The Project Gutenberg eBook of Reisbrieven uit Afrika en Azië

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Reisbrieven uit Afrika en Azië

Author: Aletta H. Jacobs

Illustrator: André Vlaanderen

Release date: July 25, 2009 [eBook #29507]
Most recently updated: January 5, 2021

Language: Dutch

Credits: Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REISBRIEVEN UIT AFRIKA EN AZIË ***


[Inhoud]
Oorspronkelijke voorkant: Reisbrieven uit Afrika en Azië door Aletta H. Jacobs, W. Hilarius Wzn.—Almelo
[Inhoud]
Dr. Aletta H. Jacobs.

Dr. Aletta H. Jacobs.

Reisbrieven uit Afrika en Azië

Benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen

Uitgeverslogo: Werkend hopen.

Tweede goedkoope druk
Gedrukt en uitgegeven in het jaar 1915
Door W. Hilarius Wzn. te Almelo

[Inhoud]

Boekdrukkerij W. Hilarius Wzn., Almelo. [III]

[Inhoud]

Inhoud.

  1.   Bladz.
  2. Het zesde internationale Congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht. 1
  3. Naar Dalecarlië. 17
  4. Op weg naar Alisco. 27
  5. Lapland. 32
  6. Het land van de Middernachtzon. 39
  7. Om de Noordkaap. 44
  8. Op den terugweg van Lapland. 54
  9. Aan boord van de “Walmer Castle”. 57
  10. Madera. 62
  11. Aan boord van de “Saxon”. 71
  12. Aankomst in Kaapstad. 84
  13. Ons verblijf in Kaapstad. 90
  14. De reis naar Port Elisabeth en bezoek bij Olive Schreiner. 102
  15. Ons verblijf in Port Elisabeth. 110
  16. Ons verblijf in Bloemfontein. 117
  17. Ons verblijf in Kimberley. 125
  18. In den trein door Rhodesia en aankomst in Zambesie. 132
  19. De Victoria Watervallen. 139
  20. In Pretoria. 145
  21. Johannesburg. 158
  22. Durban. 166
  23. Aan boord van de “Avondale Castle”. 173
  24. In Zanzibar en Mombasa. 184
  25. Tusschen Mombasa en Port-Saïd. 193
  26. In Palestina. 201
  27. Van Jeruzalem naar Beirût. 227[IV]
  28. Algemeenheden en indrukken over onzen laatsten tocht. 237
  29. In Quarantaine. 243
  30. Caïro. 251
  31. Aan boord van de “Prinses Juliana”. 279
  32. Op Ceylon. 285
  33. In Britsch-Indië van Colombo tot Madras. 312
    1. Bombay. 323
    2. Van Bombay tot Jaipur. 339
    3. Van Agra tot Delhi. 349
    4. Van Delhi tot en met Lucknow. 351
    5. Benares. 366
    6. Calcutta en Darjeeling. 374
  34. In Burma. 385
  35. Burma en opweg naar Penang. 393
  36. Penang en Medan. 401
  37. Aan boord van de “Van Noort” en aankomst te Batavia. 409
  38. Op Java. 416
  39. Op Sumatra’s Westkust. 432
  40. Op Java. 456
  41. Aan boord van de Tjimanoek. 507
  42. Hongkong. 515
  43. In de Philippijnen. 522
  44. In China. 576
  45. In Japan. 673
  46. Op den terugtocht. 705
[V]
[Inhoud]

Voorwoord.

Met zekeren schroom zend ik deze brieven, die als dagbladartikelen bedoeld waren en door “De Telegraaf” gepubliceerd werden, thans in boekvorm de wereld in. Nooit is bij het neêrpennen er van de gedachte in mij opgekomen dat zij dien weg nog eenmaal zouden nemen. Eerst toen ik in het land terug was en van zoo verschillende zijden het verzoek tot mij kwam om die brieven te verzamelen en in boekvorm uit te geven, ben ik daartoe schoorvoetend over gegaan.

Maar al te goed ben ik mij bewust dat er aan vorm en stijl veel ontbreekt en dat zij flink onder handen hadden moeten worden genomen, alvorens zij op nieuw gedrukt en uitgegeven werden. Daartoe ontbrak mij de tijd. Doch ook indien ik aan het veranderen was begonnen, zou ik de lust niet hebben kunnen weerstaan om in menige brief wat uitvoeriger over verschillende punten uit te weiden en hier en daar onderwerpen tusschen te voegen, die in dagblad-artikelen minder op hun plaats waren. Daardoor zouden dan evenwel deze brieven, die nu reeds zulk een grooten omvang bezitten, veel te uitgebreid zijn geworden.

Zooals men goede vrienden op de hoogte houdt van wat men ziet en ondervindt op een langdurige reis door vreemde landen, zoo schreef ik ’s avonds, dikwijls na een vermoeienden dag, mijne wedervaringen neder. Geen dag ging voorbij, waarop ik niet eenige uren aan dit werk besteedde. Daardoor zijn het zuivere afdrukken geworden van de indrukken die ik ontving.

Dat over de positie der vrouw in verschillende landen met voorliefde [VI]gewag wordt gemaakt is heel verklaarbaar. De reisgidsen en meeste beschrijvingen over de landen die wij bezochten, die mijne reisgezellin en mij in handen kwamen, spreken over de vrouwen van het land niet of slechts zeer oppervlakkig. Wij moesten daardoor zelf datgene onderzoeken, wat ons het meeste belang inboezemde. Hieruit zou al van zelf volgen dat dit bij het wedergeven van mijne indrukken dikwijls op den voorgrond moest treden, maar ook omdat wij de positie dier vrouwen in sommige gevallen eene verrassend gunstige vonden en in alle Aziatische landen “het ontwaken der vrouw”, haar strijd voor verheffing, zoo duidelijk voor oogen zagen, kon ik mijne vreugde daarover in mijne brieven niet onderdrukken.

Aan mijne reis door Afrika en Azië ging een zesweeksche tocht door Zweden en rond de Noordkaap vooraf. Ik heb gemeend ook de brieven, die ik daarover schreef, in dezen bundel te moeten opnemen; voor mij zelve toch begon daarmede mijn reis en zijn zij daarom in deze “Reisbrieven” te huis.

Aletta H. Jacobs.

[1]
[Inhoud]
Ornament

Het zesde internationale congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht.

Stockholm, 12 Juni 1911.

I.

Is het omdat het mooie Zweden zoo velen heeft gelokt, of moet het toegeschreven worden aan het niet meer te loochenen feit, dat in alle landen de vrouwen beginnen te ontwaken en de groote waarde van het kiesbiljet beginnen te beseffen en zij in deze twee-jaarlijksche congressen van den Wereldbond de opvoedende kracht voelen, die haar tot den strijd voor politieke vrijheid geschikt maakt, zeker is, dat nog nimmer te voren zoo vele vrouwen uit verschillende landen bijeen kwamen, om te hooren bespreken op welke wijze wij elkander in dezen strijd het best kunnen steunen en hoe de regeeringen van de landen, waar de vrouwen het kiesrecht hebben, ons in dezen strijd kunnen ter zijde staan.

Met een gevoel van nationalen trots deel ik mede, dat Nederland, of liever de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, met ruim veertig van hare leden op dit congres vertegenwoordigd is en dat deze groote vertegenwoordiging door de Zweedsche vrouwen en door het bestuur van den Wereldbond ten hoogste wordt op prijs gesteld en wij in sommige opzichten een zeer bevoorrechte plaats innemen. Ook de Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht in Nederland is zeer waardig vertegenwoordigd door zijnen president, den luitenant-kolonel Mansfeldt uit Utrecht, en zijne beide secretarissen, de heeren Kehrer uit Gorinchem en Van der Mandere uit Den Haag. Verder liet de Nationale Vrouwenraad van Nederland zich vertegenwoordigen door hare [2]presidente, mej. Baelde uit Rotterdam, die tevens presidente is van de Rotterdamsche afdeeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht. Op voorstel van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht zond mrs. Catt eene uitnoodiging aan den Bond voor Vrouwenkiesrecht, welke deze beleefdheid beantwoordde met mevrouw Isaachsen en mej. Boissevain als afgevaardigden te zenden.

Nu ik toch over de vertegenwoordiging ben begonnen te schrijven, wil ik meteen mededeelen, dat 22 landen afgevaardigden zonden en dat het door ons allen hier betreurd wordt, dat België, op het Londensch congres zoo schitterende door zijn vijf bekwame afgevaardigden, thans geen vertegenwoordigsters zond, terwijl Italië op ’t laatste oogenblik moest berichten, dat haar afgevaardigde door ziekte verhinderd was te komen. Daartegenover staat echter, dat IJsland thans drie afgevaardigden zond, Servië en Bulgarije goed vertegenwoordigd zijn en dat van Portugal een schrijven inkwam met ’t verzoek zich door Dr. Aletta Jacobs te mogen laten vertegenwoordigen. Daar elk land echter zijne eigen vertegenwoordigsters moet zenden, is het verzoek van Portugal door het Bestuur van den Wereldbond afgewezen, doch is er besloten, als de statuten van de Portugeesche organisatie goedgekeurd zijn, dit land toch in den Wereldbond op te nemen. Ook van de vrouwen van Rumenië en Gallicië waren schriftelijke verzoeken ingekomen om zich bij den Wereldbond te mogen aansluiten.

Het is van meer dan eene beteekenis, als men reeds eenige dagen vóór zulk een congres begint, in de stad aanwezig is en de voorbereiding kan gadeslaan. Nog zoo kort geleden had ik zelf zulk eene voorbereiding geleid, toen in 1908 in Amsterdam het congres aldaar plaats vond, en ’t was met niet weinig genoegdoening dat ik zag, hoe het Bestuur in Zweden van de door ons land verstrekte aanwijzingen geprofiteerd heeft en met inachtneming van de voor elk land bijzondere wijzigingen, onze organisatie heeft gevolgd. Ook in Zweden bestond een centraal comité, met tal van sub-comité’s, die al het werk verricht hebben en die ieder voor zich de hulp hebben ingeroepen van zoovele en zulke leden der vereeniging, die daarvoor het meest geschikt bleken.

Reeds direct bij het binnenkomen van Stockholm werden de aankomenden verrast door een zeer groote vlag in de [3]kleuren van den Wereldbond, wit met goudgeel, wapperende boven een tafel, waarachter een drietal dames zaten, die de gasten alle noodige inlichtingen verschaften en hen met het verkrijgen van bagage, omnibus of rijtuig behulpzaam waren en voor zoover zij zich niet van te voren door het reisbureau van een goed hotel hadden voorzien, hen hielpen een goed hotel of pension te vinden.

In het Grand-Hotel, alwaar het hoofdkwartier gevestigd is, hebben honderd afgevaardigden een kamer gevonden, doch bovendien zijn in dit hotel vele kamers gereserveerd voor het centraalbureau, alwaar alle mogelijke inlichtingen verkregen kunnen worden omtrent het te houden congres. Verder is er een bureau voor vreemdelingenverkeer, alwaar alle inlichtingen omtrent uitstapjes in de omgeving van Stockholm en voor verdere tochten, na afloop van het congres gegeven worden; zijn er twee kamers, waarin de propagandamiddelen der verschillende landen op afzonderlijke tafels zijn uitgestald, alsmede de brochures, boeken en vlugschriften, die voor propagandalectuur dienst doen. Een kamer is gereserveerd voor de pers, een andere voor schrijfkamer der afgevaardigden en een heel smaakvol ingericht vertrek, met vele cosy-corners, geeft gelegenheid om met elkaar eens een oogenblik rustig te praten. Ook de vergaderingen van het congres worden in de feestzaal van het Grand-Hotel gehouden, alwaar 600 afgevaardigden en plaatsvervangende afgevaardigden een ruime zitplaats vinden.

Deze feestzaal ziet er schitterend uit, nu zij is uitgedost met bloemen en groen, en bovendien zeer smaakvol gedécoreerd met de nationale kleuren, geel en blauw, dooreengevlochten met de kleuren van den Wereldbond, wit en goudgeel.

Wanneer men de dagen vóór het congres in de vertrekken kwam, waarin het centraalbureau gezeteld is, dan kreeg men den indruk van in ’n woeligen bijenkorf aangeland te zijn, waarin enkele hoofdpersonen rustig en kalm doorgaan met het inschrijven van nieuwe leden, het uitschrijven van invitatiekaarten, het enveloppeeren van de vele noodige stukken voor alle afgevaardigden, het innen van contributiën van hen, die niet in de bevoorrechte positie verkeeren alles vrij te hebben, enz., terwijl tal van andere dames de steeds meer binnenkomende gasten van heinde en ver te woord staan, en haar, [4]naar gelang harer positie in dezen bond voor de gevraagde inlichtingen verwijzen naar de verschillende tafels, waar zij geholpen kunnen worden. Aan alles is hier gedacht, niets is vergeten. De meest zorgelooze afgevaardigde, die tehuis alles zou hebben laten liggen, kan hier nog opnieuw van alles voorzien worden. Voor ons Hollanders is zeker opmerkelijk, hoe Zweden’s aristocratische vrouwen hier zusterlijk samenwerken met de vrouwen uit allen rang en stand, de hoofdplaatsen overlatende aan diegenen, die daarvoor de meeste geschiktheid bezitten. Onder de drie dames in het tentje aan het station was een van Zweden’s vrouwen uit de hoogste kringen, die zich niet te voornaam vond onze handtasschen onmiddellijk over te nemen, ze naar het gereed staande rijtuig te brengen en ons welkom te heeten in Zweden’s hoofdstad.

Maar nog in een ander opzicht steekt dit congres schitterend af bij dat, hetwelk drie jaar geleden in Amsterdam werd gehouden. Stuitten in Amsterdam al onze pogingen af om op de een of andere wijze voor onze buitenlandsche gasten een officieele ontvangst van de stad te verkrijgen, weigerde men daar zelfs om, zooals bij zulke gelegenheden gebruikelijk is, de gasten op het stadhuis te ontvangen, als wij alle daarvoor te maken onkosten op ons namen, hier in Stockholm heeft de gemeenteraad het centraal-comité gesteund met 3000 kronen om daarvoor allen gasten ’n uitstapje naar een van Stockholm’s mooie omgevingen te bereiden, ontving elke vreemdelinge een keurig, in wit met goud gedrukt en gebonden boekje, waarin een platte grond van Stockholm, tal van mooie stadsgezichten en eene verhandeling van alle wetenswaardigheden op sociaal en wetenschappelijk gebied, namens de stad Stockholm cadeau. De burgemeester van Stockholm, Carl Lindhagen, wij wisten het reeds allen vóór wij in Zweden aankwamen, is dan ook een groot voorstander van de zaak, waarvoor wij hier bijeen zijn en een oprecht vriend der vooruitstrevende vrouwen. Teekent hem dat niet genoeg als een supérieur mensch?

Den Vrijdagavond, aan het congres voorafgaande, was onze presidente, mrs. Carrie Chapman Catt, die (dit ter geruststelling van hare talrijke vrienden) er sterker en gezonder uitziet dan ooit te voren, reeds met de leden van het Bestuur van den Wereldbond bijeen, om eene voorafgaande bestuursvergadering [5]te houden en den daaropvolgenden Zaterdagavond had eene vergadering plaats van het algemeen bestuur, bestaande uit de zeven bestuursleden van den Wereldbond en alle presidenten van de aangesloten landen, die ex-officio vice-presidenten van het Bestuur van den Wereldbond zijn. In deze vergaderingen werden alle huishoudelijke zaken besproken, zaken die beter zijn voorloopig nog niet door de pers wereldkundig te worden. Deze beide vergaderingen werden in den prachtigen salon van de presidente gehouden; het huiselijk karakter werd er van verhoogd, doordat onderwijl, door eenige gedienstige geesten, verfrisschende dranken, sandwiches en gebakjes werden aangeboden.

Zaterdagmiddag werd reeds voor tal van genoodigden een schitterende tea gehouden, op uitnoodiging en ten huize van de weduwe van Zweden’s grooten physioloog, prof. Holmgren. Deze oude dame en hare tal van gehuwde dochters, zijn zulke groote voorstandsters van vrouwenkiesrecht, dat zij zich, totdat deze zaak voor Zweden’s vrouwen een opgeloste kwestie zal zijn, aan niets anders op maatschappelijk gebied wijden, en hare groote krachten, energie en geld geheel ten dienst dezer beweging gebruiken. Holland riep bij deze oude dame aangename herinneringen wakker, omdat zij vroeger dikwijls met haar man in Utrecht de gast van onzen onsterflijken Donders was geweest.

Voorafgaande aan het congres en daarmede niet samenhangende, doch voor duizenden, vreemdelingen zoowel als Zweden, een waar geestelijk genot, was de preek van dominee Anna Howard Shaw, Zondagmiddag half drie in de Gustav Wasa kerk te Stockholm gehouden. Deze enorm groote kerk was van boven tot onder met een dichtopeengepakte menschenmassa gevuld; tusschen de stoelen, in de midden- en zijgangen, op alle treden van de trappen, die naar de galerijen leiden, en zelfs in de vensternissen hadden zich de toehoorders opeengepakt. Gedurende de preek van reverend Shaw, die meer dan een uur duurde, bleef die menigte in ademlooze stilte geboeid. Die ontzaglijke menigte inspireerde haar gewis, want na afloop hoorde men van alle kanten, “nooit te voren heeft zij zoo goed gesproken”. De Gustav Wasa kerk is de grootste protestantsche kerk in Stockholm, de staatskerk. De aanwezige predikanten waren zoo voldaan over het gehoorde, dat zij na [6]afloop het centraal-comité hunne tevredenheid betuigd hebben en zeiden er trots op te zijn, dat zij zulk eene vrouw het verkondigen van Gods woord in hunne kerk niet geweigerd hebben.

Zondagmiddag waren weder tal van tea’s georganiseerd, werden er bezoeken gebracht aan het vondelingengesticht en vele musea en desavonds gaf mevrouw Nordenson, de presidente van het ontvangstcomité een schitterend avondfeest in een van de zalen van het restaurant Rozenbad.

Hedenochtend, precies klokke tien, liet de presidente den hamer vallen en vingen de zittingen aan. De ochtendvergadering was geheel gewijd aan voorbereidende werkzaamheden. Zoo werd onze landgenoote mej. Martine Kramers aangesteld, om al het gesprokene voor de alleen Fransch sprekende landen, onmiddellijk in het Fransch te vertalen, en mevr. Lindemann uit Stuttgart, om alles in het Duitsch weer te geven, voor die afgevaardigden, die alleen Duitsch spreken. Door eene der Amerikaansche afgevaardigden werd den Wereldbond een zeer mooie hamer aangeboden, die gezonden was door de vrouwen van den staat Washington, die daarmede een bewijs van dank aan den Wereldbond betuigden voor de hulp haar verleend bij het herwinnen van haar politieke rechten, den 8en Nov. 1910. Ik schrijf “herwinnen”, omdat de vrouwen van den staat Washington, zoolang het een Territorium was, gelijke politieke rechten met de mannen bezaten, doch toen het in 1890 tot staat werd verheven, hare politieke rechten verloren. Twintig jaren van hardnekkigen strijd heeft het dezen vrouwen gekost, om die rechten te herwinnen.

Onder de Finsche afgevaardigden waren tal van vrouwen-parlementsleden. Hadden wij in vorige congreszittingen dikwijls het voorrecht, afgevaardigden met politiek stemrecht en zelfs vrouwen-gemeenteraadsleden in ons midden te hebben, hier tellen wij voor het eerst regelrechte parlementsleden onder onze medewerksters. Dat dezen, toen haar namen van de rol der afgevaardigden werden opgelezen, met de bijvoeging M.P. (member of Parliament, volksvertegenwoordigster), met groot enthusiasme ontvangen werden, is te begrijpen.

De regeering van Noorwegen had de eenige vrouwelijke volksvertegenwoordigster van dat land, Anna Rogstad, als regeeringsafgevaardigde gezonden, maar daar zij op dit oogenblik [7]in Noorwegen in het parlement aanwezig moet zijn, zond zij dr. Christine Bonnedy als haar plaatsvervangster.

Hedenmiddag om 2.30 had de feestelijke opening van het congres plaats in de groote zaal van de Koninkl. Academie voor muziek. De regeering van Zweden, die eene uitnoodiging had ontvangen tegenwoordig te zijn, beantwoordde die beleefdheid door den minister van Buitenlandsche Zaken, graaf Taub, in ons midden te zenden. Deze conservatieve minister had zich bij het pas behandelde en gevallen vrouwenkiesrecht-wetsontwerp doen kennen als een groot tegenstander. Niet weinig getuigt het voor den inhoud van het openingswoord van de presidente, mrs. Chapman Catt, dat een schitterende rede was, zooals wij van deze vrouw gewoon zijn, en van al het gehoorde en geziene in deze bijeenkomst, dat de minister na afloop zich naar het podium begaf, mrs. Catt de hand drukte en haar de verzekering gaf, dat hij in dezen éénen middag van tegenstander voorstander was geworden.

Het groote evenement van dezen middag was het aanbieden van een prachtige witte banier, met goud geborduurd, aan den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht. De Wereldbond heeft nu zijn eigen banier, die voortaan bij alle congressen op het podium zal prijken. Door zes meisjes-studenten in hare studenten-uniform, werd de banier binnengedragen, gevolgd door een koor van dertig meisjes, die het Zweedsche vrouwen-vrijheidslied zongen.

Door den president en leider der federatie van liberale politieke partijen in Zweden, den heer Beckmann, lid van het parlement, werden de vrouwen aangespoord voort te gaan te agiteeren, omdat hetgeen zij beoogen niet alleen den vrouwen, maar allen landen ten goede zal komen, en werd de verzekering gegeven, dat de liberale politieke partijen in Zweden niet zullen rusten, vóór dat de Zweedsche vrouwen volkomen gelijke politieke rechten als de mannen verkregen hebben.

Hedenavond om 8 uur zal een groot feest gegeven worden in de zeer groote ontvangstzaal van het Grand Hotel, waar een paar duizend personen ontvangen kunnen worden. In aangrenzende vertrekken zullen buffets met ververschingen zijn, om den inwendigen mensch te versterken. Wat verder voor verrassingen nog te wachten zijn, hoop ik in een volgend schrijven mede te deden. [8]

II.

Moest ik mijn vorigen brief eindigen toen pas den eersten dag van het congres afgeloopen was, dezen kan ik nu gebruiken om na afloop een overzicht te geven van het geheel. Niet in alle détails van de discussiën behoef ik nu af te dalen, maar in groote trekken kan ik mededeelen, over welke onderwerpen de discussiën geloopen hebben, welke resultaten die gehad hebben en door wie er in hoofdzaak aan werd deelgenomen. Over de feestelijkheden kan ik nu een overzicht geven, zonder bij alles in den breede stil te staan. Dit neemt toch niet weg, dat ik alle feestelijkheden even de revue laat passeeren en de voornaamste punten aanstip.

Zoo was Maandagavond, den openingsavond van het congres, allen leden een feest aangeboden in de ontvangstzaal van het Grand Hôtel Royal, waar, ook al weder evenals in Amsterdam, eene cantate voor dit doel was samengesteld, die gecomponeerd was en geleid werd door de 70-jarige Elfrida Andree. Door de oude mevrouw Holmgren werd dien avond de welkomstgroet uitgesproken in vier verschillende talen.

De Dinsdagavond mag geen feestavond genoemd worden, omdat dien avond eene groote openbare vergadering gehouden werd in het Operagebouw. Hoewel ’t geen feestavond was, geloof ik toch, dat er dien avond meer geestelijk genot gesmaakt werd, dan op een der andere avonden. Door mrs. Chapman Catt werd de vergadering geleid en werden de zes verschillende spreeksters bij het publiek geïntroduceerd. Dit geschiedde op de haar eigen gepaste geestige, soms guitige wijze, die ook niet weinig trots inhield om op één avond in een zoo ver afgelegen land, zes zulke vrouwen, als deze zes spreeksters waren, bij het publiek te kunnen inleiden. Terecht werd de vraag in een der couranten geopperd, welke internationale mannenvereeniging kan op één avond met zes zulke sprekers uitkomen?

Het eerst gaf zij het woord aan Helene Westermarck, uit Finland. Wie, die een beetje in de wetenschappelijke wereld bekend is, is deze naam niet eigen als van een goeden bekende. Hare ethnologische werken, vooral haar werken over “het huwelijk bij alle volkeren”, hebben haar een onsterflijken naam bezorgd. Helene Westermarck sprak in het Fransch. Meesterlijk [9]is zij die taal machtig. Na eene uiteenzetting van den toestand der vrouwen in Finland, met nadruk wijzende, hoe die verbeterd werd sedert de vrouwen aldaar alle politieke rechten bezitten, spoorde zij de tallooze menigte aan, om niet den strijd op te geven, alvorens de vrouwen in alle landen van de bevoogding der mannen bevrijd waren. Een eerbiedige hulde bracht zij aan al die vrouwen, die, ieder in eigen land, den moed hebben getoond, dezen strijd aan te binden en voor bespotting, verguizing en verkeerde beoordeeling niet teruggeweken zijn.

Na haar kwam de ook in ons land alom bekende en geliefde Rosika Schwimmer aan het woord. Zij bracht met haar luimige speech alle aanwezigen telkens in een uitbundig gelach. Zij begon met het verhaal, dat ganzenhoeders beweren, dat, wanneer zij de ganzen een zekere grens niet willen laten overschrijden, zij dan een lijn trekken bij die grens; de ganzen zullen dan nimmer over die lijn gaan. De vrouwen vergeleek zij bij zulke ganzen. De mannen hadden voor haar een lijn getrokken, waar het politieke leven begint en tot voor niet heel lang hebben de vrouwen gemeend, die lijn niet te mogen overschrijden. De reden, die de mannen daarvoor opgeven, komt in hoofdzaak daarop neer, dat in de politiek het rijk der logica heerscht en dat vrouwen niet logisch kunnen denken. Daarom hebben vrouwen eeuwen lang den kop omgedraaid, zoodra ze aan de lijn kwamen, waar het rijk der mannen, dat der politiek begint; in de laatste decennia evenwel hebben sommige vrouwen den hals gerekt en eens over die lijn gekeken en gezien wat daar in dat mannenrijk voorvalt. Spreekster behoorde ook tot die nieuwsgierigen en nu toont zij met verschillende voorbeelden aan, wat mannenlogica beteekent. Onbedaarlijk was het lachen toen zij vertelde hoe o.a. in een canton in Zwitserland niet alleen de onderwijzeres voor hetzelfde werk minder betaald wordt dan de onderwijzer, maar, daar bij het salaris ook begrepen is, jaarlijks een zekere hoeveelheid voeder voor de koe, die elke onderwijzer en onderwijzeres ontvangt bij de aanstelling, de koe van de onderwijzeres slechts het halve rantsoen krijgt van de hoeveelheid, die de koe van den onderwijzer ten deel valt.

Na Rosika Schwimmer sprak Selma Lagerlöv. Deze pas met den Nobelprijs voor letterkunde begiftigde vrouw, met een [10]allerinnemendst, vriendelijk gelaat, eene feministe pur sang, schetste de vrouw in het gezin, beschreef den toestand in de gezinnen, waar de huisvrouw en moeder gemist moet worden, en vroeg den mannen, hoe zij ooit hebben kunnen meenen, dat het groote gezin van den staat goed beheerd kan worden, wanneer de vrouwen daar tot medezeggenschap niet worden toegelaten.

Wij hadden reeds vernomen hoezeer deze Zweedsche schrijfster door haar landgenooten vereerd wordt, en vooral, hoe lief het Zweedsche volk haar heeft; nu waren wij getuigen, hoe in de overvolle operazaal, waar op de gaanderijen het Zweedsche volk dicht opeengepakt zat en stond, de geliefde landgenoote werd toegejuicht, welk een storm van enthousiasme zij wist op te wekken.

Toen werd het woord verleend aan mevr. Philip Snowden, Engeland’s groote redenaarster. Het is moeilijk te zeggen, wat bij deze spreekster het meest geroemd moet worden, de inhoud van haar speech of de wijze, waarop die werd voorgedragen. Ook zij eindigde met hulde en dank te brengen aan de pioniers in dezen strijd.

Dr. Anita Augspurg, uit Duitschland, bepleitte het kiesrecht voor de vrouw op practische gronden. In Duitschland bleken er, na de laatste volkstelling, van de 30 millioen vrouwen, die dat land telt, 10 millioen vrouwen te zijn, die in eigen onderhoud voorzien. Trekt men van die 30 millioen alle meisjes en oude vrouwen af, dan blijkt, dat meer dan de helft van alle vrouwen productieven arbeid verrichten, en deze allen kunnen in de tegenwoordige omstandigheden, de tijd der sociale wetgeving, niet langer zonder invloed op de regeering blijven.

Tenslotte sprak reverend Anna Howard Shaw. Allen, die deze vrouw eens hebben hooren spreken, weten, dat het weergeven van den inhoud harer rede tot de onmogelijkheden behoort. Ik zal het ook niet beproeven. Zij sprak over het gebrek aan logica bij de mannen, en bouwde hare satirieke rede op over het feit, dat de mannen overal de vrouw de plaats willen aanwijzen, die zij moeten innemen, omdat God de vrouw voor die plaats zou hebben bestemd. Als dat zoo was, zegt rev. Shaw, dan zou God zelf er wel voor zorgen, dat zij binnen de grenzen bleef, waarvoor Hij haar bestemd [11]had. Een hen is niet bestemd te zwemmen, daarom heeft zij ook geen zwemvliezen gekregen; nu zou het toch te dwaas zijn, om een wet te maken, waarbij hennen verboden werd te zwemmen. Zoo doen de mannen echter met de wetten voor de vrouwen. Gedurende geruimen tijd hield zij de hoorders geboeid en aan het slot werd zij van alle plaatsen met zakdoeken toegewuifd en dankte men haar door onder daverend applaus van de zitplaatsen te rijzen.

Het was een in elk opzicht vruchtbare avond voor de propaganda van het kiesrecht voor de vrouw; zeer zeker was er dien avond niemand in de zaal, die niet van de noodzakelijkheid van de invoering ervan overtuigd werd.

Woensdagavond was den talrijken vreemdelingen een feest bereid in Skansen, het openluchtmuseum en de bekende uitspanningsplaats van Stockholm. Ook dit was niet geheel een feestavond, omdat er om 7 uur eerst van twee spreekgestoelten de steeds talrijke bezoekers op een mooien zomeravond, werden toegesproken.

Onder de spreeksters was mevr. Drucker, uit Amsterdam, die haar rede over vrouwenarbeid in het Fransch uitsprak. Het was daar ’n recht genoeglijk feest, waarvan de gezelligheid verhoogd werd door de vele vrouwenstudenten, die ons op hun vele studentenliederen vergastten.

Vrijdagavond gaf de Nationale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Zweden een diner in Hasselbacken en Zaterdagavond de afdeeling Stockholm in Saltsjöbaden.

Bij het eerste diner zat niet alleen de burgemeester van Stockholm, Carl Lindhagen, aan, maar ook de bisschop van de Luthersche kerk, baron Carl Bonde, benevens vele andere hooggeplaatste mannen, die aan de uitnoodiging gevolg hadden gegeven.

De bisschop opende de rij der sprekers en bleek een groot voorstander van vrouwenkiesrecht te zijn. Het was zijn diepgevoelde overtuiging, dat de tijd daarvoor reeds lang gekomen was en dat de regeeringen met deze hervorming in geen enkel land te vroeg, doch in veel landen wel te laat kunnen komen, Nederland behaalde dien avond een groot succes, doordat mevr. Goudsmit, die namens de Nederlandsche delegatie de tafelspeech hield, dit op zoo onverbeterlijke wijze deed, dat algemeen de meening werd uitgesproken, dat de Hollanders, [12]als altijd op zulke congressen, de eer van hun land meesterlijk wisten op te houden.

Van het diner in Saltsjöbaden zal ik niets zeggen, maar ik moet even aanstippen den heerlijken terugtocht door de Saltsjön, de baai van de Baltische Zee. In drie booten werden de talrijke gasten om elf uur ’s avonds huiswaarts gebracht. Een fantastisch, mooi avondlicht bescheen de, aan weerszijden met mooie villa’s bebouwde, oevers. Het was een van die mooie, zoele zomeravonden, waarop een ongeveer anderhalf uur lange tocht op het water in een schilderachtig, mooie omgeving, een eenig genot is. Ook Zondag was het weder buitengewoon mooi, en waren er nog ruim 300 gasten, die, blijkbaar onvermoeid, nog deelnamen aan den boottocht naar het kasteel Gripssholm. Bij dezen tocht maakten wij kennis met de rivier Älar, en werden wij in drie uren langs een hoogst schilderachtigen weg naar het doel onzer reis gebracht.

Dat de vele Hollandsche vertegenwoordigsters zich hier bij al deze gelegenheden amuseerden en den vroolijken kant van onzen volksaard toonen, is door de ons steeds omzwervende verslaggevers der couranten niet onopgemerkt gebleven. Een der Zweedsche hoofdbladen berichtte althans, dat de aanwezige Hollandsche dames het levendigste en vroolijkste van allen en vlug als kwikzilver zijn.

Buiten de genoemde feestelijkheden gaven bovendien nog vele private familiën diners, teas en recepties, waarbij soms 75 gasten tegelijk werden uitgenoodigd.

Wij mogen hier niet verzuimen bij te voegen, dat op geheel onofficieele wijze de Nederlandsche gezant, baron Van Welderen Rengers, en zijn vrouw, alle Nederlandsche vertegenwoordigers eene uitnoodiging voor een tea ten zijnen huize zond, waaraan door de meesten onzer is gevolg gegeven.

Van de vele werkzaamheden, die gedurende deze week verricht werden, wil ik de voornaamste alleen vermelden. Het waren voornamelijk de bespreking van verschillende vragen. De eerste was: Hoe kunnen de vrouwen, die het kiesrecht reeds bezitten, beter dan tot nu toe, hare nog politiek onmondige zusters materiaal voor propaganda bezorgen, valsche courantenberichten over hare handelingen tegenspreken, en de internationale vrouwenkiesrechtbeweging steunen?

Fröken Vera Hjelt, de bekende inspectrice van den arbeid, [13]uit Finland, gaf als haar meening te kennen, dat de vrouwen-parlementsleden na korte tusschenruimten een rapport moeten opmaken van alles wat door vrouwen-parlementsleden in hun respectieve parlementen is voorgesteld, op welke wijze het verdedigd werd en hoe die vrouwen spraken en stemden over voorstellen, door anderen ingediend. Zij zelf had zulk een rapport samengesteld over den parlementairen arbeid der vrouwen in Finland, gedurende de jaren 1907–1911. Dit rapport stelde zij ten dienste van de internationale beweging.

Door Nederland werd, bij monde van mej. J. C. van Lanschot Hubrecht, voorgesteld, om, wanneer er in een land een wetsontwerp voor vrouwenkiesrecht in het parlement aanhangig is, dat dan de vrouwen, die het kiesrecht bezitten, hun respectieve regeeringen zullen verzoeken om, evenals de regeering van Australië tegenover Engeland heeft gedaan, van regeering tot regeering, de gevolgen van de invoering van vrouwenkiesrecht in dat land mede te deelen.

De vraag: Door welke werkwijze heeft men het snelste het doel bereikt en werd de propaganda het best gediend? gaf velen gelegenheid tot discussie. Het behoeft niet gezegd te worden, dat Engeland hierbij op de militante strijdwijze wees, die de Engelsche vrouwen nu weldra het kiesrecht zal bezorgen, terwijl van alle andere zijden op zachtere werkmethoden werd aangedrongen, doch bijna allen de overtuiging waren toegedaan, dat de propaganda moet gebracht worden naar buiten en zich niet moet beperken binnen vergaderzalen.

Over de vragen: Welk politiek werk hebben de vrouwen gedaan, in de landen, waar zij het kiesrecht bezitten? In welke verhouding staan zij tot de politieke partijen? Hoe worden zij door de politieke partijen behandeld? Welken raad hebben zij andere landen te geven? werd natuurlijk alleen het woord gevoerd door de vrouwen, die het kiesrecht bezitten, en vooral door de aanwezige parlementsleden uit Finland.

Na de beantwoording van de eerste vragen was de unanieme raad, dat de vrouwen, als zij het kiesrecht krijgen, zich voegen bij de bestaande politieke partijen der mannen, doch, dat zij daarnaast een of meer politieke vrouwenvereenigingen moeten, vormen, om de bijzondere belangen der vrouwen te behartigen. Eerst als in de landen volkomen gelijkstelling voor de [14]wet van man en vrouw bereikt is, kunnen politieke vrouwenvereenigingen misschien overbodig worden; zoolang de gelijkstelling nog niet bestaat, moeten zij in het leven geroepen en in stand gehouden worden.

Bij de vraag, op welke wijze kan de meeste invloed op leden van het parlement uitgeoefend worden? gaf Engeland weder als zijn meening te kennen en wist dit meesterlijk te verdedigen, dat men de parlementsleden nimmer moest helpen in de Kamer te komen, want dankbaarheid kent zoo’n lid niet; maar, dat men de tegenstanders wel moest tegenwerken bij de verkiezingen, want vrees voor de tegenwerking der vrouwen werkt het best. Zweden wilde heel goedig de beloften van candidaten gelooven, en voor die het meest beloofden, het hardst loopen. Toch hebben de Zweedsche vrouwen bij de laatste verkiezing een invloedrijken tegenstander gewipt, door den heelen dag in zijn district met een grooten wagen rond te rijden, die geheel beplakt was met groote woorden: “Kiest mijnheer X. vooral niet.”

Geen enkele vraag bracht echter zoovele tongen los als die: “Wat moet de verhouding zijn van de vrouwenkiesrechtvereenigingen tot de politieke partijen in hun land, daar waar zij het kiesrecht nog moeten veroveren?”

Eenstemmig was men van meening, dat elke vereeniging van vrouwenkiesrecht een volstrekt neutraal karakter moet dragen, vrouwen van alle politieke, godsdienstige en maatschappelijke overtuiging in zich moet kunnen opnemen en geen enkele politieke partij eenige voorkeur moet toonen.

Nadrukkelijk werd er door de politiek ontvoogde vrouwen op gewezen, dat men nog nergens het kiesrecht verkregen heeft van eene partij, doch, dat het altijd overtuigde mannen uit de verschillende partijen geweest zijn, die de invoering hebben mogelijk gemaakt.

Men was het er echter heelemaal niet over eens of niet de vrouwen individueel zich bij de bestaande politieke partijen moesten aansluiten en daar invloed trachten te verkrijgen. Werden aan den eenen kant de vrouwen-leden van politieke partijen als gevaarlijke mede-leden der vrouwenkiesrechtvereenigingen voorgesteld, omdat zij op een gegeven oogenblik ’t partijbelang boven het belang der gemeenschap, dat snelle invoering van vrouwenkiesrecht eischt, zouden stellen, aan den [15]anderen kant wees men juist op den invloed, die men op de mannen kon uitoefenen als mede-leden van een politieke partij, als de vrouwen maar wisten en nooit vergaten, dat vrouwenkiesrecht boven elk partijbelang moest gaan. Ook verkreeg men daardoor het voordeel, dat de mannen zich al vast begonnen te gewennen aan het medespreken der vrouw over politieke vraagstukken.

Het volgende congres zal in 1913 in Boedapest gehouden worden, doch er zal, indien Weenen dat verlangt, een klein na-congres, bestaande in een reeks van openbare vergaderingen in Weenen aan verbonden worden. Gedurende de zittingen van het congres kwam de mededeeling, dat in Zweden een Mannenbond voor Vrouwenkiesrecht was opgericht, met aanvankelijk 40 leden, en den leider der liberale federatie en lid van het parlement, den heer Beckman, als president.

Tevens werd medegedeeld, dat de bestaande mannenbonden zich internationaal verbonden hebben tot ’n Internationalen Mannenbond, die de vrouwenvereenigingen op alle wijzen hoopt te helpen.

Op verzoek van de Bulgaarsche delegatie werd aan de regeering van Bulgarije ’n schrijven gericht, om bij de herziening van de Grondwet, waarmede 23 Juni 1911 zal worden aangevangen, den vrouwen van Bulgarije het kiesrecht, waarom zij vragen en waarvoor zij strijden, te willen verleenen.

Ook aan de regeering van Portugal werd het verzoek gericht, om alle andere vrouwen van Portugal, evenals dr. Angelo, politiek te ontvoogden.

Een voorstel, om een internationale deputatie naar minister Asquith te zenden, werd onder groote hilariteit afgestemd.

Maandag gaan nog vele leden een tocht naar Upsala ondernemen, waarvoor een extra-trein is afgehuurd. Daar zullen zij door de aldaar bestaande afdeeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht worden ontvangen, en den geheelen dag haar gasten zijn. Dinsdag zal de laatste vergadering van het uitvoerend bestuur (de bestuursleden met de presidenten der aangesloten landen) plaats vinden en daarna vertrekken de meesten weder naar hun landen of gaan nog uitstapjes in Zweden maken, om de eigenaardige schoonheid van dit land nader te leeren kennen.

Universiteit te Upsala.

Universiteit te Upsala.

Namen in 1906 in Kopenhagen nog geen politiek ontvoogde [16]vrouwen aan het congres deel, bij het congres, in 1908 te Amsterdam gehouden, waren reeds vrouwen uit Finland, Noorwegen en Australië aanwezig, die het politieke kiesrecht bezitten. In Londen waren in 1909 eenige leden van gemeenteraden en zelfs eene vrouwelijke wethouder onder de gedelegeerden, doch nu, in 1911, telde het congres reeds vele vrouwen onder de afgevaardigden, die in hun land lid van het parlement zijn. Een volgend congres moet ten minste een vrouwelijke minister brengen, wil de climax voortgaan. Professor Reuterskjöld, in Zweden, die van meening is, dat de vrouwenkiesrechtbeweging reeds lang haar hoogtepunt bereikt heeft en in alle landen in kracht en omvang afneemt, zal zeker door dit congres wel van zijne kortzichtigheid overtuigd zijn geworden. [17]

[Inhoud]
Ornament

Naar Dalecarlië.

Mijne beide reisgezellinnen, die met mij de reis van Holland naar Zweden maakten, en ik, kwamen spoedig tot de ontdekking, dat wij de week, die wij reeds vóór het congres van den Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht in Zweden doorbrachten, moesten benutten om de verder afgelegen provinciën van Zweden te bezoeken, omdat wij gedurende de congresweek genoeg gelegenheid hadden van Stockholm en de naaste omgeving te genieten, en wij direct na het congres eene reis door Lapland en een tocht om de Noordkaap op ons program hadden. Wij kwamen overeen, om naar Dalecarlië te gaan, om daar de schoone natuur, de Zweedsche origineele kleederdrachten en het Zweedsche boerenleven met eigen oogen te aanschouwen. Het lezen van de boeken van Zweden’s grootste romanschrijfster, Selma Lagerlöf, de in Stockholm overal uitgestalde plaatjes en prentbriefkaarten van Dalecarlië’s bevolking en de reclame, die er door de bureaux voor vreemdelingenverkeer van dit deel van Zweden gemaakt wordt, spoorden ons niet weinig tot dit bezoek aan. Daar wij eerst den avond vóór Pinksteren in Stockholm aankwamen en men ons inlichtte, dat vooral de Zon- en feestdagen in Dalecarlië voor vreemdelingen interessant zijn, omdat dan alle boeren en boerinnen in hunne veelkleurige Zondagscostuums zijn en in hunne vol menschen geladen booten en bontgekleurde wagentjes naar de kerken gaan, besloten wij zoo spoedig mogelijk naar Rättvik, de meest aanbevolen plaats, af te reizen. De afstand van Stockholm naar Rättvik is slechts 262 kilometer; wij dachten dus den eersten Pinksterdag, in den loop van den dag, [18]daarheen te vertrekken. Toen wij echter Zondagsochtends in het Grand-Hôtel de noodige inlichtingen inwonnen, bleek al heel spoedig, dat wij dien dag Rättvik niet meer konden bereiken, omdat de eenige doorgaande trein des morgens om 10.20 van Stockholm vertrekt. Alleen indien wij bereid waren met den nachttrein te gaan, zouden wij er nog den tweeden Pinksterdag vroeg kunnen aankomen. Wij bleven toen maar den eersten Pinksterdag in Stockholm en vertrokken den tweeden ’s ochtends om 10.20. Wel had de portier van het Grand-Hôtel ons zoo terloops gezegd, dat wij ’s avonds om 6.40 in Rättvik aankwamen, doch dat hadden wij voor een vergissing gehouden. Het was immers een sneltrein waarmede wij gingen, dat was ons herhaaldelijk verzekerd, en hoe zou die dan meer dan acht uur kunnen zoekbrengen op een traject van 262 kilometer.

De Zweedsche spoorwegen wisten dit echter klaar te spelen. Hoewel wij van Stockholm naar Upsala, ruim 60 kilometer, in ongeveer vijf kwartier aflegden, besteedden wij inderdaad meer dan zeven uur voor de overblijvende 200 kilometer. Na elken kilometer hield de trein stil; geen dorpje of gehuchtje mochten wij passeeren, en het oponthoud was somtijds lang genoeg, om van de meestal schilderachtige omgeving even een paar fotografische opnamen te maken. Het was evenwel dikwijls moeilijk om uit te vinden, hoe lang het oponthoud in de verschillende stations was, want wij hadden geen goeden reisgids van Zweden kunnen bemachtigen. De eerste, dien men ons in de handen gestopt had, bleek een verouderde gids te zijn, en de tweede bleek een opgave van alle hotels, tot zelfs van die in de kleinste dorpjes van Zweden, te bevatten. Wel sprak eene der reisgezellinnen Deensch, maar voor deze mystificatie had zij ons toch niet kunnen behoeden en ook de vriendelijke hoofdconducteur, die in den trein alle moeite deed om ons de noodige inlichtingen te verschaffen, werd door onze Deensch sprekende vriendin slechts ten halve verstaan.

Dat reizen in een land, waarvan men de taal niet kent, bracht ons reeds spoedig kleine teleurstellingen. In Krylbo, waar wij tegen ruim één uur aankwamen, werd ruimschoots tijd gegeven, om aan het buffet van het stationrestaurant een middagmaal te bemachtigen. Maar daar wij niet verstonden, wat de conducteur ons mededeelde, begrepen wij eerst later, waarom alle medereizigers waren uitgestapt. Toen spoedden ook wij [19]ons naar de welvoorziene tafels van de restauratiekamer, om voor de eerste maal nu eens op zijn Zweedsch te eten. Van bediening was namelijk geen sprake, elkeen voorzag zich van een bord, die op hooge stapels aan de hoeken der tafel stonden, nam zich vork en mes, en laadde toen van de vele gerechten visch, vele soorten warm en koud vleesch, allerlei groenten, etc. op zijn bord, wat hem of haar het meest aantrok. Dan nam men aan een van de lange, of een kleine tafel plaats en trachtte zoo snel mogelijk de grootste hoeveelheid naar binnen te werken. Uit een hygiënisch en vooral ook uit een aesthetisch oogpunt zijn deze soort Zweedsche maaltijden niet voor navolging aan te bevelen. Hadden wij tijd genoeg gehad om dat diner wat minder gehaast te nemen, dan zoude voorzeker de prijs, die er voor betaald moest worden, bespottelijk laag geweest zijn; nu wij echter achterna tot de slotsom kwamen, dat wij door dit eerste experiment wel veel geleerd, doch niet veel substantieels ontvangen hadden, was de prijs van 1½ kroner, ongeveer een gulden, toch nog hoog genoeg.

Een tweede tegenvallertje wachtte ons. Tot Krylbo waren wij op de lijn der staatsspoorwegen en tot zoover liep mijne kaart. De andere dames bezaten een kaart, die direct tot Rättvik ging. Van Krylbo tot Rättvik moest ik dus een plaatskaart bijnemen. De stationschef verstond een beetje Duitsch en was goedmoedig genoeg om den trein nog een minuutje langer te laten wachten en mij eerst van een verder plaatskaartje te voorzien, waarvoor ik 4½ kr. moest betalen. Toen de trein echter in vollen gang was, beduidde de conducteur ons, dat mijn kaartje naar Insjön voerde, een ander dorpje aan het meer Siljan, doch vanwaar ik ’s avonds niet meer naar Rättvik kon komen. Met Deensch, met Duitsch, met Engelsch en met Fransch brachten wij den conducteur aan het verstand, dat ik toch naar Rättvik zou reizen, het mocht kosten wat het moest. Later op den middag kwam hij, vergezeld van een Zweedsch gentleman, die hij uit een ander coupé had gehaald, weer bij ons terug en met dezen vriendelijken man als tolk werden wij het spoedig eens. Ik kon medegaan naar Rättvik en de daar aangestelde stationschef, die goed Duitsch sprak, zou voor ons de zaak wel verder in orde maken.

Wat moeten Engelschen en Amerikanen, die in den regel maar één taal kennen, zich toch dikwijls in moeilijkheden [20]bevinden en weinig van hunne reizen profiteeren, door het gebrek van op hunne vele reizen nooit de taal van het land machtig te zijn. Bij onze aankomst in Rättvik had ik het te weinig betaalde aan te vullen en daarmede was dit incident afgeloopen.

Het had ons echter in nauwer verbinding met den daar aanwezigen vriendelijken stationschef gebracht, die ons van eene goede reisgids en vele goede inlichtingen en raadgevingen voorzag.

Nadat wij ons in het hotel, dat inderdaad een eerste rangs hotel in de bergen kan genoemd worden en dat ons den wijd bekenden, doch dikwijls niet verdienden naam van “Hollandsche zindelijkheid” op de lippen bracht, wat opgefrischt hadden, begaven wij ons op weg om nog zooveel mogelijk van den Zondag aan het meer Siljan te genieten.

Het was een prachtige avond, die oud en jong naar buiten had gelokt. De vreemdelingen, die anders in Rättvik in grooten getale aanwezig zijn, waren òf niet gekomen, òf met den overvollen trein, dien wij juist hadden zien vertrekken, heengegaan. Wij bevonden ons bijna uitsluitend onder de bewoners van het dorp. Van den melancholieken geest, dien men den Zweden in het algemeen en den bewoners van het Siljansdal in het bijzonder toeschrijft, was niet veel te bespeuren. De jonge mannen en de jonge meisjes stonden overal in afzonderlijke groepjes bijeen, doch in hunne grage blikken was duidelijk te lezen, dat zij van weerszijden onderlinge toenadering wenschten; maar niemand durfde de eerste te zijn.

Hoewel wij, Hollanders, toch aan nationale kleederdrachten wel gewend zijn, waren wij over de kleederen der Dalecarliesche boeren en boerinnen verrast. Zij waren bijna zonder uitzondering in hun nationaal costuum en de enkele gewoon gekleede man of vrouw toonde ook overigens genoeg verschil met hen, om onmiddellijk te concludeeren, dat die geen inboorling kon zijn.

De vrouwen droegen allen op hunne, meestal stroogele haren, waarvan de zedig om het hoofd gelegde vlecht met een wit satijn lint doorvlochten was, een zwart puntig, met rood omzoomd kapje, dat iets coquets en jeugdigs aan het uiterlijk gaf. De veelkleurige gestreepte voorbaan van de rok, waarin rood en groen den boventoon voerden, gaf met de [21]witte blouse en het rood of groen gebloemd keurslijfje een frisch geheel.

De mannenkleeding was meer origineel dan mooi. Van achteren leken de mannen allen, met hunne slappe hoedjes, lange soepjassen, korte kuitbroeken en lage schoenen, op groote en kleine pastoortjes, doch van voren bezien, was de kleeding verrassend leelijk. De lange soepjas was geheel met een breeden rooden rand omzoomd en hing los om het lijf. Een blauw, ook met rood omzoomd vest, tot boven aan den hals dicht; een gele kniebroek van zeemleder, waaraan bij de knie drie vuistdikke roode pompons bengelden, zwarte kousen en lage schoenen vormden het costuum van de Rättviker Dalecarliër.

Een oogenblik stonden wij hen en zij ons nieuwsgierig aan te staren, toen vatten wij het eerst moed en begonnen een praatje. Op onze vraag of er misschien een van hen Duitsch of Engelsch verstond, begonnen de jonge mannen als gekken te lachen. Met open monden, krom van de pret, sloegen zij zich op de knieën, om te doen uitkomen, hoe mal ze onze vraag vonden, doch onder de meisjes waren er een viertal, die moedig naar voren kwamen en ons mededeelden, dat zij onderricht in de Engelsche taal ontvingen en die taal een beetje konden spreken en verstaan. Het deed ons feministisch hart goed ook hier weder, als in zoo menig ander geval, de hoogere beschaving en ontwikkeling bij de vrouw uit het volk te vinden.

Al spoedig vernamen wij dat binnen enkele oogenblikken op ’t marktplein een bal, of laat mij liever danspartij zeggen, gegeven zou worden. Elken Zondagavond, en somtijds ook Zaterdagsavonds, heeft dit in den zomer plaats. Langzamerhand zagen wij steeds meer groepjes jonge lieden in die richting afdruipen. Natuurlijk wilden wij daarvan getuige zijn. Een jonge boer, van ongeveer 30 jaar, die drie jaar in Amerika was geweest en, zooals ik later vernam, tot de notabelen van Rättvik behoort, had zich bij ons gevoegd en gaf de inlichtingen, die wij wenschten.

Het marktplein is een groote ronde vlakte, midden in een uitgestrekt dennenbosch. In het centrum van deze open vlakte was een houten dansvloer gelegd, met een verhooginkje voor het korps muzikanten. Dit korps bestond uit vier blaasmuzikanten, die, phantastisch, geheel met een witten sluier [22]omhuld, ter bescherming tegen de vele lastige muskieten, hunne voor den dans lokkende tonen de lucht ingalmden. Hoewel er van de muziek genoeg kracht uitging, om menig voetje, zoowel van de jonge mannen als van de jonge meisjes, ongedurig te maken, werd het toch tien uur, alvorens de eerste paartjes den moed hadden het bal te openen. Het waren al weder de meisjes van wie het initiatief uitging. Toen de eerste paartjes begonnen waren, volgden de anderen spoedig en weldra was de dansvloer dicht bevolkt met de dansende, bont gekleede jeugd. Dat was inderdaad een zeer schilderachtig schouwspel en in deze bonte, wiegelende groep, deden de gele zeemlederen broeken en de lange, met rood omzoomde, losse jassen der mannen toch werkelijk mooi.

Nu er ook wat meer leven en onschuldige vroolijkheid in de glad-geschoren, blonde koppen der jonge mannen kwam, begon ik mij met hun uiterlijk geheel te verzoenen. Het effect van dit bonte tafereel werd niet weinig verhoogd door het eigenaardige avondlicht, dat ons omscheen. Niettegenstaande het reeds ruim elf uur was geworden, was het toch nog licht genoeg om met gemak een boek te lezen en vóór ’s nachts één uur werd grooter duisternis niet verwacht.

Zooals het op een bal overal gaat, was het ook hier. Hoewel er niets gedronken werd, er was trouwens geen sterkedrank te krijgen, werd bij elke wals het troepje vroolijker en de dans geanimeerder en steeds vlugger en stampender werden de voetjes neergezet en de beentjes hooger van den grond gelicht. Het geheel had zulk een animeerenden invloed, dat ik moeite had mijne beide reisgezellinnen in bedwang te houden. Zij vertoonden alle neiging om zich in de armen van een Dalecarliër te vleien en een gracieusen rondedans aan zijn borst uit te voeren. Ware het niet, dat zij een week daarna op het congres nog hersenwerk te verrichten hadden, dan had ik hun dat kleine genoegen gaarne gegund; nu was het mijn plicht te zorgen, dat zij met een frisch hoofd naar Stockholm terugkeerden en dat niet hart en ziel in de lange jas van Axel of Erik of Olof achtergelaten werd.

Die lange dagen, die eigenlijk geen avonden hebben, herinnerden ons er alleen aan, dat wij ons in het hooge Noorden bevonden. De brandend warme zon op den dag, de zoele avonden, de overal in vollen bloei staande seringen en gouden [23]regen bloeiende katoenboomen en uitgestrekte berkebosschen, (de ellendige muskieten ook niet te vergeten) hadden veeleer een zuidelijker indruk verwekt. Wanneer wij ons van het meer Siljan afwendden en ons oog op de overige omgeving lieten rusten, natuurlijk zonder de bont gekleede bevolking, konden wij ons verbeelden in den Gelderschen Achterhoek te zijn.

Mijne, in Amerika geciviliseerde, zegsman vertelde mij menige bijzonderheid uit het leven der Dalecarliërs en vooral van de bewoners van Rättvik. Over het algemeen is de bevolking arm, doordat de grond hoe langer hoe meer bij den dood der ouders in kleine brokstukken onder al de kinderen verdeeld wordt en ieder kind zijn eigen klein stukje grond krampachtig vast houdt, en niet te bewegen is het te verkoopen. De meeste boeren bezitten nu een stukje grond, waarvan zij niet leven kunnen, terwijl een boer, die een paard en vier koeien kan houden, tot de uitzonderingen behoort en voor zeer welgesteld doorgaat. Men was reeds lang begonnen in te zien, dat niet alle kinderen tot boeren en boerinnen moesten worden opgeleid en dat er getracht moest worden een deel der jeugd tot goede ambachtslieden te vormen. De verschillende gemeenten zijn echter te arm om goede ambachtsscholen te stichten; willen de jonge mannen en vrouwen een of ander vak leeren, dan moeten zij van huis gezonden en bij een vakman in een of andere stad in de leer gedaan worden. Dit heeft, zooals van zelf spreekt, voor ouders en kinderen menig bezwaar, bezwaren, die nog vergroot worden door het eene, alles overtreffend bezwaar, dat de jongens de opleiding tot een ander beroep dan boer als een degradatie beschouwen. In het uitoefenen van een ambacht vinden zij iets onvrijs, iets ondergeschikts, en de Dalecarliër, die voor alles zijn vrijheid bemint, meent die alleen als zelfstandige boer te kunnen handhaven. Liever trekken de jongens en meisjes naar Zweden’s groote steden, of naar Amerika, om daar te gaan dienen en na eenige jaren met het overgespaarde geld in Dalecarlië terug te keeren, daar een stukje grond te koopen, om dan het leven eigenlijk te beginnen. Een Dalecarliër komt altijd in zijn geboorteplaats terug, hij kan zich op den duur in eene andere omgeving niet gelukkig gevoelen. Een Dalecarliër, een eenvoudige man, die in zijn jeugd zelf ook in Amerika geweest [24]was, sprak over het in het najaar naar Amerika zenden van zijn oudste dochtertje even licht als wij een kind van Amsterdam naar Hilversum zouden zenden.

Wil men het meer Siljan in al zijn schilderachtige schoonheid leeren kennen, dan moet men een tocht maken met het bootje, dat in den zomer elken dag een toer rond het geheele meer maakt en tijd genoeg laat, om van de afzonderlijke dorpen een indruk te krijgen. Van ’s morgen 8 tot ’s avonds 10 uur dobbert men dan op het 280 K.M. in oppervlakte bestaande zeetje, waarvan de oevers steeds aan beide zijden in de verte zichtbaar blijven. De zachtglooiende hellingen, die de Zweden met trots bergen noemen, bevatten overal dun begroeide berken- of dennenbosschen, waartusschen de altijd donkerrood geverfde houten woningen een kleurig effect maken. Van mooie villa’s of woningen, die min of meer welgesteldheid verraden, is in deze mooie omgeving geen sprake. Op mijn vraag aan een Oberstabsarzt, die met ons dit reisje maakte, waarom de rijke Zweden hier geen villa’s hadden, gaf hij ten antwoord, dat Zweden niet zooveel rijke inwoners als Holland had, om in elk mooi oord villa’s te kunnen bouwen.

In Mora bleven wij eten en hadden ook nog tijd een wandeling door het dorp te maken. Wij hadden nu tijd te bespieden hoe de Zweden het middagmaal innemen; getrouw trachtten wij te volgen, met het resultaat, dat wij nu tot de conclusie kwamen, dat een maaltijd gebruiken in Zweden “werk” beteekent en dat, wanneer men bijziende is, zooals een mijner metgezellinnen, men dan dikwijls wat op zijn bord krijgt wat men nu juist niet wilde hebben. Aan het alles, tot zelfs alle soort vleesch toe, bereiden met suiker, hadden wij ons al een beetje gewend, doch met de overvloed van vleesch- en vischsoorten en de schaarschte aan groenten en vruchten konden wij nog geen genoegen nemen.

Dicht bij Mora passeerden wij een paar van die meters- en meterslange houtvlotten, waaraan de meren in Noorwegen en Zweden zoo rijk zijn. Onafzienbaar lang en de breedte van het halve meer innemende, gingen die duizenden boomstammen, broederlijk door kettingen aan de buitenkanten te zamen gebonden, langzaam stroomafwaarts, om door het meer en daarna door de dalrivieren naar de Oostzee te stroomen, alwaar zij bij het begin in Skutskär worden opgevangen, [25]om daar in een reusachtige machinale houtzagerij tot planken gezaagd en naar de verschillende landen verscheept te worden.

Wij keerden dien avond niet naar Rättvik terug, maar bleven in Leksand, een ander door toeristen zeer bezocht oord, doch waar nog meer de Zweden zelve heentrekken om hun rustige vacantiedagen door te brengen. In het kleine hotel, door Baedeker gerecommandeerd, vonden wij vriendelijke opname. Niemand sprak daar anders dan Zweedsch, doch onze Deensch kennende vriendin had zich onderweg zoo in de taal geoefend, dat zij nu volkomen als tolk kon dienen. Weder trof ons de buitengewone zindelijkheid, die door het geheele huis heerschte, en de bijzondere vriendelijkheid en goedhartigheid, waarmede men ons tegemoet kwam. Grappig was echter de combinatie van de blinkende en glimmende meubels in de vertrekken. Naast een hypermodern ijzeren ledikant, met sneeuwwit beddegoed, stond een, om te stelen, oud-Noorsch kastje, dat als beddekastje dienst deed. Verder eene oude bont geschilderde oud-Noorsche kist voor berging, een doodeenvoudig modern waschtafeltje en om het effect te verhoogen, een canapé, twee stoeltjes en twee pouffen, stijl Louis XV, blijkbaar afkomstig van een verkooping op een of ander oud kasteel. Onze rekening was den volgenden dag zoo laag, dat wij tot de conclusie kwamen, dat Leksand het oord zal zijn, alwaar wij ons voor eenigen tijd zullen begeven, om onze financiën weder in evenwicht te brengen, wanneer die door het vele reizen een beetje in de war mochten zijn geraakt.

Evenals bij ons op Walcheren, zoo hebben de boeren en boerinnen van de verschillende dorpen aan het Siljanmeer, waarom Dalecarlië gegroepeerd is en waarom dit meer dan ook door de Dalecarliërs “het oog van Dalecarlië” genoemd wordt, ieder hun eigen kleederdracht. Die van Leksand deed ons zeer veel aan onze Marker-visschersvrouwen denken, hoewel de kleeding der mannen anders is en de Leksanders veel warmer kleuren gebruiken, wat in de omgeving, waarin zij leven, een bijzonder mooi effect maakt.

Mocht men in ons land eens leeren zich in hotels en winkels met behoorlijke rekeningen van vreemden tevreden te stellen en niet elken vreemdeling te beschouwen als een geschikt sujet om geplunderd te worden, wij, Nederlanders, zouden [26]dan niet zoo dikwijls in den vreemde beschaamd staan, als men ons van deze eigenschap in ons land vertelt en wij uit eigen ervaring weten, dat deze gewoonte in Holland werkelijk bestaat. Ons eerste vierdaagsch uitstapje in Zweden heeft ons geleerd, dat men hier weet de vreemdelingen te trekken, door ze niet te exploiteeren. [27]

[Inhoud]
Ornament

Op weg naar Abisco.

Wij, bewoners van een klein, dicht bevolkt land, kunnen ons moeilijk een voorstelling van de uitgestrektheid van Zweden maken, als wij bedenken, dat Zweden ongeveer hetzelfde getal inwoners heeft als Nederland.

Hadden wij van Trelleborg naar Stockholm, in een recht naar het Noorden opgaande lijn, reeds ongeveer 12 uur in een sneltrein doorgebracht, van Stockholm naar Abisco, verder in noordelijke richting, in een expres-trein, die den afstand in den kortst mogelijken tijd volbrengt, moeten wij nu van Dinsdagavond zes uur tot Donderdagmorgen acht uur doorbrengen, dag en nacht doorreizende. Dit wil dus zeggen, dat wij b.v. sneller van Amsterdam naar Rome kunnen reizen, dan van Zweden’s hoofdstad naar een der uiterste punten van het land.

Gelukkig zijn de Zweedsche wagons, en vooral de slaapwagens, zeer comfortabel ingericht en men kan hier, evenals in de Amerikaansche spoorwagens, op zoo’n langen rit allerlei werkzaamheden verrichten. Ik zit dan ook dezen brief in den trein te schrijven.

Nu ik meer over Zweden en de bewoners ga uitwijden, moet ik toch nog even op een stukje van het Congres van den Wereldbond terugkomen. Ik moet nog even met een enkel woord gewagen van de uitstapjes door ons allen gezamenlijk gemaakt naar Saltsjöbaden en Grypsholm en vooral van ons bezoek aan Upsala, met zijn oudste en grootste universiteit van Zweden. De twee eerstgenoemde tochten gaven ons een goeden indruk van de eenig mooie omgeving van Stockholm [28]en van de plaatsen, waar de gegoede, misschien wel rijke, Zweden hunne zomerhuizen hebben. Zoowel aan de oevers van het Mälarmeer, als aan die van de baai der Baltische zee, bevinden zich tallooze kleine en groote villa’s, soms echte zomerpaleizen. Van menige villa had men aan de oevers Bengaalsch vuur ontstoken, toen wij ’s avonds met onze booten passeerden.

Dat het volk van Zweden, van hoog tot laag, de vrouwenbeweging sympathiek gezind is, daarvan kregen wij door deze en andere bewijzen een indruk.

Toen wij bijv. gedurende het congres in 90 open landauers, waarin alleen de vreemdelingen een plaats konden vinden, een tocht van 1½ uur door Stockholm maakten, werden wij het meest toegejuicht in Stockholm’s volksbuurten, waar men bijna algemeen naar buiten stroomde, ons toewuifde en succes wenschte. Het waren vooral ook de mannen uit het volk, de werklieden, die ons hunne goede wenschen toeriepen en van uit het gebouw van het Leger des Heils, waar, ons ter eere, de vlag was uitgestoken, hingen uit alle ramen de heilsoldaten, om ons met zakdoeken toe te wuiven.

Toen wij Maandagmorgen in Upsala aankwamen, als gasten van de afdeeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht aldaar, waren wij niet weinig verrast, van bijna elke woning de Zweedsche vlag te zien wapperen en onze verwondering en waardeering steeg, toen wij zagen, dat van het gemeentehuis vele vlaggen wapperden en deze hulde ons bereid was op uitdrukkelijk verzoek van den burgemeester van Upsala.

Hadden wij ons gedurende het geheele congres kunnen verlustigen in den aanblik van een twintigtal jonge meisjes, die in hunne witte japonnetjes en met de studentenpet coquet op haar weelderigen haardos, als pages dienst deden, in Upsala werden wij opgewacht door ’n heel leger van zulke geestverwantjes, die met niet weinig trots ons in hunne mooie universiteit rondgeleiden en ons de vele inrichtingen in het belang van het onderwijs lieten zien. Ruim 200 vrouwenstudenten telt de universiteit van Upsala en ook onder de docenten zijn verschillende vrouwen.

Niet alleen is in Zweden alle onderwijs vrij, van het lager tot het hooger en hoogste onderwijs, maar voor zeer arme studenten zijn ook in de verschillende clubgebouwen kamers [29]beschikbaar, waar zij gratis huisvesting en voeding vinden. De studenten zijn er verdeeld in clubs, zooals ook bij ons, maar zij kiezen hun club niet zelf, zij worden ingedeeld bij de club van hun provincie. Zij betalen in deze clubs geen contributie, alles is voor hen van hoogerhand ingericht op de meest praktische en comfortabele wijze. Zij hebben er hun eigen leeszaal, conversatiezaal, kunnen er goed en billijk hunne maaltijden gebruiken en hebben er een groote zaal om er ’s avonds te dansen, te musiceeren, onderling voordrachten te houden, of zich op andere wijze te vermaken. Meisjes- en jongens-studenten zijn er collegiaal bijeen. De meisjes-studenten hebben echter bovendien nog een eigen studentenclub, waar alleen meisjes-studenten in opgenomen kunnen worden, en waar zij van uit alle provinciën vereenigd zijn, evenals er ook vele zulke jongensclubs bestaan.

Merkwaardig is zeker, dat er aan de acacdemie ook een professor in de muziek is aangesteld, die in hoofdzaak zangonderricht geeft, waaraan alle studenten verplicht zijn deel te nemen. Vandaar zeker, dat de meisjes-studenten, en de oud-studenten, de dames-doctoren in de verschillende vakken, ons bij de feestelijkheden op het congres herhaaldelijk vergastten op hunne tallooze studentenliederen, en dat na afloop van het diner in Upsala, de vele met ons aanzittende heeren-professoren, docenten etc. ons zoo mooi vele oude Zweedsche liederen te hooren en te genieten konden en wilden geven.

De lunch in Upsala werd ons aangeboden in den botanischen tuin, in de open lucht, en als bijzonderheid daarvan moet ik even opmerken, dat alle ons daar aangeboden en zoo lekker gevonden gerechten, taarten, vleezen, koeken etc. etc. door een of andere der strijdsters voor vrouwenkiesrecht zelf gemaakt waren. Werd daarmede niet getoond, dat de strijd voor vrouwenkiesrecht, die zooveel meer tijd en energie van de vrouw in beslag neemt, als later het uitoefenen van het kiesrecht zal blijken te vorderen, de vrouwen toch niet ongeschikt maakt goede huisvrouwen te zijn, die het kooken en bakken, waarvoor de mannen zoo bang zijn, daarbij niet verwaarloozen of verleeren? Menig recept voor gerecht of taart, welke ons daar was aangeboden, werd ook door Hollandsche huismoeders, die dit congres bijwoonden, gevraagd. Als belooning voor de vrijheid, die de mannen haar toestonden, [30]om voor dit congres naar Zweden te gaan, zullen zij hen zeker na de terugkomst op een nieuw en lekker schoteltje onthalen.

Had ik op mijn reis naar Stockholm, en van daar naar Dalecarlië, en zelfs langs de oevers der meren om Stockholm, den indruk verkregen, dat Zweden liefelijk mooi, doch niet imposant is, dat het zelfs niets specifiek Zweedsch heeft, dat het mij nu eens herinnerde aan gedeelten in Holland, dan weder aan sommige streken in Engeland, op mijn reis door Lapland krijg ik geheel andere indrukken. Op dezen tocht worden, hoe verder noordelijk wij komen, de bosschen dichter, de meren grooter en talrijker, watervallen vertoonen zich, en in plaats van heuvels, zooals aan de oevers van het meer Siljan, zijn hier inderdaad bergen zichtbaar. Dit alles ziet men toch ook in Zwitserland, Schotland en Noorwegen en andere berglanden, doch hier vertoont het nu een bijzonder, een Zweedsch karakter. De bergen zijn hier niet zoo hoog als in die andere berglanden, maar tot aan den top, dicht met pijn- en berkeboomen begroeid, nu en dan plotseling overgaande in een groote open vlakte, wat altijd een meer is. Van uit den trein ziet men niet, of die bergen bewoond zijn. Wanneer wij nu en dan een dorpje passeeren, zijn het altijd enkele houten huisjes, die dicht bij een meer gebouwd zijn. Ik had mij voorgesteld dezen tocht nu en dan te onderbreken en langs een der zijbaantjes de kustplaatsen te bezoeken. Dit werd mij echter door iedereen ontraden, om de eenvoudige reden, dat er niets bijzonders te zien zou zijn, dat die dorpjes alleen bewoond worden door een arme visschersbevolking, die niets eigenaardigs vertoont en dat er geen geschikt nachtlogies te bekomen is. Van één plaats spijt het mij bijzonder, dat ik er nu niet en dus wel nooit komen zal. Als men jarenlang zoo elken dag in de courant onder de weerberichten Haparanda ziet staan, als de plaats waar metereologische opnemingen geschieden, en men komt er dan, om zoo te zeggen, rakelings langs, dan voelt men zoo’n lust om het eens even aan den lijve te voelen, hoe de temperatuur, al is het dan ook in het midden van den zomer, daar op onze body inwerkt. Om er echter te komen, zou ik in Boden uit den trein moeten stappen, op een zijlijntje in drie kwartier naar Lulea sporen en van daar per boot in zes of acht uur naar Haparanda stoomen. [31]

Noch in Lulea, noch in Haparanda, zou ik een geschikt hotel vinden en wat voor mij meer zegt, de boot die van Lulea naar Haparanda en terug gaat, is geen boot, waarop men eenig comfort mag verwachten. ’t Zijn eenvoudige goederenbooten, waarmede ook de visschersbevolking heen en weder trekt. Dit alles zou ik misschien toch nog er voor over gehad hebben, indien niet mijn tijd, die ik voor dezen tocht besteden kan, krap gemeten is en men mij voorspeld heeft in Abisko en Narvik mooiere en interessanter zaken te zullen beleven. Ik verkeer dus in hoop, en wordt die niet verwezenlijkt, dan maak ik, terugkomend, dat slippertje nog.

Het is nu acht uur ’s avonds, de zon staat nog zoo hoog aan den hemel, alsof zij nog lang niet denkt onder te gaan. Nog een nacht verder sporen en dan gaat zij inderdaad in het geheel niet meer onder, of liever gaat onder om in hetzelfde oogenblik weder op te gaan.

In den trein zittende, moet ik toch met een enkel woord melden, wat elken reiziger uit den vreemde hier onmiddellijk moet opvallen. Ik schreef reeds over de comfortabel ingerichte spoorwegcoupées en vooral de comfortabele slaapgelegenheden met gelegenheid om zich ’s morgens behoorlijk te verfrisschen. Ook de toiletten worden bijzonder zindelijk onderhouden, zoodat men er ’s avonds nog even goed als ’s morgens gebruik van kan maken. Dat men daar toch in ons land eens meer aandacht aan wijdde! Bijzonder valt ook de beleefdheid van alle beambten op; hier in dezen expres-trein spreken alle beambten ook behoorlijk Duitsch. Vandaag is gedurende den geheelen dag een restauratie-wagen aan den trein, waar ook alles weer even zindelijk en goed bereid opgediend wordt.

Ik ga nu nog op het balcon van den trein een beetje van den mooien avond met daglicht genieten, alvorens te gaan slapen, en hoop in een volgenden brief van Abisco en Narvik, de eindstations op deze route, te vertellen. [32]

[Inhoud]
Ornament

Lapland.

Nadat wij het station Boden gepasseerd waren, spoedig na middernacht, was ik te bed gegaan. Het was nog daghelder, de zon was even onder, om bijna op hetzelfde moment weder te voorschijn te komen, ’s Nachts om half drie werd ik wakker, doordat de felle zon, die toen reeds vrij hoog aan den hemel stond, hel en warm door het open venster juist mijn gezicht bescheen. Toen ik uitkeek, vond ik het landschap geheel veranderd. Geen groene boomen of begroeide bergen meer, wild en dor zag het landschap uit. Geen huisjes meer langs de meren, slechts hier en daar een eenvoudig houten huisje voor den baanwachter. Langzamerhand begonnen ook de bergtoppen nog sneeuwresten te vertoonen en tegen den ochtendstond waren wij in een streek aangeland, waar de sneeuw nog flink dicht op alle bergruggen ligt. Hoewel de zon om zeven uur reeds brandend heet is, is het toch frisch en zelfs koel, zoodra men even buiten de lijn komt, waar de zonnestralen vallen.

In het kamp van Laplanders.

In het kamp van Laplanders.

Is dit nu Lapland? vroeg ik mij onwillekeurig af. Aan de kleine stations, waar eene kleine arbeidersbevolking woont om in de mijnen te werken, merkt men niets bijzonders. Men zou zich kunnen verbeelden in Sneek, Zuidbroek, Geldermalsen of een ander klein station in ons land te zijn, zoo eender zien de menschen er uit. De heertjes die hier en daar op het perron staan, zijn van hetzelfde type als dat soort heeren in Amsterdam of elders in ons land, de vrouwen zijn bijna allen uniform met een bont katoenen blouse, donkeren rok en witten matelot-hoed gekleed. Van Laplanders aan de stations geen sprake. De eenige [33]als Laplandsche gekleede vrouw die ik aan een station zag, zag ik in Stockholm.

Laplanders.

Laplanders.

Precies op tijd kwamen wij Donderdagochtend in Abisco aan. Dat was indrukwekkend. Een uitgestrekt vergezicht over de Tornetraesk en de Laplandsche bergketen, die nog geheel door sneeuw bedekt is. Door de felle zon beschenen, lag alles in een blauwen gloed.

Tornetraesk noemt men het zeer groote meer waaruit rondom de hooge sneeuwbergen opstijgen en waaraan Abisco ligt. Dit meer was nog vol ijsschollen.

Abisco is geen stad of dorp, het is een station. Het ligt midden in het Nationale Park; een zeer groote woesternij, om zijne bijzondere natuurschoonheid, zeldzamen plantengroei, zijn vogels, vlinders, insekten, enz. door de Zweedsche regeering aangekocht en tot nationaal eigendom gemaakt. Geen andere huizen staan er dan die tot het hotel behooren, een echt touristenhotel, van hout gebouwd en zonder eenige luxe. Toch ziet alles er door de zeldzame zindelijkheid, waarin het gehouden wordt, animeerend uit. Het touristenhotel behoort aan de Zweedsche touristenvereeniging en heeft eene directrice aan het hoofd. De prijzen zijn er, vooral de goede voeding in aanmerking genomen, bespottelijk laag.

Wij waren bij onze aankomst niet weinig verrast nog vele andere leden van het congres aan te treffen en spoedig waren wij overeengekomen gezamenlijk een wandeltocht naar een waterval, de Zilverval, te ondernemen, die op twee-en-een-half uur afstand van het hotel gelegen is. Vooral de wandeling er heen werd ons als zeer schilderachtig geroemd.

Met een club van zestien personen gingen wij op weg, nadat onze twee Zweedsche metgezellinnen, die hier bekend zijn en als gids wilden dienen, ons de noodige inlichtingen verstrekt hadden, omtrent kleeding en schoeisel. De weg zou hier en daar wat nat zijn, dikke schoenen of overschoenen werden dus aangeraden. Een muskietennet over de hoed, voor de vele muskieten, die soms in de bosschen krioelen, werd ook geraden. Verder warme kleeding. Sommigen kwamen nu direct uitgedoscht in wit, in blauw of in groen tarlatan gehuld, met ijzer beslagen bergschoenen aan de voeten en met alle mantels behangen, die zij bij zich hadden. Het bleek echter dat dit alles overbodig was, want hoe wij ook beschoeid waren, nat [34]werden wij toch en door de ingespannen wandeling werden wij warm genoeg. Het was een zeer bonte groep. Alle talen werden gesproken.

Te Huis.

Te Huis.

De weg, die geen weg was,—de Zweedsche metgezellinnen roemden de wijsheid der Zweedsche regeering om geen wegen aan te leggen, waardoor het oorspronkelijk karakter van het park behouden bleef,—liep dan eens over grasstoppels, keisteenen of mul zand, dan weder over natte sneeuw, waarin wij tot over de enkels inzakten en leidde ons nu en dan door een snelvlietend stroompje, waar wij òf moedig doorheen waadden, òf met behulp van steenen of boomstronken ons een weg baanden. Opeens echter, nadat wij bijna twee uur op die wijze voortgesukkeld hadden, werd het pad zoo moerassig, dat wij niet verder konden en onze geleidsters op den inval kwamen, langs de vrij steile wallen, tusschen de struiken door, naar boven te klauteren en langs den spoorbaan onze reis te vervolgen. Den geheelen weg over behielden wij het gezicht op het Tornemeer (traesk is de Laplandsche naam voor meer), met zijn schilderachtigen achtergrond van sneeuwbergen. Door de telkens veranderende bewolking zagen wij het elk oogenblik anders belicht.

Na een eind gaans op den spoorbaan daalden wij weder af om te onderzoeken of de weg begaanbaarder was geworden, en bereikten toen na korten tijd, het doel van onzen tocht. De Zilverval is indrukwekkend mooi, maar wat nog mooier en schilderachtiger is, is de omgeving waarin hij zich bevindt.

De mooie bewolkte lucht, die het Tornemeer zoo mooi had beschenen, werd dichter en dichter bewolkt, en verraste ons plotseling op den inhoud van een zijner, dien morgen zoo dikwijls door ons geprezen, wolken. Het was een regen die in stroomen nedergutste en niet van plan was spoedig op te houden.

In een half uurtje konden wij Björkliden bereiken, een klein station, waar een bakker woonde. Wij zouden dus misschien wat te eten kunnen krijgen. Toen wij daar druipnat aankwamen, was de bakkersvrouw dadelijk bereid koffie voor ons te maken en ons op koek en brood te onthalen. In een oogwenk was zij met alles gereed, maar zij kon zooveel natte dames niet in haar klein, zindelijk woninkje herbergen. Buiten, op geïmproviseerde banken gezeten en nog steeds in een stortregen, [35]genoten wij van de heete koffie, lekkere koek en brood. En toen wij het goede mensch betalen wilden, vroeg zij van ieder vijf-en-twintig öre, zoowat 17½ cent. Wat zou een bakkersvrouw in ons land van zoovele vreemdelingen, die haar onverwachts in haar werk kwamen overvallen, en die zij wel nooit zal wederzien, in zoo’n geval gevraagd hebben?

De stationschef wilde ons ook van dienst zijn. De trein van Kiruna naar Narvik is eigenlijk aangelegd om de ijzererts uit Kiruna naar Narvik te voeren, waar het verscheept en dan door de geheele wereld gevoerd wordt. Elk uur passeert er zulk een ijzererts-trein. Hij zou den eerstvolgenden trein doen stilhouden, een derde klasse wagon aanhaken en ons in Abisko laten uitstappen. Het kleine wachtkamertje kon ons niet allen bevatten, maar vriendelijk liet hij ons dan maar van zijn bureau gebruik maken. In Abisko teruggekomen, konden wij bij een vroolijk knappend houtvuur onze natte kleederen drogen. Het regende nog steeds, een mooien zonsondergang of opgang was dus niet te verwachten. Wij amuseerden ons met naar de vele rendieren te kijken, die tegen den avond naar beneden komen en in groote troepen bijeenblijven. Beproefde men ze te naderen, dan verdwenen zij snel tusschen de heesters.

Den geheelen dag hadden een viertal Laplanders om het hotel gedwaald, om hun rendierenhuiden, tabakstasschen, lepels, vouwbeenen en nog allerlei andere zaken die zij uit deelen van rendierenlichamen kunnen maken, aan den man te brengen. Het waren de eerste werkelijke Lappen, die ik zag. Zij leken in hun bonte, blauw met rood afgezette, ruime jakken, die om het middel met een breede lederen riem waren vastgebonden en met hunne blauwe mutsen, net Fransche soldatenmutsen, met een dikken rooden pompoen op den top, op groote apen. Er waren twee oude en twee jonge Lappen bij.

’s Avonds werd het plan gevormd, om den volgenden dag gezamenlijk naar een Lappenkamp te gaan. Deze menschen kampeeren ver van de bewoonde wereld, hoog in de bergen, waar het koud genoeg is voor hunne rendieren en waar deze beesten het mos kunnen vinden waarmee zij zich voeden. De Lappen leven geheel van hunne rendieren en volgen hunne kudde, waarheen die trekt. Niet zij zoeken den weg waar zij zich nederzetten willen, de rendieren geven den weg aan.

Om naar het dichtstbijzijnd Lappenkamp te komen, moesten [36]wij het electrisch motorbootje afhuren, dat ons van de eene zijde van het Tornemeer naar de andere, naar Pölnoviken, brengt. Meer dan veertig touristen, in het hotel aanwezig, wilden dien toer mede maken. Gelukkig was het weer opgehelderd en met een heerlijken zonneschijn staken wij ’s morgens om half elf van wal. Het was de eerste toer die dezen zomer met het motorbootje gemaakt werd, daardoor verkeerde de kapitein omtrent de landing nog in het onzekere. Na anderhalf uur van deze boottocht genoten te hebben, kwamen wij in de nabijheid van Pönoviken, waar echter het water nog zoo vol ijsschollen lag, dat van landing daar ter plaatse geen sprake kon zijn. Nadat wij een oogenblik in het onzekere verkeerden, wat nu gedaan kon worden, zagen wij een Lap met zijn kanoe naar ons toeroeien. Hij zou ons bij gedeelten aan wal brengen. Met zijn smalle boot kon hij gemakkelijk tusschen de schollen doorscharrelen. De moedigsten stapten het eerst in en weldra had hij ons allen gehaald. Het aan wal stappen ging weder niet zoo eenvoudig omdat wij tot aan de knieën in de losse natte sneeuw wegzonken, maar allen hadden dit koude voetbad er wel voor over. Wij waren nu in het Lappenkamp en zagen vele (mannen, vrouwen en kinderen van dit volkje bijeen. Zij waren allen in dierenhuiden gekleed, alleen het mutsje op hun hoofd was van een soort blauwe stof met rood afgezet gemaakt. Het lange blauwe buis wat zij dragen als zij in Abisco komen of naar de markt in de steden gaan, schijnt hun Zondagsch kleed te zijn.

Hoewel het nog een echt nomadenvolk is, en zij nog veel oorspronkelijks vertoonen, heeft toch de beschavende invloed van een spoorweg in de nabijheid, waardoor zij zelf naar de marktplaatsen kunnen gaan om daar hunne meer origineele dan mooie handelsproducten te verkoopen, in plaats van af te wachten dat ondernemende kooplieden bij hen komen, of ook doordat zendelingen tot hen zijn gekomen om christenen van hen te maken, veel van hun oorspronkelijken aard weggenomen. Men ziet in hunne primitieve tenten tal van huishoudelijke artikelen, die zij in de steden moeten gekocht hebben voor het geld, dat zij voor hunne rendierproducten ontvingen. Ook kunnen vele der jongere Lappen nu zeer goed lezen en schrijven. Zij vallen namelijk ook onder de schoolplichtwet. De Zweedsche staat legt daardoor gedurende een groot deel [37]van het jaar beslag op de kinderen; zoodra die den 6-jarigen leeftijd bereikt hebben, besteedt men hen uit en laat hen naar school gaan. Daardoor ontwikkelen die kinderen zeer zeker geestelijk, maar men maakt ze ongeschikt voor het nomadenleven der ouders. Een begaafde Lap, die daarover zijne ideeën eens luchtte tegen een Zweedsche vrouw, heeft die vrouw geïnspireerd, dat gesprek in boekvorm weder te geven en dit boek heeft nu in Zweden bij velen den twijfel doen ontstaan, of het wel goed is, de kinderen van deze menschen schoolwijsheid bij te brengen. Het groote bezwaar van de Lappen tegen het schoolgaan der kinderen is, dat die kinderen dan niet van jongs af leeren skiën, bergklimmen, springen en alles wat zij noodig moeten kennen, om de rendieren op hunne moeilijke tochten te volgen. Op lateren leeftijd schijnen zij dat niet meer goed te kunnen leeren.

Nu velen hunner christenen zijn geworden, laten zij hunne kleine aap-menschen-kinderen doopen, trouwen zij kerkelijk en begraven zij hunne dooden. Daarvoor wachten zij een of anderen heiligen dag af en komen dan in groote groepen naar beneden, om op dienzelfden dag alle huwelijken van den laatsten tijd te laten sanctioneeren, alle kinderen, die in dien tijd geboren zijn te laten doopen, en slepen zij hunne, soms lang geleden gestorven bloedverwanten mede, om die meteen christelijk te begraven. Laat mij niet vergeten te vermelden, dat het een zachtaardig volk is, dat niemand kwaad doet en onderling ook in vrede schijnt te leven. Zou de opgedrongen beschaving hen niet kunnen bederven?

Heden, den 23en Juni is het midzomernachtfeest. Dit feest wordt in heel Zweden en door alle Zweden gevierd en duurt drie dagen. Vooral in Dalecarlië worden deze feestdagen buitengewoon gevierd en lokken vele vreemdelingen naar die mooie provincie. Het Johannesfeest, zooals het ook wel wordt genoemd, heeft ook hier zoo’n groote beteekenis, dat zelfs in de mijnwerken in Kiruna, drie dagen door niemand wordt gewerkt en alles wat met den mijnarbeid in verband staat, tot stilstand is gebracht. Hier in Abisco was reeds ’s middags een groote vlaggestok, geheel met lichtgroene takken van de zilverberken versierd, in den grond geplant; een groot groen gemaakt kruis met twee kronen er aan bevestigd en hoog boven in de Zweedsche vlag geheschen, door het personeel van het [38]hotel. In een omgeving, waar men over bloemen beschikken kan, wordt zoo’n paal geheel met bonte bloemen versierd. Met zoo’n paal als middenpunt, wordt tot laat in den nacht of tot vroeg in den morgen door alle aanwezigen gedanst, alle oude Zweedsche gezelschapsspelen gespeeld en de vroolijkheid hoog opgevoerd. Van standverschil, van vreemde nationaliteit, wordt geen notitie genomen; als men staat toe te kijken, wordt men mede in den kring getrokken en moet mede zingen en dansen, ’t Is een onschuldig, vroolijk feest, zoolang er geen alcohol gedronken wordt. Hier in Abisco worden geene spiritualiën geschonken in het Toerist-hotel, de feestvreugde had daarom een beschaafd karakter, en oefende zelfs op den meest Stoïcijnschen Zweed, de meest aristocratische Engelschen, de lakonieke Duitschers en ons stijve Hollanders (er waren zeven Hollanders onder de gasten) een even opwekkenden invloed uit.

Jammer, dat de zon om twaalf uur juist achter een wolk wegkroop en ons niet liet zien, hoe het kunststuk volbracht werd, om op hetzelfde moment onder te gaan en weder op te komen. [39]

[Inhoud]
Ornament

Het land van de middernachtzon.

Nu ik in het land van de middernachtzon ben, moet ik toch wat meer over die zon schrijven, dan ik tot nu toe deed. Het ergste is echter, dat ik nog steeds geen gelegenheid had, met eigen oogen te zien, dat de zon onder en opgaat, op hetzelfde moment. Tot dusver hebben wij ’s avonds regen of nevel gehad, of wilde het ongeluk, dat de eenige wolk, die de strak blauwe hemel bevatte, op het kritieke oogenblik juist voor de zon schoof. Dit neemt evenwel niet weg, dat helder daglicht, met een vroolijk schijnende zon om middernacht een verbijsterenden indruk maakt en de menschen met de dagverdeeling totaal in de war brengt. Men eet niet meer en slaapt niet meer op vaste uren van dag en nacht, maar den raad, door Baedeker gegeven, volgt men onwillekeurig, ook zonder die gelezen te hebben. Men gaat eten of slapen, als men er behoefte aan heeft, onverschillig welk uur de klok aanwijst.

Alleen den eersten dag verwondert men zich, als men ’s avonds om elf of twaalf uur een troepje ziet uittrekken voor een bergtoer, omdat zij liever den warmen dag gebruiken om te slapen. Of als men op een wandeling rondom het hotel des nachts nog allen druk aan den arbeid vindt en men nergens neiging tot naar bed gaan bespeurt.

Voor toeristen, die toch nooit zeer lang in deze omgeving blijven, zal zoo’n ongeregeld leven niet veel kwaad doen, op het personeel in de verschillende hotels hier zullen echter de korte zomermaanden, zonder nachten, zeer gewis een zeer afmattenden invloed uitoefenen.

Van Abisco vervolgden mijne trouwe metgezellin en ik onze [40]reis naar het meer oostelijk gelegen dorp Narvik, het eindpunt van den Lapland-spoorwegbaan. Na ruim een uur sporen van Abisco, bereikten wij de Riksgraenzen, daar, waar Zweden’s rijk uit is, en dat van Noorwegen begint. Die overgang bemerkt men niet alleen door den scheidspaal, ook niet alleen doordat andere beambten den dienst in den trein overnemen, maar is bijna onmiddellijk merkbaar aan den overgang van ’t uitzicht. Wij zijn in Noorwegen! roept men onwillekeurig, nu Noorwegen onmiddellijk met zijn veel majestueuzer natuurschoon forsch inzet. Die hemelhooge kale bergen, met diepe ravijnen en breed en krachtig neerkomende watervallen kan Zweden ons niet bieden. Hier in deze Noorweegsche streek behoeven de Lappen niet zoo ver van de bewoonde wereld weg te schuilen; vlak langs den weg, waarlangs de spoorweg gaat, is het koud en onherbergzaam genoeg, om voor rendieren en Lappen een geschikt verblijf te zijn. Herhaaldelijk zagen wij deze leelijke menschen nu op de bergruggen, waarlangs de spoorbaan voert, maar zij waren nu niet zoo vies-vuil meer en hunne haren beter gesoigneerd. Toen de trein eenmaal midden op den weg, door een of andere hindernis, stilhield en eenige passagiers, door het toewerpen van koekjes en chocolaadjes, de Lappenkinderen naar den trein lokten, hadden wij gelegenheid de vlugheid te bewonderen, waarmede deze, soms nog zeer jonge kinderen, van boven naar beneden klauteren, langs den zeer steilen bergwand. Velen onzer zou het afdalen langs zulk een weg een onmogelijkheid zijn, deze kinderen komen als katten zoo vlug naar beneden. Zij springen, met naar weerszijden wijd uitgestrekte beenen, meer dan zij loopen. Van daar krijgen die beenen waarschijnlijk zoo’n raren leelijken vorm en loopen zij zoo potsierlijk als zij zich op den gewonen, rechten weg bewegen.

Narvik is een aardig, frisch stadje, dat zeer zeker toekomst heeft. Het is eerst in 1902 gebouwd, na den aanleg van den Lapland-spoorweg. De haven van Narvik is het geheele jaar vrij van ijs en is daarom in gebruik genomen om, het ijzer uit de Zweedsche mijnen van daaruit naar de Atlantische Oceaan en verder de geheele wereld door te zenden. Bijna huis aan huis is winkel of hotel. De 4500 inwoners van thans zullen zich zeer zeker spoedig vertienvoudigen.

Van Narvik wilden wij met een van de vele gelegenheden [41]de Noordkaap om, doch daarvoor hadden wij vooraf niet de noodige inlichtingen kunnen verkrijgen. Het eerst begaven wij ons daarom, toen wij ’s avonds om tien uur aankwamen, naar een van de daar gevestigde stoomvaart-maatschappijen om alles te vernemen wat wij moesten weten.

Wij waren nog al fortuinlijk. De eerste passagiersboot, die dit jaar de Noordkaap om zou gaan, kwam Maandag om twaalf uur in Narvik, en zou vandaar dienzelfden middag om twee uur vertrekken. Als nog plaatsruimte op die boot was, konden wij medegaan. Den volgenden morgen, des Zondags, zou ook een passagiersboot van Narvik vertrekken, die in 24 uren een tocht maakt om de Lofoden en vroeg genoeg terug was om nog de boot naar de Noordkaap te halen. Wij besloten onmiddellijk met de boot, de “Salten”, den tocht om de Lofoden te ondernemen, omdat ons die door een medereiziger in den trein reeds vroeger als de meest interessante was beschreven en het natuurschoon op de reis om de Noordkaap niet opwoog tegen wat deze tocht te aanschouwen geeft.

In het zeer goede hotel in Narvik ontmoetten wij twee stadgenooten, die daar de boot afwachtten, die hen vandaar naar Bergen zou voeren. Toen zij vernamen, dat zij met ons den tocht tot Svolvaer, het station, waar wij de Lofoden zouden aandoen, konden maken en ook daar een boot zouden vinden, die hen in denzelfden tijd naar Bergen zou brengen, besloten moeder en dochter ons te vergezellen.

Nu zou ik willen, dat mijn pen in staat was den indruk weder te geven, die deze reis bij mij wekte. In een gemakkelijken rieten stoel gezeten, nu en dan eens wandelende van het achter- naar het voordek, trok een panorama onze oogen voorbij, dat een overweldigenden indruk maakte. Als ik eenvoudig de met sneeuw bedekte reuzenbergen, die van alle zijden uit de zee opstegen, noem, of schrijf over de hier en daar zóó enge fjorden, dat men de vrees in zich voelt opkomen, dat daar het schip nooit door kan, zonder aan beide zijden de angstig zwarte rotswanden te raken, of als ik tracht te schrijven over de soms liefelijker natuurtafereelen, gevormd doordat een stukje grond door de zon kon worden beschenen en daardoor een beetje groen vertoonde, waarachter dan direct weder de grillig gevormde, met sneeuw overdekte [42]rotsspitsen opsteken, dan kan ik toch nooit den overweldigenden indruk weergeven, die dit alles bij mij verwekte.

Wij, vier Hollandsche dames, waren op het bootje wel de eenige buitenlanders, de anderen waren allen Noren of Zweden. Wij hadden een rechtmatige hoop bij het mooie, heldere zomerweder, waarvan wij genoten, nu eens een goeden zons-onder- en -opgang te zullen zien. Maar ’s avonds betrok de lucht plotseling weder en weldra viel de regen in stroomen neder en noopte ons het dek te verlaten en in de kajuit een droge plaats te zoeken. Toen het schip om half twaalf Svolvaer binnenliep, had de regen opgehouden en konden wij de drie kwartier, die wij daar zouden blijven liggen, gebruiken om aan land te gaan.

Svolvaer is een van de vele eilanden of schier-eilanden, want de achterkant wordt door een ononderbroken bergrug gevormd, die hoofdzakelijk van de vischvangst en al wat daarmede annex is, bestaan. Ik had er graag wat langer vertoefd om eens even een kijkje te nemen in het atelier van den in Noorwegen bekenden schilder Gunnaar Berg, die daar geleefd en gewerkt heeft en er gestorven en begraven is. Zijn huis en atelier, waarin vele schilderstukken van zijn hand, zijn gemeen goed geworden en voor een ieder toegankelijk.

Wij, vier Hollanders, maakten gezamenlijk een wandeling door het dorpje, onwederstaanbaar getrokken naar een zeker punt, vanwaar vroolijke dansmuziek ons lokte. Weldra stonden wij in een groote zaal waar, door een honderdtal jonge mannen en vrouwen, lustig gewalsd werd. Voor 50 öre (vijf en dertig cent) mochten wij mede dansen, doch daar wij alleen wilden toezien, konden wij binnengaan. Denk nu niet dat deze jonge menschenschaar zoo hoog in het Noorden en zoo ver van de bewoonde wereld, er op dat bal anders uitzag dan bij ons of ergens anders op een bal in een dorp. De jonge dames waren alle in witte of lichte japonnetjes gekleed en er werd gedanst als overal elders. Hadden wij wat meer tijd gehad, dan had ons Amsterdamsch studentje zeker 50 öre versnoept, zij vond het spijtig genoeg, dat zij dat moest aanzien, zonder er aan mede te kunnen doen.

Alhoewel de regen had opgehouden, was er toch geen zon te zien. Een dikke nevel lag tegen de bergwanden. Spoedig nadat wij Svolvaer verlaten hadden, begaven wij ons naar onze [43]hut om tenminste een paar uur rustig te slapen, ten einde in staat te zijn den volgenden dag te kunnen genieten van ’t geen de natuur ons dan aan te bieden zou hebben. De kapitein van de boot had ons zeer hoffelijk zijn hut voor dat doel afgestaan; een zeer zindelijk bed en een tot bed ingerichte canapée zou ongetwijfeld een uitstekende slaapkamer uitgemaakt hebben, als alles op dit bootje niet zoo lilliputterig klein was geweest en wij niet van dat eenpersoons kamertje met ons beiden gebruik hadden moeten maken.

Ruim elf uur waren wij den volgenden morgen in Narvik terug. Bij onze aankomst zagen wij reeds in de verte de groote boot “Andenaes”, die met toeristen van Bergen uit de eerste reis van dezen zomer om de Noordkaap zou maken, binnenstoomen. Wij bleven derhalve met ons beiden op het havenhoofd wachten en waren weldra aan boord, om met den kapitein van “Andenaes” te spreken. Hij wilde ons medenemen, had nog vele hutten vrij, want voor deze eerste reis was de stroom der toeristen nog niet opgekomen. Spoedig was onze bagage aan boord gehaald en vernamen wij, dat de boot nog twee uur in Narvik zou stoppen. Van deze uren maakten wij gebruik om eenige inkoopen te doen, aan een bank Skandinavisch geld op te nemen, en ons met eenige Hongaarsche vrienden, die wij er onverwacht zagen loopen, kostelijk te amuseeren. [44]

[Inhoud]
Ornament

Om de Noordkaap.

I.

Toen wij Maandagmiddag om twee uur aan boord van de “Andenaes” stapten, ging juist de gong, die ons aan tafel riep. Ik ben geen gourmande, doch weet een goed diner te apprecieeren en daarom wil ik niet onvermeld laten, hoe buitengewoon goed dit diner en verder alle maaltijden aan boord van dat schip waren. Zoo hoog in het Noorden mag men geen groote aanspraken maken, vooral wat vruchten en groenten betreft, maar hier merkte men niet, dat al het genotene zeer zeker een groote reis achter den rug had. Ananassen en meloenen waren van dezelfde superieure kwaliteit als wij ze in Amsterdam zouden kunnen verwachten.

Daar wij tot Lödingen dezelfde fjord passeerden die wij juist twee keer achtereen waren doorgekomen, besloten wij na het eten een paar uur te gaan slapen, om daarna beter in staat te zijn van den avond te genieten. Toen wij tegen zes uur op het dek kwamen, was het koud en regenachtig. Wij waren in de nauwe Tjelsund, waar de grillig gevormde bergspitsen dicht genoeg bij waren om ze nog te kunnen bewonderen. De hoogste punten lagen echter in een dichte nevel.

Toen ik mij bij den kapitein beklaagde, dat er weder van een zonsondergang of van een middernachtzon niets te bespeuren zou zijn, begon hij te lachen en voorspelde met groote beslistheid, dat wij dien avond nog de mooiste zonneschijn te genieten zouden krijgen, die er te genieten valt.

Wij konden ondertusschen onze reisgenooten eens opnemen. Het was een vrij cosmopolitisch gezelschap. Amerikanen [45]en Engelschen ontbraken natuurlijk niet. Verder vele Duitschers en Oostenrijkers, ook een paar Hongaarsche dames, die wij reeds in Stockholm op het congres voor vrouwenkiesrecht ontmoet hadden, Zweden, Noren, Russen en Finnen, en zelfs een paar Fransche heeren.

Ruim vijftig passagiers waren aan boord, die bijna allen deze reis uit belangstelling of “zum Erhohlung” maakten. Alleen een Amerikaansche moeder en dochter waren medegegaan, om wat overtollige tijd aan te vullen. Zij zouden eenige jaren in Europa reizende blijven en wisten eigenlijk niet goed, hoe en waar zij dien tijd zouden zoek brengen. Op dek zag men hen zelden; meestal zat mama te lezen en de dochter te borduren in de conversatiezaal van het schip. Toen op een gegeven oogenblik een der heeren het jonge meisje naar boven riep, om iets merkwaardigs te zien, dat wij passeerden, gaf zij lakoniek ten antwoord: “Thank you, I am satisfied. I only go to see the North Cape, I am told that is so beautiful”. Wat er ook te zien en te bewonderen was, zij bleef kalm borduren of lezen, ging op bepaalden tijd naar bed en zat altijd op het vaste uur aan tafel.

Even voor half twaalf kwam de kapitein ons allen plotseling zeggen, dat de zon in alle pracht aan den hemel stond. Wij waren in volle zee, geen bergtop kon zich tusschen ons en de vuurroode kogel stellen, om ons het gezicht te benemen. Om ongeveer half twaalf was de bol het kleinst en stond het dichtst bij ons, daarna werd zij weder grooter en verhief zich hooger aan de horizon. Het lichteffect, dat daarmede gepaard ging was betooverend schoon. Lang bleven allen van dezen prachtigen zomernacht in het hooge Noorden genieten en eerst tegen den ochtend kon men besluiten naar bed te gaan.

Dinsdagmorgen was er geen haast om op te staan, want het was koud en regenachtig en tegen de bergwanden hing een dikke nevel, die er alle schilderachtigheid aan ontnam. Eerst tegen den middag klaarde de lucht wat op en na het middagmaal konden wij de sneeuw- en ijsbergen weer in hun verscheidenheid van vorm waarnemen. Het was echter te koud en er was te veel wind om lang achtereen op het dek te vertoeven, zoodat dan ook telkens heele groepen personen zich weder in de verschillende salons begaven, om even weder warm te worden. Het was op zulk een moment, dat de kapitein [46]ons allen boven riep, omdat wij bij “de Vogelberg” waren aangekomen.

In het eerst bespeurden wij niets bijzonders, een enorme bergkolos, midden in zee, waar wij rakelings langs stoomden en waarvan de zwarte rotsblokken met duizenden en nog eens duizenden witte puntjes bezet waren.

Wij begrepen eerst de bijzonderheid van dezen berg niet en ik vroeg reeds: “waar zijn de vogels van de vogelberg?” toen door een pistoolschot plotseling een zwerm witte en bonte vogeltjes de lucht invlogen, die het effect maakten van een dichte sneeuwmassa. Vogeltjes, niet grooter dan kleine rijstvogeltjes en daar tusschen door grootere exemplaren. Het waren verschillende soorten meeuwen. Toen ook nog de stoomfluit zijne schrille tonen de lucht infloot, waren de arme beestjes geheel van streek en vlogen krijschend kris en kras dooreen, ’t Was een merkwaardig gezicht zoovele duizenden vogels op die eene berg bijeen.

Toen wij van dit schouwspel genoten hadden, gingen allen spoedig in de salons terug om een beetje van de koude te bekomen. Dat duurde echter niet lang, want spoedig daarna kwam de kapitein ons weder zeggen, dat de Noordkaap in het gezicht was en dat daar de zon scheen. Ons aller verwachting was groot en elkeen rustte zich uit om den bergtop te beklimmen, om daar van de middernachtzon nog eens te genieten.

Door de drukte en de spanning, waarin allen verkeerden, vergaten velen zeeziek te worden, waartoe toch alle gelegenheid was, want wij waren in volle zee en die was vrij onstuimig. De eerste stuurman uitte tegen mij daarover zijne verwondering, “zoovele dames aan boord en hier niemand zeeziek, dat komt zelden voor.”

Vóór wij nog de Noordkaap bereikten, bleef het schip een half uurtje stil liggen, om alle liefhebbers van visschen daartoe een oogenblik gelegenheid te geven en weldra zag men tal van heeren en dames met een meters en meters lange lijn over de verschansing van het schip aan het visschen. De eene kabeljauw voor, de andere na, werd naar boven gehaald en weldra had de hofmeester een groote bak vol, die hij ons den volgenden middag, heerlijk toebereid, voordiende.

Toen stoomde het schip voort en bereikte zeer voorzichtig [47]om 9 uur ’s avonds, den binnenkant van het hoefijzervormige rotsblok, dat Noordkaap heet. De wind was nog zóó sterk, dat het schip niet dichtbij genoeg kon komen om ons aan land te zetten. Een boot werd dus naar beneden gelaten, met twee matrozen en den eersten stuurman bemand, en op die boot zouden de reizigers aan land worden gebracht. Zeven heeren en vijf dames stapten het eerst moedig in, ofschoon het ranke bootje bijna niet dicht genoeg bij de trap van het schip kon gehouden worden, om gelegenheid tot instappen te geven.

Toen allen gezeten waren—’t was alsof op dat oogenblik gewacht was—begon plotseling een zóó krachtige wind op te steken, dat van voorwaarts komen geen sprake was. De twee matrozen en de stuurman, nog geholpen door twee inzittende jonge Duitschers, konden met hun vijven niet tegen de golven inroeien. Zij probeerden achter om het schip, langs de andere zijde te komen, doch dreven langzamerhand zoo ver af, dat de op het schip achtergeblevenen elk oogenblik dachten, dat het kleine vaartuigje met alle inzittenden, het volgende oogenblik tegen de rotsblokken te pletter zou worden geslagen. Spoedig werd een tweede boot, met enkel matrozen bemand, te water gelaten, die, aan het eerste bootje geketend, beproefde het voorwaarts te brengen, of het ten minste voor te pletter slaan tegen de rotsen te behoeden. Toen de storm al heviger werd en wij de twee bootjes dan eens op den top van een golf, dan weer er geheel onder, verder en verder in de open zee zagen afdrijven, ging de groote boot hen achterna en haalde weldra alle inzittenden veilig op het dek.

Vermakelijk was hierbij het gedrag van de twee Fransche heeren die mede in het bootje gezeten hadden. Van de inzittenden vernamen wij, dat zij hunne angst niet beter hadden weten te luchten, dan door onophoudelijk te vloeken tegen de matrozen en den stuurman, zonder hierbij, zooals de andere heeren deden, een hand uit te steken om de roeiers nu en dan een oogenblik af te lossen, om hen weder op adem te laten komen. Toen de groote boot hen te hulp kwam, stieten zij de inzittende dames op zij, om toch vooral het eerste de trap te bereiken om boven op dek te komen, doch toen zij eenmaal veilig daar waren, hadden zij beiden de meeste praats en vergaten geheel hun onbeschoft gedrag. [48]

De storm bleef aanhouden en loeide onheilspellend in deze enge ruimte. Van aan land gaan kon geen sprake meer zijn. Hoog vlogen de golven op en verwekten door de toch hel schijnende zon prachtige breede en sterk gekleurde regenbogen, ’t Was interessant, maar angstig benauwend.

Wij zouden vijf uur aan de Noordkaap blijven liggen, om den passagiers gelegenheid te geven de bergspits te bereiken, daar van de middernachtzon te genieten en in het daar aanwezige restaurant een glas champagne, de eenige drank die er geschonken wordt, te drinken. Natuurlijk moesten ook daar de talloze briefkaarten gepost worden, die in den loop van den dag door elkeen geschreven waren, om toch vooral het stempel van de Noordkaap te krijgen. Van dit alles kon nu niets komen, en ook de post, die onze boot aan boord had en die, welke vandaar moest worden medegenomen, kon niet gewisseld worden.

Toen de storm nog steeds heviger werd, besloot de kapitein, tot aller groote blijdschap, om terug te keeren. Geen onzer had nog lust naar boven te gaan, of te wachten of het weer zich ook zou verbeteren.

Het was ruim elf uur ’s avonds, toen wij weder in volle zee waren en naar Hammerfest stoomden.

II.

Om vijf uur waren wij den volgenden morgen in de haven van Hammerfest aangekomen. Wij zouden er tot tien uur blijven liggen, om kolen in te nemen en den toeristen gelegenheid te geven aan land te gaan. Ik maakte natuurlijk ook van deze gelegenheid gebruik.

Hammerfest lag nog in diepe rust, alle winkels waren nog gesloten. Een goede gelegenheid om het bergje te beklimmen, van waar een mooi vergezicht over gletschers en sneeuwbergen en de naburige eilanden de moeite loont.

Hammerfest, een stadje van nog niet meer dan 2300 inwoners, is reeds meer dan honderd jaren oud. Van half Mei tot einde Juli is er nooit nacht, de zon staat dan onophoudelijk aan den hemel. Dat neemt niet weg, dat zij in dien tijd zich wel eens achter de wolken schuil houdt, en dat zij, om van dezen onafgebroken arbeid uit te rusten, van half November [49]tot einde Januari vacantie neemt en het stadje in dien tijd in volslagen nacht laat. Gelukkig dat de bewoners electrisch licht hebben, waardoor zij zich eenigszins kunnen schadeloos stellen.

Tegen acht uur waren alle winkels open en deden wij in een goudsmids- en een bontwinkel eenige inkoopen. Het trof ons, dat een jonge man, die in een van deze zaken in volkomen goed Duitsch ons te woord stond en vier jaar in Leipzig op school was geweest, zich in dit kleine, stille stadje, zoo ver van de bewoonde wereld, volkomen gelukkig gevoelde en niet liefst Hammerfest voor welke stad ook ter wereld zou willen ruilen. De onaangename traanlucht, waarmede alles in dit stadje doortrokken was, bleef nog lang in onze neuzen hangen.

Na een dag stoomen met hetzelfde nooit vervelende uitzicht op afwisselend groene bergen, zwarte rotsblokken en sneeuwbergen, kwamen wij ’s avonds om tien uur in Lyngseidet aan. Dit dorpje ligt in den uitersten hoek van Lyngenfjörd, vlak aan de zee, door hooge, groene bergen, die alleen op den top met eeuwige sneeuw bedekt zijn, aan drie zijden geheel ingesloten.

Na zoovele onherbergzame streken gepasseerd te zijn, leek dit dorp met weligen plantengroei eene verademing.

In twee booten, de eene met den kapitein, de andere met den eersten stuurman aan boord, werden wij aan land gebracht. Vele passagiers brachten toen gezamenlijk een bezoek aan het op ruim een half uur afstand gelegen Lappenkamp, Langzaam stijgende, langs een mooien landweg, kwamen wij tegen ongeveer elf uur bij de Lappen aan. Rendieren, oude en jonge menschen, en zelfs de wiegekinderen, waren nog in volle fleur en schenen van den tijd van den dag geen Ahnung te hebben. ’t Is ook mogelijk, dat onze komst verwacht werd en zij hoopten, nog iets aan die nieuwsgierige vreemdelingen te kunnen verdienen. Dan is hun hoop verwezenlijkt, want ik geloof, dat niet een der bezoekers vertrok, zonder voor een of meer kronen van de kunstig uit rendier-bestanddeelen gemaakte en zeer billijke souvenirs gekocht te hebben. Deze Lappen waren zeer beslist van eene hoogere ontwikkeling dan die wij in Zweden gezien hadden. Hun uiterlijk was veel meer menschelijk, de jonge vrouwtjes zagen er in ’t geheel niet [50]zoo afzichtelijk en vuil uit en hun haren waren behoorlijk onder het Lappenmutsje weggestreken. De wiegekindertjes zagen er zelfs blank uit.

De wiegjes waren geheel van een rendiervacht gemaakt, met den lederen kant naar buiten, en hadden een vorm, het best te vergelijken met dien van een grooten houten klomp. Alleen van achteren was dan de opening nog met een kap overtrokken. Het viel mij op, hoezeer de vorm van deze wiegen overeenkomt met dien, welken ik door de roodhuiden in Amerika zag gebruiken.

Terwijl wij naar de Lappen stonden te kijken en hen van alle zijden opnamen, werden wij wederkeerig aangegaapt door de van heinde en ver toegestroomde dorpelingen. In open rijtuigjes waren zij ons op onzen weg gevolgd en een tiental van die wagentjes stonden en haie geschaard, toen wij het kamp verlieten. Toen ik dan ook eens onze bonte groep overzag, waarvan enkele heeren in sportcostuum, met kuitbroeken, anderen in lichte zomerpakken, waarover een bontjas voor de nachtelijke koude, dames in gekleurde tricot-mantels, gummi jassen, bontmantels of avonddoeken, met een verscheidenheid van hoofddeksels, kwam ik tot de conclusie, dat wij het bekijken voor deze eenvoudige menschen even zoo goed waard waren als de Lappen voor ons.

Om twaalf uur waren allen weder aan boord en werd de reis voortgezet. Maar niemand toonde lust om naar bed te gaan; het was nog te mooi op het dek van het schip. Dorstige kelen en hongerige magen konden nog gelaafd worden; het bedienden-personeel was nog voltallig in functie.

Donderdagmorgen om zes uur waren wij in Tromsö geland en konden wij allen tot negen uur aan land gaan. Tromsö is een zeer oninteressant stadje van 8000 inwoners. Het ziet er uit als honderden havenstadjes van diezelfde grootte. Op de vischmarkt, die in vollen gang was, zag ik enkele visschen, waarvan ik den naam niet kende. Het antwoord, dat ik op mijn vraag er naar kreeg, was van dien aard, dat ik er niet wijzer door werd. In de talrijke winkels, zelfs groote rijwielwinkels, zag ik niets uitgestald, dat mij bijzonder Noorweegsch leek. Dezelfde zaken, die men in elk land vindt, waren hier voor tamelijk hooge prijzen uitgestald.

Lang vóór negen uur waren dan ook reeds alle passagiers [51]aan boord terug, eenstemmig van oordeel, dat Tromsö niets eigenaardigs vertoont en evengoed midden in Frankrijk, Duitschland, Engeland of Nederland kon gelegen zijn.

Nadat wij aan boord het ontbijt genuttigd hadden, gingen wij op het dek, want nu ging verder den heelen dag de weg door vele mooie fjörden. De zon scheen en maakte het dus mogelijk op het dek te blijven, zoodat wij niet onophoudelijk naar binnen behoefden te gaan om ons te verwarmen. Om 8 uur ’s avonds waren wij in Lödingen. De passagiers voor Narvik moesten daar de boot verlaten, omdat die tot Throndjhem doorging. Om elf uur arriveerde daar een goederenboot, die om twee uur naar Narvik zou stoomen en ons beiden meenemen kon.

Vrijdagmorgen om acht uur waren wij in Narvik terug. In bijna vier dagen hadden wij dus de Noordkaap-toer gemaakt Was het loonend? Die vraag, die mij zoo dikwijls gemaakt wordt, wil ik hier openlijk beantwoorden.

Indien men, zooals wij, op een mooien, zonnigen dag een toer van uit Narvik om de Lofoden heeft gemaakt, met een kleine boot, die klein genoeg is, om ook door het Trollfjörd te stoomen, dan heeft men aan natuurschoon meer gezien, dan de lange reis om de Noordkaap te genieten geeft. Daarbij moet men op die groote reis heel wat koude lijden en steekt men ook met het mooiste weder van wal, de mogelijkheid, ik geloof te mogen zeggen, de waarschijnlijkheid, dat men toch onderweg slecht weder zal krijgen, is niet uitgesloten. Bij slecht weder is het nergens aangenaam, zeer zeker dus niet op een boot, die er eigenlijk geheel op is ingericht, om onophoudelijk goed weder te hebben. Bovendien zijn de prijzen, die men den passagiers laat betalen, onbehoorlijk hoog.

In Narvik teruggekeerd, vernamen wij weldra, dat de trein, die ons naar Stockholm zou terugbrengen, niet voor Zaterdagavond van daar vertrok. De Lapland-express gaat n.l. maar drie keer ’s weeks. Bovendien gaat er elken morgen om ruim acht uur een treintje, dat alle tusschengelegen stationnetjes aandoet.

Wij kwamen overeen, om Zaterdagmorgen het boemeltreintje te nemen, dat ons om twee uur in Kiruna zou brengen. Wij konden daar dan de ijzermijnen bezichtigen en te middernacht de express oppikken, om Maandagochtend in Stockholm te arriveeren. [52]

Er was evenwel in het zeer goede hotel Phoenix in Narvik geen kamer vrij en ook de minder goede hotels waren overvol, zoodat wij op raad van een der hotelhouders besloten den stationschef te verzoeken, aan een van de leeg terugkeerende treinen met ijzerertswagens een wagon te laten haken, waarin wij tot Abisco konden reizen.

Het kostte eenige moeite en vriendelijk aandringen om dit gedaan te krijgen, doch eindelijk werd toch een derde klasse wagon aan den trein van half twaalf gehaakt, waarin wij met ons beiden konden meegaan. Alleen de machinist, die meters ver van ons af was en door tientallen van ledige ijzerertswagens van ons gescheiden, en een man, die als opzichter over de wagens dienst deed, waren onze medereizigers. Overal op den weg hield het treintje stil, zonder dat er iets in- of uitgeladen werd. Er was trouwens ook niets uit te laden, dan wij twee nietigheden, die gezegd hadden tot Abisco te willen gaan.

In den trein kwamen wij tot het inzicht, dat Abisco en Abiskojokk twee verschillende stations zijn en wij in het laatste het gastvrije dak van het toeristenhotel zouden vinden. Wij moesten er dus op bedacht zijn, dat wij in Abiskojokk, waar wij eerst zouden arriveeren, onmiddellijk met onze bagage uitstapten, om niet te ver te worden meegenomen. ’t Was echter anders voorbeschikt. Niettegenstaande wij elke minuut gestopt hadden, stoomden wij om vijf uur met een behaaglijke vaart Abiskojokk voorbij, om kort daarna in Abisko stil te houden, waar onze wagon werd afgehaakt.

Daar stonden wij nu, met een station en eenige houten huisjes voor ons, maar geen hotel of herberg. Wij togen onmiddellijk naar den stationschef, die geen woord anders dan Zweedsch sprak en verstond, en die onze jammerklachten met een schaterlach beantwoordde. Wij begonnen er ook het komische van in te zien en met drie woorden Zweedsch, een paar Hollandsche, Duitsche en Engelsche woorden, regen wij zinnen aaneen, die den steeds lachenden man aan het verstand moesten brengen, dat wij met onze bagage in Abiskojokk moesten zijn. Hij had ons gelukkig begrepen en uit zijn rollenden woordenstroom begrepen wij dat onze bagage daar kon blijven, dat hij die met den avondtrein naar Abiskojokk zou zenden, en dat wij den terugweg te voet moesten afleggen. [53]Wij stelden voor, ook tot den avondtrein te willen wachten, maar daarop antwoordde hij steeds: “Nei, nu marsch”, zoodat wij ten slotte maar midden over de rails, want een weg was er niet, den terugweg aanvaardden, en om zes uur eindelijk in het toeristenhotel aankwamen. De avondtrein bracht onze bagage prompt mede.

In het toeristenhotel werden wij door vele oude kennissen verwelkomd, kennissen, die wij bij ons vorig bezoek gemaakt hadden; en ook nieuwgekomenen, die wij van het internationaal congres te Stockholm kenden. [54]

[Inhoud]
Ornament

Op den terugweg van Lapland.

Van Abisko naar Kiruna was slechts een paar uur sporen. Wij stapten daar tegen den middag uit den trein, alhoewel daartoe eenige moed behoorde, want de regen viel bij stroomen neder. Kiruna is nog een zeer jong stadje, hoogstens 10 jaren oud. Men vertelt dat de Lappen daar het eerst het groote ijzergehalte van de omliggende bergen ontdekten en reeds jarenlang groote rotsblokken, met de hulp van hunne rendieren, naar beneden brachten en voor geringe sommen verkochten.

Het waren ondernemende Engelschen en Schotten die het aandurfden de exploitatie van deze bergen op zich te nemen en die eene enorme uitgestrektheid grond rondom Kiruna van de Zweden kochten. Om het ijzer uit deze bergen echter te kunnen vervoeren, moesten zij eerst den spoorweg aanleggen, die van Kiruna naar Narvik voert, waar het de booten vindt, die het verder over de wereld verspreiden.

Al deze bergen bevatten van 70 pCt. tot 90 pCt. ijzer. In den regel wordt het ijzer in ijzermijnen aangetroffen; in Kiruna doet zich de eigenaardigheid voor dat daar ijzerbergen zijn en alle arbeid boven den grond plaats vindt.

De rotsblokken worden, evenals dat in ondergrondsche mijnen geschiedt, door dynamiet in stukken geslagen; doch door het groote ijzergehalte zijn deze stukken dan nog te zwaar om vervoerd te kunnen worden. Het werk der arbeiders bestaat nu hierin, dat zij met zware hamers deze stukken in kleinere brokken verdeelen en op de wagens laden, waarin zij naar de schepen in Narvik gebracht worden. Niets anders dan ruwe spierkracht is voor dit werk noodig. Toch zijn er geen Zweden genoeg te vinden, die dit werk willen verrichten. [55]Het overgroote deel der werklieden bestaat uit Finnen, die door armoede hiertoe gedreven worden.

Het gemiddelde loon van deze mannen is 30 tot 36 kronen (20 tot 25 gulden) in de week, terwijl men de uitgaven voor een gezin van man, vrouw en drie schoolgaande kinderen op ongeveer 20 kronen in de week beraamt. Maar het zeer zware werk, het ruwe klimaat,—Kiruna heeft beslist 9 maanden winter en de drie zomermaanden zijn ook nat-koud,—en de slechte voeding, omdat groenten en vruchten bijna niet te krijgen zijn, maken dat de meeste mannen het werk na eenige jaren moeten opgeven, omdat dan hunne krachten zijn uitgeput en zij eerst langen tijd in gezonder omgeving moeten doorbrengen om de oude krachten te herstellen.

Er wordt door de directie wel voor de werklieden gezorgd. Zij werken in drie ploegen, elk van acht uur. In hun vrijen tijd vinden zij op twee plaatsen in het kleine stadje een bibliotheek, met goede boekwerken, dagbladen en tijdschriften. Op de scholen, waar de kinderen tot hun 14e jaar blijven, wordt door zeer goede en goedbetaalde onderwijskrachten, meest vrouwen, onderricht gegeven, ook in vreemde talen. Er zijn avondcursussen voor de volwassenen, waaraan elke werkman gratis kan deelnemen. Ook op hygiënisch gebied worden er goede voorzorgen genomen. Toch keeren de meeste werklieden na vijf of zes jaren, met vrouw en kinderen, en een kleinen, spaarpot, weder naar hun land terug.

Het stadje Kiruna ziet er precies uit als een westersch-Amerikaansch stadje; woningen, straten en winkels zien er uit alsof zij in een gauwigheidje zijn opgetrokken en de bewoners volstrekt niet van plan zijn er voor goed hun leven in door te brengen. Alles is er zichtbaar provisorisch ingericht.

Wij waren blijde toen het ’s avonds elf uur was en de Lapland-expres ons mede nam. De te voren bestelde bedden in den trein vonden wij reeds netjes voor ons gespreid. In twee nachten en een langen dag, bracht deze trein ons in Stockholm terug. Wij hadden daar juist tijd genoeg om onze achtergelaten bagage uit het Grand Hotel te halen, eenige noodzakelijke inkoopen te doen en zelfs nog om met een auto de nieuwe overdekte tennisbaan in oogenschouw te gaan nemen en daar de noodige inlichtingen over in te winnen, (iets wat wij eenige tennisliefhebbers in ons land beloofd hadden), om [56]nog met den avondtrein de reis naar Holland door te zetten.

Na nog eens twee nachten en een dag reizen, kwam ik juist vroeg genoeg in Holland terug, om in Nijmegen de zomervergadering van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht bij te wonen en de talrijke kiesrechtstrijdsters nog eens de hand te kunnen drukken, alvorens ik de zooveel grooter en langer reis om de wereld aanvaard.


Woensdagavond elf Juli ging ik naar London, alwaar ik den volgenden ochtend mrs. Chapman Catt in goeden welstand en in opgewekte stemming trof. Ook hier in Engeland, waar toch ook zoo vele groote vrouwen in den strijd voor Vrouwenkiesrecht leven, is zij de gevierde vrouw. Van de gelegenheid, deze groote vrouw in hun midden te hebben, profiteeren de Engelsche vrouwen in elk opzicht. Van allerlei vereenigingen, clubs of comité’s maakte men haar vice-presidente, eere-presidente of eere-lid en drukt men haar naam met vette letters op de agenda’s. Overal wordt zij uitgenoodigd om te spreken, of moet zij invloedrijke parlementsleden ontmoeten en hen overtuigen. Het is alsof iedereen gevoelt welk een inspireerende kracht er van deze vrouw uitgaat.

Zij, die deze vrouw niet van zoo nabij kennen en niet weten hoe kinderlijk eenvoudig zij tegelijkertijd is, zullen misschien niet begrijpen, hoeveel pret zij er in vindt, nu, na zich zooveel jaren ziek en ellendig gevoeld te hebben, in staat te zien alles te kunnen doen, dat haar amusant lijkt.

Nadat ik mij eenigszins verfrischt had, gingen wij twee er op uit, om onze reis naar Zuid-Afrika en van daar verder te regelen. Tal van bureaux moesten daarvoor bezocht, allerlei boeken en reisbeschrijvingen aangekocht en vele inkoopen gedaan worden, waarmede wij ons den geheelen dag bezig hielden.

Daar mrs. Catt nog tot 22 Juli in Londen spreekbeurten te vervullen en allerlei ander werk te verrichten had, besloten mevr. B. en ik om Zaterdagmorgen 15 Juli naar Madera af te reizen, daar een week te vertoeven, en dan de week daarna met de boot, waarop mrs. Catt en miss C. zich zouden bevinden, de reis naar Kaapstad voort te zetten.

Hiermede sluit ik de reeks brieven over Noorwegen en Zweden en begin mijn volgenden brief over een in elk opzicht geheel andere reis. [57]

[Inhoud]
Ornament

Aan boord van de Walmer Castle.

Zaterdagmorgen om 11.35 zou de extratrein van Waterloo-Station vertrekken, die de eerste- en tweede-klasse-passagiers voor de “Walmer Castle naar Southampton zou voeren. De derde-klasse-passagiers waren reeds om tien uur daarheen gebracht.

Een groote drukte vermoedende, zorgde ik reeds vroeg daar te zijn. De drukte was echter nog grooter dan ik verwacht had. Ofschoon ik reeds vóór elf uur aan het station was, ontlastte toch reeds een driedubbele file van rijtuigen en auto’s zijn inhoud: personen, die allen met hetzelfde doel naar Southampton gingen of er familieleden of vrienden begeleidden. Een onafzienbaar lange trein stond voor. De bagage werd zonder inschrijving, zonder contrôle, zonder afgifte van een bewijs (zooals dat trouwens overal en altijd in Engeland geschiedt), in een daartoe bestemde wagen gegooid, terwijl handtasschen mede in den wagon mochten worden genomen.

Op het moment, dat de trein zich in beweging zette, begon een koor van heilsoldaten, uit volle borst, een lied te zingen, dat tot afscheid moest dienen, voor een naar Zuid-Afrika vertrekkend bataillon ambtsbroeders en zusters. In ongeveer anderhalf uur werden wij in vliegende vaart en zonder ergens op te houden, in Southampton vlak voor het schip gebracht, dat ons eenigen tijd voor woning zal dienen.

Gastvrij werden allen er ontvangen. Voor de vele begeleidende vrienden, evengoed als voor de passagiers, stond een uitgebreide lunch gereed, die genoten kon worden in den tijd, dat de groote en kleine bagage aan boord en in de hutten [58]werd gebracht en de mail uit alle oorden van Engeland binnenkwam. Toen om ruim vier uur de niet-passagiers het schip moesten verlaten, was eerst te overzien hoe groot het aantal was, dat straks, ook weder per extratrein, naar Londen teruggebracht zou worden. Van boven van het schip bezien leek die talrijke wuivende, lachende, groetende en soms weenende menigte, die daar stond afscheid te nemen van familieleden of vrienden, misschien voor langen, langen tijd, ons een heel leger. Het was goed gezien van de directie van trein of boot, om den trein eenige minuten vroeger te laten vertrekken vóór het schip zich in beweging zette; daardoor toch werd het afscheid voor de achterblijvenden minder zwaar. Men moet zoo’n afscheid meermalen hebben medegemaakt om het pijnlijke gevoel te kennen, dat de achterblijvende ondervindt die het schip in zee ziet verdwijnen, dat met zich voert die hij innig lief heeft en die hij misschien nooit zal wederzien.

Mijne metgezellin en ik bleven nog langen tijd op het dek, geboeid als wij waren door het mooie panorama, dat ons voorbij trok. De groene oevers van het eiland Wight waren, door de ondergaande zon, met een bijzonder mooi waas overtrokken. Eerst toen wij de krijtbergen en de “Needles” gepasseerd waren en in open zee kwamen, trokken wij ons in onze hutten terug om ons voor het diner gereed te maken.

Wij hebben elk een afzonderlijke groote comfortabele hut, waarin ruimte genoeg is om desnoods drie passagiers te herbergen. In zoo’n hut kan men het zeer goed zeventien dagen uithouden.

Na een kalmen nacht werden wij Zondagmorgen om zes uur onaangenaam gewekt door den misthoorn, die met steeds korter tusschenpoozen zijn onheilspellend geluid de lucht instootte. Tegelijkertijd werd ook de vaart van het schip verminderd. Wij lagen zelfs geruimen tijd geheel stil, om daarna met zeer langzame vaart verder te gaan. Om de vijf seconden hoorde men het onmuzikale stoomgeluid, wat herhaaldelijk door een gelijkluidend signaal van andere schepen beantwoord werd. Een dikke mist, die ons in dit drukke vaarwater had overvallen, was oorzaak van het oponthoud.

Eerst tegen ongeveer tien uur begon de mist op te trekken en kwam de zon ons verkwikken. Nu was het uitzicht weder vrij en konden wij zoo ver het oog strekte, ons verlustigen [59]in den aanblik van lucht en water, water en lucht. Nu en dan passeerden wij een stoom- of zeilschip, doch steeds op zulk een grooten afstand, dat wij niets anders dan de omtrekken van het schip konden onderscheiden.

Ik had gedacht op deze boot veel Afrikaanders te zullen aantreffen, die van de kroningsfeesten uit Engeland terugkeerden, doch het is opvallend hoe, tenminste onder de eerste-klasse passagiers, het Engelsche element overheerscht, bijna alleen aanwezig is. Men hoort uitsluitend Engelsch spreken en de naamlijst der passagiers vermeldt bijna uitsluitend Engelsche namen. Ook naar het uiterlijk te oordeelen zijn het bijna alleen Engelsche heeren en dames die onze medereizigers zijn. Dat maakt de kennismaking moeilijker, want geen volk is zoo gesloten op reis als de Engelschen. De passagiers, die in Madera aan land gaan, zitten met de maaltijden aan een afzonderlijke tafel. Daartoe behooren wij twee en nog drie anderen. Een Engelschman, die acht jaar in het Portugeesch leger heeft gediend, en behalve de vaktermen, nog geen enkel Portugeesch woord verstaat. Hij gaat nu voor een jaar naar Madera, to kill time. Erg interessant is die tafelbuur niet. Doch een advocaat en zijne vrouw uit Madera zijn aardige praters. Zij hebben juist een zesweeksche rondreis gemaakt van Madera naar Lissabon, door Italië, Zwitserland, Frankrijk, en gaan over Engeland naar huis terug.

Over de nieuwe republikeinsche regeering in hun land zijn zij niet gesticht, hoewel zij toch republikeinsch gezind zijn. Volgens hunne redeneering is het Portugeesche volk nog niet rijp voor dezen democratischen regeeringsvorm en worden de bedoelingen van de tegenwoordige regeering door de ambtenaren niet goed begrepen, verkeerd opgevat en verkeerd uitgevoerd. Bovendien wantrouwt men zijn naasten vriend tegenwoordig, want spreekt men openlijk zijn gevoelen uit, dan heeft men kans aangeklaagd te worden, en als vijand van de regeering uit het land te worden verwijderd. Wij zullen daarvan in Madera nog wel het een en ander vernemen.

Woensdagmorgen om zes uur zou de Walmer Castle in Madera landen en daar vijf uur blijven liggen, waardoor ook de doorgaande reizigers gelegenheid kregen een kijkje in Madera te nemen.

Ik had mij voorgenomen vroeg op te staan om het binnenkomen, [60]te kunnen gadeslaan en te kunnen genieten van den aanblik van het eiland van zee uit. Reeds om vijf uur stond ik dan ook boven op het dek, nog slechts de eenige passagier die gereed was. Ik overviel vele matrozen in hun morgentaak om het dek een rein en frisch aanzien te geven, alvorens het in Madera door kanongebulder begroet werd. Ik kwam juist vroeg genoeg om de eerste vage omtrekken van het uiterste punt van de rots, die Madera heet, in het flauwe morgenschemer te ontdekken. Zoo, nog half door nachtelijk duister omgeven, leek dit punt een uitgebreide ruïne van een oud kasteel. Aan den anderen kant van het schip passeerden wij drie andere groote rotsblokken, zoo zwart, als zwart maar zijn kan en die door de matrozen als het “eiland desertas” aangeduid werden. Geen menschelijk wezen woont er, nu en dan zoeken de visschers er tijdelijk een schuilplaats.

Heel langzamerhand begon de zon zich een baan te breken,—de nachten zijn hier heel lang,—en zond een gouden streep over een verder gelegen stuk berg, dat nu geel lichtend op den voorgrond drong. Voor het eerst, na eenige dagen, kwamen ook weder vogels om het schip vliegen, al waren het dan grootendeels maar meeuwen, en al was hun gekrijsch nu juist geen mooi morgenmuziek. Zeer voorzichtig en langzaam vaarden wij om het eiland Madera heen. Het naderende daglicht liet nu boven op de bergen boomen en groen onderscheiden, al schenen de tallooze kleine zeilscheepjes, die dicht langs de oevers bleven, ook van verre gezien, nog witte vlinders tegen den zwarten achtergrond van rotswanden. De geheele berg of reeks van bergen is van boven tot onder dun bezaaid met witte, rooddakige huisjes, die hier en daar aan den voet van den berg zich wat meer samenpakken en dorpjes vormen. Eindelijk, reeds van uit de verte, werd een groote huizenhoop merkbaar, nu hel beschenen door de inmiddels tot volle kracht gekomen morgenzon. Dat was Funchal, de hoofdplaats van Madera.

Straat in Funchal, Tobaggans.

Straat in Funchal, Tobaggans.

Nauwelijks was onze boot in het zicht, en nog vóórdat wij voor anker lagen, kwam van landzijde een zwerm groote en kleine bemande bootjes ons bestormen, die voor een deel kleine jongens aan boord hadden, om de pennies, door de reizigers in het water geworpen, op te duiken. Een misselijke exploitatie van kleine kinderen. Ik zou willen, dat geen enkele [61]passagier zich liet verleiden, geld in het water te werpen, dan zou het met deze kinder-exploitatie gewis spoedig uit zijn. De andere booten bevatten allerlei soort kooplieden, die hunne waar op het schip wilden aan den man brengen. De kapitein moest voor en achter en aan beide zijden van het schip tegelijk zijn om te verhinderen, dat geen ongewenscht publiek naar boven kwam. Hij zelf met verschillende zijner officieren, stond de menschenmassa, die aan alle kanten op het schip naar boven klom, tegen te houden. Hij vertelde mij, dat zeer dikwijls dieven en ander gespuis mede aan boord kwam, en van de aanwezigheid van personeel en passagiers op dek van het schip gebruik maakten om de hutten der passagiers leeg te plunderen.

Ook bevonden zich vele kleine stoombootjes onder de ons omringende scheepjes, die de reizigers aan land wilden brengen. In een van deze bootjes begaven ook wij tweeën ons, na eerst op het schip door den kapitein in kennis te zijn gebracht met den vertegenwoordiger van het Mount Palace Hotel, waar wij gedurende deze week onzen intrek wilden nemen. Vertegenwoordigers van alle hotels waren namelijk mede aan boord gekomen en trachtten de in Madera aan wal gaande passagiers voor hun hotel te winnen.

Een ossewagen in Funchal.

Een ossewagen in Funchal.

Er behoorde eenige vaardigheid toe om van den trap van het schip in het beweeglijke kleine bootje te springen, wat door eenige passagiers zeer onvaardig geschiedde en dan tot lachscènes aanleiding gaf. In Funchal aan wal gekomen, werden wij al weder bestormd door tal van menschen, die ons op allerlei wijze naar boven wilden brengen, waar de tandradbaan begint, die tot aan de top voert, waarop het Palace Hotel gebouwd is. Wij kozen uit al deze voertuigen een sierlijk mandenwagentje, of liever mandesleedje, want er waren geen raderen onder, dat met twee groote, gele ossen bespannen was. Dat tochtje, dat ongeveer tien minuten duurde en ons door een groot deel van Funchal voerde, kostte 400 Reis (ongeveer een gulden). [62]

[Inhoud]
Ornament

Madera.

I.

Van het hooge terras van het Mount Palace Hotel, met een heerlijk uitzicht naar de zee over een weelderige planten- en bloemenschat, zit ik dezen brief in den vroegen morgen te schrijven. Wel beloofde Madera veel, toen ik van het dek van de Walmer Castle de lange, zacht golvende lijn van de baai, met zijne witmurige, rooddakige huisjes, overal verspreid, volgde, maar toch is mijne verwachting overtroffen, toen ik Madera wat nader leerde kennen.

Mag Madera voor een groot deel zijn beteekenis als herstellingsoord voor longlijders verloren hebben, als plaats voor een streng doorgevoerde rustkuur is het misschien eenig in zijn soort. Rust, kalmte, spreekt uit bijna elken boom, elke plant en uit elk huisje, dat tusschen wijndruifranken en suikerriet te voorschijn piept, en nog meer uit de traag voortsukkelende ossen voor de velerlei soorten voertuigjes en de nog tragere jonge mannen die zich als gidsen aanbieden. Het is alsof niemand haast heeft en niemand veel uitricht. Zelfs het kleine tandradbaantje, dat zes keer daags van Funchal naar den top van den berg voert, het eenige spoorlijntje in Madera, doet dit zoo bedaard, dat de inzittenden op verschillende plaatsen onder het rijden het treintje uitstappen, wanneer zij op het punt zijn aangekomen, waar hun woning ligt. Ook ons werd den eersten dag gezegd bij het hotel uit te stappen, wat ons eerst wat griezelig leek, doch waaraan ook wij ons spoedig gewenden.

Den meesten bezoekers van Madera moeten wel ’t eerst de [63]groote rijkdom van plantengroei en de overvloed van bloemen opvallen. Zelfs in zoogenaamd het centrum van de stad is er geen enkel plekje tusschen de huizen, waar niet een of meer bloeiende planten tusschen de muren en over de daken, in blauwe, gele, roode of witte kleurenpracht naar beneden hangt, of waar de reuzenrozebosschen hunne prachtige trossen helkleurige rozen niet hoog boven den omheinenden muur laten uitsteken. En verlaat men de stad, dan wordt de verscheidenheid van kleur en geur van den bloemenschat overstelpend.

Deze bloemenrijkdom bestaat niet alleen in den zomer; integendeel, men beweert hier, dat er in den winter en het zeer vroege voorjaar nog veel grooter verscheidenheid en hoeveelheid bloeit. En wat in mijn oog dit alles hier zoo mooi maakt, is de zekere soort nonchalance, waarin bloemen en planten van allerlei aard dooreen groeien. Men heeft hier gelukkig de tuinen niet veel aangelegd; men heeft de natuur in vele opzichten vrij spel gelaten.

Allen, die beweren, dat men Madera kan zien in de vijf uren, die de meeste booten hier stil liggen, kennen Madera niet. In die vijf uren kan men een zeer oppervlakkigen indruk van het stadje Funchal krijgen, wat Madera-borduurwerk koopen en naar het schip terugkeeren, zonder iets te hebben genoten van het vele natuurschoon, wat hier te genieten valt. Een oponthoud van eene week, waarin elk uur van den dag goed besteed wordt met sight-seeing en met het bezoeken van eenige openbare instellingen, is juist genoeg om den indruk te verwekken, dat Madera oneindig schoon is en dat men die week tot een maand zou willen rekken, om al dat schoone voor goed in zich op te nemen.

Velen meenen, dat Madera in de zomermaanden ongenietbaar is door de warmte, die hier, door de vochtige lucht, benauwend zou zijn. Wij merken daarvan niets. Hier boven op den berg is het den geheelen dag en nacht aangenaam warm, doch niet te warm. Zelfs midden op den dag hebben wij verschillende wandelingen gedaan, zonder het te warm gevonden te hebben. Maar toch schijnt ’s winters het klimaat nog aantrekkelijker te zijn, alhoewel het dan hier boven des avonds en des morgens soms zoo koud is, dat een houtvuurtje moet worden aangelegd. In de stad wordt de temperatuur echter zelden, ook in den [64]winter niet, lager dan 60 gr. Fahrenheit en is dan nog in het midden van den dag tien graden hooger.

Met zulk een klimaat kan de bevolking bijna den geheelen dag buitenshuis doorbrengen, wat de groote armoede, die hier heerscht, minder pijnlijk maakt te dragen. Want arm schijnt de bevolking in de hoogste mate te zijn. Van waar die armoede, vraagt men zich onwillekeurig af. Het eiland is niet overbevolkt: elk plekje grond is of kan vruchtdragend zijn; de dagelijks van alle landen aanleggende schepen brengen stroomen vreemdelingen, al is het dikwijls maar voor eenige uren, die meest allen op de een of andere wijze hier eenig geld besteden; de grond, de levensbehoeften en het meeste wat een mensch dagelijks noodig heeft, is niet duur; van waar komt dan zooveel armoede? Toen ik die vraag aan iemand, die het weten kon, voorlegde, was het antwoord, “de loonen zijn te laag”. Een werkman, die hier 14 of 15 uren daags ruwen spierarbeid verricht, hetzij als wegwerker of als veldarbeider, verdient niet meer dan een gulden. De vrouwen, die hier het fijne en misschien het fijnste borduurwerk maken wat bestaat, kunnen daarmede niet meer dan hoogstens dertig cent per dag verdienen, niettegenstaande zij dat werk verbijsterend vlug verrichten.

Toch moeten er nog andere oorzaken voor de armoede zijn. Het volk is ongeletterd. Bijna geen enkele volwassen man of vrouw uit het volk kan lezen of schrijven. Een vak hebben zij niet geleerd. De vrouwen borduren allen en leeren dit haar dochtertjes meestal reeds van het derde jaar af. Ik heb kinderen van zes en acht jaren zien zitten borduren, zoo vlug en zoo netjes, als bij ons geen groot mensch kan doen, ook al zoekt zij in handwerkjes haar levensgenot. Overal waar men een klein witkalkig huisje met een rieten dak ziet, kan men zeker zijn, vóór het woninkje moeder met dochters of dochtertjes te zullen vinden, die als machines zitten te borduren, zoo snel en zoo rythmisch ziet men de naald door de stof rijgen en den arm opwaarts gaan, om weer opnieuw neer te dalen en den volgenden steek te doen. Het is alsof alles op het gevoel gaat, want tijd om te bepalen waar de volgende steek gezet moet worden, laat men zich niet.

En de jongens gaan reeds vroeg met vader mede om of door veldarbeid of langs den weg wat geld te verdienen. [65]Aan de opvoeding, ontwikkeling der kinderen, werd tot dusver geen zorg besteed. Dan mag zeker ook als bron van armoede gelden, het vreeselijk misbruik dat hier gemaakt wordt van alkoholische dranken. Op elk uur van den dag kan men hier dronken menschen aantreffen en voor de toonbanken der openstaande kroegen ziet men, naast en tusschen de mannen, jongens en jongentjes, die men nog zoo graag naar de schoolbanken zou willen zenden.

Wat is hier voor hervormers handenvol werk! Zou de nieuwe regeering overal in Portugal zooveel wat verbetering behoeft vinden als hier in Madera? Het schijnt dat zij snel wil ingrijpen en de fouten wel ziet. Maar er zal zeker nog wel eens misgetast worden. Zoo werd hier een school van religieuse zusters gesloten, alwaar 700 kinderen goed of slecht onderricht ontvingen, kinderen die nu op de enkele openbare school geen plaats kunnen vinden en zoolang moeten rondloopen, totdat er nieuwe openbare scholen gebouwd zijn. Ware het niet beter geweest eerst voor nieuwe scholen te zorgen en dan de niet goede te sluiten? Als de 700, nu bij den weg loopende kinderen eerst eenige maanden, die jaren kunnen worden, hebben gevagebondeerd, zullen zij dan weder gemakkelijk aan de schoolbanken gewennen?

Ook zag ik hier het stedelijk hospitaal, waar al de religieuse verpleegsters op regeeringsbevel weggezonden zijn en waar nu twee zusters met eenige tijdelijk gehuurde bedienden de dienst verrichten, in afwachting van de verpleegsters, die van hoogerhand gezonden zullen worden.

En zoo zijn er tal van instellingen, die in overgangsvorm verkeeren; instellingen, waar religieuse mannen of vrouwen vroeger den dienst verrichten, die door de nieuwe regeering zijn weggezonden en waarin de open plaatsen nog niet door de plaatsvervangers zijn ingenomen. Van dezen toestand zijn de armen en lijdenden thans dupe, tenzij de dienst vroeger inderdaad zoo slecht was, als mij een medicus wilde doen gelooven, die mij verzekerde, dat het beter is, niet verzorgd, dan zoo verzorgd te worden, als het vroeger was. Van wat ik van dien aard vroeger in Italië en in sommige ziekenhuizen in Frankrijk zag, kan ik dit gelooven; doch de Portugeesche doctoren, met wie ik hier in aanraking kwam, staan op een hooger medisch- en beschavingspeil, dan de collega’s die ik [66]in de hospitalen in Italië en Frankrijk aantrof, en dat waarborgt ook eenigszins een betere verzorging der zieken, zelfs al ging die uit van niet getrainde en onontwikkelde religieuses. De twee verpleegsters, die nu in het stedelijk ziekenhuis de geheele leiding der verpleging hebben, kunnen ook niet lezen of schrijven en kunnen derhalve niet anders dan door ondervinding het verplegen der zieken geleerd hebben. Die ondervinding kan nog niet heel groot zijn, want daarvoor zijn de beide meisjes nog te jong.

II.

Het eigenaardige plaveisel in Madera en de veelal zeer steil naar boven gaande straten hebben waarschijnlijk aanleiding gegeven tot de zeer bijzondere middelen van vervoer, waarvan men zich hier bedient. Heel Madera is geplaveid met eivormige, eigroote steentjes, wier ronde rugjes door het gebruik soms zeer glad en glibberig zijn. Ook liggen zij niet in een vlakke lijn, zooals bij ons de bestrating... zou moeten zijn, doch niet altijd is..., maar in geregelde golfvormige hoogten en laagten. Vandaar, dat men met gewoon schoeisel hier niet kan loopen, doch zich het best bedient van een soort tennisschoen met gummi zolen. De bevolking, voorzoover zij niet blootsvoets gaat, draagt een zeer elegante losse laars van wit of geel leer, waarvan de zolen uit één stuk gemaakt zijn. Het is een aardig gezicht, honderden van deze witte of gele laarzen, van allerlei grootte, des Zaterdagsmorgens op het marktpleintje uitgestald te zien, als de makers van dit bijzondere schoeisel uit alle hoeken van het eiland komen opdagen om hunne producten aan den man te brengen.

Om uitstapjes te maken of ook zelfs als men in Funchal eenige bezoeken wil brengen, bedient men zich van de reeds vroeger door mij beschreven mandensleetjes, waarvoor twee ossen zijn gespannen. Deze mandensleetjes hebben een leeren dak en rondom witte gordijntjes; als men deze gordijntjes een beetje op zij schuift, zit men er in als in een hokje van een wafelkraam. Heel elegant en voornaam ziet zoo’n equipage er niet uit. Met zoo’n voertuig gaat men steile straten op. Voor het afgaan bedient men zich van een geheel ander [67]middel van vervoer, die men hier toboggans noemt. Het zijn sleetjes, maar ze gelijken in geen enkel opzicht op de sleetjes, waarvan men ’s winters in bergstreken gebruik maakt om van een hoogen sneeuwbaan naar beneden te sullen. Het zijn ook al weer lage rieten bankjes, waar twee of drie personen tegelijk op kunnen plaats nemen, en die van onder rusten op het benedenstel van een slede. Op zoo’n bankje gaat men zitten en laat zich naar beneden glijden, aan beide zijden geflankeerd door een paar mannen, die zorgen, dat men in de goede richting blijft. Naast deze twee prachtige vervoermiddelen is er een, die het in comfort wint. Het zijn de hangmatten, die door twee mannen op de schouders gedragen worden. Vooral voor groote tochten op de bijna onbegaanbare bergwegen, zit of ligt men in zoo’n hangmat recht genoegelijk. Als de tocht echter wat te lang duurt dan moet men nu en dan een poosje loopen, anders houden de beenen het niet uit.

En nu komen er ook reeds zeer primitieve auto’s, die in de stad of langs de zee rijden, want het is te gevaarlijk om met deze primitieve voertuigjes de steil oploopende, gladde bergstraten op of af te gaan. Voor groote uitstapjes kan men zich ook zeer goed van paarden of muildieren bedienen. Er is dan steeds een gids bij, die geen oogenblik zijn paard uit het gezicht verliest. Er zijn echter slechts een paar paarden in heel Funchal, zoodat men niet ten allen tijde er over beschikken kan. Als een ander clubje op denzelfden dag een uitstapje maakt, dan moet men eenvoudig wachten, want dan zijn de paarden genomen. De keerzijde van al deze primitieve eigenaardige middelen van vervoer is, dat zij zoo kostbaar zijn. Men kan in Amsterdam met een mooie landauer met twee paarden een paar uur gaan toeren, en betaalt dan nog niet de halve prijs wat hier een ossenwagentje of een hangmat voor een paar uur kost. En het is goedkooper van Madera naar Londen te reizen, dan hier voor een uitstapje van een dag zich van een hangmat of paard te bedienen. Men hoopt dat de nieuwe regeering ook voor den aanleg van wegen zal zorgen, zoodat Madera begaanbaarder wordt en er trams en electrische baantjes zullen komen, om het verkeer te bevorderen.

Vroeger bezat Madera zelfbestuur. De belastingen die door de burgers werden opgebracht, konden ten voordeele van [68]Madera worden aangewend. Nog onder de vroegere regeering is hun echter dat zelfbestuur ontnomen. Zij hebben nu rijksbelastingen op te brengen en moeten afwachten, wat van regeeringswege voor het eiland zal worden gedaan. De vier volksvertegenwoordigers, die Madera naar het parlement zendt, moeten daar voor de behartiging van Madera’s belangen opkomen. Van de thans gekozenen schijnt niet veel heil te wachten. Portugal bezit thans algemeen mannenkiesrecht,—misschien zal blijken, dat ook algemeen vrouwenkiesrecht bedoeld is,—ieder die den leeftijd van 21 jaar bereikt heeft, niet in de gevangenis zit en niet onder curateele staat, kan kiezen. Nu zijn hier zeer beslist de intellectueelen in de minderheid, als men maar nagaat, dat men met zekerheid kan zeggen, dat de analphabeten 85% zoo geen 90% van de bevolking uitmaken en dat deze menschen voor een deel geheel onder de plak van de grondeigenaars zitten of onder de leiding der priesters staan, wat vrijwel op hetzelfde neerkomt. Wat kan men in zoo’n geval van den uitslag der verkiezingen verwachten!

Van organisatie onder het werkvolk is hier geen sprake. Hoe zou dat ook kunnen, bij zoo weinig geestelijke ontwikkeling. Daarbij komt, dat de huisindustrie hier nog hoogtij viert. Slechts weinige fabrieken en groote werkplaatsen treft men aan. Een groote suikerfabriek is er. Die behoort een Engelschman toe. Daardoor is de teelt van suikerriet in de laatste paar jaren zeer toegenomen en zal hier waarschijnlijk spoedig een zeer grooten omvang aannemen. Dat mag ook wel, want met den verkoop van Maderawijn en dientengevolge met de fabricage er van, gaat het steeds slechter. Over de geheele wereld schijnt de Maderawijn zijn roem overleefd te hebben. Verder levert Madera zeer goed mandenwerk, dat voornamelijk in een dorpje, Santa Anna genaamd, door mannen en vrouwen thuis gemaakt wordt. En als ik nu nog het borduurwerk der vrouwen opsom, waardoor Madera in de geheele wereld bekend is, dan is daarmede alle industrieele arbeid genoemd, want wat er verder geproduceerd wordt is het noemen niet waard en dient alleen voor het gebruik der eilandbewoners en enkele kooplustige vreemdelingen.

Een ding is hier vreeselijk te betreuren en dat neemt veel weg van de charme van Madera. Het staat echter geheel in verband met het lage peil van ontwikkeling der bewoners [69]en zal zeer zeker verdwijnen, wanneer door betere scholen en door verbetering der sociale misstanden een hoogere geest in de bevolking komt. Mannen, vrouwen, kinderen, alles en allen bedelen hier! Zelfs een kind, dat nog niet praten kan, heeft reeds geleerd zijn handje uit te steken en een biddend gezichtje te trekken, zoodra iemand passeert. Doordat bijna alle kinderen hier, zoo te zeggen, naakt loopen en lekkere, vuile gezichtjes hebben, kan men moeilijk weten of armoede of gewoonte de hand doet uitsteken. Zelfs vrouwen en meisjes, die zitten te borduren en wier huisjes en kleeding een zekeren welstand doen vermoeden, zullen toch de hand voor een penny uitsteken en een klagende stem opzetten, als men hen maar een oogenblik aandacht schenkt.

Een vrouwenbeweging verwacht men natuurlijk in Madera niet; maar toch zoo weinig als de zoogenaamd ontwikkelde vrouwen hier weten van hetgeen onder de vrouwen in andere landen,—en zelfs in Portugal,—voorvalt, dat gaat alle grenzen te boven. Ik heb hier reeds met zeer vele mannen kennis gemaakt en voel mij in de straten van Funchal als een oude bekende, doch nog geen enkele man of vrouw, die ik ontmoette, wist eigenlijk iets van het feit, dat dr. Angelo in Lissabon, als eerste vrouw, bij de laatste verkiezingen gestemd had en als kiezer op de kiezerslijst was ingeschreven. Toch vinden zij het van zelf sprekend, dat als iedere man van 21 jaar het kiesrecht mag uitoefenen, iedere vrouw dat recht dan ook zal moeten hebben. Wat de vrouwen evenwel met het kiesbiljet zouden moeten uitvoeren, dat weten zij al evenmin als de mannen het hebben begrepen. Waar ik zeker het allerminst had vermoed, dat ik over vrouwenkiesrecht zou spreken, daar kreeg ik er zeer ongezocht een gereede aanleiding toe. Ik was namelijk in het “Empress hospital”, een ziekenhuis voor teringlijders, door de keizerin van Brazilië in 1853 gesticht, ter nagedachtenis van haar aldaar aan tuberculose gestorven dochtertje. Na den dood van de keizerin van Brazilië viel deze instelling als erfdeel haar zuster, de koningin van Zweden, ten deel. Vandaar, dat dit sanatorium onder Zweedsche protectie staat en de katholieke zusters van de orde van St. Vincentius, die er de alleenheerschappij voeren, door de Portugeesche regeering niet kunnen worden weggestuurd. Toen ik daar, na afloop van het bezoek, wat handwerkjes [70]kocht, bij wijze van gift voor de instelling, werden deze gewikkeld in een blad van “Votes for Women”, (voor lezers, die het niet mochten weten, zij hier vermeld, dat dit het weekblad van de suffragettes van Londen is), en toen ik zuster Claire vroeg of dit blad bij hen gelezen werd, gaf zij mij een bevestigend antwoord. Een Engelsche verpleegster, die vroeger langen tijd bij hen verpleegd had en tot de suffragettes in Londen behoort, zond hen geregeld wekelijks het blad toe, dat daar met groote belangstelling gelezen wordt.

Van het hospitaaltje zelf wil ik hier ter plaatse niets anders zeggen, dan dat het netjes en zindelijk onderhouden wordt, doch dat het niet meer voldoet aan de nieuwe eischen, die men aan een herstellingsoord voor tuberculose stelt. Het gebrek aan genoegzame hoeveelheid lucht en licht in de ziekenkamers wordt evenwel voor een deel vergoed, doordat de zieken bijna den geheelen dag in den grooten tuin in de open lucht kunnen doorbrengen. Of daarvan echter het noodige gebruik wordt gemaakt, waag ik niet te zeggen.

Vóór ik mijne brieven over Madera sluit, wil ik nog even met een enkel woord de bijzondere hoffelijkheid en voorkomendheid vermelden der bewoners, vooral uit de hoogere kringen. Ik heb nog in geen land zooveel ware beleefdheid en voorkomendheid opgemerkt. Zij doen het alles zoo eenvoudig en op zoo’n wijze, dat men zich heel niet bezwaard gevoelt, de beleefdheden te accepteeren. Het is alsof zij het voor eigen genoegen doen. Zonder de zoon des huizes hier in het hotel, zouden wij zeker niet zooveel hebben kunnen zien en doen in den korten tijd, dat wij hier zijn. Hij helpt ons in alles, maakt plannetjes voor nieuwe tochten en begeleidt ons als wij het wenschen. Hij bracht veertien jaren in verschillende landen door en spreekt alle talen. Wij hebben zeer den indruk, dat hij het prettig vindt met ons uit te gaan, maar ’t kan even goed zijn, na ’t geen wij hier van anderen ondervonden, dat hij uit buitengewone voorkomendheid dien schijn aanneemt.

Morgenochtend komt de “Saxon” en moeten wij dit heerlijke oord verlaten. Ik ben overtuigd, dat ik steeds met een gevoel van heimwee aan Madera zal terugdenken.

26 Juli 1911. [71]

[Inhoud]
Ornament

Aan boord van de “Saxon”.

I.

Het was Woensdagmorgen nog geen zes uur, toen wij van uit de slaapkamers van het Monte Palace Hotel de “Saxon” zagen binnenkomen. Wij waren reeds gekleed en onze bagage gepakt. Ik had den zoon des huizes, die reeds om half zes naar de pier was gegaan, een briefje voor mrs. Chapman Catt medegegeven, om haar te vertellen dat wij in een half uur daar zouden zijn om haar in die paar uren dat de boot bleef wachten, zooveel als mogelijk was, van Madera te laten zien. Wij haastten ons naar den tuin, om beiden een arm vol prachtige rozen, sweet peas, aronskelken, azalea’s etc. te plukken—, de eigenaar van het hotel had ons daarvoor verlof gegeven—en met dezen bloemenrijkdom in onze armen, zetten wij ons in een tobaggon om in acht minuten naar beneden te vliegen. Het treintje doet over dien afstand twintig minuten. Wij kwamen juist aan de pier, toen wij mrs. Catt en miss Cameron zagen aan wal stappen. In minder dan geen. tijd zaten wij met ons vieren in een ossewagentje, want er was geen minuut tijd te verliezen, de boot zou reeds om tien, in plaats van om elf uur verder gaan; daarna gingen wij in het treintje naar boven, wandelden even naar een van de zeer mooie views in Madera en gingen toen terug naar het Monte Palace Hotel, waar wij op het terras een copieus ontbijt namen. Nogmaals, nu door het bediendenpersoneel van het hotel, met bloemen overladen, tobaggonden wij opnieuw naar beneden. In twee sleden vlogen wij den steilen bergrug af wij waren aan den voet, voor wij er aan dachten. Onze [72]twee Amerikaansche reisgenooten hadden grooten schik, nog nooit hadden zij zoo’n exciting trip, als dien morgen, gemaakt. In een van de primitieve autotjes gingen wij nu nog even een gemakkelijken rieten stoel voor elk van ons koopen, om op het dek van het schip te gebruiken. De linnen stoelen, die daar voor 5 sh. verhuurd worden, zijn zeer ongemakkelijk en alleen te gebruiken om er in te liggen, niet om ze ook eens als gewonen stoel aan te wenden, als men wil schrijven of heel netjes een bezoek ontvangen van een of ander medepassagier. Voor een prachtstoel, die voor alle doeleinden dienst kan doen, waaraan een werkmandje en gelegenheid om kopjes of glazen in te zetten, betaalden wij ieder 9 shillings.

Even vóór tien uur waren wij aan boord van ’t schip. Het kostte wel weer eenige moeite, om uit ’t kleine stoombootje op de trap van de groote boot te komen, want onze nauwe rokken lieten niet toe, dat wij een flinken stap deden. Half springende kwamen wij toch waar wij wezen moesten en wij bevonden ons weldra op het dek van ’t schip, dat ons nu veertien dagen tot hotel moest dienen.

Precies om tien uur staken wij van wal, zou ik willen zeggen, maar wij lagen eenige honderden meters van den wal en waren omgeven door een menigte kleine roeibootjes, wier inzittenden nog voor het laatst probeerden pennies van de passagiers los te krijgen, die zij wel vriendelijk uit het ondiepe water wilden opduiken.

’t Is dus nauwkeuriger als ik schrijf dat om tien uur het schip zich in beweging zette en zich een weg baande tusschen de tallooze kleine vaartuigjes door, om weldra in het ruime sop met volle snelheid Zuid-Afrikawaarts te stoomen.

Zoolang Madera in het gezicht bleef, kon ik het dek niet verlaten; ik wilde nog een laatsten afscheidsgroet brengen aan het lieflijke eiland, waar ik zulk een aangename en interessante week had doorgebracht. Toen ik daarna in mijn hut kwam, vond ik daar niet alleen al mijn bagage, maar door de goede zorgen van den heer Lopez, den zoon van den hotelier, bevonden zich daar ook de kleurige en geurige bloemen waarmede wij dien dag begiftigd waren.

Spoedig had ik mijn hut voor een veertiendaagsch verblijf in orde gebracht, de japonnen die ik onderweg noodig had in de hangkast gehangen, het ondergoed in de ladekast geborgen, [73]een paar portretten opgehangen, toiletartikelen netjes uitgelegd en wat boeken en papieren op een hangertje geplaatst, en daarmede mijne hut een beetje een huiselijk aanzien gegeven. De bloemen in glazen en vaasjes verhoogden den vriendelijken aanblik.

Nu was het tijd geworden voor onze eerste lunch aan boord en daarbij bood zich een goede gelegenheid om onze medepassagiers eens op te nemen. Er waren er niet veel. Tusschen de 70 en 80 eerste klasse-passagiers waren aan tafel. De overgroote meerderheid waren heeren. De weinige damespassagiers waren over de tafeltjes, waaraan elk tien gasten konden plaats nemen, verdeeld.

Aan elk tafeltje zaten 2 of 3 dames. Wij vieren waren dus ook verdeeld; wij mochten niet tezamen zitten. Mijn Hollandsche medereizigster en ik zaten aan een tafel met 8 Engelsche heeren, waarvan een in Johannesburg mede-eigenaar van een diamant-mijn is en daar reeds 30 jaar woont, doch heel en al een jingo is gebleven. Twee jonge mannen, die voor het eerst naar Zuid-Afrika gingen, om daar in een handelsbetrekking geplaatst te worden, waren onze overburen. De een er van is een flinke jongen met energiek uiterlijk, de ander zal zich alleen door een kruiwagen en “good luck” een weg door het leven kunnen banen. Beiden zijn echter jongens van goeden huize, met aangename beschaafde manieren. Naast mij zit een echt Engelsch type, een man die in sport zijn levensdoel en levensgeluk zoekt. Hij is op weg naar Zuid-Afrika om leeuwen en olifanten te schieten. Het is een reus, die aan tafel met zijn lange beenen geen raad weet. Steekt hij ze voor zich uit, dan klagen zijn overburen, buigt hij ze netjes zijwaarts naar rechts en links, dan komen ik en zijn linker buurman er steeds mede in contact. Er is hem al reeds den raad gegeven, ze over zijn schouders te slaan. Naast hem zit een donker, miserig kereltje, ook een Brit, die zijn buurman op de leeuwenjacht wil vergezellen, doch er heelemaal niet het uiterlijk voor heeft. Praten doet hij ook heel weinig. Dan is er nog een oudere Engelschman, die vele jaren in Zuid-Afrika was, mede streed in dein laatsten Zulu- en Transvaalschen oorlog en nu teruggaat om z’n vrouw te halen, zijn zaken af te wikkelen, vandaar eerst naar Australië te gaan en dan voorgoed naar Engeland terug te keeren. Het is opvallend, hoe alle Engelschen, al zijn [74]zij ook jaren en jaren lang in andere landen geweest, al bezitten zij ook hun tehuis in Zuid-Afrika, Australië of elders, toch altijd van Engeland als “home” spreken. Een dame hier aan boord, die haar tehuis, man en kinderen in de Kaapkolonie heeft en daar reeds bijna twintig jaar woont, vertelde ons toch, dat zij elke drie of vier jaar “must go home” anders kon zij niet gelukkig zijn. Toen ik haar vroeg wat zij haar “home” noemde, antwoordde zij onverwijld “Engeland”.

Maar den laatsten dischgenoot, behalve de purser, die mede aanzit, heb ik nog niet genoemd. Ik liet hem met opzet achteraan komen, want hij is een zeer bijzonder mensch. Hij is in ons land zeer goed bekend, heeft er tal van vrienden in de geleerde wereld en spreekt zeer beschaafd Hollandsch. Als reislectuur zag ik “Max Havelaar” in zijn handen, en de “Camera Obscura” naast hem liggen. Hij is een zeer ontwikkeld en aangenaam causeur, waardoor het een genot is, nu en dan een half uur met hem op het dek op en neder te wandelen.

Onder de andere eerste-klasse passagiers zijn zeventien Belgen, die langs dezen weg en met den trein door Rhodesia, Congo hopen te bereiken. Dwaze typen zijn onder hen. De een is een graaf! Hij bemoeit zich met geen zijner landgenooten, ook niet met andere mede-passagiers. Hij zit steeds en altijd te lezen, met zijn rug naar die andere menschen, in een toilet dat waard is aan de vergetelheid te worden ontrukt. Ieder ander maakt het zich overdag zoo gemakkelijk mogelijk, de heeren in witte linnen of flanellen pakken, de dames met dunne witte blouses en rokken, maar deze count zit steeds, zelfs reeds ’s morgens om 7 uur, in lakensche pantalon en morning coat en met bruine glacé handschoenen en met een hoed op zijn hoofd, alsof hij zoo een officieel bezoek aan een of ander overheidspersoon in een groote stad wil gaan afsteken.

Een andere Belg schrijft reisbrieven voor verschillende Belgische geïllustreerde bladen. Hij loopt den geheelen dag met een reuzencamera om zijn schouders, telkens en telkens een snapshot nemende, als hij een aardige groep bijeenziet. Men voelt zich geen oogenblik zeker als hij in de nabijheid vertoeft, want hij weet heel goed den oolijken kant van zijn taak te snappen en vereeuwigt een mensch op een oogenblik, dat hij zich juist ongemerkt geloofde. Van de overige Belgen is er [75]een Vlaamsche, die graag Vlaamsch met ons klapt, en van al de Belgen het meest de gentleman is.

Buiten de genoemde Belgen en onze twee Amerikaansche vriendinnen, zijn al de andere medereizigers Engelschen, die, óf in Zuid-Afrika wonen óf er voor het eerst heengaan om er hun fortuin te zoeken.

In zoo’n Britsch gezelschap is het natuurlijk te verwachten dat er spoedig een gelegenheid gezocht zou worden om op de een of andere wijze aan sport te doen. Veertien dagen achtereen op een schip door te brengen, zonder land te zien, neen, wat meer zegt, zonder iets anders te zien dan lucht en water, want als wij nu en dan eens meenen ’n schip te zien passeeren, dan is het alleen een rookkolom, die zich tegen den horizon afteekent en anders niet; van de omtrekken van een schip is met den scherpsten kijker zelfs niets te bespeuren; en dan geen andere lichaamsbeweging te hebben dan het eentonig op en neer wandelen op het dek, is toch voor een Brit niet uit te houden. Toen dan ook Madera goed en wel achter den rug was, werd uit de vele heeren een sportcomité gekozen, dat wedstrijden en spelletjes moest verzinnen, waaraan allen konden meedoen, zoodat allen de noodige lichaamsoefening verkregen en er weldra een gezellige geest onder de verschillende gasten zou komen.

Die heeren kweten zich loffelijk van hun taak. Nog dienzelfden middag moesten wij allen inschrijven voor een bucketgame, (dat is een spel, dat beoogt om in den kortsten tijd 21 ringen van touw op een zekeren afstand in een houten emmertje te mikken), een quoitsgame, een bullet board game en nog meer zulke hoogst ingewikkelde spelletjes, die ons allen een grooten pret en nog meer lichaamsbeweging gaven, want daar het voornamelijk om dit laatste te doen was, moet ieder zijn eigen ringen, schijven, gummiballen, enz. oprapen en mag niemand daarin door de heeren worden bijgestaan.

Bovendien wordt er ’s morgens, gedurende ruim een uur, een net gespannen, waartusschen de heeren cricket kunnen spelen en wordt er ’s avonds voor de oude heeren en dames een bridge-drive en voor de jongelui een bal op het dek van het schip gehouden. De spelletjes gaan alle om de eer van het spel, om het champion-ship, geen inzet wordt er gevorderd, maar kleine prijzen worden uitgedeeld. [76]

Na dien eenen dag van spelletjes doen, heerschte er direct een gezelliger geest onder de passagiers, ieder kende nu iedereen, het ijs was gebroken en de nadere kennismaking volgde van zelf.

Ik zal nog wel eens gelegenheid hebben over mijn medepassagiers het een en ander te zeggen; dezen eersten brief aan boord van de “Saxon”, wil ik eindigen met een paar woorden over het heerlijke weder en de vaste ligging van ’t in elk opzicht hoogst comfortabel ingerichte schip. Wij glijden als het ware tusschen de golven door. Mijmert men een oogenblik dan doet het kabbelen van de golfjes tegen het schip eerder gelooven, dat men op een mooien, warmen zomermiddag aan het zeestrand zit, dan dat men zich op een boot midden in den Atlantischen Oceaan bevindt. Prachtig zijn de dagen en prachtig zijn de avonden met een helderen sterrenhemel. Nog geen oogenblik was het te warm, niettegenstaande wij reeds met snellen spoed den Equator naderen. Men brengt op die wijze even gemakkelijk en met nog meer genoegen veertien dagen aan boord van zoo’n schip door, als dat men des zomers met goed weder veertien dagen in Zandvoort of Scheveningen woont; en dan heeft men hier nog het voordeel geen couranten of brieven onder de oogen te krijgen, die een mensch de noodige gemoedsrust kunnen ontnemen. Hier aan boord geschiedt niets, dat iemand zenuwachtig kan maken; de bediening is er zoo goed als men zich slechts kan droomen, de tallooze bedienden hebben al reeds aan iemands wenschen voldaan, nog vóór zij goed en wel overdacht zijn en zeer zeker nog voor zij zijn uitgesproken. Het eenige hoofdbreken, dat men hier heeft, bestaat in driemaal daags uit de lange lijst van goed toebereide, smakelijke gerechten een ontbijt, lunch en diner te kiezen. Gelukkig is er ook steeds een overvloed van de beste vruchten en behoeft men dus niet de Engelsche gewoonte te volgen om zich in hoofdzaak met vleesch, visch en gevogelte te voeden. Men kan hier heel goed geheel vegetarisch leven, indien men dat verkiest en waaraan Mrs. Catt zich voor een groot deel houdt.

29 Juli 1911. [77]

II.

Ik had mijn vreugde over het aanhoudende, mooie weder in den voorgaanden brief wat te spoedig geuit, want nauwelijks een dag later begon in den namiddag een behoorlijke wind op te zetten, die des avonds, vergezeld van regenbuien, in een behoorlijk stormpje overging. Het schip hield zich goed, al slingerde het ook wat heen en weer en al voelde men het ook tegen de groote golven optornen en er zacht over naar beneden glijden. Onmiddellijk ontbraken er eenigen aan de dinnertable, maar eerlijk moet worden geconstateerd, dat er minstens even zoovele mannen als vrouwen ontbraken.

Er behoorde eenige moed toe, dien avond aan de bridge-drive deel te nemen, maar toch waren er van de twintig nog twaalf over, die het aandurfden. Een plekje werd uitgezocht, waar wij het rustigst konden zitten, waar noch de wind onze kaarten in zijn loop zoude medenemen, noch wij van de hitte zouden bezwijken en waar de schommelingen van het schip ons niet al te zeer van de wijs zouden brengen. Al deze eigenschappen waren voor ’t meerendeel bijeen in de hal van het schip, met aan één kant de deuren open. Met groote animo werd het spel gespeeld, en niemand onzer dacht er aan zeeziek te worden. Eene goede afleiding schijnt wel het beste geneesmiddel, of nog beter, voorbehoedmiddel voor zeeziekte te zijn.

De storm ging vergezeld van een benauwende warmte, voor een groot deel het gevolg van het feit, dat wij ons vlak bij den Equator bevonden. Des Maandags echter, toen wij den Equator passeerden, was het vervelend koud; door de nu en dan hevige regenbuien en den sterken wind was de lucht flink afgekoeld.

Een aardige afleiding in de eentonigheid van niets dan lucht en water en onze medepassagiers te zien, bracht het sein, waarmede de brandweer gealarmeerd werd en dat alle brandweermannen in ’n ommezien aan dek van ’t schip bracht om ieder de hun aangewezen taak te verrichten. Het had gelukkig geene andere bedoeling dan eene oefening voor de manschappen, doch het gaf ons eenige afleiding en de geruststelling, dat wij in geval van nood door deze flinke, jonge mannen spoedig in veiligheid kunnen worden gebracht. [78]

Een Zondag op een Engelsche boot is nog erger dan een Zondag in een Engelsche stad. In een stad kan men ten minste in huis blijven en doen wat men verkiest, maar op een Engelsche boot, te midden van hoofdzakelijk Britsche onderdanen, moet men goed- of kwaadschiks aan de Zondagsheiliging mededoen. Alle spelletjes waren voor dien dag opgeruimd, het eentonig geklikklak van de touwen ringen in de houten emmers, nu en dan onderbroken door een bravogeroep en handgeklap, als er eens iemand vier of vijf van de zes ringen tegelijk ingooide, werd niet gehoord; evenmin het geschuifel der gummischijven en het hartelijk gelach als een goed geworpen schijf de kunstig in het midden van een cirkel geworpene van een tegenstander er uitmikte; de kaarten waren opgeborgen, geen dame durfde een handwerkje ter hand nemen en de vroolijke tonen der morgenmuziek werden niet gehoord. Men mocht lezen, liefst een stichtelijk boek en men mocht om half elf deelnemen aan de godsdienstoefening, waaraan de heele bemanning, die op dat oogenblik geen dienst had, verplicht was deel te nemen en die in de warme eetzaal van de eerste klasse gehouden werd.

Vele passagiers maakten van deze kerkgang gebruik, sommigen om daarmede een beetje de eentonigheid van den dag te breken. Des avonds om 8 uur had er in de eetzaal van de tweede klasse eene herhaling van deze plechtigheid plaats. Vóórdat de manschappen naar de kerk gaan, worden zij eerst aan eene behoorlijke inspectie onderworpen en hunne namen opgelezen, van den eersten officier af tot den eenvoudigsten jongen, zoodat niemand kan ontbreken of zich door gewetensbezwaren kan verontschuldigen. Wat een schijnheiligheid kweekt toch zulk een wijze van doen! Al deze stoere, flinke kerels te dwingen om in te gaan, ook al wijst hun eigen geest hun een anderen weg tot zaligheid aan.

Nu wij den Equator gepasseerd zijn, wordt ’t langzamerhand koeler en moeten de wollen jakjes dienst doen als men buiten, zittende, wil doorbrengen. Over warmte hoort men niemand meer klagen. Onaangenamer is evenwel, dat nu ook de dagen zeer snel beginnen te korten. Om half zes is het reeds heelemaal nacht en nog een paar dagen verder dan valt de duisternis reeds om vijf uur in. Van schemerlicht is geen sprake, plotseling gaat het daglicht in het avondduister over. [79]De opkomende maan verzoent ons echter voor een deel met deze slechte bedeeling van daglicht. Een prachtige zilvergloed zendt zij over de zwarte oppervlakte der zee. Doch ook de sterren, die hier meer schijnen te schitteren dan op het land, alsof zij weten, dat onze weg niet door electrisch- of gaslicht verlicht kan worden, en alle hoop op hen is gevestigd, wedijveren met de maan in het zenden van zilveren stralen naar de golven der zee.

Het is nu ook de moeite waard, een tijdlang de zee gade te slaan. Overdag ziet men dan tallooze vliegende visschen uit het water opduiken, een eindweegs over de oppervlakte der zee vliegen, om dan plotseling in een opkomende golf weder onder water te verdwijnen. In het begin dacht ik niet anders dan dat het gewone zwaluwen waren, precies zoo zien zij er van verre uit. Soms komen zij in heele zwermen tegelijk en zien er dan uit als vele groote schuimvlokken; dan weder komt er een, grooter en grijzer gekleurd, en vliegt een eindweegs alleen.

Doch ook ’s avonds geeft de zee afleiding als men zich een oogenblik aan de zijde begeeft, waar de maan niet schijnt. Of dit nu de stuurboord- of bakboordzijde is, heeft mijn zeevaartkundige wijsheid nog niet uitgevonden. Aan die zijde van het schip is het donker en daar ziet men bijna onophoudelijk de phosphorlichtjes uit de zee opkomen. Soms zijn ze zoo groot, dat zij wel vijf-en-twintig electrische lampjes bij elkaar gelijken.

Gegokt wordt hier ook op het schip, al is het dan ook op een vrij onschuldige wijze. Elken morgen komen ’n paar heeren met een lijst en de vraag, of men voor een shilling wil deelnemen aan “the sweep”. Zooveel shillings als men inzet, voor zooveel nummers wordt men ingeschreven. In den regel worden 400 nummers verkocht. Velen nemen tien tot vijf-en-twintig nummers. Deze nummers zijn alle op witte beenen schijfjes geschreven en in een kom geworpen. In een andere kom bevinden zich een-en-veertig andere nummers, loopende van 356 tot en met 396. Het gemiddelde aantal mijlen dat de “Saxon” daags aflegt is 376. Er zijn twintig punten onder en twintig punten boven dit getal genomen. Nu trekt iemand een nummer uit de kom met 400 schijven, en tegelijkertijd een ander uit de kom met 41 schijven. Wiens nummer [80]uit de kom met 400 schijven komt, heeft nu voortaan het nummer uit de kom met 41 schijven. Als er zoo 41 nummers getrokken zijn, dan zijn alle overblijvenden van onwaarde geworden. Deze 41 nummers worden nu geveild en daarop kan elkeen een bod doen. Ook de eigenaar dient zijn eigen nummer in te koopen, als hij het wil behouden. De eerste prijs valt ten deel aan dengeen, die het nummer bezit, gelijk aan dat van het aantal mijlen dat het schip heeft afgelegd,—om twaalf uur ’s middags wordt dit altijd geannonceerd,—het nummer dat er tien boven is, krijgt den tweeden, en dat, ’t welk er tien onder is, krijgt den derden prijs. De veiling van de nummers brengt soms enorme sommen op. Men biedt tot aan twee en drie pond voor een gewild nummer. De helft van die som krijgt de eigenaar, de andere helft gaat in den pot. Somtijds is de hoofdprijs vijf-en-twintig tot dertig pond. Er zijn gelukkigen, die met dit hazardspel hun heele reisgeld verdienen, doch er zijn ook die elken dag groote sommen verliezen. Ook de tweede klasse-passagiers hebben het twijfelachtige voorrecht aan deze speculatie te mogen deelnemen. Het komt mij voor, dat het in het belang van vele jonge reizigers zou zijn, als de directie zulk een beursspel op haar schepen verbood, in plaats van het, zooals hier geschiedt, in de hand te werken.

Welk een haat er nog bestaat tusschen de Engelschen en Afrikaanders, wordt ons hier op het schip in bijna elk gesprek duidelijk. De Engelschen aan onzen tafel durven beweren, dat indien wij “de Boeren” in Zuid-Afrika een beetje “menschelijk” vinden, wij dit dan hebben toe te schrijven aan den beschavenden invloed der Engelschen. Zij hebben de brutaliteit, te beweren, dat de Boeren vóór den oorlog niet veel hooger dan de Hottentotten stonden en Engeland nu bezig is menschen van hen te maken. Dat ik hun in dit opzicht van antwoord dien en hun raad over den Z.-Afrikaanschen oorlog, liefst zoo weinig mogelijk te bluffen, is zeker te begrijpen. Zij voelen niets van het ergerlijke figuur, dat zij in dien tijd gemaakt hebben.

Doch ook bij de enkele jonge mannen uit de Boerenfamiliën, die wij hier aantreffen, bestaat nog de diep ingewortelde haat tegen de Britten; het is er nog ver af, dat alle in Z.-Afrika wonenden, Britten en Boeren, zich als landgenooten gevoelen, [81]die gezamenlijk hun land dienen op te bouwen, tot het misschien eens kan worden een Zuid-Afrikaansche republiek.

De directie van het schip heeft er slag van, de eentonigheid van de reis te breken. Tegen dat men moe wordt van het schijven werpen, cricketspelen etc, worden er wedstrijden met prijzen uitgeschreven voor allerlei soort flauwe spelletjes; als ik ze zou moeten beschrijven, zou iedereen ze kinderachtig vinden, doch zij bezorgen toch aan de toeschouwers en de medespelenden eenige dagen onschuldige vroolijkheid en groote afleiding. Niet waar, gij vindt het flauw, als ik meld, dat groote mannen, vrouwen en meisjes, en zelfs kinderen, mededoen om een zeker aantal aardappelen, op een lange rij gezet, binnen een bepaalden tijd een voor een op te rapen en in een emmer te werpen; of dat een lange rij heeren plat op den grond gaat liggen, op den rug, en dat dan een ondiep schoteltje vol water op hun borst wordt geplaatst, dat zij liggende, over hun hoofd heen, achter zich op den grond moeten zetten. Soms storten zij het water reeds over hun borst uit, meestal komt het in hun gezicht en oogen terecht en slechts zelden bereikt het schoteltje met een behoorlijken inhoud den grond. Dan zijn er hanegevechten onder de heeren, of voor dames om geblinddoekt de oogen te teekenen in een groot op den grond met krijt geteekend varken, enz., allemaal spelletjes, zooals ik reeds zeide, te flauw om te beschrijven, doch die een algemeene vroolijkheid verwekken, vooral omdat zoowat niemand op de boot zich te voornaam of te ernstig gevoelt om er aan mede te doen.

Maar twee dagen zijn wij allen zeer bezig geweest door het te voren geannonceerde gecostumeerd bal; de costumes moesten aan boord vervaardigd zijn uit artikelen, die men toevallig bezat of aan boord kon verkrijgen. Dat gaf een algemeene drukte. Eerst de beraadslagingen en diepzinnige overpeinzingen wat men wilde voorstellen en hoe het uit den kofferinhoud was samen te stellen. Vele heeren kwamen bij de dames om hulp vragen. Iets geniaals bedenken konden zij wel, maar voor de samenstelling hadden zij onze hulp noodig. En vooral vrouwen, zooals mrs. Catt en ik, die niet aan de verkleedpartij zouden deelnemen, doch onze hulp gratis hadden aangeboden, hadden handen vol werk. In de eerste plaats hadden wij beiden ons eigen landgenootje te kleeden en te [82]helpen bij ’t ontwerpen van ’t plan en de uitvoering. Mrs. Catt’s medereizigster wilde met een op het schip opgedanen vriend Romeo en Julia voorstellen en deze toiletten vielen zoo goed uit, dat wij ten slotte met groote cartonletters op den rug van den een Romeo en op dien van de ander Julia moesten plakken, anders zou niemand geraden hebben, wat hunne verschijning te beduiden had.

Mijne gezellin en ik hadden iets ernstigers en tegelijk propagandistisch bedacht. Van een lap wit tarlatan, die dienst moet doen voor muskietennet als wij in de tropen komen, was het embleem nagebootst van ons internationaal vrouwenkiesrecht-insigne. Het haar in Griekschen stijl opgemaakt en versierd met bordpapierbanden door iemand op het schip prachtig goud geverfd. Op dezelfde wijze waren groote en kleine gouden letters gemaakt en eerst op de borst en nog eens op de plooien van de rok kwam met groote duidelijke letters het “Jus Suffragii” uit. Een even kunstig gemaakte weegschaal in de hand, bordpapiergouden banden om boven- en onderarm, voltooiden het costuum en maakten van mijne medereizigster een statig, mooi, levend embleem van ons internationaal herkenningsteeken. Hadden er in de jury voorstandsters van vrouwenkiesrecht gezeten, dan was haar zeker een prijs ten deel gevallen; nu ontving den 1en prijs een levend pistache, een jong meisje, dat zich uit roze en licht blauw papier zeer schoon een costuum had vervaardigd, dat in zijn geheel en in alle onderdelen pistaches voorstelde.

Tal van geestige, al waren zij dan ook soms geen mooie, toiletten kwamen voor den dag. Mijn op leeuwen-dooden beluste buurman verscheen als “ridder van het bad”. Met bloote beenen in een paar afgetrapte sloffen en in een badmantel gehuld, als hoofddeksel een groote spons, twee nagelborstels als epauletten, een tandenborstel als dasversiersel, een flesch odol, scheergereedschap etc. als verdere attributen, maakten van hem iemand, die door iedereen werd uitgelachen, doch die niemand gaarne in zijn nabijheid had. Vele heeren waren als dame gekleed, waarbij de potsierlijkste jupe-culottes vertoond werden. De twee grootste en zwaarst gebouwde mannen onder de passagiers hadden zich als tweeling-broertjes verkleed met korte witte broekjes, bloote beentjes en lage schoentjes, buisjes, kraagjes en hoedjes van een paar lieve [83]joggies van vijf of zes jaar. Daarbij waren zij onverbeterlijk gegrimeerd en liepen met een paardje op rolletjes, handje aan handje. Dat was een waar succes en ieder vond, dat de jury recht had gedaan, hun den eersten heerenprijs toe te kennen.

Aan deze en al dergelijke vermakelijkheden doen de tweede klasse passagiers met de eerste mede. Er wordt op deze booten lang zoo’n groote scheiding tusschen eerste en tweede klasse passagiers niet doorgevoerd als op bijv. de booten, die tusschen Europa en Amerika varen en afgezien, dat de eerste klasse hutten veel grooter en comfortabeler zijn, en bij de maaltijden wat grooter keuze van gerechten wordt gegeven, is de tweede klasse evengoed als de eerste.

Den avond van het gecostumeerde bal werd er onder het dansen lichte wijn en limonade geofferd en om half elf was er een souper met nog grooter lijst van fijne gerechten als bij de drie andere groote maaltijden van den dag. Geen extra betaling werd daarvoor geëischt.

Hoe goed afleiding werkt voor het voorkomen van zeeziekte, werd den dag en avond van het bal duidelijk. Den geheelen dag had reeds een tamelijke bries bestaan, die tegen den avond in een flinken storm overging. Noch dien dag, noch dien avond was er iemand zeeziek; men danste en walste op het dek, niettegenstaande er flinke zeemansbeenen vereischt werden om in een geregelden gang te loopen en men nam deel aan het souper, at en dronk allerlei dingen, die in geval van zeeziekte ongenietbaar zijn en voelde niets van de danspartij, die het schip met de golven der zee uitvoerde.

Nu moet ik dezen brief eindigen, want men komt mij daar zoo waar mededeelen, dat ik in een van de sportspellen den tweeden prijs behaald heb en nu een keuze moet doen uit de voorwerpen, die voor dat doel zijn uitgestald. Zoo zorgen mijne landgenoote en ik er voor, dat bij alle gelegenheden aan boord ons land geen slecht figuur maakt.

4 Augustus 1911. [84]

[Inhoud]
Ornament

Aankomst in Kaapstad.

Het waren drukke dagen, die laatste dagen aan boord van de “Saxon”. Er moesten nog tal van spelletjes worden afgespeeld en sommige verslagen mede-passagiers wilden nog gaarne gelegenheid hebben, om revanche te nemen, alvorens men voor langen tijd, misschien voor altijd, uit elkaar zou gaan. Daarbij moesten de koffers gepakt en brieven geschreven worden, om familie en vrienden te doen weten, dat men veilig aangeland was, want de eerste naar Europa vertrekkende boot, zou reeds Woensdagsmorgens weggaan. Nu waren deze laatste dagen aan boord van het schip ook nog de minst kalme, omdat een vrij stevige bries de golven onstuimig opwaarts joeg en het nu door kolenverbruik veel lichtere schip rumoerig heen en weer slingerde. Men moest zeemansbeenen hebben, om op het dek een goed figuur te slaan, anders zwenkte men van de eene naar de andere zijde. Geen onzer was zeeziek, alhoewel er buitengewoon veel over moeheid, hoofdpijn en lusteloosheid werd geklaagd, maar dit mocht, o, heelemaal niet, aan den invloed van de schommelingen van het schip worden toegeschreven. Men went ten slotte aan alles; al zou in de laatste dagen het schip op haar kop zijn gaan staan, dan geloof ik nog, dat de meeste passagiers zich goed zouden gehouden hebben.

Met een enkel woord moet ik even spreken over het enorme groote schriftelijke verkeer tusschen Engeland en andere landen met Zuid-Afrika. Wij kregen daarvan een aanschouwelijke les. Maandagmorgen werd de geheele stuurboord-zijde (ik weet nu het verschil tusschen stuur- en bakboord) met groote [85]zeilen belegd en daarop werden een paar meter hoog de zakken met brieven opgestapeld, die over Engeland naar de verschillende staten in Zuid-Afrika gezonden worden. Elke week komt er een even groote mail met duizenden en duizenden stukken in Kaapstad aan.

Het was jammer, dat wij reeds zeer vroeg in den morgen ’t doel van onzen tocht bereikten, wij hadden zoo gaarne ’t mooie gezicht op de bergen rondom Kaapstad van uit zee genoten. Wel hadden wij den avond tevoren den steward order gegeven ons te roepen, wanneer de bergen in zicht kwamen, als die wellicht, door maanlicht beschenen, zich toch aan ons wilden vertoonen. Maar wij werden niet in den nacht gewekt en vernamen Dinsdagmorgen, dat een dichte nevel de bergen had omsluierd, omdat zij zich eerst in den ochtendstond, staande in hellen zonnengloed, aan onze oogen wilden vertoonen. Midden in den nacht, ongeveer twee uur, bereikte ’t schip de landingsplaats en begon men onmiddellijk met het naar boven brengen van bagage en andere dingen, die in de maag van het schip al dien tijd een veilige plaats hadden gevonden. De drukte, het rumoer, het gepraat van het scheepsvolk maakten slapen onmogelijk en ik was blij, dat de steward om vijf uur kwam zeggen, dat het eigenlijk zes uur was in Kaapstad, dat hij eenige brieven voor mij had en dat het tijd was om op te staan.

De brieven bevatten welkomstgroeten van dames uit Kaapstad en een er van bracht een lange lijst van uitnoodigingen voor lunches, teas, avondrecepties etc. Ook mevr. Catt had een dergelijke lijst ontvangen, waaruit ons duidelijk werd, dat ons verblijf in Cape Town niet zeer rustig zal zijn, en men ons in de gelegenheid wil stellen met vele Zuid-Afrikaansche vrouwen in kennis te komen.


Spoedig waren wij alle vier gekleed en namen gezamenlijk ons laatste ontbijt aan boord. Toen wij boven op het dek kwamen, werden wij door eenige Zuid-Afrikaansche medepassagiers direct in beslag genomen, om met hen den eenigen mooien aanblik van den Tafelberg met zijn leeuwenkop en duivelseiland, met zonnegloed overgoten, te genieten, ’t Was verrassend schoon! Doch lang konden wij ons niet aan dit schouwspel wijden, want, ofschoon het nog geen acht uur [86]was, waren er toch reeds vele dames uit Kaapstad daar, bijna allen de een of andere vereeniging vertegenwoordigende, om ons bij onze aankomst te begroeten. Niet weinig waren wij verrast, onder deze dames ook een heer aan te treffen, de heer en mevrouw De Villiers, die mij in zuiver Hollandsch toespraken, en die ons direct dien morgen voor de lunch te hunnen huize noodigden.

Het was ruim negen uur, toen wij eindelijk van de vele medepassagiers, die, voor zoover zij in Zuid-Afrika in een of andere stad wonen, die wij waarschijnlijk op onzen tocht zullen aandoen, met uitnoodigingen ten hunnent overlaadden, hadden afscheid genomen en wij ons naar het hotel Mount Nelson konden begeven, waar door de vriendelijke zorg van een der dames reeds kamers voor ons besteld waren.

De indruk die wij op dezen eersten tocht door de stad, in een open landauer en met een neger als koetsier, kregen, is een zeer gemengde. Wij kwamen alle vier tot de slotsom, dat wij ons iets geheel anders hadden voorgesteld. Dan eens deed een straat ons denken aan de Rue de la Fayette in de buurt van de Gare du Nord in Parijs, dan een eindje verder had de buurt iets van een of ander plekje in Cannes aan de Riviera, maar alles zag er uit alsof de stad reeds eeuwen en eeuwen oud is. Maar, natuurlijk, ik mag nog geen oordeel vellen, alvorens wij de stad in haar geheel kunnen opnemen.

In het hotel aangekomen, werden wij ook daar weder door andere dames verwelkomd en gaven de Hollandsch sprekende of “de taal” sprekende dames zich de moeite, om mij in mijn moedertaal te begroeten. Natuurlijk ontbraken ook de heeren- en dames-journalisten onder hen niet en werden wij om beurten een oogenblik in een hoekje genomen, om het een en ander van ons persoonlijk, van onze reis, ons land of iets dergelijks mede te deelen.

De verslaggever van de “Nieuwe Rott. Courant” was onder hen en hij kon mij gelukkig de laatste editie van de N.Rott. Ct. bezorgen, zoodat ik niet geheel zonder nieuws uit het land ben. Het is natuurlijk slechts de maileditie, maar ik kan er toch de voornaamste bijzonderheden uit vernemen.

Al deze bezoeken hielden ons tot bijna één uur staande; wij moesten nog onze koffers uitpakken, waren moe en [87]hongerig en besloten daarom ons te laten verontschuldigen voor de eerste lunchpartij en voor de tea in den middag en liever te trachten voor de avond-receptie presentabel voor den dag te komen. Na eerst vlug wat gegeten te hebben, begaven wij ons naar onze kamers, ontpakten onze zaken en toen besloten mijne Hollandsche medereizigster en ik nog gauw een paar uur van den mooien zonnigen dag te profiteeren, alvorens ons voor den avond te kleeden. Onze Amerikaansche vriendinnen wilden liever tehuis wat rust nemen, hopende op meer zonnige dagen voor een wandeling door de stad. Laat mij hier direct bijvoegen, dat zij die rust niet gevonden hebben, want toen wij om vijf uur tehuis kwamen, waren zij nog geen oogenblik alleen geweest, doch hadden steeds nieuwe bezoekers te woord gestaan.

Wij twee doorkruisten voor deze eerste wandeling de hoofdstraten van de stad en ontvingen nu een geheel anderen indruk dan in den landauer van dien morgen. Flinke breede, ruime straten, met groote gebouwen en winkelhuizen, die met onze Amsterdamsche Waarenhäuser te vergelijken zijn, met bankinstellingen en groote kantoren en met electrische trams, vonden wij overal. Hadden de vele kleurlingen, die wij in de straten zagen, ons er niet aan herinnerd, dat wij in een tropenland waren, dan had zeer zeker een aanblik der straten en de daarin aanwezige woningen en winkels bij ons geen oogenblik den indruk verwekt, dat wij zoover van ons huis en ons in Zuid-Afrika bevonden. Een enkel winkeltje, dat tegelijk een café’tje was, en tot opschrift droeg “Hollandsch koffiehuis”, en waarin in een hoek op een stoeltje een groote pop in Zeeuwsch costuum zat, gaf ons al mede een huiselijk gevoel. De klacht, die ik in ons land eens van een boekverkooper hoorde, dat boekverkoop eene steeds minder lucratieve positie wordt, schijnt ook voor Zuid-Afrika te gelden. Alle boekhandelaren verkoopen tegelijkertijd allerlei andere artikelen, die met boeken slechts in een uiterst verwijderd verband staan. Bij de beide grootste boekverkoopers kon ik het laatste werk van Pierre Loti “La mort du Phylae” niet bekomen, doch wat meer zegt, men antwoordde mij in de eene zaak glimlachend, dat Fransche boeken in Cape Town niet gelezen worden, en in de andere, dat zij vier Fransche boekjes hadden, en of ik nu zelf eens zien wilde, of hetgeen ik wenschte, [88]er bij was. Er moet echter nog een groote Hollandsche boekwinkel hier bestaan, waarin, naar men zegt, ook Fransche boeken te verkrijgen zijn.

Nadat wij tweeën geruimen tijd in de winkelstraten hadden zoek gebracht, gingen wij boven op een electrische tram eenige tochten naar verschillende hoeken van de stad maken. Doch ik zal over den indruk, dien ik daarbij van de stad kreeg, niet schrijven, alvorens ik nog eerst meer, en onder geleide van eene aldaar bekende persoonlijkheid, van de stad heb gezien.

Te huis gekomen, was het eerste werk wat te doen was, eene schifting te maken in de vele uitnoodigingen die ons reeds bereikt hadden, wilden wij althans tijd over houden om iets te doen in het belang van de zaak, waarvoor wij de reis ondernomen hadden. Onder de vele brieven, die ik ontving, waren er eenige van Hollanders en Afrikaanders, die mij verzochten mij vooral niet te laten overreden op de openbare vergaderingen in Zuid-Afrika, iets anders dan Hollandsch te spreken, vooral wanneer tegelijkertijd ook mrs. Catt sprak. Mondeling werd ik onmiddellijk ingewijd in de op het oogenblik op den voorgrond dringende taalkwestie, of de Hollandsche naast de Engelsche taal moet gehandhaafd worden, waarover vooral in de Kaapkolonie, veelal ten voordeele van de Engelsche taal beslist wordt.

Reeds den eersten avond, op de receptie, ons door de “Women’s Citizen Club” aangeboden, waarin de Engelsche vrouwen verre de meerderheid vormen, kon ik mijne gezindheid in dezen toonen. Door alle dames van het bestuur, die ons eerst in een afzonderlijk vertrek ontvingen, werd ik even apart genomen en er op attent gemaakt, om op dien eersten avond toch vooral alleen Engelsch te spreken, want dat ik anders door geen der aanwezigen zou worden verstaan. Ik had mij echter voorgenomen mij niet van de wijs te laten brengen en toen ik ’s avonds het woord kreeg en in het Engelsch even mijn dank voor de ontvangst en nog eenige lievigheden aan het adres van het bestuur en de vele aanwezigen had gezegd, deelde ik mijne meening mede, dat nu wij in een land waren, waar de beide talen, Engelsch en Hollandsch gesproken worden, die beide burgerrecht bezitten, na de Engelsche speech van mrs. Catt, ook ik mijne moedertaal [89]moest gebruiken en vervolgde mijne toespraak in het Hollandsch. Hoewel ik meende, dat niemand mij zou hebben verstaan, bleek toch later, dat er tal van Engelsch-Afrikaanders waren, die mij heel goed gevolgd hadden, doch die uit voorliefde voor Engeland, in het dagelijksch leven ontkennen, iets van onze taal te verstaan.

Vrouwenkiesrecht-strijdsters in Kaapstad.

Vrouwenkiesrecht-strijdsters in Kaapstad.

Oververmoeid kwamen wij ’s avonds om elf uur te huis; wij gevoelden ons allen meer zeeziek dan wij ons ooit op de boot gevoeld hadden, en toen ik in mijn bed lag, had ik mij zelf te overtuigen, dat ik niet meer in mijn cabin heen en weer gleed, zoo draaide alles met mij in de rondte. Dien eersten dag in Zuid-Afrika, waarop ons zoo’n allerhartelijkste ontvangst was bereid, waarop ik tal van oude bekenden de hand heb gedrukt en nog veel meer nieuwe vriendschapsbanden heb aangeknoopt, die een heel nieuwe wereld voor ons opende en ons met geheel andere gewoonten en gebruiken, als waaraan wij gewoon zijn, in kennis stelde, zal zeer zeker nooit uit mijn geheugen verdwijnen.

9 Aug. 1911. [90]

[Inhoud]
Ornament

Ons verblijf in Kaapstad.

I.

Nauwelijks was ik den eersten morgen opgestaan, toen ik reeds aan den telefoon werd geroepen, omdat er iemand was om mij te spreken, die ons allen voor dien dag ten eten noodigde. Wij hadden evenwel voor dien dag reeds tal van zulke uitnoodigingen ontvangen, die wij moesten afslaan, omdat wij ons hadden voorgenomen, in de eerste plaats de invitatiën van de verschillende vereenigingen aan te nemen. Toen ik naar mijn kamer terug wilde gaan, werd mij een groot pakket brieven overhandigd, alle welkomstgroeten en uitnoodigingen inhoudende. Onder dezen bevond zich ook een van den burgemeester van Kaapstad, die ons een at home en receptie op het stadhuis aanbood, waarbij de besturen van alle vrouwenvereenigingen tevens waren genoodigd. Ook bereikten ons dien dag vele brieven uit andere steden van Zuid-Afrika, waarin ons verzocht werd toch vooral ook in hun stad te komen spreken over vrouwenkiesrecht. Ik behoef natuurlijk niet te zeggen, dat mrs. Catt evenzoo ruim met brieven bedacht werd. Wij beiden kwamen dan ook spoedig overeen, dat wij onmogelijk in twee maanden tijd aan al die invitatiën konden voldoen en besloten onmiddellijk een maand langer in Zuid-Afrika te blijven, nu het bleek, dat wij er zulk nuttig werk konden verrichten.

Woensdagmorgen om half elf hadden wij reeds een vergadering met het bestuur der Vrouwenkiesrechtvereeniging in Kaapstad en na afloop eene vergadering met de leden. Door de Christelijke Vrouwen geheel-onthoudersvereeniging werd [91]ons een lunch aangeboden, en daarna een receptie door een vereeniging, die op een lijn staat met de in Holland bestaande Vereeniging tot verhooging van het zedelijk leven. Dienzelfden avond, om acht uur, had de eerste openbare vergadering plaats, uitgaande van de Women’s Citizen Club en gepresideerd door prof. Darell.

Mrs. Chapman Catt zette het doel van den Wereldbond en den stand van het vrouwenkiesrecht-vraagstuk in alle landen uiteen en ik sprak (in het Hollandsch) over de beteekenis van het kiesbiljet. Als men in aanmerking neemt, dat wij gedurende den dag op alle vergaderingen en recepties ook ’n kort woord hebben moeten spreken, dan geloof ik, dat die eerste dag door ons goed werd besteed.

Donderdagmorgen om half elf werden wij in eenige stichtingen van vrouwen ontvangen en zagen wij achtereenvolgens een huishoudschool, een tehuis voor vrouwen, een industrieschool, deze laatste echter nog in embryostaat. Daarna werd ons in de Alexandra-club, de club van de élite der vrouwen, die ons ook gedurende ons verblijf alhier het eerelidmaatschap der club heeft aangeboden, een schitterende lunch bereid. Na afloop was er een receptie voor alle leden der club. Om vier uur moesten wij echter weder een vergadering bijwonen van de vereeniging tot bevordering en nog meer tot steun van vrouwenarbeid, een vereeniging die heel veel overeenkomst heeft met onze Arbeid Adelt of Tesselschade-vereeniging, doch zich nog in den toestand bevindt, waarin die bij ons bestaande vereenigingen ongeveer een kwart eeuw geleden waren. Dien avond de tweede openbare vergadering, uitgaande van de vereeniging voor vrouwenkiesrecht, die buitengewoon druk bezocht was. Geen staan- of zitplaats was over, velen moesten in de deuropeningen en gangen een plaats vinden en ook moesten velen onverrichter zake huiswaarts keeren. Deze vergadering werd door Sir James Innes, president van het hoog gerechtshof, gepresideerd en op de tribune hadden tal van mannen van naam en beteekenis plaats genomen. Mijn buurman was de Hollandsche spreker Viljoen, lid van het Parlement, de man die reeds eenige jaren geleden de eerste vrouwenkiesrechtsbill in het Zuid-Afrikaansch Parlement had aangeboden en verdedigd en die onze komst in Z.-A., ten doel hebbende de vrouwen aldaar tot den strijd voor dit recht aan te sporen, [92]hartelijk toejuichte. Ik sprak dien avond het eerst, en had tot onderwerp, het belang van de invoering van vrouwenkiesrecht voor den Staat, het gezin en de vrouw. Daarna sprak Mrs. Catt ruim een uur lang over de gevolgen van het onthouden van het kiesrecht aan de vrouw. Gedurende al dien tijd hield zij de aandacht van haar gehoor geboeid en herhaaldelijk werd hare rede door handgeklap en bravo-geroep onderbroken. Zeer zeker won zij dien avond de harten van al hare toehoorders.

Vrijdagmorgen werden wij reeds vroeg door den auto van Sir en Lady Innes afgehaald om op hun mooie landgoed de lunch te gebruiken en later voor ’n vijftigtal aldaar genoodigden, allen dames uit de upper ten, over vrouwenkiesrecht te spreken en ook deze dames op haar plicht te wijzen aan den strijd voor deze hervorming deel te nemen. Tegen etenstijd kwamen wij terug en zouden voor het eerst een vrijen avond hebben, doch vele dames en heeren, die ons op de vergaderingen niet konden bereiken, maakten nu van ons vrij-zijn gebruik, om ons dien avond in het hotel op te zoeken, met het gevolg, dat wij nog vermoeider naar bed gingen dan de vorige avonden.

Zaterdagmorgen reeds vroeg eene vergadering met het bestuur en eenige invloedrijke leden van de Women’s Citizen-club, daarna stond een ons vriendelijk aangeboden auto gereed, om ons naar het buiten van mrs. Garrett Hay te brengen, waar voor talrijke genoodigden een lunch was bereid. Om drie uur werden wij van daar in een ouderwetsche Cape-car, een, die gebruikt was in den tijd, dat de boeren nog “uit trekken gingen”, afgehaald, om eene van de oudste, nog in volkomen goeden toestand verkeerende, Hollandsche boerenhofsteden te zien en er de thee te gebruiken. Deze hofstede wordt thans bewoond door het gezin van den heer en mevrouw Cloete-Van Warmelo, die er een wijn-farm van gemaakt hebben. Onze vroegere boerenwoningen van welgestelde boeren waren precies eender en geen enkel stukje huisraad troffen wij in deze woning, wat niet afkomstig was uit een boerenfamilie in Holland. Alles was nog in den toestand van ongeveer 250 jaar geleden; de Hollandsche zindelijkheid trad zelfs zeer sterk op den voorgrond.

Voor den Zondag waren mrs. Catt en de andere Amerikaansche [93]dame, die zich in ons gezelschap bevindt, bij een Amerikaansche familie uitgenoodigd, en mijne landgenoote en ik waren bij onzen vice-consul voor dien dag gevraagd. Onze consul bevindt zich op dit oogenblik in Pretoria, alwaar wij hem later hopen te treffen. In den gezelligen huiselijken kring van den heer en mevrouw Loopuyt, waar wij tal van andere landgenooten ontmoetten, brachten wij een allergenoeglijksten dag door en bezochten de voor ons met zoovele historische herinneringen verbonden “Groote Schuur” en zijne omgeving, die thans tot woonplaats dient van den premier van het land.

Maandagmorgen gingen wij reeds heel vroeg naar de Zuid-Afrikaansche Universiteit, ook een nog in wording zijnde instelling. Het nieuwe gedeelte, dat alleen voor anatomische doeleinden zal worden gebruikt, moet nog gebouwd worden. Het zal bijna geheel worden gebouwd en ingericht als het desbetreffende gebouw te Amsterdam, waarvan ik den plattegrond zag. Om elf uur kwam mevr. De Villiers ons afhalen voor een auto-toer rond de Victoria-road. Ieder, die in Kaapstad bekend is, weet, wat deze toer beteekent. Het is de uitgestrektste en mooiste toer, die hier gemaakt kan worden. Men volgt geheel aan den achterkant van de bergen de zeekust, en heeft nu en dan de meest verrassende zeegezichten. Wij troffen het bijzonder goed met het weder, zoodat er niets ontbrak aan het effect wat deze toer kan geven. Toen wij om vier uur tehuis kwamen, hadden wij nog precies tijd om ons te kleeden, om aan de uitnoodiging van sir Frederick Smith, burgemeester van Kaapstad, gevolg te geven. In hem ontmoetten wij een warm geestverwant voor onze zaak, en hoewel hij van plan was geweest ons dien avond aan zijne talrijke gasten, waaronder velen uit de diplomatieke kringen, alleen voor te stellen als twee distinguished guests van Kaapstad, schemerde toch zijne ingenomenheid met de reden van onze komst naar Z.-Afrika door al zijne introduceerende woorden heen. Hij verzocht ons beiden, om ook dien avond over de zaak, waarvoor wij zoo veel voelen, eenige woorden tot zijne gasten te spreken.

Ik zal niet doorgaan met het en detail neerschrijven van het voornaamste wat wij hier elken dag zien en doen; ik heb alleen de eerste week wat uitvoerig beschreven, om te [94]doen uitkomen, hoezeer onze komst hier door velen gewenscht werd, op welke wijze men ons hier eene ontvangst heeft bereid en hoe weinig tijd ons hier rest om onze correspondentie af te doen, en de instellingen te bezoeken, waarin wij bijzonder belang stellen, en die niet direct in verband staan met vrouwenkiesrecht. Maar ook het bezoek dier instellingen wordt ons bijzonder gemakkelijk gemaakt. Nauwelijks hebben wij den wensch geuit, om het een en ander te willen zien, of reeds den volgenden morgen bereiken ons de uitnoodigingen. Op die wijze zag ik hier hospitalen, verschillende inrichtingen voor onderwijs, o.a. een school voor kleurlingen, waar de zonen van de verschillende opperhoofden gehuisvest en onderricht worden. Wij zagen daar onder meer de twee oudste zonen van Lewenyka, den opvolger van Lobengula, die in de geschiedenis van Zuid-Afrika een zoo groote rol heeft gespeeld. De directeur van deze inrichting vertelde ons, dat, alvorens hij jongens opneemt, hij altijd eerst den vader een gedrukt stuk stuurt, dat ingevuld moet worden, zoodat hij een weinig op de hoogte is met de soort jongens, die hij krijgt. Achter de vraag: “Beroep van den vader?” had de vader van de twee Lewenyka’s met krachtige hand geschreven: “King”. Die twee prinsen zagen er niet “zoo zwart als mijn laars uit,” zooals de term luidt, maar nog veel zwarter. Zij hadden een blauw-zwarte huid, met blanke binnenvlakten van de handen. De flink gebouwde jongens hadden schitterende, groote oogen, en waren, uit een neger-oogpunt, bepaald een paar mooie menschen; over hunne intelligentie vernamen wij allerlei verrassende bijzonderheden.

Ook van den directeur van het Zuid-Afrikaansche Museum had ik eene uitnoodiging, en persoonlijk leidde hij mij drie uur rond in de vooral uit ethnologisch en sociologisch oogpunt zoo belangrijke verzameling van alles wat Zuid-Afrika tot dusver in dit opzicht heeft opgeleverd.

Eenige leden van het Hooger- en Lagerhuis hadden zich beschikbaar gesteld, om ons de parlementsgebouwen te laten zien. Het meest hiervan boeide mij het archief, wat in een der gebouwen is ondergebracht. Daar kreeg ik in handen: “het dagboek van Van Riebeeck”, bijgehouden tot eenigen tijd na zijne landing in “Capo de Goede Hoop”. Daar kreeg ik prenten in handen, gedrukt in Amsterdam, in het einde van [95]de 17e eeuw, waarop de heldendaden van onze mannen in Afrika werden afgebeeld; met den Tafelberg en de hem nabijzijnde bergen, precies verkeerd geplaatst; daar zag ik de familieregisters van de vele eerste Europeesche bewoners van de Kaapkolonie, tot voor kort bijgehouden. Dat Afrika een vruchtbaar land is, laat geen twijfel, na de inzage van deze registers. Zoo hebben o.a. de drie gebroeders De Villiers, die hier ongeveer in 1670 uit Frankrijk landden, in die twee en een halve eeuw een familie van eenige duizenden nakomelingen. Zij zijn op dit oogenblik waarschijnlijk de talrijkste in Zuid-Afrika.

En wat ook in dat archief bewaard was, dat waren vele exemplaren van fraai gekleurde en goed geteekende nieuwjaarswenschen, door brave en gehoorzame jongelingen of jonge dochters aan hunne “Geagte Vader” of “Waarde Moeder” of “Lieve Grootouders” gestuurd, en waarvan de gedichten dikwijls duidelijk aangaven, dat zij van eigen maaksel waren. Zij brachten mij mijne kinderjaren te binnen, toen ook wij gewend waren zulke heilwenschen in gekleurde of gouden rand op nieuwjaarsdag onze ouders aan te bieden. De ons rondgeleidende heeren interesseerde het zeer, dat mijne landgenoote en ik hen op de hoogte konden brengen van veel, dat zij ons lieten zien, doch niet konden lezen of begrijpen.

Maar ook zag ik daar eenige exemplaren van oude Kaapstadsche couranten, uit het begin der 18e eeuw, waarin in goed, zuiver Hollandsch de berichten en mededeelingen gedrukt waren. Sommige van die bladen bevatten echter naast de Hollandsche ook Engelsche advertentiën. Opmerkelijk was het in een nummer van die courant eene wet te zien afgekondigd, waarbij verboden werd om slaven aan andere natiën te verkoopen en het zelfs tot plicht werd gesteld, om elk schip, dat de kust aandeed en slaven inhield, aan te houden, terwijl in datzelfde blad slaven te koop werd aangeboden en de slavenmarkt op zekeren datum geannonceerd.

Ook woonden wij in het hof van justitie een terechtstelling bij en hoorden later een van Kaapstad’s knapste advocaten een pleidooi houden, om “wat krom is rech te praat”.

Dat wij op deze wijze in de veertien dagen van ons verblijf in Kaapstad deze stad en hare instellingen en omgeving beter leerden kennen dan menig ander vreemdeling en zelfs beter [96]dan menig andere Zuid-Afrikaander, is te begrijpen. Elken dag, als de zon scheen, bracht men ons per auto of trein naar een ander mooi of interessant punt; geen enkel oogenblik ging daar verloren, ieder beijverde zich om ons verblijf voor ons zelf en ook voor de inwoners van de Kaapkolonie, zoo vruchtdragend en aangenaam mogelijk te maken.

Mijne indrukken van Kaapstad zijn dan ook geheel anders dan op den eersten dag; deze zal ik in het kort in den volgenden brief neerschrijven.

II.

Kaapstad als stad is leelijk, doch zeer eigenaardig en interessant. Geen mooie straten, geen groote pleinen, geen mooie monumentale gebouwen. Alles ziet er haveloos en armoedig uit. Het is alsof er de hand niet aan wordt gehouden en wat eenmaal verveloos of door den tijd verbruikt is geworden, laat men niet weder opknappen of repareeren. Ook in de gezinnen valt datzelfde op te merken. Natuurlijk geldt dat niet voor de rijke familiën, maar zeer zeker wel in de huizen van de middelklasse der bevolking. Voor een deel moet dit op rekening gesteld worden van het bijna niet te gelooven feit, dat de eigenaren dikwijls te arm zijn om de reparatiekosten te kunnen dragen en voor een ander deel, dat er in Kaapstad en omgeving geen goede werkkrachten, die reparatiewerk willen verrichten, te vinden zijn. Als iets stuk is, dan moet het maar net zoolang stuk gebruikt worden, tot het geheel onbruikbaar is geworden, want om dat iets te laten maken, zou evenveel moeten kosten, als om het te vernieuwen.

Maar eigenaardig is Kaapstad in hooge mate. Naast de meest verouderde gebruiken, gewoonten, instellingen, enz., vindt men er sommige van de modernste soort. Naast de oude, afgebruikte, te vies om er in te gaan zitten, wagens, met afgewerkte voortsukkelende paarden, staan de nieuwste en mooiste automobielen in de straten en het is, alsof de hansom, die in Londen afgedaan heeft, in bootladingen naar hier zijn overgebracht. Electrische trammen doorkruisen zelfs de verst afgelegen buitenwijken, wat eigenlijk geheel op zichzelf staande dorpen zijn. Ook onderhoudt een geregelde spoordienst onophoudelijk het verkeer met de buitenwijken. [97]

Kosmopolitisch is Kaapstad in hooge mate. Niet alleen treft men hier onder de witte menschen alle nationaliteiten aan, hoewel Britten en Nederlanders het grootst in aantal zijn, doch ook van de kleurlingen zijn hier alle nuances vertegenwoordigd. Het gele ras en de door herhaalde kruising reeds bijna niet meer zwarte man en vrouw, gaan hier door Kaapstad’s straten naast zwarten en zwart-blauwen in alle verscheidenheid. De kleine, fijn gebouwde, aapgelijke Bosjesman en vrouw, de Hottentot, de Zulu, de Basuto, de Kaffer en alle andere kleurlingen, probeeren hier in kleeding en gebruiken de Europeër na te doen en zien er daardoor dikwijls allerbespottelijkst uit. Ook enkele mooie exemplaren van het onvervalschte ras ziet men soms in hun oorspronkelijke gedaante, en dikwijls sta ik in bewondering zoo’n sterk gebouwde Zulu-vrouw, met haar kind op haar rug en een zware vracht op haar hoofd, gade te slaan. De meeste aantrekking oefenen evenwel de kleine, koolzwarte, schattige negerkindertjes uit. Ofschoon zij dikwijls te vuil zijn om aangeraakt te worden, kan ik ze toch nooit voorbijgaan, zonder ze even te liefkoozen, of een stukje bonbon te geven. Mrs. Catt heeft reeds den wensch geuit om op haar verjaardag van ons zoo’n klein nikkertje cadeau te krijgen, maar het mag dan niet grooter worden.

Heel mooi en schilderachtig zijn ook de Kaapsche Maleiers, vooral de vrouwen onder hen. Zoodra dezen in zekeren welstand leven, en zoo zijn er velen, dan gaan zij naar Mekka en eenmaal daar geweest zijnde, voelen zij zich ver boven haar andere rasgenooten verheven en toonen dat zichtbaar, door evenals de Turksche vrouwen, met bedekt gelaat langs ’s Heeren wegen te loopen. Het geheele hoofd is dan met een gekleurden, meestal zijden, doek omgeven en laat alleen oogen en neus vrij. In hunne hel-kleurige japonnen, roze, blauw, groen of wit, door stijfgesteven rokken uitstaande alsof er wijde crinolines onder gedragen worden, met halssnoeren van soms okkernootgroote koralen, en met allerlei andere versierselen, zien zij er recht mooi uit. De oudere dames dragen graag zware zijden japonnen, ook van opvallende kleur. Ontmoet ik een troepje van deze vrouwen, dan maak ik gaarne een praatje en probeer dan zooveel mogelijk “de taal” te spreken, maar zoodra zij merken, dat ik “de taal” niet meester ben en “hoog Hollandsch” spreek, zooals men hier ons gewoon [98]Hollandsch noemt, dan antwoorden zij in haar gebroken Engelsch.

Olive Schreiner en Dr. Aletta Jacobs, voor den ingang van O. Schreiner’s huis.

Olive Schreiner en Dr. Aletta Jacobs, voor den ingang van O. Schreiner’s huis.

Dit spreken met kleurlingen, of het liefkoozen van de zwarte negerkindertjes, wordt hier echter als hoogst onwelvoegelijk beschouwd en herhaaldelijk ontvang ik afkeurende blikken van voorbijgaande witte menschen, omdat ik mij met een kleurling op een voet van gelijkheid onderhoudt. Al wat kleurling is, wordt hier met een soort van verachting behandeld, waarvoor men geen afdoende reden kan opgeven. Het idee, dat kleurlingen slaven zijn, met slavenkarakters en slavennatuur en dat zij in geen enkel opzicht op voet van gelijkheid mogen worden behandeld, omdat men hen dan totaal zal bederven, is van den aanvang den blanken kinderen ingeprent en in hen vastgeroest.

Dat de kleurlingen in de Kaapkolonie echter het kiesrecht bezitten en uitoefenen en men hen in dat opzicht met de andere mannelijke burgers van de kolonie op voet van gelijkheid heeft gezet en hen zelfs boven de blanke vrouwen heeft geplaatst, schijnt de witte menschen niet tot nadenking te brengen.

Maar naast hen die den kleurling verachten en vernederen, staat een kleine groep, die overdreven voor hen gevoelt. Ik zou deze menschen op een lijn willen stellen met onze gevoelssocialisten, menschen die zich socialist noemen omdat hun liefde gaat tot al wat zwak en teer is en lijdt en zij door onberedeneerde gevoelsmotieven aangetrokken worden door de nooden en behoeften van den arme, dien zij niet alleen ten koste van alles willen helpen, doch die ook in hunne opinie hoog boven de andere bevolking verheven staat. Van dat soort negervereerders bezit men hier ook. Vooral de familie Schreiner, met Olive Schreiner aan het hoofd, is een blinde vereerster van den kleurling. Haar geheele politieke overtuiging heeft tot ondergrond “hoe ’t best voor den kleurling te zorgen”. De negerkwestie is hier een groot politiek vraagstuk; het heeft moeilijkheden gebracht bij de vaststelling van de Unie en het zal steeds opnieuw moeilijkheden in de politieke kringen brengen. In de Kaapkolonie hadden de negers het kiesrecht, vóórdat de Unie der vier Staten tot stand kwam en men wilde en kon daar dit recht den negers niet weder ontnemen. In Oranje Vrijstaat, Natal en Transvaal beschouwt [99]men den kleurling nog als een inferieur wezen en wil men hem geen politieke rechten verleenen. Deze drie Staten wilden niet toestaan, dat de Kaapsche neger aan de verkiezing van het Unie-parlement deelneemt, en zoo is er dan nu een toestand geschapen, waarin de neger in de Kaapkolonie wel mag deelnemen aan de verkiezingen voor de gemeenteraden en het Kaapsche gouvernement, doch niet aan de verkiezingen voor het Unie-parlement.

Oud-President Steijn van Oranje Vrijstaat met twee zijner dochters. Zijne vrouw en moeder zitten voor hem.

Oud-President Steijn van Oranje Vrijstaat met twee zijner dochters. Zijne vrouw en moeder zitten voor hem.

Zoo dom zijn de negers nu niet, dat zij zich deze verkorting van rechten laten welgevallen, en bijgestaan door de mannen, die hen willen steunen en helpen, omdat zij met hun lot zijn begaan, strijden zij tot verkrijging van de volle burgerschapsrechten. De drie andere Staten zullen echter in geen afzienbaren tijd toestaan, dat aan dezen eisch wordt voldaan.

Wil men mooie negers en vooral mooie negerinnen zien, dan doet men best een Woensdag- of Zaterdagmorgen vroeg naar de bloemenmarkt te gaan, waar de wild groeiende planten in groote verscheidenheid van kleur en soort door de van buiten komende kleurlingen ten verkoop worden aangeboden. Manden vol sneeuwwitte aronskelken, die hier pickflower genoemd worden om de groote hoeveelheid waarin zij op ’t land voorkomen; allerlei soort prachtige erica’s, men zegt er zijn hier tusschen de twee en drie honderd soorten; azalea’s, violen, mimosa’s, etc., etc., worden dan voor “a tikkie a bunch”, dat is drie stuivers een groote bos, door de negerbevolking ten verkoop aangeboden. Bloemen zijn hier zoo mooi en in zoo’n groote verscheidenheid van kleur, dat wij daarover dagelijks meer in verrukking komen. En wij zijn nog niet eens in het goede jaargetijde.

Het is hier namelijk winter, verschillende dames ziet men met mof en boa loopen, maar wij vinden het daartoe niet koud genoeg. Als de zon schijnt, is het zelfs warm en alleen ’s avonds of op een regenachtigen dag, gaan wij ons hier wat warmer kleeden. Het is voor ons hier als in een warme Aprilmaand.

Hoewel ik Kaapstad als stad niet bewonderen kan, is toch de omgeving van Kaapstad heel mooi. De weg van den Muizenberg naar Simonstad en vandaar naar Milner’s point, is zelfs indrukwekkend mooi en ik zelf heb nooit een idealer zeekust gezien dan die, waarop het oog rust, als men zich [100]een oogenblik kalm op het witte zeestrand of op een rots neerzet bij Milner’s point.

Maar men behoeft niet zoo ver naar buiten te gaan om mooie plekken te vinden. Vlak bij de stad, in twintig minuten met een electrische tram te bereiken, ligt Camp’s baay en Sea point, waar men eveneens een prachtig zeegezicht heeft. Vooral bij opkomende zee en wanneer de zee een beetje woelig is, kan men daar uren staan droomen, wanneer de hoogopkomende golven tegen de rotsen te pletter slaan en tot hoog in de lucht een uiteengespatte, wit schuimende massa naar boven werpen, om daarna om en over de rots zich in haast te verspreiden.

Die niet van zee en bergen, doch meer van bosch en veld houdt, kan hier ook genieten. Al de hier vlak omliggende, met tram of trein in tien à twintig minuten te bereiken dorpjes zijn het best te vergelijken met Bussum, Hilversum, Baarn enz., behalve dat zij buiten hun mooie villa’s en bosschen en wandelwegen, steeds een mooien achtergrond van fraai gevormde bergen hebben en dat bloem en plant hier in veel grooter verscheidenheid en schoonheid voorkomen.

Van Riebeeck’s vloot in de Tafelbaai.

Van Riebeeck’s vloot in de Tafelbaai.

Boerenwagen op den trek.

Boerenwagen op den trek.

Men zegt ons hier, dat Kaapkolonie de mooiste van de vier Staten van de Unie is en dat alleen Natal voor een deel in natuurschoon de kolonie nabijkomt. Niettemin verkeert de Kaapkolonie thans in geen goede financieele en economische conditie, omdat in den laatsten tijd alles zich in Transvaal schijnt te concentreeren. Tal van huizen, zoowel in de stad als in de buitenwijken, staan leeg en alle neringdoenden klagen over slechte tijden. Handel en scheepvaart schijnen zich meer naar ’t oosten van het land te verplaatsen en men hoort zelfs door sommigen beweren, dat Kaapstad eenmaal een doode stad zal worden.

Onze tijd is hier nu langzamerhand verstreken, morgenochtend gaan mijne landgenoote en ik per trein van hier, mrs. Catt met hare landgenoote gaat per boot, en wij zullen ons Donderdag in Port Elisabeth weder vereenigen.

Ik heb de spoorreis verkozen, omdat ik daardoor meer van het land kan zien en in de gelegenheid ben een bezoek aan Olive Schreiner te brengen. In Port Elisabeth zullen wij ook ongeveer een week blijven, tal van vergaderingen zijn reeds voor ons uitgeschreven. Daarna gaan wij naar [101]Grahamstown, Bloemfontein en Kimberley. Dan nemen wij eenigen tijd rust; dat wil zeggen, dan gaan wij geheel alleen veertien dagen voor pleizier op reis en gaan dan naar de Victoria-falls in Rhodesia, die als het grootste wereldwonder beschouwd worden. Wanneer wij van daar terugkomen, gaan wij naar Pretoria, Johannesburg, Pieter Maritzberg en Durban, waar reeds overal de voorbereiding voor onze komst in vollen gang is.

Van onzen tocht door Rhodesia stellen wij ons zeer veel voor, alles wat wij er van hooren, doet onze verwachting stijgen. Maar nu wachten ons eerst veertien dagen van hard werken, met vele vergaderingen, recepties, tea’s, etc.

22 Aug. 1911. [102]

[Inhoud]
Ornament

De reis naar Port Elisabeth en bezoek bij Olive Schreiner.

Dinsdagmorgen 22 Augustus 1911 om 11.30 zou de trein vertrekken, die ons van Kaapstad naar de Aar en vandaar naar Port Elisabeth zou brengen. Reeds vroeg waren wij in de weer om al onze zaken te pakken, onophoudelijk gestoord door de komst van dames en heeren, die ons nog voor het laatst de hand wilden drukken en ons bloemen en bonbons voor de reis aanboden. Wij zouden zeer zeker den trein gemist hebben, als wij niet, op het laatste oogenblik aan het station komende, tal van gedienstige vrienden daar vonden, die voor onze bagage zorgden en ons naar den op het punt van vertrek staanden trein brachten. Daar was in het midden van den trein een eerste klasse wagen voor ons gereserveerd en er werd mij een brief overhandigd van den directeur der Z.-Afrikaansche spoorwegen, die ons op onze geheele reis door Z.-Afrika van grooten dienst zal zijn. De inhoud van den brief luidt: “dat in het centrum van den trein een eerste klasse wagen gereserveerd moet worden voor dr. Aletta Jacobs en mrs. Boersma, waar zij in Z.-Afrika met den trein reizen en dat voor deze dames bijzondere zorg moet worden gedragen gedurende hare geheele reis”. Ook mrs. Catt ontving voor zich en hare landgenoote zoo’n brief.

Dit maakt het reizen voor ons hier veel gemakkelijker en het heeft veel te beteekenen, omdat wij nu de nachten in den trein rustig kunnen doorbrengen en niet bevreesd behoeven te zijn, dat onze deur telkens wordt opengegooid om een nieuwen passagier uit of in te laten. Als men bedenkt, [103]dat Port Elisabeth, nog behoorende tot de Kaapkolonie, en op de kaart nog geen duimbreed liggende van Kaapstad, twee nachten en bijna twee dagen eischt om er te komen en dat wij verder op onzen weg misschien wel twintig nachten in den trein moeten doorbrengen, dan begrijpt men hoe ingenomen wij met het bezit van dezen brief zijn. Onze vice-consul, de heer Loopuyt, en de reeds vroeger genoemde sir James Innes, hebben zich blijkbaar voor deze attentie groote moeite getroost. Met Kaapstad achter ons moet ik verklaren, dat wij daar onvergetelijke dagen hebben doorgebracht, dat de gastvrijheid en vriendelijkheid der bewoners geene grenzen kent en dat wij tevens het gevoel met ons kunnen medenemen, dat wij daar nuttig werk verricht hebben en enthousiasme hebben gewekt voor de groote zaak, waarvoor de vrouwen in de eerste plaats hebben te strijden, het vrouwenkiesrecht. De dank, die ons daarvoor van alle kanten werd aangeboden, de verslagen en berichten over ons verblijf in Kaapstad in alle couranten en de brieven met uitnoodigingen, die ons nog steeds uit alle oorden van Z.-Afrika bereiken, zijn ons voor dat laatste een bewijs.

De reis van Kaapstad naar de Aar is waard per spoor gedaan te worden. Men gaat dan door een zeer mooi gedeelte van de Kaapkolonie. De eerste uren gaat men afwisselend door een streek met fraai gevormde hooge bergen, alle met dat eigenaardige blauw-violette waas omgeven, waarover ik reeds vroeger schreef en dat waarschijnlijk ’n gevolg is van den plantengroei op de bergen; dan weder gaat men door mooie dalen met mimosabosschen, thans in vollen bloei, of met hooge, nu in frisch blad staande, eucalyptusboomen, met peperboomen en rijk met vrucht beladen sinaasappel- en citroenboomen, met schapen, koeien en paarden in de weiden. Maar ook de heidevelden, vol met de meest verschillende heideplanten in bloei, een geheel ander beeld vertoonende dan onze heide, leveren aangename afwisseling. Tegen vier uur bereikten wij de Hex-rivierbergen, alléén op de toppen met een dikke laag sneeuw bedekt. Met een locomotief voor en een achter den trein werden wij de steile hoogte opgesleept en kon men zich een oogenblik in een van de fraaie gedeelten van Zwitserland wanen. De vorming der bergen is hier echter anders dan in Zwitserland en ook die in Noorwegen evenaart zij niet. [104]Z.-Afrika’s bergen hebben hun eigen vorm en vooral ook hun eigen charme, die met niets, wat ik tot dusver in bergstreken zag, te vergelijken is.

Maar wat voor ons even interessant is als de mooie natuur, die wij passeeren, dat zijn de Kaffer-kraals, die wij voorbijtrekken, de dikwijls vlak aan den spoorweg grenzende struisvogel-farms, en de soms zeer eenzaam liggende groote boerenhofsteden.

Toen wij Woensdagochtend in den trein ontwaakten, bevonden wij ons midden in de Karoo (spreek uit “Keroe”). Toen ik in Kaapstad de beteekenis van dat woord vroeg, wilde men mij volstrekt inpraten, dat het een Hollandsch woord was, maar ten slotte wist een van de professoren van de Z.-Afrikaansche Hoogeschool mij toch in te lichten. De Hottentotten noemen ’n verdord boschje of boompje haroo, en daarvan is door de Europeanen ten slotte het woord karoo gemaakt. Dit is gemakkelijk te verklaren, als men bedenkt, dat in Oost-Indië de h veelal wordt uitgesproken als g en de Oost-Indische Compagnie hier vroeger veel menschen aan wal zette. De Karoo is ’n groote woestenij, waarop bijna niets dan kleine stoppels en allerlei soort cactussen groeien. Dor en droog ziet zij er uit, doch met de bergen op den verren achtergrond, en de soms prachtig in bloei staande cactussen en aloëplanten, biedt zij toch genoeg afwisseling.

Om elf uur bracht de trein ons Woensdagmorgen in de Aar, de woonplaats van Olive Schreiner. Zij zelf stond ons, als een welkomstgroet, met een bos riekende viooltjes, uit eigen tuin geplukt, aan het station op te wachten. Haar nichtje, Dot Schreiner, de dochter van haar broeder, den vroegeren eersten minister van de Kaapkolonie, die wij reeds van uit Kaapstad kenden, vergezelde haar. De ontmoeting was als van oude bekenden, er behoefde geen ijs gebroken te worden; zij was mij uit hare geschriften eene geestverwante gebleken en door Londensche wederzijdsche vrienden was ook ik haar niet onbekend. Zij is eene kleine vrouw, en tamelijk gezet. Als zij in een levendig gesprek hare lieve oogen op mij vestigde, dan riep zij steeds het beeld van onze sympathieke Helene Mercier mij voor den geest. Onwillekeurig moest ik telkens vergelijkingen maken tusschen deze twee groote vrouwen. Ook bij deze talentvolle Zuid-Afrikaansche vrouw sprak uit elk woord [105]hare groote, alles overheerschende liefde voor de menschheid. Liefde, die het sterkst spreekt voor alles wat hulp en steun noodig heeft; eene liefde, die den sterken en machtigen hunne fouten, tegenover zwakken en hulpbehoevenden begaan, vergeeft, omdat zij die aan niet-begrijpen toeschrijft; hare machtige pen gebruikt zij om de zwakken te steunen, door de sterken te doen begrijpen. Wel is haar vertrouwen in de menschheid geschokt door alles wat zij doorleefd heeft, doch alleen dan, wanneer zij over den Zuid-Afrikaanschen oorlog spreekt en alles wat men haar toen heeft aangedaan, ligt bitterheid in haar stem. Overigens hoopt zij nog steeds op een betere wereld, met mensch-menschen, wanneer eenmaal de gouddorst der menschheid verzadigd zal zijn en men zich een gelukkig bestaan alleen kan denken in eene omgeving met toestanden, die zooveel mogelijk elkeen een menschwaardig bestaan veroorlooven. O, wat zou zij gaarne al haar tijd en krachten geven om op hare wijze en met haar pen het Evangelie, zooals zij dat opvat, op aarde te verkondigen, als zij niet door ander werk in beslag werd genomen.

En door welk werk en hoe? Deze vrouw is niet rijk, zij bezit niet eens zooveel en verdient niet zooveel met haar pen, en haar man ook niet, dat zij behoorlijk in haar kleine woning bedienden kan houden. Zij woont in eene woestenij. De Aar ligt midden in de Karoo en het is een zeer klein dorpje, alleen bewoond door wat spoorbeambten, hier en daar verspreid wonende boeren en kleurlingen. Te midden van eene groote, stoffige open vlakte staat het kleine witte huisje van Olive Schreiner en haar man, omgeven door een tuintje, door hen zelven aangelegd en hen zelven onderhouden. Bedienden bezitten zij niet, eenige uren daags komt een zwarte vrouw het allervuilste werk verrichten. Brood kneden en bakken, de wasch doen, het huis schoon houden, het eten koken en bereiden, kortom alles wat in een primitieve huishouding gedaan moet worden, verricht hier Olive Schreiner. Des zomers is het in de Aar zoo heet, dat het er onhoudbaar is, en daar er geen boomen staan, om schaduw af te werpen, zendt de zon hare gloeiende stralen regelrecht op haar huisje. Om dan eenigszins beschut te zijn, gaat zij dikwijls, zoo vertelde zij ons, onder de tafel zitten en laat zij door ’n afhangend tafelkleed de warmte tegenhouden. [106]

Op mijn vraag, waarom zij daar bleef wonen, zoo ver af van alle beschaving en ontwikkeling, en zoo eenzaam en ongezond, terwijl uit alles bleek hoe hare geest zich verzette tegen de haar opgedrongen omgeving, antwoordde zij treurig: “ik moet”. Vóór den Zuid-Afrikaanschen oorlog bezat haar man eene farm in Transvaal en konden zij genoeg bedienden houden, zoodat zij veel van haar tijd aan schrijven kon wijden, maar in dien oorlog hebben zij alles, wat zij bezaten, verloren en nu oefent haar man den niet lucratieven werkkring uit van, in het Hollandsch uitgedrukt “makelaar in onroerende goederen”. Zijn werkkring ligt in de Aar en omstreken en nu is zij gedwongen om daar te wonen, of alleen van haar pen te gaan leven en haar man te verlaten. Daaraan wil zij evenwel niet denken en met haar man in de Aar leven, beteekent voor haar al haar tijd aan het huishouden wijden en slechts in de zoogenaamd verloren oogenblikken de gedachten, waarvan haar hoofd vol is, neer te pennen.

Daarbij komt, dat hare gezondheid zeer zwak is en door de ontberingen en zenuwstorende invloeden in haren verbanningstijd zeer veel heeft geleden. Zij is zeer asthmatisch en haar hart werkt niet goed. De atmosfeer in de Aar, droog en stoffig en heet, werkt niet gunstig op haar gestel. Zij was zeer dankbaar voor ons bezoek. Zoo nu en dan eens met geestverwanten te mogen spreken, eens weder wat nieuwe indrukken op te doen, was al het genot, dat haar nog af en toe ten deel viel. Hoe troosteloos mij haar heele omgeving en haar levensomstandigheden ook leken, zij zelve was, althans dien dag, zeer opgewekt en welgemoed. Zij had hare couranten en vriendenbrieven en leefde in gedachte het leven mede van de vrouwen in de geheele wereld. De groote strijd voor politieke rechten had niet alleen hare volle sympathie, maar zij voelde, evenals ik, dat deze strijd eerst ten einde volbracht moest worden, alvorens de vrouwen aan iets anders mogen denken. Zij zag met haar grooten vooruitzienden blik al de groote gevolgen, die de politieke vrijmaking der vrouw voor den Staat en het gezin te beteekenen zal hebben. Telkens trachtte zij mij over te halen om in Zuid-Afrika te blijven, totdat daar deze strijd gewonnen zal zijn. Zij was van meening, dat de Afrikaansche vrouw, vooral de Boerin, het kiesrecht maar behoeft te wenschen, om het in Zuid-Afrika een voldongen [107]feit te doen worden en zij meende, dat ik, als Hollandsche, in staat zou zijn, die Boerenvrouwen te overtuigen. Terwijl wij bij haar zaten, telegrafeerde zij naar eene vriendin van haar in Graaff Reinet, een plaats niet ver van Port Elisabeth, om toch vooral eene bijeenkomst te beleggen en mij uit te noodigen, daar te komen spreken. Daar wonen vele Hollanders en daar is een centrum van tegenstand.

De levensgeschiedenis van Olive Schreiner is, in een paar woorden samengevat, deze: Zij is de dochter van een Duitschen vader en Engelsche moeder en in Zuid-Afrika geboren. In haar jeugd bracht zij een tijd in Londen door voor hare opvoeding. Later kwam zij, in 1880, weder naar Londen en bleef er toen bijna tien jaren. In dien tijd leerde zij vele groote mannen en vrouwen, vooral op literair gebied, persoonlijk kennen. Havelock Ellis, Bernhard Shaw, Eduard Carpentier, Zangwill, etc. zijn hare trouwe vrienden, met wie zij nog een levendige correspondentie onderhoudt.

Maar ook onder de Engelsche suffragettes heeft zij vele goede vrienden. Met Emmeline Pethick Lawrence en haar man dweept zij. Zij noemt zich gelukkig, omdat zij nog heeft mogen beleven den strijd, die door de militante strijdsters voor vrouwenkiesrecht in Engeland gestreden wordt. Zij was ’t zich altijd bewust, maar zij had niet gedacht ’t te zullen beleven, dat vrouwen voor een groote zaak op groote wijze konden strijden, en in dien strijd haar mooi vrouwenkarakter behouden. “Deze strijd is grootsch,” zeide zij, “omdat hij zooveel offers eischt van de tegenwoordige vrouw, en de vruchten er van ten goede zullen komen aan de vrouw der toekomst. En wat dezen strijd nog grootscher maakt, is, dat de vrouwen uit de hoogere kringen der samenleving betrekkelijk de grootste offers brengen, ter verkrijging van een beter leven voor de vrouwen uit de lagere kringen.”

Laat mij verder gaan met Olive Schreiner’s levensschets.

Toen zij ongeveer 1890 in Zuid-Afrika terug kwam, moest zij in eigen levensonderhoud voorzien. Zij werd gouvernante in ’n Boerenfamilie, waarvan zij de vier kinderen moest opvoeden. Daar leerde zij haar man kennen, den heer Cronwright, met wien zij in 1894 huwde. In dien tijd hadden reeds verschillende boeken en tijdschriftartikelen van haar het licht gezien en bezat zij reeds als schrijfster een gevestigden naam. Om [108]die reden wilde haar man niet, dat zij om zijnentwille haar naam opgaf en besloot hij zich Cronwright-Schreiner te noemen, terwijl zij haar naam behield. Uit dit huwelijk werd één kind geboren, dat zeer jong stierf. Het verder verloop van haar leven, dat zij in den oorlog al haar bezittingen verloren, enz., heb ik reeds boven vermeld.

Den geheelen dag, tot wij ’s avonds ongeveer 9 uur verder moesten gaan, brachten wij met haar door en wederzijds werd het betreurd, dat het bezoek niet langer kon duren. Er waren nog zooveel punten, waarover wij van gedachten wilden wisselen, nog zooveel vragen wilde zij doen, nog zooveel wilde zij weten van de positie der Nederlandsche vrouw en haren strijd voor verheffing, maar de dag was om, alvorens wij er goed aan dachten. Het afscheid was als van een paar oude, goede vrienden; treuriger echter, omdat het hoogstwaarschijnlijk een afscheid voor altoos is, en de vriendschap alleen door correspondentie onderhouden kan worden.

In den trein legden mijne reisgezellin en ik ons spoedig ter ruste, in de hoop een goede nachtrust te genieten. Wij sliepen veel beter dan den eersten nacht, aan de schokken en schommelingen van den trein eenigszins gewoon geraakt. Toen wij Donderdagmorgen ontwaakten, bevonden wij ons nog steeds in een groote, dorre omgeving, met onophoudelijk vlak langs den weg groote struisvogelhoeven. Hier en daar werden de eieren dezer vogels voor eenige pennies aan den trein ten verkoop aangeboden; wij hadden echter liever struisvogelveeren gekocht.

Nu en dan gingen wij weder Kafferdorpen voorbij en zagen wij de echte, nog door geen Europeaan bedorven en gekruiste, Zulu’s en andere rassen. Toen mijne reisgezellin van een troepje Kafferkinderen een foto wilde nemen, op een plaatsje, waar wij om water in te nemen even stopten, gingen zij allen in een rij staan en riepen de andere vriendjes: “Kom, kom, missus wil neem es”. Een stukje chocolade, aan elk hunner ter belooning gegeven, verdween onmiddellijk in de vuile mondjes van al de jongetjes, doch al de meisjes bekeken het, dankten ons met een lief lachje en verdwenen er mede naar moeder.

Om vier uur stoomde de trein Port-Elisabeth binnen en wij waren weldra omringd door eenige dames, die ons van den trein [109]kwamen halen en naar ’t hotel brachten. Men had ons alle vier ’s morgens met de boot verwacht en dien dag een garden-party gearrangeerd in de mooie woning en tuin van den heer en mevrouw Macintosh, alwaar Mrs. Catt reeds was. In haast konden wij ons even wasschen en wat opknappen en nog vóór vijf uur waren wij reeds in het midden van Port-Elisabeth’s high-life.

Het laat zich aanzien, dat ons verblijf in Port-Elisabeth niet minder druk en vermoeiend zal zijn, dan dat in Kaapstad. [110]

[Inhoud]
Ornament

Ons verblijf in Port Elisabeth.

Port-Elisabeth is een geheel andere stad dan Kaapstad. Hoewel het slechts ongeveer 40.000 inwoners heeft, waarvan de kleinste helft kleurlingen zijn, gevoelen wij ons daar toch veel meer in Zuid-Afrika dan in Kaapstad.

De kleurlingen zijn er veel oorspronkelijker, leven meer in hun natuurstaat. Hollanders wonen er bijna niet. Het zijn Engelschen en Duitschers, die de blanke bevolking vormen. Natuurschoon is er niet veel. Ofschoon Port Elisabeth aan de Indische Oceaan ligt, mist het toch de mooie punten aan zee, die wij in Kaapstad konden bewonderen. Alleen aan de Schoenmakerskop vindt men eenige mooie rotspunten, die vooral bij opkomende zee, een mooi zeegezicht opleveren. De omgeving van Port-Elisabeth is heuvelachtig, doch hooge bergen mist men er. Het is er echter boschrijk, maar de bosschen bestaan in hoofdzaak uit laag geboomte.

Reeds in het hotel gevoelden wij ons in een andere omgeving. Werden wij in Kaapstad in het Mount Nelson hotel in eetkamer en slaapkamers uitsluitend bediend door Zwitsersche kellners en kamermeisjes, in het Grand Hotel in Port-Elisabeth bestaat het geheele dienstpersoneel uit kleurlingen. In de eetkamer was een geheele staf koolzwarte Indiërs, die in hunne witte kleeding met roode sjerpen, alleen de ober-kellner draagt een blauwe sjerp, en hunne witte hoofddoeken er zindelijk en netjes uitzien en veel attenter bedienen dan de soort waaraan wij gewoon zijn.

Het is duidelijk zichtbaar, dat Port Elisabeth van jonger datum is dan Kaapstad, alles ziet er nog zooveel nieuwer en [111]frisscher uit. Er heerscht ook meer algemeene welvaart. Het gaat den menschen hier over ’t algemeen goed. Voor een groot deel leeft de stad van de struisvogelteelt en van den handel in struisveeren. Overal in de buurt zijn groote uitgestrekte struisvogelhoeven, waar honderden van deze vogels gehouden worden. Als men bedenkt, dat een paar struisvogels soms duizenden guldens vertegenwoordigen, dan kan men eenigszins de welvaart berekenen van een eigenaar van een groote struisvogelhoeve. Het onderhoud van die beesten is niet duur, terwijl hunne eieren, doch hunne veeren vooral, kapitalen opbrengen. Daarbij komt nog, dat deze beesten een zeer hoogen ouderdom kunnen bereiken, soms 150 jaar oud worden, zoodat, als er geen ongelukken gebeuren, het bezit van eenige struisvogels een vaste jaarlijksche rente afwerpt. Soms breekt er wel eens een ziekte onder die beesten uit, maar tegenwoordig is men wel zoo op de hoogte van de oorzaken er van, dat met goede voorzorgsmaatregelen dit zeer wel te voorkomen is.

Het geheele jaar door is er elken Maandag-, Dinsdag-, Woensdag- en Donderdagmorgen in Port Elisabeth eene publieke veiling van struisvogelveeren. Veerenhandelaars, die met huizen in Londen, Parijs, New-York, Weenen etc. direct in verbinding staan, koopen dan bij opbod en afslag, duizenden kilo’s struisvogelveeren. Het aantal kilo’s dat elken morgen gedurende het geheele jaar verkocht wordt, bedraagt tusschen de 1500 en 10.000 kilo’s. Men kan zich nu een denkbeeld vormen van den handel in dat artikel. Als de veeren verkocht zijn, dan worden zij verscheept naar alle oorden van de wereld.

Opgemaakte echte veeren, zooals wij ze gaarne allen hadden willen koopen, kan men goedkooper en beter in Londen of Parijs dan in Port Elisabeth verkrijgen, want al wat daar verkocht wordt, is eerst in die wereldsteden geweest om de behandeling te ondergaan, die noodig is, om ze tot sieraad te doen strekken op dameshoed of als boa. Hier kent men de finesse’s van dat werk niet.

Wij bleven een week in dit vriendelijke, doch oninteressante stadje en hadden elken dag een vergadering, tea, avondpartijtje of zoo iets door te maken, waar natuurlijk altijd over vrouwenkiesrecht moest Worden gesproken. Wij hadden ons echter vast voorgenomen, ons niet meer zoo te overwerken [112]als wij in Kaapstad gedaan hadden en hadden daarom de werkzaamheden onderling verdeeld. De beweging voor vrouwenkiesrecht is hier geheel in handen van de Engelsche vrouwen, de Duitsche vrouwen bemoeien zich er weinig mede en Hollandsche vrouwen komen hier slechts zeer sporadisch voor.

Zoo sprak Mrs. Catt alleen op een openbare vergadering, die door den burgemeester van de stad gepresideerd werd. De zaal was stampvol met mannen en vrouwen uit alle kringen. De burgemeester maakte een poover figuur; hij las zijn drie minuten lang openingsspeechje met ’t papier in de hand voor en kon schijnbaar zijn eigen handschrift niet goed lezen. Van leiding der vergadering was geen sprake; gelukkig dat de presidente van de vrouwenkiesrechtvereeniging naast hem zat, om hem voor al te groote fouten te behoeden. Hoe hij de gemeenteraadsvergaderingen zal leiden, waar hij geen kranige vrouw aan zijn zijde heeft om hem den weg te wijzen, is gemakkelijk uit zijn houding van dien avond op te maken.

Mrs. Catt hield eene van hare zeer overtuigende redevoeringen en bevestigde daarmede niet alleen, ook voor de bewoners van Port Elisabeth, hare reputatie, een eerste spreekster te zijn, doch overtuigde de weifelende mannen en vrouwen van de noodzakelijkheid van onzen strijd en van de gunstige gevolgen, die de invoering van vrouwenkiesrecht voor staat en gezin met zich zal brengen. Na hare rede voelden vele vrouwen, dat het hare plicht is aan dien strijd deel te nemen, of ten minste door haar lidmaatschap te bewijzen, dat zij het met deze beweging eens zijn.

Den volgenden dag sprak ik alleen ook voor een overvolle zaal, doch nu uitsluitend uit vrouwen bestaande, over de zedelijkheidskwestie in verband met vrouwenkiesrecht. Deze vergadering ging uit van de Christelijke vrouwenvereeniging, die strijdt voor zedelijke verheffing. Ook na deze lezing traden tal van vrouwen tot de bestaande vrouwenkiesrechtvereeniging toe.

Nog verschillende huishoudelijke vergaderingen met bestuur en leden werden door ons gehouden, om den vrouwen den weg te wijzen den strijd met vrucht te voeren, terwijl nog een vergadering in Uitenhage gehouden werd, waar Mrs. Catt alleen sprak, omdat daar geannonceerd was, dat ik in het [113]Hollandsch zou spreken, doch de daar wonende Hollanders, of liever de taal sprekende Afrikaanders, niet opgekomen waren. Er was bovendien ook geen tijd voor twee spreeksters dien avond, omdat wij nog met den laatsten trein naar Port Elisabeth terug moesten.

Niet alleen met woorden, doch ook met geschenken van allerlei aard, bedankten de vrouwen van Port Elisabeth ons voor onze hulp. Zij zeiden, dat zij zich als kinderen gevoelden, die gaarne den goeden weg wilden bewandelen, doch vóór onze komst niet goed geweten hadden, hoe dien te vinden. Zij zullen nu flink aan het werk gaan en hopen spoedig vruchten te kunnen plukken, die zij dan niet zullen genieten zonder aan ons te denken.—Alles groeit snel in Zuid-Afrika; een boom, in ’t eene jaar geplant, geeft een of twee jaar later dikwijls reeds vruchten, misschien gedijt de vrouwenkiesrechtbeweging er even vlug.

Na er juist een week vertoefd te hebben, vertrokken wij Donderdag 31 Aug. des morgens ruim 8 uur. Ons doel was nu Bloemfontein, het kleine, vriendelijke stadje, de hoofdplaats van Oranje-Vrij staat, dat wij na eene reis van vier-en-twintig uur bereikten. De afstanden zijn hier groot en de treinen gaan niet zeer snel, zoodat wij nog menigen nacht in den trein zullen moeten doorbrengen. De treinen zijn echter zeer comfortabel ingericht en op vertoon van onzen introductiebrief kregen wij ook nu weder gereserveerde compartimenten. Geen oogenblik vonden wij de reis te lang; wij passeerden onophoudelijk iets, dat onze aandacht trok, doordat het land nieuw voor ons is.

In den beginne amuseerden wij ons met het gezicht op de tallooze struisvogels, die soms vlak langs de spoorbaan in hunne door ijzerdraad afgezette, oneindige vlakten ronddoolden en af en toe in groote groepen met den trein meerenden, alsof zij een race met den trein wilden houden. Soms zagen wij de struisvogelhanen hunne vrouwtjes het hof maken, door een zwierige wals voor haar uit te voeren, waarbij zij dan de vleugels uitspreidden, ze een beetje op en neer wuifden en ons een pracht van fraaie vederen vertoonden.

Later passeerden wij talrijke, voor ons nog zeer nieuwe, Kafferdorpen, waar de kindertjes in den echten natuurstaat rondliepen en de oudere bewoners net zoo veel kleeding aan [114]hadden als voor onze begrippen van zedelijkheid noodig is. Sommige oudjes van dagen hadden het wel een beetje koud en hadden daarom een geelroode deken om de schouders geslagen. Het was mij reeds opgevallen, dat die geelroode kleur, geheel overeenkomende met de kleur van het zand in vele van die streken, een geliefkoosde kleur van de kleurlingen moet zijn, omdat ik zoovele van hen gekleed zag,—voor zoover hier van kleeding sprake kan zijn,—in het een of ander tooisel van die kleur. Men vertelde mij, dat de kleurlingvrouwen eenvoudig een witten lap nemen en dien in wat zandwater eenigen tijd laten liggen, om hem die fraaie geelroode tint te geven.

Niettegenstaande wij reeds om acht uur ’s morgens in Bloemfontein aankwamen, werden wij toch aan den trein opgewacht door eenige bestuursleden van de vrouwenkiesrechtvereeniging, die ons naar het Hotel Bloemfontein brachten, waar kamers voor ons gereserveerd waren. De ontvangst was zeer hartelijk, men was blijde met onze komst.

Bloemfontein is een klein stadje met een bevolking van ongeveer 10.000 blanken en een dubbel aantal kleurlingen. Deze kleurlingen leven bijna uitsluitend in twee groote buitenwijken, die ieder een klein dorp op zichzelf vormen. Mijne Hollandsche reisgezellin en ik konden den lust niet weerstaan om, nadat wij ons wat verfrischt en ontbeten hadden, een kijkje te nemen in de dichtst bijzijnde wijk. Wij hadden ons voorzien van een grooten zak chocolaadjes, om de kinderen en vooral de moeders goed te stemmen, want ons voornemen was om eenige photographische opnamen te maken, indien dat mogelijk bleek. Wij troffen het uitstekend, want tegen dat wij in Wijhoek, dat is de naam van een van de wijken, aankwamen, ging juist de school uit. Eerst schonken de kinderen ons geen bijzondere aandacht, maar toen zij merkten, dat wij hen gadesloegen en mijne vriendin hare camera gereed maakte, kwamen een paar van de oudste meisjes naar mij toe en vroegen beschaafd “will that lady photo us?”. Ik antwoordde in gedachte “ja” en direct daarop zei een der meisjes: “O, jij bent Afrikaander”. Het bleek toen, dat die schoolmeisjes ven 10 tot 14 jaar allen drie talen spraken, het Engelsch, de taal, en haar eigen zeer gecompliceerde Kaffertaal.

Wij beloofden haar elk een chocolaadje, als zij een groepje [115]wilden vormen en even staan wilden blijven om gephotographeerd te worden en gaarne voldeden zij aan ons verzoek. Het was een aardige groep, al die onvervalschte natuurkinderen, met lei en boeken gewapend en bijna allen pen of potlood in haar dik kroezige haren. Zij droegen allen, zoo te zeggen, een jurkje over het overigens bloote lichaampje.

Toen wij aan het chocolaadjes uitdeelen waren, kwamen van alle kanten moeders, met hare kleinen op den rug gebonden, een chocolaadje voor hare bébé vragen en spoedig waren wij met dat volkje in een interessant gesprek. De jonge meisjes moesten daarbij dikwijls voor tolk dienen, want het taaltje van de oudere dames konden wij niet altijd verstaan. Het bleek meestal iets goedigs of vriendelijks te zijn, wat zij ons te zeggen hadden, en zij wilden weten van welk land wij kwamen.

Onderwijl wij ons met dat groepje onderhielden en eenige aardige photographische opnamen maakten, kwam een jonge man, netjes uitgedost, uit een der huisjes loopen en bleef schuchter op eenigen afstand van ons staan. Hij droeg geel lederen schoenen, een nauwen grijzen pantalon, dien hij met een paar knippen, zooals de heeren voor fietsrijden gebruiken, nog nauwer om de enkels had gemaakt. De pantalon werd met een damesceintuur om het midden opgehouden. Een bruin open jasje, een bont gekleurde cachenez en een grijze vilten hoed voltooiden dat toilet. O neen, hij balanceerde nog heel gracieus met een spiksplinternieuw wandelstokje; het geheele overige toilet droeg de sporen van kersvers uit een uitdragerswinkel gekomen te zijn. Hij riep ons iets toe, wat wij niet verstonden; daarop vroegen wij hem naderbij te komen en toen kwam het vriendelijk verzoek of Missus hem nemen wilde in dat ding, (hij wees op de camera), hij had voor ’t eerst een nieuw pak aan, gekocht van het geld, dat hij, ik weet niet waar, in een mijn had verdiend. Mevr. B. besloot direct aan dat onschuldig verzoek te voldoen en vertelde hem op welken afstand hij moest gaan staan. Toen kreeg hij vertrouwen in ons en vroeg ons raad, “of ’t mooier zou zijn als zijn jasje toegeknoopt of open stond, hoe hij den cachenez moest dragen en hoe zijn hoed moest zitten.” Toen wij hem eindelijk met zijn toilet in ’t reine hadden gebracht, was hij nog niet zeker hoe hij zijn stokje moest houden en hoe hij zijn gezicht [116]moest trekken. Bij dat alles behielden wij beiden met groote moeite den noodigen ernst, maar toen intusschen nog een andere jonge man uit een ander hutje was komen aanloopen, met een oranje en rood gestreepte reisdeken om de schouders geknoopt, ons zeggende, dat hij vandaag voor ’t eerst een doek droeg, die hij voor zijn eigen verdiend geld gekocht had en daarmede nu zoo graag door Missus genomen wilde worden, konden wij den ernst toch moeilijk bewaren. Ook aan zijn dringende bede werd voldaan en nu kwam het aardigste. Beide mannen vroegen ons waar de Missus woonden en wanneer zij hun prent konden halen. Wij vertelden hun, dat wij elk een prent zouden sturen, als zij ons nauwkeurig hun adres opgaven.

Zoeloevrouwen dragen bier naar een bruiloft.

Zoeloevrouwen dragen bier naar een bruiloft.

Met een potlood en op een stukje afgescheurd papier van een brief, in de negertaal geschreven, schreven de heeren Carrington Marrah en Jesetbelo hunne adressen en stelden ons die ter hand. Toen vroegen zij of zij niet vooruit moesten betalen, zij wilden dat gaarne doen en of wij anders goed ons adres wilden opgeven, opdat zij het geld konden sturen. Zij waren ten hoogste verbaasd, dat zij er niets voor hadden te betalen, en geloofden maar half, dat wij het met de toezending eerlijk meenden. Mevrouw B. vertelde hun toen nog eens, dat zij over eenige dagen beslist hun portret zouden ontvangen, en dat zij dan alleen aan het hun dan op te geven adres een bedankbrief moesten zenden.

Dat beloofden zij herhaaldelijk en met oogen, schitterende van trots en inwendige vreugde, namen deze zwarte broeders afscheid van ons en wij verlieten daarna deze voor ons hoogst interessante buurt.

2 Sept. 1911. [117]

[Inhoud]
Ornament

Ons verblijf in Bloemfontein.

Dienzelfden Vrijdagavond, den 2en September, woonden mevrouw B. en ik eene bijeenkomst bij, die meer dan iets anders ons den geest en het karakter van de Afrikaander bevolking van Oranje Vrijstaat deed kennen; een bijeenkomst, die in elk opzicht karakteristiek was, ons een inzicht gaf hoezeer de Afrikaanders hunne groote mannen weten te eeren en hoe diep de angel nog zit, hun door den oorlog in het vleesch geboord. Het was eene openlijke hulde van de Oranje Vrijstaatsche bevolking aan generaal Hertzog gebracht.

Het geval, in ’t kort weergegeven, is deze: Sedert 2½ jaar bestaat in geheel Zuid-Afrika een wet, die de Engelsche en Hollandsche taal op één lijn plaatst en waarbij het onderricht in beide talen op de scholen verplichtend is gesteld. Elk kind van Afrikaanders kan tot op zekere hoogte van het onderwijs alleen in “de taal” onderricht worden en is daarna verplicht Engelsch te leeren, terwijl elk kind van Engelsche ouders tot op diezelfde hoogte in het Engelsch onderwezen kan worden en daarna verplicht is “de taal” te leeren. Deze wet is in hoofdzaak aan de bemoeiing van generaal Hertzog te danken. Nu schijnen eenige Engelsche schoolinspecteurs niet erg de hand aan die wet gehouden te hebben en zij zijn dientengevolge ook door toedoen van Hertzog ontslagen. Misschien hadden die heeren nog meer op hun geweten, wat echter niet bewezen kan worden. Generaal Hertzog heeft zich nu echter in een openbare bijeenkomst zeer onvoorzichtig over die heeren uitgelaten, met te zeggen: “Als hij alles zeide wat hij wist, dan zou hij hen voor altoos tot schande maken.” De [118]inspecteurs hebben daarop generaal Hertzog aangeklaagd voor laster, en hij zal ongetwijfeld veroordeeld worden, omdat hij niet kan waar maken wat hij geïnsinueerd heeft. Iedereen gelooft, dat hij gelijk heeft, maar aangezien men niet alles kan zeggen wat men weet, omdat de bewijzen niet zijn bij te brengen, ware het beter geweest, dat hij die woorden niet gebezigd had. Deze zaak is nu voor het gerechtshof aanhangig en de Afrikaanders wilden den geliefden generaal een bewijs van instemming met zijn woorden geven, hem openlijk toonen, dat, mocht hij veroordeeld worden, de Afrikaander bevolking hem blijft eeren en hoogachten en daarvoor was deze samenkomst georganiseerd.

Oud-Hollandsche woning in Zuid-Afrika.

Oud-Hollandsche woning in Zuid-Afrika.

President Steijn en mevrouw Steijn traden ’s avonds als gastheer en gastvrouw op en aan hen werden alle binnenkomenden voorgesteld, of wanneer het oude bekenden waren, en dat was meestal het geval, dan werd hun ouden president en zijn vrouw hartelijk de hand gedrukt. Toen mevrouw B. en ik werden voorgesteld, verwelkomden hij en zijn vrouw ons hartelijk in Oranje Vrijstaat en zeide, dat hij met onze komst zeer ingenomen was, omdat hij ’n groote voorstander van vrouwenkiesrecht, ook voor de Zuid-Afrikaansche vrouw, is. Daarop zeide hij tot zijne vrouw: “Houdt dr. Jacobs daar naast u en stel al onze bekende helden uit den oorlog aan haar voor.” Toen had ik het voorrecht achtereenvolgens de hand te mogen drukken en een paar vriendelijke woorden te mogen opvangen van zoovele helden, die in den Zuid-Afrikaanschen oorlog zoo moedig hebben gestreden en wier namen mij van uit dien tijd familiaar in de ooren klonken.

Toen eindelijk generaal Hertzog verscheen, ging ’n lang en oorverdoovend applaus in de zaal op en onmiddellijk volgden de heer en mevrouw Steijn hun grooten vriend. Toen zij op de tribune hadden plaats genomen en aan het applaus een einde kwam, zond president Steijn den heer Wessels, zoon van den ons allen bekenden Wessels, naar de zaal, om den burgemeester van Bloemfontein, de heer Ehrlich, te verzoeken, met mij op de tribune plaats te nemen, en daarna werden ook mevrouw B. en de dames, die ons gebracht hadden, verzocht daar te komen.

Ik werd nu eerst aan generaal Hertzog voorgesteld, met wien ik eenigen tijd kon praten. Ook hij is een groot voorstander [119]van vrouwenkiesrecht en vertelde mij, dat hij het steeds in zijn toespraken tot het volk inlaschte, omdat hij meende, dat in Zuid-Afrika de vrouwen, meer nog dan de mannen, aan het denkbeeld moeten worden gewend, dat de vrouwen ook door het uitoefenen van politieke functiën den staat moeten dienen. Ook hij had reeds van ons bezoek aan Zuid-Afrika gehoord en was met onze komst zeer ingenomen. In Johannesburg, waar wij hem weder zullen ontmoeten, hoopt hij aan onze vergaderingen deel te nemen.

Ik had nu van de tribune af een mooi overzicht over de stampvolle zaal, die, zooals mij medegedeeld werd, tweeduizend menschen kon bevatten. Mannen en vrouwen uit alle rangen en standen waren daar bijeen, vele boeren hadden met hun vrouwen een langen afstand per wagen afgelegd, om toch dien avond van hun Afrikaander gezindheid te doen blijken. Ja, zelfs waren er vele van deze vrouwen met haar bébé’s op den schoot, wien dan de weinige stoelen, die in de zaal waren, werden aangeboden, om zittende beter het kindje te kunnen dragen. Alle anderen stonden, kop aan kop, in de met bloemen en guirlandes versierde zaal.

Wat zag ik onder die allen vele gezichten, die mij de vroegere type van onze oude boeren te binnen riep. Wat een aantal mannen met lange baarden of met den ouderwetschen ringbaard waren daarbij. En die allen spraken “de taal”, die langzaam gesproken, woordelijk door mij verstaan kon worden; doch, wanneer zij onder elkaar snel spraken, mij een geheel vreemde taal scheen.

Nadat door een koor van heeren en dames ’t bekende lied “Vaderlandsliefde” gezongen was, waarin uiteengezet wordt, dat alleen hij, die zijn land en volk mint en boven alles stelt een groot man kan zijn, stond president Steijn op en sprak de aanwezigen toe. Hij moest een oogenblik wachten alvorens hij kon beginnen te spreken, zoo lang en warm werd hij toegejuicht. Het was duidelijk, dat deze groote man een groote plaats in de harten van zijn volk inneemt. Hij begon zijn ernstige speech met een echt Afrikaander aardigheidje. Hij zeide, dat, wanneer een Kaffer-boy erg zijn best doet en de tevredenheid van zijn baas verwerft, de baas hem dan ’s avonds dikwijls tracteert op “een pruimpie en een soopie”. Hij meende, dat de Oranje Vrijstaters dien avond ook bijeen [120]gekomen waren, om hun boy, generaal Hertzog, hun tevredenheid met de uitoefening van zijn taak te toonen en hem op hun wijze “een pruimpie en een soopie” aanboden. Daarna zette hij het werk van generaal Hertzog uiteen, wat hij eerst in den oorlog en later in de regeering van de Zuid-Afrikaansche Unie voor zijn volk gedaan heeft, en hoe hij in elke hoedanigheid, die hij bekleedt, steeds de liefde voor zijn volk toonde en de Afrikaander-belangen boven alles stelde. Aan het einde van zijn toespraak zeide hij, dat hij zijn volk er op moest wijzen te trachten, de nieuwe omstandigheden, waaronder zij te leven hebben, moedig onder de oogen te zien, de belangen van geheel Zuid-Afrika steeds het hoogst te stellen en niet te vergeten, dat hoewel hun in dien moeilijken tijd veel is wedervaren, er toch ook veel goeds uit is voortgevloeid.

Toen hij geëindigd had en weer was gaan zitten, begon opeens spontaan de talrijke menigte het oude Oranje Vrijstaatsche volkslied te zingen, waarbij niet alleen tal van mannen en vrouwen in de zaal een traan uit het oog wegpinkten, maar dat ook den president Steijn zichtbaar weemoedig stemde.

Toen las de jonge dr. Pretorius, die de leiding van dien avond in handen had, een veertig telegrammen voor, genomen uit meer dan honderd, alle van mannen en vrouwen uit verschillende steden van de Zuid-Afrikaansche Unie, die het betreurden niet tegenwoordig te kunnen zijn, doch die per telegram toch van hunne sympathieke gevoelens wilden blijk geven. Hiervan waren sommige heel geestig gesteld en brachten veel vroolijkheid teweeg. Daarna las de heer Wessels een adres voor, onderteekend door twaalfduizend “burgers en burgeressen” (zooals de heer Wessels zich uitdrukte) van Oranje Vrijstaat, dat alles in een album, dat aan generaal Hertzog werd ter hand gesteld, was saamgebonden.

Dit adres, dat te lang is hier in z’n geheel te worden vermeld, gaf niet alleen den waren geest weder, die de mannen en vrouwen hier bezielt maar sprak meteen van de hooge gevoelens van liefde, eerbied en achting voor de groote mannen van Zuid-Afrika en bovenal voor generaal Hertzog.

Daarna stond Hertzog zelf op en sprak hij de aanwezigen toe. Ook hij werd hartelijk en langdurig toegejuicht en toen hij zijn speech, die van vaderlandsliefde tintelde, geëindigd [121]had, viel onmiddellijk het koor weder in en zong het Zuid-Afrikaansche volkslied.

Toen was het tijd voor een gezellig samenzijn. Mij viel de groote eer tebeurt aan den arm van president Steijn, mevrouw Steijn volgde met generaal Hertzog, en mevrouw B. met den burgemeester, naar een andere zaal geleid te worden, waar ons met eenige groote mannen en vrouwen uit de aanwezigen een banquet werd aangeboden. De overige aanwezigen ontvingen ververschingen in de zaal. Al de gerechten en dranken, en ook de bloemversieringen in de zaal, waren door de Bloemfonteinsche vrouwen persoonlijk gemaakt en aangebracht, en door Bloemfonteinsche jonge meisjes werden wij bediend.

Zaterdagmiddag had om drie uur de eerste van onze vergaderingen plaats, ten huize van de presidente van de vrouwenkiesrechtvereeniging. De aanwezigen waren allen genoodigden en bij de uitnoodiging was medegedeeld, dat ik dien middag in het Hollandsch over vrouwenkiesrecht zou spreken. Ik had dan ook dien dag alleen het woord en tevens het succes, dat vele aanwezigen zich na afloop van mijn toespraak als lid der bestaande vereeniging opgaven en beloofden Maandagavond op de openbare vergadering, waar mrs. Catt en ik samen zullen spreken, tegenwoordig te zullen zijn.

Des Zondags waren wij allen de gasten van den burgemeester van Bloemfontein, die ons op zijne uitgestrekte farm een mooi tuinfeest aanbood. Deze farm is ongeveer op een afstand van een uur rijden buiten Bloemfontein gelegen en gaf ons een goed idee van de grootte van zulke ouderwetsche hoeven, van de tallooze koeien, paarden en ander gedierte, dat daar leeft en van de vele Kaffer-bedienden, die er gehouden worden, en haast een klein dorpje op zichzelf, rondom de hoeve, vormen. Even vriendelijk als men ons per rijtuig had afgehaald, bracht men ons ’s avonds weder naar Bloemfontein terug. Wij hadden dien dag weer met tal van Bloemfonteinsche inwoners kennis gemaakt.

Maandagmorgen om twee uur werd ons door een vijftigtal van de voornaamste dames van Bloemfontein een lunch aangeboden, die ons van den goeden smaak en de vriendelijke gevoelens van deze vrouwen overtuigde. Vele van die vrouwen brachten ons onmiddellijk op de hoogte, dat zij geen voorstandsters [122]van vrouwenkiesrecht waren, doch dat zij niettemin blijk wilden geven van haar dankbare gevoelens tegenover ons, die hier waren gekomen om haar vatbaar te maken voor datgene, dat, naar onze opvatting, in haar belang en dat van haar land zou zijn. Na deze inleiding vonden mrs. Catt en ik het noodig, om ook aan deze lunch ieder een korte rede te houden om deze vrouwen te trachten te overtuigen, dat zij dwaalden, en het gelukte ons, velen van haar inderdaad van die dwaling te overtuigen.

Maandagavond om acht uur was de groote stedelijke zaal reeds van onder en boven en in de deurgangen en overal, waar nog een man of vrouw ’n plekje kon vinden, om den voet te zetten, gevuld, toen wij, door den burgemeester voorafgegaan, de zaal binnentraden. De burgemeester presideerde die vergadering en op de tribune hadden naast ons de vrouw van den gouverneur en eenige andere vrouwen van positie plaats genomen. Ik sprak weder eerst een half uur in het Hollandsch, daarna mrs. Catt een uur in het Engelsch. Men applaudiseerde herhaaldelijk onder onze speech en aan het eind werden wij langdurig toegejuicht. Toen de burgemeester eindelijk, nadat er weder kalmte was gekomen, opstond en vroeg of er iemand van de aanwezigen was, die een woord van dank aan de spreeksters wilde brengen, stond het hoofd van de politie, de heer Du Toit, op, kwam op de tribune en sprak eerst in het Hollandsch en daarna in het Engelsch, niet alleen een woord van dank uit, maar lichtte onze toespraak met enkele voorbeelden uit zijne ondervinding in kwaliteit als hoofd der Bloemfonteinsche politie toe. Daarna stond een tweede heer uit de menigte op, om ook nog een woord van dank te uiten voor onze voorlichting, niet alleen voor de vrouwen, maar ook voor de mannen, in deze belangrijke kwestie. Niet alleen werd de vereeniging voor vrouwenkiesrecht in Bloemfontein dien avond vele leden rijker, maar het bestuur vertelde ons, dat zij krachtiger dan tevoren zullen werken om ’t enthousiasme, voor deze zaak door ons gewekt, vruchtbaar te maken.

Dinsdagmorgen waren wij alle vier genoodigd, om de lunch te komen gebruiken op “Onze Rust”, de hoeve van president en mevrouw Steijn. Toen mevrouw Steijn mij reeds Vrijdagavond die uitnoodiging gaf, vroeg ik haar, om dan dien dag [123]geen andere gasten te noodigen, zoodat wij van het samenzijn met haar en haar man konden genieten. “Onze Rust” is op 12 mijlen afstand van Bloemfontein gelegen, die per auto in een uur kunnen worden afgelegd. Precies twaalf uur stapten wij voor de woning van den ex-president van Oranje Vrijstaat af en werden op “de stoep”, zooals men de veranda voor het huis noemt, door den ex-president, zijn vrouw, de oude moeder van mevrouw Steijn en de twee oudste dochters welkom geheeten. Na ons van onze stofmantels, stofsluiers, etc. ontdaan te hebben, kwamen wij allen op de veranda bijeen en begon onmiddellijk een zeer levendig gesprek. Nadat de president ons eenige interessante bijzonderheden uit zijn leven, vooral ook met betrekking tot den oorlog, verteld had, begon mevrouw ons, op ons verzoek, haar leven en hare ondervinding uit den oorlogstijd te vertellen. Met spanning luisterden wij naar alles wat de moedige, verstandige vrouw in al die lange maanden van spanning door gemaakt heeft, en uit hetgeen wij hoorden, bleek ons nog eens opnieuw, hoe in dien oorlog, meer dan in eenig ander van de laatste eeuwen, de vrouwen de grootste wreedheden hebben moeten doorstaan, en de vijand de overmacht misbruikte, om op de arme achtergebleven vrouwen en kinderen zijn verliezen te wreken, of wel door de behandeling hun aangedaan, den mannen eerder tot overgave te dwingen.

Groote schuur. Rondebosch. Kaapstad.

Groote schuur. Rondebosch. Kaapstad.

Als eenmaal de geschiedenis van dien oorlog naar waarheid zal worden geboekstaafd, dan zal het blijken, dat naast zoovele helden, even zoovele heldinnen te vermelden zijn. Dat dit door de Afrikaansche mannen sterk gevoeld wordt, blijkt uit het feit, dat op initiatief van president Steijn er een nationaal vrouwenmonument in Zuid-Afrika zal worden opgericht, dat gewijd zal worden aan de nagedachtenis van de moedige vrouwen, die in den Zuid-Afrikaanschen oorlog het leven lieten. De 12.000 pond, die daarvoor benoodigd zijn, zijn grootendeels bijeen, het stuk grond, waarop ’t verrijzen zal, is reeds aangewezen en de Afrikaansche beeldhouwer Van Wouw reeds naar Rome vertrokken, om daar het werk te volbrengen.

Tot vier uur ’s middags bleven wij in dit vriendelijk en harmonisch gezin, waarvan man en vrouw evenzeer te bewonderen en lief te hebben zijn. Niet alleen vonden wij in dien gastheer en gastvrouw warme voorstanders van [124]vrouwenkiesrecht, en waren ook de beide dochters en de oude mama oprechte geestverwanten, maar zelfs het dertienjarig jongste dochtertje, dat de Oranje-school bezoekt en aldaar intern is, bleek een jonge geestverwante te zijn. Mama had geschreven, dat zij den dag van onze komst tehuis zou komen, doch daaraan kon zij niet voldoen, omdat zij geen verlof kon krijgen, maar nu had zij een brief geschreven, waarin zij haar leedwezen uitdrukte ons niet te kunnen ontmoeten, en dat in zulke warme, goed gekozen bewoordingen, dat mama den lust niet kon weerstaan, ons den brief voor te lezen. Het was waarlijk de degelijkste en flinkste brief, dien ik ooit van een zoo jong meisje onder de oogen heb gehad. Zij beloofde daarin niet te zullen rusten, alvorens de mannen haar ook als burgeres zullen weten te respecteeren, door haar de rechten te geven, die haar als zoodanig toekomen.

Woensdagmorgen vertrokken wij naar Kimberley, om daar dienzelfden avond nog eene meeting te houden. In Kimberley zijn wij weder in de Kaapkolonie, waar wij niet alleen bijna uitsluitend Engelschen ontmoeten, maar waar met Cecil Rhodes openlijk gedweept wordt. Ons program voor hier is: twee openbare vergaderingen, een bezoek aan een diamantmijn, een rit door de stad, een motortocht met den burgemeester als gastheer, een afternoon tea, een gardenparty en waarschijnlijk nog een openbaar debat van mrs. Catt met een tegenstander van vrouwenkiesrecht. Bovendien heb ik hier nog een toespraak te houden tot de Christelijke vrouwen, die voor zedelijke verheffing werken. Dit is een uitgebreide vrouwenvereeniging, die over heel Zuid-Afrika haar vertakkingen heeft. Nadat ik in Kaapstad voor die vereeniging gesproken had, heeft de presidente van daar aan alle afdeelingen, waar wij komen, geschreven, en zal ik nog wel overal door deze vrouwen worden aangezocht, om voor haar te spreken. De dagen, die wij in Kimberley doorbrengen, zijn dus weer geheel gevuld.

7 Sept. 1911. [125]

[Inhoud]
Ornament

Ons verblijf in Kimberley.

Kimberley is een eigenaardige stad, men riekt er de diamanten, zoo te zeggen. Niettegenstaande de aanleg van de stad eene zeer mooie is—ruime, breede straten, mooie alleeën, smaakvolle villa’s, één prachtig hotel en vele kleine hotels, smaakvol uitgestalde winkels—zou ik er toch voor geen geld ter wereld willen wonen. Het is een parvenu-stad; met uiterlijken schijn steekt men elkaar de oogen uit en al wie met De Beer’s mijnen in connectie staan, voeren er het hoogste woord. Het heele stadje bestaat uit ongeveer 13.000 witte en 20.000 gekleurde bevolking, die voor het meerendeel in of door de diamantmijnen leven. Het peil van beschaving en van moraliteit is precies zoo hoog als in zulk eene omgeving te verwachten is.

Het was dan ook niet te verwonderen, dat wij in deze omgeving tal van tegenstanders voor onze zaak zouden vinden en wij hier eene moeilijke taak te vervullen hadden. Van Kimberley was dan ook indertijd het adres van de anti-kiesrechtsters uitgegaan, dat aan de regeering was aangeboden en waarin gevraagd werd het kiesrecht aan de vrouwen niet te verleenen.

Toch was de zaal geheel gevuld met belangstellenden, toen wij ’s avonds binnentraden. Hier ontmoetten wij voor het eerst een burgemeester, die een tegenstander was en zich dan ook had laten verontschuldigen, dat hij de openbare vergaderingen niet kon presideeren en niet tegenwoordig kon zijn. Dat was jammer, want daardoor misten wij de gelegenheid: hem van zijne dwaling te overtuigen. [126]

Mrs. Catt en ik kwamen spoedig overeen, dat ik dien avond; slechts een paar woorden zou zeggen, en zij dien avond alleen, zou spreken, en dat in de volgende vergadering wij de rollen zouden omkeeren, opdat wij meer gelegenheid hadden, ons beiden goed uit te spreken. Prachtig begon mrs. Catt hare toespraak in te zetten met de vraag: “What is the matter with Kimberley?” Zij zeide, als er iets vreemds, iets bijna ongeloofwaardigs van een of ander persoon verteld wordt, men dan in Amerika die vraag doet, en dat zij diezelfde vraag omtrent Kimberley gedaan had, toen men haar had medegedeeld, dat die stad tegen vrouwenkiesrecht was. Zij was goed op dreef en sprak bijna anderhalf uur, tot aan het einde met de grootste aandacht gevolgd. Wat zag ik van de tribune af menig gezicht af en toe schaamrood worden, als de spreekster rake woorden aan de zoogenaamde “bourgeois satisfaits” richtte en er op wees, dat de vrouwen in de wereld nog hoogere belangen te behartigen hebben, dan het geld door den man verdient, in eigen kring op te gebruiken.

Men had ons verteld, dat “the Beers people”, zooals al die hooge ambtenaren genoemd worden, met hunne vrouwen tegenwoordig waren en onze vrienden vreesden, dat de spreekster, die door hare woorden bitter zou hebben gestemd. Doch blijkbaar was dat niet het geval, want den volgenden morgen kwam reeds vroeg de prachtige auto voor van den hoofdambtenaar van de mijnen om ons te vragen, daarvan dien dag gebruik te willen maken om de mijnen te zien en, voor zoover wij er verder van profiteeren wilden. Ook hoorden wij des middags, dat al die dames die eerst geweigerd hadden deel te nemen aan de “gardenpartij”, die ons Vrijdagmiddag werd aangeboden, aan het bestuur der vereeniging voor vrouwenkiesrecht gevraagd hebben, alsnog van de partij te mogen zijn, omdat zij zoo gaarne nader met ons in kennis wilden komen.

Mrs. Chapman Catt en Dr. Aletta H. Jacobs met vele der Zuid-Afrikaansche afgevaardigden voor de vergadering in Durban tot oprichting van de Nationale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Zuid-Afrika.

Mrs. Chapman Catt en Dr. Aletta H. Jacobs met vele der Zuid-Afrikaansche afgevaardigden voor de vergadering in Durban tot oprichting van de Nationale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Zuid-Afrika.

Donderdagmorgen om half tien gingen wij dan reeds per auto uit om de diamantmijnen, met alles wat er mede verbonden is, te zien en kwamen eerst om twee uur in ons hotel terug. Overal werden wij verwacht en van het moment, dat de stukken steen uit de mijnen losgewerkt, naar boven gebracht, gewasschen, gesorteerd, etc., etc. worden, totdat de [127]diamanten naar het syndicaat in Londen worden afgezonden, hebben wij alles gezien.

Ook, en dat is niet het minst interessante, hoe er gewerkt wordt door de arbeiders, welk werkvolk er wordt aangewend en hoe dat behandeld wordt.

Al het ondergeschikte werk geschiedt door kleurlingen, van welke een paar duizend dwangarbeiders zijn. Voor deze menschen ontvangt de Staat een shilling per dag en per persoon, terwijl de voeding en huisvesting door den werkgever moet geschieden. Door elkaar kost zoo’n dwangarbeider den diamantmijnen een gulden vijftig cent per dag. Die menschen moeten daarvoor twaalf uur werken en zijn in hun vrijen tijd in een soort gevangenis ondergebracht, waar zij onder streng toezicht leven. Dat huis van bewaring hebben wij niet gezien. Die arme kerels dragen allen gevangeniskleeding, met een nummer op den rug.

De andere kleurling-arbeiders worden uit vrijwilligers gerecruteerd, die zich voor niet minder dan vier maanden moeten verbinden. In die vier maanden zijn zij hun vrijheid kwijt, zij mogen de poorten, rondom de mijnen, niet verlaten. Maar zij hebben er ruimte van beweging genoeg en verdienen een vrij hoog loon. Deze arbeiders werken in een 3-ploegenstelsel en lossen elkaar na 8 uur af. In die 8 uur verdienen zij van twee tot drie gulden daags. In de omheining, waarin deze kleurlingen wonen, het leven wat zij er leiden, de slaapgelegenheden, de winkels, waarin zij hunne benoodigdheden voor zeer lage prijzen kunnen koopen, het hospitaal, de keuken enz. alles werd door ons bezichtigd en zag er buitengewoon goed onderhouden en zindelijk uit. Als deze werklieden willen, dan kunnen zij in de vier maanden, zoolang hun contract bindend is, een mooi sommetje over houden. De directeur, die ons rond geleidde, vertelde ons, dat het verdiende geld maar al te dikwijls moest dienst doen om een of ander stuk vee te koopen. Voor dat stuk vee werd dan later eene vrouw gekocht, die dan verder het werk moest verrichten. Het eerste wat een kaffer in den regel koopt, als hij wat geld over heeft gespaard is eene vrouw; niet om haar lief te hebben en met haar een gezin te vormen, maar om eene slavin te hebben, die voor hem kan werken.

Eene zuster, die tot de Engelsche Katholieke missie behoort, [128]die ik in Bloemfontein bezocht, vertelde mij, dat in geheel onbeschaafden staat de Kaffer niet meer werkt, zoodra hij eene vrouw heeft. Werken is in zijn oog iets laags, dat men alleen doet, door honger of hooger macht gedreven. Zoodra hij eene vrouw heeft, is hij de hooger macht en dwingt zijne vrouw tot arbeid! Wij zagen dan ook in sommige plaatsen vrouwen in de laatste maanden van zwangerschap en met een klein kind op den rug gebonden, het zwaarste werk verrichten, terwijl de echtgenoot als een opzichter stond toe te zien. Zoodra nu de eerste zaden van christelijkheid beginnen te ontkiemen, dan begint de man weder te werken en brengt zijn verdiend geld tehuis, maar dan meent de vrouw niets meer te mogen doen en is met de grootste moeite er toe te brengen, haar beetje huiswerk te verrichten en voor den man het eten te koken. Den geheelen dag slingert zij dan, met haar kind op den rug gebonden, voor hare hut om in niets-doen. Eerst het volgend stadium doet haar begrijpen, dat ook zij een taak te vervullen heeft en zijn zij eenmaal zoover, dan vormen zulke menschen soms heel gelukkige gezinnen, die de kinderen naar school zenden en dan door de ontwikkeling der kinderen, zelven ook een hoogere ontwikkeling bereiken. In één van zulke gezinnen vonden wij zelfs eene vrouw met een Singer-naaimachine, bezig lakens te zoomen voor hare bedden.

Donderdagavond hadden wij de argumenten te weerleggen van eenige anti-vrouwenkiesrecht-heeren tegen de rede van Mrs. Catt ingebracht en werden daardoor enkelen overtuigd, dat hunne argumenten niet steekhoudend zijn. Velen hunner moesten toegeven, “dat hun hoofd overtuigd was, doch dat hun hart nog tegenstribbelde.”

Vrijdag was mijn zwaren dag. Reeds om elf uur moest ik weder spreken over “vrouwenkiesrecht in verband met openbare zedelijkheid” voor een veertigtal christelijke vrouwen, eene vergadering, die tot bijna één uur duurde; toen snel lunchen, want om twee uur kwam de burgemeester met zijne vrouw ons met twee auto’s afhalen om eene tocht naar en door Kenilworth te maken (een prachtige rit, doch alles vol Cecil Rhodes-verheerlijking) en om vier uur bracht hij ons naar het hotel Alexanderfontein, zes mijlen buiten de stad, alwaar de “garden-party” gegeven werd. Alles wat in Kimberley voornaam is, was daar bijeen. Wij moesten ieder een [129]korte speech houden en met vele tegenstanders spreken. Om half zeven kwamen wij tehuis, doodvermoeid, juist nog tijd vindende om ons om te kleeden, te eten en naar de vergadering te gaan, alwaar ik, voornamelijk voor Hollandsch sprekenden, dien avond alleen het woord had. Mrs. Catt was zoo moe, dat zij tehuis moest blijven. Onze lezingen hebben een zoo gunstig resultaat gehad, dat wij met de stellige overtuiging Kimberley vanavond verlaten kunnen, dat van uit die stad nooit meer een anti-adres aan de regeering zal worden gezonden, als vrouwenkiesrecht weder in het parlement behandeld zal worden. De opstelsters en eerste onderteekenaarsters van dat adres zijn nu leden van de vereeniging voor vrouwenkiesrecht.

Hedenmorgen hebben wij weer per auto een paar uren in de omgeving van Kimberley rondgedoold en toen onze koffers gepakt en nu zitten wij den tijd die ons rest, vóór ons vertrek van hier, met brievenschrijven te vullen.

Vanavond om acht uur reizen wij in eens door naar Victoria-Falls, het grootste wonder der wereld, zooals men zegt. Dit is een reis, die van Kimberley af nog drie nachten en twee dagen duurt en die ons dwars door Rhodesia voert, tot op betrekkelijk korten afstand van de Congo. Volgens ’t geen wij over deze reis gelezen en gehoord hebben, kunnen ons allerlei avonturen overkomen, en verkeeren wij daarover in groote spanning. Sedert wij Kaapstad verlaten en tot deze reis besloten hebben, hebben wij aan de voorbereiding tot deze reis reeds menig uur van groot vermaak te danken. Ieder die er geweest is, of het van hooren zeggen heeft, gaf ons goeden raad, hoe wij ons moesten kleeden, wat wij voor voorzorgsmaatregelen hebben te nemen voor nachtelijke overvallen van leeuwen en olifanten, en voor slangenbeten; welke boot wij over de Zambesie-rivier moesten gebruiken om niet door een hypopotamus omver gesmeten te worden, enz. enz. Hoewel men ons den raad gaf, niet veel bagage mede te nemen, omdat het goederenvervoer er zoo duur is, zouden wij toch, als wij alles medenamen wat men ons aanprees, met ons vieren zeker een scheepslading hebben.

Toch zijn er genoeg praeparatieven gemaakt en de wonderlijkste inkoopen gedaan. Een uitrusting van Tartarin de Tarascon haalt niet bij de uitstoffeering van mijn medereizigsters. [130]

En met het toilet zijn de voorbereidselen niet voltooid. Men heeft ons gewaarschuwd, dat het water op reis niet te drinken is en men wilde zelfs, dat wij blazen gevuld met gesteriliseerd water, van hier zouden medenemen. Wij hebben er de voorkeur aan gegeven een mand met keukengereedschappen te koopen, waardoor wij onderweg het water en de melk kunnen koken, onze eigen koffie en thee kunnen zetten en voor een deel voor ons voedsel kunnen zorgen. Ieder heeft voor eigen beddegoed en handdoeken te zorgen en een groote mand met fruit is voor allen te zamen gekocht. Sinaasappelen, mandarijnen, bananen, ananassen en appelen vullen een flinke aardappelmand, die mede in de wagen moet worden genomen. Doozen met chocolade en andere zoetigheden, voor een deel ons geoffreerd, voor een ander deel aangekocht, voltooien onzen proviandvoorraad. Mocht het nu blijken, dat wij van al die dingen niets noodig hebben, dan hebben wij van de voorbereiding en met het aankoopen toch reeds de noodige pret gehad.

Dat wij Kimberley over een paar uur verlaten, spijt ons geen van allen. Wel hebben wij hier zeer nuttig werk verricht en goede resultaten gehad en waren de menschen zeer voorkomend, maar ’t is niet alleen de zwaveldamp, die uit de mijnen opstijgt, die de lucht hier verontreinigt, het is iets anders, dat men voelt, niet ziet, doch dat onaangenaam aandoet. Niet alleen de geheele stad, maar ook de grond ongeveer 10 mijlen rondom Kimberley behoort aan de Beer’s maatschappij. Men leeft er geheel onder den indruk van diamantkoningen. Alles wat die grond nog ooit zal produceeren, eigenen zich de aandeelhouders van die maatschappij toe. Hier hapert iets in onze menschelijke verhoudingen en rechten.

Ik kon hier de gedachte niet onderdrukken, dat Kimberley de tweede stad in Zuid-Afrika is, waar wij aankomen, die geheel leeft en geheel bestaan kan van de ijdelheid der vrouwen. Als eens de vrouwen verstandiger worden en zich niet meer sieren met struisveeren en diamanten, dan is het met Port-Elisabeth en Kimberley gedaan. Wat zou er dan zelfs van geheel Zuid-Afrika worden, als deze twee producten,—voor zoover wij nu door Zuid-Afrika gekomen zijn, de eenige werkelijke Zuid-Afrika-producten,—eens geene marktwaarde meer bezitten? Dan zou in Zuid-Afrika weder een landbouwende [131]bevolking de boventoon voeren, wat voor het land en de bewoners, naar het mij voorkomt, verreweg het beste zou zijn. In Port-Elisabeth werd ons gezegd, dat meer dan de helft van alle struisveeren door Amerikaansche handelaren wordt opgekocht, hier in Kimberley vernamen wij, dat tweederde van alle opgedolven diamanten naar Amerika gaan. Dat geeft te denken. Onze Amerikaansche reisgezellinnen zijn er volstrekt niet trotsch op, dat het land harer geboorte in dit opzicht bovenaan staat. [132]

[Inhoud]
Ornament

In den trein door Rhodesia en aankomst in Zambesie.

Rhodesia, het grondgebied dat zijn naam ontleent aan zijn stichter Cecil Rhodes, grenst ten zuiden aan de Transvaal, ten oosten en westen aan Portugeesch Oost- en West-Afrika en ten noorden aan den Congo en Duitsch-Oost-Afrika. Door de rivier Zambesie is het in twee deelen verdeeld, het eerste Zuid-Rhodesia en het tweede Noord-Oost en Noord-West-Rhodesia. Het grondgebied van geheel Rhodesia is grooter dan dat van geheel Duitschland en Oostenrijk-Hongarije te zamen.

Dit grondgebied behoort niet tot de Unie van Zuid-Afrika. Het behoort aan eene Engelsche maatschappij, die er alleenheerschappij voert. Deze maatschappij heeft het indertijd, toen de Zuid-Afrikaansche Unie gevormd werd, voor vijf en twintig honderd duizend pond aan de Unie aangeboden, welk aanbod echter niet door de Unie werd aanvaard. Het heeft nu zijn eigen wetten en staatsregeling.

Drie keer in de week gaat er een trein van Kaapstad naar Bulawayo, de hoofdstad van Rhodesia, en verder naar de Victoria Falls, in Zambesie, en naar Livingstone, en vandaar neemt de Mashonaland-spoorweg de lijn over om de passagiers in nog eens vier en twintig uur naar den Congo te brengen.

In Kimberley, alwaar wij Zaterdagavond in den trein kwamen, neemt de Rhodesia-spoorweglijn de taak van de Kaapkolonie-lijn over. De treinen zijn comfortabel ingericht en voorzoover doenlijk op deze stoffige lijn, wordt er de noodige zindelijkheid betracht. [133]

Toen wij Zaterdagavond in den trein kwamen, hadden wij een vrij vermoeienden dag achter ons en begaven ons dus weldra ter ruste. Wij wisten, dat wij den volgenden morgen om zeven uur in Mafeking zouden aankomen en daar ongeveer een half uur zouden stoppen. Wij wilden zorgen dan gereed te zijn om even een kijkje in Mafeking te kunnen nemen, de stad ons allen uit den Zuid-Afrikaanschen oorlog zoo goed bekend, door zijne belegering en de rol door Baden-Powell aldaar gespeeld. Wij hadden daarvan in Kimberley zooveel hooren vertellen, ook natuurlijk van de bezetting van Kimberley. Het was voor ons heel interessant dezelfde toestanden en omstandigheden het eene oogenblik te hooren vertellen door de Britsch-gezinden, het andere oogenblik door de Afrikaanders. Hoe gevoelig zijn zij nog van beide zijden over de gebeurtenissen in Kimberley en wat willen de Engelschen gaarne allen lof aan Rhodes schenken, die hen gedurende de dagen van bezetting zoo in elk opzicht schijnt te hebben geholpen, terwijl de Afrikaanders juist aan zijn verderfelijken invloed hun val toeschrijven.

Maar over één punt zijn de Britten niet goed te spreken. Wil men met hen op goeden voet blijven, dan doet men goed het gesprek over “de concentratiekampen” te mijden. Dat is hun wondeplek. Wel is waar hebben zij er op gevonden, dat die waren opgericht om de vrouwen daarin te beschermen, maar zoodra zij met goed ingelichten te doen hebben en dat voorwendsel niet goed kunnen volhouden, dan worden zij boos en als zij beleefd zijn, vragen zij het onderwerp liever te laten rusten.

Toen wij Zondagmorgen een eindje buiten het station een kijkje in Mafeking namen, zagen wij natuurlijk niets bijzonders en niets dat ons nog aan den oorlog herinnerde. Wij kwamen daarom ook in den trein terug met geen ander gevoel, dan dat wij tegenover deze stad onzen plicht gedaan hadden, door zoo vroeg gereed te zijn en er even onze opwachting te maken.

Reeds spoedig merkten wij dien Zondag, dat wij steeds meer den equator naderden, de hitte in den trein was bijna onuitstaanbaar en voor de witte, roode en grijze stof, die in dikke rookwolken langs den weg opstoof, moesten wij zooveel mogelijk de raampjes gesloten houden. Dikwijls [134]zuchtten wij elkander dien dag toe, dat de Victoria Falls al buitengewoon imposant moesten zijn om ons te vergoeden wat wij dien dag door de warmte en stof leden.

Toch was de reis hoogst belangwekkend. Wel is waar was het landschap eentonig door zijn altijddurende woestenij, met slechts weinige lage bergen op den achtergrond en zagen wij geen enkelen olifant, leeuw, tijger, rhinoceros of ander wild gedierte, die daar toch in menigte zijn, maar wij zagen steeds meer, bij elke halte, de inboorlingen in hun natuurlijken staat, nog zeer weinig door aanraking met de blanke bevolking bedorven en zoogenaamd beschaafd. Zij kwamen bij elke halte in groote groepen aan den trein, om vruchten, melk of eieren of wel de door hen vervaardigde nijverheidsproducten te koop aan te bieden. Deze laatste gaven ons geen groot denkbeeld van hun ontwikkelingsstaat en ook hunne uitrusting plaatste hen niet op een hooge trap van beschaving. De kinderen liepen geheel naakt rond en de grootere menschen waren dikwijls alleen gekleed met een leeren vijgeblaadje en eenige strengen koralen of koperen ringen, om verschillende deelen van het lichaam gewonden. Sommigen zagen er allerdwaast uit. Zoo liep een geheel naakte man met een oude heerensmoking om zijn naakte schouders, een ander had alleen een oud heerenvest aan, een ander jong mensch had een streng blauwe koralen om zijn hals, een blauw en geel gestreept jersey, zonder mouwen, om zijn body en een paar gele leeren beenbekleedsels van den een of anderen cavalerist om zijn beenen. Alle mannen en vrouwen droegen evenwel het een of ander om hun middel, om zedelijk voor den dag te komen. Met zekerheid kan ik verklaren, dat ik in mijn leven niet zooveel verscheidenheid van toiletten heb aanschouwd, dan den Zondag in den trein door Zuid-Rhodesia.

Hadden wij den heelen dag geen avontuurtje gehad, des avonds zouden wij toch iets hebben. De gloeiende heete zon had mijlen ver al het uitgedroogde gras, alle boomstronken en zelfs de hooge boomen op den achtergrond in brand gezet en tot wij ten slotte ons te slapen legden, gerustgesteld door den hoofdconducteur, dat er geen gevaar was, gingen wij aan beide zijden door een vuurzee, die den geheelen weg stralend verlichtte. Het was soms alsof op geringen afstand een heele stad in brand stond en omdat wij wisten, dat er geen menschenlevens [135]en geen groote waarde door verloren ging, konden wij ons gerust de weelde gunnen er met welgevallen naar te zien.

Gelukkig bracht de avond de gewenschte koelte en des nachts was de temperatuur onverbeterlijk. Daarbij volle maan en een heldere sterrenhemel, die het hoornvee in de weiden juist genoeg verlichtte, om ons in elke koe een olifant of een rhinoceros te doen zien.

Op den geheelen afstand tusschen Mafeking en Bulawayo passeerden wij geen enkel dorp waar andere blanke bevolking woonde dan die door de spoorwegmaatschappijen was aangesteld of een soort politie vormde, en zelfs deze laatste was in vele dorpen nog uit de zwarte bevolking gerecruteerd. Men moet zoo’n zwarten politieman zien met bloote beenen in een kort khakibroekje, een los jasje aan en een zweepje in de hand (dat is zijn wapen) en dan een vilten hoedje op den zwarten kop, op en neer langs den stilstaanden trein loopen en al zijne zwarte medeburgers, die naar zijne meening te dicht bij den trein komen, met een zweepslag terug dringen. De waardigheid in zijne houding en gelaatsuitdrukking, waarmede hij toont, dat hij zijn taak hoog opvat, is allergrappigst.

Maandagmorgen om 8 uur, wij waren juist gereed, kwam de conducteur ons mededeelen, dat wij in Bulawayo waren en daar tot twaalf uur zouden blijven. Wij konden het nauwelijks gelooven. Niets had ons eenigszins kunnen doen vermoeden, dat wij een stad naderden en nog wel de hoofdstad van zoo’n groot grondgebied. Wij waren nog steeds in een woestenij en het houten stationsgebouwtje leek ook niet op wat wij verwacht hadden. Toch waren wij in Bulawayo en wij volgden den raad van den conducteur, om onze bagage stil in den waggon te laten,—hij zou dien afsluiten en er toezicht op laten houden—om rustig de stad in te gaan. Onze introductiebrief doet nog steeds wonderen.

Buiten het station stonden enkele dos-à-dos en andere kleine wagentjes gereed om de reizigers stadwaarts te brengen, doch wat ons het meest aantrok, dat waren de vele rickshaw’s, voor één of twee passagiers bestemd, en met een kleurling als trekdier. Mrs. Catt en ik namen direct in een van deze voertuigjes plaats en onze beide andere medereizigsters volgden in een tweede. Dat was een nieuwe sensatie. Deze lichte wagentjes op caoutchouc wielen worden door kleurlingen zoo [136]snel voortbewogen, dat een paard het bijna niet sneller doet. Die mannen springen meer vooruit dan dat zij loopen, en hun lichte tred voorkomt, dat er veel stof opwaait. Het heerschap, dat ons voertuig voortbewoog, droeg door elk oor een ongeveer tien centimeter lang houtje, waardoor het onderste oorlelletje sterk naar onder toe verlengd werd. Ringen van hoorn, koper en zilver droeg hij om zijn armen en beenen, en eenige strengen gekleurde koralen maakten zijn halsversierselen uit. Overigens had hij niet veel kleeren aan.

Wij stapten vóór ’t Grand Hotel uit om daar ons ontbijt te nemen en wilden dan verder de stad zien. Als men in aanmerking neemt, dat er nog niet zoo heel veel jaren verstreken zijn sedert Lobengula met zijn vele vrouwen hier den scepter voerde en op de plek, waar nu groote koopmanshuizen en betrekkelijk groote hotels staan, de maïs groeide voor het onderhoud van den machtigen monarch, dan is alleen van uit dat oogpunt de stad reeds het bezichtigen waard. Maar alles verkeert er nog in een stadium van wording; alle winkelhuizen en kantoren en hotels waren, als het ware, zoo op een plek in de woestenij neergeworpen en alleen hier en daar een blok winkelhuizen duidt aan dat Bulawayo weldra een stad zal worden. Toch is er reeds een interessant museum....pje, een openbare bibliotheek, een theater......tje, een clubgebouw, een park, dat echter nog groeien moet, de aanleg is er, en nog het een en ander meer, wat een stad rijk moet zijn. In het midden van de stad staat een zeer groot bronzen standbeeld van Cecil Rhodes, vanwaar hij, zooals men zegt, “de wereld inkijkt.” Hij staat daar met ongedekten hoofde, wat de bijgeloovige inboorlingen met vreeze heeft bezield, omdat zij meenen dat, zoolang Rhodes zonder hoofddeksel daar stond, Allah het niet zou laten regenen.

Wij hadden om twaalf uur van deze heete, stoffige stad genoeg gezien om ons plan op te geven hier op den terugweg eenige dagen over te blijven. Nog eens vier uren hier te vertoeven bij het teruggaan zal genoeg zijn om den indruk te vestigen, dat er eens in het midden van Rhodesia een groote stad zal verrezen zijn, waar men, de tropische hitte niet in aanmerking genomen, even genoegelijk en comfortabel zal kunnen leven, als in andere wereldsteden. Maar dat zal nog wel enkele jaren duren. [137]

Om ruim twaalf uur zette onze trein zich weder in beweging, om ons nu regelrecht naar Zambesie te voeren, naar de plaats, waar zestig jaren geleden Livingstone de grootste watervallen van de wereld ontdekte. Het landschap veranderde nu een beetje. Er kwamen wat meer boomen op de geel verbrande grasvlakten. Hier en daar zagen wij wilde abrikoos- of perzikboomen in vollen bloei, mimosaboomen met bloemen, driemaal zoo groot als de gewone soort, wilde olijfboomen en nog tal van andere soort boomen, waarvan wij den naam niet kenden en de vruchten nooit gezien hadden. Ook daar weder overal inboorlingen aan den trein, die soms door hun woest geschreeuw ons reeds van verre verkondigden, dat wij in een kleurling-dorp aangekomen waren. De mandjes, lepeltjes, grillig gevormd aardewerk, stokken, etc., die zij te koop aanbieden, geven door hunne asymetrische lijnen en onregelmatige afwerking geen grooten dunk van hun ontwikkeling. Al deze inboorlingen behooren tot de Zambesie-, Matabele- of Barotsestammen. Ik zou wat gaarne eenigen tijd in deze buurten blijven om wat meer van deze volksstammen te weten te komen, maar dat zou veel te lang duren, want heel gauw vertrouwen deze menschen de witmenschen niet en zoo lang kunnen wij hier niet blijven, daarvoor zijn wij ook niet naar Zuid-Afrika gekomen.

Ook dien avond zagen wij weder, doch toen op grooteren afstand, groote boschbranden en vertelde men ons, dat die na zulke heete dagen bijna steeds voorkomen.

Dinsdagmorgen om 7 uur waren wij aan het doel van onze reis. Zambesie bestaat ook al weder uit niets anders dan het groote hotel, dat aan den Rhodesian Railway Co. behoort, eenige huizen van spoorwegemployé’s en verder kleurling-hutten. Men spreekt echter altijd van de Victoria Falls en die maken dan ook wel de aantrekking van deze plaats uit.

Een blanke man met een paar dozijn kleurlingen maakte zich spoedig meester van onze bagage en van die van andere gasten en toen ging het door het mulle, roode zand, naar het op vijf minuten afstand gelegen hotel. In minder dan geen tijd hadden wij allen onze bagage in onze kamers en konden wij een verfrisschend bad nemen. Het personeel in dit hotel bestaat uit niets dan kleurling-mannen, geen vrouw doet er eenig werk. In de eetzaal zijn het Indiërs, die in [138]nette, witte kleeding rondloopen, maar onze kamermeisjes zijn naakte jongens, enkel met een zwembroekje gekleed. Het zijn echter voorbeeldige kamermeisjes, zoo netjes doen zij hun werk, alleen voor het vasthaken van een vanachter sluitende japon of blouse niet goed te gebruiken.

Nadat wij ons ontbijt genomen hadden, waren wij allen frisch genoeg om onzen eersten tocht naar de wereldberoemde watervallen te ondernemen; onze verwachting was te hoog gespannen dan dat wij daarmede tot des middags konden wachten.

14 Sept. 1911. [139]

[Inhoud]
Ornament

De Victoria Watervallen.

De naam van deze watervallen, die inderdaad eenig in hun soort zijn, is eigenlijk Mosioatunya, zooals de inboorlingen ze gedoopt hebben, en dat beteekent: “rook, die geluid geeft”. Deze naam ontleenen zij aan de vochtige wolken, die zij wijd en zijd om zich verspreiden en aan het geraas, dat de val van het water vergezelt. Zoowel voor mij, als voor de beide Amerikaansche reisgezellinnen, die de Niagara-watervallen kennen, boden toch deze watervallen eene verrassing. Zij zijn bijna twee keer zoo breed en twee en half maal zoo hoog als de Niagara-vallen. Zij beslaan ruim anderhalve kilometer lengte en vallen van een hoogte van bijna een honderd en vijftig meter naar beneden. Maar deze enorme breedte en deze vreeselijke hooge val geven alleen niet de schoonheid aan deze watervallen. Het is veel meer de buitengewoon woeste, schilderachtige omgeving, de damp of wolk, die door het uitspatten van het schuimend water veroorzaakt wordt en de verrassend schoone regenbogen die zij geven; dit en nog veel meer te zamen, doen den toeschouwer den adem inhouden en vol bewondering stil staan. Eene beschrijving van dit stuk natuurwerk waag ik niet te geven.

Nog is niet uitgemaakt of deze prachtige rivierbedding door den eeuwenlangen val van het water ontstaan is, of dat door eene aardbeving plotseling dit natuurwonder tot stand kwam. Voor dat Livingstone, November 1855, de Victoria-vallen ontdekte, toen hij de Zambesie-rivier opvoer, had men er niet van gehoord en eerst nadat Cecil Rhodes met zijn Chartered Company den spoorweg door Rhodesia liet aanleggen, werden [140]zij voor gewone toeristen bereikbaar. Thans worden zij het geheele jaar door geregeld bezocht, door Afrikanen, Engelschen en zulk soort menschen als waartoe ons clubje van vier behoort.

Den eersten morgen deden wij niet veel meer dan de watervallen rondloopen en van alle kanten bezien. Telkens waren wij door het veranderde aspect opnieuw verrast. Ook wisten wij soms niet wat meer te bewonderen was, de vallen zelf, of wel de grootsche omgeving waarin zij zich bevinden. Toen wij tegen half twee terug kwamen, was het te heet geworden om dien dag nog meer te doen, alleen tegen den avond, bij ondergaande zon en opkomende maan gingen wij nog eens een kijkje nemen. Heel lang vertrouwden wij ons toen niet te blijven, want de wilde beesten, die nog altijd in deze omgeving huizen, blijven bij dag wel op den achtergrond, maar of zij ’s avonds niet eens een sprong naar een nieuwsgierig en indringerig witmensch zullen maken, durft men ons niet verzekeren.

Met een clubje van nog zes Engelschen—vier heeren en twee dames—huurden wij den volgenden dag het kleine electrische bootje af om een tocht op de Zambesie-rivier te maken en op een van de vele mooie eilandjes in deze rivier te picnikken. Van dezen tocht hadden wij ons veel voorgesteld en ik kan er direct bijvoegen, dat onze verwachting ruimschoots werd overtroffen. Buiten ons tiental waren er nog vijf man in het kleine bootje, de kapitein (een Engelschman), en vier zwartjes om voor onze lunch en bediening te zorgen.

Om tien uur staken wij van wal en om half een landden wij op een eiland met een onuitspreekbaren inlandschen naam, na twee en een half uur lang langs de schoonste, belangwekkendste en voor ons vreemdste oevers gevaren te zijn. Behalve hier en daar een paar inlanders zagen wij geen menschelijk wezen, doch een prachtige, weelderige plantengroei; de meest tropische boomen, die men zich denken kan, versierden de oevers van deze schoone rivier. Ook was het toeval ons gelukkig. Wel wisten wij, dat vele hypopotami dit water hier onveilig maken en menig keer de lichte kanoe’s van de inboorlingen omver werpen, door er even een van hunne breede pooten in te zetten, maar het gebeurde toch maar al te dikwijls, dat zij zich op een afstand houden als een electrisch bootje [141]met eenig geraas zich door het water, wat zij hun gebied achten, voortbeweegt. Vele reizigers zijn dan ook reeds bevredigd als zij de voetsporen van zoo’n beest op het eiland ontdekken, waar zij landen. Zoowel op onze heenreis als op onzen terugtocht zagen wij echter de monsterbeesten op eenigen afstand zich in het water voortbewegen en hun afschuwelijk leelijken kop boven het water uitsteken. Ook zagen twee onzer medereizigers een groote krokodil op een der vele rotspunten, die wij bijna rakelings passeerden. Daar deze beesten de kleur van de rots hebben, waarop zij zich bevinden, is het niet gemakkelijk ze te ontdekken, en alleen, wanneer zij zich bewegen, bemerkt men, dat er zich een levend gedierte op het stuk steen bevindt.

Terwijl de inlandsche jongens bezig waren het water voor de koffie te koken en onze lunch bereidden, begaven wij ons met den kapitein, als gids, rond het eiland, om als volgelingen van Robinson Crusoë te ontdekken, wat er op dit eiland te ontdekken viel en te zien of er geen onraad was. Wild gedierte en slangen zagen wij er niet, maar de kapitein raadde ons toch, niet door het hooge gras te loopen en vooral de voetpaden te volgen, die door de hoteldirectie daar waren aangelegd. Overal vonden wij de nu leege holen, waar een hypo of ander wild gedierte zijn nachtleger maakt.

Wat echter in hooge mate onze belangstelling gaande maakte, dat waren de wonderlijkste vruchten en zaden, die wij er vonden. Jammer, dat noch de kapitein, noch iemand in het hotel ons ook maar bij benadering kon zeggen wat soort vruchten het waren en waarvoor zij door de inlanders gebruikt worden. De domheid op dit gebied maakte ons boos. Toen wij den directeur van het hotel, die hier reeds jaren woont, vroegen, welke vrucht dit was, een vrucht, met een bast als mahoniehout en nog veel harder, waarin prachtige, vuurrode boonen zich bevinden, die ook als steenen zoo hard zijn, antwoordde hij: “O, weet u, dat is een vrucht, die groeit hier in menigte aan boomen, die gij hier heel veel zult vinden.” Dat was al de wijsheid, die hij in al die jaren van de vruchten uit zijne omgeving had opgedaan.

Tot drie uur ’s middags amuseerden wij ons op dit belangrijk plekje grond, waar wij echter geen van allen een wandeling op eigen houtje durfden ondernemen, doch steeds in groepjes [142]samenbleven. Toen aanvaardden wij den terugtocht. In mijne wakende droomen zie ik reeds over eenige eeuwen dit nog bijna onbewoonde gedeelte van het donker Zuid-Afrika door tallooze Europeanen bewoond en overal aan de oevers van de Zambesie-rivier villa’s, met prachtige tuinen, de plaats innemen, waar nu nog het wild gedierte alleen huist en er de menschen op den achtergrond houdt.

De inlanders, die wij op onzen terugtocht op de rivier ontmoetten, gebruiken nog de primitieve uitgeholden boomstam als kanoe, die zij met hun breede, korte roeispanen, waarmede zij als het ware het water wegslaan, pijlsnel voortbewegen.

Een heel interessanten dag brachten wij in “het regenwoud” door. Dit boschgedeelte ligt aan de overzijde van de watervallen en door den altijd-durenden val en ’t uiteenspatten van het water, waardoor op zeer grooten afstand steeds een fijne stofregen valt, verkeert dit woud in de gunstigste of ongunstigste omstandigheid om steeds beregend te worden. Daardoor zijn er eeuwig-groene boomen, doch alleen zulke boomen, die onder zulke omstandigheden kunnen groeien. Voor oudere dames is het beste zich voor een wandeling in dit interessante regenwoud in een Mackintosh-mantel, met capuchon, en een paar hooge laarzen, met overschoenen, te kleeden, maar ’t jongere volkje loopt er ’t aangenaamst in een badkostuum, sandalen en ’n gummikapje op het hoofd. Men wordt er door en door nat, maar het gezicht op de watervallen, de prachtige plantengroei, de vreemde bloemen en vruchten, houden den wandelaar onophoudelijk in spanning. De drie uren, die wij voor deze wandeling bestemd hadden, waren om nog eer een onzer er aan dacht.

Nog tal van kleine onderzoekingstochten naar verschillende andere eilandjes werden door ons ondernomen in de kleine kanoe’s der inlanders, doch wij waren voorzichtig genoeg, steeds een witmensch als gids mede te nemen en ons op de eilandjes door een paar inlanders vooraf te doen gaan. Telkens werden wij op zulke tochten verrast door ’t geen wij er aan vreemdsoortige planten en vruchten vonden, die geen onzer thuis kon brengen. Van wilde beesten zag ik niet anders dan drie wilde bokken—bush-buck—zooals de gids ze noemde, en een heele boom vol spelende aapjes. Natuurlijk ook allerlei soorten vreemde en bont gekleurde vogels. [143]

Een avond, toen wij juist allen aan tafel wilden gaan, werden wij geroepen, dat er een heele groep oerang-oetangs in den tuin van het hotel aan het spelen waren, die echter door ’t naar buiten vliegen van de hotelgasten verschrikt geworden, hals over kop het hazenpad kozen.

De dagen, bij de Victoria-watervallen doorgebracht, waren voorzeker hoogst interessant, en ieder, die er geweest is, geeft toe, dat hij deze tocht niet gaarne uit zijn leven zou willen missen. Maar men moet er iets voor over hebben. Het is niet alleen de drie dagen lange benauwend heete reis, maar ook het verblijf aan de Zambesie is afmattend, tengevolge van de gloeiende hitte gedurende den dag en doordat men in de lange avonden en nachten, wanneer men een beetje van de hitte van den dag zou kunnen bekomen, binnenshuis moet blijven voor het gevaar dat de wilde beesten opleveren. Men bekomt er eigenlijk niet. Niemand rekt zijn verblijf er dan ook langer, uitgezonderd diegenen, die er juist voor de wilde beesten-jacht komen, dan noodig is, om alles goed in zich op te nemen. Twee keer in de week, des Dinsdags en Zaterdags, kan men er per trein weder vandaan.

Het is goed gezien, dat de treinen, die teruggaan, juist dat gedeelte van den weg bij dag doen, hetwelk bij de komende treinen bij nacht is afgelegd, zoodat de reizigers tenslotte de heele weg door Rhodesia overzien kunnen. Laat mij er direct bijvoegen, dat zij dan weten, dat heel Rhodesia, beneden de Zambesie-rivier, niets anders dan één groote, woeste vlakte is, bewoond voor het overgroote deel door inboorlingen, en dat het als het ware wacht op energieke blanken, om het tot ontginning te brengen.

Wij passeerden nu weder andere kafferdorpen, zooals men hier alle plaatsen noemt, waar de inboorlingen wat meer opeengehoopt wonen, en konden hun oorspronkelijke nijverheidsproducten bewonderen en koopen. In een dorp werden werkelijk goed gesneden, houten figuren aangeboden, die alle wilde beesten voorstelden. Giraffes, leeuwen, olifanten, aardvarkens—deze laatsten vooral waren uitstekend nagebootst en voor six pence te koop. Alles kostte eigenlijk six pence, dat is waarschijnlijk het eenige geldstuk dat zij kennen. Zij hadden ook menschen gemaakt. Mannen en vrouwen, allen naar eenzelfde model. Wat opvallend was, was het model, dat zij zich [144]gekozen hadden. Niet zichzelf of gewone toeristen hadden zij nagebootst, maar alle manpoppen waren zendelingen in lange, zwarte soepjassen, witte beffen en uitgestreken gezichten, (met alle respect voor het misschien nuttige werk wat deze mannen daar hopelijk verrichten), en alle vrouwpoppen waren nonnen of zusters, die met de zendelingen daar werkzaam zijn, om van deze natuurmenschen Christenen te maken. Niets was aan deze poppen vergeten; wij moesten de opmerkingsgave, zoowel als de gave, om het geziene weer te geven, bewonderen.

Als men bedenkt, dat in heel het groote, uitgestrekte land Rhodesia thans slechts 17.000 blanken en meer dan 300.000 inboorlingen wonen, die tot verschillende stammen behooren, en allen nog onder hun eigen opperhoofd staan, dan begrijpt men, dat deze menschen, als zij zich hun macht bewust en niet zoo goedaardig van karakter waren, die weinige witmenschen niet zoo onderdanig zouden dienen. Nu maakt men mijnwerkers, huisbedienden, winkelknechten, etc. van hen en betaalt hen bijna niet, want, zoo heet de verontschuldiging, die menschen kennen geen behoeften en door ze meer te geven, zou men ze maar bederven.

Toen wij weder wat dichter de bewoonde wereld naderden, verloren de inboorlingen, die wij aan de stations zagen, voor ons alle bekoring. Zij waren nu weder, zoo te zeggen, gekleed, en “a dressed native is not nice”, zooals Mrs. Catt, daarbij de neus optrekkend, opmerkte. Onze mooie, slanke, naakte mannen en vrouwen, met hun glad gepolijste, ebbenhouten huid, alleen met koraalsnoeren gekleed, waren oneindig interessanter.

Ten langen laatste, na drie, bijna niet door te komen, nachten, en drie en een halven dag arriveerden wij in Pretoria, vier dagen vroeger dan men ons er verwacht had. [145]

[Inhoud]
Ornament

In Pretoria.

Nu moet ik beginnen met een bekentenis. Niettegenstaande al onze voorzorgen om niet ziek te worden, door al het water door ons gebruikt eerst zelf te koken, zelfs het water, dat wij ’s morgens gebruikten voor tanden en mond, nooit ongekookte melk te gebruiken en van de maaltijden alleen dat te nemen, wat wij als volkomen onschuldig beschouwden, was ik toch de eerste, die door een koortsbaccil geïnfecteerd werd en had ik den laatsten dag in Victoria Falls een vrij hevigen koortsaanval te doorstaan, gepaard met maag- en ingewandlijden. Het idée om in Zambesie ziek te liggen, waar alle comfort ontbrak en waar geen dokter te krijgen was, benauwde mij zoozeer, dat wij gebruik maakten van den eersten trein den besten, dat was die, welke den volgenden morgen van mijn ziek-zijn vertrok, om regelrecht door naar Pretoria te reizen. De zorg van de beambten van den trein en van den restauratiewagen gedurende deze reis kan ik slechts roemen, zij deden alles om de reis zoo min mogelijk vermoeiend voor mij te maken.

Wij kwamen nu bijna een week vroeger in Pretoria aan dan men ons daar verwacht had. Dit gaf mij gelegenheid om rustig uit te zieken, mijn medereizigsters om van de vermoeienissen en schrik, die zij door mijn plotseling ziek worden gehad hebben, te bekomen, maar het bracht onze goede gastvrouwen in Pretoria een beetje in de war met haar program. Zij hadden zich voorgenomen om ons aan het station te komen begroeten, de beide dochtertjes van Lady van Boeschoten, de vrouw van den burgemeester van Pretoria, zouden ons [146]daar bouquetten aangeboden hebben, een toespraak en zang van een koor jonge meisjes zouden wij in ontvangst hebben te nemen en dien dag zouden wij de gast geweest zijn van den heer en mevrouw burgemeester van de stad.

Door de goede zorgen van dr. Mary Hannan en een verpleegster, in een luchtige, rustige kamer van ’t Grand Hotel en door den goeden ziekenkost, die mij eenige keeren daags door onze vroegere stadgenoote, en mijne oude vriendin, mevrouw Bal van Lier, gezonden werd, kon ik den 6en dag reeds weder het bed verlaten en den volgenden morgen voor een deel aan den lunch deelnemen, die ons in het Grand Hotel door een veertig dames van Pretoria, waaronder alle vrouwen van de verschillende ministers en lady Methuen, de vrouw van den oppersten militairen autoriteit, werd aangeboden.

Maar ik zal over het program, ’t welk wij gedurende ons verblijf in Pretoria uit te voeren hadden, nog niet beginnen, doch eerst wat van Pretoria zelf schrijven. Pretoria is de hoofdstad van Transvaal en de stad waar na de totstandkoming van de Unie van Zuid-Afrika, de regeering zetelt. Wel houdt het parlement zijn zittingen in Kaapstad, maar de premier, de gouverneur en alle ministers wonen in Pretoria, daar worden de audiënties gehouden en het werk verricht. Nu was Pretoria oorspronkelijk een kleine stad, gebouwd in een dal, aan alle kanten door heuvels en verder door vrij hooge bergen omgeven, doch de stad breidt zich thans met groote snelheid naar buiten uit en is bezig ver over de heuvelketen zijn straten te verlengen. Een geregelde verbinding met zeer goede electrische trammen maakt het doenlijk vrij ver buiten het centrum te gaan wonen. Midden in de stad heeft men door het sloopen van eenige huizen en—o gruwel—, ook door het sloopen van een Hollandsche kerk, een flinke ruimte verkregen, die men bezig is tot een plein met een park te vervormen en waaromheen reeds nu eenige zeer fraaie monumentale gebouwen gebouwd zijn. Vooral het Paleis van Justitie, vlak tegenover het Grand Hotel gelegen, munt uit in eenvoud van vorm en mooie lijnen. Ook het Gouvernementsgebouw is een sieraad voor dit plein.

De stad schijnt een bijzondere aantrekkelijkheid te bezitten, die voor ons, tijdelijke bezoekers, nog niet te verklaren is; elkeen, die wij hier ontmoeten, onverschillig of zij in Pretoria [147]geboren zijn en de stad reeds van hare opkomst kennen, of dat zij hier nog slechts kort of zeer lang wonen, zeggen hetzelfde, dat zij Pretoria lief hebben en er niet aan zouden denken, de stad anders dan nood gedrongen te verlaten. Toch is het leven hier duur; alles in de winkels is veel duurder dan in Kaapstad en in de andere steden, die wij in Zuid-Afrika bezochten, en door de vrouwen wordt hier een vrij groote luxe in kleeding en sieraden ten toon gespreid. Nergens nog zagen wij in Zuid-Afrika zulke up-to-date toiletten en hoeden als hier, terwijl de winkeluitstallingen met vele groote Europeesche steden kunnen wedijveren.

Een van die bijzonderheden, die hier onmiddellijk opvallen is wel, dat de inboorlingen hier met slechts een enkele uitzondering hun oorspronkelijk karakter dragen, dat zij niet, zooals in de Kaapkolonie, zoo’n mengsel opleveren van verschillende rassen en zooveel nuances van wit, geel en zwart vertoonen. Het moet gezegd worden, dat, hoe dieper men in Zuid-Afrika doordringt, des te zuiverder het kleurling-ras zich vertoont. Of dit moet toegeschreven worden aan de hoogere zedelijkheidsopvatting van de boeren, die zich hier het eerst hebben gevestigd, of dat daarvoor dieper oorzaken te vinden zijn, waag ik niet te zeggen. In een native-school, een school voor inboorlingen, die wij hier bezochten, waar de leerlingen intern zijn, troffen wij onder de 160 leerlingen slechts één kleurlinge aan, een dochtertje van een Basuto-moeder en een Hollandschen vader, een kind dat zoo weinig zwart bloed vertoonde, dat zij in het geheel niet zou zijn opgevallen, als zij zich in een Europeesche omgeving bevond. Op die school vonden wij tusschen al die zwartjes twee volkomen Albino-meisjes, kinderen met was-witte huid, geelachtig wit haar en roode oogen. Deze twee zusjes stammen uit een gezin, waarvan alle kinderen even zwart als een kachel zijn. ’t Was een akelig gezicht deze witte was-gezichtjes met de licht-schuwe oogen, onder al die zwartjes aan te treffen.

Nu ik met die school begonnen ben, wil ik er meteen wat meer van vertellen. Het is een school uitsluitend bestemd voor kinderen van inboorlingen. Het begrip “kinderen” moet men echter breed uitmeten, want er zijn leerlingen van negen af tot ver over de twintig. Mannen en ook meisjes, die reeds de twintig jaar ver achter den rug hebben, zaten daar met en [148]naast de heele jonge kinderen in de schoolbanken het a, b, c, te leeren en legden daarbij een ijver aan den dag, alsof zij door haast te maken wilden inhalen wat vroeger aan hen verwaarloosd is. Op deze school, die door de regeering gesubsidieerd wordt, moet toch nog voor elk kind een vrij hoog schoolgeld betaald worden. De hoofdonderwijzer vertelde ons, dat elk kind de school ongeveer twintig pond jaarlijks kost en dat zij daarvan tien pond, dus ƒ 120,00 jaarlijks zelf moeten betalen; dat zij tevens alle boeken en andere leermiddelen zelf moeten aanschaffen, dat is ongeveer twee pond voor elk kind, en dat voor zoover zij intern zijn, en dat zijn verreweg de meesten, zij nog jaarlijks vijftig pond kostgeld hebben op te brengen.

In hoofdzaak zijn de meisjes-leerlingen dochters van de hoofden der inboorlingen, maar de jongens worden gerecruteerd uit alle klassen onder hen. De oudere jongens en mannen komen bijna allen voort uit de armste bevolking, die eerst jaren in de mijnen hebben gewerkt om van het overgespaarde geld hunne opvoeding te kunnen betalen. Hieruit blijkt, hoe bij velen van deze menschen sterk de behoefte gevoeld wordt aan eene hoogere ontwikkeling.

Deze school is niet alleen bestemd om de kinderen te leeren lezen en schrijven en wat meer tot het elementair onderwijs behoort, maar de drie hoogste klassen vormen een opleidingscursus tot onderwijzer en onderwijzeres. Na volbracht examen worden deze jongelieden gebruikt om als onderwijzend personeel dienst te doen op scholen voor hun eigen ras. Ook onder het onderwijzend personeel van deze school waren een paar kleurlingen. Twee uren daags worden door de jongens besteed aan het leeren van alles wat tot het timmer- en cartonnagevak behoort, terwijl in die uren aan de meisjes handwerk- en huishoudonderricht gegeven wordt. De meisjes leeren er zeer goed naaien en alle handwerk, dat met de naald moet geschieden, en ontvangen er onderricht van het begin tot het einde in goed wasschen en strijken, zij leeren er koken en alle andere huishoudelijke dingen, zelfs leeren zij er debatteeren. Of dit nu juist voor een vrouw zoo noodig is aangeleerd te worden, daarvan ben ik nog niet overtuigd. Voor het debat mogen zij de onderwerpen zelf kiezen en dan wordt er een aangewezen, die het vóór, een ander die het tegen [149]te verdedigen heeft. Een lijstje van de gegevens, die in deze week moeten worden besproken hing aan een van de muren, en wij konden niet laten, daarin even een blik te werpen. Het eerste punt van discussie was: “Waarom is het beter op een stoel te zitten dan maar gewoonweg op den grond te gaan zitten?” Een ander punt was: “Is het beter zijn dag in te richten naar de uren van de klok, of om de zon als dagindeeling te gebruiken?” Dan was er een vraag: “Waarom moeten wij leeren met lepel en vork te eten?” en ’n ander: “Is ’t beter voor den mensch om te werken dan om niets te doen?” Deze zelf gekozen vragen geven een goed inzicht wat in de hoofden van die leergierige zwarte jeugd omgaat.

Wij moesten natuurlijk in Pretoria ook de diamantmijn zien, de mijn die de Cullinan-diamant heeft voortgebracht. Deze mijn is van veel jonger datum dan die in Kimberley en daardoor zijn de machines die er gebruikt worden en is de geheele inrichting veel meer up-to-date dan in Kimberley. Ook de inrichting, waar de zwarte mijnwerkers binnen gehouden worden, de native-compound, zoodat zij, zoolang hun contract bindend is, de mijnen niet kunnen verlaten, is nog beter en nog doeltreffender ingericht dan die in Kimberley.

Een van de bijzonderheden, die in Pretoria bezichtigd moeten worden, is zeer zeker de woning waarin president Kruger gewoond heeft. Dit huis wordt geheel in denzelfden toestand gehouden als toen het nog door den gestorven president gebruikt werd. Een van de kamers is geheel ingericht in aandenken aan zijn sterven. Alle kransen, hem toen vereerd, hangen in gedroogden toestand daar aan de wanden en het opmerkelijkst in die kamer is de schilderij, Kruger voorstellende als hij ten hemel vaart, toegewuifd door zijne landgenooten en vereerders. Voor ons, nuchtere beschouwers en onwillekeurige critici, maakte het een vreemden indruk, dat het bovengedeelte van het lichaam, dat uit de wolken zichtbaar is, Kruger voorstelt in gekleeden jas. Maar wij mogen in deze woning niet critiseeren, want alles getuigt er van eene oprechte liefde en piëteit voor den dierbaren afgestorvene, die door vele zijner landgenooten zoo hoog geacht en innig geliefd was.

Nu ik over president Kruger schrijf, wil ik een enkel woord wijden aan den oud-president Burgers, den man, die vóór Kruger aan het hoofd stond van Transvaal en die het tegen [150]Kruger moest afleggen, omdat zijn veel moderner opvattingen van het leven in dien tijd voor de Boeren van Transvaal veel te vooruitstrevend waren. Was die man toen aan het hoofd gebleven, dan zou voorzeker veel anders gegaan zijn in Transvaal dan het nu gegaan is. Burgers was een man, die naar Europeesche begrippen op de hoogte van zijn tijd stond, doch hij werd door zijne achterlijke landgenooten toen niet begrepen. Nu hij dood is, en alles onder andere leiding gekomen is, worden vele van zijne denkbeelden uitgevoerd en zijn lieve, oude weduwe en vele in Pretoria wonende kinderen hebben nu ten minste het voorrecht te zien en te hooren, dat men thans begint in te zien, wat het land in dien edelen man verloren heeft. Het is geen wonder, dat wij in dat gezin de meest vooruitstrevende personen van Pretoria aantreffen. Voor zoover ik de geschiedenis van Zuid-Afrika gevolgd heb, heb ik altijd met de grootste sympathie aan dien edelen, flinken president Burgers gedacht en daarom voel ik mij gedrongen, nu ik in Transvaal ben, deze paar woorden aan hem te wijden.

De dierentuin met het daaraan verbonden museum in Pretoria is ongetwijfeld de beste, die wij in Zuid-Afrika hebben gezien. Wil men goed op de hoogte komen van alle soorten dieren, die in Zuid-Afrika in wilden staat leven, dan mag men een bezoek aan dien tuin niet achterwege laten. Hadden wij in Rhodesia geen leeuw gezien, hier zagen wij eenige zeer mooie soorten. Het verschil bestond alleen daarin, dat zij nu netjes in een hok zich vertoonden; maar wij vonden het toch achteraf wel zoo veilig een leeuw in een hok dan in de Rhodesische bosschen te ontmoeten.

Behalve de afdeeling van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, die in Pretoria bestaat, zijn er nog tal van andere vrouwen-vereenigingen, die echter meest alle het een of ander philantropisch werk verrichten en die zich ook hier somtijds verdeelen in twee groepen, waarvan een alles doet gedreven door een christelijk, de ander door een menschelijk gevoel. Zoo zijn hier dan ook twee tehuizen voor ongehuwde moeders en hare kinderen, doch in beide tehuizen worden alleen de blanke ongehuwde moeders opgenomen. Voor de zwarte zusjes wordt nog in het geheel niet gezorgd; het zal nog een heel langen tijd duren voordat de Zuid-Afrikaansche bevolking zal [151]inzien, dat de zwarte menschen eveneens onze broeders en zusters zijn, die echter nog op een lager trap van ontwikkeling staan en daarom juist onze hulp en steun in de eerste plaats noodig hebben. Over het algemeen beschouwt men de zwarten nog als slaven, die voor een heel klein loon al het vuile en al het zware werk moeten verrichten. Men behandelt hen met geringschatting, ja, in vele gevallen met de grootste minachting. Ik heb hierover reeds in vroegere brieven geschreven, maar onwillekeurig kom ik er op terug, omdat het mij telkens weder opnieuw treft en ik een groote sympathie voor dat zachte, goedaardige volk niet kan onderdrukken en het mij hindert, dat door eene verkeerde behandeling van de zich boven hen voelenden, dit volk misschien geheel bedorven en zijn karakter misschien geheel verwrongen zal worden. Ik hoop, dat die menschen bijtijds zullen leeren inzien, waarop zij als mensch recht hebben en dat zij alleen voor eene goede menschelijke behandeling hunne arbeidskrachten in dienst willen stellen van hunne blanke medemenschen, die lang niet altijd in ontwikkeling en natuurlijke beschaving boven hen staan.

II.

In korte trekken zal ik nu eerst vertellen wat wij in Pretoria verricht hebben, hoe wij er ontvangen werden en hoe het werk door ons gedaan er op prijs gesteld werd.

De dag, waarop ik voor het eerst een half uur aan den ons aangeboden lunch in het hotel kon deelnemen, was ook bestemd om de eerste openbare vergadering te houden, waar mrs. Catt en ik zouden spreken. Het spreekt van zelf, dat ik dien avond nog niet het hotel kon verlaten en nog veel minder een uur kon staan en een toespraak houden. Mrs. Catt moest dus alleen gaan, en werd geassisteerd door een der hier wonende Engelsche dames, Mrs. Bigger. De burgemeester van Pretoria—Van Boeschoten—had voor dien avond bereidwillig het presidium aanvaard en de stadsgehoorzaal ter beschikking gesteld. Om het vele Hollandsch sprekende publiek, dat opgekomen was om mij te hooren, tevreden te stellen, annonceerde de president bij den aanvang van den avond onmiddellijk, dat ik wegens ziekte verhinderd was dien avond te komen, doch mij bereid had verklaard na mijn herstel [152]een avond alleen voor de Hollandsch sprekende bevolking te zullen spreken. Dit maakt dan nu, dat ik niet met mrs. Catt tegelijk naar Johannesburg kan vertrekken, doch aan mijne belofte getrouw, 2 October eerst de Afrikaanders voor het kiesrecht moet winnen. Dat mrs. Catt met haar voordracht weder succes had en velen warm maakte voor deze groote hervorming, spreekt natuurlijk van zelf.

Dinsdag waren wij voor een diner de gasten van mevrouw Louis Botha, waar wij weder bijna alle vrouwen van de andere ministers en eenige voorname dames van Pretoria ontmoetten. Laat mij er direct aan toevoegen, dat op alle diners, luncheons en tea’s, stilzwijgend op mrs. Catt en mij de verplichting rust, dat wij een toespraak moeten houden en dikwijls waren na afloop van zoo’n eetpartij nog andere gasten genoodigd, om naar onze toespraken te luisteren. Achtereenvolgens gaven alle ministersvrouwen een dergelijke gelegenheid om ons te fuiven, of te wel om de vrienden en vriendinnen uit te noodigen “to meet mrs. Catt and dr. Aletta Jacobs”. Woensdag was voor mij zelfs een zeer vermoeiende dag; eerst hadden wij bij mevrouw Hull, de vrouw van den minister van Financiën, een lunch gehad en vandaar werd ik om half vier in eene vergadering verwacht van de Zuid-Afrikaansche Vrouwen Federatie, eene vereeniging, die hare takken heeft over geheel Transvaal en die uitsluitend uit Afrikaander vrouwen bestaat. Met enkele uitzonderingen zijn dit allen conservatieve, godsdienstige vrouwen, die allerlei soort philantropisch werk verrichten en, hoewel zij beweren de politiek geheel buiten de Federatie te houden, toch bij de verkiezingen de candidaten van de Afrikaanderpartij op allerlei gebied zeer sterk helpen en in hunne statuten onder het hoofdstuk “doel van de Federatie” dit stuk politieken arbeid zelfs hebben voorgeschreven. In de vergadering van deze vereeniging mag alleen “de taal” of Hollandsch gesproken worden. Om die reden was ik er alleen genoodigd te spreken en mrs. Catt niet. De presidente, mevrouw Faure, die niet alleen presidente van de afdeeling Pretoria, maar ook van de Nationale Federatie is, en die zeer sterk voor het vrouwenkiesrecht gevoelt, had mij uitgenoodigd dien middag te spreken over “vrouwenkiesrecht in verband met het doel der Federatie en met het werk door die vrouwen verricht”. Ik had het succes de aanwezige vrouwen [153]zoo sterk voor dat vraagstuk te interesseeren, dat men mij verzocht op hunne jaarvergadering in Heidelberg te willen komen om daar voor de afgevaardigden van geheel Zuid-Afrika, want ook in de andere Staten van de Unie bestaan zulke bonden, dat onderwerp te behandelen. Op die jaarvergadering zal ik dan eindelijk de vrouwen onder mijn gehoor krijgen, die het eigenlijk in handen hebben om de vrouwen van Zuid-Afrika politiek te ontvoogden; want zoodra deze vrouwenbonden er zich voorspannen en het kiesrecht aanvragen, zullen zij het van deze regeering verkrijgen.

En dat is gemakkelijk te verklaren. De Afrikaanderpartij is in de regeering verre in de meerderheid, doch bij de toenemende immigratie is het te voorzien, dat die meerderheid op den duur zal afnemen. Geeft men nu den vrouwen het kiesrecht, dan verdubbelt de Afrikaanderpartij haar stemmen, terwijl onder de immigranten vele ongehuwd zijn, hunne vrouwen in het moederland achterlaten of soms hun geheele leven als coelibatair in het nieuwe land doorbrengen. Zoolang echter de Afrikaander Vrouwenbond zich niet voor het “kiesrecht aan de vrouw verklaart,” vreezen de mannen, dat zij het stembiljet ongebruikt zullen laten en dat de Britsche vrouwen, die in hoofdzaak de leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht uitmaken, het zullen gaan gebruiken om haar partij te versterken. Van mijn succes in Heidelberg hangt dus veel af en aan alle kanten word ik aangespoord om deze gelegenheid aan te grijpen en te probeeren wat ik bereiken kan.

Dienzelfden avond, dat ik in de Pretoriasche afdeeling van den Vrouwenbond sprak, moest ik nog naar een diner en een nieuwe toespraak houden.

Vrijdagavond boden de Mayor en Mayoress ons een feestavond aan, waar 400 gasten genoodigd waren, en Zondag waren wij de gasten van de Country-club. Zaterdag brachten wij den geheelen dag door op de farm van generaal en mevrouw Smuts, den minister van Binnenlandsche Zaken. Dit interessante echtpaar had ons uitgenoodigd van Zaterdag tot Maandag bij hen te komen, maar daarvoor hadden wij geen tijd.

Wij hadden ook nog een tea-party op het buiten van Semmie Marks, bekend als de rijkste man in Zuid-Afrika, en daar hadden wij gelegenheid te zien wat er met geld en geduld [154]van eene Zuid-Afrikaansche farm te maken is. Dit buiten deed ons in vele opzichten denken aan eene Engelsche buitenplaats, maar alles was er op nog grooter en uitgebreider schaal aangelegd.

Gedurende ons geheele verblijf was de gouvernements-auto met chauffeur geheel te onzen dienst gesteld en elken morgen om 9 uur kwam de chauffeur vragen, waarheen wij dien dag wilden gaan en op welken tijd wij wenschten, dat de auto voorkwam.

Maandagmorgen moest mrs. Catt naar Johannesburg vertrekken, omdat zij daar dien middag een comité-meeting moest bijwonen en bleef mevrouw B. met mij in Pretoria, waar ik dien avond nog moest spreken, en ook mevrouw B. eene korte toespraak zou houden.

Minister Malan, minister van Onderwijs, had voor dien avond het presidium van de vergadering op zich genomen en van de in Pretoria aanwezige ministers waren er vele in de stampvolle zaal aanwezig. Het succes was, dat de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht dien avond vele nieuwe leden verwierf en de voorzitter van dien avond bij zijn woord van dank meende openlijk te moeten verklaren, dat hij veel geleerd had en voortaan als een warme voorstander van een spoedige invoering van vrouwenkiesrecht beschouwd kon worden.

Dinsdagmorgen vertrokken mevrouw B. en ik naar Heidelberg, alwaar ik Woensdagmorgen voor de jaarvergadering van de Zuid-Afrikaander Vrouwen-Federatie moest spreken. Wij hadden nu eens gelegenheid om een van de kleine Zuid-Afrikaansche steden te zien en de toestanden daar te leeren kennen. Heidelberg is een van de mooiste stadjes en zal later zeker een zeer mooi oord worden. Het is in een mooi dal gelegen en door aardige berggroepen omgeven. Het onderscheidt zich gunstig van andere zulke stadjes, doordat er nog al veel boomen geplant zijn. Er zijn ook eenige zeer goed gebouwde en met mooie tuinen omgeven villa’s, maar... het hotelwezen is er nog meer dan primitief. Wij waren er uitgenoodigd bij eene familie te komen logeeren, maar, onbekendheid met den toestand der hotels aldaar had ons doen besluiten die uitnoodiging van de hand te wijzen en liever in het “Grand Hotel” onzen intrek te nemen. Maar o, wat heeft ons dat berouwd. De bedden waren bevolkt, ook zonder dat wij er [155]in lagen en alles was er verder zoo vuil, alsof er in geen eeuw een schoonmaak had plaats gevonden. Wij durfden niets van onze bezittingen hier of daar neerleggen, uit vrees, dat het op de plek zou blijven vastkleven en wij namen ons voor in het hotel eene volledige hongerkuur in toepassing te brengen. Het grappigste was, dat toen wij ons beklag gingen indienen over dezen toestand van zaken bij de vrouw van het hotel, deze ons met een blik van de grootste onverschilligheid opnam en antwoordde: “Voor gij Zuid-Afrika verlaten gaat, zult gij nog wel meer van die beestjes ontmoeten.” Gelukkig is het warm in Zuid-Afrika en kan men zich een nacht behelpen ook zonder veel peluwen en dekens. Zoo goed als het kon richtten wij ons in voor dien nacht en bereidden ons op niet-slapen voor. Dat mijne metgezellin nu en dan eens even insliep, moest zij betalen met aan hals, armen en gezicht onmiskenbare teekenen te vertoonen, dat zij in nauwe aanraking is geweest met dat zekere soort van platte beestjes, die men bij ons in een “Grand Hotel” niet verwacht en ook zelden aantreft.

Woensdagmorgen werd de jaarvergadering van de Vrouwen-Federatie door ds. Louw met een gebed, het voorlezen van een stuk uit den Bijbel, het houden van een korte toespraak en het zingen van een psalm geopend, waardoor de aanwezigen in de stemming kwamen, die zij voor haar werk meenden noodig te hebben. Er waren ongeveer 40 afgevaardigden uit de verschillende afdeelingen tegenwoordig en verder een vrij groot aantal belangstellenden, waaronder een achttal predikanten en eenige onderwijzers.

Nadat alle gewone punten van de agenda,—openingswoord van de presidente, voorlezen der notulen, verslag van secretaresse en penningmeesteresse, etc.—waren afgehandeld, kreeg ik het eerst het woord voor mijne aangekondigde rede. Ik kon de aanwezigen wijzen op het werk van vrouwen uit andere landen, die voor hetzelfde doel werken als waartoe zij zich geroepen voelen en op het feit, dat al die vrouwen geëindigd zijn met in te zien, dat zij met het kiesbiljet honderdmaal vlugger en duizendmaal beter het werk kunnen volbrengen dan zonder dit. Ik wees hen op de nieuwe plichten der hedendaagsche vrouwen en vertelde hen, dat hunne grootmoeders en overgrootmoeders misschien de eerste vrouwen in de [156]wereld zijn geweest, die bij de regeering hebben aangedrongen om kiesrecht. Het waren de vrouwen van de voortrekkers, die in 1843 reeds eene deputatie zonden naar de Engelsche vertegenwoordiger in Natal, om het recht voor de Zuid-Afrikaansche vrouwen op te eischen een stem te hebben in alle zaken, die de welvaart en het welzijn van het Zuid-Afrikaansche volk betroffen. Deze laatste wijsheid had ik opgedaan van den premier Botha.

Mijne woorden werden met groote instemming van al de aanwezige heeren en vele der aanwezige vrouwen aangehoord en luide toegejuicht, maar onmiddellijk nadat ik geëindigd had, stond mevrouw De la Rey, vrouw van den generaal De la Rey, op om te zeggen, dat ook zij met belangstelling en voor een groot deel met instemming mijne woorden had aangehoord, dat ook zij meende, dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen eenmaal door den Heer geroepen zullen worden voor dat grooter werk, die breedere taak waarop ik hen gewezen had, maar dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen hebben te wachten, totdat de Heer haar roept. Tot dusver had zij die roepstem nog niet vernomen en meende daarom die taak nog niet te mogen op zich nemen. Door haar man te steunen in moeilijke tijden had zij steeds zeer veel bereikt en zij meende, dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen eerst moesten probeeren hoever zij het door het bewandelen van den weg, door God haar gewezen, in Zuid-Afrika konden brengen. Zij vond gelukkig niet veel instemming.

Na haar nam mevrouw Brandt, de vrouw van den bekenden predikant uit Johannesburg, het woord en zeide, dat zij met groote instemming mijne woorden had aangehoord, alleen op één punt niet zoover wilde gaan als ik. Ik had aangeraden, dat de Vrouwen-Federatie zich zou uitspreken vóór vrouwenkiesrecht en zelfstandig een adres aan de regeering zou zenden, waarin zij op een spoedige invoering er van zou aandringen. Mevrouw Brandt was van oordeel, dat daarmede voor vrouwenkiesrecht zeer veel gewonnen, maar de Zuid-Afrikaansche Vrouwen-Federatie daardoor in stukken gescheurd zou worden. De vrouwen op de afgelegen farms wisten nog te weinig van deze zaak en zouden hoogstwaarschijnlijk afgeschrikt worden door zulk een maatregel. Zij raadde liever de afgevaardigden aan, mij uit te noodigen in hunne afdeelingen [157]het vrouwenkiesrechtvraagstuk te komen bespreken, daarmede zou zeer zeker veel gewonnen kunnen worden. Daarop volgden onmiddellijk vele uitnoodigingen, maar daar de meesten een dag of meer reizen vereischen om er te komen, kon ik die uitnoodigingen niet alle aanvaarden. Wij moeten den 23en October in Durban scheep gaan, en wanneer ik die uitnoodigingen zou hebben aanvaard, zou ik misschien nog een maand langer hier moeten blijven. Alleen de uitnoodiging van Germiston en Potchefstroom heb ik aangenomen, indien het ten minste den afgevaardigden van daar gelukt, in den loop der volgende week een vergadering bijeen te roepen.

Des middags namen wij den terugtocht aan, omdat ik dien avond in Johannesburg nog moest spreken. Eerst om half zeven arriveerden wij in Johannesburg zoo dood vermoeid na een slapeloozen nacht en een dag van groote beslommeringen, dat het mij onmogelijk was mijn plicht aldaar voor dien avond te vervullen. Ik moest dus mrs. Catt verzoeken alleen het woord te voeren en mij te verontschuldigen. Ik was voor niets anders in staat dan een frisch bad te nemen en naar bed te gaan. [158]

[Inhoud]
Ornament

Johannesburg.

Johannesburg zal wel worden het centrum en de hoofdstad van Zuid-Afrika. Het begint reeds op een wereldstad te gelijken. Zoo zou ik het niet aan de Johannesburgers durven zeggen, want die zijn vast overtuigd, dat hun stad reeds een wereldstad is. Zoo ver is de ontwikkeling van de stad echter nog niet gevorderd, maar het gaat er met rassche schreden heen. Er zijn reeds hotels, die met de beste Europeesche hotels kunnen wedijveren, drie à vier theaters en eenige music-halls bieden ’s avonds de noodige verstrooiing aan, al is het kunstgenot dat men er zou moeten smaken dan ook nog van zeer inférieur gehalte. Overal standplaatsen voor motorcars en huurrijtuigen, een geregelde en van goede wagens voorziene electrische tramdienst, breede, goed geasphalteerde straten met groote, mooie winkels, een zeer woelig, druk verkeer in de stad en de mooie buitenwijken, groote kantoren en officieele gebouwen, dat alles geeft inderdaad reeds een grootsteedschen indruk. Deze indruk wordt nog versterkt door het gezicht van zoovele hooge, rookende schoorsteenen buiten de stad, die bijna alle aanduiden, dat daar het goud aan den grond wordt onttrokken, of het zijn eenvoudig fabrieksschoorsteenen.

Cosmopolitisch is Johannesburg meer dan eenige andere stad in Zuid-Afrika. Het Hollandsch-sprekend publiek wordt er bijna niet aangetroffen, want de betrekkelijk weinige Hollanders, ongeveer een 300, die er wonen en de Afrikaanders, die er zich gevestigd hebben, beijveren zich allen om toch vooral Engelsch te spreken. De Duitschers, Franschen, Belgen, Italianen, [159]Arabieren, etc. die er aangetroffen worden, spreken onder elkaar ten minste nog hunne moedertaal, maar overigens is de taal, die hier gesproken wordt, bijna uitsluitend Engelsch. In Johannesburg zetelt ook de zeer sterke Unionistische politieke partij, de partij der Britten en Uitlanders, die zeer sterk tegen deze nationalistische of Afrikaander regeering gekant is. Wanneer men zich hier in een gezelschap bevindt, hetzij van mannen of van vrouwen of gemengd, men kan zeker zijn, dat het gesprek onmiddellijk een politieke kleur aanneemt en dat de regeering wordt hard gevallen over alle daden, die het heeft verricht. En het is te voorzien, dat Johannesburg en omstreken steeds sterker Britsch-gezind worden, want alle goudmijnen en alle fabrieken en groote werkplaatsen zijn in handen van Britten en die employeeren bij voorkeur Britsche werkkrachten, voor zoover het werk niet door kleurlingen wordt uitgevoerd.

Eene andere bijzonderheid valt hier nog op te merken, waardoor Johannesburg zich van de meeste andere steden in Zuid-Afrika onderscheidt. Nergens treft men zoovele rijkaards aan, die nu in mooie, smaakvolle paleizen wonen en in de mooiste automobielen door Johannesburg’s straten tuffen, wie het zoo onweerspreekbaar is aan te zien, dat zij niet op zijden kussens in de wieg hebben gelegen en dat de weg tusschen zwoeger en genieter van ’s werelds goede gaven, niet zoo’n heele lange is geweest. Toeval, handigheid, geluk, misschien ook fijn verstand, schijnt hen in korten tijd van het eene uiterste tot het andere te hebben gebracht. Onwillekeurig wekt hier elke millionnair, of die er voor wil doorgaan, de gedachte zoodra men een poosje met hen gesproken heeft “ik zou willen weten hoe ge aan uw geld komt”, of “hoe hebt ge hem dat zoo gauw geleverd?” Slechts weinigen treft men aan, die de weelde met de daarbij behoorende waardigheid weten te dragen.

Ik hoop niet, dat ik hiermede den indruk wek, dat elkeen in Johannesburg een gemakkelijk bestaan lijdt en dat hier over het algemeen veel en gemakkelijk geld verdiend wordt. Niets is minder waar dan dit. De groote massa moet hier zeer hard werken voor een betrekkelijk klein salaris, klein vooral in verhouding tot ’t zeer dure leven. De goudmijnen hebben natuurlijk—en doen het nog—de meeste Europeanen, die [160]hun geluk wilden beproeven, naar Johannesburg gelokt en die velen doen elkander in den strijd om het bestaan eene bittere concurrentie aan. Het schijnt hier volstrekt niet gemakkelijk te zijn eene goede en passende betrekking te krijgen. Toch schijnen de meesten, die hier een tijdje geleefd hebben, het aangenamer te vinden hier gebrek te lijden dan weder naar Europa terug te keeren. Het heerlijke frissche, opwekkende klimaat maakt het waarschijnlijk gemakkelijker hier armoede te lijden dan thuis.

Het klimaat is hier heerlijk, maar wij treffen het nu bijzonder. Johannesburg ligt ongeveer twee duizend meter hoog, de hitte van het klimaat wordt hier meestal door een frissche bries afgekoeld. Maar deze frissche bries brengt eenige zeer groote onaangenaamheden met zich, die wij hier misloopen. Rondom Johannesburg, waar de goudschatten uit den grond worden opgedolven, verheffen zich torenhooge bergen van fijn wit zand, het afval van de steen, die het goud bevatte. Deze zandmassa’s hullen Johannesburg, vooral in het droge seizoen, onophoudelijk in een stofwolk, waardoor niet alleen de huizen en straten bijna niet schoon te houden zijn en de kleeren, die gedragen worden, als zij niet uit waschstof bestaan, voor goed bederven, doch die het ademen bijna onmogelijk maakt en in elk geval op de gezondheid zeer nadeelig inwerkt. Wij kwamen hier juist na het begin van het regenseizoen. Flinke onweers- en regenbuien houden nu de zandmassa’s nat en compact genoeg om niet te verstuiven en houden het overigens zonnige klimaat aangenaam koel. Die regenbuien zijn volstrekt niet onaangenaam, zij komen met groote hevigheid op, maken in korten tijd van de straten meren en houden dan plotseling op om de zon weder gelegenheid te geven hare krachten te beproeven. In een oogenblik zijn dan de straten weder droog en kan men zijn autotocht of wandeling voortzetten.

Met deze goudmijnen rondom Johannesburg is toch niet de omgeving van Johannesburg bedorven. Na Kaapstad, die inderdaad een zeer prachtige omgeving heeft, is Johannesburg in dit opzicht te noemen. Er zijn hier zeer mooie omstreken, en als alles wat meer gevestigd is, als die omstreken niet meer zoo in disorde zijn door de in wording zijnde groote paleizen en heerenwoningen, die er gebouwd [161]worden, dan zal een autotocht in de omstreken van Johannesburg een nog grooter genot opleveren.

Ook hier werden wij weder met groote onderscheiding ontvangen. Niet alleen boden de burgemeester en de burgemeestersvrouw ons den dag na mijne komst een officieele lunch in het Carlton-hotel aan, waar behalve wij vieren, de Amerikaansche en Hollandsche consuls en hunne vrouwen en een honderdtal andere dames en heeren genoodigd waren, maar ook de Amerikaansche Club en de Nederlandsche Vereeniging hadden een avond van ontvangst voorbereid, die inderdaad schitterend was. Op al deze gelegenheden werd weder van ons verwacht, dat wij eene korte rede hielden en bovendien had Mrs. Catt den avond, toen ik van Heidelberg terugkeerde, voor eene zaal, die meer dan duizend menschen bevatte, eene voordracht over Vrouwenkiesrecht te houden. Zij won ook hier aller sympathie en op onzen tocht door Zuid-Afrika heeft zij zich den roem verworven van eene spreekster “bij Gods Genade” te zijn. Een avond nog, toen ik in Germiston voor de Afrikaander vrouwen moest spreken, sprak Mrs. Catt in eene andere voorstad voor een Engelsch publiek.

In de Amerikaansche Club, de Martha Washington Club, die voornamelijk bestaat uit directeuren en hooge ambtenaren van de goudmijnen, had onze ontvangst een zeer huiselijk karakter en werden wij vergast op allerlei American-drinks en Amerikaansche kostjes. In de Nederlandsche Vereeniging, waarvan de sympathieke predikant Brandt de voorzitter is, werd ik ontvangen (Mrs. Catt was dienzelfden avond afgereisd, omdat zij zich verbeeldde de hooge lucht op den duur niet te kunnen verdragen en daarom zoo gauw mogelijk naar Durban wilde afreizen) door een jonge dame, die mij eene zeer fraaie bouquet bloemen met linten in onze nationale kleuren aanbood, namens de Hollandsche vrouwen in Zuid-Afrika en verder door het geheele bestuur, waarvan ds. Brandt toen eene zeer mooie en gevoelige toespraak hield. Er heerschte dien avond eene zeer gezellige geest, eenige landgenooten gaven mooie muzieknummers ten beste en ik sprak over de positie van de hedendaagsche vrouw in Nederland, en overigens had ik de gelegenheid met tal van oude landgenooten de kennismaking te hernieuwen of opnieuw aan te [162]knoopen. De Nederlandsche consul in Johannesburg, de heer Baerveldt, bevindt zich op dit oogenblik in Nederland, maar zijn lieve, ontwikkelde, beschaafde vrouw, en de waarnemende consul, de heer Prior, beijverden zich, om mevrouw B. en mij toch alle gastvrijheid aan te bieden en ons zoo ter zijde te staan als zij aan landgenooten van den consul meenden verschuldigd te zijn. Hoewel mevrouw B. eene Duitsche van geboorte is en de heer Prior een Deen, geven zij zich alle moeite onze taal te leeren en correct te spreken.

Natuurlijk hebben wij hier ook een goudmijn gezien. De directeur geleide ons persoonlijk. Van het begin, dat de steen in de mijn wordt losgehakt en naar boven gevoerd, tot aan het oogenblik, dat de zuivere goudblokken gereed zijn om naar Londen te worden verscheept, hebben wij het geheele proces gezien. Het meest wat mij bij dit alles verbaasde was de minieme hoeveelheid goud, die uit een wagen vol steenen verkregen wordt. Microscopisch klein is het korreltje, soms niets meer dan een stofje, dat in de smeltkroes overblijft; doch al deze stofjes tezamen genomen, vormen toch ongeveer vier goudblokken, elk 50 pond wegende, die in één dag uit een mijn worden opgehaald. Aan een stuk ruwe steen ziet men niets bijzonders, het bloote oog kan met geen mogelijkheid er goud in ontdekken.

De compound, de plaats, waar de kleurling-mijnwerker verplicht is te vertoeven als hij niet werkt, is niet zoo goed en gezellig en gezond ingericht als diezelfde inrichting in de diamantmijnen, en ook het hospitaal was er lang niet zoo frisch. Verbazend groot is het sterftecijfer onder de mijnwerkers en zelfs onder de blanke employé’s van de goudmijnen.

Het is vooral tuberculose, die velen in korte jaren grafwaarts voert. Men stelt het leven van een mijnwerker gemiddeld op 7 jaren, dat wil zeggen, langer dan 7 jaren houdt zoo iemand het niet uit, voordat de tuberculose, vooral longtuberculose, hem reeds ten grave heeft gevoerd.

Treft dit lot een inboorling, een Kaffer, dan wordt die meestal onmiddellijk naar zijn kraal teruggestuurd, waar hij dan de ziekte verder kan verspreiden en een vroegen dood sterven. Van het lot van deze arme menschen trekt niemand zich iets aan. Zoolang zij gezond en sterk zijn, zijn die menschen goedkoope arbeidskrachten; zijn zij ziek, dan hoopt men, dat [163]zij zoo gauw mogelijk dood gaan en niemand meer tot last strekken. Worden de blanke arbeidskrachten der goudmijnen tuberculeus, dan worden zij eerst op kosten der directie naar een der hier bestaande sanatoria gezonden; blijken zij ongeneeslijk, dan worden zij naar hun geboorteland teruggezonden met een kleine lijfrente.

De kaffers worden hier als mijnwerkers aangeworven, zooals men vroeger bij ons de soldaten voor Indië aanwierf. Er zijn mannen, die daarvan een beroep maken en onder allerlei mooie beloften en voorspiegelingen de Kaffers uit hun kralen naar de mijnen lokken. Zoo’n Kaffer moet zich dan voor één jaar verbinden en kan onder geen voorwendsel dat contract verbreken. Men kan gerust zeggen, dat een Kaffer, die een jaar in deze mijnen gewerkt heeft, als hij in dien tijd niet lichamelijk ten gronde is gegaan, dan toch zeer zeker zedelijk totaal bedorven is. De toestanden, die hier op zedelijk gebied heerschen, zijn allerbedroevendst. Het is mij echter onmogelijk daarover in een open schrijven uit te wijden.

Ons langer blijven in Johannesburg bracht ons in de gelegenheid het een en ander te hooren en te zien van het bezoek, dat door de leden van het parlement aan Johannesburg gebracht werd. De groote afstanden in Zuid-Afrika, het dure reizen en nog andere bezwaren zijn oorzaak, dat vele volksvertegenwoordigers, die toch de belangen van het geheele land dienen te behartigen, hun land slechts bij overlevering kennen, en velen onder hen niet verder zijn geweest dan in de staat (nu provincie genoemd), waarin zij wonen, of soms alleen het district kennen wat zij vertegenwoordigen. Daardoor weten de landbouwers en veetelers niets van de belangen der mijnwerkers of van de struisvogelboeren en omgekeerd. De man van het land kent de behoeften en verlangens niet van de stadsbewoners en de vertegenwoordigers der steden kennen de belangen der landelijke bevolking niet. Om aan deze bezwaren tegemoet te komen, heeft de spoorwegmaatschappij voor een week een extra-trein ter beschikking gesteld om de leden van de volksvertegenwoordiging, benevens senatoren en ministers, dit jaar Transvaal te laten bezoeken en wel de daarin voorkomende steden Pretoria, Johannesburg en Potchefstroom. In die steden zijn zij dan de gasten van het gemeentebestuur en de burgemeesters. Voorzoover aan de feestelijkheden, aan [164]dit bezoek verbonden, dames deelnamen, had de burgemeester ook mevrouw B. en mij een uitnoodiging gezonden, waardoor ik in de gelegenheid was met tal van interessante personen kennis te maken. Vooral was het mij aangenaam den heer Schreiner, oudste broeder van Olive Schreiner en vroeger eerste minister van de Kaapkolonie, te ontmoeten. Hij is de echte broeder van zijne wereldberoemde talentvolle zuster; een even groote idealist, feminist en strijder voor de rechten van de kleurlingen.

Aan het feestmaal, dat door den gemeenteraad en eenige invloedrijke en financieel-rijke mannen van Johannesburg aan de gasten werd aangeboden, namen geen vrouwen deel, maar toch werden wij om tien uur, toen het diner was afgeloopen, door de vriendelijkheid van den burgemeester in staat gesteld, de officieele speeches te hooren. Nadat door den burgemeester eerst op den koning en daarna op de Zuid-Afrikaansche regeering was gedronken,—getoast kan ik het niet noemen, want er werd eenvoudig gezegd: “The King” en daarna “South-African government”,—begonnen de speeches. De heer Hofmeyr, burgemeester hield een speech, die vol luimigheden in den aanvang was, aardigheden, die bij ons, stijve Hollanders, misschien een glimlach zou hebben verwekt, doch die de goedlachsche Zuid-Afrikaander in uitbundige hilariteit bracht. Het ernstige gedeelte van de speech, dat een groot effect had en door alle dagbladen sterk op den voorgrond wordt geschoven en met algemeene instemming wordt vermeld, komt daarop neer, “dat de beste volksvertegenwoordiger niet is, de man met het grootste verstand, zelfs niet de man met het beste hart, maar de man met het beste voorstellingsvermogen; hij, die zich geheel verplaatsen kan in de belangen en behoeften van anderen; hij, die zich voorstellen kan, dat er naast de belangen, die hij het best heeft leeren kennen, nog andere landsbelangen bestaan, die evenzeer behartigd dienen te worden”.

Hiermede was bedoeld de groote belangen van de mijndistricten en die van de landbouwdistricten.

Na den burgemeester sprak minister Malan, de minister van Onderwijs. Hij sprak over het groote belang voor Zuid-Afrika, om zoo spoedig mogelijk technische scholen in het leven te roepen. Zoowel gewone ambachtsscholen als een hoogeschool [165]voor de opleiding van ingenieurs, moesten spoedig overal in Zuid-Afrika tot stand worden gebracht. Voor al het technische werk had men nu nog vreemdelingen noodig, of moesten de Zuid-Afrikaansche jonge mannen hun kennis in andere landen opdoen; Zuid-Afrika moet zorgen, dat het spoedig daarin zichzelf kan redden en ambachtslieden en mijningenieurs etc. zoo goed zou kunnen voortbrengen, dat ’t met de beste opleidingsscholen in het buitenland kan concurreeren. Hij vroeg daarvoor de medewerking der volksvertegenwoordigers.

Alle andere speeches hadden verder éénzelfde doel, éénzelfde strekking. Alle kwamen er op neer, dat er verbroedering moet komen tusschen de Britten en Afrikaanders, dat Zuid-Afrika thans aan allen behoort en dat beide partijen moeten medewerken, om de klove te dempen, die hen nog van elkander scheidt.

Men verwacht van zulke gezamenlijke bezoeken aan een of ander deel van het land, die in het vervolg elk jaar zullen plaats vinden, heel veel voor de verbroedering van beide partijen, die nu echter nog als een paar kemphanen tegenover elkander staan.

Met een enkel woord wil ik hier nog even vermelden, dat ook de kleurling-vrouwen zich beginnen te organiseeren en voor hun belangen strijden. Een eerste groote bijeenkomst, onder leiding van mevrouw Amos Burnett, een vrouw van gemengd ras, die een Europeesche opvoeding heeft gehad, had deze week plaats in Potchefstroom, waaraan vrouwen, honderdvijftig in getal, van Zulu’s, Amaxoses, Basuto’s, Pondos, Hottentots en andere rassen, benevens van gemengd ras, deelnamen. Ik kan hiervan niets anders mededeelen, dan wat de dagbladen ervan vermelden, doch alle beschouwen deze samenkomst als een zeer belangrijk teeken. Deze eerste keer werd niet veel anders besproken dan de wijze van organisatie, eenige godsdienstige arbeid, die ter hand zal worden genomen, en de belangen van het kleurling-meisje in huisdienst bij blanken. De Engelsche taal was de officieele congrestaal.

15 October 1911. [166]

[Inhoud]
Ornament

Durban.

Van Johannesburg naar Durban is weder vier-en-twintig uur in den trein. Maar, dat was nu eens een aangename reis. Precies acht uur vertrokken we ’s avonds van Johannesburg en daar er door de duisternis niets was te zien en wij een vermoeienden dag achter den rug hadden, legden wij ons al heel spoedig te slapen. Zoodra het morgenlicht aanbrak, was ik gereed om naar buiten te kijken en dat was de moeite waard. Aan beide zijden van den trein een prachtig landschap, dat onophoudelijk van aanzien wisselde. Wij waren in Natal aangekomen.

Natal was ons steeds als de mooiste Staat, provincie moeten wij nu zeggen, aangeduid. Maar ’t was er ook mooi. ’t Was er als in een mooi deel van Zwitserland, maar wijder, uitgestrekter, grootscher. Dan eens waren wij in een vruchtbare vallei, met overvloed van bloemen van allerlei kleur; bloemen, niet alleen op den grond, maar aan heesters en boomen; bloemen, zooals wij nooit te voren gezien hadden en waarvan niemand der medereizenden ons den naam kon noemen of de familie aangeven. Een oogenblik later was de trein op een bergrug aangekomen en keken wij neder op drie, vierdubbele rijen heuvelruggen, alle met nieuw groen gras begroeid, die door de roodzandige voetpaden en rijwegen er tusschendoor, de goudgele, in vollen bloei staande mimosabosschen, de paarse seringen, een prachtig bont gezicht opleverden. Van ’s morgens zes uur tot dat ’s avonds het nachtelijk duister plotseling het daglicht verving, zat ik uit te kijken, zonder een oogenblik de reis te lang of te vermoeiend te vinden. [167]

Eigenlijk werd ik nog in Pieter Maritzburg verwacht en zou ik daar hebben moeten overblijven, maar ik was te lang in Johannesburg opgehouden en moest nu naar Durban doorsporen, wilde ik daar niet alles verzuimen. Om 8 uur ’s avonds waren wij op de bestemmingsplaats aangeland en zaten weldra in het fraai gelegen en goed ingerichte hotel, waar wij niet alleen Mrs. Catt, maar ook tal van nieuwe vrienden, die wij op onzen tocht door Zuid-Afrika gemaakt hadden, ontmoetten.

Hier zouden wij een van de vruchten plukken, die het allereerste gevolg van onze reis door Zuid-Afrika was. Wij hadden reeds onmiddellijk in Kaapstad opgemerkt, dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen niet goed georganiseerd waren en van een vruchtbaar samenwerken van de vrouwen over het geheele land niets kon terecht komen, zoolang er geen nationaal verband bestond en elke plaats, waar een vrouwenkiesrechtvereeniging gevormd was, op zich zelf streed. Mrs. Catt, want dit was voornamelijk haar werk, drong er vooral op aan om in de week, die wij in Durban waren, aan het eind dus van onze toer, daar een nationale conferentie te houden, waar elke vrouwenkiesrechtvereeniging een of meer afgevaardigden zou zenden, om te trachten eene nationale vereeniging tot stand te brengen. Uit alle plaatsen had men aan ons verzoek voldaan. Kaapstad had drie afgevaardigden gezonden, die vier dagen en vier nachten moesten reizen om deze conferentie bij te wonen. Mevrouw de Villiers en mevrouw Murray van de Afrikaander partij en mevrouw Garret van de Britsche partij, hadden die lange reis van Kaapstad voor dit doel gemaakt. Uit Port Elisabeth, Grahamstown, Kimberley, vanwaar de afstand drie- en viermaal vier-en-twintig uren bedroeg, waren van iedere plaats twee afgevaardigden gekomen, de dichterbij gelegen afdeelingen, doch toch nog van vier-en-twintig uren afstand, hadden zelfs meer vertegenwoordigsters gezonden, allen doordrongen van het groote gewicht om tot samenwerking te geraken. Al die afgevaardigden hadden we natuurlijk in de verschillende steden reeds ontmoet en met velen waren wij goed bevriend. ’t Was dus een aangenaam gezicht, haar allen in ’t Marine-hotel terug te vinden en de laatste week van ons verblijf in Zuid-Afrika met haar door te brengen.

De Durbansche vereeniging voor Vrouwenkiesrecht had [168]meer gewicht gehecht aan de komst van zoovele afgevaardigden uit eigen land, dan aan het feit, dat Mrs. Catt en ik de moeite hadden genomen over te komen en haar tot het laatste toe te helpen. Van daar, dat er meer ruchtbaarheid gegeven was aan de komst dier afgevaardigden en dientengevolge officieele uitnoodigingen en feesten ons niet bereikten, voordat wij reeds een paar dagen in Durban waren. Toen volgden de uitnoodigingen van den burgemeester en officieele en onofficieele personen elkander zoo snel op, dat wij voor velen moesten bedanken omdat er geen tijd voor was.

Maar dat weinige gewicht hechten vooraf aan onze komst, maakte ook, dat er voor Mrs. Catt en mij maar één openbare vergadering belegd was, maar dat men later nog allerlei vergaderingen wilde beleggen om ons weder aan het woord te brengen. Wij meenden evenwel voor Zuid-Afrika onzen plicht gedaan te hebben en de laatste dagen van ons verblijf in Durban te mogen besteden aan de voorbereidselen voor de groote zeereis, die ons wacht en aan het bezichtigen van de mooie stad Durban en hare mooie omgeving.

Voor de lezers, die hierin belangstellen, wil ik eerst even mededeelen, dat de Nationale Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Zuid-Afrika tot stand kwam: de voorloopige constitutie werd samengesteld en een voltallig hoofdbestuur gekozen. Werkt dit bestuur goed, dan zullen de vrouwen van Zuid-Afrika weldra in het genot van hare politieke rechten zijn. De groote afstanden en het dure reizen maken het werk hier wel wat moeilijk, maar de vrouwen beginnen er met een welgezinde pers en een regeering, die het werk der vrouwen voor vrouwenkiesrecht toejuicht en begunstigt, zij hebben dus een veel gemakkelijker taak dan de vrouwen uit de meeste andere landen. Van alle vrouwen die in Durban bijeen waren gekomen, ontvingen Mrs. Catt en ik de ondubbelzinnige bewijzen van waardeering en dankbaarheid, dat wij waren komen helpen en de eerste daad, die het nieuwe bestuur volbracht, was, ons te vragen hen verder van raad en steun te zijn. Mij werd gevraagd of ik, nu ik niet langer kon blijven, misschien een andere van onze spreeksters kon verzoeken over te komen en een van de afgevaardigden, die in Johannesburg aan het hoofd van een private meisjesschool staat, vroeg mij of zij misschien een Hollandsche onderwijzeres kon laten uitkomen [169]op mijne aanwijzing, die tegelijk eene goede spreekster voor vrouwenkiesrechtvergaderingen in Transvaal zou zijn. Men deed natuurlijk ook alle moeite om ons nog langer te houden en ik gaf hen ten slotte de belofte om haar nu en dan voor de Afrikaansche pers propaganda-artikelen te doen toekomen.

Daar Durban bijna geen Hollanders of Hollandsch sprekende bevolking telt, moest ik er natuurlijk in het Engelsch spreken. Ik begon met het verhaaltje van Thugater en knoopte daaraan een korte vrouwenkiesrechtspeech vast. Daarna kreeg Mrs. Catt het woord, die bijna anderhalf uur alle aanwezigen in de goed gevulde, prachtige, stedelijke gehoorzaal geboeid hield. Zij gaf voornamelijk een résumé van ons werk in Zuid-Afrika en de indrukken, die wij hadden opgedaan en knoopte daaraan de vooruitzichten vast voor een spoedige politieke ontvoogding voor de Zuid-Afrikaansche vrouwen. Bloemen en vele openlijke bedankjes hadden wij beiden aan het einde in ontvangst te nemen.

Durban wordt in heel Zuid-Afrika de rozentuin van Zuid-Afrika genoemd. Wij zijn nu wel niet in den rozentijd hier, maar wij zien hier toch ook nu een zoo groote verscheidenheid van in bloei staande boomen en heesters en zoo’n schat van bloemen, dat ik mij best met dien naam kan vereenigen. Nergens ook in Zuid-Afrika kreeg ik zoozeer den indruk in een geciviliseerd tropisch land te zijn als hier. De temperatuur, de tropische boomen en vruchten,—vruchten, waarvan niet alleen ons Europeeërs en Amerikanen den naam en het bestaan onbekend waren, maar zelfs de Kaapsche en andere afgevaardigden hadden die vruchten nooit te voren gezien, omdat zij voor export ongeschikt zijn,—de huizenbouw, de kleederdracht der blanken etc. geven het tropenland aan. De vele kleurlingen, die nu weder geheel andere eigenaardigheden vertoonen met hunne vreemde, hoog opgebouwde coiffures, versierselen door neus en ooren, strootjes in hoofd- en baardharen gevlochten, en vooral de vele mooie Indische vrouwentypen en niet te vergeten—het meest gebruikte vervoermiddel—de rickshaw, verhoogen nog den indruk, dat wij in een tropenland zijn.

In Pretoria en Johannesburg is het niet fashionabel van de weinige daar in gebruik zijnde rikshaws gebruik te maken, [170]maar hier in Durban zet iedere dame of heer zich onbeschroomd, zelfs ’s avonds in het gekleedste avondtoilet, in een rikshaw en laat zich door den allerdwaast opgetuigden kleurling naar de plaats van bestemming brengen.

Waarom die rikshaw-mannen zich zoo raar optuigen, weet ik niet. In het begin kan men niet nalaten, die lui van kop tot teen op te nemen, later went men aan het gezicht en stapt men, zonder verder voor zich zelf opmerkingen te maken, in de eerste de beste rikshaw die zich aanbiedt. Dikwijls hebben die mannen hunne zwarte beenen wit geverfd, alsof zij witte kousen en schoenen aan hebben, dragen zij een soort van gekleurd rokje met roode of groene lange franje, soms hebben zij zich met een vol klatergoud beplakt damescorset getooid en op het hoofd zetten zij de dwaast denkbare dingen. Groote horens zijn zeer gewild en daaromheen allerlei hel gekleurde veeren of vogelpennen, of andere dingen. ’t Is inderdaad niet te beschrijven hoe zot die menschen er uitzien, eenige photographische opnamen kunnen misschien eenigszins den indruk wedergeven, dien zij veroorzaken.

Durban wordt eigenlijk als een zeebadplaats beschouwd, doch wij zijn nu niet in het seizoen. Men zegt, dat het hier nu te heet is, doch wij vinden het lekker, aangenaam warm. Het frissche zeewindje maakt de 87 of 90 graden Fahrenheit in de schaduw heel goed te verdragen, vooral daar men hier niet loopt, doch voor elken kleinen afstand voor “een tikkie” (drie stuivers) in een rikshaw stapt. Hier is een mooi strand, een zeer mooi wandelhoofd, met groote, hooge palmboomen en een zeer lange wandelpier.

Een van de nieuwe middelen van bestaan, die hier een groote toekomst schijnt te hebben, is de walvischvangst. Vier jaren geleden is men daar voor het eerst mede begonnen onder leiding van den Noorschen heer Egeland. Dagelijks worden er gemiddeld tien tot vijftien van die beesten geschoten, zoolang het in het seizoen is en geoorloofd is ze te schieten. De heer Egeland, die ook als Noorsch consul fungeert, had de goedheid ons zelf rond te leiden en ons alles in de fijnste détails uit te leggen. Hoewel nu reeds zooveel mogelijk alles van het beest wordt gebruikt, de olie, de beenderen, het vleesch etc., krijgt men toch het gevoel, dat er nog veel verloren gaat en die dieren later nog wel winstgevender gemaakt kunnen [171]worden. De huid gaat nog verloren; het uitgekookte vleesch wordt nog alleen voor meststof gebruikt, terwijl het een goed en smakelijk voedsel blijkt te zijn; de beenderen worden tot asch gebrand en dan ook tot meststof aangewend, terwijl men vermoedt dat ook die meer nut kunnen doen; een deel der kieuwen, of hoe die dingen mogen heeten, wordt nog alleen voor balein gebruikt, terwijl dat andere gedeelte verloren gaat en zoo meer. Men is echter nog niet ver genoeg gevorderd met deze industrie om het reeds in al zijne finesses te kennen. Toch wordt den aandeelhouders dit jaar 100 pCt. uitgekeerd en vinden 150 blanke, meest Noorsche, en ruim 200 kleurling mannen er een goed middel van bestaan door.

Den dag, die wij er waren, werden vier pas geschoten walvisschen binnengevoerd. De eerste was ruim 20 meter lang, en ongeveer 4 meter hoog. Het was een ellendig gezicht, dat groote dier met een meterlange harpoen dwars door den kop naar binnen gesleept te zien. Het wordt dan onmiddellijk in stukken gesneden en de olie er uitgekookt.

Hier zijn verder vele suikerplantages en enkele theeplantages. Tot eene bijzondere hoogte heeft zich de suikerteelt en theebouw echter niet ontwikkeld. De thee, die hier groeit, heeft geen smaak en geen geur en gaat niet verder dan de grenzen van het land en dan nog maar in de huizen der velen, die Indische of Chineesche thee niet betalen kunnen.

Over twee dagen gaan wij van hier en bijna op het laatste oogenblik werden wij in kennis gesteld met een heel leelijke verandering, die de Union Castle Co. voor onze reis gemaakt heeft. Dat men ons niet eerder met deze wijziging in kennis bracht, vindt een verontschuldiging, dat wij reizende en trekkende waren en de brieven ons niet altijd bereikten. Men zegt ons naar Bulawayo geschreven te hebben, doch daar wij, terugkomende van de Victoria Falls, niet in Bulawayo stopten, is die brief niet in onze handen gekomen. Men heeft eenvoudig voor de Dunvegan Castle, die Maandag zou gaan, de Avondale Castle in de plaats gebracht, een veel kleiner, ongeriefelijker en zeer oud schip. Nu heeft men, om ons tegemoet te komen, de vier dekhutten, elk een geheele hut, voor ons disponibel gesteld, maar de hutten zijn zeer klein en wij zijn geen van allen over deze wijziging te spreken. Er is echter niets aan te doen; eerst over een maand gaat [172]er een andere boot van deze maatschappij en in Juli hebben wij in Londen onze plaatsen reeds genomen, zoodat wij niet met eene andere maatschappij kunnen gaan, zonder onze overtochtskosten te verliezen. Wij maken nu maar geen bezwaren, praten elkaar in, dat het nog wel zal meevallen, dat zoo’n kleine boot toch ook voordeelen heeft en wij hopen allen innig, dat onze voorspellingen zullen uitkomen.

Of mijne eerstvolgende brieven zoo geregeld elke week zullen komen, durf ik niet voorspellen, want wij gaan nu tot 18 November aan boord en ik weet niet, vanwaar ik de volgende brieven kan posten, zoodat zij wekelijks in Holland aankomen. Misschien is er aan de verschillende aanlegplaatsen daartoe gelegenheid.

21 October 1911. [173]

[Inhoud]
Ornament

Aan boord van de Avondale Castle.

24 Oct. 1911. De laatste twee dagen in Durban, waarin zooveel uitstapjes voorgenomen waren en nog aan zooveel afspraken moest worden voldaan, vielen leelijk tegen, omdat wij door hevige onweersbuien, storm en stortregens het hotel niet konden verlaten en gebonden waren in onze kamers te blijven. Een goede gelegenheid om de koffers te pakken en ons voor de langdurige zeereis voor te bereiden.

Toen wij gistermorgen moesten afreizen, was het weder nog niet weer bedaard en de hevige storm, die de zee recht woelig maakte, deed ons een beetje tegen de reis opzien. Maar er viel niet veel aan te doen, de boot zou om twaalf uur vertrekken en wij moesten mede. Wij hadden ons erg bang laten maken voor de Avondale Castle; het was een klein schip, een oud schip, niet zeewaardig schip en nog veel meer en enkele vrienden drongen er zelfs op aan, om ons vertrek uit te stellen, omdat men het gewaagd vond, met zoo’n schip een zoo groote reis te ondernemen. Het kon ons niet erg meer tegenvallen, hoewel de kleinheid van het schip en de nauwe, kleine hutten, ons toch een kleine schok gaven. Niettegenstaande men voor ons de vier beste hutten, en elk een geheele hut, gereserveerd had, moesten wij ons toch eerst aan het gezicht er van gewennen, alvorens wij er mede verzoend raakten. Zeer lastig was het al reeds, dat onze hutkoffers, in alle gewone booten in de hut passende, te groot waren voor deze hutten, zoodat wij onze bagage in onder- of bovenbed moesten opstapelen. Van eenige comfort was ook geen sprake. De Avondale Castle is een vrachtboot, die ook [174]passagiers medeneemt. Het is jammer, dat de Union Castle lijn, als zij zulke booten onverwacht in de plaats van een goede boot stelt, niet de reiskosten er van verlaagt, zoodat de passagiers weten, waarvoor zij al de ongemakken te verduren hebben. Nu verbittert de omwisseling der booten menigeen aan boord en daarvan zal de Duitsch-Oost-Afrikalijn de rijpe vruchten plukken.

Het was te voorzien en iedereen had het ons ook voorspeld, dat wij het op deze geheele reis snikheet op de boot zouden hebben, zoodat wij alleen de dunste zomerkleederen gebruiken konden. Daarom hadden wij alle warme kleederen zorgvuldig weggeborgen. Het onweder, de regen en de storm heeft de temperatuur echter zoo afgekoeld, dat het er meer van heeft, dat wij ons op den weg rond de Noordkaap bevinden, dan in het warme seizoen in den Indischen Oceaan.

Spoedig na de lunch, gistermiddag, vonden al de met zeeziekte geplaagde menschen het raadzaam zich te bed te leggen, want nauwelijks waren wij in zee of de woeste golven deden ons kleine vaartuig op en neer en naar rechts en links slingeren en een enkele keer kwam zelfs een brutale golf ons opperdek geheel besproeien. Toch hielden mrs. Catt en ik het kranig vol in onze dekstoelen en lazen ieder een heel boekdeel uit.

Om eerlijk te zijn, moet ik evenwel bekennen, dat ik het theeuurtje liet passeeren en om 7 uur mijn diner maar boven liet brengen; ik waagde het niet naar de eetsalon te gaan.

Er zijn nog slechts weinige passagiers aan boord, omdat de meesten eerst in Lorenzo Marquez arriveeren, waar wij vanmiddag om vier uur landen. Een vlugvarende boot zou ons er eerder brengen, maar de Avondale Castle kon niet sneller tegen den wind inkomen. We zullen echter tot Woensdagavond in Lorenzo Marquez blijven, lang genoeg om van dit stadje eenige indrukken mede te nemen.

25 Oct. Het was half vier gistermiddag toen wij de Delagoabaai binnenstoomden, maar het werd toch vijf uur, alvorens wij in Lorenzo Marquez aan de aanlegplaats vastgemeerd lagen en ons aan wal konden begeven. Evenals in Europeesche havens bij het binnenkomen der booten steeds tal van stoere kerels staan, die niets anders dan ruwe arbeidskracht—een paar stevige armen en beenen—in ruil voor levensonderhoud hebben aan te bieden, zoo stonden ook hier [175]eenige honderden groote, steviggebouwde Zulumannen gereed om aangemonsterd te worden voor het laden en lossen van het schip. Een klein deel kon maar gebruikt worden; sommigen bleven wachten of er misschien toch nog iets voor hen te verdienen viel, alle anderen dropen teleurgesteld af.

Lorenzo Marquez is een aardig Portugeesch stadje, dat een vroolijker, vriendelijker en meer afgewerkten indruk geeft, dan alle andere steden, die wij in Zuid-Afrika zagen. Het is klein, heeft ongeveer 10.000 inwoners, waarvan zoowat de helft blanken zijn, maar het vertoont eene levendigheid in winkeluitstalling, openlucht-café’s en straatverkeer, dat het den indruk maakt, alsof het minstens tienmaal zooveel grooter bevolking heeft.

Wij gingen eerst de stad doorkruisen, om een algemeenen indruk te krijgen en vanochtend, direct na het ontbijt, gingen wij weer de bijzonderheden zien. Wij begonnen met een tramrit door en rondom het stadje en zagen toen de talrijke mooie villa’s met prachtige tuinen. Daarna begaven wij ons naar den stadstuin, die tegelijkertijd een botanischen tuin is. Daar zagen wij een groote verscheidenheid van voor ons de vreemdste bloemen en planten, allen met de latijnsche namen gemerkt, zoodat wij tenminste de familie konden vaststellen.

Het schilderachtigste en amusantste was de marktplaats. Het was een gedeeltelijk overdekte hal, waar vleesch, visch, groenten, vruchten, bloemen en planten en bovendien alles, wat onze Nieuwmarkt oplevert te koop werd aangeboden. Het waren bijna allen kleurlingen die er kochten en verkochten. Om ongeveer elf uur kwam er plotseling een groote levendigheid op het open gedeelte van de marktplaats, door de aankomst van eenige dozijnen Zuluvrouwen, velen met een kind op den rug gebonden, doch allen voorzien van een groote ijzeren pan vol eten en eenige tinnen borden en een soort van houten lepels, die veel van platte houtjes hadden. Deze vrouwen zetten zich in een ronden kring op hare hurken neder en begonnen den inhoud van den ijzeren pot aan den man te brengen. Het was gekookte rijst of maïspap of vruchtenbrei, dat voor een of twee pennies een bordvol aan de mannen verkocht werd. De moedertjes hadden drukke nering en elken keer als een der mannen zijn bord geledigd had en [176]verzadigd was, werd het bord door het moedertje eerst met haar voorvinger en daarna met haar rooden tong zorgvuldig schoongelikt, alvorens het opnieuw gevuld en het maal te koop aangeboden werd. De volgende kooper liet zich echter door deze wijze van reiniging niet afschrikken en hapte de pap of brei met groote smaak op.

Vroeger dan wij verwacht hadden, verlieten wij hedenmiddag de Delagoabaai weder. De lading was reeds om twee uur gelost en er viel niet veel in te laden, zoodat wij met een bijna geheel leeg schip de reis voorloopig moeten voortzetten. Even vóór den Johannesburgtrein om vier uur binnen kwam, die verscheidene passagiers voor ons medebracht, brak plotseling zulk een hevig onweder los, als wij in ons land zelden bijwonen. Van twee kanten zette het vuur van den hemel ons telkens in een lichtgloed en de daarop volgende donder barstte met zoo’n geweld vlak boven onze hoofden los, dat het ons allen in zenuwachtige spanning hield, en de regenvloed, die met dit onweder vergezeld ging, bracht al de nieuwe passagiers drijfnat aan boord. Niettegenstaande wij vastgemeerd lagen, bracht toch de storm de zee zóó in beweging, dat het schip onophoudelijk heen en weer bewoog. De storm was zóó hevig, dat de kapitein het veiliger vond vooralsnog de haven niet te verlaten, doch wij hoorden, hoe de loods hem wist over te halen toch maar te gaan, omdat het toch minstens twee uren zou duren, alvorens wij de baai uit waren en tegen dien tijd zou het weder reeds lang bedaard zijn.

26 Oct. De storm was echter na twee uur niet bedaard en was na afloop van het diner nog zóó hevig, dat alles, wat niet vastzat, van het dek af vloog, als het niet tijdig door de stewards in veiligheid was gebracht. De golven sloegen onophoudelijk over het schip en het was voor ons, die op het opperdek huisden, onmogelijk van de eetkamer naar onze hutten te komen zonder door een stortzee drijfnat gegooid te worden. Niet alleen de deuren, maar ook de raampjes van onze hutten moesten gesloten blijven, omdat de golven zelfs daardoor naar binnen ploften. Het schip hield zich onder deze omstandigheden, zooals een klein, bijna ongeladen schip zich in zulke omstandigheden gedragen moet, het—om het poëtisch uit te drukken—dobberde op de baren.

Onder onze medepassagiers is er tot dusver slechts één de [177]vermelding waard. Het is een nog betrekkelijk jongmensch, die reeds vijf keer de heele wereld doorreisde, in alle vijf werelddeelen was en die grondig doorzocht. Hij is reizend agent voor eenige groote Engelsche huizen, voor zoover hij met zijn reizen zijn levensonderhoud verdient, maar voor zijn persoonlijk genoegen bestudeert hij verschillende sociale toestanden in de verschillende deelen van de wereld. Het is een genot met dien man te spreken en daar hij aan tafel mijn buurman is, maakt hij elken maaltijd tot een geestelijk genoegen. Hij voorziet Mrs. Catt en mij voor onze verdere reis van de meest waardevolle inlichtingen. Jammer, dat hij ons in Mombasa reeds verlaat, omdat hij van daar per trein naar Nairobi wil, om Centraal Afrika te bestudeeren en dan in Mombasa terugkeert, om van daar naar Britsch-Indië te gaan.

Met vele onzer medereizenden maken wij niet eens kennis, omdat er velen onder zijn, die gerangschikt kunnen worden onder “vlottende bevolking”. Zij komen in de eene haven aan boord en verlaten ons in de volgende weder.

27 Oct. Vanmorgen, om tien uur, kwamen wij voor de baai van Beira aan, doch door den lagen waterstand konden wij de baai niet opvaren. Het anker werd uitgeworpen en daar lagen wij doodkalm te wachten tot de vloed zou opkomen, die ons vergunde verder te gaan. Om ruim vier uur kwam de loods aan boord en bracht ons toen weldra veilig tot dicht voor Beira. Doch het was reeds zeven uur, voor den Portugeeschen dokter en de Portugeesche politie zich overtuigd hadden, dat alles “wel was aan boord” en dat wij geen contrabande binnensmokkelden.

Deze kalme dag gaf al de zeezieken aan boord gelegenheid om te bekomen, en daar wij morgen niet eerder kunnen vertrekken, vóór de vloed ons weder ruim sop geeft, valt er voor hen in elk geval nog op een kalmen dag te rekenen. ’t Is te laat, om vanavond nog aan land te gaan, daarom vermaken wij ons maar met het gezicht op de lichten van Beira, het Portugeesche stadje, dat van verre zoo vlak en onbeduidend lijkt.

Toen zoo even ons orkestje, dat uit vijf personen bestaat, die ook als kellner, schoenpoetser, koperpoetser en meer dienst doen, zijne valsche tonen de lucht inzond, kwamen op die muziek tal van roeibootjes met zwarten bemand, van de [178]landzijde aanroeien, en is nu het schip totaal omsingeld met stil luisterende negers.

28 Oct. Vanochtend gingen wij direct na het ontbijt, met een van de electrische bootjes, die onophoudelijk om het schip ronddolen, naar land om een kijkje in Beira te nemen. De zon stond reeds hoog aan den hemel en ofschoon het op het schip aangenaam frisch was, was het in het stadje toch snikheet. Beira is een heel eigenaardig Portugeesch stadje met nog geen 4000 inwoners, waarvan ongeveer het vierde deel Europeanen zijn. De inboorlingen gaan hier weder geheel naakt, alleen een broekje of, in de meeste gevallen, een sarong, dragende. Het zijn meerendeels groote, mooie, stevig gebouwde mannen; vrouwen zagen wij bijna niet. Al deze zwarten maken een bijzonder goedaardigen indruk en doen al het zware en vuile werk, dat hen door de witmenschen, voor zoo goed als geen betaling wordt opgedragen.

Waar zij die zwarten niet voor durven gebruiken! Wij passeerden hier en daar een kantoor, waarin eenige blanken zaten te schrijven. Boven hunne hoofden hingen een soort van zware gordijnen, die door een daaraan bevestigd touw, dat door een opening in den muur ging, door buitenstaande zwarte mannen heen en weder werd bewogen, zoodat op die wijze de kantoorheeren een koeltje wordt toegewaaid, zonder dat zij de geur, die de zwarte mannen verspreiden, in hun kantoor krijgen.

Beira lijkt in geen enkel opzicht op de kleine of groote steden, die wij in Zuid-Afrika zagen. Het heeft zijn eigen en eigenaardig aspect. De huizen, bijna allen houten gebouwen, zien er met hunne open voorgalerijen min of meer Oostersch uit en de heele stad is langs de wegen en op open plekken ruimschoots beplant met allerlei soort tropische vruchtboomen. Vooral de vruchtdragende cocosnootboomen, die wij hier voor het eerst opmerkten, trokken bijzonder onze aandacht. Verder tal van andere vruchtboomen, waarvan ik te voren het bestaan niet kende en van welks vruchten men eerst aan de smaak moet gewennen, om ze goed te kunnen waardeeren. Vele van de vruchten die wij hier aan den weg vonden, en die bij de maaltijden op het schip op de tafels verschenen, zijn zeer smakelijk, doch zij bezitten geen marktwaarde, omdat zij niet verscheept kunnen worden en niet te bewaren zijn. Zoodra zij rijp zijn, moeten zij genuttigd worden. [179]

De groote eigenaardigheid van Beira is, dat het geene bestrating heeft; alleen een smal trottoir vlak langs de behuizing. Overigens bestaat de grond uit droog, wit zand, waar men tot over de enkels inzakt als men den weg wil oversteken. Het eenige middel van vervoer in de heele stad is een soort trolley, die door inlanders voortbewogen wordt. In elke trolley kan slechts één of twee menschen vervoerd worden. Door de heele stad zijn vierdubbele, smalle rails gelegd, waarover de trolleys gerold worden. Elke Europeaan heeft zijn eigen trolley en een jongen om hem voort te bewegen. Alleen van de hotels kan men soms één of meer dier dingen huren. Wij moesten natuurlijk van dat voor ons nieuwe vervoermiddel gebruik maken, alvorens wij tevreden waren en daarom stapten wij naar het hotel in Beira en verzochten ons voor eenigen tijd zoo’n ding te verhuren. Voor goed geld werd aan ons verzoek voldaan en weldra trollieden wij, twee aan twee, door Beira’s straten. Nadat wij op die wijze het stadje aan alle kanten hadden doorkruist, in eenige winkels waren afgestapt, om wat curiositeiten te zien en te koopen, lieten wij ons naar de haven brengen, waar wij weldra het bootje vonden, dat ons weder veilig naar onze boot terugvoerde.

Om vier uur was de lading binnen, die voor een deel uit rubber en voor een ander deel uit ruwe katoen bestond; dit laatste met de bestemming naar Rotterdam. Om vijf uur stoomden wij weg, nu door mooi weder begunstigd. Het kleine briesje is juist sterk genoeg, om het op het schip aangenaam koel te maken. Van overgroote hitte hebben wij tot dusverre aan boord nog geen last.

29 Oct. Toen ik vanochtend mijn hoofd voor het eerst naar buiten stak, lagen wij tot mijn groote verrassing, midden in zee, zooals het scheen, voor anker. Ik had er niets van gemerkt en door al de daaraan verbonden geluiden heen geslapen. Wij waren voor Chinde aangekomen. Het bootje van de Duitsch-Oost-Afrikalijn (die maatschappij schijnt meester van deze haven te zijn) bracht ons een paar nieuwe passagiers aan boord en kwam de passagiers afhalen, die voor Chinde bestemd zijn. De kapitein van dit scheepje kwam echter de mededeeling doen, dat de vertrekkende passagiers niet voor ’s avonds onze boot konden verlaten, omdat het onmogelijk was Chinde te bereiken, alvorens de vloed weder opgekomen zou zijn. [180]Wij waren nog vijf mijlen van Chinde verwijderd, door den lagen waterstand was het onmogelijk, nader bij dit plaatsje te komen en zelfs het kleine, Duitsche bootje moest blijven liggen tot de vloed hoog genoeg was, om het terugkeeren mogelijk te maken.

Daar lagen wij nu, doodstil, en dat nog wel op een Zondag op een Engelsche boot. Er zijn onder de passagiers echter nog al veel Amerikanen, Belgen, Denen en Noren, zoodat de Zondagsheiliging niet zoo heel strikt wordt genomen. De Engelschen vormen eigenlijk hier een kleine minderheid. Het was toch een volmaakt rustige dag, zooals ik er langen tijd geen doorbracht.

Om acht uur werden eindelijk vanavond de vertrekkende passagiers overgeladen in het Duitsche bootje. Dat gebeurde op een voor mij geheel nieuwe wijze. Bij groepjes van twee en drie werden zij in een groote mand uit onze boot geheschen en in de kleine boot neergelaten. Net hoopjes pakgoed!

30 Oct. Nadat wij de passagiers van Chinde kwijt waren, koos onze boot weder zee en begaven wij ons op weg naar Mozambique. Daar hopen wij morgen aan te komen en aan wal te kunnen gaan. De kapitein kon ons echter daarvan niets verzekeren, hij en de eerste officier, de scheepsdokter en eigenlijk de heele bemanning, doen de reis voor de eerste keer en op al onze vragen, krijgen wij steeds ten antwoord: “Ik kan er U niets van zeggen, ’t is voor ons alles even nieuw als voor U”. Wij zitten nu in afwachting wat de dag van morgen ons voor verrassing zal brengen.

31 Oct. Het was inderdaad eene verrassing, die dezen dag ons bracht. Direct na het ontbijt kregen wij Mozambique in het gezicht, dat daar lag, romantisch mooi onder den strak blauwen hemel en aan het witte strand. Van verre gezien, leek het een stad van kasteelen, allen pas nieuw gebouwd. Maar wij wisten, dat Mozambique, eens de hoofdplaats van Portugeesch Oost-Afrika, meer dan vier eeuwen oud is en dat de meeste groote gebouwen daar reeds eenige eeuwen staan. Eerst passeerden wij het eilandje St. George, met niets dan een bijzonder groote en vreemdgebouwde lichttoren er op. Al de huizen, die er eens gestaan hebben, zijn door de zee weggespoeld. Daarna naderden wij Mozambique, het eeuwenoude stadje, dat gebouwd is op een eiland van koraalrif. Wij wisten [181]niet, wat meer was te bewonderen, het gezicht op de stad, of de prachtige kleurschakeering, die de zee rondom het eiland te zien gaf. De sterk groene en violette kleuren gingen ongemerkt in elkaar over en gaven een kleureffect, dat zelden overtroffen wordt.

Nog vóór het schip voor anker lag, waren wij door talrijke zeil- en roeibootjes omstuwd, die de passagiers aan wal wilden brengen of die vol geladen waren met de mooist gekleurde en zeldzaamste schelpen en stukken rood en wit koraalrif, die de passagiers voor enkele pennies konden koopen. Geheele manden vol werden door velen voor een shilling gekocht. Het was een gejoel en gekibbel daar beneden onder dat zwarte volkje, om het eerst naar boven op het schip te komen, en dit geroezemoes werd nog versterkt door de tallooze kleine zwarte joggies, die soms geheel van de wal kwamen aanzwemmen, om een in het water geworpen penny van den bodem op te rapen. Sommige van deze duikertjes kwamen in een zeer primitief bootje, een uitgehouwen boomstam, aanroeien. Het roeien deden ze met de handen en zoo vlug, dat zij een gewone boot konden bijhouden.

Wij hadden spoedig één van de bootjes aangeklampt om ons aan wal te brengen en ofschoon de zon fel door onze witte blouses brandde, stapten wij toch moedig aan land, om de bijzonderheden van dit stukje wereld in oogenschouw te nemen. Onze Amerikaansche reisgezellinnen gaven het echter spoedig op, tenzij zij een rickshaw konden krijgen. Dit was niet gemakkelijk omdat deze dingen er niet te huren zijn, een witmensch heeft zijn eigen rickshaw en verhuurt die niet. Wij, twee Hollanders, stapten door en nadat wij de stad en daarna de buurt, waar de inlanders wonen, door waren, stonden wij plotseling voor een zeer groot gebouw, uit witte en gele kalksteen opgebouwd, dat rondom door een tuin met groote palmboomen, cocosnootboomen, peperboomen, in vollen bloei, en andere tropische boomen, omgeven is. Het was het gouvernements-ziekenhuis; dat zag er zoo belangwekkend uit, dat wij besloten naar binnen te gaan. Allervriendelijkst werden wij er ontvangen en tot onze verbazing bemerkten wij, dat in dit eeuwenoude gebouw de tijdgeest toch was doorgedrongen en er zijn goeden hygiënischen invloed heeft uitgeoefend. De republikeinsche regeering van Portugal heeft hier de [182]verpleegsters, Fransche nonnen, tot de Franciskanerorde behoorende, nog niet verdreven en door zoogenaamde wereldsche verpleegsters laten vervangen.

Wij ontmoetten in dit gebouw een Engelsch jongmensch, die behalve de moderne talen, ook Portugeesch en drie inlandsche talen sprak. Hij bood aan ons te vergezellen en ons de merkwaardigheden van het stadje te laten zien. Hij had bovendien ook een rickshaw en een paar zwarte bedienden, om ons te trekken.

Gaarne maakten wij van dat vriendelijke aanbod gebruik en de paar zeer aangename uren in zijn gezelschap doorgebracht, hebben hem tot onzen vriend gemaakt.

Wij zullen de vriendschap met hem onderhouden, door hem op zijn verzoek, van tijd tot tijd geïllustreerde tijdschriften toe te zenden, om hem een beetje met de beschaafde wereld in contact te doen blijven.

Het meest interesseerde ons het oude kasteel, dat in het begin der 16e eeuw daar was nedergezet, en waarvan elke steen op de toen primitieve booten van Lissabon moest worden aangevoerd. Op architectonisch gebied moge dit stuk bouwwerk een meesterstuk zijn, de historische herinneringen er aan verbonden, strekken het land echter niet tot eer. Alleen ’t gezicht van de plek, waar de slaven nog niet zoo heel lang geleden verkocht werden, en de ondergrondsche gangen, waar zij, aan ketenen gebonden, wachten moesten tot zij voorgevoerd werden, veroorzaakten bij mij eene huivering op dezen snikheeten morgen. Nu wordt deze plaats gebruikt voor de zoogenaamde misdadigers, allen zwarte, dikwijls jonge mannen, die de wetten overtreden hebben, door ons witmenschen ingesteld, waarvan zij onmogelijk de beteekenis kunnen vatten en de waarde kennen.

Toen wij ’s middags door onzen jongen, sympathieken geleider aan boord teruggebracht waren, was ’t inladen van het schip afgeloopen en kon de reis worden voortgezet. De lading bestond hier in honderden tonnen copra, een stof uit cocosnoot verkregen en voor de bereiding van zeep gebruikt. Verder boonen, waaruit ricinus-olie geperst wordt, die hier aan struiken in het wild groeien, koffieboonen en ruw katoen. Katoenboomen komen hier overal in menigte voor.

Onwillekeurig vraagt men zich af, wanneer men dit smalle [183]streepje grond, dat Portugal hier aan Oost-Afrika’s kust bezit, bekijkt en dat voor Duitschland en Engeland, die er rondom hunne bezittingen hebben, toch begeerenswaard lijkt, “hoe lang zullen deze twee groote mogendheden Portugal nog in het bezit er van laten?” Het antwoord, dat ik op die vraag kreeg, is nog al karakteristiek. Het was een Britsch officier, die het mij gaf: “Zoolang dat plekje grond Portugal nog geld kost, kan het gerust in het bezit er van blijven, zoodra het winstgevend kan gemaakt worden, zullen Engeland en Duitschland over de verdeeling er van wel tot overeenstemming komen.”

Op het oogenblik wordt dat grondgebied door een Engelsche mijncompagnie grondig onderzocht of er iets van waarde uit den grond of van de bergen te halen is. Het komt mij voor, dat het te hopen is, dat er niets gevonden wordt. Het goud en de diamanten, in Zuid-Afrika gevonden, hebben rijkdom, aan enkelen, doch ellende aan onnoemlijk velen gebracht.

1 Nov. Wij zijn nu op weg naar Zanzibar, de meest interessante van alle havenplaatsen, die wij aandoen. Wij hopen er morgen te landen.

De hitte op het schip was vandaag zeer groot. [184]

[Inhoud]
Ornament

In Zanzibar en Mombasa.

Den 2en November arriveerden wij op den vastgestelden tijd in Zanzibar. Reeds om ongeveer twee uur kregen wij de oevers van dit wereldbekende eiland in het gezicht. Hoe dichter wij het naderden, hoe belangrijker het ons geleek. Om ongeveer drie uur kwamen wij zoo dicht langs de oevers, dat wij met het bloote oog de huizen en de verschillende boomen gemakkelijk onderscheiden konden. Het meest belangrijke gebouw met zijne prachtige omgeving was het zomerpaleis van den jongen sultan, dicht aan den oever gelegen. Weldra volgde eene interessante ruïne, van wat eens een kasteel van de favorite van een der oude sultans was. Nog een eindje verder en daar lag het stadje Zanzibar in al zijn schilderachtige schoonheid voor ons. De gewitte en gegeelde huizen gaven het geheel weder een aanzien, alsof alles nieuw was, doch nauwelijks waren wij aan wal, of wij zagen de eerwaardige oudheid van alles. Vlak voor het paleis van den sultan met de twee groote bijgebouwen, waarin de 100 vrouwen van den jongen sultan huizen, wierp onze boot zijn anker neder, en wij vieren waren de eersten die met een van de vele onmiddellijk aan boord komende gidsen, een contract hadden gesloten, en die daarna met hem in eene der roeibootjes aan wal gingen.

Vruchtenmarkt in Zanzibar.

Vruchtenmarkt in Zanzibar.

Het lijkt vreemd, dat men in zoo’n klein plaatsje een gids noodig heeft, en ook wij dachten eerst dat het een overbodige zorg was om een gids te engageeren, maar een medepassagier, die reeds eenige keeren deze reis gedaan heeft, en steeds in Zanzibar was afgestapt, zagen wij hetzelfde doen, waardoor [185]wij van de noodzakelijkheid overtuigd werden. En toen wij eenmaal aan wal stonden, begrepen wij onmiddellijk, dat dit de eenige zekerheid is om weder op het schip terug te komen. In dien doolhof van enge straatjes moet ieder vreemdeling verward raken.

Doch wat een wonderbaar schouwspel levert dit stadje op. Het is gewis de vreemdste plaats die ik ooit in de wereld heb aanschouwd. Orientalischer oord is, dunkt mij, niet denkbaar. Het geheele eilandje is niet grooter dan 14 mijl in omtrek en daarop huizen ongeveer 70.000 inwoners, voor het overgroote deel allen in het stadje opeengehoopt. Van deze 70.000 menschen zijn er slechts 250 Europeanen en Amerikanen, alle anderen zijn Arabieren, Britsch-Indiërs, Turken, Swahili’s, Sinhaleezen en Duitsch West-Afrikaners, de laatsten er als slaven heengevoerd, doch sedert Zanzibar onder Britsche protectie staat en de slavernij langzamerhand wordt afgeschaft, vrij levende en vrij werkende menschen. Al deze menschen leven er naar hunne eigen zeden en gewoonten en dragen geen kleederen, of hun eigen dikwijls zeer vreemd, doch ook dikwijls zeer schilderachtig costuum. Wat een verscheidenheid van Orientalische menschen ziet men soms op een oogenblik in een der nauwe straten bijeen.

Wij waren het er over eens, dat wij de drie uren vóór het diner gebruiken wilden om het stadje in alle hoeken te doorkruisen en een algemeenen indruk op te doen. De gids, een Arabier, die goed Engelsch sprak, moest ons natuurlijk alles verklaren, wat wij tegenkwamen, dat niet voor zich zelf sprak. Wij zagen echter zooveel dat onze grootste verbazing wekte. In dit antieke stadje met straten als nauwe stegen, ontmoetten wij alle denkbare middelen van vervoer. Rijtuigen met paarden of muildieren bespannen, die net tusschen de muren der huizen door kunnen en waarvoor, om ze te laten passeeren, de voetgangers in eene deuropening moeten gaan staan; rickshaws, kameelen, rijwielen, motorrijwielen, automobielen en een tram. En toen het donker begon te worden, zagen wij de straten en menig huis en winkel electrisch verlicht. Maar dat is ook al het moderne wat er te zien is.

Swahili’s uit Zanzibar.

Swahili’s uit Zanzibar.

De hooge, kalksteenen huizen hebben geen van allen vensters, maar hier en daar groote, vierkante openingen met zware, ijzeren tralies, die licht en lucht toegang geven. De deuren [186]der woningen, die bijna steeds open staan, zijn groot, zwaar, met koper beslagen en in vele gevallen prachtig oud-Arabisch gebeeldhouwd. Sommige gevels der huizen zijn met gekleurde tegels ingelegd, wat een mooi bont geheel vormt.

De Sinhaleezen, die uit Ceylon naar hier zijn overgekomen, en de Britsch-Indiërs hebben bijna allen hunne winkels en werkplaatsen binnenhuis, doch met wijd openstaande deuren, zoodat men naar binnen kan gaan, de mooie Japansche ivoorwerken, de Indische borduurselen en andere fraaie kunstwerken kan bewonderen, zonder een kooper te willen zijn. De Arabieren en andere volkeren oefenen hun heele bedrijf op straat uit en daar liggen ook alle te koop aangeboden zaken. En wat daar niet te koop wordt aangeboden! Herhaaldelijk moest de gids ons eene uitlegging geven van hetgeen wij zagen.

In eene nauwe straat, het was de barbiersstraat, zagen wij eene heele rij oude mannen, Arabieren, die elk een geknielden man, een Swahili, voor zich hadden, die zij hoofd en gezicht scheerden. De Swahili’s gaan allen geheel geschoren.

Hoewel in de winkels der Indiërs en Sinhaleezen vele artistiek bewerkte ivoren, zilveren, gouden en zijden artikelen te koop worden aangeboden, staat toch de kunstnijverheid op het eiland op een zeer laag niveau. De bewoners kunnen alleen de primitiefste dingen zelf maken. De kunstwerken worden alle uit Britsch-Indië, Ceylon, Java, China en Japan ingevoerd om aan de vele vreemdelingen verkocht te worden.

De Sinhaleezen zijn rare heeren. Zij zien er heelemaal uit als vrouwen, alleen de snor geeft sommigen iets mannelijks. Hun lang, zwart haar hangt soms in lange krullen over hunne schouders, doch is meestal in een wrong achter op het hoofd saamgebonden en met schildpad haarnaalden en een schildpad kam bijeengehouden. Hunne kleeding bestaat uit een sarong en kabaai, de sarong heeft soms veel van een lange, nauwe rok en de witte kabaai is prachtig geborduurd. Zij hebben ook in stem en gebaren iets onuitstaanbaars sentimenteels.

De Britsch-Indische vrouwtjes zien er snoezig uit. Wij zagen ze om zes uur in groote menigte naar de kerk gaan, allen in dunne, zijden doeken van hoofd tot voeten kunstig gedrapeerd. De verscheidenheid van mooie, zachte kleuren vormde een mooi bont geheel. De Indische vrouwen mogen naar de kerk [187]gaan, alhoewel hun kerk geheel afgescheiden is van die der mannen, en natuurlijk van binnen en buiten lang zoo mooi niet. Dat hebben zij voor bij de meeste andere Oostersche vrouwen. De Mohammedanen, de meeste secten ten minste onder hen, houden niet van biddende vrouwen; zij gelooven niet dat God zich verlaagt om een vrouw aan te hooren, en zij zijn vast overtuigd dat een vrouw nooit in den hemel kan komen. De weinige Mohammedaansche secten die een vrouw toestaan te bidden, laten haar toch niet naar de kerk gaan, en zij zijn vast overtuigd dat als er zoo iets als belooning hiernamaals voor eene goede vrouw bestaat, dan is het ergens in een apart hoekje daar boven, ver gescheiden van den hemel der mannen.

Terwijl wij bovenstaande wijsheid stonden op te doen, trok een voorbijgaande groep van drie personen onze bijzondere aandacht. Het waren twee groote, stevig gebouwde mannen, waartusschen een heel klein ventje liep, niet grooter dan een jongentje van vijf jaar, doch met een omvang van een volwassen man. Het was een allerdwaast, ongeproportionneerde verschijning. Het kereltje met zijne beide trawanten werd door elkeen met eenig ontzag den weg gebaand. Het was de dwerg, de clown van den sultan, die, zooals wij dat nog uit onze kinderverhalen weten, als levensdoel heeft den sultan met zijne grimassen te amuseeren.

De sultan, een jonge man van 27 jaar, is op het oogenblik in Europa. Hij is eigenlijk meestal in Europa, waar hij zich beter schijnt te kunnen amuseeren dan op zijn klein eiland. Hij heeft zijne opvoeding in Engeland gehad en schijnt zich daar goed ontwikkeld en vele moderne begrippen opgedaan te hebben. Als hij op reis gaat, laat hij meestal zijne honderd vrouwen tehuis; hij schijnt zich in Londen en Parijs op moderne wijze te kunnen amuseeren. Zijne twee echte vrouwen zijn Arabieren, de acht en negentig anderen zijn Swahili’s. Nu is het een jongmensch, al is hij ook zelf van moederszijde een Swahili, die eene Engelsche opvoeding genoot en Europeesche vrouwen heeft leeren beminnen, niet kwalijk te nemen, dat hij zijn harem onaangeroerd laat, want tusschen eene Swahilische schoone en een baviaan is net zoo’n groot verschil als tusschen een villa en een buitenverblijf.

Sedert 1840 heeft Engeland hier een consulaat en van dien [188]tijd af is ook langzamerhand de slavenhandel er onderdrukt, die echter eerst twaalf jaren geleden geheel werd afgeschaft, toen Zanzibar geheel onder Engelsch protectoraat kwam. De marktplaats, waar de slaven geveild werden, staat er nog alsof hij morgen weder in gebruik kan worden genomen en onze gids zeide doodkalm, toen wij een groepje West-Afrikaansche vrouwen voor ons zagen loopen, “twaalf jaren geleden hebben elk van die vrouwen twee pond opgebracht.”

Het eiland Zanzibar dankt zijne wereldbekendheid niet aan zijne mooie ligging, zijne schilderachtige schoonheid of zijne interessante bewoners, maar aan het feit, dat dit klein stukje grond voor 90% de heele wereld voorziet van kruidnagelen. Een deel van het eiland is geheel met kruidnagelboomen beplant en deze en de copra zijn de voornaamste artikelen, die van hier over de geheele wereld verzonden worden. Het geheele jaar door geschiedt de uitvoer van kruidnagelen, omdat de boomen terzelfder tijd bloesem, bloem en vrucht opleveren. Elken dag kunnen de rijpe vruchtjes geplukt worden.

Wij spraken met onzen gids, die den romantischen naam Romeo draagt, af, om voor den volgenden morgen een rijtuig voor ons te bestellen, dat ons naar de kruidnagelplantages zou brengen. Om 8 uur liep Romeo den volgenden morgen reeds op het dek van ons schip rond, om ons op te wachten en direct na het ontbijt volgden wij hem naar het aan land gereed staande rijtuig. Eerst gingen wij, zooals wij dat overal deden, waar er gelegenheid toe bestond, naar de marktplaats, om de groenten, vruchten, koopers en verkoopers in oogenschouw te nemen. Het was een kleurige, woelige, druk pratende en nog drukker gesticuleerende menigte, waaronder vrij wat lepralijders en menschen, die met vieze huid- en oogziekten rondwandelden. Wij zagen een school waar de kindertjes Arabisch en Indisch leeren; de leerlingen waren allen kleine jongens; of de meisjes naar afzonderlijke scholen gaan, of niet onderricht worden, hebben wij niet vernomen. Het zou mij niet verwonderen, dat hier nog de leer gehuldigd wordt, dat “een wetend wijf brengt groot gekijf”, en dat met vrouwen te leeren schrijven, de onzedelijkheid in de hand gewerkt wordt. Zij zouden dan maar die kennis gebruiken om den minnaars briefjes te zenden.

Door een mooie allee van manga- en cocosnootboomen, dadel- en [189]banaanpalmen en langs verschillende groepen van woningen, waarin de een of andere Indianenstam zich opeen gehoopt had, kwamen wij in Bububu, de plaats, waar de kruidnagelplantages zijn. Het zijn vrij groote boomen, met bladen, die in vorm, kleur en geur aan laurierbladeren doen denken. Deze mooie, groenbladige boomen, met de roode bloesem, bloem en vrucht, leveren onder dien strakblauwen hemel en met de blauwgroene zee op den achtergrond een schitterend effect. Alleen door de goedkoope arbeidskracht der zwarten kan deze specerij zoo goedkoop aan den man worden gebracht. Mannen, vrouwen en kinderen plukken de vruchtjes, spreiden ze op doeken in de zon uit, om ze te drogen, dan eerst worden zij zwart, en dan zijn zij gereed om verpakt en verscheept te worden. Elk jaar, tusschen Maart en Mei, het regenseizoen, worden nieuwe boompjes geplant, die dan eerst na tien jaar vruchtdragend zijn. Op die wijze wordt gezorgd, dat er steeds nieuwe boompjes in aanplant zijn.

De uitvoer van kruidnagelen, copra en andere artikelen, een beetje tabak, rubber, tropische vruchten en groenten, is blijkbaar belangrijk genoeg, om hier van bijna alle landen een consulaat te vinden, alleen een Nederlandsche consul was er niet te ontdekken, hetgeen mij daarom verwonderde, omdat de invoer van Javaansche producten er nogal belangrijk is.

Kort voordat het schip het anker ging lichten keerden wij van Zanzibar terug. Wij hadden er gaarne nog langer gebleven en zeer zeker zal ik het bezoek aan dit eiland nimmer vergeten. Om Zanzibar alleen is het de moeite waard, de reis naar of van Zuid-Afrika langs de Oostkust te maken.

Om vijf uur ’s middags zette het schip zich in beweging en zonden wij dit eiland onzen laatsten afscheidsgroet. Toen wij den volgenden ochtend onze oogen openden passeerden wij vlak langs de oevers van Mombasa. Zij gaven ons een beteren indruk van wild Afrika dan wij tot dusver gehad hebben. Echte wilde, ongecultiveerde bosschen en vlakten gingen aan onze blikken voorbij.

Ook het eiland Mombasa ligt op een koraalrif, waardoor de groei van vruchten en groenten beperkt is. Het is echter door een spoorweg met het binnenland verbonden, zoodat er veel kan worden aangevoerd. Deze spoorweg, de Uganda-spoorweg, die tot Nairobi doorloopt, geeft Mombasa zijne [190]belangrijkheid. Hierdoor toch staat het met Centraal-Afrika in verbinding en alles wat van daaruit verscheept moet worden, moet vooralsnog zijn weg door Mombasa vinden.

Ook Mombasa is een aardig, oud-Arabisch stadje, al is het dan ook lang zoo schilderachtig niet als Zanzibar. Wij vinden er dezelfde nauwe straatjes, dezelfde soort huizen, dezelfde soort winkels en een ongeveer gelijke markt, maar alles is er kleiner, armoediger en onbelangrijker. Het eenige middel van vervoer is de trolley en de rickshaw. Paarden komen er niet voor. Men zegt, dat paarden er niet kunnen leven, omdat de tetsemug1 er existeert. Er zijn ook slechts heel weinig koeien, weinig ezels (tenminste, die op vier beenen gaan) en eenige muildieren. Van deze laatsten zouden er niet meer dan vijf op het heele eiland zijn.

Door de weinig in Mombasa wonende Europeanen is buiten het stadje, naar den zeekant toe, een aardige streek gebouwd, waar zij wonen en dat in vergelijking met het stadje een gezond oord kan genoemd worden.

De uitvoer van ivoor van hieruit is een zeer belangrijke en voor ⅞ deel gaat dit alles naar Amerika. Heele hoopen olifantstanden, voor een groot deel komende van het oostelijk deel van den Congo, alle met “New-York” gemerkt, vindt men in de havenplaats opgestapeld. Ons schip moest hier een onnoemlijk aantal zakken maïs en ruw katoen en eenige schuiten vol huiden laden.

Mombasa is nog niet opgewassen tegen het drukke verkeer en den drukken uitvoer, die de aanwezigheid van den spoorweg heeft meegebracht. Als er, zooals wij het treffen, eenige schepen tegelijkertijd in de haven liggen, die lading moeten innemen, dan kan Mombasa geen arbeidskrachten genoeg leveren. Het handjevol Swahili’s, die de lading in ons schip moeten brengen, zullen ons lang aan de praat houden. Wisten wij maar vooraf hoe lang wij hier bleven liggen, dan hadden wij met den trein eenige honderden mijlen landwaarts kunnen gaan en zien wat daar te leeren valt. Elk oogenblik kan echter een der andere schepen gereed komen en de arbeidskrachten naar onze boot overgeplaatst worden en dan schieten [191]wij sneller op en zijn tot verder gaan gereed, alvorens wij terug zouden zijn.

Mombasa is rijk voorzien van zendingshuizen. Protestanten en Katholieken kampen hier om den voorrang om deze eenvoudige Mohammedaansche of andere bevolking een ander geloof te geven. Heel Afrika is bezaaid met deze instellingen, die over het algemeen weinig geliefd zijn. Overal hoort men dezelfde appreciatie, dat zij zeer veel kwaad en weinig goed stichten. Het is heel moeilijk uit te maken, waarom het beter is, dat deze eenvoudige menschen den God der Christenen dan hun eigen God aanbidden, en waarom het Protestantsche of Katholieke geloof beter zou zijn dan het Mohammedaansche. Het laatste leeraart tenminste nog geheelonthouding van alcoholische dranken en eenvoud in voeding en levenswijze. Eenige missions hier, in Mombasa, drijven hun opvoedenden en veredelenden invloed tot in ’t potsierlijke. Zij voeden hun volgelingen niet alleen op, om onze zeden—die zoo hoogst beschaafd zijn—en gewoonten over te nemen, maar ook om zich Europeesch te kleeden. Verbeeldt u, hier, in dat woeste, heete klimaat, vlak bij de Equator, waar elke rechtgeaarde Europeaan benijdend neerziet op de doelmatige naaktheid der bruine broeders, en wat graag in dat toilet zou willen verschijnen als onze beschaving ons niet geleerd had dat dit onzedelijk is, hier die eenvoudige menschen te leeren, hun mooie, bruine ruggen te bekleeden en zich des Zondags naar de kerk te begeven, gehoed en gelaarsd, in witte overhemden en blouses, is toch wel het toppunt van stomme kortzichtigheid en blinde ingenomenheid met eigen gebruiken en gewoonten.

Dinsdagmorgen, na drie volle dagen en nachten in Mombasa geankerd gelegen te hebben, gingen wij verder. Den laatsten avond had nog een treurig ongeval op onze boot plaats. De zwarte jongens, met het laden van de vracht belast, hadden reeds 26 uren onophoudelijk—slechts kleine rustpoozen om wat te eten hadden zij gehad—doorgewerkt, toen een vracht met twaalf zakken ruw katoen uit de haak schoot, juist toen het in de lucht en boven het ruim zweefde. Twee van de daaronder werkende mannen werden er als het ware onder verpletterd. De een liep belangrijke kneuzingen op en de ander werd zieltogende naar boven gebracht. Een oogenblik werd er gevreesd, dat nu alle anderen het werk zouden neerleggen en [192]weigeren door te gaan, maar dat gebeurde niet. Na een oogenblik wachten gingen allen onder diepe stilte weder aan het werk.

Wij hebben nu een langen tijd voor ons alvorens wij weder land zullen zien. Eerst na zes dagen komen wij in Aden, de eerstvolgende aanlegplaats. Wij zullen ons in Aden slechts zeer kort ophouden, misschien niet lang genoeg om er iets van te zien, maar wel lang genoeg om dezen brief aldaar te posten, die dan met een mailboot verder gaat en Port Said en daardoor Holland eenige dagen eerder dan met onze boot bereikt.

9 Nov. 1911. [193]


1 De tetsemug wordt verondersteld de paarden te dooden en bij menschen de slaapziekte te veroorzaken.

[Inhoud]
Ornament

Tusschen Mombasa en Port Saïd.

Het waren zes lange dagen tusschen Mombasa en Aden, die weinig afwisseling boden. Er was niets te zien, niets te bewonderen, niets om je aan te ergeren, niets om je mede bezig te houden. De kleine, witte, vliegende visschen, die nu en dan in groote groepen vlak bij het schip opvlogen, waarschijnlijk nadat het schip ze onverwacht in het een of ander werk gestoord had, gaven alleen eenige afleiding. Onder de passagiers, die in Mombasa tot 38 eerste klasse passagiers waren aangegroeid, was letterlijk niet een de moeite van kennismaking waard. Het waren allen lieve, brave burgers of burgeressen van het land, waartoe zij behooren; ik hoop ze niet te krenken als ik zeg, dat er verder niets van hen te vertellen is, dat de moeite van neerschrijven loont. Van onze tafel waren de twee aangenaamste buren in Mombasa afgestapt en die plaatsen zijn onbezet gebleven; buiten ons vier zaten er nu nog een Deensche mijnheer, die in den Congo in Belgischen militairen dienst was en een Deensche dame, die in den Congo getrouwd was, beiden voor malaria naar hun land teruggestuurd en gedurende de reis telkens weder aan malaria lijdende, en twee Engelsche jonge mannen van 24 en 26 jaar oud, beiden van de grootste onbeduidendheid. Het waren evenwel een paar goede jongens, die ons nog al eens van dienst waren. Met een Amerikaanschen admiraal en zijne vrouw, die in Mauritius een getrouwde dochter bezocht hadden, en eene andere Amerikaansche dame, trachtte ik de avonden te dooden met het spelen van bridge en overdag konden wij lezen of praten. Romannetjes van onbekende schrijvers [194]of schrijfsters, die in elk ander geval het oprapen niet waard zijn, gingen nu van hand tot hand en werden bediscussieerd, alsof de slecht gemarkeerde karakters, de ongemotiveerde handelingen en de onuitgewerkte problemen in die boeken, een vruchtbare discussie mogelijk maakten. Een door een sentimenteel juffertje geïmproviseerd bal mislukte geheel, doordat de heeren het te warm vonden om te dansen en er trouwens aan dek geen genoegzame ruimte voor was.

Eerst toen wij Cap Guardafui naderden kwamen de gemoederen in beweging. Dit was niet alleen omdat de gevaarlijke bocht, die wij daar te maken hadden ons allen zenuwachtig maakte en wij meer dan anders de mogelijkheden bespraken om in geval van een ongeluk nog gered te kunnen worden; ook niet alleen het feit, dat dit scherpe punt zonder lichttorens elk jaar een of meer schepen ten gronde richt en tal van menschenlevens verwoest, maar de tragische geschiedenis van onzen armen deksteward hield ons bezig. Deze goedhartige jongeman, die aan boord ieders sympathie had, was voorheen steward op een der Australische booten. In Melbourne had hij een meisje leeren kennen, met wie hij een jaar geleden getrouwd was. Zijne omstandigheden hadden zich intusschen verbeterd en hij kon nu eene vaste positie aan wal in Engeland krijgen. Daar de scheepsreglementen niet toelaten, dat de geëmployeerden vrouw of kinderen op hetzelfde schip meenemen, was hij eerder uit Australië naar Engeland teruggekeerd en zijne vrouw met het pasgeboren kindje zou een paar maanden later komen. Dat schip nu, waarmede zijne vrouw van Australië naar Engeland kwam, heeft twee maanden geleden schipbreuk geleden aan de Cap Guardafui en een van de vier booten, waarin de passagiers waren ondergebracht en waarin vrouw en kind van onzen deksteward zaten, is nimmer terecht gekomen. Er wordt gevreesd, dat zij op Cap Guardafui geland waren, dat bewoond wordt door een zeer gevreesden zwarten stam, de Somali’s, waarvan men vermoedt, dat zij kannibalen zijn.

Zeker weet men, dat zij alle witmenschen uitplunderen en vermoorden. Reeds twee keer is een boot van Aden uitgezonden om een onderzoek in te stellen, doch is telkens zonder eenig teeken van de verongelukten ontvangen te hebben, teruggekeerd. Toen het bericht van het ongeluk voor het eerst [195]Engeland bereikte, en er nog niets anders bekend was, dan dat die boot zoek was, wilde de radelooze jonge man zelf op onderzoek uit en daarvoor gaf de Union Castle Mij. hem de gelegenheid, door hem als deksteward op de Avondale Castle aan te stellen. In de twee maanden sedert dat schip Engeland verliet, zijn de berichten gekomen van de vergeefsche pogingen, uit Aden ondernomen, om iets van de ongelukkigen te vernemen. Men vermoedt nu, dat de boot, waarin de tweede officier het commando voerde, toen deze zag, dat zij op Cap Guardafui landen, weder zee heeft gekozen en door een noodlottig toeval is gezonken. Dit zou de minst treurige dood zijn, die de ongelukkigen kon hebben getroffen en daarom wordt dit nu maar als het waarschijnlijkste aangenomen.

Tot even vóór wij deze rotsen in het gezicht kregen, bleef de deksteward trouw op zijne post en voerde de groote en kleine wenschen en bevelen der passagiers prompt uit; doch toen dit onherbergzaam oord, met zijn kale puntige rotsen en gloeiend heete zandvlakten vlak voor ons lag, werd het hem te benauwd en verdween hij en kwam den geheelen dag niet weder te voorschijn.

Als Italië, die de gelukkige bezitter van dit gevaarlijk en onherbergzaam stuk grond is, niet spoedig zorgt, dat er vuurtorens komen en dat menschenlevens er veilig zijn, dan vindt Engeland een zeer gegronde reden om handelend in te grijpen en dit stuk bij Britsch-Afrika in te lijven.

Zondag 12 November kwamen wij in Aden aan. Het was reeds zes uur in den avond, wij hadden dus geen gelegenheid iets van de stad te zien. Slechts eenige uren zouden wij er liggen blijven om eenige honderden balen vracht in te nemen. Wij konden wel aan land gaan en verschillende passagiers deden dit ook, maar de stad Aden ligt 4 à 5 mijlen landwaarts, daar konden wij in dien korten tijd niet heen en de eeuwenoude watertanks, het eenige wat Aden voor een vreemdeling belangrijk maakt, waren in het avondduister niet te zien. Wij bleven dus aan boord en vermaakten ons met de wanhopige pogingen aan te zien van de tallooze Arabieren en Somali’s om aan boord van het schip te komen. Zij waren allen met hunne koopwaren in primitieve roeibootjes komen aanzetten en schreeuwden en riepen in hunne door ons onverstaanbare taal, dat zij aan boord iets te verrichten hadden. De kapitein [196]wilde hen echter niet aan boord hebben, omdat zij niet alleen kooplieden, maar bijna zonder uitzondering dieven zijn en er aan boord voor hen niets veilig is. In een verschrikkelijk geroezemoes van geluiden, want het laden van ’t schip ging onderwijl ook zijn gang, werden nu van uit de bootjes touwen naar de kijkende dames en heeren op het schip geworpen, en zoodra wij het uiteinde van zoo’n touw te pakken kregen, aan het andere uiteinde koopwaar gebonden en naar het schip opgeheschen. Een tienmaal te hooge som werd daarvoor geëischt en dan begon het vragen en bieden op schreeuwende wijze van over de scheepsrailing naar de daaronder vertoevende zwarten in de bootjes. Somalimandjes, waarvoor vijf en zes shilling werden geëischt, werden voor één shilling en later zelfs voor six-pence gekocht. Vooral de kooplieden met Abyssinische struisveeren hadden groote nering en een zeker soort cigaretten vond bij de heeren gewillige koopers. Later op den avond klommen de slanke, vlugge jonge Somali’s bij de dunne, aan boord vastgehouden touwen zelf naar boven en eenmaal boven, werden zij door de passagiers genoeg beschermd om dat handjevol durvende kereltjes met hunne, achter hen aankomende koopwaren, boven te houden. De uren vlogen om en toen om tien uur het schip Aden weder verliet, waren wij het er allen over eens, dat wij eenige zeer amusante en interessante uren hadden doorgebracht.

De groote gebouwen in Aden, die van af het schip konden gezien worden, waren reeds gedeeltelijk versierd voor het te wachten bezoek van den koning en de koningin van Engeland op hun doorreis naar Engelsch-Indië.

Toen eenmaal Aden achter den rug was, was ook de eentonigheid van de reis gebroken. In de Roode Zee hadden wij nog onophoudelijk aan één van beide zijden wat te zien. En als het bloote oog ons de stadjes en kooldepôts en de voorbij stoomende bootjes niet deed onderscheiden, dan gingen de vele goede kijkers van hand tot hand en gunden ons op die wijze een blik op hetgeen wij passeerden. Een boot van de Nord-Deutsche Lloyd, waarschijnlijk op weg naar Australië, die ons voorbijvoer zonder een vriendschappelijken groet te wisselen, wekte de verontwaardiging der Britten. De haat tusschen die twee natiën moet vroeg of laat in een oorlog een weg vinden om zich te uiten. [197]

Een schandelijke daad doet Turkije op dit oogenblik. Omdat het in oorlog is met Italië, heeft het in alle Turksche kustplaatsen, en op alle gevaarlijke rotsen de lichten in de lichttorens doen dooven. Langs den geheelen weg van Aden tot Suez was ’s avonds en ’s nachts in geen enkele lichttoren, die op Turksch grondgebied staat, een licht te zien. Tegen de internationale wetten op scheepvaartgebied en tegen elke opvatting van welvoegelijkheid in stelt hier Turkije de schepen van alle natiën bloot aan het gevaar om op een zijner gevaarlijke rotspunten te stranden, omdat het met Italië oorlog voert. Zullen de verschillende mogendheden niet spoedig moeten protesteeren tegen dit feit, alvorens er ongelukken door ontstaan zijn?

Woensdagmorgen om acht uur lagen wij in de haven van Port Soudan. Deze haven is nog slechts achttien maanden oud en is door de Britten geheel up to date ingericht. De matineuse menschen, die van halfzeven reeds het binnenkomen bespieden, hadden een zeer loonend gezicht op het land. De zee had aan de kust een zuiver smaragd-groene tint, daarachter de oneindige witte zandvlakte en geheel aan den gezichtseinder staken de tallooze prachtige bergtoppen hunne grillige koppen tot in de wolken omhoog. Dit landschap geleek op een stuk Egypte, zooals wij dat van platen en prenten kennen. Toen wij wat dichterbij kwamen en de morgenschemering voor vol daglicht had plaats gemaakt, werd dit gezicht nog meer Egyptisch, doordat wij toen de vele Egyptenaren, Grieken, Arabieren en Inlanders van verschillende stammen, die zich op den weg bevonden, konden onderscheiden.

Port Soudan is natuurlijk nu nog een stadje van kleinen omvang, maar de vele groote officieele gebouwen met de Britsche vlag op het dak, zagen er allen zoo massief en kolossaal uit, dat het niet betwijfeld behoeft te worden, dat Engeland zich hier blijvend heeft gevestigd en van Port Soudan spoedig een groote stad zal maken. Van uit dit stadje gaat een spoorweg, die in 24 uur Karthoum bereikt en waardoor het ook met Kaïro verbonden is. Daardoor kan het alle vracht van uit het binnenland komende, van daar gemakkelijk verschepen. Het geheele stadje maakt een zeer hygiënischen indruk. De rioleering, watertoevoer, goede harde wegen, ruime, frissche woningen, electrische verlichting, dit alles toonde de goede zorg van de Britsche regeering. [198]

Wij hadden vlug ons ontbijt genuttigd en ons aan wal begeven om in de drie uur, die wij in Port Soudan vertoeven zouden, zooveel mogelijk in ons op te nemen. Nadat wij het Europeesche gedeelte doorgegaan waren, waar de Engelschen en Grieken wonen, begaven wij ons naar de Kraals, waarin de verschillende inboorlingen leven. Allerlei stammen wonen er. Op ons maakten vooral de Wadi-Wadi’s, met hunne lange wolharige coiffures en hunne woeste blikken een diepen indruk. Zij behooren eigenlijk in de bergtoppen tehuis en komen alleen naar beneden om handel te drijven. Een eigenaardig soort bokken en schapen telen zij en die brengen zij ter markt. Wij zagen die rare beesten in groote massa op de markt. Het was soms moeilijk uit te maken of het een geit of een schaap was. Van die Wadi-Wadi’s wordt verteld, dat zij een zeer aristocratisch volk zijn, dat zich voor werken te hoog acht en waarvan niet een enkele in dienst van blanken te krijgen is. Zij zijn zeer oorlogszuchtig en leven van veeteelt en van wat zij op eerlijke wijze door oorlog zich toeëigenen. Zij hebben hun eigen vorst en worden tot dusver nog door elke natie ontzien.

Wij zagen er vrouwen met gouden ringen door den neus zoo groot en breed als een flinke bracelet; wij zagen er de markt met alles wat er te koop is en die vele verschillende kleurlingmannen en vrouwen, om van dat alles te koopen en wij zagen er verschillende café’s en restaurants, waar het geheele menu, in tallooze potjes en pannetjes aan den weg bereid en gekookt werd. Wij zagen er nog tal van opmerkenswaardige dingen meer, maar wij zijn aan dat kleurling-leven reeds zoo gewoon geraakt, dat veel wat wij zien in het geheel geen blijvenden indruk meer maakt.

Het was reeds twaalf uur, alvorens het schip geladen was en wij de reis konden voortzetten.

De vijf dagen in de Roode Zee waren warm, maar voor ons in de hutten op het bovendek wel uit te houden. Overdag koelde het zeewindje genoeg af om het niet benauwd te hebben als wij maar rustig op het dek bleven zitten en ’s nachts hadden wij het ook niet te warm. Zij, die in de andere hutten vertoefden, hadden het ’s nachts dikwijls te heet en meestal lagen de canapé’s van de dames- en heerensalon en het geheele opperdek ’s nachts vol passagiers, die het in hunne hutten niet langer konden uithouden. [199]

Zoo’n lange zeereis oefent op de gezondheid van vele passagiers een gunstigen invloed uit. Velen was dit duidelijk aan te zien. Zelfs de scheepsdokter, die er in den beginne zoo holoogig en mager en spichtig uitzag, had ronde wangetjes en een frissche kleur gekregen.

Naarmate wij Suez naderden en het duidelijk werd dat wij niet voor Zaterdagavond in Port Saïd zouden landen, begonnen wij ongerust te worden, dat wij dien nacht geen onderkomen zouden vinden. Er waren over de twintig passagiers van de eerste klasse, die daar aan land gingen, hetzij om evenals wij naar Palestina te gaan, hetzij om een week in Port Saïd over te blijven om de aankomst van den koning en de koningin van Engeland aldaar bij te wonen. Maandag 20 November worden die hooge gasten in Port Saïd verwacht, en in Soudan hadden wij reeds vernomen, dat alle hotels in Port Saïd daardoor geheel bezet waren. Wel hadden wij van uit Suez een telegram gezonden om vier kamers voor ons disponibel te houden, maar dat telegram kon niet vóór Zaterdagmorgen verzonden worden.

Met het schip hadden wij ons langzamerhand verzoend. Het voedsel was tamelijk goed, de bemanning vriendelijk en voorkomend en de kapitein deed alles om het den passagiers naar den zin te maken.

Ook hadden wij na Mombasa onophoudelijk goed weder en het schip was daar goed vol geladen, zoodat het zonder schommelingen vrij rustig vooruit schoof. Wat konden wij meer verlangen.

Vrijdagavond om ongeveer tien uur kwamen wij in Suez aan. Daar werden wij nu eens echt door een Turkschen dokter aan een onderzoek onderworpen. Het heele onderzoek kwam daarop neer, dat wij een voor een den dokter passeerden, hij zag dan met zijn wetenschappelijken blik, dat wij zonder gevaar Turkije konden binnentreden. Niettegenstaande het nachtelijk uur, waren toch nog tal van kooplieden aan boord gekomen, die ons doosjes met Turksche noga en met andere Turksche zoetigheden, benevens cigaretten, koralen en bovenal eenig mooie Turksche shawls te koop aanboden. Deze laatsten vonden tal van koopers en vele van de kooplieden gingen huiswaarts met een lichtere vracht aan goederen, doch met een goed gevulde beurs. [200]

Zaterdag in het Suez-kanaal hadden wij ruimschoots gelegenheid om van onze medepassagiers afscheid te nemen en met velen nog eenige oogenblikken een luchtig gesprek te voeren. Zoo’n vaart door het Suez-kanaal is heel geschikt om menschen geduld te leeren. Zoo nu en dan eens een paar uur stil te blijven liggen om een reeks andere schepen te laten passeeren en daarna weer heel langzaam een eindje op te schieten, is voor reizigers van de twintigste eeuw niet meer geschikt. Maar al de passagiers op onze boot lieten zich er niet door uit hun humeur brengen, wat meer zegt, wij allen zegenden elk oponthoud dat zich voordeed. Eerstens was het een prachtigen dag, vol afwisselingen en ten tweede konden wij in geen geval vóór zes uur aankomen, zoodat de naar Caïro vertrekkenden niet zouden kunnen afreizen en nu was van allen de hoop, dat het schip niet vóór tien uur in Port Said zou aankomen, dan konden wij den nacht nog op het schip doorbrengen en konden Zondagmorgen afreizen, of hadden gelegenheid een hotel te zoeken. Het was een allervroolijkste stemming den geheelen dag op het schip en zeer zeker was het een aangenaam einde van een zoo interessante reis. Wij vieren en alle medepassagiers, waarmede wij dien dag spraken, betreurden het, dat wij het schip moesten verlaten, waarop wij zoo’n gelukkige maand hadden doorgebracht en ik zal zeer zeker steeds met de aangenaamste herinneringen aan dezen tijd terugdenken.

Maar het schip kwam vóór tien uur in Port Saïd aan en nu moesten wij dus ’s avonds nog het schip verlaten. Het Eastern Exchange Hotel had gelukkig voor dien nacht plaats voor allen en het was een goed hotel, maar voor Zondag waren alle kamers genomen. Om twee uur den volgenden dag vertrok een boot naar Jaffa en daarop hebben wij plaatsen besproken en hopen een dag of tien in Palestina door te brengen, alvorens wij Egypte verder ingaan.

Hier in Port Saïd is alles in vroolijke stemming. Den geheelen nacht was er muziek en zang en dans door de geheele stad en ’s morgens had het in de straten meer van een vroolijke kermisstemming dan van een ernstigen Zondagmorgen. [201]

[Inhoud]
Ornament

In Palestina.

Wij hadden niet veel rust in Port Saïd genoten, want, nadat wij Zaterdagavond omstreeks middernacht in ons hotel waren aangeland moesten wij het Zondagmiddag om twee uur reeds weder verlaten. In dien tusschentijd moesten wij de verschillende kantoren afloopen om geld op te nemen, (onze credietbrieven geven bijna in elke stad voor ieder van ons een verschillend kantoor op); moesten wij onze vice-consuls over onze paspoorten spreken, moesten wij onze koffers bij Cook onderbrengen en moesten mrs. Catt en ik onze plaatsen bespreken voor een in Januari naar Colombië vertrekkende boot. Wij waren dan ook dood moe, toen wij op de boot aankwamen die ons naar Jaffa zou voeren, en wij namen ons voor in Jaffa een dag rust te nemen, alvorens wij onze pelgrimstocht door Jeruzalem zouden aanvangen. Wij zouden niet in zoo’n haast zijn afgereisd als niet de boot, die Zondagmiddag vertrekken zou, ons bijzonder was aanbevolen en een volgende boot van die lijn, de Khedivian lijn, eerst dagen later zou gaan.

Landingsplaats in Jaffa.

Landingsplaats in Jaffa.

Om ruim twee uur verlieten wij ons hotel en ofschoon de boot, die ons zou herbergen, geen tien minuten van ons hotel verwijderd lag, duurde het toch ongeveer een uur, alvorens wij er waren aangeland. Even moeilijk als men in Port Saïd binnenkomt, met even-zoovele moeilijkheden heeft men te kampen om er uit te komen. Even goed als wij den vorigen avond eerst in twee verschillende bureaux onze namen in een boek moesten inschrijven, daarmede verklarende, dat wij gezond zijn, geen contrabande invoeren en brave menschen zijn, doch daarna toch nog bij de douanen gevisiteerd werden, omdat [202]men ons op onze eerlijke gezichten en op ons woord en handteekeningen niet geloofde, zoo moesten wij nu al diezelfde formaliteiten weder ondergaan, maar nu om het bewijs te leveren, dat wij niets uit het land uitvoerden. Goed dat wij een dragoman bij ons hadden, want wij zouden met ons zuiver geweten en in kinderlijke onschuld recht door naar het schip zijn gegaan. Voor het bewijs, dat wij gezond zijn en niets te verbergen hebben, moesten wij ieder vier stuivers betalen.

Op de boot troffen wij een ander soort passagiers dan op andere booten. Niet zoozeer onder de eerste klasse passagiers, die waren voor een deel toeristen als wij, voor een ander deel mannen en vrouwen, zendelingen en handelslieden. Maar onder de derde klasse en bovendeks- en tusschendekspassagiers was een groot verschil. Onder de eerstgenoemde was een heele bezending Turksche dames, waarvan geen stukje van het lichaam te zien was, zoo dicht waren zij van het puntje van hun hoofd tot aan de teenen in zwarte doeken gehuld. Dan waren er Bedouïnen en Fellahinen, Syriërs, Armeniërs en nog meer van dat soort in groote hoeveelheid.

Wij hadden op de boot een beter diner dan wij in lang genuttigd hadden en alles was er even zindelijk en goed. Om 7 uur hedenochtend landden wij in Jaffa, dat wil zeggen, zoo dicht bij als de boot ons brengen kon, want daarna moesten wij in roeibooten aan land gebracht worden. Het was gelukkig prachtig weder en de zee zoo stil, als men zich maar wenschen kan en toch is die landing in Jaffa niet geheel en al ongevaarlijk. De rotsige ondergrond, rotsen, waarvan de vinnige punten een halven meter hier en daar boven de zee uitsteken en de bijna steeds aanwezige branding hebben al menigen passagier het leven gekost. Wij hebben dan ook al vastgesteld, dat wij alleen bij kalm weder van hier zullen vertrekken en in geval van storm liever eenige dagen langer zullen blijven.

Wij hebben in de laatste weken veel gezien en ondervonden en toch, hetgeen wij vanmorgen zagen, toen wij van de landingsplaats naar het hotel gingen, heeft ons geheel in verbazing gezet. De indrukken, die ik in dezen eenen dag opdeed, zijn zoo vele en zoo intens, dat ik niet weet, waarover het eerst te moeten schrijven. De algemeene indruk is, dat [203]het mij voorkomt, dat elke predikant of priester of rabbi, eerst naar Palestina gezonden moet worden en hier eenigen tijd moet doorbrengen, alvorens zijne opleiding als voleindigd beschouwd zal kunnen worden. Eén dag hier doet den bijbel beter begrijpen, dan jaren van studie doen. Het heele oude testament staat op eens levendig voor je geest. Een andere algemeene indruk is, dat de afstammelingen van Abraham, Izaak en Jacob in die meer dan 5000 jaar niet veel van uiterlijk zijn veranderd en dat de achter-kleinkinderen van de twaalf zonen van Jacob er uitzien, alsof zij nog in staat zijn hun broertje Benjamin voor een ezelsvel—of was het wat anders—te verkoopen.

Baedeker zegt, dat men hier de Mohammedanen, Joden en Christenen aan hunne kleeding kan herkennen; dat is maar goed ook, want, volgens hun uiterlijk zou men ze zeker allen onder de zonen van Israël rangschikken. En wat de straten en die menschen er allen vies en vuil uitzien, dat is niet te beschrijven. De Batavierstraat en Uilenburg in Amsterdam zijn er met hunne bewoners heilig bij. Toch is dat alles schilderachtig mooi. Als men daar zoo’n karavaan kameelen, zwaar beladen, door zoo’n nauwe straat vol kleurig gekleede mannen en vrouwen ziet gaan, of een troep ezeltjes, ieder met een Mohammedaan er op, of oude huisvaders op hun laag stoeltje voor hun winkeltjes ziet zitten, dan blijft men staan en zou graag van dat alles een afbeeldsel nemen, maar een fotografie of teekening kan onmogelijk de kleurschakeering en levendigheid weergeven, die het in werkelijkheid bezit.

In ons hotel “Hotel Jeruzalem”, hebben de kamers geen nummers, maar alle een bijbelsche naam. Mrs. Catt, die haar kamer naast de mijne heeft, logeert in Ruben en ik in Dan. De bijbelsche kennis van ons vier is niet toereikend om uit te maken waardoor mijnheer Dan zich beroemd gemaakt heeft, en terwijl ik vlijtig zit te schrijven, zitten mijne drie reisgenooten in den bijbel deze en dergelijke bijzonderheden na te pluizen. Het hotel is gelukkig zindelijk en goed en ligt in de buurt, waar de Duitsche bevolking woont, dat is in eene der voorname straten, als men ten minste dien term gebruiken kan.

Weeklagende Joden bij het stuk oude muur in Jeruzalem.

Weeklagende Joden bij het stuk oude muur in Jeruzalem.

Van het voornemen, om hier een dag rust te nemen, is natuurlijk niets gekomen. Den heelen morgen waren wij in [204]de straten en op de markt en met een gids van hier hebben wij een contract afgesloten om ons door Palestina te voeren. Dat contract nam direct na de lunch een begin en om half twee waren wij dan ook reeds alle vier gereed, om per rijtuig de kolonie, door Rothschild uit Parijs dertig jaren geleden hier gesticht, te bezoeken. Deze kolonie is ruim acht mijlen buiten Jaffa gelegen en, ofschoon de weg allerbedroevendst was, bracht toch de geheele tocht ons een en al in verrukking. Het was heerlijk weder, niet te warm en niet te zonnig en daar zaten wij, met onzen Engelsch, Fransch en Duitsch sprekenden gids naast den koetsier om ons alles te verklaren, den geheelen weg over te genieten van alles, wat wij passeerden. Wij reden voorbij oude bronnen, groote oude graftomben, langs sinaasappelplantages; wij zagen uitgestrektheden land beploegen met ’n kameel of een os voor ’n ééntandsche ploeg bespannen; wij zagen Bedouïnen in hunne primitieve hutten, en licht en eenvoudig landbouwwerk verrichten; wij zagen kudden schapen en geiten, en menschen die zoo uit den bijbel in levenden lijve voor ons stonden; wij reden langs de vlakte van Sharon en zagen de vrouwen en meisjes water uit de bronnen halen en ezels en kameelen zich laven met het koele vocht; wij zagen de roos van Sharon in menigte bloeien en daarnaast de leliën van het veld en narcissen en irissen en dat alles eerst in mooi, helder daglicht en terugkomende in een prachtige avond-schemering. Nooit zag een van ons zoo’n mooien zonsondergang als hedenavond, waardoor de heuvels van Juda in een teer violette kleurschakeering gezet werden, waaraan wij ons oog niet konden onttrekken. Het was alsof wij in een sprookje leefden.

Straat in Jaffa.

Straat in Jaffa.

Maar in de kolonie Richon le Zion zooals die door Baron Rothschild gedoopt is, is alles werkelijkheid. Rothschild heeft hier ongeveer 30 jaar geleden ruim 600 hectaren bouwgrond gekocht en wat geld disponibel gesteld voor de Russische en Roemeensche Joden, die uit hun land verdreven werden.

Op dien grond en met dat geld zijn die menschen hier een wijndruiventeelt begonnen en hebben wijn gefabriceerd. Vier en twintig jaar geleden heeft Rothschild hen met geld geholpen om een wijnkelder te bouwen, geheel op denzelfden voet gebouwd en ingericht als die te Bordeaux, die de grootste en beste van de geheele wereld moet zijn. Deze hier volgt [205]in grootte direct op dien te Bordeaux. De zaken gingen zoo goed, dat achttien jaar geleden Rothschild geheel kon worden afbetaald en alles nu aan de kolonie toebehoort.

Hoewel deze kolonie hoofdzakelijk uit Russen en Roemeniërs bestaat, zijn er toch ook enkele Duitsche, Fransche en Engelsche Joden onder. De kolonie bevat ongeveer honderd families. Zij werken coöperatief, dat is te zeggen, elke familie woont in eigen huis en bezit haar eigen stuk grond, dat groot of klein is.

De druiven worden in de fabriek bewerkt en naar gelang men inzendt, wordt men uitbetaald. In de fabriek werken losse arbeiders, die in loondienst zijn; dat zijn geen kolonisten, doch wel bijna allen Joden.

Eenige jaren geleden heeft de kolonie groote verliezen geleden, doordat zij voor haar wijn geen uitweg vond. In het land kon niet meer verbruikt worden en voor het buitenland had men geen afnemers. De kelder lag toen vol. In dien tijd zijn toen vele kolonisten begonnen hunne druiven uit te roeien en er sinaasappelen en amandelen en andere vruchten voor in de plaats te kweeken. Na de moeilijkheden, die de wijnfabricage het vorige jaar in Frankrijk ondervond, heeft Frankrijk allen wijn, die in voorraad was, van hier opgekocht en heeft ook voor dit jaar groote bestellingen gedaan. De geleden verliezen is men daardoor te boven gekomen en daar de nieuw aangekweekte vruchten ook een goeden oogst hebben geleverd en goed verkocht worden, hoopt men door het ongeluk nog tot meerdere voorspoed te komen. De wijnfabricage bedroeg dit jaar 35.000 hectoliter.

De kolonie, die een dorpje op zichzelf vormt, ziet er veel en veel zindelijker en beter onderhouden uit dan Jaffa. Ook zagen de kinderen en volwassenen er bijna zonder uitzondering frisch en gezond en flink uit. Wij hadden nog even gelegenheid de school te bezoeken, waar de kinderen degelijk onderricht genieten en waaraan ook een cursus voor mannen en vrouwen verbonden is. Wij zagen er de kinderen, jongens en meisjes, juist een les in tuinbouw ontvangen.

In Jeruzalem.

In Jeruzalem.

Er zijn hier in de buurt nog tal van Joodsche kolonies, die alle min of meer in denzelfden geest werken en die het ook allen goed gaat. De drie grootste hier zijn Duitsche nederzettingen. Zoo oppervlakkig beschouwd, is er nog plaats [206]voor tal van Joden, die zich hier, dunkt mij, geheel tehuis moeten gevoelen. Er ligt nog zooveel vruchtbare grond onbearbeid, en als de grond hier bewerkt wordt, geschiedt dit op zoo’n primitieve wijze, dat er oneindig meer uit te halen moet zijn, dan er nu uitgehaald wordt.

Dinsdagmorgen waren wij reeds bijtijds gereed om direct na het ontbijt met onzen dragoman er op uit te kunnen gaan. Het eerst reden wij naar de laatst gevormde kolonie van Zionisten, waar ook het alom bekende Joodsche gymnasium gevestigd is. Deze kolonie, waarin Russen, Duitschers, Oostenrijkers, Roemeniërs, Engelschen, etc., etc. wonen, is nog maar 2 jaar oud. De huizen zijn geheel nieuw en zijn voor het grootste deel kleine of groote villa’s. Het is duidelijk, dat de kolonie, “Tal Abib” genaamd, hoofdzakelijk uit welgestelde Joden bestaat. Zij is gelegen aan de zeekust; de grond is er vruchtbaar, alle bewoners zien er welvarend uit, voor zoover wij ze zagen. Zij zijn geen landbouwers of vruchtkweekers, zij werken ook niet coöperatief, zij hebben financieel niets met elkaar uit te staan. Het zijn kooplieden, die hun zaken in geheel Palestina of daar buiten drijven, bankiers, doctoren, leeraren en zulk soort menschen. Het meest interessante in deze kolonie, maar geheel onafhankelijk daarvan, is het Joodsche gymnasium. Deze mooie, hygiënisch goed gebouwde, groote school, die ongeveer 6 jaar geleden door den heer en mevrouw Moser, uit Engeland, gesticht werd, wordt nu door het geld van dezen en ongeveer 800 leden uit verschillende landen in stand gehouden. Ieder lid, ook in Holland zijn eenige leden, betalen jaarlijks 250 frcs. contributie. Voor ieder kind wordt van 60 tot 160 frcs. schoolgeld jaarlijks betaald, naar gelang hunne ouders welgesteld zijn. Voor ongeveer 10 pCt. der leerlingen wordt niets betaald. Elk lid heeft het recht voor zijn contributie een kind gratis te plaatsen.

Er zijn op dit oogenblik 305 leerlingen, waarvan 206 jongens en 99 meisjes, terwijl er bovendien nog 40 leerlingen in een voorbereidende klasse zijn. Voor al deze leerlingen zijn 23 leeraren en leeraressen en een directeur. Veertig van deze kinderen zijn in Jaffa geboren, doch uit ouders, die naar Palestina geïmmigreerd zijn. Tachtig kinderen zijn elders geboren en met de ouders uitgekomen. Vijf-en-twintig kinderen komen uit andere kolonies, rondom Jaffa, en van vijf-en-zestig [207]leerlingen wonen de vaders in het buitenland en zijn de moeders met de kinderen hier gekomen om hun een goede Joodsche opvoeding te geven. Deze laatsten zijn voor het grootste deel welgestelde Russen, die hunne kinderen in Rusland niet op goede scholen geplaatst kunnen krijgen. Verder zijn er op school nog een kleine honderd weezen uit verschillende landen, die bij families ondergebracht zijn. Men is echter nu bezig een mooi pension te bouwen, waarin 60 à 70 kinderen gehuisvest kunnen worden en dat uitgaat van de vereeniging of het comité, die de school in stand houdt.

De rivier “Jordaan”.

De rivier “Jordaan”.

Het leerplan is in hoofdzaak hetzelfde als dat van de Zwitsersche scholen en ook van de leeraren en leeraressen zijn de meesten in Zwitserland gevormd. De leerlingen kunnen het op deze school tot aan de Universiteit brengen, daarna moeten zij naar Europa gezonden worden. Men denkt er evenwel over ook een Joodsche Universiteit te bouwen. In Haïfa wordt reeds een Joodsche Polytechnische school gesticht.

Behalve in alle andere wetenschappen, ontvangen de kinderen hier nog onderwijs in Arabisch, Turksch, Duitsch, Fransch en Latijn en Grieksch en al het onderwijs wordt in de Hebreeuwsche taal gegeven, zoodat zij ook deze taal grondig moeten kennen. Voor vele kinderen is dat echter te veel en daarom is het Fransch, Hebreeuwsch en Turksch of Arabisch obligatorisch gemaakt, terwijl de andere talen facultatief zijn gesteld. Natuurlijk wordt er niet alleen de Hebreeuwsche taal, maar ook de Hebreeuwsche philosophie, godsdienst en historie onderwezen; de kinderen ontvangen hier een zuiver Hebreeuwsche opvoeding. Onder de leerlingen waren er vele echt mooie Joodsche typen en allen zagen er even opgewekt en frisch en gezond uit. De geheele school met alle leeraren en leerlingen maakte een gunstigen indruk en ’t is zeker, dat deze school een groote toekomst heeft. Wij alleen leerden bij dat bezoek veel en begrijpen de Zionisten en hunne drijfveeren beter dan ooit te voren.

Ik heb over deze school zoo uitgebreid geschreven, omdat het mij voorkomt, dat vele lezers daarin belang stellen en het hoogst waarschijnlijk een school is, die eenig is in de wereld.

Nadat wij deze school bezocht hadden, gingen wij naar de plaats waar Tabitha, ook wel Dorcas genoemd, gewoond heeft [208]en hare graftombe nog bestaat. Er is nu een Russisch klooster, waar monniken en nonnen in vrede te zamen wonen. Zij behooren tot de Grieksche kerk.

Vandaar gingen wij nog even het huis zien, waar Simon, de looier, gewoond heeft, maar ik heb nog geen tijd gehad na te zien, waardoor deze heer zich beroemd heeft gemaakt. Mijne reisgenooten beweren, dat hij Jonas gastvrijheid verleend heeft, toen die door de walvisch uitgespuwd en aan land geworpen werd, maar dat komt met de tijdrekening niet overeen.

Toen moesten wij naar huis om te lunchen en ons haasten om nog den trein van één uur naar Jeruzalem te halen. Onze dragoman vergezelt ons daarheen en zorgt voor alles. Ik zit nu in den trein dezen brief te vervolgen; een zeer comfortable eerste klasse waggon, waarin wij alleen met onzen dragoman zitten. Op onzen weg passeeren wij allerlei interessante plaatsen en bovendien is de geheele tocht belangrijk door de mooie bergpassen. Nadat wij Jaffa achter den rug hadden en de vele sinaasappelkweekerijen voorbij waren,—ik hoorde, dat er jaarlijksch 700.000 kisten sinaasappelen, iedere kist 12 dozijn stuks bevattende, alleen uit Jaffa uitgevoerd worden,—zagen wij heele akkers met olijfboomen. De olijven, die van deze boomen komen, zijn klein en alleen geschikt om er olie uit te persen en zeep van te maken. Daarna werd ons reeds spoedig de plaats aangeduid, waar de Philistijnen gewoond hebben en de plek waar David Goliath met een steen doodde. Op die plek liep nu een jong schaapherdertje achter een groote kudde schapen en geiten en die zag er uit alsof hij vergeten had dood te gaan en er nog stond van uit den tijd van David. Toen zagen wij de plaats waar Samson geboren is en waar hij begraven werd en later de cave—ik weet op het oogenblik het Hollandsche woord niet—waarin Samson in liefde ontvlamde voor Dalila. Samson en Dalila zochten hunne liefde hoog, want die cave is boven in een heel hoogen, rotsigen berg, die moeilijk te bereiken is. De holte schijnt echter nog al diep te zijn, want de kruisvaders hebben er later een heele kerk in gebouwd; nu dient zij voor een schuilplaats voor herders.

Zoo zou ik wel kunnen doorgaan met alle oud-testamentarische gebeurtenissen te vermelden, waarvan wij de plaatsen [209]zagen waar zij voorgevallen zijn, maar dat wij door ’t land van Juda en daarna door het land van Benjamin togen en nog zooveel meer, komt mij weinig belangrijk voor. De geheele afstand tusschen Jaffa en Jeruzalem, die ongeveer 54 mijlen bedraagt, is vol van deze merkwaardigheden.

Iemand, die Palestina bezoekt, moet van een goede dosis goed vertrouwen in de verhalen, die men hoort, voorzien zijn, wil men genieten van hetgeen men ziet en hoort. Wij hebben ons voorgenomen om aan de waarheid van geen enkel verhaal te twijfelen en voor vast aan te nemen, dat de ons aangewezen plaatsen en het feit, dat er zou zijn voorgevallen, onvoorwaardelijk de ware zijn. Onze dragoman is in groote bewondering voor ons kinderlijk vertrouwen en meent ons nu en dan eens te moeten waarschuwen, dat men omtrent deze of gene plaats of dit of dat feit niet de volle zekerheid heeft.

Om ongeveer half zes bereikten wij Jeruzalem, waar wij nu eens niet in een hotel onzen intrek gaan nemen, maar in de stichting van Mrs. Spafford, de Amerikaansch-Zweedsche kolonie, die in Selma Lagerlöf’s boek “Jeruzalem”, zoo phantastisch beschreven is. Ook dr. Abraham Kuyper schijnt, zooals ik juist hoor, over deze kolonie geschreven te hebben in zijn reisbeschrijving door dit land, maar ik heb dat boek niet gelezen. Eigenlijk is het station een weinig buiten de stad gelegen en moesten wij eerst het dal van Hinnom passeeren en de hoogte van Zion bestijgen, alvorens wij de Jaffapoort bereikten, waarmede wij in Jeruzalem waren. De Amerikaansch-Zweedsche kolonie ligt even buiten de stad. Onze ontvangst was daar zeer hartelijk en weldra waren wij in onze gezellige en comfortable kamers geïnstalleerd, waar ik dezen brief nu zit te voleindigen. De afspraak met onzen dragoman is om morgenochtend zes uur af te reizen naar Jericho en de Doode Zee, vanwaar wij dan Donderdagavond hier in deze woning terugkeeren. Deze tocht gaat geheel per rijtuig en wij hebben nu nog prachtig weder, vandaar dat wij zoo’n haast maken. Men kan in Jeruzalem nooit lang achtereen zulk mooi, zonnig weder verwachten, meestal regent het hier in dezen tijd van het jaar.

De doode Zee.

De doode Zee.

Ik word nu verzocht beneden te komen om een concert bij te wonen, dat eenige kolonisten hier geven. Ik hoop over deze kolonie ook mijne indrukken te schrijven, die natuurlijk [210]geheel persoonlijke indrukken zijn en wel hemelsbreed zullen verschillen van die door dr. Kuyper hier opgedaan. Zeker is reeds, dat alles hier in werkelijkheid geheel anders is dan Selma Lagerlöf met haar groote phantasie en prachtigen stijl er van gemaakt heeft.

II.

Het was vanochtend, 22 Nov., nauwelijks half zeven, toen de twee rijtuigen, ieder met drie paarden bespannen, reeds voor de deur stonden om ons naar Jericho te voeren. Het daglicht brak juist door en alles voorspelde weer een prachtigen dag. Wij hadden een langen tocht voor ons en de weg is niet alleen zeer bergachtig, maar ook steenachtig en vol gaten en andere ongerechtigheden. Toch klaagden wij over niets, want wij hadden te veel te zien, dat onzen geest bezig hield. Langs den geheelen weg passeeerden wij steeds troepen Muzelmannen, die met hun beladen kameelen en ezels, soms te voet, doch meestal op kameelen of ezels gezeten, hun tarwe, rogge, vruchten of andere producten naar Jeruzalem voerden. Zij kwamen van het Oosten van den Jordaan en hadden een tweedaagsche reis achter den rug. Op verschillende plaatsen zijn open vlakten, die tot rustplaatsen voor de beesten en hun geleiders dienen; daar werden dan voor een poosje de dieren ontladen, de kleurig gekleede mannen strekten zich op den grond uit en de kameelen volgden het voorbeeld van hunne meesters of deden als de ezeltjes, die poogden om met de distels tusschen de rotsen hunne magen te vullen.

Onder die Muzelmannen waren enkele vrouwen, maar het is voor ons nog heel moeilijk om van deze menschen de mannen van de vrouwen te onderscheiden. Van één ding zijn wij zeker: als zoo iemand een broek draagt, dan is zij een vrouw; draagt het mensch rokken, dan is het meestal een man, maar kan ook wel een vrouw zijn. De snor of baard moet dan de oplossing geven, hoewel ook daarnaar niet altijd valt te oordeelen.

Met den Olijfberg links, passeerden wij rechts spoedig het graf van de Heilige Maagd, waar nu de Grieken een kerk hebben. Een eindje verder, aan de andere zijde, is de tuin van Gethsemané, waar nu Franciskaner monniken wonen. In dien [211]tuin staan nog acht oude olijfboomen, die er reeds stonden in den tijd van Christus. De olie uit de olijven van deze heilige boomen wordt door de Franciskaners voor zeer hoogen prijs verkocht en over de geheele wereld geleverd. Daarna kwamen wij in Bethanië, een geheel Muzelman-dorp, met een menigte olijf-, vijge-, amandel- en sinaasappelboomen. Hier staat een ruïne van het huis, waarin Simon de lepralijder gewoond moet hebben. Vlak daarbij is de graftombe van Lazarus. Deze beiden worden door de Muzelmannen als heiligen beschouwd. Een eindje verder is de steen, waar Martha Jezus ontmoette, en zoo gaat het den geheelen weg door, vol van heilige steenen, bergpunten, ruïnes, enz.

De ruïne van de woning van den goedhartigen Samaritaan wordt nu als een schuilplaats voor schaapherders gebruikt. Dat deze Samaritaan een armen broeder, die ziek was, op zijn ezeltje liet rijden en in zijn hut wat te drinken gaf, heeft hem toch wel wat goedkoop eene eeuwigdurende vermaardheid bezorgd. Ieder van ons, die in de wildernis van Judea een armen zieken broeder of zuster zou tegenkomen, zou toch natuurlijk hetzelfde gedaan hebben, en dan zou er in geen enkele courant melding van worden gemaakt.

Maar ook, afgezien van al deze bijbelsche bijzonderheden, was hetgeen wij zagen, prachtig. Die kale bergen, met hunne diepe ravijnen en grillige vormen, namen bij elke bocht in den weg een ander aspect aan. In een van die diepe ravijnen is een Grieksch monnikenklooster, dat als een soort van gevangenis voor ondeugende monniken dienst doet. Alleen bij wijze van straf worden ze daarheen verbannen. Het is wel heel mooi en zeer interessant van boven van den weg af er op neer te zien, maar om er te moeten wonen, al was het ook maar voor eenige weken, lijkt mij een zware straf. In de daar dichtbij zijnde holten in de bergen wonen hermieten, die, zoo zegt men, van vier druiven per dag leven.

Toen wij van boven af op de vlakte van de Jordaan neerzagen, waar Jericho met hare vruchtbare tuinen gelegen is, was het duidelijk, dat Mozes, toen hij van de andere zijde van den berg Moab dit dal overzag, moet hebben uitgeroepen, dat dit het land van belofte was. Het was na zoo’n langen tocht door een wildernis, op welks rotsachtigen bodem van plantengroei niets te bespeuren is, eene verrassing opeens op [212]zoo’n mooi vruchtbaar dal neer te zien. Het is echter duidelijk, dat Jericho nooit zooals de Bijbel te verstaan geeft, zoo groot als Jeruzalem kan geweest zijn. Het is nu wel heel klein, maar zelfs wanneer vroeger dit geheele dal bebouwd en bewoond is geweest, dan nog zou het kleiner dan Jeruzalem geweest moeten zijn, want het dal laat geen grootere uitbreiding toe.

Nadat wij in Jericho nog eerst even het waterreservoir hadden bezichtigd, waaruit nu de tuinen van Jericho besproeid worden, maar waar vroeger Eliza het zeewater in zoet water veranderde, kwamen wij in ons hotel aan, juist tijdig genoeg, om nog aan de lunch te kunnen deelnemen. Onmiddellijk na de lunch stonden de rijtuigen alweer gereed, om ons naar de Doode Zee en vandaar naar de rivier de Jordaan te voeren.

Ik had mij steeds voorgesteld, dat het water van de Doode Zee er zwart en vies zou uitzien, maar, ten minste vandaag, zag het heele meer er prachtig blauw en helder uit. Het water is niet zoo bijzonder zout, er is een sterk alcalische smaak aan. De Jordaan is een heel mooie rivier, of liever de oevers zijn heel mooi, maar het water ziet er vies, heel vies uit. Wij hebben natuurlijk een boottochtje op die rivier genoten en mijne Hollandsche reisgezellin heeft eenige fleschjes met het heilige water gevuld, waarmede zij eenige landgenooten wil gelukkig maken.

Ik geloof, dat ons gezelschap nog niet in de juiste stemming verkeert, waarin men dit land moet bereizen. Het landschap en de bevolking, met hare eeuwenoude gewoonten, kleeding, zeden en gebruiken, oefenen op ons nog een grootere aantrekking uit dan de reliquiën der heiligen. Wij doen echter ons best, om in de vereischte stemming te komen, en daar wij morgen weder naar Jeruzalem terugkeeren en onzen intrek weder in de Amerikaansch-Zweedsche kolonie nemen, hebben wij alle kans, dat het ons daar wel zal gelukken.

Het was nog nacht, de sterren stonden nog helder aan den hemel, toen wij vanmorgen Jericho weder verlieten. Wij waren blij, dat wij dat vuile stadje, waaraan zoovele belangrijke historische herinneringen verbonden zijn, “gedaan” (zooals de Amerikanen zeggen) hadden. Behalve de twee hotels, waarvan het grootste gesloten was, omdat het reisseizoen is afgeloopen, zijn er in Jericho woningen voor nog ’n 300 menschen, [213]meest allen Bedouïnen en eenige Muzelmannen van zeer gedegenereerd type. De degeneratie zou een gevolg zijn van de groote hitte, waaronder deze menschen in den zomer leven. Het is te begrijpen, want zelfs nu, in de tweede helft van November, nu het ook hier laat najaar is, was de zon gistermiddag zoo heet, dat wij ’t, zittende in het rijtuig, bijna niet konden uithouden.

Nog tot voor twee jaren gingen de vreemdelingen Jericho bezoeken onder militair geleide, omdat het volkje er niet te vertrouwen is en er menigmaal vreemdelingen totaal uitgeplunderd werden. Zij staan nu onder controle.

De weg naar Jeruzalem terug was dezelfde als dien wij gisteren gekomen zijn, met dat onderscheid, dat wij nu aanhoudend bergopwaarts gingen en de rijtuigen meestal stapvoets moesten gaan. Wij wilden tegen de lunch in Jeruzalem terug zijn, vandaar dat wij reeds om zes uur in de rijtuigen zaten. Ook nu weder passeerden wij onophoudelijk groote kudden geiten en schapen, met Jozef of David als herder, en karavanen kameelen en ezels, op weg naar Jeruzalem.

Het is grappig te zien, hoe die kameelen hun arrogante domme snuiten de lucht in steken en met een air de dédain op ons nietelingen nederzien. Een aardig tafereeltje zagen wij afspelen. Een Bedouïn, begeleider van vier bevrachte kameelen, had zich een oogenblik te rusten gelegd op een van de open plekken langs den weg. In den regel worden de beesten dan in dien tusschentijd ontladen en kunnen ook zij zich nedervleien of hun ontbijt zoeken. Deze Bedouïn had de moeite van de ontlading zijner beesten niet genomen, doch toen de meester sliep, trachtten zij zich zelf stuk voor stuk van hun last te ontdoen, wat hun maar al te goed gelukte. Eenmaal van hun last bevrijd, zetten zij het op een loopen, zoo snel als die onelegante beesten zich maar verplaatsen kunnen. Maar het genot van onbeperkte vrijheid duurt nooit lang; dat ondervonden de kameelen ook, want weldra waren zij bij een ravijn aangeland, waar geen van allen overdurfde. De meester, die ondertusschen ontwaakt was, holde hen na en toen ook hij het ravijn genaderd was, deed hij als elke kwajongen zou gedaan hebben: hij koelde zijn drift door de beesten met groote en kleine steenen naar de domme koppen te gooien; telkens bukte hij zich weder om nieuwen voorraad steenen [214]op te rapen, totdat hij blijkbaar genoeg redelijk verstand bijeen had, om in te zien, dat hij beter deed de beesten terug te brengen naar hun vracht, ze opnieuw te laden en verder te trekken.

Om half één waren wij in ons gemoedelijk, zindelijk en goed logement terug, waar wij weder door heeren en dames, oud en jong, hartelijk ontvangen werden. Nadat wij geluncht hadden, namen wij allen een paar uur rust en om vier uur begaven wij ons weder op weg, om het eerst de graftomben der koningen, zeer merkwaardige graftomben, onder den grond in de rotsen uitgehouwen, te bezoeken. Daarna gingen wij op den berg Zion en zagen er alle kerken en bijzonderheden, die daar te zien zijn.

Het meest van al impressioneeren mij de stadstooneeltjes, die wij zoo ongemerkt op onzen weg zien. Een oogenblik was ik diep bewogen. Wij hoorden een geweldig rumoer; eerst zagen wij in de verte een groote stofwolk en langzamerhand konden wij onderscheiden wat aan ons oog voorbijtrok. Een troepje soldaten voorop, een paar militairen te paard achteraan en aan de zijden soldaten, en daartusschen in de droeve, melancholieke gezichten van een honderdtal jongelingen, allen uit de dorpen opgehaald, om naar het oorlogsveld gezonden te worden. Al het woest getier, dat een krijgszang moest beduiden, door de soldaten gemaakt, kon den treurigen blik uit de oogen der jongelingen niet verwijderen; zij zagen er letterlijk uit alsof zij zich bewust waren naar de slachtbank gevoerd te worden. “Kanonnenvleesch,” die gedachte drong zich onwillekeurig aan mij op. Dit is tot dusver het eenige, wat wij hier van den oorlog gemerkt hebben.

Heden was het een interessante dag voor ons. Om half negen togen wij stadwaarts en begaven ons eerst naar de Harem-esh-sherif, of het “heilige der heiligen”. Om daar te komen, moet men toestemming vragen van de Turksche autoriteiten, en die kan men alleen krijgen met een introductie van den eigen consul. Om het gemakkelijk te maken, gingen wij maar alle vier voor Amerikaansche onderdanen door en, vergezeld van een vertegenwoordiger van den Amerikaanschen consul en een Turksch soldaat, en na onze voeten in een paar oude sloffen gestoken te hebben, konden wij dat “heilige der heiligen” binnentreden. Het is een zeer mooie, oude moskee, [215]die het stuk rots bevat, “de heilige rots”, die, volgens de Mohammedanen, tusschen hemel en aarde zweeft. Zij vertrouwen dat zaakje echter toch niet goed, want het stuk rots wordt aan alle kanten van onder op door zware kolommen gesteund. Mohammed schijnt van deze rots naar den hemel opgestegen te zijn. Abraham heeft op die rots Izaäk willen offeren en de Mohammedanen gelooven, dat onder die rots de zielen der gestorvenen tweemaal ’s weeks bijeenkomen om gezamenlijk te bidden. En nog veel meer heeft hier plaats gevonden, zooveel zelfs, dat goedgeloovigen gelooven, dat de rots een tong heeft en bij zekere gelegenheden spreekt. Na Mekka is dit het heiligste stuk grond op aarde, en als het laatste oordeel komt, dan zal Gods troon op die rots gebouwd worden. Wij zagen er ook de plek, vanwaar God het stukje klei nam om Adam te vormen.

Na aldaar nog de Aksa moskee, nu in handen der Grieken, bezichtigd te hebben, de moskee, waar God Mohammed in één nacht van Mekka bracht, begaven wij ons naar “de kerk van het heilige graf”. Dit is een zeer merkwaardige kerk, die staat op de plek, waar men gelooft, dat Jezus gekruisigd werd, en op welke plek de Katholieken, Grieken en Armeniërs gelijke aanspraken doen gelden. Broederlijk deelen zij nu die kerk samen, en elk bezit een zeker stuk ervan in eigendom. Over het bezit van één venster wordt echter reeds 27 jaar gevochten en niemand gunt den ander de eer van dat venster te mogen schoonmaken. En nu staat daar reeds 27 jaar een Turksch soldaat op wacht, om op te passen, dat, alvorens is uitgemaakt wie recht kan doen gelden op dat venster, er geen van alle met de vingers aankomt. Neen, wat nog erger is: in de Paaschweek, als de kerk van alle drie geloovigen vol is, dan houden er duizend Turksche, dat wil zeggen Mohammedaansche soldaten, heidenen in de oogen der Christenen, de wacht, om te voorkomen, dat de drie verschillende soorten Christenen ruzie krijgen, omdat bijv. een Armeniër met zijn stoel op den Griekschen grond komt, of omdat een Katholiek misschien bij vergissing een Armenisch recht aantast. Ik hoop, dat mijn lezers het mij niet euvel zullen duiden, dat ik deze feiten, uit godsdiensthaat ontstaan, vermeld, maar zij hebben een diepen indruk op mij gemaakt en nemen al het mooie en heilige weg van wat wij daar zagen. [216]

Wij zagen dezen morgen alle plaatsen, waar Jezus geleefd en geleden heeft, waar hij gekruisigd werd, van het kruis genomen en naar den hemel opgestegen is, en nog veel meer.

Vanmiddag gingen wij per rijtuig naar Bethlehem. Een mooie tocht, die ons een prachtig gezicht op het landschap gaf en waarbij wij weder tal van heilige plaatsen passeerden. In Bethlehem ziet men mannen en vrouwen nog geheel in de kleederdracht van twintig eeuwen geleden. Wij zagen hier natuurlijk de plaats van Jezus’ geboorte en op deze plaats meenen Grieken en Armeniërs gelijke aanspraken te kunnen doen gelden. Deze twee hebben hier nu gezamenlijk een kerk, waaronder de stal, waarin Jezus geboren is. Die stal is natuurlijk zeer donker en wordt door beide partijen met altijd brandende lampen verlicht. Iedere partij heeft er evenveel lampen en deze zijn van boven door een ketting bevestigd. Die ketting wordt vastgehouden door een ding, waarin vier spijkers zitten. Een van die spijkers is er uitgegaan, gebroken of wat anders; en nu betwist elk der partijen de andere het recht om die spijker te vernieuwen, en ook daar staat een soldaat nacht en dag op wacht om den vrede tusschen de beide partijen te handhaven en te voorkomen, dat niet een ervan die spijker vernieuwt. En in die kerk staat op nog twee andere plaatsen een soldaat op wacht om even zulke verheven redenen.

Terugkomende van Bethlehem hadden wij een klein accident, dat, zooals de gebruikelijke term luidt, treurige gevolgen had kunnen hebben, maar dat nog gelukkig is afgeloopen. Vlak bij een zeer diepen afgrond schrikten de paarden plotseling, en wij zouden met wagen en al naar beneden gerold zijn, als de koetsier niet met zooveel kracht de teugels had ingehouden, dat beide paarden naar de andere zijde overvielen en de een op den ander op den grond terecht kwam. Een oogenblik dachten wij, dat ook de wagen dien weg zou opgaan, maar dat gebeurde gelukkig niet. Wij kwamen allen met den schrik vrij, en behalve dat van een der paarden de knie ontveld was, had niemand verder letsel bekomen.

Wij waren vroeg genoeg in Jeruzalem terug om nog naar de “klaagplaats der Joden” te gaan. Dit is vooral des Vrijdagsavonds zeer belangwekkend, omdat de Joden daar dan in grooten getale bijeenkomen om gezamenlijk te weenen over het geleden verlies van Jeruzalem en te bidden, dat het hun [217]teruggegeven mag worden. Voor een stuk ouden muur, dat bij den val van Jericho nog zou zijn staan gebleven, ziet men honderden Joden, mannen en vrouwen, bidden en lamenteeren, en de oude, vergane steenen onophoudelijk kussen. Aangrijpender schouwspel is haast niet denkbaar. Nooit zag ik zooveel stokoude, grijze rabbi’s bijeen. Er waren er onder, die bijna niet meer loopen konden en door twee jonge mannen beiderzijds ondersteund werden. De oudsten stonden vooraan en het dichtst bij den muur. Heilig fanatisme blonk in aller oogen. Is het denkbaar, dat nu reeds vele eeuwen lang de Joden zich hier telkens met hetzelfde doel weder verzamelen en daar zoo lamenteerende hunne gebeden opzenden? Met mijn nuchtere levensopvatting kan ik haast niet gelooven, dat dit menschen met gezond verstand zijn. Het geheel maakte op mij een diep-droevigen indruk.

Zaterdagmorgen bezochten wij weder tal van kloosters en kerken en des middags brachten wij tal van bezoeken bij Mohammedaansche dames, die ons uitgenoodigd hadden. Het eerst brachten wij een bezoek bij de vrouw van den vorigen burgemeester van Jeruzalem. Zij is een zeer mooie vrouw, moeder van een dochter en een zoon. Alle dames, die wij bezochten, zijn, voor zoover zij gehuwd zijn, de eenige wettige vrouw van hunne mannen.

Onze eerste gastvrouw was eene lieve, verstandige vrouw, die even belangstellend was in hetgeen wij haar konden vertellen als wij in hetgeen wij van haar hoorden. Zij sprak alleen Arabisch, doch haar 16-jarige dochter spreekt vloeiend Engelsch, Fransch en Italiaansch. Toen wij haar vroegen, of zij vond, dat de positie der Mohammedaansche vrouw, evenals die van de vrouwen in Europa, Amerika enz., verbeterde, antwoordde zij, stralend van geluk: “O ja, zeer zeker. Mijn moeder kon niet lezen of schrijven en mocht nooit over iets anders spreken dan over de eenvoudigste huiselijke bezigheden, en zoo heeft zij ook mij opgevoed. Mijn man bespreekt echter alles met mij, houdt mij op de hoogte van alle bijzonderheden op politiek en maatschappelijk gebied en leest mij de courant voor. En mijne dochter heb ik alles laten leeren, wat een Europeesch meisje van onzen stand ook zou leeren, en zij heeft zeer vooruitstrevende denkbeelden. Zij wil niet, zooals bij ons gebruikelijk is, door de ouders uitgehuwelijkt worden, [218]zonder haar man te zien en te weten of zij hem liefheeft, en zij verzet zich zeer tegen het dragen van den sluier”. Vooralsnog durven de Mohammedaansche meisjes in Jeruzalem zich echter niet van den sluier ontdoen; het stadje is er te klein voor en de bevolking te fanatiek.

Na dit bezoek kwamen wij bij een jong getrouwd vrouwtje, dat in de Amerikaansche kolonie, waarin wij logeeren, zeven jaren is opgevoed. Zij behoort tot een zeer ouderwets denkende, middelklassige Mohammedaansche familie, die nog zeer patriarchaal leven. De zonen blijven, als zij trouwen, bij de ouders inwonen en vormen in het ouderlijk gezin tal van nieuwe gezinnen. Elk echtpaar en kinderen hebben één kamer voor zich zelf, al het andere is gezamenlijk. Het jonge vrouwtje, dat ons had uitgenoodigd, was bijna 19 jaar en haar man was nauwelijks 17 jaar en bezocht nog de school. De jonge man, die gedurende ons bezoek van de school thuiskwam, heeft algeheele macht over zijn honderdmaal hooger ontwikkelde vrouw. En een jongen van dien leeftijd weet natuurlijk niet hoe hij die macht op redelijke wijze mag gebruiken. Niettegenstaande haar schoonmoeder en een paar tantes tijdens ons bezoek aanwezig waren, kon zij toch vrij uit met ons spreken, omdat de conversatie in het Engelsch ging en die andere dames daarvan geen woord verstonden. Zij merkte op dat het eigenlijk verkeerd is het jonge Turksche meisje eene goede opvoeding te geven, zoolang de zeden en gebruiken nog op den ouden voet doorgaan. Wij konden haar echter overtuigen, dat hare hoogere ontwikkeling haar kinderen ten goede zal komen en dat door de moeders te ontwikkelen het ras alleen kan vooruitgaan. Zij zou niet voor niets lijden; dat wat zij ondervond, hadden in alle landen alle vrouwen ondervonden, die in ontwikkeling en beschaving het gros der natie vooruit waren. Haar schoonmoeder en haar tantes, die niet lezen of schrijven konden, voelden zich (en vooral de eerste) volmaakt gelukkig in haar afhankelijke positie. Hare gelaatsuitdrukkingen, vooral die der oogen, waren wezenloos. Er was geen enkele emotie in die gezichten te bespeuren.

Daarna gingen wij naar het hoofd van de Mohammedaansche meisjesschool, een openbare school. De directrice had al hare onderwijzeressen uitgenoodigd en daar werden wij in hare [219]woning recht feestelijk ontvangen. Hadden wij bij de twee vorige bezoeken na het een of ander zoetigheidje de gebruikelijke Turksche koffie genoten, een klein kopje vol heel sterke, zoete, zwarte koffie, waarin een of ander geurigheidje is gedaan, hier, bij de onderwijzeressen, werden wij onthaald eerst op eigengemaakte confituren, toen koffie, direct daarna thee en toen werd een tafel vol met allerlei vruchten en zoetigheden, die reeds klaar stond, maar met een doek overdekt was, voor ons heen gezet en ontsluierd. Van alles moesten wij proeven en onderwijl las een der onderwijzeressen ons een stukje uit den Koran voor, waarvan wij wel niets verstonden, doch dat ons toch interesseerde, omdat het lezen eigenlijk meer zingen is. Ook met deze meisjes spraken wij over de positie der Turksche vrouw, maar hier, als in zoovele meer ontwikkelde landen, durfden de leeraressen zich niet al te sterk uitlaten, omdat zij in gemeentedienst zijn. Eén ding geeft echter hoop: zij zijn met haar salaris niet tevreden, dat voor haar, voor hetzelfde aantal lesuren als de mannen geven, zooveel lager is, als van hare mannelijke collega’s. Ik vond de salarieering anders nog niet zoo slecht, in aanmerking genomen de goedkoope leefwijze in Jeruzalem. Het salaris van de hoofdonderwijzeres bedraagt, in Hollandsch geld omgezet, ƒ 800 en vrije woning, voor de anderen ƒ 600 en ƒ 700. Een van de onderwijzeressen was naar Mekka geweest en vertelde ons daarvan allerlei bijzonderheden.

Des avonds waren wij de gasten in het huis van den burgemeester. De burgemeester is een ongetrouwd man en leeft nog in het huis van zijn moeder en met zijn ongetrouwde zuster. Dit is een heel merkwaardige familie, die rechtstreeksch van Mohammed afstamt. Zij zijn de 33e generatie. De vader van den tegenwoordigen burgemeester was gedurende zijn leven 16 jaar burgemeester van Jeruzalem. Zijne weduwe vertelde ons allerlei bijzonderheden uit hare jeugd. Zij was op tienjarigen leeftijd gehuwd met haar man, die toen 17 jaar oud was, en toen zij nauwelijks twaalf jaar oud was, werd hun eerste kind geboren. De wijze, waarop dat jeugdig ouderpaar dien eerstgeborene grootbracht en opvoedde, vindt de moeder nu zelf zoo onmogelijk, dat zij zich niet kan begrijpen, dat het kind daaronder niet is bezweken. Zij zeide, dat de Mohammedaansche kinderen wel van bijzonder maaksel moeten [220]zijn, want dat hare kinderen, twee zonen en vijf dochters, tot sterke, gezonde kinderen zijn opgegroeid, wat haar nu onbegrijpelijk is. De oudste zoon is pasja van Bagdad en is zelfs veertigmaal grootvader. De jongste zoon is de tegenwoordige burgemeester van Jeruzalem. Vier dochters zijn gehuwd, allen op twaalf à veertienjarigen leeftijd, doch de jongste dochter, die een zeer goede opvoeding genoten heeft en Fransch spreekt als een Française, heeft tot dusver geweigerd een haar onbekenden man te huwen. Zij vertelde ons veel uit het leven der Turksche vrouwen en noemde het een ongelukkig bestaan. Zij was wel niet op de hoogte van de moderne vrouwenbeweging, docht stelde er zeer veel belang in en hoopte, dat die zich ook spoedig tot de Turksche vrouwen zou uitstrekken. Zij vertelde ons ook, dat het gesluierd gaan van de Turksche vrouwen niets met hun godsdienst te maken heeft, dat de Koran er over zwijgt, maar dat het een eeuwenoud gebruik is, dat kans heeft nu te verdwijnen. Zij zelf durfde in Jeruzalem niet ongesluierd gaan, doch als zij in Constantinopel bij hare vrienden logeert, dan laat zij den sluier af. Zij en hare broeder behooren tot de Jong-Turken en zij hoopt, dat de nieuwe toestand, in Turkije geschapen, ook den vrouwen in vele opzichten ten goede zal komen.

Nog heel lang hebben wij met deze beschaafde vrouwen zitten praten en veel van elkander geleerd.

III.

Toen wij Vrijdagavond van onzen tocht thuis kwamen, waren wij niet weinig verschrikt bij het vernemen van de tijding, dat er in Jaffa drie gevallen van cholera waren geconstateerd en deze plaats voor besmet was verklaard. Dit bericht bracht ons geheele reisplan in de war. Het is nu bijna zeker, dat de booten Jaffa niet zullen aandoen, en wij van daar niet naar Port Said kunnen terugkeeren. De eenige mogelijkheid om hier weder vandaan te komen, zoo wordt ons van verschillende zijden verzekerd, is over Damascus naar Beirût te gaan en daar een stoomboot te nemen, die ons naar Port Said of als dat niet kan, naar Alexandrië of naar Marseille brengt. Nu is de afstand tusschen Beirut en Jeruzalem op de kaart niet zoo groot, maar in een land, waar bijna geen spoorwegen [221]zijn, waar de rijwegen zelfs nog zeer schaarsch en in elk geval zeer slecht zijn, daar heeft zoo’n reis heel wat te beteekenen. Wij moeten nu Maandagmorgen om 7 uur vertrekken en per rijtuig naar Nabulus gaan, daar overnachten en den volgenden morgen weder per rijtuig over Jenin naar Nazareth, dat is een rijtoer over een zeer slechten weg van 9 uur; den volgenden dag van daar naar Tiberias en van daar Donderdagmorgen eerst over het meer van Gennesaret per boot en dan per rijtuig naar een klein plaatsje, van waar wij per spoor ’s avonds laat in Damascus kunnen aankomen. Vrijdag zullen wij dan in Damascus kunnen blijven om uit te rusten, om dan Zaterdag van daar per spoor naar Beirut weder een reis van bijna den geheelen dag, te vertrekken. Wij hopen dan Zondag in Beirut een boot te krijgen, die ons van daar naar Egypte terugbrengt. Men ziet het, zoo heel gemakkelijk is hier het reizen niet. Wij zijn blij, dat onze dragoman, een vertrouwd jongmensch, ons ook op dezen tocht wil vergezellen en onzen weg effenen. Zonder de taal van het land machtig te zijn en zonder kennis van de bijzonderheden der wegen, is het onmogelijk hier te reizen zonder dragoman.

Vandaag—Zondag 26 Nov.—vernamen wij, dat de trein tusschen Jaffa en Jeruzalem is stop gezet, omdat men de uitbreiding van de cholera vreest. Het is wel erg, als in een land als dit, voor zoover wij het nu kennen, een besmettelijke ziekte uitbreekt. Van de eenvoudigste opvatting van zindelijkheid heeft de bevolking geen begrip. De laatste maal dat Jeruzalem’s straten zijn schoongeveegd, was in 1898, vóór dat de keizer van Duitschland hier een bezoek bracht. Voor het opgeveegde vuil had men toen evenwel geen plaats en toen is alles in kelderhokken in de nauwe straten van de stad gegooid en zijn deze daarna dichtgegrendeld. Dat vuil ligt daar nu nog, want men is het er in den gemeenteraad nog niet over eens, wat men er mede doen moet. Kan men zich grooter eenvoud van verstand voorstellen? Toch zitten er geen vrouwen in den gemeenteraad van Jeruzalem, het zijn allen vroede vaderen, die met mannelijke wijsheid de stad regeeren.

Dit vrijwel overhaast vertrek uit Jeruzalem maakt het nu voor mij onmogelijk om de hospitalen, of enkele er van, te bezoeken. Hier zijn tal van hospitalen, want elke godsdienstsekte heeft niet alleen haar eigen kerk, doch ook haar eigen [222]hospitaal. Ik had gaarne het groote Britsche hospitaal voor oogziekten en het gemeentelijk algemeen hospitaal bezocht. Met den directeur-geneesheer van het eerste heb ik in Jaffa kennis gemaakt en vele bijzonderheden er over vernomen. Voor jonge oogartsen schijnt hier een machtig studieveld te bestaan, want in geen land ter wereld komen zoovele menschen met oogziekten voor.

Ook heb ik nu geene gelegenheid meer om hier de verschillende kolonies van Joden te bezoeken en te zien hoe de geïmmigreerde Joden hier leven en wat die hier uitvoeren. Hier dicht bij heeft de laatst gekomen groep zich genesteld. De huizen, die wij telkens moesten passeeren, als wij naar de stad en terug naar ons pension gingen, zien er netjes en goed uit. Men vertelde mij, dat deze Joden niet coöperatief werken en niet communistisch leven, doch hun verschillend beroep ieder op eigen risico uitoefenen. Zij ontvangen in den beginne financieelen steun, totdat zij zichzelf kunnen redden. De groote immigratie van Joden is momenteel tot een stilstand gekomen, zoo vertelt men mij hier, omdat de regeering de zonen der Joden, die zich hier komen vestigen, ook oproept om militaire plichten te vervullen. Daarvan zijn zij natuurlijk niet gediend en zoolang daarin geene verandering is gekomen, zullen de Joden uit andere landen niet zoo gemakkelijk meer te bewegen zijn, zich hier te komen vestigen.

Een eigenaardige Jodentype ontmoet ik hier steeds in de straten. De meesten van dezen hebben bleeke, melancholieke, teere gezichten, dragen allen dezelfde ronde vuile vilten hoedjes en aan elke kant van het gezicht een lange krul, op dezelfde wijze als onze Marker-visschersvrouwen, al zijn de krullen niet zoo lang en donkerder van kleur. Het zijn voornamelijk Joden uit Wilna (Polen), die zeer orthodox zijn. Zij worden hier Skinage genoemd.


En nu zal ik het een en ander van de kolonie vertellen, waarin wij een zoo rustige, comfortable, huiselijke week doorbrachten en waar wij zoovele lieve goede vrienden maakten. Men voelt zich er onmiddellijk thuis, omdat men voelt en uit alles merkt, dat men in eene omgeving verkeert, van goede, brave menschen, die geen pogingen doen om hunne overtuiging aan anderen op te dringen. Het zijn geen proselietenmakers, [223]het zijn menschen die zelf, volgens eigen opvatting, braaf, en goed willen leven en zooveel goed doen aan anderen als hun mogelijk is. Overdreven godsdienstig of fanatiek zijn zij ook niet en als men bij hunne gebeden en hunne godsdienstoefeningen tegenwoordig is, krijgt men het gevoel, dat elkeen oprecht gelooft wat hij zegt en, dat hij handelt in overeenstemming met zijne woorden.

Er zijn ruim 100 mannen en vrouwen in de kolonie, die strikt op communistischen voet leven. Er zijn oude en jonge mannen, oude vrouwen, jonge vrouwen en jonge meisjes. Velen van de jongeren zijn in de kolonie geboren. Van de jonge paartjes zijn al de huwelijken gesloten uit eigen kring, deze vormen weder nieuwe gezinnen. Tal van lekkere, gezonde, goed uitziende babies zag ik er.

Ofschoon de kolonie gevormd is door eenige Amerikanen, hebben zich toch weldra eene groep Zweedsche mannen en vrouwen bij hen aangesloten, waardoor het een Amerikaansch-Zweedsche kolonie werd, doch steeds Amerikaansche kolonie genoemd wordt. Niemand bezit iets van deze kolonisten, al wat ieder bezit of erft of verdient, gaat in de gezamenlijke schatkist. Elkeen doet er het werk waarvoor hij of zij het beste geschikt is en wat hij of zij het beste volbrengen kan, en men helpt elkaar en stelt elkaar in de gelegenheid om het in het werk wat hij of zij wil doen tot de grootste hoogte te brengen. Zoo is de jonge man of zijn de jonge mannen, die de photographie beoefenen door opleiding, studieboeken, instrumenten, tijdschriften, enz. niet alleen in de gelegenheid gesteld het tot eene groote hoogte te brengen, maar eenmaal klaar voor hun vak, ook om zich steeds verder te ontwikkelen. De photographieën die zij van het land maken, worden over de geheele wereld verkocht en hunne lantaarnplaten voor lezingen en onderwijs over Palestina en zijne historische herinneringen worden vooral in Amerika veel gebruikt.

Alles wat door de kolonisten genuttigd wordt en alles wat zij voor leven en comfort noodig hebben, wordt door hen zelven gemaakt. Bediendenpersoneel is er niet. Het huis wordt door de jonge meisjes schoon gehouden en jonge meisjes bedienen aan tafel. Er is een keuken voor het middageten en een broodbakkerij en niet alleen de koekjes en taarten voor eigen gebruik worden er gebakken, maar daar er in heel [224]Jeruzalem niet zoo’n goede banketbakkerij is als hier, leveren zij voor alle feestelijkheden, die er in de stad plaats vinden, en voor de voornamen van de stad, alle gebak, dat er gebruikt wordt. Zij hebben hun eigen koeien en paarden, verbouwen hun eigen koren, kweeken hun groenten en vruchten, spinnen, weven en naaien hunne eigen benoodigdheden, maken hun eigen ameublement, in ’t kort, alles wat noodig is voor een gezin van zoovele personen, geschiedt door henzelf. En ook vele andere menschen worden geholpen, en daarvoor ontvangen zij betaling. Vroeger deden zij alles voor niets, maar weldra zagen zij in, dat zij op die wijze niet bestaan konden en nu helpen zij armen voor niets, doch die betalen kan moet hunne diensten betalen. Zij hebben ook één grooten winkel in de stad, de American Store, waarin allerlei soort artikelen, door hen gemaakt, verkocht worden.

Al de leden van de kolonie zien er des daags en des Zondags als heeren en dames uit, alhoewel van allen de kleeding eenvoudig, doch smaakvol is. De voeding is er smakelijk en overvloedig en beter dan in menig welgesteld gezin. Alle volwassen personen nemen gelijktijdig aan de maaltijden deel, de kinderen eten afzonderlijk. Er zijn natuurlijk ook goede scholen voor de kinderen in de kolonie, waar zij uitstekend onderwijs genieten, in de verschillende vakken. Wij kunnen natuurlijk hierover slechts oordeelen naar de resultaten die wij hier zien en naar het feit, dat vele notabelen van de stad hunne kinderen hier op school zenden.

Het feit, dat deze communisten, want dat zijn zij eigenlijk, geene proselieten trachten te maken en allen in eigen geloof door hun voorbeeld tot goede menschen trachten te vormen, heeft hen bij de Mohammedaansche bevolking, die door verschillende missionairs zoo geplaagd geworden zijn, spoedig bemind gemaakt. Zij zijn geloovige Christenen, die geheel naar de leer van Jezus trachten te leven.

Hoe zij tot het vormen van deze kolonie kwamen, vertelt mevrouw Spafford, die met haar man de stichters er van waren, aldus: Zij waren zeer godsdienstige menschen en leefden in Chicago, waar Mr. Spafford advocaat was. Zij hadden vier kinderen en een aangenomen zoon. Bij een vreeselijke schipbreuk verloren zij de vier kinderen en dit ongeluk bracht hen tot nadenken. Zij vroegen zich af, of zij wel volgens de leer [225]van Christus geleefd hadden en toen namen zij het besluit Jeruzalem te bezoeken en zich daar blijvend te vestigen. Enkele goede vrienden, met dezelfde godsdienstige gezindheid, sloten zich bij hen aan en zoo kwamen zij in 1881 in Palestina. Zij vonden hier het werk, wat zij meenden te moeten doen, maar hunne middelen waren beperkt, zoodat zij weldra in groote armoede verkeerden. Gaandeweg sloten zich anderen bij hen aan, die wat geld hadden en hoewel zij groote ontberingen leden, kwamen zij toch niet van honger en ellende om. Zij werden door familie en vrienden in Amerika voor fanatieke krankzinnigen gehouden en hadden hier, vooral van den Amerikaanschen consul, met groote tegenkanting te kampen. Allerlei slechte dingen werden van hen verteld, vooral ook, dat zij zeer immoreel leefden. Op dien grond wilde de familie van mevrouw Whiting, eene weduwe uit Chicago, die met hare twee kinderen zich bij de kolonie had aangesloten, haar de voogdij over hare kinderen ontnemen en werd zij bij den dood van hare moeder onterfd. Om al deze redenen moest zij naar Amerika terugkomen en daar ook andere leden van de kolonie moeilijkheden met hunne familie in Amerika hadden, besloten zij allen te zamen te gaan.

In dien tusschentijd had mevrouw Spafford echter veel wedervaren. Zij was in Jeruzalem twee keer van een dochtertje bevallen, haar man was er gestorven, en ook haar aangenomen zoon. Deze laatste had echter een boezemvriend, een wees, die niettegenstaande hij bij den dood van zijn vriend reeds 18 jaar oud was, toen door mevrouw Spafford als zoon werd aangenomen en ook nog als zoodanig optreedt.

In Amerika, waar verschillende der leden processen te voeren hadden om hun rechten te verkrijgen, werd er in de couranten veel over hen geschreven, waardoor zij vele aanhangers kregen. Onder deze aanhanger was ook een heele groep Zweden, die in Amerika gekomen waren om godsdienstige redenen, en die daar niet gevonden hadden wat zij er zochten. Met een gevolg uit 67 personen bestaande, kwamen zij in Jeruzalem terug, en nu ook hunne geldzaken in Amerika geregeld waren, konden zij zich beter inrichten, en een ware christelijke gemeenschap vormen. Nadien heeft zich slechts een enkelen keer een nieuw lid bij hen aangesloten, o.a. een Mohammedaan; en eenmaal kwam uit Zweden, uit Dalecarlië, eene groep mannen [226]en vrouwen, de personen waarvan Selma Lagerlöf in haar boek “Jeruzalem” melding maakt. In de dertig jaren, dat de kolonie bestaat, is het nog maar eenmaal voorgekomen, dat iemand de kolonie verliet. Dit was een Zweedsche jonge man, die als kind met zijn moeder er gekomen was, en altijd een verlangen gekoesterd heeft, naar Zweden terug te keeren.

Mevrouw Spafford is nu een krasse oude vrouw van zeventig jaren, die nog de hoofddirectie voert. Haar aangenomen zoon, Jacob, is het mannelijk hoofd, voor zoover men dezen term in de gemeenschap gebruiken kan. De beide dochters, mooie, vroolijke gezonde vrouwtjes, zijn beide met mannen uit de gemeenschap getrouwd, en hebben beeldige spruiten.

Terwijl ik dezen brief zit te schrijven, hoor ik beneden het gemengd koor zingen en zijn er evenals elken Zondagmiddag en -avond, tal van gasten, uit de Christelijke en Mohammedaansche bevolking uit de stad. De predikant van de alhier bestaande Engelsche kerk en zijne vrouw waren van middag de gasten aan tafel.

Ik heb over deze kolonie zoo uitvoerig geschreven, omdat ik vermoed, dat er in Holland velen gevonden zullen worden, die er belang in stellen. Ik kan elken landgenoot aanraden, die Palestina gaat bezoeken, om te trachten in dit vreedzame oord gastvrijheid te verkrijgen. [227]

[Inhoud]
Ornament

Van Jeruzalem naar Beirût.

Om zeven uur stonden vanochtend de twee rijtuigen, elk met drie paarden bespannen, weder gereed om ons van uit ons veilig oord in Jeruzalem weg te voeren. Zoo zonder omwegen ging dat echter niet. Wij werden gewaarschuwd, dat wij een bewijs moesten medenemen, dat wij sedert de cholera niet in Jaffa waren geweest en dat wij allen gezond waren. Onze dragoman had daarvoor spoedig een medicus gevonden, die op zijn medisch geweten nam voor tien gulden te verklaren, dat wij niet in Jaffa waren geweest en dat wij gezond waren, zonder dat de man een van ons allen gezien had. Met dit gewichtig document gewapend begaven wij ons op weg. Het landschap verschilde niet veel van dat, wat wij ook de vorige dagen genoten hadden en de menschen en dieren, die wij ontmoetten, waren ook vrijwel gelijk aan die wij reeds kenden. Alleen toen wij Jeruzalem wat verder achter den rug hadden, begon vooral de hoofdtooi der vrouwen zich te wijzigen. Groote karavanen kameelen en muilezels, alle zwaarbeladen, passeerden ons. In één karavaan telden wij 34 kameelen en ontzaglijk veel ezels.

Het weder was als tot dusver steeds buitengewoon mooi, wij konden het ons niet beter wenschen. Om half een hielden wij halt. Het was in het dal van Ephraim, aan den voet van een berg en vlak bij een bron, waaruit de dochteren van Lubban in geitehuiden water kwamen halen en met de gevulde huid op het hoofd (de gevulde huid zag er nu uit als een dood geitje) bergopwaarts togen om het water te brengen naar het dorpje, dat op den top van den berg gelegen is. [228]

Wij hadden een lunch, en een heel goede, van de Amerikaansch-Zweedsche kolonie mede gekregen en nu vlijden wij ons neder in de schaduw van een grooten vijgeboom en lieten ons de boterhammen, de vruchten en de zoetigheden goed smaken.

Natuurlijk passeerden wij op den weg weder allerlei historische bijzonderheden; elke bron, elk oud vergaan huis, elke graftombe, elk dorp bijna heeft bijbelsche vermaardheid, doch één plekje had voor ons eene bijzondere beteekenis. Dicht bij Nabulus was de bron van Jacob, waar Jezus de vrouw van Samaria ontmoette, waarover Reverend Anna Shaw op den Zondag, voorafgaande aan het congres voor vrouwenkiesrecht in Stockholm, in de Staatskerk aldaar, zoo mooi sprak.

Om vier uur waren wij in Nabulus, alwaar wij logeeren in een hotel, dat door de directie van de Hamburg-Amerikalijn daar geplaatst is en geëxploiteerd wordt. Wij gingen onmiddellijk op weg om nog iets van het stadje bij daglicht te zien. Door tal van nauwe, vuile straatjes, veel overeenkomst hebbende met die in Jeruzalem, bracht onze gids ons in een poort, waarachter een complex van woningen, alle bewoond door eenzelfde soort menschen. Het zijn de Samaritanen. Er bestaan nog 180 leden van deze gemeenschap. Het is een vreemd soort menschen. Hoewel hunne feestdagen, godsdienstoefening enz. heel veel overeenkomst hebben met die der Joden en zij er zeer semitisch uitzien, haten en verachten zij toch de Joden, evenals de Christenen. Zij voelen zich boven allen verheven. Zij hebben hun eigen kerkje en vormen zelfs hun eigen gemeente. Het hoogepriesterschap is erfelijk en gaat van vader op oudsten zoon over. De hoogepriester is tegelijkertijd ook het burgerlijk hoofd en beslist over alle moeilijkheden, die er tusschen de Samaritanen onderling mogen voorkomen. Het merkwaardigste van dit handjevol menschen, die langzaam uitsterven, is dat zij werkelijk in het bezit zijn van de oudste uitgave van het Oude Testament. Het exemplaar, dat zij bezitten, is 3636 jaar oud. Een copie, een namaak er van, wordt den vreemdelingen vertoond, want het echte exemplaar wordt alleen bij groote uitzonderingen voor den dag gebracht.

Het stadje vertoont overigens dezelfde eigenaardigheden, die wij ook in Jaffa en Jeruzalem zagen; tijd om er veel van te zien hadden wij niet, omdat de straten te vuil en te glibberig zijn om zich er in het donker in te wagen. [229]

Om zes uur vanochtend zaten wij reeds weder in de rijtuigen, omdat ons vandaag een zware dag wachtte. Het was echter, niettegenstaande de dragoman ons er alles van verteld had, nog erger dan wij ons hadden kunnen voorstellen. De weg is geen rijweg, nauwelijks zelfs goed genoeg om er per paard over te komen. De meeste passagiers maken dien tocht op ezels en doen er dan twee dagen over. Maar dat was voor ons onmogelijk, omdat wij op tijd in Beirut moesten aankomen en omdat een ander hotel van de Hamburg-Amerikalijn, dat ongeveer op de helft van den weg ligt, nu gesloten is, en om in tenten buiten te kampeeren, zooals zomers ook veel toeristen doen, zijn de nachten nu te koud. Wij hadden dus geen keuze en moesten door dezen zwaren dag heen. Den geheelen dag ging het berg op en berg af en dan weer door een vallei en steeds over gaten, boomstammen, steenen en langs afgronden. Herhaaldelijk moesten wij uitstappen om te loopen, en ware de afstand niet veel te groot geweest, dan hadden wij dat zeer zeker verkozen boven zoo’n rijtoer. Nu en dan gingen wij dwars over een weiland, of over de versch geploegde voren, van een bouwveld.

Om half twaalf hielden wij een rustpoos, om de paarden rust te geven, en in dien tusschentijd vlijden wij ons allen op onze uitgespreide reisdekens neder en werden door den dragoman bediend van een koude lunch, zoo goed alsof wij in een groot hotel waren. Om zes uur kwamen wij in Nazareth in het hotel aan, waar telegrafisch reeds kamers voor ons besteld waren. Evenals gisteravond in Nabulus moesten wij ook hier direct laten constateeren, dat wij niet van Jaffa kwamen en geen cholerabacillen medevoerden.

Het landschap vertoont steeds hetzelfde eigenaardig aanzien, wat wij door heel Palestina opmerkten. Hooge kale bergen, dorpjes altijd gebouwd op den top der bergen, en vruchtbare en onvruchtbare dalen. Wij passeerden nu wat meer boomen, soms zelfs kleine bosschen, doch alle boomen zijn olijf- of vijgeboomen en een zeker soort cactus. Deze laatste kan natuurlijk niet onder de boomen gerangschikt worden, maar zij groeien hier in groote hoeveelheid, zijn soms zoo hoog en breed als boomen en geven een smakelijke vrucht, een zeker soort peer.

Dicht bij Nazareth passeerden wij een zeer vruchtbare vallei, [230]waarin een Joodsche kolonie zich kort geleden gevestigd heeft. Al de bouwgrond rondom is door de vereeniging of maatschappij, die hen ondersteunt, opgekocht, zoodat zij zich hier goed kunnen ontwikkelen. Het zag er alles flink en hoopvol uit.

Wij behoefden vandaag eerst na de lunch uit Nazareth te vertrekken en hadden daardoor vanochtend alle gelegenheid het stadje te doorkruisen. De plaats waar Jezus zijn kinderjaren doorbracht en gewerkt heeft, bezit natuurlijk tal van historische herinneringen en men kan gerust zeggen, dat op elk plekje, waar men maar gelooft, dat Jezus Zijn voet heeft gezet, nu een kerk of een klooster staat, aan een of andere godsdienstige sekte toebehoorende. Al die Fransche monniken en nonnen, de Grieksche priesters, de Russische Katholieken en andere vreemde vrome mannen en vrouwen, die hier sedert jaren wonen, hebben echter van de bevolking nog geen twintigste-eeuwsche menschen gemaakt. De ontwikkeling en beschaving is hier minstens vijf eeuwen ten achter, terwijl zeden en gewoonten nog dateeren van het begin der jaartelling. In het midden van het stadje is een zeer oude bron, waar den geheelen dag de vrouwen en meisjes uit de bevolking komen om water te halen, dat zij in eigenaardige aarden kannen op het hoofd dragen en huiswaarts voeren. Hier hadden wij gelegenheid op te merken, hoe mooi bijna alle vrouwen van Nazareth zijn. Mooi van bouw en van eene bijzondere Oostersche schoonheid.

Om twaalf uur reden wij hedenmorgen weg, nadat de dragoman eerst het bewijs, dat wij gezond waren en niet uit Jaffa komen, door een officieel persoon in Nazareth had laten verifieeren. Dit was nu eens een zeer mooien tocht. Het landschap was geheel veranderd, de hooge bergen zagen er niet zoo wild en onherbergzaam uit, de groote, breede vlakten waren groen of omgeploegd om tegen het voorjaar groen te worden, de karavanen op den weg veel menigvuldiger en telkens passeerden wij dorpjes, waarvan de schilderachtigheid vooral van uit de verte gezien, alle beschrijving te boven gaat. Het was mij, alsof ik in een sprookjeswereld verkeerde.

Zoo’n dorp heeft veel van een dorp der roodhuiden in Amerika, met dit verschil alleen, dat de huizen der Indianen alleen van boven in een van de kalk- en moddermuren een [231]vierkant gat hebben, waardoor men met een ladder in het huis kan klimmen, terwijl deze Arabieren onder in den muur een vierkant gat hebben, waardoor men gebukt het huis kan binnentreden.

Om een klein staaltje te geven van het totaal gemis aan eenig begrip van hygiëne, wil ik trachten een klein tafereeltje te schetsen van hetgeen wij vanmiddag op onzen weg zagen.

In een dorpje was een groote bron, waarbij koeien, ezels, olifanten, geiten en schapen in grooten getale hun dorst leschten. Eenige vrouwen stonden met hunne bloote beenen in de bron te wasschen, eenige mannen waschten er hunne bestofte, vieze, vuile voeten en beenen in, het water zag zoo modderig en smerig als men maar met mogelijkheid denken kan, en toch vulden aan deze bron de vrouwen hunne kannen en kruiken om het water huiswaarts te voeren en zagen wij mannen dat water zoo uit de bron drinken. Maar dat tafereeltje aan die bron was schilderachtig. Al die mannen en, vrouwen, met hunne roode, blauwe, gele en groene lange kleederen, de vrouwen met de kleurigste harembroeken onder hun dun rokje uitkomende en met de Oostersche hoofdbedekking, en de Arabieren allen met hunne gekleurde hoofddoeken, daar tusschen al dat vee vrij rond plassende, was mooier dan ik kan weergeven. Deze mannen en vrouwen zijn bijna allen mooie menschen, maar jammer boven jammer, al die vrouwen hadden hunne mooie gezichten op de vreemdste wijze getatoueerd. Allen hadden zonder uitzondering een kruis of een ander teeken boven de neus, tusschen de wenkbrauwen in, terwijl velen de wangen en den mond met allerlei teekens versierd hadden. Eén meisje zagen wij, die rondom haar mond zoo getatoueerd was, dat het leek, alsof het fijne, teere kind een baard had.

Ongeveer een uur vóór dat wij Tiberias bereikten, zagen wij van boven van den berg, waarop wij waren, op het fraaie meer van Galilei neer. “Het meer van Genève” riepen wij allen tegelijk uit, zoo leek het van verre precies; doch toen wij nader kwamen, zagen wij, dat de oevers van het meer geheel anders zijn, dat de soliede, steenige bergwand, die vrij steil vanuit het meer opstijgt, niets gemeen heeft met de bewoonde, groene oevers van het Zwitsersche meer.

Kort voor wij in Tiberias aankwamen, passeerden wij eene [232]zeer vruchtbare vallei, waarvan de Zionisten (of zou het niet de Hirschvereeniging zijn?) alle grond heeft opgekocht en waar nu reeds een 25 of 30 Joodsche families de nieuw gebouwde woningen bevolken.

Wij kwamen nog vóór vier uur in Tiberias aan, buiten de wallen opgehouden door een overheidspersoon, die ons met een groote mate van gezag vroeg van waar wij kwamen en of wij gezond waren. Mr. Barakat, de dragoman, vertoonde het bewijs en nadat de overheidspersoon en nog een ander heer met groot gewicht, dat papier gelezen en herlezen hadden, konden wij doorgaan. Van hieruit moeten wij nu morgen vroeg zoo’n nieuw document medevoeren.

Wij gingen onmiddellijk het stadje in, dat liefelijk aan het wereldbekende meer gelegen is. Er is nog een ruimte, die—zoo zegt men—uit Herodus’ tijd stamt en van de zeer oude wallen, waarmede het stadje eertijds omgeven was, staan overal nog brokstukken. Het stadje is op zichzelf heel oud en op dezelfde wijze gebouwd als alle Arabische stadjes die wij zagen. Zeer nauwe vieze, vuile straten. De bevolking hier bestaat voor een groot deel uit Orthodoxe Joden, waaronder tal van Poolsche Joden. Men hoort hier dan ook in de straten zeer veel Duitsch spreken. Even vóór zonsondergang zagen wij een troep Joden eene godsdienstoefening in de open lucht op een stuk weiland houden.

Tiberias is des zomers zeer bezocht door vreemdelingen, die hier van de zwavelbronnen komen profiteeren voor rheumatisme en huidziekten. Ik zou al heel ziek moeten zijn en nergens anders genezing kunnen vinden, eer ik zou besluiten hier een badkuur te doen. De natuur is mooi genoeg, maar de menschen zien er allen zeer weinig aantrekkelijk uit en Baedeker vertelt, dat er niet één te vertrouwen is. Voor een crimineele anthropologist is hier een prachtig studieveld. Vóór wij Tiberias verlaten,—op het meer zullen wij morgenochtend nog een zeiltochtje maken,—wil ik aan degenen die er belang in stellen mededeelen, dat hier op een heuvel, de graftombe van den beroemden Rabbi Akiba gevonden wordt.

Donderdagochtend vertrokken wij om half zeven uit Tiberias, vanwaar wij met een zeilboot het meer van Galilei overstaken om bijtijds in Smalakh te komen, om den trein te halen, die om half negen vandaar naar Damascus vertrekt. Wij genoten [233]een mooien zonsopgang op het meer. Allerlei legenden worden van dit meer verteld. Wij kwamen juist op tijd in het Turksche dorpje om den trein te krijgen, die op ’t punt van vertrekken stond. Zoo’n trein te missen zegt hier veel, want er gaat maar één trein daags en gelegenheid om in zoo’n dorp te overnachten, bestaat niet. Wij waren blij, dat wij eindelijk in een trein zaten en dat de spoorreis niet al te bezwarend was. Het spoorverkeer is nog in een stadium van wording en vooralsnog vergenoegt men zich hier met de afgedankte en zeer verouderde wagons van Duitschland. Zoo’n tocht in een trein in een vreemd land en vooral in een zoo achterlijk land is altijd interessant, geen oogenblik viel ons dan ook de tocht te lang. Vooral aan de stations zagen wij soms zeer eigenaardige tooneeltjes; ik zou zoo’n Arabischen trein wel eens voor één dag door Holland willen laten rijden. De rare koppen, vooral omdat de hoofdtooi van mannen en vrouwen hier zoo vreemd is, die bij elk station uit de vierkante gaten, die voor vensters moeten dienst doen, hingen, is een gang naar het station waard.

Om vijf uur kwamen wij in Damascus aan en hadden eerst een half uur lange rit door de stad te maken, alvorens wij het Damascus Palace Hotel bereikten. Welk een merkwaardigen indruk maakt deze stad. Geheel iets anders als Jaffa en Jeruzalem; zij maakte op ons meer den indruk eene oude Moorsche stad te zijn. Het hotel waarin wij logeeren is een oud paleis, dat door verarming der eigenaars verkocht en voor hotel ingericht werd. Alles is hier Oostersch mooi.

Daar Baedeker beweert, dat er in Damascus theaters zijn en wij dat ook hier vernamen, besloten wij, na ’t diner, met onzen dragoman een er van te bezoeken. De dragoman, die meer nog dan wij zelf, voor ons decorum zorgt, had er niet zoo heel veel lust in, maar op ons aandringen besloot hij met ons te gaan naar een, waar “dames fatsoenlijk kunnen komen”. Wij hebben nu gezien hoe men zich hier ’s avonds fatsoenlijk amuseert. Het theater is een soort Café Chantant, waar alleen mannen waren. Of er bij andere gelegenheden wel eens vrouwen komen, geloof ik niet, maar dames zijn er welkom. Wij hadden geen last van de mannen, alleen keken zij allen meer naar ons dan naar hetgeen op het tooneel voorviel. Elke man zat er met een Turksche pijp in den mond, een pijp met een [234]lange slang, terwijl er een met water gevulde karaf voor hem stond. Die pijpen hebben de goede eigenschap, dat zij geen rook verspreiden en al het kwaad, dat zij stichten alleen den rooker ten goede laten komen. Verder werd er Turksche koffie en water gedronken. Niet ieder kreeg een glas water, maar een karaf of kan water werd voor een groepje mannen neergezet en daaruit werd beurtelings gedronken. Ook waren er groepjes personen, die gezamenlijk uit één pijp rookten, die dan van mond tot mond ging. Geen pijp werd door den kellner neergezet die hij niet eerst zelf geprobeerd had en eerst als hij goed brandde, kreeg de besteller hem. Op het tooneel werd er ondertusschen door twee leelijke dames op de guitaar gespeeld en afschuwelijk gezongen; allemaal keelgeluiden, op dezelfde wijze als de Koran gelezen wordt. Eenige mannen die op een tamboerijntje sloegen, of een ander primitief instrumentje bespeelden, hielpen het succes verhoogen. Na den zang kwam de dans. Een in het zwart gekleede juf, zoo modest mogelijk, voerde een soort buikdans uit, die zeer in den smaak viel van het talrijk heeren-publiek. Toen hadden wij er genoeg van en gingen huiswaarts.

Vrijdag is een Mohammedaansche feestdag, doch was deze week een bijzonder heilige dag. De gouverneur ontving den geheelen ochtend officieele bezoeken; wij hadden daardoor de gelegenheid niet alleen het vertoon van vele Oostersche officieele kostuums te zien, maar daar ook Damascus’ inwoners, evenals de menschen uit alle andere landen, belangstellen in het gezicht van zoovele officieele, mooi opgetuigde persoonlijkheden, kregen wij eene goede gelegenheid om de Turksche mannen, vrouwen en kinderen in hunne Zondagsche kleeding te zien. Wat een pracht van kleuren en stoffen. De meeste dames die wij zagen waren in zware zijden Turksche costuums gekleed en daar ook zij evenveel belang stelden in ons als wij in hen, werd vaak even de dichte sluier opgelicht, om ons beter te kunnen opnemen. Enkelen sloegen zelfs de sluier geheel naar achteren en lieten zich ongegeneerd in de mooie zwarte oogen kijken. Het dragen van de sluier schijnt hier niet zoo strikt opgevolgd te worden als in de plaatsen, die wij te voren bezochten. Ook de mannen droegen prachtige zijden gewaden, waarover soms een met fraai bont omrand overkleed, of een van zeer fijn laken, dikwijls van dezelfde tint. [235]

De Moskee, (er zijn er hier over de honderd), met een onuitspreekbaren naam, is de oudste, de grootste en verreweg de mooiste, die wij tot nog toe zagen. Deze Moskee, waarvan bij herhaalde branden stukken verloren zijn gegaan, doch die zooveel mogelijk steeds gerestaureerd werd, dateert van de 4e eeuw. De gekleurde vensters, de emailleering, de marmeren zuilen, getuigen alle van onberekenbare oudheid. Het geheele gebouw is met prachtige Perzische tapijten behangen en belegd. De geschiedenis van dit gebouw is te lang om er hier over te durven beginnen.

Wij hadden den geheelen dag tijd om de stad met hare vele mooie vruchtentuinen, haar interessante bazaar en hare vreemde bevolking goed op te nemen, daartoe waren wij van 9 uur ’s morgens tot 6 uur namiddags op de been. Gaarne zouden wij hier eenige dagen langer gebleven zijn om de vele winkels met orientalische bijzonderheden wat beter te kunnen doorsnuffelen, maar de hoop, dat wij Zondag in Beirût een boot zullen vinden, die ons naar Port-Said terugbrengt, dreef ons Zaterdagmorgen om 7 uur reeds weder verder.

Bij ons bezoek aan de groote Damascus-fabriek van koperwerken, zagen wij treurige staaltjes van kinderexploitatie. Het ciseleeren en het bewerken van de koperen artikelen is alles handwerk en geschiedt door kinderen, bijna allen meisjes. Mannen teekenen met een zeker soort inkt de figuren op de stukken en de kinderen hakken de figuren uit, leggen er zilverplaatjes of zilverdraadwerk in, of bewerken ze op andere wijze. Er waren vele meisjes van 5 en 6 jaar onder, en het werk van een zesjarig kind werd ons als bijzonder knap werk getoond en de directeur roemde de handigheid en de smaak van het bleeke, holoogige kind. Op mijn vraag hoe lang dit kind reeds op de fabriek werkte, ontving ik ten antwoord “anderhalf jaar, maar in den regel nemen wij ze niet vóórdat de kinderen voluit vijf jaar zijn.” Onder die kinderen waren er slechts enkele meisjes ouder dan 12 of 14 jaar. Ik informeerde waar de meisjes bleven, die het vak kenden en die den leeftijd van 12 à 14 jaar bereikt hebben. “O, die gaan in den regel een ander vak beoefenen, waarmede zij meer kunnen verdienen; sommigen er van trouwen,” was het bescheid.

De kinderexploitatie in fabrieken is hier en overal in Arabië allerbedroevendst. Het is een vreeselijk land in menig opzicht. [236]

Ons vertrek uit Syrië’s hoofdstad gaf ons nog even een mooi gezicht op de stad, met zijne nu met herfsttinten getooide tuinen. De geheele route per trein van Damascus tot Beirût is een groot genot door de eenig mooie landschappen, die men onophoudelijk passeert. Tegen ongeveer elf uur kwamen wij aan het station Reyak, waar wij onze reis onderbraken, om langs een zijlijntje een bezoek te brengen aan Ba’albek, het Grieksche Heliopolis. Hier zagen wij de prachtige ruïnen van de oude Acropolis, omringd door de groote tempels aan Jupiter, Bacchus en andere goden gewijd. Vooral de ruïne van de tempel van Bacchus, waarvan nog geheele stukken met prachtig beeldhouwwerk intact zijn gebleven, is een groote reis waard. Ook van den tempel van Venus is nog zeer veel in goeden staat, doch de hooge marmeren zuilen en de fijnere afwerking maken den tempel van Bacchus meer belangwekkend. Het geheele stadje Ba’albek, nu behalve deze ruïnes van geen beteekenis, geeft toch zeer sterk den indruk, dat hier eens een groote, prachtige, indrukwekkende stad moet geweest zijn. Men heeft uitgemaakt, dat in elk geval de Acropolis met de tempels reeds in de tweede eeuw na Christus daar gestaan moet hebben.

Aan het station van Ba’albek woonden wij een interessant tooneel bij. Er werd een bruid afgehaald, een Mohammedaansch meisje uit een naburig dorp. Familie en vrienden van bruid en bruidegom waren allen in Zondagsgewaad aan het station. Toen het zwaar gesluierde bruidje uit den wagen stapte, werd zij met hare vrouwelijke, ook gesluierde, familieleden of vrienden op een eveneens mooi uitgedost kameel getild en daarna werden de andere versierde kameelen met dames en heeren en kinderen beladen. Soms zaten er zeven of acht op één kameel. De kameelen droegen allen gekleurde zijden kapjes, met gekleurde koralen afgewerkt, op hunne domme koppen en de geheele nek van de beesten was ook met koraalwerk en gekleurde koorden versierd. Het was voor ons een eenig mooi en grappig gezicht tevens.

Om half twaalf kwamen wij Zaterdagavond in Beirût aan, waar wij tot onze groote teleurstelling vernamen, dat wij niet vóór Dinsdagavond naar Port-Said kunnen vertrekken. [237]

[Inhoud]
Ornament

Algemeenheden en indrukken over onzen laatsten tocht.

Voor menschen, die niet zoo heel ver van huis een echt orientaalsch, primitief volk willen leeren kennen en die tegelijkertijd van een eigenaardig natuurschoon willen genieten, is een reis, zooals ik die maakte, zeer zeker te recommandeeren. Men moet er dan echter wat meer tijd voor nemen, overal langer blijven en wanneer het reisgezelschap uit mannen alleen, of uit mannen en vrouwen bestaat, geen dragoman nemen. Deze menschen, die zich, wat van zelf spreekt, zeer gewichtig willen maken en den indruk willen wekken, dat men zonder hen geen voet in Arabië zou kunnen verzetten, maken niet alleen de reis onnoodig duur, maar maken de reizigers lui. “De dragoman vertelt het ons wel,” “de dragoman weet dat wel,” enz., doen den reiziger verzuimen, zijn Baedeker of andere reisgids na te slaan en zelf uit te vinden wat hij weten wil. Bovendien, neemt zoo’n man voor elken kleinen tocht een rijtuig, betaalt hooge fooien, zendt den reiziger naar de winkels en magazijnen, waarvan hij procenten trekt, alles op kosten en zeer hooge kosten van de reizenden. Wel maakt men tevoren met zoo iemand een contract, waarin alles staat, wat hij voor een zekere som te doen heeft, maar men vergeet natuurlijk honderden kleinigheden en die worden dan later nog eens extra in rekening gebracht. Met een dragoman ziet men in korten tijd veel meer dan anders het geval zou zijn, maar het geziene maakt niet zoo’n blijvenden indruk, omdat het te vluchtig gaat en niet verwerkt kan worden. Juist door eerst nauwkeurig na te lezen wat er in elke plaats voor belangrijks te zien is en dan [238]zelf de wegen na te gaan, hoe er ’t best te komen, is reeds oorzaak, dat men van alles veel meer geniet en beter in zich opneemt. Er worden dan wel eens fouten gemaakt en wel eens verkeerde wegen ingeslagen, maar die verhoogen dikwijls het genoegen van de reizigers.

Men moet niet denken, dat een dragoman zich als ondergeschikte van zijn gezelschap gevoelt, hij treedt veel meer als de leider, het hoofd van het gezelschap op. Onze dragoman, die een goede in zijn soort is, vertelde ons direct den eersten dag, dat wij hem niet als een gids moesten beschouwen, hem ook vooral niet zoo mochten noemen, maar, dat hij mr. Barakat was, die op zich genomen had ons door een zeker deel van Arabië te voeren, de hotels en rijtuigen voor ons te bestellen en ons te geleiden naar alles wat bezienswaardig is. En dat program heeft hij stipt uitgevoerd. Wij hebben dan ook geen oogenblik tijd gehad om hospitalen of scholen of andere sociale inrichtingen te bezoeken, waarin wij belangstellen, want die stonden niet op zijn program; als ik eens een morgen of een dag wilde uitbreken, om op eigen gelegenheid naar zulke inrichtingen te gaan, dan was het steeds, dat wij, volgens hem, dien morgen of dien dag het merkwaardigste van de heele reis zouden gaan zien en dat ik dat dan verzuimen zou. Zijn program eens te wijzigen, daarvan was nooit sprake, hij kende zijn les van buiten, draaide die achter elkaar elken dag af en mocht door onze abnormale wenschen niet in de war gebracht worden. Op Baedeker was hij heelemaal niet gesteld, en als ik nu en dan eens beweerde, dat Baedeker een andere verklaring gaf, dan was Baedeker verkeerd, dat boek wist er niets van, als ik Baedeker meer dan hem geloofde, dan had ik zonder dragoman moeten reizen, en vooral als zijn prijzen met die in Baedeker niet overeenstemden, dan was hij over “dat boek” heelemaal niet te spreken.

Als ik dezen tocht nog eens zou overmaken, dan zou ik het in het late voorjaar willen doen, in April, Mei of Juni, omdat dan het landschap oneindig veel zal winnen door de bloemenkleur en -geur, die er dan veel meer dan in het late najaar zullen zijn; dan zou ik vier of vijf weken er voor willen nemen en dan zou ik niet per rijtuig, maar te paard of op een ezel het land willen doorreizen. Voor dit laatste zijn de wegen beter geschikt en het is meer in overeenstemming met de omgeving. [239]

Wij zijn nu veertien dagen in Arabië en in al dien tijd hebben wij niet kunnen uitvinden hoe de oorlogstoestand van het land staat. Nooit is een dag voorbij gegaan, waarin ik niet den een of anderen Turk gevraagd heb, of er berichten van het oorlogsveld waren, en steeds was het antwoord, dat meestal lachend gegeven werd: “Hoe zou ik dat kunnen weten”. Couranten ziet men hier niet; de Europeanen die hier wonen, lezen Fransche of Engelsche bladen, die een paar weken oud zijn, en de hier en daar verschijnende Arabische courant schijnt zich met zulk een kleinigheid als de oorlogstoestand in eigen land niet op te houden. Waarom zouden zij ook zulke berichten opnemen, zij weten dat zij toch valsch of in elk geval schromelijk overdreven zijn. Het laatste bericht van het oorlogsveld dat in deze streken bekend werd, heeft overal in de dorpen zulk een opwinding teweeg gebracht, dat men ernstig gevreesd heeft, dat er hier ’n burgeroorlog tusschen Mohammedanen en Christenen zou door ontstaan zijn. Het was een bericht, nu drie à vier weken oud, waarin vermeld werd, dat de Italianen, geheel door de Turken verslagen zijn geworden, dat de overwinning der Turken ergens, ik weet niet waar, want wij krijgen hier ook geen couranten onder de oogen, een volkomene was en dat de Italianen bij duizenden door de Turken in de zee gezwiept zouden zijn. Het bleek natuurlijk later, dat dit bericht geheel onwaar of in elk geval buiten de perken van welvoegelijk liegen overdreven was. Beter geen berichten dan zulke berichten, zegt onze dragoman, die zich trouwens van den geheelen oorlog niet veel aantrekt.

Toen wij gisteravond met den trein vele dorpen passeerden, waar overal een ongewone drukte heerschte, vernam ik, dat de vele jonge mannen, die allen trachtten met den trein mede te komen, jonge Christen-Turken zijn, die hals over kop naar Amerika vertrekken, om de kans te ontloopen, naar het oorlogsveld gestuurd te worden. In Arabië, in dit deel van Turkije, is de oorlog met Italië niet populair en wordt meer beschouwd als een oorlog tusschen Christenen en Mohammedanen. Zou Turkije de overwinnaar zijn, dan zou daardoor de toestand der Christenen in Turkije wel eens hachelijk kunnen worden, zoo vreest men. Vroeger dienden in ’t leger alleen Mohammedanen, de regeering van Turkije heeft echter nu ook de Christenen en Joden opgeroepen om in het leger dienst te doen. [240]

Maar ook van de cholera in Jaffa weet men hier niets. Wij weten nu na een week niets meer dan toen wij Jeruzalem verlieten, dat er toen vier gevallen van cholera geconstateerd zijn en dat daarvan drie personen overleden zouden zijn. Ook wisten wij toen, dat Jaffa daarna besmet is verklaard en de booten, die naar Port Saïd gaan, Jaffa niet aandoen en er niemand van uit Jaffa vertrekken kan, zonder in het naastbijliggende dorpje of stadje een vijfdaagsche quarantaine te ondergaan. Nergens heeft men ons verder iets naders van den toestand in Jaffa kunnen berichten en zelfs wist men ons hedenochtend in de verschillende kantoren van de stoomvaartlijnen hier, in Beirut, geen nader bericht te geven dan dat van een week oud. Of de cholera zich in Jaffa uitgebreid heeft, of dat het bij die vier gevallen gebleven is, men weet er hier niets van, en toen ik vroeg of men dan geen telegrafische berichten verspreidde, om het land op de hoogte te houden van den werkelijken stand van zaken, vertelde men mij, dat, toen er eenige maanden geleden in sommige streken van Arabië de cholera heerschte, het gebleken is, dat de berichten, die men uit die streken kreeg, geheel valsch waren. Zoo waren in een dorp twee mannen belast met het begraven der cholera-lijken, waarvoor zij per stuk betaald werden. In één week hadden zij drie lijken begraven; dat vonden de heeren te weinig, om te reclameeren, en zij brachten driestweg twintig gevallen in rekening. Er werd nu bericht, dat er op zooveel zieken twintig sterfgevallen in één week voorgekomen waren, en, alvorens de valschheid van deze opgave geconstateerd was geworden, had het onware bericht reeds binnen- en buitenland bereikt. Deze weinige staaltjes geven een kleine illustratie van de geloofwaardigheid van het volk en tevens wat men van berichten uit zulk een land gelooven kan.

Men kan Arabië niet bereizen zonder zich vooraf voorzien te hebben van een goede hoeveelheid insectenpoeder. Alle hotels schijnen alleen bewoonde bedden te kunnen aanbieden. Al ziet alles er op het oog nog zoo zindelijk uit, dan moet men toch niet vast erop rekenen, dat men zijn bed niet met eenige andere levende wezens te deelen heeft. Over het geheel genomen staat het hotelwezen hier nog op een zeer laag peil. De weinige goede hotels, die er zijn, of laat mij liever zeggen, die goed zouden kunnen zijn, zijn toch slecht, [241]omdat men zich er bedient van inboorlingen-bedienden, die geen flauw begrip van zindelijkheid en goede bediening hebben, en die er zelf altijd even onappetijtelijk uitzien. Nu kan men hier in den zomer of in het late voorjaar zeer gemakkelijk met eigen tenten reizen en daardoor de hotels vermijden, en dat wordt door Cook’s gezelschappen en andere zulke reizigersgroepen ook meestal gedaan.

Het onderwijswezen der Turken staat ook op een zeer laag standpunt. Ik geloof niet, dat de regeering zich hier reeds bewust is, dat de opvoeding der jeugd een regeeringszaak is. Het aantal analphabeten onder de Mohammedanen is zeer groot. Ik weet niet of er statistische opgaven van bestaan, maar ook, al zouden die bestaan, dan weten wij vooraf, dat die ongeloofwaardig zijn. Toch zijn op vele plaatsen scholen, soms zelfs goede scholen, doch die zijn door Duitschers, Engelschen, Amerikanen, Franschen of Italianen gesticht. De meeste van die scholen hebben een godsdienstig karakter en de onderwijs-gevenden staan niet onder regeeringscontrôle. Iedereen kan hier een school openen. Hier, in Beirût, is zelfs een Amerikaansch instituut voor hooger onderwijs, dat na een vierjarige opleiding een doctor in de medicijnen kant en klaar aflevert.

Een ding moet ik niet vergeten mede te deelen, ofschoon het ergens anders misschien beter tusschen geplaatst zoude zijn. Wij zagen herhaaldelijk in verschillende plaatsen in den bazaar, dat is de plaats, waar alles verkocht en gekocht wordt, op de straat, of in open winkeltjes, meel, boonen, erwten, enz. koopen; waren, die per maat verkocht worden. De kooper mag dan zelf de maat vullen, er zooveel in doen als hij er bij mogelijkheid kan instoppen, en dan wordt met een rol de oppervlakte geëffend, zoodat die niet boven den rand van de maat uitsteekt en daarna afgeleverd. Ze vertrouwen elkaar dus ook niet heel erg, maar zijn zeer beleedigd, tenminste volgens onzen dragoman, als vreemdelingen zeggen, of toonen, dat zij de Turken niet erg vertrouwen. Men kan hier in geen winkel iets koopen en den prijs betalen, die er voor gevraagd wordt. Minstens 50% moet steeds worden afgedongen.

Toen wij Zaterdagavond laat in Beirût aankwamen, vernamen wij reeds spoedig, dat de booten van de Khedivian-lijn, die Haïffa en Jaffa aandoen, doch alleen om de mail af te geven [242]en op te nemen, geen passagiers in Port Saïd mogen landen, dat die tot Alexandrië meegenomen moeten worden en daar een tweedaagsche quarantaine moeten ondergaan. Dat er Dinsdagavond echter een boot van de Fransche lijn van hier vertrekt, dat die in bovengenoemde havens niet stopt en de passagiers in Port Saïd alleen een medisch onderzoek hebben te ondergaan en daarna aldaar aan wal kunnen gaan. Daar wij allen onze groote bagage in Port Saïd hadden laten staan en enkelen van ons ook om andere redenen in die haven wilden landen, besloten wij, tot Dinsdagavond hier te blijven, Beirût te zien en een paar rustige dagen te hebben, alvorens wij in Egypte weder groote, nieuwe indrukken opdoen.

Beirût is een zeer geschikte stad om eenigen tijd rustig door te brengen. Het ligt aan de Middellandsche Zee en bezit een zeer zacht en prettig aandoend klimaat. De zon is hier niet zoo heet als aan de Riviera, maar ook is het hier niet zoo koud in de schaduw als daar. De omgeving van de stad is schitterend mooi, alles ademt rust en kalmte. Voor menschen en vooral voor kinderen met een zwakke gezondheid is het verblijf in den winter hier, naar mijne meening, weldadiger dan aan de Riviera. Blijft men aan den zeekant, dan is er geen stof te duchten, alleen de landwegen zijn stoffig, maar niet zoo erg als in de reeds genoemde streek. De stad is min of meer Europeesch, men ziet hier bijna geen oriëntaalsche kleeding. Ook in de meeste winkels kan men zich met de Fransche of de Engelsche taal verstaanbaar maken.

Wij gebruikten de paar dagen gedwongen rust om achterstallige correspondentie af te doen en om verfrischt en krachtig aan boord van het Fransche stoomschip te komen. Ofschoon wij wisten, dat de boot eerst ’s avonds om zes uur zou vertrekken, begaven wij ons toch direct na de lunch reeds aan boord, om op de boot rustiger nog dan in de stad van het mooie landschap rondom ons te profiteeren.

Als wij nu morgen vroeg geen oponthoud in Port Saïd hebben en men ons zonder kunsten aan wal wil zetten, dan komen wij vroeg genoeg om onze bagage uit het depôt te halen en nog denzelfden dag naar Caïro te vertrekken. De geheele maand December blijven wij in Caïro.

6 December 1911. [243]

[Inhoud]
Ornament

In Quarantaine.

Ik was mij niet bewust, toen ik den vorigen brief op het schip van de Messageries Maritimes zoo plotseling eindigde, omdat Port Saïd in het gezicht kwam en ik mij gereed moest maken om aan wal te gaan, wat mij boven het hoofd hing. Wel had ik ’s morgens tot een mijner medereizigsters de opmerking gemaakt, dat op een zoo vuil schip, waarop eerste, tweede, derde en vierde klasse passagiers broederlijk en zusterlijk op het dek dooreenwandelden, er slechts een verdacht ziektegeval onder één van de lagere klassen behoeft voor te komen om ons allen in quarantaine te doen gaan. Maar ik dacht er niet aan, dat dit werkelijk het geval zou worden. Smeriger booten dan die Fransche booten kan men zich niet voorstellen. Voor de eerste klasse passagiers was alleen de eetzaal gereserveerd; maar daar vlak daarboven een hal was, waar elkeen kon komen, heerschte er den geheelen dag een drukkende, bijna niet uit te houden atmosfeer. Maar boven op het dek was het heelemaal niet te zijn, daar lagen en zaten in alle hoeken en gaten, op alle banken en stoelen, de geurige en kleurige Arabieren, die met hun heele hebben en houden op weg waren om van vaderland te verwisselen. De onschuldige kindertjes van deze natuurmenschen vermaakten zich met kinderlijke spelen en deponeerden tusschen de bedrijven door kleine plasjes en vaster bestanddeelen op de plekjes, die zij daarvoor geschikt vonden.

Er waren 1228 passagiers aan boord; daarvan waren er bijna 1000 tusschendekspassagiers, allen op weg naar Amerika. Ongeveer 150 van dezen moesten in Port Saïd aan wal gaan, om daar van schip te verwisselen, de anderen gingen tot [244]Marseille door om daar overgescheept te worden. Deze menschen, die in eigen land en in eigen woning niet het minste begrip van zindelijkheid hebben, vertoonen natuurlijk nog smeriger uiterlijk op een overvulde boot, liggende kris en kras dooreen in de maag van het schip, zonder gelegenheid zich te reinigen, etende hun eigen meegebracht voedsel, en liggende op eigen meegebrachte lompen. Maar dat dezulken onze reisgenooten zouden zijn, wisten wij niet toen wij in Beirût aan boord gingen. Elkeen had ons zoo vaak verzekerd, dat de “Messageries Maritimes” ongehinderd Port Saïd zou kunnen binnenstoomen, dat wij aldaar alleen een medische inspectie hadden te ondergaan, dat wij niet twijfelden aan de geloofwaardigheid van deze inlichtingen.

Even over twaalf uur, het vastgestelde landingsuur, stoomden wij langzaam de haven van Port Saïd binnen, passeerden wij het mooie standbeeld van De Lesseps en wierp het schip zijn anker uit op eenige meters afstand van de landingsplaats. Wij stonden allen gepakt en gezakt om direct aan wal te gaan, doch men vertelde daar, dat wij te wachten hadden op den dokter, die nog niet aan boord was gekomen. Het was een Tantalus-kwelling voor de lieve echtgenooten, broeders en andere familieleden, die in kleine bootjes ons schip reeds waren tegemoet gekomen en steeds om ons heen bleven dobberen, en die op eenige armenlengten van het liefste wat zij bezaten verwijderd waren, en toch noch bij ons aan boord mochten komen, noch de lang verwachten over de verschansing heen bij zich in het bootje mochten tillen en meevoeren. Wachten, wachten, was steeds het antwoord, dat wij kregen als wij het eene kwartier na het andere zagen verstrijken en permissie vroegen om weg te gaan.

Om half twee begon de medische inspectie bij de eerste klasse. Wij moesten ons in de eetzaal verzamelen, en, als onze naam werd afgeroepen, den dokter voorbij de zaal verlaten. Dat kostte ons elk 2 shillings. Toen kwam de tweede klasse; ook dat ging goed. Daarna de derde klasse, en gelukkig werd ook daar alles goed bevonden. Het was toen reeds over drie uur en wij vroegen of wij nu niet aan wal mochten gaan, maar eerst moest de vierde klasse nog geïnspecteerd worden. En daar gebeurde het! Alles tengevolge van de stommiteit van den Franschen scheepsdokter. [245]

Des nachts had een oude vrouw van 70 jaar, uit de 4de klasse passagiers, die met hare kinderen naar Amerika wilde vertrekken, het tijdelijke met het eeuwige verwisseld; hoogstwaarschijnlijk door de slechte atmosfeer en de voorafgaande vermoeienissen en emoties van de reis, eenvoudig gesuffoqueerd. Dat kwam den inspecteerenden dokter verdacht voor en toen later ook onder het scheepsvolk een jonge man ontbrak en de dokter riep: “waar is die zieke jongen?”, scheen de argwaan te vermeerderen. Toen ten slotte de boy gevonden was en deze opgaf, dat hij weder heelemaal beter was, alleen een beetje....., was de maat vol. De dokter wilde geen toestemming tot vertrek geven, hij vroeg een consult met een collega. Eerst kwam één, toen nog een dokter aan boord, die allen heel gewichtige gezichten zetten en nadat men ons tot zes uur in het onzekere had gelaten, kwam toen het positieve bevel; “Niemand mag aan wal gaan, allen moeten mede naar Alexandrië!” Het lijk van de oude vrouw, alsook de zieke jongeling, werden aan wal gezet en men verzekerde ons positief, dat wij in Alexandrië, na nog een medisch onderzoek, allen daar aan wal konden gaan. Den wachtenden echtgenooten werd vergund aan boord te komen om de mogelijke ballingschap met hunne vrouwtjes te deelen.

Ons clubje troostte zich in het lot, wij pakten den boel maar weder uit en vlijden ons na een gezelligen avond maar weder in onze scheepshutten ter ruste. Het was echter voor een massa passagiers een groote teleurstelling en veroorzaakte hun groote moeilijkheden. Er waren moedertjes met drie, vier en meer kinderen, die in Port Saïd thuis behooren, en die nu zooveel meer onkosten hebben, zooveel langer met die schapen onderweg moeten zijn en dood-vermoeid dezen tocht opnieuw, ondernamen.

Tusschen acht en negen uur kwamen wij den volgenden morgen in de haven van Alexandrië aan en daar begon de pret opnieuw. Eerst kwam een doktertje, een Griek, aan boord en nu zouden wij, zoo heette het, een zorgvuldiger onderzoek hebben te ondergaan. Weer werden de namen van alle eerste klasse-passagiers in de eetzaal afgeroepen en moesten wij voor den dokter verschijnen, de tong uitsteken en werd, zoo te zeggen, de pols gevoeld. Voor dit laatste was echter geen tijd genoeg en ik ben zeker dat van geen der eerste klasse-passagiers [246]de hartslag kon worden geconstateerd. Het werd weder middag alvorens dit onderzoek, met gunstig gevolg voor alle aanwezigen op de boot, was afgeloopen, doch toen wij meenden aan wal te kunnen gaan, heette het, dat op een telegram uit Port Saïd gewacht moest worden met de resultaten van de autopsie op de oude vrouw en het ziekteverloop van den zieken jongeling. Heel gauw kwam dat telegram, vermeldende: dat de jongen beter was, doch dat men van de oude vrouw niet met zekerheid kon zeggen, dat zij geen cholera had gehad. Om die reden was het bevel: allen, die in Egypte wilden blijven, moesten in quarantaine, de passagiers voor Marseille konden doorgaan.

Toen werd onmiddellijk de geel-groene of groen-gele vlag in top geheschen en werden wij beschouwd als komende van een besmet schip. Wij waren nu gevangenen in den volsten zin van het woord, wij hadden geen eigen wil meer, maar moesten gehoorzamen aan de bevelen van de Egyptische politie.

Dat klinkt alles zeer gewichtig en het was het eigenlijk ook, maar wij zagen er voorloopig alleen het komische van. Wij wisten niet wat ons te wachten stond, niemand kon ons zeggen hoe lang de gevangenschap zou duren en niemand kon ons eenige inlichtingen geven hoe wij het er zouden hebben.

Om twee uur werden, stil en plechtig, vijf of zes groote zolderschuiten, getrokken door ’n klein, vuil stoombootje, aan onze boot vastgelegd; eerst werd alle bagage ingeladen, ook de heele huishoudingen van de emigranten, daarna werden eerste en tweede klasse-passagiers in één boot, de derde en vierde klasse-passagiers in drie of vier andere booten geladen, en toen gingen wij in treurigen optocht naar ’n afgelegen plaats, waar wij allen ontscheept, doch onmiddellijk in een gereedstaanden trein opnieuw geladen werden. Hier was het een onuitsprekelijke herrie, iedereen zocht naar zijn bagage en men wilde gaarne in den trein een goed plaatsje hebben. De geheele trein bestond alleen uit derde klasse-wagens, die er zeer primitief uitzagen en onuitstaanbaar naar carbol roken. Er was een hooge piet, een pasja, bij ons aan boord, die de ballingschap met ons moest deelen, dien hielden wij in het oog en volgden hem in den waggon. Daardoor werden wij niet met de derde en vierde klasse-passagiers vermengd en hadden vrij goede plaatsen.

Hoe treurig de stand van zaken ook voor vele reizenden [247]en vooral voor de arme landverhuizers was, die daardoor misschien hun passage op de boot naar Amerika verloren, doch in elk geval op extra kosten werden gejaagd, het ontschepen en inschepen van zoovele nerveuse personen en hun angst, een stuk van de bagage te verliezen, gaf toch ook menig vermakelijk tooneeltje. Als een waggon volgeladen was, dan werden de deuren van buiten gegrendeld, een politie-agent op post gezet, zoodat niemand meer kon ontvluchten. Onder die politie-agenten waren er verscheidene zwart-menschen, die nu eens met een air van autoriteit al die wit-menschen de les lazen. Het was nog voor vier uur toen wij allen en ook de bagage in den trein geladen waren, doch het werd over zes, alvorens wij konden afreizen. Toen ik om vijf uur, ongeduldig geworden, mijn hoofd eens buiten het raam stak, om te informeeren waarom wij niet afreisden, vertelde men, dat de machinist ongeveer een uur geleden naar de stad was gegaan, om water te halen en niet terug kwam. De stationschef zou hem gaan zoeken en zien wat van hem geworden was. Het resultaat van dat onderzoek hebben wij niet vernomen, maar om zes uur zette onze trein zich eindelijk in beweging, bracht ons eerst een eindweegs in de eene en daarna in een juist tegenovergestelde richting, zoodat wij totaal in de war geraakten, waar men ons bracht. Het was donker en daardoor alles heel geheimzinnig, en toen wij tenslotte aan de Lazaretto aangekomen waren en zagen hoe wij daar aan alle zijden door hekken en hooge muren van de overige wereld werden afgesloten, maakte zich toch van velen een minder vroolijke stemming meester.

Wij werden er door een dame, een directrice, ontvangen, die ons onmiddellijk onze kamers wees en ons met de orders van ’t huis op de hoogte bracht. Het zag er alles zindelijk en netjes uit, de slaapzalen met nette, zindelijk uitziende bedden, voor vijf of zes personen ingericht, de muren helder wit gekalkt en een goede voorraad water om zich te verfrisschen. Spoedig kwam de eerste officier op het terrein en deelde ons mede, dat het misschien maar voor één dag zou zijn, dat wij zijne gasten waren. Het hing alles af van de telegrafische berichten, die den volgenden dag uit Port Saïd verwacht werden.

Hoewel het voor ons eerste klasse-passagiers best uit te houden was, waren wij toch echte gevangenen en konden [248]ons slechts buiten in een beperkte ruimte vrij bewegen. Buiten de dubbele rij hekken, stond heel wat militair vertoon om te voorkomen, dat een onzer zou ontsnappen. Ook het eten was zindelijk en goed bereid en als ik ’t menu vermeld van wat ons den eersten avond om acht uur als diner werd voorgezet, dan zal men zien, dat men voor geld hier vrij goed bediend kan worden. Vermicellisoep, gebakken zalm, roastbeef met verschillende groenten, gevogelte en salade; daarna roomsoezen, dadels, appelen en sinaasappelen, Turksche koffie en gedurende het diner, vrij goede landwijn naar believen. Wij moeten echter voor deze gevangenschap twintig francs per dag betalen, een som, waarvoor wij in elk hotel een goede kamer en goed voedsel kunnen verkrijgen.

Niet alleen is de directrice een Engelsche dame, maar ook eene der doctoren is een vrouwelijke collega uit Engeland. Het zijn voornamelijk deze twee vrouwen, die hier met gezag hebben op te treden, wat zeer veel tact vereischt, omdat de meeste gasten hier tegen wil en dank gehouden worden en mokkende en halsstarrig zijn.

Toen echter den volgenden morgen het bevel kwam, dat wij allen tot Maandag moesten blijven, toen maakte de vroolijke stemming weldra plaats voor een tragische. Onder onze medegevangenen, wij waren met 54 eerste klasse-passagiers, waren verschillende groote handelslieden, die door dit oponthoud aanmerkelijke schade leden, anderen, die voor ernstige familie-aangelegenheden tehuis of in den familiekring moesten zijn en de plannen van elkeen werden door dit lange onvoorziene oponthoud min of meer gedwarsboomd. Bovendien was er in onze gevangenis niets te krijgen, wat de eentonigheid van het verblijf kon verminderen. Als er geen van de drie maaltijden in voorbereiding waren, dan konden wij zelf eenige tafels en ongemakkelijke stoelen naar buiten sleepen, voor een gemakkelijker zitgelegenheid kon men naar de slaapzaal gaan en zijn bed gebruiken. Meer dan de helft van den tijd werd dan ook door ons op bed en slapende doorgebracht; achteraf beschouwd kwam deze ongezochte rustkuur ons uitstekend ten goede, na de gejaagde, vermoeiende tocht door Arabië en de emotievolle dagen aan boord van dat vieze, Fransche schip.

Met eenige Mohammedaansche dames, die onder onze lotgenooten waren en waarvan enkelen Engelsch, anderen Fransch [249]spraken, maakten wij nu wat nader kennis en vernamen van hen allerlei bijzonderheden. Een paar van hen waren Drusen, dat zijn Mohammedanen, die Mohammed wel vereeren, doch niet aanbidden. Zij aanbidden alleen God en gelooven, dat God nu en dan groote wijsgeeren doet geboren worden, die de overige menschheid in ontwikkeling ver vooruit zijn, doch dat niet alleen Mohammed en Christus zulke wijsgeeren waren, maar er telkens nog zoodanigen geboren worden, waardoor de geheele menschheid in ontwikkeling vooruit gaat. Als aandenken aan onze gezamenlijke ballingschap hebben die meisjes voor elk van ons een mooi kraagje gehaakt. Het haakwerk van deze vrouwen is nog fijner en mooier dan het Iersche haakwerk en heeft ook hooger marktwaarde.

Nu zou ik zeker wel twee brieven kunnen volschrijven als ik in alle bijzonderheden zou treden van ons vierdaagsch verblijf in deze gevangenis; als ik uiteenzette, welke gevoelens ons bekropen, toen wij den eersten morgen in onze slaapzaal ontwaakten en zagen dat de ramen van onze cel met zware ijzeren stangen getralied waren en dat daarover heen nog eens een dik ijzeren netwerk gespannen was, zoodat wij door de ramen niets naar buiten noch naar binnen konden moffelen; dat ons voedsel drie keer daags van uit Alexandrië moest worden aangebracht en dat dit door een klein poortje in de dubbele verschansing, waarachter wij zaten, moest worden naar binnen geduwd; dat men ons niet alleen een veel te hoogen prijs voor voedsel en logies liet betalen, doch dat men ons in rekening bracht, en wel vrij hoog, ons transport per zolderschuit en derde klasse trein van het schip naar de Lazaretto, en een zeer hooge som voor desinfectie van onze goederen; dit laatste was daarom zoo schandelijk, omdat niets van ons goed gedesinfecteerd was, wij hadden onze handbagage bij ons, het had ons niet verlaten. Toen wij daartegen reclameerden, werd ons geantwoord, of wij dan liever wilden, dat men het gedesinfecteerd en daarmede geheel bedorven had, en als wij weigerden te betalen, zou men ons eenvoudig langer in de Lazaretto houden. Ook zal ik niet in details treden over alle tegenstrijdige berichten, die wij elken dag van de directrice, de verschillende doktoren en den eersten officier kregen, inlichtingen, die elkaar boudweg tegenspraken; of klagen over den éénen handdoek voor elk onzer, waarmede wij vijf dagen [250]ons moeten rein houden; of over het ontbreken van hygiënische maatregelen, waar die het eerst noodig waren; onder al deze omstandigheden bleven wij in een goed humeur en zagen er al het komische van en vermaakten ons er mede. Avonturen zijn in den regel niet prettig als men ze ondervindt, men lacht er alleen later over; dit avontuur, zoo ongezocht—wij hadden in Arabië alles gedaan om juist aan de quarantaine te ontkomen—gaf ons terwijl wij het ondervonden, toch menig vroolijk uurtje.

Het schandelijkste van alles is wel de wijze waarop men de gevangenen vrij laat. Evenals werkelijke misdadigers werden wij eenvoudig met al onze bagage buiten de poort gezet en vernamen wij, dat wij op ruim vier mijlen afstand van Alexandrië waren. Onze groep had door middel van de directrice bij Cook’s office aangevraagd ons eenige rijtuigen te zenden, en er waren eenige rijtuigen, die altijd rond zoo’n instelling zwermen om degeen, die vrijkomt, voor een veel te hooge som naar de stad te brengen, maar overigens moest elkeen nu maar zien, op welke wijze hij of zij de pas verkregen vrijheid wilde gebruiken. Geen enkele maatregel, om het de menschen gemakkelijk te maken, was genomen.

En nu zullen velen misschien nieuwsgierig zijn te weten hoe mrs. Catt zich onder deze omstandigheden hield. Zij was steeds de prettigste, opgewektste, tevredenste van allen en vond het “a new experience in her life”. De wijze waarop zij den laatsten morgen haar boeltje bijeenpakte en elk hoekje van onze cel nog eens doorkeek, om alles vooral goed in haar geheugen te griffen, was waard vereeuwigd te worden. Zij is maar één oogenblik boos geweest, dat was toen zij haar naam moest teekenen onder de kwitantie en zij er bij wilde zetten, “betaald onder protest”, en haar dit geweigerd werd, maar ook deze boosheid had een komische zijde en deed haar later schaterlachen.

Wij zijn nu weder vrij, onze kennis is verrijkt, wij weten nu hoe gevangenen zich moeten gevoelen, hoe het in een Egyptisch quarantaine-station toegaat, hoe beschaafde Arabieren, Turken, Grieken en andere oriëntaalsche menschen zich met ons beschaafd weten te gedragen, en over dat alles verheugen wij ons en klagen niet.

11 Dec. 1911. [251]

[Inhoud]
Ornament

Caïro.

Het is waarschijnlijk wel te begrijpen, dat wij, nadat wij ’t quarantaine-station verlaten hadden, niet veel lust gevoelden ons lang in Alexandrië op te houden. Onze meeste lotgenooten verlieten die toch overigens wel mooie stad met de eerstvolgende gelegenheid. Zoo wilden wij evenwel niet vertrekken, in elk geval wilden wij toch een bezoek brengen aan de Catacomben, om de belangrijke Egyptische begraafplaats, dateerende uit de 2e eeuw onzer jaartelling, te zien. Deze begraafplaats werd aldaar een dozijn-aantal jaren geleden ontdekt. Men gaat met een flinke breede wenteltrap, die gedeeltelijk nieuw is, tot diep onder den grond en komt dan in ’n grooten tempel met verschillende vertrekken, alwaar 150 lijken in afzonderlijke gemetselde en gebeeldhouwde nissen gevonden werden. Het beeldhouwwerk van vele dier nissen is zeer goed bewaard gebleven en zelfs een geheele tempel, die hoogstwaarschijnlijk het lijk van een hooggeplaatst persoon bevat, is bijna in ongeschonden staat aanwezig. Deze begraafplaats is ongetwijfeld voor archaeologen en liefhebbers van oudheden een afzonderlijk bezoek aan Alexandrië meer dan waard.

Blik op Caïro.

Blik op Caïro.

Nadat wij dit belangrijk stuk uit oud-Egyptische grootheid hadden gezien, lieten wij ons door de voornaamste buurten van de stad rijden, stapten even in het mooie, weelderig ingerichte Savoy-hotel af om een goede afternoon tea te gebruiken en vertrokken met den trein van zes uur naar Caïro. Wij waren weliswaar dien middag uit de quarantaine ontslagen, maar geheel vrij waren wij toch nog niet. Wij hadden een man, een begeleider, op den bok van ’t rijtuig medegekregen, [252]die een lijstje met onze namen bij zich had, die ons tot in het station bracht en zorgde, dat onze spoorkaartjes met een rood kruis geteekend werden. Daardoor wist de conducteur direct met welk soort volk hij te doen had en in Caïro werden wij des avonds om half tien opgehouden en moesten weder eene medische inspectie doormaken en ons adres in Caïro achterlaten. Ongelukkig was geen onzer in het bezit van een Baedeker van Egypte, die hadden wij noch in Zuid-Afrika, noch in een der plaatsen aan de oostkust, noch in Arabië kunnen machtig worden en wij konden derhalve niet anders doen dan een hoteladres opgeven, dat ons door—geen onzer wist meer wie—was aanbevolen. Naar dat hotel begaven wij ons, doch onmiddellijk bij aankomst zagen wij, dat wij verkeerd waren. Het was in zijn soort een heel goed hotel, bij wat wij in Arabië ondervonden hadden zelfs zindelijk te noemen, maar het was een hotel van den zooveelsten rang, in Baedeker, die wij den volgenden morgen reeds om acht uur kochten, aangeduid onder de rubriek: “en dan nog verscheiden hotels van minder gehalte”. Wij passeerden er een zeer onrustigen nacht, waren den volgenden morgen reeds om zes uur kant en klaar om bij het eerste morgengloren er op uit te trekken een Baedeker te koopen en een beter hotel op te sporen. Dat alles gelukte vrij spoedig, zoodat wij om tien uur ’s morgens reeds met pak en zak in het mooi gelegen en comfortabel ingerichte Continental-hotel overgebracht waren.

Wat een gelukkig vrij gevoel bekroop mij, toen ik in dat goede hotel een frisch bad kon nemen, van kleederen kon wisselen en mij ’s avonds in een goed bed, met een kamer voor mij alleen, te slapen kon leggen, en dat niemand meer over mij te bestellen had. Door ons spoedig vertrek uit het eerste hotel schijnt de gezondheidscommissie ons spoor bijster geworden te zijn, wij althans hebben van geen dokter meer iets vernomen, terwijl andere lotgenooten nog de geheele week des morgens een doktersvisite ontvingen.

Straattafereel in Caïro.

Straattafereel in Caïro.

Dit gedwongen langer verblijf in Arabië en daarna de 5 dagen oponthoud in het quarantaine-station hebben de plannen, die wij voor ons verblijf in Egypte gemaakt hebben, geheel in de war gestuurd. Mrs. Catt en ik hadden reeds vóór wij naar het Heilige Land afgereisd waren een hut besproken op de “Prinses Juliana” van de Mij. Nederland, die [253]9 Januari 1912 van Port-Said vertrekt. Wij hadden daardoor ongeveer zes weken tijd om Caïro en het voornaamste gedeelte van den Nijl te zien, maar nu onze tijd zoo is bekort geworden en wij bovendien eenige dagen noodig hadden om ons te restaureeren, alvorens in staat te zijn nieuwe indrukken te verwerken, nu zal van de Nijlreis waarschijnlijk niet veel komen. Caïro levert alleen genoeg belangrijks op om een week of vier met overvloed van afwisseling hier door te brengen. Wel heeft Caïro voor personen, die in de laatste maanden zooveel oriëntaal leven zagen, niet die groote aantrekkelijkheid, niet dat verbijsterend nieuwe, als degenen ondervinden, die kersversch uit Europa naar hier verplaatst worden. Veel van hetgeen wij hier zien, zagen wij reeds in Damascus en in Jeruzalem en omstreken. Ook is Caïro, of liever dat gedeelte van de stad, waarin de goede hotels gelegen zijn, zoodanig gemoderniseerd, dat het, afgezien van de straattooneeltjes, daar op een of ander Europeesche stad is gaan gelijken. De groote geheel Europeesch ingerichte hotels, die, om toch een klein beetje het oriëntaal karakter te behouden, bedienden voor een deel uit inboorlingen, gekleed in roode of anders gekleurde Turksche broek en kort jakje, dat rijk met goudborduursel is gegarneerd, recruteeren; de groote Fransche, Engelsche en Amerikaansche winkels, met hunne Europeesche koopwaren; de kantoren van de groote stoomvaartlijnen, de bankinstellingen, de Parijsche café’s, ’t Fransche en Italiaansche operagebouw en nog zoovele andere gebouwen ontnemen aan het centrum der stad ’t geheel Egyptisch karakter. Wel zijn al deze gebouwen gegroepeerd om een grooten, smaakvol aangelegden tuin, den Ezbekujeh-tuin, met eenige zeer buitengewone, zeldzaam mooie boomen, die, door de vele vrij dikke luchtwortels, die van boven uit de takken naar beneden hangen, doch zoodra zij den grond bereiken in den grond zich vastmetselen, den stam van den boom een allerzonderlingsten vorm geven; maar deze tuin kan alleen den indruk niet wekken dat men in een Egyptische stad vertoeft.

De Sphinx.—Op den achtergrond eene pyramide.

De Sphinx.—Op den achtergrond eene pyramide.

Dien indruk krijgt men pas goed, als men buiten de stad gaat en een bezoek brengt aan de wereldbekende pyramiden en de Sphinx. Reeds de rijtoer daarheen, passeerende de Nijlbrug en door het dorp Gizeh, brengt reeds die zekere Egyptische stemming. Rondom ziet men dan veraf overal de woestijn, met [254]het droge, glinsterende, witte zand, waardoor de zon zoo krachtig en heet teruggekaatst wordt, en waarin veraf overal de donkere pyramiden den kop in de lucht steken. De meest indrukwekkende van al deze pyramiden is de groote pyramide van Gizeh, welke bij den ingang van de Libyan-woestijn, in de onmiddellijke nabijheid van de Sphinx staat. Deze kolossus, die verondersteld wordt meer dan 6000 jaren oud te zijn, brengt elkeen alleen in verbazing over de enorme afmetingen en ook over den jarenlangen arbeid, dien ’t gekost moet hebben om hem tot stand te brengen. Uit een architectonisch of aesthetisch oogpunt vind ik er niets aan te bewonderen, maar wel dringt, hoe langer men er naar kijkt, steeds meer het besef door met welke reuzenafmetingen men hier te doen heeft. Volgens de opgaven zouden er, loopende over twintig jaar, elk jaar gedurende drie maanden 100.000 man aan gewerkt hebben om de eenige millioenen granietblokken, elk van 40 kubiek voet grootte uit te houwen, te fatsoeneeren en op te stapelen. En dat ding was gebouwd om als graftombe te dienen van koning Cheops en zijne familieleden. Al die pyramiden zijn graftomben van een of ander vorstelijke familie. Zeer zeker een zeer eigenaardige manier om zijn lijk te laten bewaren.

Een geheel anderen indruk verwekt de Sphinx, waarvan zoovele bewonderaars van Egypte zoovele romantische verhalen, weten te doen. Als men Pierre Loti’s boeken en herhaalde beschrijvingen over dit bewonderingswaardige monument leest, en als men in aanmerking neemt, dat tal van personen in de onmiddellijke nabijheid er van, midden in de woestijn, in den letterlijken zin van het woord, hunne tenten opslaan om in de gelegenheid te zijn, dit wonder uit de oudheid onder alle soort belichting en bij zonsopgang en zonsondergang te zien en te bestudeeren, dan begrijpt men zeker, dat ik mij aan eene beschrijving er van niet waag. Ik zag het op een mooien zonnigen namiddag; ik vleide mij in het warme mulle zand aan den voet van het monster neder en observeerde wat deze mannenkop op leeuwenlichaam mij te vertellen zou hebben. En het vertelde mij zulke geheel andere zaken als die ik er van gelezen had, dat ik ze niet waag neer te schrijven. De nuchtere impressie, die ik het allereerst kreeg, was, dat het zeer te betreuren is, dat deze reuzenkop zijn neus verloren [255]heeft, dat er een hak uit de lippen is en dat de nek de helft van zijne afmetingen heeft verloren, maar na eenigen tijd maken deze mankementen niet meer den hoofdindruk en beginnen de mysterieuse oogen te spreken. Maar, zooals ik reeds opmerkte, wat die mij te vertellen hadden, behoud ik voor mij zelf.

Moskeeën zijn in Caïro over de vijfhonderd, daaronder zijn er heel mooie en heel oude, maar wij zijn er hier maar enkele binnen gegaan, omdat wij in de laatste weken zooveel van die dingen zagen, dat wij er nu voorloopig genoeg van hebben.

Als overal in deze soort steden gevoel ik mij hier het meest aangetrokken tot het volksleven, geen dag gaat er voorbij, waarop ik niet een korten tijd hier in den bazaar doorbreng. Bazaar heeft in deze oriëntale steden eene andere beteekenis dan wij er gewoon zijn aan te hechten. De bazaar is dat gedeelte van de stad, waar alle handwerkslieden hun bedrijf uitoefenen en hunne winkels hebben. Het is een complex van zeer nauwe straatjes, die als in een doolhof in elkaar loopen en waar in elk straatje een afzonderlijk beroep wordt uitgeoefend. Er is een straatje voor de schoenmakers, een voor de goudsmeden, de koperwerkers, de kappers, de kleermakers, enz. enz. Het beroep wordt altijd in de kleine open ruimte uitgeoefend, die tegelijkertijd ook het winkeltje is. De straatjes zijn zoo nauw, dat men elkaar er nauwelijks in passeeren kan. In die nauwe, bont gekleurde straatjes in Caïro vindt men het echte Egyptische leven. Het lijkt op dat van alle oostersche steden, maar het heeft toch hier zijn bijzonder karakter en zijne eigen bekoorlijkheid. Behalve dat de eigenaars van de winkeltjes elken voorbijganger nopen tot staanblijven om zijne waren te bezien, “kijken kost niets” hoort men in alle talen en in alle toonaarden telkens opnieuw zich toeroepen, maar ook de vele wandelende winkeliers, mannen, behangen met een heelen winkelinhoud, sporen je telkens aan hetgeen zij te koop aanbieden te bezien en iets van hen te koopen. Tusschen het geschreeuw van dezen hoort men onophoudelijk het rinkelen van glazen en kopjes van kooplieden, die behangen zijn met het een of ander vaatje, gevuld met smakelijk vocht uit een café, die de menschen willen aansporen een glas of een kop leeg te drinken van het door hen aangeboden lekkere vocht, dat dikwijls niets anders is als water met een [256]of ander geurtje. Komt men één oogenblik in een beetje breeder straatje, dan kan men onophoudelijk plaats maken voor de ezeltjes, die aan weerszijden behangen zijn met vruchten, groenten of ook wel allerlei andere koopwaren, die door den drijver van het beest op luiden toon en met veelzijdige gebaren te koop worden aangeboden. Dat alles en onnoemelijk veel meer geeft een levendigheid, geroezemoes en kleurigheid aan dit interessante stadsdeel, dat beter geschilderd dan beschreven kan worden.

Hoewel ook dit Oostersch volk een eigen opvatting van zindelijkheid heeft, is het hier toch oneindig veel zindelijker en hygiënischer dan in Jeruzalem en Syrië. Ook is het volk hier beter gekleed. De Arabier schijnt er een eer in te stellen zijne kleederen zoolang te dragen, tot zij hem van het lijf vallen en blijkbaar worden zij in al dien tijd dan ook nooit gereinigd; de Egyptenaar, voor zoover die zich ten minste in de straten vertoont, schijnt juist zeer veel aan goede en mooie kleeding te hechten. Vooreerst is het opvallend, zoo goed en smaakvol hier iedere man en vrouw geschoeid gaan, bij het volk zijn vooral roode en gele schoenen zeer in den smaak, en dan zijn de lange kleederen en de hoofdbedeksels van de Egyptenaren steeds van zulke mooie harmonieerende kleuren en van zulk een goede kwaliteit, dat men onwillekeurig de verkeerde conclusie gaat trekken, dat de kleedingstoffen en het maken er van hier weinig geld kosten.

Doordat de Mohammedanen, en die vormen hier natuurlijk de groote meerderheid van de bevolking, hun Zondag of wekelijkschen rustdag op Vrijdag vieren, de Joden op Zaterdag en de Christenen op Zondag, daardoor is hier nooit een dag in de week, dat alle werk stilstaat en alle winkels gesloten zijn, of dat zoo’n dag een bepaald karakter heeft. Alleen de musea en andere openbare instellingen zijn des Vrijdags gesloten, de Mohammedanen houden echter hunne winkeltjes tusschen de godsdienstoefeningen open. Donderdag is vooral een levendige dag in de volksbuurten van Caïro, het is de dag vóór hun Zondag en evenals de Jodenbuurt in Amsterdam op Vrijdag een bijzonder cachet heeft, zoo is dat hier het geval op Donderdag.

Als men in die straatjes ronddwaalt, gebeurt het soms, dat men plotseling komt op een plekje, waar een oude man met acht [257]of tien jongens op een mat luid zitten te zingen. Dat is dan een zekere soort school, waar de jongens niets anders leeren als den Koran lezen. Ik kreeg echter niet den indruk, dat de jongens den Koran leeren lezen, veel meer, dat zij die van buiten leeren en in den goeden toon leeren zingen. Het onderwijs is ook hier nog zeer slecht, maar daarover schrijf ik later, als ik eerst wat scholen gezien heb; verplicht onderwijs bestaat er niet en tal van analphabeten komen hier voor.

Er zijn hier natuurlijk nog tal van bezienswaardigheden, die ik hier dan ook successievelijk als een goed toerist ben gaan zien, doch die daarvan meer wil weten moet maar eens een Baedeker koopen en die nalezen. De musea, hoewel zeer interessant en een herhaald bezoek overwaard, hebben toch naar mijne meening geen grooter en uitgebreider collectie Egyptische bijzonderheden, dan er in het Britsch Museum te Londen te vinden is.

De groote aantrekkelijkheid, die Caïro voor vreemdelingen bezit, moet gezocht worden in het overheerlijk klimaat. Dat klimaat lokt elken winter tal van vreemdelingen en doet hen hier de drie of vier natte, koude wintermaanden in eigen land ontvluchten. Nu in het einde van December genieten wij hier elken dag van een heerlijken zonneschijn, met een temperatuur van 60 à 70 graden Fahrenheit en daarbij een door en door droge lucht. De avonden zijn koud, maar van een droge, windstille koude, die niet onaangenaam aandoet. Toch werkt dit klimaat, als men hier pas komt, dikwijls zeer noodlottig. Door het frissche, opwekkende weder, meent men hier in staat te zijn veel te kunnen doen en vooral den geheelen dag in de lucht te kunnen vertoeven. Men gaat ’s morgens uit en men gaat weder direct na de lunch uit en blijft buiten tot de hotelgong roept om zich voor het diner te kleeden en men verwondert zich dan, dat men na een paar dagen geheel op is en niet in staat nog eenige indrukken in zich op te nemen. Als men dan niet door de hier veel voorkomende ziekte, “zonlichtkoorts”, wordt aangetast, mag men van geluk spreken. Dit is een koorts, die de patiënten vrij onverwacht overvalt, met een temperatuursstijging tot 40 graden toe, en die met hoofdpijn, roodgezwollen gezicht en een onaangenaam ziektegevoel gepaard gaat. Eenige dagen bed-rust brengt dan wel weder evenwicht in het gestel, maar de patiënt betaalt toch [258]op een leelijke manier tol voor zijne onvoorzichtigheid, die dikwijls het gevolg is van te veel op een dag te willen doen. Denk niet, dat ik zelf de dupe was van deze ziekte, maar ik had gelegenheid een geval van nabij gade te slaan.

Is men hier echter voorzichtig, door alleen ’s morgens of alleen ’s middags uit te gaan, dan kan men hier in den tijd, dat ’t in ons kikkerland, donker, nat en koud is, een heerlijken tijd doorbrengen en veel van het mooie weder genieten. Op den duur schijnt het klimaat toch ook hier afmattend te zijn; een Engelsche militaire dokter vertelde mij, dat een verblijf van vier of vijf jaar de energie van de meeste jonge menschen hier geheel doodt en men ze dan eerst weder voor geruimen tijd naar Europa moet sturen om nieuwe krachten en moed te verzamelen. Dit komt mij een beetje overdreven voor, maar ik ben hier in den winter, of wat hier winter genoemd wordt en kan dus over de zomermaanden niet oordeelen.

Voor wat het toeristendeel van Egypte betreft, kan men gerust zeggen, dat het voor ¾ deel aan het toeristenbureau van de firma Cook toebehoort. Booten, hotels en andere dergelijke gelegenheden, die men op reis moet benutten, zijn bijna zonder uitzondering in handen van Cook’s firma en hoe men zich hier wendt of keert, men komt bijna altijd weder bij Cook terecht. Daardoor is alles hier bovenmatig duur en wordt er bovendien door die firma een overdreven reclame voor Egypte gemaakt, die zeer zeker bedriegelijk is. Afgezien van het gunstige klimaat in den winter, waardoor zwakken en zieken hier ’n goede verblijfplaats vinden, is Egypte hoofdzakelijk van bijzondere interesse voor archaeologen, historici en architecten, doch de gewone toerist kan zich voor minder geld in verschillende andere oorden van de wereld evengoed amuseeren. Wil men de wereld zien, dan moet men natuurlijk ook Egypte zien, maar men late zich niet verlokken naar Egypte te komen alleen op de reclameplaten en advertenties, uitgaande van de firma Cook & Co.

Ik heb thans wat Engelsche, hier wonende, heeren en dames en eenige Egyptische doctoren leeren kennen; wat die mij in de volgende dagen van Egypte zullen laten zien, daarover hoop ik in een volgenden brief te schrijven. [259]

II.

Als men als gewoon toerist maandenlang in Europa reist, dan kan het gebeuren, dat men in al dien tijd niets verneemt wat in direct verband staat met godsdienst; dat men met de menschen, waarmee men in aanraking komt, nooit over godsdienstkwesties spreekt, dat men dikwijls niet weet—en dat het ons ook niet interesseert—tot welken godsdienst die menschen behooren. Het is in den regel voor den gewonen toerist van heel weinig belang, of de bewoners van een of ander land in Europa in hoofdzaak Protestant, Jood of Katholiek zijn. Slechts bij toeval zal zulk een onderwerp den reiziger bezighouden.

Geheel anders is dit in de orientalische landen; daar dringt de godsdienst zoo op den voorgrond, dat elke reiziger er nota van moet nemen, dat hij onwillekeurig een van de hoofdonderwerpen wordt, waarover men denkt en spreekt, dat hij met al het bezienswaardige zoo is samengeweven, dat men niets kan gaan zien, over niets kan lezen of hooren spreken, zonder dat de godsdienst der bewoners van het land er ten nauwste in betrokken is, er het hoofdbestanddeel of het uitgangspunt van vormt.

Reeds merkte ik dat op in Zuid-Afrika, vooral daar, waar wij in aanraking kwamen met de inboorlingen en ook zelfs bij de Afrikaners, maar het trad steeds meer naar den voorgrond in de verschillende plaatsen aan de Oostkust van Afrika, die wij aandeden, doch toen wij in Arabië kwamen was daar natuurlijk alles geheel en al met godsdienst doortrokken. Daar was letterlijk niets anders te zien, daar werd over niets anders gesproken en van elkeen, die wij op onzen weg ontmoetten, kon men aan kleeding en uiterlijk onmiddellijk vaststellen, tot welken godsdienst hij behoorde.

In Egypte is dat bijna even sterk het geval. Niet alleen verhalen alle pyramiden, sphinxen, moskeeën van den godsdienst der Egyptenaren, maar ook alles wat wij in de musea vinden, getuigt op een of andere wijze daarvan. Van één instelling, die eenig op de wereld is, wil ik hier het een en ander vertellen. Het is de moskee El-Azar, die als moskee niets bijzonder merkwaardigs heeft, maar die dient tot theologische universiteit van Egypte, een universiteit zooals nergens meer [260]gevonden wordt. Deze universiteit dateert uit de tweede helft van de tiende eeuw en is door al die eeuwen heen zoo goed als niets van karakter veranderd. Ongeveer 10.000 studenten bezoeken jaarlijks deze theologische school en in de paar laatste jaren is dat getal tot over de 12.000 gestegen. Ruim 350 leeraren geven er onderwijs.

Deze studenten komen niet alleen van heel Egypte, Opper-, Lager- en Oost-Egypte, doch zij komen van heel Azië, van Constantinopel, Damascus, Mekka, Alexandrië, Britsch Indië en van Java en Sumatra. Waar Mohammedanen zijn, van daar komen ook jonge mannen om hier tot priester te worden opgeleid. De studenten betalen niets voor hunne opleiding en als zij arm zijn—en zoo zijn er velen—worden zij ook nog van brood en een zeker soort soep dagelijks voorzien en dan slapen zij in de moskee. Men weet, dat de Mohammedaan eenvoudig zijn mat spreidt en zich dan daarop, onverschillig waar, te slapen legt.

Het maakt een verrassenden indruk, als men deze moskee bezoekt, dat men daar op den grond, met de beenen kruislings onder zich, die duizenden mannen vindt, van af jongens van ongeveer 12 jaar tot oude grijsaards, allen in groepen verdeeld en allen bezig een of ander onderdeel van hun godsdienst te leeren, of datgene wat zij beschouwen in verband te staan met hun godsdienst. De jonge jongens en ook de ouderen, die uit andere landen komen, hebben eerst het Arabisch in de fijnste bijzonderheden te leeren, alvorens zij tot de hoogere studie kunnen worden toegelaten, doch ook voor degenen, die direct aan de eigenlijke theologische lessen kunnen deelnemen, duurt de opleiding van vier tot zes jaar. Velen komen in al dien tijd de moskee niet uit. Er zijn zelfs mannen, die hun geheele leven aan deze studie blijven wijden, die blijven doorstudeeren of blijven als leeraar. Zoo’n leeraar wordt sheik genoemd. Er waren er velen met zeer eerbiedwaardige gezichten, gezichten, waarvan men gaarne een foto zou willen nemen, of die voor een schilder ’n mooi model zouden zijn. De sheiks worden ook alleen door piëteit tot hun taak gedreven, hunne belooning is niet veel meer dan waarvoor zij amper hun levensonderhoud kunnen bekostigen en eer of aanzien is aan hun ambt niet verbonden.

Het leerprogram komt hoofdzakelijk hier op neer: Zij, die [261]niet genoegzaam Arabisch kennen, moeten eerst grondig die taal leeren. Dan worden hun de gronden van het Mohammedanisme, van God en zijn profeet Mohammed, onderwezen en daarna leeren zij eerst jurisprudentie, wetgeving. De Mohammedanen gelooven, dat een priester de wetten moet kennen, omdat de wetten moeten bevatten de voorschriften van God, in betrekking tot de handelingen der menschen;—dat God heeft voorgeschreven en in den Koran heeft vastgelegd de plichten, die de mensch heeft te vervullen, de handelingen, die hij bij voorkeur moet doen en andere die hij beslist moet nalaten. Uit gegevens uit den Koran wordt den studenten geleerd, welke wetten in de wetgeving van het land moeten worden opgenomen. Bovendien leeren de studenten hoe zij den Koran moeten zingen; verder logica, rhetorica en poëzie, terwijl eerst onlangs ook wat aardrijkskunde aan het leerplan is toegevoegd. Heel hoog en heel ver gaat de ontwikkeling dus niet.

De gezichten van de studenten, uit zoovele verschillende deelen van de wereld komende, zijn voor den bezoeker ’t bestudeeren waard. Niemand van al die leerlingen toonde eenige belangstelling voor al de bezoekers van de Moskee, ongestoord gingen de lessen door en men kon zien, dat de aandacht der studenten ononderbroken was. Toch deed het mij onaangenaam aan, dat zoovele toeristen, door niets anders dan nieuwsgierigheid geleid en klaarblijkelijk dikwijls niets begrijpend van de heilige geestdrift, die deze jonge mannen bezielt, daar in dat voor hen heilige der heiligen binnenkwamen, deze jonge mannen fixeerden en somtijds achter hun zakdoek een lach onderdrukten, of hun spottend gelaat verborgen. De Mohammedanen moeten wel goedmoedige en vredelievende menschen zijn, om al de profanatie te verdragen, die de vreemdelingen jaarlijks in hun land en over hunne heilige instellingen brengen.

Al de kosten aan het onderhoud van deze universiteit verbonden worden betaald uit de fondsen van de Moskee. In den loop der eeuwen zijn zoovele en zoo groote giften en erfenissen aan deze instelling ten deel gevallen en nog jaarlijks komen er zooveel nieuwe groote giften in, dat het bestaan er van financieel verzekerd is.

Ofschoon niet bepaald met Egypte in verband staande, maar wel passende in het kader van dezen brief, wil ik hier het [262]een en ander mededeelen van een nieuwen godsdienst, waarvan, voor zoover mij bekend, in Holland nog weinig of niets gehoord wordt en die in de toekomst toch zeker een rol in de wereldgeschiedenis zal spelen. In hoeverre deze godsdienst zich zal weten te handhaven en uit te breiden, waag ik niet te profeteeren, maar de volgelingen verwachten ervan, dat hij binnen niet al te langen tijd eenheid zal brengen onder de menschen en dat hij in staat zal blijken Jood en Christen, Katholiek, Mohammedaan, Boeddhist, Hindoe en alle andere godsdienstsekten te voldoen.

Ik bedoel het Béhaïsme. Reeds in Zuid-Afrika hoorden wij er nu en dan van, doch meestal onder zeer bedekte termen, zoodat wij niet recht begrepen wat de beteekenis er van was en eerst langzamerhand tot ons doordrong, dat het een godsdienstvorm moest zijn. Zoodra toch degeen, die ’t genoemd had, bemerkte, dat wij er niets van wisten, werd het gesprek er over dadelijk afgebroken en op een ander onderwerp overgebracht. In Arabië noemde onze dragoman het even, toen wij den berg Karmel in het gezicht kregen, als de plaats waar de Behaïs het stoffelijk overschot van hunnen Meester hebben begraven en waar zij zijn graftombe bouwden. Onze dragoman wist of vertelde er echter niets meer van. Dikwijls hebben mrs. Catt en ik elkander afgevraagd, wat toch die Behaïs mogen zijn, en nu hier in Egypte, geheel onverwacht, geheel ongezocht,—wij wij dachten niet meer aan hen—hier kwamen wij precies terecht in een groote groep volgelingen en meenden deze in ons geschikte objecten te vinden, om ons tot hunne geloofsovertuiging over te halen. Evenals in alle groote bewegingen, stellen wij ook in deze beweging, die vele zeer ontwikkelde volgelingen bezit, groot belang; woonden wij een der wekelijksche bijeenkomsten bij en lieten wij ons door de hoofdpersonen in alle onderdeelen voorlichten.

In het kort komt hetgeen ik vernam hierop neer: In 1844, het jaar, dat in verschillende heilige geschriften is aangeduid, als het jaar, waarin een nieuwe profeet zou verschijnen, verklaarde een jonge man van 25 jaar, Mirza Ali Mohammed, in de stad Shiraz, in Perzië, dat hij de menschheid een boodschap van God had te brengen, dat hij daarvoor door God was geroepen. Men gaf hem toen den naam “Bab”, die poort beteekent en geloofde, dat God deze poort gebruikte, om tot [263]de menschheid door te dringen. Hij werd de voorlooper en de stichter van deze groote godsdienstige beweging. Hij bracht zijn boodschap en maakte in korten tijd vele volgelingen. De snelle verspreiding van zijne leerstellingen verontrustte de Perzische regeering, die hem gevangen nam en in Juli 1850 te Tabriz fusilleerde. Ook de volgelingen van Bab, voor zoover zij bekend waren, werden gevangen genomen en gedood.

De leer van Bab was heel eenvoudig. God is eenig; hij zendt van tijd tot tijd een profeet op de wereld, die juist zooveel van de Waarheid brengt aan de menschheid, als de menschheid in staat is op dat oogenblik te verdragen, te begrijpen is misschien een beter woord. Zoo kwamen Boeddha, Mozes, Jezus en nu Bab. Boeddha en Mozes vonden de menschheid in de zuigelingsperiode, Jezus kwam, toen de menschheid in de kinderjaren was en Bab vond de menschheid in volwassen leeftijd. Vandaar, dat zijne leerstellingen verder kunnen gaan dan die van Jezus, de menschheid kan nu beter begrijpen, grooter daden verrichten. Bab wees 18 volgelingen als discipelen aan, waaronder eene vrouw, Kurru-t’ul-Ayn, die een beroemde Perzische dichteres en zeer schoon was. Deze vrouw, bij het Perzische volk zeer geliefd om haar groote goedheid en groote zeggingskracht in hare werken, werd na den dood van Bab letterlijk ter dood gemarteld. Met deze 18 discipelen tot hulp werden de leerstellingen van Bab geboekstaafd.

Onder de volgelingen van Bab was een jong Perzisch edelman, die in Teheran woonde en daar als gevolg zijner weldaden den “Vader der Armen” werd genoemd. Zijn naam was Béha-ullah en hij werd beschouwd als de Meester, waarvan Bab in zijne geschriften gewaagde, die komen zou om zijne leerstellingen te verbreiden. Het zou mij te ver voeren, als ik al de vervolgingen waaraan Béha-ullah van de zijde der regeering blootstond, en al de vernederingen, die men hem aandeed, hier zou mededeelen; zij doen heel veel denken aan alles, wat de eerste volgelingen van een nieuw geloof steeds hebben ondervonden. Niettegenstaande dit alles bleef hij tot 28 Mei 1892 in leven, toen hij als gevangene op 75-jarigen leeftijd stierf te Akka, een plaatsje in de nabijheid van den berg Karmel, den berg van zoo groote Bijbelsche beteekenis. Vóór zijn dood schreef hij, dat zijne volgelingen, die in [264]Turkije tot tienduizenden zijn aangegroeid, zijn oudsten zoon, Abdul Béha, moesten volgen, dat hij “de Grootste Tak” was, die het werk op aarde zou vervolgen en tot grooter ontwikkeling brengen.

Deze zoon, die reeds met zijn vader verbanning, vervolging en gevangenschap had verduurd, werd nu weer het mikpunt der regeering, totdat, nu bijna vier jaren geleden, de nieuwe Turksche regeering, in 1908, hem in vrijheid stelde. Sedert heeft de thans 67-jarige mooie grijsaard herhaaldelijk Amerika en in den laatsten tijd ook Engeland en Frankrijk bezocht. In Amerika maakte hij duizenden volgelingen, vooral in Chicago, den grond, waarop blijkbaar alle nieuwe godsdienstige uitingen zoo welig vrucht leveren. Maar ook in Engeland en in Frankrijk heeft hij, vooral onder de intelligente (of die daarvoor in den regel doorgaan) menschen reeds vele aanhangers gevonden.

Wat bevatten de leerstellingen van Béha, wat beoogt deze godsdienst? vroeg ik. Uit de antwoorden, die ik kreeg, en uit hetgeen men er mij over te lezen gaf, zou ik concludeeren, dat de kern er van een soort geestelijk socialisme is, een streng doorgevoerd humanisme. Rondom die kern zit voor mij nog te veel mysticisme en wordt er nog te veel waarde gehecht aan het bidden. Overigens kent het Béhaïsme geen priesterdom, de wekelijksche bijeenkomsten worden geleid door een of ander uit de aanwezigen, soms daarvoor de week te voren reeds aangewezen. Zelfontwikkeling en daarmede ontwikkeling van anderen en philantropie in den goeden vorm, maken de hoofdzaak uit van de handelingen der Béhaïs, die ik hier ontmoette. Op mijn vraag, of men in Holland reeds volgelingen had, werd mij gezegd, dat er misschien eenigen in Leiden voorkomen, maar dat in Holland nog nooit een poging gedaan is om openlijk volgelingen te kweeken.

De Béhaïs durven nog niet openlijk voor hun geloof uitkomen, ten minste niet in Turkije, waar zij aan zoovele vervolgingen hebben blootgestaan en waar zij zich volstrekt nog niet veilig gevoelen. Zij zeggen nog een woord, waaraan zij elkander kunnen kennen, of zij dragen een herkenningsteeken in den vorm van een ring, een zeker soort doek- of dasspeld, of een of andere kleinigheid aan horlogeketting. In Amerika en in de Europeesche landen zijn zij minder bang voor vervolging, [265]maar meenen zij ook daar eerst meer volgelingen te moeten kweeken, alvorens zij openlijk getuigen. Dit laatste valt heelemaal niet in mijn geest, maar ik durf hen niet veroordeelen, nadat ik vernam, hoeveel zij te lijden hebben gehad en dat niet alle volgelingen sterke naturen zijn, en maatschappelijk onafhankelijk genoeg, om de verdrukking te kunnen doorstaan.

Dat het Béhaïsme zoovele aanhangers vindt onder de Mohammedaansche vrouwen, is te begrijpen. In de voorschriften toch is ook opgenomen: volkomen gelijkstelling der seksen en wordt er aan het onderricht der meisjes, de toekomstige vrouwen en moeders, groote waarde gehecht. De Mohammedaansche vrouwen hopen door dezen godsdienst groote verbeteringen in haar lot te verkrijgen, van den door haar zoo gehaten sluier verlost te worden en hare harems te mogen verlaten. Een harem beteekent hier niet datgene, wat wij gewoon zijn er onder te verstaan. Een man, die streng monogaam leeft, heeft in zijn woning toch een harem. Harem beteekent niets anders hier dan dat gedeelte van het huis, waarin alleen de vrouwen van het gezin vertoeven en waarin een vreemde man, een, die niet tot het gezin behoort, nooit zijn voet zet. De vrouwen van het gezin in een monogaam huwelijk zijn de moeder van den man, zijne echtgenoote, dochters, indien die er zijn, en vrouwelijke bedienden. Binnen de grenzen van den harem gaan de vrouwen ongesluierd en dragen Europeesche kleederen.

III.

Een geheelen dag bracht ik door in de Egyptische medische school, in de universiteit, waar de Egyptische jonge mannen tot medecinae doctores worden opgeleid. Zij is verbonden aan een zeer groot gouvernementshospitaal, wordt geheel door Egyptisch geld onderhouden, maar staat overigens geheel onder leiding van Engelsche krachten. De directeur van het hospitaal, die tegelijkertijd aan het hoofd der universiteit staat, is een Brit. Al de hoofdverpleegsters uit het hospitaal zijn zusters uit Groot-Brittannië en vele professoren en leeraren komen ook van daar. Er zijn een paar Duitsche professoren, een Fransche, een Deen en een uit Turkije. Alle lessen worden in het Engelsch gegeven en zoo sterk regeert Engeland hier, dat de directeur, dr. Keatinge, mij zeide, dat lord Kitchener [266]reeds de 300.000 pond had toegestaan, die noodig zijn om een nieuw hospitaal te bouwen. Op mijn vraag of dit geld dan uit Engeland moest komen voor deze zuiver Egyptische instelling, ontving ik ten antwoord: “O, neen, het Turksche gouvernement heeft het te geven, maar lord Kitchener kan het verzoeken dat te doen.” Een nieuw gebouw is zeer zeker geen weelde, het hospitaal is nu geplaatst in een oud kasteel, dat later voor kazerne dienst deed, door Napoleon voor hospitaal werd ingericht en sedert als zoodanig dienst doet. Het voldoet in geen enkel opzicht meer aan de eischen, die men thans aan een hospitaal mag stellen. Toch hebben de Engelsche doktoren en verpleegsters er van gemaakt wat er van te maken is, zoodat de patiënten tenminste overal genoeg frissche lucht, licht en zindelijkheid vinden, maar voor comfort van de arme zieken, voor comfort van doktoren en verpleegsters is niets aanwezig en ook aan onze tegenwoordige begrippen van hygiëne beantwoordt het gebouw in ’t geheel niet.

Niet alleen worden hier de studenten tot medische doktoren opgeleid, maar aan deze instelling is ook verbonden, de opleiding van verpleegsters en vroedvrouwen. Een allerdwaaste combinatie, die tot heel veel misstanden en immoreele verhoudingen aanleiding geeft en die door alle aan deze instelling verbonden leeraren, doktoren en verpleegsters om het zeerst wordt afgekeurd. De meisjes die hier worden opgeleid tot toekomstige verpleegsters en vroedvrouwen, moeten in het land voorzien in de behoefte der Mohammedaansche vrouwen aan medische hulp, vooral bij verlossingen. Een Mohammedaansche vrouw laat geen mannelijke dokter aan haar kraambed komen, zelfs niet in de allerzwaarste gevallen. Zij worden dan door oude vrouwen bijgestaan en maar al te dikwijls is een zeer pijnlijke dood het einde van een kraambed. Door de opleiding van deze vroedvrouwen hoopt de regeering de vrouwen uit het volk in dezen ter hulp te komen. Dat zou wel goed zijn, als die meisjes een zekere ontwikkeling bezaten, een bepaalden leeftijd moesten bezitten, vóór zij tot deze studie konden worden toegelaten en indien zij gekozen konden worden uit een moreel hoog staande klasse. Dat alles is hier niet het geval. Meisjes van 12, 13 en 14 jaar, ouderen zijn uitzondering, die niet lezen en schrijven kunnen, die niet uit toewijding, maar omdat zij geen tehuis hebben, zich voor dit doel in het [267]hospitaal laten opnemen, komen hier, om in drie of vier jaar tijd als verpleegster en vroedvrouw het hospitaal te verlaten en hebben dan het recht, niet alleen in de gewone gevallen haar assistentie te verleenen, maar zelfs de forceps te gebruiken en keeringen te verrichten. Bovendien is de soort waaruit deze vrouwen gerecruteerd worden van dien aard, dat zij maar al te dikwijls prostitutie als bijvak uitoefenen, of de gezinnen waarin zij hulp verleenen, zeer immoreel beïnvloeden.

Deze menschen zijn in den regel kinderen, die reeds vroeg door hun vader aan een of ander man tot echtgenoot zijn gegeven of verkocht en die, na eenige weken huwelijksleven door den echtgenoot weer naar huis worden gezonden, alleen en dikwijls om geen andere reden, dan dat hij er genoeg van heeft. Neemt de vader haar niet weder in huis op, dan blijft er voor haar niets anders over, dan op straat een minder eerbaar leven te leiden of naar het hospitaal te gaan. Ook als een vrouw door haar man gedivorceerd wordt, dan behoudt hij de jongens, doch de meisjes worden met de moeder weggestuurd en daarvoor behoeft hij haar voor onderhoud niets te betalen. Zoodra zulke meisjes den 12-jarigen leeftijd bereikt hebben, stuurt de moeder haar dochter naar het hospitaal, om haar ten minste eten en onderdak te bezorgen. Nu worden wel alle mogelijke voorzorgen door doktoren en hoofdverpleegsters genomen, om deze meisjes, dertig in getal (meer kunnen er terzelfder tijd niet worden aangenomen) van de driehonderd studenten te scheiden, maar het menschelijk vernuft is scherp, vooral in zulke omstandigheden, en men weet maar al te goed, dat deze meisjes, zoo pas uit de afzondering van de harems in vrijheid gekomen, deze vrijheid niet beter weten te gebruiken, dan op de een of andere wijze één of meer van de jonge studeerende mannen aan zich te binden. Moeten zij bevallen en hebben zij het geluk een jongen het leven te geven, dan is de vader van het knaapje, eo ipso, met de moeder gehuwd, heeft voor haar en het kind te zorgen en het kind draagt zijn naam. Hij kan haar dan wel na een week weder wegsturen, maar het kind blijft het zijne. Tot de jongen zeven jaar oud is, moet hij de moeder wekelijks een som geven, tot onderhoud van het kind en zoodra het zeven jaar is, kan hij het tot zich nemen of voortgaan de moeder voor het onderhoud te betalen. Bevalt zij echter van een meisje, dan bestaat er [268]tusschen haar en den verwekker van het kind geen verband en behoeft hij zich van het geheele geval niets aan te trekken.

Dat ook de omstandigheid, om zulke jonge meisjes op de ziekenzalen reeds allerlei soort werk te laten verrichten en haar bij verlossingen te laten assisteeren, haar te laten onderrichten door mannelijke doktoren in alles wat met het sexueele leven in verband staat, op velen geen goeden invloed uitoefent, is te begrijpen. Men moet deze meisjes niet met de onze vergelijken; zij zijn van te voren in groote afzondering van de mannenwereld grootgebracht; ’t sexueele leven, zoo ’t kan in ’t huwelijk, is haar voorgesteld, als de eenige bron, waaruit en waardoor alles moet komen, wat zij voor levensonderhoud en misschien een beetje levensgeluk, noodig hebben. Daarop zijn al haar gedachten, al haar handelingen geconcentreerd en dit heeft bij haar natuurlijk een soort broeikast-ontwikkeling in deze sfeer ten gevolge gehad. Een der doktoren zeide mij dan ook, “men veronderstelt, dat wij jaarlijks een dertigtal vroedvrouwen afleveren, maar eerlijk gezegd, leveren wij voor twee-derde van dit aantal prostituees af!”

De studenten, die later doktoren hopen te worden, hebben een vierjaarlijksche opleiding. Het eerste jaar in hoofdzaak anatomie en physiologie en de twee laatste jaren aan het ziekbed. Dan kunnen zij hun eindexamen afleggen en zijn gerechtigd de geheele medische praktijk uit te oefenen. Een groot aantal echter gaat tot completeering van hun studie alsdan naar Parijs, Londen, Weenen, Berlijn of Amerika en vestigt zich later als specialiteit in een of ander onderdeel der medische wetenschap.

De studie is hier zeer goedkoop. Boeken, microscopen en alle andere studiebenoodigdheden worden door de universiteit verstrekt; die niets betalen kan, betaalt ook geen studiegeld en voor de anderen is het 15 pond jaarlijks. Verder kunnen de studenten hier zeer goedkoop leven, zoodat slechts weinigen om financieele redenen van de studie in de medicijnen zijn uitgesloten. Toch bestaat het meerendeel der medische studenten uit jonge mannen uit de gegoede kringen.

Het pathologisch anatomisch laboratorium van deze universiteit verschilt van vele andere, omdat het zoovele exemplaren bevat uit den voor-historischen tijd. Ik zag er schedels en beenderen, zelfs intacte inwendige organen, die toebehoord hebben aan menschen van drie- en vierduizend jaren vóór de [269]Christelijke jaartelling. Hoewel de mummies alle ontdaan zijn van hunne inwendige organen, is toch bij vele een deel van de genitaalorganen mede gemummificeerd en in de sarcophaag nedergelegd. Hiervan waren eenige zeer goed gebleven exemplaren in het laboratorium aanwezig.

Ook zag ik er de mummie van een man, die ongetwijfeld aan tuberculose gestorven moet zijn en bij wien de opgedroogde tubercelbacillen onweerspreekbaar gevonden zijn. Deze man was 3600 jaren vóór onze jaartelling gestorven. Ook is het duidelijk, dat kanker in dien tijd reeds voorkwam, ook daarvan waren enkele gevallen aanwezig. De syphilisbaccil, waarnaar zoo geregeld gezocht wordt, werd tot dusverre nog niet gevonden. Hieruit kan men natuurlijk nog niet vaststellen, dat deze ziekte bij de oude Egyptenaren niet voorkwam. Ik durf niet door gaan met het opsommen van alles wat ik hier voor merkwaardigs zag, dit deel van mijn brief zou dan voor vele lezers ongenietbaar worden. Zelden was ik in een inrichting van onderwijs, waar professoren en leeraren zich zooveel moeite geven om den leergierigen bezoeker zoo ten volle op de hoogte te stellen en zij deden dit op zulk een aangename, gentleman-like wijze, dat zij nog den indruk verwekten, alsof het voor hen een aangename taak was.

IV.

O, wat vliegen ze voorbij, de dagen in Caïro, ik zou ze zoo graag willen vasthouden of althans hun vlucht temperen. Als ik er aan denk, dat ik overmorgen Caïro moet verlaten, om de boot te halen, die mij naar een ander land brengt, dan stemt mij dat weemoedig. Ik had dat niet gedacht, toen ik in den aanvang hier kwam; alles maakte toen zoo’n nuchteren indruk op mij, maar met den dag heb ik de stad en hare omgeving meer leeren liefhebben, heb ik er al het mooie meer van leeren waardeeren. Met de geheele stad gaat het als met de woestijn. Als men die voor het eerst ziet, dan ziet men niets dan een onmetelijke witte zandvlakte, waarvan het witte glinsterende zand de oogen pijnlijk aandoet en dan lijkt zij niets als een eenvormige, levenlooze, eindelooze vlakte te zijn. Maar langzamerhand begint men de woestijn mooi te vinden, keert men er telkens naar terug en zou men er dagen [270]in kunnen zitten mijmeren, voelt men zich onwillekeurig verplaatst en wekt het historische feiten in ons op, uit Egyptische dagen van voorheen.

Mijn langer verblijf dan ik gewoon ben, in dezelfde stad, heeft mij ook in aanraking gebracht met meer personen, van wier leven en werken ik zoo graag meer zou leeren kennen en waarvan enkelen vrienden zijn geworden, die ik o zoo ongaarne reeds zoo spoedig weder verlaat. Van die allen en dat alles zou ik zeker tal van brieven kunnen vullen, maar daarvoor ontbreekt mij de tijd. Toch wil ik van enkele zaken en over enkele personen hier nog wat zeggen, alvorens ik Caïro voor goed den rug toekeer. Maar waar te beginnen? Laat mij aanvangen met te vertellen, hoe hier, even buiten de stad, op ongeveer een half uur afstand met een automobiel, midden in de woestijn een nieuwe stad begint te verrijzen, een stad van louter paleizen, Europeesche paleizen, eenige honderden staan er reeds, met een heel groot Europeesch hotel in het midden en dat die stad Heliopolis heet en uit Belgische beurzen wordt bekostigd. Zij ligt in de nabijheid van de ruïnen van het eens zoo bekende oude Heliopolis, de oudste stad van Egypte, waar de koningen gekroond werden en waar de geestelijkheid eene bijzondere vermaardheid bezat.

Maar de nieuwe stad Heliopolis heeft niets met de oude stad gemeen, die zal niet door oude priesters bewoond en er zullen geen koningen gekroond worden, alhoewel de Khedive er vlak bij zijn winterpaleis heeft, maar zij zal door Amerikaansche en Europeesche kapitalisten bevolkt moeten worden, door menschen met volle beurzen en ziekelijke lichamen, die hier gedurende de wintermaanden zich willen koesteren in de felle zon en door de groote droogte van de atmosfeer hopen verlost te worden van rheumatische aandoeningen. Of er bij de vele en verschillende gelegenheden in Egypte waarheen de menschen om dezelfde reden en met hetzelfde succes kunnen vertoeven aan een zoo groote stad van paleizen behoefte is, of dat het weldra zal blijken, dat de Belgische maatschappij, die hier met Belgisch geld werkt, groote financieele verliezen zal lijden, zal de toekomst leeren; dit jaar wordt door allen, die daarvan moeten leven, ontzaglijk geklaagd, omdat de vreemdelingen, uit vrees voor den oorlog, dit jaar op zich laten wachten. De groote hotels in Caïro zijn nog niet ten halve gevuld. [271]

Als men zich hier op een mooien, zonnigen dag een uurtje in den namiddag op het terras voor het hotel nederzet, en zooals de term luidt, “Caïro aan zich laat voorbijtrekken”, dan ziet men inderdaad zooveel merkwaardigs, dat men gerust nu en dan thuis kan blijven, buiten kan gaan zitten, en dan toch een groote hoeveelheid indrukken te verwerken krijgt. Ik zag deze week op een middag, de gewone voorbijgangers,—Egyptenaren in hunne lange, mooi-kleurige kleeding, ezeltjes met hunne menschenvracht, kameelen met suikerriet, graanzakken of iets anders beladen, kooplieden met Egyptische shawls, Perzische tapijten, borduurwerk, prentbriefkaarten, gekleurde koralen en vooral de scarabeeën niet te vergeten, en nog zoovele andere zaken, te veel om op te noemen, niet medegerekend,—eerst een begrafenis voorbij trekken met de gebeden-zingende mannen voorop en het lijk gevolgd door gesluierde vrouwen. Het lijk, in het midden, wordt gedragen door eenige mannen, die behangen zijn met de attributen of eenige kostbaarheden van den doode. Zoo’n lijkstoet ziet men hier elk oogenblik van den dag, vooral van kinderlijkjes. De kindersterfte is hier ontzaglijk groot; een kinderarts vertelde mij, dat in Egypte de kindersterfte grooter is dan ergens elders op de wereld. Daar wordt van regeeringswege nog zeer weinig tegen gedaan, doch van particuliere zijde is men in de laatste jaren bezig om te trachten hierin verbetering te brengen. Men heeft op verschillende punten van de stad, in de armenwijken, kinderklinieken opgericht, waar de moeders met de zieke kindertjes komen; aan één er van is zelfs een klein hospitaal verbonden, waar de heel ernstige patiëntjes kunnen worden opgenomen. Een Egyptische moeder is er echter zeer moeilijk toe te brengen, haar kind in een ziekenhuis achter te laten; daardoor is dan ook dat hospitaaltje slechts zeer dun bevolkt en bevat bijna alleen kindertjes, waarvan de moeder dood is, of verlaten door haar man en familie. Ik zag eenige van deze inrichtingen, die alle door giften in stand moeten worden gehouden en die, als alle zuiver philantropische instellingen, tal van gebreken hebben.

Verder zag ik een bruiloftstoet voorbij trekken. Eerst een troep bont gekleede muzikanten, waarvan de trommelslager het hardst werkte en het verantwoordelijkste deel voor zijne rekening had. Daarachter liepen twee mooi versierde kameelen, [272]elk bevracht met minstens een half dozijn bont toegetakelde kinderen. Dan weder twee even mooie kameelen, die een sedan-chair, een soort draagstoel, tusschen zich hadden, waarin het jonge in rose zijde gekleede bruidje met twee familieleden, waarschijnlijk de beide moeders gezeten waren en daarachter eenige open rijtuigen, ook bont gesmukt, met familieleden of gasten.

Er was dien middag meer te zien. Plotseling verschenen twee, in wit satijn, rijk met goud geborduurd, gekleede mannen; uit hun gekleurde hoofddoek hing achter op den rug een lange staart, ofschoon het geen Chineezen waren. Zij vlogen voor een rijtuig aan en schreeuwden iets in ’t Arabisch, wat beteekent “maak ruimte” of “ga uit den weg”.

In het open rijtuig, dat hen op die hielen volgde, zaten twee in gekleede jas en hoogen hoed gekleede heeren; naast den koetsier op den bok zat een palfrenier in een steenrood, rijk met goud geborduurd kostuum. Het rijtuig hield vlak voor het hotel stil, de heeren stapten uit en brachten een kort bezoek aan een voornaam Engelschman in ons hotel. Een der heeren, die op die wijze door Caïro’s straten reed, was lord Kitchener. Wel een hemelsbreed verschil bij de eenvoudige wijze, waarop de Khedive voorbij gaat. Als ik er niet door den portier van ’t hotel opmerkzaam op was gemaakt, dan zou ik in den eenvoudig voorbij rijdenden man nooit een der grooten op aarde gezocht hebben. Ook de vrouwen van den Khedive, hij heeft er twee, en de verschillende prinsessen maken niet zoo’n drukte als zij uitrijden. Ik zag twee prinsessen in een mooie automobiel. Zij droegen Europeesche kleeding, een ronde, vilten hoed, waaromheen losjes een witte sluier lag, die even lichtelijk ook de mond bedekte; dat was de wijze, waarop deze dames het gesluierd gaan opvatten.

Van een merkwaardig bezoek wil ik nog iets mededeelen. Ik maakte er verscheidene, maar ’t is onmogelijk om van die alle te gewagen. Dit eene bezoek zal ik echter nooit vergeten. Een Engelsche dame, die in Britsch-Indië is groot gebracht, zich daar zeer voor den godsdienst der Hindoe’s interesseerde, later naar Perzië trok om een meisjesschool te stichten, met geen ander doel, dan de Perzische vrouwen te helpen zich te emancipeeren, later naar Caïro kwam, toen zij haar school in Perzië in goede handen kon achterlaten, en daar nu een soort kinderschool heeft, eene vrouw met groote zeggingskracht [273]en vol van mooie hervormingsideeën, had Mrs. Catt en mij uitgenoodigd een middag bij haar te komen om eenige heeren, hervormers op theologisch gebied, te ontmoeten. Wij begrepen niet, waarom wij deze uitnoodiging kregen, maar deze vrouw hadden wij leeren kennen als iemand, die een hernieuwd bezoek ten volle waard was en wij begrepen ook, dat wij bij haar bepaald belangrijke personen zouden ontmoeten.

Toen wij er kwamen, zagen wij er, als de meest opvallende, een klein, fijn, zwart mannetje, met gitzwarte, zijdeachtige, lange haren, die hem over de schouders hingen; oogjes, die in schittering concurreerden met de diamantjes in z’n ooren; gekleed in ’n lang, laat mij zeggen, kemelsharen kleed en met bloote voeten in sandalen. Hij werd ons voorgesteld als Shree Shyama Swarma Balyogi, zooals ik later op zijn naamkaartje zag, als een Hindoe-filosoof. Op zijn naamkaartje stond zeer bescheiden: “Great Student of Vedant Philosophy”. Hij kwam van Vaso, in de nabijheid van Bombay, Britsch-Indië. Laat mij er direct aan toevoegen, dat hij op weg is naar Parijs en Londen, alwaar hij eenige filosophen op theologisch gebied gaat bezoeken. Daarna gaat hij naar Amerika, om Edison te interesseeren voor een electrisch apparaat, waarvoor hij de gegevens heeft geput uit de Veda. Als dat toestel tot stand komt dan zal de geheele medische diagnostiek en therapie onderst boven worden gekeerd. Wat ik er evenwel dien middag van vernam maakte op mij meer den indruk een hocus pocus te zijn dan een ernstige hervorming van hetgeen het beoogt. Dit was echter slechts een bijzaak. Daarvoor waren die mannen niet bijeengekomen; zij hadden andere zaken te bespreken.

De tweede en mijns inziens de belangrijkste van de bezoekers was een Sheik, een trouw Mohammedaan. Hij is echter een hervormer van zijn godsdienst. Hij wil aan het vele bidden der Mohammedanen, vijf maal daags en nog al lang, een einde maken en tevens het afzonderen der vrouwen trachten tegen te gaan. Hij is een man, die in den smaak valt van den tegenwoordigen Khedive, die zeer liberaal en hervormingsgezind is, die hem dan ook heeft aangesteld als Universeel prediker en die hem uit eigen fondsen salarieert. Aly El-Girbi, zooals zijn naam is en in ’t Arabisch op zijn visitekaartje prijkt, heeft geen vaste moskee waarin hij predikt, hij reist door het [274]geheele land, predikt in alle moskeeën en trekt overal tal van hoorders. Hij richt zich vooral tot de vrouwen, vraagt hen vooral onder zijn gehoor te komen en—naar men mij mededeelde—boeit hij zijne hoorders soms vijf uur lang achtereen. Hij is bijzonder welbespraakt en poëtisch en zijne weinige doch veelzeggende handgebaren geven zijne woorden een bijzondere kracht. Hij zeide tot ons, dat de lage stand van ontwikkeling der tegenwoordige Egyptenaren verklaard moest worden uit de slaafsche positie waarin de Egyptische vrouwen verkeeren. Uit zulke moeders konden geen groote mannen geboren worden. Alsof hij Perkins Gilman of Olive Schreiner gelezen had!

Verder was er een man uit Perzië, die in Teheran een soort filosofische school schijnt te hebben, een Turk, die zich met de filosofie der godsdiensten bemoeit, en twee heeren uit Caïro, die Béhaïsten zijn. Het geheele onderhoud van deze heeren kwam daarop neer, dat zij de verschillende godsdienstvormen in overeenstemming trachten te brengen met de eischen van den tijdgeest; het kwam mij voor, dat zij het er allen gloeiend over eens waren, dat de opheffing der volkeren alleen kan tot stand komen door de vrouwen een grooter aandeel te geven in ’t maatschappelijk en later ook staatkundig leven. Van den Sheik ontvingen Mrs. Catt en ik een bijzonder hartelijken handdruk en den dank voor ’t geen wij trachten te doen voor de vrouwen. Het was een allermerkwaardigste middag die wij in dat gezelschap doorbrachten.

Hedenochtend was ik getuige van eene ceremonie, zooals hier elk jaar ongeveer om dezen tijd plaats vindt, ’t Was de ceremonie van “het heilige tapijt”. Elk jaar zendt de Egyptische regeering een nieuw prachtig met goud en zilver geborduurd tapijt naar Mekka; het oude, dat daar een jaar gebruikt is, wordt dan weder teruggenomen en is dan door het gebruik in Mekka, heilig geworden. Door 200 à 300 soldaten, meestal vrijwilligers, wordt het nieuwe kleed gebracht en het oude mede terug genomen. Het kleed, dat zeer zwaar is, wordt door één kameel gedragen; het ligt onder een baldakijn, in den vorm van eene moskee, van rood fluweel met zilver en goud geborduurd. De kameel, die dit heilig stuk draagt, wordt ook met bijzondere vereering beschouwd en behandeld. Het beest bezit een koninklijke stal, wordt op bijzondere wijze gevoed en doet het heele jaar geen werk. Zijn eenig levensdoel is [275]jaarlijks de kostbare last naar Mekka te dragen en de nog kostbaarder mede terug te nemen.

Om acht uur vanochtend stonden wij reeds in ons rijtuig, dat een goede plaats vooraan in de file had gekregen, om alle toebereidselen te zien voor de ontvangst van het heilige tapijt, dat om tien uur verwacht werd. Wij stonden vlak vóór het gebouw waar het in ontvangst zou worden genomen. Evenals in een opera defileerde in goede volgorde telkens iets anders ons voorbij. Nauwelijks waren wij aangekomen, toen een regiment artillerie met kleine kanonnen op muilezels geladen, alle militairen in groot uniform, met hun muziekcorps voorbij trok en op eenigen afstand zich opstelde. Kort daarna infanteristen, marcheerende op de marsch uit de opera Carmen, dan cavalleristen, groepen van hen op prachtige witte schimmels, een andere groep op goudvossen, weer een andere op kastanjebruine paarden, allen van het echte Syrische ras. Lange rijen infanteristen achter groene vaandels volgden: dat waren de militairen die dit jaar of vroegere jaren in Mekka waren geweest. Al die militairen werden opgesteld op eene groote vlakte, tegenover het officiëele gebouw, waar het heilige tapijt gebracht zou worden.

Onderwijl kwamen in automobielen, in open rijtuigen of gesloten rijtuigen, met of zonder voorrenners, alle officiëele personen uit Caïro in groot tenue aanrijden en stapten in het bedoelde gebouw af. Het is de Khedive, die in hoogst eigen persoon dit tapijt in ontvangst dient te nemen; hij had evenwel dit jaar dezen post aan zijn jongeren broeder afgestaan. Al die officiëele personen, eenige honderden in getal, waren in het gebouw, maar ook buiten verzamelde zich intusschen een onafzienbare massa, die uit nieuwsgierigheid of uit toewijding naar dit schouwspel gedreven werd. De nieuwsgierigen waren de duizenden vreemdelingen, die op het oogenblik in Caïro vertoeven; de Mohammedanen kwamen uit zuivere devotie. Er waren drie groote afgesloten ruimten, waar de auto’s en rijtuigen met hunne inzittenden een plaats kregen en die allen een even goed en vrij gezicht op het schouwspel hadden. De eerste was afgezonderd voor de familieleden van den Khedive, die in groot aantal aanwezig waren. De tweede was voor de familieleden der officiëele personen, de verschillende consuls en hooge militairen. De derde ruimte was voor de vreemdelingen. [276]

Klokslag tien uur arriveerde de karavaan. Zoodra zij in het gezicht kwam werd het heilige kleed met 21 kanonschoten begroet en waar het voorbij de militairen trok, presenteerden dezen het geweer of maakten hun militair saluut. De kameel, die de heilige last droeg, was geheel met goudwerk en roode franjes behangen; het verhief zijn kop nog hooger dan die beesten gewoon zijn te doen, alsof het zich van zijne waardigheid bewust was. Het werd gevolgd door zeven andere met rood fluweel behangen kameelen en op elk zat een eerbiedwaardige pelgrim, die zachte tonen uit een fluit te voorschijn bracht, om het heilige beest te amuseeren.

Zeven keer wandelde deze stoet in de ruimte rond, telkens door de militairen en nu ook door de Sheiks, de Pasja’s, de koninklijke familie en alle officiëele personen, allen nu naar buiten gekomen, eerbiedig gegroet. Daarna overhandigde de broeder van den Khedive den eersten begeleider een sleutel en alles verdween in het gebouw, waar het tapijt voorloopig ondergebracht werd. Weder 21 kanonschoten om het uitgeleide te doen.

Dit tapijt blijft nu twee maanden aldaar en wordt in dien tijd door alle geestelijken en fanatieken aangebeden; daarna wordt ’t in vele stukken gesneden, die verschillende moskeeën ten deel vallen om op de daarin aanwezige heilige graftomben gelegd te worden. Men verteld, dat dit grapje het land elk jaar twaalf millioen gulden zou kosten! Vóór ik alles had gezien kon ik dat niet gelooven; nu ben ik er zeker van, dat die som niet overdreven is. Wat zou dat geld hier in het land nuttiger besteed kunnen worden, indien het b.v. voor oprichting en in-stand-houding van goede scholen werd gebruikt.

Het was vandaag prachtig weder, de zon scheen reeds vroeg; toen ik dit in het rijtuig staande opmerkte, zeide onmiddellijk een Mohammedaansche koetsier: “Maar natuurlijk, mevrouw; dat is altijd zoo; wanneer het heilige tapijt in Caïro komt, laat God de zon schijnen!” Ik dacht aan onze Oranjezon, die zich echter wel eens een enkele keer achter een wolk verschuilt.

Nu alles is afgeloopen, weet ik niet, wat diepere impressie op mij maakte, het gezicht van die mooie, vroolijke, veelkleurige vertooning, of de groote orde die er onder die tienduizenden heerschte en het kalme en vriendelijke optreden van de politie. [277]Behalve de kanonschoten en de militaire muziek, werd geen enkele luide toon gehoord; de bevelen van de politie gingen meer door een vriendelijk handgebaar dan door verheffing van stem. Na afloop vertrok geen rijtuig van zijn plaats vóórdat de politie het sein gegeven had en allen bleven achter elkaar rijden.


P.S. Van bevriende zijde worden mij twee uitknipsels uit “De Telegraaf” toegezonden, op welks inhoud ik hier even wil terugkomen.

Het eerste is onderteekend door twee artsen uit Transvaal en heeft de strekking te doen uitkomen, dat mijne opvatting over de behandeling der inboorlingen in Zuid-Afrika niet de juiste is. De inhoud van dat ingezonden artikel verwondert mij niet; ik zal in vele Zuid-Afrikaansche bladen over mijne geuite meening in dezen wel meer en sterker gecritiseerd worden. Uit gesprekken, die ik daarover in Zuid-Afrika met vele Afrikaners en Britten hield, is het mij heel goed bekend, dat de groote meerderheid der bevolking mijne gevoelens in dezen niet deelt. Hoe kan het ook anders. Sympathiseerde de meerderheid der bevolking in dezen met mij, dan zou de behandeling der kleurlingen eene andere zijn en dan had ik daarover anders geschreven. Betreffende dit eene punt, minachting voor den kleurling, hem te beschouwen louter als goedkoope arbeidskracht, harmonieeren Britten en Afrikaners meesterlijk. Dat niet de heele bevolking van Zuid-Afrika zoo verkeerd denkt over den Kaffer en deze kleurlingen warme vrienden bezitten in enkele toonaangevende kringen, daarvan ben ik ook zeker. Vooral in de Kaapkolonie vond ik voor mijne meening vele gelijkdenkenden en toen ik Olive Schreiner een bezoek bracht, ontdekte ik, dat ook zij in dezen mijne geestverwante is.

De oplossing van het kleurlingen-vraagstuk zal in Zuid-Afrika eene zeer moeilijke zijn, maar wil men eene rechtvaardige en wijze oplossing verkrijgen, dan moet men beginnen deze menschen met andere oogen te beschouwen, hun karakters te bestudeeren in de kraals, ik meen: zoolang zij nog onbesmet zijn door de aanraking met de Europeeërs, en hen in deze eigen omgeving eerst tot eene hoogere ontwikkeling brengen, zoodat zij beter bestand zijn tegen de gevolgen van verleiding, verkeerde behandeling en verkeerde voorbeelden der blanken. [278]

Het tweede stuk is onderteekend door Zionist; deze maakt mij er een verwijt van, dat ik van het Zionisme in Palestina niet beter op de hoogte ben. Ik heb dat evenwel in een van mijne brieven erkend, eerst in Palestina trof mij den omvang van deze beweging. Mijn Baedeker, de laatste uitgave, zegt zoo goed als niets er van en onze dragoman, een Protestant, stelde er zeer weinig belang in en wist er niets van mede te deelen. Dat er geen Hirsch-vereeniging bestaat, maar dat uit de nalatenschap van Hirsch eene andere vereeniging geformeerd werd, was mij onbekend. Had ik met beslistheid geschreven, dat die kolonie boven Tiberias door de I. C. A. tot stand was gebracht, het verwijt van Zionist zou mij kunnen treffen; ik deed echter die vraag tusschen haakjes, omdat men mij in Jeruzalem had medegedeeld, dat de Zionisten nooit financieele voorschotten geven, doch dat, waar het noodig is, de Hirschvereeniging in dit opzicht helpt. Waren we niet zoo door Syrië gevlogen, had ik tijd gehad mij overal wat langer op te houden en nauwkeuriger informatiën te nemen, dan had ik met meer beslistheid ook over de bedoelde kolonie kunnen schrijven.

Dat de Zionisten een supplement op de Baedeker uitgeven, waarin over deze zaken uitvoerige inlichtingen worden verstrekt, is zeer goed gezien; laat mij hen echter in overweging geven, dit boekje in het Engelsch, in plaats van in het Duitsch te laten drukken, want tot nu toe bestaan de bezoekers van Palestina voor een overwegend groot deel uit Amerikanen en Engelschen. Duitsch sprekende toeristen zijn nog groote uitzonderingen.

Laten mijne lezers niet vergeten, dat ik mij in de verschillende landen niet lang genoeg ophoud om mij steeds van alle vraagstukken goed op de hoogte te stellen, dat ik ook van alles alleen mijne indrukken weergeef, en dat ik niet verwacht, ook niet verwachten kan en wil, dat elkeen het met mijne opvatting eens is. [279]

[Inhoud]
Ornament

Aan boord van de “Prinses Juliana”.

Wij waren reeds vroeg op, den dag waarop wij Caïro verlieten, om ons naar Port-Said en aan boord van het schip te begeven, het schip, dat ons zou wegvoeren uit Egypte en in een ander werelddeel weder aan land zetten. Om zeven uur ’s morgens zou de trein vertrekken, doch om zes uur stonden wij reeds gereed, waren de koffers gepakt en wachtten wij op de mannen, die de vele stukken bagage naar beneden zouden brengen en die den dag tevoren waren aangewezen, om voor onze koffers te zorgen en ons veilig in den trein te brengen. Waren wij blijven wachten, dan stonden wij er misschien heden nog, want toen wij beneden in het hotel kwamen, lag er alles nog in diepe rust. Zelfs de mannen, aan wie de nachtwacht was toevertrouwd, lagen in de corridors op de dikke Smyrna-tapijten te snurken; de eenige wezens, die teekenen van leven gaven, waren een paar groote, dikke ratten, die door onze komst gestoord werden in een of andere belangrijke onderneming en toen ijlings de vlucht namen. Nadat wij genoeg menschen wakker en naar beneden getrommeld hadden, er een rijtuig voor ons gehaald was en wij aan het station waren uitgeladen, was er amper tijd voor onze reisbiljetten te zorgen, de bagage te laten inschrijven en plaats te nemen, voor de trein afreed.

Wij zouden nu nog in de 4½ uur, die wij noodig hadden, om naar Port Saïd te komen, gelegenheid krijgen, om in Egypte eene van die natuurverschijnselen te zien, waarvan wij wel veel gelezen hadden, doch dat wij nog niet hadden bijgewoond. Spoedig, nadat wij Caïro achter den rug hadden, begon de [280]een of andere wind op te steken en langzamerhand zagen wij het woestijnzand steeds hooger stuiven, zagen wij de op den weg zich bevindende kameelen zich nederleggen en de opzittende of begeleidende mannen zich achter hen verschuilen, nam de lucht een grijsgrauwe tint aan, waar doorheen wij slechts op korten afstand konden zien en kwam het fijne stuifzand zelfs door onze goed afgesloten vensterraampjes onze oogen, neus en keel binnen dringen. Het was “a new experience”, zooals mijne reisgezellin goedmoedig opmerkte, maar geene aangename.

In Port Saïd bijna een uur te laat aangekomen, had deze zandstorm voor een fijnen, doordringenden regenstorm plaats gemaakt, die het aan boord gaan niet veraangenaamde. Doch—en nu heb ik in mij-zelf een eigenschap ontdekt, die ik mij niet bewust was te bezitten—ik gevoelde mij aangenaam aangedaan, toen ik daar, al was het dan ook in een hoekje van Afrika, mijn voet op Nederlandschen bodem zette; toen ik in eigen taal door tal van landgenooten begroet werd en toen ik in mijne hut gekomen vele pakjes van Hollandsche vrienden vond, alle de een of andere nationale bijzonderheid bevattende. Het waren Dordtsche speculaasjes, Haagsche beschuitjes, chocolade van Korff, Delftsche parfumerie, Haagsche hopjes, Deventer koek en Groninger molleboonen, die mij door goede feeën waren toegezonden en die mij nog lang zullen blijven vertellen, dat er ook in eigen land veel goeds is te vinden. Ik dacht een cosmopoliet te zijn, doch het nationaliteitsgevoel is sterker dan ik vermoedde. Dit gevoelde ik ook heel sterk, toen wij in onze hut kwamen en mijne Amerikaansche reisgenoote, die vele bootreizen in haar leven maakte en verschillende stoomvaartlijnen bij ondervinding kent, uitriep: “Ik heb nog nooit zoo’n gerieflijke en ruime hut op een boot gehad als deze.” ’t Is waar, in de hutten op de “Prinses Juliana” gevoelt men zich even comfortable als in een kamer in ’n hotel en de van alle kanten gemakkelijk te bereiken bad- en toiletkamers, waar een echte Hollandsche zindelijkheid heerscht, zijn niet alleen ruim en comfortable, maar zijn zelfs luxueus ingericht. De comfort op de “Prinses Juliana” laat in geen enkel opzicht te wenschen over.

Het werd bijna vier uur, toen wij Port Saïd uit en het kanaal van Suez binnenstoomden, zoodat wij het kanaal, dat [281]ik nog gaarne eens weder had gezien, bij avond en nacht passeerden. Toen wij den volgenden morgen ontwaakten lag Suez reeds achter ons en waren wij in de Roode Zee. Nog één tamelijk koele dag en toen kwamen de passagiers reeds in hun witte pakken voor den dag, hadden de zwarte bedienden zich reeds van voor hun voeten niet bestemde schoenen ontdaan en hoorde men reeds enkele medepassagiers—en vooral de spelende kinderen—klagen, dat zij “puften van de warmte”. Zoo erg was het echter niet, maar de temperatuur was toch slechts enkele graden lager dan toen ik hier twee maanden geleden van de andere zijde doorvoer. Het schip is echter goed toegerust, om aan wat warmte te kunnen weerstand bieden. Niet alleen, dat overal in de salons en eetkamers en in alle hutten electrische waaiers koelte aanbrengen, maar bovendien zijn aan alle patrijspoorten windvangers aangebracht, die het beetje wind, dat wij genieten, opvangen en in de hut uitstorten. Het is dus best uit te houden.

In een ander opzicht onderscheidt deze boot zich nog van de meeste andere, waarop ik groote reizen maakte, een onderscheid, dat ik ten hoogste waardeer. Ze heeft n.l. geen muziekkorps aan boord, zoodat de passagiers niet ’s morgens en ’s middags en soms ook nog des avonds de hartverscheurende valsche tonen van een scheepsmuziekkorps te genieten krijgen. Hier is slechts een pianola-piano aan boord, die alleen nu en dan ons trommelvlies tracht te verscheuren en waarop op de meest ongelegen oogenblikken een zich muzikaal aangelegd voelend jongmensch zit te trommelen en volstrekt niet voelt, dat hij meerendeels mistast.

Elk patriotisch Nederlander kan op deze boot niet alleen trotsch zijn over de wijze, waarop onze stoomvaartmaatschappijen haar passagiers vervoeren, maar ook op de geaardheid en het gedrag zijner medepassagiers. Men gevoelt zich hier in deftig, Hollandsch gezelschap. Alles gaat even kalm en netjes zijn gang, geen luidruchtig geluid wordt gehoord, geen luidruchtige spelen gespeeld. Elkeen wandelt kalm over het dek of ligt op zijn rieten stoel een sigaartje te rooken en kringetjes te blazen, of leest ’n van huis medegebracht of uit de scheepsbibliotheek geleend boek. Enkelen zitten samen te keuvelen, even bedaard en even netjes, alsof wij bij ons in Holland op ’n buurtbezoek zijn. Een enkel clubje—en daartoe behoor [282]ik—speelt ’s avonds een partijtje bridge, anderen zitten schaak of domino te spelen, maar van luidruchtige spelen als op de Engelsche booten gespeeld worden, waaraan alle passagiers meedoen, daarvan is hier geen sprake. Op deze boot zijn de Hollanders Hollanders: netjes, bedaard, verstandig, kalm. Ik verheug mij daarover en ben hartelijk blij op deze boot gelegenheid te hebben met mijne landgenooten eens weder een verstandig gesprek te kunnen voeren en successievelijk met al mijne medereizigers kennis te kunnen maken en hen van hun goede, oud-Hollandsche zijde te leeren kennen. “I like your people, especially as travel-companions”, zeide na eenige dagen dan ook mijn reisgezellin en dat streelde mijn ooren niet weinig.

Ik heb echter nog een voornaam punt vergeten te noemen, toen ik opsomde wat wij hier op deze boot dagelijks uitvoerden. Dat is vreemd, want het is iets, wat het grootste deel van onzen tijd in beslag neemt. Ik bedoel het eten en drinken, het deelnemen aan de maaltijden. Het lijkt wel, dat de Stoomvaart-Maatschappij “Nederland” zich verbeeldt tot taak te hebben, haar gasten een mestkuur te laten doormaken, om ze bestand te doen zijn tegen de nieuwe leefwijze, die hen aan het eind der reis wacht. De maaltijden zijn niet alleen overvloedig en goed, maar de verscheidenheid der gerechten is ook zoo goed en juist gekozen, dat men alleen met een ernstigen en vasten wil kan zorgdragen niet overvoed te worden. Als men niet onmiddellijk uit de overvolle menu’s een paar gerechten kiest, waarvan men zal gebruiken, en de anderen, zonder er naar te zien, laat passeeren, dan heeft men al heel spoedig den dokter noodig, die met wat bicarbonas sodae de maag te hulp moet komen.

Niet alleen in de Roode Zee was het warm; toen wij Aden achter den rug hadden en Kaap Gardefui voorbij gestoomd waren, bleek er wel wat meer wind te komen, doch was de temperatuur niet lager. Het was dan ook op heel bescheiden toon tot mij gericht, het verzoek, om “als de warmte het mij niet onmogelijk maakte”, een voordracht over vrouwenkiesrecht te houden. Aan dit verzoek, door 36 passagiers onderteekend, kon ik natuurlijk geen weerstand bieden. Als goede propagandiste voor de groote zaak, moest ik natuurlijk verheugd zijn—en dat was ik dan ook—, dat mij op zoo’n [283]ongezochte wijze gelegenheid gegeven werd, dit onderwerp, zelfs op den Indischen Oceaan, te bespreken en met toestemming van den kapitein werd de 2e klasse eetsalon ingericht om als vergaderzaal te dienen. Ik dacht niet, dat de belangstelling in vrouwenkiesrecht onder mijn medepassagiers zóó groot was; op één enkele uitzondering na waren alle 1e en 2e klasse passagiers aanwezig, toen ik dien middag, om half vijf, het woord nam. Zóó groot was zelfs de belangstelling, dat wij om zes uur nog midden in het debat waren, toen de zaal ontruimd moest worden om weder voor eetsalon te worden ingericht. Om elf uur den volgenden morgen werd het debat voortgezet, en toen ik op het middaguur eindigde, werd door vele Engelsch sprekende medepassagiers onmiddellijk het verzoek gericht, om ook mevrouw Catt te vragen, een voordracht voor hen te houden.

Vrouwenkiesrecht was daarna langen tijd ’t onderwerp van de gesprekken op de boot; sommigen waren overtuigde voorstanders geworden, anderen vonden het toch ook een vanzelf sprekend gevolg van den ontwikkelingsgang der maatschappij, anderen waren verstokte tegenstanders, onder dezen voornamelijk die heeren, die van oordeel waren, dat huwelijksgeluk alleen bestaanbaar is, zoolang de vrouw tot den man opziet, en door de vrouwen nu ook politieke rechten te geven, ontnam men den man alle superioriteit over zijne vrouw. Die heeren kennen niet de “Amalasuntha’s”-zusteren van de Amalasuntha uit Dickens’ onovertreffelijke verhalen, die aan nekverstijving te gronde gaan, door het onophoudelijk opzien tot hun zoo hoog boven hen staanden echtgenoot. Ik heb hen geraden, Dickens voor dat doel eens na te slaan.

Mrs. Catt was natuurlijk ook dadelijk bereid om aan het verzoek, dat inhield wat te vertellen over de toestanden in Amerika met betrekking tot het vrouwen-vraagstuk, te voldoen, en twee dagen, nadat ik gesproken had, vulde zij mijne voordracht aan met het bovengenoemd onderwerp. Ik had niet gedacht dat ook dien derden dag nog zooveel belangstelling zou bestaan, om een paar uur in de warme salon stil te zitten luisteren naar hetgeen mrs. Catt op haar eigenaardige, boeiende wijze te vertellen had, en het verhoogde het effect van haar voordracht niet weinig, toen aan het slot een heer in ons midden opstond, die een Australiër bleek te zijn en in [284]Queensland woont en die op zeer welsprekende wijze de resultaten van het vrouwenkiesrecht in Australië besprak. De vrees voor “ongenoegen in het gezin” als gevolg van kiesrecht, ook voor de gehuwde vrouw, het bezwaar, dat in de laatste dagen nogal eens gehoond werd, wist hij zoo schitterend te weerleggen, dat twijfel omtrent dat punt nu onder de passagiers van de “Juliana” wel niet meer zal bestaan. Zijn vrouw, die ook aanwezig was, wist nog even mede te deelen, dat zij en haar man wel dikwijls omtrent de keuze van den candidaat tot overeenstemming kwamen, maar in de gevallen, waar beiden aan eigen candidaat de voorkeur bleven geven, brachten zij natuurlijk ook hun stemmen uit op hun eigen candidaat. ’t Klonk zoo eenvoudig en alleen ’n door-alles-heen-gelijk-willen-hebbend echtgenoot kon zich nog beangst maken voor “ongenoegen”.

Zoo werd dus gedurende eenige dagen het vrouwen-vraagstuk de “topic of the day”; menigeen, die vroeger nooit ernstig hierover heeft nagedacht, begint thans te begrijpen, dat de vrouwenbeweging, hij moge er mede instemmen of niet, eene groote, machtige beweging is, die zich thans in alle landen openbaart en die niet eerder tot een einde zal komen, alvorens er volkomen wettelijke—hieronder ook de politieke te verstaan—en maatschappelijke gelijkstelling tusschen mannen en vrouwen zal zijn verkregen.

En zoo gaan de dagen op de boot langzaam voorbij, maar toch nog veel te snel voor mrs. Catt en mij, die deze zeereis gaarne nog wat verlengd zouden hebben. Wij gevoelen ons hier thuis, rustig, aangenaam. De warmte is wel groot, maar niet te groot, en wanneer wij des avonds de wonderschoone zonsondergangen, die tusschen Aden en Colombo onbeschrijflijk mooi zijn, genoten hebben, volgt daarop spoedig een lange, aangename koele zomeravond.

Morgenochtend moet de boot in Colombo aankomen, maar wij hebben de 8 uren, die wij te laat van Port Saïd vertrokken zijn, niet ingehaald en daardoor zal het wel avond worden, eer wij in Colombo aan wal stappen. [285]

[Inhoud]
Ornament

Op Ceylon.

I.

Het avondduister was reeds lang ingetreden, toen wij de kustlichten van Colombo in het gezicht kregen en eer het schip voor anker lag, de visiteerende dokter aan boord was gekomen en zijn plicht vervuld had, en eer wij met onze bagage goed en wel geland waren, was het reeds bijna tien uur. Het was jammer, dat wij het mooie binnenkomen in de haven van Colombo gemist hebben en ons hebben moeten tevreden stellen met de verhalen over dat mooie gezicht van uit zee op Colombo, van onze medepassagiers, die deze reis reeds meermalen gemaakt en Colombo vroeger hebben gezien. Tot op het laatste oogenblik vonden wij het op de Prinses Juliana aangenaam; ik hoop later nog wel eens van deze boot te kunnen gebruik maken, vooral wanneer zij dan nog onder denzelfden goeden gezagvoerder met zijne plichtgetrouwe en beschaafde bemanning vaart. En van de passagiers wil ik alleen dit zeggen, dat gisteravond, toen wij in het hotel en op onze kamer aangeland waren, mrs. Catt tot mij zeide: “Als men mag aannemen, dat men op een groote boot van zekere natie een goed overzicht krijgt over zijn volk, dan gaat Nederland met de eer strijken van het meest beschaafde en ontwikkeldste volk te zijn onder al degenen die wij op onze reizen ontmoet hebben”.

In Colombo aangekomen, wachtte ons de eerste teleurstelling; ik wil hopen dat er geen tweede op volgt. Het Galle Face Hotel, het meest gerenommeerde, was overvol; de eetkamer was zelfs tijdelijk voor slaapkamer ingericht; het daarop volgend [286]Grand Oriental Hotel was in dezelfde conditie, zoodat wij ons ten slotte moesten tevreden stellen met een kamer voor twee personen in het Bristol Hotel. Gelukkig is er alles zindelijk en valt het bij nadere kennismaking zeer mede. Met eenige van onze medepassagiers van de boot hebben wij ’s avonds nog een tijd lang in de veranda van het hotel zitten praten, totdat zij weder aan boord en wij naar bed moesten.

Onze kamer, waarvan de deur van boven uit open traliewerk bestaat, had wel twee groote open vensternissen, doch geen vensters; de lucht kon van buiten vrij naar binnen treden. Door een grooten electrischen waaier, veel gelijkenis vertoonende met een paar molenwieken, werd de lucht in beweging gehouden en eenige koelte in de kamer gebracht. Het was er aangenaam heet en het eenige laken, dat ons tot dekking in het vrij goede bed diende, was voor dat doel ruimschoots voldoende. Wij moesten ons even voor den geest roepen, dat wij hier in Ceylon in den wintertijd zijn en het in Europa op ’t oogenblik overal buitengewoon koud is. Het is nu het seizoen voor Colombo; hoe moet de temperatuur hier wel zijn als ’t hier zomer is.

Ik zou zeker dien eersten nacht in Colombo een heerlijken slaap hebben genoten, ware het niet, dat de boomen vóór het hotel rijk bevolkt waren met kraaien en eksters, die den geheelen nacht hun krijschende stemmen hebben doen hooren. Onophoudelijk schijnen die beesten onderlinge twistgesprekken te voeren gehad te hebben, waarbij honderden individuen het hunne hadden in te brengen. In een ander land zou men aan zoo’n overbevolking van zulke lieve beestjes een einde maken, maar hier, met zoovele Hindoe’s en Boeddhisten onder de bevolking, zal men dat wel uit zijn hart laten. De Boeddhist mag geen levend wezen dooden, allen moeten den natuurlijken dood sterven.

Ware het niet Zondag geweest, dan waren wij vanmorgen met de eerste gelegenheid naar Kandy, dat veel hooger gelegen en koeler is, vertrokken; wij moesten nu eerst wachten tot morgenochtend de banken open zijn om geld te halen en eenige andere zaken af te doen. Deze Zondag is echter geen verloren dag voor ons geweest. Integendeel, het was een alleraangenaamste, vol van nieuwe indrukken. Om eerst even naar het kantoor van Cook te gaan en naar het telegraafbureau, [287]hadden wij ieder een rickshaw genomen, die hier veel beter zijn dan die wij in Zuid-Afrika zagen en waarvan de mannen niet zoo bont toegetakeld zijn als daar. Deze hier zijn ook heel licht en altijd alleen voor één persoon bestemd. Het lijkt voor vele Europeanen misschien onbarmhartig, dat men zich in een wagentje nederzet en zich door een medemensch laat voortbewegen, maar dit gevoel gaat hier weg, als men ziet, op welk een gemakkelijke wijze deze mannen zich—oogenschijnlijk althans—van die taak kwijten en hoe gelukkig zij met een vrachtje zijn. Toen wij hen aan het telegraafkantoor wilden betalen en wij een rijtuig aanriepen, om een tocht door de stad te maken, smeekten zij ons zóó hen met die taak te belasten, dat wij daartoe ten slotte maar besloten. Zij zouden ons nu eerst langs de zee en dan langs mooie punten, die wij hen hadden opgegeven, naar Mount Lavinia Hotel brengen, waar wij wilden lunchen en eenige uren vertoeven. Zij moesten ons daar blijven wachten en later langs een anderen weg terugvoeren.

Godsdienstigfeest in Kandy.

Godsdienstigfeest in Kandy.

Niettegenstaande de groote hitte draafden die twee naakte bruine broeders als paarden, en op onze herhaald tot hen gerichte opmerking, dat zij zich niet zoo behoefden te haasten, of, of zij misschien niet eens wilden rusten, gaven zij ons met een lachend ontkennend hoofdschudden antwoord. Draven doen hier echter niet alleen menschen en paarden, maar ook ossen. Herhaaldelijk passeerden wij op onzen weg een soort tentwagentjes, waarin de een of andere Sinhalees met vrouw en kinderen gezeten was, waarschijnlijk een Zondagstoertje makende, en die getrokken werden door een klein, vinnig osje, dat met een paard in het hardloopen kan wedijveren. Zij zijn van het soort, deze ossen bedoel ik, dat ik ook in Oost-Afrika gezien heb, met een min of meer groot uitwas in den nek, die men daar buffeltjes noemde. Een zeer gedistingeerd vervoermiddel schijnt zoo’n ossewagentje niet te zijn, ik zag er althans alleen Sinhaleezen gebruik van maken.

Over deze menschen heb ik al eens geschreven, toen ik ze voor het eerst in Zanzibar zag; hier zien wij ze in grooten getale, zoodat hun verschijning reeds geen bijzonderen indruk meer maakt. En toch moeten ze voor een Europeaan opmerkenswaardig zijn. Die mannen met hunne zachte, melancholieke, vrouwelijke gelaatsuitdrukking, hun lange, zwarte, bijna [288]blauw-zwarte haren, die in golvingen of krullen, over hun schouders hangen, of in een wrong op het achterhoofd bevestigd en met een groote schildpad-kam afgewerkt zijn, en die gekleed zijn in sarong en kabaai, de sarong soms voor een gewonen nauwen damesrok plaats makende, zijn toch een bijzonder soort menschen. Op hun gezicht afgaande, stel ik hen veel hooger dan b.v. den Arabier. De Sinhaleezen hebben over het algemeen verstandige, denkende gezichten en zij missen geheel dat sensueele in hunne gelaatsuitdrukking, dat vooral den Arabier zoozeer vertoont.

Was het omdat het Zondag was en er nu door velen niet zooveel als anders gewerkt werd, dat wij daarom in de volksbuurten zooveel langharige mannen in gebukte houding voor hunne woningen zagen zitten en achter hen hurkende vrouwen—wij zullen ten minste veronderstellen, dat dit hier eene echtelijken liefdedienst gold—die, evenals de apen, die lange haren trachtten te zuiveren van het wild, dat er waarschijnlijk in rondhuppelde? Het is ook mogelijk, dat de Zondag er niets mede te maken heeft.

Maar dit was niet het eenige merkwaardige, dat wij op onzen weg zagen. Wij zijn hier in den winter, maar aan boom, blad, bloem en vrucht is dat niet te bespeuren. Alles ziet er uit als in den hoog-zomer, en wel een, die een bijzonderen rijkdom aan bloemen en vruchten levert. De kokosnootpalmen, die hier veel mooier en frisscher lijken dan in Oost-Afrika, de bananen, de broodboomen en de boomen met jakvruchten (ik weet nog niet wat dat voor vruchten zijn), vormen hier heele wouden en vooral de Banyanboom—ik geloof, dat die op Java Waringin heet—, waarvan één exemplaar den geheelen tuin kan overschaduwen, maakte den weg, waarlangs wij gingen, schaduwrijk en koel. Een van de Banyanboomen, waarvan de luchtwortels weder stammen waren geworden van eenige meters in omvang, had zoodoende een omvang verkregen van meer dan vijf-en-twintig meter.

Verder zagen wij de kaneeltuinen, mijlen ver uitgestrekte velden met laag boom- en struikgewas, doch elk struikje was een kaneelboompje, waarvan niet alleen het blad, doch vooral de stam en stengel sterk naar kaneel ruikt en nog meer smaakt. Wij zagen sagoboomen, notemuscaatboomen en kruidnagelboomen, alle voor een deel in bloei, voor een ander deel in [289]vrucht staande. Maar meer nog dan dit alles verlustigden wij ons in het gezicht van die vele mooie, groote, bonte vlinders, die zich hier in dit bloemenrijk zoo geheel tehuis gevoelen. En even gaarne verwijlden onze oogen op de vele naakte kindertjes, die aan den weg speelden in het gewaad, dat zij bij de geboorte hadden medegekregen. Velen zijn reeds door de toeristen bedorven, zij steken bedelend hunne handjes op en prevelen eenige onverstaanbare woorden. Maar er waren onder hen, die op zoo’n nieuwe wijze hun bedelend stemmetje deden hooren, die al naast den wagen voortrennende, ’n aardig kinderliedje zongen en dan plotseling hunne schalksche oogjes tot mij opheffende, zeiden: “you are my Mamma, my dear Mamma, give me a cent for a new dress”, dat zij er mij toe brachten mijn principe te verloochenen, om in dat opgeheven, bruine handje een penningske te stoppen. Het was ook zoo warm en het was midden op den dag, mijne hersens waren een beetje in gesmolten boter-toestand, anders had ik zeker de in mijn oog groote fout niet begaan, om een kind, door het geven van een giftje, tot bedelen aan te moedigen. Maar die naakte kleine meisjes, met hare mooie snuitjes, die een nieuwe japon noodig hadden en die mij Mamma noemden, hadden mijn hart verteederd en..... in zoo’n hitte kan men er toch ook eigenlijk geen principes op nahouden.

Het was ongeveer één uur, toen wij in het Lavinia-Hotel aankwamen. Onze bruine mannen hadden de 7 mijlen afstand zonder rusten in geregelden draf afgedaan en zij waren van oordeel, dat nu de Ladies ’n tiffin namen, wij hen ook daartoe in de gelegenheid moesten stellen. Zij voegden er schalks aan toe, dat de lunch in het hotel drie rupees (een rup. = 80 cts.) kost, maar dat zij wel ergens konden gaan, waar zij maar 3 sh. (1 sh. = 60 cts.) hadden te betalen. Toen ik hun vroeg of zij niet een billijker restaurant voor zich konden vinden en ik ze één rupee gaf voor dat doel, sprongen ze in de lucht van de pret en toen wij hen om half drie weer lieten voorkomen om ons terug te voeren, wreven zij over hunne buikjes om ons duidelijk te maken, dat het zoo lekker had gesmaakt. Zij hadden in dien tijd ook even in de zee een bad genomen en mijn paardje had zijn lange haren nu koket in een rol rondom zijn hoofd gelegd, zooals tegenwoordig bij ons zoo vele jonge meisjes haar kapsel dragen. Vlak van [290]achter had hij er een blauwe lap tusschen gevoegd, zoodat het precies een meisjeskop was.

Het Lavinia-Hotel is aan de uiterste punt van een rots in zee gebouwd en daardoor aan drie zijden door de zee omgeven. Vooral om zijne vischlunchen is het hotel beroemd. Een dozijn verschillende vischschotels werden ons achter elkaar voorgediend, allen even fijn en de meeste zelden-voorkomend.

Langs een geheel anderen weg keerden wij huiswaarts en waren tegen vijf uur in het Bristolhotel terug.

Nadat wij Maandagochtend al onze boodschappen verricht en ons reisvaardig gemaakt hadden, vertrokken wij naar Kandy. Al spoedig waren wij twee het roerend eens, dat Ceylon ’t hof van Eden moet geweest zijn. Toen wij de stad uit en meer landwaarts gekomen waren, zagen wij niet alleen de natuur, zooals die ons in ’t Paradijs wordt geschilderd, maar zagen wij ook de mannen en vrouwen in Adam’s en Eva’s costuums van uit den tijd, na het eten van de verboden vrucht. De groote bladen die hier in menigte te vinden zijn, zijn er als ’t ware voor aangewezen. Sedert wij Rhodesia verlaten hebben, hebben wij onder de Afrikaansche bevolking niet zoo’n volkomen naaktheid meer gezien. Wij waren er reeds een beetje aan ontwend, daarom trof het ons hier op Ceylon te meer. Het is echter in dit klimaat het meest praktische costuum.

De geheele weg van Colombo naar Kandy is uiterst loonend. Wij zagen dan eens uitgestrekte rijstvelden met de rijsthalmen in de verschillende graden van ontwikkeling, dan weder groote bosschen kokosnootpalmen, bananenpalmen, vijgeboomen en nog zooveel meer. Er zijn op dien weg alleen twintig verschillende palmboomen te zien. De kokosnootboom lijkt mij het nuttigst van al deze boomen voor de inlandsche bevolking. Niet alleen wordt de vrucht op allerlei wijze gebruikt, maar ook de bladeren doen dienst voor allerlei zaken. Hier is nog onze ouderwetsche huifkar heel veel in gebruik, de groote, naar voren en achteren overhangende huif is geheel gemaakt van de gevlochten bladeren van den kokosnootpalm. Men vlecht er ook manden van en zij worden op allerlei wijze dienstbaar gemaakt tot het aanbrengen van schaduw. Wij zagen er geheele tenten van gemaakt, het tehuis van vele inlanders. En nog op allerlei andere wijzen zagen wij deze groote bladeren [291]gebruiken. En van de noot wordt de bast, het vleesch en de melk op honderderlei wijze aangewend. Van kokosnoot en bananen alleen leven hier vele menschen. En daar deze ook voor huisvesting en toiletartikelen niet veel hebben uit te geven, heeft armoede natuurlijk hier al hare verschrikkingen verloren.

Een kort eindje ging de trein langs een oranjeboomhoeve, waarvan de boomen alle in bloei en in vrucht stonden, die de heerlijke geur door de open wagonvensters zonden. Toen wij hooger kwamen, passeerden wij telkens schilderachtige dorpen van inlanders, die hun heele huishouding buitenshuis voerden. Wij zagen nu ook meer dan in Colombo de in oranje-geel gekleede en geheel kaal geschoren Boeddhistische priesters. Hun kleeding bestaat alleen in een grooten gelen doek, die rondom de lenden gaat en daar in een sierlijken zwaai over den rechterschouder geslagen is. Verder loopen zij allen met een bijzonder grooten waaier, die, wanneer hij is opengeslagen, een zeer groote schelp gelijkt, waarachter de mannen zich geheel kunnen verschuilen en zich voor de inwerking van de heete zonnestralen kunnen behoeden. Het Boeddhisme, dat in Engelsch-Indië aan het uitsterven is, vindt hier nog vele aanhangers, alhoewel de vorm in den loop der eeuwen reeds veel gewijzigd is. De Boeddhistische priesters mogen ook hier op Ceylon niet huwen, maar zij behoeven niet in armoede en gebrek te leven, zooals in Burma. Daar mogen zij ’s morgens vóór twaalf uur niets eten of drinken en moeten zij elken morgen eerst hun voedsel langs den weg bedelen; hier bezitten de priesters echter veel grond en gebouwen en behooren zij tot de kapitalisten. Zij bedelen hun voedsel niet, de offeranden worden in de tempels gebracht, maar of de priesters dat in plaats van hun eigen goed toebereid eten gebruiken, wist men ons niet te vertellen.

Van uit den tijd dat Ceylon tot onze koloniale bezittingen behoorde, is niet heel veel overgebleven. Men heeft hier alleen een zeker soort menschen, die ’n Hollandschen voorvader hebben gehad en zich daarom “burghers” noemen en die zich hooger voelen, misschien ook zijn, dan de inboorlingen. Ook het Ceylonsch geld vertoont eene opmerkelijke overeenkomst met het onze, als men een rupee, die maar 80 cents waarde heeft, met onzen gulden vergelijkt. Een halve rupee is precies gelijk aan ons 50 centsstuk, een kwart rupee met ons kwartje [292]en de tien-cents,—zij spreken ook van centen en verdeelen hun rupee in honderd centen,—met ons dubbeltje. Ook de koperen cent is aan de onze gelijk, alleen ’t nikkelen stuiverstukje is hier vierkant met afgeronde hoeken.

Om half zes kwamen wij heden in Kandy aan, waar de temperatuur veel frisscher en deze avond, terwijl wij in den tuin onder een ouden Banyanboom zitten te schrijven, overheerlijk is. Hier in Kandy zijn verscheidene goede groote hotels, de menschen komen hier om eenige maanden te blijven.

De prijzen in de hotels, in aanmerking genomen wat men er voor geeft, zijn hier bespottelijk laag, zij zullen zeker later, als de trek naar Ceylon voor menschen, die er eenigen tijd blijven, grooter is geworden, aanmerkelijk stijgen.

Kandy, dat eens de hoofdstad van Ceylon was en ruim 1600 voet hoog ligt, heeft niet alleen geschiedkundige bekendheid, maar wordt het schilderachtigste plekje van het geheele Britsche keizerrijk genoemd. Om dit echter te genieten moet men ’s morgens vroeg opstaan, want in het midden van den dag is het te heet, alleen ’s morgens en in den laten namiddag maakt men hier uitstapjes, en daarom moet ik voor hedenavond eindigen, anders kan ik morgen vroeg onmogelijk bij tijds gereed zijn.

Wij zaten hedenochtend reeds om zeven uur in de Victoria, die ons naar Paradenya, zeven mijlen afstands van Kandy, zou voeren, om daar de Koninklijke Botanische tuinen in oogenschouw te nemen. Wij waren de eerste bezoekers; er was nog slechts één jonge man, die tot de staf van employé’s behoort, die zich direct aanbood, om ons tot gids te dienen. Hij was een Burgher, zijn naam klonk echter niet in het minst Hollandsch. Met dit ontwikkeld jongmensch als geleider, leerden wij spoedig vele van de interessante palmen en boomen en heesters kennen, die wij in de laatste dagen op onzen weg gezien hadden. Wij hadden o.a. een tot hoog in de lucht zich verheffenden palm gezien, die van boven een groote pluim van bloesems vertoonde; het bleek nu, dat dit de Taliputpalm is, die slechts eens in de 100 jaren bloeit en dan daarna meestal sterft. Zelfs hier in de botanische tuinen, waar een geheele avenue van deze prachtige palmen bestaat, komt het hoogst zelden voor, dat er een van gaat bloeien. De roode katoenboom stond er overal in vollen bloei, de cacaoboom stond voor een deel in bloei, voor een ander deel vertoonde hij ons zijn roodbruine [293]rijpe vruchten. Wij zagen er de verschillende soort rubberboomen, waarvan er zijn, die door hunne op een slang gelijkende, boven den grond zich vormende wortels, een zeer fantastisch gezicht opleverden. Een bosch van zich hoog verheffende bamboestammen vertoonde een eigenaardig beeld, doordat zich van boven aan hunne toppen trossen vertoonden, die als vruchten geleken. Toen onze geleider echter met een zware stok tegen de bamboestammen sloeg, vlogen op eens al deze vruchten hoog in de lucht en bleken het honderden groote vleermuizen te zijn, die daar aan hunne pooten met de koppen naar beneden hingen, dikwijls vijf of meer zich aan elkander vastklemmende. Hier worden die beesten vliegende vossen genoemd; zij zijn veel grooter dan onze vleermuizen.

De papaws, die hier veel fijner en geuriger zijn dan in Zuid-Afrika en die, geloof ik, in Java papaya’s genoemd worden, zagen wij in de botanische tuinen in elk stadium van ontwikkeling. Men noemt papaw hier “de arme lui’s vrucht”, maar ik beschouw hem op ’t oogenblik nog als mijn lievelingsvrucht.

De jakvrucht, die wij in Colombo zoo in grooten getale hadden gezien, zagen wij ook hier in verschillende ontwikkelingsstadia; men vertelde ons, dat zij als groente dienst doet bij de rijsttafel.

Maar genoeg over deze prachtige tuinen, die na de Kew-Gardens in Londen, de prachtigste van de geheele wereld genoemd worden. Ik hoop later in Batavia gelegenheid te hebben, onze Koninklijke Botanische tuinen te zien en te kunnen uitmaken of die voor deze in Kandy moeten onderdoen, of dat wij hier met een beetje Engelsche bluf te doen hebben.

De rijtoer, die wij in den namiddag deden, werd door de kennis, die wij in den morgen omtrent de inheemsche boomen, en plantengroei hadden opgedaan, voor ons een veel interessanter en dikwijls moesten wij het rijtuig even laten stilstaan en uitstappen, om een in ’t wild groeiende plant, waarvan wij des morgens de bijzonderheden hadden leeren kennen, nog eens nauwkeurig in oogenschouw te nemen.

Doch wat wij in den namiddag deden en zagen in een volgenden brief. [294]

II.

Vanmiddag gingen wij eerst den voornaamsten rijtoer van hier maken, die vooral om zijn mooie vergezichten, die hij op verschillende punten aanbiedt, een zekere vermaardheid heeft verkregen en daarna lieten wij ons brengen naar de “groote zandrivier”, om een kijkje te nemen naar het voor ons oog nog nieuwe schouwspel “het baden van de olifanten”. Elken middag van drie tot half zes kan men op zekere plek in de rivier twintig heilige olifanten zien spelen en zich amuseeren in het ondiepe water. Heeft men in Egypte heilige kameelen, die slechts eens per jaar een heiligen plicht vervullen en daarvoor het geheele jaar door goed gevoed en verzorgd worden, op Ceylon heeft men heilige olifanten, die maar één dag in het jaar een heiligen plicht vervullen en daarvoor een staf van bedienden hebben, die hen met de grootste zorg en liefde alle andere dagen van het jaar verzorgen en dienen. Een eind verder in de rivier baden ongeveer ter zelfder tijd vele andere olifanten, die echter een verfrisschend bad verdienen, omdat zij een langen en zwaren arbeidsdag achter den rug hebben. Want ook voor het zware werk, waarvoor men zich in Arabië en Egypte bedient van kameelen, gebruikt men hier olifanten. Zelfs als paard doen zij dienst.

Toen wij ons lang genoeg in den aanblik van die badende en spelende olifanten verlustigd hadden, die zich blijkbaar in het water amuseerden, legden wij een bezoek af aan den Tempel van Buddha, den tempel van den Heiligen Tand. Die heilige tand wordt verondersteld een tand van Buddha te zijn. De geschiedenis ervan is, dat toen Buddha 2500 jaar geleden, gecremeerd werd, eene vrouw in zijn asch vier gave tanden vond, die niet mede verbrand waren. Zij verborg die tanden in haar haarwrong en verkocht ze later voor zeer hooge sommen aan Buddhistische vorsten. Een er van kwam in het bezit van den regeerenden monarch van Kandy, die er een tempel voor liet bouwen, den tempel van den Heiligen Tand. Het bezit van dien tand werd den goeden burgers van Kandy echter herhaaldelijk betwist en omdat de Buddhisten geen oorlog mogen voeren, niemand en niets mogen dooden, en ook omdat de latere en verstandiger koning meende dat Buddha, die zich na zijn dood wilde laten verbranden, toch [295]recht had geheel verbrand te worden, dus ook zijne tanden, werd op zijn bevel de tand van Buddha tot poeder gestampt, deze poeder daarna verbrand en de asch aan de vier windstreken prijsgegeven. Met groote praal en plechtigheid werd dat bevel ten uitvoer gebracht. Kort na den dood van dien vorst echter stond er een man op die beweerde de asch van dien tand weder verzameld te hebben en dat die asch opnieuw tot tand was geworden. Door de goê-gemeente werd dit geloofd en deze tand opgekocht en als tand van Buddha weder groote eer bewezen. In den loop der eeuwen is die tand herhaaldelijk door wijze regeerders verpulveriseerd, doch steeds kwam er na langeren of korteren tijd iemand, die de gepulveriseerde tand weder in zijn geheel ten verkoop aanbood. Sedert eenige honderden jaren nu is die tand niet meer verbrand. Hij ligt nu aan een gouden ketting in een zilveren kastje. Dat kastje staat in een ander zilveren kastje en dit gaat zoo negen maal door, totdat de laatste kast een vrij grooten omvang heeft verkregen. Deze laatste kast is geheel ingelegd en ook rondom behangen met de prachtigste robijnen, smaragden, saphieren en wat er meer voor kostbare edelsteenen mogen zijn. Elke opvolgende koning offerde er bij zijn leven of na zijn dood een of meer van zijne kostbaarheden aan. Rondom deze kast staan Buddhabeelden om de heilige schat, die meer op een tijgerklauw dan op een tand gelijkt, te bewaken, en er vóór staat een massief zilveren, fraai bewerkte tafel, die als offertafel dienst doet. Niemand komt in de nabijheid zonder verplicht te zijn te offeren. Is men met bloemenoffers, vooral lotusbloemen, tevreden als het leden van eigen gemeente betreft, van vreemdelingen verwacht men offers in klinkende munt en dat weet men hen duidelijk aan het verstand te brengen. In Kandy zijn 600 in gele doeken rondwandelende Buddhistische priesters en een soort klooster, waar nieuwe collega’s gekweekt worden. De Buddhisten op Ceylon zijn geen zuivere Buddhisten meer. Door allerlei invloeden is hun godsdienst verbasterd. Ze gaan drie keer daags naar den tempel, de Mohammedanen vijf keer, en evenals dezen buigen zij zich herhaaldelijk geheel neder op den grond en zwaaien met hun lichaam als zij hunne gebeden prevelen.

Eens per jaar, in Augustus, gaat de zilverkast met heiligen inhoud een ronde door de stad doen. De heiligste van de [296]heilige olifanten mag de kast dragen, terwijl de negentien andere olifanten ieder met een minder heilige kast belast worden. Zoo is er o.a. een gouden kast in den vorm van een graftombe, waarin een stukje hout bewaard wordt van den brandstapel waarop Buddha verbrand is. Dat is na den tand het heiligste stuk.

Rondom den tempel is een vijver, daarin zwemmen groote, vette schildpadden rond, die ook al “heilig” verklaard zijn. Deze beesten worden ook met groote liefde gevoed en verzorgd. En dan is er een boom, de bo-boom, waarvan verhaald wordt, dat het een tak was van den boom, waaronder Buddha in Burma zeven dagen zonder voedsel in gebeden doorbracht, en die bevolkt is met heilige apen. Takken van dien boom zijn overal heengezonden. In den grond gestoken, schieten zij wortel en blijven eeuwig leven. Het was onweersprekelijk een zeer oude boom, waaronder thans een Buddhabeeld zit om zooveel mogelijk de beteekenis van den boom aanschouwelijk voor te stellen en het was een nieuwe gelegenheid om den bezoeker geld af te zetten, want dit beeld nam offeranden in klinkende munt in ontvangst, ter instandhouding van het Buddhisme.

Eén zaak moet ik nog even releveeren, alvorens ik van de Buddhisten voorloopig afstap, omdat het ons een beeld geeft van hetgeen deze eenvoudige zielen onder de zeven hoofdzonden rekenen. Zij hadden ze buiten op de tempelmuren in beeld gebracht en aanschouwelijk voorgesteld, hoe de zondaren daarvoor na hun dood gestraft worden. De voornaamste zonde is het dooden. Die zich daaraan schuldig hebben gemaakt gedurende hun leven, worden na hun dood door duivels, die op de schilderij een heel fantastisch en wreedaardig voorkomen hebben met een lans of ander wapen door het hart gestoken en zoo moeten zij eeuwig blijven bloeden. De volgende zonde was, de burgers te veel belasting te laten opbrengen. Zoo iemand werd met een geldstuk in stukken gesneden. Het was een erg pijnlijk beeld, dat daarvan een afschildering gaf. De derde zonde was het liegen. De vierde, zijn ouders niet gehoorzamen. De vijfde, zich toe-eigenen wat hem niet toebehoort. De zesde, de kerk bestelen en de zevende, kwaadspreken van een kaste, die boven hem staat. Al die zonden worden hiernamaals gestraft met straffen, waarvan [297]het middendoorzagen een van de zachtste is en waarbij duivels in verschillende vormen van wreedheid voorgesteld, de uitvoerders zijn.

Behalve de Sinhaleezen komen hier natuurlijk verschillende andere volksstammen voor, waarvan de laagste kaste mijne grootste belangstelling wekt. Hoewel men hier over het algemeen mooie menschen vindt, vallen toch deze menschen en vooral de vrouwen onder hen, door hare mooie geregelde gelaatstrekken, mooien lichaamsbouw en prachtige oogen op. Zij leven in hoofdzaak op een dagreizen’s afstand van hier, maar verspreide groepen vindt men overal. Het zijn de Rhodiya’s.

Rhodiya’sche schoone.

Rhodiya’sche schoone.

Van dezen volksstam wordt verhaald, dat hij zijn oorsprong dankt aan slechte voorvaders. Eeuwen en eeuwen geleden, lang vóór de Christ. jaartelling, leefde er op Ceylon een vorst, die veel van lekker eten hield, maar overigens een braaf man was. Zijne koks waren wel eens teneinde raad, wat zij hem toch alle middagen voor lekkernij zouden voorzetten. Op een middag hadden zij wat nieuws gevonden en de vorst vond dat zoo heerlijk, dat hij herhaaldelijk opnieuw zoo’n schotel bestelde. Maar op zekeren dag kwam het uit, dat wat de koning zoo lekker vond, versch geslachte kindertjes waren en daarover was hij zoo in heilige verontwaardiging geraakt, dat hij de schuldige koks en allen, die er aan hadden medegewerkt, bij zich liet komen en voor hen de grootste straf bedacht, die hij maar bedenken kon. Hij veroordeelde hen, dat zij als paria’s in de maatschappij moesten voortleven, en dat al hun nazaten die straf deelachtig zouden worden. Zij moesten leven in de bosschen en mannen en vrouwen mochten nooit hun bovenlijf bedekken. Zij mochten niets leeren en nooit met andere menschen in aanraking komen. Als zij ooit iemand op hun weg ontmoetten, dan moesten zij minstens dertig meter boschwaarts gaan. Om die mannen nu in de gelegenheid te stellen zich voort te planten en zoo de straf eeuwigdurend te doen zijn, kregen zij successievelijk tot vrouw alle prinsesjes, die wat te warmbloedig waren en eens een vurigen blik geworpen hadden,—misschien ook wel wat verder waren gegaan—op den een of anderen man van lager afkomst. Zulke prinsesjes werden de ondeugende koks in de armen geworpen, en zoodra die er in geslaagd waren [298]haar den gekauwden siri-pruim—een vieze aardigheid—tusschen de lippen te duwen, waren zij voor goed met haar getrouwd; dat beteekende dus zooveel als bij ons het burgemeestersbriefje. Eerst met de Britsche overheersching is aan die straf een einde gemaakt, maar bij de Ceylonsche bevolking doet het verhaaltje nog dienst, en staan die menschen nog op den laagsten sport van den maatschappelijken ladder. Uit de mooie Rhodiya’sche meisjes worden thans in de steden de dansmeisjes en nog erger en ergerlijker soort gemaakt, terwijl de Rhodiya’sche mannen in de steden meest als slangenbezweerders en goochelaars of toovenaars optreden. Maar ook nu nog durven de mooie Rhodiya’sche vrouwen zich ’t bovenlijf niet bedekken, omdat dit hier tot beteekenis heeft van een hooger stand te zijn.

Alle Engelsche schrijvers over Ceylon wijden een deel van hun boek aan de theeplantages en aan de onovertreffelijke theefabricatie. Steeds las ik, dat dit hier op zooveel beter wijze geschiedde dan in China of op Java, waar het geheele proces voor degenen, die er in werkzaam zijn, zoo wreed is. Dat prikkelde mij dus, om hier een groote theeplantage te bezoeken en het theemaken van het begin tot het eind na te gaan. Wij waren daarvoor hedenmorgen reeds weder zeer vroeg uit de veeren en reden met zonsopgang naar Gampola, een oud stadje, door inboorlingen bewoond, met vele historische herinneringen. Van hieruit waren gemakkelijk verschillende theeplantages te bereiken. Het theeplukken was in vollen gang toen wij aankwamen, want de vrouwen en kinderen—deze laatsten allen boven tien jaar oud—beginnen den dagtaak direct bij het aanbreken van den morgenstond. Mannen waren bezig met ’t snoeien der boompjes en het schoonhouden der velden. Het leek mij een gezond en gemakkelijk werk wat die vrouwen en kinderen verrichten. Tegen tien uur hebben zij allen ongeveer de mand, die op hun rug gebonden is, volgeplukt en gaan dan naar de fabriek. Daar wordt de inhoud nog eens nagelezen, de groote bladeren eruit verwijderd en een te groot steeltje afgeplukt. Dit doen ook de vrouwen. De bladeren worden dan door mannen op de droogzolders gebracht en uitgespreid om gedroogd te worden en ondergaan dan verder een geheel machinale behandeling. Het krullen der blaadjes, het zuiveren en sorteeren der verschillende [299]soorten, het verpakken, enz. geschiedt alles machinaal en de fabriek, die wij zagen, was in elke afdeeling zoo ruim, zoo zindelijk en zoo goed geventileerd, dat er van wreedheid of van ongezondheid geen sprake kon zijn, als, hetgeen wij natuurlijk niet konden constateeren, de behandeling der zwarte werkers en werksters ook een goede is. Want mij werd verteld door een gast in dit hotel, dat de opzichters soms zeer onmenschelijk met de ondergeschikten omspringen, door hen het volle loon te onthouden als zij niet genoeg geplukt hebben of soms voor een klein misdrijf in ’t geheel geen dagloon uitbetalen en door nu en dan gebruik te maken van de zweep. Het loon wat de theeplukkers als regel ontvangen is 25 cents per dag, d.w.z. 25 Ceylonsche centen, die ongeveer 20 Hollandsche centen vertegenwoordigen. Daarvoor werken ze van ’s morgens 6 tot 11 en ’s middags van 1 tot 5 uur. Dat lijkt een heel kleine belooning, maar in aanmerking genomen de weinige behoeften dezer menschen, is zij niet zoo klein. Tenminste alle vrouwen en meisjes, die wij aan het werk zagen, hadden armen en beenen en vingers rijk bedekt met ringen, de oorlellen van onder tot boven vol versierselen, het middenschot van de neus en beide neusvleugels prachtig geornamenteerd, en vier, vijf of meer verschillende kettingen om de hals. Een groot deel van hetgeen zij verdienen, wordt blijkbaar in lichaamsversierselen omgezet. Ik zal nu later kunnen nagaan hoe de Javaansche theeplanters hun zaken hebben ingericht, of daar inderdaad van wreedheid bij de theefabricage sprake kan zijn.

Haarscheren op Ceylon.

Haarscheren op Ceylon.

Wij wilden Gampola niet verlaten zonder eerst een kijkje in het stadje genomen te hebben. Het loonde de moeite. Niet alleen zagen wij er zeer oud en zeer origineel steenhouwwerk, overblijfselen van oude tempels, maar wij zagen er een koperen plaat, waarop eene heele geschiedenis gegraveerd was. In ’t kort is het verhaal zoo, dat in 1804 koning Wickrama Daja Sinha den tempel van Gampola een groot geschenk in grond en goud aanbood en het eindigt aldus: “Zijne Majesteit heeft het genoegen, dit aan te bieden, zooals bij den mond van de godin Saraswati is geuit, en hij geeft deze gift in een gelukkigen tijd, zittende op een gouden troon, in den vorm van Sakkraya in de stad van Senkanda Sailabidhana Siriwardhanapura, welke overvloeit van rijkdommen; en [300]deze gift is gegeven op Maandag, den tweeden dag van de opkomende maan in de maand Medindina, in het jaar 1726, genaamd Raktaksa. Hij, die plukt, breekt, of snijdt, een blaadje of grasspriet of eenig hout of vrucht, of iets wat thans aan Buddha behoort, zal herboren worden als een pretaya (een vertaling van dat woord ken ik niet, maar ’t zal wel wat verschrikkelijks zijn), doch iedereen, die eenige offeranden brengt, zal voorspoed genieten en in Nirvana treden. Hij, die met geweld iets neemt van hetgeen Buddha toebehoort, met de bedoeling het zich toe te eigenen of het aan anderen te geven, zal in een worm op een mesthoop veranderen voor een tijdsduur van zestigduizend jaren”.

Niettegenstaande deze verschrikkelijke bedreiging is nu 5 jaren geleden het gouden beeld van Buddha gestolen, dat aan goud ongeveer 25.000 gulden waarde bezit. De dief is nooit gevonden; de goe-gemeente is vast overtuigd, dat die ook nooit gevonden zal worden, omdat de politie onder de menschen zoekt en de dief natuurlijk reeds lang in een worm op een mesthoop is veranderd.

Nadat wij na de lunch eerst een paar uren gerust hebben, begaven wij ons op weg naar het museum, wat nog niet veel te beteekenen heeft. In één opzicht vond ik het toch interessant, omdat ik er veel terugvond wat afkomstig moet zijn van onze Hollandsche voorvaders en omdat de oude Kandysche industrie, die in dit museum nog wordt uitgeoefend, in veel opzichten door de onze moet zijn beïnvloed. Er waren o.a. oud-Hollandsche bedplanken, stoven, schoengespen, lepel- en vorkrekken, pannen en potten, etc. Ik kocht er eenige zaken, die ik nu nog zag maken, alle met de oude, primitieve instrumentjes van voorheen en die elkeen voor oud-Hollandsch werk zal aanzien.

Wij hadden nog juist tijd om vóór zonsondergang de winkels van Kandy te bezoeken, waar de echte Ceylonsche edelsteenen verkocht worden en waar men niet, zooals in Colombo, met kooplieden te doen heeft, die zes- of zevenmaal den prijs vragen van dien, waarvoor zij geleverd kunnen worden. Er waren prachtige saphiren, smaragden, robijnen, amethyst, paarlen, enz., en, in aanmerking genomen de prijzen, die men daarvoor in Europa vraagt, bespottelijk goedkoop.

Den derden dag vertrokken wij met den ochtendtrein naar [301]Nuwara Eliya (spreek uit Nurelia), op eene hoogte van 6200 voet gelegen, waar het heerlijk koel en gezond is. Den geheelen weg over, de treinreis duurde vijf uren, gingen wij door theeplantages, waar overal het werkvolk druk aan den arbeid was. Het was een prachtige tocht, met grootsche berggezichten. Ongeveer op het midden van de reis passeert men een plaatsje, dat Hatton heet en dat bekendheid bezit, omdat men van daaruit den berg, genaamd Adam’s berg, bestijgt. Jaarlijks gaan duizenden pelgrims dien berg op, maar ook vele toeristen komen hier om op den top van den berg, van waar men een onbeschrijfelijk mooi uitzicht moet hebben, te beklimmen. Waarom die berg zoo belangwekkend is? Dat is natuurlijk niet alleen een gevolg van het mooi vergezicht, dat men op den top kan genieten, maar omdat die berg een heilig karakter draagt, in de geschiedenis van vele oude godsdiensten een groote rol speelt en het onderwerp is geweest van veel onderzoek en nog grooter godsdiensttwisten. Op den top van den berg is namelijk duidelijk het afdruksel te zien van een voetstap, maar van een voet die een reuzenmensch moet hebben toebehoord. Nu zeggen de Mohammedanen, dat dit de voetstap van Adam is, de Buddhisten beweren, dat Buddha daar gewandeld heeft en de voetstap van hem afkomstig is en de Hindu’s beweren, dat Siwa, een hunner drie godheden, die voetstap toebehoort.

Een der Goden van de Hindu’s.

Een der Goden van de Hindu’s.

Volgens de Mohammedanen is Adam, toen hij uit den hemel gevallen of geworpen is, op den top van dien berg terecht gekomen en heeft hij daar 200 jaren op Eva gewacht. De voetstap moet dus van Adam afkomstig zijn. De Buddhisten weten echter beslist, dat Buddha op zijne zwerftochten ook Ceylon heeft bezocht en daar hij veel van de eenzaamheid hield, heeft hij gewis dien berg beklommen en daar vele van zijne overpeinzingen gehouden.

Doch de Hindu’s weten met even groote zekerheid, dat Siwa, in een zijner menschelijke gedaanten, daar geweest moet zijn; zij hebben de maten van dien voetstap genomen van alle kanten en die alle vormen een volkomen overeenkomst niet de afdruksels van de voeten van Siwa.

Hoe het zij, de Hindu’s, Buddhisten en Mohammedanen maken er nu geen herrie meer over, zooals de Christenen in Palestina, maar elk hunner vereert dien berg en nog meer [302]dien voetstap op zijne wijze, en zij trekken broederlijk gezamenlijk opwaarts.

De weg om er te komen is 24 mijlen lang waarvan de helft per rijtuig of te paard kan worden afgedaan. De andere helft moet te voet worden afgelegd en de drie laatste mijlen zijn zeer steil en gaan over een bijna onbegaanbaren weg. Voor twee oudjes als mijne metgezellin en ik is de top dus onbereikbaar, want wij gaan er niet uit heilige devotie heen, zooals zoovele oude mannen en vrouwen doen, die het voor de hoogste zaligheid houden in het aangezicht van dien voetstap te sterven. Men vertelde mij, dat elk jaar vele oude pelgrims op den weg er heen sterven en dan door de andere pelgrims mede naar boven worden gedragen. Sommige zonen gaan er met hun ouden vader of moeder op den rug heen, keeren echter maar al te dikwijls alleen terug. Daar wij eerst Britsch-Indië, Burma, Java en Sumatra nog moeten zien alvorens wij tot dood gaan bereid zijn, moeten wij ons dus het genot om naar boven te klimmen ontzeggen.

III.

Nuwara Eliya is een plaats, die met St. Moritz in de Engadine in zomertijd kan vergeleken worden. Men leeft er in de zuiverste en prikkelendste atmosfeer, die men zich wenschen kan en de temperatuur komt zoowat met de zomertemperatuur in ons land overeen. Het is nog een paar honderd meter hooger gelegen dan St. Moritz. Met elk jaar neemt de toevloed van Engelsche bezoekers, die hier de wintermaanden doorbrengen, toe. Er zijn tal van goede, groote hotels, pensions en gemeubelde villa’s. Het onderscheidt zich echter van St. Moritz door de weelderiger plantengroei.

Wij waren er heen gegaan, omdat de reis er heen zoo mooi is en omdat wij daardoor een goed beeld kregen van de uitgestrektheid van de theeplantages in Ceylon en toch ook even een kijkje wilden nemen in de plaats, die weldra in Europa de meest bekende van dit eiland zal zijn. Er zijn van daar vele mooie bergtoeren en rijtoeren te maken. De meest gerenommeerde, die leidt naar den voet van den berg Hakgalla en naar den Koninkl. Botanischen tuin—want ook hier is een gouvernementstuin—maakten wij. In dezen tuin worden [303]de boomen en planten gekweekt, die een koeler klimaat behoeven, waaronder vele Europeesche planten. Maar al zag ik er varens zooals ook bij ons voorkomen, diezelfde varens waren hier tienmaal grooter en ik zag er zelfs een, die als boom fungeert. Ook de rhododendron, die hier in zeer groote hoeveelheid in het wild groeit, is een boom, en zelfs zag ik de margharites groeien aan een boom.

Van verschillende punten hadden wij een mooi gezicht op hooge bergtoppen en ook op mooie valleien. Betrekkelijk dichtbij is de plek, waar het kamp was, waarin de Engelschen de Afrikaansche Boeren gevangen hielden. Eén van deze Boeren leeft nog hier; ’t is degene, die niet dien eed van trouw aan Engeland heeft willen zweren. Hij schijnt nu in Kandy een hofstede te hebben en daar te wonen. Als ik tijd heb, zal ik trachten hem een bezoek te brengen.

Den volgenden dag gingen wij naar Kandy terug. Daar trachtten wij uit te vinden, wat er voor het onderwijs der jeugd wordt gedaan. Het was echter Zaterdag, vele scholen waren gesloten of gaven geen geregeld onderwijs. Onze inlichtingen waren dus zeer onvolledig. Het meeste onderricht wordt hier overal op Ceylon nog op zendelingsscholen gegeven, die door de regeering gesubsidieerd worden, maar alle tot hoofddoel hebben van de Boeddhistische en Hindoesche kindertjes Katholieke of Protestantsche Sinhaleezen of Tamils te maken.

“Dat is ons hoofddoel”, zeide mij een juffrouw, aan het hoofd van een meisjesschool staande; “daarvoor zijn wij hier, maar dat neemt niet weg, dat toch het gouvernement toezicht op het onderwijs houdt, zoodat ’t ook goed is”.

Tot voor betrekkelijk korten tijd werd het onderricht der meisjes hier nog geheel verwaarloosd. Er waren in 1901 nog slechts 6% der meisjes, die lezen en schrijven konden. Door de zendelingsscholen is hierin groote verbetering gebracht. De dochters van alle hoofden op Ceylon ontvangen nu onderwijs; wij waren in de school, waar zij allen vereenigd zijn en reeds van haar 4e jaar af worden opgenomen. Ongeveer 60 van die meisjes waren er intern. Een paar ouderen onder haar waren met drie Engelsche juffrouwen als onderwijzeressen aangesteld.

De leeftijd, waarop de meisjes over geheel Ceylon trouwen, [304]is een veel hoogere dan die in Syrië en Egypte. Vóór haar 16e jaar trouwt er bijna geen enkele en in de laatste jaren is die leeftijd nog stijgende. Dat komt door de hoogere ontwikkeling. De beter onderwezen jonge mannen, waarvan er vele naar Engeland gaan om hunne opvoeding te voltooien, willen goed ontwikkelde vrouwen tot hunne echtgenoote en van deze is de opvoeding dikwijls niet vóór het 18e of 20e jaar voltooid.

Toen ik ’s middags in het hotel informeerde of in Kandy een Zuid-Afrikaansche boer woonde, wist mij elkeen direct te zeggen, dat de prison-boer, zoo wordt hij hier genoemd, even buiten Kandy een farm heeft, dat hij getrouwd is en een dochtertje bezit. Zijn farm schijnt echter niet genoeg op te leveren, daarom werkt hij in Colombo, doch komt dikwijls in Kandy om naar zijn farm om te zien. Het was Zaterdagmiddag en waarschijnlijk zou ik hem wel tehuis vinden. Ik nam een rickshaw en liet mij er brengen. Het was langs een zeer mooien landweg, die naar de woning van James Gibson leidde en zijne kleine hoeve was ook zeer schilderachtig gelegen. De prison-boer was echter niet daar, een vriendelijke oude man met een dochter namen de taak van huisbewaarders waar. Toen deze oude man vernam, dat ik een Hollandsche was, vertelde hij, dat ook hij een “burgher” was. Zijn vader was in het begin der vorige eeuw hier gekomen. Hij heette echter Cooley, maar zijn naam was verbasterd, zijn vader’s naam was Kohle geweest. Het kwam mij voor, dat de vader eerder een Duitscher dan een Hollander kon geweest zijn, maar ik hield die gedachte voor mij, omdat de man er blijkbaar op gesteld was een “burgher” te zijn. Ik moest een kopje thee blijven drinken en met een mooie bouquet rozen uit den tuin keerde ik huiswaarts. Op mijn terugweg passeerde ik een huisje, waar twee oudjes knusjes in de veranda zaten te keuvelen. Met groote letters stond op de deur van het hek “Pieter de Vos”, “Weltevreden”. Dat moeten een paar Hollanders zijn, dacht ik, liet mijn rickshaw halt houden en ik stapte het hek binnen. De oude heer kwam mij tegemoet, doch toen ik hem in ’t Hollandsch begon aan te spreken, bleek het, dat de goede man mij niet verstond. Ik begon dus in het Engelsch te vragen of ik hier niet een Hollandsche familie ontmoette en direct kreeg ik een bevestigend antwoord, maar zij waren “burghers” [305]en hadden het Hollandsch verleerd. Ik moest echter mede naar zijne vrouw en vernam weldra, dat ik hier met een oud-Hollandsche familie te doen had, die er een stamboek op nahielden en trots op hun afkomst waren. In 1642 waren de gebroeders Pieter en Olivier de Vos uit Brugge op Ceylon gekomen, en hadden er zich metterwoon gevestigd. Zij hadden hunne vrouwen ook uit Brugge laten overkomen en deze twee families hebben in den loop der jaren een groote nakomelingschap gekweekt. De jongeren uit die families spreken allen Hollandsch en zijn mede-oprichters van den bond van burghers, die niet lang geleden op Ceylon gevormd is. Het was jammer, dat de zoon en dochters van dit echtpaar niet thuis waren en ik geen tijd had op hun thuiskomst te wachten; ik had gaarne van hen wat meer over de burghers van Ceylon vernomen, dan hetgeen de oudjes mij er van vertellen konden. Volgens hen verkeeren de burghers over het algemeen niet in financieel schitterende omstandigheden, hoogstens behooren zij tot de min of meer gegoede middenklasse.

Zondagmorgen was het weder vroeg opstaan, want wij wilden Ceylon niet verlaten, zonder ten minste één van de “begraven steden” te hebben gezien. Wij gingen naar Anuradhapura. Het was wel zeven uur sporen noordwaarts van het eiland, maar wij hadden het er voor over en het bracht ons ook door een geheel ander deel van het land. Deze tocht heeft ons niet berouwd. Om twee uur kwamen wij ter bestemder plaatse. Hoe geheel anders was het hier dan wij op Ceylon tot dusverre gezien hadden. De plek waar nu weder Anuradhapura is herrezen, was 30 jaar geleden nog een dicht woud, waarin de wilde olifanten, tijgers, luipaarden, apen etc. de lakens uitdeelden en waar geen mensch woonde. Het was een dicht woud, waaronder de oude stad begraven lag. Er zijn nu vele boomen omgehakt, rijstvelden aangelegd, huizen gebouwd en er ligt een garnizoen militairen. Het hotel, een zeer primitief houten gebouw, bestaat nog maar twee jaar. Het kan een beperkt aantal gasten herbergen. Het staat midden in een woud van mooie, hooge boomen, waarin tal van aapjes zich amuseeren, die nu en dan in groote getale naar beneden komen en na een rondedans of ander spelletje gespeeld te hebben, gauw weder naar boven klimmen. Maar dat is natuurlijk niet het eenige aantrekkelijke geweest [306]om deze reis te ondernemen, het zijn de opgravingen, of liever uitgravingen, die hier door het Engelsche gouvernement ondernomen worden en de resultaten, die zij opleveren. Hier zijn Boeddhistische tempels ontdekt, die de oudste en grootste van de wereld zijn en die nog duidelijk de inscripties vertoonen, waaruit men hun oorsprong en bestemming kan nagaan. Enkelen er van vertoonen nog zulk mooi steenhouwwerk, alsof ’t pas kort geleden gemaakt was. De oudste van de thans gevonden tempels is door Koning Tissa gewijd aan den eersten apostel van het Boeddhisme op Ceylon, aan den Indischen koningszoon Mahinda en dateert van 311 vóór Christus. De grootste van de opgegraven tempels heeft zoo’n enormen omvang, dat uitgerekend is, dat uit de bouwsteenen een stad van 20.000 zielen kan worden opgebouwd. Hij is veel hooger en grooter dan de St. Paulskerk in Londen. De mooiste heeft mooi beeldhouwwerk, rust op honderden groote olifanten, die allen ivoren tanden moeten gehad hebben, waarvan echter bijna geen een gevonden is. Er zijn aan al deze gebouwen, want het zijn niet alleen tempels, zoovele en interessante legenden verbonden, dat het een genot is ze te zien onder den indruk der pas gelezen verhaaltjes.

Tal van tanks, watertanks, zijn ook ontdekt, die van nog ouder datum zijn dan de tempels, waarin de krokodillen nu lustig rondzwemmen en zich aan den vroeg opstaanden in vollen omvang vertoonen.

Zulke vroege opstaanders waren wij, want wij wilden vóór de zon te heet zou branden in Mihintale aankomen en de 1840 treden opgeklommen zijn. De weg naar Mihintale is anderhalf uur rijden en voert over een zeer goeden weg dwars door een dicht bosch, waarin ratelslangen in ontelbare menigte voorkomen, waar beeren, tijgers en wilde olifanten vrij rondloopen en waar wij nog meer van zulk soort beestjes hadden kunnen ontmoeten. Elke inlander, die wij op onzen weg ontmoetten, was met een geweer gewapend om zich te verdedigen tegen mogelijke overvallen. Zelfs de vredelievende en niet doodende Boeddhist en de Hindoe gaan toch niet ongewapend door het bosch. Wij ontmoetten echter niets van dat alles, wij hadden zoo graag een avontuurtje gehad, alleen zagen wij prachtig mooie wilde hanen en hennen—het deed mijn hart goed te zien, dat ieder mooi haantje wandelde met één hennetje [307]en toonde in natuurstaat monogaam te zijn,—wij zagen een soort groote bunsings, of hoe die beesten in het Hollandsch mogen heeten en midden op den weg stond een mooi gestreepte jakhals, die toen de koetsier ’t rijtuig liet stilstaan, kalm bleef staan om ons op te nemen. Vogels zagen wij er in menigte, kleine, waarvan het lichaampje niet grooter dan de top van een pink is, mooie bonte en ook zeer groote.

Precies half negen stonden wij aan den voet van den berg, waaraan voor de Boeddhisten zoovele historische herinneringen verbonden zijn. Op dezen berg ontmoette koning Tissa voor het eerst Mahinda, de Indische koningszoon en Boeddhistischen priester, die hem tot het Boeddhisme bekeerde. De legende luidt, dat koning Tissa met groot gevolg op de jacht was en een elk ontmoette van buitengewone schoonheid, die hij niet onder schot kon krijgen. Hij volgde het beest op zijn vlucht, gebood zijne volgelingen achter te blijven, omdat hij alleen dit beest wilde overwinnen, dat op zeer geheimzinnige wijze telkens aan zijn schot ontkwam. Hij volgde het van rots tot rots, tot hij ten slotte op den top van den berg gekomen was, waar het beest op eens onzichtbaar werd, doch waar hij Mahinda in kluizenaarskleeding en in diep gepeins vond zitten. De elk was een priester, die in deze gedaante koning Tissa verschalkte en hem naar boven lokte om Mahinda te ontmoeten en toen plotseling weder in een priester veranderde.

Mahinda vertelde Tissa wie hij was en sprak tot hem over het Boeddhisme. Dit wekte de belangstelling van den koning, die weldra zijn geweer van zich wierp en zich aan de voeten van Mahinda nedervleide. Toen hij wat lang wegbleef, kwamen zijne volgelingen hem zoeken en waren niet weinig verbaasd hun jachtlievenden vorst op die wijze aan de voeten van een kluizenaar te vinden. Zij luisterden nu ook naar hetgeen Mahinda te vertellen had en velen van hen lieten zich daar met hunnen vorst tot het Boeddhisme bekeeren.

Dat deze berg nu tal van historische herinneringen bevat en voor hen, die een indruk van het Boeddhisme willen krijgen, de moeite waard is om te bestijgen, spreekt van zelf. Men moet bedenken, dat het Boeddhisme in Britsch-Indië aan het uitsterven is en nergens nog zoo welig tiert als op Ceylon. De weg naar boven is een gemakkelijke; de 1840 treden zijn [308]voor een deel in de rotsen uitgehouwen, voor een ander deel door groote granietblokken gevormd. Bovendien is er op den weg naar boven telkens zooveel belangrijks te zien, dat dwingt om stil te staan, dat men boven is aangekomen eer men er aan denkt.

Den geheelen weg naar boven voert weder door een dicht woud, dat in den loop der eeuwen op deze steenrots gegroeid is. Hier zagen wij op onzen weg apen, die in rechtopstaande houding met het grootste gemak op mij neerzien en die niet de minste vrees toonden voor hunne menschelijke nazaten. En de boomen zaten vol van de soort, die wij in Artis en in de meeste dierentuinen aantreffen. Het was aardig, die beesten nu eens in hun natuurstaat te bespieden, wanneer wij ons een oogenblik op een rotsblok nederzetten om wat te rusten.

Boven gekomen hadden wij een prachtig uitzicht over een uitgestrekt landschap, dat één groot bosch geleek. Maar ook vonden wij daarboven nog een geheel gave dagaba (d.i. een heilig huisje in den vorm van een immens groote bel, hetwelk een of andere heilige reliquie bevat), waarin de asch van Mahinda bewaard wordt. Er is ook een groote tempel, die gebouwd is over een haar van de wenkbrauwen van Boeddha, later in zijn asch gevonden, en tal van andere zulke belangwekkende oudheden. Alles dateert van eenige eeuwen vóór Christus en alles van hier is ouder dan de Boeddhistische oudheden, in Britsch-Indië ontdekt. Tal van priesters- of kluizenaarswoningen zijn nog in de rotsen te vinden, en wat meer zegt: doen nog als zoodanig dienst. Eenigen van die priesters wonen daar boven in de grootste ontbering. Ik was in een paar hunner zoogenaamde woningen, die niets anders zijn dan een groot hol in de rots, en waarin mij op dien heeten morgen een koude rilling overviel, toen ik er een oogenblik vertoefde. Zij slapen daarin op een gevlochten rieten rustbank en voeden zich met de vruchten uit de bosschen. Hun eenige kleeding is de groote, geel-katoenen doek, waarin zij gewikkeld zijn. Het water drinken zij uit een van de vele vijvers, waarin het stilstaande water in de droge moesson opdroogt en in de natte moesson weder door den regen wordt aangevuld. Tal van beesten zwemmen er in rond. Die vijvers zijn daar in den Boeddhistischen tijd aangelegd, om [309]de wilde beesten van water te voorzien. Die beestjes hebben evenals menschen behoefte aan water; zij zelf zijn niet in staat vijvers te bouwen en daarom hielpen de menschen hen in dit werk.

Een van de priesters vond ik met een brandenden koorts op zijn rieten rustbank in de natkoude spelonk liggen. Ik vertelde hem door middel van onzen gids—anders verstond hij ons niet—dat hij zich door zijne broeders naar buiten moest laten brengen, of nog beter zich in het hospitaal te Anuradhapura laten opnemen, maar glimlachend schudde hij het hoofd, en zeide tot den gids, dat, wanneer hij sterven moest, “dan wilde hij sterven in de nabijheid van de geesten van Boeddha en Mahinda.” Dat zal dan wel gebeuren; zijn groote wensch zal wel vervuld worden. De hooge temperatuur, de lugubere omgeving en de ontbering zullen hem zeker nog wel eerst eenige revelaties geven en dan zal hij misschien in Nirvana sterven. Hoe ver moet het verstand van menschen beneveld zijn, die meenen in zoo’n volslagen nutteloosheid een godgevallig werk te doen? Deze menschen zijn niemand tot nut; zij offeren hun leven voor een waan. Het waren bijna allen nog betrekkelijk jonge mannen, die wij er zagen.

Van hun zachte, niemand en niets kwaad doende natuur getuigt zeker wel, dat ons daar boven een paar vrij in ’t rond vliegende vogeltjes overal op onzen weg volgden, en dan eens op de punt van onzen voet zich neerzetten of tegen onze rokken opliepen en met hunne opgeheven kopjes duidelijk “mother, mother” zeiden en iets, dat wij niet konden verstaan, doch dat de gids verklaarde sanskriet te zijn en beteekende, dat wij ze eenig voedsel moesten geven. Het waren vogeltjes, door de priesters in natuurstaat opgevoed, wien zij allerlei dingen leerden zeggen. Zij noemden ze Myna-birds.

Het is gemakkelijk te begrijpen, dat jaarlijks groote bedevaartgangen naar deze plek gehouden worden. Elk jaar, met opkomende maan, in Juni en Juli, komen er duizenden pelgrims uit Britsch-Indië, Burma en over geheel Ceylon, om hier hun opwachting te maken aan al dat heiligs, dat er te zien is. Zij slapen dan in de open lucht en leven van hetgeen de natuur hun aanbiedt of van hetgeen zij meebrengen. Cocosnooten en bananen zijn er in overvloed en daar kunnen zij best eenige dagen op teren. [310]

De Boeddhisten maken het de Engelsche regeering niet gemakkelijk haar archaeologische onderzoekingen voort te zetten. Zij bespieden de uitgravingen met argusoogen en laten niet toe, dat er ook maar iets aan de heiligdommen beschadigd wordt. Zelfs hebben zij het vorige jaar een verzoekschrift door 5000 Boeddhisten onderteekend, naar de regeering in Engeland gezonden, om te voorkomen, dat er nog meer bosschen worden omgehakt en in vruchtbare rijstvelden herschapen. Zij beweren, dat al die grond, met alles wat er op groeit, door opeenvolgende vorsten aan Boeddha vermaakt is en dat geen menschelijk wezen recht heeft, zich daarvan iets toe te eigenen. Ook hebben zij tot dusver nog verhinderd de een of andere dagaba te openen om te zien wat er zich binnen, in bevindt. Dat is in hun oog groote heiligschennis. Uit de oude archieven, die over geheel Ceylon reeds vele eeuwen vóór Christus met groote duidelijkheid geschreven en bewaard zijn gebleven, moet men de identiteit van de meeste der oudheden vaststellen. De opgravingen zijn eigenlijk nog slechts pas begonnen; wie weet wat zij nog aan den dag zullen brengen, vooral als de regeering op de een of andere wijze de Boeddhisten tevreden kan stellen, hunne gevoelens niet kwetst en toch met krachtige hand de onderzoekingen voortzet.

Voor mijne lezeressen wil ik hieraan nog toevoegen, dat Mahinda eene zuster had, die ook Boeddhiste was, en dat hij die zuster, toen zijn proselietenmakerij zoo succesvol was, liet overkomen om de vrouw van koning Tissa en hare hofdames te bekeeren. Zij kwam en bracht een tak van den bo-boom mede, waaronder Boeddha zeven dagen in heilig afwachten gezeten had; zij plantte dien tak hier, deze schoot weldra wortel en is nu de heilige bo-boom van Anuradhapura. Mahinda’s zuster was even succesvol als haar broeder; de koningin en alle dames uit haar gevolg lieten zich bekeeren en uit deze vormde zij een soort nonnen, die wel op andere wijze dan de priesters of monniken, maar toch ook haar geheele leven aan den dienst van het Boeddhisme wijden, zonder iets anders te doen. De Boeddhistische zusterschap vormt geen nonnen, die, evenals de Katholieke nonnen, zich op de een of andere wijze nuttig trachten te maken voor de menschheid; zij zijn totaal nuttelooze wezens, die haar leven wijden aan den dienst van Boeddha. [311]

Toen wij tegen één uur weder in het hotel aangeland waren, hadden wij nog juist tijd om haastig wat te eten, ons boeltje weder te pakken, om nog met den trein van twee uur weder naar Colombo te vertrekken.

Wij vonden dezen keer opname in het Galle Face Hotel, wat weldra bleek een “betrekkelijk” voorrecht te zijn. Vooreerst is dit hotel tamelijk ver buiten de stad gelegen, zoodat wij minstens een kwartier noodig hebben alvorens wij de stad bereiken en dan is het hoog fashionable. Bijna den geheelen dag is er muziek en niet alleen de gasten van het hotel genieten er van, maar ook de heeren en dames van Colombo’s high life komen hier tea’en, dineeren, dansen en hunne mooie toiletten ten toon spreiden. Achterna bezien was het eenvoudig hotel Bristol, dat toch in zijn soort heel goed was, voor ons veel beter gelegen en doelmatiger geweest. Toen wij ’s avonds in het Galle Face Hotel aankwamen, was een van de vele bals, die hier gegeven worden, in vollen gang. Ik verkeerde door de hitte zoo ongeveer in smeltvorm, maar dat nam niet weg, dat tal van jonge paren—en ook eenige oude—het niet te warm vonden, om in walspas rond te draaien en aan elkanders warmen boezem te rusten. Het was geen frisch schouwspel, dat bal aan te zien.

Ik zou over Ceylon nog wel eenige brieven kunnen vullen, als ik maar tijd had ze neer te pennen. Het land is rijk aan natuurschoon, belangrijk voor den ethnoloog door de verschillende volksstammen, waarvan vele vrijwel nog in natuurstaat verkeeren, en voor den archaeoloog om van te watertanden. De uitgravingen zijn op verschillende plaatsen op Ceylon in vollen gang en leveren overal prachtige resultaten. Voor allen, die naar Indië gaan of van daar huiswaarts keeren, is het zeer loonend een tweeweeksch oponthoud in Colombo te maken en dan die dagen in Kandy door te brengen. [312]

[Inhoud]
Ornament

In Britsch-Indië.

Van Colombo tot Madras.

2 Februari. Wij gaan over eenige uren Ceylon verlaten, om ons naar het vaste land van Britsch-Indië te begeven.

Vóór ik over dit enorm uitgebreide land, dat even groot is als heel Europa zonder Rusland, waar 404 talen door 300.000.000 menschen gesproken worden, waar dagelijks couranten in 22 talen verschijnen, waar behalve Christenen en Joden, menschen leven, die tot alle oude godsdiensten met honderden sekten behooren, begin te schrijven, moet ik de lezers waarschuwen, dat alle schrijvers over Indië het er over eens zijn, dat zelfs indien men 25 jaren in Indië heeft gewoond met het doel land en volk te bestudeeren, men dan nog ten slotte tot de conclusie komt, dat men er eigenlijk niets van weet. Dit land, dat het oudste land op aarde schijnt geweest te zijn, waar de eerste wetenschap beoefend werd en van waar de beschaving is uitgegaan, schijnt voor vreemdelingen ondoorgrondelijk. Wij zijn van plan in twee maanden tijd dit uitgebreide land van Zuid tot West, van Noord tot Oost te doorkruisen en in alle belangrijke plaatsen een of meer dagen te vertoeven. Vóór wij de reis aanvingen, hebben wij moeten kiezen tusschen al het belangrijke wat dit land te zien en te leeren geeft om onze reisroute te kunnen vaststellen. Wij zullen de plaatsen bezoeken, waar wij belangrijke oude tempels vinden, de steden, waar de hoofdgodsdiensten de omgeving beïnvloeden en eenige mooie bergtoeren maken. Daarvoor gaan wij van Tutticorin naar Madras, en vandaar naar Bombay, onderweg verschillende plaatsen aandoende. Van [313]Bombay gaan wij Noordelijk tot Lahore en dan naar Calcutta. Zooveel mogelijk zal ik van alle plaatsen die wij aandoen het vermeldenswaardige vermelden en de indrukken mededeelen, die ik opdoe. Dat die indrukken vluchtige zijn, spreekt van zelf en dat zij altijd precies zullen wedergeven wat de toestanden in werkelijkheid zijn, wil ik niet belooven. Misschien zijn er onder mijne lezers, die dezelfde reis al eens gemaakt hebben en andere indrukken opdeden, dat is zeer wel mogelijk. Men verwachte van mij dan ook geene beschrijving van Britsch-Indië, geen volledigheid van de onderwerpen, die ik aanroer, maar alleen een beschrijving van wat ik zag, wat ik ondervond, en wat ik van dat alles denk.

3 Februari. Met een uitstekende boot met groote, comfortabele hutten, goede badkamers en zeer goede keuken, de “Bharatta”, staken wij van Colombo naar Tutticorin over. Hadden wij bij aankomst in Colombo gemist de mooie haven te zien, bij ons vertrek van Ceylon hadden wij daartoe alle gelegenheid. Om zeven uur van ochtend bracht de boot ons op vijf mijlen afstand van Tutticorin, van waar wij in een kleine stoombarkas met onze bagage aan land werden gebracht. Spoedig daarna reisden wij af naar Madura, alwaar onze eerste stopplaats voor Indië zou zijn. De treinreis bood niet veel bijzonders, het landschap was vlak en dor, de natives aan den weg van het soort, zooals wij ook op Ceylon hadden gezien, alleen de Sinhaleezen ontbraken. De zon in dit deel van de wereld, waarin het altijd heet en altijd dor en droog is, gloeide door de tralies van onze jalouzieën voor de waggonraampjes. Gelukkig voorzien de spoorwegdirecties de compartimenten van goede electrische waaiers, die ten minste eenige koelte aanbrengen. Als men bedenkt, dat alle gidsboeken, (ongelukkig heeft Baedeker den tijd nog niet gekomen geacht een Baedeker van Indië uit te geven), er voor waarschuwen in Indië—vooral in treinen en stations—water of melk te drinken, dat men niet zelf vooraf gekookt heeft, vruchten aan de stilstaande treinen van inlanders te koopen en die te eten, in de restauratiewagens salade, vruchten zonder schil of met zachte schil te nuttigen, vleesch en visch zooveel mogelijk onaangeroerd te laten, dan blijft er niet veel over, waaraan de verhitte en hongerige toerist dorst en honger kan laven. De lijst van zaken, die in dit land “dangerous [314]zijn, is inderdaad zoo groot, dat het mij niet verwondert, dat men in Engeland dankgebeden in de kerken opzond en een algemeenen feestdag hield, toen koning George en zijne gemalin heelhuids door dit land heengekomen waren. Wij zullen probeeren dat kunststukje na te doen.

Het eenig verschil wat wij aan den weg tusschen de kleurlingen hier en op Ceylon opmerken, is, dat hier bijna elke man, vrouw en kind gemerkt zijn. Op Ceylon waren het slechts weinigen, die wij hier en daar gemerkt zagen. Zij hebben dan midden op het voorhoofd—soms gaande tot over de neus—witte, gele of roode strepen en ronde roode plekken, strepen in horizontale of in verticale richting. Elk merk geeft aan tot welke godsdienst of tot welke kaste de bezitter behoort. Soms zag ik iemand met drie horizontale witte strepen, gaande van ’t eene eind tot het andere einde van het voorhoofd en daaronder, vlak boven de neus, een vermiljoen roode stip, ter grootte van een gulden. Anderen hadden verticale, witte strepen, waarvan de middelste tot over de neus tot aan de punt liep. Een klein, naakt meisje had drie gele strepen over haar voorhoofd en men had getracht hare bruine wangetjes en rondom het kleine mondje een oranje-gele tint te geven. Allerlei variaties op dit thema zijn aangebracht en met mijn gidsboek tot hulp heb ik getracht deze en gene soort te identificeeren. Geen gemakkelijke taak.

Om half drie arriveerden wij in Madura, een stadje van ruim 100.000 inwoners, alleen door inlanders bewoond en vol van historische oudheden. Een hotel is er niet te vinden, doch de spoorwegmaatschappij heeft het den reizigers mogelijk gemaakt om er een dag te vertoeven, door op het dak van het station een groote open veranda te bouwen met zes min of meer afgesloten... laat mij zeggen, kamers, waarin in ieder twee ledikanten staan en die van frissche badgelegenheden zijn voorzien. Als men den dag te voren telegrafeert, zoo’n telegram kost niets, dan is men vrij zeker een onderdak te vinden, want niemand mag langer dan 24 uren zoo’n kamer occupeeren. Wij hadden de voorzorg om te telegrafeeren genomen en vonden dus een kamer voor ons gereserveerd. Wij zullen op onze toer door Indië nog wel meer van zulke stationgelegenheden gebruik moeten maken, als dan alle zoo eenvoudig doch goed als deze zijn, zijn wij tevreden. Alleen zouden wij gaarne, [315]als het voor het vragen was, wat minder bezoek van ratten en muizen hebben, die zich hier al bijzonder thuis gevoelen. Maar in Indië, nog meer dan op Ceylon, waar het leven van alle dieren heilig is, moeten wij niet verwachten, dat zulke beestjes uitgeroeid worden.

Wij zijn lucky toeristen. Juist den dag dat wij aankwamen, was een belangrijke feestdag voor de Hindu’s. Het was de Chitraï, op een na de voornaamste van alle Hindu’sche feestelijkheden. Het feest vindt elk jaar plaats op den eersten dag van volle maan, in de Hindu’sche maand Tai, die valt tusschen Januari en Februari. Wij hadden nu wel heel veel moeite een rijtuig en een gids te vinden, want allen en alles was getogen naar den tempel Teppakulam, waar de heilige processie zou plaats vinden, op ongeveer vier mijlen afstand van hier. Den geheelen dag brachten locaaltreinen Hindu’s uit de omgeving aan om aan de processie en de daarmee gepaard gaande feestelijkheden deel te nemen, zoodat duizenden en duizenden hunner dezen dag in Madura bijeen waren. Met behulp van den stationschef kregen wij ten slotte om ruim vijf uur een jutka, dat is een wagentje in den vorm van een groote rioolpijp op twee wielen, doch van riet gemaakt en met een os bespannen. De inlanders gaan er in liggen, of zitten er in op hunne gekruiste beenen, wij verkozen er achter in te kruipen en onze beenen naar buiten te laten hangen. Wij kregen ten slotte ook in plaats van een os, een paardje, maar een paardje, dat niet grooter was dan een muis. Wij moesten onze hoeden afzetten en achter ons neerleggen, want boven onze hoofden werd het ronde ding natuurlijk steeds nauwer en liet nauwelijks genoeg ruimte om onze hoofden fier op te houden. Bij elke oneffenheid in den weg, of bij elke kromming, caramboleerden onze hoofden tegen elkaar of tegen de wagenwanden. Mijn valsche pruik beschutte mij voor menige buil.

Op onzen weg passeerden wij de dichte drommen inlanders, die allen naar het feest togen. De vijf olifanten, de heilige, die een voorname plaats bij elk heilig feest van Buddhisten en Hindu’s innemen zagen wij prachtig uitgedost heenvoeren. Een er van boog vriendelijk voor ons en bood toen zijn snuit voor een belooning aan. Wij staken voor deze beleefdheid een paar koperstukjes in den snuit, die onmiddellijk [316]aan den op hem zittenden priester oversnuit werden. Eenige hooge en voorname priesters werden in prachtig versierde baldakijns heen gebracht. De baldakijns werden door 8 mannen gedragen, voor en achter en aan beide zijden door muzikanten omgeven. De muziek werd gegeven door mannen, die op fluiten bliezen, op trommels sloegen, met rinkelbellen en andere bellen rinkelden, of met twee stukjes metaal op elkaar sloegen. De Hindu’sche bediende van den stationschef die ons tot gids diende, en die een beetje Engelsch sprak, vond de muziek prachtig; ik kon er niet veel harmonie in ontdekken.

De geheele weg was met gele bloemen en gele bladen versierd, alle vrouwen en meisjes droegen gele bloemen in de haren en hadden kransen van gele bloemen om den hals. Geel was de heilige kleur. Alle Siwabeelden bij den weg kregen offeranden van gele bloemen. Na ongeveer drie kwartier in onze ongemakkelijke koets gereden te hebben, kwamen wij op de heilige plaats aan. Daar was een reuzengroote tank of vijver, waar midden in op een eilandje een mooie tempel stond, de Teppakulam, voor wie de feestdag gold. Met een bootje moesten wij er heenroeien. Maar die bootjes, van den meest primitieven vorm en constructie (sommige geleken op heele groote, halve kokosnootdoppen) konden niet aan de oevers van de vijver komen. Voor de Hindus, die allen blootvoets en blootbeens zijn, levert dat natuurlijk geen bezwaar op, maar wij konden onze benedenlichamen moeilijk blootstellen aan zulk een koudwaterbad. Onze jonge gids wist echter voor die twee vreemde dames de menigte, die er om vocht om in de bootjes te komen, op een afstand te houden, het bootje zoo dicht mogelijk aan wal te laten komen, en toen met behulp van twee mannen en een koenen, jeugdigen sprong, kwamen wij in een scheepje terecht, waarvan de bestuurder uit diepe eerbied voor de twee blanken onder de zwarten—eerlijk gezegd heeft de zon in Ceylon van mij reeds bijna een kleurling gemaakt en, ik kon best voor een der hunnen doorgaan—niemand meer veroorloofde plaats te nemen. Hij roeide ons naar den tempel, waar een jonge priester ons onmiddellijk met een krans gele bloemen behing, waarvoor wij hem een rupee moesten offeren. Spoedig nadat wij aangekomen waren, werden de duizenden lichtjes ontstoken. Het waren alle aarden olielampen van antieken vorm, waarin olie en een zakje [317]met brandbare stof. Walm gaven zij genoeg. De processie was eenig om aan te zien. Het Siwabeeld, vol behangen met gouden kettingen en edelsteenen, achter hem aan het beeld van zijn vrouw, minder kostbaar versierd, werd rondgedragen. Rondom muzikanten van het reeds beschreven soort. De dragers waren Brahmanen, dat is op een na de hoogste kaste hier. Zij alleen genieten de eer Siwa en zijne gemalin rond te dragen. Vooraan liepen vele priesters maar allereerst een groep dansmeisjes, Nautchgirls, de heilige prostituees. Voor een nuchteren toeschouwer was het meest humoristische van deze groep, de twee mannen te zien, die aan beide zijden van het Siwabeeld liepen met reuzengroote waaiers en daarmede zwaaiden, dat het zweet van hun naakte lichamen droop, met het doel Siwa koelte aan te brengen. Maar de geheele groep, waarin ook een paard van goud werd rondgedragen, was zoo’n mooi stuk bont oriëntalisch geheel, dat het mij onuitsprekelijk boeide.

Voor degenen, die het niet mochten weten, is Siwa een van de drie godheden der Hindu’s, Brahma, Vishnu en Siwa, maar ’t wordt verondersteld dat Siwa in honderden—onze Hindu-gids zegt duizenden—verschillende vormen op aarde kwam en in al die vormen wordt hij door zijne volgelingen vereerd. Madura is de meest Hindusche stad in Indië en de oude tempel, dien wij den volgenden morgen gingen zien, de mooiste en grootste van geheel Indië. Nergens ook leven zooveel dansmeisjes als in Madura, waar haar aantal meer dan 200 is. Zij wonen in een afzonderlijke straat. Men vertelde ons, dat deze, die wij niet anders dan prostituees zouden noemen, toch van deze daarin verschillen, dat zij zich nimmer verlagen om een blanken man te dienen, dat zij alleen met Hindumannen verkeeren. Zij worden dansmeisjes genoemd, omdat zij bij alle heilige feesten in de tempels dansen en zij zijn met een soort heiligheid omgeven, omdat zij de priesters “unentgeltlich” ten dienste staan. Onder de Europeesche schrijvers over Engelsch Indië zijn er echter verscheidene, die beweren, dat deze vrouwen voor geld en lieve woorden ook wel eens een blanken man hare gunsten verkoopen.

4 Februari. Wij gingen den volgenden morgen vroeg den ouden tempel zien, die inderdaad in vele opzichten een wonder is. Het Hindu-knechtje van den stationschef diende ons weder [318]tot gids. Deze tempel is niet zoo heel oud, dateert van het begin der 17e eeuw, hij is echter bijzonder goed bewaard gebleven. Al de beelden en beeldengroepen zijn stucadoorswerk en later geschilderd. Men beweert, dat het inwendig deel van den tempel reeds in de 5e eeuw moet bestaan hebben, want er zijn schrijvers uit dien tijd, die er reeds van gewagen. Nadat wij dezen tempel genoegzaam eer bewezen hadden, zagen wij het oude koninklijke paleis, dat nu tot officieel gebouw dient en waarin de gemeenteraad zitting had en zagen wij de groote bo-boom, die op één na (in Calcutta is een nog grooter) de grootste van de geheele wereld is. Een bo-boom is een heilige banyanboom, een oude Waringin, die door zijne vele luchtwortels tot stammen gegroeid, een groep boomen gelijkt, doch inderdaad slechts één boom is. Deze bo-boom was heilig verklaard, wijl hij in staat bleek, vrouwen, die van den duivel bezeten zijn, als zij er deemoedig voor bidden en er offeranden voor brengen, te verlossen. Er zijn dingen voor minder nuttige diensten heilig verklaard!

Toen wij om 12 uur van onzen rijtoer terugkeerden, stond vlak voor het station, in de brandende zon, een geheel naakte man; alleen zijn lendenen waren met een doek omgord. Zijn geheele bruine body was met heilige asch grijs gekleurd. Zijn oogen leken bloedrood. Hij stond op één been, het andere gestrekt voor zich uit. Het was een fanaticus, die door zelfkastijding zich trachtte te zuiveren van begane zonden. Hoe lang die man daar reeds gestaan had toen wij arriveerden, kan ik niet zeggen, maar toen wij om half drie vertrokken stond hij daar nog op hetzelfde eene been. In elk ander land zou zoo’n grappenmaker met zachte hand naar een krankzinnigengesticht overgebracht worden, hier wekte hij van elken voorbijganger bewondering en een eerbiedig medelijden op.

Vóór ik van Madura vertrek moet ik nog opmerken, dat de voornaamste industrie hier in de stad het weven is, wat nog overal thuis op de ouderwetsche handweeftoestellen geschiedt. Wij zagen er velen buitenshuis dit handwerk beoefenen. Zeer mooie fijne, zijden en katoenen stoffen maakten zij. Het wasschen en het verven der geweven stoffen geschiedt ook hier. Ruim de helft der bevolking is wevers, zij vormen een afzonderlijke kaste, de weverskaste, die ook hun eigen voorhoofdmerk dragen. [319]

De hoogste kaste in Madura en omgeving zijn de Kallars of roovers. Deze menschen leven bijna uitsluitend van roof. Geheele dorpen rondom Madura zijn geheel door Kallars bevolkt. Tegen de niemand en niets ontziende leden van deze kaste hebben de Engelsche regeering en ook de overige bewoners van dit district reeds alles beproefd wat denkbaar is, maar zij kunnen ze niet kwijt worden. In 1896 en ’97 nam de regeering zeer ernstige maatregelen tegen hen, waardoor zij tijdelijk in toom werden gehouden en er reeds eenigen hunne bezittingen te gelde maakten en naar andere oorden vertrokken. Maar in het midden van 1897 ontvoerden de Kallars de vrouw en oudste dochter van een invloedrijk man uit Madura en zeiden, dat deze vrouwen alleen tegen een hoog losgeld weder teruggebracht zouden worden. Indien echter de politie of iemand anders een der Kallars een haar mocht krenken, of indien de politiemaatregelen tegen hen niet mochten opgeheven worden, dan zouden binnen kort alle vrouwen uit het district op even geheimzinnige wijze verdwijnen en niemand harer zou terugkeeren. De bevolking was daardoor zoo beangst geworden, dat zij smeekten de politiemaatregelen weder op te heffen. Zij wilde liever weder onder het oude regime leven. De politie kan nu niet veel anders doen dan elkeen waarschuwen op zijn hoede te zijn.

Nog op een andere bijzonderheid wil ik wijzen, want ik weet niet of ik dat in zoo’n hooge mate wel meer in Indië zal zien. De vrouwen hier schijnen lange oorlellen bijzonder gracieus te vinden. Wij zagen er met oorlellen die op de schouders neerhingen. Om dat schoone resultaat te bereiken, worden de oorlellen van meisjes op den 8en dag na de geboorte doorboord en met steeds zwaarder ringen behangen. Als de kinderen ouder worden dan hangt men stukjes lood aan de ringen om een sneller verloop te verkrijgen.

Dezen eenen dag in Indië kregen wij ieder minstens een dozijn certificaten te teekenen over de braafheid en eerlijkheid en geschiktheid der verschillende menschen, waarmede wij in aanraking kwamen. De gids, hoewel geen gids van professie, de koetsier, de juffrouw van de stationskamers, de restaurateur, de winkelier van wie wij een kleinigheid kochten en al zulke menschen meer, vroegen een getuigschrift, dat wij met hunne handelingen tevreden waren en wilden liefst, dat wij naast [320]onze handteekening een visitekaartje plakten. Elkeen loopt hier met een boek certificaten in zijn zak en duwt je dat direct onder de neus om zijne voortreffelijkheid te bewijzen. Sommige van die certificaten, vooral als zij in de Fransche of Duitsche taal zijn geschreven, want dat verstaan de goede menschen niet, zijn in ’t geheel geen aanbeveling. In een er van vond ik zelfs een Hollandsch getuigenis door een landgenoot gegeven, dat luidde: “Hoedt u voor dezen man die u afzet op honderdlei wijzen!” De man vroeg mij of ik dat lezen kon, of ik het dan voor hem vertalen wilde en ik gaf als vertaling: “Dit is de eerlijkste man in de wereld!” “Ja”, zeide hij, “dien mijnheer heb ik ook zoo goed behandeld”.

5 Febr. Om 8 uur kwamen wij ’s avonds in Trichinopoly aan, waar wij na een schraal diner en na een gids voor den volgenden morgen besproken te hebben, gauw op onze primitieve bedden kropen. Wij moesten weder in de stationsgelegenheid overnachten, die veel primitiever was dan de vorige. Daar wij hier met eigen bedtoebehooren moeten reizen en alleen ijzeren bedden met ijzeren matrassen vinden, behoeven wij voor bewoonde bedden niet te vreezen; daardoor is onze nachtrust een veel kalmere.

Wij reden vanmorgen eerst naar den verst af zijnden tempel, die de grootste in zijn soort in Indië is. Het is een tempel aan Vishnu gewijd, waarin Vishnu voornamelijk gehuldigd wordt als de dans- en vermaak-lievende God. Erg aanschouwelijk wordt dat in de verschillende beelden op en in de enorm grooten tempel voorgesteld; voor de openbare zedelijkheid ware het misschien wenschelijk, dat vele van deze beelden met een sluier van welvoegelijkheid bedekt werden. Als die tempel in ons land stond dan zouden onder onze tegenwoordige Zedelijkheidswet zeer zeker vele van de zinnebeeldige voorstellingen uit de graniet zuilen uitgehakt worden. Zij geven echter een goed beeld van verheerlijking der zinnelijkheid in den Hindu’schen godsdienst. Den geheelen morgen wijdden wij aan het bezichtigen van al de tempels in den omtrek en vanmiddag gingen wij een kijkje nemen van de industrie die in Trichinopoly beoefend wordt. Het is in hoofdzaak goud- en zilverwerk, filigrainwerk, wat ook al weer door elkeen in eigen hut of nog meer vóór de hut, uitgevoerd wordt.

Zuid-Indië, waarin wij nu reizen, is door zijne Hindu-tempels [321]vermaard, daarom bezochten wij de voornaamsten er van. Maar wij hebben er nu genoeg van gezien en zullen niet meer, zooals wij eerst van plan waren, in Tanjore uitstappen om ook daar tempels te zien, maar liever in eens doorreizen naar Madras.

7 Febr. ’n Tocht van 7 uur ’s avonds tot 8 uur den volgenden morgen bracht ons in Madras, alwaar wij na in een hotel een frisch bad en een goed ontbijt genomen te hebben, ons onmiddellijk per rijtuig op weg begaven. Madras is een vrij onbelangrijke stad, bezit eenige onbeduidende Hindu-tempels en eenige mooie officieele nieuwe gebouwen. Alleen voor hen die de occulte godsdiensten grondig bestudeeren willen, is Madras belangrijk. Daar hier de eerste Theosophische school door mad. Blavatsky en haar medewerker Olcott gesticht is, gingen wij daar een kijkje nemen. Even buiten Madras, in Adyar, is een zeer mooi gelegen en smaakvol aangelegd stuk grond, waarop deze school, met haar uitgebreide bibliotheek en verschillende woonhuizen, waarin de studenten en allen die tot de school in betrekking staan, wonen, is gevestigd.

Wij troffen er den vriendelijken secretaris mr. Aria, een Parsee, die ons alle inlichtingen gaf die wij wenschten. Verscheidene Hollandsche heeren en dames zijn op dit oogenblik in en aan deze school werkzaam. In de ruime, frissche hall van het hoofdgebouw stond een levensgroot beeld van de twee stichters van de school, mad. Blavatsky en kolonel Olcott. In Benares, waar wij later komen, is de tweede theosophische school gevestigd. Veel volgelingen hebben de theosophische leerstellingen nog niet gevonden. Als men bedenkt, dat de eerste school reeds in 1875 werd gesticht, dan is het tal actueele leden over de geheele wereld, dat volgens de officieele opgaven niet meer dan 23.000 bedraagt, zeer klein.

Nadat wij alle bezienswaardigheden en het Madrassche borduurwerk, door de vrouwen verricht, tegen ongeveer half twee gezien hadden, keerden wij naar het hotel terug, lunchten en namen eenige uren rust. Om vijf uur gingen wij nog eens een rijtoer maken door de omgeving van de stad, waar de élite op dat uur bijeen komt, en om 9 uur zaten wij weder in den trein, om rechtdoor naar Bombay af te reizen. Wij hadden genoeg van Zuid-Indië. [322]

Terwijl de inboorlingen Van Zuid-Afrika, de groote kind-menschen, met hun kinderlijke begrippen, hun kinderlijke wijze van zich op te sieren, hun kinderlijk geloof, mijn volle sympathie wekten en ik gaarne voor hen zou willen werken, om ze tegen te ruwe handelingen te beschermen, ik mij tot de inboorlingen van Ceylon, met hun zacht-vrouwelijke trekken, hun lieve, vriendelijke oogen, hun gracieuse bewegingen en hun tevreden voorkomen, aangetrokken gevoelde, zoo zelfs, dat ik het voor de hoogste zaligheid houd, in het binnenland van Ceylon een kinderschooltje met deze lieve, mooie kindertjes te hebben, wekten de inboorlingen van Zuid-Indië mijn—en ook die van mijne reisgezellin—grootste afkeer op.

Deze ruwe, zinnelijke, domme, fanatieke bedrieger-gezichten, die drie keer daags in een stilstaand water een bad nemen om zich van hunne zonden te zuiveren—elke onderdompeling in het vieze slootwater neemt een bedreven zonde weg,—en die dikwijls direct daarna zich rondwentelen in een hoop excrementen van een koe, omdat dat dier heilig is, wekten, met alles wat hen omgeeft, hun geheelen godsdienst incluis, mijn grootsten weerzin op. Als het ander deel van Indië en de andere inboorlingen geen beteren indruk weten te wekken, als elke Hindu en andere Indische inboorlingen bedelaars en bedriegers blijken te zijn, als alle merkwaardigheden in Britsch-Indië ons zoo gauw gaan vervelen, neen, erger nog, in vele opzichten verontwaardiging wekken, zooals de Hindusche tempels, dan gaan wij snel door het land en zullen eerder dan ons plan was Calcutta bereiken.

Het is echter te hopen, dat Engeland er in geslaagd is, van het overige deel van dit oude land iets beters terecht te brengen.

9 Febr. Den 5en Februari vertrokken wij ’s avonds om 9 uur van Madras en kwamen den 7en Februari ’s morgens om 6 uur in Bombay aan. Wij waren toen 6 dagen en route geweest, hadden daarvan een nacht in de boot, twee nachten in stationsslaapplaatsen en drie nachten in den trein doorgebracht. Wij namen ons derhalve voor in Bombay eenige dagen zeer rustig door te brengen. [323]

Bombay.

I.

Toen wij ’s morgens om 6 uur arriveerden, lag de stad nog in nachtelijk duister, de straatlantaarns gaven alleen eenig licht. Wij konden nu zien, hoe de stille straten van een Oostersche stad er bij nacht uitzien. Langs den geheelen weg van het station tot het hotel, minstens 20 minuten rijden, lagen de menschen langs den huizenkant buiten te slapen. Soms, waar wij wat nauwere straten hadden te passeeren, ging het rijtuig dwars tusschen de slapende Bombayers door. Het is natuurlijk dat soort menschen, dat ’s morgens “zijn bed opneemt en gaat wandelen”, menschen, die waarschijnlijk geen woning hebben en er ook de behoefte niet aan gevoelen. Want ook wanneer deze menschen een woning hadden, zouden zij tehuis geen zachtere slaapplaats kiezen.

Het hotel, Taj Mahalhotel, waarin wij intrek namen, wordt het grootste hotel van de wereld genoemd. Het is zeer zeker waard even vermeld te worden. Het is een navolging van de Taj Mahal-tempel in Agra, waarover ik later zal spreken, als wij daar geweest zijn. Een rijke Parsee heeft in dit hotel een groot deel van zijn kapitaal gestoken, omdat hij Bombay de eer wilde geven, het beste hotel van de wereld te hebben. Ik geloof niet, dat hij daarin geslaagd is, ook al omdat het Oostersche klimaat niet toelaat de luxe aan te brengen, die men in vele groote Europeesche hotels vindt. Hoe het zij, het is een zeer mooi en comfortabel hotel, met prachtig uitzicht, zoowel op de zee als op de stad.

De stad Bombay is de meest Europeesche stad, die men zich denken kan. Als men de native town, het gedeelte, waar de Oosterlingen wonen en hunne winkels hebben, er buiten laat, dan kon deze stad even goed ergens in Duitschland of Frankrijk of Engeland liggen, als juist hier. Het is een stad met mooie moderne gebouwen, breede, ruime straten, groote pleinen met standbeelden, tuinen en parken; het geheel geeft den indruk een welvarende stad te zijn, die goed en zindelijk beheerd wordt. Wij maakten denzelfden middag van onze aankomst een rijtoer van eenige uren om een indruk van de stad te krijgen en gaven hier en daar ons visitekaartje met een [324]introductiebrief af, bij personen, waarvoor wij eene aanbeveling ontvangen hadden. Reeds denzelfden avond ontvingen wij een bezoek van een Engelsche lady-doctor, die ons velerlei inlichtingen gaf.

Den volgenden morgen brachten wij het allereerst een bezoek aan de native town, waar wij haast verblind werden door de helle kleuren, door mannen en vrouwen beide gedragen. Mannen met blauwe, bruine of witte beenbekleeding (geen broeken) met emerald vesten en roode, groene of goudgele turbans. Vrouwen met kersroode, hardrose of zeegroene zijden doeken, waarin zij van hoofd tot voeten gewikkeld zijn, waarvan de randen rondom met een gouden band zijn afgewerkt. Men beweert, dat er meer dan 40 dialecten alleen in dat stadsdeel gesproken worden.

Des middags gingen wij datgene in Bombay zien, waarvoor de meeste toeristen alleen Bombay bezoeken en er een dag verblijven. Ik wil den lezer waarschuwen, dat ik nu over griezelige dingen ga schrijven, dingen, die griezelig zijn als men er over leest, doch als men ze ziet, dan verdwijnt het afschuwelijke er van voor een groot deel.

Zooals men weet, verbranden de Boeddhisten en Hindoe’s hunne lijken, doch overal, waar wij tot nog toe waren, vertelde men ons, dat daarvoor niet een bepaalde plaats bestond, elke familie verbrandde het lijk van zijn naastbestaande ergens dicht bij een stroom of ergens in een bosch, zoodat wij daarvan niets konden zien. Hier in Bombay hebben de Hindoe’s hun verbrandplaats en daarheen begaven wij ons. Men moet om toegelaten te worden eene aanbeveling medebrengen en die bezaten wij.

Iets somberders dan deze plaats, waar het lichaam voor de laatste maal heengeleid wordt, is niet denkbaar. Het is niet anders dan een groote, langwerpig-vierkante ruimte, omgeven door kale muren. Op verschillende plaatsen stonden vier ijzeren stangen, twee aan twee tegenover elkander. Tusschen deze ijzeren stangen wordt het hout opgestapeld en het lijk gelegd. Verder eenige houten banken, waarop de familieleden kunnen rusten, onderwijl het lijk van hun naastbestaande verbrand wordt. Dat is alles. Wij zagen een vuur branden, doch het lijk was reeds verteerd. Toen wij daarnaar stonden te kijken, kwamen op eens eenige in het wit gekleede mannen de poort [325]binnen, die een nieuw lijk brachten. Het was het lijk van een volwassen mensch, dat geheel in een wit laken gehuld, op twee palen gebonden, door 8 mannen op de schouders naar binnen gedragen werd. Daar werd het van de palen verwijderd, daarna het hout opgestapeld, het lijk er tusschen gelegd..... Wij hadden er genoeg van gezien, ons verbeeldingsvermogen kon het verder wel uitwerken. De man, die ons rondgeleidde, vertelde, dat voor lijken van rijke menschen echt sandelwood gebruikt wordt, zoodat het vuur soms drie- à vierhonderd rupees kost. De asch der verbrande lijken wordt in de meeste gevallen aan de vier windstreken prijsgegeven, door sommige familieleden wordt zij verzameld en naar Benares opgestuurd om in den heiligen Ganges geworpen te worden.

Hier op deze verbrandplaats was zoo duidelijk te kennen gegeven, dat de Hindoe niet de minste waarde hecht aan het omhulsel van den mensch. De ziel is alles en die heeft natuurlijk reeds lang het doode lichaam verlaten en is in een ander levend wezen overgegaan. Dat is hun geloof.

Van deze trieste plaats gingen wij naar de plaats waar de Parsees hunne lijken brengen. Laat mij vooraf mededeelen, wie de Parsees zijn. Het zijn de oorspronkelijke bannelingen uit Perzië, die ruim acht eeuwen geleden in Indië kwamen en eerst toen Indië onder Britsche heerschappij kwam, tot welvaart en ontwikkeling konden komen. In het algemeen gesproken, zijn zij de intelligentste van de rassen hier. Niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen en dochters der Parsees zijn hoogst ontwikkelde personen, die de universiteiten alhier bezoeken en in de verschillende vakken promoveeren. Niettegenstaande hun aantal betrekkelijk klein is, in Bombay, waar zij voornamelijk wonen, zijn er nog geen 50.000, wordt toch feitelijk deze stad geheel door hen beheerd. Alle groote financieele en commercieele ondernemingen gaan van hen uit, alle mooie, groote paleizen worden door hen bewoond. Ook in den gemeenteraad vormen zij verreweg de meerderheid en voor alle groote functiën worden zij aangewezen. Geen enkele philantropische of wetenschappelijke instelling kan bestaan, als de Parsee-prinsen er niet hun goedkeuring en hun financieelen steun aan schenken.

Deze Parsees zijn Zoroasters, zij aanbidden zon, maan, aarde, lucht en vuur. In hun tempels, waarin niemand, die geen Parsee [326]is, wordt toegelaten, brandt eeuwig een vuur. Dat vuur aanbidden zij, zooals zij buiten den tempel zon en maan, aarde en lucht aanbidden. Zij zijn van meening, dat zij hunne dooden niet kunnen begraven, omdat zij dan de aarde verontreinigen zullen; door ze te verbranden, ontheiligen zij ’t vuur en zoo hebben zij er wat anders op bedacht. Maar laat mij den lezer langzaam op het komende voorbereiden. Het rijtuig bracht ons langzaam een mooi begroeiden heuvel op, vanwaar wij een prachtig uitzicht op de zee en op de stad onder ons hadden. Voor een poort gekomen, hield de koetsier halt en wees ons naar binnen te gaan. Nadat wij onze introductie vertoond hadden, gingen wij een eind door een prachtige allee met in bloei staande boomen en kwamen toen in een wondervollen bloementuin. Een intelligente man, daarvoor waarschijnlijk aangewezen, ging met ons rond en wees ons op al het schoone, vooral op de zeer mooie vergezichten, die men op menige plek genieten kan. Het eenige wat in dezen tuin hinderde, was het onophoudelijk gekrijsch van de honderden roofvogels boven ons. Wij mochten niet verder gaan dan tot op een zekere plek, “de Vaarwelhoek” genaamd. Niemand mag dien hoek overschrijden, ook de Parsees niet. Alleen de wachters van de torens, “de Torens van Stilzwijgen”, hebben daartoe het recht. Die torens van stilzwijgen waren van die plek geheel te zien. Er zijn er vijf. Het zijn ronde, tien à vijftien meter hooge, van boven open, torens, met slechts ééne opening, de deuropening. De randen van die torens zitten rondom vol groote gieren, wachtende op hun prooi. Als er geen epidemie heerscht komen er dagelijks twee à drie lijken. Tot aan den Vaarwelhoek wordt het lijk door de familieleden gebracht, daar nemen de wachters van de torens van stilzwijgen het in ontvangst, de familieleden verwijderen zich, of gaan bidden in den tempel van den tuin en het lijk wordt in een der torens van stilzwijgen neergelegd. Nauwelijks hebben de gieren de torendeur hooren kraken of met snellen wiekslag zijn allen, die niet reeds tevoren op de randen zaten te wachten, aangevlogen, om den prooi in ontvangst te nemen. In minder dan twee uren, soms niet meer dan in een uur, hebben deze roofdieren het lijk geheel opgegeten, niets dan het zuiver afgekloven skelet is overgebleven. Door de heete zonnestralen worden deze beenderen in een paar dagen geheel gedroogd en daarna tot asch verbrand. Het geheele [327]proces, zooals het daar plaats vindt, werd ons in een klein toestel aanschouwelijk voorgesteld. Op deze wijze meenen de Parsees dat zij voldoen aan het wijze woord: “Uit asch zijt gij opgebouwd en tot asch zult gij wederkeeren.” Het komt mij voor, dat alleen de beenderen op die wijze tot asch wederkeeren, maar op zoo’n kleinigheid moet men niet letten. Het mag vreemd schijnen, dat wij op deze plaats niet zoo somber gestemd werden als op de verbrandplaats der Hindoe’s. De prachtige omgeving nam al het sombere en het griezelige hier weg. Trouwens, als men zijn gevoel een oogenblik het zwijgen oplegt, het verstand alleen laat spreken, dan vraagt men zich af, is er tusschen deze wijze van handelen en het begraven der lijken wel zoo’n groot verschil? Wat hier bijna zichtbaar geschiedt, het opeten der lijken, geschiedt onder den grond op minder snelle wijze toch ook. Wij denken daaraan niet en doordat wij het niet zien, stellen wij ons, hetgeen met de lijken die wij begraven geschiedt, anders voor. Als hier die gieren niet zoo luidruchtig hunne vreugde te kennen gaven als er voedsel voor hen in aantocht is, en niet zoo zichtbaar op hun prooi zaten te wachten, zou het minder wreed lijken.

Maar genoeg over deze griezeligheden, ik ga nu slapen en zal morgen vervolgen.

10 Februari. Gistermorgen vonden wij een invitatie voor een tea, ten huize van een der dames, voor wie wij een introductie hadden en waar wij den eersten dag ons kaartje hadden afgegeven. Ook vond ik een briefje van dr. Benzon, om in het hospitaal, waarvan zij de directrice is, te komen, om eenige belangrijke operaties bij te wonen. Daar toog ik dus alleen op af en vond bij aankomst dr. Benzon met hare drie assistenten met de eerste operatie reeds vrij ver gevorderd.

Het betrof een twaalfjarig meisje, bij wie uit de okselholte eenige zeer groote tuberculeuze klieren werden weggenomen. De tweede operatie gold ’n vrouw bij wie een tumor uit den buik verwijderd werd.

Toen die operaties afgeloopen waren, had dr. Benzon nog lust en tijd mij in haar geheel hospitaal zelf rond te leiden en eenige belangrijke ziektegevallen te wijzen.

Dit Kama-hospitaal voor vrouwen is meer dan een kwart eeuw geleden door den heer Kama gesticht, vandaar zijn naam, doch is later door het gouvernement overgenomen en is nu [328]dan ook een gouvernements-instelling en de daaraan verbonden doktoren en verpleegsters, regeeringsambtenaren. Dr. Benzon, die aan het hoofd staat, is een Engelsche, die in Londen gestudeerd heeft, hare drie assistenten zijn hier geboren, zij hebben ook hier in Bombay gestudeerd en haar doctorstitel gehaald. In Bombay is een zeer goede medische school voor studenten van beiderlei sekse. Tal van Indische meisjes studeeren hier, zoodat langzamerhand de Hindu-, Parsee-, Mohammedaansche en andere vrouwen nergens meer van medische hulp verstoken behoeven te blijven. Het Kama-vrouwenhospitaal is een inrichting met honderd bedden, die altijd alle in gebruik zijn, zoodat spoedig een vergrooting kan worden tegemoet gezien. Het is in alles een up-to-date hospitaal, waarvoor door de regeering geen geld gespaard en dat door de vrouwen-doktoren onberispelijk beheerd wordt. Ik ben benieuwd te zien, wat equivalent ik voor deze inrichting op Java zal vinden; in hoeverre onze regeering aan de zieke Javaansche vrouwen gelegenheid geeft door vrouwelijke doktoren behandeld te worden.

Dr. Benzon had ook eene uitnoodiging voor de tea, waarheen wij ons om vijf uur zouden begeven. Zij sprak met mij af, dat zij ons met haar automobiel zou komen halen, zoodat wij gezamenlijk konden gaan en zij ons aan eenige interessante personen kon voorstellen. En daar kwam nu datzelfde fijne persoontje, dat ’s morgens eenige belangrijke operaties had verricht, ’s middags eenige drukke consult-uren voor private patiënten had gehad, om vijf uur ons halen, gekleed in een geborduurd wit japonnetje met een hoed met lange witte veeren, er uitziende als de meest vrouwelijke vrouw, die men zich denken kan.

De dame, die ons had uitgenoodigd voor de tea, is eene der voornaamste Engelsche vrouwen hier. Zij is niet alleen de leidster in de Engelsche society-wereld, zij is tevens de persoon, die tal van goede hervormingen hier tot stand brengt. Zoo heeft zij onder meer eene overbrugging bewerkt tusschen de vrouwen uit de Parsee-, Hindoe- en Mohammedanenwereld en de Engelsche vrouwen. Zij is heel voorzichtig begonnen de vrouwen uit die verschillende groepen bijeen te brengen en thans kan men op hare tea’s de interessantste vrouwen uit die kringen vinden. Voor ons was het een waar oogengenot, [329]die Purdah-partij bij te wonen. Purdah beteekent gordijn. Vroeger vond men op de Purdah-partijen altijd een gordijn, waarachter de Mohammedaansche vrouwen zaten en diegenen onder de andere vrouwen, die niet door andere mannen dan hun eigen familieleden gezien mochten worden. Langzamerhand hebben de vrouwen uit de hooge kringen deze gewoonte afgelegd, zij vertoonen zich nu openlijk en ongesluierd in de kringen, doch de naam Purdah-partij is behouden gebleven en heeft nu alleen de beteekenis, dat er alleen vrouwen uit alle godsdiensten en geen mannen tegenwoordig zijn. Wij maakten er kennis met een paar Indische prinsessen, meisjes naar schatting 15 en 17 jaar oud, klein en teer gebouwd, gekleed in zulke schitterende Indische kleeding en met zulke prachtige edelsteenen, dat het alle beschrijving te boven gaat. Er was een vrouw van een Maharatja, en er waren tal van vrouwen uit de schatrijke Parsee-wereld en van de toonaangevende Hindoe’s en Mohammedanen. En onder al dezen de elite uit de Engelsche ambtenaarskringen. Dan eens warrelden dezen allen in bonte mengeling dooreen, dan weder zetten zij zich op de hoefijzervormig geplaatste stoelenrijen om een oogenblik te luisteren naar de muziek en zang, door eenige Engelsche en een paar Indische dames ten beste gegeven. Een der Indische dames bespeelde een echt Indisch instrument, een cither, en gaf daarop echt Indische muziek te hooren. Ik heb nooit te voren zoovele kostbare gewaden en edelgesteenten bijeen gezien en nooit zoovele vreemde damescostuums als gistermiddag. Er was een Mohammedaansch meisje met rood satijnen broek, de pijpen van onder bijeen gebonden door ’n gouden band, waaruit de kleine voetjes in gouden muiltjes coquet te voorschijn kwamen. Daarover droeg zij van ragfijn rosezijde, geheel met goud doorwerkt, een overkleed, dat, als bij alle andere dames, altijd eindigde in een soort van sluier, die van achter over het hoofd ging en daarop met een groote parel bevestigd was. Zij was een Mohammedaansche. Er waren een paar zusjes, die hun lichaam alleen in een zacht crème zijden, met goud geborduurden langen doek of sarong gewikkeld hadden, die ook al weder op het hoofd in een soort sluier eindigde, waarmede de bleek-bruine gezichtjes met de groote zwarte oogen en lange wimpers prachtig omlijst werden.

Maar meer dan al die mooie vrouwen in hun prachtige gewaden [330]te zien, interesseerde het ons om met velen van hen te spreken. Velen van hen hadden aan een der vijf universiteiten in Indië gestudeerd en een doctorstitel in een der faculteiten behaald met geen ander doel dan hun kennis te verrijken. Enkelen van hen gebruikten de verworven kennis ten behoeve van het algemeen. Onder deze vrouwen vonden wij die volkomen op de hoogte van de vrouwenbeweging in de andere deelen van de wereld waren en daarmede geheel instemden. Ook hier waren alle rechten die deze vrouwen thans genieten, niet zonder strijd verkregen. Een oude voorvechtster in deze hervormingen ontmoetten wij er in de 70-jarige mrs. Sirinbai Maneckji Cursetji, de zuster van den man, die het Kama-hospitaal voor vrouwen tot stand bracht. Toen ik dit door jicht bijna dubbelgevouwen oud moedertje vroeg, hoe lang zij reeds voor de rechten der Indische vrouwen streed, antwoordde zij, “van af het oogenblik dat ik loopen en praten kon, heb ik mij verzet tegen de achterstelling van de vrouw bij den man, en later heb ik voor de gelijkstelling van beide seksen met pen, woord en daad gestreden.” Zij vertelde ons dat haar geheele familie feministen waren en dat alleen om ons te ontmoeten, zij dien middag bij lady Graeves gekomen was. Want zij zat midden in allerlei drukte, omdat vandaag een harer kleindochters ging trouwen, met al de ceremoniën die de Parsees daaraan verbinden. Ik liet mij ontvallen dat ik zoo heel graag zulke ceremoniën eens zou bijwonen en onmiddellijk antwoordde zij: dan zult gij beiden een uitnoodiging om die te komen bijwonen, ontvangen, alhoewel voor de geheele huwelijksplechtigheid overigens geheel alleen de naaste familieleden een invitatie ontvangen. En zoo gaan wij dan hedenmiddag eerst een tea bij dr. Benzon bijwonen, alwaar wij eenige vrouwen zullen spreken, die ons omtrent den stand van het vrouwenvraagstuk in Indië geheel op de hoogte kunnen brengen en vandaar gaan wij naar de Parseebruiloft.

Over dit alles en ’t geen wij van ochtend deden in een volgend schrijven.

II.

11 Februari. Het was gisteren een dag vol indrukken van verschillenden aard. Wij waren reeds vroeg opgestaan om [331]met een van de eerste stoombootjes, dat om acht uur vertrok, naar de Elephanta Caves te gaan. Het is een tocht van anderhalf uur. De Elephanta Caves is ook alweer een groote Hindoetempel, doch deze is niet opgebouwd, maar geheel in de rotsen uitgehouwen. Al de prachtig bewerkte zuilen, alle deelen van den tempel en al het beeldhouwwerk zijn uit de rotsen gehouwen. Dit is inderdaad wonderwerk uit de 7e of 8e eeuw na Christus en grootendeels goed bewaard gebleven. Deze tempel is gewijd aan Siwa, maar vooral in zijne hoedanigheid als bevruchter. Het voorttelingsvermogen wordt hier op al te duidelijke wijze verheerlijkt en ofschoon de Portugeezen, toen zij voor het eerst als machtgevers hier optraden, een groot deel van deze zinnelijke voorstellingen verwoestten, is er toch nog genoeg overgebleven om het doel van dezen tempel te verduidelijken en om nog jaarlijks duizenden mannelijke en vrouwelijke bedevaartgangers hierheen te lokken, die in dezen tempel de vruchtbaarheid afsmeeken, die hun ontbreekt. Kinderlooze mannen en vrouwen brengen soms dagen en nachten in deze rotsholten door, om door ootmoedig bidden gezegend te worden met nakomelingschap. Tegen lunchtijd waren wij in Bombay terug.

Om vijf uur begaven wij ons eerst naar de woning van dr. Benzon, alwaar wij eenige Parsee- en Eurasian-vrouwen-doktoren aantroffen. Eurasians noemt men de inboorlingen in Indië, die geheel of gedeeltelijk van Europeesche voorouders afstammen. Europeeërs, die hier eeuwen gewoond hebben en wier nakomelingen voor een groot deel vereenzelvigd zijn met de Indische bevolking, doch grootendeels Europeeërs gebleven zijn. Met de Parsees zijn zij de vooruitstrevendste menschen hier. Behalve deze dames waren er een paar toonaangevende Hindoe-vrouwen in de vrouwenbeweging alhier. In mrs. Ranadaij ontmoetten wij de presidente van de, het vorige jaar opgerichte en aan de lezers van het Maandblad voor Vrouwenkiesrecht bekende vereeniging, de Sewa Sisterhood, eene vereeniging, die zich ten doel stelt de Mohammedaansche, Hindoesche en Parseesche vrouwen te vereenigen voor zelfontwikkeling. Zij hebben een eigen clubgebouw, waarin elken Woensdagmiddag een bijeenkomst gehouden wordt. Het eerste uur wordt gewijd aan het lezen van een werk van een of ander groot schrijver, daarna wordt door een der leden een [332]korte voordracht gehouden over sociale of hervormende arbeid door vrouwen in andere landen gedaan, en dan volgt vrije discussie in hoever zulk werk ook voor Bombay of Britsch-Indië nut kan stichten. Mrs. Ranadaij noodigde ons uit, indien wij a.s. Woensdag nog hier mochten zijn, die bijeenkomst te komen bijwonen. Zij is eene vrouw van ongeveer 40 jaar, de dochter van een Indischen prins, die een groot hervormer voor Indië is geweest. Zij is nu getrouwd met een Hindoedokter. Zij vertelde ons vele bijzonderheden uit het Hindoeleven. Een wettelijk huwelijk bestaat in Indië niet. Feitelijk worden de echtverbintenissen niet voor het 12e jaar der kinderen gesloten, maar dat verhindert de Hindoes niet, om de kinderen reeds zeer jong aan elkaar te verbinden, zonder daarbij eenige waarde te hechten aan de wenschen van de kinderen zelven. Als het jonge meisje is uitgehuwelijkt, dan behoort zij de familie van haar man toe, bij wie het kind verplicht is na haar 5e jaar minstens de helft van het jaar door te brengen. Onder de welgestelde families loopt het kind daar in ijdel niets-doen rond, onder de armere klasse wordt zij als meid gebruikt Eerst wanneer zij de puberteitsjaren bereikt heeft, wordt zij de feitelijke echtgenoote van den jongen man en heeft hij verder alle macht over haar. Mrs. Ranadaij vertelde mij, dat hare schoonmoeder niet wilde, dat zij iets leerde en ofschoon zij bij hare ouders thuis in de helft van het jaar, die zij daar doorbracht, leerde lezen en schrijven, mocht zij bij hare schoonouders geen boek ter hand nemen of iets doen wat haar geest kon ontwikkelen. Op haar 12e jaar werd zij de feitelijke vrouw van haren 19-jarigen man, die aan de medische school in Bombay studeerde. Toen brak voor haar een betere tijd aan. Na twee jaren ging hij naar Engeland om in Edinburg zijn medische studiën te voltooien en nam haar mede. Hij gaf haar daar eene uitstekende gouvernante. Van dien tijd af heeft zij nooit opgehouden zich verder te ontwikkelen. Zij heeft in Bombay een Hindoeschool gesticht, die wij morgen met haar gaan zien.

Na ons interessant bezoek bij dr. Benzon begaven wij ons om ongeveer half zeven naar de bruiloft der Parsees. Alles was daar reeds in vollen gang toen wij aankwamen. De mannen waren allen, zonder eenige uitzondering, in een smetteloos wit costuum gestoken, alle volgens hetzelfde model gemaakt. [333]Zij zaten in den tuin. De bruidegom was spoedig te herkennen aan den bloemenkrans, die om zijn hals hing en de bouquet rozen, die hij in zijn hand hield. De dames waren allen in een soort zaal gezeten, die aan alle kanten open was. Zij droegen allen de mooie Indische kleeding, schitterend van goud en edelsteenen. De bruid en de bruidsmeisjes hadden allen een wit kleed aan, slechts spaarzaam met goud gegarneerd, doch van eene bijzonder prachtige kwaliteit. Midden in de zaal was een kleine verhooging, waarop de plechtige huwelijksinzegening zou plaats hebben. Zoowel in den tuin als in de zaal waren groote tafels geplaatst met onnoemelijk veel ververschingen en dranken. Het waren bijna alle zoetigheden, vruchten, verschillende ijssoorten, limonades en zulke onschuldige zaken meer, waaraan elke gast zich te goed kon doen. In den tuin maakte een muziekkorps oorverdoovende muziek.

Spoedig na onze aankomst werden op een zilveren blad bloemen aangedragen en kwam de moeder van de bruid ons beiden behangen met een krans tuberozen en rozen. Mrs Sirnibai Maneckji Cursetji, die ons de uitnoodiging bezorgd had en die zich tusschen ons beiden had neergezet om ons alles te verklaren, fluisterde ons toe, dat wij daarvoor onzen bijzonderen dank moesten uitspreken, omdat dit beteekende, dat onze komst op hoogen prijs werd gesteld. Als de Aziaten iemand bijzonder willen eeren, dan behangen zij hem met bloemen. Wij beiden gaven aan de wenk van grootmoeder Cursetji gehoor.

Nu begonnen langzamerhand de ceremoniën. De bruidsmeisjes brachten de geschenken binnen, die de bruid haar aanstaanden echtgenoot aanbood, en deze, op zilveren schalen uitgespreid, werden in optocht door den tuin gebracht en den jongen man aangeboden. Daarop kwamen de bruidsmeisjes terug en brachten het bruidje de geschenken, die de bruidegom haar aanbood. Het waren voornamelijk kostbare gewaden, een paar kostbare oorringen, die haar onmiddellijk in de ooren werden gestoken, eenige braceletten, die zij aandeed, en tal van huishoudelijke zaken. Zij werd toen door de bruidsmeisjes op het huwelijksaltaar, zooals de verhooging werd genoemd, geleid en achter een laag scherm geplaatst. Daarna brachten de bruidsjonkers den bruidegom binnen, die tegenover het [334]bruidje, aan den anderen kant van het scherm, plaats nam. Zij konden elkaar niet zien. Toen werden zij gezamenlijk door een zijden band vijf-en-twintig maal omwonden. (Al wat verder volgt is zuiver symboliek). Nu werd hun door den priester de heiligheid van het huwelijk voor oogen gesteld en de plichten, die het voor man en vrouw beiden meebrengt. Het speet mij zeer, dat ik niet kon verstaan, de priester sprak een onverstaanbare taal, welke die plichten voor beiden zijn. De band, waarmede beiden omwonden waren, beteekent, dat eenmaal saâm verbonden, alleen door geweld een einde aan die verbintenis kan worden gemaakt. Nadat de priester geëindigd had, werd het jonge paar gevraagd, of zij de heiligheid van het huwelijk begrepen, of zij bereid waren, de plichten ervan te aanvaarden, of geen andere drijfveer dan liefde hen tot elkander had gevoerd. Toen op al deze vragen een bevredigend antwoord was gegeven, werd het scherm weggenomen, de band losgemaakt en namen bruid en bruidegom naast elkaar plaats. Het bruidje was 17 jaar, de jongeman 21. Zij waren neef en nicht, zij kenden elkaar van de geboorte af.

Toen zij naast elkaar gezeten waren, werd op een tafel naast hen een soort komfoor met vuur geplaatst, waarop onophoudelijk welriekende—tenminste sterkriekende—kruiden gestrooid werden, die een bedwelmenden geur verspreidden. Dat vuur beteekent: dat in hun beider harten het vuur der liefde eeuwig moge branden. Daarnaast werd op een zilveren blad een bakje met rijst, een ander met amandelen en eenige kokosnoten gebracht. Onderwijl de priester de huwelijksinzegening uitsprak, bestrooiden hij en een andere priester bruid en bruidegom onophoudelijk met de droge rijstkorrels. De beteekenis hiervan is: dat zij in voorspoed mogen leven, zoo zelfs, dat het voedsel overal rondom hen verspreid ligt en zij in staat zijn anderen van hun overvloed mee te deelen. Ik vroeg, of aan dat bestrooien met rijst niet het Engelsch begrip verbonden is, dat meer op de vruchtbaarheid van het huwelijk betrekking heeft, doch dat werd door allen ontkend. De amandelen beteekenen, dat er rust en vrede in het huwelijk moge heerschen, want uit amandelen werd door de Parsees het eerst olie bereid en olie is in staat bewogen golven tot stilstand te brengen. De kokosnoot heeft een huiselijke beteekenis. De kokosnoot geeft voedsel en drank, uit zijn bast [335]worden kleederen zoowel als allerlei huishoudelijke artikelen bereid, de boom geeft schaduw en zijn bladeren kunnen voor honderdlei doeleinden aangewend worden. Zoo veelzijdig nuttig als de kokosnoot moge ook het pasgesloten huwelijk worden. Toen al deze plechtigheden waren afgeloopen, was het jonge paar getrouwd en werden zij van alle kanten gelukgewenscht. Wij mochten het eerst onze wenschen aanbieden. Vele familieleden brachten nu nog kleine geschenken aan, er werd wat heen en weder gewandeld, veel gepraat, onderwijl het diner werd voorbereid. Wij meenden, bij het diner niet te moeten tegenwoordig blijven en gingen de gastvrouw daarom bedanken voor het genotene, maar zij wilde niets hooren van weggaan, wij moesten ten minste iets van het diner nuttigen. Het was een diner, zooals een ander, maar er was geen enkel vleeschgerecht, wel vischsoorten. Toen ik m’n buurman de reden daarvan vroeg, antwoordde hij, dat de Parsees niet bepaald tegen het eten van vleesch zijn, doch bij groote diners het eten van vleesch zooveel mogelijk vermijden, opdat nooit ter wille van een feest een beest geslacht moet worden! Toen ik op de vele vischgerechten wees, zeide hij: “Maar dat is toch geheel iets anders, visschen zijn koudbloedige dieren.” Om half tien gingen wij tweetjes doodvermoeid hotelwaarts, alle bruiloftsgasten in vroolijke, opgeruimde stemming achterlatend.

Nu ik dit bruiloftsverhaal overlees, lijkt mij de beschrijving zoo koud en realistisch, terwijl het geheel toch zoo’n poëtischen, mooien indruk op mij maakte. Zooiets te zien, in je op te nemen, het te overdenken, is zoo geheel iets anders dan het in nuchtere taal, voor anderen, die het Oostersche leven niet kennen, neer te pennen en begrijpelijk te maken. Wij gaan het oude grootmoedertje Maandagmiddag bezoeken, om van haar nog het een en ander van ’t doen en laten der vrouwen hier te vernemen. Het is nu Zondag; wij hebben heden een kalmen dag en gaan alleen vanmiddag een bezoek brengen bij sir en lady Philoysha Meta, een Parsee-familie, voor wie wij in Caïro een introductie ontvingen.


Wij troffen bij deze familie verschillende heeren en dames, die in de nationale beweging alhier een rol spelen. Sir Meta staat aan het hoofd van deze beweging, eene beweging die [336]ten doel heeft om voor Britsch-Indië home-rule te verkrijgen. Jaarlijks komen zij daarvoor op verschillende plaatsen in Indië bijeen en houden congressen. Om Sir Meta den mond te snoeren, want hij is een geweldig orator, heeft de Engelsche regeering hem kort geleden in den adelstand verheven, en dat heeft op de golven van zijne welsprekendheid een nog kalmeerender effect gehad, dan amandelolie op de golven der zee. Wij hoorden daar over vele belangrijke kwesties spreken, die echter van te ingewikkelden aard zijn, om er hier van te gewagen.


12 Febr. Dezen dag wijdden wij aan het bezoeken van scholen voor meisjes. Het eerst bracht mrs. Ranadaij ons naar een der Hindoesche meisjesscholen. Deze school is uit private fondsen gesticht, doch wordt thans door de regeering gesubsidieerd. Een derde van de uitgaven wordt door de regeering bekostigd. De Hindoesche meisjes komen hier van haar 10de tot en met haar 17de jaar, zeer enkelen zijn ouder. Het is voor ons zeker merkwaardig, dat onder deze leerlingen tal van gehuwde vrouwtjes en ook eenige weduwen waren. Sommige van deze vrouwtjes werden door haar mannen naar school gestuurd. Op al die soort scholen wordt de eigen taal en de Engelsche taal geleerd en in de hoogere klassen tevens het Sanskriet. Of het onderricht er inderdaad goed is, kon ik niet beoordeelen, wel werd mij verzekerd, dat het gelijk stond met het onderricht op Engelsche scholen. Meisjes, die den geheelen cursus hebben doorloopen, zijn klaar voor het ontvangen van middelbaar en gymnasiaal onderwijs in Engeland. Aan het hoofd van deze school staat een Hindoe-echtpaar, beiden leeraren, die theosophen zijn en in Madras hun opleiding hebben genoten.

Na het bezoek van deze school nam mrs. Ranaday ons mede naar haar woning, om een Hindoesche huishouding te zien. Het was een geheel andere huishouding dan wij ooit gezien hadden, waarvan niemand zich een voorstelling kan maken, die het zelf niet aanschouwd heeft. De eetkamer bijv. is een leege, vierkante ruimte, zonder stoelen, tafels of kasten. Alleen stonden er een paar lage, vierkante bankjes, nog niet zoo hoog als onze voetenbankjes. Daarop wordt het eten geplaatst in een bak of schotel. Alle gasten zitten of liggen rondom [337]en eten met de handen uit den bak. De mannen, vader en zonen, eten eerst alleen en worden door de vrouwen bediend; als zij verzadigd zijn, beginnen de vrouwen te eten op dezelfde wijze. Mrs. Ranaday vertelde ons, dat zij altijd gelijk met haar man eet, maar dat dit zoo iets vooruitstrevends is, dat zij het nooit aan haar familieleden mededeelde en ook niet doet als zij gasten heeft. “Het zou mijn man al zijne patiënten kosten, als men dit weet”, zeide zij.

De keuken was een even onmogelijk ding en toen mrs. Catt den drempel wilde overschrijden, om het geheel wat beter te kunnen overzien, werd zij door mrs. Ranaday met een ruk teruggetrokken. Zij vertelde ons, dat niet-Hindoes nooit in de nabijheid van hun eten mochten komen, of zelfs bij iets wat voor hun maaltijden gebruikt wordt, want, wanneer de schaduw van een van ons over het eten of over de keuken-utensiliën valt, dan moet onmiddellijk alles vernietigd worden; het mag dan niet meer door een Hindoe worden aangeraakt. Men moet niet vergeten, dat wij hier bij eene voorname en radicale Hindoesche familie waren, een doctor, die in Engeland zijn studiën voltooid heeft en een zeer radicaal man is, en zij, de dochter van een Indischen prins, die als hervormer bekend stond.

De provisiekamers, de slaapkamers en salon waren ook met de onze niet te vergelijken. Ik weet nu reeds, dat ik nooit een invitatie zal accepteeren om in een Hindoe-familie een nacht door te brengen, maar ik behoef niet bang te zijn, dat zulk een uitnoodiging mij ooit zal bereiken. Niet-Hindoe’s worden nooit in den huiselijken kring van Hindoe’s opgenomen.

Vanmiddag zagen wij een Parsee-school. Ook hier waren ongeveer 200 meisjes-leerlingen met een twaalftal onderwijzeressen en een directrice. Op school worden de meisjes zoo ver gebracht, dat zij de hier bestaande universiteiten kunnen bezoeken. Ook deze scholen worden door de regeering financieel gesteund, doch zijn privaat-instellingen. Er zijn wel openbare scholen hier voor jongens en meisjes, doch daarvan wordt door de meisjes nog weinig gebruik gemaakt. Over het geheel genomen komt er in Britsch-Indië op elke 10 mannen één voor, die lezen en schrijven kan, doch bij de vrouwen is die verhouding slechts één op de 144. Met de algemeene ontwikkeling der vrouwen is het dus nog treurig gesteld, maar wij vinden [338]het gelukkig in Bombay verscheidene vrouwen ontmoet te hebben, die flink en onversaagd voor de betere ontwikkeling der vrouwen in de bres springen en die reeds op gunstige resultaten kunnen bogen. Hoewel deze strijdsters voor de verheffing der vrouw hier eene zware taak hebben te vervullen, vooral door te moeten oproeien tegen den tegenstand van de vrouwen zelve, wordt die taak haar toch vergemakkelijkt, doordat zij op den steun der overheidspersonen kunnen rekenen.

13 Febr. Wij hadden zooveel gelezen en gehoord over het werk der vrouwen in de textielfabrieken alhier, dat wij meenden Bombay niet te mogen verlaten, zonder een kijkje genomen te hebben in een dezer fabrieken. Gemakkelijk was dat niet, maar door de invloedrijke bemiddeling van onzen Hollandschen consul, den heer Bendien, werd ons dit toch mogelijk gemaakt. Als men bedenkt, dat de textielnijverheid in de stad en provincie Bombay groote afmetingen bezit, dat van de 20.000 inwoners in deze provincie 17% uitsluitend door dit bedrijf leven, dan begrijpt men, dat de vele fabrieksschoorsteenen hier reeds lang tot ons gesproken hadden en wij nieuwsgierig waren de fabrieken binnen te treden om te zien hoe de toestanden daar waren. De heer Bendien had de vriendelijkheid ons persoonlijk te geleiden en hier en daar voor ons als tolk te dienen. Het is voor onze Europeesche oogen altijd weder even vreemd, als men de mannen bezig vindt het werk te doen, dat bij ons als “vrouwenwerk” gestempeld is, terwijl de vrouwen “mannenwerk” verrichten. Dat men hier in een winkel mannen wit borduurwerk ziet maken, of om fijne zijden zakdoekjes witte kantjes naaien, valt niemand op, en als men vrouwen bij het bouwen van een huis zware balken op haar hoofd naar boven ziet dragen, ook niet. Ook in deze fabrieken was, naar onze westersche begrippen, de verhouding omgekeerd.

Over het algemeen genomen wordt hier echter door de vrouwen nog slechts weinig gewerkt, alleen bij de heele lage kasten verrichten de vrouwen werk in het openbaar.

De toestanden in de fabrieken schenen nog al goed, de vrouwen werkten van 8 tot 12 en van 1 tot 5 uur. De mannen beginnen vroeger en eindigen later. De loonen kwamen mij zeer laag voor, maar alle arbeid wordt hier heel slecht [339]betaald, misschien is het in verhouding tot anderen arbeid niet laag. Kinderarbeid is uitgesloten, elke arbeider, man of vrouw, moet boven de 14 jaar zijn. Er wordt hier in Bombay machinaal alleen een soort grof katoen geweven en grove garens gefabriceerd, waarvan grof ondergoed machinaal gebreid wordt.

De heer Bendien bracht ons daarna nog bij eene Hindoe-familie, waarvan de vrouw en dochter zich zeer voor de vrouwenbeweging interesseeren en die ons omtrent de toestanden in Indië goede inlichtingen konden geven. Ook deze familie is door de Engelsche regeering in den adelstand verheven. Dat lijkt mij een prachtige maatregel om invloedrijke Indische mannen, die van hervormingen droomen, den mond te snoeren en tot vrienden van Great-Britain te maken.

Wij gaan thans Bombay verlaten. Om 9 uur reizen wij vanavond af, en hopen morgenochtend in Ahmedabad aan te landen.

Van Bombay tot Jaipur.

14 Februari. Toen wij gisteravond aan het station aankwamen, stond de trein reeds gereed en de waggon, van onze namen voorzien, voor ons gereserveerd. Dat is hier door geheel Indië het geval. Als men tevoren opgeeft met welken trein men wil vertrekken, dan wordt een compartiment gereserveerd, van buiten en ook van binnen duidelijk met de namen voorzien van degenen, voor wie de wagen gereserveerd is, zoodat geen vergissing kan plaats vinden. Verzuimt men vooraf een plaats aan te vragen, dan is men volstrekt niet zeker, met den trein mede te komen; er schijnen niet meer eerste-klasse wagens mede te gaan, dan er plaatsen zijn aangevraagd.

Er zijn in Indië verschillende spoorwegmaatschappijen, die tegen elkander concurreeren in het verschaffen van comfort in de waggons. Wij troffen het gisteravond al bijzonder goed. De waggon was nl. wel anderhalf maal zoo breed en lang als onze waggons en maar voor twee ruime, gemakkelijke slaapgelegenheden bestemd, had flinke groote spiegels, goede verlichting, waarbij men gemakkelijk kon lezen, een electrischen waaier om verkoeling aan te brengen, vier soorten afsluitingen van de vensters, gewone glazen, houten jalouzieën, ijzergaas en rieten gordijnen, en bovendien een goede badkamer [340]met alles wat daartoe behoort. En voor dit alles werd geen extra-betaling vereischt; onze gewone spoorkaart—wij hebben een rondreisbiljet door Indië—deed daarvoor dienst. De spoorwegmaatschappijen concurreeren hier nog goed; daarvan profiteeren de reizigers, want ook de prijzen voor de biljetten worden laag gehouden.

Olifanten in Jaipur.

Olifanten in Jaipur.

Men reist hier bij voorkeur bij nacht, omdat het overdag te heet is en er niet veel is uit te zien. Doch toen ik vanmorgen wakker werd, nadat het daglicht juist was doorgebroken en ik naar buiten keek, zag ik boomen vol apen en ook vele groote apen, die dicht bij den trein kwamen om zich aan de versnaperingen, die passagiers naar buiten wierpen, te goed te doen. Ruim een uur lang, tot wij in Ahmedabad aankwamen, zagen wij steeds geheele horden van deze beesten, die tamelijk mak bleken te zijn. In een land als hier, waar geen beest iets kwaads geschiedt, zijn alle beesten bijzonder mak. Wij verwonderen ons er al niet meer over, dat de vogeltjes overal vrij in de huizen rondvliegen, in een schoollokaal op den rand van het zwarte bord gaan zitten en in de hospitalen op de randen van het bed der zieken komen. Hier in Ahmedabad—de stad staat er voor bekend—zijn overal in de stad een soort van vogelhuizen op hooge palen gebouwd, allersierlijkste gebouwtjes, die steeds van voedsel en drinken voorzien zijn, waarvan echter niet alleen de vogels, doch ook de eekhorentjes en ander boomgedierte gebruik maken.

Wij bleven in Ahmedabad een dag over, voornamelijk omdat dit de stad is waar de Mohammedanen en de Jains in hoofdzaak wonen en hunne tempels hebben. Maar ook omdat dit stadje nog geheel Indisch is en op twee na het mooiste stadje van Indië wordt genoemd. Wij zijn hier nu weder in het midden van een Mohammedaansche omgeving, doch de Mohammedaansche vrouwen, die hier opvallend kleurig gekleed gaan, loopen allen ongesluierd. Wel wordt ons verteld, dat de vrouwen uit de rijkere kringen zich nooit op straat bevinden, omdat het hier te warm is om gesluierd te gaan en zij zich niet ongesluierd willen vertoonen. Die wel op straat komen, zijn terstond van de Hindoe-vrouwen te onderkennen, doordat zij de broek dragen, de zoogenaamde harembroek, zooals wij die ook in Syrië en Egypte zagen. [341]

De moskeeën van de Mohammedanen zijn hier geheel anders dan die wij in Arabië zagen. Hier zijn zij van heel mooi beeldhouwwerk voorzien. De minarets zijn soms van onder tot boven gebeeldhouwd. Ook de graftomben zijn hier mooier. De Indische Mohammedaansche vorsten hebben bij het bouwen der tempels en graftomben blijkbaar over meer geld en goeden smaak kunnen beschikken dan hunne Arabische en Egyptische geloofsgenooten.

Voor het eerst zagen wij nu de tempels der Jains. Dat is een Hindoe-sekte, die echter niet Siwa aanbidden. Ik ben er nog niet achter kunnen komen wat de Jains eigenlijk gelooven. De boeken, die ik over Indië las, gaven er geen voldoende beschrijving van en Hindoes, die het konden weten, gaven mij steeds op mijne vragen alleen ten antwoord, dat het eene sekte van de Hindoes was, met een zeer gecompliceerd geloof. In hunne tempels—een er van hier is zeer mooi—zagen wij de beelden van Boeddha en Brahma verheerlijkt. Wij kregen den indruk dat het een mengsel van Boeddhisme en Brahmisme is. Overal in de tempels der Jains staan offervaten, waarin de geloovigen ’s morgens hunne offeranden, in den vorm van een handjevol rijst of een paar amandelen, soms zelfs een kokosnoot, komen brengen en dat daar bijeengegaard wordt. Al de arme moedertjes, zelfs te arm om eenmaal daags zelf een beetje rijst te eten, trachten toch een handjevol elken morgen bijeen te krijgen, om het den beelden van Boeddha en Brahma te offeren.

Hier worden nog enkele industrieën in den ouden vorm beoefend. Wij zagen zijde, met goud en zilver doorwerkt, met de hand weven. Heel mooi en hoogstwaarschijnlijk ook heel duurzaam, maar zeer kostbaar. Prachtige sarongs werden op deze wijze door mannen gemaakt, sarongs, die van 60 tot 100 gulden kosten. Ook zagen wij hier nog den goud- en zilverarbeid, alles met de hand en met zeer primitieve werktuigjes verrichten. Doch vooral het houtsnijwerk van Ahmedabad is door heel Indië bekend.

Achter den tuin van het hotel is een groote open vlakte, een kleine woestijn. Des avonds komen daar de apen bij honderden om versnaperingen te halen, die de toeristen hun aanbieden. Zij zijn zoo mak, dat zij vlak bij ons komen; een paar hadden zelfs den durf de nootjes en koekjes uit onze [342]hand te komen nemen en vlak voor onzen neus te gaan zitten om ze op te eten. Moeder-aapjes, met hare poppige jongen in den arm, kwamen zoo vriendelijk om een versnaperinkje bidden, dat men een steenen hart zou moeten hebben om ’t ze te weigeren.

15 Febr. Vanochtend vertrokken wij om negen uur uit Ahmedabad en kwamen te ongeveer twee uur in Abu Road aan. Dit gedeelte, bij dag afgelegd, heeft ons toch niet berouwd. Wij hadden onophoudelijk wat te zien, al was het dan ook niet natuurschoon, wat te bewonderen viel. Wij zijn hier in het apenland en deze beesten trekken nog steeds onze belangstelling. Waren er geen apen, dan waren er kameelen of olifanten, die wij in menigte in de velden en bosschen zagen. Ook de massa armoedige dorpen met de armoedige en verdierlijkte bewoners, in uitgestrekte dorre velden, vielen ons op. Om ongeveer 12 uur hielden wij stil in het dorp Unjha, in een landbouwdistrict, waarvan de bewoners tot eene Hindoesekte behooren, die maar eens in de elf jaren een algemeenen trouwdag hebben, waarop alle meisjes beneden de elf jaren, ook als ze pas een week oud zijn, uitgehuwelijkt worden. Zijn er niet genoeg mannen te vinden, dan wordt een man omgekocht, die voor de leus met al de meisjes trouwt, voor wie geen echtgenoot beschikbaar was. Deze meisjes moeten dan later weder uitgehuwelijkt worden, ten voordeele—soms ook wel eens ten nadeele—van den man, aan wien zij voor het eerst waren gekoppeld.

Toen wij om twee uur in Abu Road aankwamen, hadden wij nog 17 mijlen af te leggen alvorens wij in Mount Abu, het doel van ons oponthoud, waren. Wij hadden naar het hotel getelegrafeerd om een automobiel aan den trein te zenden, om ons af te halen, doch in plaats daarvan stond er een zeer primitief wagentje, dat voor ons bestemd was. De automobiel was in reparatie, zoo heette het en daarom zond de hotelier een tonga. Het was een heel laag boerenkarretje, waarin wij weder van achteren met de beenen naar buiten moesten zitten. Er waren echter een paar vurige paardjes voor, die op dien afstand van 17 mijlen zesmaal werden verwisseld. De weg ging sterk naar boven—Mount Abu ligt ruim 1500 meter hoog—en het ging steeds door in galop. Het verwisselen van de paarden kostte geen minuut tijd: de koetsier lichtte [343]even de stang op, de paardjes liepen dan van zelf uit het zadel en de nieuwe, die reeds klaar stonden, namen onmiddellijk hunne plaats in; zij werden even vastgemaakt en dan gingen wij weder verder. De tocht naar boven is zoo mooi en biedt zooveel bijzonders aan, dat vele reizigers, alleen om naar boven te gaan, een nacht hier overblijven. Ik zou er ook veel meer van genoten hebben, als het steil naar boven gaan het rijtuigje niet zoo sterk achterover had doen hellen, waardoor wij op onze achterbankjes steeds er op verdacht moesten zijn, om ons op onze plaatsen te handhaven. Toen wij ongeveer halfweg waren, zagen wij op eenigen afstand boven ons weder een geheel naakten man op één been staan. Zijn geheele lichaam was weder met heilige asch ingesmeerd. Heilige asch wordt gemaakt door het verbranden van koemest. Deze man stond daar op een rotspunt, met geen ander oogmerk dan zelfkastijding, want de weg wordt niet druk begaan en velen konden passeeren zonder hem op te merken. Hij deed het dus niet om bewonderd te worden, of om aalmoezen te krijgen. De koetsier vertelde ons, dat hij daar reeds in diezelfde positie stond, toen hij vier uren geleden met de tonga naar beneden reed.

Mount Abu is een druk-bewoond stadje. Door de hooge gezonde ligging zijn er vele scholen, waarin de kinderen van Engelsche ambtenaren onderricht ontvangen. Ook zijn er tal van sanatoria. Vele Maharatja’s hebben hier kasteelen, waarin zij een groot gedeelte van het jaar wonen.

Toen wij om half zes boven kwamen, stonden er reeds twee rickshaws voor ons gereed om ons naar een zeker punt te brengen, om den eenig mooien zonsondergang hier te aanschouwen. Eer wij nog goed wisten waar men ons heen voerde, waren zij reeds onderweg en keerden eerst om half acht huiswaarts. Morgen gaan wij hier de oude Jainstempels zien en dan morgennacht verder naar Jaipur.

16 Februari. Vóór wij vanochtend naar de Jainstempels gingen, lieten wij ons eerst door het stadje en naar het Gem-meer brengen, waaraan het stadje gelegen is. Toen wij aan het Gem-meer arriveerden, vroegen wij ons een oogenblik af, of wij niet in een sprookjeswereld verkeerden. Wonderschoon ligt dat meer daar, rondom door kunstig gevormde hooge rotsblokken omgeven, waarop hier en daar juist in [344]deze omgeving passende kasteelen zijn gebouwd of ruïnes van oude tempels zich bevinden. Op verschillende punten van het meer kwamen de kleurig gekleede Mohammedaansche en Hindoesche vrouwen, met haar blank geschuurde koperen waterkannen op het hoofd, water halen. Tal van groote watervogels zaten op de rotspunten, die uit het ondiepe meer opstegen; olifanten, ossen en andere viervoeters kwamen er hun dorst lesschen en groote en kleine apen speelden aan den waterkant. Het was een plek om er een geheelen dag te vertoeven om het bonte leven gade te slaan.

Nergens vond ik ooit in mijn leven zooveel rotsblokken, die een diervorm vertoonen. Reuzenkikvorschen, leeuwen, olifanten, de kop van een ratelslang en nog meer zijn duidelijk in deze door de natuur gevormde rotsen te zien. Het verklaart een beetje de geest, die de Jains vroeger moet bezield hebben, toen zij aannamen, dat niet alleen al wat leeft een ziel heeft, maar ook boomen en planten, delfstoffen en mineralen. Daarin vindt ook hunne boom- en rotsvereering eene verklaring.

De Jainstempels zijn alleen een bezoek aan Mount Abu waard. Wij zagen er drie. Alle zijn in de elfde en twaalfde eeuw gebouwd. Zij zijn geheel van wit marmer en men beweert, dat het fijne beeldhouwwerk en de prachtige detailuitvoering ervan nergens in de wereld geëvenaard worden. Hier vonden wij voor al de Boeddha-beelden en voor de afbeeldingen van Parswanatha, de vrouw van Brahma en de godin der schoonheid, kwistig kruidnagelen als offerande gestrooid.

17 Februari. Om half vijf kwam de tonga gistermiddag reeds voor, om ons weder naar beneden te voeren, omdat de weg, die aan den eenen kant langs rotswanden, doch aan den anderen kant steeds langs een steilen open bergwand voert, waardoor men onophoudelijk een prachtig vergezicht geniet, in donker gevaarlijk is. Wij konden in het station nog iets te eten krijgen en wijl onze slaapwagen reeds gereed stond, konden wij er na het eten al vast gebruik van maken. Wij beiden lagen reeds in diepen rust toen wij om elf uur aangehaakt en met den sneltrein medegevoerd werden, die ons vanmiddag om één uur in Jaipur bracht.

Toen wij vanochtend ontwaakten, stond de trein stil in Ajmer, waar den reizigers gelegenheid gegeven wordt om te [345]ontbijten. Vóór wij echter klaar konden komen om ons fatsoenlijk in het restaurant te vertoonen, zette de trein zich weder in beweging. Wij keken elkaar eens aan en troostten ons toen met ons een eigen ontbijt te prepareeren. Onze mand, die alles bevat om ons in zulke omstandigheden uit den brand te helpen, werd voor den dag gehaald, ons spiritustoestel in de badkamer in werking gesteld en met de thee, die wij in de theeplantage op Ceylon present hadden gekregen, een heerlijk kopje thee gezet, beter dan wij het in lang gedronken hadden. Met de biscuits, Haagsche beschuitjes en St. Nicolaasjes, die ons op de “Prinses Juliana” uit Holland waren gezonden, genoten wij een ontbijt, dat lekkerder smaakte, dan wat wij in het restaurant gemist nebben. Alles werd weder huiselijk afgewasschen en weggeborgen, om ons in tijd van nood weder te kunnen dienen.

Jaipur maakt een allerverrassendsten indruk. Het is de hoofdstad van Rajputana. In ’t midden van de stad woont de vorst van dat verheven land, met zijne duizend vrouwen, honderden bedienden en levende liefhebberijen. Het is de dwaaste stad, die men zich kan voorstellen. Alle straten zijn zoo breed en zoo goed geplaveid, dat men er in de grootste wereldstad naar zou watertanden. Alle huizen zijn hard-rose geverfd en zijn bijna zonder uitzondering grappig en bont beschilderd. De eenvoudigste hebben bloemschilderingen, het liefst bloempotten met een plant, die bloemen van verschillende kleuren, zelfs van geheel verschillende familie, bevatten. Bont opgetuigde olifanten, ossen en ezels zijn ook geliefde onderwerpen. De mooie en groote huizen vertoonen geheele geschiedenissen in prent gebracht in groote afmetingen op de muren. In de drukke straten ziet men allerlei vervoermiddelen zooals wij ze nergens hebben gezien. Heele karavanen kameelen en drommedarissen, alsof wij in Egypte zijn, loopen hier rustig naast volgeladen, mooi beschilderde olifanten en de apen loopen hier in de druk bevolkte straten, alsof zij er even goed als de menschen hunne boodschappen te verrichten hebben.

Jaipur levert voor ons weder een geheel nieuw gezicht, zooals wij nog nooit te voren gezien hebben, en dat ook met niets te vergelijken is. Om half vijf gingen wij vanmiddag naar het paleis van den vorst, die het op aanvrage van een [346]toegangsbiljet voor vreemdelingen ter bezichtiging stelt. Even dwaas als de stad, even dwaas is ook dat reuzenpaleis. Het was meer vreemd dan mooi. Zoo ook de tuinen. Deze vorst is een groot liefhebber van vrouwen en dieren. Zooals ik reeds schreef, bezit hij duizend vrouwen; met drie er van is hij wezenlijk getrouwd, de 997 anderen zijn er maar, om hem in trieste oogenblikken wat op te vroolijken. Voor dat doel bezit hij ook een vijver met krokodillen en schildpadden, reuzenbeesten in hun soort, die allen zoo mak zijn dat de bedienden ze met een stuk rauw vleesch en door ze bij hun naam te noemen en een liedje te zingen, alle op het droge kunnen laten komen. Maar de grootste afleiding zoekt de vorst in het temmen van panters en tijgers, waarvan hij er eenige dozijnen bezit, die nu en dan, als hij op zijn staatsie-olifant, of staatsie-kameel een wandeltochtje onderneemt, met hem mede mogen wandelen, losjes aan een koord vastgehouden. Er was in dat kasteel en in die tuinen van alles te zien. Zelfs de 120 uit sandelhout gemaakte en met zilver belegde kisten, die alle als reiskoffers medegaan, wanneer zijne excellentie naar Engeland of ergens anders in Europa reist. Maar als men bedenkt, dat deze vorst een Hindoe is, en niets mag eten wat door iemand die geen Hindoe is, is aangeraakt, en hij dus al zijn voedsel en de gereedschappen waarin het bereid en opgediend moet worden, moet medenemen, dan zijn 120 zulke groote kisten nog niet zoo heel veel.

Toen wij tegen het vallen van den avond uit het paleis naar buiten kwamen, en nog eerst met het rijtuig de drukbevolkte straten van de stad doorgingen, toen leken al die framboze-ijs gekleurde huizen in de avondschemering alsof zij van albast waren en de feërique bevolking bracht mij Pierre Loti’s uiting over schilderachtig Jaipur te binnen: “tout l’Orient des féeries, processionnant à grand spectacle dans l’imaginable cadre de camaieu rose”.

18 Febr. Wij waren vanochtend reeds vroeg op weg om een bezoek te brengen aan Amber, op 8 mijlen afstand van Jaipur. Amber, de oude hoofdstad van Jaipur, bezit een prachtig paleis en levert een prachtig vergezicht over een groot deel van Rajputana, zoodat de vorst, toen hij nog daar woonde, bijna zijn geheele gebied overzien kon. Amber is nu grootendeels verlaten, het mooie marmeren kasteel, veel mooier en [347]smaakvoller dan wat de vorst nu bewoont, staat leeg en doet alleen nog dienst om het door vreemdelingen te laten bewonderen. Zes mijlen van dezen weg kan men in een geciviliseerd rijtuig afleggen, maar de twee laatste mijlen moet men afleggen boven op een olifant. Vroeger werden deze lieve beestjes door den vorst voor de vreemdelingen beschikbaar gesteld; aan den voet van den bergtop, waarop Amber met zijn mooi paleis gebouwd is, stonden zij den reizigers dan het eerste welkom toe te balken; tegenwoordig moet men voor dit vervoermiddel, als voor anderen, betalen. Maar een olifantsrug is breed en kan een massa dragen. Met twee andere Engelsche dames in het hotel waren wij overeengekomen, samen zoo’n lief dier te huren. Nadat het zich netjes op zijn buikje had neergevleid, door eerst de achterpootjes naar achter uit te strekken, daarna zijn voorpootjes te buigen, werd er een ladder bij zijn body geplaatst en klommen wij zoo een voor een naar boven. Dat was heel niet moeilijk; wij zaten er als branies; maar toen het beestje daarna probeerde zijn beentjes weder recht onder zich te trekken en daarbij sterk naar achter en naar voren overhelde, konden wij toch eenige vrouwelijke gilletjes niet onderdrukken. Lezers, als gij nog nooit vier mijlen op den rug van een olifant hebt afgelegd, dan kan ik u moeilijk uitleggen, welke gewaarwordingen zoo’n rijtoer verwekt. Ik had achterna een heelen tijd noodig om al mijne inwendige organen eerst weder op hun gewone plaats te krijgen, ik had het gevoel alsof er niet één zat waar het wezen moest. Ik ben moedig genoeg, maar toch geloof ik, dat door deze schudding mijn hart een beetje naar der schoenen kant gezakt was.

Maar het bezoek aan het kasteel met zijn prachtige vergezichten was zoo loonend, dat wij ook onzen olifantentocht er voor over hadden. Hier in het hartje van Britsch-Indië, waar de bevolking een geheel andere is dan in het zuidelijk deel, komt ons de Hindoe-bevolking lang niet zoo weerzinwekkend voor. Dit is een veel flinker ras menschen, goed gebouwde mannen en vrouwen, die werken. Door de groote schaarschte aan water in de geheele omgeving heeft het volk zich steeds meer door nijverheid dan door landbouw en veeteelt gehandhaafd. De Jaipur-industrie, door geheel Indië bekend, heeft een groote hoogte bereikt. Vooral de geweven tapijten en [348]gordijnen, het geëmailleerde goud- en zilverwerk, en het geciseleerde koperwerk zijn artistiek en in vergelijking van wat men voor zulk werk in andere landen zou moeten betalen, zeer billijk. Wij zagen verschillende werkplaatsen, waar dit werk werd uitgeoefend en waar.... o, schrik... kinderen van zes, zeven en acht jaar, allen bleekneuzige, holoogige jongetjes, werkzaam waren.

Van de naïeviteit der Hindoes moet ik toch even een staaltje vertellen. Wij passeerden een Hindoetempel en hoorden daarin zingen, mooier en anders dan wij van de Hindoe’s gewoon zijn te hooren. Al lang heb ik opgemerkt, dat alles hier een beteekenis heeft; zoodra ik iets hoor of zie waarvan ik niets gehoord of gelezen heb, vraag ik daarom de beteekenis daarvan. Wij waren den tempel binnengegaan, denkende dat er misschien dienst was, doch vonden er alleen één zingenden man. Ik vroeg wat die man daar deed en kreeg ten antwoord: “Zingen”. Ik zei dat ik dat wel hoorde, maar hij was alleen in den tempel, voor wien zong hij dan? “O”, was ’t antwoord, “hij is niet alleen, Siwa is daar; deze man is door de geloovigen aangesteld, omdat hij zoo mooi zingt, elken dag twee uur in den tempel te zingen om Siwa te amuseeren.” O, heilige onschuld.

Wij zagen vandaag weder verschillende mannen op straat zichzelf kastijden of in heilige overpeinzing onder een boom zitten.

De Maharatja van Jaipur wordt geroemd om zijne vrijzinnige denkbeelden. Hij doet verschillende dingen om zijn onderdanen te ontwikkelen. De zoölogische tuin en het museum van oudheden en hedendaagsche kunst en nijverheid, die voor elkeen openstaan, worden zeer druk door de Jaipursche bevolking bezocht. Het museum vooral is zeer interessant door zijn mooie verzameling oud-Indische kunst. In de school van schoone kunsten, die wij ook even een bezoek brachten, waarin de leerlingen ook alle onderricht, vrij van schoolgeld, ontvangen, wordt getracht de Jaipursche nijverheid weder op de hoogte te brengen waarop zij vroeger stond. Door voor de markt te gaan werken was zij in de laatste jaren sterk achteruit gegaan.

Hoewel wij nog gaarne een paar dagen in Jaipur waren gebleven, ook omdat het klimaat hier koel en aangenaam is, [349]meenden wij toch ons verblijf niet langer dan twee dagen te mogen rekken. Daarom vertrekken wij nog heden, den 19en Februari, naar Agra, de trots van geheel Indië.

Van Agra tot Delhi.

21 Febr. Sedert twee dagen zit ik nu in Agra, de stad waarvan ik, zoolang ik in Indië ben, heb hooren gewagen. Bij elke goed- of afkeuring over ’t geen ik hier zag, bij elke waardeering van het een of ander, of geringschatting van iets anders, gaf iedereen, die in Indië bekend is, er gereisd heeft, steeds tot antwoord: “Wacht tot ge in Agra komt”. Mijne verwachting was dus hoog gespannen, de boeken, die ik er over gelezen had, hadden die spanning niet weinig verhoogd, ik vreesde derhalve zeer voor eene teleurstelling. Teleurgesteld ben ik echter niet.

Fort in Agra.

Fort in Agra.

De stad zelf, met ongeveer 20.000 inwoners—liefelijk aan de Jumna-rivier gelegen—is een niet zeer opvallende Indische stad. Maar de paleizen, moskeeën, graftomben en vooral en bovenal de Taj Mahal, geven haar eene bijzondere beteekenis.

De Taj Mahal is een wereldberoemd Mausoleum, dat door sommige schrijvers het fijnste en best uitgevoerde architectonisch kunstwerk wordt genoemd, door anderen als het prachtigst Mausoleum van de wereld wordt beschreven. Het was in 1652 voltooid, nadat er gedurende 22 jaren door 20.000 arbeiders aan gewerkt was. Met dat kunstwerk werd het hoogtepunt van kunstuiting in Indië bereikt. Voorafgaand daaraan was in Agra het nog steeds beroemde fort en daarin gelegen paleis, het Paleis van Akbar, voltooid. De van 1628 tot 1658 regeerende vorst, Shah Jehan, wilde zijn meestgeliefde vrouw, Arimand Banu, bijgenaamd Mumtaz-i-Mahal, (de trots van het Paleis), bij haar leven een graftombe schenken, zoo mooi en zoo kostbaar, als nergens in de wereld bestond. Daarin wilde hij, na zijn dood, alleen met haar rusten. Als Mohammedaansche vorst bezat hij meerdere vrouwen. Nog vóór het voleindigd was, stierf de vrouw in het kraambed van haar achtste kind. Haar lijk werd zoo lang naast de tombe bewaard, tot die gereed was.

Hoewel men het geheele kunstwerk, dat zich hoog boven zijne omgeving verheft, den geheelen weg over, als men er [350]heen rijdt, voor zich ziet, en het zoo de aandacht trekt, dat men geen oog heeft voor den mooien weg, die er heenvoert, staat men toch op het oogenblik, dat men aankomt en het geheele gebouw door de prachtige poort voor zich ziet, langen tijd ademloos. Daar staat het in al zijn pracht en grootheid en het effect is overweldigend. Het zuiver-wit marmer, waaruit het geheel is samengesteld, komt machtig mooi uit tegen den blauw-azuren hemel en ’t groen van de pijnboomen, die ’t op eenigen afstand omgeven. Zoo van verre ziet men nog niets van de détailuitvoering, als fijn kunstwerk uitgevoerd, en van de schittering en verscheidenheid der ingelegde juweelen. Alles is in harmonie met het fijne, witte marmer, waarin het is uitgevoerd. Hoewel aan dit kunstwerk niets gespaard is, wat de waarde er van verhoogen kon, krijgt men toch geen oogenblik den indruk, dat het overvoerd is. De kosten ervan worden op 31.000.000 rupees geraamd. Zooveel geld voor een graftombe kon natuurlijk alleen besteed worden in een tijd, waarin de vorst van zoo’n land een jaarlijksch inkomen genoot, grooter dan dat, wat jaarlijks in de Britsche schatkist binnenkomt, een inkomen, waarvan hij geen kostbaar leger en nog kostbaarder vloot had te onderhouden, waarvan niets afging voor onderwijs of voor andere sociale doeleinden. In den democratischen tijd, waarin wij thans leven, kunnen zulke kunstproducten niet meer worden gebouwd. De menschen, die thans over zoovele millioenen hebben te beschikken, bouwen zich op andere wijze graftombes, waardoor zij zich eveneens onsterfelijk maken, doch waarvan op andere wijze door de navolgende geslachten genoten wordt. Een graftombe, zooals Carnegie, in Amerika, zich bij zijn leven bouwt, of een zooals Nobel, in Zweden, zich na zijn dood oprichtte, valt meer in onzen geest en is meer in overeenstemming met den tijd, waarin wij leven.

Gouden Paviljoen in Agra.

Gouden Paviljoen in Agra.

Hoewel ik met de Taj Mahal (wat niets anders beteekent dan de graftombe van Mahal) dezen brief begon, is toch het fort met het zich daarin bevindende Paleis van Akbar en de Paarl Moskee in Agra niet minder belangrijk en bewonderenswaardig. Het geheele fort is in rood zandsteen opgetrokken. Dit fort met paleis en moskee werd door Shah Jehan’s voorganger, den Molog Akbar, gebouwd.

De Paarl Moskee, die haar naam ontleent aan de in haar [351]soort volmaakte schoonheid, dankt die schoonheid vooral aan de harmonie, waarin het geheel is uitgevoerd en het prachtige materiaal wat er voor gebruikt werd. Hoewel alle moskeeën een zekere gelijkheid vertoonen, is toch deze, geheel uit marmer gebouwd, door zijn sobere décoratie en zijne volmaakte lijnen, iets geheel bijzonders.

De “Taj Mahal” in Agra.

De “Taj Mahal” in Agra.

Ook het paleis van Akbar, Mogol Akbar beteekent de groote vorst, met zijn Jasmijntoren, zoo genaamd om de jasmijnbloemen, die op den geheelen toren, van boven tot onder zijn aangebracht; zijn Gem-moskee, een moskee, waarin alleen de koning en zijn liefste vrouwen mochten komen, om te bidden; zijn spiegelpaleis, een zaal waarin de vrouwen van den koning zich vermaakten en dat geheel met spiegelglas ingelegd is; de badkamers van den vorst en die zijner vrouwen, waarin het geurigste rozenwater door glazen pijpen binnenstroomde; het gouden paviljoen en nog zoovele bijzonderheden meer, houden den bezoeker een geheelen morgen in spanning. Meer dan dat, men zou hier weken willen vertoeven om er elken dag eenige uren te kunnen verwijlen.

Nadat men het paleis van Akbar, de paarl-moskee en de Taj Mahal gezien heeft, moet alles tegenvallen wat men verder hier te bezichtigen krijgt. De Vrijdag-moskee, schoon in haar soort, waar elken dag vele, doch Vrijdags talloos velen van de hier wonende Mohammedanen zich in allerlei lichaamskrommingen op den grond werpen om op hunne wijze hunne dankbaarheid voor het genotene in het leven uit te drukken en om te bidden voor meer, was nu het bezichtigen niet waard. Onwillekeurig maakt men een vergelijking bij het even te voren genotene en dan valt alles tegen.

Toen wij tegen den avond huiswaarts keerden, zagen wij op een dak een paar opgesmukte, van bordpapier of iets dergelijks vervaardigde reuzenpaarden. Goud- en zilverpapier, rood, groen en geel gekleurde ornamentage bracht een schitterend effect teweeg. Op één van de paarden zat een houten mannetje, op een ander een dito vrouwtje. Spoedig daarna passeerden wij eene woning, waar in plaats van paarden, een paar dito gefabriceerde en opgesmukte olifanten stonden. De koetsier deelde ons mede, dat dit teekens waren, dat in beide woningen een Hindoe-bruiloft plaats vond. Kort daarna passeerde ons, [352]of liever wij passeerden een optocht van vele mannen, van trommelslag en blaasmuziek begeleid, met in hun midden een 7- of 8-jarig jongetje op een armoedig wit paard. Paard en jongen waren ook erg met groote lappen en klatergoud behangen, het kleine ventje had zelfs een goudpapieren kroon op zijn hoofd. Hij was de bruidegom die naar het huis van zijne bruid geleid werd. Wij gaven den koetsier order dezen stoet stapvoets te volgen. Voor het huis met de bordpapieren olifanten hield de optocht stil. De bruidegom werd van het paard getild, hem werd een soort zwaard in de hand gedrukt—het was misschien ook van papier—en daarmede moest de jonge held een stuk hout doorhakken om in de woning van zijne bruid te kunnen komen. Het stuk hout viel reeds in twee stukken nog voor hij ver genoeg was om het te kunnen aanraken. Hij had nu de veste veroverd waarachter zijne bruid verborgen was en mocht haar in zijn bezit nemen. Het werd ons veroorloofd binnen even een kijkje te nemen. Het bruidje was ongeveer 6 jaar, precies weten de Hindoe’s hun leeftijd nooit op te geven, zij was even zoo mooi en bont aangedaan als haar toekomstige heer en meester. Zoo’n Hindoe-bruiloft duurt vele dagen lang en gaat met tal van formaliteiten gepaard. Als alles afgeloopen is keert bruidegom en bruid elk naar hun eigen ouderlijk huis terug en vangt het kinderleven weder aan alsof er niets bijzonders met hen heeft plaats gegrepen. Deze kinderen, met hunne groote zwarte oogen, die veel grooter en zwarter lijken dan zij in werkelijkheid zijn door de brutaal zwart geverfde oogleden en wimpers, beseffen natuurlijk volstrekt niet, dat daar door hunne moeders—het zijn meestal de moeders die de huwelijken bekonkelen,—over hun geheel toekomstig leven is beschikt. Het bruidje moet nu voortaan de helft van het jaar bij hare schoonmoeder doorbrengen om die als eene slavin te gehoorzamen. Zoodra zij huwelijks-fähig is, hebben er nieuwe ceremoniën en feestelijkheden plaats, dan wordt zij in werkelijken zin uitgehuwelijkt en behoort den jongen man toe.

22 Febr. Gisteravond ontmoetten wij in de eetkamer mr. en mrs. Sydney Webb uit Londen, met wie wij overeenkwamen, dezen dag gezamenlijk door te brengen. Wij spraken af gezamenlijk naar Fatehpur-Sikri te gaan. Wij huurden een automobiel en vertrokken vanochtend om 8 uur van hier. Fatehpur-Sikri [353]beteekent de stad van Victorie, doch is inderdaad een verlaten stad. Zij ligt op 23 mijl afstand van Agra.

Fatehpur-Sikri. Verlaten stad in de nabijheid van Agra.

Fatehpur-Sikri. Verlaten stad in de nabijheid van Agra.

De geschiedenis van deze stad luidt in het kort: Ruim 300 jaar geleden werd zij door de grootste mogol van Indië, Mogol Akbar, de voorganger van Shah Yehan, gebouwd. Vorst Akbar verkeerde in groote droefheid door den dood van zijne tweeling-kinderen, die zijn liefste vrouw Mariam Zamana hem geschonken had. Op een dag kwam hij door het armoedige dorp Sikri, waar een beroemde Mohammedaansche priester, Sheik Salim Chisti, in groote afzondering leefde. De vorst vroeg dezen priester raad hoe hij aan een troonopvolger kon komen en de priester antwoordde: “Kom en leef in Sikri”. De vorst volgde dien raad op en negen maanden later beviel Mariam van een zoon. Uit dankbaarheid maakte Akbar toen Sikri tot de hoofdstad, bouwde er een prachtig fort, een ongeëvenaard koninklijk paleis, een paleis voor Mariam en paleizen voor zijne andere vrouwen, een prachtige moskee, een hospitaal, scholen, woningen voor zijne bedienden, kortom alles wat een wijs en vooruitstrevend en artistiek aangelegd man, die onbegrensd over geld en arbeidskrachten te beschikken had, maar kon bedenken en noodig vond. Na 17 jaren, even vóór het geheel voleindigd was, verliet hij dit lustoord weder. De geschiedenis zegt, dat de ware reden waarom Akbar Fatehpur-Sikri verliet, nooit aan iemand is medegedeeld geworden. Sommigen gissen, dat het om gezondheidsredenen was, door gebrek aan goed water; anderen meenen, dat de heilige Sheik te veel gestoord werd in zijne heilige overpeinzingen door de rumoerige en overdadige feesten aan het hof van Akbar. Hoe het zij, thans verrijst daar midden op een groot plateau, ver boven zijne omgeving uitstekende, als het ware midden in de wildernis, een volmaakte stad, waarvan elk deel nog een bezoek overwaard is, een stad die thans geheel is verlaten. Alleen onder aan den voet van den berg zijn nog enkele huisjes door eene armoedige bevolking bewoond, die voornamelijk leven van den afval der bezoekers. Den geheelen dag brachten wij in die stad in gezelschap van die twee interessante kennissen uit Londen door en keerden ’s avonds dood vermoeid, doch zeer voldaan over onzen dag, huiswaarts.

24 Februari. Wij hebben een paar vermoeiende dagen achter den rug. Reeds vroeg zaten wij gistermorgen in het rijtuig, omdat wij, alvorens Agra te verlaten, eerst een bezoek wilden [354]brengen aan het Mausoleum, dat koning Akbar voor zichzelf en zijne vrouwen gebouwd had. Hij, de groote vorst, ontegenzeggelijk de meest bouwlievende en artistieke man van zijn tijd, die gedurende zijn leven eerst een heele stad bouwde, een stad die thans nog om haar schoonheid en architectonische waarde algemeen geroemd wordt, die daarna deze stad verliet en zich in Agra een fort en daarbinnen paleizen en een moskee liet bouwen, eenig mooi in alle détails, die had natuurlijk ook een mausoleum gebouwd, dat de bezichtiging waard was. Even voorbij het dorpje Sikandra, op zes mijlen afstand van Agra, verheft zich het reeds in de verte schitterende Mausoleum. Rondom, op grooten afstand, is het door een rood zandsteenen, geheel opengewerkte muur omgeven, waarin op vier tegenover elkaar liggende zijden vier koninklijke poorten toegang geven tot het terrein, waarin de overblijfselen rusten van den grooten man en van de vrouwen die hij lief had. De graftombe is in drie hooge etages gebouwd, elke etage geeft een uitzicht, dat hoe hooger men komt steeds grootscher wordt, over de geheele omgeving. De koning moet hier zeker gedurende zijn leven veel en gaarne vertoefd hebben. Het geheel is ook weder uit rood zandsteen opgebouwd, doch geheel met wit en geel marmer ingelegd, wat een zeer mooi effect geeft. De ronde daken van de verschillende domes (ik weet niet of dat het meervoud is van dome), zijn alle met paarlemoer ingelegd, wat beschenen door de Oostersche zon, een schitterend kleureffect geeft. De kleine moskee, die hier bij een mausoleum nooit ontbreekt, is een juweel van eenvoud en schoonheid. Het geheele groote terrein buiten is nu met eeuwenoude waringinboomen begroeid en daartusschen bloeien en groeien nu een ontelbare menigte oranjeboomen, die aan de geheele omgeving kleur en geur geven. Wij kwamen juist in het hotel terug om gauw de bagage op te laden en meteen naar het station te rijden, waar de trein voor Gwalior reeds gereed stond.


Gwalior was eigenlijk niet in onze reisroute opgenomen, onze rondreiskaart loopt ook niet over dit deel van Indië. Het is een der vorstendommen en ligt geheel in het centrum van het land. Wij hadden Agra wat vlugger afgewerkt dan wij ons hadden voorgenomen en wilden den dag dien wij daardoor [355]wonnen voor dit uitstapje gebruiken. Gaarne zouden wij op deze spoorlijn nog wat verder zijn gegaan om een der andere vorstendommen, Bhopal, te bezoeken, dat sedert ongeveer een eeuw steeds door eene vorstin geregeerd wordt. De Begum of Bhopal (Begum beteekent vorstin), die het bewind in handen heeft, wordt als zeer verstandig en zeer vooruitstrevend geroemd. Zij was reeds verscheiden keer in Europa, bezocht dan niet alleen Engeland, maar ook Italië, Frankrijk en Turkije en gaf over hare Europeesche reizen eenige zeer belangrijke boeken uit. Over hare laatste reis naar Engeland, tijdens de kroning van koning George, schreef zij eenige tijdschriftartikelen, waarin zij niet nalaat met veel enthousiasme te schrijven over den laatsten grooten optocht van de Engelsche vrouwen, ter verkrijging van vrouwenkiesrecht.

Als monarch is zij natuurlijk gekant tegen elk recht der burgers om invloed uit te oefenen op de wijze waarop een land geregeerd wordt, maar zij is van oordeel, dat overal waar dit recht aan mannen gegeven is, men het den vrouwen niet mag onthouden. Mrs. en mr. Sydney Webb, die eenige dagen haar gasten waren, vertelden ons zeer veel van haar. Maar een bezoek aan Bhopal zou voor ons alleen waarde hebben als wij met de vorstin in aanraking konden komen en hoewel dat zeer gemakkelijk tot stand was te brengen door de introducties die wij bezitten, is de tijd die dit alles in beslag neemt te lang om ons dit te vergunnen. Het begint reeds overal zeer warm te worden, midden op den dag is het buiten reeds bijna ondragelijk. Willen wij voor Calcutta en van daar voor Rangoon het niet veel te heet vinden, dan moeten wij hier en daar onze reis bekorten en nergens langer blijven dan strikt noodig is.

Om vier uur kwamen wij in Gwalior aan, de stad die den naam van den staat draagt. De trein voerde ons door een zeer barre streek, die nog vol leeuwen en tijgers en andere wilde beesten is. Voor Engelsche sportliefhebbers die hier in den jachttijd veel zijn, om van te watertanden. De leeuwenjacht is ook een groote liefhebberij van den tegenwoordigen Maharatja. Tot voor korten tijd waren de toeristen die Gwalior bezochten en eene introductie van eigen consul konden vertoonen waarin wordt verteld, dat zij behooren tot de “distinguished” mannen of vrouwen van hun land, de gasten van [356]den vorst van Gwalior. Deze had, toen koning Edward in 1876 hem als prins van Wales bezocht, een mooi gebouw laten zetten, waarin de Engelsche koningszoon met zijn gevolg kon wonen, zoolang hij in Gwalior vertoefde. Sedert dien tijd gebruikte de vorst dit gebouw om zijne gasten, toeristen met eene aanbeveling, te herbergen. De tegenwoordige jonge vorst heeft er echter een gewoon hotel van gemaakt met een Europeeschen manager aan het hoofd, waarin nu elke toerist voor acht rupees per dag een buitengewoon goed onderkomen en een uitstekende tafel vindt.

Vanwege het mooie, sterke fort, dat nu evenals andere forten die wij hier zagen, voor het Engelsche leger gebruikt wordt, wordt Gwalior het Gibraltar van Indië genoemd. Doch daarover later.

Nadat wij ons door een goed kop thee verfrischt hadden, begaven wij ons onmiddellijk op weg om voor het te donker werd nog het een en ander te zien. Het eerst reden wij door den mooien tuin, waarin ook het hotel is gelegen van den Maharatja en kwamen zoo voor zijn mooi nieuw paleis. Wij lieten het rijtuig stil houden om het geheel beter te kunnen overzien en direct kwamen er acht verschillende bedienden uit het paleis snellen, waarvan één, aan zijne kleeding te oordeelen, de voornaamste, ons met velerlei eerbiedige buigingen, in een onverstaanbare taal, de Hindoestansche taal, aansprak. Ik gaf hem te beduiden, dat wij geen Hindoestani verstonden en vroeg of er niet iemand was die Engelsch of Fransch sprak. Na korten tijd kwam er een jonge man uit ’t paleis, meer of min Europeesch gekleed, die als tolk kon dienen. Ik vertelde hem, dat wij vreemdelingen waren, veel van den Maharatja gehoord hadden en heel graag zijn paleis wilden zien. Toen dit aan de bedienden vertolkt was, snelde een naar binnen en kwam spoedig daarna terug met het bericht, dat wij welkom waren. Wij zagen echter den Maharatja niet, wel zijn enorm groot, nieuw paleis, dat half Oostersch, half Europeesch in constructie en meubileering is. Het geheel verraadde goeden smaak en de beschikking over een zeer groot inkomen. Toen wij het paleis gezien hadden, sprong een der bedienden naast den koetsier op den bok en bracht ons rond. Eerst naar de stallen, waar een keur van mooie Arabische en Australische paarden stond; toen naar de 20 [357]olifanten, waarvan een eenige dagen geleden de gelukkige moeder van een lieftallige spruit was geworden. Het jonge olifantje, even schalksch en speelsch als alle jonggeborenen, zag er zoo snoezig uit, dat ik het haast als een schoothondje zou hebben geliefkoosd, maar de jaloersche moeder liet een al te nauwe aanraking met haar kind niet toe. Daarna bracht de bediende ons naar den rozentuin en naar de allée, waarin de vorstin het liefst rondrijdt. Ook nu ontmoetten wij haar in haar rijtuig, doch de gordijntjes waren neergelaten, zoodat wij alleen konden zien, dat er twee dames in dat rijtuig zaten. Deze arme vorstin is op het oogenblik diep te beklagen. Zij is kinderloos. De vorst, die een troonopvolger moet hebben, voelt zich verplicht een tweede vrouw te nemen in de hoop daarbij kinderen te krijgen. Binnen eenige weken zal de dochter van den vorst van Baroda zijn tweede vrouw worden.

Deze vorst, Maharatja Sir Madeno Rao Sindhia staat als een ontwikkeld en vooruitstrevend man bekend. Hij doet veel voor de ontwikkeling van zijn volk. Er zijn in zijn rijk staatsscholen voor elementair en vakonderwijs, waarin het onderwijs gratis gegeven wordt. Wij zagen een school voor technisch onderwijs, waarin de leerlingen in smidswerk, goud- en zilverwerk, weven, horlogemaken en in andere vakken onderwezen worden. Wij zagen hier ook een gevangenis. Dit gebouw en de wijze waarop de 500 gevangenen er behandeld worden, heeft al de verschrikkingen van dit soort inrichtingen verloren. Ik had hier gaarne langer vertoefd en van een der hoofdpersonen meer bijzonderheden vernomen, doch wij kwamen reeds laat in den middag aan en hadden geen tijd te wachten tot de directeur ons te woord kon staan. De gevangenen waren nergens opgesloten in cellen, het waren allen frissche open ruimten, waarin licht en lucht vrijen toegang hebben. Alle gevangenen werkten. Het voornaamste bedrijf, dat zij leeren en daar tot een wonderbare hoogte uitvoeren is het maken van tapijten, een soort Smyrna-tapijten. Een der gevangenen leest hardop het patroon af en vijf of zes gevangenen die allen hetzelfde patroon verwerken, zeggen ’t na onderwijl zij uitvoeren wat de eerste opgelezen heeft. Zoo wordt voorkomen, dat er onderling gesprekken gevoerd worden, terwijl toch allen hunne stemmen kunnen laten hooren. Geen veroordeelde verlaat de gevangenis die niet grondig dit vak heeft leeren beoefenen. [358]Ook allerlei andere vakken worden er onderwezen en in praktijk gebracht.

Vanmorgen waren wij reeds om 7 uur op weg om het beroemde fort van Gwalior met de zich daarbinnen bevindende paleizen, tempels, moskeeën, en andere oudheden te zien, die hier reeds van de 9e en 10e eeuw dateeren. Voor dit doel moesten wij weder van olifanten als vervoermiddel gebruik maken, die nog steeds door den vorst gastvrij ter beschikking van de reizenden worden gesteld. Wij waren nu reizigsters met ondervinding en oefening in dit vervoermiddel en maakten met meer gerustheid van dit rijpaard gebruik, hoewel de gevolgen voor maag en ingewanden vrijwel dezelfde bleven als bij den eersten keer. Het merkwaardigste, dat wij dezen morgen zagen waren de in de rotsen uitgehouwen afgodsbeelden, enkele van 15 tot 20 meter hoogte.

Straat in Delhi.

Straat in Delhi.

Maar ook de stad was zeer de bezichtiging waard en gaf ons opnieuw een beeld van de wijze, hoe de welgestelde Hindoes en Mohammedanen vroeger hun welstand ten toon spreidden. Ik kan daarover echter nu niets vertellen, want het is middernacht. Ik zit nu in Delhi, en ik verlang naar mijn bad en bed.

Van Delhi tot en met Lucknow.

25 Februari. Delhi, eens de hoofdstad van Indië, waar de Mohammedaansche regeering gevestigd was, en dat thans weder tot hoofdstad en zetel der tegenwoordige regeering verheven, is; Delhi, waar reeds drie keeren eene koninklijke Durbar is gehouden en dat slechts twee maanden geleden alle Indische vorsten met hunne vrouwen en gevolg, benevens duizenden belangstellenden en nieuwsgierigen heeft geherbergd; Delhi, dat in de Indische en Britsch-Indische geschiedenis zoo’n groote rol speelt en waar in 1857 de muiterij, die zoovele Engelschen het leven kostte, haar oorsprong nam; die stad had bij ons verwachtingen gewekt, waaraan Delhi niet heeft beantwoord. Wij dachten hier het culminatiepunt van Indische grootheid en belangrijkheid te zullen vinden, maar hierin zijn wij teleurgesteld.

Delhi is op het oogenblik niets anders dan een klein, vuil stadje, waarvan de Britten zullen trachten een stad van [359]beteekenis te maken. Voor den gewonen toerist bezit het fort met de zich daarbinnen bevindende tempels, het paleis en de moskeeën de grootste aantrekking, doch dit was heden niet te bezichtigen, omdat het Zondag is. Wij begonnen daarom onzen dag met een rit door de stad en omgeving. De stad en omgeving bieden vooral den Britten vele historische bijzonderheden. Overal vindt men nog overblijfselen van den grooten opstand, een halve eeuw geleden. Oude tempels zijn toen ten deele verwoest, graftomben van vorsten en heiligen tot ruïnes gemaakt, machtige paleizen naar den grond gehaald. Neemt men de moeite om tot op den top van den “herinneringstoren aan de muiterij” te klimmen, dan overziet men het geheele veld, waar de opstand plaats vond en waar de slachtoffers grootendeels zijn gevallen. Deze herinneringstoren steekt sterk af bij de Kutab Minor, ook een herinneringstoren, den toren van victorie, 900 jaren geleden door de Mohammedanen gebouwd uit de steenen van verwoeste Hindoe-tempels, om hunne overwinning te vereeuwigen. De Kutab Minor, zoo indrukwekkend door zijn hoogte en elegantie, wordt beschreven als de schoonste in zijn soort in de geheele wereld. Een mijner boeken over Indië noemt het de zuiverste uitdrukking van krijgshaftige energie, evenals de Taj Mahal het symbool is van liefde en hartstocht, en de graftombe van koning Akbar majesteit en wijsheid uitdrukt,

De Delhi-poort in Delhi.

De Delhi-poort in Delhi.

Den geheelen weg over naar Kutab Minar, waar wij vandaag ook een bezoek brachten, is als bezaaid met overblijfselen van moskeeën en graftomben. Een paar bezichtigden wij nauwkeurig, maar voor het meerendeel hadden wij geen oogen meer. Wij zijn voorloopig over-verzadigd met deze dingen en alleen indien het fort ons morgen iets zeer bijzonders op dit gebied te genieten geeft, zullen wij in staat zijn het nog in ons op te nemen.

Met veel belangstelling zagen wij echter vandaag de plaats waar koning George in December j.l. aan alle personen van positie en rang in Indië audientie verleende, waar de duizenden en nog eens duizenden bezoekers in Delhi in tenten ondergebracht waren, waar alle Indische vorsten en de Begum van Bhopal allen met hun gevolg en olifanten en ander gedierte ieder hun afzonderlijk kamp hadden; hoe de ontelbare massa door dit kleine stadje, dat weldra een groote stad zal worden, [360]gevoed en van water voorzien werd, en waar de koning en de koningin gehuisvest waren. Dat na afloop van de Durbar vele van de bezoekers ziek werden, verwondert ons, na hetgeen wij zagen, niet.

26 Februari. Vóór ik over vandaag ga schrijven, wil ik even de beteekenis van het woord Durbar geven. Er kunnen onder de lezers mijner brieven enkelen zijn, die even dom zijn als ik was, toen ik het woord voor ’t eerst hoorde en naar de beteekenis moest vragen. Het geleerde woord beteekent niets anders dan eene groote openbare officieele receptie; het wordt meestal alleen gebruikt wanneer het een koninklijke receptie betreft.

Vandaag zagen wij van 9 tot 2 uur het fort en alles wat in Delhi meer de moeite van een bezoek loont. Binnen het fort is vooral het paleis, door Sjah Jehan gebouwd,—denzelfde, die ook de Taj Mahal bouwde—schitterend schoon. Die man paarde aan een artistieken smaak en lust om dien aan de wereld te toonen, ook de financieele macht om het te kunnen uitvoeren. Dit kasteel van wit marmer, geheel met kleurig bloemwerk ingelegd, waarvoor hij honderden werklieden uit Florence liet overkomen, is eenig in zijn soort. De private audientiezaal is zoo weelderig met goud en juweelen ingelegd en de pauwhaantroon, die thans in het museum in Kensington is, moet zoo overweldigend mooi zijn, dat de zoon van Sjah Jehan dacht, dat zijn vader krankzinnig was en hem daarom, toen dit alles voleindigd was, in zijn kasteel in Agra gedurende 7 jaren gevangen hield. Daar stierf de kunstlievende man in een van de torens, die hem uitzicht gaf op zijn grootste meesterwerk, de Taj Mahal. Deze gunst, om stervende dit werk van zijn geest voor oogen te mogen hebben, was de eenige, die hij zijn zoon in die 7 jaren gevraagd heeft.

Over de moskeeën en andere architectonische kunstgewrochten wil ik niet meer schrijven; Britsch-Indië biedt op dit gebied den bezoekers een onuitputtelijken voorraad, de grootste verscheidenheid en de hoogste kunstuiting aan.

Na de tiffin, zoo noemt men hier de lunch, gingen wij nog een paar uur in het stadje om wat winkels te bezichtigen en het ivoorsnijwerk, wat hier dezelfde kunsthoogte als in Japan bereikt heeft, te zien vervaardigen. Naderhand gingen wij, zooals wij in elke stad gewoon zijn te doen, naar een winkel, waar [361]goede fotografieën van alle bezienswaardigheden te koop zijn. Ik had reeds eene goede collectie uitgezocht, toen ik den winkelier vroeg, of hij ook fotografieën van de bijzondere inboorlingen had. Eerst gaf hij mij toen een pak fotografieën van de mannen en vrouwen alhier in hun verschillend beroep of met verschillend huishoudelijk werk bezig, toen een groot pak met de portretten van alle regeerende Indische vorsten en van vele hunner vrouwen en toen.... de portretten van alle goden. Niet alleen waren Brahma, Vishnu, Siwa, Kreshna, enz. enz., niet als foto’s van afgodsbeelden maar als portretten van menschen voorgesteld, maar er waren ook fotografieën van Mozes, Christus, Mohammed, en o, lezer, schrik niet.... ook van God. Voor die allen moeten levende personen geposeerd hebben. Mohammed was een zeer oud man, in een kleed van kemelshaar. Het portret van God stelde ook een zeer oud man voor, geheel naakt, zittende op zijn gekruiste beenen, met een langen, dunnen, grijzen baard, gedeeltelijk kaalhoofdig, gedeeltelijk met lange grijze haren. Er lag een verdrietige barre uitdrukking op het gelaat.

Toen ik dat portret in handen kreeg, waarop met Hindoestansche letterteekens den naam stond van wien het voorstelde, vroeg ik: En wie is dit?—Dat is de God der Christenen, was het antwoord. Ik kon een glimlach niet onderdrukken, en vroeg of dat portret in den hemel genomen was. Met een medelijdende uitdrukking op zijn gelaat over zooveel domheid, antwoordde de Hindoe mij: De goden zijn niet altijd in den hemel, zij komen van tijd tot tijd op aarde als zij bevelen hebben te geven of iets anders hebben uit te voeren. En onmiddellijk liet hij mij een andere fotografie zien, waar God in een gemoedelijk praatje met Mohammed is afgebeeld. “Zie,” zeide hij, “daar is God met den profeet Mohammed; bij zoo’n gelegenheid heeft men Hem gefotografeerd.” Ik ben overtuigd, dat de man geloofde wat hij zeide. Voor zoo’n Hindoe, wiens goden in beelden zijn uitgedrukt, die hij niet alleen zien, maar zelfs betasten kan; die op geregelde tijden naar de rivier gebracht worden om gewasschen te worden; wien men voedsel brengt, enz., voor zoo iemand is het heel natuurlijk, dat een god een belichaamd wezen is, met menschelijke vormen en behoeften.

Toen wij van dezen tocht thuis kwamen, hebben wij snel [362]onze zeven zaken weder bijeengepakt en nu zit ik te wachten tot het rijtuig voorkomt om ons met den nachttrein naar Lahore te voeren. Dit is het verste Noordoostelijke punt, dat wij gaan bezoeken.

28 Febr. Wij hebben ons de moeite gegeven naar Lahore te komen, niet om nog meer tempels en moskeeën en forten en paleizen te zien, maar om een van de steden van beteekenis in het Noordoosten van Indië te leeren kennen en het stadsleven daar te aanschouwen. Een dag oponthoud is genoeg om daarvan een indruk te krijgen, vooral als men dien dag geheel buitenshuis doorbrengt. Lahore is eigenlijk een stad, die men in drie afzonderlijke steden verdeelen kan; de Engelsche stad, waar de Engelsche bevolking woont en waar alle officieele gebouwen gevestigd zijn; de Indische stad, de oude stad, waar de inboorlingen wonen, en het deel waar de militairen in hunne kazernes en officierswoningen leven. Dit laatste deel is weinig belangrijk, alles ziet er frisch en nieuw en hygiënisch uit. De oude stad doet zeer sterk denken aan het oude Caïro, en deze overeenkomst wordt nog sterker, doordat ook in Lahore vele Mohammedanen zijn en deze menschen hier weder zeer streng de voorschriften van hun godsdienst volgen. Wij zagen hier een graftombe, Ranjit Singh’s Mausoleum, wiens elf vrouwen levend met zijn lijk in het begin van de 19e eeuw verbrand werden. Op de graftombe is een groote marmeren knop met daaromheen elf gelijke kleinere knoppen aangebracht, vertegenwoordigende de asch van den vorst en zijn elf geliefden.

In Lahore behooren de Hindoe’s die er leven, grootendeels tot de sekte der Sikhs, eene Hindoe-sekte, die bijna uitsluitend hier in het Noorden van het land voorkomt. Hunne tempels, waarvan wij hier twee zagen, zijn zeer eenvoudig, waarin wij weinig karakteristieks vonden.

Het deel van de stad waarin de Engelschen wonen en dat nog zeer ver kan uitgebreid worden, is mooi en maakt een zeer florissanten indruk. De woningen, alle met fraaie tuinen omgeven, zien er frisch en Europeesch uit; de officieele gebouwen, alle in half Hindoeschen, half Europeeschen stijl opgetrokken, verraden goeden smaak en zijn uit een royale beurs gebouwd. Hier bezochten wij de kunstnijverheidschool, 40 jaren geleden door den vader van Rudyard Kipling, den bekenden schrijver over Britsch-Indië, gesticht. Britsch-Indië bezit vier [363]van deze scholen, doch deze in Lahore is de beste en levert de meeste goede artisten af. Wij zagen er het fijnste ivoorsnijwerk verrichten, dat men zich denken kan. Lahore wordt beschouwd als het groote centrum van oude en moderne kunst en ontwikkeling in Indië. Wij brachten ook nog even een bezoek aan het museum, een van de fijnste musea in Indië, waar onze landgenoot, de heer Vogel, het archaeologisch deel van gecatalogiseerd heeft.

Wij zouden heel graag van Lahore uit een uitstapje gemaakt hebben naar Kashmir, waar we dichtbij waren, maar dit was onmogelijk met het oog op onze verdere reisplannen.

Een priester van de Sikhs in Amritsar.

Een priester van de Sikhs in Amritsar.

Vanmorgen kwamen wij om 10 uur in Amritsar aan. Dit is de heilige stad van de Sikhs. Het is zeker de schilderachtigste stad van alle, die wij in Indië zagen. De gouden tempel, waarvoor de meeste toeristen hier een deel van den dag doorbrengen, is de heilige tempel der Sikhs. Deze tempel staat midden in een grooten vijver, die de poel der onsterfelijkheid genoemd wordt. Rondom dien vijver staan verschillende andere tempels van minder beteekenis dan de gouden en eenige oude paleizen. De Sikhs zijn thans in een feestweek: het feest der aanbrekende lente, dat acht dagen duurt en voornamelijk zijn uiting vindt in een bedevaart naar den gouden tempel. Mannen en vrouwen uit alle oorden van dit district, vooral de landbouwende bevolking, komen in deze week in Amritsar om hunne offeranden in den tempel te brengen en een goeden oogst af te smeeken. De trein, die ons van Lahore naar Amritsar bracht, bevatte honderden bedevaartgangers. Voor dit voorjaarsfeest is elkeen, mannen, vrouwen en kinderen, geheel in witte gewaden gekleed, die van boven tot onder met rose verf bespat zijn; sommigen hadden rose en gele verfvlekken. Grijsaards hadden zelfs hunne lange witte baarden ook rose geverfd en de witte turban eveneens.

De gouden tempel, een tempel van wit marmer met een koperen dak, dat in het zonlicht schittert als goud, en met vier massief zilveren deuren, is mooi, maar kan geen vergelijking doorstaan met hetgeen wij op dit gebied reeds zagen. Zoo midden in het water maakt hij echter een goed effect. Er was juist een dienst begonnen toen wij aankwamen. Alle priesters en geloovigen zaten in een kring op den grond; in het midden was een rood fluweelen doek uitgespreid, [364]waarop ieder, die binnenkwam, zijne offerande gooide of legde, en dan tusschen de biddenden ging zitten. De offeranden, die wij zagen brengen, bestonden uit bloemen, mandjes met zoetigheden of uit geld. Een enkele gooide een enveloppe neer, alle anderen een kleiner of grooter geldstuk. Aan de vier punten van den doek lagen hoopjes graan voor de rondfladderende duiven en andere vogels, die daarvan gedurende den bidstond gretig kwamen snoepen. De geheele tempel was van binnen ook met witte doeken, waarop rose en gele verfvlekken waren, behangen.

De Sikhs dragen, evenals de Sinhaleezen, lang haar, dat echter in een knot boven op den kruin van het hoofd is vastgemaakt door een eigenaardig soort kam. Doordat zij echter turbans dragen, valt dit lange haar bij hen niet zoo sterk op als bij de Sinhaleezen. Doch ook de Sikhs hebben, niettegenstaande zij bijna allen baard en knevel dragen, en zeer sterk behaard zijn, zeer zachte vrouwelijke trekken. Dit is heelemaal niet in overeenstemming met hetgeen zij eigenlijk zijn. Wij passeerden namelijk de sedert eenige jaren bestaande universiteit der Sikhs, een universiteit, door hen zelven uit eigen fondsen gesticht. Wij gingen naar binnen; de cursus was echter juist geëindigd, alleen een tiental mannen, naar gissing tusschen de 25 en 30 jaar, die studenten bleken te zijn, waren nog aanwezig. Wij dachten, dat zij de leeraren waren en vroegen om eenige inlichtingen. Zij waren allen bereid ons de noodige inlichtingen te geven. Zij vertelden ons—allen spraken uitstekend Engelsch—dat de Sikhs geen eigenlijke sekte der Hindoe’s waren, doch meer als een kaste beschouwd wilden worden. Zij waren een militaire kaste; zij noemden het een “Old Templars Knighthood”. Hunne priesters dragen zwaarden, hetgeen wij reeds opgemerkt hadden. De lange haren moeten kracht uitdrukken. Wij vernamen van deze jonge mannen, die allen een intelligent, zacht uiterlijk hadden, veel dat onze belangstelling gaande maakte. Een van hen offreerde ons een klein Engelsch boekje, waarin wij het een en ander over hunne tempels, zeden en gebruiken en de geschiedenis van den gouden tempel kunnen vinden.

Op onzen tocht door de stad zagen wij hier weder tal van heiligen, die in zelfkastijding of in heilige overpeinzing de zaligheid hiernamaals hopen te verwerven, of misschien wel [365]een goed leven op aarde. Een betrekkelijk jonge man, met lange zwarte haren, zat geheel naakt tusschen vijf houtvuren, ver genoeg van hem verwijderd, om hem niet te kunnen verbranden, maar dicht genoeg om hem een warm lichaam te bezorgen. Rondom hem zaten tal van eenvoudige zielen in heiligen ootmoed te luisteren naar de woorden van wijsheid en bezieling, die van de lippen van dezen dwaas vloeiden.

Een eind verder zat een grijsaard met haren, die ver over den grond vielen. Dichtbij gekomen bleek het echter, dat er een soort vlas tusschen de haren gevlochten was, waardoor het zoo lang leek. Die man zat met een strak gelaat te staren in het verre verschiet. Hij zat in heilige overpeinzing en mocht niet gestoord worden. Naast hem stond een koperen bedevaartsnapje, waarin de voorbijgangers eene offerande konden werpen, als zij deze heilige wenschten te eeren. Men moet een bepaald aantal dagen of weken zichzelf gekastijd hebben, of heilige overpeinzingen hebben gehouden, alvorens het publiek iemand heilig verklaart.

Op dezen tocht in het Noordoostelijk deel van Indië zagen wij weder een geheel ander type van menschen, dan wij te voren gezien hadden. Vooral in Amritsar zagen wij, doordat de feestweek zooveel boeren en anderen uit Peshawar, Afghanistan, Kashmir en andere buurten naar den gouden tempel had gelokt, tal van nieuwe typen en ook geheel andere kleederdrachten. Hoevele verschillende turbans wij vandaag opmerkten, is niet te tellen.

29 Febr. De nachttrein bracht ons hedenochtend vroeg in Lucknow. Dit mooie provinciestadje biedt den gewonen toerist weinig belangrijks. Uit een geschiedkundig oogpunt is Lucknow natuurlijk zeer belangrijk. Hier was in 1857 het centrum van de muiterij en een geheelen dag kan men zoek brengen om alle punten te bezoeken, die nog de kenteekenen, van den gevoerden strijd dragen. Een rilling kan men niet onderdrukken als men de kelders ziet, waarin de vrouwen en kinderen maanden lang voor hunne veiligheid ondergebracht zijn, doch waarin zij door de hitte, benauwde atmosfeer, slechte voeding en nog slechter water als sneeuw voor de zon wegteerden. De begraafplaats, waar meer dan 2000 vrouwen, kinderen en grijsaards in dien tijd begraven werden, duidt maar [366]te duidelijk aan, dat de sterfte onder deze beschermden grooter was dan onder de deelnemers aan de verdediging.

De native town in Lucknow kan ook op niets bijzonders bogen; een vergelijking met wat wij in Lahore en Amritsar zagen, is zelfs niet te treffen.

Een moskee in Lucknow.

Een moskee in Lucknow.

Wij zullen hier dan ook niet langer dan een dag vertoeven en vertrekken morgenochtend naar Benares. Het hotel—voor het eerst een werkelijk goed hotel in Indië, dat door een Duitsche eigenaar beheerd wordt,—lokt ons tot eenige dagen langer verblijf, enkel en alleen om wat uit te rusten. Wij durven ons die weelde echter niet veroorlooven.

Benares.

Meer dan Rome is voor de Katholieken, meer dan Amritsar is voor de Sikhs, meer dan Jeruzalem is voor de Christenen, zelfs meer dan Mekka is voor de Mohammedanen, is Benares voor de Hindoe’s. Benares is een van de oudste steden in de wereld; lang voor Rome bekend was, had Benares reeds den roep van heiligheid. In deze stad te sterven beteekent zaligheid, ja, zelfs hij of zij, die sterft op een afstand van 50 mijlen rondom deze stad, is zeker in Siwa’s hemel opgenomen te worden. Men behoeft daarvoor geen Hindoe te zijn, Siwa verleent daarboven in zijne woning ook gastvrijheid aan Joden, Christenen, Mohammedanen en Boeddhisten, indien zij op de heilige plek, binnen Benares, het tijdelijke met het eeuwige verwisselen. Hoe deze opvatting te rijmen is met het re-incarnatiebegrip der Hindoe’s is mij niet recht duidelijk.

Benares bezit ruim 1500 tempels en meer afgodsbeelden dan inwoners, ofschoon deze laatsten meer dan 200.000 bedragen, Iedere geloovige Hindoe gaat op zijn minst eens in zijn leven naar Benares om er te bidden in alle tempels en te baden in de heilige rivier. Welgestelde Hindoe’s bezoeken deze stad meermalen in hun leven en de zeer rijken hebben hier allen een eigen woning of paleis, waarin zij elk jaar eenigen tijd vertoeven om hunne ziel te zuiveren van alle begane zonden en als de tijd daar is, te sterven binnen de muren van de heilige stad. Elke Hindoe-Maharatja heeft hier zijn eigen paleis. Het aantal bedevaartgangers, dat jaarlijks van alle oorden van Indië komt, om aan alle goden offeranden [367]te brengen en te bidden in de 1500 tempels, wordt ver over een millioen geschat. Het kost elken pelgrim 6 dagen hard werken om de ronde in de 1500 tempels te doen; hij heeft daarmede alleen een afstand van 45 mijlen af te leggen. Die dagen worden dan geheel aan bidden gewijd, voor slapen en eten blijft weinig tijd beschikbaar.

Niettegenstaande Benares met hare tot het uiterste gedreven nauwe, overbevolkte straten en bazaars, met haar druk-bewerkte tempels en godenhuisjes, en haar verscheidenheid van kleuren, grooter dan ergens elders, een schilderachtig geheel levert, en, om een van de schrijvers over Indië te citeeren: “geen andere stad in Indië, die zulk een atmosfeer van onsterflijke oudheid verraadt”, toch verwekt deze stad een indruk van diepen weemoed en gedruktheid.

De grootste aantrekking voor de pelgrims zijn niet hoofdzakelijk de vele tempels en goden, die Benares bezit, niet de zekere heiligheid, die deze stad omgeeft, omdat Siwa en Vishnu en Brahma hier geleefd en gewoond hebben, maar in hoofdzaak omdat de heilige rivier, de Ganges, hier een bijzonder heilige kracht bezit. Het water van deze rivier bezit een alles-zuiverende macht. Niet alleen neemt elke onderdompeling in dit water de zonden weg, die bedreven zijn, maar ook alle ziekten worden daardoor genezen. Er is een plek aan den oever van de rivier, het pokken-bad genaamd, waar poklijders gebracht worden om er dagelijks te baden, en dan allen genezen. Inderdaad is er iets van waar, dat dit water een tot nog toe onverklaarbare kracht bezit om ziektekiemen te dooden. Het Britsche gouvernement heeft herhaaldelijk proeven genomen en steeds bleek, dat cholera- en andere baccillen in dit water na eenige uren alle dood waren, terwijl baccillen, van dezelfde bron genomen, in volkomen zuiver water welig tierden. Ware dat ook niet het geval, dan zou het onverklaarbaar zijn, dat van deze stad uit pest en pokken en cholera en meer zulke plagen, niet jaarlijks over heel Indië verspreid werden.

Wil men de beteekenis van de Ganges voor den Hindoe zien, dan moet men ’s morgens vroeg opstaan en nog vóór de zon aan de Oosterkim is verschenen reeds in een bootje gezeten zijn, zich langzaam laten op en neer roeien en het leven aan de oever der rivier gadeslaan. Wij lieten ons op [368]een morgen zeer vroeg naar de rivier brengen. Het was een rit van bijna een half uur. De stad begon te ontwaken. De langs den weg liggende slapers rolden hunne doeken, waarin zij zich neergelegd hadden, rond hunne lendenen en begaven zich op weg naar de badgelegenheid. Hier en daar was een arme vrouw bezig den weg schoon te vegen en de smeden begonnen den brand te steken in hunne houtvuren. Hoe dichter wij de rivier naderden, des te grooter werden de troepen menschen, die zich in dezelfde richting voorwaarts spoedden, om, zuiver uit godsdienstige overwegingen, een bad in de Ganges te nemen en hunne gebeden op te zenden ter verheerlijking van een hunner goden of van de rivier, of van de zon. Maar ook hoe meer wij de rivier naderden, hoe grooter werd het aantal mannen, dat in zelfkastijding of in heilige overpeinzing, de eeuwige zaligheid hoopte te verwerven. Mannen, liggende op een bed van spijkers, gezeten tusschen brandende vuren; mannen, staande op één been, of met één arm in de lucht; mannen, overladen met zware ijzeren kettingen; mannen, dagen achtereen vastende, geen water of voedsel tot zich nemende, in heilig stilzwijgen, allen met asch overladen en haren, die door tusschenvlechting van de eene of andere wollen stof verlengd zijn, soms tot 8 à 10 meter, en die dan in een torenhooge kroon rondom hun slapen zijn gelegd, of netjes een kring rondom hen vormen. Eén heilig man had zich van koemest en pauwenveeren een toren geplakt en die op zijn hoofd gezet. Al die heiligen hadden een kring van discipelen rondom zich, die naar hunne woorden luisterden, of die ook in heilig stilzwijgen zaten te staren naar de richting, waarin de meester staarde.

Van 47 ghats—plaatsen, van waar men de rivier kan bereiken, hier meestal breede, hooge, steenen trappen—komen de tallooze mannen en vrouwen om hunne vereering te uiten. Als zij de rivier bereiken, sprenkelen zij eerst water over hunne oogen en het hoofd en prevelen het eerste gebed. Dit luidt vertaald: “O, Ganges, ik groet uwe twee voeten, uwe twee voeten die zoo schoon zijn en welke door goede en slechte goden verheerlijkt worden. O, Ganges, gij geeft geluk en ten slotte verlichting aan allen”. Dan spoelen zij den mond met het heilige water. Daarna beginnen zij weder te bidden, eerst op het eene, dan op het andere been staande, en ten [369]slotte laten zij zich neerploffen in het water. Daarna gaan zij weder staan met de beide handen vol water en dit laten zij langzaam wegvloeien, zich wendende tot de zon, een offer van Ganges-water aan de zon, en daarbij prevelen zij een van de oudste gebeden in de wereld: “Laat ons ootmoedig neerknielen voor de glorie van het Heilige Leven-gevende Licht; moge het ook onzen geest verlichten”. Dan gaan zij voort onder allerlei handengewring, onderdompeling en beenenbuiging hunne verdere gebeden te uiten. Als zij gereed zijn met baden wasschen zij hun doek, hun lendengordel en turban (zoo zij die dragen want vele pelgrims gaan blootshoofds), houden die dan uitgespreid in de hand tot zij door de zon gedroogd zijn, brengen dan met rood of geel of wit een merkteeken op hun voorhoofd, en daarmede is hun morgendienst afgeloopen. Vrouwen en mannen baden naast en door elkaar, alleen voor de weduwen is een afzonderlijke plaats aangewezen.

Tusschen al deze zwemmende en badende menschen in zijn breede steenen trappen ingericht voor de lijkverbranding. Onophoudelijk wonden de lijken, alleen in een doek gerold, door de lijkdragers—twee mannen—aangebracht. Zoodra het lijk aangekomen is, gaan een paar mannen, dikwijls familieleden, het hout in de nabijheid aankoopen en wordt dit opgestapeld, het lijk daarop gelegd en het vuur ontstoken. Is het lijk zoowat half verteerd, dan klooft het naaste mannelijke familielid met een bijl den schedel. Deze liefdedienst—want nu kan de geest gemakkelijker ontwijken en wordt niet door het vuur mede verteerd—wordt gewoonlijk door den zoon voor vader of moeder, door den vader voor zijne vrouw en kinderen verricht. Zijn er geen mannelijke familieleden, dan komen de vrouwen aan de beurt. De vrouwenlijken zijn in roode, de mannenlijken in witte doeken gehuld. Wij zagen in het oogenblik, dat onze boot voorbij roeide, drie lijken verbranden, en een geheele rij lag te wachten tot hunne beurt was aangebroken. De asch van de lijken wordt in de Ganges geworpen, doch de armen, die niet veel hout kunnen betalen, zijn dikwijls slechts half verteerd. De dienstdoende mannen breken dan de halfverkoolde beenderen in stukken en gooien ook die in de rivier. Soms zelfs—wij zagen het niet—worden heele stukken van een lijk onverteerd door den stroom meegevoerd. [370]

Toen wij onze oogen afwendden van dit weinig verkwikkelijk schouwspel en ze een oogenblik richtten naar den anderen oever van de rivier, zagen wij een troep gieren zich te goed doen aan iets groots en diks, dat in het midden van ’t water dreef. “Dat is het lijk van een heilige koe”, zeide onze Hindoe-gids ernstig. Heilige koeien worden zoo in de Ganges geworpen na haar dood.” En onmiddellijk voegde hij er aan toe: “Ook de heilige mannen worden niet verbrand, hunne lijken worden ook zoo in de Ganges geworpen; zij behoeven de zuivering van het vuur niet meer te ondergaan; zij hebben zich in hun leven reeds gepurifieerd.” Zulke mannen krijgen echter aan elk been een steen gebonden, zoodat zij zinken en niet door roofvogels worden opgegeten.

Als men bedenkt, dat hier menschen met de meest besmettelijke en afzichtelijke ziekten dagelijks tusschen de anderen komen baden; dat allen na het bad dit water drinken en er kannen vol van meeslepen, dan moet men aannemen, dat er iets in dit water is, waardoor ziektekiemen gedood worden, anders zouden de gevolgen onoverzienbaar zijn. Maar ook als de ziektekiemen geheel verwoest worden, dan nog verwekt het een indruk, die onze maag rechtsomkeert doet werken, als men lupus-, kanker- en syphilis-menschen zich in het water ziet onderdompelen en terzelfder tijd een geloovigen Hindoe met gretigheid daarnaast het water ziet verzwelgen.

Na dezen tocht in het vroege morgenuur moesten wij eerst eenige uren bekomen, alvorens wij ons in staat achtten de andere wonderen van Benares in ons op te nemen. Het was niet ons plan, om, evenals de bedevaartgangers, allen 1500 tempels achtereen onze opwachting te gaan maken; wij zochten er eenige uit, die bij de beschrijving onze nieuwsgierigheid hadden gaande gemaakt.

Toen wij wat later op den dag onzen tocht naar die tempels begonnen, zagen wij onophoudelijk de tallooze bedevaartgangers van alle zijden de stad binnenstroomen. Heele rijen achter elkaar loopende mannen, in saffraankleurige doeken gehuld, blootshoofds, doch met een langen stok met een bijl aan den top in de eene en een koperen drinknap of bedelnap in de andere hand, noemde de gids “bedelmonniken”. Mannen en vrouwen in roode, gele, groene, witte, paarse en andere kleederen wist de gids allen aan de kleur hunner [371]kleederen te localiseeren van waar zij kwamen. Er waren er bij, die weken achtereen geloopen hadden om deze heilige plek ten slotte te bereiken. Het was een bijzonder heilige dag, daarom kwamen er meer pelgrims dan andere dagen.

Wij begonnen met den Durga-tempel, bijgenaamd de apentempel. Deze bijnaam vindt zijn oorsprong in het feit, dat meer dan 200 apen, bruine met korten staart en erg menschelijke gezichten, in en om dezen tempel leven en wanneer door trommelslag een dienst in den tempel wordt aangekondigd, allen komen aanloopen en aandachtig zitten te luisteren. Het waren erg menschelijke apen, die de koekjes en andere zoetigheden beleefd uit onze handen namen, zonder zenuwachtigheid te verraden. De jonggeborenen, die het aardigst waren en natuurlijk de meeste versnaperingen kregen, werden heel wijs door de moedertjes in den arm genomen en naar een afgelegen plaats gebracht, als mama dacht, dat zij genoeg gehad hadden. Eén aap zat onophoudelijk met een zakspiegeltje uit een of ander dames-étui in zijn voorpoot zich zelf te bewonderen. Een koekje kon slechts een oogenblik zijne attentie gaande maken; dan at hij het koekje op, doch zat, al etende, zich in eigen aanblik te verlustigen. Deze ijdele aap, lieve lezers, was een mannetjes-aap.

De Durga-tempel is gewijd aan Durga, de vrouw van Siwa. Zij wordt als zeer verwoestend en bloeddorstig voorgesteld. Zij bezit 18 armen en handen, in elke hand een zwaard of ander moordtuig houdende, waarmede zij de koppen van mannen en leeuwen afslaat. Aan haar gordel bengelen doodshoofden van mannen. Vroeger werd ter eere van Durga elken dag een mensch geslacht, om haar bloeddorst tevreden te stellen; sedert het menschenslachten verboden is, offert men haar elke week een geit. Geiten zijn hier duurder dan menschen. Elken dag een geit te offeren, zou te veel geld kosten; daarom moet Durga zich eens in de week met een geitje tevreden stellen. Het toeval wilde, dat wij in den tempel twee Hindoe jongemannen uit Calcutta aantroffen, die ook ter bedevaart waren opgekomen naar Benares. Zij bleken beiden zeer ontwikkelde, goed Engelsch sprekende jongelui te zijn. Zij begonnen een gesprek met ons, waarop wij hun vroegen, hoe ontwikkelde menschen een godin der verwoesting konden aanbidden. Glimlachend antwoordden zij: “Gij moet u dat anders voorstellen. [372]Wij, Hindoes, verdeelen den tijd in verschillende perioden. Wij leven thans in de periode der verwoesting. Oorlog, doodslag en verwoesting van landen en steden is over de geheele wereld aan de orde van den dag. Durga regeert thans overal. Met aan haar offeranden te brengen, hoopt men haar moordlust te koelen, m.a.w. hoopt men de groote periode der verwoesting snel te passeeren. Het is slechts eene zinnebeeldige voorstelling”.1

Zoo weet de ontwikkelde Hindoe aan alle godenvereering eene hooge, poëtische verklaring te geven, maar de onontwikkelde, zooals onze gids, vat alles in zijne platte beteekenis op. Die vertelde ons, dat het geitje, dat elken Dinsdag geslacht wordt, met zijn kop aan een houten paal, die vlak voor Durga staat, vastgebonden wordt, dan door een man met één slag op de kop, de kop wordt afgehakt, “zooals Durga het ’t liefste ziet”. Den gewonen Hindoe is niets bekend van de philosophie van de Veda en de beteekenis zijner goden. Voor hem personifieert elk afgodsbeeld een werkelijken god.

Na den apentempel bezochten wij den koetempel. Deze tempel is eigenlijk niets bijzonders, alleen dat daarin eenige bullen in plaats van goden vereerd worden. Werkelijk levende bullen, die met bloemen en heilig gras gevoed worden, worden daar dagelijks door duizenden aangebeden en vereerd.

Toen naar den tempel van Ganesha. Ganesha is de zoon van Siwa en Durga en wordt voorgesteld als een kind met een olifantskop. Toen Ganesha geboren werd, had het wurm geen kop. Durga was daarover erg ongelukkig en toen kwam Siwa en zeide: “Ga naar buiten; het eerste levend wezen, dat gij ziet zal zijn kop verliezen en deze zal op den romp van Ganesha komen”. Durga deed alzoo en het eerste levend wezen dat zij zag was een olifant. Haar lieftallig kind hield in zijn jeugd, als vele kinderen, erg van zoetigheden; daarom worden hem nog heden tal van versnaperingen geofferd. Hij reed in zijn jeugd bij voorkeur op een rat, daarom zijn [373]nu nog de ratten heilige dieren. De Britsche regeering heeft zeer veel moeite hier in Benares, waar altijd pestgevallen zijn en nu zelfs zeer vele, de ratten uit te roeien. Een Hindoe sterft liever aan pest, dan dat hij een rat zou willen zien dooden. Achter Ganesha was een bron, de Bron der Kennis. Drinkt men uit die bron—dat water is zeer duur—dan wordt men helderziend, alwetend. Ik wilde liever dom blijven, dan mij te wagen aan het drinken van dit sop. Dit water wordt nog aantrekkelijker gemaakt, als men hoort vertellen, dat het is het zweet van Vishnu, uitgezweet in een al te dolzinnig doorgebrachten nacht.

Wij bezochten nog eenige van zulke vermaarde tempels en hadden er toen genoeg van. Wij besteedden liever den ons nog restenden tijd aan het bezoeken van de Hindoe-school, door Annie Besant hier gesticht, en hare theosophische vereeniging. Hoe Annie Besant er toe kwam hier in deze fanatieke omgeving haar school te vestigen, zal, naar ik hoop, haar en hare volgelingen duidelijker en verklaarbaarder zijn dan mij. Het is waar, dat ook Buddha hier langen tijd vertoefde en zijne leer voor het eerst in Britsch-Indië verkondigde. Dat ook Paulus hier schijnt geweest te zijn en dat hier thans acht verschillende zendelingsinstellingen de leer van Christus trachten ingang te doen vinden. Waarom zou zij dan niet haar leer hier verkondigen, de universeele broederschap van hieruit over de wereld zich laten verspreiden?

De Hindoe-school en college van Annie Besant, die door vrijwillige gaven, bijna uitsluitend door Hindoesche beurzen, wordt in stand gehouden en waar de leerlingen in den zuiver Hindoeschen godsdienst worden onderwezen, bevat reeds meer dan 1000 mannelijke Hindoe-leerlingen en ongeveer 200 vrouwelijke. Zij staan beide—de jongens- en meisjesschool zijn streng gescheiden—onder oppertoezicht van een Engelschen directeur en directrice, doch de leerkrachten zijn voor verreweg het meerendeel Hindoe’s. In de zaal, waar de gebeden worden gezongen, hangt een levensgroot portret van Annie Besant.

Wij bleven in Benares een dag langer dan de meeste toeristen gewoon zijn te doen, niet zoo zeer om het vele belangrijke, dat hier te zien is, dan wel om den geest van de stad beter in ons op te nemen. Herhaaldelijk bezochten wij de stad op [374]verschillende tijden van den dag, maar steeds weder overviel ons datzelfde gevoel van weemoed, dat wij ook gevoelden, toen wij in Jeruzalem die vele huilende en lamenteerende Joden voor een stuk oud en vervallen muur zagen staan, dien muur kusten en met hunne tranen bevochtigden; of toen wij daar in verschillende kerken der christenen soldaten vonden om den vrede te bewaren tusschen katholieken en protestanten voor een elkander betwist venster of een stuk balk.

Onwillekeurig vraagt men zich hier af, zijn dat menschen uit denzelfden tijd waarin ook wij leven, zijn het misschien eenvoudig bekrompenen van geest, of zijn het ongelukkigen, wier geest beneveld is? Benares met zijne afgoden en tempels, met zijne heilige rivier, zijne heilige apen, heilige koeien, heilige ratten en vooral met zijne bevolking en pelgrims, verwekte bij mij den indruk van een groot krankzinnigengesticht.

Calcutta en Darjeeling.

Lang vóór ik er nog aan dacht, deze groote reis te maken, las ik eens in een geïllustreerd tijdschrift een artikel over Calcutta. In dat artikel werd deze stad zoo mooi beschreven en de illustraties waren zoo aantrekkelijk, dat ik den indruk kreeg hier een stad met een groote aantrekkelijkheid te zullen vinden. Toen ik dan ook ’s morgens vroeg in Calcutta arriveerde en naar het hotel reed, dacht ik, dat de koetsier ons door eenige vuile buitenwijken voerde en dat ook het hotel niet in een van de mooie straten van de stad gelegen was. Doch nadat ik de stad in alle richtingen doorkruist heb, zoowat alle straten met de voornaamste gebouwen zag, vraag ik mij af: hoe kan iemand zoo’n moderne, Europeesche, onooglijke, oninteressante stad zoo mooi voorstellen? Waar heeft de schrijver al dat moois gezien, anders dan in zijne verbeelding? Er is in de heele stad niets de moeite van een bezoek waard. Het is waar: er is een interessant museum, en er is in den botanischen tuin, ver buiten de stad gelegen, een waringin-boom, die de grootste van de geheele wereld genoemd wordt, wat ik graag wil aannemen, want die eene boom lijkt wel een geheel bosch. Maar de stad, de stad met haar even oninteressant native gedeelte, met haar vuile haven en groote gebouwen, die alle den indruk geven alsof zij er [375]slechts provisoir zijn neergezet, die stad is leelijk en biedt den bezoeker weinig aantrekkelijks.

Het is mogelijk, dat toeristen, die hun toer door Indië van hieruit beginnen, een anderen indruk krijgen, omdat voor hen het leven der inlanders dan nog vreemd is en zij hetgeen zij daarvan in Calcutta zien, met meer belangstelling in zich opnemen; doch voor ons, die in Calcutta onzen toer door Indië afsluiten, die het leven der inlanders in alle opzichten op verschillende plaatsen origineeler, interessanter, kleuriger en naïever zagen, biedt dit hier geen aantrekkelijkheid meer.

Indien wij hier lang genoeg zouden blijven, dan konden wij ons verblijf hier echter interessant genoeg maken, want nergens in Indië wordt een zoo intensief sociaal leven geleefd als in deze stad. De nationale beweging, waarover ik van uit Bombay reeds schreef, heeft hier haar wortels, wordt van hieruit gevoed en van hieruit worden hare vruchten over het gansche land verspreid. Ik schreef vroeger reeds, dat de nationale beweging tot leus heeft: Indië voor Indiërs, en dat zij beoogt van Engeland’s heerschappij verlost te worden. Die beweging is echter nooit sterk geweest en zal ook nooit zoo sterk worden, dat Engeland er iets van heeft te vreezen. Dat moet elkeen gevoelen, die met zijn oogen open eenige weken in dit land heeft gereisd. De bevolking bestaat te veel uit heterogene bestanddeelen. De Mohammedanen, die een vierde van de bevolking uitmaken, haten en wantrouwen de Hindoe’s, zooals deze wederkeerig hen doen. De Mohammedanen zouden niets meer vreezen, dan dat de heerschappij van het land in handen van de Hindoe’s zou komen. De Hindoe’s zelf zijn in vier groote kasten verdeeld, die ieder op zich zelf staan en die nooit op een voet van gelijkheid met elkander kunnen samenwerken. De Brahmaan, de hoogste kaste, de kaste der priesters, mag nooit de hand of ander lichaamsdeel aanraken van eene lagere kaste; als hij dit doet door toeval of anderszins, dan moet hij eerst eene zuivering ondergaan, alvorens hij weder met zijne kaste-genooten in aanraking kan komen. Een hoogere kaste mag niets eten, dat door iemand uit een lagere kaste is aangeraakt, en dit alles gaat zóó ver, dat wanneer ik het zou mededeelen, geen mijner lezers mij zou gelooven, die daarover niet vroeger het een en ander gelezen had. Dit staaltje b.v.: Een fabrikant vertelde ons, dat hij naast [376]zijn fabriek een rij huisjes had laten bouwen voor zijn Hindoe-werklieden. Elk gezin bewoonde een éénkamer-woning gratis. Op zekeren dag komt ’n werkman tot hem en vertelde hem, dat hij die woning niet langer gebruiken kon; het kwam hem te duur uit. De eigenaar vroeg: “Hoe is dat mogelijk? Gij betaalt mij toch niets voor de woning.”—“Ja,” zeide de werkman, “dat is goed en wel, maar de man naast mij is van een lagere kaste en elken keer als de wind west is en de rook uit zijne woning zich vermengt met de rook uit mijne woning, dan is mijn eten onzuiver en mag het niet meer genuttigd worden. Heb ik, zonder het te weten, het toch genuttigd, dan moet ik eerst gezuiverd worden, en dat kost veel geld.”

Zulke staaltjes heb ik bij dozijnen vernomen. De afscheiding tusschen de kasten is zoo groot, dat in de eerstvolgende geslachten van overbrugging geen sprake kan zijn. Nu preeken de nationalisten wel, dat men voor een groot doel mag samenwerken, één algemeenen vijand gezamenlijk mag verslaan, maar de lagere kasten zijn onder de Britsche overheersching veel beter af, dan onder de regeering van hunne hoogere geloofsgenooten, zij zullen zich nooit laten gebruiken om tegen Engeland op te treden. Een troep heethoofden kan misschien hier of daar eens weer een muiterij op touw zetten, doch groote, ernstige gevolgen, kan die niet hebben. De leiders dezer beweging bestaan voor een groot deel uit jonge mannen, die juist door den invloed der Britten in staat zijn geweest gratis eene goede school te doorloopen waarvoor nu geene gepaste werkkring te vinden is. Dat de zoon van een waterdrager, een bullewagendrijver, een fabriekswerker, die heeft leeren lezen en schrijven in zijn moedertaal, Engelsch en Sanskriet grondig kent, die rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde heeft geleerd, geen lust heeft zijn vader in zijn vak op te volgen, is duidelijk. Deze jonge mannen hebben hoogere aspiraties, waaraan, voorloopig althans, niet kan voldaan worden. Enkelen hunner studeeren verder en worden onderwijzers voor hun eigen kastegenooten, een heel enkele wordt gids voor vreemdelingen, nog zeldzamer, vinden zij een plaats als klerk op een of ander bureau; doch het meerendeel vindt geen geschikte bezigheid en vormt een klasse van ontevredenen, die in de nationale beweging het hoogste woord voeren. Door [377]het in het leven roepen van goede industriescholen, waaraan in zeer vele plaatsen reeds is voldaan, hoopt men aan dit euvel tegemoet te komen.

Ook de vrouwenbeweging, die over heel Indië slechts eene sporadische is, en die op het oogenblik nog niet veel meer op haar program heeft dan tegengaan van de kinderhuwelijken, verbetering van het lot der weduwen, opheffing van het purdah-systeem, en scholen voor meisjes, vindt in Calcutta de krachtigste verdedigsters.

Doch om al deze bewegingen te bestudeeren, er meer dan een oppervlakkigen indruk van te verkrijgen, zouden wij hier langen tijd moeten vertoeven. Wij bespraken onze passage op de boot, die ons van Calcutta naar Rangoon zal brengen voor den 12en Maart, en de week die ons nog rest, willen wij liever in een van de hooge bergstreken hier doorbrengen, om ten minste één van de punten te zien, waarheen de rust- en koeler klimaat-behoevende Engelschman zich begeeft als verlof, tijd en geld hem dit veroorloven.


Darjeeling, in het Himalaya-gebergte, dat 7100 voet hoog is, is ’t meest aantrekkelijke van deze plaatsen. De reis erheen is echter niet zoo eenvoudig als wij ons die hadden voorgesteld. Als men Calcutta om half vijf ’s avonds verlaat, dan spoort men tot half negen naar Damookdeah, daar gaat men op een stoomboot over en vaart gedurende twee uren op de rivier de Ganges. De rivier is daar niet zeer breed en beide oevers zijn bebouwd, een volle maan bescheen het water en gaf aan alles aan den wal wat wij passeerden, een phantastischen vorm. Zoo in gedachten verzonken, verbeeldde ik mij in een wereld te verkeeren van een halve eeuw geleden en een tocht te maken van Groningen naar Sappemeer in een trekschuit of barge. Door mijne reisgenoote werd ik uit mijn mijmering gewekt met de nuchtere vraag, of wij niet wat zouden gaan eten, waartoe op de boot tamelijk goede gelegenheid was.

Een vrouw uit de volksclasse van Thibet (Darjeeling).

Een vrouw uit de volksclasse van Thibet (Darjeeling).

Om elf uur zaten wij aan den overkant van de Ganges weder in een trein, doch moesten die om vijf uur ’s morgens weder verwisselen met het bergtreintje, dan ons om één uur in Darjeeling afleverde. Dat was, met het herhaaldelijk verwisselen van reisgelegenheid, een zeer vermoeiende tocht, [378]waarop geen van ons beiden was voorbereid. Doch de tocht van Silliguri tot Darjeeling, den tijd dien wij in het bergtreintje doorbrachten, biedt zooveel schoons, dat wij onze moeheid geheel vergaten en geen berouw meer gevoelden over dit laatste uitstapje in Britsch-Indië.

Hoewel het Himalaya-gebergte veel grooter en daardoor grootscher is, vertoont toch de weg naar Darjeeling veel overeenkomst met den weg van Chur naar St. Moritz in Zwitserland. Van Darjeeling uit hebben wij bij helder weer ’t gezicht op den berg Everest, den hoogsten berg in de geheele wereld.

De bevolking in Darjeeling is een geheel andere dan die wij tot dusverre in Indië zagen. Hier predomineert het Mongoolsche type, dat eensdeels groote gelijkenis vertoont met het Chineesche type, anderdeels ons doet denken aan Eskimo’s en Laplanders. Wat vooral bij deze menschen opvallend is, is de gelukkiger, levendiger, vroolijker trek, die de vrouwen, op hunne gezichten vertoonen. Deze menschen komen allen van Thibet en Nepaule en zijn van geloof Boeddhisten. Zij werken hier in de theeplantages, die hier in menigte zijn, of verdienen de kost met het bij de straat curio’s van Thibet te verkoopen. Zij dragen geheel andere kleederen, zijn geheel anders opgesierd, mannen en vrouwen dragen hun haar als de Chineezen in een lange staart, maar hebben het andere hoofdhaar niet afgeschoren, en zij zijn over het algemeen zeer warm gekleed. Het is hier ook zeer koud, wij hebben alles, wat wij voor warme kleeding bezitten mede naar boven genomen, en toch moesten wij ’s morgens en ’s avonds dicht bij het vuur kruipen, om warm te blijven.

Groep Nepauleesche vrouwen in Darjeeling.

Groep Nepauleesche vrouwen in Darjeeling.

Natuurlijk dient men hier uitstapjes in de bergen te maken, maar wij willen den korten tijd dien wij boven zijn liever kalm doorbrengen om wat tot rust te komen en om, alvorens wij naar nog heeter streken gaan, eerst een paar dagen in een kouder klimaat te vertoeven. Wij bepalen ons dus tot wandelingen in de naaste omgeving om telkens weder terug te keeren naar de bazaar, de plaats waar alle volkstypen, die hier zijn, samenhokken en een interessant geheel vormen. Want de menschen uit Thibet en Nepaule zijn niet de eenige rassen die hier wonen, de Bhoteas zijn even talrijk en dan zijn er nog Lepcha, Aka, Dhimal-, Mechi-, Murmi- en Urava-rassen. Met [379]de photographieën die wij van die rassen gekocht hebben in onze hand trachten wij de menschen, die wij in de bazaar zien, te identificeeren.

Morgen gaan wij naar Calcutta terug en nadat wij daar nog een dag blijven om onze zaken te regelen, gaan wij ons inschepen naar Burma. Daarmede is dan onze reis door Britsch-Indië afgeloopen en op Amerikaansche wijze kunnen wij dan zeggen: We have done British-India. In den waren zin des woords hebben wij Britsch-Indië “gedaan” hetgeen mij spijt, want het is een land, dat langer oponthoud, dieper studie, nauwer kennismaking met zijn sociale en andere instellingen verdient. Maar voor alsnog is het niet goed mogelijk voor toeristen langer dan wij deden in Indië te reizen, daarvoor is het reizen er te vermoeiend, het klimaat te afmattend en zijn de hotels, in het algemeen gesproken te uncomfortable. Ook zijn de hygiënische omstandigheden nog niet van dien aard, dat men ergens het water durft gebruiken, melk durft drinken en ongekookte groenten of vruchten, visch of vleesch durft eten. Men moet den geheelen tijd op zijn qui-vive zijn, om niet door een van de vele vreeselijke ziekten, die hier inheemsch zijn, overvallen te worden.

Niettemin waren wij lang genoeg in Indië, om niet enkele zaken opgemerkt, en een algemeenen indruk verworven te hebben, en om niet over enkele onderwerpen althans een oordeel te durven vellen. Ik heb daarbij ook nog dit groote voordeel, dat ik reis in gezelschap van een zeer intelligente vrouw, een vrouw, met zoo’n breeden blik, helder verstand en algemeene ontwikkeling, als zelden geëvenaard wordt. Alles wat wij opmerkten, wat wij hoorden vertellen, werd altijd onmiddellijk gezamenlijk besproken en ons beider meening, indien die soms mocht afwijken, gewikt en gewogen. Om onze lectuur vruchtbaarder te maken, lazen wij nooit dezelfde boeken, doch verdeelden de lectuur en bespraken dan onderling het gelezene. Door deze wijze van handelen, zagen en vernamen wij twee in zes weken meer dan anderen doen, die veel langer hun verblijf rekken. Herhaaldelijk viel het ons beiden op, dat andere toeristen, die wij in verschillende plaatsen ontmoetten, en met wie wij over het geziene van gedachten wisselden, niet de helft hadden gezien of opgemerkt van hetgeen wij hadden gedaan en dat zij dikwijls niets anders [380]dan een algemeenen indruk hadden, “that India is a dirty place.”

Dit laatste nu is, algemeen gesproken, volstrekt niet het geval. Men moet, evenals wij deden, slechts even te voren het Heilige Land en Syrië doorreisd hebben om te weten wat een “vuil land” is. Als men vandaar komt geeft Indië den indruk van een zindelijk land te zijn, waar, de omstandigheden in aanmerking genomen, van overheidswege alle voorzorgen genomen zijn om het land zoo bewoonbaar mogelijk te maken. Zelfs in de geheel Indische steden waar alleen de inboorlingen wonen in overbevolkte nauwe straatjes, waar men alleen achter elkander kan doorgaan, vonden wij nog altijd een zekere soort zindelijkheid, die gunstig afstak bij wat wij van dien aard in Syrië en Egypte zagen. Herhaaldelijk maakten wij elkander daarop opmerkzaam. Hoogstwaarschijnlijk moet dit toegeschreven worden aan de hygiënische voorschriften in den Hindoeschen godsdienst. De Hindoe is verplicht zich dagelijks te baden en zijn lendendoek te wasschen. Het kopervaatwerk moet elken dag geschuurd worden, andere is het voedsel, dat het bevat onrein en mag niet genuttigd worden. Elk jaar is er ’n dag waarop verondersteld wordt, dat de lente haar intrede doet, den dag, waarop de geheele natuur zich verjongt, op welken dag elke Hindoe, man en vrouw, nieuwe kleederen moet aantrekken en de oude, afgelegde kleederen moet verbranden. Die dag valt in het begin van Maart en is over het geheele land een algemeene feestdag. De jeugd vermaakt zich den dag tevoren om elkaar met verfkladden te besmeren, en er als de bontste harlekijns uit te zien. Groote vuren worden ’s avonds overal ontstoken en de “oude plunje” daarop verbrand. Deze enkele voorschriften, doch er zijn er meer, doen de Hindoe gunstig afsteken bij zijn Mohammedaanschen broeder in Arabië. Deze laatste draagt dikwijls zijn kleederen tot er geen stuk meer van heel is, en zij hem letterlijk van het lijf vallen, en van wasschen zijner kleederen schijnt hij geen begrip te hebben. In Indië passeert men nooit een vijver, meer of rivier, of men ziet er tallooze mannen, vrouwen en kinderen baden en zwemmen en hunne kleederen wasschen, die dan door de heete zon in een ommezien weder gedroogd worden.

Over het algemeen komt het mij voor, dat Engeland, in den korten tijd, dat het Indië in zijn beheer heeft, van het [381]land gemaakt heeft wat het kon. Ik laat de financieele kwestie geheel ter zijde, ik weet volstrekt niet of Engeland te groote financieele offers van Indië gevraagd heeft, of op andere wijze aderlating op Indië heeft toegepast; om dat te beoordeelen zou ik over geheel andere gegevens moeten kunnen beschikken, dan mij ten dienst staan. Ik zag alleen de groote oppervlakten grond, die wij per spoor doorreisden, die nu door goede irrigatie in vruchtbaren bouwgrond zijn herschapen. Het is waar, er zijn nog duizenden en duizenden hectaren dorre, onvruchtbare woestijnen, die op een stroomend, frisch water wachten, maar alles kan niet op eens geschieden en ongetwijfeld zullen te zijner tijd ook deze streken onder handen genomen worden.

Door Engeland wordt bijna over het geheele land voor behoorlijk onderwijs zorg gedragen. Wel zijn er nog een 80% analphabeten in het land, maar het is niet zoo gemakkelijk om den Hindoe, en nog minder den Mohammedaan het nut van goed onderwijs te doen begrijpen. In enkele vorstenlanden heeft de vorst, de Maharatja, in zijn gebied het elementair onderwijs nu verplichtend gesteld en langzamerhand zal verplicht onderwijs over het geheele land wel wet worden. Er bestaan in Indië nu 5 universiteiten in verschillende steden, in Bombay, Madras, Calcutta, Allahabad en in Lahore, waar de vier verschillende faculteiten onderwezen en doctorsgraden verkregen kunnen worden. Er zijn tallooze middelbare scholen, kunst- en nijverheidsscholen, en in al deze inrichtingen van onderwijs zijn voor de meisjes-leerlingen dezelfde voorwaarden gesteld, als voor de jongens. Het schoolgeld is miniem, en die niet kan betalen wordt zelfs van die minieme som vrijgesteld, De meeste van die inrichtingen van onderwijs worden echter nog niet door meisjes bezocht, omdat de Hindoe-vrouw, evenals hare Mohammedaansche zuster zich nog aan de oogen der mannen onttrekt. Alleen daar waar de Parsees wonen, zagen wij de scholen ook door meisjes bezocht. Deze vrouwen zijn ook aan de verschillende universiteiten te vinden, waar zij vooral in de medicijnen studeeren en dan als doktoren voor de Hindoe- en Mohammedaansche vrouwen van onschatbare waarde zijn, omdat het die vrouwen verboden is, in tijd van ziekte een man te consulteeren. Een der Engelsche dames-doctoren vertelde mij, dat er onder die Parsee-vrouwen [382]zeer bekwame doktoren gevonden worden, die soms ook uitstekende chirurgen blijken te zijn.

Verder geeft Engeland zich alle moeite, om de kunstschatten, waaraan Indië zoo rijk is, voor de toekomst ongeschonden te bewaren en ze ter leering en bewondering voor elken bezoeker open te stellen. Niet alleen dat daarvoor nergens een entrée geheven wordt, maar zelfs is overal met groote letters duidelijk gemaakt, dat de daarin aangestelde ambtenaren goed bezoldigd worden en het hun verboden is giften aan te nemen.

Naast deze en nog zoovele goede dingen, die hier onder en door het beheer van Engeland tot stand kwamen, wil ik ook nog met een enkel woord wijzen op ’t vele goede, dat hier door particulier initiatief geschiedt, zoowel door mannen als door vrouwen. Uit den aard der zaak kwamen wij tweeën niet zooveel in aanraking met de sociale instellingen, door mannen-initiatief ontstaan, doch op een paar door vrouwen tot stand gebracht en van overgroote beteekenis voor een land als dit, wil ik wijzen.

Als men thans door Indië reist, dan vindt men bijna overal, zelfs in het kleinste stadje, een Lady Dufferin’s hospitaal, waar alleen zieke vrouwen en kinderen worden opgenomen, die dan door vrouwelijke doktoren en goede verpleegsters worden behandeld. In de groote steden zijn deze inrichtingen door het gouvernement overgenomen, doch nu kan ten minste elke vrouw in Indië, wier godsdienst het verbiedt zich onder mannelijke geneeskundige behandeling te begeven, in tijd van ziekte door eene vrouw behandeld worden. In den regel staan deze hospitalen nog onder het oppertoezicht van eene Engelsche vrouwelijke dokter, met een paar Parsee vrouwen-doktoren tot hare assistenten, maar in sommige gevallen zijn toch reeds deze Parsee-doktoren met het geheele beheer belast.

Ook de ziekenverpleging staat overal zeer hoog, waar Engelsche verpleegsters overkwamen om hier haar liefdewerk te verrichten en de inlandsche vrouwen in deze taak te onderrichten. Overal is nog maar de groote tegenstand te overwinnen, dien de Hindoe toont om zich in een ziekenhuis te laten opnemen, of om zich in eigen huis te laten behandelen en verplegen en zoodoende een out-cast, iemand, die niet tot zijn kaste behoort, over den drempel zijner woning te laten komen en zijn lichaam te laten beroeren. [383]

Een ander zeer groot werk wordt bijna uitsluitend door vrouwen uitgevoerd, hoewel zij daarbij financieel zeer krachtig door vele mannen gesteund worden. Dit is de verbetering van den toestand van de weduwen. Zooals men weet, werden vroeger de weduwen bij den dood van den echtgenoot levend met zijn lijk verbrand; sedert dit door de Britsche regeering verboden is, laten de familie en nabestaanden haar een langzamen dood sterven. Zij worden als verachtelijke wezens beschouwd, die ongeluk aanbrengen, overal waar zij zich vertoonen. Deze weduwen zijn dikwijls niet ouder dan vier of vijf jaar, in vele gevallen zijn zij weduwen alvorens zij ooit vrouw werden. Zij worden zeer jong, in enkele gevallen reeds vóór de geboorte, door de ouders uitgehuwelijkt en na intrede der puberteitsjaren aan den man afgeleverd, Sterft de man, ook zelfs nog vóór zij waren afgeleverd, dan zijn zij voor ’t geheele leven weduwen, want een ander huwelijk mag niet door haar gesloten worden. Aan allerlei gruwelen zijn zij blootgesteld en er is inderdaad in Indië niets zoo beklagenswaardig als het lot van deze kind-weduwen. Sedert een kwart-eeuw ongeveer heeft een Hindoe-vrouw, Panditha Ramabai, zelf eene weduwe van goede familie, zich het lot dier kinderen aangetrokken. Door eerst in Indië, daarna in Engeland en Amerika, voordrachten gehouden te hebben, waarin zij het lot van die kinderen beschreef, verkreeg zij geld en hulpkrachten, om verzachting aan te brengen. Men heeft nu in verschillende plaatsen in Indië zoogenaamde “homes” voor kind-weduwen, waar zij goed onderricht ontvangen en waar zij leeren, om, onafhankelijk van nabestaanden, op menschwaardige wijze in eigen onderhoud te voorzien. Door de publieke opinie onophoudelijk wakker te schudden en de menschen te wijzen op het onhoudbare van dezen toestand, hoopt men verbetering tot stand te brengen. Er is nu reeds een beweging over geheel Indië, om door de Engelsche regeering een wettelijken minimum-leeftijd vastgesteld te krijgen, waarop huwelijken mogen gesloten worden, en daardoor in de eerste plaats aan de vroege huwelijken paal en perk te stellen.

Men heeft mij vóór ik naar Indië ging en ook later per brief zoo dikwijls gezegd en geschreven, dat het goed was, dat ik eerst Britsch-Indië bezocht en daarna naar Java ging, omdat ik dan kon zien hoeveel beter Java door Nederland [384]behandeld wordt dan Britsch-Indië door Engeland. Ik ben zeer nieuwsgierig of ik dat oordeel zal deelen. Het komt mij voor, dat Britsch-Indië, door de verdeeldheid zijner bevolking, voor zelf-regeering niet rijp is en nog lang de voogdijschap van een andere regeering zal noodig hebben. Dat de over hem gestelde macht wel eens fouten zal maken door het uitzenden van vertegenwoordigers, die niet voor hunne taak berekend zijn, of door het treffen van maatregelen, die te veel een Europeesch karakter dragen en met de Indische toestanden niet genoegzaam rekening houden, is licht te begrijpen. Daarvoor behoeft echter de Britsche regeering niet hard gevallen te worden.

Iets anders is echter de persoonlijke verhouding der Engelschen tegenover de inlanders. Enkele gunstige uitzonderingen daargelaten, zijn de Engelschen zeer te laken over dit hun gedrag. Iedere inboorling van Indië is voor hen een “native” en wordt door hen met de grootste minachting behandeld. Al heeft de man ook eene opvoeding in Engeland genoten, getoond een van de intelligentste menschen te zijn en hier eene hooge positie te bekleeden, dan nog wordt hij geboycott van hunne clubs, kan nooit verwachten bij een Engelschman geïnviteerd te zullen worden, en kan zelfs geen lid worden van eene leesinrichting, wanneer de Engelschen die voor hunne ontwikkeling noodig hebben. Toen wij tweeën eens voor ’n kleinen afstand onze plaats in den trein niet gereserveerd hadden en wij in de eerste klasse zochten waar nog een plaats open was, vonden wij een waggon, waarin slechts één heer zat. De stationschef, een Engelschman, zag ons instappen en kwam onmiddellijk mededeelen, dat wij daar toch niet konden gaan zitten: wij hadden dan te reizen met een native. Wij zeiden geen bezwaar te hebben en bleven waar wij waren. Het was echter als een loopend vuurtje op het perron bekend geworden, dat twee Europeesche dames waren gaan zitten in een waggon met een native, en elkeen kwam voor het venster om ons te bekijken en uit te maken welk soort menschen wij waren. Wij hebben over ons gezelschap niet te klagen gehad en met hem een interessanter gesprek gevoerd, dan met menig Engelschman mogelijk is. [385]


1 De Hindoe gelooft, dat de wereld nu in haar vierde tijdsperiode verkeert, dat wij leven in de Kali-Yug, die 18 Febr. 3202 vóór Christus begonnen is en 432.000 jaren zal duren. Dat wij nu leven in de tijdsperiode van verwoesting. De eerste periode was Satya, de eeuw van waarheid, die duurde 1728.000 j. De tweede Treta, de eeuw van behoud, duurde 1296.900 j. De derde Dwapara, duurde 864.000 jaren.

[Inhoud]
Ornament

In Burma.

De Arankola, het mooie, kleine, zindelijke bootje van de British India Steam Navigation Co., bracht ons in twee en een halven dag van Calcutta naar Rangoon. Dat waren twee heerlijke, rustige dagen, die mij lang zullen heugen. Wij waren de twee eenige damespassagiers eerste klasse en ook het sterke geslacht was slechts door vijf jonge mannen vertegenwoordigd. Het nette geriefelijke damessalonnetje was voor ons alleen, en elk onzer had een groote comfortabele hut. Wij hadden een gevoel alsof wij een private stoomboot hadden afgehuurd, waarvan het geheele personeel te onzer beschikking stond. De jonge mannen, vriendelijk en voorkomend en zich bij alles te onzer beschikking stellend, droegen er niet weinig toe bij om dat gevoel te versterken. Gedurende de drie groote maaltijden van den dag, waaraan ook de kapitein, eerste machinist en eerste officier deelnamen, zat het kleine groepje aan één tafel samen en werden wij door een talrijke zwarte bedienden-troep bediend. Dan was er een algemeen levendig gesprek, over Burma en de Burmeezen, over Britsch-Indië en het Engelsch beheer, dan werd het Engelsche gouvernement tot in de wolken verheven en dan voelden de Engelschen zich trotsch boven elke natie staande. Het is voor ’n vreemdeling onuitstaanbaar den blufferigen toon aan te hooren, waarop overal en altijd de Engelschman over zijn land en volk spreekt, maar aan den anderen kant ligt daarin toch ook veel te apprecieeren. Dat warme nationaliteitsgevoel heeft toch ook zijn goede zijde, al schijnt het vrijwel een gevoel van bekrompenheid.

Om half acht verlieten wij Dinsdagmorgen de haven van [386]Calcutta en eerst om vier uur ’s middags bereikten wij den mond van de Gangesrivier. Al dien tijd brachten wij op deze rivier door en stoomden de hier en daar mooi met hooge palmen en groote in bloei staande boomen begroeide oevers voorbij. De overgang van de rivier in de baai van Bengalen was bijna onmerkbaar, omdat ook daar de zee kalm was, als op een meer. Het was een heerlijke rustige tijd, om lezende en droomende, starende in de helderblauwe wolkenlooze lucht, door te brengen. Het bracht ons weder in evenwicht en in staat van Burma en de Burmeezen in korten tijd zooveel mogelijk in ons op te nemen. Tegen ongeveer elf uur kwamen wij Donderdagmorgen in de Rangoon-rivier en kregen toen reeds heel spoedig den gouden top van de groote, wereldbekende pagode van Rangoon in het gezicht. Toch werd het nog bijna twee uur, alvorens wij in Rangoon aankwamen, alle formaliteiten waren afgeloopen en wij aan wal konden gaan.

Nu waren wij in Burma en alsof wij een blad hadden omgeslagen van een plaatwerk, zoo was op eens het beeld veranderd van hetgeen zich thans aan ons oog vertoonde. Vlak bij de landingsplaats stonden de rijtuigen met hunne bruine, naakte koetsiers en deze laatsten bestormden ons om ons naar het hotel te brengen. Van het bijna leege schip was niet veel te halen, de meesten moesten zonder vrachtje huiswaarts keeren. Wij moesten echter eerst zien of er niet een beter vervoermiddel te verkrijgen was, voordat wij ons in deze vierkante vogelkooi op groote bandlooze wielen, met een paard als een rat, nedervlijden. Al spoedig vernamen wij, dat deze “gharries” de Burmeesche rijtuigen waren en wij ons daarvan te bedienen hadden. Gelukkig zijn onze ingewanden reeds gewend om door elkaar geschud te worden, zulke tochtjes doen ons heelemaal geen kwaad meer, hebben zelfs dikwijls eene zeer heilzame uitwerking.

Wat een heerlijke, verkwikkende, opvroolijkende indruk gaat van Rangoon uit. Niettegenstaande het misschien een van de warmste plekjes op aarde is en men verwachten kan, dat elkeen hier gebukt gaat onder den deprimeerenden invloed van die nat-warme hitte, ziet men hier een levendigheid en een vertier, en wat het meest aantrekt, een lach op elks gelaat en een vriendelijke expressie in ieders oog, die onwillekeurig eene stimuleerende werking op ieder mensch moet [387]uitoefenen. Nadat wij in het hotel onze kamers in bezit genomen hadden, begaven wij ons onmiddellijk de straat op, hoewel de zon nog wreed-brandend hare stralen op ons neder zond. Hier konden wij ons dus weder vergasten aan het gezicht van vrouwen in de straten, vrouwen, die niet alleen, zooals in Britsch-Indië, het zwaarste en vuilste werk verrichten, maar vrouwen uit alle rangen van de maatschappij, die zich op straat bevinden voor de verschillende dergelijke redenen als waarom zich ook bij ons vrouwen op straat bevinden. De Burmeesche vrouwen zijn zeer opvallend. Zij gelijken zeer veel op de Japansche en Chineesche vrouwen, zij behooren trouwens ook tot het Mongoolsche ras. In hare gele, rose, blauwe, mauve of anderskleurige zijden nauw om de beenen sluitende sarong, hare wit geborduurde kabaja, hare lange, dikke, zwart-glimmende haarwrong als een diadeem op de kruin van haar hoofd, waarin altijd eenige versche bloemen steken, en een nooit ontbrekenden vriendelijken lach in hare oogen, wandelt zij met hare gebloemde Chineesche pajong boven haar hoofd in de eene, en eene brandende sigaar in de andere hand, even vrij door Rangoons straten als de vrouwen van elke beschaafde Europeesche natie in eigen land.

Een Buddhistpriester met twee leerlingen.

Een Buddhistpriester met twee leerlingen.

Rangoon heeft eene bevolking van ongeveer 300.000 zielen en daarvan zijn slechts 80.000 Burmeezen.

De anderen zijn menschen uit verschillende Oostersche landen. Velen komen uit Britsch-Indië. Alle koelies bijv. zijn Hindoes uit de laagste kaste, want nooit zal een Burmees zich verlagen om koelie-werk te doen. Dan zijn er velen uit Thibet en China, uit Ceylon en Afrika en ook onze Maleiers ontbreken niet. Europeanen vormen slechts een klein deel en dat zijn bijna allen personen, die hier slechts een tijdelijke functie waarnemen. Doch zoodra men Rangoon verlaat en dieper het land intrekt, dan ontmoet men Burmeezen en niets als dezen.

Naast de Burmeesche vrouwen vallen in de straten van Rangoon de Boeddhistische monniken ’t sterkst op. Ik beschreef ze reeds in Ceylon, deze kaalgeschoren, bijna naakte mannen in hunne oranjekleurige doeken gewikkeld, die hun geheele leven nietsdoende doorbrengen. Kerken hebben de Boeddhisten niet, dus kerkdienst hebben zij niet te vervullen en zelfs bij een sterfgeval, huwelijk, geboorte of zulk soort omstandigheden [388]in eene familie doen zij geen dienst. Als de hedendaagsche Boeddhist in zulke gevallen een priester verlangt, dan gebruikt hij daarvoor een Brahmaan. Vroeger heette het, dat de Boeddhist-monniken de opvoeding en het onderricht van de jongens tot taak hadden en toen was er in Burma geen man, die niet een of meer van zijne jongensjaren in een monnikenklooster had doorgebracht, daar had leeren lezen in eigen taal en de Boeddhistische wijsheid had opgezogen. Sedert er echter gouvernementsscholen zijn, zenden de meeste ouders hunne jongens naar deze scholen en wordt het zedelijk verplicht verblijf in een monnikenklooster voor elken jongen beperkt tot eenige dagen in zijn geheele leven. Als opvoeders der jeugd kunnen de priesters dus ook al niet meer beschouwd worden en hoewel de boeken van Fielding Hall, die met zooveel sympathie schrijft over het Boeddhisme, mij het mooie, poëtische in dezen godsdienst wel hebben doen gevoelen, is hij er toch niet in geslaagd mij eenige sympathie voor dit priesterdom in te blazen. Hun leven is zeer simpel, zij eten slechts eens per dag en gebruiken alleen voedsel, dat door de jonge priesters ’s morgens is opgebedeld. Zoo luidt tenminste hun voorschrift, doch of daaraan strikt de hand wordt gehouden, betwijfel ik, na hetgeen ik daarvan in Ceylon zag en uit den mond van een priester vernam. Het is een vreemd gezicht als men ’s morgens vóór twaalf in een der drukke straten van de Bazaar loopt en men ziet dan een lange rij Boeddhistische priesters één voor één achter elkaar loopend met een groote steenen bak op hun hoofd of om hun hals, gebeden prevelend, voorbij trekken; geen moedertje blijft dan achter haar toonbank daadloos, allen komen uit om in den steenen bak wat gekookte rijst, wat toebereide groenten, wat brood of iets dergelijks te werpen. Sommige van die kleine vrouwtjes staan reeds met hun zorgvuldig bereide gift op den rand van het trottoir te wachten, tot de monniken komen aanloopen.

Dit is niet de eenige wijze waarop een Boeddhist zijne zaligheid koopt. Als hij een rijk mensch is, dan laat hij een mooi Boeddhabeeld maken en bouwt daar een mooie pagode omheen, dat is de zekerste weg tot eeuwige gelukzaligheid. Men kan die ook verwerven door het bouwen van een klooster en als daartoe de middelen ontbreken door het plaatsen bij een boom of aan den voet van een berg van een kruik koel [389]drinkwater voor de passeerende menschheid, of door rustplaatsen in te richten voor den vermoeiden voetganger. Er ligt een bijzondere soort vriendelijkheid in den godsdienstvorm van deze menschen. Zij aanbidden geen God; Boeddha was van meening dat er geen God was, die aanbidding verlangt, doch zij gaan naar hun pagoden om Boeddha te verheerlijken. Geen man, noch vrouw, noch kind komt daar zonder bloemen, zelfs de zuigeling op moeders arm wordt een roos in het handje gestopt, om aan Boeddha’s voeten neer te leggen. Al de pagode’s zijn elken dag vol veelkleurige bloemen, die des avonds worden verwijderd, om plaats te maken voor de frissche bloemen van den volgenden dag. Man, vrouw en kinderen komen gezamenlijk hunne offeranden—altijd bloemen en niets dan bloemen—brengen, knielen dan voor een der vele Boeddhabeelden in deemoedige houding neder en prevelen een soort gebed. Volgens Fielding Hall bidden zij echter niet, doch komt hetgeen zij zeggen daarop neder, dat het leven ellendig is, alleen verdriet en moeilijkheden baart en dat na den dood eerst het hooge geluk kan aanbreken en dat zij Boeddha danken, omdat hij hen dat geleerd heeft.

De Boeddhisten bidden echter ook wel, doch niet tot God of Boeddha zenden ze hunne gebeden op, maar tot de goede en booze geesten. Volgens hen is er leven in alles. Boomen en planten, bergen en rivieren, rotsen en steenen, alles leeft, in alles huist een geest. Deze geesten, die goede en booze geesten kunnen zijn, aanbidden zij. Zulk een geest kan een ziek kind gezond maken, een oogst doen mislukken, een vrouw de liefde van haar man terugbrengen, of een jongeling’s hart doen gloeien voor een of ander meisje. Die geesten beschikken over leven en dood, over welvaart en ellende. Hen tot goed vriend te houden, met hen op goeden voet te verkeeren, is politieke wijsheid en daarom doet een Boeddhist alles waarmede hij zoo’n geest meent te kunnen dienen.

Wij begaven ons den eersten keer in schemerdonker naar de Shwe Dagón Pagode, dat is de meest beroemde van alle pagode’s; dan krijgt men het best een algemeenen indruk en ziet niet de détails. Het miste zijne uitwerking op ons niet. Wij stonden letterlijk verbaasd. Het was zoo geheel iets anders dan alles wat wij tot dusver gezien hadden en de talrijke Boeddhisten, die met ons de hooge stoep opklommen om daar [390]boven hunne hulde te brengen aan den grooten profeet en hunne bloemen aan zijne voeten te leggen, werkten er toe mede om den diepen indruk, dien dat alles verwekte, te verhoogen. Het was een schoon Oostersch beeld, dat ons met sympathie vervulde voor de Boeddhisten en hun grooten voorganger. Den volgenden dag gingen wij er bij helder daglicht heen en toen nam al dat klatergoud, al dat gekleurde glas, dat bij avond als diamanten en robijnen schittert, en al die honderden Boeddhabeelden, elk in een afzonderlijken pagode rondom de eenige groote tombe, die het een of ander stuk van Boeddha’s lichaam in haar binnenste herbergt, veel van het verheven gevoel weg, dat ons des avonds had bezield.

Rangoon is een mooie stad, veel mooier, veel Oosterscher en veel interessanter dan Calcutta. Er zijn zeer mooie rijtoeren in en om de stad te maken, die rondom de lakes is het schilderachtigst. Doet men dien tocht ’s avonds tusschen vijf en zeven, dan heeft men nog het voordeel om heel de élite van Rangoon aan zich voorbij te zien trekken, vooral op een avond als er in het midden van een der groote grasvelden, waarvan alleen de Engelschen het geheim schijnen te bezitten om ze fluweel groen te maken, een muziekkorps van een of ander Engelsch regiment een concert geeft. Dan hoopt zich daar heel de groote wereld van dit cosmopolitische stadje in een betrekkelijk kleinen cirkel bijeen, dan vindt men daar specimina van bijna alle orientalische volkeren. Wij lieten ons rijtuig op kleinen afstand halt houden om die bonte menigte beter te kunnen overzien. Op dat in-groene grasveld, onder hooge palmen van allerlei soort, werd het militaire muziekkorps omringd door Europeanen in hunne witte kleeding; Burmeesche vrouwen en mannen in hunne veelkleurige sarongs en witte kabaja’s, de vrouwen nog veel meer dan in de straten hunne haren met levende bloemen versierd; door geheele families Chineezen, hare staarten met gekleurde linten doorvlochten en mannen en vrouwen zóó gekleed in zijden broeken en jassen, dat wij ze niet van elkander konden onderscheiden; door Japanners in hunne eigen en eigenaardige kleederdracht; door vele Hindoes en Parsees en door de rijk met gekleurde koralen en gouden sieraden behangen Thibet-vrouwen. Hier kwamen al de rijke lui van Rangoon bijeen, menschen, die althans rijk genoeg om zijn eigen rijtuig, automobiel of [391]rijpaard er op na te houden. Hier werd een stuk society-life afgespeeld, waarvan wij niet de volle beteekenis konden begrijpen, omdat wij bijna geen dier menschen kenden. Alleen van enkelen werd ons hunne beteekenis in de geld- en handelswereld medegedeeld.

Een van de bijzonderheden van Burma is wel het groote gebruik, dat nog gemaakt wordt van olifanten als arbeidskrachten in de houtwerken. Wil men dat echter goed zien, dan moet men dieper het land intrekken en de oerwouden bezoeken. Men had ons gezegd en ook de gidsboeken vermelden het, dat een paar mijlen van Rangoon verwijderd eenige houtzaagmolens zich van olifanten als arbeidskrachten bedienen en wij namen de moeite om een ochtend om zes uur op te staan en om half zeven te rijden naar een dier gelegenheden. Het was echter alleen ondergeschikt werk, dat daar door drie olifanten gedaan werd, het andere geschiedt alles machinaal. Dat hadden wij in Ceylon reeds veel beter gezien, zoodat wij dezen tocht vrijwel als een mislukten beschouwden. Bij de groote pagode is een zoogenaamde witte, heilige olifant. Het dier is echter heelemaal niet wit, alleen wat lichter grijs van tint dan zijne broeders. Men beweert echter, dat het beest bij de geboorte bijna wit was en bij de toeneming der jaren donkerder van tint is geworden. Het dier heet echter nog de witte olifant.

Behalve een overgroot aantal monnikenkloosters, bezit Burma ook nonnenkloosters. Die zijn echter slechts weinig in aantal. De nonnen gaan allen gekleed in een gele sarong met witte kabaja en daarover losjes een rose getinte, zeer dunne shawl. Zij vallen in de straten onmiddellijk op, omdat hare hoofden, evenals van de monniken, kaal geschoren zijn. Als men ze ’s morgens vóór twaalf uur in de straten ziet, hebben zij meestal ook een bedelpan op het hoofd en verzamelen daarin de goede gaven der eenvoudige burgers. Deze nonnen leven, als ’t kan, een nog doelloozer leven dan de monniken. Zij doen letterlijk niets, zelfs besteden zij den tijd niet aan het lezen der boeken van Boeddha. Zij meenen hemelsche zaligheid te verwerven door zich van alle wereldsche genoegens te spenen. Wat een hemelsbreed verschil met de Roomsch-Katholieke nonnen, waarvan wij juist hier in de lepragestichten de meest sympathieke staaltjes van zelfopoffering [392]zagen. Lepralijders schijnen hier in grooten getale voor te komen, overal zijn hier tehuizen voor hen ingericht. Wij zagen zulk eene inrichting voor mannen en een voor vrouwen, waarin 350 lijders op de meest liefderijke wijze door Franciscaner nonnen verpleegd worden.

Moge het Boeddhisme ook veel aantrekkelijkheid bezitten en zeker de meest poëtische godsdienst zijn, mij bekend, de Boeddhist-monniken en -nonnen kunnen geen sympathie wekken. Terecht of ten onrechte schrijf ik den lagen stand van ontwikkeling van de Burmeezen aan hun invloed of althans aan hun voorbeeld toe. Niets-doen, in de volle beteekenis van het woord, geeft recht op vereering in dit leven en op eeuwige zaligheid hier namaals; dit is te gemakkelijk te verwerven dan dat in dit heete land, waar men zoo vanzelf energieloos wordt, niet tal van jonge mannen zich aangetrokken gevoelen om hunne lange haren te laten afscheren en in een gelen doek gewikkeld verder het leven te slijten. Tot daden, die eenige inspanning van geest of lichaam vereischen, komen deze menschen nooit; ook gelooven zij, dat elkeen bij de geboorte reeds is voorbestemd voor wat hem verder in het leven zal wedervaren en dat het doelloos is zich daaraan te willen onttrekken of dat te willen wijzigen. Van zulk een volk kan natuurlijk geen kracht uitgaan, zulke menschen brengen de wereld niet vooruit.

Ik bewonder mijzelf, dat ik hier nog de energie heb kunnen verzamelen dezen brief te schrijven, die, in letterlijken zin, in het zweet mijns aanschijns is ten einde gebracht. Over ’t geen wij hier meer zagen en ondervonden, hoop ik op de boot naar Penang gelegenheid te vinden het een en ander mede te deelen, want ’t is hier eigenlijk veel te heet om een vin te verroeren. Als ik hier lang bleef ben ik er niet zoo zeker van ook niet een Boeddhist-non te worden en het verdere van mijn leven in een zalig niets-doen door te brengen. [393]

[Inhoud]
Ornament

Burma en op weg naar Penang.

Ik zit nu aan boord van de “Dilwara”, die ons van Rangoon naar Penang zal brengen en ofschoon het ook hier snikheet is, zal ik toch trachten wat meer van Burma en de Burmeezen te vertellen dan ik in mijn vorig schrijven deed. Want dit land en volk is een ernstige studie waard, het is zoo geheel verschillend van alle andere volken. Eensdeels zijn zij eenige eeuwen bij anderen ten achter en anderdeels zijn zij andere natiën ver vooruit. Dit laatste vooral voor zoover het de positie der vrouwen betreft.

Ons plan was geweest, minstens drie weken in Burma door te brengen, naar Mandalay, de interessantste stad in Burma te gaan, vandaar naar Bhamo, een paar bergtoeren te maken en dan de Irrawadday-rivier afgaande, naar Rangoon terug.

Wij hadden de rondreiskaarten daarvoor reeds besteld den eersten dag toen wij arriveerden en nog vol energie waren. Toen ik echter den volgenden morgen na het ontbijt in de kamer van mijn reisgezellin verscheen om gezamenlijk uit te gaan, vond ik haar weder ontkleed op haar bed liggen, in Hindoe’s costuum, zooals zij het geliefde te noemen en vast besloten “den heelen dag geen vin te verroeren, omdat zoo’n hitte niet te verduren is”. Ik toog er toen moedig alleen op uit en vernam dat Mandalay op het oogenblik nog veel heeter dan Rangoon is, dat de booten op de smalle rivier, met de thans hooge oevers (omdat er weinig water in de rivier is) onuitstaanbaar zijn van de hitte en de muskieten, die aldaar bijzonder bijtlustig zijn, en dat wanneer wij het in Rangoon [394]reeds te warm vonden, de voorgenomen reis sterk ontraden moest worden. Toen ik met dat bericht thuis kwam, besloten wij die reis op te geven en te trachten ons van onze reiskaarten weder te ontdoen. Met een verlies van 10% lukte ons dit. Wij moesten echter tot den 21en Maart in Rangoon blijven, omdat er geen boot vóór dien tijd naar Penang ging.

Wij hadden eenige introducties in Rangoon en ik had dien morgen genoeg vernomen om ons nieuwsgierig te maken. Met een opwekkend woord mijnerzijds en den prikkel om wat van Burma’s vrouwen te kunnen vernemen, gelukte het mijn reisgezellin genoegzaam energie te verzamelen om haar Hindoe’s voor een geciviliseerd toilet te verwisselen en met mij er op uit te gaan. Ik had ook een victoria bemachtigd, zoodat wij van de Rangoonsche gharrie verlost waren. Regelrecht lieten wij ons naar het gemeentehuis brengen, alwaar wij met den president en den secretaris van het gemeentebestuur een zeer belangrijk gesprek hadden. Het was waar wat wij vernomen hadden, dat de vrouwen van Burma het kiesrecht voor de gemeenteraden bezitten, evenals de mannen, en dat daarvan door hen geregeld gebruik wordt gemaakt, procentsgewijze evenveel als door de mannen. De vrouwen zijn ook verkiesbaar, doch voor zoover de heeren wisten, was er nog nooit een vrouw candidaat geweest voor een zetel in den raad. Maar sedert eenigen tijd begonnen de vrouwen zich te roeren, zij waren ontevreden met genomen besluiten, en de naam werd genoemd van een dame, die zich bij de volgende verkiezing candidaat zal stellen. Wij vroegen het adres van die dame en na nog tal van inlichtingen ontvangen te hebben, omtrent verschillende gemeente-instellingen, scholen, gevangenis, hospitalen enz., gingen wij die dame, Mah Illà Oung, opzoeken.

Mah Illà Oung.

Mah Illà Oung.

Dat was een vrouw naar ons hart. Zij was thans weduwe, doch reeds bij het leven van haar man, die een van de hoogste posities hier in Engelschen dienst bekleedde, stichtte zij verschillende sociale instellingen en trachtte zij de Burmeesche vrouwen te vereenigen. Zij was reeds twee keer in Engeland en werd zoowel door koningin Victoria als door koning Edward en koningin Alexandra in particuliere audiëntie ontvangen, waarop zij hen over toestanden in Burma met betrekking tot [395]de opvoeding der Burmeesche meisjes inlichtte. Vooral door haar toedoen is er ’n groote verbetering gekomen in de opvoeding der Burmeesche meisjes, die nu, voor zoover ’t de hoogere en middenklasse der bevolking betreft, allen naar school gaan. Haar ideaal is co-educatie voor jongens en meisjes, dat dan ook in de beide scholen, door haar in Rangoon gesticht, strikt wordt doorgezet. Haar scholen worden door 370 en 420 kinderen bezocht. De leerkrachten zijn grootendeels Burmeesche onderwijzeressen. Wij bezochten beide scholen en woonden een geheelen morgen ’t onderwijs in de verschillende klassen van een der beide scholen bij, dat in de hoogere klassen geheel in de Engelsche taal gegeven wordt. Het was een genot die kleine Burmeesjes en Chineesjes te hooren en te zien. Het onderwijs brengt de kinderen zoover, dat zij, zoo gewild, in Engeland of Britsch-Indië een van de universiteiten kunnen bezoeken om een doctorstitel te behalen, of met een tweejarigen cursus aan een school voor opleiding tot onderwijzeres het examen voor dit vak kunnen afleggen. Beide scholen staan onder de hoofdleiding van ’n directrice, dames (Burmeesche), die in algemeene ontwikkeling en helder oordeel, in kennis van talen en van literatuur voor de besten in Europa niet behoeven onder te doen. Deze dames hebben hare geheele opleiding in Rangoon ontvangen. Mevrouw Illà Oung vertelde ons, dat nu haar streven is, in Rangoon een universiteit te krijgen, zoodat ook de doctorsgraad in de verschillende vakken aldaar behaald kan worden. Zij hoopt, dat dan wat meer vrouwen voor doctor in de medicijnen zullen studeeren, waar groote behoefte aan is.

Mah Nee Nee.

Mah Nee Nee.

Hier in dit land van pagoden en kloosters, van nonnen en monniken, hebben de vrouwen dezelfde rechten als de mannen. Huwelijken werden tot voor korten tijd zonder priesters en zonder burgemeesterbriefjes gesloten; meisje en jongen komen overeen om te zamen een gezin op te zetten en als de ouders het goed vinden, wordt daaraan op zekeren dag gevolg gegeven, meestal voorafgegaan door ’n eenvoudig huiselijk of familiefeest. Tegenwoordig helpt een Brahma’sche priester den band tusschen de jongelieden leggen. Doch ook nu nog behoudt het meisje in het huwelijk haar eigen naam en wat meer zegt, haar eigen bezit en recht op haar eigen verdienst. De meeste Burmeesche vrouwtjes verdienen, ook [396]in het huwelijk, haar eigen onderhoud, evengoed als de mannen. Zij bezitten een stuk grond, dat zij zelf bebouwen, zij hebben haar eigen standplaats in de bazaar, waar zij zijde (dikwijls zelf geweven), zilver, houtsnijwerk of andere zaken verkoopen, zij gaan daags naar hunne kantoren of scholen, waar zij werken of onderwijs geven, of zij voorzien op andere wijze in eigen onderhoud. Even gemakkelijk als zij trouwen, kunnen zij ook scheiden, als een van beiden daartoe den wensch te kennen geeft en naar het bureau gaat, waar zij als man en vrouw staan ingeschreven. Als zij dan daar mededeelen dat hij of zij het huwelijk wenscht te ontbinden, dan wordt na eenige dagen ook de andere partij opgeroepen, vastgesteld wat ieder hunner vóór het huwelijk bezat en wat gedurende het huwelijk op beider naam is aangekocht of door gezamenlijke inspanning verkregen. Elk krijgt dan terug wat vóór het huwelijk het zijne was en het andere wordt verdeeld. Echtscheidingen in Burma zijn evenwel zeldzaamheden. De huwelijksband wordt om geen andere reden dan uit zuivere liefde gesloten en schijnt tegen een stootje bestand te zijn. Volgens de boeken van Fielding Hall gaat de hofmaking meestal van het meisje uit, doch toen ik een jonge Burmeesche schoone vroeg of dat waar is, gooide zij haar fijn besneden, zwart kopje op haar linker schouder, keek mij schalks met haar glinsterende zwarte oogjes aan en antwoordde bedeesd: “Ik geloof niet, dat meisjes daartoe den moed hebben”. Maar toen ik haar, zooals zij daar voor mij stond, goed opnam, toen wist ik, dat zij en Fielding Hall beide gelijk kunnen hebben; zonder het in zoovele woorden uit te drukken, kan de hofmaking toch heel goed van het meisje uitgaan. Zulke zwarte oogjes kunnen meer uitdrukken dan de mond onder woorden kan brengen.

Wij woonden in de school ook een godsdienstles bij. Men had het over zielsverhuizing. Die les werd in ’t Burmeesch gegeven, doch alles werd voor ons in het Engelsch vertaald. Wat ik daar hoorde, vind ik te belangrijk om er niet in het kort hiervan melding te maken. De Boeddhist gelooft niet aan een zielsverhuizing in den geest der Hindoe’s. Hun godsbegrip is ook anders. Dit werd den kinderen op de volgende wijze duidelijk gemaakt. Eerst werd verteld van de electrische kracht die licht geeft, licht dat soms op grooten afstand van [397]de lichtgevende kracht schijnt. De kinderen moesten zich nu een soortgelijke macht denken, die leven geeft. Een levengevende macht was de hoogste macht. Men kon die macht God, Jehova, Allah, of hoe ook, noemen, de naam was onverschillig, het was die macht, die over de geheele wereld alles beheerschte. Het leven werd verder vergeleken bij het electrische licht, de uitwerking van die macht, die wij zien. Soms breekt door een of andere oorzaak het lampje, het licht gaat dan uit. Zoo ook met het leven. Maar al is het lampje gebroken, het licht bestaat als te voren. De lichtgevende kracht had niet opgehouden te werken, het licht was niet verdwenen, het had slechts een ander omhulsel noodig om opnieuw te schijnen.

Toen ik zooveel van Burma en de Boeddhisten vernomen had, wilde ik Rangoon niet verlaten, alvorens nogmaals een bezoek te hebben gebracht aan de Shwé Dagon Pagode en de honderden pagoden rondom. Ik koos daarvoor weder den tijd van schemerdonker. Het was alsof die tallooze zittende Boeddha-figuren nu alle vriendelijk glimlachten en alsof een liefelijke muziek klonk uit die duizenden klokjes, die onzichtbaar aan de groote en kleine pagoden hangen en door den wind in beweging worden gebracht. Ik zag die bloemen brengende mooie Burmeesche vrouwtjes, met hunne poppige bébé’s en de altijd vriendelijke en hulpvaardige mannen nu met andere oogen, ik voelde groote sympathie voor dit volk en zijne religie in mij opwellen. Jammer, duizendmaal jammer, dat onder den invloed van Amerikanen, Engelschen en andere Europeërs, dit volk langzamerhand zijne zeden en gewoonten begint te verliezen, en zij en wij meenen, dat zij van ons zooveel leeren kunnen. Zeker kunnen zij wat van ons leeren, maar daarnaast valt er voor ons ook zoo heel veel van hen te leeren.

Donderdag tegen den avond, nadat wij dus ruim een week in Burma hadden doorgebracht, begaven wij ons aan boord van de “Dilwara”. Dit is een oude boot, die oorspronkelijk dienst deed voor troepenvervoer van Londen naar Calcutta. Voor dat doel werd hij afgedankt en nu gebruikt de Britsch-India Steam Navigation Co. hem als vrachtboot tusschen Rangoon, Penang en Singapore, met een begrensde ruimte voor passagiers. Die begrensde ruimte is nu tot over de grenzen bevolkt, het is alsof Indië al de nog resteerende toeristen [398]opeens heeft uitgeworpen en, bijeengepakt op deze boot, naar koelere streken zendt. Het is grappig, hoe wij vele toeristen die wij in Ceylon of in Indië in de vele hotels ontmoet hebben, thans hier bijeen vinden en hoe levendig de gesprekken zijn onder al die heeren en dames, die elkander op dit kleine plekje nu weder ontmoeten. Het is lang niet gemakkelijk een hoekje te vinden om rustig te kunnen schrijven. De medepassagiers zijn voor het meerendeel Engelschen en Amerikanen, die nu op weg zijn naar Japan, doch er zijn toch ook betrekkelijk vele Duitschers en eenige Oostenrijkers onder. Veel interessanter dan de eerste klasse passagiers zijn de tusschendekpassagiers. Van over de leuning van de brug zie ik juist op hen neer. ’t Zijn allen natives, zegt de eerste officier tot mij. Maar dan toch natives van bijna even zoovele tribes als er menschen daar beneden huizen. Dat is een gemakkelijker te vervoeren bende dan de 1ste klasselieden. Wij beklagen ons over alles, vinden de matrassen te hard, de hut te klein, geen gelegenheid genoeg om al ons hebben en houën te bergen, het ijs in onze dranken niet koud genoeg, de tien of twaalf gerechten, drie keer daags op de menu voorkomend, niet variëerend genoeg. De tusschendekpassagiers hebben allen precies zooveel ruimte, dat zij hun matje kunnen uitspreiden, waarop zij zich neervleien als zij gaan slapen, of waarop zij met gekruiste beenen neerzitten als zij wakende zijn. Die laatste toestand komt echter alleen voor, wanneer zij hun maaltijd gebruiken. Hun voedsel bestaat uit medegebrachte gekookte rijst, bananen en wat gedroogde visch of vleesch. Zij nemen niet kwart zooveel voedsel tot zich als wij gewoon zijn te doen en ze doen dat zonder omhaal van tafelbenoodigdheden. Geen borden, geen mes, lepel en vork, geen servet, geen drinkglas, niet van al die dingen die wij overbeschaafde menschen meenen noodig te hebben om ons voedsel in den mond te brengen. Zij zitten daar vlak naast elkander, geen speldruimte is er tusschen hen overgelaten, en zij lijken allen tevreden. In deze hitte zijn zij in hun element, hunne kleeren benauwen hen niet, behoefte aan beweging gevoelen zij niet.

Daar komen eenige jonge Engelsche athleten den eersten officier overvallen met de vraag, of er niet ergens een hoek gereserveerd kan worden, waar zij wat beweging kunnen nemen. [399]Een Engelschman houdt het geen drie dagen uit zonder den een of anderen vorm van sport. De Duitschers kunnen zich onledig houden met musiceeren. Voor de ontstemde piano zit steeds en altijd een van de Duitsche heeren en vergast ons soms op de heele Wagnercyclus. Jammer, dat de piano niet bij machte is de goede bedoeling naar waarde weer te geven. Vreemd, dat verschil tusschen die twee groote naties, dat hier op dit kleine schip al bijzonder opvallend is. De krachtig gespierde Engelschman, wiens energie in hoofdzaak in armen en beenen huist en de min of meer smachtig uitziende Duitscher, intellectueel veel hooger staande, zijne genoegens en afleiding zoekend in geestelijk werk. Doch toen den tweeden avond een bal geïmproviseerd werd, waren Duitschers en Engelschen beiden in hun element. Niettegenstaande de hitte, en de meer dan beperkte ruimte, waren er toch nog steeds drie of vier paren te vinden, die op de tonen van de Waltzertraum-wals ronddwarrelden. Ons potsierlijk dik kapiteintje, met zijne veel te korte beentjes, was onvermoeid. Kon hij geen jong meisje of jong vrouwtje vinden om met hem op de tonen der muziek “rond te zwieren”, dan beproefde hij zijn geluk bij de ouderen. De bezitters van een kodak betreurden het allen, dat het avond was en zij hem niet konden vereeuwigen, zooals hij daar rondsprong. Er heerschte op dit schip zoo’n opgewekte toon, er was den geheelen dag zoo’n onoverdreven vroolijkheid, er was zooveel afleiding, dat de 2½ dag omvlogen.

Het was Zondagmiddag na de lunch toen het anker werd uitgeworpen en wij even buiten Penang stil lagen. De sloep met de doctoren voor de medische inspectie kwam aan boord. Ik schrijf doctoren, want naast mijne mannelijke collega liep ernstig en statig een klein Chineesch vrouwtje, in zwart zijden pantalon en wijd hangend jasje, haar glinsterende zwarte haren op Japansche wijze gekapt, die als de “lady-doctor” werd geïntroduceerd. Ik liet mij aan haar voorstellen, doch toen bleek, dat zij niets meer dan een “trained nurse” is, die door de regeering is aangesteld voor het medisch onderzoek der in Penang arriveerende vrouwen. Zij heeft haar opleiding in het hospitaal te Penang genoten.

Het bleek, dat op het schip toen het in Rangoon aankwam twee doodelijk afgeloopen gevallen van cholera en een van [400]pest onder de tusschendekpassagiers waren voorgekomen en daarom al die menschen nu voor tien dagen in quarantaine gingen. Eerste en tweede klasse passagiers konden echter aan wal gaan. Hadden wij dat vroeger geweten, wij zouden niet zoo rustig en genoegelijk de reis op dit schip gemaakt hebben. [401]

[Inhoud]
Ornament

Penang en Medan.

Het is loonend eenige dagen in Penang door te brengen. De stad met de geheele omgeving heeft zeer veel overeenkomst met Kandy in Ceylon. Er is ongeveer dezelfde plantengroei, dezelfde soort bergen en dezelfde soort villa’s voor de Europeesche bevolking. Maar de inlanders verschillen hemelsbreed van die op Ceylon. Naast enkele Indiërs, vindt men in Penang een overgroote meerderheid Chineezen, Maleiers en een mengsel van deze beide laatsten. Chineesch en Maleisch is de volkstaal, ook de kleederdracht dezer beide volken ziet men het meest aan den weg. Elke vreemdeling moet onmiddellijk getroffen worden door de groote zindelijkheid in de straten, zoowel in die, waar de Oosterlingen, als in die waar de Europeanen wonen. Alles ziet er keurig netjes en afgewerkt uit. De straten waarin in hoofdzaak Chineezen wonen, kenmerken zich duidelijk aan de gekleurde lampions, die aan elke woning hangen en aan de rood en blauw geschilderde plankjes met zwart of goud gemerkte namen in Chineesche letterteekens. Geheele buurten zijn door hen bevolkt en overal vindt men de kleine, nette gebouwtjes, meestal in een mooien tuin staande, waarin deze menschen ’s avonds bijeen komen en hun clubgebouw hebben. Opmerkelijk is het, dat zoovele Chineezen hier, blijkbaar pas kortelings, hunne staarten hebben afgesneden en er nu, zoolang hun haar nog niet rondom is bijgegroeid, bespottelijk uitzien. De meening van de Europeanen in Penang is, dat de republiek in China voor goed is gevestigd, en dat geen volk ter wereld zoo rijp is voor een republiek als de Chineezen. Men vertelde ons, [402]dat alle Chineezen, waar zij zich ook ter wereld bevinden, georganiseerd zijn. Elk hunner behoort tot zijn eigen geheim genootschap, waarvan zij hulp en steun ontvangen in tijd van nood en die hen van de noodige voorlichting dient. De positie van een Chinees kan niet zoo nederig en slecht betalend zijn, dat hij zijne contributie voor zijn genootschap niet vóór alles betaalt, en aan de voorschriften getrouw blijft. Dat maakt het volk thans sterk. Zij zijn over de geheele wereld overal doodgemakkelijk te bereiken en daar al die genootschappen gefedereerd en republikeinsch zijn, kunnen de instructies gemakkelijk uitgedeeld en gehandhaafd worden.

Wij bezochten in Penang een Chineeschen Boeddhistischen tempel, die eene bijzondere vermaardheid bezit. Zoowel de omgeving als de tempel zelf is zeer schilderachtig. De tempel is in een rots uitgehouwen, van den top van den berg kan men het geheel overzien. Het Chineesche Boeddhisme in Penang draagt meer het karakter van dat in Ceylon dan van dat in Rangoon. Hier weder geen offers van bloemen aan Boeddha, doch offers in geld en goed. Hier geen voedsel bedelende monniken, maar priesters die een zekere welvaart bezitten. Wij zagen een groep van acht priesters of monniken hun middagmaal nuttigen. Zij zaten allen op een stoel aan tafel, de hoofdschotel was rijst, doch daarnaast een dozijn andere gerechten, die bij de rijst genuttigd werden, en alles werd met dunne stokjes zeer netjes en sierlijk naar den mond gebracht. Is dat een trap van vooruitgang in beschaving, vroegen wij ons af. Deze menschen zitten niet meer op den grond, zij eten hun rijst niet met de handen en zij bedelen hun voedsel niet. Het mag zijn, doch de tempel in Penang, hoe schilderachtig die er ook uitziet, verwekt niet half die sympathie als de Pagodes in Rangoon. In dezen tempel zagen wij ook weder de afbeelding van zoovele duivels en draken en andere dingen om bang van te worden, die gereed staan om de menschen na hun dood te straffen, wanneer zij in hun leven iets boosaardigs gedaan hebben. Hier was weder een Boeddhisme, zooals wij ook in Ceylon aantroffen. Dan is het niet meer mooi; zoo kan Boeddha het nooit bedoeld hebben.

Wij hadden in de twee dagen die wij in Penang doorbrachten, juist tijd om een algemeenen indruk te krijgen en niets meer, en deze is een zeer gunstige. Het is er echter het [403]geheele jaar door zeer heet en dat maakt er het verblijf voor de Europeanen zeer afmattend.

Wij verlieten Penang Dinsdagmiddag aan boord van de “Calypso”, een Engelsche boot, en kwamen Woensdagmorgen in Deli aan. De Nederl. Paketvaart-Mpij. laat Dinsdags slechts een vrachtboot varen; wij zouden tot Vrijdag hebben moeten wachten, wilde ik aan mijn nationaliteitsgevoel voldoen om overal eigen ondernemingen te begunstigen, waar die te vinden zijn. Penang heeft een zeer pittoresque haven, maar om daar bij een beetje stormachtig weder aan boord te gaan of te landen, gun ik alleen mijne vijanden. Mrs. Catt noch ik dachten levend aan boord van de “Calypso” te komen, zoo ging de sampan, het bootje waarin de neger ons naar het schip roeide, op en neer en links en rechts. Dan eens zaten wij op de top van een golf, dan weder zakten wij zóó laag, alsof wij regelrecht naar den grond gingen. Op al onze zeereizen zijn wij beiden niet zoo nabij zeeziekte geweest als in dat kleine, nare ding. Tot overmaat van ramp bleek het dat de man niet wist welke van al die schepen de “Calypso” was, zoodat hij ons herhaaldelijk naar een verkeerde boot bracht. “Goddank”, ontviel mij, toen wij eindelijk het schip in de gaten kregen en wij naderbij kwamen. Er waren slechts drie andere passagiers aan boord, zoodat wij een hut voor het kiezen hadden.

Om half acht kwamen wij Woensdagmorgen in Belawan-Deli aan, en werden op dat vroege morgenuur aldaar reeds verwelkomd door mevr. Lievegoed, mevr. van Hengel en mej. Baanders, die ons beiden een heerlijke bouquet orchideeën aanboden. Ik gevoelde mij zoo dadelijk thuis in Sumatra, alles klonk zoo familiair en sympathiek in mijne ooren. Toen het treintje ons een uur later in Medan afleverde, vond ik daar op het perron zoo waarlijk de lieve, goede, oude vriendin en warme voorstandster van vrouwenkiesrecht, mevr. Kunst en hare schoondochter, benevens eenige heeren. In het hotel De Boer waren een paar rustige, frissche kamers voor ons in gereedheid gebracht en per automobiel en rijtuigen brachten allen ons gezamenlijk naar het hotel.

Medan gaf mij op het eerste gezicht den indruk, alsof ik in Baarn rondreed, alles ziet er niet enkel Europeesch, maar zelfs Hollandsch uit. De geheele ontvangst, onze kamers, het geheele hotel, alles was voor ons eene verrassing. In onze groote, [404]ruime, luchtige kamer staat ’t bed in een groote vliegenkast; dit is nieuw voor ons, maar het lijkt mij wel zoo luchtig als de dichte gazen muskietnetten rondom de bedden in Britsch-Indië. Ook de rijsttafel om twaalf uur was “a new experience”. Wij hadden door Britsch-Indië ook wel tot vervelens toe twee keer daags rijst met kerry gehad, maar het was niet dat. Wij kregen een soepbord voor de rijst en daarnaast een ander bord, waarop de tallooze bijspijzen gestapeld werden, die door drie verschillende jongens achtereenvolgens werden aangevoerd. Wij namen van alles een beetje “just to try”, maar toen het oogenblik was aangebroken om er van te eten, wisten wij niet hoe er mede om te springen. “You ought to know”, klonk de stem van mijne reisgezellin verwijtend, en ik zette een gezicht als iemand, die “wist” en vertelde haar, maar naar mij te zien en mij na te volgen. De “jongens” wisselden echter heel rare blikken onderling, die mij duidelijk toonden, dat wij niet op het rechte pad waren, zoodat ik, alvorens ons voor de tweede maal op deze wijze in de oogen der Javanen te compromitteeren, eerst bij onze goede vrienden zal informeeren hoe wij in het vervolg met al die lekkere kostjes moeten omspringen. Want lekker was het, daarover waren mrs. Catt en ik het eens; zij, die anders niet van rijst houdt, kwam nu tot de ontdekking, dat zij in Indië rijst en niets dan rijst wil nuttigen.

Ook over de badkamers wil ik een woordje zeggen, want over een paar dagen zijn wij er aan gewend en dan maken zij geen indruk meer. “En hier zijn de badkamers”, zeide de hotelier tot ons, toen wij in de geheimen van het hotel werden ingewijd. Een viertal groote vertrekken met steenen vloeren, een waterkraan, aan de zoldering een douche en aan den muur een spiegel, maar het allereerste dat men in een badkamer verwacht,—een badkuip—ontbreekt. Men kan zich in deze vertrekken ongegeneerd begieten met koud water, wat ik vanmiddag, toen ik het van de warmte niet goed meer kon uithouden, deed, met het gevolg, dat ik kort daarna begon te transpireeren, zooals ik nog nooit in mijn leven heb gedaan, maar een bad nemen kan men niet. Ook over het gebruik van deze soort badkamers zal ik eerst nog de noodige inlichtingen moeten inwinnen, want het komt mij voor, dat zij zoo alle doel missen. [405]

Kort nadat wij in het hotel aangeland waren, ontvingen wij een telegram uit Batavia, een welkomstgroet in Nederl.-Indië, van de ledengroep van de Ver. voor Vrouwenkiesrecht in Indië.

Onze goede vrienden in Medan lieten ons gedurende de heete uren van den dag tot rust komen, maar kwamen ons tegen vijf uur afhalen om een rijtoer in en rondom de stad te maken, zoodat wij ons konden oriënteeren en zij ons op de bijzondere plekjes opmerkzaam konden maken. Bij deze en latere tochten werd mijn eerste indruk nog versterkt, dat Medan en omstreken een bijzonder Hollandsch karakter draagt en alles er zoo netjes en welvarend uitziet.

Den tweeden dag van ons verblijf bezochten wij de tabaksonderneming van de Amst. Deli-Compagnie. De hoofdadministrateur, de heer v. d. Capelle, was zoo vriendelijk ons de auto te zenden om ons af te halen en hij zelf en zijne zuster vergezelden ons over de uitgestrekte bezittingen en legden ons de geheele tabakscultuur uit. Ongelukkig waren de droogschuren geheel leeg, doordat de tabak pas naar Holland was verzonden, doch wij zagen den nieuwen aanplant in verschillende stadia van ontwikkeling, en de heer v. d. Capelle gaf ons van het proces, dat de versch geplukte bladeren hebben door te maken, alvorens zij als dekbladen voor de fijne sigaren naar de markt gestuurd kunnen worden, zoo’n duidelijke verklaring, dat wij ons daarvan eene goede voorstelling konden vormen. Vooral troffen ons op deze onderneming de goede zorgen, die er voor de werklieden, de koelies, genomen worden. Aan hunne geestelijke ontwikkeling, hunne ontspanning, hunne gezondheid en hunne economische belangen wordt de grootste zorg besteed. Deze onderneming, die met zoo grooten voorspoed werkt, schijnt de nijvere mieren, die dien voorspoed helpen aanbrengen, bij de verdeeling der winsten niet te vergeten.

En nu zit ik reeds op de “Van Noort”, de boot van de Kon. Paketvaartmaatschappij, die ons van Deli naar Batavia zal voeren. Wij waren de week, die wij in Medan doorbrachten, zoo bezet, dat er voor het vervolgen van dezen brief geen tijd overbleef. Ik zal dus nu aan boord mijne aanteekeningen over dat verblijf uitwerken en aan hen, die er belang in stellen, mededeelen. [406]

De dames in Medan hebben de geheele week voor de noodige afwisseling gezorgd, en ons verblijf aldaar tot eene van de aangenaamste gemaakt die wij in de laatste maanden doormaakten. Een van de eerste dagen bracht men ons in aanraking met de vrouw en dochter van den Chinees-majoor, die ons allervriendelijkst op een morgenbezoek ontving. Wij vonden vooral in de moeder eene vooruitstrevende vrouw, die goed Hollandsch spreekt en die zich voor verschillende zaken interesseert. Doch zij is toch te veel nog vrouw van haar land dan dat er van haar eenig initiatief kan uitgaan om den strijd op te nemen tegen verouderde zeden en gewoonten. Haar 16-jarig mooi dochtertje is verloofd met een jong man, dien zij nog nooit gezien heeft en dien zij, nadat het huwelijk voltrokken en zij voor goed aan hem verbonden is, voor het eerst zal ontmoeten. De moeder vertelde dat zij een dergelijk huwelijk indertijd geweigerd heeft, dat zij het doorgezet heeft haar man eerst te zien en hem toen de belofte heeft afgedwongen, dat hij nooit eene tweede, wettige vrouw naast haar zou nemen. Haar dochtertje ging echter op de oude wijze het huwelijk en daarmede voor haar het leven in. Ook de weduwe, of liever een der weduwen, van den overleden Chinees-majoor had den wensch te kennen gegeven ons te ontvangen en ook daar brachten wij een kort bezoek. Deze dame sprak echter slechts enkele Hollandsche woorden, zoodat een gesprek met haar niet goed wilde vlotten. Daar interesseerde ons meer de typisch Chineesche woning, met den eigen familietempel, waar nog eenige keeren daags offeranden geplengd worden aan de nagedachtenis van den eerst eenige maanden geleden gestorven heer des huizes.

Zondagavond, 30 Maart, hadden wij de eerste openbare vergadering, waar Mrs. Catt en ik over vrouwenkiesrecht zouden spreken. Het was een snikheete dag en ’t was alsof de avond nog zwoeler was dan de dag. Dat zal wel aan ons gelegen hebben, want wij hadden er tegen op gezien om in een temperatuur van zoo om en bij 90 graden Fahrenheit een lans voor de invoering van dat van zelf sprekend recht te breken. Wij waren bevreesd, dat niemand de moed zou hebben om bij die hitte in een zaal naar een voordracht over een, uit den aard der zaak, droog onderwerp te komen luisteren. Wat dit laatste betreft viel het echter bijzonder mede. [407]Toen wij om kwart over negen, het uur waarop de vergadering zou beginnen, op het podium plaats namen, zagen wij voor ons een zaal vol dames en heeren, wier belangstelling in de publieke zaak groot genoeg was om de hitte in de zaal te trotseeren. Tot over twaalf uur bleef het geheele gehoor aandachtig luisteren, eerst naar onze voordrachten en toen naar de beantwoording van de ons gestelde vragen, en toen bij het sluiten der vergadering mevrouw Lievegoed, die deze bijeenkomst meesterlijk leidde, de aanwezigen attent maakte, dat allen, die wenschten het streven der leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Nederland te steunen, dit konden doen door als lid der vereeniging toe te treden, toen werden de daarvoor gereed gelegde lijsten zoo druk geteekend, dat de wenschelijkheid onmiddellijk bleek en ook werd uitgesproken, dat er een ledengroep in Deli en omstreken gevormd zal worden.

Toen wij den 1en April in den vooravond ook in Pangkalan Brandan, de groote petroleumonderneming, met de daar aanwezige Europeanen, dit voor ons zoo belangrijk onderwerp bespraken, bleek ook daar de belangstelling en de sympathie groot en werden ook daar vele leden gewonnen. Het was jammer, dat wij aan de uitnoodiging van de twee andere ondernemingen, om ook daar te komen spreken, niet meer hebben kunnen voldoen, anders was zeker de ledenoogst nog grooter geworden. De ledengroep in Deli begint nu met 86 leden te werken en zal onder de flinke leiding van mevrouw Lievegoed en enkele andere dames daar wel spoedig nog sterk in aantal winnen. Opmerkelijk is zeker, dat zoovele mannen zoo bereid gevonden werden ons pogen te steunen. Zij, die in Indië zelve invloed op onze wetgeving missen, voelen krachtiger dan de mannen in Nederland, hoe gemakkelijk in de regeeringslichamen de belangen verwaarloosd worden van hen, die niet vertegenwoordigd zijn.

De heer en mevrouw Du Pont, hoofdadministrateur van de onderneming “Pangkalan Brandan”, hadden daar alles prachtig voor ons geregeld en ons op de meest voorkomende wijze gastvrij ontvangen. Mevrouw Lievegoed vergezelde ons ook daarheen en leidde op even eenvoudige en goede wijze als zij dat in Medan had gedaan, ook deze vergadering.

Het was een verrukkelijke tocht van Medan naar Pangkalan [408]Brandan, waarvoor de heer Van de Capelle ons een van de mooiste auto’s had afgestaan, zoodat wij nu eenige uren achtereen door de uitgestrekte tabaksvelden, rubberaanplantingen, pisang- en kokosnootbosschen vlogen, in plaats van drie uren in een primitieven trein door te brengen. Vooral des avonds, toen wij omstreeks middernacht langs de eenzame wegen huiswaarts keerden en de volle maan ons pad met een zilvergloed overgoot, toen schudden die wuivende pisangbladen en de mooi verlichte reusachtige kokosnootpalmen bij ons alle drie de fantasie wakker, zoodat wij zwijgend naast elkander zaten en alleen bij het voleindigen van den tocht den uitroep slaakten: “Hoe verrukkelijk!” Voor het eerst, na vele weken, ging ik dien nacht, heel laat, met een kouden neus naar bed.

Zou ik nog meer over Medan schrijven en over allen, die ons daar zoo voorkomend hebben ontvangen; over het allerliefste gezin van dr. Van Hengel; over de tallooze voorkomendheden van de goede mevrouw Kunst; over.... neen, ik noem niemand meer, want ik ben overtuigd, dat ik er altijd eenigen zou vergeten en onze waardeering voor al hetgeen men voor ons deed, kan ik toch nooit geheel in woorden uitdrukken.

Alleen met dezen totaalindruk wil ik eindigen: Medan is zoo’n aardig Hollandsch stadje, er heerscht zoo’n opgewekte geest, de temperatuur is er over het algemeen niet te heet (wij troffen het bijzonder heet en droog), de avonden en nachten zijn zoo aangenaam frisch, dat de Nederlanders, die aan de Oostkust van Sumatra familieleden hebben, niet bezorgd behoeven te zijn, dat hunne zonen of dochters, broeders of zusters, daar niet een gezond en genoegelijk leven leiden, en verzekerd kunnen zijn, dat de omgeving in het geheel op lichaam en geest eerder eene heilzamen, dan een deprimeerenden invloed uitoefent. In Medan en omgeving behoeft niemand te “verindischen”, zooals wij dat gewoon zijn te noemen: er bestaat alle gelegenheid om geest en lichaam jong en frisch te houden en, als de tijd van repatrieeren is aangebroken, als verbeterde uitgaven van het Hollandsche ras in het vaderland terug te keeren.

5 April 1912. [409]

[Inhoud]
Ornament

Aan boord van de “Van Noort” en aankomst te Batavia.

Door een groote groep vrienden werd ons Woensdagmorgen in Deli uitgeleide gedaan, vrienden, die werkelijk niet noodig hadden door bloemen en souvenirs hun aandenken bij ons levendig te houden. Onze gedachten zullen zeker nog menigmaal naar Sumatra’s Oostkust teruggevoerd worden en met de grootste sympathie zullen wij gedenken allen, die wij daar ontmoet hebben. Mrs. Catt benijdt mijne, in dit opzicht, begunstigde positie, omdat ik mag hopen en verwachten allen vroeg of laat in het vaderland terug te zullen zien; maar op hare verzuchting: “where and when shall I meet them again”, kon ik moeilijk het juiste antwoord geven.

De Koninklijke Paketvaartmaatschappij had juist deze week niet haar beste schuit in de vaart; wij moesten ons met de “Van Noort” tevreden stellen, een boot, die ik het best kan definieeren door de mededeeling, dat zij weldra aan de vaart, ten minste op deze zijlijn, zal worden onttrokken; en dat is goed ook. Deze boot strekt de maatschappij niet tot eer; het is niets te vroeg, dat er een andere voor in de plaats komt. Laat ik hopen, voor de reizigers, die na mij komen, dat dan op de keuken en wat daaruit te voorschijn komt, een ander toezicht wordt uitgeoefend. Het lijkt nu allemaal te veel op de menage van een welgestelde burgerhuishouding uit Groningen’s of Friesland’s achterhoek, in plaats van op de tafel van een eerste-rangshotel, waarop men als eerste klasse-passagier toch min of meer aanspraak mag maken. Zuurkool met spek, snijboonen met worst, hutspot met wortelen en uien, dikke [410]erwtensoep met varkenskluifjes en zulke schotels meer, mogen onze Hollandsche kelen strelen als wij ’s winters een flinken tocht op schaatsen achter den rug hebben en bij onze Hollandsche oud-Indische gasten een aangename herinnering wekken aan moeders pappot, maar bij een temperatuur van 90 gr. Fahrenheit en hooger en dan voor Fransche, Engelsche, Amerikaansche en andere toeristen, die aan zulk eten heelemaal niet gewend zijn, is zulk een menu, middag na middag, eenvoudig ongenietbaar en onverteerbaar. Als mede-passagier hoort men de gegronde klachten daarover in den regel meer en krachtiger uiten dan de directie van de maatschappij, of de hoofdpersonen op het schip. Om die reden wil ik er hier melding van maken.

De reis tusschen Deli en Batavia is een zeer aangename, omdat die vol afwisseling is. Men is op zee, doch men ziet nog iets anders dan lucht en water. Onophoudelijk gaat men links en rechts tusschen de vele eilandjes door, die in de straat Singapore, in de Chineesche Zee, de straat Banka en andere straten voorkomen en die met het bloote oog zeer duidelijk te zien zijn. Met een goeden kijker kan men zelfs de vegetatie op de meeste dier eilandjes zeer goed vaststellen., Ook biedt het oponthoud in Singapore een interessante afleiding. Wij kwamen daar Donderdag tegen den avond aan en gingen direct na het eten met den kapitein en een ander heer als geleiders eenige uren aan wal. De stad lag echter zoo in het duister, dat er niet veel te zien viel. Alleen een rijtoer langs de haven, met de tallooze schepen van heinde en ver, alle voorzien van de noodige lichten, bood een mooi gezicht. Vrijdagmorgen gingen wij, met de drie andere dames, die met ons de reis van Deli gemaakt hadden, reeds om zeven uur aan wal om gezamenlijk de stad te doorkruisen. Vijf rickshaws waren spoedig genomen en toen gingen wij in gezelligen optocht alle bijzonderheden van de stad zien, een bezoek brengen aan de botanische tuinen, die in deze tropische steden altijd een bezoek overwaard zijn, de Singapore’sche waterwerken bewonderen en toen naar den weg, die naar het Chineesche kerkhof leidt. Het was voor de Chineezen een soort heilige dag, een dag, die aan de dooden gewijd wordt. Het kerkhof was te ver af, dat konden wij niet meer bereiken, doch op den grooten weg daarheen zagen wij onophoudelijk [411]een dichten drom Chineezen, mannen, vrouwen en kinderen, in automobielen, eigen rijtuigen, gharries of rickshaws gezeten, allen voorzien van de vele verschillende offeranden, die ter eere der dooden op hun graf verbrand zouden worden. Wat wij daar hebben zien heendragen, zou genoeg zijn om een geheel dorp weken lang te onderhouden. Speenvarkens of dieren, die er heel veel op gelijken, zagen wij geheel gevild en met een rijstrand en andere ingrediënten voorzien, keurig opgemaakt, herhaalde malen ons voorbij trekken. Taarten, vruchten, groenten, visch, vleesch, doch ook stukken huisraad, doeken en shawls, en vooral tallooze bundels goud- en zilverpapier met spreuken, aan de dooden gewijd, waren alle bestemd om verbrand te worden, om de geesten der lieve afgestorvenen van stoffelijk en geestelijk voedsel te voorzien.

Singapore maakt bij avond en bij dag geen bijzonder aangenamen indruk. In de stad treedt het Chineezen-element sterk op den voorgrond en men voelt als bij intuïtie, dat men China en de Chineezen niet mag beoordeelen naar de exemplaren, die men in deze havenstad ziet. Vooral niet naar hetgeen spreekt uit de tronies der mannen en vrouwen, die in de straten nabij de haven wonen en die leven van hetgeen zij bemachtigen kunnen van de op zee verdiende centen van het lagere scheepsvolk. Opmerkelijk was het, hoe in Singapore bijna alle Chineezen hun staart hebben verloren, een bewijs, dat geen hunner meer twijfelt aan het voortbestaan der republiek, anders zouden zij wel wat voorzichtiger met dat kenteeken zijn geweest. Zonder staart hebben zij uiterlijk alle aantrekkelijkheid verloren en hebben vervelende, domme gezichten.

Toen wij om twaalf uur op het schip terugkwamen, leverde het dek van de boot een voor ons geheel nieuw gezicht. Wij hadden in Singapore tal van medereizigers verkregen, zoodat elke hut geheel gevuld was, en alle scheepsofficieren zelfs hunne hutten hadden moeten afstaan. Ons gezelschap, dat eerst hoofdzakelijk Hollandsch was, was nu opeens zoo cosmopolitisch mogelijk geworden. Heeren en dames van alle natiën zouden de 36 uren, die ons nog van Batavia scheiden, de boot met ons deelen. Ik kwam al ras tot de ontdekking, dat het toch wel goed was, dat er een gedrukt voorschrift, in drie talen, in een van de salons hing, hoe men zich op het schip heeft te kleeden en te gedragen. Toen ik dat voor het eerst [412]zag, kon ik een glimlach niet onderdrukken, maar nu begon ik het toch te apprecieeren. Een Hollandsche gravin, die Fransch sprak, en Hollandsch vloekte; eene Fransche baronne, samen met een Belg, die zich voor Franschman uitgaf; eenige Engelsche jockey’s op weg naar Australië; en nog vele van die interessante typen meer, die ik niet nader wil aanduiden, vormden den groep nieuwe eerste klasse passagiers.

Op Banka legden wij even aan, om de mail aan boord te nemen, een paar koelies aan wal te laten gaan en om een geëmployeerde van Muntok even gelegenheid te geven, eenige formaliteiten uit te voeren. Het was jammer dat dit alles slechts minuten duurde en er van een aan wal gaan geen sprake kon zijn. Ik had zoo graag even een kijkje genomen op het eiland, dat ons zoo braaf van tin voorziet.

De vier dagen aan boord van de “Van Noort” gingen snel, veel te snel om, want niet alleen dat de reis gezellig en vol afwisseling was, maar ook de frissche zeelucht koelde de temperatuur genoegzaam af, om het ons des daags op het dek en des nachts in de hut héél aangenaam te maken.

In plaats van Zondagmorgen bij het ochtendgloren in Tandjong Priok vastgemeerd te liggen, zooals ons voorspeld was, hadden de goedgeloovigen, die al om 6 uur klaar stonden, om aan wal te gaan, nu gelegenheid eerst te genieten van het mooie gezicht op de Duizend Eilanden, waarvan vooral Edam, met zijn grooten vuurtoren, en met een zee van geel morgenlicht overgoten, heerlijk groen tegen den blauwen horizon afstak. Het eene eilandje voor, het andere na, dook uit de zee op, tot wij eindelijk de haven van Priok in het gezicht kregen. Het was werkelijk niet alleen mijn Hollandsch hart, dat sprak, het waren de frisch groene oevers, groen in velerlei kleurschakeering en frisch door de pas afgeloopen plasregens, die met het rood en zwart van de nieuw geverfde schepen in de haven een zoo vroolijk en vriendelijk geheel vormden, dat zij mij van verre reeds den indruk gaven, alsof Batavia ons tegenlachte en die ons den vriendelijksten welkomstgroet boden, die ons tot nog toe uit een van de vele havens die wij reeds op onzen reis aandeden, gewerd. “O, kijk eens, hoe heerlijk frisch en vriendelijk de haven er uit ziet,” riep ik mijn reisgezellin, die minder vertrouwend op de voorspellingen van aankomst eener boot haar morgenslaap niet te vroeg had [413]onderbroken, door het hutvenster toe. Zij lachte even; zij plaagt mij reeds lang, dat ik in Java alles van te voren reeds naar mijn hart vindt, doch toen zij eindelijk toch bovenkwam, moest ook zij toegeven, dat dit de vriendelijkste haven was, die wij tot nog toe aandeden.

Maar toen gebeurde iets, dat een schaduw goot over mijn trotsch Hollandsch hart. Toen wij ten slotte vastgemeerd aan den steiger lagen, klonk het kapiteinlijk bevel, dat niemand van boord mocht gaan en niemand aan boord mocht worden toegelaten, vóór dat alle eerste- en tweede-klasse passagiers voorzien waren van “een toelatingskaart in Java”. Dat is wat nieuws, en eerst met 1 April 1912 ingevoerd. Niemand mag een schip verlaten, om in Java aan land te gaan, zonder voorzien te zijn van een bewijs, dat hij of zij.... ja, wat eigenlijk is. Als men in Indië geboren of Nederlander is, dan krijgt men zoo’n bewijs voor niets, alle anderen hebben voor dat papiertje ƒ 25 te betalen. Dit geld kunnen zij weder terug ontvangen, als zij binnen zes maanden Java verlaten.

Op mijne aan verschillende personen, die het konden weten, gestelde vraag, wat deze maatregel beteekende, kreeg ik steeds ten antwoord, “om minder gewenschte elementen te weren”. Maar dat kan toch onmogelijk de reden zijn, want “minder gewenschte elementen”, die eerste en tweede klasse reizen, kunnen immers voor ƒ 25 een toelatingsbewijs koopen. Wil de regeering weten, nu de toeloop van toeristen in Java wat begint toe te nemen, wie de personen zijn, die het eiland doorkruisen, dan kan zij elken nieuweling een vragenlijst laten invullen, zoodat men alle bijzonderheden (als zij ten minste naar waarheid zijn ingevuld) van de tijdelijke of blijvende gasten kent, maar om een sommetje van ƒ 25 te vragen van elken niet-Nederlander, die Java binnentreedt, lijkt mij een regeeringsmaatregel, die toont, “dat een klein land in kleine zaken heel klein kan zijn.” Bovendien veroorzaakt deze maatregel een oponthoud van vele uren, uren, die men daar op het schip wachtende moet doorbrengen, totdat allen zoo’n toelatingsbewijs ontvangen hebben, en dat op een oogenblik, dat naaste familieleden daar beneden aan wal staan te wachten, hunkerend naar het oogenblik van wederzien; uren, die mannen van zaken ontstolen worden van hun duren tijd, die dikwijls met zoovele malen vijf en twintig gulden niet te betalen [414]zijn. Was het wonder, dat elkeen mopperde over dezen maatregel en elkeen overtuigd was, dat het onmogelijk is, dien op den duur te handhaven. Wij, op dit betrekkelijk kleine schip, hadden daardoor reeds een zoo lang oponthoud, maar hoe zal dat zijn als de groote schepen met een paar honderd passagiers aan boord binnenkomen! En al die last en moeite voor een imaginair voordeel!

Toen wij eindelijk verlof kregen om het schip te verlaten, vonden mrs. Catt en ik daar beneden aan den steiger een vijftal dames, bestuursleden van de ledengroep in Ned.-Indië, om ons te verwelkomen. Drie lieve hoogere burgerscholiertjes, evenals de dames bestuursleden in wit gekleed, en met strikjes van de vrouwenkiesrechtkleuren getooid, boden mrs. Catt en mij elk een bouquet aan van witte chrysantemums en goudgele bloemen, ook daarin zich strikt houdende aan onze eigen kleuren. Een heer, de heer Nittel, was zoo vriendelijk geweest de dames te vergezellen en ons in alles, maar voornamelijk met de bezorging van onze bagage, van grooten dienst te zijn. Eenmaal in Tandjong Priok aan wal gestapt, waren alle zorgen ons ontnomen, voor alle gebeurlijkheden had men voorbereidende maatregelen getroffen, wij hadden slechts in den gereedstaanden trein te stappen om met het heele gezelschap in een gereserveerden waggon, naar Batavia te sporen.

Ook daar was reeds voor alles gezorgd. In het Hotel der Nederlanden was een mooi paviljoen voor ons afgehuurd en daar vonden wij een grooten standaard van witte en goudgele bloemen van de bestuursleden, een groote mand bloemen in dezelfde kleuren van de presidente en bovendien nog een zeer mooie mand bloemen van eenige oude vrienden uit het vaderland. Een baboe, die ons gedurende ons verblijf hier is toegevoegd, zorgde voor de ontpakking onzer koffers; wij konden ons in de koele voorgalerij nederzetten om even van onze bewondering en verwondering te bekomen. Want lang liet men ons niet met rust. Reeds spoedig kwamen de reporters van verschillende couranten ons interviewen om van onze reiservaringen te vernemen en over onze reisplannen in Java het nadere te hooren. Maar ’t was gelukkig de eerste Paaschdag en er viel daarom voor ons op dien en den volgenden dag niet veel te doen. Om half zes ’s avonds kwam mijne zuster, de apothekeres Charlotte Jacobs, die reeds bijna 30 [415]jaren in Batavia woont, ons afhalen voor een rijtoer, die echter na korten tijd onderbroken moest worden door de hevige stortbuien, die ons plotseling overvielen. Den kalmen Maandag, die ons nog van de zeer drukke voor ons liggende week scheidde, gebruikten wij om het Museum van Batavia te bezichtigen. Wij vertoefden er van ’s morgens half tien tot twaalf uur en zijn nog lang niet half dit buitengewoon belangrijk museum van Indische kunst en oudheden door. Wij hopen er nog een anderen heelen morgen heen te gaan.

Op onze geheele reis hebben wij nergens verzuimd de musea te bezoeken, doch eene zoo belangrijke, leerrijke en kostbare verzameling als in het museum te Batavia, hebben wij nergens aangetroffen. De dochter van den directeur, mej. Tine Prange, had de goedheid ons dit interessant gebouw rond te leiden en ons op alle bijzonderheden opmerkzaam te maken. Zij was wel de meest gewenschte persoon, die wij voor dat doel konden treffen, want niet alleen is zij in het museum, waar haar vader de scepter voert, geheel tehuis, maar zij is zelf de bezitster van eene zoo belangrijke en kostbare verzameling van oud-Indische kunst, dat men ook aan hare particuliere collectie eenige interessante uren kan besteden. Deze veelzijdig ontwikkelde vrouw, die met zeer veel verstand en overleg een eigen verzameling opbouwt, is haar vader in zijn veel omvattend werk een groote steun.

Allerzonderlingst keek ik op, toen ik vernam, dat het museum in Batavia, met zijn kostbaren en belangrijken inhoud, geen nationaal bezit is, doch dat het opgebouwd en in stand gehouden wordt door eene vereeniging, wier leden eene jaarlijksche bijdrage leveren of een contributie betalen. Van het al of niet voortbestaan van zoo’n vereeniging, van het al of niet in kas hebben van veel of weinig geld, hangt dus de in standhouding en den verderen opbouw van dit belangrijke museum af. Wordt het niet tijd, dat de regeering er toe overgaat deze kostbare verzameling te annexeeren en de in standhouding en uitbreiding te verzekeren, onafhankelijk van den wisselvalligen kasinhoud eener particuliere vereeniging?

Morgen begint ons werk hier en daar alles door de ledengroep van Batavia uitstekend is voorbereid, hopen wij op groote belangstelling.

Batavia, 9 April 1912. [416]

[Inhoud]
Ornament

Op Java.

I.

Laat mij eerst vertellen, hoe wij hier in Batavia gehuisvest zijn, want het hotelleven hier is in vele opzichten anders dan in Europa. Wij zitten dan met ons beidjes in een eigen huisje, een paviljoen genaamd. Daarin hebben wij een groote, luchtige slaapkamer met wat daarbij behoort, een binnenkamer en een voorgalerij. Van de voorgalerij hebben wij een ruim uitzicht over het Koningsplein. Denk niet, dat dit plein eenige overeenkomst biedt met dat in Amsterdam. Hier is het een onafzienbaar groote, groene weide met koeien en ander gedierte er in. Over den drukken en breeden grintweg, die ons van het plein scheidt, defileert Batavia’s bevolking voor onze oogen. Door kalmpjes in een luien stoel in de voorgalerij te gaan zitten, zien wij genoeg om onze gedachten bezig te houden en op een gemakkelijke manier het leven hier te bestudeeren. Twee keer daags, voor de hoofdmaaltijden, moeten wij eene wandeling van zoowat een halve mijl maken om naar het hoofdgebouw te komen, het overige van den dag merken wij van het hotelleven niets en zitten wij samen knusjes in ons eigen huis.

Nu eens deze, dan gene van de dames hier stelt zichzelf met haar auto voor een deel van den dag te onzer beschikking, zoodat wij in korten tijd veel hebben kunnen zien. Ik zal mij echter niet wagen aan eene beschrijving van Batavia, nu in den laatsten tijd zoovele literair hoog staande personen hunne pennen in dienst hebben gesteld van dit doel. Alleen wil ik deze opmerking maken. Hoe vele mooie lanen, hoe vele [417]verrukkelijke plekjes, hoe vele belangrijke gebouwen Batavia ook bezit en hoe welvarend de geheele stad er ook uitziet, men krijgt toch telkens den indruk, dat Batavia nog niet af, nog in wording is. In dat opzicht verwekt Medan een beteren indruk.

Wij zijn thans een week in Batavia en hebben nu, om het zoo maar eens te noemen, de werkweek achter den rug. Wij blijven nog een week hier om verschillende inrichtingen van onderwijs te bezoeken, eenige sociale instellingen te zien en nog een avond te gaan spreken in Buitenzorg.

De werkweek, die achter ons ligt, vergde geen hard werk van ons en werd door heele prettige bijeenkomsten onderbroken, maar in een land zóó heet en in een klimaat, waaraan wij nog niet gewend zijn, en in een week, waarin ik familieleden en ook vrienden wederzag, die ik in vele jaren niet had ontmoet en in een stad, waar ik bij aankomst een groot pakket correspondentie uit Nederland op mij wachtende vond, twee avonden in de eerste week te vullen met spreken over vrouwenkiesrecht, deed ons toch wel een beetje opzien tegen dien plicht. Zij ligt nu gelukkig goed en wel achter ons.

Direct Dinsdag na de Paaschdagen, was er in Maison Versteegh een thee georganiseerd, waarop de heeren- en damesleden van de Vereeniging van Vrouwenkiesrecht alhier met ons en wij met hen konden kennismaken. De dames, die zich tot een feestcommissie of tot eene commissie van ontvangst geformeerd hadden, hadden voor dit doel de mooie bovenzaal artistiek versierd met groene en witte en goudgele bloemen en linten, zoodat alles in den toon was van onze vrouwenkiesrechtkleuren. Een groot aantal heeren en dames werd ons voorgesteld, vele van hen voor mij oude vrienden of bekenden uit het vaderland. Mrs. Catt won stormenderhand de harten van de aanwezigen en heeft in deze eene week in Batavia tal van warme vrienden gemaakt. Door de presidente van de ledengroep in Batavia, de apothekeres mej. Charlotte Jacobs, werd ons uit naam van de Nederl.-Indische leden een hartelijk welkom toegeroepen, waarop eerst mrs. Catt en daarna ik een korte toespraak hielden. Dat was het eenige officieele van dien dag, maar onofficieel in gezellige gesprekken, waarin wij dikwijls zeer wetenswaardige bijzonderheden vernamen van het leven op Java en van de verhoudingen tusschen de [418]verschillende rassen, die hier leven, bleven wij zóó lang bijeen, dat het etensuur, dat hier zeer laat is, het ligt tusschen 8 en 9 uur ’s avonds, reeds verstreken was vóór allen uiteen gingen.

Woensdagavond was de groote voordrachtsavond. Daarvoor was de groote schouwburgzaal afgehuurd, die zich tegen 9 uur, niettegenstaande de bijna ondragelijke hitte, met heeren en dames uit alle rangen der hier levende Nederlanders zoo goed als geheel vulde. Behoorde er voor ons doorzetting en kracht toe om in die heete atmosfeer te spreken, niet minder energie werd er aan den dag gelegd door al die toehoorders, die tot aan het eind van den avond bleven zitten luisteren naar de bespreking van een zoo droog en nu langzamerhand zoo afgezaagd onderwerp als vrouwenkiesrecht. Door mej. Haarman, vice-presidente van de ledengroep alhier, werd deze vergadering geleid en werden wij tweeën aan het publiek voorgesteld. Mrs. Catt sprak over de internationale beteekenis van den strijd voor vrouwenkiesrecht en hoe door, of gepaard gaande met de nu ruim een halve eeuw bestaande beweging voor vrouwenkiesrecht, de positie van de vrouw in de maatschappij overal gaandeweg een andere, een betere is geworden. Dat zij met hare gloedvolle voordracht, hare klankvolle stem en hare sympathieke persoonlijkheid, elkeen voor zich innam en allen twijfel aan het goed recht van onze zaak overwon, behoeft voor wie haar kennen eigenlijk niet meer gezegd te worden.

Het is niet aanmoedigend en het vereischt eene groote mate van overtuiging, dat het moet, om na zoo’n spreekster te durven opstaan en voor dezelfde zaak op andere wijze een lans te breken. Ik gevoel dat telkens zeer sterk, als ik na Mrs. Catt het woord moet nemen om met andere argumenten ons goed recht te bepleiten. Voortgaande op hetgeen Mrs. Catt in groote, breede trekken begonnen was, schetste ik de evolutie der menschheid met betrekking tot de veranderde positie der vrouw, vooral met het oog op de Nederlandsche vrouw en toonde aan, dat onze verouderde wetten, die met deze evolutie geen gelijken tred hebben gehouden, den toestand in Nederland thans voor menige vrouw onhoudbaar hebben gemaakt. Nadat ik gesproken had, was er eenige oogenblikken pauze, waarvan vele aanwezigen gebruik maakten om de lijsten, die in eene bijzaal ter teekening waren neergelegd, [419]voor hen, die als lid tot de vereeniging wenschten toe te treden, te teekenen.

Na de pauze werd gelegenheid tot debat gegeven, waarvan zoo goed als geen gebruik werd gemaakt. Toen werd geannonceerd, dat zij, die na langer nadenken toch nog bedenkingen hadden, deze schriftelijk konden indienen, en dat Mrs. Catt en ik genegen waren, die dan alsnog des Vrijdagsavonds te bespreken. Voor Vrijdagavond was een openbaar debat uitgeschreven, waar ieder met bedenkingen tegen de invoering van vrouwenkiesrecht voor den dag kon komen, waarop wij hadden te antwoorden. Van de gelegenheid om schriftelijke bedenkingen te mogen indienen, werd een ruim gebruik gemaakt, zoodat wij Vrijdagavond in de prachtig met bloemen en vlaggen versierde logezaal ruimschoots gelegenheid hadden, de ook bij ons bekende en eigenlijk overal gehoorde argumenten tegen vrouwenkiesrecht te weerleggen.

Mrs. Catt nam voor haar deel de drie bezwaren, die min of meer een internationaal karakter droegen en die daarop neer kwamen, dat vrouwen geen dienstplicht vervullen en daarom geen kiesrecht moeten hebben, dat vrouwenkiesrecht, waar het is ingevoerd, de vrouwen ook geen hemel op aarde gebracht heeft en dat de militante strijdsters voor vrouwenkiesrecht in Engeland deze zaak voor de vrouwen overal bederven. Hoog en breed vatte zij de weerlegging dezer argumenten op, wees aan, dat oorlogvoeren in den regel beteekent huis en haard beschermen tegen de indringing van vreemden en om de maatschappij, waarin wij leven gaande en staande te houden. Evenals in tijden van vrede, bestaat er ook in tijden van oorlog verdeeling van arbeid. De mannen trekken met het zwaard in de vuist ten strijde, de vrouwen blijven tehuis om huis en haard te beschermen en de productie in den staat voort te zetten, deze niet te doen stilstaan. Zouden in een land de vrouwen met de mannen uittrekken ten strijde, dan zou spoedig in zoo’n land alle voortbrenging stil staan en het voortbestaan van den oorlog onmogelijk maken. Zij wees er op, hoe Engeland onbewust dit de wereld heeft getoond door in den onrechtvaardigen Zuid-Afrikaanschen oorlog de vrouwen in de concentratiekampen op te sluiten en haar zoodoende te verhinderen verder te produceeren. Uit den mond van president Stein hadden wij vernomen, dat de Zuid-Afrikaansche [420]vrouwen in één jaar tijds zooveel hadden voortgebracht, dat daarmede de oorlog drie jaren door de mannen kon worden staande gehouden, “maar”, zoo zeide de heer Steijn, “toen eenmaal onzen vrouwen de handen gebonden waren, moesten wij den strijd opgeven, was verder strijden nutteloos en noodeloos.” Dat vrouwen strijden kunnen en als het noodig is ook strijden willen, dat hebben zij in zoo menige episode in de wereldgeschiedenis bewezen; het komt er maar op aan, en dat houden zij steeds voor oogen, waar zij in een gegeven tijd en onder gegeven omstandigheden het meeste nut kunnen stichten.

Het tweede bezwaar, dat vrouwenkiesrecht nog nergens voor de vrouwen een hemel op aarde getooverd had, gaf zij grifweg toe, doch het had wel overal eene menigte andere goede zaken tengevolge gehad. De voornaamste gevolgen, gevolgen, die direct de geheele menschheid ten goede komen, gevolgen, die overal geconstateerd kunnen worden, waar vrouwenkiesrecht reeds eenigen tijd heeft bestaan, zijn in de eerste plaats het verhoogd zelfrespect der vrouwen, en eene verhoogde waardeering van den man, grooter belangstelling in de zaken van algemeen belang en de instaatstelling der vrouw om hare private en huiselijke belangen zelve te behartigen en zichzelf en haar gezin te beschermen op eene wijze, zooals alleen een politiek ontvoogde vrouw kan doen. Met enkele gegevens lichtte zij deze voordeelen toe.

Op de suffragette vraag antwoordde spreekster, dat deze vrouwen ongetwijfeld het vrouwenkiesrecht-vraagstuk hebben gediend en bevorderd, overal in het buitenland; dat het door haar optreden is, dat de aandacht op deze zaak overal gevestigd werd en het nu “het alles overheerschende vraagstuk” is geworden. Door haar gewelddadig optreden hebben zij de wereld wakker geschud en, ofschoon Mrs. Catt persoonlijk tegen geweld is en gelooft in een vredige oplossing van dit vraagstuk, meende zij toch de suffragettes niet te mogen onthouden de waardeering, waarop elk aanspraak heeft, die den moed zijner overtuiging niet alleen durft uitspreken, doch er ook voor wil strijden en lijden.

Ik had toen nog de beantwoording der vragen voor mijne rekening, of de vrouwen wel kiesrecht noodig hebben, nu toch langzamerhand wordt ingezien, dat de grieven der [421]vrouwen gegrond zijn en er in den loop van den tijd wel gaandeweg betere wetten zullen komen.

“Geduld” werd ons van dien kant toegeroepen. Verder kwam het afgezaagde bezwaar van oneenigheid in de gezinnen, als de gehuwde vrouw ook kiesrecht zal hebben; de vrees, dat de vrouw, die kiesrecht heeft, hare huiselijke en moederplichten zal verwaarloozen; dat er op een schip geen twee kapiteins kunnen zijn, voorafgegaan door een vergelijking van het huwelijk met een schip; het argument, dat de vrouw geen belasting betaalt en als zij het doet, dan is het van het geld van haar man en wie geen belasting betaalt, mag ook geen invloed hebben op de besteding der belastingsommen; dat er meer vrouwen dan mannen in de meeste landen zijn en bij invoering van vrouwenkiesrecht de mannen overstemd zullen worden en nog enkele andere dergelijke argumenten, die wij ook kennen van de vergaderingen in Holland. Bij de beantwoording dier bezwaren zal ik niet stilstaan; wie er belang in stelt, ga naar de eerste de beste vrouwenkiesrechtvereeniging in Holland en hoore naar de weerlegging er van.

De vergadering, die weder zeer druk was bezocht door personen van beiderlei geslacht, hield ons weder van kwart over negen tot na middernacht bezig en droeg een bijzonder vriendschappelijk en sympathiek karakter.

Zaterdagavond werd ons door tal van heeren en dames een diner aangeboden, weder bij Versteegh. De tafelversiering, die bijzonder aantrekkelijk voor ons was, omdat weder wit en goud de hoofdtonen waren, was door eenige dames zelf tot stand gebracht. Vroolijke muziek luisterde het bijzijn op, doch die bleek niet bepaald noodig te zijn om eene vroolijke, gezellige, prettige stemming gaande te houden. De nacht was reeds voor een goed deel verstreken toen wij uiteengingen; wij met den wensch in het hart, dat wij de aanzittenden nog menigmaal, ook hier in Indië, zullen mogen ontmoeten.

De ochtenden werden door ons telkens besteed om met een der dames een autotocht te maken en het een of ander van Batavia te zien, zoodat wij met een gevoel van zelfvoldoening kunnen terugzien op deze welbestede week. Wel vragen wij ons telkens af, “hoe lang zullen wij dit drukke leven in zulk een heet klimaat volhouden” en gevoelen wij, dat wij tot beperking van ons arbeidsveld moeten overgaan. Ik [422]heb dan ook reeds moeten bedanken voor vele aanvragen om voor vereenigingen of debatingclubs te komen spreken, die niet regelrecht de bevordering van de belangstelling in het vrouwenkiesrechtvraagstuk beoogen.

Ik wil dezen brief niet eindigen, alvorens nog eens terug te komen op de allerdwaaste maatregel door de Nederlandsche regeering hier ingevoerd om het binnenkomen in Java voor landgenooten en vreemdelingen te bemoeilijken. Wij waren er met het ons op het schip verstrekte toegangsbewijs, waarvoor Mrs. Catt vijf-en-twintig gulden moest betalen, nog niet af, want het bleek, dat wij dat bewijs nog eerst in Tandjong Priok voor een ander hadden moeten inwisselen. Daarvan was met geen enkel woord op de boot melding gemaakt, geen der passagiers was gewaarschuwd dat men eerst na inwisseling van het op het schip ontvangen bewijs, tegen een definitieve toelatingskaart, die op Tandjong Priok werd afgegeven, Java verder mocht binnentrekken. Daar kwamen al die menschen na een uur sporen in Batavia aan om daar te vernemen, dat het bewijs, dat zij hadden, eigenlijk niets waard was en zij naar Priok terug moesten, om een nieuwe, ’n andere kaart te halen. Heeft men ooit van zoo’n onbesuisden maatregel meer gehoord? En is het wonder, dat vreemdeling en Nederlander vragen, of wij in een land van gekken in plaats van in eene der koloniën van het verlichte en beschaafde Nederland zijn aangekomen?

Door middel van het Toeristenverkeer-Bureau en met hulp van den Resident werd het ons gespaard naar Priok terug te keeren en werden ons een paar dagen later de toegangsbewijzen overhandigd, nadat wij beiden daarvoor, of voor wat anders, ƒ 1.50 hebben moeten betalen. In welk land is Nederland ter schole gegaan, om zulk een maatregel te leeren nemen? Mij is geen enkel land bekend, waar men vreemdelingen en wat meer zegt, eigen landgenooten, het reizen zoo bemoeilijkt. Zelfs Turkije, en dat was op het oogenblik, toen wij er kwamen, in oorlog, ontvangt vreemdelingen gastvrijer.

Ik heb van de vreemdelingen gehoord, dat zij bij de ontscheping voor de groote moeilijkheid stonden geen vijf en twintig Hollandsche guldens te bezitten en dat de ambtenaar, belast met de inning dier gelden, geen vreemd geld in ontvangst nam. Zelfs op vertoon van een credietbrief, die over [423]ettelijke duizenden guldens liep, kon men de vijf en twintig gulden niet geborgd krijgen en moest men ten slotte door een mede-passagier geholpen worden.

Hoe spoediger deze zotte maatregel wordt opgeheven, hoe beter, wij hebben er ons nu reeds in het buitenland belachelijk door gemaakt. Laat het spoedig blijken, dat de regeering zich in dezen vergist heeft en haar fout ongedaan wenscht te maken. De Nederlandsche regeering is de eenige niet die wel eens fouten maakt; het strekt den feministen alleen ten bewijs, dat eene regeering, uitsluitend uit mannen bestaande, wel eens zeer onverstandig kan doen en dat de logica, die alleen uit mannenbrein zou kunnen voortspruiten, wel eens ver te zoeken is in de handelingen, die van de logische overwegingen het resultaat zijn.

Als vrouwen zoo eens handelden?

II.

In den regel begin ik mijn volgenden brief voor de courant, alvorens ik mijn voorgaanden verzend, om te voorkomen in herhalingen te treden; maar den laatsten brief sloot ik af en verzond dien, toen ik op het punt stond een kijkje te gaan nemen in Concordia, waar de Batavische jeugd zich vermaakte, met op de maat van de muziek, op een marmeren terras rolschaatsen te rijden. Eens in de veertien dagen wordt hun daartoe gelegenheid gegeven en de hitte, die mijne metgezellin en mij het leven hier heel zwaar maakt, verhindert de jongens en meisjes van Batavia niet om daar uren achtereen rond te tollen op een heel klein baantje. Ik zou die kinderen gaarne even een lesje in het rolschaatsen rijden willen laten nemen bij onze straatjongens op het Leidscheplein of voor het Paleis van Volksvlijt, waar men zulke mooie draaiers ziet maken en zulke verrukkelijke kunstjes ziet doen op het slechte materiaal, waarover de meesten hunner beschikken, jongens die mij altijd een genot verschaften als ik ’n poosje naar hun kunstig gedoe kon blijven kijken. De kinderen hier hebben geene leiding gehad bij het leeren rijden, zij rollen allen in groote snelheid voort, alsof zij verplicht zijn in een minimum van tijd een maximum aantal malen het kringetje rond te komen, geen enkele er onder, die ook maar een poging [424]doet er wat sierlijks, wat oogenstreelends van te maken.

Maar nu ben ik op eene ontboezeming over het rolschaatsen rijden gekomen, terwijl ik eigenlijk had willen zeggen, dat ik, na een week niet meer tot schrijven te zijn gekomen, niet meer weet, waarmede ik mijn laatsten brief afsloot en waarmede ik dezen zou moeten beginnen. Dat is nu wel niet zoo erg, want na ’n week van zooveel afwisseling en na zooveel wetenswaardige dingen te hebben gezien en te hebben leeren kennen, kan ik er gerust een greep in doen en van het een en ander melding maken.

Het eerst wil ik vertellen van onzen tocht naar Buitenzorg. Van drie kanten waren wij aangezocht om daar eene lezing te komen houden. Eerstens van eenige dames, leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en verder door een heeren-debatingclub. Beide uitnoodigingen golden natuurlijk het vrouwenkiesrecht-vraagstuk. De derde uitnoodiging was persoonlijk tot mij gericht en kwam van eene afdeeling van het Nederl. Taalverbond en met de bedoeling, dat ik zou spreken over de toestanden in Zuid-Afrika, in betrekking tot de Nederlandsche taal. Daar wij echter deze week maar één dag in Buitenzorg kunnen vertoeven, hadden wij geantwoord, dat de drie groepen zich maar met elkander in contact moesten stellen en gezamenlijk eene vergadering uitschrijven, waar wij over vrouwenkiesrecht zouden komen spreken.

Op Donderdag den 18en April was die vergadering uitgeschreven en op dienzelfden dag was ons ook een particulier onderhoud met Z. Exc. den gouverneur-generaal toegestaan. Reeds vóór acht uur ’s morgens stonden de heer en mevrouw Wevers Bettink met hun auto voor de deur om ons naar Buitenzorg te brengen, waar wij even vóór tien uur aankwamen. Ik heb reeds geschreven dat ik over Java’s natuurschoon niet uitweiden zal, omdat daarvoor vroeger en ook thans nog bevoegder pennen dan de mijne, in beweging zijn gezet; alleen wil ik even aanstippen, dat de ongeveer 66 kilometer lange weg, die Batavia van Buitenzorg scheidt, zooveel mooie gezichtspunten levert, dat de autotocht in elk opzicht eene genotvolle was. Bij onze aankomst in Buitenzorg werden wij door eenige dames en heeren vandaar opgewacht en verwelkomd, maar ons oponthoud kon slechts kort zijn, omdat de gouverneur-generaal ons om tien uur wachtte. Met de grootste [425]voorkomendheid werden wij beide door Z. Exc. ontvangen en werden ons alle gegevens verstrekt, die wij noodig hadden om een goed inzicht in vele toestanden hier te verkrijgen. Het was ons een waar genoegen te vernemen, dat Z. Exc. in zeer vele opzichten onze gevoelens deelt, omtrent de opvoeding en het onderwijs van het Javaansche meisje en omtrent de opleiding van eenige dezer meisjes tot onderwijzeres. Ook bij de bespreking van vrouwelijke doctoren voor de inlandsche vrouwen en voor hospitalen voor deze vrouwen, met uitsluitend vrouwelijke medische hulp en de opleiding van vrouwelijke doctor djawas, stond Z. Exc. veel dichter bij ons dan menige zijner ambtenaren met wie wij deze kwesties reeds vroeger bespraken. Tot dusver worden nog alle inlandsche meisjes, die zich aanmelden voor de doctor djawa-school, teruggewezen, altijd onder een of ander voorwendsel, doch eenvoudig omdat de machthebbenden bij dat departement de moeilijkheid van het gezamenlijk met de jonge mannen te ontvangen medisch onderwijs te zwaar inzien en de wenschelijkheid van het hebben van vrouwelijke doctoren voor de inlandsche vrouwen niet genoeg voelen. Ik hoop en vertrouw evenwel, dat daarin spoedig verbetering komt, dat men het Javaansche meisje, dat die moeilijke studie en die latere zware taak aanvaarden wil, steunen zal in plaats van moeilijkheden op haar weg te plaatsen, dat men ook in Nederlandsch-Indië eindelijk zal gaan inzien, dat voor de inlandsche vrouwen, die door godsdienst, zeden en gewoonten geen mannelijke doctor aan haar ziekbed kunnen toelaten, het verschaffen van vrouwelijke medische hulp eene noodzakelijkheid is. In dat opzicht is Britsch-Indië ons een reuzensprong voor, daar kan elke inlandsche vrouw, in tijd van ziekte, door een vrouwelijke doctor behandeld worden.

Het komt mij voor, dat de Nederlandsche vrouwen in Nederlandsch-Indië, enkele zeer gunstige, niet genoeg te prijzen, uitzonderingen daargelaten, haar maatschappelijke taak in dit opzicht geheel verwaarloosd hebben, dat zij niet gevoeld hebben, dat de zedelijke verplichting op haar rustte, beter voor hare native-sisters te zorgen. Als zij wat dieper in het leven van de inlandsche vrouw waren doorgedrongen, het vertrouwen van hen hadden weten te verwerven en de spreekbuis waren geweest, die hunne nooden en behoeften aan de [426]regeering of aan het groote publiek had geopenbaard, dan, ik ben er zeker van, zouden ook in onze koloniën voor de inlandsche vrouwen betere toestanden reeds bestaan. Was het niet een man, dr. H. van Buuren, die een noodkreet heeft geuit om betere verloskundige hulp voor de inlandsche vrouw te verkrijgen, een noodkreet, die nog lang niet hard genoeg is geweest om de regeering ten volle de verplichting te laten gevoelen, die zij in dezen tegenover de inlandsche vrouwen te vervullen heeft? In Britsch-Indië was het eene vrouw, Lady Dufferin, die hare stem over deze kwestie luide deed klinken, en toen de Britsche regeering niet spoedig genoeg handelend optrad, zelve de handen aan den ploeg sloeg en een fonds bijeenbracht, dat na haar dood het Lady-Dufferinfonds werd genoemd, waaruit zij al vast begon vrouwelijke doctoren aan te stellen en kleine hospitaaltjes te stichten. Deze hospitalen zijn nu allen door de Engelsche regeering overgenomen, de vrouwelijke doctoren daaraan werkzaam, regeeringsambtenaren geworden en in alle steden van eenige beteekenis kan nu de Engelsche inlandsche vrouw goede geneeskundige hulp van vrouwen ontvangen. Ook de vorming van inlandsche vrouwelijke doctoren wordt daar gesteund en in de hand gewerkt.

Wij bezochten in Buitenzorg verder een inlandsche school van jongens en meisjes en maakten er met een achttal Soendaneesche en Javaansche meisjes kennis, die allen in den loop van dit jaar haar diploma voor onderwijzeres zullen halen, doch thans nog als kweekeling op die school werkzaam waren. Het is bedroevend te zien, hoe weinig meisjes nog aan het onderwijs deel nemen; in alle scholen, die wij tot dusver bezochten, zitten er in elke klasse van ongeveer twintig of vijf-en-twintig leerlingen niet meer dan een of twee meisjes. In sommige aanvangklassen zaten er drie of vier, maar dikwijls worden deze meisjes door de ouders weder van school genomen, zoodra zij een paar klassen doorloopen hebben. Voor een deel moet dat worden toegeschreven aan de zeden der inlanders, waardoor het niet welvoegelijk gevonden wordt, dat een meisje na de puberteitsjaren, en die treden in dit warme klimaat reeds op tien à twaalfjarigen leeftijd in, met jongens of mannen in aanraking komt.

Ook maakten wij in Buitenzorg kennis met de zeer interessante familie Motman, waarvan moeder en dochter een school [427]in het weven en batikken voor inlandsche meisjes hebben. Met de grootste belangstelling sloegen wij de verschillende procedé’s gade, die zoo’n lap katoen heeft te ondergaan, alvorens het in mooie harmonieerende kleuren en met artistieke figuren kan worden afgeleverd, maar brengt men den tijd, die zulk werk kost, en de vele vrij kostbare benoodigdheden om het geheele proces ten einde te brengen in rekening, dan is zulk werk niet te betalen en daardoor voor de markt ongeschikt en voor meisjes, die in eigen onderhoud willen of moeten voorzien, geen geschikte levenstaak. Het is heel mooi, dat wij nog eens in de gelegenheid waren, dat kunstige werk te zien verrichten, te weten, dat vrouwen en meisjes zoo uit het hoofd die aardige figuren met hare wasstaafjes op het doek kunnen tooveren, maar in den tegenwoordigen tijd, nu al meer en meer de tijd van de vrouw ook geld waard wordt, nu is deze kunst gedoemd van de aarde te verdwijnen, omdat zij te tijdroovend en daardoor te kostbaar wordt. Het gaat er mede als met onze mooie oude gobelins, over afzienbaren tijd zullen wij de uit de hand gebatikte doeken nog alleen in onze musea kunnen bewonderen.

Dien middag om half zeven was de vergadering voor vrouwenkiesrecht uitgeschreven en toen wij in de smaakvol met bloemen en groen versierde zaal van de Buitenzorgsche Sociëteit kwamen, werden wij aldaar door verschillende dames en heeren, die de vergadering hadden georganiseerd, opgewacht en werd ons ieder door een paar kleine, schattige meisjes een mooie bouquet, die van Mrs. Catt met de Amerikaansche, de mijne met de Nederlandsche vlag, geoffreerd. Op het podium prijkten een paar manden met witte lotusbloemen, lotusbloemen van zulk eene enorme afmeting en zoo fluweelig en vol, als ik nooit te voren gezien heb. De president van de debatingclub leidde deze vergadering, waarin ook de acht inlandsche onderwijzeressen en tal van inlandsche onderwijzers aanwezig waren. Mrs. Catt sprak slechts kort, omdat vele der aanwezigen haar niet verstonden, ik moest toen de lange speech houden en daarna gelegenheid geven tot debat. Het is te begrijpen, dat een debatingclub de gelegenheid gebruikte om te debatteeren en toen er om 9 uur nog vele strijdlustigen bleken te zijn en wij nog moesten eten en naar Batavia terug autoën, kon ik niet anders doen dan aan aller wensch [428]toegeven om bij ons volgend bezoek aan Buitenzorg, waar wij nog de botanische tuinen en tal van andere bijzonderheden hebben te zien, opnieuw een avond te geven voor debat. Dat zal in ’t midden van Mei zijn. Ruim twintig leden hadden zich onderwijl reeds als lid van de vereeniging voor Vrouwenkiesrecht opgegeven en den wensch geuit eene afzonderlijke afdeeling Buitenzorg te vormen, waaraan dan ook in Mei zal worden voldaan.

Om half een ’s nachts bracht de heer Wevers Bettink ons veilig tehuis, een kunststukje van chauffeurs accuratesse, want de weg is over ’t geheel genomen veel te smal en heeft tal van zeer gevaarlijke bochten.

Eene instelling, waarvoor de regeering aller dank toekomt, leerden wij in Batavia kennen. Het zijn de regeeringspandhuizen. De heer Nittel, onder-directeur dier instelling, liet ons deze in alle finesses zien en bracht ons met de geheele instelling op de hoogte. In aanmerking genomen, dat de inlander gaarne zijne bezittingen beleent, hetzij om in tijdelijke extra uitgaven, voor een ziekte, een begrafenis, een bruiloft etc. te voorzien, hetzij om dingen van waarde veilig opgeborgen te hebben, of om tal van andere redenen, is het goed gezien van de regeering om daarin den kleinen man te helpen en hem uit de handen der Chineezen—de vroegere pandhuishouders—te houden, Als men bedenkt, dat in één pandhuis in Batavia, er zijn er aldaar acht, dagelijks gemiddeld 800 à 1000 panden ingebracht en even zoovele uitgehaald worden en dat de gemiddelde waarde van de ingebrachte panden niet meer dan ƒ 1.75 bedraagt, dan komt men tot de conclusie, dat deze instelling in eene behoefte voorziet, die vooral voor den kleinen man zeer groot is. Het is verblijdend, dat na 1913 heel Java deze van regeeringswege opgerichte huizen zal tellen en dat daarmede een einde is gemaakt aan de afpersing, die in dit bedrijf voorheen door de Chineezen werd gedreven. Ik durf in een dagbladartikel niet in détails treden over het pandhuisbedrijf in Nederlandsch-Indië, doch de wijze, waarop die is ingericht, de kalmte, die er in deze huizen heerscht, de vlugge en regelmatige wijze, waarop die stroom van publiek bediend wordt en de contrôle, die over alles wordt uitgeoefend, is boven allen lof verheven. Men voelt hier, dat de goedaardige, eenvoudige Javaan beschermd wordt tegen [429]uitzuigerij, eene bescherming, die hij maar al te zeer behoeft. Dat de regeering met dit bedrijf nog een kleine winst maakt, vermindert m.i. den lof niet, die er haar voor toekomt, als die winst maar op de een of andere wijze ten bate van den Javaan wordt aangewend.

Ook de inrichting en de werking van het instituut Pasteur is iets, waarop wij met rechtmatigen trots kunnen wijzen. Dat wij met zooveel meer veiligheid, voor zoover het onze gezondheid betreft, in onze koloniën dan in Britsch-Indië kunnen reizen, danken wij voor een goed deel aan deze instelling. Onder de kundige leiding van den bekwamen directeur, dr. Nijland, heeft dit instituut zich ontwikkeld tot het zich ver verheft boven de meeste dier inrichtingen in het buitenland. Dat pest, cholera en pokken niet meer zoo de verschrikkingen hier zijn als in andere tropische landen, is zeker waard om dankbaar vermeld te worden.

Ik zou willen, dat ik met even groote nationalen trots kon schrijven over een andere regeeringsinstelling, waarvan ik ook met de grootste belangstelling kennis nam, de opiumfabrieken en de opiumregie. Wij zagen daar de bollen, zooals die uit Britsch-Indië worden ingevoerd, waaruit de opium bereid moet worden en gingen met den directeur alle stadia door, die de inhoud van deze bollen doorloopt, alvorens de daaruit verkregen opiumsiroop in nette, tinnen buisjes verzameld en als geschikt voor het gebruik afgeleverd kan worden.

Maar op dat gebruik, daarop komt het aan. Al die glinsterende tinnen buisjes, honderdduizenden in aantal, die daar door tal van inlanders met behulp van prachtige machines, in regeeringsdienst bereid worden, zijn uitsluitend bestemd om door inlanders en Chineezen gerookt, of, zooals die term luidt, “geschoven” te worden. Onze regeering, leverancier en fabrikant van een zoo verderfelijk genotmiddel, omdat..... ja, om geen andere reden, dan dat zij er jaarlijks zoovele millioenen op verdient. Hoe beschamend! Niettegenstaande de herhaalde en besliste verzekeringen van den directeur, dat het opiumschuiven, mits er onvervalschte opium wordt gebruikt, niet nadeelig voor de gezondheid is, kan ik dit toch niet aannemen. De toestand, waarin de opiumschuiver na zijn pijpje geschoven te hebben, verkeert, de begeerte naar een volgende pijp, het niet meer er zonder kunnen leven, zoo hij er eenmaal [430]aan gewend is, toonen genoeg aan, dat het opiumschuiven niet zoo’n onschuldig vermaak is, als men ons wel wilde doen gelooven.

In één opzicht kan ik vrede hebben met onze opiumregie. Door de wijze, waarop de verkoop is geregeld en door, nu reeds, over geheel Java en Sumatra de Chineezen uit dit bedrijf gestooten en de geheele verkoop in eigen handen genomen te hebben, kan de regeering de verdere uitbreiding van dit kwaad tegengaan en zoodra zij het wil, geheel uitroeien. Zoo wij eens eenmaal het voorrecht mogen hebben een regeering te bezitten, die haar taak ethischer opvat, die in plaats van jaarlijks millioenen te besteden voor leger en vloot, millioenen, die voor een deel verkregen worden uit die opiumfabricage, de gelden der schatkist besteedt tot opvoeding van het volk, ook het Indische volk, dan is het bij de tegenwoordige regeling mogelijk, binnen betrekkelijk korten tijd aan dit mensch-bedervend en mensch-onteerend opiumschuiven in onze koloniën een einde te maken. Dat dit nu gemakkelijker gaat dan wanneer de handel in handen van gewetenlooze Chineezen is, daarvan getuigt het volgende staaltje, dat wij in Medan vernamen en op Java bevestigd vonden. In een kampong boven Medan kende de bevolking het opiumschuiven niet. Op zekeren dag ontvingen de bewoners aldaar, huis aan huis, een eenvoudig toestel om opium te schuiven met een buisje opium en de gebruiksaanwijzing van een Chinees ten geschenke, en binnen geen tijd waren tal van dorpelingen daar opiumschuivers geworden en daarmede tevens trouwe koopers van opium bij den goedgeefschen Chinees. Den 1en April van dit jaar verloor ook die Chinees het recht tot verkoop van opium en wordt ook in Medan dit kostbaar en kostelijk stroopje door onze regeering geleverd. Aan zulke praktijken om met opzet nieuwe ongelukkigen te kweeken, zal natuurlijk de regeering zich niet schuldig maken, en met groot ongeduld zie ik den tijd tegemoet, waarop een regeering aan ’t bewind komt, die den moed heeft de sluiting van de opiumfabriek voor te bereiden en binnen niet al te langen tijd te bewerkstelligen. De overweging dat degene, die eens aan het schuiven verslaafd is er niet meer zonder kan leven, is m.i. de moeite van een discussie niet waard. Laten er daardoor, als dat waar is, eenige duizenden [431]opiumschuivers, voor de maatschappij halfwaardige of nietswaardige individuen, ten gronde gaan of vroeger dan anders sterven, dit verlies weegt niet op tegen de millioenen uit deze en de volgende geslachten, die dit verderfelijk kwaad dan niet zullen leeren kennen en daardoor een hooger en beter leven kunnen leiden.

Nog op een ander beschamend feit moet ik wijzen. In de opiumfabriek zagen wij niet alleen Indische mannen en opgeschoten jongens aan het werk, maar ook tal van jongens, die zeker en gewis nog geen tien jaar oud waren. Met bevreemding vernam ik, dat onze wetten, die kinderarbeid beneden den 12-jarigen leeftijd verbieden, voor Indië niet gelden en dat in dit zonnige land, zelfs door onze regeering kleine jongens in een fabriekslokaal dagelijks uren en uren achtereen voor eenige centen aan het werk worden gezet.

Dat de lokaliteit waarin de kinderen werken, ruim en luchtig is, dat de jongens als hun kistje volgepakt is, van hun plaats opstaan om zelf een nieuw kistje te halen en daardoor nu en dan eens een verzetje hebben, dat er in Java nog lang en lang niet genoeg scholen zijn om de kinderen te onderwijzen en die jongens dus, als zij niet in de fabriek werken, zich bij den weg zouden vervelen en kattekwaad uitrichten en nog meer zulke overwegingen, verminderen in mijn oog het kwaad niet, dat daar door de overheid bedreven wordt. Niet alleen werken die jonge kinderen daar dagelijks 7 uren onafgebroken aan dat machinale werk, een veel te lange dagtaak voor zulke nietige wezentjes, maar ook moet het spoedig tot hen doordringen, dat opiumschuiven niet kwaad is en heel prettig moet zijn, als de fabricage en verkoop door de regeering geschiedt en als er dagelijks zooveel moet afgeleverd worden om aan de aanvraag te kunnen voldoen.

Ik was blijde, dat wij de opiumfabriek zagen, nadat wij reeds met het Instituut Pasteur en met den pandhuisdienst hadden kennis gemaakt, zoodat mijn Amerikaansche medereizigster geen al te slechten indruk van onze overheidszorg voor den Javaan krijgt en er toch ook wel wat te prijzen valt. [432]

[Inhoud]
Ornament

Op Sumatra’s Westkust.

I.

Den 22en April verlieten wij ’s morgens Batavia, om ons met de “Bantam” van de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij naar Padang en de Padangsche Bovenlanden te begeven. Van Batavia naar Padang met de Kon. Paketvaart-Mij. is een tocht vol afwisseling, omdat men onophoudelijk dicht langs de kust vaart en tal van plaatsjes aandoet. Tegen ongeveer het middaguur verlieten wij Tandjong Priok en genoten nog eens van het gezicht op de mooie haven en de vele kleine eilandjes. Even vóór zes uur lagen wij stil op de reede van Anjer om tal van inlanders en eenige vrachtgoederen aan boord te nemen. Tevoren hadden wij nog bij daglicht het gezicht op Krakatou, het verlaten eiland, en het lange eiland genoten, want toen wij er later op den avond veel nader bij kwamen, was het te donker om er iets van te zien.

Om 6 uur den volgenden morgen lagen wij voor Kotô Agoëng stil, om menschen en goederen te laden en te lossen. Kotô Agoëng is een dorpje van de Lampongsche districten. Wij tweetjes stonden bij aankomst reeds kant en klaar en toen wij den kapitein onzen wensch te kennen gaven om aan wal te gaan, werd het stoomsloepje onmiddellijk neergelaten en werden wij aan wal gestoomd. Een klein roeibootje, bemand met twee inlanders, was achter aan ’t stoomsloepje gebonden, om ons uit de sloep zooveel verder te roeien en te trekken, tot wij dro