zij echter niet overal geregeld en altijd verspreid voor.

“Ik heb,” verhaalt Audubon verder, “dezen prachtigen Vogel in de zuidelijkste gedeelten van Louisiana, in Kentucky, en bij Cincinnati in Maart, als hij oostwaarts trok, dikwijls waargenomen. Hij vloog dan op een aanzienlijke hoogte en streek slechts nu en dan op den top van een der hoogste boomen van het woud neer, alsof hij een weinig rusten wilde. Ik heb hem op zijn reis naar ’t noorden nagegaan, in Pennsylvanië, New-York en andere oostelijke staten, door de Britsche provinciën Nieuw-Brunswijk en Nieuw-Schotland tot Newfoundland, waar hij veelvuldig broedt; nooit zag ik hem echter in Labrador en evenmin aan de kust van Georgië of Corolina, hoewel hij hier in de gebergten aangetroffen wordt.” Zijn voedsel bestaat uit graszaden en bessen, in de lente ook uit knoppen en malsche bloesems. Bovendien maakt hij soms jacht op Insecten, die hij niet zelden in de vlucht vangt.

Door de Amerikanen wordt de Roodborst-kardinaal als een der beste en ijverigste zangers beschouwd. Zijn lied is rijk aan melodieën en zeer welluidend; elke toon is vol en helder. Als het weder goed is, zingt hij des nachts “met alle verschillende, treffende intonaties van den Nachtegaal, nu eens schel klinkend, luid, helder en vol, dan weer klagend, vervolgens weer opgewekt en eindelijk teeder, zoetvloeiend en zacht.”

De ook in Europa welbekende Gewone Kardinaal, de Red-bird der Amerikanen (Coccoborus virginianus), is 20 cM. lang en heeft een 8 cM. langen, flauw uitgeranden staart. Zijn kruin is getooid met een kuif, die opgezet en neergelegd kan worden. De hoofdkleur van het vederenkleed is schel karmijnrood; de veeren van mantel, schouders en staartwortel zijn doffer van kleur daar zij een smallen, uitvloeienden, vaalgrijzen zoom aan de spits hebben; de teugel, een smal randje om de oogen, de kin en de bovenkeel zijn zwart; de slagpennen en staartveeren zijn donker karmijnrood, gene met uitzondering van het bruine topgedeelte en van een vaalbruinen zoom aan den buitenrand van de laatste armpennen. De iris is roodbruin, de snavel rood, de ondersnavel aan den wortel zwart, de poot bruin.

Het verbreidingsgebied van dezen Vogel omvat de zuidelijke Vereenigde Staten, Mexico en Californië. In zachte winters blijft hij gedurende het geheele jaar in ’t zelfde oord; bij ongunstiger weersgesteldheid trekt hij. Wegens zijn prachtige veeren valt hij reeds op een afstand in ’t oog en strekt tot sieraad aan het woud. Over dag houdt hij zich bij voorkeur op in de dicht dooreengewarde twijgen der slingerplanten en onderneemt van hier uit tochten naar naburige akkers en tuinen; men ontmoet hem daarom zoowel in de nabijheid der steden als in het donkerste en eenzaamste woud. Gedurende den zomer leven de Kardinalen paarsgewijs, in den herfst en in den winter zijn zij tot kleine gezelschappen vereenigd. Bij strenge koude komen die, welke in het land gebleven zijn, niet zelden op de boerenerven om hier voor de schuur, in gezelschap van Musschen, Duiven, Sneeuwvogels, Withalzige Muschgorsen en andere Vogels, zaden op te pikken, dringen in openstaande stallen en zolderruimten door, of zoeken voedsel bij de omheiningen der tuinen en velden. De struik of de boom, waarin het nest wordt gebouwd, staat soms dicht bij een boerderij of te midden van het veld, soms aan den rand van het woud of in het struikgewas. Niet zelden vindt men het nest in de onmiddellijke nabijheid van een boerderij, dikwijls op een afstand van slechts weinige meters van dat van de Spotlijster. Het bestaat uit droge bladen en twijgen, hoofdzakelijk uit stekelige takjes, die door halmen en wijnstokranken aaneenverbonden, van binnen echter met fijne grashalmen bekleed zijn. Het broedsel bestaat uit 4 à 6 eieren van vuilwitte kleur, die dicht bezaaid zijn met olijfbruine vlekken. In de noordelijkste Staten broedt het paar zelden meer dan éénmaal in de zuidelijke soms driemaal per jaar. De jongen blijven slechts weinige dagen onder de hoede van hunne ouders en worden daarna aan het lot overgelaten.

De Amerikaansche onderzoekers roemen tamelijk eenstemmig het gezang van den Kardinaal; volgens ons oordeel bestaat hiervoor geen voldoende reden. Als zanger in het vrije woud moge de “Virginische Nachtegaal” den lof verdienen, die hem wordt toegezwaaid; als kamervogel speelt hij slechts een ondergeschikte rol, hoewel het niet al te zelden voorkomt, dat hij in de kooi broedt.


De Gorsen (Emberizinae) vormen de vierde en laatste onderfamilie van de Vinken; zij omvat ongeveer 55 soorten, welke in vele opzichten overeenstemmen. Het zijn diklijvige Muschvogels met betrekkelijk kleine, kort kegelvormigen en scherpen snavel; deze is aan den wortel dik, naar voren zijdelings samengedrukt; de bovensnavel is smaller dan de ondersnavel; de zijranden zijn sterk ingebogen; de onderkaak heeft van achteren een min of meer uitstekenden zijrand en deze is, evenals die van de bovenkaak, aan den mondhoek steil naar beneden gebogen; de bovenkaak heeft aan het gehemelte een beenigen knobbel, die in een uitholling van de onderkaak past. De pooten hebben een korten loop en lange teenen, van welker nagels de dikwijls spoorvormig verlengde klauw van den achtergrond het meest in ’t oog valt. De vleugels zijn middelmatig groot; hun spits wordt gevormd door de tweede en de derde slagpen. De staart is tamelijk lang, bestaat uit nog al breede veeren en is aan het einde flauw uitgerand. Het vederkleed is los en meestal bij mannetjes, wijfjes en jongen verschillend.

Voor ’t meerendeel behooren de Gorsen tot het noordelijk halfrond; de meeste houden zich op in laag struikgewas of in rietvelden. Hoewel zij niet tot de vlugste en meest begaafde Vinken behooren, ontbreekt het haar geenszins aan een lieftallig voorkomen; zij zijn zeer gezellig en vredelievend, voeden zich gedurende den zomer hoofdzakelijk met Insecten, in den herfst en in den winter met melige zaden, die zij, evenals de Insecten, op den bodem zoeken; zij bouwen haar steeds eenvoudig ingericht nest op den grond in een klein kuiltje of althans zóó, dat het zich slechts weinig boven de oppervlakte verheft; zij leggen hierin 4 à 6 donkere, met stippels en krieuwels geteekende eieren, die door de beide ouders uitgebroed worden. Wegens haar welsmakend vleesch, dat in den herfst zeer vet is, worden sommige soorten reeds sinds overouden tijd ijverig vervolgd; de andere daarentegen worden door den mensch niet lastig gevallen, daar zij slechts bij uitzondering in de kooi worden gehouden.

*

Misschien mag men de Spoorgorsen (Calcarius) wel als de hoogst ontwikkelde leden van deze onderfamilie [115]aanmerken. Hare kenteekenen zijn gelegen in den kleinen snavel met weinig merkbaren gehemelteknobbel, de krachtige, voor ’t gaan geschikte pooten, welker achterteen een nagel draagt, die dezen, wat de lengte betreft, minstens evenaart, de scherpe vleugels, van welker slagpennen de beide eerste de langste zijn, den korten, aan ’t einde uitgesneden staart en de overvloedige bevedering.

Bij de IJsgors (Calcarius lapponicus)16 zijn de kop, de kin en de keel zwart, een breede streep, die boven de oogen begint en zich over de slapen uitstrekt, is witachtige roestkleurig, de nek en de achterhals zijn kaneelrood, de overige bovendeelen roestbruin met zwarte schaftvlekken geteekend, de zijden van den hals en de onderdeelen wit, de flanken met zwarte schaftstrepen voorzien, die aan de zijden van de borst tot een groote vlek ineenvloeien; de slagpennen zijn bruinzwart, de staartveeren eindelijk zwart met valen zoom. De iris is donkerbruin, de snavel stroogeel, bij de spits zwart, aan den rug blauwzwart, de poot blauwachtig grijs. Totale lengte 16, staartlengte 6 cM.

De IJsgors is een kind van de toendra, haar verbreidingsgebied strekt zich daarom uit over de noordelijkste gedeelten van de Oude en van de Nieuwe Wereld. Van hier trekt zij in den winter zoover zuidwaarts, als volstrekt noodig is; reeds in Nederland en Duitschland verschijnt zij zeer zelden; in nog zuidelijker gelegen landen verdwaalt zij hoogstens een enkele maal. Zoodra het weder een weinig zachter wordt, keert zij zoo spoedig mogelijk naar haar onherbergzaam vaderland terug. Hier is zij overal buitengewoon talrijk; tusschen hoog en laag gelegen gewesten maakt zij zoo goed als geen verschil, voor zoover n.l. de dwergberk er groeit en den bodem bekleedt met een viltachtige laag, waarop zij gaarne verblijf houdt. In Nederland werd deze Vogel herhaaldelijk waargenomen gedurende de maanden October tot Maart en wel te Haarlem, Lisse, Wassenaar en Harderwijk. In den winter 1892–1893 b.v. zijn een twintigtal voorwerpen van deze soort te Amsterdam op de markt geweest (Albarda).

Wat hare gewoonten betreft, houdt zij als ’t ware het midden tusschen de Leeuweriken en de Gorsen. Als een Gors gedraagt zij zich bij ’t zitten, zoowel op een steen als op een wiegelende twijg, als Leeuwerik en Gors te gelijk bij ’t loopen en vliegen. Stappend, niet huppelend, beweegt zij zich behendig over den bodem; zij vliegt zonder inspanning en flink; evenals de Leeuwerik zweeft zij dikwijls langen tijd gedurende het zingen. Haar zwaarmoedige, aan haar woesten geboortegrond herinnerende loktoon kan ongeveer nagebootst worden door de syllaben “tsjuu, tsjuu eb”. Het zeer eenvoudige, maar aangename gezang, bestaat uit een enkele strophe, waarin de loktoon dikwijls wederkeert; het wordt alleen gedurende het vliegen, maar dan met grooten ijver voorgedragen. Het nest, dat men op vochtige plaatsen tusschen de wortels van een dwergberk, op een heuveltje, goed verborgen onder het dichte struikgewas en op dergelijke plaatsen aantreft, bestaat, wat de buitenste laag betreft, uit meer of minder grove of fijne halmpjes en is van binnen met zachte veeren van het Groote Sneeuwhoen gevuld. Tegen het midden van Juni is het voor ’t broeden vereischte aantal eieren, 5 of 6, in ’t nest aanwezig; deze zijn op grijsachtigen, geelachtigen of lichtbruinachtigen grond meer of minder overvloedig geteekend met donkerder, haarfijne strepen en stippels, welker kleur op die van de grondkleur gelijkt.

Het voedsel bestaat gedurende den broedtijd uitsluitend uit Insecten en wel hoofdzakelijk uit Muggen. Gedurende den winter daarentegen voedt ook deze Gors zich met zaden. Daar de IJsgorsen zich in het laatst van den herfst gaarne bij de Leeuweriken voegen, worden zij dikwijls met deze en soms in grooten getale gevangen; dit is b.v. het geval in China, waar zij in sommige tijden van het jaar in menigte op de markt te koop liggen.

IJsgors (Calcarius lapponicus). ⅔ v. d. ware grootte.

IJsgors (Calcarius lapponicus). ⅔ v. d. ware grootte.

De verwante Sneeuwgors, ook wel Duin-, Strand-, Zee- en Sneeuwputter, Sneeuwvink en in Groningen IJskletter genoemd (Calcarius [116]nivalis), is in den zomer grootendeels sneeuwwit; zwart zijn de mantel- en schouderveeren, met uitzondering van den smallen, witten zoom aan de spits, de handpennen, met uitzondering van het witte wortelgedeelte, en de vier middelste staartpennen. Van het winterkleed daarentegen zijn de boven- en de achterkop benevens de oorstreek roestkleurig kaneelbruin, de schouders en de mantel zwart met kaneelbruine vederzoomen; roestgeelachtige plekken loopen dwars over den krop en langs de zijden; de buitenste staartpennen hebben op het einde van de buitenvlag een zwarte vlek. De iris is donkerbruin, de snavel des zomers zwart, des winters oranjegeel, de poot zwart.

De Sneeuwgors houdt ongeveer in dezelfde landen verblijf als de IJsgors. Haar verbreidingsgebied is uitgestrekter, haar broedgebied echter beperkter dan dat van hare verwante. Zelfs de noordelijkste gedeelten van de toendra, voor zoover zij, al is het slechts gedurende eenige weken, hun sneeuwlaag verliezen, worden nog door haar bewoond; altijd houdt zij zich zooveel mogelijk in de nabijheid van de eeuwigdurende sneeuw op. Op IJsland is zij de algemeenste landvogel; zij broedt nog op Spitsbergen, Nowaja Semlja en Noord-Groenland, voorzoover dit onderzocht is. Haar winterreis strekt zich tot in Zuid-Duitschland, soms nog verder zuidwaarts uit, in Azië tot in ’t zuiden van Siberië en tot in China, in Amerika tot in de middelste Vereenigde Staten. Bij ons ziet men deze Vogels, vooral bij sneeuw of vorst, soms in groote menigte in de kuststreken, op onbeplante dijken, wegen enz. In hun broedgebied houden zij op berghellingen en rotsachtige gebergten verblijf. Hier brengen zij haar korten zomer door, hier minnen en broeden zij. Het nest, dat steeds in rotsspleten of onder groote steenen aangelegd wordt, bestaat van buiten uit grashalmen, mos en korstmossen, die op den bodem groeien; het is van binnen met veeren en dons gevoerd; de ingang is zoo klein mogelijk, niet grooter dan noodig is om de oude gemakkelijk door te laten. Het bevat 5 of 6 eieren, die zeer verschillend van kleur en teekening kunnen zijn, gewoonlijk echter op blauwachtig witten grond donker roestbruine vlekken, stippels en strepen vertoonen, welke zich in de nabijheid van het dikke einde kranswijs opeenhoopen. Reeds tegen het einde van April laat het mannetje, boven op een steen zittend, zijn kort, maar helder klinkend, aangenaam gezang hooren. Kort na den broedtijd vereenigen de paren zich met hunne jongen tot groote vluchten, die nog eenigen tijd in het vaderland blijven, maar vervolgens hun winterreis aanvangen. Op de broedplaatsen voeden zij zich uitsluitend met Insecten, vooral met Muggen; gedurende den winter moeten zij zich met zaden behelpen.

Weinige andere Vogels reizen in zulke verbazend groote gezelschappen als de Sneeuwgorsen. Ook Nederland en Duitschland bezoeken zij in bijna iederen winter, maar slechts zelden in zulke groote zwermen als het hooge noorden. In Rusland noemt men ze “Sneeuwvlokken” en deze benaming past goed op haar, daar zij werkelijk als sneeuwvlokken uit de lucht komen vallen en akkers en straten bedekken. Soms komen zij in groote vluchten op schepen om hier eenige oogenblikken uit te rusten.

Door hare handelingen gelijken de Sneeuwgorsen zoowel op de Leeuweriken als op de Gorsen. Zij loopen geheel op de wijze van de Leeuweriken, vliegen behendig en zonder moeite, met weinig gefladder en volgens groote booglijnen, gedurende de reis op aanzienlijke hoogte, overigens liefst dicht bij den bodem. Gezelschappen, die voedsel zoeken, rollen als ’t ware over den grond verder, daar slechts een gedeelte zich op den grond neerzet en de andere over deze heenvliegen. Zij zijn onrustig en beweeglijk van aard: zelfs gedurende de strengste koude verliezen zij haar opgewektheid niet en hebben, zelfs wanneer zij bepaald gebrek lijden, nog een vergenoegd uiterlijk. Slechts zelden blijven zij lang op dezelfde plaats, liever zwerven zij door een beperkt gebied aanhoudend rond. Als er veel sneeuw ligt, zoeken zij de wegen op en komen zelfs in de steden; zoolang zij echter op de akkers nog voedsel kunnen vinden, kiezen zij deze als winterverblijf en zijn hier gedurende den geheelen dag bezig. Haar loktoon is een luid gefloten “fiet” en een klinkend “tsierr”; het gezang van het mannetje is een getsjilp, dat in vele opzichten op het gezang van den Veldleeuwerik gelijkt, maar er door luide, schel klinkende strophen van verschilt.

In gevangenschap houden zij zich in den regel niet lang goed.

*

Het geslacht der Gorsen in engeren zin (Emberiza) kenmerkt zich door den snavel, die, hoewel verschillend van lengte en dikte steeds een duidelijken knobbel aan het gehemelte bezit; de bovensnavel is smaller dan de ondersnavel; de voeten, welker achterteen met een korten, sterk gekromden nagel gewapend is, zijn zwakkelijk; de vleugels zijn middelmatig lang, hun spits wordt gevormd door de tweede en derde handpen; de staart is lang en aan de spits uitgerand.

Bij onze Rietgors, Rietmusch, Slootmusch of Rietvink, in Friesland Rietmosk genoemd (Emberiza schoeniclus), zijn de kop, de kin en de keel tot aan het midden van den krop zwart; de knevelvlek en een den hals omgevende kraag zijn wit evenals ook de onderdeelen, deze met uitzondering van de grauwe, met donkere, overlangsche strepen voorziene zijden; de mantel en de schouders, die een overgang van grijs in zwartbruin vertoonen, zijn door de roestbruine zoomen aan weerszijden van de veeren op een aangename wijze geteekend; de staartwortel en de bovendekveeren van den staart zijn grijsbruin, de slagpennen bruinzwart met roestbruine zoomen, de bovendekveeren van den vleugel roestrood, de grootste aan den wortel zwart, de beide middelste met roestroode randen, de buitenste aan de buitenvlag wit. De iris is donkerbruin, de snavel eveneens, de poot is bruinachtig. Totale lengte 16, staartlengte 5.5 cM.

Het verbreidingsgebied van deze soort omvat geheel Europa en het westen van Azië. In ons land vindt men haar van April tot October, vooral aan den waterkant in ’t riet, in de laatste jaren intusschen veel minder algemeen dan vroeger (Schlegel).

Binnen de grenzen van het genoemde, uitgestrekte verbreidingsgebied ontbreekt de Rietgors nergens behalve in het gebergte. Zij woont echter uitsluitend daar, waar moerassige oorden met hooge waterplanten, riet, zeggen, wilgenstruiken en dergelijke in moerassige streken groeiende gewassen bezet zijn, met andere woorden dus, aan de oevers van plassen, rivieren en meren, in moerassen en drasse weiden. Hier broedt zij ook.

Het nest wordt, zeer goed verborgen tusschen wortels en halmen, op den bodem van eilandjes en andere niet door het water overdekte plekjes grond gebouwd. Gewoonlijk is het slordig samengesteld uit allerlei halmen en slingerplanten, grasstoppels en drooge grasbladen, [117]van binnen bekleed met enkele paardeharen, met vruchtharen van riet en zaadharen van wilgen. Tweemaal in den zomer, in Mei en begin van Juli, vindt men in het nest 4 à 6 aardige eitjes, die een zeer verschillende kleur kunnen hebben, maar gewoonlijk op grijsachtig witten, naar bruinachtig of roodachtig zweemenden grond met aschgrauwe à zwartbruine, scherp begrensde of uitvloeiende vlekken, stippels en adertjes geteekend zijn. Het broedende wijfje wijdt zich met zooveel ijver aan haar taak, dat men het bijna met de hand kan vangen; het mannetje komt, zoodra iemand het nest nadert, angstig toegevlogen en laat een klagend geschreeuw hooren. De jongen worden op de gewone wijze met voedsel voorzien en grootgebracht.

De Rietgors is een opgewekt, slank vogeltje, behendiger en flinker dan hare verwanten; zij klimt als een acrobaat bij de rietstengels op en neer en ziet kans om op de zwakste twijgen of halmen te blijven zitten; zij huppelt vlug over den bodem, vliegt snel en zonder inspanning, maar met rukken; als zij opvliegt verheft zij zich hoog boven den grond en schiet bij ’t neerstrijken plotseling naar beneden, ook dartelt zij dikwijls in fraaie booglijnen boven het rietveld. Haar loktoon is een luide, ongewoon lang gerekte, met “tsie” overeenkomende klank; haar gezang wordt door Naumann zeer eigenaardig met stamelen vergeleken.

Gedurende den zomer voedt ook de Rietgors zich bijna uitsluitend met Insecten, die in het riet of in en op het water leven; in den herfst en in den winter eet zij zaden van riet, zeggen, biezen en andere moerasplanten. Kort na den broedtijd vereenigen deze Vogels zich tot kleine vluchten en bezoeken van tijd tot tijd de akkers, waar zij bij de gierststengels en andere korenhalmen opklauteren en de graankorrels uit de aren en pluimen halen. Als de weersgesteldheid ongunstig begint te worden, verlaten zij de noordelijke gewesten en slaan in de rietbosschen of op de met langhalmige grassen en distels begroeide vlakten van Zuid-Europa hare winterkwartieren op. Zij overwinteren ook in Griekenland en Algerië; aan de oevers van het Albufera-meer bij Valencia blijft zij gedurende het geheele jaar. Enkele exemplaren overwinteren in Zuid-Duitschland.

De Dwerggors (Emberiza pusilla), zoo genaamd, omdat zij de kleinste van alle Gorsen is (totale lengte 16, staartlengte 6.5 cM.), bewoont het Noorden van Rusland en geheel Noord-Azië. Enkele malen werd zij in West-Europa waargenomen, ook in Nederland (in ’t geheel 7 of 8 maal). De bovenkop, de teugel en de zijden van den kop zijn roestrood; twee breede, zwarte streepen strekken zich, bij het neusgat beginnend, over den kop tot in den nek uit; een zwarte streep achter het oog verbindt zich met een dergelijke, die de oorstreek van achteren begrenst; aan de zijden van den hals komt een roestroode dwarsstreep voor. De bovendeelen (benevens oogen, snavel en pooten) zijn bruin, de onderdeelen wit, gene op den mantel en de schouders, deze op de zijden met breede, bruinzwarte, roodbruin gezoomde schaftvlekken geteekend; dicht bijeen staande, zwarte schaftvlekken versieren den krop en de borst. Van de donkerbruine stuurpennen is de buitenste op de geheele buitenvlag en op het einde van de binnenvlag wit.

Rietgors: mannetje en wijfje (Emberiza schoeniclus). ⅔ v. d. ware grootte.

Rietgors: mannetje en wijfje (Emberiza schoeniclus). ⅔ v. d. ware grootte.

Nog zeldzamer is in ons land de 17 cM. lange Woudgors (Emberiza rustica), die éénmaal te Harderwijk gevangen werd (Albarda). Zij bewoont het noorden, van Kamtschatka tot Lapland. Van de Dwerggors, waarop zij overigens veel gelijkt, verschilt zij door de zwarte kleur van de bovenvlakte en de zijden van den kop. Beide soorten trekken uit het noorden van Europa in ’t najaar in zuidwestelijke richting en bezoeken naar alle waarschijnlijkheid vaker ons land dan men vermoedt.

De grootste, inheemsche soort van het Gorsengeslacht is de zwaarlijvige Grauwe Gors of Gierstvogel, in Gelderland Grauwgors, in Groningen Dikschijter, Korenspork of Grauwstjirt, in Friesland Grauwtjirt genoemd (Emberiza calandra)17; zij is 19 cM. lang met inbegrip van den 7 cM. [118]langen staart. Hare bovendeelen zijn op rosachtig grijsbruinen grond met zwartbruine, overlangsche vlekken geteekend; dergelijke vlekken gaan van de ondersnavel uit en vormen onduidelijke baardstrepen, die op het midden van den krop tot een groote, donkere vlek ineenvloeien; de wangen en de oorstreek zijn op bruinachtigen grond met donkere, overlangsche strepen voorzien en van onderen begrensd door een vaalwitten, eveneens donker gestreepten band; de slagpennen en staartvederen zijn donkerbruin met vaalwitten buitenzoom; de vaalwitte eindzoomen van de bovendekveeren vormen op den vleugel twee lichte dwarsstrepen. Het oog is donkerbruin, de snavel vuilgeel, de poot bleekgeel.

Van het zuiden van Noorwegen af wordt de Grauwe Gors op alle voor haar geschikte plaatsen van geheel Europa en ook van West-Azië, hetzij als standvogel of althans als zwerfvogel aangetroffen. Men ontmoet haar hier ook als trekvogel; in ’t najaar begeeft zij zich afzonderlijk of in zwermen tot naar Noord-Afrika, is dan in Egypte niet zeldzaam en op de Kanarische eilanden algemeen. Des zomers bewoont zij uitgestrekte, met graan bebouwde vlakten; bij voorkeur houdt zij zich op in gewesten, waar bouwland en weiden met elkander afwisselen en waar afgezonderd staande boomen en struiken voorhanden zijn. In groote bosschen ziet men haar evenmin als op gebergten. In ons land werd zij broedende slechts in sommige streken en wel in kleinen getale aangetroffen, zooals b.v. in Groningen, in Friesland en ook in Gelderland en Noordholland; soms zwerft zij hier ook ’s winters rond. In de overige streken ziet men haar slechts zeer zelden in October en November op den trek verschijnen. In Maart komt zij op hare broedplaatsen terug. In Noord-Duitschland is zij nergens zeldzaam, in Middel-Duitschland breidt zij het door haar bewoonde gebied meer en meer uit; in de rijke, graan verbouwende districten van Oostenrijk-Hongarije is zij, zoo niet de veelvuldigste van alle Vogels, dan toch de veelvuldigste van alle Gorsen. Marshall zegt van de wijzigingen, die de geographische verbreiding van dezen Vogel ondergaat: “De somber uitziende Grauwe Gors en de om zijn smakelijk vleesch bekende Ortolaan, die eveneens de bebouwing van den bodem en meer bepaaldelijk de teelt van granen en klaver volgen, streven van het Oosten naar het Westen vooruit. Daar zij echter, naar het schijnt, minder goed geschikt zijn voor den strijd om het bestaan, zich ook niet zoo innig bij den mensch kunnen aansluiten, kortom minder onbeschaamd zijn dan de Musch, hebben zij het niet zoo ver gebracht als deze. De beide genoemde Gorsen hebben, naar het schijnt, in Middel-Europa zich het eerst gevestigd in het meer noordwaarts gelegen vlakke land (en wel de Grauwe Gors niet geheel en al zoo noordelijk als de Ortolaan), later eerst in het zuidelijkere bergland: in Zuid-Rusland en West-Azië zijn beide Gorsen algemeen; hier zal waarschijnlijk haar oorspronkelijke woonplaats gelegen zijn.”

Zooals de ineengedrongen, plompe lichaamsbouw, de kortheid der vleugels en de zwakheid der pooten al dadelijk doen vermoeden, is de Grauwe Gors log van beweging. In gebukte houding huppelt zij langzaam over den grond en wipt intusschen met den staart; ook voor het vliegen wordt veel inspanning vereischt; met snorrende vleugelslagen beschrijft zij een uit bogen bestaande vluchtlijn; toch weet zij op deze wijze een voldoende snelheid te bereiken en allerlei doelmatige wendingen te maken, die men van haar niet verwacht zou hebben. Haar loktoon, die bij het opvliegen dikwijls herhaald wordt en die zij ook gedurende het vliegen laat hooren, is een scherp “tsiek”, het waarschuwend sein klinkt gerekt als “sieh”, het geluid, dat teedere aandoeningen verraadt, is een zachter “tiek”; het gezang is zoomin aangenaam als luid en gelijkt sterk op het gedruisch, dat bij het kousenweven gehoord wordt, daar het herhaaldelijk roepen van “tiek tiek” het voorspel is van een onnavolgbaar gekletter, waarmede deze zonderlinge compositie besloten wordt. Gedurende het zingen neemt de Grauwe Gors op steenen, palen, takken van struiken en boomen verschillende houdingen aan en tracht zij zooveel mogelijk door gebaren de gebreken van haar gezang te vergoeden. Beminnelijke eigenschappen merkt men bij deze Gors niet op, integendeel, zij is vervelend en valt bovendien hare meer vredelievende verwanten lastig met haar twistgierigheid.

Het nest wordt in April in een kleine holte te midden van gras of van andere tot beschutting dienende kruiden en altijd op korten afstand boven den grond gebouwd. Oude stroohalmen, droge grasbladen, halmpjes zijn de bestanddeelen van den nestwand; de nestholte is met haren of met zeer fijne halmpjes gevoerd. De 4 à 6 eieren hebben een fijne, glanslooze schaal en zijn op dof grijsachtigen of vuilgelen grond met roodblauwachtig grijze stippels, vlekjes en streepjes geteekend en geaderd. De jongen worden met Insecten grootgebracht en zijn tegen het einde van Mei geschikt om te vliegen; zoodra zij zichzelf kunnen redden, beginnen de ouders voor een tweede broedsel te zorgen; als ook deze werkzaamheden afgeloopen zijn, voegen alle zich tot vluchten bijeen en beginnen kort daarna te trekken.

De Grauwe Gors wordt geschoten of in netten gevangen, omdat zij een lekker gebraad oplevert. Voor de kooi vangt men haar niet.

De gemeenste soort van Gors in ons land is de Geelgors, Haverkneu, Geelgierst, Geelvink, Gierstvink of Gerstkneu, in de Tielerwaard Drifter, in Gelderland Geelkneus, in Noord-Brabant Sip, Schrijver of Schrieverik, in Groningen Geelstjirt, in Friesland Gelegeus of Geeltjirt genoemd (Emberiza citrinella). Totale lengte 17, staartlengte 7 cM. De kop, de hals en de onderdeelen zijn fraai hooggeel, de voorkop en de achterhals olijfkleurig grijsgroen, zoo ook twee overlangsche strepen aan weerszijden van den kop, waarvan de eene zich van den voorkop boven het oog langs naar den nek, de andere van den achterrand van het oog tot op den slaap uitstrekt. De zijden van den kop zijn kaneelroodbruin, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart iets donkerder, de mantel en de schouders vaalroestbruin, de zijden van den romp van boven met breede, zwarte, iets lager met donkerbruine schaftstrepen; de slagpennen en stuurpennen zijn zwartbruin, de binnenvlag van de beide buitenste stuurpennen heeft breede, witte eindvlekken. Het oog is donkerbruin, de snavel donkerblauw, aan de zijranden lichter, de poot roodachtig geel.

Deze Vogel bewoont Noord- en Middel-Europa en een groot deel van Azië, vooral Siberië. Bij ons houdt hij zich op aan boschkanten, in struiken en heggen, vooral in de nabijheid van slooten en ander water. Overal, waar tusschen akkers, weiden en boomgaarden struikgewas groeit, kan men hem met zekerheid verwachten. In Duitschland ontbreekt hij in geen vlakte en komt hij ook in het gebergte tot bij den woudgrens voor.

Met uitzondering van eenige gewesten is de Cirlgors [119](Emberiza cirlus), over het geheele zuiden van Europa verspreid; in vele oorden komt zij nevens de Geelgors voor, in andere vervangt zij haar. Zij wordt bovendien hier en daar in Zwitserland, het zuidwesten van Duitschland, Frankrijk, België en Engeland aangetroffen en is ook een paar malen in Nederland (bij Harderwijk en bij Arnhem) gevangen. Zij gelijkt in vele opzichten op de vorige soort, maar is iets kleiner (totale lengte 15.8, staartlengte 7 cM.); bovendien levert de kleur kenmerken ter onderscheiding op: de grondkleur van den mantel en de schouders is nl. roodbruin, de staartwortel bruingrijs met olijfgroenen tint, de snavel van boven zwart, van onderen lichtbruin, de keel zwartachtig, de oorstreek met zwart omzoomd.

Gedurende den geheelen zomer ontmoet men de oude Geelgorsen bij paren of hare jongen tot kleine vluchten vereenigd. Het nest wordt in den eersten aanvang van de lente gebouwd; dikwijls vindt men het reeds in Maart. Als bouwstoffen dienen grove, half vergane stengels van kruiden, grashalmen en droge bladen, voor de binnenste laag grashalmen en paardehaar. Het nest is gelegen in laag struikgewas, meestal op of dicht bij den grond, slechts bij uitzondering 1 of 2 M. er boven, tusschen de stammen of te midden van de dichte twijgen, ook wel in het gras of tusschen andere kruiden en zelfs in het riet. Het bevat reeds in het begin van April, ook wel vroeger, 4 of 5 eieren, deze zijn fijn van schaal, op witachtigen of roodachtigen grond paars gevlekt of gestippeld en met fijne, gekronkelde streepjes als beschreven; hieraan dankt deze Vogel zijn Noordbrabantschen naam. De beide ouders broeden om beurten en deelen met elkander de zorg voor de opvoeding der jongen. In gunstige jaren broedt de Geelgors twee- en zelfs driemaal. Zoolang de broedtijd duurt, is het mannetje zeer opgewekt: het zingt van den vroegen morgen tot laat in den avond zijn eenvoudig liedje, dat uit 5 of 6 bijna gelijke tonen en een eenigszins gerekten, één octaaf hoogeren slotklank bestaat. In Duitschland wordt het nagebootst door de woorden: “S’is, s’s noch viel zu früh” of “Wenn ich ’n sichel hätt; wollt’ ich mit schnitt”, of eindelijk volgens Mosen, “Wie, wie hab ich dich lieb”. De Zanger zit bij het zingen op een vrijen taktop en laat den mensch zeer dicht bij zich komen, hij en zijne handelingen kunnen daarom gemakkelijk waargenomen worden.

Na den broedtijd vereenigen ouden en jongen zich tot zwermen, die weldra zeer talrijk worden en van nu af, in den eersten tijd althans, in een klein gebied rondzwerven; ook voegen zij zich wel bij Leeuweriken en Vinken, zelfs bij Kramsvogels. In strenge winters zien de Geelgorsen zich genoodzaakt om bij den mensch om voedsel te komen bedelen; zij komen dan in grooten getale, dikwijls als welkome of althans gedulde gasten, op het erf van den landman, vooral bij stallen, op mesthoopen enz., in gezelschap van Musschen en andere Vogels; in het volgende voorjaar keeren zij echter naar hare vroegere woonplaatsen terug. Hier en daar worden zij op bepaaldelijk hiervoor bestemde vinkebanen gevangen; de roofdieren zijn voor haar echter gevaarlijker vijanden dan de menschen.

1) Cirlgors (Emberiza cirlus), 2) Tsiepgors (Emberiza cia). ⅝ v. d. ware grootte.

1) Cirlgors (Emberiza cirlus), 2) Tsiepgors (Emberiza cia). ⅝ v. d. ware grootte.

Van meer belang voor den vogelaar en den fijnproever is de Ortolaan (Emberiza hortulana). Totale lengte 16, staartlengte 7 cM. De kop, de hals en de krop zijn dof grijsgroenachtig, een smalle kring om de oogen, de kin en de keel zijn geelachtig, zoo ook een streep, die, van den ondersnavel uitgaande, de wang omgeeft en van de lichte keelvlek gescheiden is door een smalle, donkere baardstreep; de overige onderdeelen zijn kaneelkleurig roestrood, de onderdekveeren van den staart lichter; de bovendeelen zijn dof roestbruin (als bij den Musch), de mantel en de schouders met breede, donkere schaftstrepen geteekend, de slagpennen donkerbruin, de eerste met witten, de volgende met smallen, vaalbruinen, de laatste armpennen en hare dekveeren met breeden, roestbruinen zoom aan de buitenvlag, de bovendekveeren van den vleugel bovendien met roestbruinen zoom aan de spits, waardoor een dwarsband ontstaat; de staartveeren zijn donkerbruin met valen buitenzoom, de tophelft van de binnenvlag van de beide buitenste pennen en het [120]middelste deel van de buitenvlag van de buitenste pen wit. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten vleeschkleurig.

Ook de Ortolaan is over een groot deel van Europa verbreid; hij komt echter slechts hier en daar, in vele gewesten niet of uiterst zelden voor. Soms vestigt hij zich in oorden, waar hij vroeger niet gezien werd, voor goed, om er te nestelen. “In ons land wordt hij buiten sommige streken van Noordbrabant,” schrijft Schlegel, “slechts toevallig aangetroffen. Hij nestelt in de bedoelde streken algemeen, maar komt er ook in het najaar op den trek menigvuldig. Hij wordt alsdan, zooals dat b. v. in de omstreken van Turnhout plaats heeft, met slagnetten gevangen en in kooien, gedurende den nacht bij kaarslicht, met gierst in weinige dagen vetgemest, vervolgens door een stopnaald in het achterhoofd te steken gedood, doch niet ontweid, en met roode zijden strikjes om den hals, in spanen doosjes verzonden. Vroeger betaalde men een ducaat, thans somtijds nog één of twee gulden voor het stuk.” In Duitschland bewoont de Ortolaan als standvogel de gewesten aan den benedenloop van de Elbe, de Mark en Lausitz, Silezië, Westfalen en de Rijnlanden. Veelvuldig is hij in het zuiden van Noorwegen en in Zweden en gemeen in Zuid-Europa; bovendien broedt hij in Engeland, Frankrijk, Rusland, Middel-Azië tot aan de Alatau, en in de gebergten van Klein-Azië en Palestina. In den winter begeeft hij zich op den trek tot in het westen en oosten van Afrika en houdt zich hier bij voorkeur in de gebergten op, waar hij zelfs nog op een hoogtegordel van 3000 M. voorkomt.

De levenswijze en de gewoonten van den Ortolaan, verschillen weinig van die der andere Gorsen. Hij bewoont ongeveer dezelfde soort van plaatsen als de Geelgors en is hier op dezelfde wijze werkzaam; ook zijn gezang is van soortgelijken aard, hoewel iets aangenamer. De loktoon klinkt als “gief gerr”, de zachte klank “gie” of een nauwelijks hoorbaar “piek” geeft teedere gevoelens te kennen; een onaangename gewaarwording wordt geopenbaard door luid “gerk” te roepen. Het nest en de eieren gelijken op de reeds beschrevene. Het nest is dicht bij den grond gelegen, gewoonlijk in de dichtste twijgen van lage boomen; het bevat bij het broeden 4 à 6 eieren, die op roodachtig grijzen grond met blauw-zwartachtige vlekjes en krulletjes geteekend zijn.

Reeds bij de oude Romeinen was het smakelijke, malsche vleesch van den Ortolaan als een buitengewone lekkernij bekend; zij mestten hem in bepaaldelijk hiervoor ingerichte kooien, die des nachts door lampen verlicht werden. Naar het voedsel, dat zij dezen Vogel gaven (gierst = “mil”), noemden zij hem “Miliaria”. Op dezelfde wijze heeft, naar gezegd wordt, het mesten nu nog plaats in Italië, het zuiden van Frankrijk en vooral op de Grieksche eilanden. Daar worden de Ortolanen in menigte gevangen, gedood, nadat zij den gewenschten graad van vetheid bereikt hebben, vervolgens geplukt en schoongemaakt, gekookt, en bij 200 of 400 stuks met azijn en kruiderijen in kleine vaatjes ingemaakt, die daarna verzonden worden. Voor Ortolanen, die op deze wijze toebereid zijn, worden door fijnproevers hooge prijzen betaald.

In het zuidoosten van Europa, vooral in Griekenland voorts in Klein-Azië, Palestina, West-Azië en Noord-Afrika, vindt men, behalve de Ortolaan, ook de Roestgors (Emberiza caesia), die zich van dezen, zijn naasten verwant, onderscheidt door de grijze kleur van den kop, de grijze dwarsbanden over den krop, de licht kaneelroode keel, de donker kaneelroode onderdeelen, de kleinere, witte vlek aan het uiteinde van de buitenste staartpennen en den koraalrooden snavel. Soms worden Vogels van deze soort in Zuid-Duitschland en op Helgoland geschoten.

1) Ortolaan (Emberiza hortulana), 2) Kapgors (Emberiza melanocephala). ⅝ v. d. ware grootte.

1) Ortolaan (Emberiza hortulana), 2) Kapgors (Emberiza melanocephala). ⅝ v. d. ware grootte.

Een van de fraaiste leden van dit geslacht is de in ons vaderland nog niet waargenomen Tsiepgors (Emberiza cia); zij is 18 cM. lang (staartlengte 7.6 cM.). De kop en de nek zijn aschgrauw, de zijden van den kop, de keel en de krop iets lichter, een breede streep boven de oogen, de wangen en de kin [121]witachtig grijs; twee strepen, die de wenkbrauwstreep van boven en van onderen begrenzen en een derde, die, van den mondhoek uitgaande, om de wangen heen zich met de onderste der beide reeds genoemde strepen verbindt, zijn zwart; de mantel en de schouders zijn roestroodbruin, alle veeren met donkere schaften, de staartwortel, de bovendekveeren van den staart en de onderdeelen kaneelroestrood, op het midden van den buik lichter, de slagpennen zwartbruin, de achterste armpennen en hare dekveeren met roestbruinen zoom; de bovendekveeren van den vleugel zijn donkergrijs, de groote zwart met vaal roestkleurige eindzoomen, die een dwarsband op den vleugel vormen; de staartveeren zijn, met uitzondering van de beide middelste, donkerbruinzwart, de tophelft van de beide buitenste is op de binnenvlag wit, de buitenhelft van de buitenste ook. Het oog is donkerbruin, de bovensnavel zwart-, de ondersnavel lichtbruin, de poot lichtgeelachtig.

In Duitschland bewoont de Tsiepgors, die haar gebied al verder en verder noordwaarts uitbreidt, de Rijnstreken en ook het zuidoosten van Baden, hier beperkt tot de hoogste dalen van het gebergte, ginds tot de wijnbergen van den rechter Rijnoever; niet minder zelden komt zij in Oostenrijk voor. Veelvuldig daarentegen is zij in Zuid-Europa, n.l. in Spanje, Italië en Griekenland, bovendien in West-Azië. Van hier uitgaande doorreist zij het grootste deel van Azië tot aan den Himalaja, in welks westelijke gedeelten zij geregeld voorkomt. Zij is een bewoner van het gebergte, en vermijdt de vlakten. Het liefst bewoont zij berghellingen met het grootst mogelijk aantal rotsspleten. Hier zwerft zij op de wijze van de overige Gorsen tusschen en op de steenblokken rond.

Het nest vindt men aan den Rijn, waar zij in sommige streken niet zelden nestelt, in de spleten en holen van de muren, die de wijnbergen omgeven. De 3 of 4 eieren vertoonen op witachtig grijzen grond een teekening bestaande uit zwartachtig grijze draden met eenige grijze daartusschen; deze draden vormen dikwijls in het midden van het ei gordels; daar zij niet kort afgebroken zijn, verschilt de teekening dezer eieren aanmerkelijk van die der Geelgorsen. Ook de Tsiepgors broedt waarschijnlijk tweemaal per jaar.

Een niet minder fraaie Vogel is de Wilgengors (Emberiza aureola). De meeste leden van deze soort broeden in het noorden van Azië, de overige bevolken in groote getale het noordoosten van Europa. Van deze dwalen op den trek niet zelden eenige exemplaren naar West-Europa af, in plaats van met de meerderheid in het zuiden van China, Cochinchina, Assam, Birma en de overige landen van het westelijke Himalaja-gebied te overwinteren. Eénmaal is er een op een vinkenbaan te Harderwijk gevangen (Albarda). De Wilgengors is 18 cM. lang en heeft een 4.5 cM. langen staart. De hoofdkleur van haar vederenkleed is roestbruin.

Zuidoost-Europa, te beginnen bij Italië (namelijk Dalmatië en Griekenland benevens vele eilanden van de Adriatische Zee), en een groot deel van Zuidwest-Azië (van de Levant tot aan de noordelijke en westelijke provinciën van Indië) worden bewoond door de hierneven afgebeelde Kapgors (Emberiza melanocephala); nergens is deze soort echter sterker vertegenwoordigd dan in Perzië. Zij is 18.5 cM. lang en heeft een 8 cM. langen staart. Met uitzondering van den zwarten bovenkop is de hoofdkleur van alle bovendeelen helder kaneelroodbruin, van alle onderdeelen hooggeel; de vleugels en de staart zijn donkerbruin, de pennen met vaalbruinen, de kleine vleugeldekveeren met geelgrijzen, de groote met witten eindzoom. De oogen zijn donkerbruin, de pooten bruinachtig geel, de snavel is vuilblauw. Het wijfje mist de zwarte kap; haar bovenkop is even als de overige bovendeelen grijsachtig roestrood, de onderdeelen zijn met uitzondering van de witte keel roestgeelachtig wit.

Uit hare winterkwartieren terugkeerend, komt de Kapgors tegen het einde van April in Griekenland, een weinig later in Istrië aan. Op een fraaien lentemorgen zou men in Griekenland alle struiken aan het zeestrand, waar den vorigen dag geen enkele van deze Vogels te vinden was, letterlijk bedekt kunnen zien met Kapgorsen, die hier gedurende den nacht zijn aangekomen. Onmiddellijk begeeft ieder paar zich naar zijn broedplaats, de soms in een van de wijnbergen der vlakte, soms op een nog onbebouwden met salie- en doornstruiken (Paliurus) begroeiden heuvel gelegen is; het bouwt een nest, broedt, voedt de jongen en verlaat het vaderland weer tegen het einde van Juli of in Augustus om zich te begeven naar het land, waar het overwinteren zal. De Kapgorsen trekken echter niet naar het zuidwesten, maar naar het zuidoosten. Waarschijnlijk is Perzië het brandpunt van haar verbreidingsgebied; van hier zijn zij uitgegaan en hebben Klein-Azië en het Balkan-schiereiland eerst later gevonden; door Perzië, waar zij nog altijd en (tot op een hoogte van bijna 3000 M.) overal veelvuldig zijn, reizen zij naar hare winterverblijven. Weinige weken na haar vertrek uit Europa verschijnen zij in Dekhan en in de noordelijke provinciën van Hindostan, vereenigen zich hier tot ontzaglijke zwermen, richten groote verwoestingen aan in de graanvelden en verlaten dit land eerst weder in Maart.

Het nest staat op den bodem in of naast stekelig struikgewas, gewoonlijk zeer verborgen; het is slordig gebouwd: droge stengels van kruiden en bladen vormen den wand, die van binnen met fijne worteltjes, halmpjes, bladvezels en paardehaar gevoerd is. In de eerste helft van Mei worden er 5 à 7 eieren ingelegd, die op bleek blauwachtig groenen grond met duidelijk begrensde of uitvloeiende, aschgrauwe, groenachtige of roodachtig grijze vlekken geteekend zijn. In Perzië verzamelen de Kapgorsen zich na den broedtijd tot zwermen van duizenden en tienduizenden individuën, die van de eene plaats naar de andere zwerven en nog meer gevreesd worden dan de Sprinkhanen, daar zij reeds lang voordat de tijd van trekken daar is, de akkers beginnen te plunderen.


De Wevervogels (Ploceidae) behooren tot de aantrekkelijkste eigenaardigheden van de dierenwereld in het Ethiopische faunistische Rijk. In deze familie, die buiten Afrika alleen in Zuid-Azië en Indië vertegenwoordigd is, worden omstreeks 300 zeer verschillende, voor ’t meerendeel Afrikaansche soorten van Zangvogels vereenigd. Deze hebben met elkander gemeen den meer of minder dikken, doch steeds kegelvormigen snavel, welks rug naar achteren afgeplat, aan den wortel breed en daar als ’t ware tusschen de veeren van den voorkop verborgen is, den van voren met kleine plaatjes, aan de zijden met een doorloopende plaat bekleeden loop en de samenstelling van het handgedeelte van den vleugel, dat steeds tien pennen bezit.

De Wevervogels worden zoo genoemd, omdat vele soorten van deze groep een groot, kunstig geweven nest vervaardigen. Deze nesten verschaffen aan sommige [122]boomen van Middel-Afrika en Zuid-Azië een prachtigen opschik. De gevederde kunstenaars geven de voorkeur aan boomen, die met een deel van hun kroon een water overschaduwen; soms zijn deze letterlijk bedekt met nesten. Koloniën van Wevervogels kunnen als een in ’t oog loopende eigenaardigheid van Middel-Afrika, Indië en de eilanden van den Indischen Archipel beschouwd worden. Een kenmerkende eigenschap van deze aanvallige bouwmeesters is, dat zij bij ’t broeden steeds tot groote gezelschappen vereenigd zijn. Het is een zeldzaamheid aan een boom niet meer dan één Wevervogelnest aan te treffen, gewoonlijk vindt men er 20, 30, zelfs 100 of meer bijeen. De buitengewone stevigheid van deze nesten maakt, dat zij jaren lang aan weer en wind weerstand bieden. Het komt daarom wel voor, dat men aan den boom, die nu door een kolonie van Wevervogels in beslag genomen is, nog de nesten van drie of vier vroegere jaren ziet hangen. Boomen, die op deze wijze versierd zijn, ontmoet men binnen het verbreidingsgebied van de bekwaamste Wevervogels overal, in het gebergte zoowel als in de vlakte, in het woud zoowel als onmiddellijk boven het huis van den dorpeling.

De werkzaamheden van sommige soorten van Wevers in Neder-Guinea worden door Pechuel-Loesche op de volgende wijze beschreven: “In of bij de dorpen of factorijen nestelen vooral de Zware Wever (Ploceus nigerrimus) en de Halsbandwever (Ploceus cinctus) op oliepalmen en nog liever op afgezonderd staande wolboomen (Bombax). In het dichte gebladerte van de wolboomen blijven de stevig en kunstig gevlochten, buidelvormige nesten, die men er niet bij honderden, maar bij duizenden in vindt, gedeeltelijk verborgen; op de oliepalmen, die door de handige bouwmeesters gewoonlijk geheel beroofd worden van hunne gevinde of vedervormig samengestelde bladen, vallen de nesten des te meer in ’t oog. Daar het den inboorlingen niet in de gedachten komt de rusteloos werkzame Vogels lastig te vallen, bekommeren deze zich in het geheel niet om de handelingen der menschen. Zij zijn even argeloos als bedrijvig en vlijtig en maken bij den strijd om de beste nestelplaatsen, bij het broeden en voederen der jongen en bij hunne pogingen om als zangers op te treden een groot, maar toch gezellig geraas. De buigzame en taaie grondstof voor ’t weven ontleenen zij bij voorkeur aan de naburige oliepalmen; in den regel kiezen zij echter een van deze hiervoor uit, die er derhalve slecht aan toe is. Zij gaan bij dezen arbeid volgens een bepaalden regel te werk. Fladderend vatten zij met den snavel den rand van een der blaadjes aan op de plaats, waar dit aan den algemeenen bladsteel gehecht is, en scheuren hiervan over de geheele lengte een strook af, door zich te laten vallen; op dezelfde wijze halen zij een tweede en een derde strookje enz., totdat er van het blaadje alleen de dunne middelnerf is overgebleven. Daarna verscheuren zij het naastbij liggende en de daarop volgende blaadjes en eindelijk, als er aan het eene reusachtige blad geen spoor van groen meer overgebleven is, vallen zij op het volgende aan. Als er zeer vele Vogels aan den arbeid zijn, worden verscheidene bladen tegelijkertijd verscheurd. Met rusteloozen ijver zwieren de kleine bouwmeesters om den boomstam heen; in grooten getale vliegen zij af en aan, bij hun vertrek lange, fladderende strookjes medevoerend; zij gaan hun gang zonder zich te laten afschrikken door de menschen, die van beneden naar de groote, hier aangerichte verwoestingen kijken. Na verloop van korten tijd is de volle kroon van den fieren palm verdwenen; wat er van overblijft, gelijkt op bezemrijsjes. Dan wordt een tweede en vervolgens een derde palm op dezelfde wijze behandeld; dikwijls moeten er een dozijn geplunderd worden, voordat de nestenstad voltooid is.


De Wevers (Ploceinae) zijn de grootste leden van de naar hen genoemde familie, waarvan zij de kern uitmaken. Meestal slank gebouwd, kenmerken zij zich bovendien door hun betrekkelijk langen en slanken, maar toch altijd krachtigen, kegelvormigen snavel, door hunne pooten, die een langen loop met lange teenen hebben en met harde, sterk gekromde nagels gewapend zijn, door hunne lange, maar stompe vleugels, van welker slagpennen gewoonlijk de vierde de langste is en door hun korten, zwak afgeronden staart; zij kunnen dus niet licht met andere leden van dezelfde familie verward worden. Geel of roodachtig geel en zwart zijn de kleuren, die bij hen de overhand hebben; er zijn echter ook grootendeels zwarte, roode, muschachtig grijze en witachtige Wevers. Gewoonlijk is de kop, of althans het aangezicht, donker van kleur; de rug is meestal groenachtig of roodachtig geel, terwijl de onderdeelen een zuiver gele, lichtroode of donkerroode kleur hebben.

Alle Wevers zijn op de plaatsen, waar zij voorkomen, veelvuldig, vooral omdat bij hen een buitengewone neiging tot gezelligheid bestaat, die zelfs gedurende den voortplantingstijd niet vermindert. Na den broedtijd vereenigen zij zich tot vluchten, die zeer dikwijls aangroeien tot zwermen van vele duizenden, welke soms groote verwoestingen op de akkers aanrichten. Nadat zij geruimen tijd rondgezworven en intusschen geruid hebben, keeren zij terug naar den boom, die hun of hunne jongen tot wieg heeft gediend, of althans naar het oord, waar deze boom staat of gestaan heeft. Hier neemt men nu eenige maanden lang een groote bedrijvigheid waar, veroorzaakt door het bouwen van de nesten, dat veel tijd vereischt. Dat de Wevers met grooten ijver en een waren hartstocht voor het bouwen bezield zijn, blijkt o.a. uit het feit, dat zij dikwijls een nest, dat nagenoeg gereed is, weer afbreken om aan een nieuw te beginnen. Hunne nesten zijn, zonder uitzondering, kunstig gebouwd van plantaardige vezelstoffen of van buigzame grashalmen, waaraan zij, naar het schijnt, door hun speeksel een nog grootere buigzaamheid verschaffen; deze bouwstoffen worden laagsgewijs opeengestapeld of dooreengeweven. Waarschijnlijk broeden alle Wevervogels meermalen per jaar; zóó althans wordt het verklaarbaar, dat er in verschillende maanden van het jaar versche nesten en eieren gevonden zijn in weinig van elkander afwijkende gewesten, die deel uitmaken van hetzelfde land. Door de plaats, waar het nest gebouwd wordt, is de veiligheid der jongen goed verzekerd. Zoomin de Meerkatten als de andere op het berooven van nesten beluste Zoogdieren, durven zich vasthouden aan de zwiepende twijgen, die deze nesten dragen: ieder, die ze met roofzuchtige bedoelingen nadert, loopt gevaar op den grond of in het water te vallen. Sommige soorten van Wevers, b.v. de Mahalis (Ploceus mahali), beveiligen hun nest bovendien nog tegen een aanval door er doornen, met de spits naar buiten gekeerd, in te vlechten. Zoowel oude als jonge Wevers kunnen in hunne nesten iederen gewonen vijand trotseeren.

De bewoners van Oost-Afrika beschouwen de merkwaardige kunstwerken van hunne gevederde landgenooten met een onverschillig oog; andere volken hebben er wel degelijk acht op geslagen, zij het dan ook op de wijze van een sprookjesdichter. Zoo hebben de [123]kluitjes leem, die in sommige nesten voorkomen, aanleiding gegeven tot het verhaal, dat de Wevervogel des nachts van Glimwormpjes gebruik maakt om zijn nest te verlichten en dat het leem moet dienen als blaker voor deze kaarsen. Volgens Bernstein berust op de stevigheid van het nest van den (o.a. op Java levenden) Baya-wever (Ploceus baya) de Maleische sage, dat hij, die zoo gelukkig is één van deze nesten los te pluizen zonder er een halm van te breken, daarbinnen een gouden bal zal vinden.

Zaden van allerlei soort, vooral van grassen en zeggen, vormen het liefste voedsel van de Wevers. Bovendien maken zij ijverig jacht op Insecten; hiermede brengen zij hunne betrekkelijk talrijke jongen groot. Tot ontzaglijk groote zwermen vereenigd, ondernemen zij, hoofdzakelijk na den broedtijd, plundertochten op de bebouwde velden. Dan zijn de menschen, en wel vooral de bewoners van arme gewesten, die geen andere bezittingen hebben dan hunne korenakkers, genoodzaakt ernstige maatregelen te nemen tot verdediging van hun eigendom. Behalve van de menschen hebben de Wevers ook veel te lijden van de Edelvalken en Sperwers, die in hun vaderland zoo talrijk zijn.

Verscheidene soorten van Wevervogels, doch vooral West-Afrikaansche, komen op onze vogelmarkt tamelijk overvloedig voor; omdat zij een taai leven hebben en goed bestand zijn tegen de bezwaren, ontberingen en kwellingen van den overtocht. Wanneer men ze op een eenigszins doelmatige wijze verzorgt, kan men ze zeer goed in de kooi in ’t leven houden; zij beginnen hier spoedig te weven, wanneer men hun de gelegenheid verschaft deze kunst uit te oefenen; niet zelden planten zij zich in de gevangenschap voort. Om deze redenen kan men ze rekenen onder meest aanbevelenswaardige kooivogels, die de familie der Vinken oplevert. Hun gezang is niet veel waard, toch is het een lust naar hen te kijken, daar zij steeds buitengewoon ijverig bezig zijn met het weven van hunne kunstige woningen.

*

De Veewevers (Textor) onderscheiden zich door hun aanzienlijke grootte, hun dikken, kegelvormigen snavel, die aan den wortel een gezwollen rand heeft, hunne zeer stevige pooten en de afgeronde vleugels, welker spits door de vierde of vijfde slagpen wordt gevormd.

1) Veewever (Textor Dinemelli), 2) Alekto-wever (Textor albirostris). ½ v. d. ware grootte.

1) Veewever (Textor Dinemelli), 2) Alekto-wever (Textor albirostris). ½ v. d. ware grootte.

Tot dit geslacht behoort de Alekto-wever (Textor albirostris), die 25 cM. lang is, waarvan 9 cM. op den staart komen. Zijn vederenkleed is effenkleurig, dofglanzig zwart, de kleine veeren echter zijn aan den wortel wit, welke kleur op sommige plaatsen zichtbaar wordt; sommige slagpennen (de 2e tot de 5e) hebben in ’t midden van de buitenvlag een smallen witten zoom; het oog is bruin, de snavel vuilgeel, aan de zijranden en aan de spits blauwachtig, de poot vuilgrijs.

Aanmerkelijk kleiner, 20 cM. lang, is de Veewever (Textor Dinemelli). De kop en de onderdeelen zijn wit, de mantel, de slagpennen en de staart chocoladebruin, alle veeren met lichteren zoom, een vlekje bij het polsgewricht, de staartwortel en de dekveeren van den staart zijn karmijnrood, de teugel is zwart. De snavel is vuil zwartblauw, de poot donkerblauw.

De Alekto-wever bewoont geheel Middel-Afrika, de Veewever het binnenland van dit werelddeel en Abessinië. De eerstgenoemde wordt in Zuid- en Oost-Afrika vervangen door nauw verwante vormen, door den Buffelwever of Roodbekwever (Textor [124]erythrorhynchus) en den Middelsten Wever, die hier vermeld worden, omdat de nu volgende levensbeschrijving gedeeltelijk op hen betrekking heeft.

De Veewevers behooren tot de meest in ’t oog vallende leden van hun familie. Zij verloochenen de zeden en gewoonten van hunne verwanten niet, maar herinneren toch in meer dan een opzicht aan de Lijsters. Hoewel zij Wevervogels zijn, hebben hunne nesten meer overeenkomst met die van onze Eksters dan met de sierlijke woningen, die door hunne verwanten gebouwd worden. Alle soorten leven bij voorkeur op weiland, waar vee graast, het liefst in de nabijheid van kudden, meestal in gezelschap van Purperspreeuwen en Ossenpikkers. Van den Buffelwever zegt A. Smith het volgende: “Eerst toen wij ten noorden van den 25en graad Z. B. gekomen waren, ontmoetten wij dezen Vogel; volgens de verzekering der inboorlingen komt hij zelden verder zuidwaarts voor, om de eenvoudige reden dat daar de Buffels zeldzamer zijn. Overal, waar wij hem aantroffen, vonden wij hem steeds in gezelschap van deze dieren, op welker rug hij zat en waartusschen hij rondvloog. Hij trippelde op hun lichaam rond als een Ossenpikker en was voortdurend bezig hier zijn voedsel te zoeken, dat hoofdzakelijk bestaat uit de Tieken, die zich aan den huid der Buffels vastgehecht hebben en uit hetgeen hij op den grond op den drek van deze dieren vindt. Dit bleek voldoende uit het onderzoek van den maaginhoud van den Vogel. Deze bewijst door het wegpikken van woekerdieren een groote dienst aan de Buffels, die bovendien door hem gewaarschuwd worden, zoodra zich het een of ander verdachte verschijnsel voordoet. Alle Buffels steken dan den kop omhoog en vluchten. De Buffelwevers bezoeken alleen de Buffels en deze hebben geen andere schildwachten; de Ossenpikkers daarentegen behooren bij het Neushoorndier.” Hoewel ik de Alekto-wever niet op vee heb zien zitten, komt het mij niet twijfelachtig voor, dat zij aan de Runderen van Oost-Soedan nu en dan dezelfde diensten bewijzen. Hunne nesten, waarvan ik er soms achttien op denzelfden boom aantrof, zijn voornamelijk van de doornachtige twijgen van den garat-mimosa gebouwd en hebben minstens één Meter middellijn. Een opening ter grootte van een vuist, waarop een veel nauwere gang volgt, leidt naar de nestholte. Volgens Heuglin zijn sommige nesten 2 à 3 M. lang en 1 à 1½ M. breed en hoog. Deze bevatten dan ieder 3 à 8 broedplaatsen, ieder afzonderlijk met gras en veeren gevoerd. Iedere nestendragende boom wordt in een bepaalden tijd van het jaar door een buitengewoon luidruchtig gezelschap bewoond en is hieraan reeds op een afstand kenbaar. In de nabijheid van Khartoem merkte ik op, dat de Zwarte Wever in het begin van het regenseizoen, dus omstreeks het einde van Augustus, broedt. In de Samhara nestelt hij in April.

*

De Wielewaalwever (Ploceus galbula) is een van de kleinste soorten van het geslacht der Boomwevers (Ploceus), daar zijn lengte ongeveer 13 cM. bedraagt. De voorkop tot aan den voorrand van het oog, de teugel, de zijden van den kop en de kin zijn kastanjekleurig roodbruin, de bovenkop, de hals en de onderdeelen geel, de bovendeelen olijfkleurig geel, de slagpennen olijfbruin, de buitenvlag met een olijfgelen, de binnenvlag met een breederen, zwavelgelen rand; de gele spitsen van de grootste bovendekveeren vormen op den vleugel een dwarsband; de staartveeren zijn bruinachtig olijfgeel, aan de buitenvlag en aan de spits met olijfgelen zoom. De iris is rood, de snavel zwart, de poot vleeschkleurig.

De Wielewaalwever bewoont Abessinië van de kust van de Roode Zee tot in het hooge gebergte, bovendien echter geheel Oost-Soedan; op voor hem geschikte plaatsen is hij zeer talrijk.

Bij de Boomwevers komen als ’t ware de eigenschappen van verschillende Vinken vereenigd voor. Dit is aan geheel hun uiterlijk zichtbaar. Karakteristiek is hun onverminderde neiging tot gezelligheid in alle omstandigheden. Des morgens en des avonds verschijnen zij in troepen op bepaalde boomen, gedurende den broedtijd natuurlijk op die, welke de nesten dragen. De mannetjes zitten zingend op de toppen der hoogste twijgen. Dit gezang, hoewel in ’t geheel niet fraai, is zeer gezellig en onderhoudend. Het is een mengelmoes van spinnende, smakkende, ratelende en fluitende geluiden, waaruit men niet recht wijs kan worden. Nadat het gezelschap zich op deze wijze bezig heeft gehouden tot een paar uur na zonsopgang, gaat ieder voedsel zoeken. In de middaguren komen verscheidene vluchten, soms duizenden individuën, in boschjes rondom poelen of bij een ondiepte van de rivier bijeen; zij schreeuwen en krioelen in de struiken op de wijze van onze Musschen; plotseling vliegen zij alle tegelijk naar den waterkant, nemen hier een teug en snellen zoo schielijk mogelijk weer in het struikgewas terug. Voor dit haastig drinken hebben zij goede redenen, want boven de boomen loeren hunne ergste vijanden, de Sperwers en kleine Valken, die pijlsnel op de Wevers neerschieten, zoodra deze hunne veilige zitplaatsen in het struikgewas verlaten. Gewoonlijk blijven de Wevervogels uren lang op zulk een plaats en vliegen in dien tijd misschien tien- of twintigmaal naar den waterkant. In den namiddag zoeken zij opnieuw voedsel, om zich des avonds weer op denzelfden boom als ’s morgens te verzamelen en er hetzelfde lied te zingen. In den ruitijd, die in Oost-Soedan in de maanden Juli en Augustus plaats vindt, zijn de zwermen nog grooter dan gewoonlijk.

Het bouwen van het nest vangt aan met het vervaardigen van een geraamte van lange grashalmen, dat aan de uiterste spits van lange, buigzame twijgen bevestigd is en reeds duidelijk den vormt vertoont, dien het nest zal krijgen; men kan er echter nog overal doorheen zien. Vervolgens worden vooral de wanden der nestholte zeer zorgvuldig waterdicht gemaakt, door er in de eerste plaats zooveel mogelijk halmen van boven naar onderen door te steken; later worden ook in dwarse richting halmen ingevoegd. Een cirkelrond vlieggat wordt gewoonlijk aan de zuidzijde opengelaten. Het nest heeft nu den vorm van een stompen kegel, die op een halven bol rust. Om het te voltooien, wordt de opening aan het boveneind verlengd tot een buis, die bij den geheelen wand langs naar beneden loopt en er stevig mede verbonden is, zoodat nu het vlieggat zich onderaan bevindt. Eerst daarna wordt het nest ook van binnen afgewerkt en met een legplaats van uiterst fijne grashalmen voorzien. Het mannetje is de eenige bouwmeester van het nest, het wijfje bepaalt zich tot het aanbrengen van eenige verbeteringen van het inwendige. Als één twijg niet voldoende wordt geacht, worden twee twijgen aaneen verbonden door een brug, die nu als aanhechtingspunt dient voor het schommelend gebouw. Soms begint het wijfje te leggen reeds voordat de woning geheel gereed is. In den tusschentijd en zelfs gedurende het broeden bouwt het mannetje nog steeds ijverig voort. Het [126]broedsel bestaat uit 3 à 5 eieren, die op groenen grond bruin gevlekt zijn.

Wevervogels: 1) Bandvogel (Spermestes fasciata); 2) en 3; Paradijsweduwe (Vidua paradisea): 2) Wijfje, 3) Mannetje; 4) Vuurvogeltje (Habropyga minima); 5) Oranjewever (Euplectes franciscanus).

Wevervogels: 1) Bandvogel (Spermestes fasciata); 2) en 3; Paradijsweduwe (Vidua paradisea): 2) Wijfje, 3) Mannetje; 4) Vuurvogeltje (Habropyga minima); 5) Oranjewever (Euplectes franciscanus).

De Boomwevers en hun nest leveren in dezen tijd een aardig schouwspel op. Hun bedrijvigheid, die reeds gedurende den broedtijd buitengewoon groot is, neemt nog toe, nadat de jongen geboren zijn. Bijna iedere minuut ziet men het wijfje naar binnen gaan om haar hongerig kroost te voederen. Daar het eene nest dicht bij het andere hangt en vele Vogels af en aan vliegen, herinnert de geheele boom levendig aan een bijenkorf.

*

Wanneer in het zuiden van Nubië de doerra, die iedere voor bebouwen geschikte strook gronds van den Nijloever bedekt, rijp begint te worden, kan men een prachtig tafereel aanschouwen. Een eenvoudig, tjilpend gezang maakt, dat men de oogen vestigt op een bepaald deel van het veld; hier ziet men op een van de hoogste vruchtdragende halmen een prachtigen Vogel zitten, die op een flikkerend vlammetje gelijkt, terwijl hij zich onder vroolijke bewegingen heen en weer draait. Hij is de zanger, wiens lied men hoorde. Het eenvoudige wijsje vindt weldra weerklank in de hartjes van andere vuurvlammetjes; hier en daar komt er een te voorschijn, over het geheele veld zijn zij verdeeld; bij dozijnen, bij honderden misschien, klauteren de vuurroode schepseltjes omhoog en vormen een wonderbaarlijk schoonen tooi voor den groenen akker. Het is, alsof iedere uit de diepte oprijzende zanger zich er op toelegt om zijn prachtig gekleurd vederenkleed van alle zijden te laten bewonderen. Hij richt de vleugeldekveeren omhoog, maakt wendingen en buigingen en zet zelfs een hooge borst te midden van het felle zonlicht. Even snel als hij gekomen is, verdwijnt hij weer, maar alleen om weinige minuten later opnieuw naar boven te klimmen.

De hier bedoelde Vogel is de Oranjewever (Euplectes franciscanus). Alle dieren van deze soort, mannetjes, wijfjes en jongen, dragen buiten den paartijd een buitengewoon bescheiden, muschkleurig kleed; het wijfje behoudt dit voortdurend; bij het mannetje verandert het tegen den broedtijd geheel en al, niet alleen wat de kleur, maar ook wat de gesteldheid der veeren betreft. Deze zijn dan zacht en fluweelachtig; de onder- en de bovendekveeren van den staart, welker baarden geen samenhangende vlag vormen, hebben zich aanmerkelijk verlengd, zoodat zij de stuurpennen nagenoeg geheel bedekken; deze zoowel als de slagpennen hebben haar bruine kleur behouden; de bovenkop, de wangen, de borst, de zijden en de buik zijn fluweelachtig zwart, de overige lichaamsdeelen vermiljoenrood met karmijnkleurige tint, behalve de mantel en de schouders, welker tint bruinachtig is; de slagpennen en vleugeldekveeren zijn aan haar rand aanmerkelijk lichter gekleurd dan in het midden, waardoor op den donkerbruinen vleugel een vaalbruine teekening ontstaat. De snavel is zwart, de oogen zijn bruin, de pooten bruinachtig geel. Totale lengte 12, de staartlengte 4 cM.

De Oranjewever bewoont alle doerra- en dohhenvelden van de waterrijke gewesten, die zich van het midden van Nubië tot diep in het binnenland van Afrika uitstrekken. Steeds geeft hij aan bebouwde streken de voorkeur boven onbewoonde; alleen in geval van nood kiest hij rietvelden tot woonplaats. Een doerra-veld is het paradijs, waaruit hij zich moeielijk laat verdrijven. Hier leeft hij meer op de wijze van de Rietzangers dan op die der overige Wevervogels. Behendig klimt hij, evenals gene, bij de halmen op en neer, vlug sluipt hij op den bodem tusschen het rietgras door, en evenals de Rietzangers verbergt hij zich in tijd van gevaar te midden van dicht bijeengroeiende halmen. Eerst nadat het koorn, dat hem gedurende den broedtijd een schuilplaats verschafte, van de velden is binnengehaald, begint de Oranjewever, evenals de andere leden zijner familie, in het land rond te zwerven.

De nesten zijn op kunstvolle wijze geweven, maar toch veel slordiger gebouwd dan die der andere Wevervogels. De jongen zijn reeds uitgevlogen vóór den doerra-oogst; daar de ouden en de jongen zich tot groote zwermen vereenigen, worden zij dikwijls tot een plaag voor het land. Dan zijn de arme Nubiërs, die ieder strookje vruchtbaren slikgrond moeten gebruiken en bebouwen, genoodzaakt om tot afwering van de Vogels, die tot dusver het prachtigste sieraad van hunne velden vormden, wachten uit te zetten, die door de plunderaars voortdurend bezig worden gehouden.

De Oranjewever komt bij ons dikwijls levend op de vogelmarkt; zij die dezen Vogel niet kennen, zien hem echter licht over het hoofd, daar hij slechts gedurende weinige maanden zijn prachtkleed draagt. In de kooi kan men hem met gewoon vogelvoer gemakkelijk in ’t leven houden.

*

De Weduwen (Vidua) behooren in Afrika thuis; de meeste soorten van dit geslacht hebben in het donkere werelddeel een uitgestrekt verbreidingsgebied; toch vindt men in het zuiden zoowel als in het oosten en het westen karakteristieke soorten. Meer dan de andere Wevervogels herinneren zij aan de Gorsen. Gedurende den broedtijd leven zij paarsgewijs; zoodra het broeden en het ruien afgeloopen zijn, vereenigen zij zich tot talrijke vluchten. De mannetjes wijzigen hunne gewoonten in verband met het kleed dat zij dragen. Als zij in hun bruiloftskleed prijken, dwingt de lange en zware staart hen tot eigenaardige standen en bewegingen. Bij het zitten laten zij hem eenvoudig naar beneden hangen; bij het gaan moeten zij hem hoog dragen en wippen er daarom een weinig mede, wat zij in andere tijden van ’t jaar niet doen. Een zeer grooten invloed oefent de staart op hun wijze van vliegen uit. De snelle bewegingen, die zij anders maken, worden er door verhinderd; met zichtbare inspanning sleepen zij hem door de lucht, vooral bij eenigszins vermeerderde windkracht. Na het ruien bewegen zij zich gemakkelijk en vlug op de wijze van de andere Wevervogels.

De meeste soorten zoeken, naar het schijnt hun voedsel, dat grootendeels uit afgevallen grasvruchten, doch ook uit Insecten bestaat, voornamelijk op den grond. Vooral de mannetjes zitten gedurende den broedtijd meestal op boomen en zoeken hun voedsel, daar de lange staart de beweging op den grond bemoeielijkt. “De Weduwen,” schrijft Pechuel Loesche uit West-Afrika, “bezoeken ook gedurende den broedtijd dikwijls bij paren dorpen en boerenerven. Op open terreinen pikt het eenvoudig gekleede wijfje haar voedsel van den grond, terwijl het met lange, zachte staartveeren pronkende mannetje van tijd tot tijd om haar heen dartelt en op het gebied der vliegkunst kunstjes verricht, die door sierlijkheid en bevalligheid iedereen tot bewondering nopen. Zij en andere Vogels, die voor ’t meerendeel in Europa genoegzaam bekend zijn en dikwijls in kooien gehouden worden, bezoeken op deze wijze zonder schroom de door menschen bewoonde oorden; zij worden hier beschouwd als geliefde gasten, in welker kleurenpracht en bewegingen men telkens [127]weer behagen schept. Om hun een groot genoegen te bereiden, worden soms eenige paddestoelvormige woningen van Termieten uit de naburige vlakte gehaald en voor hen stukgeslagen. Dan snellen zij van alle kanten toe en smullen heerlijk; op zulk een feest gaat het zeer vroolijk toe; in het bonte gewemel van allerlei Vogels, ziet men dikwijls ook zeldzame bezoekers verschijnen.”

De broedtijd valt samen met de lente van hun vaderland, kort nadat het mannetje zijn bruiloftskleed voltooid heeft. In Soedan heeft het broeden plaats in het laatst van Augustus, in de Abessinische gebergten in onze lentemaanden. De nesten gelijken op die van de Wevervogels.

Het mannetje van de Paradijsweduwe (Vidua paradisea) is grootendeels zwart van kleur; een breede halsband, de zijden van den hals en de krop zijn oranjekleurig kaneelrood, de overige onderdeelen bleek roestgeel, de slagpennen donkerbruin, aan de buitenzijde vaalbruin gezoomd. De iris heeft een zwartachtig bruine, de snavel een zwarte, de poot een bruine kleur. Het wijfje komt in kleur eenigszins met een Musch overeen. De lengte van dezen Vogel bedraagt, zonder de 15 cM. lange staartveeren, 15 cM.

De Paradijsweduwe bewoont Midden-Afrika en wel bij voorkeur de ijle bosschen der steppe. Zij komt niet gaarne in de nabijheid van bewoonde plaatsen, ofschoon zij geen reden heeft om den mensch en zijn bedrijf te mijden. In boomrijke gewesten van Midden-Afrika treft men haar overal, gedurende den voortplantingstijd paarsgewijs, in andere tijden van ’t jaar in kleine gezelschappen of zelfs in groote vluchten aan. Haar prachtkleed draagt zij gedurende het regenseizoen, ongeveer 4 maanden lang.

Gevangen Paradijsweduwen worden geregeld naar Europa gebracht: zij kunnen als kooivogels verscheidene jaren in ’t leven blijven, zijn gemakkelijk te onderhouden, maar planten zich in de gevangenschap niet of uiterst zeldzaam voort.

*

Om ook een voorbeeld te geven van een dunsnaveligen Wevervogel, geven wij een korte beschrijving van het Vuurvogeltje, ook wel Kleine Amaranthe of Kleine Roode Astrilde (Estrelda) genoemd (Habropyga minima). Het geslacht der Prachtvinken (Habropyga), waarvan deze soort een vertegenwoordiger is, omvat de kleinste Wevervogels. Het 10 cM. lange Vuurvogeltje is purperkleurig wijnrood, op den mantel en de schouders reebruin, iedere veder aan de spits met purperkleurigen zoom, de borstzijde met witte stippeltjes geteekend. De slagpennen en de staartveeren zijn bruin, op de buitenvlag met purperrooden zoom. Het reebruine wijfje is alleen op den teugel en den staartwortel purperrood, op de borst echter eveneens wit gestippeld. Het oog is donkerbruin, de snavel rood, de poot roodachtig.

Het Vuurvogeltje bewoont geheel Middel-Afrika van de westkust tot aan de oostkust en van 22° NB tot 25° ZB. In bepaalde tijden van ’t jaar ontbreekt het in geen enkel dorp van Zuid-Nubië en van Oost-Soedan; men vindt het dan zelfs bij iedere hut midden in ’t woud. Het is een der eerste Vogels van de keerkringslanden, die men opmerkt, als men van Egypte naar Soedan reist. Gewoonlijk ziet men het in de nabijheid van de dorpen met andere leden derzelfde familie tot zwermen vereenigd, die dikwijls uit tallooze individuën bestaan; het woont echter ook ver van den mensch in de eenzame steppe en zelfs in het gebergte tot op een hoogte van 1500 M., ofschoon het hier zeldzamer voorkomt.

Aan het Vuurvogeltje kan men niet slechts wegens zijn sierlijke kleuren, maar ook wegens zijn aanvalligheid en lieftalligheid veel genoegen beleven. Hoogstens in de middaguren zoekt het in het schaduwrijke loover der altijd groene boomen beschutting tegen de drukkende zonnehitte. Overigens is het bezig, zoolang de zon boven de kim staat en vliegt onverpoosd van twijg tot twijg, of trippelt met groote bedrijvigheid op de takken, op de huizen en ook op den bodem rond. Wat de snelheid van ’t vliegen betreft, wordt het slechts door zeer weinige verwanten overtroffen, ongetwijfeld is geen hunner echter met een zoo rusteloozen ijver bezield. In de laatste maanden van het droge seizoen is het ruien afgeloopen; zoodra de eerste lenteregen valt, ongeveer in het begin van September, begint de voortplantingsperiode. Tot dusver waren de Vogels tot zwermen vereenigd; deze verdeelen zich nu in paren, die onbeschroomd in de dorpen en steden komen en uitzien naar een geschikte nestelplaats onder het dak van een der kegelvormige, van stroo vervaardigde huizen of van een der dobbelsteenvormige leemen hutten der inboorlingen. Hier wordt op den een of anderen geschikten grondslag een verwarde hoop van droge halmen bijeengebracht, die, een goed afgeronde, maar toch volstrekt niet zorgvuldig bekleede nestholte bevat. Ingeval van nood broedt het Vuurvogeltje op boomen of zelfs dicht bij den bodem. Het nest bevat 3 à 7 witte, nagenoeg bolvormige eieren met gladde schaal, die door beide ouders in 11 à 13 dagen worden uitgebroed.

Wegens zijne fraaie veeren en lieftalligen aard heeft men getracht het Vuurvogeltje in Cayenne te acclimatiseeren; voor zoover ons bekend, hebben deze pogingen echter geen gunstige uitkomst opgeleverd. Op de vogelmarkt komt dit diertje veelvuldig voor. Wanneer het eerst de vermoeienissen van de reis te boven is gekomen, kan men er lang genoegen van hebben; het zal allicht in de gevangenschap broeden en jongen grootbrengen.

*

De Bandvogel of Halsbandvink (Spermestes fasciata), mag beschouwd worden als de meest bekende vertegenwoordiger van de Amadinen (Spermestes). Zijn snavel is zeer dik, de lengte overtreft de breedte en de hoogte slechts weinig; de bovensnavel is bij het begin van den snavelrug plat en aan de zijden door een boogvormig naar achteren gerichte lijn van den voorkop afgescheiden; de ondersnavel is zeer breed; de vleugels zijn middelmatig lang, de staart is kort en afgerond. Dit sierlijke vogeltje is ongeveer zoo groot als een Kanarie, 12.5 cM. lang. Bij het mannetje is de hoofdkleur fraai vaalbruin; de rug is donkerder, de onderdeelen zijn lichter, iedere veer is met een zwarte, dwarse zigzaglijn geteekend of (op de bovenborst) zwart gezoomd; enkele veeren van de borst en van de zijden vertoonen een zwarte, V-vormige, de bovendekveeren van den vleugel aan de spits een groote, grijsroodachtige vlek, die door een ervoor gelegen, zwarte halvemaan bijzonder in ’t oog valt; de slagpennen zijn bruin met valen zoom, de staartveeren dofzwart, van onderen grijsachtig, de buitenvlag der buitenste stuurpennen is gedeeltelijk wit, de overige hebben aan ’t einde een witte vlek, met uitzondering van de beide middelste, die geheel zwart zijn. Het mannetje onderscheidt zich van het wijfje door fraaiere [128]kleuren en door een breeden, prachtig karmijnrooden halsband, die van het eene oog naar het andere loopt en een witten zoom heeft, waardoor het beter uitkomt. Het vogeltje ziet er uit, alsof men het in de keel gesneden had; vandaar zijn Fransche naam, Cou-coupé, en de Engelsche, Cut-throat. De oogen zijn donker-, de snavel en de pooten lichtbruin.

Sedert eenige eeuwen is de Bandvogel als bewoner van West-Afrika in Europa bekend; zijn verbreidingsgebied is echter volstrekt niet tot de westelijke landen van het donkere werelddeel beperkt, maar reikt van hier tot aan de oostkust. In de Nijllanden ontmoet men hem bezuiden den 16en graad N. B. overal in de ijle wouden der steppen. Hij vermijdt de eigenlijke woestijn; aan de grens van den regengordel begint hij zich te vertoonen; daar, waar hij aangetroffen wordt, is hij niet zeldzaam. In de oerwouden ontbreekt hij; wanneer hij ze al eens bezoekt, blijft hij er slechts korten tijd. Deze wouden missen de zaadrijke grassen en andere laag bij den grond groeiende planten, waaraan hij zijn voedsel ontleent. De Bandvogels in de kooi pikken graag in fruit; vermoedelijk zullen zij dus dergelijk voedsel in de vrije natuur niet versmaden. Hun hoofdvoedsel blijft echter altijd zaad.

Rijstvogel (Spermestes oryzivora). ½ v. d. ware grootte.

Rijstvogel (Spermestes oryzivora). ½ v. d. ware grootte.

In het noordoosten van Afrika ontmoet men ze gewoonlijk in gezelschappen van 10 à 40 stuks. Zulke zwermen naderen onbeschroomd de hutten der dorpelingen. In de voormiddaguren ziet men ze op den grond rondloopen, waar zij ijverig bezig zijn met het oppikken van voedsel; nooit klimmen zij echter in de lage grashalmen; gedurende de middaguren zit het gezelschap, in een halve sluimering verzonken, in de twijgen van een schaduwrijken boom. Des namiddags vliegen zij nogmaals uit om voedsel te zoeken.

De broedtijd valt, in Oost-Afrika althans, in de maanden September en October, dus in een deel van ’t jaar, dat met onze laatste lentemaanden vergeleken kan worden. De in gevangenschap levende dieren brengen de bouwstoffen, die men hen verschaft, tot een meer of minder geregeld gebouwd nest bijeen en leggen hierin 6 à 9 witte eieren, de beide ouders broeden om beurten gedurende 13 dagen; gemeenschappelijk brengen zij hunne jongen groot, die, zoodra hunne veeren zich ontwikkeld hebben, in kleur met de ouders overeenstemmen.

In de landen van den Boven-Nijl maakt niemand, in West-Afrika bijna iedereen jacht op den Bandvogel om hem aan de vogelhandelaars in de kustplaatsen te verkoopen. Door tusschenkomst van deze lieden komen ieder jaar duizenden van Bandvogels naar Europa, daar zij de bezwaren van de reis zeer goed te boven komen. Zij zijn zeer gemakkelijk te verzorgen en planten zich, wanneer zij paarsgewijs in de kooi worden gehouden, geregeld voort. Aanvankelijk bekoren zij hun eigenaar door de fraaiheid van hunne veeren en de bevalligheid van hunne bewegingen mettertijd begint men ze echter even vervelend te vinden als al hunne verwanten.

De meest bekende van de Aziatische Amadinen is de Rijstvogel (Spermestes oryzivora). Deze soort is gemakkelijk te herkennen aan de fraai grijze kleur der bovendeelen, den zwarten, meestal wratten-dragen den kop, de licht wijnroode onderdeelen, den zwarten staart met bovendekveeren van gelijke kleur, terwijl de onderdekveeren wit zijn; de snavel is helder rozerood, aan de spits en aan de randen parelwit. De iris is bruin, het ooglid echter rood, de poot roodachtig. Het verbreidingsgebied van dezen Vogel, die ongeveer zoo groot is als een Putter, omvat Malakka en de Soenda-eilanden. Zijn eigenlijk vaderland is echter Java. In sommige werken leest men, dat de Rijstvogel in zijn vaderland “padda” wordt genoemd, omdat hij aan de rijstvelden als woonplaats de voorkeur geeft, en de rijst in de landstaal “padda” heet. Dat men hem hoofdzakelijk in de rijstvelden aantreft, is waar, de rijst heet echter niet “padda” maar “padi” en de Vogel in ’t geheel niet “padda”, maar Gladdik.

“Evenals onze Europeesche Musch,” schrijft Bernstein, “bewoont de Rijstvogel uitsluitend bebouwde landstreken; hij is hier zeer veelvuldig. Zoo lang de [129]rijstvelden of sawahs door het water bedekt zijn, d. i. van November tot Maart of April, zoo lang de rijst groeit en allengs geschikt wordt voor den oogst, houden de Rijstvogels zich bij paren of kleine familiën in de tuinen en hakhoutboschjes der dorpen en in het struikgewas op, waar zij, behalve verschillende zaden en velerlei kleine vruchten, ook wel Insecten en Wormen als voedsel gebruiken. Menigmaal althans heb ik ze op de wegen enz. den bodem zien afzoeken, waar moeielijk iets anders te vinden geweest kan zijn dan dierlijk voedsel; bovendien kwam het mij voor bij ’t onderzoeken van den maaginhoud van verscheidene dezer Vogels, dat zich hierin overblijfselen van zulke voedingsstoffen bevonden. Zoodra echter de rijstpluimen een gele kleur beginnen aan te nemen en de sawahs door het laten afvloeien van het water drooggelegd worden, begeven de Rijstvogels zich, dikwijls in groote zwermen, naar de voor hen zoo aanlokkelijke akkers. Zij richten hier niet zelden een aanmerkelijke schade aan, zoodat men allerlei middelen aanwendt om ze te verdrijven. In de gewesten, die het meest van deze bevederde dieven te lijden hebben, bouwt men te dien einde in de sawah een op vier hooge bamboespalen rustend, klein wachthuisje, op een groot rijstveld meer dan één. Van hier gaan naar alle richtingen een groot aantal draden uit, die verderop vastzitten aan dunne bamboesstokken, welke op bepaalde afstanden van elkander in den grond gestoken zijn. Aan deze draden hangen groote, droge bladen, bonte lappen, poppen, houten kleppers en dergelijke voorwerpen. Zoodra nu de inboorling, die, als een spin te midden van haar web, in het wachthuisje zit, aan de draden trekt, zullen gelijktijdig alle droge bladen beginnen te ratelen, terwijl de poppen zich bewegen, de klepperhoutjes geluid geven, enz.; vol schrik vluchten nu de ongenoode gasten. Ook nog na den oogst vinden de Vogels op de sawahs, die tot aan het begin van het regenseizoen, d. i. tot omstreeks November, braak blijven liggen, rijkelijk den kost, niet alleen omdat er vele rijstpluimen achtergelaten zijn, maar ook omdat tusschen de stoppels in ongeloofelijk korten tijd allerlei soorten van onkruid welig opschieten, waarvan de weldra rijpende zaden den gragen gast een gewenscht voedsel verschaffen. In dezen tijd zijn zij tamelijk vet en dik; vooral de jonge Vogels leveren dan een smakelijk gerecht op; op hen wordt daarom ijverig jacht gemaakt. De gevangen rijstvogels worden alleen door de vogelhandelaars, die ze naar Europa zenden, in ’t leven gehouden.”

Het nest vond Bernstein in de kroon van verschillende soorten van boomen of tusschen de talrijke woekerplanten, die de stammen der arenga-palmen bedekken, De grootte en vorm van het nest verschillen in overeenstemming met de plaats waar het gebouwd wordt. De nesten op de boomen zijn meestal groot en hebben over ’t algemeen een tamelijk regelmatige, half bolvormige gedaante; die, welke tusschen de slingerplanten van de palmenstammen voorkomen, zijn kleiner en hebben een minder bepaalden vorm. In ’t eene zoowel als in ’t andere geval, worden zij bijna uitsluitend vervaardigd van de halmen van verschillende grassen; daar deze niet zeer stevig ineengevlochten zijn, kan het nest niet veel weerstand bieden. Het broedsel bestaat uit 6 à 8 glanzig witte eieren.

Op Zanzibar is de Rijstvogel inheemsch geworden. In Japan, waar hij sinds overouden tijd gefokt wordt, heeft men een zuiver wit ras verkregen, dat in den laatsten tijd geregeld op de Europeesche vogelmarkten komt. De Witte Japansche Rijstvogel is geen albino, maar het product van een langdurige, moeitevolle teeltkeus. Hij heeft donkere oogen en krijgt soms eenige donkere veeren. Niet zelden ontmoet men bonte exemplaren.


De Troepiaal-vogels (Icteridae) hebben een slank, maar toch krachtig gebouwd lichaam, met een langwerpig kegelvormigen snavel; deze is soms iets korter, soms een weinig langer dan de kop; het achterste gedeelte van den bovensnavel is min of meer schildvormig tusschen de veeren van den voorkop verlengd; de pooten zijn krachtig, de vleugels en de staart middelmatig lang. Onder de kleuren van het tamelijk zachte en glanzige vederenkleed hebben zwart, geel en rood de overhand. De grootte wisselt af tusschen die van een Kraai en die van een Vink.

De Troepiaal-vogels leven uitsluitend in Amerika. Alle soorten van deze familie zijn gezellig, opgewekt, beweeglijk van aard en tot zingen bekwaam. Zij bewonen en verlevendigen de wouden; hun voedsel bestaat uit kleine Gewervelde en Gelede dieren en uit Schelpdieren, uit vruchten en zaden; sommige halen zich den haat van den mensch op den hals door de schade, die zij aanrichten; andere zijn zeer nuttig. Hunne nesten, welke dikwijls, wat sierlijkheid betreft, voor die van de Wevervogels niet behoeven onder te doen, zijn soms koloniesgewijs aan de boomen opgehangen; de leden van één ondergeslacht bouwen echter geen nesten en broeden niet, maar vertrouwen hunne eieren aan den zorg van vreemde Vogels toe.

Onder de Noord-Amerikaansche soorten van de familie verdient de Baltimorevogel of Baltimore-troepiaal, door de Anglo-Amerikanen Hangnest genoemd (Icterus galbula), als de meest bekende, in de eerste plaats vermelding. Hij vertegenwoordigt het soortenrijke geslacht der Troepialen (Icterus). De kop, de hals, de kin en de keel, de mantel, de schouders, de vleugels en de beide middelste staartveeren zijn donkerzwart, de bovendekveeren van vleugels en staart, de staartwortel en de onderdeelen (met uitzondering van de reeds genoemde) zijn hoog oranje; de armpennen hebben een breeden, de handpennen (doch alleen aan ’t topgedeelte) een smallen, witten buitenzoom; de witte eindhelften van de dekveeren der handpennen vormen gezamelijk een breeden dwarsband over den vleugel; de staartpennen, met uitzondering van de beide middelste, zijn oranjekleurig, op het wortelgedeelte met breede, zwarte dwarsstreepen. Het oog is bruin, de snavel zwartachtig loodgrijs, de poot loodgrijs. Totale lengte 20, staartlengte 8 cM. De kleuren in het wapen van Lord Baltimore, den vroegeren eigenaar van Maryland, zijn zwart en oranje, evenals die van dezen, o.a. in Maryland levenden Vogel; vandaar zijn naam.

Het broedgebied van den Baltimorevogel omvat de oostelijke staten van Noord-Amerika, van Canada tot aan de hoogvlakten in ’t westen. Van hier trekt hij in den winter naar West-Indië en Midden-Amerika. Volgens Audubon is hij op de voor hem geschikte plaatsen zeer veelvuldig, terwijl hij andere slechts op den trek bezoekt. Heuvelachtige landschappen behagen hem, naar ’t schijnt, het meest. In het eerstgenoemde gebied is hij een zomervogel, die in ’t begin van de lente bij paren in ’t land komt en dan zeer spoedig voor de voortplanting begint te zorgen. Zijn nest is verschillend ingericht, al naarmate het door hem bewoonde land heeter of kouder is; altijd echter is het zeer kunstmatig gebouwd en aan een slanke twijg opgehangen. (Vandaar de Engelsche naam van dezen [130]Vogel.) In de zuidelijke staten van Noord-Amerika bestaat het eenvoudig uit zoogenaamd “Spaansch mos” en is het zoo los gebouwd, dat de lucht er overal gemakkelijk doorheen kan dringen; zelfs wordt het van binnen niet met slechte warmtegeleiders gevoerd en aan de noordzijde van de boomen opgehangen. In de noordelijke staten daarentegen wordt het bevestigd aan twijgen, die aan de zonnestralen blootgesteld zijn en van binnen met de warmste en fijnste bouwstoffen gevoerd. De nestbouwende Vogel vliegt naar den grond, zoekt hier geschikte materialen op, hecht ze met het eene einde aan een twijg vast en vlecht alles op zeer kunstmatige wijze dooreen. De Baltimore-vogel kan, terwijl hij bezig is met het bouwen van een nest, soms last veroorzaken aan de menschen in de buurt, o. a. door het wegnemen van het garen van de bleek. Dikwijls heeft men kluwens zijden draden in den wand van zijn nest aangetroffen.

Bobolink (Agelaeus oryzivorus). ½ v. d. ware grootte.

Bobolink (Agelaeus oryzivorus). ½ v. d. ware grootte.

Als het nest gereed is, legt het wijfje er 4 à 6 eieren in, die op lichtgrijzen grond een uit donkerder vlekken, stippels en strepen bestaande teekening vertoonen. Nadat zij veertien dagen lang bebroed zijn, komen de jongen uit; 3 weken later kunnen zij vliegen. Waarschijnlijk broedt, althans in de zuidelijke staten, het paar nog eens in denzelfden zomer. Vóórdat de jongen uitvliegen, kruipen zij vaak als jonge Spechten uit en in het nest en gaan er dikwijls buiten op zitten. Hierna volgen zij ongeveer 14 dagen lang hunne ouders, die hen intusschen voederen en terechtwijzen. Zoodra de moerbeien en de vijgen rijp beginnen te worden, bezoeken zij de plaatsen, waar deze vruchten groeien; hier kunnen zij tamelijk groote verwoestingen aanrichten, zooals vóór dien tijd in de kerse- en andere vruchtboomgaarden. In de lente daarentegen voeden zij zich bijna uitsluitend met Insecten, die zij van de twijgen en bladen afzoeken of met groote behendigheid in de vlucht vangen.—Reeds vroeg beginnen zij hun reis naar het zuiden. Over dag vliegen zij hoog, meestal ieder afzonderlijk, onder luidklinkend geschreeuw en met grooten spoed. Eerst tegen zonsondergang strijken zij op de boomen hunner keuze neer, zoeken haastig eenig voedsel, slapen, ontbijten, en zetten vervolgens de reis voort.

De bewegingen van den Baltimore-vogel zijn sierlijk en gelijkmatig. Hij vliegt rechtuit zonder op te houden; op den bodem loopt hij tamelijk goed. In zijn volle kracht toont hij zich te midden van de twijgen der boomen, hier wedijvert hij met de Meezen in behendigheid.

Wegens zijn schoonheid wordt deze Vogel dikwijls in een kooi gehouden. Zijn gezang, hoewel eenvoudig, is zeer aangenaam door de volheid, kracht en welluidendheid van de 3 of 4, hoogstens 8 of 10 tonen, waaruit het bestaat.

*

Tot het geslacht der Hordevogels (Agelaeus) behooren de kleinste soorten van de geheele familie. Hun snavel heeft een rechten rug, de zijrand is aan den mondhoek hoekig naar beneden gebogen. De achterteen draagt een spoorvormigen klauw. Het vederenkleed van de jongen herinnert dikwijls aan dat van de Gorsen; de oude Vogels zijn zeer verschillend van kleur en teekening.

Een der veelvuldigste en meest gehate Vogels van Noord-Amerika, de Bobolink, ook wel Rietvogel, Rijsttroepiaal of Paperling geheeten (Agelaeus oryzivorus), verdient in de eerste plaats vermelding, omdat hij half Vink, half Troepiaal schijnt te zijn.

Het ondergeslacht der Rijsttroepialen (Dolychonyx), dat door hen vertegenwoordigd wordt, onderscheidt zich door den middelmatig langen, dikken, kegelvormigen, zijdelings samengedrukten snavel, welks bovenste deel smaller is dan het onderste en welks kaakranden op soortgelijke wijze binnenwaarts gebogen zijn als bij de Gorsen; de loop is tamelijk lang en krachtig, de romp gedrongen, de kop groot, de vleugel middelmatig lang. Totale lengte 18, staartlengte 6 cM. In het prachtkleed van het mannetje zijn de voor- en de bovenkop, alle onderdeelen en de staart zwart; de nek is bruinachtig geel; de veeren van den bovenrug zijn zwart met breeden, gelen zoom. De schouder- en staartwortelveeren zijn wit met gelen weerschijn, de slagpennen en vleugeldekveeren zwart, alle met gelen zoom. Het oog is bruin, de bovensnavel donkerbruin, de ondersnavel blauwachtig grijs, de poot lichtblauw.

De Bobolink is in Noord-Amerika een zomervogel, die zeer geregeld komt en vertrekt. Op zijn reis naar ’t zuiden doet hij Middel-Amerika en vooral West-Indië aan, misschien ook de noordelijke landen van Zuid-Amerika; naar het schijnt, dringt hij echter niet tot Brazilië door. Het nest wordt op of kort boven den bodem zonder groote zorg, maar toch altijd tusschen gras- of graanhalmen aangelegd; het is, zooals van zelf spreekt, het middelpunt van het woongebied van een paar. Terwijl de wijfjes met het leggen of broeden bezig zijn, vliegen de mannetjes stoeiend en elkander [131]najagend, boven het halmenwoud rond. Nu en dan verheft een hunner zich al zingend in de lucht en dartelt hier met eigenaardige rukken op en neer. Door dit lied tot navolging geprikkeld, stijgen de mannetjes weldra in menigte omhoog, onder het zingen van dezelfde liefelijke en vroolijke melodie. Met recht roemen de Noord-Amerikanen het gezang van den Bobolink; het bevredigt zelfs het verwende oor van den liefhebber van Europeesche Zangvogels. Met grooten ijver wordt het zingen volgehouden; de tonen zijn rijk aan afwisseling, maar volgen zeer snel en schijnbaar in bonte verwarring op elkander; dit maakt dat men soms het gezang van een half dozijn Vogels meent te hooren, hoewel er in werkelijkheid slechts één zingt.

In de laatste dagen van Mei vindt men in het nest 4 à 6 eieren, die op bruinachtig gelen of blauwachtigen grond met zwartbruine vlekken en krullen geteekend zijn. De jongen worden hoofdzakelijk met Insecten gevoederd, hebben een snellen wasdom en vereenigen zich na het verlaten van het nest met andere van hun soort tot vluchten. Nu vooral bedrijft de Bobolink de daden, die hem door de landbouwers zoo kwalijk genomen worden. Kolossale zwermen van deze Vogels strijken op de graanvelden neer, eten de nog weeke zaden met evenveel smaak als de reeds rijpe en veroorzaken door hun ontzaglijk aantal den boer groote schade. Alle geweren zijn in gebruik tot het verdrijven van de plunderaars, die bij duizenden en honderdduizenden gedood worden; dit baat echter niet veel; de verwoesting duurt toch voort. Hoogstens laten de Vogels zich van het eene veld naar het andere drijven. Zoodra zij hun vernielingswerk in ’t noorden volbracht hebben, trekken zij op de plantages der zuidelijke staten los. Zoo gaat het verscheidene weken achtereen; over dag houden de roovers zich in de graanvelden op, des nachts slapen zij in de rietbosschen. Daarna trekken zij langzamerhand verder zuidwaarts.

In de kooi eet de Bobolink dadelijk met smaak den gevangeniskost; na korten tijd is hij hier even vroolijk en onbezorgd als in de vrije natuur; hij klimt, gymnastiseert en zingt zóó, dat het een lust is hem te zien en te hooren; om hem eenige jaren lang in ’t leven te houden, moet men hem vooral niet overdadig voeren.

*

Van het ondergeslacht der Veetroepialen (Molobrus) is de beroemde of beruchte Cow-bird of Koevogel (Agelaeus pecoris) de meest bekende soort. Zijn kop en hals zijn roetkleurig bruin, alle overige veeren bruinachtig zwart, op de borst met blauwachtigen, op den rug met groenen en blauwen glans; de oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten bruinachtig zwart. Totale lengte 19, staartlengte 8 cM.

De Koevogel is eveneens over het grootste gedeelte van Noord-Amerika verbreid en, in eenige gewesten althans, zeer veelvuldig. Hij bewoont hoofdzakelijk moerassige oorden, vooral die, waar vee wordt geweid, daar hij gaarne te midden van de Runderen en Paarden vertoeft. Zijne slaapplaatsen zoekt hij in het struikgewas of in de rietbosschen aan de oevers der rivieren. In kleine vluchten verschijnt hij in het laatst van Maart of in het begin van April in het noorden van de Vereenigde Staten. Tegen het einde van September verlaat hij dit land weer, gewoonlijk in gezelschap van andere Vogels. Zijn voedsel is in hoofdzaak hetzelfde als dat, waarmede zijne verwanten zich verzadigen. Hij gelijkt op onze Spreeuwen in zoover, dat ook hij van den rug van het vee dikwijls de woekerdieren afzoekt, die zich hier hebben vastgehecht.

Koevogel (Agelaeus pecorus). ½ v. d. ware grootte.

Koevogel (Agelaeus pecorus). ½ v. d. ware grootte.

De Koevogels en andere leden van zijn ondergeslacht onderscheiden zich door de belangrijke eigenaardigheid, dat zij niet zelf broeden, maar hunne eieren aan den zorg van andere Vogels toevertrouwen; bovendien is bij hen de huwelijksband even los als bij onzen Koekoek. “Als men,” zegt Potter, “een vlucht Koevogels [132]gedurende den broedtijd nagaat, zal men zien, dat het wijfje op een gegeven oogenblik haar gezelschap verlaat, onrustig rondvliegt en ten slotte geruimen tijd blijft zitten op een plaats, van waar zij de bewegingen van andere Vogels kan bespieden. Toen ik eens een wijfje op deze wijze zag zoeken, besloot ik, zoo mogelijk de reden van haar gedrag na te sporen en reed haar langzaam achterna. Ik verloor haar soms uit het oog, maar zag haar telkens spoedig weder. Zij vloog naar iedere met struikgewas dicht begroeide plek, onderzocht met groote zorg alle plaatsen, waar de kleine Vogels gewoon zijn hunne nesten te bouwen, schoot ten slotte pijlsnel neer op een dicht boschje van elzen en doornstruiken, bleef hier 5 of 6 minuten en keerde vervolgens naar haar gezelschap op het veld terug. In de struiken vond ik het nest van een Grondwoudzanger of Geelborstje (Geothlypis trichas) en hierin het ei van een Koevogel. Het komt mij zeer waarschijnlijk voor, dat deze parasiet met geweld in het nest van andere Vogels doordringt en hen uit hun rechtmatig eigendom verdrijft. Alleen wanneer dit niet mogelijk is, tracht hij langs sluipwegen zijn doel te bereiken.”

Het ei is, evenals dat van den Koekoek, kleiner dan men, op de grootte van den Vogel afgaande, vermoed zou hebben; het is op lichtgrijzen grond met omberbruine vlekken en strepen geteekend, die in de nabijheid van het dikste uiteinde het dichtst opeengehoopt zijn. Volgens Audubon legt de Koevogel nooit meer dan één ei in hetzelfde nest, ongetwijfeld legt hij er echter verscheidene gedurende ieder voortplantingstijdperk. Na een bebroeding van 14 dagen komt de jonge Vogel te voorschijn en wordt op dezelfde wijze grootgebracht als de jonge Koekoek.

Bijna even veelvuldig als de Bobolink is de Roodvleugel, de Redwinged Blackbird (Roodvleugelige Zwartvogel) der Amerikanen, ook wel Epaulettenspreeuw genaamd (Agelaeus phoeniceus). Het bruiloftskleed van het mannetje is donkerzwart, over de schouders loopt een breede, prachtig karmijnroode band, die van onderen door een bruinachtig gele strook begrensd wordt. Totale lengte 22, staartlengte 8 cM.

Ook de Roodvleugel is over geheel Noord-Amerika verbreid en overal, waar hij voorkomt, veelvuldig; in het noorden van de Vereenigde Staten broedt hij geregeld; in het zuiden komt hij slechts in den winter, tijdelijk in zeer grooten getale voor. De eerste jongen vliegen in ’t begin van Juni uit, die van het tweede broedsel in de eerste dagen van Augustus. In dezen tijd is het graan in de middelste staten nagenoeg rijp; de landbouwers moeten dan ernstige maatregelen nemen om de verwoestingen te keer te gaan van de uit tallooze individuën bestaande zwermen Roodvleugels, die hunne akkers komen plunderen. Gewoonlijk echter is zelfs hun grootste ijver vruchteloos; het ontzaglijk aantal Vogels verijdelt hun streven.

Wegens zijn schoonheid wordt de Roodvleugel dikwijls in de kooi gehouden; hij is niet veeleischend, zingt vlijtig, is voortdurend opgewekt en bedrijvig, steeds blijmoedig en, althans in het verkeer met Vogels, die tegen hem opgewassen zijn, verdraagzaam. Hij is een sieraad voor een volière.

*

Nauw verwant met de Hordevogels zijn de Frontvogels (Cassicus), de grootste leden van hun familie. Zij zijn slank gebouwd, hebben een langen, spits kegelvormigen snavel, die van boven schildvormig tusschen de veeren van het voorhoofd verlengd is; aan hun breed, halfrond voorhoofd danken zij hun naam. De pooten zijn sterk en met lange teenen voorzien, de vleugels tamelijk lang en toegespitst; de staart is lang en uit breede veeren samengesteld; het zwartachtige vederenkleed is glanzig en met geel en rood afgezet.

De Frontvogels, die in Amerika tot op zekere hoogte de plaats van onze Raven innemen, zijn fraaie, levendige en beweeglijke dieren, die in de wouden en steeds op de boomen leven. Als de granen en vruchten rijp zijn, komen zij onbeschroomd in de nabijheid van woningen en plantages, waar zij soms lastig worden. In het woud maken zij jacht op Insecten, de grootste soorten ook op kleine Gewervelde Dieren; bovendien eten zij vruchten en zaden. Hun stem is niet zoo welluidend als die van de Hordevogels, maar klinkt toch in ’t geheel niet onaangenaam en onderscheidt zich door groote buigzaamheid. Volgens Schomburgk worden sommige soorten door de Europeesche bewoners van Guyana “Spotvogels” genoemd. Zij bootsen niet alleen de geluiden van alle om en naast hen zingende en schreeuwende Vogels, maar ook die van Zoogdieren na.

Bijna even merkwaardig als hun stem is hun nestbouw. Zij vormen broedkolonies en hangen hunne buidelvormige, tamelijk kunstige nesten gemeenschappelijk aan denzelfden boom op, niet zelden in broederlijke eendracht met verwante soorten, die na hun broedtijd hun eigen gang gaan en zich om de medebewoners der kolonie niet meer bekommeren. De nesten zijn langwerpig fleschvormig en zoo doorluchtig, dat men den licht gekleurden staart van den broedenden Vogel door den nestwand heen zien kan. Het bouwen van deze nesten vordert veel tijd, behendigheid en moeite. Enkele soorten gebruiken geen andere grondstof dan de op naaigaren gelijkende strooken of vezels, die zij van de bladen der palmen afschillen.

Een merkwaardige vertegenwoordiger van dit geslacht is de Sjapoe (Japoe) of Kuiftroepiaal (Cassicus cristatus). Hij is 40 à 45 cM. lang en heeft een 18 à 19 cM. langen staart. Op het midden van den bovenkop zijn de veeren smal en vormen een kuif. De vijf buitenste paren stuurpennen hebben een citroengele kleur; de staartwortelveeren en de dekveeren van den staart zijn licht kastanjebruin; overigens is de geheele Vogel glanzig zwart. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner dan het mannetje.

Met uitzondering van de westelijke districten van Zuid-Brazilië, is de Sjapoe over de geheele oostelijke helft van Zuid-Amerika verbreid, noordwaarts tot in Guatemala. Hij is een woudbewoner en wordt alleen dan op plantages of bij menschelijke woningen aangetroffen, wanneer deze dicht bij het woud gelegen zijn. Zijn gezellige aard verloochent hij zelfs gedurende den broedtijd niet; op een kleine ruimte ziet men dan dikwijls 30, 40 of meer paren van deze Vogels bezig met het bouwen van hunne merkwaardige nesten, die soms alle te zamen aan de twijgen van één enkelen hoogen of wijd getakten boom van het oerwoud hangen.

Het nest van den Sjapoe is een smalle, lange, van onderen afgeronde, 1 à 1.5 M. lange buidel, welks onderste gedeelte, dat de ligplaats voor de jongen bevat, een wijdte heeft van 13 à 17 cM.; het bovenstuk is geslingerd om, en hierdoor stevig bevestigd aan een tamelijk slanke twijg, die ongeveer zoo dik is als een vinger. De langwerpige, volkomen onbeschutte opening voor het in- en uitvliegen bevindt zich aan het dunne [133]gedeelte van den uit een los vilt samengestelden buidel, die wegens zijn vorm en buigzaamheid in hooge mate blootgesteld is aan de werking van den wind en reeds door een zwakke luchtstrooming in beweging wordt gebracht. Dit nest, dat op zeer kunstige wijze vervaardigd wordt van ineengevlochten en tot vilt verwerkte vezels van tillandsia’s, gravatha’s en andere planten, is zoo stevig, dat het moeite kost het te verscheuren. Op den bodem van den diepen buidel liggen de eieren (1 of 2) en later de jonge Vogels op een laag mos, droge bladen en boombast. De met nesten beladen boom, de groote, fraaie Vogels, die af- en aanvliegen en ijverig werkzaam zijn, leveren voor den natuuronderzoeker en den jager een zeer aantrekkelijk schouwspel op. Het grootst en het fraaist zijn de mannetjes; als zij hun stem zullen laten hooren, spreiden zij den prachtigen staart uit, lichten op de wijze van een Zwaan hunne vleugels een weinig op, houden den kop omlaag en verwijden den krop. In plaats van den kort afgebroken, heeschen, eenigszins krassenden loktoon, brengen zij dikwijls een zonderling, doch niet onaangenaam klinkend, fluitend keelgeluid voort, dat met den loktoon en andere klanken vereenigd wordt tot een vreemdsoortig, niet onbehagelijk gezang.

Sjapoe (Cassicus cristatus). ⅖ v. d. ware grootte.

Sjapoe (Cassicus cristatus). ⅖ v. d. ware grootte.

Gevangen Sjapoes kunnen jaren achtereen in ’t leven gehouden worden; zij toonen ook in de kooi hun opgewekten en bedrijvigen aard. Binnenshuis zijn zij echter hinderlijk door de onaangename lucht, die zij verbreiden.


De Spreeuwvogels (Sturnidae) zijn middelmatig groot, hebben een gedrongen lichaamsbouw, een korten staart en tamelijk lange vleugels; hun snavel is langer dan de kop en even lang als deze: hij is recht en slank, en neemt in de richting van de spits gelijkmatig in breedte en hoogte af; de pooten zijn middelmatig lang en tamelijk forsch, de veeren tamelijk overvloedig, maar hard; haar kleur is zeer ongelijk.

Evenals de Troepialen voor Amerika, zijn de Spreeuwvogels voor de Oude Wereld in hooge mate karakteristiek; beide familiën zijn ongeveer even rijk aan soorten; die van de Spreeuwvogels heeft in ieder deel van het oostelijk halfrond vertegenwoordigers, in ’t geheel ongeveer 150. Evenals de genoemde, in hooge mate gezellige Vogels, vormen ook zij, zoowel in als buiten den broedtijd, meer of minder groote gezelschappen en verrichten hunne bezigheden gemeenschappelijk. Hun gang is stappend, een weinig waggelend, maar toch vlug en goed; zij vliegen gemakkelijk, met behendige vleugelslagen, snel en met gedruisch; te midden van de twijgen en in de rietvelden weten zij zich flink te bewegen. Alle soorten van Spreeuwen hebben een levendigen en onrustigen aard: zij zijn onophoudelijk werkzaam en houden zich ook gedurende den korten rusttijd vaak met eenigen arbeid bezig. Hun voedsel bestaat uit Insecten, Wormen en Slakken, bovendien ook uit vruchten en plantendeelen; zij worden echter niet schadelijk voor den mensch. Hun nest is groot en onregelmatig gebouwd; het wordt in holten van boomen, rotsen, muren enz. gevonden. Het aantal eieren, waarop de Vogel broedt, wisselt van 4 tot 7 af. Alle soorten verdragen de gevangenschap licht en gedurende langen tijd; sommige van hen kan men tot de vermakelijkste kooivogels rekenen.


Onze algemeen bekende Spreeuw (Sturnus vulgaris), wordt in Groningen Sproa of Sprotter, in Friesland Sprotter, in Overijsel Sproa, in [134]Gelderland Spraan, te Amsterdam Panlijster, in het land van Kuik Sproon genoemd. De jongen heeten in Groningen Kale Dotter, in Overijsel Doddekonte. De kleur is in verband met leeftijd en jaargetijde verschillend. Het kleed van het oude mannetje is in de lente zwart met groenen en purperkleurigen weerschijn; de kleur van de vleugels en van den staart schijnt lichter wegens de breede, grijze randen der veeren; enkele veeren van den rug hebben geelachtig grijze eindvlekken. De oogen zijn bruin, de pooten roodbruin; de snavel is zwart. Geheel anders is het kleed kort na het ruien. Dan zijn de spitsen van alle veeren van den nek, den bovenrug en de borst witachtig van kleur; het geheele dier ziet er dan gestippeld uit. Tevens wordt de snavel donkerder. Het wijfje gelijkt op het mannetje, maar is ook zelfs in het lentekleed sterker dan hij. Totale lengte 22, staartlengte 7 cM.

1) Spreeuw (Sturnus vulgarus). 2) Eénkleurige Spreeuw (Sturnus unicolor). ½ v. d. ware grootte.

1) Spreeuw (Sturnus vulgarus). 2) Eénkleurige Spreeuw (Sturnus unicolor). ½ v. d. ware grootte.

In het zuiden van Europa wordt onze Spreeuw vervangen door den Eénkleurigen of Zwarten Spreeuw (Sturnus unicolor). Deze onderscheidt zich door den eigenaardigen vorm van de kop-, borst- en nekveeren, die zeer lang en smal zijn, en ook door de teekening; daar het leikleurige kleed, dat een zwakken metaalglans vertoont, bijna geheel vrij van vlekken is.

Bij IJsland en de Fär-öer te beginnen, wordt de Gewone Spreeuw in ’t grootste deel van Europa, althans gedurende een deel van ’t jaar, aangetroffen, zoo ook in de voor hem geschikte gewesten van Middel-Azië, o. a. in het zuidwesten van Siberië en in Klein-Azië. In Europa is hij volstrekt niet overal standvogel. In alle zuidelijke provinciën van Spanje, in Zuid-Italië en in Griekenland b. v., vertoont hij zich slechts gedurende de wintermaanden, hoewel hij in de Pyreneeën en de Zuidelijke Alpen broedt. Hij geeft de voorkeur aan vlakke gewesten en bewoont hier het liefst boschrijke weidegronden, maar blijft ook in de streken, die hij anders alleen op den trek bezoekt, wanneer men hier doelmatige broedkasten voor hem plaatst. Lenz heeft op deze wijze gemaakt, dat hij in het Thüringer-woud inheemsch werd. In de meeste koude en gematigde gewesten is hij een trekvogel; intusschen blijven in zachte winters vele exemplaren hier, evenals ook in Groot-Brittannië en zelfs in het zuiden van Zweden. Op de Fär-öer, waar hij in de nabijheid van de talrijke schapenkudden een overvloed van voedsel vindt, is hij standvogel, hoewel hij vele streken van Middel-Europa, die veel verder zuidwaarts liggen, tegen den winter verlaat. Bij ons komt de Spreeuw vroeger terug dan de meeste andere trekvogels, soms reeds in Februari, gewoonlijk in Maart; hij blijft tot laat in den herfst. Zijn reis strekt zich hoogstens tot Noord-Afrika uit; in Algerië en Egypte komt hij iederen winter geregeld voor. Het hoofdleger blijft echter in Zuid-Europa achter en zwerft hier met allerlei andere Vogels, vooral Raven en Lijsters, het land rond. Zoodra hij meent, dat zijn geboortegrond hem weer voedsel kan verschaffen, begeeft hij zich op den terugweg; men ziet hem daarom bij ons in den regel reeds vóór het smelten van de sneeuw. Vooral daar, waar de menschen hem gedurende den winter het blijven gemakkelijk maken, vertrekt hij niet naar ’t zuiden; op vele plaatsen, waar hij vroeger niet overwinterde, is hij in den laatsten tijd begonnen dit wel te doen.

Er bestaat misschien geen opgewekter, blijmoediger, vroolijker Vogel dan de Spreeuw. Als hij bij ons terugkomt, is het weer dikwijls nog zeer ongunstig, de sneeuwvlokken dwarrelen door de lucht, het voedsel is nog schaarsch, kortom, de geboortegrond heeft den reiziger geen vriendelijke ontvangst bereid. Toch laat hij reeds van den eersten dag af zijn lied hooren en plaatst zich daartoe, als gewoonlijk, op de hoogste punten, waar hij van alle kanten aan weer en wind is blootgesteld. Hij beschouwt de omstandigheden met de kalmte en de gelijkmoedigheid van een wijsgeer en verliest er in geen geval zijn onveranderlijk blijde gemoedsstemming door. Ieder, die hem kent, moet van hem houden en wie hem nog niet kent, kan ik ten sterkste [135]aanbevelen, zich met hem te bemoeien. Hij wordt voor den mensch een lieve vriend, die de aan hem besteede zorg duizendvoudig vergeldt.

Onmiddellijk na hun terugkomst in de lente, vertoonen de mannetjes zich op de hoogst gelegen plaatsen van het dorp of van de stad, op den kerktoren of op oude boomen, om hier onder levendige bewegingen met de vleugels en den staart te zingen. Hun gezang is niet veel bijzonders, meer een gekweel dan een lied, het bevat ook eenige onaangename, krassende tonen; maar, daar het met zooveel vuur en vroolijkheid wordt voorgedragen, hoort men het toch zeer gaarne. Het buitengewoon talent van nabootsing, dat den zanger eigen is, verhoogt zeer de onderhoudendheid van zijn gezang. Alle geluiden, die in een streek gehoord worden, het ingehouden gefluit van den Wielewaal zoowel als het krijschen van de Vlaamsche Gaai, het luide geschreeuw van den Buizerd zoowel als het kakelen van de Hoenderen, het klapperen van een molen, het knarsen van een deur of van een windvaan, het slaan van den Kwartel, het neuriën van den Boomleeuwerik, geheele strophen uit het gezang van Rietzangers en Lijsters en van het Blauwborstje, het gekweel van de Zwaluwen, al deze en dergelijke klanken worden met een geoefend oor aangehoord, met grooten ijver bestudeerd en daarna op de vermakelijkste wijze weergegeven. Zelfs het gefluit van den mensch bootst hij zeer getrouw na, zooals blijkt uit het volgende bericht van G. Dieck: “Een van mijne Spreeuwen gaf aanleiding tot een zeer grappig voorval. Daar ik aan een keelaandoening lijd, ben ik gewoon, mijne tuinlieden te roepen door te fluiten. Nu was het reeds meermalen gebeurd, dat een van hen snel kwam aanloopen, zonder dat ik gefloten had en zelfs, terwijl ik in ’t geheel niet thuis was. Wij konden hiervoor geen verklaring vinden. Ten slotte bleek het, dat een van de Spreeuwen, die in de nabijheid van mijn woonhuis nestelen, mij dit gefluit had afgeluisterd en het dikwijls nauwkeurig en luid liet hooren.”—Des morgens vroeg begint de Spreeuw te zingen, hij zwijgt gedurende een deel van den dag en geeft ’s avonds nogmaals een langdurige voordracht ten beste.

In het begin van Maart wordt het nest gebouwd. In bosschen van breedbladige boomen kiest de Spreeuw hiervoor holle stammen; wanneer hij zulke door de natuur gevormde broedplaatsen niet tot zijn beschikking heeft, vestigt hij zich in gebouwen; het liefst maakt hij echter gebruik van de broedkastjes, die door den mensch voor hem vervaardigd zijn. Dit zijn uitgeholde stukken van boomstammen van 50 à 60 cM. hoogte en 20 cM. middellijn, die van boven en van onderen met een plankje gesloten en op korten afstand van het bovenste plankje met een opening van 5 cM. middellijn voorzien zijn, of kistjes, die uit aaneengespijkerde plankjes bestaan en overigens ongeveer dezelfde inrichting hebben. Zij worden in de boomen gehangen, op palen geplaatst of aan den gevel van het huis bevestigd. De onderlaag van het slordige nest bestaat uit stroo en grashalmen; van binnen is het bekleed met veeren van Ganzen, Hoenderen en andere groote Vogels; des noods behelpt de Spreeuw zich echter ook wel met stroo of hooi en in het woud met verschillende korstmossen. Tegen het einde van April is het eerste broedsel compleet: 5 à 6 langwerpige eieren, welker eenigszins oneffen schaal een fraaien glans en een lichtblauwe kleur bezit. Met het broeden houdt alleen het wijfje zich bezig. Zoodra de jongen uit het ei gekomen zijn, hebben de beide ouders het zoo druk met het aandragen van voedsel dat de vader weinig tijd voor ’t zingen overhoudt; een enkel uurtje weet hij echter hiervoor nog wel te vinden. In dezen tijd ziet men daarom de eerwaardige familievaders tegen den avond bijeenkomen en zich met gezang vermaken.

Wanneer de jongen 3 à 4 dagen lang onder de leiding van hunne ouders in de buitenwereld hebben verkeerd, zijn zij in staat om zichzelf te redden. Zij voegen zich bij andere jongen van hun soort en vormen nu reeds tamelijk talrijke vluchten, die zonder bepaald doel rondzwerven. Intusschen beginnen de ouders met hun tweede broedsel en zoeken, als ook deze jongen ver genoeg ontwikkeld zijn, door hen vergezeld, de jongen van het eerste broedsel op. Van nu te beginnen slapen zij niet meer op de broedplaatsen, maar in het bosch en later ook in de rietvelden aan den kant van ’t water. “Van mijlen ver,” zegt Lenz, “trekken zij naar zulke plaatsen; van alle zijden komen zij iederen avond opzetten en verzamelen zich tot troepen. Tegen het einde van Augustus zijn de riethalmen en de lischdodden in de rivieren, poelen en meren hoog en sterk genoeg om hen te dragen; zulke plaatsen zoeken zij op; des daags over een gebied van vele mijlen verspreid, vereenigen zij zich des avonds tot zwermen van duizenden, ja zelfs honderdduizenden stuks, die uren lang, soms bijeengevoegd, soms gescheiden, als wolken door het luchtruim zwieren, nu eens op de weiden, dan weer op het riet neerstrijken en zich eindelijk, als de nacht invalt, snorrend, kweelend, fluitend, zingend, krijschend, twistend te ruste begeven, nadat ieder hunner voor zich een plaatsje uitgekozen of vechtend veroverd heeft op een halm, die door zijn zwaarwichtigen persoon naar beneden gebogen wordt. Als de halm onder den last bezwijkt, vliegt de daarop gezeten Vogel met geraas omhoog en neemt op even luidruchtige wijze een nieuwe rustplaats in bezit. Als een schot of een andere even ernstige rustverstoring een panischen schrik heeft teweeggebracht, stijgt het geheele leger onder hevig gesuis en gebruis in het luchtruim omhoog en zwiert hier een tijdlang rond, voordat het weer nederstrijkt. Als het einde van September naakt, zetten de zwermen hun gezellig, vroolijk leven nog een tijdlang voort; de oude paren evenwel gaan naar hunne nesten terug en zingen hier ’s morgens en ’s avonds, alsof er in ’t geheel geen winter in aantocht is; zij verdwijnen echter uit onze gewesten en trekken met de lieve jeugd naar het zuiden, zoodra de eerste strenge vorst invalt of de eerste sneeuw de velden overdekt. Als het weer gunstig is, blijven zij tot de laatste week van October of tot de eerste week van November; daarna zijn zij door geen enkele reden te bewegen om hun reis tot later uit te stellen.” In hunne winterkwartieren leiden zij hetzelfde leven als bij ons. Men kan ze in Januari van de torens van de Domkerk van Toledo en in Egypte van den rug van de Buffels hun lied hooren voordragen.

Hoewel onze Spreeuwen in de wijnbergen een belangrijke, in de kersenboomgaarden en groentetuinen nu en dan een niet onaanzienlijke schade aanrichten, hoewel zij in de rietvelden, waar zij in grooten getale overnachten, door het breken der halmen aanzienlijke verliezen kunnen veroorzaken, is overigens hun nut zoo buitengewoon groot, dat men ze als de beste vrienden van den landman kan aanmerken. “Bij geen Vogel,” zegt Lenz, “kan men zoo gemakkelijk als bij den Spreeuw waarnemen, hoe nuttig hij is. Als de jongen van het eerste broedsel uitgekomen zijn, brengen de ouders in den regel des voormiddags om de drie minuten voedsel naar het nest, des namiddags alle vijf minuten: in ’t geheel dus iederen voormiddag in 7 [136]uren 140 vette Slakken (of in plaats van deze hun equivalent aan Sprinkhanen, rupsen enz.), des namiddags 84. Voor de twee ouders te zamen reken ik per uur minstens 10 slakken; dus in 14 uren 140, in ’t geheel worden dus door de familie dagelijks 364 vette Slakken verorberd. Na het uitvliegen dezer jongen gebruikt het gezin nog meer voedsel; later komen ook de jongen van het tweede broedsel om hun portie; door hen vermeerdert het aantal leden der familie tot 12; indien ieder familielid per uur 5 Slakken eet, verdelgt het Spreeuwengezin dagelijks 840 Slakken. Ik heb nesthokjes voor Spreeuwen aan mijne gevels, onder de lijsten en aan de boomen, die dicht bij mijne gebouwen staan, te zamen 42. Als deze alle bezet zijn, breng ik, ieder gezin op 12 stuks rekenend, ieder jaar van mijn woning uit een troep van 504 Spreeuwen in ’t veld, die per dag een leger van 35.280 groote, dikke, vette Slakken om ’t leven brengen en verzwelgen.”

Roséspreeuw (Pastor roseus). ⅗ v. d. ware grootte.

Roséspreeuw (Pastor roseus). ⅗ v. d. ware grootte.

Een fourageerende Spreeuw levert een alleraardigst schouwspel op. Bedrijvig loopt hij op den bodem rond, rusteloos keert hij zich nu eens naar den eenen, dan weer naar den anderen kant, zorgvuldig doorzoekt hij ieder kuiltje, ieder boschje gras. Bij deze gelegenheid wordt de snavel met zooveel behendigheid en op zoo verschillende wijzen gebruikt, dat het een lust is om te kijken naar den kunstenaar, die met zulk een eenvoudig werktuig zoo velerlei werkzaamheden kan verrichten. Wat aan het oog ontgaat, wordt met de tong opgespoord; met de prooi, die heden niet gevangen wordt, wordt morgen de disch voorzien.

Onze groote soorten van Valken, vooral de Haviken en Sperwers, voorts de Kraaien, Eksters en Vlaamsche Gaaien, bovendien de Edelmarters, Wezels, Eekhoornen en Zevenslapers, zijn erge vijanden van de Spreeuwen. De eerstgenoemde brengen de voor ’t vliegen geschikte Vogels in gevaar, de laatstgenoemde de nog hulpbehoevende jongen, die zij uit de nesten halen, hoe dapper de ouders zich ook tegen de roovers verzetten. De sterke vermenigvuldiging van onze Vogels vergoedt echter weldra alle verliezen, die geleden mochten zijn; bovendien wordt het gevaar verminderd door de schranderheid van den Vogel. Deze houdt zich b.v., wanneer hij in ’t veld voedsel zoekt, in gezelschap van Kraaien en Roeken op, maakt zich aanhoudend hun waakzaamheid te nutte en vlucht bij de nadering van een roofdier, vooral van een Roofvogel, terwijl deze door de moedige Kraaien aangevallen wordt. Tegen vervolging door den mensch is hij gelukkig gevrijwaard door zijn lieftalligheid en in hoogere mate nog, doordat zijn vleesch onsmakelijk, ja zelfs bijna oneetbaar is. In de kooi wordt hij minder dikwijls gehouden, dan hij verdient. Hij is niet veeleischend, zeer schrander, buitengewoon leerzaam, vroolijk, opgeruimd, tot spelen en stoeien geneigd, leert wijsjes nafluiten en woorden naspreken, sluit een innige vriendschap met zijn verzorger, kan bijna een menschenleeftijd lang in de kooi blijven leven en vereenigt zoo vele goede eigenschappen in zich als nagenoeg geen andere kamervogel van dergelijk slag.

*

De naaste, in Europa wonende verwant van onze Spreeuw is de Roséspreeuw (Pastor roseus), een vertegenwoordiger van het geslacht der Steppenspreeuwen (Pastor). Zijne veeren hebben aan den kop, waar zij een lange, hangende nekkuif vormen, en aan den hals, van voren tot aan de borst, van achteren tot daar waar de mantel begint, een zwarte kleur met donkervioletten, metaalachtigen weerschijn; zwart met groenen weerschijn zijn de vleugels, de staart, de dekveeren van den staart; de overige veeren zijn licht rozerood; de snavel is rozerood, de poot roodachtig bruin. Totale lengte 21 à 23, staartlengte 7 cM.

De Roséspreeuw behoort tot de “Zigeunervogels”, daar hij in sommige jaren in grooten getale voorkomt in bepaalde streken, waar hij in andere jaren in ’t geheel niet gevonden wordt, hoewel naar allen schijn de omstandigheden in hoofdzaak dezelfde zijn gebleven. De steppen van Centraal-Azië moeten als het brandpunt van zijn verbreidingsgebied beschouwd worden; van hier te beginnen vindt men de plaatsen, waar hij geregeld broedt, aan den eenen kant tot in Zuid-Rusland en de Donau-laagvlakte, aan den anderen kant tot in Klein-Azië en Syrië, oostwaarts bovendien tot in Mongolië en China. Op den trek begeeft hij zich iederen winter naar Indië; ook bezoekt hij, hoewel niet ieder jaar, Griekenland en Italië, zeer zelden soms ook Afrika. [137]Bovendien komt het nu en dan voor (en wel gewoonlijk des zomers, ongeveer in den broedtijd), dat hij de grenzen van zijn verbreidingsgebied ver overschrijdt en niet alleen in de richting, die hij op den trek volgt, maar ook straalsgewijs naar verschillende zijden reist. Hij vertoont zich dan in alle deelen van Italië en Griekenland, voorts in de andere gewesten van het Balkan-schiereiland, in de Donau-laagvlakte en in Hongarije, ook wel in alle overige kroonlanden van Oostenrijk, voorts in Duitschland, Zwitserland, Frankrijk, Nederland, België, Denemarken, Groot-Brittannië, ja zelfs op de Fär-öer. In Nederland werden in 1856, 1874, 1885, 1886 en 1893 exemplaren van deze soort gevangen, in ’t eerstgenoemde jaar in Juli, in de overige jaren in September of October.

De Roséspreeuw is veel onrustiger dan onze Spreeuw: iederen dag doorkruist hij een zeer uitgestrekt gebied, herhaaldelijk vertoont hij zich in den loop van den dag op dezelfde plaatsen, houdt zich hier echter steeds slechts korten tijd op, doorzoekt een streek, stijgt omhoog en vliegt weg, om misschien eerst verscheidene kilometers verder hetzelfde spel te hervatten. Van tijd tot tijd, vooral in de middaguren, zwerft de geheele vlucht een kwartier uurs of langer hoog in de lucht rond, waar deze Vogels op de wijze van de Bijeneters Insecten vangen, om vervolgens weer op den bodem neer te strijken en hier zoo ijverig te zoeken, alsof zij hoog boven den grond in ’t geheel niets gevonden hadden.

Het gezang van deze Vogels is slechts een tamelijk heesch gesnap, waarin de loktonen nog de welluidendste, alle overige geluiden echter ratelend en krijschend zijn, zoodat het geheel ongeveer weergegeven kan worden door de syllaben “etsj retsj rietsj riets sjerr tsierr tswie sjierr kier” enz.; “rietsj” en “sjierr” zijn de veelvuldigst voorkomende klanken.

Insecten van allerlei slag, vooral groote Sprinkhanen en Kevers, bovendien bessen en vruchten zijn het voedsel van de Roséspreeuwen. Met het verdelgen van de terecht gevreesde Treksprinkhanen houden zij zich zoo ijverig bezig, dat de Tartaren en Armeniërs ook thans nog tot afwering van het dreigende gevaar processies houden bij het verschijnen van deze Vogels, omdat zij hen als de voorloopers van de Sprinkhanenzwermen beschouwen.

Bij de keuze van een broedplaats legt de aanwezigheid van water groot gewicht in de schaal; in de steppe vindt men daarom de Roséspreeuwen in den broedtijd zoo goed als uitsluitend in de nabijheid van rivieren, beken of meren. Ook thans nog even gezellig als in de andere jaargetijden, zijn zij op de broedplaatsen meestal tot ontzaglijk groote zwermen van duizenden en nogmaals duizenden exemplaren vereenigd, zoodat er weldra evenzeer gebrek is aan geschikte gelegenheden om te nestelen, als aan slaapplaatsen. Het nest wordt gebouwd in door hen zelf gegraven holen, in allerlei spleten en gaten van gesteenten en van muren, ook wel, ofschoon zeldzamer, in holle boomen. Daar echter de goede nestplaatsen weldra bezet zijn, moeten vele zich behelpen met de tusschenruimten van houtstapels, steenhoopen of afgevallen takken; vele nesten worden zelfs op de eerste de beste plaats gebouwd en zijn niet eens beschut of overdekt.

*

De Ossenpikkers (Buphaga) onderscheiden zich van alle overige Spreeuwen hoofdzakelijk door het maaksel van den snavel en van de pooten, in niet geringe mate echter ook door hun levenswijze. De snavel is korter dan de kop, aan den wortel breed en afgerond, volgens de ruglijn eerst een weinig neergedrukt, verder naar voren gewelfd, de spits een weinig voor die van den ondersnavel gelegen en naar beneden gebogen, terwijl de voorhelft van de onderkaak stomphoekig naar boven klimt. De pooten hebben een dikken, korten loop en lange teenen met sterk gekromde, spitse, zijdelings samengedrukte nagels.

De Roodsnavelige Ossenpikker (Buphaga erythrorhyncha), de meest bekende van de beide soorten van dit geslacht, is van boven olijfbruin; de zijden van den kop, de kin en de keel zijn lichter van kleur, de overige onderdeelen licht roestgeelachtig vaal, de slagpennen en de onderdekveeren van den vleugel donkerbruin. De iris en een naakte ring om het oog zijn goudgeel, de pooten bruin; de snavel is lichtrood. Totale lengte 21, staartlengte 9 cM. Het verbreidingsgebied van dezen Vogel omvat geheel Middel-Afrika. De andere, iets grootere soort—de Geelsnavelige Ossenpikker (Buphaga africana)—bewoont Senegambië en Zuid-Afrika en wordt ook op sommige plaatsen nevens zijn verwant aangetroffen.

Men ontmoet de Ossenpikkers in kleine gezelschappen van 6 à 8 stuks, steeds in de nabijheid van groote Zoogdieren, zonder welke zij, naar het schijnt, in ’t geheel niet zouden kunnen bestaan. Zij volgen de kudden van grazende Runderen of Kameelen, maar worden ook bij afgezonderd levende exemplaren aangetroffen en strijken gewoonlijk op één dezer dieren neder. Uit de berichten van reizigers in Zuid-Afrika blijkt, dat zij aan de Olifanten en Neushoornen dezelfde diensten bewijzen als aan het vee. Volgens Levaillant zoeken zij ook de Antilopen, waarschijnlijk dus alle groote Zoogdieren op. Vooral op dieren, die open wonden hebben, waarop de Vliegen azen, zijn zij werkzaam. Hierdoor hebben zij zich de haat van de Abessiniërs op den hals gehaald, die in de meening verkeeren, dat het pikken met den snavel de gewonde plaatsen prikkelt en de genezing verhindert; deze Vogels worden echter voornamelijk aangelokt door de Horzellarven, die zich onder, en door de bloedzuigende Teeken, die zich op de huid van de Zoogdieren hebben gevestigd. De eerstgenoemde halen zij uit hunne schuilhoeken te voorschijn, de laatstgenoemde zoeken zij van alle lichaamsdeelen hunner vrienden af. Gezonde Zoogdieren, die sinds hun jeugd aan deze Vogels gewoon zijn, laten nooit blijken, dat het pikken hun lastig is, integendeel zij gaan met de Buphaga’s steeds zeer vriendschappelijk om en laten hen begaan, onverschillig hoe zij ook bezig zijn, zonder ooit met den staart naar hen te slaan: daarentegen gaan de dieren, die met de Ossenpikkers niet bekend zijn, op onzinnige wijze te keer, als zij plotseling een bezoek krijgen van deze met de beste bedoelingen verschijnende Vogels. Zoo verhaalt Anderson, dat eens des morgens de ossen van zijn wagen met de komiekste sprongen, in wilde wanorde wegrenden, omdat zij een bezoek kregen van een zwerm Ossenpikkers.

Een Paard of Kameel, dat met deze Vogels bedekt is, levert een grappig schouwspel op. Ehrenberg merkt zeer terecht op, dat zij op het vee rondklauteren evenals de Spechten op de boomen. Zij houden zich onder aan den buik tusschen de pooten vast, klimmen hierlangs met den kop naar boven of naar beneden op en af, gaan op den rug of op den neus zitten, kortom zij zoeken in den letterlijken zin van ’t woord het geheele lichaam af. De Vliegen en de Dazen pikken zij behendig van het vel op, de maden pluizen zij uit de door hen [138]opengepikte huid weg. Hoe zij ook werken, de dieren waarop zij zitten, houden zich volkomen rustig, omdat zij weten, dat de pijn, die hun wordt aangedaan, met een voor hen heilzame operatie gepaard gaat.

Ossenpikker (Buphaga erythrorhyncha). ½ v. d. ware grootte.

Ossenpikker (Buphaga erythrorhyncha). ½ v. d. ware grootte.

De Ossenpikker van zijn kant stelt alleen in de dieren vertrouwen; voor den mensch neemt hij zich zeer in acht. Zoodra deze nadert, vooral als het een vreemdeling is, klimt het geheele gezelschap schielijk op den rug van het dier, waarop het zich bevindt, en blijft hier zitten, om voorzichtig naar den naderenden persoon uit te kijken. Dat de in ’t wild levende dieren langzamerhand de gewoonte aannemen om op de waarschuwing van den Ossenpikker te letten, is zeer licht te begrijpen.

*

De prachtigste leden van de familie zijn die, welke het geslacht der Glans-, Pracht- of Purperspreeuwen (Lamprotornis) vormen; deze Vogels zijn van gedrongen lichaamsbouw, hebben een middelmatig langen, krachtigen, zijdelings samengedrukten snavel met gewelfden rug, lange pooten met tamelijk lange teenen, middelmatig lange vleugels, een staart van verschillende lengte en een prachtig, glanzig kleed.

De Purperspreeuwen bewonen Afrika, bevolken de meest verschillende oorden, zijn hoogst gezellig, levendig, opgewekt, driest en snapachtig; zij voeden zich zoowel met plantaardige als met dierlijke stoffen; hun gang is snel, meer stappend dan huppelend; zij vliegen zonder inspanning en behendig, maar op eenigszins slepende wijze; zij zingen ijverig, maar slecht en broeden in holten of in groote, slordig samengestelde, koepelvormige nesten op 5 of 6 gevlekte eieren.

De meest bekende soort is waarschijnlijk de Langstaartige Glansspreeuw of Glansekster (Lamprotornis aeneus), wiens totale lengte 50 cM. bedraagt en die een 30 cM. langen staart heeft. De kop, de kin en de bovenkeel, zijn zwart met een goudkleurigen weerschijn, de bovendeelen en de slagpennen donker metaalachtig groen; elke bovendekveer van den vleugel is met een kleine, dof fluweelzwarte vlek versierd: het midden van de keel, de staartwortel, de bovendekveeren van den staart, de onderdeelen en de stuurpennen zijn donker purper-violet: iedere staartpen is met meer of minder duidelijk zichtbare, donkerder dwarsbanden geteekend, de veeren van het midden van de borst hebben een meer koperroode tint. Het geheele vederenkleed heeft een prachtigen glans. De oogen zijn lichtgeel, de pooten zwart.

West-, Middel-, Oost- en Zuid-Afrika zijn het vaderland van deze prachtige Vogels. Levaillant verhaalt, dat zij, tot groote vluchten vereenigd, op boomen leven, maar ook op den grond afdalen om Wormen en Insecten te zoeken, dat zij zich op den bodem bewegen als Eksters en onophoudelijk schreeuwen, maar weet overigens niets van hen te berichten. De paren of vluchten begeven zich vaak op den grond en bewegen zich hier geheel op de wijze van onze Eksters; de overeenkomst valt te meer in ’t oog, omdat, de Purperspreeuw zijn prachtigen staart geheel als de Ekster naar boven gericht draagt. Al wat vreemd is, [139]boezemt dezen Vogel argwaan in; hij is ook daar schuw, waar hij den mensch alleen van zijn goede zijde heeft leeren kennen. Zijn stem is heesch en krijschend, maar zoo eigenaardig, dat men haar niet licht met die van een anderen, ons bekenden Vogel verwarren zal; zijn gezang, dat men, behalve in den ruitijd, tot vervelens toe hoort, is niets anders dan een in ’t oneindige voortgezette herhaling en vervorming van de gewone stemgeluiden of een voortdurend gekrijsch, gekras, geratel en gekwiek.

Zijn voedsel bestaat uit Insecten, zaden en vruchten van allerlei soort. De Insecten worden van den grond opgezocht en in de vlucht gevangen, en zelfs uit doode dieren losgepeuterd.

Omdat het niet moeilijk is de gevangen Langstaartige Glansspreeuwen met voedsel te voorzien, komen zij niet zelden levend in Europa. Bij goede verzorging houden zij zich jaren lang goed in de kooi, waar zij zich ook wel voortplanten.

In Noordoost-Afrika ontmoet men tamelijk veelvuldig den Groenstaartigen Glansspreeuw (Lamprotornis chalybeus), wiens totale lengte 27 cM. bedraagt en die een 9 cM. langen staart heeft. Zijne veeren zijn, met uitzondering van een onduidelijke vlek in de oorstreek en van de dekveeren van den onderarm, donker metaalglanzig groen; de armpennen en de grootste bovendekveeren van den vleugel zijn ieder aan de spits met een roodachtige fluweelzwarte vlek versierd. De veeren hebben een bewonderenswaardigen glans en weerschijn; al naar het licht valt, wijzigen zich de kleuren; het geheel maakt een indruk, die nauwelijks met woorden weer te geven is. Tusschen het mannetje en het wijfje bestaat in dit opzicht geen verschil.

De Groenstaartige Glansspreeuwen bewonen de dichte wouden der rivierdalen zoowel als de meer ijle bosschen van de steppe of van het gebergte. Gewoonlijk leven zij paarsgewijs, alleen na den broedtijd vormen zij kleine vluchten. Deze ontmoet men zoowel in het dichtste struikgewas als op de rotsblokken, die over den bodem verspreid zijn. De Groenstaartige Glansspreeuwen zijn opgewekt en bedrijvig, evenals alle leden van hun familie; zij verkeeren veel op den bodem en in lage struiken, maar houden zich tegen den avond in hooge boomen op. Hun eigenaardige wijze van vliegen, die hen voor een deskundige op iederen afstand kenbaar maakt, is volkomen in overeenstemming met hunne fluweelen vleugels; deze veroorzaken een zachte beweging, die betrekkelijk weinig moeite kost, maar niet snel is. Zij loopen zeer snel, meer springend dan stappend, komen goed vooruit en zijn rusteloos in beweging. Op hunne andere begaafdheden valt niet te roemen. Hun gezang mag ternauwernood dezen naam dragen, omdat het niet veel anders is dan een voortdurende herhaling van den wanluidenden en krijschenden loktoon met een daartusschen ingevoegd geratel en gekras. Toch vergeeft men den Vogel al deze wanklanken met het oog op zijn voorkomen, dat gewoonlijk schranderheid, levendigheid, zelfbewustzijn en zelfs behaagzucht verraadt; hij houdt zich steeds zorgvuldig rein, gaat niet met andere Vogels om, is (met uitzondering alleen van de middaguren) onophoudelijk in de weer en tracht steeds zijne eigenschappen en begaafdheden goed te doen uitkomen. Hierdoor reeds wekt hij belangstelling, die echter tot bewondering stijgt, wanneer men op de pracht van zijn vederenkleed let. De reiziger, die de duistere wouden van Afrika doorkruist, zal menigmaal plotseling een helder schijnsel waarnemen, alsof ergens in de omgeving een zonnestraal wordt teruggekaatst door een spiegelend voorwerp van metaal of glas. Dit schijnsel is inderdaad niets anders dan de weerkaatsing van het zonlicht door het vederenkleed van den Glansspreeuw; als men den Vogel gevonden heeft, kan men opmerken, dat hij bij iedere beweging een zonnestraal weerspiegelt. Onmiddellijk na den dood verliezen de veeren grootendeels haar schoonheid; in haar volle pracht vertoonen zij zich alleen, zoolang de Vogel leeft.

Bij de Abessinische zangers en dichters speelt de Groenstaartige Glansspreeuw een belangrijke rol; want, meer lettend op den ijver dan op het resultaat, schrijven zij aan hem de uitvinding van het gezang toe. Toch wordt deze Vogel in Noordoost-Afrika door niemand in de kooi gehouden; men ziet hem minder dikwijls dan zijne verwanten levend in Europa.

De Prachtige Glansspreeuw (Lamprotornis superbus) wordt in ’t geheel 21 cM. lang en heeft een 6.5 cM. langen staart. De bovenkop en de nek zijn zwart met zwakken, goudkleurigen weerschijn, de bovendeelen metaalachtig groen, de keel, de voorhals en de krop blauwgroen; de overige onderdeelen, die door een smallen, witten dwarsband van de donkere bovenborst gescheiden zijn, hebben een fraaie, kaneelbruine kleur; de beide onderste reeksen van bovendekveeren van den vleugel en de dekveeren van den staart zijn, zooals bij de meeste Glansspreeuwen, met ronde, fluweelachtige vlekken versierd, die twee dwarsbanden vormen. De oogen zijn wit, de snavel en de pooten zwart.

Het verbreidingsgebied van dezen prachtigen Vogel is, voor zoover men het kent, beperkt tot Oost-Afrika van den 8en graad N.B. tot den 7en graad Z.B. Over zijn levenswijze ontbreken uitvoerige berichten; uit hetgeen men er van weet, valt af te leiden, dat zij in hoofdzaken overeenstemt met die van een verder noordwaarts, in Abessinië levende verwant, de Goudbuikige Glansspreeuw (Lamprotornis chrysogaster). Beide soorten volgen zooveel mogelijk de kudden van Runderen en Schapen of houden zich op daar waar dit vee gegraasd heeft.

Door een sierlijken, eenigszins gebogen snavel, tamelijk zwakke pooten met lange teenen, betrekkelijk korte vleugels, een middelmatig langen staart en veeren, die als ’t ware een schubbenkleed vormen, onderscheidt zich de Geschubde Glansspreeuw (Lamprotornis leucogaster) van zijne verwanten. Alle bovendeelen en de hals tot aan de borst zijn purperblauw met een prachtigen, violetten weerschijn, de borst en de buik daarentegen wit, de slagpennen zwartachtig bruin, aan de buitenzijde met violetten rand. Alle donkere gedeelten van het kleed schitteren bij een bepaalde wijze van verlichting met een koperkleurigen metaalglans. De kleur van de iris is fraai bruin; de snavel en de pooten zijn zwart.

De Geschubde Glansspreeuw is over geheel Middel-Afrika en een deel van West-Arabië verbreid; hij bewoont bij voorkeur bergachtige streken en komt in Abessinië nog voor op een hoogte van 2500 M., op sommige plaatsen misschien nog hooger. Zelfs in Abessinië, dat zoo rijk is aan fraai gekleurde Vogels, valt de Geschubde Glansspreeuw wegens de kleurenpracht van zijne vederen in ’t oog. Vooral als hij vliegt, maakt het zonlicht op het heerlijke blauw van zijn rug een bewonderenswaardig effect.

*

[140]

De Beo’s (Eulabes)18 kenmerken zich door een zeer gedrongen lichaamsbouw, door een dikken, hoogen, van boven afgeronden, op den rug sterk gewelfden snavel, die ongeveer zoo lang is als de kop, door krachtige en tamelijk korte pooten, een zacht, als zijde glanzend vederenkleed en meer of minder uitgebreide, naakte plekken en huidlappen (lellen) aan den kop.

De volksnaam van dit geslacht is ontleend aan dien van een soort, welke, omdat zij gewoonlijk uit Java tot ons komt, ook wel Java-Beo (Eulabes javanensis) wordt genoemd. (De Maleische naam is Tiseng.) Zij heeft de grootte van een kleine Duif, bewoont de Soenda-eilanden en Bangka, maar komt ook op Malakka en de Nicobaren voor. Aan weerszijden van den achterkop heeft deze Vogel een zeer groote, naakte, gele lel, die zich over de oorstreek tot aan het oog uitstrekt. Weinig grooter is de veelvuldig in dierentuinen voorkomende Groote Beo (Eulabes intermedius), die van Nepal tot Bengalen verbreid is en zeer kleine lellen heeft. Beide soorten zijn zwart van kleur. De hals, de krop, de buik en de staart zijn daarentegen hooggeel bij een soort, die op de westkust van noordelijk Nieuw-Guinea werd aangetroffen (Eulabes pectoralis); deze heeft in plaats van lellen, eenvoudig een naakte plek achter het oog.

Prachtige Glansspreeuw (Lamprotornis superbus). ⅝ v. d. ware grootte.

Prachtige Glansspreeuw (Lamprotornis superbus). ⅝ v. d. ware grootte.

De Meinate, Meino of Mino (Eulabes religiosus) heeft een totale lengte van 26 cM., terwijl de staart 7 cM. lang is. Haar kleed is donkerzwart; de toppen van de veeren, die den kop en den hals bedekken, hebben een donkere viooltjeskleurige tint, die van de andere kleine veeren een metaalachtig groenen weerschijn. De worteleinden van de handpennen zijn wit en vormen een dwarsstreep over den vleugel. De schel oranjegeel gekleurde lellen, die zich van achter het oog over de oorstreek tot den achterkop uitstrekken, verdikken zich hier en vormen een smalle, overlangsche kruinstrook, die bij de vroeger genoemde soorten niet voorkomt. Een andere naakte plek bevindt zich onder het oog. De snavel is oranjekleurig, de pooten zijn geel, de oogen donkerbruin.

De Meinate bewoont de met dichte bosschen bedekte bergstreken van het zuiden van Indië en van Ceylon. Zij is een levendige, schrandere en beweeglijke Vogel, die, wat aard en gewoonten betreft, nog het meest tot onze Spreeuwen nadert. Haar gezang is zeer rijk aan tonen en vol afwisseling; het maakt een aangenamen indruk, hoewel het eenige wanluidende klanken bevat. Evenals de Beo, bezit de Meino in hooge mate de gave om klanken na te bootsen. Deze Vogels worden daarom dikwijls getemd. Voor een uitmuntend afgericht exemplaar wordt zelfs in Indië of op Java niet zelden twee honderd gulden betaald (de gewone prijs is ƒ 15). Vooral de Meino geraakt snel aan haar gebieder gewoon; men kan haar vrij door het geheele huis, of uit en in laten vliegen; grootendeels zoekt zij haar voedsel zelf; zij sluit vriendschap met de huisdieren en vermaakt ieder door haar vroolijken aard, haar leerzaamheid en haar talent van nabootsing. De liefhebbers beweren, dat zij in dit opzicht alle Papegaaien ver overtreft. Zij kan niet slechts den klank van de menschelijke stem trouw navolgen, maar onthoudt bovendien, evenals de best sprekende Papegaai, geheele volzinnen, leert liedjes fluiten en zelfs zingen, terwijl de onaangename eigenschappen van de Papegaaien haar vreemd zijn.

*

De Spitsvogels (Artamus), zoogenaamd wegens hunne lange, spitse vleugels, houden het midden tusschen de Spreeuwen, de Zwaluwen en de Klauwieren en heeten daarom ook wel Zwaluwspreeuwen of Zwaluwklauwieren. De Australiërs noemen ze Wood-Swallows (Boschzwaluwen). De meeste leden van dit geslacht, dat ongeveer 20 soorten omvat, bewonen het Australische faunistische Rijk, dat zich, gelijk bekend is, uitstrekt tot de zeeëngten, die Celebes van Borneo en Bali van Java scheiden. Enkele soorten komen in Indië voor. Zij hebben een korten, kegelvormigen snavel, korte, krachtige pooten, een korten, [141]of middelmatig langen, recht afgeknotten of ondiep uitgesneden staart en een donkerkleurig kleed. Zij voeden zich met Insecten, bewonen bij voorkeur boschrijke gewesten tot op een hoogte van 1000 M. en meer en hebben hierin bepaalde lievelingsboomen. Zoo komt één soort hoofdzakelijk voor op plaatsen, waar de Palmyra-palm groeit; zij wordt daarom door de inboorlingen Palmyra-zwaluw genoemd.

Bij den Bruinen Spitsvogel (Artamus fuscus) zijn kop, kin, keel en staartwortel dof bruinachtig aschgrauw, de mantel en de schouders donkerder, de teugel zwart, de vleugels en stuurpennen leikleurig zwart, deze aan ’t einde wit gezoomd, de onderdeelen isabelroodachtig bruin, de oogen bruin, de pooten en de snavel loodkleurig blauw, deze aan de spits zwart. Totale lengte 17, staartlengte 5 cM. Hij wordt in verschillende gewesten van Britsch-Indië min of meer veelvuldig aangetroffen, komt ook op Ceylon voor en is tot in Birma, Siam en China verbreid.

Het gunstigst doet deze Vogel zich voor, als hij vliegt; op den bodem komt hij zelden, gelijk duidelijk blijkt uit zijne bewegingen bij een toevallige neerdaling. Als het fraaie weder de Insecten naar de hoogere luchtlagen heeft gelokt, ziet men daar steeds een zwerm Spitsvogels met sierlijke zwenkingen rondzwieren. Dikwijls blijven zij lang op deze hoogte vliegen en herinneren dan levendig aan onze Zwaluwen. Dit is ook het geval, wanneer zij dicht langs den waterspiegel heen en weer schieten, om hier en daar een Insect uit het water op te nemen; vervolgens rusten zij eenige oogenblikken op het struikgewas aan den oever, en hervatten daarna hun jacht. Bij dezen arbeid zijn zij soms tot troepen vereenigd, die zoo talrijk zijn, dat het water “door hun spiegelbeeld verduisterd wordt,” gelijk Gould zegt. De geluiden, die men van hem hoort, gelijken op den loktoon van de Zwaluwen, maar zijn heescher en eentooniger. Een eigenlijk gezang hebben zij, naar ’t schijnt, niet.

Een op Java en Sumatra levende soort, de Bleekbuikige Spitsvogel of Kapeh-kapeh (Artamus leucogaster), kiest tot woonplaats landstreken, waar uitgestrekte, met gras begroeide vlakten of velden met kleine boschjes of tuinen afwisselen, waar althans enkele alleenstaande boomen hem de gelegenheid verschaffen om op de gewone wijze zijn gemak te nemen. Op deze boomen, die als verzamel- en rustplaatsen dienen en daarom het middelpunt van het jachtgebied vormen, kan men, naar Bernstein bericht, de Spitsvogels gemakkelijk nagaan; zij laten er zich niet licht uit verdrijven; zelfs naar boomen, waar zij aan vervolging bloot staan, keeren zij telkens weer terug. Na den broedtijd vindt men gewoonlijk de geheele familie op denzelfden boom vereenigd; wanneer één van de leden van het gezelschap door een schot gedood wordt, vliegen de overige wel is waar oogenblikkelijk weg en gaan ook wel voor een tijdje op een andere plaats zitten, maar keeren toch altijd zóó spoedig naar hun lievelingsboom terug, dat het mogelijk is er nog een tweede en later nog zelf een derde exemplaar van te schieten. Als de broedtijd voorbij is, vormen zich in gunstig gelegen oorden soms talrijke troepen; dan levert de lievelingsboom een aantrekkelijk schouwspel op. Onder de leden van den zwerm heerscht de meest volledige vrijheid. Iedere Vogel handelt, naar het schijnt, onafhankelijk van het overige gezelschap en doet datgene, waaraan hij voor ’t oogenblik behoefte heeft. Zoo verlaat gedurig nu eens de eene, dan weer een andere Spitsvogel den tak, waarop hij tusschen zijne dicht opeengepakte metgezellen zat, huppelt op en neer, maakt jacht op een Insect en keert daarna weer op zijn vorige zitplaats terug. Niet altijd bestaat de zwerm uit dieren van één soort; de Spitsvogels vereenigen zich zeer dikwijls met andere Vogels, vooral met familieverwanten of met Zwaluwen; verschillende soorten van de Spreeuwen-familie broeden op denzelfden boom eendrachtelijk bijeen.

De meest verbreide soort in Nieuw-Holland en Tasmanië (Artamus sordidus) onderscheidt zich door een hoogst zonderlinge gewoonte: deze vogels vereenigen zich n.l. op de wijze van zwermende Bijen tot één massa. Aan de onderzijde van een dorren tak, klemmen eenige zich vast, andere hechten zich aan deze, enz.; soms zijn zij in zoo grooten getale dicht opeengedrongen, dat de geheele kluit de ruimte van een schepelsmaat inneemt.


De Wielewaal, in Friesland Gelegouw geheeten (Oriolus galbula), is de eenige Europeesche vertegenwoordiger van de familie der Kortpoot-spreeuwen (Oriolidae), die ongeveer 75 soorten omvat; welke voor het meerendeel de keerkringsgewesten van het oostelijk halfrond bewonen. De kenmerken van deze familie zijn: een betrekkelijk lange, krachtige, bijna kegelvormige snavel met flauw gekromden, afgeronden rug, de bovensnavel steekt een weinig voorbij den nagenoeg even dikken ondersnavel uit; de pooten hebben een korten loop; de vleugels zijn lang en tamelijk spits; gewoonlijk is de derde handpen de langste; de staart is middelmatig lang en recht afgesneden; het kleed is dicht en meestal prachtig gekleurd; de kleur verschilt al naar het geslacht en den leeftijd.

Onze Wielewaal (die het geslacht van denzelfden naam vertegenwoordigt, het soortenrijkste van de geheele familie) is prachtig hooggeel (licht oranje of guttegomkleur); de teugel, de schouders en de vleugeldekveeren zijn zwart, de eveneens zwarte slagpennen hebben aan de buitenzijde en aan de spits een smallen, witten of (aan de achterste armpennen) geelachtigen rand; de eindhelft van de bovendekveeren der handpennen is geel; de staartpennen zijn zwart, de beide middelste met gelen eindzoom; van de overige heeft het laatste derde of vierde gedeelte deze kleur. De wijfjes, de jongen en de éénjarige mannetjes zijn van boven geelachtig groen, van onderen grijsachtig wit, op den buik zuiver wit; de schenkels en de onderdekveeren van den staart zijn hooggeel, de slagpennen zwartachtig olijfkleurig, de staartpennen geelachtig olijfgroen, met gele vlek op de spits aan de binnenvlag. Het oog is karmijnrood, de snavel vuilrood, bij de wijfjes en de jongen zwartachtig grijs; de pooten zijn loodkleurig grijs. Totale lengte 25, staartlengte 9 cM.

De Wielewaal broedt in geheel Europa (met uitzondering van het hooge noorden) en in het grootste deel van West-Azië. Hij blijft hier slechts gedurende korten tijd, n.l. van de eerste helft van Mei tot half Augustus. Nergens wordt hij in grooten getale aangetroffen, bij ons overal, waar kreupelhout en hooge boomen staan, ook in groote tuinen. Naaldhoutbosschen worden evenwel door hem vermeden. Bij voorkeur houdt hij verblijf in eiken of berken; kleine bosschen, die uit deze beide boomsoorten bestaan, vallen het meest in zijn smaak, vooral wanneer zij in de vlakte gelegen zijn; in het hooge gebergte en binnen in uitgestrekte [142]wouden houdt hij zich weinig op. Op den trek bezoekt hij geheel Afrika, ook Madagaskar.

Wielewaal (Oriolus galbula). ½ v. d. ware grootte.

Wielewaal (Oriolus galbula). ½ v. d. ware grootte.

De Wielewaal herinnert zoowel aan de Lijsters als aan de Vliegenvangers, in sommige opzichten ook aan de Scharrelaars. “Hij is,” zegt Naumann, “een schuwe, wilde en onrustige Vogel, die zich steeds aan de blikken der menschen tracht te onttrekken, hoewel hij dikwijls in hun nabijheid woont. Hij huppelt en fladdert altijd in de dichtst bebladerde boomen rond, blijft zelden lang achtereen in denzelfden boom en nog minder op denzelfden tak; zijn onrustige aard drijft hem nu eens naar de eene, dan weer naar een andere plaats. Slechts zelden houdt hij zich in laag struikgewas op, nog zeldzamer komt hij op den grond. Als dit een enkele maal gebeurt, blijft hij er niet langer dan noodig is om een Insect of een dergelijke prooi te grijpen. Niet dan bij uitzondering doet hij in dit geval eenige zeer onbehendige, plompe sprongen; want hij gaat nooit stappend. Zijn moed en vechtlust openbaart hij niet alleen in ’t verkeer met zijne soortgenooten, die hij voortdurend met snavelhouwen vervolgt, maar ook jegens andere Vogels, zoodat er aan zijn getwist geen einde komt. Hij vliegt met gedruisch en schijnbaar niet zonder inspanning, toch komt hij tamelijk snel vooruit; als zijn weg over een groot, open terrein leidt, schiet hij op de wijze van de Spreeuwen volgens een groote, zwak gekromde booglijn of volgens een lijn met kronkels van geringe hoogte voort. Over een korten afstand volgt hij een rechtlijnigen weg, nu eens zwevend, dan weer fladderend. Hij houdt veel van vliegen, zijne veelvuldige zwerftochten strekken zich over een groot terrein uit; dikwijls ziet men hem een anderen Vogel van zijn soort een kwartier lang opjagen en onophoudelijk vervolgen.”

Zijn loktoon is een schel klinkend “jèk jèk” of een heesch “krek”, zijn angstkreet een leelijk, ratelend “kwer” of “krr”; een teeder gevoel geeft hij te kennen door een zacht geluid, dat als “bulow” klinkt. Het gezang van het mannetje is vol van toon, luid en zeer welluidend. Klanknabootsingen hiervan zijn de volksnamen en de wetenschappelijke naam van dit dier. Naumann omschrijft het gezang door de klanken “dietleo” of “giedadietleo”; de boeren in Noord-Duitschland hooren er uit: “Pfingsten Bier hol’n; aussaufen, mehr hol’n”, of “Hest du gesopen, so betahl och”, en scheppen, naar het schijnt, wegens de beteekenis van deze gezegden, een buitengewoon behagen in den Wielewaal, die door hen “bierezel” genoemd wordt. In Thuringen is deze vertaling van het gezang onbekend, toch heeft men ook hier en overal elders veel met den Wielewaal op. Hij is een van de vlijtigste zangers van het woud, begint reeds vóór zonsopgang te zingen en gaat er met weinige tusschenpoozen mede voort tot tegen den middag, om zich opnieuw te laten hooren, als de zon aan ’t dalen is. In tegenstelling met andere Vogels laat hij ook op zwoele dagen zijn stem hooren. Een enkel paar Wielewalen brengt leven in een geheel woud.

Weinige dagen na zijn aankomst begint de Wielewaal zijn kunstig nest te bouwen. Steeds hangt het in een gaffel van een slanken tak. Het wordt vervaardigd van half droge grasbladen, halmen, ranken, bastvezels van brandnetels, heede, wol, berkenschors, mos, spinnewebben, spinsels van rupsen en dergelijke materialen; het heeft den vorm van een diepen nap en wordt van binnen met fijne graspluimen of met wol en veeren bekleed. In den regel kiest de Wielewaal een hoogen boom als drager van zijn nest; het gebeurt echter ook wel, dat het op manshoogte boven den bodem is opgehangen. Pechuel-Loesche zag een dergelijk laag gebouwd nest in den tuin voor een houtvesterswoning in Anhalt op een afstand van 15 schreden van de huisdeur; de Vogels waren in ’t geheel niet schuw, lieten zich door de voorbijgangers niet storen en trachtten al te nieuwsgierige bezoekers door schijnaanvallen en geschreeuw van hun nest af te [143]houden. Het paartje bouwde drie jaren achtereen zijn nest op dezelfde plaats. In de eerste plaats worden lange draden door middel van speeksel aan den tak vastgeplakt en verscheidene malen er om heen gewikkeld, totdat de grondlaag van het nest gereed is, de overige stoffen worden dan hiertusschen ingevlochten en ingeweven. Het mannetje en het wijfje zijn beide even ijverig met het bouwen bezig. In het begin van Juni heeft het wijfje 4 of 5 eieren gelegd; deze zijn op helderwitten grond met aschgrauwe en roodachtig zwartbruine stippels en vlekken geteekend. Nu begint zij ijverig te broeden. Gedurende de middaguren wordt zij door het mannetje afgelost. De broedende Vogels verdedigen hun nest met grooten moed tegen iederen vijand en laten zich moeielijk verjagen; beide ouders toonen groote liefde voor hun kroost. Na 14 of 15 dagen komen de jongen uit het ei. Zij groeien schielijk en ruien reeds in het nest, zoodat zij dit niet in het eigenlijke jeugdkleed verlaten.

Insecten van allerlei soort, vooral echter Rupsen en Vlinders, Wormen en, zoodra de vruchten rijp zijn, ook kersen en bessen maken het voedsel van den Wielewaal uit. Daar zijn eetlust bijzonder groot is, richt hij in kersenboomgaarden en vooral in tuinen met slechts enkele vruchtboomen soms schade aan, die echter ruimschoots wordt opgewogen door het voordeel, dat hij door het dooden van schadelijke Insecten aanbrengt. Hij verdient daarom bescherming in plaats van de vervolging, die hij niet zelden, vooral wegens zijn fraaie kleur, heeft te verduren.

De meest zorgvuldige verzorging is noodig om den Wielewaal in de kooi verscheidene jaren in ’t leven te behouden; den ruitijd komen zij moeilijk door, meestal is het kleed, dat zij daarna krijgen, veel minder fraai dan het vorige; zij worden daarom alleen bij kundige vogelliefhebbers gevonden.

*

De Drongo’s (Dicrurus) bewonen Afrika, Zuid-Azië en Australië; zij zijn gekenmerkt door hun zijdelings samengedrukten en daarom hoogen, stevigen, van voren eenigszins haakvormigen snavel, die aan zijn breeden wortel, bij den mondhoek van lange, stijve, borstelige baardveertjes voorzien is. Dit geslacht bestaat uit ongeveer 32 soorten, waarvan wij er slechts één zullen noemen. Deze, de Vlaggendrongo (Dicrurus paradiseus), heeft, evenals de meeste van zijne verwanten, een langen, gegaffelden staart; van de 5 paar staartpennen is het buitenste veel langer dan de overige; deze twee veeren loopen ter hoogte van de gaffelspitsen ieder in een langen draad uit, daar hier de schaft de vlag mist tot dicht bij haar einde, waar zij weder met een langwerpige vlag voorzien is. De veeren van den voorkop vormen een kuif. Haar kleed is goed gevuld, effen zwart van kleur met metaalachtig blauwen glans; de oogen zijn bruin, de snavel en de pooten zwart. Zonder de buitenste staartpennen, die ongeveer 25 cM. ver achter de overige uitsteken, is de totale lengte van dezen Vogel 36, de staartlengte 19 cM. Hij bewoont Java, Sumatra en het Indische vasteland.

De Drongo’s behooren tot de meest opmerkelijke Vogels van hun vaderland. Van de zeekust tot op een hoogte van 2500 M. vindt men ze in voor hen geschikte oorden overal, sommige in ’t open veld, andere te midden van de bosschen. Eenige soorten zijn zeer veelvuldig, andere zeldzamer vertegenwoordigd. Men ziet ze op den uitkijk zitten op de dorre twijgtoppen van een hoogen boom, op den nok van een huis, op telegraafpalen, op lage struiken, omtuiningen, muren en mierenhoopen. Niet zelden ontmoet men enkele bovendien als trouwe begeleiders van het vee, op welks rug zij even onbeschroomd neerstrijken als op hare gewone uitkijkplaatsen. De meeste zijn gedurende den geheelen dag werkzaam; eenige echter jagen, evenals onze Gierzwaluwen, nog lang na zonsondergang en zijn zelfs, naar het schijnt, als de volle maan aan den hemel staat, gedurende den ganschen nacht, zoo niet werkzaam, dan toch wakker en opgewekt; want men hoort dan op ieder uur haar druk gesnap, dat niet licht met andere geluiden verwisseld kan worden. Levaillant en andere onderzoekers noemen de Drongo’s hoog begaafde dieren, die niet alleen door de eigenschappen van hun lichaam, maar ook door hare geestvermogens uitmunten. Haar wijze van vliegen houdt het midden tusschen die van een Vliegenvanger en die van een Zwaluw, verschaft haar geen bijzonder groote snelheid op de golvende lijn, die zij daarbij volgen; na eenige weinige vleugelslagen laten zij zich gedurende geruimen tijd door de lucht glijden. Zoodra echter de Drongo door de een of andere oorzaak opgewonden is, beweegt zij zich zoo snel, dat zij bijna iederen vijand inhaalt. Op den bodem begeeft zij zich niet anders dan om van hier een buit op te nemen; tot een behoorlijken gang is zij niet in staat. Zij drinkt en baadt al vliegend. Te midden van de twijgen toont zij geen grootere bekwaamheid dan andere Vogels, die ongeveer dezelfde levenswijze hebben. Zij kiest een gemakkelijk bereikbaren tak, zet zich hierop neder en doet haar best het evenwicht te bewaren; tot andere bewegingen is zij niet in staat.

Onder hare zintuigen nemen de groote, altijd vurige oogen ongetwijfeld den eersten rang in. De Drongo bespeurt een vliegend Insect reeds op een grooten afstand; haar gezichtsvermogen begeeft haar zelfs gedurende de schemering niet, gelijk uit de bovengenoemde feiten blijkt. Dat het gehoor weinig minder scherp is, toonen deze Vogels door hun geschiktheid tot zingen en bovendien door het talent van nabootsing, dat men bij haar, bij eenige soorten althans, heeft waargenomen. Het gewone stemgeluid van de Drongo is een luid, onaangenaam, heesch gefluit of een eigenaardig gekras, dat moeielijk omschreven kan worden, maar zoo vreemdsoortig is, dat ieder die het eens gehoord heeft, het gemakkelijk herkennen zal. Als de broedtijd nadert, zingen de mannetjes van nagenoeg alle soorten op een hoogst aangename wijze.

De Drongo’s hebben echter nog andere goede eigenschappen. Zij zijn niet alleen snapachtig, maar ook beweeglijk, bedrijvig en in sommige gevallen zeer moedig. De Koningskraai, een der meest bekende Indische soorten, dankt haar naam aan de gewoonte om alle Kraaien, en ook alle Valken, die door haar gebied vliegen, aan te vallen en te vervolgen. Vooral gedurende den broedtijd, van Mei tot Juli, als het wijfje op de eieren zit, legt het mannetje een zeer groote waakzaamheid en bovendien een bewonderenswaardige stoutmoedigheid aan den dag. De koenheid van de Drongo bereikt den hoogsten graad, als zij een Uil of een andere, in ’t oog vallenden en oogenschijnlijk onbeholpen Vogel ontdekt. De brutale dwerg verheft zich in zulk een geval snel in de lucht en schiet, terwijl hij den staart beurtelings uitbreidt en opvouwt, onder luid en heesch geschreeuw van boven met geweld op den vijand neer.

Alle Drongo’s voeden zich uitsluitend met Insecten en maken hoofdzakelijk jacht op Bijen en verwante dieren. De groote soorten eten ook Sprinkhanen en Krekels, Waterjuffers, Vlinders en dergelijke wezens; [144]aan stekende Insecten geven zij echter, naar het schijnt, in alle gevallen de voorkeur. Bij de Hollandsch sprekende Zuid-Afrikanen zijn zij daarom bekend onder den naam van Bijeneters (ook wel onder dien van Duivelvogels). Volgens de berichten van Levaillant verdienen zij dezen naam met volle recht. “In den regel” dus verhaalt de genoemde reiziger, “maken de Drongo’s des avonds vóór zonsondergang en des morgens vóór zonsopgang jacht op de nijvere Insecten. Met dit doel vereenigen alle Drongo’s van een woud zich op een afgezonderd staanden boom, het liefst op een dooden, of althans op zulk een, die vele doode takken heeft; zij wachten hier de terugkomst of het uitvliegen van de Bijen af, die met honig beladen naar de door haar bewoonde boomen in het woud terugkeeren of van hier komen. Van het tafereel vol gedruisch en beweging, dat deze boom oplevert, kan men een denkbeeld verkrijgen, door zich voor te stellen, dat omstreeks 30 Vogels onverpoosd om den boom heenvliegen en daarbij alle zwenkingen uitvoeren, alle “haken slaan”, welke noodig zijn bij de vangst van de Bijen, die voor hare welbekende vijanden vluchten. De weinige Drongo’s, die haar buit misten, gaan dadelijk op een andere Bij los; zij maken soms achtereenvolgens 5 of 6 prachtige zwenkingen, naar rechts, naar links, naar boven, naar onderen, tot de vangst heeft plaats gehad of tot zij te veel vermoeid zijn. Bijna iedere beweging gaat vergezeld van een luid geschreeuw; alle jachtgezellen roepen tegelijkertijd en op verschillenden toon. Op den grond vindt men tallooze overblijfselen van het hierboven gehouden feestmaal: Bijen, die de eene helft van ’t lichaam missen en toch nog leven, afgerukte vleugels en pooten, enz. Eerst in het uur, waarin de Nachtroofvogels hun jacht beginnen, neemt de arbeid van de Drongo’s een einde.”

Het broeden heeft, althans bij eenige soorten, in verschillende tijdperken van het jaar plaats. Het nest wordt tamelijk hoog boven den bodem gebouwd, in den regel op gelijke wijze als dat van onzen Wielewaal aan een takgaffel opgehangen; gewoonlijk is het niet verborgen en derhalve aan weer en wind blootgesteld; op een zeer slordige wijze wordt het van eenige weinige, opeengehoopte takjes en worteltjes vervaardigd, dikwijls van binnen niet eens bekleed, hoogstens met eenige haren gevoerd. Het broedsel bestaat uit 3 of 4, soms uit 5 eieren, die op witten of roodachtig witten grond met lichte of donkere, roode en bruine stippels geteekend zijn.

Alle in Indië levende soorten van Drongo’s worden door de inboorlingen gaarne in de kooi gehouden. Zij geraken weldra aan de gevangenschap en aan eenvoudig voedsel gewoon, worden tam en gehoorzaam, zingen vlijtig en vermaken hare huisgenooten buitengemeen door het nabootsen van zeer verschillende stemmen van Vogels, ook van uitmuntende zangers. Bij ons worden zij zeldzamer in de kooi gehouden, dan zij verdienen.


Eerst in de laatste dertig jaren zijn ons nauwkeuriger berichten geworden over de betooverend schoone Vogels van Nieuw-Guinea en omringende eilanden, welker gedeeltelijk verminkte huiden reeds sinds eeuwen bij ons ingevoerd werden en aanleiding gaven tot wonderlijke verhalen. Paradijsvogels noemde en noemt men ze, op grond van de onderstelling, dat zij regelrecht uit het paradijs afkomstig zouden zijn en zich door een eigenaardige wijze van leven onderscheiden. Zij kwamen zonder pooten in den handel: men dacht er niet aan, dat zij door de inboorlingen verminkt konden zijn, en meende, dat hun van nature de pooten ontbraken. De eigenaardige ontwikkeling en de prachtige kleuren van het vederenkleed in deze groep, waarvan de wederga, zoo al, dan toch bezwaarlijk te vinden zal zijn, lieten vrije speelruimte aan de phantasie en maakten, dat de ongeloofelijkste fabelen in omloop kwamen. “Men kan zich voorstellen,” zegt Pöppig, “welk een verbazing de bewoners van het Europeesche vasteland, die met zulk een klein deel van de overige wereld in verkeer waren, vervulde, toen zij van Pigafetta, den in 1522 te Sevilla teruggekeerden metgezel van den op reis overleden Magelhaes, de eerste berichten over de hier bedoelde Vogels ontvingen. Niet zonder eenige aandoening leest men, hoe eenige van de ijverige, maar met uiterst bekrompen hulpmiddelen arbeidende natuuronderzoekers van de 16e eeuw, het een van de belangrijkste gebeurtenissen van hun leven, de vervulling van een sinds lang te vergeefs gekoesterden wensch, noemden, dat zij eindelijk de huid van een Paradijsvogel (verminkt als zij was) te zien kregen. Het is dus verklaarbaar, dat er in dit tijdperk fabelen ontstaan zijn, die een buitengewoon langen tijd geloof vonden. Men beschouwde de bedoelde Vogels als “sylphen”, als wezens, die alleen in de eindelooze luchtzee verblijf houden, alle voor hun levensonderhoud vereischte werkzaamheden vliegend verrichten en slechts gedurende eenige vluchtige oogenblikken rusten, door met de lange draadvormige staartveeren aan boomtakken te gaan hangen. In zekeren zin vergelijkbaar met wezens van hoogeren rang, zouden zij van de noodzakelijkheid om met de aarde in aanraking te komen, ontheven zijn en zich alleen met etherisch voedsel, met morgendauw, voeden. Het baatte niets, dat Pigafetta zelf het afwezig zijn van pooten bij deze wondervogels een fabel noemde, dat Marcgrave, Clusius en andere onderzoekers uit dien tijd de ongerijmdheid van deze meening aantoonden: het volk volhardde in zijn eens opgevatte meening.”

Eeuwen gingen voorbij, zonder dat de levenswijze van de Paradijsvogels ons bekend werd. Verscheidene reizigers leverden meer of minder belangrijke bijdragen tot de kennis van deze dieren; bijna geen hunner bleef echter vrij van het nu eenmaal heerschende wondergeloof. Lesson, die gedurende zijn reis om de wereld zich 13 dagen op Nieuw-Guinea ophield, is de eerste geweest, die op grond van eigen aanschouwing mededeelingen over levende Paradijsvogels heeft gedaan. Na hem zijn in de laatste jaren belangrijke berichten over het leven van deze geheimzinnige Vogels gegeven door Bennett, Wallace en Von Rosenberg.

De Paradijsvogels (Paradiseida) zijn prachtige, aan onze Raven verwante Vogels, welker grootte afwisselt tusschen die van een Vlaamsche Graai en die van een Leeuwerik. De snavel is bij de verschillende soorten ongelijk van lengte, recht of gebogen, aan den wortel niet, zooals bij de Raven, met borstels bedekt: de neusgaten liggen dus vrij. De loop is langer dan de snavel, de poot krachtig en met groote teenen voorzien, die met stevige en scherpe, sterk gekromde nagels gewapend zijn. De vleugels zijn middelmatig lang en zeer afgerond, daar hun spits gevormd wordt door de zesde en de zevende handpen. De recht afgesneden, uit twaalf pennen samengestelde staart is middelmatig lang en valt dikwijls door draadvormig verlengde veeren zeer in ’t oog, òf hij is zeer lang en eenvoudig van vorm. Bij verscheidene soorten zijn de veeren van de flanken buitengewoon lang en hare baarden niet tot een vlag aaneenverbonden. De wijfjes en de jongen [145]zijn steeds eenvoudiger van kleur dan de mannetjes.

De Paradijsvogels, waarvan ongeveer 50 soorten bekend zijn, bewonen het Australische faunistische Rijk; slechts één soort wordt op Madagaskar gevonden. Niet alleen van hen, maar ook van andere prachtig bevederde Vogels wordt het vel sedert eeuwen in den handel gebracht; vooral de Nederlanders hebben zich met het inruilen van deze huiden tegen andere waren bezig gehouden. De wijze, waarop de inboorlingen ze toebereiden, wordt door Wallace op de volgende wijze beschreven: “Nadat de vleugels en pooten afgesneden zijn, wordt de huid tot aan den snavel afgetrokken en zelfs de schedel weggenomen. Tot steun van de huid dient een stevige stok, die aan den staart beginnend, vóór den hek uitkomt. Om dien stok heen worden eenige bladen in de huid gestopt; het geheel wordt gewikkeld in de bloemscheede van een palm en gedroogd in de rookerige hut van den inboorling. Op deze wijze verschrompelt de kop, die inderdaad groot is, tot bijna niets en wordt het lichaam klein en kort, zoodat het wapperend gedeelte van den vederendos des te sterker uitkomt. Vele van deze door inlanders bereide huiden zijn zeer zuiver; niet zelden vindt men er eenige bij, waaraan de vleugels en de pooten niet ontbreken; andere daarentegen zijn vreeselijk zwart van den rook; alle geven een geheel verkeerd denkbeeld van de proportiën van den levenden Vogel.” “De inboorlingen van Misool,” zegt Von Rosenberg, “laten de pooten en slagpennen aan het vel; de van daar afkomstige huiden zijn om die reden het best geschikt om naar behooren opgezet te worden. Ook de Aroeneezen zijn, toen zij bespeurden, dat ongeschonden exemplaren meer gevraagd en beter betaald worden dan defecte, langzamerhand begonnen af te wijken van de oude gewoonte om de pooten en de vleugels af te snijden, zoodat thans ook van de Aroe-eilanden goede huiden ter markt komen. De Paradijsvogelhuiden worden voornamelijk door handelaars van Makassar, Ternate en Oost-Ceram opgekocht en vervolgens onder den naam van Boerong-Matie (doode vogels) naar Ternate, Makassar en Singapoer gebracht, van waar zij verder naar Europa en China worden uitgevoerd. Volgens het zeggen dezer lieden komen de fraaiste huiden van de noordkust van Nieuw-Guinea en van de gewesten, die in de nabijheid van het verst van zee gelegen deel van de Geelvinkbaai voorkomen. De sultan van Tidore, aan wien het onder Nederlands oppergezag staande gedeelte van Nieuw-Guinea schatplichtig is, ontvangt jaarlijks van daar bij wijze van schatting een onbepaald aantal huiden, welker geldswaarde op de plaats zelf 25 cents à 1 gulden bedraagt.” Deze huiden worden, gelijk bekend is, ter versiering van de hoofdbedekking gebruikt en, met uitzondering van de Indische volken, alleen door vrouwen gedragen. De Indische grooten gebruiken ze sedert eeuwen als optooisel voor hunne tulbanden.


De Paradijsvogels worden verdeeld in drie onderfamiliën: de Eigenlijke Paradijsvogels (Paradiseinae), de Speelvogels (Chlamydoderinae) en de Lelvogels (Glaucopinae).

Het meest typische geslacht van de eerste dezer groepen is dat der Paradijsraven (Paradisea). Het kenmerkt zich door de sierpluim van lange veeren met onsamenhangende (niet tot een vlag vereenigde) baarden, die bij het mannetje aan elke zijde van ’t lichaam voorkomt, in een huidplooi onder het eerste vleugelgewricht ontspringt en door een hiervoor bestemde spier uitgespreid en bijeengevoegd kan worden. Een andere eigenaardigheid van dit geslacht is de buitengewone lengte van de beide middelste staartpennen, welker vlag niet of zeer weinig ontwikkeld is.

Het grootste lid van dit geslacht is de Groote Paradijsvogel, door de Maleische kooplieden Manoek dewata of Godenvogel, op de Aroe-eilanden Faneam genoemd. Om het oude sprookje te vereeuwigen gaf Linnaeus hem den naam van Pootlooze Paradijsvogel (Paradisea apoda). Totale lengte ten naasten bij 45, staartlengte 18 cM. Hij is dus ongeveer zoo groot als onze Kauw. De bovenkop, de slapen, de achterhals en de bovenste gedeelten van de zijden van den hals zijn donkergeel, de voorkop, de zijden van den kop, de oorstreek, de kin en de keel donker goudgroen, de teugel groenachtig zwart, de overige deelen, de vleugels en de staart donker kaneelbruin, welke kleur in de kropstreek in zwartbruin overgaat; de lange, fijne veeren, die aan weerszijden van de borst een sierpluim vormen, zijn hoog oranjegeel, in de nabijheid van het losbaardige eindgedeelte in vaalwit overgaande; de kortere, stijve veeren te midden van het wortelgedeelte van de pluim zijn donker kastanjebruinzwart. De beide middelste staartveeren hebben geen vlag of althans slechts een spoor daarvan bij den wortel en aan de uiterste punt; zij vertoonen zich als draadvormige ranken van 60 à 90 cM. lengte, die zich met een sierlijke, dubbele kromming naar achteren richten. De iris is zwavelgeel, de snavel groenachtig grijsblauw, de poot vleeschbruinachtig. Het wijfje mist alle lange veeren, haar kleur is doffer, op de bovendeelen bruinachtig vaalgrijs, aan de keel grijsachtig violet, aan den buik vaalgeel.

Tot dusver werd de Groote Paradijsvogel uitsluitend op de Aroe-eilanden aangetroffen.

De Gewone Paradijsvogel, te Doreh aan de noordkust van Nieuw-Guinea Mambefoor, ook wel Tsiankar en Woembi genaamd (Paradisea minor), is aanmerkelijk kleiner dan de vorige soort, ongeveer zoo groot als een Tortelduif. Totale lengte 38, staartlengte 16 cM. De mantel en de schouders, benevens twee dwarsbanden op de bovendekveeren van den vleugel zijn olijfgeel, de keel, de krop en de overige onderdeelen donker kastanjebruin, de sierpluimvederen aan haar wortelgedeelte hoog oranje, aan de eindhelft zuiver wit; alle overige lichaamsdeelen hebben dezelfde kleur als bij den Grooten Paradijsvogel.

Volgens Wallace bewoont de Tsiankar naar alle waarschijnlijkheid het geheele groote eiland Nieuw-Guinea, alsook de naburige eilanden Misool, Jobie, Salawatti, Biak en Soak; hij is hier de meest gewone soort.

De Roode of Bloedparadijsvogel, de Seboem der inboorlingen (Paradisea sanguinea), is nog kleiner dan de vorige soort (totale lengte 33, staartlengte 14 cM.); van de beide reeds genoemde vormen onderscheidt hij zich bovendien door de betrekkelijke kortheid der middelste staartpennen en door het bezit van een dwarse kuif, gevormd door de metaalachtig groene, schubvormige voorhoofdsveeren; deze zijn in het midden gescheiden en zoo als ’t ware in twee horens verdeeld; zij kunnen opgericht en tegen den kop aangedrukt worden. De rug is vaal geelachtig grijs, welke kleur zich in den vorm van een borstband ook over de onderzijde uitstrekt; de keel is smaragdgroen; de borst en de vleugels zijn roodbruin, de snavelwortelstreek en een vlek achter het oog fluweelzwart; de [146]vederpluimen aan de zijden, die zich 8 à 10 cM. ver voorbij den staart uitstrekken, zijn prachtig karmijnrood, met de einden, die in witte punten uitloopen, naar beneden en naar binnen omgekruld. De lange, middelste staartveeren zijn spits, eenvoudig verlengd en van vlag verstoken, maar hebben schaften van ongeveer 13 mM. breedte en gelijken op half cilindervormige, zwarte strooken hoorn of balein van omstreeks 57 cM. lengte; zij zijn eenigszins schroefvormig gedraaid en vormen bij het levende dier een op zeer sierlijke wijze dubbel gebogen lijn. De oogen zijn lichtgeel, de snavel en de pooten blauwachtig aschgrauw. Bij het wijfje zijn de voorkop en de keel fluweelachtig bruin, de bovendeelen en de buik roodbruin, de hals en de borst helderrood. Tot dusver werd deze soort uitsluitend op de eilanden Waigioe en Batanta bij de noordwestkust van Nieuw-Guinea aangetroffen.

Waarschijnlijk komen de drie genoemde soorten in de meeste opzichten overeen, wat levenswijze en gewoonten betreft. Hare vertegenwoordigers zijn levendig, opgewekt en schrander, maar behaagziek van aard en vermoedelijk wel bewust van hun schoonheid en van het gevaar, dat deze voor hen oplevert. Alle reizigers, die hen in hun vaderland hebben nagegaan, zijn vol verrukking over ’t geen zij zagen. “De Paradijsvogel,” zegt Von Rosenberg, “is een zwerfvogel, die zich nu eens naar de kust, dan weer naar het binnenland begeeft, al naar hier of daar rijpe boomvruchten te vinden zijn. Tijdens mijn verblijf te Doreh waren de vruchten van de Laurineën, die op korten afstand achter de dorpen groeiden, juist rijp. Met krachtige vleugelslagen kwamen de Vogels, voor ’t meerendeel wijfjes en jonge mannetjes, op deze boomen af; zij waren zoo weinig schuw, dat zij, zelfs nadat eenige malen op hen geschoten was, toch nog terugkeerden. Overigens zijn de Paradijsvogels, vooral de oude mannetjes, vreesachtig en moeilijk onder schot te krijgen. Hun geschreeuw klinkt heesch, maar is op grooten afstand hoorbaar en kan het best weergegeven worden door de lettergrepen “woek woek woek”, waarop dikwijls een krassend gedruisch volgt.”

Voortdurend in beweging, van den eenen boom naar den anderen vliegend, blijven de Paradijsvogels nooit lang op denzelfden tak zitten en verbergen zich reeds bij een gering gedruisch in de dichtst bebladerde boomkronen. Reeds vóór zonsopgang zijn zij wakker en houden zich bezig met het zoeken van hun voedsel, dat uit vruchten en Insecten bestaat. Des avonds vereenigen zij zich tot troepen, om in de kroon van den een of anderen hoogen boom den nacht door te brengen.

De tijd van de paring hangt af van den moesson. Op de oostkust en op de noordkust van Nieuw-Guinea valt hij in de maand Mei, op de westkust en op Misool in de maand November. De mannetjes vereenigen zich tegen dezen tijd tot troepen van 10 à 12 stuks (die door de inboorlingen “dansgezelschappen” worden genoemd) op bepaalde, gewoonlijk zeer hooge, stijf getakte en dun bebladerde boomen van het Woud, vliegen in een toestand van groote opgewondenheid van twijg tot twijg, rekken den hals uit, verheffen en schudden de vleugels, draaien den staart heen en weer en laten intusschen een vreemdsoortig, kwakend geluid hooren, dat de wijfjes aanlokt. De nesten en de eieren heeft men nog niet waargenomen.

Roode Paradijsvogel (Paradisea rubra). ⅓ v. d. ware grootte.

Roode Paradijsvogel (Paradisea rubra). ⅓ v. d. ware grootte.

“Om den Paradijsvogel machtig te worden,” verhaalt Von Rosenberg verder, “gaan de inboorlingen van Nieuw-Guinea op de volgende wijze te werk. In den jaagtijd, die in het midden van den drogen moesson valt, trachten zij de boomen op te sporen, waarop de Vogels den nacht doorbrengen; hierin geslaagd zijnde, klimmen zij in de toppen, die gewoonlijk de hoogste van het woud zijn, en maken tusschen de bladen een loofdak of hutje, uit bladen en takjes samengesteld. Omstreeks een uur vóór zonsondergang klimt een geoefend schutter, gewapend met boog en pijlen, naar boven, verschuilt zich in het hutje en wacht hier de komst van de Vogels af, zich intusschen zoo stil mogelijk houdend. Naarmate de Vogels komen aanvliegen, schiet hij ze één voor één op zijn gemak neder. Zoo zij met scherp gepunte pijlen geraakt worden, vallen zij dood ter aarde, waar zij door een der makkers van den jager, die aan den voet van den boom gebleven is, worden opgeraapt. Deze krijgt ze ongedeerd in handen, wanneer zij geschoten zijn met pijlen, die verscheidene uitsteeksels hebben, welke te [147]zamen een drievlakkenhoek vormen, waarin het lichaam van den Vogel door de kracht van het schot beklemd geraakt.” Volgens Lesson vangen de inboorlingen de Vogels echter ook wel met lijm, bereid uit melksap van den broodboom. Wallace verhaalt, dat de bewoners van de Aroe-eilanden “de Vogels schieten met boog en pijlen en dat deze pijlen aan het uiteinde voorzien zijn van een kegelvormigen, houten knop, zoo groot als een theekopje, zoodat de Vogels gedood worden door de hevigheid van den schok zonder wond of bloedverlies.” “De Roode Paradijsvogels worden op een zeer vernuftige wijze gestrikt. Zekere groote, tot de Aroïdeeën behoorende klimplant draagt roode, als met een net bekleede vruchten, waarvan deze Vogels groote liefhebbers zijn. De jagers steken deze vruchten op een stevigen, vorksgewijs vertakten stok en voorzien zich van een dun, maar sterk touw. Daarop zoeken zij in het bosch een boom uit, waarop deze Vogels gewoon zijn zich neer te zetten, klimmen in dien boom, maken den stok aan één der takken vast en leggen op zóó behendige wijze een strik in het touw, dat de pooten van den Vogel, wanneer hij van de vrucht komt snoepen, er in verward raken, waarna de jagers, door aan het afhangende eind van het touw te trekken, den stok losmaken, zoodat hij met Vogel en al naar beneden komt. Wanneer de Vogels elders overvloed van voedsel vinden, gebeurt het soms, dat de jager van den morgen tot den avond met zijn touw in de hand onder den boom zitten, ja zelfs twee of drie dagen achtereen wachten moet, eer in het lokaas gebeten wordt; maar aan den anderen kant gebeurt het ook wel, indien hij zeer gelukkig is, dat hij op één dag twee of drie Vogels bemachtigt.”

Op Amboina en Makassar, te Batavia, Singapoer en Manila heeft men den Tsiankar reeds herhaaldelijk in gevangenschap gehouden. Een Chineesch koopman op Amboina bood Lesson twee Paradijsvogels te koop, die reeds een half jaar in de kooi geleefd hadden en met gekookte rijst gevoederd werden. De goede man eischte echter 250 gulden per stuk en deze kon de natuuronderzoeker destijds niet missen. Volgens een mededeeling van Von Rozenberg betaalde de gouverneur-generaal van Nederlandsch Indië, Sloet van de Beele, voor twee volwassen mannetjes de som van 150 gulden. Deze Vogels werden door Von Rozenberg zelf van Makasser naar Java overgebracht. Bennett zag een gevangen Tsiankar in China, die 9 jaren lang in de kooi geleefd had. Wallace heeft in 1862 twee exemplaren, die hij onderweg met pisangs en Kakkerlakken voedde, levend naar Europa overgebracht; de eene heeft één jaar, de andere twee jaren in den zoölogischen tuin te Londen geleefd. Ook te Berlijn zijn Groote en Kleine Paradijsvogels jaren lang in ’t leven gebleven.

Over het leven van deze dieren in de kooi geeft Bennett de volgende berichten: “De Paradijsvogel beweegt zich op een gemakkelijke, speelsche en lieftallige wijze. Hij kijkt schelmsch en uitdagend rond en beweegt zich als ’t ware met danspassen, wanneer een bezoeker zijn kooi nadert; hij toont duidelijk behaagzucht en wil, naar het schijnt, bewonderd worden. Op zijne vederen duldt hij niet de geringste smet; hij baadt zich tweemaal daags en breidt dikwijls de vleugels en den staart uit met de bedoeling zijn pronkgewaad te overzien. Het is waarschijnlijk, dat hij slechts uit ijdelheid, om zijne veeren te sparen, zoo zelden op den bodem komt. Vooral des morgens tracht hij zich in zijn volle pracht te vertoonen; hij is dan bezig zijn veeren in orde te brengen. De korte vleugels worden zoo ver mogelijk geopend en trillend bewogen; de prachtige, lange zijdeveeren uitgespreid en zachtjes door den snavel getrokken; daarna verheft hij ze ook wel boven den rug, maar breidt ze ook in dit geval uit, zoodat zij als dons in de lucht schijnen te zweven. Nadat dit pronken eenigen tijd geduurd heeft, begint hij zich met vlugge sprongen en wendingen op en neer te bewegen. Ook dan geven zijne handelingen op onmiskenbare wijze ijdelheid en verrukking over zijn eigen schoonheid te kennen. Hij bekijkt zich achtereenvolgens van boven en van onderen; intusschen openbaart hij zijne gewaarwordingen dikwijls door geluiden, die evenwel geen aangenamen indruk maken. Na elke vertooning van een gedeelte van zijn prachtigen tooi, acht hij het noodig zijne veeren te ordenen; deze arbeid schijnt hem echter te behagen, want telkens zet hij, als een ijdele vrouw, opnieuw zijne veeren op. Niet voordat de begeerte om te eten bij hem levendig geworden is, vergeet hij zijn coquetterie. De zonnestralen zijn hem blijkbaar zeer hinderlijk; hij tracht ze zooveel mogelijk te ontgaan.”

Hoewel zijn stem aan het gekras van Raven herinnert, biedt zij echter meer verscheidenheid van intonatie aan. Ieder afzonderlijk geluid wordt met een zekere hevigheid uitgestooten en dikwijls herhaald. Soms gelijkt zijn geschreeuw wel eenigszins op blaffen; elke toon is hooger dan de vorige en zoo luid, dat men er met het oog op de grootte van den Vogel over verwonderd is. Als men beproeft, ze door lettergrepen weer te geven, kan men de zwakkere klanken ongeveer door “hi ho hei hau”, de sterkere door “hok hok hok hok” aanduiden.

Het voedsel, dat hem gedurende de gevangenschap gegeven wordt, bestaat uit gekookte rijst, gemengd met harde eieren en verschillende plantaardige stoffen, bovendien uit levende Sprinkhanen. Doode Insecten versmaadt hij. Een levenden buit van de genoemde soort weet hij met groote behendigheid te vangen, waarna hij hem op zijn zitstok legt, met de klauwen vasthoudt, den kop stuk pikt, de voor ’t springen dienende achterpooten er afrukt en het overige verslindt. Hij is volstrekt niet gulzig en gebruikt zijn voedsel op een bedaarde, zindelijke wijze, het eene rijstkorreltje na het andere. Ook bij ’t eten gaat hij niet op den grond zitten; hier komt hij niet anders dan als hij baden wil.

*

Het geslacht der Borstelvogels (Lophorina) wordt vertegenwoordigd door den Koningsparadijsvogel (Lophorina regia). Deze is, volgens Von Rosenberg, de meest algemeen verbreide vertegenwoordiger van de onderfamilie, aanmerkelijk kleiner dan de vroeger genoemde soorten, ongeveer van de grootte van een kleine Lijster. Hij verschilt er bovendien van door zijn zwakken snavel, door de niet bijzonder lange zijdeveeren, alsook door de beide, 15 cM. lange, middelste staartveeren. Deze missen de baarden tot aan de spits, maar zijn hier aan de buitenzijde met een vlag voorzien, die tot een rondachtig schijfje spiraalvormig naar binnen opgekruld is; men noemt den Vogel daarom ook wel Cicinnurus (Krulstaart). Met uitzondering van een kleine, vierhoekige, zwarte plek aan den bovenrand van het oog, zijn de bovendeelen, de kin en keel kersrood met prachtigen glans; de bovenkop en de bovendekveeren van den staart zijn lichter, de onderdeelen wit, met uitzondering van een over den kop gerichten, donker smaragdgroenen dwarsband, deze is van boven door een smallen, roestbruinen zoom begrensd; de sierpluimen, [148]die aan de zijden van den krop ontspringen, zijn roestbruin, de verbreede en afgeknotte uiteinden van deze zijdeveeren donker en glanzig goudgroen, de vleugels kaneelrood, de staartveeren olijfbruin, naar buiten met roestkleurigen zoom; de schroefvormig naar binnen opgerolde buitenvlag van de beide middelste, draadvormige stuurpennen is donker goudgroen. Het oog is bruin, de snavel hoorngeel, de poot lichtblauw. Het wijfje heeft roodbruine bovendeelen, terwijl de onderdeelen roestgeel zijn met smalle, bruine dwarsstrepen.

Paradijsekster (Lophorina nigra). ⅖ v. d. ware grootte.

Paradijsekster (Lophorina nigra). ⅖ v. d. ware grootte.

De Prachtige Paradijsvogel (Lophorina superba) kenmerkt zich door den betrekkelijk korten, krachtigen snavel en door twee breede vederschilden, die opgericht en neergelegd kunnen worden; in uitgespreiden toestand hebben zij ongeveer den vorm van pijlpunten, die met de spits in de huid zouden zijn doorgedrongen. Het eene ontspringt aan den nek en is zoo groot, dat de toppen der buitenste veeren nog ruim 1 cM. verder reiken dan de spitsen der 12 cM. lange vleugels in den rusttoestand. Het bestaat uit breede veeren, fluweelachtig zwart van kleur met brons- en purperkleurigen gloed. Het andere schild komt uit het bovenste deel van de borst voort en is samengesteld uit smallere, stijve veeren van prachtige, metaalachtig groene kleur en aan de spits met goud- en koperkleurigen weerschijn. Het mannetje is in ’t geheel 23 cM., zijn staart 10 cM. lang. De hoofdkleur van de veeren is fluweelachtig zwart met zwakken, purperbruinen gloed; de veeren van de teugels en om de neusgaten verheffen zich bij wijze van een kam en zijn glansloos; die van bovenkop, nek en achterhals daarentegen hebben een metaalachtig blauwen glans en zijn vóór de spits met een purperen dwarsstreep versierd; de bovendekveeren van den vleugel zijn glanziger dan de rugveeren; de vleugels en de staartveeren vertoonen een metaalachtig blauwen, de veeren van het aangezicht een donker koperachtig bronskleurigen, die van de onderdeelen een purperzwarten weerschijn. De bovendeelen van het wijfje zijn donkerbruin, de kop en de nek zwartbruin, de onderdeelen vuil geelachtig wit met bruine golflijnen. Deze prachtige Vogel bewoont de gebergten van Nieuw-Guinea op een hoogte van minstens 2000 M.

De Paradijsekster (Lophorina nigra), onderscheidt zich van de vroeger genoemde Paradijsvogels, behalve door den vorm van den snavel, ook door den staart, welks lengte (45 cM.), die van het overige lichaam (25 cM.) ver overtreft, en door den tooi van den kop. Als het mannetje pronkt, vormen de verlengde veeren aan weerszijden van den bovenkop twee overlangsche, waaiervormige pluimen.

Volgens Lesson en andere onderzoekers is het onmogelijk den glans van het kleed van dezen Vogel naar behooren te beschrijven. Zijne veeren schitteren, al naar de wijze waarop het licht invalt, met allerlei gloeiende kleuren; die van de bovendeelen zijn purperzwart met prachtigen, metaalachtigen weerschijn. De veeren van den bovenkop zijn hyacintrood met metaalachtig smaragdgroene spitsen, de onderdeelen zijn malachietgroen. Van den hoek van het oog gaat een hyacintroode streep uit, die, na een halven cirkel beschreven te hebben, aan de zijden van den hals eindigt. De bek is zwart, de pooten zijn geel.

[149]

De Paradijshoppen (Epimachus) zijn gekenmerkt door een dunnen, sabelvormig gekromden snavel. Een van de prachtigste soorten van dit geslacht is de Twaalfdradige Paradijshop (Epimachus nigricans), die een lengte van 32 cM. heeft, waarvan er 8 op den staart komen. De fluweelachtige veeren van kop, hals en borst zijn zwart met donkergroenen en purpervioletten weerschijn; dezelfde kleur hebben de verlengde veeren van de zijden van de borst, met uitzondering van haar glanzenden of iriseerenden, smaragdgroenen zoom. De lange, langen losbaardige zijdeveeren zijn prachtig goudgeel, welke kleur echter verbleekt en in vuilwit overgaat, wanneer de huid, al is het slechts gedurende korten tijd, aan de werking van lucht en rook is blootgesteld. De vleugels en de staart zijn violet en hebben een prachtigen glans; bij een bepaalde verlichting vertoonen zij dwarsbanden. Het merkwaardigste verschijnsel leveren echter de lange zijdeveeren op; de langste reiken tot voorbij den staart, de laatste en onderste loopen uit in een langen, baardeloozen draad, die de dikte heeft van een paardehaar; deze is bij zijn oorsprong goudgeel, maar verderop bruin gekleurd. De oogen zijn karmijnrood, de pooten vleeschkleurig geel, de snavel is zwart. Deze Vogels worden alleen aan de oost- en westkust van Nieuw-Guinea en op het eiland Salawatti aangetroffen; hier echter zijn zij in de bergstreken volstrekt niet zeldzaam.

*

Bij den Gekraagden Paradijshop (Epimachus speciosus) is de snavel lang, boogvormig, de staart zeer lang en trapvormig. Aan weerszijden van de borst komt een groep van breede pluimveeren voor: de achterste zijn puntig, terwijl de voorste zich aan hun uiteinde nog meer verbreeden en gedeeltelijk zeisvormig uitloopen. Deze pronkveeren, die een soort van waaier vormen, welke opgericht kan worden, maar in den toestand van rust over den vleugel heenligt, iriseeren prachtig. De Vogel is 65 cM. lang; hiervan komen 42 cM. op den staart. De kop is met rondachtige, schubvormige veertjes bedekt, die bronsgroen zijn, maar een blauwen en metaalachtig groenen weerschijn vertoonen. De lange, losbaardige veeren van den achterhals zijn fluweelachtig en zwart; de rug heeft dezelfde kleur; onregelmatig verspreide, langwerpige, spadevormige veeren met dikke baarden, die een blauwachtig groenen weerschijn hebben, brengen echter afwisseling in deze kleur; de onderdeelen zijn zwartachtig violet. De snavel en de pooten zijn zwart.

Twaalfdradige Paradijshop (Epimachus nigricans). ⅓ v. d. ware grootte.

Twaalfdradige Paradijshop (Epimachus nigricans). ⅓ v. d. ware grootte.

Ook van dezen merkwaardigen Vogel wordt in geen der Europeesche verzamelingen tot dusver een ongeschonden huid aangetroffen. Volgens Von Rosenberg is hij over het geheele noordelijke deel van Nieuw-Guinea verbreid, maar ontbreekt op de naburige eilanden.


[150]

Misschien is het juist gezien, een kleine groep die ongeveer tien soorten van uitsluitend in Australië inheemsche Vogels omvat, hier een plaats te geven.

Gekraagde Paradijshop (Epimachus speciosus). ⅖ v. d. ware grootte.

Gekraagde Paradijshop (Epimachus speciosus). ⅖ v. d. ware grootte.

Zij heeten Speelvogels of Priëelvogels (Chlamydoderinae), bereiken ongeveer de grootte van onze Kauw en kenmerken zich door een dikken snavel met weinig gekromde bovenspits, middelmatig hooge, dikke pooten, tamelijk lange vleugels en een middelmatig langen, recht afgesneden staart.

*

De meest bekende soort van deze onderfamilie is de Satijnvogel of Atlasvogel (Chlamydodera holosericea). De donker blauwzwarte veeren van het oude mannetje hebben den glans van atlas; de hand- en armpennen, vleugeldekveeren en stuurpennen zijn fluweelachtig zwart, aan de spits blauw. Het oog is lichtblauw, met uitzondering van een smallen, rooden ring rondom de pupil, de snavel lichtblauwachtig hoornkleurig, aan de spits geel; de pooten zijn roodachtig. De lengte bedraagt ongeveer 36 cM., waarvan er 12 op den staart komen.

Gould heeft ons tamelijk nauwkeurig op de hoogte gebracht van de levenswijze van dezen Vogel. Zijn vaderland is het grootste deel van het Australische vasteland, zijn lievelingsverblijf het weelderig groeiende, dicht bebladerde struikgewas der met wijd uiteenstaande boomen begroeide districten van het binnenland en der kustlanden.

De merkwaardigste bijzonderheid uit de levensgeschiedenis dezer Vogels is, dat zij voor hun vermaak een overwelfde galerij van takjes, een soort van priëeltje, bouwen, waarin zij spelend met elkander verkeeren. Gould zag zulk een priëeltje voor ’t eerst te Sydney, waar het door een reiziger gebracht was; hij nam zich voor, de zaak grondig te onderzoeken en ging nu gedurende geruimen tijd deze dieren bij hun arbeid na. “Toen ik de cederbosschen van het Liverpool-district doorkruiste,” zoo verhaalt hij, “vond ik verscheidene van deze priëeltjes of speelplaatsen. Zij worden gewoonlijk in de schaduw van overhangende boomtakken in het eenzaamste deel van het woud en altijd op den grond aangelegd. Hier wordt van dicht ineengevlochten rijsjes een grondslag gevormd, waarin de fijnere en buigzamere rijsjes en twijgen, die het eigenlijke priëel uitmaken, vastgestoken worden. De bouwstoffen zijn zóó gericht en gebogen, dat de toppen en gaffels der twijgen van boven samenkomen en met elkander vereenigd kunnen worden. Aan weerszijden blijft een ingang open. Op een eigenaardige wijze worden deze priëelen met schitterend gekleurde voorwerpen van allerlei aard versierd. Men vindt hier de bontgekleurde staartveeren van verschillende soorten van Papegaaien, mosselschelpen, slakkenhuisjes, gebleekte beenderen, enz. De veeren worden tusschen de twijgen gestoken, de beenderen en schelpen aan den ingang neergelegd. De inboorlingen zijn zoo goed bekend met de neiging van deze Vogels om allerlei kleine, glinsterende voorwerpen weg te sleepen, dat zij, indien zij iets dergelijks missen, b. v. een pijlspits, deze altijd het eerst bij de bedoelde priëeltjes gaan zoeken. Ik vond bij den ingang van een dezer speelplaatsen een fraai bewerkten steen van 4 cM. lengte, benevens verscheidene lapjes van een blauw katoenen stof, die de Vogels waarschijnlijk in een afgelegen nederzetting hadden opgeraapt.”

Nog altijd verkeert men in ’t onzekere omtrent het [151]doel van deze priëeltjes. Stellig zijn het niet de eigenlijke nesten, maar alleen uitspanningsplaatsen voor de dieren van beiderlei geslacht, die er, elkander liefkoozend en onderling spelend, door en omheen loopen. Naar het schijnt, worden de priëeltjes gedurende den tijd van paren en broeden, als plaatsen van samenkomst gebruikt; waarschijnlijk dienen zij verscheidene jaren achtereen voor dit doel.

De Vogels gaan ook in de gevangenschap op deze wijze aan ’t bouwen. Strange, een vogelliefhebber te Sydney, schrijft aan Gould: “Ik heb tegenwoordig in mijn volière een paar Satijnvogels; ik hoopte, dat zij broeden zouden, daar zij in de beide laatste maanden onophoudelijk bezig waren priëeltjes te vervaardigen. Beide geslachten werken er aan; het mannetje is echter de eigenlijke bouwmeester.”—Van het broeden is, naar het schijnt, niets gekomen.

De Kraagvogel (Chlamydodera maculata) bereikt een lengte van 28 cM. (staartlengte 12 cM.). De veeren van den bovenkop en van de gorgelstreek, de geheele bovenzijde, de vleugels en de staart zijn bruin met bruingele vlekken, de onderdeelen grijsachtig wit met vele fijne, zigzagvormige dwarslijnen. De mannetjes hebben aan den nek een fraaien, waaiervormigen kraag, bestaande uit verlengde, smalle, zijdeachtige veeren van perzikbloesemroode kleur. De oogen zijn donkerbruin, de snavel en de pooten bruin.

De Kraagvogels bewonen uitsluitend het binnenland van Australië en zijn hier talrijk in de strooken laag struikgewas aan de randen der vlakten; wegens hun groote schuwheid worden zij echter door de reizigers gewoonlijk niet opgemerkt. Op deze plaatsen vindt men ook hunne priëeltjes; deze zijn nog kunstiger gebouwd en nog meer opgesierd, langer en meer gebogen dan die van de vroeger beschreven soort, sommige zijn meer dan 1 M. lang, van buiten is de uit rijsjes samengestelde wand met lange grashalmen fraai belegd, van binnen is de gang buitengewoon rijk en met zeer verschillende voorwerpen opgesierd. Men vindt er allerlei schelpen van Weekdieren, schedels en beenderen van kleine Zoogdieren en soortgelijke zaken. Tot het vasthouden van de grassen en twijgen dienen steenen, die zeer kunstig gerangschikt zijn. Zij liggen van den ingang af aan weerszijden zóó, dat daartusschen voetpaden overblijven. De ter versiering bestemde voorwerpen zijn vóór elken ingang op een hoop geworpen. Waarschijnlijk worden deze gebouwen verscheidene jaren achtereen gebruikt. Uit den afstand tusschen de priëeltjes en de rivieren, waaruit de schelpen afkomstig zijn, kon de onderzoeker afleiden, dat de Vogels den opschik voor hunne gaanderijen soms wel van mijlen ver aansleepen. Bij het uitzoeken van deze zaken zijn zij, naar het schijnt, zeer kieschkeurig; zij nemen alleen zulke, die wit gebleekt of kleurenrijk zijn. Gould heeft zich er van overtuigd, dat de priëeltjes door verscheidene Kraagvogels als plaatsen van samenkomst worden gebruikt; want eens, toen hij in de nabijheid van een dezer gebouwen op den loer lag, schoot hij schielijk achtereen twee mannetjes, die uit dezelfde gang naar buiten waren gekomen.

Kraagvogel (Chlamydodera maculata). ½ v. d. ware grootte.

Kraagvogel (Chlamydodera maculata). ½ v. d. ware grootte.


Tot de familie der Paradijsvogels rekent men ook de onderfamilie der Lelvogels (Glaucopinae), gekenmerkt door het bezit van meer of minder groote [152]lellen—bontgekleurde, onbevederde uitwassen van de huid, die bij den snavelwortel ontspringen.

Een vertegenwoordiger van deze groep is de op Nieuw-Zeeland thuis behoorende Ellia of Hoplelvogel (Creadion acutirostris), die zich van zijne naaste verwanten en van alle bekende Vogels onderscheidt door het groote verschil, dat tusschen den snavel van het mannetje en dien van het wijfje bestaat. Bij het mannetje is dit orgaan ongeveer zoo lang als de kop, met bijna rechten, in de richting van de breedte flauw afgeronden rug, aan den wortel hoog, zijdelings sterk samengedrukt, over ’t geheel genomen echter gelijkmatig in hoogte afnemend tot aan de spits. De snavel van ’t wijfje daarentegen is minstens dubbel zoo lang als die van het mannetje, neemt gelijkmatig in breedte en hoogte af, is aanmerkelijk gekromd en loopt in een fijne spits uit, die gevormd wordt door den bovensnavel, welke den ondersnavel in lengte overtreft. Het mannetje is 48 cM. lang en heeft een snavel van 40 mM.; het wijfje heeft een lengte van 50 cM., waarvan 96 mM. op den snavel komt. Het vederenkleed is glanzig zwart met groenen weerschijn, de uiteinden van de staartpennen zijn echter wit; de iris is donkerbruin, de snavel ivoorwit, de groote, hoekige lel aan den mondhoek oranjekleurig; de pooten zijn donker blauwachtig grijs.

Ellia (Creadion acutirostris): mannetje en wijfje. ⅓ v. d. ware grootte.

Ellia (Creadion acutirostris): mannetje en wijfje. ⅓ v. d. ware grootte.

De berichten over het leven van de Ellia in de vrije natuur zijn nog zeer onvolledig, hoezeer ook alle vogelkenners en kolonisten van Nieuw-Zeeland hun aandacht op dezen Vogel, de Hoeïa der Maoris, gevestigd hebben gehouden. Hij leeft meer op den bodem dan in de twijgen, doet groote sprongen en beweegt zich op deze wijze buitengewoon snel, neemt bij het geringste gedruisch of bij het zien van een mensch snel de vlucht naar dicht struikgewas of naar boschstreken en onttrekt zich hierdoor in den regel aan alle nasporingen. Wel heeft men dieren van deze soort levend naar Londen gebracht; voor zoover mij bekend is, zijn echter over hunne gewoonten nog geen mededeeling gedaan; ik kan hiervan daarom niets anders vermelden dan hetgeen Buller bericht over de exemplaren, die hij eenige dagen lang verzorgd heeft. Hunne bewegingen op den grond en in de twijgen waren bevallig en onderhoudend; het was zeer aardig om te zien, hoe zij den staart bij wijze van een waaier uitspreiden en in verschillende houdingen onder zacht en teeder gekweel elkander met den ivoren snavel liefkoosden. Met dezen onderzochten, behakten en bebeitelden zij alles. Zoodra zij ontdekt hadden, dat het behangsel van hun kamer niet ondoordringbaar was voor hun snavel, maakten zij de eene strook na de andere er van los en hadden in zeer korten tijd den muur geheel blootgelegd.

Daar men onderscheidene in den grond levende maden en engerlingen, benevens zaden en bessen in de maag van gedoode exemplaren gevonden had, bracht Buller een halfvergaan blok hout met groote, vette larven van een Insect, dat “Hoe-hoe” wordt genoemd, in hun verblijf. Dit blok trok onmiddellijk de aandacht van de Vogels; zij onderzochten de zachtere gedeelten met hun snavel en togen daarna onmiddellijk aan den arbeid; zij hakten in het vermolmde hout om, tot de hierin verborgen larven of poppen van het genoemde Insect zichtbaar werden en er uit getrokken konden worden. Het mannetje was hierbij steeds het ijverigst werkzaam en gebruikte zijn snavel op de manier van de Spechten; het wijfje daarentegen onderzocht met haar langen, buigzamen snavel alle gangen, die wegens de hardheid van het omgevende hout door het mannetje niet geopend konden worden en haalde er de prooi uit. Meermalen merkte Buller [153]op, dat het mannetje, nadat het zich tevergeefs had uitgesloofd om een larve uit een opengehakte plaats op te pikken, door het wijfje werd afgelost en haar het hapje, dat zij zich gewoonlijk toeëigende, ook gewillig afstond.

Van de voortplanting van de Hoeïa weet Buller niets anders mede te deelen, dan hetgeen hij van de inboorlingen vernam, n.l. dat de Vogel in holle boomen nestelt en weinige eieren legt.


De naaste verwanten van de Paradijsvogel zijn de Raafvogels (Corvidae), krachtige Zangvogels van ineengedrongen lichaamsbouw met een betrekkelijk grooten, dikken snavel, die bij sommige een weinig gekromd, bij andere recht is, maar ook in dit geval een gekromden rug heeft: de bovensnavel is meestal iets langer dan de ondersnavel en vertoont aan den zijrand vóór de spits soms een ondiepe inkerving; zijn wortel is in den regel met lange, stijve borstels bekleed, die de neusgaten overdekken; de pooten zijn groot en dik, de vleugels middelmatig lang; de staart is verschillend van lengte, recht afgesneden of trapvormig, het vederenkleed dicht, éénkleurig of bont.

Vertegenwoordigers van deze familie, waarvan ongeveer 160 soorten bekend zijn, komen voor in alle werelddeelen, op alle breedte- en hoogtegordels. Het aantal soorten neemt aanmerkelijk toe in de richting van den evenaar; het is echter ook in de gematigde gewesten groot en eerst in de koude luchtstreek eenigszins beperkt. Verreweg de meeste blijven als standvogels op één plaats of althans in een bepaald gebied, waarin zij echter gaarne rondzwerven. Enkele soorten trekken, andere begeven zich in den winter uit hooge bergstreken naar lager gelegen gewesten.

De Raafvogels brengen geen welluidend gezang voort; voor ’t overige echter vindt men bij hen om zoo te zeggen alle begaafdheden vereenigd, die bij de leden hunner orde voorkomen. Zij bewegen zich goed over den grond, vliegen zonder inspanning en lang achtereen, doen dit tamelijk vlug, bezitten zeer gelijkmatig ontwikkelde zinnen, vooral een uitstekenden reuk, en staan, wat hun verstand betreft, bij geen van de andere leden hunner orde, misschien bij geen enkelen Vogel achter. Zij zijn alleseters in den eigenlijken zin van ’t woord en dus in sommige gevallen even schadelijk, als over ’t geheel genomen nuttig.


De Raven in engeren zin (Corvinae) kenmerken zich door een krachtigen, middelmatig langen, aan den wortel betrekkelijk breeden, langs den rug meer of min gebogen, zwarten snavel, welks wortel met stijve, borstelige veeren bedekt is, voorts door krachtige, zwarte pooten en lange of middelmatig lange vleugels; de staart is verschillend van lengte, recht afgesneden, afgerond of trapvormig; het vederenkleed is tamelijk goed gevuld, min of meer glanzig en meestal grootendeels zwart van kleur.

*

Onder de inheemsche Raafvogels komt aan de Raaf (Corvus corax) een eereplaats toe. Zij is de Raaf bij uitnemendheid, een vertegenwoordiger van het geslacht der Veldraven (Corvus), dat tot kenmerken heeft: een lange snavel met gekromden rug en gaafrandige spits, cirkelronde neusgaten, de mondspleet ongeveer even lang als de loop, lange, spitse vleugels, welker spits gevormd wordt door de vierde handpen, hoewel de derde bijna even lang is; de snavel en de pooten zijn zwart. Bij de Raaf bedekken de vleugels den middelmatig langen, sterk afgeronden staart geheel; zwart zijn alle lichaamsdeelen met uitzondering van de oogen, die een bruine iris hebben. Deze soort is 64 à 66 cM. lang, waarvan 26 cM. op den staart komen.

Van alle Raven heeft, naar het schijnt, de Gewone, die trouwens in ieder opzicht als het type van de geheele familie kan gelden, het uitgestrektste verbreidingsgebied. Zij bewoont geheel Europa van de Noordkaap tot aan Kaap Tarifa en van het schiereiland Finistère tot aan den Oeral, wordt bovendien aangetroffen in het grootste deel van Azië, oostwaarts tot in Japan en van de IJszee tot aan den Himalaja (tot Pendsjab en Sind), komt verder in geheel Noord-Amerika voor, naar ’t zuiden tot in Mexico. In de noordelijke gewesten van Siberië en in Skandinavië, alsmede op de Fär-Öer en op IJsland komen tamelijk geregeld ook witte Raven voor.

In ons vaderland behoort deze boschbewoner in de meeste provinciën tot de zeldzaamheden en wordt dit al meer en meer. In Duitschland is de Raaf slechts in sommige streken menigvuldig, in andere reeds uitgeroeid; in die, waar dit lot haar nog niet getroffen heeft, gaat zij den mensch en zijn bedrijf zooveel mogelijk uit den weg. Om deze reden huist zij uitsluitend in gebergten of aaneengeschakelde, hooggelegen bosschen, op rotsachtige zeekusten en dergelijke toevluchtsoorden, waar zij zoo weinig mogelijk gestoord wordt. Nader bij de grenzen van ons werelddeel leeft zij in een betere verstandhouding met den beheerscher der aarde; in Rusland en Siberië schuwt zij dezen zoo weinig, dat zij met de Bonte Kraai en de Kauw niet slechts de straten en wegen, maar ook de dorpen en steden bezoekt, ja zelfs hier in de kerktorens even vaak nestelt als bij ons de Kauw of Torenkraai. In deze gewesten kan zij dus ook thans nog algemeen worden genoemd. Ook in Spanje en Griekenland, alsmede in Skandinavië komt zij veelvuldig voor.

De verblijfplaats van het paar is steeds uitmuntend gekozen. De Raaf bewoont een uitgestrekt gebied en is er bijzonder op gesteld, dat het velerlei producten oplevert. Aan streken, waar bosch en akker, weide en water met elkander afwisselen, geeft zij de voorkeur, omdat zij hier het meeste voedsel vindt.

“De Raven,” zegt mijn Vader, “leven gewoonlijk, dus ook in den winter, bij paren. Als men er één hoort, behoeft men niet lang te zoeken naar de andere; deze is niet veraf. Als een paar gedurende het vliegen een ander paar ontmoet, vereenigen beide zich en zweven eenigen tijd met elkander rond. De afgezonderd levende en rondzwervende exemplaren zijn jongen, die nog niet gepaard hebben. De Raaf is een van die Vogels, welke den eens gesloten huwelijksband levenslang in eere houden.—Haar wijze van vliegen is verwonderlijk schoon, bijna volgt zij een rechte lijn. Wanneer een groote snelheid vereischt wordt bewegen de vleugels zich sterk; dikwijls echter zweeft de Raaf geruimen tijd en beschrijft dan met sterk uitgebreide vleugels en staart zeer fraaie kringen. Duidelijk toont zij, dat het vliegen haar geen moeite kost en dat zij dikwijls alleen voor haar vermaak verre reizen onderneemt. Bij zulk een gelegenheid komt zij in bergstreken dikwijls op korten afstand van den bodem; over de dalen trekt zij echter op groote hoogte heen. Op hare pleizierreisjes schiet zij dikwijls eenige meters ver naar beneden, vooral als men op haar geschoten heeft, zoodat de schutter, die met deze gewoonte onbekend is, in de meening moet verkeeren, dat hij haar getroffen heeft en haar weldra naar beneden zal zien tuimelen. Gedurende den winter [154]brengt zij het grootste deel van den dag vliegend door. Meer dan van andere Kraaivogels gelijkt haar wijze van vliegen op die van Roofvogels; zij is zoo karakteristiek, dat de vogelkenner haar hieraan op iederen afstand van de verwante soorten van Kraaien kan onderscheiden.

“Op den grond stapt de Raaf met een geaffecteerd schijnende, potsierlijke deftigheid rond, houdt dan het voorste gedeelte van het lichaam een weinig hooger dan het achterste, knikt met den kop en beweegt bij elken stap het lichaam heen en weer. Als zij op een tak zit, geeft zij aan het lichaam soms een horizontalen, soms een zeer steilen stand. De veeren liggen bijna altijd zoo glad tegen het lichaam aan, alsof dit van metaal gegoten is; alleen bij gemoedsaandoeningen worden de veeren op den kop en van den geheelen hals opgericht. De vleugels houdt zij gewoonlijk een weinig van het lichaam af. In deze opzichten heeft zij niets met hare verwanten gemeen; ook heeft zij geen deel aan de soort van genegenheid, die de andere soorten van Kraaivogels voor elkander toonen. De gewone Kraai verkeert zeer vriendschappelijk met de Bonte Kraai en met den Ekster, de Kauwen vermengen zich met de Roeken; geen dezer soorten doet de andere eenig leed: de Raven echter worden door hunne verwanten gehaat en vijandig behandeld. Men mag echter niet vergeten, dat op dezen regel ook uitzonderingen bestaan. Zoo zag Pechuel-Loesche in Anhalt een Raaf gedurende geruimen tijd en zonder dat zij ooit lastig werd gevallen, met een grooten zwerm Kraaien rondzwerven, met hen de akkers bezoeken en op dezelfde boomen slapen, totdat zij door een ijverigen vervolger geschoten werd.

“De Raaf onderscheidt zich ook nog van de andere soorten, doordat zij schuwer is. De voorzichtigheid van dezen Vogel is ongeloofelijk. Zij zal eerst dan ergens neerstrijken, als zij herhaaldelijk om de plaats heen gevlogen is en zoo min met de oogen als door den reuk een verdacht verschijnsel heeft opgemerkt. Als een mensch haar nest met eieren nadert, verlaat zij het onmiddellijk; hoe groot haar moederliefde ook is, toch neemt zij na zulk een ontmoeting de grootst mogelijke voorzichtigheid in acht, voordat zij naar hare jongen terugkeert. Haar haat tegen den Ooruil is buitengewoon groot, haar voorzichtigheid echter nog veel grooter; daarom kan deze schuwe Vogel zelf van uit den kraaienhut niet dan zeer moeielijk geschoten worden. De geluiden, die men gewoonlijk van een paar Raven hoort, klinken als “kork kork kolk kolk” of als “rabb rabb rabb”, hieraan is haar naam (in ’t Duitsch Kolkrabe) ontleend. Deze geluiden worden op verschillende wijze geïntoneerd en zoo met andere gemengd, dat er een zekere verscheidenheid ontstaat. Bij nauwkeurige waarneming is het zeer goed te begrijpen, hoe het komt, dat de waarzeggers der oudheid in het ravengekras zulk een groot aantal verschillende aanduidingen hoorden.”

Er is misschien geen enkele Vogel, die evenveel aanspraak kan maken op den naam alleseter, als de Raaf. Men mag zeggen, dat zij werkelijk niets wat eetbaar is, versmaadt en in verhouding tot haar grootte en kracht op dit gebied ongeloofelijke dingen doet. Zij houdt van vruchten, zaden en andere eetbare, plantaardige stoffen, van welken aard dan ook, maar is ook een roofdier van de ergste soort. Het zijn niet alleen Insecten, Slakken, Wormen en kleine Gewervelde dieren, waaraan zij den oorlog verklaart; zij valt stoutmoedig Zoogdieren en Vogels aan, die haar grootte overtreffen, en plundert op de onbeschaamdste wijze de nesten, niet alleen van weerlooze Vogels, maar ook die van de krachtigste Meeuwen, die zich en haar kroost wel weten te verdedigen. Van den Haas tot de Muis en van het Auerhoen tot den kleinsten Vogel, is geen enkel dier veilig voor hare aanslagen. Koenheid en list, kracht en behendigheid komen bij haar vereenigd voor en stempelen haar tot een gevaarlijken roofvogel. In Spanje bedreigt zij de Huishoenderen, in Noorwegen de jonge Ganzen, Eenden en alle overige huisvogels; op IJsland en Groenland maakt zij jacht op Sneeuwhoenderen, hier te lande op Hazen, Fazanten en Patrijzen; aan het strand maakt zij gebruik van hetgeen de zee uitwerpt; in de noordelijke landen betwist zij aan de Honden het afval vóór de woningen. “De Raaf,” schrijft Olafsson, “zoekt in den winter haar voedsel te midden van de Honden en Katten op de boerenerven, tracht in ’t warme jaargetijde aan ’t strand de Visschen te verschalken, verslindt in de lente de pasgeboren lammeren, die zij met snavelhouwen gedood heeft, jaagt de Eiderganzen van het nest, drinkt de eieren uit en verbergt die, welke zij niet meer op kan, ieder afzonderlijk in den grond. In kleine troepen volgen de Raven den Arend; zij durven hem niet aan, maar trachten zich van de overblijfselen van zijn buit meester te maken. Waar ook zieke of doode, oude Raven liggen, of jonge, die uit het nest gevallen zijn, in de maag van één harer soortgenooten vinden zij haar bestemming. In den winter wordt ieder huis bewaakt door een gezelschap van 2 à 10 Raven en deze nemen geen bentgenooten meer in hun kring op.”

De Raaf volgt in Zwitserland den jager om van de door hem geschoten Gemzen partij te trekken; volgens verscheidene overeenstemmende mededeelingen neemt zij Schelpdieren met harden schelp met zich mede omhoog, om ze op een harden steen of op een rotsblok te laten vallen en zoo te verbrijzelen; den Heremietkreeft weet zij behendig te grijpen en uit het slakkenhuis, dat hem als woning dient, te trekken: als dit niet dadelijk gelukt, omdat de Kreeft zich geheel in de schelp terugtrekt, beklopt zij deze zoolang, dat de Heremiet er uit te voorschijn komt. Groote dieren gaat zij met onvergelijkelijke list en sluwheid, maar ook met grooten moed te lijf en weet ze te overmeesteren; Hazen b.v. vangt zij zonder eenig bezwaar, niet alleen zieke of aangeschotene, maar ook gezonde exemplaren.

Niet minder groote bewijzen van stoutmoedigheid geeft de Raaf bij het plunderen van nesten; Wodzicki heeft er zelfs één het ei van een paar Schreeuwarenden zien wegsleepen. In het noorden is zij de afschuwelijkste nestenvernielster, die men zich voorstellen kan. In Noorwegen bevonden zich op een rots, waarop een jonge Ravenfamilie zat, die nog door de ouders gevoederd werd, omstreeks 60 ledige eischalen van Eiderganzen, Meeuwen en Wulpen te midden van beenderen van Hoenderen, vleugels van Eenden, vachten van Lemmingen, ledige mosselschelpen, overblijfsels van jonge Meeuwen, Strandloopers, Plevieren enz. Daar de vier jongen onophoudelijk om voedsel schreeuwden, brachten de ouden hun voortdurend nieuwen buit. Geen wonder, dat alle Meeuwen uit de buurt, zoodra een der roovers zich vertoonde, dezen woedend aanvielen en naar den maatstaf harer krachten bevochten; geen wonder ook, dat de bewoners van de naastbijgelegen boerderijen de Raven verwenschten en hevig haatten!

Raafvogels: 1) Kauw (Colaeus monedula), 2) Roek (Corvus frugilegus), 3) Bonte Kraai (Corvus cornix), 4) Ekster (Pica rustica), 5) Raaf (Corvus corax).

Raafvogels: 1) Kauw (Colaeus monedula), 2) Roek (Corvus frugilegus), 3) Bonte Kraai (Corvus cornix), 4) Ekster (Pica rustica), 5) Raaf (Corvus corax).

Er valt ongelukkig niet aan te twijfelen, dat de Raaf door haar roofzucht zeer schadelijk is en niet geduld mag worden. Evenals de overige Veldraven, is ook zij wel eens nuttig werkzaam, maar de schade, [156]die zij aanricht, overtreft ver alle diensten, die zij aan akkers en tuinen bewijst. Wel is het daarom opmerkelijk, dat deze Vogel door enkele volken geliefd en vereerd wordt. Vooral de Arabieren achten hem hoog en vereeren hem bijna als een godheid, daar zij hem voor onsterfelijk houden.

Van alle inheemsche Vogels, met uitzondering misschien van den Kruisbek, paart de Raaf het vroegst in ’t jaar; zij bouwt in Februari haar nest en legt eieren in de eerste dagen van Maart. Het nest is groot, heeft meestal wel 60 cM. middellijn en 30 cM. hoogte; het wordt gebouwd op rotsen of, zooals bij ons, op den top van een hoogen boom, die moeilijk of in ’t geheel niet beklimbaar is. De grondlaag bestaat uit een opeenstapeling van dikke takken, de nestwand uit fijnere twijgen; de nestholte wordt met strookjes bast, korstmossen van boomen, stukjes gras, schapenwol en dergelijke materialen warm bekleed. Gaarne gebruikt de Raaf haar oud nest nogmaals, nadat zij het een weinig opgeknapt heeft. Ook bij het bouwen van het nest toont zij haar schranderheid en schuwen aard. Zeer voorzichtig vliegt zij er heen, als zij bouwstoffen aanvoert; zij verlaat het voor goed, wanneer er dikwijls menschen in de nabijheid komen. Zij broedt op 5 of 6 tamelijk groote eieren, die op groenachtigen grond bruin en grijs gevlekt zijn. Volgens eenige berichten broedt het wijfje alleen, volgens andere om beurten met het mannetje. De jongen worden door de beide ouders met Wormen en Insecten, Muizen, jonge Vogels, eieren en aas voldoende verzorgd; hun honger is echter, naar het schijnt, zelfs door de rijkelijkste voedering niet te stillen, daar zij voortdurend om voedsel schreeuwen. De beide ouders houden veel van hun kroost en verlaten het nooit voor goed. In gunstige omstandigheden verlaten de jonge Raven tegen het einde van Mei of in het begin van Juni het nest, maar niet de streek, waar het zich bevindt; zij keeren er iederen avond in terug en houden zich nog weken lang in de omgeving op, waar zij de weiden en akkers, onder de hoede van hunne ouders bezoeken, van deze voedsel ontvangen, maar tevens leeren, hoe zij het zelf kunnen verkrijgen. Eerst tegen den herfst zijn de jonge dieren zelfstandig geworden.

Jong uit het nest genomen Raven worden na een korte verzorging bijzonder tam; zelfs oud gevangen Vogels schikken zich in de gewijzigde omstandigheden. In den omgang met den mensch wordt het verstand van de Raaf op een bewonderenswaardige wijze gescherpt. Zij laat zich africhten als een Hond en kan zelfs op dieren en menschen aangehitst worden; zij voert allerlei grappige en schelmsche streken uit, verzint aanhoudend iets nieuws en wordt wijzer met het klimmen harer jaren, niet altijd echter tevens beminnelijker in de oogen van de menschen. Gemakkelijk kan men de Raaf leeren vrij uit en in de kooi te vliegen; in den regel echter toont zij zich weldra deze groote vrijheid onwaardig: zij steelt en verbergt haar roof, doodt jonge huisdieren, Hoenderen en Ganzen, bijt menschen, die barrevoets gaan in de voeten en wordt soms zelfs gevaarlijk, daar zij ook jegens kinderen baldadigheden pleegt. Met Honden sluit zij soms een innige vriendschap, maakt zich verdienstelijk jegens hen door hunne Vlooien te vangen en hen ook in andere opzichten te helpen; ook aan Paarden en Runderen geraakt zij gewoon en wint hun genegenheid. Zij leert zeer goed spreken, zegt de woorden met een juiste intonatie na en gebruikt ze met verstand, blaft als een Hond, lacht als een mensch, bootst de stem van de Duiven na, enz. Het zou te veel ruimte vereischen, hier alle merkwaardige verhalen mede te deelen, die mij over getemde Raven ter oore gekomen zijn; ik moet mij bepalen tot het oordeel, dat deze Vogels een “echt menschelijk verstand” toonen en hunne meesters niet minder vermaak verschaffen dan zij andere menschen ergernis geven. Ieder die aan de dieren het verstand ontzegt, zal van meening veranderen, door gedurende geruimen tijd de handelingen van een Raaf na te gaan.

De Kraaien verschillen van de Raaf door den minder sterk gekromden rug van den snavel, die iets korter is dan de loop en door het lossere, niet zeer glanzige vederenkleed; de vleugelspitsen bereiken de afgeronde spits van den staart niet. Twee soorten van Kraaien stemmen in grootte, verhoudingen van lichaamsdeelen, gewoonten enz. zoo volkomen overeen, dat zij, behalve aan de kleur van de veeren, moeielijk te onderscheiden zouden zijn. Deze—de Kraai, Zwarte Kraai of Boschkraai (Corvus corone) en de Bonte Kraai, Winterkraai, Grijze Kraai of Schierroek (Corvus cornix) worden daarom door sommige onderzoekers als plaatselijke rassen van dezelfde soort beschouwd. De eerstgenoemde is zwart met een viooltjeskleurigen of purperen weerschijn en een bruine iris, in de jeugd dofzwart met een grauwe iris. De Bonte Kraai daarentegen heeft den kop, den voorhals, de vleugels en den staart zwart, alle overige lichaamsdeelen echter licht aschgrauw (bij de jongen vuil aschgrauw). De totale lichaamslengte bedraagt bij beide 47 à 50 cM., de staartlengte 20 cM.

De Zwarte Kraai komt in ons land gedurende het geheele jaar meer of minder algemeen voor; zij is over een groot gedeelte van Europa verbreid, vooral talrijk in Midden- en Zuid-Duitschland en in Frankrijk; in Noord-Duitschland is zij minder algemeen; in Lijfland, Denemarken en in het zuiden van Zweden treft men haar zeer zelden aan, in het overige gedeelte van Skandinavië in het geheel niet, evenmin in Groot-Brittannië en in Noord-Duitschland ten oosten van de Elbe; in kleinen getale bewoont zij Illyrië, Hongarije, Oostenrijk en de overige gedeelten van Oost-Europa; ook komt zij voor in de oostelijke districten van Siberië tot aan Kamtschatka en in Japan, op de Kaapverdische Eilanden (St. Vincent), op Madera, in Algerië, zelfs in Afghanistan en in het Himalajagebergte (Kasjmir). Bijna overal is zij standvogel, slechts bij uitzondering zwerfvogel, nooit trekvogel.

In den regel broedt de Bonte Kraai in streken, welke de Zwarte niet bewoont. De eene soort vervangt de andere, zonder dat klimaatverschillen hierop invloed oefenen.

De Bonte Kraai is verder verbreid dan haar verwante; haar ontmoeten wij als broedvogel niet alleen in Skandinavië, het grootste deel van Rusland en Noord-Duitschland, maar ook in Galicië, Hongarije, Stiermarken, Italië (Toscane, Sardinië, Sicilië), Dalmatië, Griekenland en geheel Egypte (van de zee tot aan de Nubische grens), alsmede in geheel Middel-Azië (van den Oeral tot Japan) en door Syrië, Toerkistan, Perzië, Afghanistan tot in het noordwesten van Indië. Naar de kleur van de veeren kunnen in dit ontzaglijk groot verbreidingsgebied ongeveer drie rassen van Bonte Kraaien onderscheiden worden. De in het noorden (West-Siberië, geheel Skandinavië, Denemarken, Schotland, het grootste gedeelte van Rusland, het noorden van Duitschland, vooral noordoostelijk langs de Elbe) broedende koloniën verspreiden zich in het najaar over de overige gematigde gedeelten van Europa om er te [157]overwinteren en in Maart of half April naar hare broedplaatsen terug te keeren. De Bonte Kraai komt op deze wijze van September tot in het midden van October bij ons aan en is dan overal gemeen. In de duinen aast zij in menigte op de bessen van den kattendoorn. De exemplaren, die in Zuid-Europa en in de andere genoemde, warme of gematigde gewesten broeden, zijn daar standvogels. Enkele malen heeft men ook in de zomermaanden exemplaren van deze soort in Nederland aangetroffen; deze hebben hier vermoedelijk gebroed; eenige malen is dit broeden hier werkelijk waargenomen, o.a. in Friesland en Utrecht. Met het voorkomen van de bonte Kraai in Nederland gedurende den zomer staat het feit, dat deze soort en de Zwarte Kraai op de grenzen van beider gebied dikwijls paren en vruchtbare nakomelingen voortbrengen, in verband.

“Onjuist” schrijft A. A. van Bemmelen, “is het algemeen heerschende denkbeeld, in de wetenschappelijke werken steeds neergeschreven, dat de Bonte Kraai en de Zwarte geheel en al overeenstemmen in voedselkeus en levenswijze; de Bonte Kraai is veel meer een liefhebber van dierlijk voedsel dan de Zwarte en gebruikt hoogst zelden plantaardig voedsel; zij verslindt een zeer groot aantal Muizen, rooft Visschen, scheurt het vleesch af van allerlei doode dieren, pikt hun de oogen uit, in een woord, gedraagt zich daarbij als een roofvogel; de Zwarte Kraai daarentegen, hoewel eieren en zeer jonge Vogels roovende, leeft bij voorkeur van plantaardig voedsel, zooals pas ontkiemde graanplantjes, koolspruiten, jonge boonen en erwten, enz. De Bonte Kraai vertoeft veel meer op den grond; wil men haar in haar waren aard zien, dan bespiede men haar langs de zeestranden, waar zij dikwijls aan de Groote Zeemeeuwen doode en verrotte dieren betwist. De Zwarte Kraai bewoont bij voorkeur de bosschen, zet zich neder op hooge boomen en is veel schuwer van aard. De Bonte Kraai vliegt langzamer dan de Zwarte; als zij te zamen opvliegen en zich op kleineren of grooteren afstand weer neerzetten, komt de Bonte Kraai altijd het laatst aan.”—Boschjes in de vlakte zijn de liefste verblijfplaatsen van de Kraaien; zij vermijden echter ook de grootere bosschen niet en vestigen zich, als zij zich veilig achten, zelfs in onmiddellijke nabijheid van den mensch, b.v. in boomgaarden. De Kraaien zijn in hooge mate gezellig, in lichamelijk zoowel als geestelijk opzicht begaafd en hierdoor in staat om een zeer belangrijke rol te spelen. Zij gaan goed, stappen wel eenigszins waggelend, maar toch zonder eenige inspanning; zij vliegen gemakkelijk en lang achtereen, hoewel minder behendig dan de grootere Raven; hare zintuigen zijn uitmuntend; vooral het gezicht, het gehoor en de reuk zijn scherp; zij staan, wat geestesgaven betreft, weinig of niet bij de Raaf ten achter. Op kleinere schaal doen zij ongeveer hetzelfde, als wat de Raaf op grootere kan verrichten; daar zij echter in den regel alleen voor kleine dieren gevaarlijk worden, heeft het nut, dat zij stichten, waarschijnlijk de overhand boven het kwaad, dat zij bedrijven.

Ongetwijfeld verdienen zij een plaats onder de belangrijkste Vogels van ons vaderland, zonder haar zouden de overal menigvuldige en op alle plaatsen aanwezige, schadelijke Gewervelde Dieren en verderfelijke Insecten op zeer bedenkelijke wijze de overhand nemen. Wel is waar plunderen zij ook vogelnesten en overvallen zieke Hazen en Patrijzen, ook kunnen zij in den tuin en op het erf allerlei last veroorzaken en eindelijk aan het rijpende graan, meer bepaaldelijk aan de gerst, een belangrijke schade toebrengen: wat beteekent echter het nadeel, dat zij teweegbrengen door gedurende eenige maanden op een voor ons onaangename wijze te rooven en te stelen, tegenover het voordeel, dat de mensch trekt uit haar werkzaamheid gedurende alle overige maanden van het jaar!

De Kraaien hebben ongeveer de volgende dagverdeeling: Vóór het aanbreken van den dag verlaten zij haar slaapplaats om zich in oorden, waar zij geen vervolging hebben te verduren, op een bepaald gebouw of op een grooten boom te vereenigen. Van hier uit verspreiden zij zich over de velden en zijn tot omstreeks den middag ijverig bezig hun kost te winnen. Zij loopen de akkers en de weiden af, volgen den ploegenden landman om de door hem blootgelegde engerlingen op te pikken, loeren voor muizegaten, kijken rond naar vogelnesten, onderzoeken de oevers van beken en rivieren, doorsnuffelen de tuinen, kortom, zijn overal druk in de weer. Intusschen komen zij nu en dan met andere dieren van haar soort samen en arbeiden gedurende eenigen tijd gemeenschappelijk. Als er iets bijzonders gebeurt, zijn zij ongetwijfeld de eerste, die het bemerken en aan andere wezens te kennen geven. Een Roofvogel wordt met luid geschreeuw begroet en met zooveel ijver vervolgd, dat hij dikwijls onverrichter zake moet aftrekken. Te recht noemt Snell deze handelwijze een van de nuttige zijden van de werkzaamheid der Kraaien; want het valt niet te betwijfelen, dat zij het bedrijf van de schadelijke Roofvogels aanmerkelijk bemoeielijken zoowel door den Roofvogel direct aan te vallen, als door zijn aanwezigheid aan de menschen en dieren te verraden. Tegen den middag vliegen de Kraaien naar een dichte boomkroon en verbergen zich tusschen de bladen om een middagslaapje te houden. Des namiddags gaan zij ten tweeden male om voedsel uit en verzamelen zich des avonds in grooten getale op bepaalde punten, als ’t ware om elkander de gebeurtenissen van den dag mede te deelen. Daarna begeven zij zich naar haar slaapplaats, naar een bepaald deel van het bosch, waar alle Kraaien van een uitgestrekt gebied zich verzamelen. Hier gaan zij met zeer groote voorzichtigheid heen, gewoonlijk eerst, nadat zij verspieders uitgezonden hebben. Na het invallen van den nacht komen zij hier aan en maken bij het vliegen en neerstrijken zoo weinig geraas, dat men niets anders hoort dan het ruischen van hare vleugels. Door vervolgingen worden zij uiterst schuw. Zij leeren den jager zeer spoedig van een voor haar ongevaarlijk persoon onderscheiden en vertrouwen over ’t algemeen geen andere menschen dan die, welker welwillende bedoelingen haar duidelijk gebleken zijn.

Het nest, dat zij tegen het einde van Maart of in het begin van April op hooge boomen aangebracht, of, indien het reeds in vroegere jaren gebouwd werd, voor het nieuwe broedsel geschikt gemaakt hebben, gelijkt op dat van de Raaf, maar is aanmerkelijk kleiner; het heeft hoogstens 60 cM. middellijn en 4 cM. diepte. In de eerste helft van April legt het wijfje 3 à 5, hoogstens 6 eieren, die op groenachtig blauwen grond met olijfkleurige, donkergroene, donker aschgrauwe en zwartachtige stippels en vlekken geteekend zijn. Het wijfje broedt; het mannetje laat haar slechts dan alleen, als het uit moet vliegen om voor zich en zijn gade voedsel te halen. De jongen worden met de grootste liefde door de beide ouders opgepast en gevoederd, tegen gevaar met moed verdedigd.”

Beide soorten van Kraaien, kunnen zonder eenige moeite jaren lang in de gevangenschap in ’t leven gehouden worden en laten zich gemakkelijk temmen; ook kunnen zij leeren spreken, wanneer het haar onderwijzer [158]maar niet aan geduld ontbreekt. Toch verdienen zij als kamer- of huisvogels geen aanbeveling. In de kamer behooren zij niet wegens haar onzindelijkheid of, juister gezegd, wegens den reuk, dien zij ook dan verbreiden, als haar eigenaar de kooi zoo goed mogelijk tracht schoon te houden; op het erf of in den tuin mag men ze ook niet vrij laten rondloopen, omdat zij, evenals de Raven, allerlei kattekwaad uitvoeren. De zucht om glinsterende voorwerpen op te nemen en te verstoppen hebben zij met hare zwakkere verwanten, de roof- en moordzucht met de Raaf gemeen. Ook zij overvallen kleine Gewervelde Dieren, zelfs jonge Honden en Katten, hoofdzakelijk echter Vogels, om ze te dooden of althans te martelen. De nesten van de Hoenderen en Duiven worden door deze gauwdieven spoedig ontdekt en onmeedoogend geplunderd.

In den Vos en den Boommarter, in den Slechtvalk, den Havik en den Ooruil hebben de Kraaien vijanden, die voor haar gevaarlijk kunnen worden. Bovendien worden zij lastig gevallen door velerlei parasieten, die zich in hare veeren nestelen. Waarschijnlijk heeft de Ooruil zich den buitengewoon grooten haat, dien de Kraaien hem toedragen, op den hals gehaald door zijne aanvallen op deze Vogels, die des nachts weerloos zijn; zeker is het althans, dat hij bijzonder veel van hun vleesch houdt. De Kraaien zetten hem zijne nachtelijke moordaanslagen betaald, zooveel zij kunnen. Zoomin de Ooruil als eenige andere Uil mogen zich over dag laten zien. Zoodra zulk een nachtvogel ontdekt wordt, komt de geheele streek in opstand. Alle Kraaien snellen toe en stooten met voorbeeldelooze woede op dezen duisterling in vogelgestalte. Op soortgelijke wijze als den “koning van den nacht,” plagen de Kraaien ook alle overige roofdieren, welker wraak zij voorloopig niet behoeven te vreezen wegens haar bekwaamheid in ’t vliegen of haar groot aantal.

Van den mensch hebben zij tegenwoordig niet zoozeer onmiddellijk als wel middellijk last. Vroeger meer dan nu maakte men om ze te dooden gebruik van de “kraaienhut” een jachtbedrijf, dat gedurende het geheele jaar kan plaats hebben en waarvoor meestal duinstreken gekozen worden of andere, liefst oneffene, opene en eenzame gronden, waar Roofvogels en Kraaien zich gewoonlijk vertoonen. Schlegel beschrijft de toebereidselen hiervoor op de volgende wijze: “De hut zelve plaatst men veelal onder den grond in een heuveltje en het mansdiepe, met planken of steenen omkleede gat, waaruit zij in dit geval bestaat, wordt ook van boven met planken gesloten, die wederom met een dikke laag aarde of zand bedekt worden. Onder het dak maakt men eenige openingen van ongeveer een halven vierkanten voet grootte en de deur der hut plaatst men tegenover deze schietgaten. Tot zitplaats van den tammen Ooruil neemt men een paal van 3 tot 4 voet hoogte, van boven met een ijzeren kram, ten einde de riemen te kunnen vastbinden, waarmede de pooten van den Ooruil voorzien moeten zijn. Deze paal werd in vroegere tijden op den top der hut bevestigd; het is echter beter hem op 10 à 15 pas afstand tegenover de schietgaten in den grond te rammen om uit de verschillende bewegingen van den Ooruil dadelijk te kunnen afleiden of er Vogels op hem afkomen en van welke soort zij zijn. Indien men de hut niet in de nabijheid van een enkelen, vrij staanden boom (dien men echter zoo snoeien moet, dat hij niet dicht met takken en loof begroeid is) kan plaatsen, plant men op 30 of 40 pas afstand van de hut een of eenige doode boomen in den grond.” De jagers die in de hut verborgen zijn, schieten de Vogels, die om den Ooruil vliegen, op hem stooten of zich op de naburige boomen zetten. De Vogels bekommeren zich in dit geval niet om het vuren, al zien zij hunne kameraden dood of gewond op den grond vallen.

Veel meer nadeel dan door de jacht en door het uithalen en vernielen van de nesten met eieren en jongen lijden de Kraaien door het uitstrooien van vergiftigd graan op de door Muizen geteisterde velden. In muizenjaren vindt men hare lijken bij dozijnen en bij honderden en kan men gemakkelijk een aanmerkelijke vermindering van haar aantal aantoonen. Door haar langen levensduur en vruchtbaarheid worden dergelijke verliezen echter altijd spoedig weer aangevuld; het is daarom evenmin noodig maatregelen ter harer bescherming aan te bevelen als een verdelgingsoorlog tegen haar te prediken.

De Roek (Corvus frugilegus) is nuttiger dan de drie reeds beschreven soorten van inheemsche Raven. Hij onderscheidt zich van deze door een slankeren lichaamsbouw; de iets rechtere snavel is zoo lang als de loop; de betrekkelijk lange vleugels bedekken den sterk afgeronden staart; voorts kenmerkt hen het nauw aansluitend, prachtig glanzend vederkleed en de kaalheid van het aangezicht, welks korrelige, lichtgrijze huid tot aan de oogen en de keel blootligt. Aanvankelijk is dit lichaamsdeel bedekt met veeren; deze komen bij het ruien telkens terug om kort daarna te verdwijnen; het kaal worden van deze plek moet niet toegeschreven worden aan het afslijten der veeren door het wroeten in den grond, want het komt ook voor bij exemplaren, die in de kooi niet in de gelegenheid zijn om den bek in den grond te boren of de bedoelde veeren op een dergelijke wijze af te schuren (Mr. H. W. de Graaff en Mr. H. Albarda). De totale lengte bedraagt bij deze soort 47 à 50, de staartlengte 19 cM. De veeren van de oude Vogels zijn zwart met violet-blauwen weerschijn, die van de jongen dof zwart.

Het verbreidingsgebied van den Roek is beperkter dan dat van zijne beide laatstgenoemde verwanten. Het omvat een groot deel van de Europeesche vlakten en het zuiden van Siberië, Toerkistan, Afghanistan, het westelijk deel van het Himalaja-gebied en Pendsjab worden uitsluitend in den winter door den Roek bezocht. In de koudste gedeelten van Europa komt hij niet voor; reeds in Zweden is hij zeldzaam; in Zuid-Europa komt hij niet anders dan op den trek. In tegenstelling met de Bonte en de Zwarte Kraai, trekt hij geregeld en in ontelbare scharen naar Noord-Afrika. Vruchtbare vlakten met kleine bosschen zijn de meest geliefde verblijfplaatsen van de Roeken. In het gebergte broeden zij in ’t geheel niet; in het binnenste van het woud evenmin. Een uit hoogstammige boomen samengesteld boschje van geringen omvang wordt in den regel als broedplaats gekozen door een troep van deze Vogels, die zich van uit dit middelpunt over de naburige velden verspreiden. In zulk een kolonie treft men dikwijls honderden nesten aan, soms 12 of 15 op één boom. Mijlen ver in den omtrek worden dan gewoonlijk geen nesten van Roeken meer gevonden.

In aard en gewoonten komt de Roek in vele opzichten met zijne vroeger beschreven verwanten overeen; hij is echter veel vreesachtiger en minder tot kwaaddoen geneigd dan zij. In ’t gaan evenaart, in ’t vliegen overtreft hij haar; zijne zintuigen zijn niet minder, zijne geestvermogens even goed ontwikkeld. Hij onderscheidt zich echter door zijn veel gezelliger [159]aard; gaarne voegt hij zich bij troepen Kauwen en Spreeuwen, in ’t algemeen bij Vogels van gelijke of geringere lichaamskracht. Hij mijdt reeds het gezelschap van de Bonte en Zwarte Kraaien; de Raaf vreest hij zoozeer, dat hij een sinds lang door hem bewoond gebied, waaruit de mensch hem bijna niet verdrijven kan, verlaat, zoodra een Raaf zich hier vestigt. Zijn stem is een zwaar, heesch geluid, dat als “kra” of “kroa” klinkt; gedurende het vliegen laat hij dikwijls een scheller geluid hooren, dat met “gir” of “kwerr” overeenkomt, in den regel ook het “jek jek” van de Kauw. Het nabootsen van allerlei geluiden kost hem geen moeite; hij kan zelfs eenigermate leeren zingen; voor het leeren spreken toont hij niet veel aanleg.

Ieder, die zonder vooroordeel de levenswijze van den Roek nagaat, zal dezen Vogel leeren achten. Wel is hij soms zeer lastig, doordat hij gedurende den voortplantingstijd de wegen en wandelpaden van de tuinen en plantsoenen, waar hij nestelt, allerafschuwelijkst bevuilt; ook martelt hij door zijn geschreeuw de gehoororganen van de bewoners der naburige huizen, wat te meer hinderlijk is, omdat hij zich van plaatsen, waar hij zich eens gevestigd heeft, zeer moeielijk laat verdrijven. Wel zal hij nu en dan het leven van eenige jonge Hazen en Patrijzen verkorten, den landbouwer boos maken door het rooven van graan, den tuinman door het stelen van vruchten. Alle schade, die hij aanricht, wordt echter duizendvoudig door hem vergoed; daar hij tal van Meikevers, engerlingen en naakte Slakken verdelgt en een der beste muizenvangers is, die ons vaderland bewonen. “Ik heb,” zegt Naumann, “jaren beleefd, waarin een verschrikkelijk aantal Veldmuizen de groene en gele graanvelden met vernieling bedreigden. Ik schoot in die jaren geen enkele Kraai of Buizerd, die niet den krop met muizen gevuld had. Dikwijls heb ik er 6 of 7 in één Vogel gevonden. Dit in overweging nemend, zal men, geloof ik, de gehate Kraaien met meer rechtvaardigheid leeren behandelen en genegenheid voor hen gevoelen.” Men zou kunnen meenen, dat deze waarheid, die reeds voor 60 jaren is uitgesproken, bij de menschen, voor wie ze meer bepaaldelijk bestemd was, vooral bij onze groote grondeigenaars, eindelijk ingang zal hebben gevonden, en toch is dit niet het geval. Ook thans nog wordt de Roek, die als een weldoener van onze akkers de meest mogelijke bescherming verdient, juist door de bedoelde grondeigenaars op de meest onmeedoogende wijze vervolgd.

Als de broedtijd nadert, vereenigen zich duizenden Roeken op een zeer kleine ruimte, bij voorkeur in een boschje te midden van het veld. Het eene paar nestelt hier naast het andere; op iederen boom vindt men zooveel nesten, als er maar geplaatst kunnen worden. Een onverpoosd gekras en geschreeuw vervult dit oord, terwijl een zwarte wolk van Kraaien de lucht in de nabijheid van deze nestboomen verduistert. Eindelijk bedaart deze drukte eenigszins. Elk wijfje heeft hare 4 of 5 lichtgroene, aschgrauw en donkerbruin gevlekte eieren gelegd en is bezig ze uit te broeden. Weldra echter komen de jongen uit en wordt het gedruisch nog twee- of driemaal zoo erg, want de kleintjes willen voedsel hebben en weten hun verlangen op zeer duidelijk waarneembare wijze door allerlei leelijke geluiden te kennen te geven. Dan kan men het werkelijk in de nabijheid van zulk een broedkolonie niet uithouden.

Hoe groot ook het aantal Vogels is, die zulk een kolonie bevolken, met de zwermen die zich vormen, als de reis naar ’t zuiden zal aanvangen, zijn zij niet te vergelijken. Duizenden voegen zich bij duizenden en het leger groeit aan, naarmate het verder trekt. Niet alleen soortgenooten, maar ook de Kauwen, die uit sommige landen van Middel-Europa wegtrekken, worden er in opgenomen.

In het Zuiden van Europa en in Noord-Afrika ziet men zelden zulke groote vluchten Roeken als bij ons. Het ontzaglijk groote leger, dat allengs bijeenkwam, heeft zich langzamerhand weer in benden verdeeld, die van de verschillende terreinen zoo goed mogelijk partij trachten te trekken. Het gaat hun echter in den vreemde, vooral in Afrika, dikwijls ver van voorspoedig. Het vruchtbare Nijldal biedt, naar het schijnt, geen ruimte en voedsel genoeg aan alle Roeken, die hier den winter komen doorbrengen. Zij begeven zich dan naar de nabijgelegen woestijnen om voedsel te zoeken, vinden het niet en bezwijken bij honderden van gebrek.

In de gevangenschap zijn de Roeken minder gezellig en vermakelijk dan de Raven en Kauwen; zij worden daarom niet zoo dikwijls als deze in de kooi gehouden.

Jonge Kraaien van allerlei soorten worden in verscheidene streken door de arme lieden gaarne gegeten; zij leveren over ’t algemeen een niet onsmakelijk gerecht.

Ten zuiden van den 18en graad N.B. ontmoet men voor ’t eerst een over Afrika en Madagaskar verbreide, kleine Raaf met zwakken snavel, die zich door de eigenaardige kleur van hare veeren onderscheidt: de Schildraaf (Corvus scapulatus); de Hollanders van Zuid-Afrika noemen haar “Bonte Kraai”. Met uitzondering van de geheele borst, een deel van den buik en een breeden band over den mantel, die schitterend wit zijn, is zij glanzig zwart. De donkere veeren iriseeren, de lichte hebben den glans van satijn. De oogen zijn lichtbruin, de snavel en de pooten zwart. Totale lengte 45 à 50, staartlengte 16 cM. Deze aan de Kaap zeer menigvuldige Vogel houdt zich hier en in de andere deelen van zijn verbreidingsgebied bij voorkeur in de nabijheid van menschelijke woningen op. In levenswijze komt zij met de gewone Kraai overeen.

Een andere Afrikaansche vertegenwoordiger van het Ravengeslacht is de Krengraaf (Corvus crassirostris). De reusachtige, buitengewoon dikke snavel, die langer is dan de kop, de lange vleugels en de tamelijk sterk trapvormige staart, zijn de belangrijkste kenmerken van deze soort, die 70 cM. lang wordt, waarvan 24 cM. op den staart komen. De koolzwarte veeren van de zijden van den hals hebben een donker purperkleurigen weerschijn, de overige veeren zijn blauwzwart, met uitzondering van de kleine dekveeren van het handgewricht, waar kastanjebruin en zwart dooreengemengd voorkomen, terwijl de achterkop en de nek ieder een peervormige, witte vlek vertoonen. De oogen zijn kastanjebruin, de pooten zwart, de snavel is aan de spits wit, overigens zwart.

Deze Vogels bewonen de gebergten in het noorden van Oost-Afrika, vooral die van Abessinië en van het Somali-land; waarschijnlijk strekt hun verbreidingsgebied zich westwaarts tot diep in de binnenlanden van Afrika uit; zij zijn echter alleen te vinden op hoogten van minstens 1200 M. tot aan de sneeuwgrens. Hier, op hoogvlakten en bij voorkeur in de nabijheid van veeperken en slachtplaatsen, leven zij paarsgewijs of tot kleine gezelschappen vereenigd, zonder de menschen [160]te mijden of te vreezen. Gezellig en verdraagzaam, evenals de meeste andere Raven, leven zij in goede verstandhouding met de krengen-etende Vogels, maar laten zich door hen niet van het aas verdrijven. In geval van nood eten zij Kevers en andere Insecten, waarschijnlijk ook allerlei vruchten; hun voornaamste voedsel bestaat echter uit afval van vleesch en beenderen. Om deze te verkrijgen, bezoeken zij de plaatsen, waar menschen wonen, volgen zij de kudden en ook de legers. Waarschijnlijk gelijkt de Krengraaf in ieder opzicht en dus ook door haar rooversbedrijf op haar verwante, de Zuid-Afrikaansche Ringhalskraai (Corvus albicollis), welker levenswijze door Levaillant beschreven is. Deze Vogel eet wel bij voorkeur krengen, maar valt ook levende dieren, vooral Schapen en jonge Gazellen aan, die hij de oogen en de tong uitpikt, om ze vervolgens te dooden en te verscheuren. Bovendien volgt hij de kudden van Buffels, Runderen en Paarden, zelfs den Neushoorn en den Olifant, die hem eveneens voedsel moeten verschaffen. Hij zou voor deze dieren gevaarlijk worden, als hij er de noodige kracht voor had; nu echter moet hij zich bepalen tot het hakken met den snavel in de wonden, die door Teeken en maden veroorzaakt zijn. Vele der genoemde Zoogdieren worden zoo erg gekweld door parasiteerende Gelede Dieren, dat zij de Halsbandkraai gaarne in hun rug laten pikken, zelfs als deze van het haar verleende verlof misbruik maakt en hun bloed laat vloeien, door behalve de Insecten ook de hun als woonplaats dienende etterende wonden uit te vreten.

Krengraaf (Corvus crassirostris). ⅕ v.d. ware grootte.

Krengraaf (Corvus crassirostris). ⅕ v.d. ware grootte.

*

De kleinste van de inheemsche Raven is de Kauw, Kerkkauw of Torenkraai, in Friesland Ka, Akke of Torenkraai genoemd (Colaeus monedula). Zij is 33 cM. lang en heeft een 18 cM. langen staart. Wegens haar korten en dikken, van boven weinig gebogen snavel wordt zij als vertegenwoordiger van een afzonderlijk geslacht beschouwd; de mondspleet is veel korter dan de loop. De veeren zijn op den bovenkop en de kruin donkerzwart, op den achterkop en den nek aschgrauw, op de overige bovendeelen blauwzwart, op de onderdeelen leikleurig of grijsachtig zwart; de iris is zilverwit, de snavel en de pooten zijn zwart. Witte en isabelkleurig witte Kauwen zijn niet al te zeldzaam.

Ook de Kauw komt niet slechts in het grootste deel van Europa, maar ook in vele landen van Azië voor; naar ’t noorden strekt haar verbreidingsgebied zich minstens zoover uit, als de graanbouw reikt. In het zuiden van Europa is zij zeldzamer dan in Nederland en Duitschland, nergens echter ontmoet men haar zoo veelvuldig als in Rusland en Siberië. Hier te lande en in Duitschland broedt zij volstrekt niet overal, waar men haar op grond van de aanwezigheid van geschikte nestelplaatsen zou kunnen verwachten; zij vestigt zich in het eene oord wel, in het andere niet, zonder dat men hiervoor een geldige reden weet aan te wijzen. Waar zij bij ons voorkomt, is zij met den Spreeuw en de Musch als ’t ware een huisvogel geworden; zij nestelt in onze dorpen en steden in menigte in schoorsteenen, op kerken of bouwvallen; bovendien ontmoet men haar in bosschen met breedbladige boomen, vooral in boschjes, die te midden van het veld staan, voor zoover hier holle boomen te vinden zijn. In Rusland en Siberië bevolkt zij alle dorpen in grooten getale, vestigt zich op de blokhuizen en nestelt onder de met hout bekleede daken, achter de vensterluiken en in alle andere eenigszins beschutte ruimten, waar plaats genoeg is voor het bouwen van een nest.

De Kauw is een wakkere, levendige, behendige en schrandere Vogel. In alle omstandigheden weet zij haar goede luim te behouden en de door haar bewoonde streek op een werkelijk aardige wijze te verlevendigen. Haar buitengewoon gezelligen aard toont zij niet slechts door zich met andere Vogels van haar soort tot groote zwermen te vereenigen, maar ook door zich te voegen bij vluchten van andere Kraaien, vooral van Roeken; zij trekt zelfs met deze mede naar ’t zuiden en vliegt om harentwil zoo langzaam mogelijk, want zij zelf is ook in ’t vliegen zeer bekwaam en gelijkt in dit opzicht meer op een Duif dan op een Kraai. Het vliegen kost haar zoo weinig inspanning, dat zij zich zeer dikwijls door allerlei koene wendingen tracht te vermaken, zonder doel of reden stijgt en daalt en allerlei bevallige bewegingen maakt. Zij is even schrander als de Raaf, maar toont alleen de beminnelijke eigenschappen van dezen Vogel. Haar lokstem klinkt als “jek” of “djer” en is werkelijk welluidend; in andere gevallen roept zij “krè” en “krie-jè. Haar loktoon [161]“jek jek” gelijkt sprekend op dien van den Roek; dit zal er ook wel toe bijdragen om de beide soorten zoo nauw met elkander te verbinden. Terwijl zij aan ’t minnekoozen is, snapt zij allerliefst; haar stem is trouwens buigzaam en vol afwisseling. Hierdoor is het verklaarbaar, dat zij zonder groote moeite het napraten van woorden of het nabootsen van andere geluiden, b.v. van hanengekraai, kan leeren.

Door de wijze waarop zij zich voedt, komt de Kauw nog het meest met den Roek overeen. Het lijdt geen twijfel, dat allerlei Insecten, Slakken en Wormen, het hoofdbestanddeel van haar maal uitmaken. De Insecten zoekt zij op de weiden en akkers bijeen of pikt ze van den rug der groote huisdieren af; vol vertrouwen volgt zij den ploegenden landman; op de straten wroet zij in den mest, bij de huizen in het afval; behendig vangt zij Muizen en jonge Vogels; eieren zijn voor haar een lekkernij. Niet minder graag is zij op allerlei plantaardige stoffen, vooral graankorrels, jonge spruitjes van graangewassen, knolvormige plantendeelen, jonge plantjes en uitspruitsels van groenten, bessen en ander ooft enz.; zij kan op deze wijze in groente- en oofttuinen een zoo niet groote, dan toch merkbare schade aanrichten; in Rusland en Siberië plundert zij ook wel de graanschoven en de dorschvloeren. Toch komt het mij voor, dat de diensten, die zij op de velden en akkers bewijst, niet minder groot, zoo niet van grooter belang zijn dan de door haar veroorzaakte schade.

De Kauw is in ons geheele land standvogel, ook in sommige gewesten van Duitschland, vooral in de zeeplaatsen; zelfs in Rusland en Siberië blijven vele Kauwen den winter over, hoe streng de koude hier ook zij. Uit vele streken van Duitschland trekken zij met de Roeken weg en keeren ter zelfder tijd als deze in ’t vaderland terug. Haar winterreis strekken zij uit tot het noordwesten van Afrika, het noordwesten van Azië en Indië. Zoodra de winter ons voor goed verlaten heeft, hebben alle paren hunne gewone broedplaatsen weer ingenomen, waar nu veel drukte en beweging heerschen. Enkele Kauwen nestelen te midden van de Roeken, verreweg de meeste echter hebben hiervoor gebouwen uitgekozen. Hier vindt elke spleet in den muur hare bewoners, zelfs zijn er gewoonlijk meer liefhebbers dan plaatsen. Dit geeft aanleiding tot vele twisten; iedere bouwlustige Kauw tracht hare mededingers zooveel mogelijk te verschalken. Het broedsel bestaat uit 4 à 6 eieren, zwartbruin gevlekt op licht groenachtig blauwen grond. De jongen worden door hunne ouders met Insecten en Wormen grootgebracht, met groote liefde behandeld en in geval van nood met grooten moed verdedigd. Zoodra een Uil, een Wouw of een Buizerd zich vertoont, wordt deze onder vreeselijk geschreeuw door een geheel leger van Kauwen aangevallen en uren ver vervolgd.

Geen der Raven wordt veelvuldiger in gevangenschap gehouden dan de Kauw. Haar vroolijke aard, behendigheid en schranderheid, gehechtheid aan haar meester, goedaardigheid en nabootsingsgave zijn wel geschikt om haar vrienden te verschaffen. Zonder moeite kan men haar, als zij jong gevangen is, aan het uit- en invliegen gewennen. Weldra heeft zij zich aan het huis van haar meester zoozeer gehecht, dat zij het zelfs in den herfst niet verlaat, of, zoo zij al met hare soortgenooten in zuidelijk gewesten gaat overwinteren, niet zelden in de volgende lente naar de woning, die haar dierbaar geworden is, terugkeert.

In Duitschland is op vele plaatsen de meening verbreid, dat de Kauwen bij ’t naderen van de cholera de steden verlaten, die het eerst aan de beurt zijn om door de gevreesde ziekte bezocht te worden. Het is volkomen waar, dat de Kauwen nu en dan voor een tijd weggaan; zij vluchten dan echter niet voor de cholera, maar begeven zich eenvoudig naar de akkers, zoodra de veldvruchten rijp zijn.

*

De Eksters (Pica) zijn langstaartige Raven, welker snavel over ’t geheel genomen denzelfden vorm heeft als die der Kraaien, hoewel de snavelrug sterker gekromd is; zij staan hoog op de pooten, hebben korte, afgeronde vleugels, welker spits gevormd wordt door de vijfde handpen, een sterk trapvormigen staart, die langer is dan het overige lichaam, en een goed gevuld vederenkleed.

De Ekster, bij Breda Atzel, in Friesland Bonte Ekster genoemd (Pica rustica)19, bereikt een lengte van 45 à 48 cM., waarvan 26 cM. op den staart komen. De kop, de hals, de rug, de keel, de gorgel en de bovenborst zijn glanzig donkerzwart, op den kop en den rug met groenachtigen weerschijn; de schouders, en een meer of minder volledige, dikwijls slechts flauw aangeduide dwarsband over den rug zijn, evenals de nog niet genoemde onderdeelen en de binnenvlag der handpennen, wit; de slagpennen zijn overigens blauw, haar buitenvlag en de dekveeren van de hand groen, alleen aan de spits donker, de stuurpennen donkergroen, aan de spits zwart, overal met metaalachtigen, meestal koperkleurigen weerschijn. De oogen zijn bruin, de snavel en de pooten zwart.

Het verbreidingsgebied van de Ekster omvat Europa en Azië, van den noordelijken woudgordel tot Perzië en Kasjmir. In de meeste landen en gewesten komt zij veelvuldig voor, in andere ontbreekt zij bijna geheel; zoo ziet men haar in vele provinciën van Spanje in ’t geheel niet, terwijl zij in andere gemeen is; bovendien vermijdt zij in den regel hooge gebergten, boomvrije vlakten en uitgestrekte bosschen. Boschjes te midden van het veld, boschranden en boomgaarden zijn hare eigenlijke woonplaatsen. Gaarne vestigt zij zich in de nabijheid van menschelijke woningen; overal, waar men haar duldt, wordt zij buitengewoon gemeenzaam of liever gezegd indringerig. In Skandinavië, waar men haar in zekeren zin als de heilige Vogel van het land beschouwt, slaat zij niet in den tuin, maar in de hofstede zelf haar woning op en bouwt op bepaaldelijk voor haar aangebrachte uitbouwsels onder de daken haar nest. Overal, waar zij voorkomt, is zij standvogel in den volsten zin van ’t woord. Haar eigenlijk woongebied is klein en zij verlaat het nooit. Als zij in een dorp uitgeroeid wordt, duurt het vele jaren, voordat zij van de grenzen af er weder binnenkomt. Alleen in den winter zwerft zij, hoewel steeds nog in beperkte mate, verder rond dan gewoonlijk.

De levenswijze en gewoonten van de Ekster herinneren wel is waar in vele opzichten aan die van de Kraaien, maar verschillen er toch in andere niet onbelangrijk van. Zij gaat stappend als een Raaf, maar heeft daarbij een andere houding; want zij heft den langen staart omhoog en beweegt hem wippend, zooals de Lijsters en de Roodborstjes doen. Haar logge wijze van vliegen, welke geheel anders is dan die van de eigenlijke Raven, vereischt veelvuldige vleugelslagen en wordt reeds bij eenigszins krachtigen wind onzeker en langzaam. De Raaf vliegt voor haar vermaak uren lang rond; de Ekster gebruikt hare vleugels alleen, als zij [162]moet. Zij begeeft zich van den eenen boom naar den anderen of van den eenen struik naar den naastbijzijnden, nooit echter zonder noodzaak. Hare zintuigen zijn, naar het schijnt, even volkomen als die van de Raaf; ook door haar verstand staat zij volstrekt niet bij deze achter. Zij weet zeer goed ongevaarlijke menschen en dieren van gevaarlijke te onderscheiden: jegens menschen is zij steeds op haar hoede, jegens dieren, die zij niet behoeft te vreezen, driest en in sommige gevallen wreed. Gezellig van aard, evenals alle leden van haar familie, mengen de Eksters zich gaarne onder de Raven en Kraaien en zwerven ook wel met de Notenkrakers rond; zij vereenigen zich echter bij voorkeur met andere dieren van haar soort tot kleine of groote vluchten, welker leden gemeenschappelijk jagen en over ’t algemeen innig deelnemen aan elkanders vreugde en leed. Gewoonlijk ziet men ze familiesgewijs. Haar heesche stem klinkt als “sjak” of “krak”, welke beide klanken dikwijls verbonden worden tot “sjakerak”. Deze geluiden dienen als loktoon en waarschuwingsroep; de intonatie verschilt, al naar de beteekenis, die er aan gehecht wordt. In de lente, vóór en gedurende den paartijd, babbelt zij uren achtereen en laat een verbazingwekkend aantal gelijksoortige en toch verschillende geluiden hooren. Te recht is haar gesnap spreekwoordelijk geworden.

Insekten en Wormen, Slakken, allerlei kleine Gewervelde Dieren, bessen, kersen en andere saprijke vruchten, graankorrels en allerlei zaden maken het voedsel van de Ekster uit. In de lente richt zij groote schade aan; daar zij de nesten van alle Vogels, die zich tegen haar niet kunnen verweren, zonder mededoogen uitplundert en een sterk bevolkten tuin in den letterlijken zin van ’t woord uitmoordt. Ook de hoenderparken, eendenfokkerijen, fazantentuinen, de kweekerijen van pluimvee in ’t algemeen, hebben veel van haar te lijden; zij vangt zelfs oude Vogels en doet dit, gelijk Naumann zegt, dikwijls geheel onverwachts; daar hare slachtoffers, omdat zij voortdurend met hen in gezelschap is, jegens haar geen argwaan toonen en zich dus, terwijl zij veilig meenen te zijn, door haar laten verschalken. Hoewel zij zich bovendien ijverig met de muizenjacht bezig houdt en vele schadelijke Insecten, Slakken en dergelijk ongedierte vangt en verslindt, moet zij zonder eenigen twijfel tot de schadelijke dieren gerekend worden, daar zij minder bij deze, dan bij de nuttige dieren haar roofzucht openbaart.

De Noren beweren, dat de Ekster op Kerstmis het eerste takje brengt naar de plaats, waar zij nestelen zal; bij ons en in Duitschland gebeurt dit gewoonlijk niet voor het einde van Februari. Zij nestelt veelal in de toppen van hooge boomen, alleen daar, waar zij zich volkomen veilig acht, in hakhout of lage struiken, b.v. in de groote doornstruiken van onze duinen. Dorre rijsjes en doornen vormen de grondlaag van haar nest; hierop volgt een dikke laag leem, dan eerst komt de eigenlijke nestholte, die uit haren van dieren en fijne wortelvezels bestaat en zeer zorgvuldig bewerkt is. Het geheele nest wordt van boven, op een zijdelingsche opening na, met een dak van doornen en droge rijsjes voorzien, dat wel doorzichtig is, maar den broedenden Vogel toch volkomen tegen mogelijke aanvallen van Roofvogels beveiligt. Het broedsel bestaat uit 7 of 8 eieren, die op groenachtigen grond met olijfbruine streepjes en vlekjes bedekt zijn. Na een bebroeding van drie weken komen de jongen uit; deze worden vervolgens door de beide ouders met Insecten, Regenwormen en slakken gevoederd, totdat zij zelfstandig zijn. Zoowel de vader als de moeder toonen veel liefde voor hun kroost en verlaten het nooit. Het is ons gebleken, dat een Ekster, waarop wij geschoten hadden, nog voortging met broeden met een hagelkorrel in zijn lichaam. Weinige Vogels naderen hun nest met grooter voorzichtigheid dan de Ekster, die alle mogelijke listen in toepassing brengt, om de plaats waar zij broedt, geheim te houden.

Jong uit het nest genomen Eksters worden buitengewoon tam, kunnen met vleesch, brood, gestremde melk, versche kaas gemakkelijk grootgebracht worden, geraken zoozeer gewoon aan de gevangenschap, dat men ze naar vrije verkiezing kan laten rondvliegen, laten zich tot het verrichten van kunstjes africhten, leeren liedjes fluiten en enkele woorden spreken en verschaffen hare verzorgers hierdoor veel genoegen, door haar zucht tot het wegnemen van schitterende voorwerpen trouwens ook last.

De mensch, die de kleine vogeltjes tracht te beschermen, wordt vroeger of later een beslist vijand van de Ekster en verdrijft haar zonder medelijden uit het aan zijn zorg toevertrouwde gebied. Door haar slimheid en sluwheid weet zij zelfs den geoefendsten jager in spanning te houden en hem te nopen van verstand en list gebruik te maken. Behalve den mensch, heeft deze schrandere en moedige Vogel waarschijnlijk alleen van de sterkste Roofvogels vervolgingen te verduren. Het meest heeft zij den Havik te vreezen, tegen wiens aanval alleen dicht struikgewas haar beveiligen kan.

*

De Blauwraven (Cyanocorax) behooren in Middel- en Zuid-Amerika thuis. Een van de meest verbreide soorten van dit geslacht is de Kapdragende Blauwraaf (Cyanocorax chrysops), zoo genaamd, omdat de opstaande, fluweelzwarte veeren van den bovenkop en den voorkop duidelijk te samen één geheel uitmaken en een soort van kap vormen. Bovendien hebben ook de teugels, de zijden van den hals, de keel en de voorhals tot aan de borst een koolzwarte kleur; de nek, de rug, de vleugels en de staartveeren (voor zoover deze niet door de vleugels bedekt worden) zijn ultramarijnblauw, aan den wortel zwart; de onderdeelen, van de borst tot aan de stuit, de onderdekveeren van den vleugel en de spits van den staart zijn geelachtig wit; boven en onder het oog komt een hemelsblauwe, breede, halvemaanvormige vlek voor; een dergelijke vlek versiert den wortel van den ondersnavel; de eerstgenoemde is van boven zilverkleurig gezoomd. De oogen zijn geel, de snavel en de pooten zwart. Deze 35 à 37 cM. lange Vogel (staartlengte 17 cM.), bewoont alle warme gewesten van Zuid-Amerika, van Paraguay af noordwaarts.

*

De Kitta’s (Cissa) zijn slank gebouwde, voor ’t meerendeel Indische Vogels, met schitterend gekleurde veeren. De Langstaartige Chineesche Kitta (Cissa erythrorhyncha), een der fraaiste soorten van dit geslacht, heeft een lengte van 58 cM., waarvan 42 cM. op den staart komen. De kop, de hals en de borst zijn, met uitzondering van een witte, overlangsche vlek, die zich over den kop en den rug uitstrekt en langzamerhand in blauw overgaat, donkerzwart; de rug en de mantel zijn licht kobaltblauw; de bovendekveeren van den staart hebben dezelfde kleur, maar zijn met een breede, zwarte spits voorzien; de onderdeelen, bij de borst te beginnen, zijn witachtig met een roodachtig aschkleurige tint, de vleugels schitterend kobaltblauw, de binnenvlag van de slagpennen echter [163]zwart; alle vleugelveeren hebben witte spitsen. De oogen zijn karmijnroodbruin, de pooten bleek vermiljoenrood, de snavel is koraalrood.

De Langstaartige Chineesche Kitta komt voor in het westelijk gedeelte van den Himalaja. In China, vooral in de bosschen om Hongkong, wordt zij veelvuldig aangetroffen. In Oost-Indië (o.a. op Sumatra) ontmoet men een meer groenblauwe, langstaartige soort (Cissa venatoria). De Javaansche (C