The Project Gutenberg eBook of Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Historisch dagverhaal der reize van den heer De Lesseps

Author: baron de Jean-Baptiste-Barthélemy Lesseps

Release date: October 27, 2013 [eBook #44047]
Most recently updated: July 5, 2020

Language: Dutch

Credits: Produced by André Engels, Harry Lamé and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net.
Scanned by Universiteitsbibliotheek Amsterdam (Early Dutch
Books Online)

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK HISTORISCH DAGVERHAAL DER REIZE VAN DEN HEER DE LESSEPS ***

Zie de Opmerkingen van de bewerker aan het einde van deze tekst.

HISTORISCH DAGVERHAAL
DER
REIZE
VAN DEN HEER
DE LESSEPS,

Zedert het verlaaten van den Heer Graaf de la
Perouse en zijne togtgenooten in de haven
van St. Pieter & Paulus op Kamschat-
ka, tot op zijne komst in Frank-
rijk, den 17. October 1788.

Naar het Fransch.

EERSTE DEEL.

Ornament

Te UTRECHT,
By B. WILD en J. ALTHEER,
1791.


[III]

VOORBERICHT.

De tijtel van dit werk kondigt reeds aan, wat het behelst; waarom zou ik mij bevlijtigen om het oordeel van den leezer voorinteneemen? zou ik meer recht op zijne toegeevenheid verkrijgen, wanneer ik hem zou gezegd hebben, dat ik in den grond geen verwaandheid genoeg bezat om een boek te willen schrijven? zal mijn verhaal gewichtiger worden, wanneer men weeten zal, dat ik ’er alleen aan arbeidde uit nood om mijnen leedigen tijd op eene nuttige en vermaaklijke wijze doortebrengen, en met de eenigste bedoeling, om aan mijne naastbestaanden het getrouw verslag van mijnen arbeid en van mijne waarneemingen, geduurende den loop van mijne reis, overtebrengen? het is gemaklijk te zien, dat ik bij tusschenpoozen geschreeven heb, en wel met meerdere of mindere zorgvuldigheid, naar maate het de omstandigheden mij toelieten, of de voorwerpen mij meerder of minder troffen.

Door het gevoel mijner onervarenheid opgewekt, heb ik gemeent aan mij zelfs verschuldigt te zijn, van mij geene gelegenheid, die ter mijner onderrechting kon dienen, te laaten ontglippen, even als of ik voorzien had, dat men mij verantwoording zou vergen van mijnen tijd, en van de kundigheden, die ik in de gelegenheid was van te[IV] kunnen verkrijgen; maar zal uit deeze zorgvuldige naauwkeurigheid, waar aan ik mij gebonden heb, niet een gebrek van bevalligheid en van verscheidenheid in mijn verhaal ontstaan?

Daarenboven, de gebeurtenissen, die mij zelfs betreffen, waren zodanig verbonden aan de voorwerpen mijner aanmerkingen, dat mijne eigenliefde niet bedacht was om deeze bijzonderheden agterwege te laaten: ik heb dus het verwijt van te veel van mij zelfs gesproken te hebben verdiend; een gewoonlijke misslag in reizigers van mijne jaaren.

Behalven deeze verveelende ongeschiktheid, moet ik mij nog beschuldigen van in veelvuldige herhaalingen vervallen te zijn, die eene meer geoeffende pen zou vermijd hebben. Vormt men zich niet altoos omtrent zeekere onderwerpen, en bijzonder in Reisbeschrijvingen, een zekeren gewoonen stijl? van daar, spreekwijzen en uitdrukkingen, die telkens wederkomen: om dezelfde voorwerpen te schilderen kan men zich ook alleen van dezelfde kleuren bedienen.

Wanneer ik den tweeden dag na mijne ontscheeping in de haven van St. Pieter en Paulus dit dagverhaal begon, vond ik mij al aanstonds door de dagtekening belemmerd. Ik bezat geen Franschen Almanak, en ik ging over om den ouden stijl volgens Russisch gebruik aanteneemen; deeze benam[V] mij de moeite om geduurig aan het verschil van elf dagen, welke de nieuwe stijl meerder telt, te denken; maar zedert het, tegens mijne verwachting, uitgemaakt is, dat dit werk door den druk het licht zoude zien, heb ik mij beijverd om in de dagtekeningen het gebruik bij ons aangenomen te herstellen, den nieuwen stijl namelijk, en tot gemak van den leezer heb ik denzelven op den kant geplaatst. Wat de uitspraak der Russische, Kamschatsche en andere woorden betreft, moet ik aanmerken, dat alle de letters duidelijk moeten uitgesprooken worden. Ik heb getragt, zelfs in het Woordenboek, om de medeklinkers te besnoeijen, waar van de verwarde zamenloop afschrik verwekt en ook niet altoos noodzaaklijk is. Deezen algemeenen Regel kan men volgen, de kh moet op dezelfde wijze uitgesproken worden als de ch der Duitschers, of de J der Spanjaarden; en de ch als in het Fransch. De laatste lettergreepen oi en in, moeten uitgesproken worden, als of ze geschreeven waaren oi en ine.

De bekwaame aardrijkskundige, die alle mogelijke zorg aan mijne kaarten heeft besteed, heeft ’er mijnen afgelegden weg met eene zo groote naauwkeurigheid op aangetekend, dat de leezer mij van flap tot flap volgen kan. Dit heeft mij doen besluiten om in mijn verhaal alle aantekeningen aftesnijden over de graaden van breedte en lengte.

[VI]

Een Kamschatter Caravane in een dorp aankomende, is het onderwerp, dat ik voor een plaat uitgekoozen heb, om dat die na ’t mij toeschijnt tergelijker tijd een denkbeeld kan geeven van de yssleeden, van de verschillende plaatzing der Reizigers in dezelve, en van al het geen verder ten deezen opzigte merkwaardig is. Aan de zuiverheid der tekening en aan de juistheid van het graveerstift zal men de bekwaamheid herkennen van twee te recht vermaarde konstenaars.

Er blijft mij nog overig om het uitstel, het welk het drukken van dit dagverhaal heeft ondergaan, te rechtvaardigen. Zonder tegenspraak had ik het eerder kunnen uitgeeven; mijn pligt zelfs vorderde zulks, maar mijne erkentenis gebood mij ter zelver tijd, om de terugkomst van den Heer Graaf de la Perouse aftewachten. Wat betekent mijn reis, zeide ik tot mij zelfs? Voor het algemeen, is ze niets anders dan een gevolg des gewichtigen togts van dien Bevelhebber; voor mij, is ze het eerbewijs van zijn vertrouwen: dubbelde beweegreden bij gevolg om te verlangen, van aan zijn oordeel de bijzonderheden van mijn verhaal te kunnen onderwerpen. Mijn eigebelang maakte mij daar van ook eene wet: hoe zeer zoude ik mij gelukkig geacht hebben, indien hij mij veroorloft had om mijne reis als een gevolg van de zijne in het licht te geeven, indien hij mij daar door verwaardigt had[VII] om in zijn roem te deelen! dit was, ik moet het bekennen, het eenig oogmerk van mijn eerzucht en van mijn uitstel.

Wat is het treurig voor mij, na een jaar wachtens en ongedulds, nog het einde mijner hoop te zien verschuiven! Zedert mijn aankomst is ’er geen dag verlopen, waar in mijne wenschen onze onversaagde Zeelieden van de Zeekompas, (la Boussole) en de Starremeeter, (l’Astrolabe) niet te rug geroepen hebben. Wanneer ik mij verbeeldde de zee-en te bewandelen, die hun nog overbleeven om te doorkruissen, hoe dikwijls heb ik dan niet gezogt hunne spooren te herkennen, hen van rêe tot rêe te volgen, te veronderstellen, dat ze hier of daar verversching genooten, en alle de bogten van hunnen weg aftemeeten.

Helaas! wanneer, op het oogenblik van ons scheiden op Kamschatka, de Bevelhebbers onzer Fregatten mij als een verlooren kind droevig in de armen drukten, wie zou mij toen gezegt hebben, dat ik het eerste mijn Vaderland moest wederzien? Wie zou mij gezegt hebben, dat verscheiden van hun ’er nimmer zouden wederkomen, en dat ik binnen weinig tijds traanen over hun lot zou storten!

In der daad, naauwlijks genoot ik de vrugt mijner zending en de omhelzingen mijner aanverwanten, of het gerugt van de tegenspoeden, onzen[VIII] Zeelieden onder weg overkomen, vervulde mijn ziel met bitterheid en droeffenis. Hij is niet meer, die braave en deugdzaame zeeman[1], de vriend, de medgezel van onzen Bevelhebber, die man, welken ik beminde en eerbiedigde, als mijn vader; hij is niet meer, en mijn pen weigert zijn treurig einde te beschrijven! dog mijne dankbaarheid schept er genoegen in, om telkens te herhaalen, dat de nagedagtenis zijner deugden en weldaaden eeuwig in mij leeven zal.

[1] De Heer Burggraaf de Langle.

O leezer, wie gij zijt, vergeef mijner droefheid deeze afgeperste uitstorting van het hart! Indien gij hem, dien ik beween, hebt gekent, zult gij uwe weeklagten met de mijne vermengen; zult gij met mij den Hemel smeeken, dat Hij welhaast ter onzer vertroosting, en tot roem van Frankrijk, en den Bevelhebber van deezen togt, en die onzer moedige Argonauten, welke Hij ons nog gespaard heeft, tot ons wederbrenge. In het oogenblik, waar in ik schrijf, ach! zo eene gunstige wind hunne scheepen naar onze kusten voortstuuwde...! mogt die wensch mijnes harten verhoord werden! mogt de dag van de uitgaaf deezes werks ook de dag van hunne aankomst zijn! als dan zal ik, in de uitbundigheid mijner vreugde, al het genot der eigeliefde ontwaar worden.


Kaart Kamschatka

Grote versie van de kaart, 583 kB.


[I-1]

Lijn

REIZE
VAN DEN HEER
DE LESSEPS.
UIT
KAMSCHATKA naar FRANKRYK.


INLEIDING.

Naauwlyks bereik ik den ouderdom van vijfentwintig jaaren, en ik ben reeds aan het gedenkwaardigste tijdstip van mijn leven gekomen. Hoe lang, hoe gelukkig ook de loopbaan mooge wezen, die ik nog te vervullen heb, zo twijffel ik echter, of het mijn bestemming wel zal zijn, om immer in eenen zo roemrijken togt gebruikt te worden als deeze, welke in dit tijdstip geëindigt word door de twee Fransche Fregatten,[I-2] het Zeecompas (la Boussole) en de Sterre-meeter (l’Astrolabe) het eerste onder bevel van den Heer Graaf de la Perouse, Opperhoofd van den togt, en het tweede onder bevel van den Heer Burggraaf de Langle.[2]

[2] Indien mijne pen deeze twee vermaerde mannen waerdig was, geschikt om te samen eene groote onderneeming met de volmaaktste eensgezindheid te volbrengen, hoe veel goeds zou ik dan van ieder hunner niet te zeggen hebben? dog zedert lang hebben derzelver verrichtingen en de algemeene achting hen boven alle lofspraak verheven.

Het belang, ’t welk het gerugt van deeze reis rondom de waereld verwekt heeft, was veel te openbaar en te algemeen, dan dat men tegenwoordig niet met zo veel ongeduld als nieuwsgierigheid regtstreeksche nieuwstijdingen verwachten zoude van die doorluchtige Zee-lieden, welke door hun Vaderland en door geheel Europa van de Zeën wedergeëischt worden, die ze doorkruissen.

Wat is het vleijende voor mij, na van den Heer Graaf de la Perouse het geluk verkreegen te hebben om hem geduurende meer dan twee jaaren te volgen, nu wederom aan zijne keus de eer verschuldigd te zijn, van te land zijne brieven in Frankryk overtebrengen! hoe meer ik mijn geluk in het ontfangen deezer nieuwe proeve van[I-3] zijn vertrouwen overweeg, hoe meer ik ook gewaar worde, wat eene diergelijke zending zou vereischen, en wat mij ontbreekt om die behoorlijk te vervullen: Dog ik moet zonder twijffel de voorkeur, op mij gevallen, alleen toeschrijven aan de noodzaaklijkheid om tot die reis iemand te kiezen, die de Russische taal kon spreeken, en die reeds zijn verblijf in dat Rijk gehouden had.


1787. September Te St. Pieter & Paulus.

den 29.

Ik verlaat de Fregatten en ontfang mijne brieven.

Zedert den 6 September 1787 bevonden zich de Fregatten des Konings in de haven van Avatscha, of van St. Pieter & Paulus[3] gelegen aan het zuidelijk uiterste van het schier-eiland Kamschatka. Den 29 kreeg ik bevel om de Astrolabe te verlaaten; den zelfden dag stelde de Heer Graaf de la Perouse mij zijne brieven en bevelen ter hand. Zijne vriendschap voor mij vergenoegde zich niet om bij voorraad de geruststellendste schikkingen te maaken, ten einde mij met zekerheid en spaarzaamheid te doen reizen, maar dezelve ging zo verre, dat hij bij mijn vertrek mij zijne waarlijk vaderlijke raadgevingen medegaf, welke eeuwig in mijn hart zullen gegriffelt blijven. De Heer Burg-graaf de Langle had[I-4] ook de goedheid de zijne daar bijtevoegen, die mij niet minder van nut geweest zijn.

[3] Deeze Haven word door de Russen genoemt Petropavlosskaia-haven.

Hier zij het mij geoorlooft de waare schatting mijner erkentenis te voldoen aan dien getrouwen deelgenoot der gevaaren en des roems van den Heer Graaf de la Perouse, die als zijn mededinger in alle de harten en ook in het mijne aangemerkt word, daar voor dat hij mij onophoudelijk tot een Vader, Raadgever en Vriend verstrekt heeft.

Des avonds moest ik van onzen Bevelhebber en deszelfs waardigen medegezel afscheid neemen. Men oordeele, wat ik uitstond, toen ik hen naar de booten, die op hen wachtten, te rug bragt; ik kon nog spreeken, nog hen verlaaten; zij omhelsden mij beurtelings, en mijne traanen leverden hun maar al te zeer bewijzen op van ’t geen ’er in mijn ziel omging. De Officieren, allen mijne vrienden, die zich aan land bevonden, ontfingen ook mijn afscheidskus, allen bedroefden zij zich over mij, allen slaakten zij zuchten voor mijne behoudenis, en verschaften mij die vertroostingen en hulp, welke de vriendschap hun kon inboezemen. Mijn smert, wanneer ik van hun scheidde, laat zich niet beschrijven: Men rukte mij uit hunne armen, en ik vond mij zelven weder in die van den Heer Colonel Kasloff-Ougremin, Bevelhebber van Okotsk en van Kamschatka, aan wien de Heer Graaf de la Perouse[I-5] mij meerder als zijn Zoon, dan wel als den Officier, die met zijne brieven belast was, had aanbevolen.

Ik blyf onder het toeverzigt van den Heer Kasloff, Russisch Bevelhebber.

Hier beginnen mijne verplichtingen omtrent deezen Russischen Bevelhebber. Toen kende ik reeds al het beminlijke van deszelfs inborst, altoos bereidvaardig om dienst te doen, waar over ik zedert zoo veel reden gehad heb om voldaan te weezen[4], hij spaarde mij alle aandoeningen met alle mogelijke zorgvuldigheid: ik zag hem met mij treuren over de verwijdering der booten, die wij nog lang na-öogden; en wanneer hij mij weder ten zijnent bragt, wendde hij alle moeiten aan om mij van mijne droevige overdenkingen aftetrekken. Wie zich een denkbeeld zou willen vormen van de schrikverwekkende gewaarwordingen, die ik in dit oogenblik ondervond, moet zich tragten in mijne plaats te stellen, alleen agtergelaaten op deeze bijna onbekende oevers, en[I-6] vierduizend mijlen van mijn Vaderland verwijderd: wanneer ik zelfs deezen verbaazenden afstand niet in aanschouw genomen had, kon nogtans het bar gezicht deezer kusten mij genoeg aanduiden al het geen ik op mijnen langen en gevaarlijken togt zou te lijden hebben; eindelijk evenwel bragt het goed onthaal, ’t geen mij de Inwoonders beweezen, en de onnoemelijke beleeftheden van den Heer Kasloff en de andere Russische Officieren te weege, dat ik langzaamerhand minder gevoelig wierd over het vertrek van mijne landgenooten.

[4] Na dat hij alle de Persoonen tot deezen togt behoorende met beleeftheden overlaaden had, tragtte hij nog daar en boven om onze Fregatten van levensmiddelen te voorzien. Niettegenstaande de moeijelijkheid om ossen in dit land te bekoomen, bezorgde hij er zeven op zijne eigen kosten, en altoos weigerde hij daar voor betaaling te ontfangen: het jammerde hem zelfs, dat hij ’er geen meer had kunnen geeven.

den 30.

Vertrek van de Fregatten des Konings.

Het zelve had plaats des morgens van den 30 September; de twee Fregatten gingen met een gunstigen wind, die geduurende verscheide volgende dagen woei, onder zeil, waar door wij dezelve dien eigen morgen reeds uit het oog verlooren. Men kan ligt bevroeden, dat ik ze niet zag vertrekken, zonder voor alle de Officieren en de Vrienden, die ik aan boord liet, mijne vuurigste en oprechtste smeekingen opwaarts te zenden; treurig en laatste eerbewijs van mijne erkentenis en verkleeftheid!

De Heer Graaf de la Perouse had mij aanbevolen spoed te maaken; dog ter zelver tijd had hij mij gelast, (het geen mij mijne genegenheid ook dadelijk voorschreef,) van onder geen voorwendzel hoe genaamd den Heer Kasloff te verlaaten:[I-7] deeze had hem beloofd mij tot Okotsk, de plaats zijns verblijfs te zullen geleiden, werwaarts hij zich onverwijld begeeven moest. Ik voelde reeds het geluk van onder zulk een goed opzicht gesteld te zijn, en ik aarzelde niet om mij blindelings aan den raad van dien Bevelhebber overtegeeven.

Onmogelijkheid om mij naar Okotsk te begeeven voor den aanvang der sleedevaart.

Zijn voorneemen was te Bolcheretsk den tijd aftewagten, dat de sleedevaart kon begonnen worden, welke ons de noodwendige gerieflijkheden moest bezorgen om de reis naar Okotsk te onderneemen. Het Jaargetij was toen reeds te ver verloopen om den togt te land te doen, en de overvaart ter zee was niet minder gevaarlijk; daar en boven wierd er geen vaartuig in de twee Havens van St. Pieter & Paulus en Bolcheretsk gevonden.[5]

[5] Het schijnt, dat geduurende den zomer de zeevaart vrij zeeker is en dat dit de eenigste manier is, waar van de reizigers gebruik maaken om ter plaatze hunner bestemming te komen.

1787. October Te St. Pieter & Paulus.

De zaaken, die de Heer Kasloff nog te verrichten had, en de toebereidzelen tot ons vertrek hielden ons nog zes dagen op, het geen mij zekerheid gaf, dat de Fregatten des Konings niet meer in het geval waren om weder binnen te komen.[I-8] Ik maakte van dit toeven gebruik om mijne bespiegelingen te beginnen, en om mij een weinig uitvoerig de nodige onderrichting te verschaffen omtrent al het geene, dat mij omringde. Ik lag mij voor al toe om een juist begrip te verkrijgen van de baaij Avatscha en van de haven van St. Pieter & Paulus in dezelve.

Beschrijving van de Haven van St. Pieter & Paulus en van een ontwerp daar toe betrekkelyk.

De Capitein Cook heeft van deeze baaij eene zeer uitgestrekte beschrijving gegeeven, waar van wij de naauwkeurigheid terstond herkend hebben. Zedert heeft dezelve eenige veranderingen ondergaan, die men zegt, dat van veele anderen gevolgt moeten worden, voor al wat de Haven van St. Pieter & Paulus betreft. In der daad, het is zeer mogelijk, dat reizigers, welke hier na ons zullen aanlanden, verbaast staan, van er in plaats van vijf of zes huizen, zo als ze verwagten zouden, eene geheele stad, van hout gebouwd en vrijwel versterkt, aantetreffen.

Zodanig is ten minsten het ontwerp, het geen, zo als ik van ter zijden vernomen heb, door den Heer Kasloff, als deszelfs uitvinder, overgegeeven is, wiens oogmerken niet minder grootsch dan nuttig voor den dienst van zijne Souveraine zijn. De uitvoering van dit plan zal niet weinig toebrengen om de vermaardheid van deeze haven te vermeerderen, reeds beroemd door de vreemde scheepen[I-9] die er aanlanden, en die de Koophandel er verder zoude kunnen brengen[6]. Om de schikkingen tot dit ontwerp wel te bevatten en er het nut van te waardeeren, heeft men zich alleen maar de uitgestrektheid en de gedaante van de baaij van[I-10] Avatscha, en de gelegenheid van de bewuste haven voortestellen. Wij bezitten er reeds verscheide getrouwe beschrijvingen van[7] die in handen[I-11] van de geheele waereld zijn; dus zal ik mij alleen bepaalen om van dat geene te spreeken, ’t welk het nodige licht omtrent de denkbeelden van den Heer Kasloff kan verspreiden.

[6] Het blijkt zelfs, uit het geen de eerste Zeevarende daar van bericht hebben, dat ’er geen gemaklijker haven in dit gedeelte van Asien te vinden is, zodat het te wenschen zoude zijn, dat zij de algemeene stapelplaats des Koophandels van deeze streeken wierd. Dit zou des te meer voordeel aanbrengen, om dat de scheepen, die de andere havens bezoeken, namelijk die van Bolcheretsk, Nijenei-Kamschatka, Tiguil, Jngiga, en zelfs Okotsk, gewoonlijk maar bij geluk de schipbreuk ontkomen; het is om die reden, dat de Keizerin uitdruklijk alle scheepvaart na den 26 September verboden heeft.

Dog het geen ik ter zelver tijd vernomen heb, bevestigt nog meer mijn verhaal, en heeft welligt het denkbeeld verwekt tot dien nieuwen aanbouw.

Een Engelsch vaartuig, toebehoorende aan den Heer Lanz, Koopman te Macao, kwam in het afgeloopen Jaar 1786 in de haven van St. Pieter & Paulus ten anker. De Capitein Peters, het bevel op dit Schip voerende, deed aan de Russen voorslagen van Koophandel, waar van hier de bijzonderheden. Door eene gesloten overeenkomst met een Russisch Koopman, genaamt Schelikhoff, had hij zich verbonden om den handel in dit gedeelte der Staaten van de Keizerin te drijven, en vorderde ter waarde van tagtig duizend Roebels aan Koopmanschappen. Het is waarschijnlijk dat deeze goederen in Pelterijen zouden bestaan hebben, dewelke de Engelschen staat maakten in China te verkoopen, van waar ze in ruiling stoffen en andere waaren, voor de Russen geschikt, zouden terug gebragt hebben. De handelaar Schelikhoff begaf zich in persoon naar St. Petersburg, ten einde daar de goedkeuring van zijne Souveraine hier omtrent te verzoeken, welke hij ook verkreeg; dog terwijl hij bezig was zich in staat te stellen, om aan de voorwaarden van zijne verbintenis te voldoen, wierd hij onderrecht, dat het Engelsch Schip op de kusten van het Koper-Eiland vergaan was, wanneer het van het Noordwestlijk gedeelte van America naar Kamschatka te rug kwam. Volgens alle waarschijnlijkheid was het derwaarts geweest om pelterijen, ten einde daar mede zijne lading te beginnen, die het vervolgens in de haven van St. Pieter & Paulus zou hebben komen aanvullen; men weet, dat slechts twee man van het scheepsvolk behouden zijn, namelijk een Portugees en een Neger van Bengalen, als mede, dat zij den winter in het Koper-Eiland hebben doorgebracht, van waar een Russisch schip hen naar Nijenei-Kamschatka heeft overgebragt: zij hebben zich te Bolcheretsk bij ons gevoegt, en de Heer Kasloff is voorneemens hen in het aanstaande jaargetij naar St. Petersburg te zenden.

[7] De Heer Graaf de la Perouse heeft met ruim zo veel zorgvuldigheid dit plan uitgewerkt, als alle de geenen die ’er voor hem geweest zijn: men zal het in het verhaal van zijn reis kunnen zien, het welk voor den weetgierigen leezer een nieuwe bron van onderwijs en opheldering zal openen.

Men weet, dat de haven van St. Pieter & Paulus aan het noorden van het inkomen der baaij Avatscha geleegen is, en ten zuiden geslooten word door eene zeer naauwe landengte, waar op een Ostrog[8] of Kamschattisch dorp gebouwd is; op eene hoogte ten oosten agter de haven is het huis van den bevelhebber geplaatst[9], bij wien de Heer Kasloff geduurende zijn verblijf alhier deszelfs intrek genomen had; nabij dit huis, bijna in dezelfde rigting, ziet men dat van den Corporaal der bezetting[I-12] en verder noordwaards dat van den Sergeant, dewelke na den Commandant de eenigste persoonen van eenig belang zijn, die men in deeze plaats, zo ze die naam verdient, noemen kan; regt tegen over het inkomen der haven, op het afhellen der hoogte, van waar men een meir van eene aanmerkelijke uitgestrektheid ontdekt, vind men tegenwoordig de overblijfzelen van een hospitaal, waar van in de reize van Capitein Cook gesprooken word[10]. Beneden deeze overblijfzels, digter bij het strand, heeft men een gebouw opgeregt,[I-13] het geen tot een Magazijn of een soort van wapenplaats voor de bezetting dient, en het welk gestadig door een schildwagt bewaard word; zie daar in ’t kort den staat, waar in wij de haven van St. Pieter & Paulus bevonden hebben.

[8] Het woord Ostrog betekent eigentlyk een omtrek met palissaden bebouwt. Men zou deszelfs oorsprong na ik vermeen kunnen afleiden van de verschanssingen door de Russen in der haast zamen gesteld, om zich in veiligheid te stellen tegens de stroperyen der Inboorlingen, die zonder twyffel met ongeduld verdroegen, dat men hun land overweldigde. De naam van Ostrog word tegenwoordig aan byna alle de dorpen van deeze streeken gegeeven.

[9] Die Bevelhebber, Khabaroff genaamt, was toen Preporchik, of Vaandrig.

[10] Op eenigen afstand van deeze plaats aan den voet van een boom werd Capitein Clerke begraven. Het opschrift dat de Engelschen op zijn graf agtergelaaten hebben was op hout en kon dus ligt uitgewischt worden. De Heer Graaf de la Perouse, begeerende, dat de naam van deezen Zeeman tot de onsterflykheid geraakte, zonder dat men voor de guurheid des weders behoefde te vreezen, deed een ander opschrift op koper in de plaats stellen.

Het zal niet onvoeglijk zijn hier te verhaalen, dat onze bevelhebber ter zelver tyd onderzoek deed naar de plaats alwaar de vermaarde Fransche Sterrekundige de L’Isle de la Croijere begraven was. Hij verzogt den Heer Kasloff om de nodige beveelen te geeven ten einde men op die plaats een Grafzerk stelde, en daar op een Grafschrift plaatste, het welk hij op Koper had doen graveeren, inhoudende de lofspraak en de bijzonderheden van den dood onzes landgenoots. Zyne begeerte wierd na het vertrek der Fransche Fregatten onder mijn oog uitgevoerd.

Dog door de voorgestelde verbeteringen is het onbetwistbaar, dat ze een plaats van gewicht zou worden; de ingang van de haven zou geslooten of ten minste bestreeken worden door de vestingwerken. Daarenboven zouden die dienen om van dien kant de ontworpen stad te dekken, welke ten grooten deele op het erf van het oude hospitaal, dat is te zeggen, tusschen de haven en het meir, het welk men van de hoogte ontdekt, zoude gebouwt worden; men zou insgelijks een batterij plaatzen op de land-engte, die dat meir van de baaij Avatscha scheid, ten einde daar door het andere gedeelte van de stad te beschermen. Eindelijk zou volgens dit zelfde ontwerp het inkomen van de baaij verdedigd worden, door eene redelijk sterke batterij, op de minst verheven plaats van derzelver linker oever; en de scheepen in de baaij komende zouden niet buiten het bereik van het geschut kunnen blijven, uit hoofde der naast elkander gelegen blinde klippen langs den regter-oever; men ziet er tegenwoordig op de punt van een rots een batterij van zes of agt[I-14] stukken, die gelost is ter begroeting van onze scheepen.

Het is onnodig te zeggen, dat ook dit plan de vermeerdering der bezetting bevat, die tegenswoordig alleen uit veertig Soldaten of Cosakken bestaat; zij leeven en zijn gekleed even als de Kamschatters, alleenlijk dragen zij een sabel, een snaphaan en de patroontasch, wanneer ze dienst doen; zonder dat zou men ze niet van de Inboorlingen dan aan hunne gelaatstrekken en taal kunnen onderscheiden.

Wat het Kamschattisch dorp betreft, ’t welk een groot deel van de plaats uitmaakt, zo als ze thans is, en het geen, gelijk ik reeds gezegt heb, gevonden word op de landengte, die den ingang der haven sluit, het zelve bevat niet meer dan dertig of veertig woonplaatzen, zo voor den winter als zomer geschikt, genaamt isbas en balagans; en men rekent in de geheele plaats, zelfs de bezetting er onder begreepen, niet meer dan ten hoogsten honderd Inwoonders, zo mannen, als Vrouwen en Kinderen; door het voornoemde ontwerp wilde men het getal op meer dan vierhonderd brengen.

Bij deeze bijzonderheden, nopens de haven van St. Pieter & Paulus, en de werken, die men moet aanleggen tot derzelver verfraaijing, zal ik hier eenige[I-15] aanmerkingen laaten volgen over den aart van den grond, de luchtsgesteldheid & de rivieren.

Aart van den grond.

De oevers der baaij van Avatscha scheenen mij met hooge bergen omgeeven, waar van eenigen met houtgewas bedekt, en anderen van een vuurspuuwenden aart zijn[11]. De valeijen leveren een teelt van gewassen op die mij verbaast heeft; het gras heeft bijna een mans lengte, en de veldbloemen, gelijk wilde roozen en anderen, die daar onder elkander vermengd zijn, verspreiden reeds van verre de lieflijkste geuren.

[11] Vijftien of twintig wersten van de haven word een Vuurspuuwende berg gevonden, die door de natuuronderzoekers, tot den togt van den Heer Graaf de la Perouze behoorende, bezogt is geworden, en waar van in de reis van dien bevelhebber zal gesproken worden. De bewoonders van het land hebben my verhaalt, dat er van tijd tot tijd rook uitkomt; dog dat de uitwerping, die voormaals dikwijls plaats had, zedert verscheide jaaren niet waargenomen is.

Luchtgesteldheid.

Gewoonlijk vallen er geduurende de lente en den herfst zwaare regenbuijen, en de stormwinden zijn in het laatstgenoemde jaargetij en in den winter zeer menigvuldig. Deeze is zomtijds ook regenachtig, dog, niettegenstaande deszelfs langduurigheid, verzekert men echter, dat hij niet zo buitengewoon streng is, ten minsten in dit zuidelijke[I-16] gedeelte van Kamschatka[12]; de sneeuw begint in October te vallen, en de dooij heeft geen plaats voor April of Maij, dog zelfs in Julij ziet men op de toppen der hooge bergen, en voornamelijk op de vuurspuuwende, sneeuw vallen; de zomer is redelijk fraaij, de zwaarste hette duurt zelden langer dan de zonnestand; de donder word er zeldzaam gehoord en richt nooit verwoestingen[I-17] aan; zodanig is de luchtsgesteldheid die ten naasten bij in alle de streeken van dit gedeelte van het schier-eiland heerscht.

[12] De geweldige koude, waar over de Engelschen zich beklaagen, zal mogelijk niet zonder voorbeeld zyn, en ik vermeet mij niet dezelve tegen te spreeken; dog ’t geen een bewijs zou opleveren, dat de gestrengheid van de lucht nogtans zo geweldig niet is, bestaat daar in, dat de Inwoonders, die ons voorgesteld worden, als of zij geduurende den geheelen winter niet uit hunne onderaardsche wooningen of ijourtes durfden koomen, uit vreeze van te bevriezen, tegenwoordig in dit zuidelijke gedeelte van het schier-eiland geene diergelijke wooningen meer vervaardigen, zo als ik in ’t vervolg gelegenheid zal hebben van te verhaalen. Ik stem echter toe, dat de koude, die ik geduurende mijn verblijf aldaar ondervonden heb, en die met den winter van 1779 kan vergeleeken worden, mij dezelfde toegescheenen heeft, als die welke men te St. Petersburg gewaar word: dog het geen de Engelschen met zeer veel reeden vreemd gevonden hebben, zijn de schrikkelijke orcaanen die zulke dikke en overvloedige sneeuwvlaagen aanbrengen, dat het als dan onmogelyk is om uit te gaan, of voort te reizen wanneer men op weg is; dit is mij meer dan eens overgekomen, gelijk men in ’t vervolg zien zal.

Rivieren welke in de Baaij van Avatscha uitwateren.

Twee Rivieren hebben derzelver uitloop in de baaij van Avatscha, namelijk, die welke aan de baaij den naam geeft, en die van Paratounka; ze zijn beide zeer vischrijk; men vind er daar en boven allerlei zoort van watergevogelte, het welk zo schuuw is, dat men het zelve op geen vijftig treeden kan naderen; de vaart in deeze rivieren is op den 26 November gestremt, dewijl ze altoos op dit tijdstip vast raaken, en in het hevigste van den winter, is de baaij zelfs met ijsschotsen bedekt, die door de zeewinden opgehouden worden, dog zo dra de landwinden beginnen te waaijen, ontdoet ze zich daar van geheel; de haven van St. Pieter & Paulus word gewoonlijk door het ijs in de maand Januarij geslooten.

Ik behoorde hier van de zeden en de gewoontens der Kamschatters te spreeken, en derzelver huizen of liever hutten, die ze isbas of balagans noemen, te leeren kennen; dan ik verschuif het behandelen deezer onderwerpen tot mijn aankomst te Bolcheretsk, alwaar ik hoope meer tijd en gelegenheid te zullen hebben om dezelve uitvoerig te beschrijven.

1787. October

Vertrek van St. Pieter & Paulus.

Wij vertrokken van de haven van St. Pieter & Paulus op den 7 October, namelijk de Heer Kasloff[13],[I-18] de Heeren Schmaleff[14], Vorokhoff[15], Ivaschkin[16], ik en het gevolg van den Commandant, bestaande uit vier Sergeanten of Onderofficieren en een gelijk getal Soldaaten; de Bevelvoerende[I-19] Officier van de haven voegde zich, waarschijnlijk uit eerbied voor den Heer Kasloff zijn[I-20] Opperhoofd, bij ons kleine gezelschap, en wij begaven ons op baidars[17] t’scheep, om de baaij[I-21] over te steeken, en ons naar Paratounka te begeeven, alwaar wij paarden zouden vinden om onzen weg te vervolgen.

[13] De Heer Kasloff-Ougrenin is, gelijk ik reeds gezegt heb, bevelhebber van Okotsk en van Kamschatka, hij staat onder den algemeenen landvoogd, die zijn verblijf te Irkoutsk houd.

[14] De Heer Schmaleff is Captein-Inspecteur over de Kamschatters, of volgens ’t Russisch Capitain ispravnik in het gebied van Kamschatka, het is dezelfde aan wien de Engelschen zo veel verplichting hadden, en de goede diensten, die hij ons beweezen heeft, zijn insgelijks ontelbaar.

[15] De Heer Vorokhoff, Geheimschrijver van den bevelhebber, word in de regeerings zaaken gebruikt, en heeft den rang van Officier.

[16] De Heer Ivaschkin is die ongelukkige edelman, van wien de Engelschen spreeken, en die in allen opzichte den door hun toegezwaaiden lof verdient; het eenvoudig verhaal van zijne rampen is genoegzaam om aan ieder leezer medelijden inteboezemen, dog men moet hem gezien en bijgewoond hebben, om van de maat des belangs te oordeelen, dat men in zijn lot moet stellen.

Hij was nog geen twintig Jaar, wanneer de Keizerin Elisabeth hem Sergeant maakte onder de Préobrajenskoische lijfwacht; hij genoot reeds een zeker aanzien aan het Hof, en de vrije toegang welke zijn post hem bij zijne Souveraine gaf, opende voor zijne eerzucht de glansrijkste loopbaan, wanneer hij eensklaps niet alleen in ongenade raakte, en zich van al de vleijende hoop, waar mede hij zich had kunnen streelen, beroofd zag, maar daar en boven had hij de smert van als de grootste misdaadiger behandeld te worden; hij ontfing de knout, de hardste en schandelijkste straf in Rusland; men scheurde hem de neusgaten op, en hij wierd daar en boven voor zijn leeven naar Kamschatka gebannen. Men weet uit het verhaal der Engelschen alles, wat hij geduurende twintig jaaren van de uiterste gestrengheid, waar mede men hem behandelde, heeft moeten uitstaan; men dreef dezelve zo verre van hem de eerste noodwendigheden te weigeren; hij zou zonder twijffel van honger en gebrek omgekomen of tot wanhoop vervallen zijn, indien de sterkte van geest en lichaam hem niet ondersteunt had. De noodzaaklijkheid van zelfs in zijn nooddruft te voorzien dwong hem, echter niet zonder afkeer, van zich onder de Kamschatters in te lijven, en geheel derzelver leevenswijze aanteneemen; hij is even als die gekleed, en vind in zijn jagt en visscherye zo veel overvloed voor zijne behoeftens, dat hij door het verkoopen van het overschot nog eenige verzagting in zijn droevig aanzijn kan bekomen; hij woont in het Ostrog van Verckneï-Kamschatka, of Opperkamschatka; onder de Russen is de oorzaak van eene zo gestrenge straf onbekend; men is genegen dezelve aan een misverstand of aan eenige onbescheiden woorden toeteschrijven want men kan niet besluiten hem een misdaad toetekennen. Het schijnt dat men te rug gekomen is van de voorgewende ijslijkheid zijner misdaad; men heeft zedert kort de plaats zijner ballingschap willen veranderen, en hem voorgeslaagen van te Yakoutsk zijn woonplaats te neemen, leverende deeze Stad meer middelen op ter voldoening van de nooddruft en ter veraangenaaming des leevens; dog die ongelukkige banneling, die tans omtrent zestig à vyf en zestig Jaar oud is, heeft die vergunning geweigerd, willende, volgens zyn zeggen, de afschuuwelijke tekenen van zijne onteering niet gaan ten toon stellen, nog ten tweedenmaale schaamrood worden over de schrikkelijke straf die hij ondergaan heeft; hij heeft liever verkoozen onder zijne Kamschatters te blijven leeven, niets meer begeerende dan vreedzaam zijne weinige overige dagen, in ’t midden der geenen die zijne eerlijkheid kennen, doortebrengen, en stervende de algemeene achting en vriendschap, die hij zo rechtmatig geniet, wegtedraagen.

Door het verhaal der Engelschen opgewekt, toonde de Heer Graaf de la Pérouse een sterk verlangen om dien ongelukkigen te zien, die hem van ’t eerste oogenblik af aan de levendigste belangneeming inboezemde. Hij ontfing hem aan zijn boord en aan zijn tafel, de menschlievendheid van onzen bevelhebber bepaalde zich niet alleen tot deernis met zijne rampen, maar ze bevlijtigde zich om dezelve te verzagten, met hem dat geene agter te laaten het welk hem ons verblijf kon doen herdenken, en daar door bewijzen te geeven, dat de Engelschen de eenigste vreemdelingen niet zijn, welke deel in zijn droevig lot genomen hebben.

[17] De Baidars zijn bijna van een gelijk maakzel als onze booten, als alleen dat de boorden gemaakt zijn van planken van vier, vijf à zes duimen, welke de een aan den anderen gevoegt zijn met banden van willige takken of touwen, men kalfatert ze met boom-mosch; de baidars zijn de eenigste vaartuigen welke dienen om de Kourilische eilanden te bevaaren: ze worden gewoonlijk geroeid, men kan er echter ook een zeil aan vast maaken.

Aankomst en verblijf te Paratounka.

Wij kwamen in vijf of zes uuren aan dat dorp, alwaar de Priester[18] of de Pastoor van dat district woont, en waar men ook de Kerk vind[19], zijn huis diende ons voor een herberg; en wij wierden er zeer wel ontfangen, dog naauwlijks waaren wij ’er binnen getreden, of ’er viel zo eene geweldige regen, dat wij genoodzaakt waaren langer dan wij meenden daar ons verblijf te houden.

[18] Zijn naam is Feodor Vereschaguin; hij is zijn oudsten Broeder Romanoff Vereschaguin opgevolgd, die zo veel goeds aan den Capitein Clerke bewees, en dien ik zedert te Bolcheretsk gevonden heb.

[19] Zijn voorganger had aan de Engelschen verhaalt, dat deeze parochie onverwijld naar het dorp van St. Pieter & Paulus zou overgebragt worden, dog deeze verplaatzing zal niet geschieden dan met de uitvoering van het ontwerp omtrent de haven; het is hier de plaats om optemerken, dat de Engelschen verzuimt hebben aantetekenen, dat ’er eertijds een Kerk te St. Pieter en Paulus gevonden wierd, en dat men den grond daarvan aangewezen vind door een soort van grafplaats, die ’er een deel van uitmaakte.

[I-22]

1787. October Te Paratounka.

Ik maakte van deeze korte tusschenpoos met allen ijver gebruik, om eenige dier voorwerpen te beschrijven, welke ik uitgesteld had te behandelen tot mijn aankomst te Bolcheretsk, alwaar ik mogelijk nog andere zal aantreffen die niet minder belangrijk zijn.

Beschrijving van dat Dorp.

Het dorp Paratounka is gelegen aan den oever der rivier van deezen naam, omtrent twee uuren van deszelfs mond[20]. Dit dorp is weinig meerder bevolkt dan dat van St. Pieter & Paulus; de kinderziekte heeft voornamelijk in deeze plaats ijsselijke verwoestingen aangericht; het getal der Balagans en Isbas, die ik ’er gezien heb, is mij ten naasten bij het zelfde voorgekomen als te Petropavlofska[21].

[20] Deeze rivier ontlast zich, gelijk ik reeds gezegt heb, in de baaij van Avatscha; de banken, die ’er bij een laage zee droog loopen, maaken het inkomen als dan ondoenlijk; zelfs is het met een volle zee zeer moeijelijk.

[21] Wanneer ik voor deeze Kamschatsche huizen stil stond, heb ik mij dikwils op derzelver gezicht de versmaadende verbaazing van onze Fransche Sybariten voorgesteld, den eenen zo trotsch op deszelfs uitgestrekte paleizen, den ander zo jaloersch van zijne fraaije en opgeschikte kleine vertrekjes, waar in de kunst van verciering alléén voor de vergezogte pracht in huisraad moet wijken: mij dagt ik hoorde hen uitroepen: hoe is het mogelijk, dat menschen deeze elendige hutten kunnen bewoonen? en nogtans is een Kamschatter onder zulk een stulp, waar van de bouworde tot de eerste jaaren der waereld schijnt te behooren, niet ongelukkig; hij leeft daar gerust met zijn gezin, hij geniet ten minsten het geluk van weinig behoeftens te kennen, daar door zelfs is hij minder nooddruftig, en mist alle voorwerpen waar mede hij zijn staat zou kunnen vergelijken.

[I-23]

Wooningen der Kamschatters.

De Kamschatters bewoonen des zomers de eersten en des winters begeeven zij zich in de laatsten. Daar men ze ongevoelig wil opleiden om meer en meer gelijk aan de Russische boeren te worden, en op eene gezonder manier te woonen, zo heeft men in dit zuidelijk gedeelte van Kamschatka verbooden, om in ’t vervolg ijourtes of onderaardsche wooningen zamen te stellen; ze zijn ’er tans allen uitgeroeid[22], en men vind ’er niets meer van dan eenige spooren, zijnde het binnenste toegevuld, terwijl ze van buiten het voorkomen hadden als de breede daken van onze ijskelders.

[22] Ik heb ’er eenigen tijd daar na in het Noordelijke gedeelte ook gevonden, en er een naauwkeuriger denkbeeld van kunnen vormen, ’t welk ik aangetekend heb.

Beschrijving der Balagans.

De Balagans staan boven den grond op verscheiden stijlen, op gelijke afstanden geplaatst, en van twaalf à dertien voeten hoog; deeze boersche Colonnade dient ter ondersteuning van een plat gemaakt van in elkander gevoegde balkjes bedekt[I-24] met kleiaarde; dit strekt tot een vloer aan het geheele gebouw, het welk in een dak van een kegelachtige form bestaat, bedekt met een soort van stroo of verdroogt gras, uitgespreid op lange sparren, die zich aan de kruin vereenigen, en die op verscheiden dwarsbalken leggen; deeze top of dit dak maakt te gelijk de eerste en tweede verdieping; ze vormt het geheele verblijf, namelijk één vertrek: een gat in het dak geeft doortogt aan den rook, wanneer het vuur aangestoken word om de spijzen te bereiden; deeze keuken word als dan vervaardigt in het midden van de kamer, waar in ze eeten, zich nederleggen en onder elkander slaapen, zonder de minste tegenzin of bekommernis. In die vertrekken ziet men geen vensters; men vind ’er niets anders dan eene zo laage en naauwe deur, dat ze naauwlijks het licht doorlaat; de trap is als het huis; het is een balk, of liever een zeer plomp ingekipte boom, waar van het eene einde op den grond rust en het andere de hoogte van den vloer der hut bereikt; ze komt tot aan den hoek van de deur, gelijk met een soort van open gallerij die voorwaards uitkomt, deeze boom heeft zijne rondte behouden, en vertoont op den eenen kant van deszelfs oppervlakte iets, het welk ik geen trappen kan noemen, uit hoofde dat ze zo ongemaklijk zijn, dat ik meer dan eens gedagt heb ’er den hals op te breeken.[I-25] In der daad, wanneer deeze vervloekte trap onder de voeten van hun, welke ’er niet aan gewoon zijn, begint te draaijen, is het onmogelijk het evenwicht te bewaaren, men moet noodwendig op de aarde vallen, en men loopt min of meer gevaar, naar maate van deszelfs hoogte. Wil men van buiten te kennen geeven, dat ’er niemand t’huis is, keert men de trap met de treeden naar onder.

Het gemak kan aan deeze Volkeren het denkbeeld ingeboezemd hebben, om deeze vreemde wooningen zamentestellen, derzelver leevenswijs maakt hun die noodzaaklijk en gerieflijk; de drooge vis, hun voornaamste voedzel, als mede dat van hunne honden zijnde, hebben zij om die te droogen, gelijk ook voor hun winters-voorraad, een plaats nodig die voor de zon beschut is, en waar nogtans de lucht van alle kanten kan doorspeelen; deeze plaats vinden zij onder deeze colonnade of boersche gallerij ’t welk het binnenste gedeelte der balagans uitmaakt. Hier hangen zij hunne visch aan de zoldering of vloer van het gebouw, of aan zulke verhevene plaatzen als nodig is, om ze voor de verslindende honden te bewaaren, die altoos hongerig gehouden worden tot nut van den dienst; deeze honden dienen bij de Kamschatters tot de sleedevaart, de besten[23][I-26] dat is te zeggen, de beesten hebben geen andere stal dan dat soort van overdekte gallerij waar van ik zo even gesprooken heb; ze zijn aan de pijlaaren of stijlen, die ter ondersteuning van ’t gebouw dienen, vastgemaakt. Ziet daar, zo ’t mij toeschijnt, al het nut opgegeeven, ’t welk ’er in de zamenstelling van hunne balagans of zomerwooningen gelegen is.

[23] Daar ik spoedig in het geval zal weezen van er gebruik van te moeten maaken, zal ik tot dien tijd wachten om ze te beschrijven.

Beschrijving der Isbas.

De winterwooningen zijn minder zonderling, zij zouden volmaakt na de huizen der Russische boeren gelijken, indien ze zo groot waaren. Deeze zijn reeds zo dikwils beschreeven, dat een ieder ten naasten bij kan weeten, hoedanig ze gebouwt en verdeelt zijn; het is bekend, dat deeze isbas alle van hout zijn, dat is te zeggen, dat ze bestaan uit vlak op den anderen gelegde boomen, die ’er de muuren van uitmaaken, waar van de openingen met mosch gevult zijn. Derzelver dak heeft de rigting van de boere hutten in Frankrijk: het is met een grof gras of biezen gedekt, en somtijds ook met planken; het binnenste word door twee vertrekken afgedeeld, en ééne kagchel verwarmt door deszelfs plaatzing die beide, ze[I-27] dient ook tot een schoorsteen voor de keuken. Ter wederzijde van de grootste deezer kamers zijn breede banken, die daar blijven staan, geplaatst, en somtijds ook eene slegte slaapstede van planken gemaakt en met beerehuiden bedekt. Dit is het bed van de hoofden des huisgezins, en de vrouwen, die in deeze woeste streeken slaavinnen van haare mannen zijn en het zwaarste werk verrichten, moeten zich gelukkig achten wanneer ze daar op rusten kunnen.

Behalven deeze banken en dit bed, vind men ’er nog een tafel en een groot getal beelden van verschillende heiligen, waar meede de Kamschatters hunne vertrekken vercieren, en waar op zij zoo eergierig zijn als de meesten van onze beroemdste kenners op het ten toon stellen hunner prachtige schilderstukken.

Men kan wel begrijpen dat de vensters nog breed nog hoog zijn: de ruiten zijn van zalmvellen of blaazen van verschillende dieren, of van toebereide zeewolven gorgels, zomtijds zelfs van talkbladen, het geen zeer zeldzaam is en een soort van pracht aankondigt. Deeze visch-vellen zijn zodanig afgeschrapt en toebereid, dat ze doorschijnend zijn en een weinig daglicht in het vertrek geeven[24], dog ’er ontbreekt veel aan om[I-28] ’er de voorwerpen door te kunnen onderscheiden. De bladen van talk zijn helderder en komen nader aan het glas, echter zijn ze niet doorschijnende genoeg om van buiten te zien het geen van binnen omgaat; men kan begrijpen dat dit geen ongemak is voor zulke laage huizen.

[24] Dit geeft het zelfde uitwerkzel als het geolied papier in de vensters van de fabrieken in Frankrijk.

Opperhoofd of Rechter van ieder Ostrog.

Ieder Kamschattisch dorp word bestiert door een hoofd, genaamt toijon; dit soort van regeerings-persoon word door de landzaaten verkooren, bij meerderheid van stemmen: de Russen hebben hun dit voorrecht laaten behouden, dog ze verplichten hen om de keus door het rechtsgebied van het Landschap te doen goedkeuren; die toijon is dus maar een boer, even als die geenen welke hij richt en bestiert, hij heeft niets onderscheidends en doet het zelfde werk als zijne onderhoorigen; hij is bijzonder gelast met de bewaaring der goede order, en met de uitvoering der beveelen van de regeering; hij heeft daar en boven, onder de zijnen, een ander Kamschatter volgens zijn keus, om hem te helpen of zijn plaats te bekleeden in de uitvoering van zijne bediening; deeze onder-toijon word genaamt ijesaoul, een Cosaksche eertitul, welken de Kamschatters zedert de komst der Cosakken in dit schier-eiland aangenomen hebben, en die, bij de laatsten, het tweede hoofd van derzelver bende of horde betekent; men moet hier bijvoegen, dat wanneer[I-29] het gedrag deezer hoofden slegt is, of de klachten van hunne onderhoorigen verwekt, de Russische Officieren, gesteld om die klachten te ontfangen, of de andere door de Regeering aangestelde Rechtbanken, aanstonds deeze toijons van hunne bediening afzetten, en anderen benoemen, die aan de Kamschatters, welken het recht hebben om ze voortestellen, aangenaamer zijn.

Den 8.

De regen voortduurende konden wij ons nog niet weder op reis begeeven, dog mijne nieuwsgierigheid vervoerde mij om een oogenblik van den dag te neemen ten einde eene wandeling door het dorp Paratounka te doen, en deszelfs omgeleegen streeken van nader bij te bezichtigen.

Aanmerkingen over de kerk en de omgeleegen streeken van Paratounka.

Ik begaf mij eerst naar de Kerk, die ik van hout gebouwd vond, en in denzelfden smaak vercierd als die der Russische dorpen; ik zag er de wapens van den Capitein Clerke, door den Heer Webber geschilderd, en het Engelsch bijschrift op den dood van dien waardigen opvolger van Capitein Cook, ze duid ook deszelfs begraafplaats te St. Pieter & Paulus aan.

Geduurende het verblijf der Fransche Fregatten in die haven, was ik eens bij gelegenheid van een Jagtpartij met den Heer Burggraaf de Langle ten Paratounka geweest; bij onze terugkomst sprak hij mij over verscheidene andere belangrijke zaaken, die hij in deeze kerk had waargenomen en[I-30] dewelke mij geheel ontsnapt waaren; deeze bestonden, zo veel als ik mij kan herinneren, in verscheide de offerhanden, die daar volgens zijn zeggen door eenige der eerste zeevarende, welke aldaar schipbreuk geleeden hadden geplaatst waaren. Ik had mij wel voorgesteld om dezelve bij mijn tweede bezoek van deeze parochie nategaan, dog ’t zij, dat mij mijn geheugen kwalijk gediend heeft, of dat ik in dat onderzoek te veel haast gemaakt heb, als hebbende daar aan maar weinig tijds kunnen besteeden, ik heb daar altans niets van kunnen ontdekken.

Het dorp is van een bosch omringt; ik ging het dwars door langs de rivier, en ik ontdekte eene zeer groote vlakte, welke zich ten noorden en ten oosten tot aan de bergen van Petropavlofska uitstrekte; deeze keten eindigt ten zuiden en ten westen, door die, waar van de berg van Paratounka een gedeelte uitmaakt, en die maar vijf a zes wersten[25] van het dorp van dien naam afgelegen is; men vind dikwerf aan de oevers der rivieren die door deeze vlakte slingeren, versche spooren van beeren, die ’er in gaan om de visschen, waar van ze overvloedig voorzien zijn, te vangen en opte-eeten; de bewoonders verhaalen[I-31] van menigmaal tot vijftien a twintig van die dieren bij elkander gezien te hebben; ook zijn ze zeker, wanneer zij op dezelve ter jagt gaan, van er ten minsten één of twee in den tijd van vierentwintig uuren t’huis te zullen brengen. Ik zal welhaast gelegenheid hebben van hunne jagt en wapenen te spreeken.

[25] Een WERST word thans op vijf honderd roeden bereekend.

Den 9.

Vertrek van Paratounka.

Wij verlieten Paratounka, en hervatteden onze reis; een twintigtal paarden was voor ons en ons reis-goed, dat van weinig belang was, genoegzaam; hebbende den Heer Kasloff de voorzorg gebruikt van er een groot getal van te water te zenden tot aan het dorp van Koriaki; de rivier Avatscha stroomt niet hooger, en is niet verder vaarbaar dan tot aan dit dorp, ook is men verplicht van kleine schuitjes genaamt batts gebruik te maaken; de baidars alleen dienende om de baaij van Avatscha overtesteeken, en niet verder kunnende komen dan tot aan den mond van de rivier van deezen naam, zo laaden ze aldaar derzelver vragt in deeze batts of praauwen over, welke men genoodzaakt is uit hoofde van derzelver ondiepte en de snelheid der rivier met boomen voort te doen gaan; aldus kwamen onze goederen te Koriaki aan.

Wat ons betreft, na dat wij de rivier van Paratounka doorgewaad en er eenige armen van langs gereeden hadden, verlieten wij dezelve, om andere[I-32] beplante en minder vlakke, dog gemaklijker wegen inteslaan; wij reisden meest altoos door valeijen, en hadden maar twee bergen te beklimmen; onze paarden deeden deezen togt, niettegenstaande derzelver last, zeer gemaklijk; in ’t kort, wij hadden geen reden van ons een oogenblik, geduurende onze geheele reis, over het weder te beklaagen, het was zo fraaij, dat ik haast begon te gelooven, dat men mij de gestrengheid van de lucht vergroot had, dog weinig tijds daar na bevestigde de ondervinding maar al te zeer, het geen men mij had gezegt, en in ’t vervolg van mijne reis had ik gelegenheid genoeg van mij aan de doordringendste nevels te gewennen; overgelukkig, wanneer ik in ’t midden van het Ys en de Sneeuw niet nog daar en boven met het geweld der dwarlwinden en stormen te worstelen had.

1787. October

Aankomst te Koriaki.

Wij besteeden omtrent zes a zeven uuren om ons naar het dorp van Koriaki te begeeven, het welk na ik er van heb kunnen oordeelen, agtendertig a veertig wersten van Paratounka afgeleegen is; daar naauwlijks aangekomen zijnde, moesten wij in het huis van den toijon vlugten, om ons voor den regen te beveiligen; deeze ruimde zijn Isba voor den Heer Kasloff, en wij bragten ’er den nagt door.

[I-33]

Beschrijving van dit Ostrog.

Het dorp van Koriaki is in het midden van een Kreupel-bosch, en aan den oever van de rivier Avatscha gelegen, die daar ter plaatze veel enger word; vijf of zes Isbas, en het dubbeld of op zijn hoogst het drievoudig getal van Balagans maaken dit dorp uit, het welk veel na dat van Paratounka gelijkt, als alleen dat het zo groot niet is, en dat het geen Parochie heeft. Ik moet hier aanmerken, dat in ’t algemeen de dorpen van zo weinig belang geene Kerken hebben.

Den 10.

Vertrek van Koriaki.

Den volgenden dag steegen wij wederom te paard, en namen den weg naar Natchikin, zijnde een ander dorp op den weg van Bolcheretsk gelegen; wij moesten ons eenige dagen in deszelfs omtrek ophouden om van de baden aldaar gebruik te maaken, die de Heer Kasloff ten zijnen kosten, (tot nut en vermaak van al de Inwoonders,) op heete bronnen, die men daar aantreft, had doen aanleggen, en die ik al aanstonds nader zal kenbaar maaken; de weg van Koriaki tot Natchikin is redelijk gemaklijk, en wij reeden zonder moeite alle de kleine beekjes of bronnen door, die van de bergen afdaalden, langs den voet van welke wij voorbijtrokken; Na drie vierde van den weg afgelegt te hebben, vonden wij de Bolchaïareka[26]; ze scheen mij, na derzelver[I-34] breedte ter deezer plaats, van omtrent vijf a zes roeden, zich in het Oost-Noord-Oosten veel te verlengen; wij reeden ze geduurende eenigen tijd langs, tot dat wij een kleinen berg zagen, die ze ons deed verlaaten, terwijl wij het dorp naderden; de geweldige regen, die ’er viel, wanneer wij van Koriaki vertrokken, was kort daar aan opgehouden; dog de wind in het Noordwesten geloopen zijnde, wierd de lucht zeer bezet en wij hadden sneeuw in overvloed; ze overviel ons, wanneer wij nog meer dan twee derde van onze reis hadden afteleggen, en duurde tot op onze aankomst. Ik had tijds genoeg om optemerken, dat de sneeuw reeds de bergen bedekte, zelfs de min verhevene, op dewelke ze tot eene zeekere hoogte eene gelijke lijn beschreef, onder welke ze nog niet scheen te kunnen blijven leggen; wij doorwaadden de Bolchaïa-reka, en wij vonden aan de andere zijde het dorp van Natchikin, alwaar ik zes of zeven Isbas, en een twintigtal Balagans, van het zelfde soort als ik reeds gezien had, aantrof; wij verbleeven ’er niet, dewijl de Heer Kasloff besloot zich terstond naar zijne baden te begeeven, waar na ik zo uit nieuwsgierigheid als uit noodzaaklijkheid zeer verlangde.

[26] Deeze naam betekent in ’t Russisch, Groote Rivier.

1787. October De baden en heete bronnen van Natchikin.

Aankomst en verblijf bij de baden van Natchikin.

De sneeuw had mijne kleederen doorvogtigt, en met de rivier doorterijden, die vrij diep was, waaren mijne voeten en beenen zeer nat geworden.[I-35] Ik verlangde dus om van kleeding te veranderen, dog aan de baden komende, was ons reisgoed nog niet aangekomen; wij zogten ons te droogen, door op ’t oogenblik een wandeling in den omtrek te gaan doen, en tevens terstond de belangrijke voorwerpen, die ik daar verwachtte, te beschouwen; alles wat mijn oog aantrof bekoorde mij, dog de vogtigheid van de plaats, gevoegd bij die, welke wij reeds ondervonden, verkleumde ons geheel, en deed ons de wandeling staaken. Bij onze terugkomst ontmoeteden wij nieuwe zwaarigheden, die ons ongeduldig maakten. In de onmogelijkheid zijnde van ons te verschoonen of te verwarmen, vonden wij nog ons reisgoed niet. Tot overmaat van tegenspoed was de plaats, waar wij onzen optrek genomen hadden, zeer vogtig, en hoewel dezelve vrij digt was, scheen de wind echter van alle kanten ons aantevallen. De Heer Kasloff ging zich baden, het geen hem spoedig herstelde, dog ik zijn voorbeeld niet durvende volgen, zag ik mij genoodzaakt de aankomst van ons reisgoed aftewachten. Ik was zodanig van de koude doordrongen, dat ik den nagt al rillende doorbragt.

Den 11.

Den volgenden dag nam ik op mijn beurt een proef van deeze baden, en ik kan zeggen dat ’er geene mij immer zo veel vermaaks, of zo veel goeds veroorzaakten; dog ik moet aanstonds overgaan[I-36] om den oorsprong dezer warme wateren, en de gelegenheid van de badstoof te beschrijven.

Beschrijving der warme bronnen van Natchikin.

Dezelve worden twee wersten ten noorden van het dorp gevonden, en omtrent vijf of zes honderd treeden van den oever der Bolchaïa-reka, die men ten tweeden maale moet overtrekken om aan de baden te komen, uit hoofde van de bogt, die ze agter het dorp maakt. Een dikke en geduurige damp verheft zich boven deeze wateren, die al bruisschende of kookende ontspringen uit eenen berg, die een weinig steil is, en drie honderd treeden ten oosten van de plaats, waar de baden zijn, afgelegen is. Bij derzelver val, die zich Oost-en-Westwaards uitstrekt, vormen ze een klein beekje van één en een half voet diepte, en van zes a zeven voeten breedte. Op een weinig afstands van de Bolchaïa-reka ontmoet dit beekje een ander, welke te zamen in deeze rivier vallen, omtrent agt a negen honderd treeden van den oorsprong dezer warme wateren, alwaar het zelve zo heet is, dat men onmogelijk de hand er een halve minuut in kan houden.

Beschrijving der baden.

De Heer Kasloff heeft de voorzorg gebruikt om deszelfs baden, op de gemaklijkste gelegenheid, en daar, waar het water de gematigdste hette heeft, te doen plaatzen; in het midden van de[I-37] beek heeft hij zijn gebouw van hout doen vervaardigen in evenredigheid van agt voeten breedte, op zestien voeten lengte; het binnenste is in twee vertrekjes afgedeeld, zijnde ieder van zes a zeven voeten in ’t vierkant, en ook van die hoogte. In het eene naar den kant van den oorsprong gelegen, en onder ’t welk het water bij gevolg de meeste hette heeft, baad men zich; het ander dient alleen tot een plaats om zich te kleden voor hun, die in het bad gaan; zij vinden tot dat einde breede banken boven de oppervlakte van ’t water, en men heeft in ’t midden een zekere ruimte gelaaten, alwaar men, zo men ’t begeert, zich nog wasschen kan; dit namelijk maakt het zeer aangenaam, dat de hette des waters zich genoegzaam in dit vertrek verspreid, om te beletten, dat men niet koud word, en dat dezelve zodanig het ligchaam doordringt, dat men die warmte zelfs buiten het bad geduurende een uur of twee behoud.

Zamenstelling van onze Wooningen bij deeze baden.

Wij hielden ons verblijf bij deeze baden in twee zoorten van schuuren, bedekt met stroo, waar van het timmerwerk uit boomen en takken bestont; ze waaren voor onze aankomst, ten onzen gebruike, en in zo weinig tijds vervaardigt, dat, wanneer men ’t mij verhaalde, ik moeite had om het te begrijpen, maar welhaast wierd ik door het gezicht er van overtuigd; die geen,[I-38] welk aan ’t zuiden van de beek stond, te klein en te vogtig bevonden zijnde, gaf de Heer Kasloff bevel, om een ander van drie a vier roeden groot, aan den anderen kant, alwaar de grond minder moerassig was, te vervaardigen, dit was ’t werk van één dag, des avonds was ze in gereedheid, hoe zeer men er nog daarenboven een trap bij gemaakt had, die de gemeenschap van deeze schuur met de badstoof, waar van de deur naar ’t noorden staat, gemaklijk maakt.

Den 14.

De koude ons verblijf geduurende den nagt onverdraaglijk gemaakt hebbende, besloot de Heer Kasloff om het zelve vier dagen na onze aankomst te verlaaten; wij keerden te rug naar het dorp bij den toijon, dog de aanloklijkheid deezer baden trok ons dagelijks meer tweemaal, dan eens, derwaarts, en wij kwamen er bijna nooit zonder ons te baden.

De verscheiden aanbouwingen, welke de Heer Kasloff tot meerder gemak van zijne inrichting deed vervaardigen, hielden ons nog twee dagen op; dees menschlievende bevelhebber, bezield door de zucht van wel te doen, genoot het vermaak van aan zijne arme Kamschatters, zo wel heilzaame, als aangenaame baden, bezorgt te hebben; derzelver weinige verlichting, of misschien hunne onbezorgdheid, zou hen zonder zijne hulp daar van beroofd hebben, niettegenstaande[I-39] het onbepaald vertrouwen, het welk zij in deeze warme bronnen stelden tot geneezing van veele kwaalen[27]. Dit maakte den Heer Kasloff begeerig om de eigenschappen van deeze wateren te leeren kennen, hij stelde mij voor, om de ontbinding daar van zamen te onderneemen, met behulp van zekere onderrichting, die hem tot dat einde gegeeven was; maar voor en aleer ik van onze bevinding verslag doe, acht ik het nodig om hier deeze handleiding uitteschrijven, ten einde mij de middelen te herinneren, die wij daartoe gebruikt hebben.

[27] Voorheen durfden zij deeze bronnen en ook de vuurspuuwende bergen niet naderen, dewijl ze zich verbeelden, dat daar helsche geesten hun verblijf hielden.

Onderrichting om deeze heete wateren te ontbinden.

„De wateren kunnen in ’t algemeen in zich bevatten

„1. Vaste lucht, en als dan hebben ze eenen prikkelenden en zuurachtigen smaak, even als limonade zonder suiker.

„2. Yzer of Koper-deelen, wanneer ze van eenen zamentrekkenden en onaangenaamen smaak zijn, ten naasten bij als inkt.

„3. Zwavel of Zwavelachtige dampen, en in dat geval is de smaak zeer walgachtig, even als van een gebroeid en bedorven hoender-eij.

„4. Vitriool, Zee of Alkalisch Zout.

[I-40]

„5. En Eindelijk aardachtige deelen.

Vaste Lucht.

„Om de vaste lucht te onderscheiden, is de smaak gedeeltelijk genoegzaam, dog wanneer men in het water sap van tournesol giet, neemt het zelve naar maate van de menigte vaste lucht, welke het in zich bevat, eene meerdere of mindere roode couleur aan.

Yzer-Deelen.

„Het Yzer ontdekt zich door middel van de galnoot, of door een brandbaar alkali; de galnoot in water gedaan, dat met Yzer-achtige deelen bezet is, geeft aan het zelve een purpere-violet- of zwarte couleur; en het brandbaar alkali daar in gedaan zijnde geeft op het oogenblik Berlijnsch blaauw.

Koper-Deelen.

„Het Koper word kenbaar door bijvoeging van het brandbaar, of vlug alkalisch zout, het eerste verwt Koperachtig water in bruin-rood, en het tweede in blaauw; het tweede is nogtans zekerder dan het eerste, om reden[I-41] dat het vlug alkalisch zout alleen het koper, en niet het ijzer doet zinken.

De Zwavel.

„Men verkrijgt de Zwavel en Zwavelachtige dampen, wanneer men in ’t water giet, 1. Salpeterzuur; indien ’er zich dan een geel of witachtige droessem in vertoont, heeft men Zwavel, en ter zelver tijd bemerkt men een uitwaasseming en verspreiding van eenen Zwavelachtigen reuk. 2. Eenige druppels bijtend sublimaat; zo er als dan een wit zinkzel verschijnt, bevat het water alleen Zwaveldampen; en alleen zwavel, wanneer het gezonkene zwart is.

Vitriool-Zouten.

„Het water kan Vitrioolzout in zich bevatten, dat is te zeggen, zouten, voortspruitende uit de zamenvoeging van Vitriool-Zuur met Kalkachtig-Aard-Yzer-Koper, of met een Alkalisch Zout; men word het Vitrioolzuur gewaar, wanneer men ’er eenige druppels opgeloste zwaarwegende aarde (terre pesante) ingiet; want als dan ziet men een drabbig zinkzel gebooren[I-42] worden, dat langzaam op den bodem van het glas nedervalt.

Zee-Zout.

„Men kan ras gewaar worden, of het water Zee-Zout in zich bevat, wanneer men ’er eenige druppels opgelost zilver ingiet, aanstonds zal zich een wit zinkzel ontdekken, even als gestremde melk, het geen op het laatst een donker violet couleur verkrijgt.

Vast Alkalisch-Zout.

„Het water bevat een vast Alkalisch Zout, wanneer ’er door het bijdoen van eenige druppels ontbonden bijtend sublimaat, vrij spoedig een roodachtig bezinkzel ontstaat.

Kalkachtige Aarde.

„Ook kan het water verzeld zijn van Kalkachtige Aarde en Magnesia; eenige druppelen zuur van suijker in het water gedaan, doen de Kalkachtige aarde in witachtige wolkjes zinken, die vervolgens op den grond vallen, en eene witte stof overlaaten; Eindelijk, indien[I-43] het water Magnesia in zich besluit, brengen eenige druppelen van ontbonden bijtend sublimaat zeer langzaam een roodachtig bezinkzel voort.”

Aanmerking: Teneinde deeze proefneemingen zeeker en spoedig gelukken, moet men zorg draagen, om het water, dat men ontbinden wil, bijna tot de helft door kooken te verminderen, uitgezondert nogtans, wanneer het water vaste lucht in zich bevat, om dat deeze lucht door de opkooking zou vervliegen”.

Uitslag van onze proefneemingen.

Na dat wij deeze bovengemelde handleiding wel overdagt hadden, begonnen wij de proefneemingen; de drie eersten niets voortgebragt hebbende, begreepen wij, dat dit water nog vaste lucht, nog Yzer, nog Koper-deelen in zich bevatte, dog de bijvoeging van Salpeter-zuur, bij de vierde proef aangeweezen, deed ons op de oppervlakte een weinig witachtigen droessem gewaar worden, welke zich niet ver verspreidde, hetgeen ons deed gelooven, dat de hoeveelheid Zwavel of Zwavelachtige dampen zeer gering was.

De vijfde proef toonde ons, dat het water met Vitriool-zouten vervuld was of ten minsten Vitriool-zuur met Kalk-achtige aarde; wij zagen de tegenwoordigheid van dat zuur, wanneer wij eenige druppels ontbonden zwaarwegende aarde[I-44] in dit water wierpen, het welk wit wierd in de gedaante van wolkjes, en de droessem, die zich op den grond van het glas zette, scheen ons toe zeer fijn en wit te weezen.

Ons ontbrak ontbonden zilver om de zesde proef te doen, en te zien of het water ook van zee-zout voorzien ware.

De zevende bevestigde ons dat het met geen vast Alkalisch zout bezet was.

Wij vonden door de agtste bewerking, dat het water eene groote hoeveelheid van Kalkachtige aarde dog geen magnesia in zich bevatte. Nadat wij ’er eenige druppels zuur van suiker ingegooten hadden, zagen wij de Kalkachtige aarde op den grond van ’t glas in wolken en wit stof nederzinken; wij mengden ’er vervolgens ontbonden bijtend sublimaat onder ten einde de magnesia te zoeken, dog ’t grondsap behield in plaats van roodachtig te worden, altoos de Couleur, die het zelve had, wanneer ’er nog niets anders dan zuur van suijker onder vermengt was; een bewijs dat ’er geen magnesia in ’t water was.

Wij gebruikten dit water voor de thee en onzen gewoonen drank. Eerst drie of vier dagen daar na wierden wij gewaar, dat het eenige zoutdeelen bij zich had.

De Heer Kasloff deed ook water, dat aan de bron gehaald was, kooken, tot dat het geheel uitgewaassemt[I-45] was; de aarde of witachtige en zeer zoute stof, die op den bodem van ’t glas bleef, en het uitwerkzel dat ze natuurlijk op ons voorbragt, dit een en ander duidt klaar aan, dat dit water met salpeterachtige zouten bezet was.

Wij merkten nog op, dat uit de beek genomen steenen overdekt waaren van eene vrij dikke en ineengekronkelde kalkachtige stoffe, die met het vitriool en salpeter zuur als opgekookt is; wij raapten nog anderen op de plaats zelfs, waar deeze wateren hun oorsprong schijnen te neemen, en waar ze het heetste zijn; wij vonden ze bedekt met een laag van een soort van metaal, zo ik dus dat harde en vaste bekleedzel kan noemen, het geen ons toescheen de couleur te hebben van gezuiverd koper, dog waar van wij de hoedanigheden niet konden ontdekken; dit metaal vertoonde zich daar en boven onder de gedaante van speldeknoppen en nooit konden wij het door eenig zuur ontbinden; wanneer wij deeze steenen doorkliefden, vonden wij ’t binnenste zeer week en met keiachtig zand vermengt, ik wierd ’er een groot getal van in deeze bronnen gewaar.

Ik moet hier nog bijvoegen, dat wij aan den oever van de beek en in een klein drijvend moeras, in deszelfs nabuurschap gelegen; een gom of zonderling zee-gras ontdekten, van eene lijmagtige[I-46] zelfstandigheid en niet aan de aarde kleevende.[28]

[28] De Heer Kasloff had daar van eene zekere hoeveelheid aan den Heer abt Mongis gegeeven, geduurende het verblijf van deezen Natuurkundigen, welke tot onzen togt behoorde, te St. Pieter & Paulus.

Deeze zijn de Waarneemingen, die ik omtrent den aart deezer warme wateren gemaakt heb, bij gelegenheid, dat ik den Heer Kasloff in zijne proefneemingen en naspooringen de behulpzaame hand bood. Ik durf mij niet vleijen van in het opgeeven onzer bevindingen op eene voldoende wijze geslaagt te zijn; het zou kunnen weezen dat door onachtzaamheid, of bij gebrek van de nodige kundigheden, mij eenige misslagen in de opgaave onzer bewerkingen ontsnapt waaren, ik kan nogtans betuigen, dat ik ’er al mijn aandagt en zorgvuldigheid aan besteed heb; daar en boven verklaar ik bij voorraad, dat men aan mij alleen het gebrekkige moet toeschrijven het geen men in dit verhaal zou hebben kunnen aantreffen.

Geduurende den tijd welken wij bij deeze baden en in het dorp van Natchikin doorbragten, waren de goederen, die wij te Koriaki agtergelaaten hadden door onze paarden in verscheiden reizen overgebragt, en wij begonden de nodige schikkingen[I-47] voor ons vertrek te maaken. In dien tusschentijd zag ik een sabel-marter of wezeltje levendig vangen, op eene wijze die mij zeer zonderling voorkwam en teffens een denkbeeld kan geeven van de jagt op deeze dieren.

Jagt op eene sabel-marter.

Op eenigen afstand deezer baden, bemerkte de Heer Kasloff een groot getal Ravens, die bijna altoos over dezelfde plaats al scheerende langs den grond vloogen; de vaste richting hunner vlucht deed hem denken, dat een of andere roof hen derwaarts trok; en inderdaad, deeze vogels vervolgden een sabel-marter; wij ontdekten dezelve op een berkenboom die door andere ravens omringt was, en kreegen begeerte om die te vangen; de zekerste en spoedigste manier om daar in te slaagen zou zeker geweest zijn om ze met den snaphaan dood te schieten, dog wij hadden onze geweeren naar ’t dorp, werwaarts wij zelfs weder keerden, te rug gezonden, en van de persoonen, die ons verzelden, nog in den omtrek, konden wij ’er geen één bekomen; Een Kamschatter hielp ons gelukkig uit de verlegenheid, door zich aantebieden om het dier te vangen; ziet hier, hoe hij dit aanlag; hij vroeg ons een band, en wij konden hem geen anderen geeven dan dien waarmede ons hair gebonden was; terwijl hij een strik maakte, hadden op deeze Jagt afgerichte honden den boom omringt; het beest bekeek dezelve,[I-48] en het zij uit schrik, of natuurlijke domheid, het beweegde zich niet; het vergenoegde zich met zijn hals uittestrekken, wanneer men het den strik aanbood, tweemaal maakte het ’er zich zelfs aan vast, en tweemaal ging de strik los; wanneer eindelijk de marter op den grond sprong, wilden de honden ze grijpen, dog welhaast wist zij ’er zich van te ontdoen, en hield zich zodanig met de pooten en de tanden aan den snoet van een der honden vast, dat die geen reden had om over dit onthaal vergenoegd te weezen; daar wij gaarne het beest levendig vangen wilden, deeden wij er de honden af; de marter ontliep het terstond en klom wêer op een boom, alwaar men ze voor de derdemaal den strik om den hals deed, die op nieuw afgleed; en het was eerst voor de vierde reis, dat het den Kamschatter gelukte om het beest te vangen[29]. Ik zou nimmer gedagt hebben, dat een beest, het welk zulk een loos voorkomen heeft, zich zo lomp zou hebben laaten krijgen, en zelfs behulpzaam zijn aan de laagen, die het ziet, dat men het legt. Deeze gemaklijkheid[I-49] om de marters te vangen, is voor de Kamschatters van een groot nut, dewijl ze verpligt zijn hunne schattingen in marter-vellen te betaalen, ’t geen ik in ’t vervolg nader zal opgeeven[30].

[29] De Heer Kasloff, die deeze Jagt bestierde, had de goedheid van mij deeze sabelmarter, in ’t land SOBOL genaamt te vereeren, en beloofde mij ’er nog een te zullen bezorgen, ten einde ik een paar daar van naar Frankrijk kon medeneemen.

[30] Dit bontwerk maakt niet alleen een aanmerkelijken tak van Koophandel uit, maar daar en boven dient het eenigermaate voor een geldspecie aan deeze volkeren.

Men nam, geduurende de nagten van den 13. en 14, twee luchtverschijnzels in het Noord-westen, waar; uit de beschrijving, die men ’er ons van gaf, oordeelden wij, dat het flikkeringen van noorderlicht geweest waaren, en het deed ons leed niet tijdig genoeg gewaarschuuwt geweest te zijn, om ze te kunnen zien; de lucht was vrij schoon geweest geduurende ons verblijf aan de baden, echter was het westelijk gedeelte bijna altoos bezet met zeer dikke wolken; de wind veranderde van west in noord-west en bragt ons van tijd tot tijd sneeuwvlagen aan, de sneeuw kon nog geen vastigheid verkrijgen, niettegenstaande den vorst, dien men alle nagten gewaar wierd.

Den 16.

Toebereidzelen tot ons vertrek.

Ons vertrek op den 17 October bepaald zijnde, bragten wij den dag van den 16 in die bezigheden door, welke de laatste toebereidzelen tot de reis noodzaaklyk maakten; wij moesten het overige van onze reis tot aan Bolcheretsk op[I-50] de Bolchaïa-reka doen, men had tien kleine schuitjes, die mij eigentlijk niet anders toescheenen dan uitgeholde boomen in de gedaante van praauwen, twee aan twee, en den een tegen den anderen vastgemaakt; men maakte daar van vijf vlotten, om ons en een gedeelte van onze goederen overtevoeren; wij moesten wel besluiten om het overige te Natchikin te laaten, uit hoofde van de onmogelijkheid om alles op deeze vlotten te kunnen laaden, welker getal men ook niet vermeerderen kon, want men had al de schuitjes of praauwen genomen, die maar in het dorp te vinden waaren, en zelfs had men ’er van het dorp Apatchin, werwaards wij ons begeeven moesten, laaten afkomen.

1787. October.

Den 17.

Vertrek van Natchikin, en bijzonderheden van onze reis.

Op den 17. met het aanbreeken van den dag, begaven wij ons op deeze vlotten. Vier Kamschatters bestierden met behulp van lange boomen of stokken onze vaartuigen, dog meesttijds waaren ze genoodzaakt van zich in het water te begeeven om dezelve voorttetrekken, dewijl de rivier op sommige plaatzen, op zijn hoogst maar een of twee voet, en op andere nog geen zes duimen, diepte had; al vrij spoedig brak een van onze vlotten, en wel juist dat waar op ons goed gelaaden was, alles moest toen ontlaaden worden om het vlot weder te kunnen maaken; wij wagteden ’er niet op, maar verkoozen liever het[I-51] zelve agter te laaten en onze reis te vervolgen; des middags noodzaakte ons eene andere ramp, die wel zo treurig was voor luiden wier eetlust opwakkerde, om nogmaals te moeten vertoeven; het vlot waar op men onze keuken gelaaden had, raakte voor onze oogen eensklaps aan ’t zinken; men kan ligt bevroeden, dat wij met geene onverschilligheid het verlies, waar mede wij bedreigd wierden, aanzagen, wij ijverden om ’t zeerst en zo goed wij konden om het overschot van onzen voorraad te behouden, en uit vreeze voor grooter tegenspoeden, namen wij het voorzichtig besluit van in deeze plaats stil te houden, ten einde ’er het middagmaal te neemen; dit deed ons ongevoelig den geleeden schrik vergeeten, en gaf ons meerder moed, om het water te leegen, het welk onze praauwen overlaade, en om onze reis voorttezetten. Wij hadden nog geen werst afgelegd, of wij ontmoetteden twee schuitjes die van Apatchin kwamen om aan onze overvoering te helpen. Wij zonden ze ter hulp van de beschadigde vlotten, en om de praauwen die buiten staat waaren van langer dienst te doen, te vervangen; daar wij altoos aan ’t hoofd van alle de vaartuigen voorwaarts gingen, verlooren wij ze op het laatst geheel uit het gezicht, dog wij ondervonden tot aan den avond geene verdrietelijkheden meer.

[I-52]

Ik bemerkte, dat de Bolchaïa-reka in de bogten, die ze geduurig maakt, ten naasten bij oost-noord-oost, en west-zuid-west loopt; derzelver stroom is zeer snel, ze scheen mij toe omtrent vijf à zes kronkelingen in een uur te hebben; echter betwisteden de steenen en de ondieptens, die men ’er telkens aantreft, ons zodanig den doortogt, dat het werk van onze geleiders, die ze met groote behendigheid wisten te vermijden, zeer zwaar wierd; dog naar maate wij den mond van de rivier naderden, ontdekte ik met vermaak, dat ze wijder en bevaarbaarder wierd. Ik was niet minder verwonderd, van dezelve, in ik weet niet hoe veel armen, zich te zien verdeelen, die vervolgens, na verscheiden kleine eilandjes besproeid te hebben, waar van eenige met hout begroeid zijn, zich weder vereenigden; de boomen zijn overal zeer klein en zeer digt bewassen, men vind ’er ook hier en daar een groot getal voorwaarts in de rivier staan, het welk de moeijelijkheid in het vaaren nog vergroot, en de onbezorgdheid, ik zou haast zeggen de luiheid deezer volkeren, aantoont. Het valt hun niet eens op den aandagt om ten minsten deeze boomen uitteroeijen, en zich daar door een vrijen doortogt te baanen.

Verschillende soorten van water-gevogelte als eenden, pluvieren, goillands, duikelaars en meer[I-53] anderen vermaaken zich in deeze rivier, welker oppervlakte zij dikwils bedekken, dog het is gantsch niet gemaklijk om ze te naderen en bij gevolg ook niet om ze te schieten, het wild scheen ’er mij zo overvloedig niet. Zonder het spoor der beeren en de half verslondene visschen, die zich allerwegen aan ons oog vertoonden, zou ik gedagt hebben, dat men mij had zoeken te bedriegen, of ten minsten dat men veel vergroot had, wanneer men mij van de meenigte deezer dieren, welke deeze velden bewoonen, had gesprooken. Wij konden er geen een gewaar worden, dog wij zagen verscheide zwarte arenden, en anderen met witte vleugels, raavens, exters, eenige witte patrijzen, en een hermelijn, dat langs den oever wandelde.

Bij het aannaderen van den nagt, oordeelde de Heer Kasloff met reden, dat het voorzichtiger zoude zijn, onze reis te staaken, dan wel dezelve te vervolgen onder een gestadige vrees van diergelijke hinderpaalen te zullen ontmoeten als die geenen welke onze vaart geduurende den dag belemmert hadden. En hoe ze te boven gekomen? wij kenden de rivier niet, en het minste toeval kan zeer gevaarlijk worden, wanneer het in de duisterheid van den nagt voorvalt; na onderling deeze bedenkingen gewisselt te hebben, beslooten wij op den regter oever aan land te gaan, op den kant van een klein boschje, digt bij de[I-54] plaats, alwaar de Heer King en zijn gevolg stil hielden[31]; een goed vuur verwarmde en droogde ons volk; de Heer Kasloff had de nodige voorzorg gebruikt om op deszelfs vaartuig zijne tent te kunnen plaatzen, en terwijl men bezig was met ze op te stellen het geen in een oogenblik geschiedde, hadden wij het genoegen twee vlotten, die agter gebleeven waaren, te zien aankomen. Het vermaak, dat ons deeze vereeniging veroorzaakte, de vermoeijenissen van den dag, de gemaklijkheid der tent, en de voorzigtigheid, die wij gehad hadden van onze bedden mede te neemen, dit alles liep zamen om ons den best mogelijken nagt te doen doorbrengen.

[31] Ziet de derde reize van Cook.

1787. October Te Apatchin.

Den 18.

Aankomst te Apatchin, en aanmerkingen over dit dorp.

Den volgenden dag namen wij vroegtijdig en zonder veel zwarigheden de reis wederom aan. Wij waaren in den tijd van vier uuren te Apatchin, dog onze vlotten konden ons niet tot aan het dorp brengen, uit hoofde der ondieptens van de rivier ter dezer plaats; wij ontscheepten ons omtrent vier honderd passen van het dorp, en leiden deezen weg te voet af.

Dit dorp scheen mij minder groot dan de voorigen, dat is te zeggen, dat het misschien uit drie of vier wooningen minder bestond; het is in eene kleine vlakte gelegen, die door een arm van de[I-55] Bolchaïa-reka besproeid word, en men ontdekt aan de overzijde van den oever tegen over het dorp, eene uitgestrektheid van houtgewas, dat mij voorkwam een eiland te zijn, geformeerd door de verscheidene armen van deeze rivier.

Ik vernam in ’t voorbijgaan, dat het dorp Apatchin benevens dat van Natchikin niet altoos ter plaatze gestaan hadden, waar men ze thans ziet; het is pas zedert eenige jaaren, dat de Inwoonders, waarschijnlijk derwaarts getrokken door de bekoorlijke gelegenheid der plaats of door de hoop van een meer overvloedige en gemaklijker vischvangst, hunne wooningen daar overgebragt hebben, waar ik ze heb gevonden; de nieuwe grond, dien zij uitgekozen hebben, is volgens ’t geen men mij gezegt heeft, omtrent vier a vijf wersten van den ouden afgelegen, waar van geen overblijfzelen meer te zien zijn.

Ik vond te Apatchin niets aanmerkelijks; ik verliet het om mij bij onze vlotten te gaan vervoegen, welke de ondieptens voorbij waren en drie wersten van het dorp op ons wagtten, juist ter plaatze, alwaar de arm van de Bolchaïa-reka, na het dorp omgeloopen te hebben, weder in zijn bedde keert; hoe laager wij kwamen, hoe snelder en dieper wij dezelve vonden, zodanig dat niets onze reis tot aan Bolcheretsk hinderde,[I-56] alwaar wij des avonds ten zeven uuren aankwamen, alleen gevolgt van één onzer vlotten, zijnde de overige ten agteren gebleeven.

1787. October Te Bolcheretsk.

Aankomst te Bolcheretsk.

Naauwlijks waaren wij ontscheept, of de Heer Commandant geleidde mij naar zijne wooning, en had de beleeftheid mij huisvesting te geeven, waar van ik geduurende al den tijd van mijn verblijf te Bolcheretsk gebruik gemaakt heb. Ik moet erkennen dat ’er geene voorzorgen nog oplettenheden uit te denken zijn, welke ik niet van zijn kant ondervonden heb. Niet alleen bezorgde hij mij alle gerieflijkheden en aangenaamheden, die in zijn vermogen waaren, maar daar en boven verschafte hij mij alle onderrichtingen, die ik nodig had, en welke zijn post hem toeliet mij te geeven; zijn beleeftheid ging dikwils zo ver van mijne begeertens en vraagen voor te komen, en mijne nieuwsgierigheid aan te wakkeren, met dezelve alles, het geen hij voor haar belangrijk oordeelde, aantebieden; het was in deeze bedoelingen, dat hij mij al aanstonds bij onze aankomst voorsloeg, om met hem te gaan ter ontdekking van de galjoot van Okotsk[32] die op een weinig[I-57] afstands van Bolcheretsk ongelukkig schipbreuk had geleden.

[32] Dit schip word jaarlijks op bevel van de regeering afgezonden, ter overbrenging van alle soorten van levensmiddelen en andere zaaken, geschikt ter verzorging van de Inwoonders van het schier-eiland.

Schipbreuk van het galjoot van Okotsk.

Wij waaren reeds gedeeltelijk van dit treurig voorval op onze reis onderricht; men had ons verhaalt, dat het slegte weder[33] het welk dit galjoot bij het naderen van ’t land had ondergaan, het zelve genoodzaakt had om een uur van de kust ten anker te komen, dog dat het zelve voor zijn ankers weggedreeven zijnde, de stuurman geen ander middel gezien had om het scheepsvolk te behouden, dan met het op de kust te zetten, dat hij derhalven de ankertouwen gekapt had, met dat gevolg, dat zijn vaartuig verbrijzeld was.

[33] Het woei in der daad eene stijve koelte uit het Noord-westen, en de lucht was zeer betrokken, wij wierden een streek van deezen wind op den volgenden dag van de schipbreuk van het galjoot, geduurende onze reis van Natchikin op Bolcheretsk gewaar, dog dezelve was den nagt van onze aankomst nog veel geweldiger.

Op de eerste tijding, hadden zich de Inwoonders van Bolcheretsk in allerijl verzameld om zich ter hulp van dat schip te spoeden, en ons te beproeven van ten minsten de levensmiddelen te redden, waar mede het zelve belaaden was.

[I-58]

De Heer Kasloff had bij zijne aankomst alle beveelen gegeeven, die hem nodig scheenen, dog niet gerust omtrent de uitvoering besloot hij welhaast om zich in persoon derwaarts te begeeven; hij verzogt mij van hem te willen vergezellen, het welk ik met blijdschap aannam, dewijl het mij veel vermaaks verschafte gelegenheid te hebben, van den mond der Bolchaïa-reka, en de haven welke ze op die plaats formeert, te zien.

Den 20.

Wij begeeven ons op weg ter ontdekking van het verongelukte schip.

Wij vertrokken des morgens ten elf uuren, op twee vlotten, waar van een (daar wij ons op bevonden) uit drie schuitjes was zamengesteld; onze geleiders bedienden zich van roeispaanen en zomtijds van hunne stokken, die hun in de belemmerde en ondiepe plaatzen, het meest te stade kwamen, om de hevigheid van den stroom te boven te komen, dewijl ze daar door de schuitjes terug hielden, welke er door weggesleept wierden, en die de stroom ongetwijffelt zonder dit overleg zou hebben doen verongelukken.

De Bistraïa, eene andere zeer snel vlietende, en breeder rivier als de Bolchaïa-reka, vereenigt zich met deeze laatste op den afstand van eene halve werst, en ten westen van Bolcheretsk; ze verliest haar naam bij de zamenvloeijing, om dien der Bolchaïa-reka mede aanteneemen, die door deeze bijvoeging van meer aanbelang word,[I-59] en die vervolgens omtrent dertig wersten van Bolcheretsk in zee valt.

1787. October.

Gehugt van Tchekafki.

Wij zetten des avonds ten zeven uuren voet aan land in een klein vlek genaamd Tchekafki; twee isbas, even zo veel balagans en eene bijna uitgeroeide ijourte waaren de eenigste wooningen, die ik ’er vond. Ik zag ’er daar en boven een slegte houten bergplaats, aan dewelke men den naam van magazijn gegeeven heeft, om dat ze aan de kroon behoord en men ’er terstond den voorraad in oplegt, waar mede de galjooten van Okotsk[34] geladen zijn; het is ter bewaaring van dit magazijn, dat het gehugt daar geplaatst is; wij bragten den nagt in een deezer isbas door, met voorneemen om ons den volgenden morgen naar het verongelukte schip te begeeven.

[34] Wanneer deeze galjooten genoodzaakt zijn om te overwinteren, houden zij zich op in den mond van een naauwer en dieper rivier, die in de Bolchaïareka valt, omtrent vijftig passen van dit gehugt, als men de rivier opvaart.

Den 21.

Wij begaven ons met het aanbreeken van den dag op onze vlotten, de zee was laag, wij voeren een zeer uitgestrekte en droog leggende bank langs; ze strekt zich na den linker oever van de Bolchaïa-reka, wanneer men die afvaart, en laat aan het noordelijk gedeelte maar een doortogt van[I-60] agt a tien roeden breedte, en twee en een halve sagene[35] of vaam diepte; de wind die een frissche koelte uit het noordwesten woei, ontstelde eensklaps de rivier, en liet niet toe, dat wij ons in de kil zouden waagen; onze vaartuigen waaren daar en boven zo klein, dat ze door iedere golf half gevuld wierden; twee menschen werkten zonder ophouden om ze te leegen, en waaren daar toe naauwlijks voldoende; wij voeren dus zo lang wij maar konden langs deeze bank.

[35] De sagene is eene Russische maat, van gelijke grootte als een vadem.

Mond van de Bolchaïa-reka.

Toen wierden wij de mast van het galjoot, beneden eene landengte, die naar het zuiden loopt, gewaar; dit vaartuig scheen ons twee wersten zuidwaarts van den mond der Bolchaïa-reka afteleggen. Op de punt van het zo evengemelde laage land, ontdekten wij de vuur-baak en de hut van hun die ze bewaaren; ongelukkig konden wij dit alles niet dan van verre zien, de loop der rivier, ter plaatze waar ze in zee valt, scheen mij noord-westelijk te zijn; zij vertoont daar eene opening van omtrent een half werst breedte; ter linkerzijde is dus de vuurbaak geplaatst, en aan den anderen kant ziet men eene uitgestrektheid laag land, dat de zee bij slegt weer overstroomt, en het geen zich tot aan het gehugt Tchekafki uitstrekt;[I-61] van deeze laatste plaats tot aan den mond der rivier heeft men zes a agt wersten afstands; hoe meer men dien nadert, hoe snelder de stroomen zijn.

Er was geen middel om onze vaart voorttezetten, de wind vermeerderde telkens, en de baaren wierden van tijd tot tijd grooter. Het zou de uiterste onvoorzigtigheid geweest zijn van de zandbank te verlaaten, om, door zulk slegt weer en met diergelijke brooze vaartuigen, eene ruimte van twee wersten door de volle zee overtesteeken, zijnde dit de breedte van de baaij, welke door den mond van de rivier gemaakt word. De Heer Commandant, die reeds eenige blijken van mijne geringe kundigheden in de zeevaart gehad had, wilde als toen wel mijn raad inneemen, en deeze was om te wenden, ten einde naar de plaats, alwaar wij geslaapen hadden, te rug te keeren; het geen dan ook dadelijk geschiedde; wij hadden veel reden om over onze voorzigtigheid te vreden te zijn, want ter naauwer nood waaren wij te Tchekafki aangekomen, of het wierd nood-wêer.

Aanmerkingen over den mond van de Bolchaïareka.

Ik vertroostte mij deswegens, dewijl ik ten minsten mijn oogmerk bereikt had, namelijk om dien ingang van de Bolchaïa-reka te zien. Ik durf verzekeren, dat het voor scheepen van honderd vijftig ton zeer gevaarlijk en ondoenlijk is om ze aan te doen; de schipbreuken der Russische vaartuigen[I-62] zijn al te menigvuldig, om aan de zeevarenden, die deeze kust zouden willen bezoeken, en aan die volkeren, die hen derwaarts zouden willen zenden, niet de oogen te openen.

De haven heeft ook daar en boven geen schuilplaats, de laage landen, waar van ze omringt word, kunnen geene beschutting opleveren tegen de winden, die van alle kanten ’er op aankomen, daar en boven zijn de banken, die door den stroom van de rivier veroorzaakt worden, zeer beweegbaar, en door die zelfde oorzaak is het bijna onmogelijk juist de kil te kennen, die noodzaaklijk van tijd tot tijd van loop veranderen moet, en welkers diepte niet te bepaalen is.

Schrikkelijke orcaan.

Wij bleeven het overige van den dag in het gehugt Tchekafki zonder ons weder op reis te kunnen begeeven, nog, om naar het verongelukte schip te gaan, nog zelfs, om naar Bolcheretsk te rug te kunnen keeren; de lucht in plaats van op te klaaren, was van alle kanten met zwarte en dikke wolken bezet, die haar den gantschen dag aan ons oog onttrokken.

Weinig tijds na onze aankomst, ontstond ’er een vervaarlijke storm en de Bolchaïa-reka was tot zelfs bij ons gehugt in de grootste beroering; deeze deining verwonderde mij, uit hoofde der weinige breedte en diepte van de rivier ter deezer plaats, de noord-oostelijke uithoek van den[I-63] mond en het laage land, dat zich bij die windstreek verlengt, maakte maar eene klip, die door de baaren met een ijsselijk gedruis overstelpt wierd; de vertooning, welke deeze stormwind opleverde, was niet minder verschriklijk, dog ik was aan land, en ik meende ze te kunnen braveeren. Ik kreeg in ’t hoofd om in de omgelegen streeken te gaan jagen; ik had nog maar eenige voetstappen gedaan, of door den wind gegreepen raakte ik aan ’t waggelen, ik hield vol en wilde mijn voorneemen en de jagt volbrengen, dog aan een beek gekomen, die ik met een schuitje moest oversteeken, liep ik het grootste gevaar, en ik keerde op het oogenblik te rug, wel betaeld voor mijne snorkerij; deeze schrikkelijke orcaanen zeer gemeenzaam in dit jaargetij zijnde, zo is het niet te verwonderen, dat ’er zo veele schipbreuken op deeze kusten voorvallen; de scheepen zijn zeer klein, en hebben maar eene mast, en het geen nog erger is, bestaat daar in, dat de zeelieden, die ze bestieren, maar zelden het vertrouwen waardig zijn, het geen men in hun stelt, indien ik geloven mag wat men ’er van verhaalt heeft.

Den 22.

Terugkomst te Bolcheretsk, alwaar ik tot den 27 Januarij 1788. gebleeven ben.

Den volgenden dag hervatteden wij onze reis om naar Bolcheretsk te rug te keeren, alwaar wij eerst des avonds bij het vallen van den nagt aankwamen.

Daar ik wel voorzien kan, dat mijn verblijf alhier[I-64] mogelijk van langen duur zal weezen, vermits wij genoodzaakt zijn hier den aanvang der sleedevaart aftewagten, gaa ik den draad mijner beschrijvingen, en het verhaal van het geen ik gezien, of in mijne gesprekken met de Russen en Kamschatters vernomen heb, weder opvatten; laat ons met de stad of het fort van Bolcheretsk beginnen, want dus noemt men het zelve in ’t Russisch (Ostrog of Krepost).

1787. October Te Bolcheretsk.

Beschrijving van Bolcheretsk.

Het is gelegen aan den oever van de Bolchaïa-reka, in een eiland van weinig uitgestrektheid, dat geformeerd word door de verschillende armen van deeze rivier, die de stad in drie gedeeltens scheiden, waar van het eene meer dan het andere bewoond is; het meest afgelegene naar het oosten is een soort van voorstad genaamt Paranchine, het bevat omtrent tien a twaalf isbas; aan deze zijde, of in het zuid-westen van Paranchine, dat is te zeggen, in het middelste gedeelte ziet men ook verscheide isbas, en onder anderen eene rei van kleine houten huisjes, die tot winkels dienen, daar regt tegen over vind men het Wagthuis, het geen ter zelver tijd de Kanzelarij of recht-zaal is[36]; dit huis is veel grooter dan de andere, en het word altoos door een schildwagt bewaard;[I-65] Een tweede kleine arm van de Bolchaïa-reka scheid door eene kleine tusschenruimte nog eens deeze verzameling van wooningen, welke zonder order en hier en daar verspreid zijn, van het derde gedeelte der plaats, dewelke in het noord-westen een andere groep van gebouwen vertoont digter aan de rivier gelegen; deeze stroomt door dat gedeelte zuid-oost en noord-west, en loopt op een afstand van omtrent vijftig treden van het huis van den Commandant. Dit huis laat zich gemaklijk van de anderen onderscheiden, het is meer verheven, grooter, en in den smaak der houte huizen van St. Petersburg gebouwd. Twee honderd treden ten noord-oosten van de wooning des Commandants, vind men de kerk, waar van de bouw-order eenvoudig en gelijk is aan die van alle de kerken der Russische dorpen. Bij deeze is een houte schuur van twintig voeten hoog, alleenlijk met een dak bedekt, onder het welk drie klokken hangen; men ontdekt nog in het noord-westen van het huis van den Commandant, een ander klein gedeelte van de plaats of stad die van dit huis afgescheiden word door een beemd of moeras van omtrent drie honderd treden uitgestrektheids, en alleen bestaat uit vijfentwintig of dertig isbas, en eenige balagans. In ’t algemeen[I-66] zijn ’er weinig van deeze laatstgemelde wooningen te Bolcheretsk, men telt ’er op zijn hoogst tien; de overige zijn alle isbas of houten huizen, waar van het getal vijftig of zestig kan beloopen, zonder ’er de agt winkels, de kanzelarij en het huis van den Commandant onder te rekenen. Na deeze naauwkeurige beschrijving van het fort Bolcheretsk, moet het vreemd voorkomen, dat men die plaats met deezen naam bestempelt; want ik kan verklaaren, dat ’er geen spooren van vestingwerken te vinden zijn, en zelfs dat ’er geen waarschijnlijkheid is, dat men immer gedagt zou hebben om ’er ter deezer plaats te vervaardigen; de staat, de gelegenheid van deeze plaats en van deszelfs haven, alles noodzaakt mij te gelooven, dat men alle de gevaaren en de tallooze zwaarigheden ingezien heeft, die men zou moeten te boven komen, indien men wilde beproeven om ze meer welvarende, en er de algemeene stapelplaats des handels van het geheele schiereiland van te maaken; de uitzichten van de regeering schijnen, zo als ik reeds gezegt heb, zich meer na de haven van St. Pieter & Paulus uittestrekken, welkers nabijgelegenheid, gemaklijke toegang en meerdere zekerheid de voorkeur verdient.

[36] Dit wagthuis dient ook nog voor een gevangenhuis, en zelfs tot een school voor de kinderen; de meester van dit school is een Japonnees die verscheide taalen verstaat, en door het Gouvernement betaald word, om de kinderen der Inwoonders te onderwijzen.

Aanmerkelijk onderscheid tusschen St. Pieter & Paulus & Bolcheretsk.

Tusschen deeze twee plaatzen is een treffend verschil; het is naamelijk de trap van beschaaftheid, die ik te Bolcheretsk opgemerkt heb, en die ik te Pétropaulofska niet gezien heb; deeze merkbaare[I-67] nabijkoming aan de Europeesche zeden maakt eene vrij groote tegenoverstelling tusschen deeze twee plaatzen. Ik zal tragten zulks te doen gewaar worden, en ’er de oorzaak van aantewijzen in den loop mijner naspooringen over de Inwoonders van deeze Ostrogs; want het is hier, dat ik de bijzonderheden moet opgeeven, nopens derzelver bezigheden, gebruiken, smaak, verlustigingen, voedzel, geestvermogens, aart, en gesteldheden en eindelijk nopens de grondregels van de regeering, aan welke zij onderworpen zijn.

Bevolking van Bolcheretsk.

De bevolking te Bolcheretsk bestaat omtrent in twee a drie honderd persoonen, zo mannen, als vrouwen en kinderen; onder deeze Inwoonders telt men, de Onderofficiers ’er onder begreepen, zestig a zeventig Kosakken of Soldaaten, die met alles belast zijn, wat den dienst betreft[37]; zij betrekken ieder op hun beurt de wagt, maaken de wegen schoon, herstellen de bruggens; ontlaaden den voorraad, die van Okotsk gezonden word, en voeren dien over van den[I-68] mond der Bolchaïa-reka tot aan Bolcheretsk; de overige inwoonders bestaan alleen uit Kooplieden en Matroozen.

[37] Derzelver betaaling is zo middelmaatig, dat de ontfangst van een geheel jaar niet voldoende zou weezen om hen maar een maand te doen leeven, indien zij niet nog iets genooten van een kleinen sluikhandel, waar van ik straks nader zal spreeken.

Sluikhandel der Cosakken en anderen.

Alle deeze luiden, zo Russen als Kosakken, onder welke Mesticen gevonden worden, drijven een heimelijken handel dan met het eene en dan met het ander; dit verschilt zo menigmaal als de gelegenheid hun het denkbeeld doet gebooren worden om te veranderen, maar het is nooit met vooruitzichten van zich door eerlijke wegen te verrijken; derzelver vlijt bestaat alleen in eene geduurige schelmerij, ze gaat niet verder dan om dagelijks de arme Kamschatters te bedriegen, welker ligtgelovigheid en onverwinlijke neiging tot de dronkenschap hen zonder onderscheid aan de genade van deeze gevaarlijke roovers overgeeven; deeze, op het voorbeeld van onze kwakzalvers en andere gaauwdieven van dat soort, gaan van dorp tot dorp de maar al te onnozele Inboorlingen verstrikken; zij stellen hun voor om hun brandewijn te verkoopen, dien zij listiglijk hun ter proef aanbieden; het is bijna onmogelijk voor een Kamschatter, het zij man of vrouw, om dit aanbod te wederstaan; men begrijpt dat de eerste proef van veele anderen gevolgt word, welhaast worden de hoofden verhit, raaken op hol, en de loosheid der verkoopers weet zich ter zelfder tijd van het overige hunner waar te ontdoen.[I-69] Naauwljks hebben zij hun oogmerk bereikt met de koopers dronken te maaken, of zij weeten van deezen het kostbaare dat ze bezitten in ruiling te bekomen, namelijk al het bontwerk het geen zij maar hebben, en dikwils is dit de vrugt van hun arbeid geduurende een geheel jaargetij, het welk dienen moest om de schatting aan de kroon te betaalen, of anders door verkoop het bestaan van het huisgezin moest opleveren, dog geene bedenkingen weerhouden een Kamschatter, die aan het drinken is; alles is vergeeten, en niets is hem te dierbaar om zijn lust te voldoen. In deeze redenloosheid laaten deeze ongelukkigen zich in een oogenblik alles ontneemen, en het voorbijgaande vermaak van eenige maaten brandewijn te leegen[38] dompelt hen in de uiterste armoede, zonder[I-70] dat immer de treurige ondervinding hun leert van in het vervolg op hunne hoede te zijn tegens hunne eige zwakheid, of tegen de behendige trouwloosheid van deeze Kooplieden, die wederom op hun beurt al den winst, die ze door hunne schelmerij verkreegen hebben, verdrinken.

[38] Men weet dat dit de heerschende neiging is bij alle Noordsche volkeren, dog ik heb meer dan eens gelegenheid gehad om optemerken, dat de Kamschatters daar in voor geen ander volk onderdoen; ziet hier onder anderen een trek, dien men mij op de plaats verhaald heeft, om mij te doen oordeelen van de roofzucht dezer zwervende Koopluiden, en van de domme milddadigheid der geenen, die door hun bedrogen worden.

Een Kamschatter had een sabelmarter voor een glas brandewijn afgestaan; brandende van begeerte om nog een ander te drinken, verzoekt hij den kooper om in zijn huis te komen, deeze bedankt en zegt haast te hebben, de drinker doet op nieuw aanzoek en staat een tweeden koop voor, op dit woord laat de ander zich overhaalen. = „Nog een glas voor deeze marter, ze is fraaijer als de eerste. = Neen ik moet mijn overigen brandewijn bewaaren, ik heb beloofd ze op die plaats te verkoopen en ik vertrek. = Nog een oogenblik, ziet daar twee marters. = Dat lijkt ’er niet na. = Wel nu! ik zal ’er de derde bijvoegen. = Kom aan drink”. Ter zelver tijd wierden de drie marters opgevat, en de Koopman houd zich op nieuw als of hij gaan wil, zijn hospes verdubbeld zijne vriendelijkheden om hem te houden; hij vraagt een derde glas, bij iedere nieuwe weigering een nieuw aanbod, hoe meer de koopman zijn waar op prijs houd, hoe meer de Kamschatter stout aanbied; wie zou kunnen gelooven, dat hij eindelijk voor dit laatste glas zeven Sabelmarters van de grootste schoonheid opoffert? dit was alles het geen hem nog overbleef.

Koophandel in het algemeen.

Om dit artikel van den Koophandel te eindigen, zal ik er nog bijvoegen, dat die geenen, welke denzelven door het geheele schier-eiland Kamschatka meer in het groot drijven, niet anders zijn, dan de bediendens der Kooplieden van Totma, Vologda, groot Ustiug, en van verscheidene[I-71] steeden uit Siberien, of wel factooren van andere vermoogende lieden, die tot zoo ver toe hunne uitzichten in den handel uitstrekken.

Alle de Koopmanschappen en levensbehoeftens, welke de noodzaaklijkheid hun verplicht opteslaan, worden ’er uitermaaten duur verkogt, en wel omtrent tien maal boven derzelver vasten prijs te Moscou; voor de vedro[39] fransche brandewijn wordt hier tagtig Roubels betaald; de verkoop hier van is aan de Kooplieden geoorloft; dog de Koornbrandewijn die van Okotsk komt, en die welke in het land met slatkaïa-trava of zoet gras word gemaakt, worden voor rekening van de regeering verkogt, tegens een-en veertig Roubels en zes en negentig kopecks het vedro; men kan deeze niet verkoopen dan in de kabacs of herbergen, die daar toe geschikt zijn; te Okotsk kost het vedro brandewijn uit graan gestookt maar agttien roubels; waar uit blijkt, dat de kosten van de overvoering op drie en twintig roubels zes en negentig kopecks kunnen beloopen, het geen zeer buitenspoorig moet voorkomen. Dat men vervolgens hier uit den winst beoordeele.

[39] Het vedro is een maat, die op dertig a veertig pints flessen komt.

[I-72]

De andere ingevoerd wordende waaren[40], namelijk die van Okotsk gezonden worden, bestaan in Nankins en eenige Chineesche stoffen, en in een meenigte zaaken uit de Russische en vreemde fabrieken getrokken, als linten, doeken, koussen, mutzen, schoenen, laarzen en andere artikels die tot de kleeding der Europeesche volkeren gebezigd worden, en die hier, wanneer men de uiterste eenvoudigheid der Kamschatters zo in kleeding als gewoontens in aanmerking neemt, tot overdaad strekken; men voert ook nog in suijker, thée, een weinig coffij en wijn, beschuit, ingemaakte of gedroogde vrugten, als pruimen, rosijnen &c., eindelijk kaarssen, waschkaarssen, buskruid, loot &c.

[40] Boven heb ik verhaald, dat de uitvoer zich alleen tot het bontwerk bepaalde; ze geschied voornamelijk door de handelaars, van welken ik zoo even gewaagde.

De zeldzaamheid van alle deeze goederen in een zo afgelegen land, en de nood-druft, die men ’er aan heeft, of die men ’er zich van maakt, noodzaaken de bewoonders om ze tot die uitermaate hooge prijzen te neemen, welke de schraapzucht des verkoopers aan dezelve hegt; gewoonlijk kan die, zo dra ze aankoomen, dezelve ook kwijt worden; deeze koopluiden houden winkels,[I-73] zij bewoonen ieder één van die houten huizen, die regt tegen over het wagthuis geplaatst zijn; deeze winkels zijn dagelijks open, uitgenomen de feestdagen.

Leevenswijs der Inwoonders van Bolcheretsk en in het algemeen van de Kamschatters.

De leevenswijs der Inwoonders van Bolcheretsk verschilt niet van de Kamschatters; echter schijnen ze minder lust te hebben om in balagans te woonen, en hunne huizen zijn een weinig zindelijker.

Kleeding.

De kleeding is een en dezelfde; het opperkleed, dat parque genaamd word, heeft de gedaante der overhembden van de voerlieden in Europa, het is doorgaans van vellen van rendieren[41], of van andere beesten, die aan den eenen kant bereid zijn; zij draagen daar onder lange broeken van diergelijk leder, en op ’t lighaam een zeer kort en naauw hemd van Nankin, of van Catoen, de vrouwen hebben ’er van zijde, en dit is een zeker soort van weelde onder haar; beide de sexen draagen laarzen, des zomers zijn die van bereide geiten of honden vellen, en des winters van zeewolven vellen of rendieren pooten[42]; de mannen draagen altoos breede gevulde mutsen op het hoofd,[I-74] in het beste Jaargetij trekken zij een langer hemd aan van nankin, of van een vel zonder hair, dit is gemaakt even als het parque, en dient hun ten zelfden gebruike, dat is te zeggen, dat ze het over de andere kleederen aantrekken; het staatsie en beste kleed, is een parque omzoomd met bevervel en fluweel, of van andere diergelijke kostbaare stof en voering; de vrouwen zijn op dezelfde wijs gekleed als de Russische vrouwen, de kleeding van deeze laatste is genoeg bekend dan dat ik nodig zou hebben die te beschrijven, ik zal maar alleen aanmerken, dat door de groote duurte van alle deeze soorten van stoffen in Kamschatka, het toilet der vrouwen aldaar een aanmerkelijke uitgaaf vordert; somtijds neemen zij ook de kleeding der mannen aan.

[41] Zij bekomen deeze kleederen van rendieren vellen uit het land der Koriaken.

[42] Deeze laarzen worden in de Kamschatsche taal genaamd, tor-bassi.

Voedzel.

Het voornaamste voedzel van deeze volkeren bestaat, gelijk ik reeds gezegt heb, in gedroogden visch; de mannen verzamelen zelfs den voorraad van deeze hoofd-spijs, terwijl de vrouwen zich bezig houden met het verrichten van het huishoudelijke, en het verzamelen der vrugten en andere gewassen, die, na den gedroogden visch, de begunstigdste geregten van de Kamschatters en Russen in deeze streeken zijn; wanneer de vrouwen deeze inzameling voor den winter-voorraad gaan doen, zijn dit voor haar zo veele feestdagen, ze vieren die met eene luidruchtige en ongebondene[I-75] vervoering van vreugde, die somtijds gelegenheid geeven tot klugtige en meest altoos onbetamelijke voorvallen; zij verspreiden zich in menigte al zingende door de velden, en geeven zich over aan alle de dwaasheden, die de verbeelding haar ingeeft, nog vrees, nog schaamte wederhoud haar. Ik kan deeze buitenspoorige uitzinnigheid niet beter afschilderen, dan met ze te vergelijken bij de raazende heidensche bacchanten; wee den man, die bij toeval derwaards komt en als dan in haare handen valt! hoe kloek en fluks hij ook zijn mag, is het hem echter onmogelijk om zich aan het lot dat hem bedreigt te onttrekken, het is zeldzaam, dat hij uit het gevecht komt zonder een goede kastijding met roeden ondergaan te hebben.

Wat de spijzen betreft, zie hier ten naasten bij hoe de Kamschatters ze toebereiden, men zal uit dit verhaal kunnen oordeelen, dat men hen niet kan verdenken van zeer lekker te zijn; ze weeten voor al, zich alles van den visch te nutte te maaken. Zo dra ze gevangen is[43] haalen ze de kieuwen uit, die ze met het grootste vermaak uitzuigen. Door eene andere zuivering, uit zinnelijkheid[I-76] of gulzigheid ontstaande, snijden ze ’er dadelijk ook eenige geheel bloedende, en somtijds geheel bevrozene stukken af, welke zij met greetigheid opslokken, vervolgens gaat men voort met den visch te snijden, waarvan de graaten voor de honden geschikt zijn; het overschot word bewaard en voor den winter gedroogt, als dan eet men ze gekookt, gebraaden, geroostert, en meesttijds geheel raauw.

[43] Ik zal in meer bijzonderheden over derzelver vischvangst treden, wanneer ik van hunne manier van jaagen zal spreeken.

Dog het geregt, dat de hoofsche kenners het meeste beminnen, en dat mij het walgelijkste toegescheenen heeft, is een zoort van salm genaamt tchaonitcha; zo dra zij ze gevangen hebben, begraven ze die in een kuil, zij laaten ze in deeze vreemde eetens-kas leggen, tot dat ze wel tijd gehad heeft om te verzuuren, of om juister te spreeken, geheel te verrotten; het is maar alleen op dat punt van bederf, dat ze de gunst verkrijgt om tot de grootste lekkernij van dit volk te dienen. Na ’t mij voorkomt, is de bedorve lucht, die deeze visch van zich afgeeft, genoegzaam om den uitgehongerden mensch aftetschrikken, en nogtans vergast zich een Kamschatter met deezen verrotten visch geheel raauw op te eeten; wat acht hij zich boven al gelukkig, wanneer hij den kop heeft, dit is het uitsteekendste beetje, men snijd het in verscheide stukken. Ik heb dikwils mijn afkeer zoeken te overwinnen, om[I-77] van dit zo gezogte geregt even te proeven, dan nimmer kon ik ’er toe besluiten, om het in den mond te neemen, en zelfs niet om het maar aan den mond te brengen; iedere reis veroorzaakte de stinkende lucht, die het van verre verspreidde, mij walgingen, en eenen onweerstaanbaaren tegenzin.

Forellen en Salmen van verschillende soorten zijn de gemeenste visschen in Kamschatka, men eet ’er ook zeewolven, en het vet van deezen visch is zeer goed bevonden; men bedient ’er zich van tot het maaken van olie om te branden.

Onder de verschillende gewassen, die mede tot het voedzel der Kamschatters in aanmerking komen, maaken zij voornamelijk gebruik van de saranawortel, wilden knoflook, slatkaïa-trava of zoet gras, en van eenige planten en andere vrugten die ten naasten bij dezelfde zijn als in Rusland.

De saranawortel is bij de Kruidkenners bekend[44], deszelfs gedaante, dikte en couleur zijn in ’t breede beschreeven in de derde reize van Cook, deeze meel-achtige wortel dient in plaats[I-78] van brood[45], men laat dien droogen voor dat men ze kookt, dog op welke manier men die ook toebereid, is ze altoos zeer gezond en zeer voedzaam.

[44] Onder deeze benaaming: lilium flore atro Rubente.

[45] De Kosakken gebruiken daarenboven nog roggemeel, ze maaken daar van zwart brood gelijk aan dat der Russische boeren; de regeering geeft hun eene zekere hoeveelheid van dat meel, dog zulks is altoos onvoldoende, en zij zijn genoodzaakt om ’er zich op hunne eige kosten van te voorzien; sommigen koopen dit op, om vervolgens op den voorkoop te winnen.

Dranken.

Van den wilden Knoflook[46] maakt men een soort van zuuren en gegisten drank, die een zeer kwaaden smaak heeft, het word ook nog in verscheide sausen gebruikt; deeze volkeren houden daar zeer veel van.

[46] Men noemt die in Kamschatka tscheremtscha. Gmelin benoemt ze dus: ALLIUM FOLIIS RADICALIBUS PETIOLATIS, FLORIBUS UMBELLATIS, Vol. I. p. 49.

De slatkaïa-trava of zoet gras is vrij aangenaam, wanneer het versch is. De Engelschen hebben ook veele bijzonderheden van deeze plant opgegeeven[47] waar van de inboorlingen des lands[I-79] veel werk maaken, vooral wanneer het overgehaald is. Weinig tijds na dat ze geplukt is splijten zij dezelve door midden, en schrapen ze met een schelp af, ten einde ’er de schil aftehaalen, zij laaten ze vervolgens voor den winter droogen, en wanneer zij er zich van in derzelver ragouts willen bedienen, doen zij ze kooken. De slatkaïa-trava of dit zoet gras wordt ook gebruikt om brandewijn van te maaken[48] en in het land verkogt zo als ik boven gezegt heb, voor rekening van de regeering, die deeze plant van de Kamschatters koopt.

[47] Spondilium foliolis pinnatifidis. Ziet Linnaeus. Het sap het welk uit het vlies of schil van deeze plant komt, is zo kwaadaartig, dat men ’er met de hand niet kan aanraaken of deeze zwelt terstond op, ook is men zeer zorgvuldig om handschoenen aantetrekken, wanneer men ze plukt.

[48] Deeze brandewijn veroorzaakt nog veeleer dronkenschap als de Fransche, wie er van drinkt, kan verzekert zijn van des nagts zeer verhit te weezen, en den volgenden morgen naargeestig en ongerust, even of hij iets kwaads verrigt had.

Inwoonders van Kamschatka.

Men telt drie soorten van inwoonders, de inboorlingen of Kamschatters, de Russen en Kosakken, en de Mesticen of de bijzondere persoonen, welke uit de vermenging van deeze twee geslagten gebooren zijn.

Inboorlingen.

De Inboorlingen, dat is te zeggen, die geenen, wier bloed niet vermengt is, zijn weinig in getal; de Kinderziekte heeft ’er wel drie vierde van[I-80] weggenoomen, en het overschot is in de dorpen van het schier-eiland verspreid, dog in Bolcheretsk zou men werk hebben om ’er één of twee te vinden.

De eigentlijke Kamschatters zijn in het algemeen kleinder dan eene gewoone lengte, zij zijn van eene dikke en breede gedaante, kleine en diep ingezonken oogen, hangende uitsteekende wangen, een platten neus, zwarte hairen, bijna geen baard, en een weinig bruin van couleur; die van de meeste der vrouwen en derzelver gelaatstrekken, zijn ten naasten bij het zelfde; men zal ze dus na deeze afbeelding voor geene verleidelijke voorwerpen beschouwen.

De aart der Kamschatters is zagt en herbergzaam, zij zijn nog bedriegers nog dieven, zij bezitten zelfs zo weinig geslepenheid, dat ’er niets gemaklijker is dan om ze te bedriegen, wanneer men, gelijk gezegt is, van hunne neiging tot de dronkenschap weet gebruik te maaken; zij leeven onder zich zelfs in de beste eensgezindheid; het schijnt dat ze, naar maate van derzelver klein getal, des te meer aan elkander verkleeft zijn, deeze vereeniging doet hun zich onderling de hand bieden in het verrichten van den arbeid, en het is geen gering blijk van derzelver ijver, dat zij zich daartoe verpligten, indien men derzelver natuurlijke luiheid, die uitermaaten groot is, in aanmerking neemt. Een werkzaam leeven zou hun onverdraaglijk zijn: en[I-81] het hoogste geluk in hunne oogen bestaat, na dat van zich dronken te drinken, in niets te doen te hebben, en te leeven in eene zagte zorgeloosheid; ze is zodanig bij dit volk ingeworteld, dat ze hen de middelen, om in de noodzaaklijkste behoeftens van het leven te voorzien, doet verwaarloozen. Men heeft des winters meer dan eens huisgezinnen tot de vreesselijke uiterstens van hongersnood gebragt gezien, om dat ze zich de moeite niet hadden willen geeven van geduurende den zomer derzelver voorraad van visch gereed te maaken, die nogtans voor hun het noodzakelijkste voedzel is. Indien ze dus hun eigen bestaan vergeeten, begrijpt men ligtelijk, dat ze nog minder zorg voor de zindelijkheid hebben, deeze bespeurt men nog aan hun, nog in hunne wooningen, men zou hun veel eer kunnen verwijten, dat ze daar omtrent in een tegengesteld uiterste vielen. Niettegenstaande deeze zorgeloosheid en de andere gebreken der inboorlingen, is het echter te betreuren, dat hun getal niet aanmerkelijker is, want volgens het geen ik gezien heb, en het welk mij door verscheide persoonen bevestigt is, moet men, om verzeekert te zijn van in dit land gevoelens van eer en menschlievendheid aantetreffen, dezelve bij de eigentlijke Kamschatters zoeken. Zij hebben derzelver boersche deugden nog niet tegen de gepolijste ondeugden[I-82] verwisseld, welke de Europeanen, die geschikt waren om hen te beschaaven, tot hen overgebragt hebben.

Aanmerkingen over de zeden der Inwooners van Bolcheretsk.

Dog het is te Bolcheretsk, alwaar ik de uitwerkzelen van dien invloed ben ontwaar geworden. Ik heb daar eeniger maate het spoor der Europëesche zeden aangetroffen, minder evenwel in de vermenging der geslagten, taal en de gelijkvormigheid der gelaatstrekken van de Inwoonders, dan wel in derzelver geneigtheden en manier van bestaan, die juist niet altoos een grooten trap van deugdzaamheid aanduiden; dit aanmerkelijk onderscheid tusschen hen en de Inboorlingen komt alleen, na mijn inzien, van de moeilijke leiding tot de beschaaftheid; en ziet hier, waar op ik mijne gedagten omtrent dit onderwerp gronde.

Bolcheretsk was sedert korten tijd de hoofdplaats van Kamschatka, voor al zedert dat de Commandanten het nodig geoordeeld hebben van aldaar hun verblijf te vestigen. Deeze hoofden en derzelver gevolg bragten de Europeesche wetenschappen en zeden derwaarts; men weet, dat die doorgaans bij overlevering vervalscht worden, naar gelang dezelve meer en meer van haaren oorsprong verwijderen; het is nogtans waarschijnlijk, dat de Russische regeering zo veel mogelijk haar gezag en de uitvoering haarer beveelen,[I-83] niet anders toevertrouwde, dan aan Officieren van bekende verdiensten, bij aldien ik ten minsten mag oordeelen uit die geenen, welke daar mede tegenswoordig belast zijn; en dienvolgens moet men gelooven, dat deeze bevelhebbers en andere officieren in de plaats van hun verblijf geen andere voorbeelden gaven dan van deugd, kundigheid en alle de achtingswaardige hoedanigheden der beschaafde volkeren. Ongelukkig waaren de gegeven lessen niet altoos voldoende, dat is te zeggen, dat ze niet al dat nut voortbragten, het geen men ’er van wagten kon, ’t zij, dat ze niet anders dan bij gevolgtrekking werkten en derhalven niet genoeg de zinnen aandeeden, of liever dat ze zich niet in haare volkomenheid konden verspreiden, en daar door alleen in de gemoederen voorbijgaande of zelfs gebrekkige indrukzelen overlieten.

1787. November & December Te Bolcheretsk.

Deeze hervormers vonden denzelfden ijver niet in de Kosakken, die de bezettingen uitmaaken, nog in de Kooplieden en andere Russische emigranten, die zich in dit schier-eiland neergezet hebben. De neiging tot ongebondenheid en de zucht tot winst, welke bijna altoos in een overwonnen land door de volkplantingen der overwinnaars overgebragt word, dusdanige gesteltheden, verder ontwikkelt door de gemaklijkheid van luiden te vinden die bedrogen kunnen worden, moesten[I-84] noodwendig den voortgang der hervorming stremmen. De rampzalige kiemen van deeze geneigtheden breidden zich te spoediger uit door de huwelijken, terwijl de zaaden der gezellige deugden, welke men getragt had aldaar aan te kweeken, ter naauwer nood vruchten voortbragten.

Hier uit is voortgesprooten, dat de inboorlingen, of eigentlijke Kamschatters, vrij algemeen hunne onweetende eenvoudigheid en de ruwheid hunner zeden bewaart hebben, en dat een gedeelte der andere Russische en vermengde inwoonders, die zich bij voorkeur in het verblijf der hoofden geplaatst hebben, wel eene flaauwe schemering van de Europëesche zeden hebben behouden, dog niet het volmaaktste het geen deeze kunnen opleveren. Men heeft ’er het bewijs reeds van gezien in het geen ik van hunne grondbeginzels in den Koophandel gezegt heb, en ik ben in de gelegenheid geweest van ’er nog beter van overtuigd te worden, geduurende mijn verblijf te Bolcheretsk, door eene meer aanhoudende bespiegeling van deszelfs inwoonders die, zonder dit bekleedzel, bijna geheel aan de Inboorlingen zouden gelijken.

Danspartijen, gegeeven aan de Vrouwen te Bolcheretsk, en aanmerkingen geduurende deeze Bals gemaakt.

De Heer Kasloff, en op zijn voorbeeld, alle de geenen die hem vergezelden, gaven beurtelings aan de vrouwen van dit Ostrog verscheide feesten of danspartijen; zij verscheenen ’er allen,[I-85] telkens met zo veel lust als genoegen. Ik had gelegenheid om te zien dat men mij niet bedrogen had, wanneer men mij verzekerde, dat alle deeze vrouwen, de Kamschatsche zo wel als de Russische, de vermaaken beminnen, zij zijn ’er zo verzot op, dat ze zulks niet kunnen verbergen. De dogters zijn alle verbaazend vroeg huwbaar, en de koude luchtsgesteldheid schijnt geen invloed op haar te hebben.

Omtrent de Bolcheretsksche vrouwen, die zich in onze gezelschappen begaven, en die meestendeels van gemengd bloed of van vader en moeder Russen gebooren waaren, merkte ik op dat derzelver gedaante in het algemeen niet onbevallig was, ik zag ’er zelfs verscheiden, die voor fraaij konden doorgaan; dog de jeugd is bij haar niet van langen duur, het zijn zeker de kinderen, of de moeijelijke arbeid, waar aan ze onderworpen zijn, die haar bijna in den bloei haarer jaaren doen verwelken. Derzelver inborst is vrolijk en van eene scherpzinnige levendigheid, mogelijk een weinig ten koste van de welvoeglijkheid, zij zoeken uit zich zelfs het gezelschap te vermaaken door alles wat haare vrolijkheid en haare spelen haar aan de hand kunnen geeven; zij beminnen den zang en het geluid van haare stemmen is zagt en vrij aangenaam; het zou alleen te wenschen zijn, dat haare musiek minder na den smaak[I-86] van het land ingericht was, of meer de onze evenaarde. Zij spreeken het Russisch en het Kamschatsch, dog zij behouden alle de uitspraak van de laatste taal. Ik verwachtte niet om hier Poolsche en nog minder om hier contredansen in den Engelschen smaak te zien danssen: wie zou gelooven dat men ’er zelfs een denkbeeld van de menuet had? Het zij, dat mijn verblijf geduurende zes en twintig maanden op zee, mij minder de gebreken deed beschouwen, het zij, dat de herinneringen, welke dit schouwspel mij voor den geest bragt, mijne oogen verbijsterden, ik vond altans dat deeze dansen met vrij veel naauwkeurigheid en meerdere bevalligheid uitgevoerd wierden dan ik mij zou hebben kunnen verbeelden. De danseressen, waar van hier gesproken word, zijn zo trots, dat ze de Kamschatsche zangen & danssen met verontwaardiging beschouwen. Om een einde te maaken van mijne bespiegelingen op deeze danspartijen, zal ik ’er bijvoegen, dat de opschik deezer vrouwen zeer zorgvuldig in acht genomen word, zij kleeden zich met al het bevallige wat zij bezitten of met het geen zij het kostbaarste achten. De kleederen tot deeze danspartijen en plegtigheden geschikt zijn voornaamelijk van zijde, en men heeft op het artikel van den handel kunnen zien, dat deeze kleeding haar zeer veel kost. Ik zal dit verhaal eindigen met eene aanmerking,[I-87] die ik gelegenheid had te maaken, zo in deeze gezelschappen als in die der Kamschatters, welke ik vervolgens bijwoonde, namelijk, dat het grootste gedeelte der Russische mans, en ook der Inboorlingen, niet jaloersch schijnt; zij sluiten gewillig de oogen omtrent het gedrag hunner vrouwen, en zijn op dit stuk zo handelbaar, als immers weezen kan.

1787. December Te Bolcheretsk.

Feesten & dansen der Kamschatters.

De Kamschatsche gezelschappen en feesten, waar ik mij bevond, bezorgden mij een ander schouwspel, even aartig door deszelfs bijzonderheid. Ik weet niet wat mij meer trof, de zang of de dans; deeze scheen mij veel na die der wilden te gelijken, ze bestaat in op de maat beweegingen te maaken, of veel eer in onaangenaame, en moeielijke draaijingen en wendingen, terwijl zij ter zelfder tijd een schor en gedwongen geluid opheffen, dat gelijk is aan een onafgebrooken hik, om de maat aanteduiden van het lied, het welk het gezelschap zingt, en waar van de woorden meesttijds zonder zin zijn, zelfs in ’t Kamschattisch. Ik schreef een deezer liederen op, het welk ik meen hier te moeten plaatzen, ten einde een denkbeeld van den zang en de maat deezer volkeren te geeven.

[I-88]

Muziek

Muziek afspelen.

Het welk betekent,

Daria[49], Daria zing en dans nog eens.

[49] Daria is een Doopnaam die men aan de meisjes in Rusland geeft.

Dit zelfde lied word tot in het oneindige herhaald.

Zij beijveren zich vooral, om in hunne dansen de verschillende beesten, waar ze jagt opmaken, na te doen, als de patrijzen en anderen,[I-89] dog voornamelijk den beer; zij vertoonen zijnen lompen en loggen gang, en zijne verschillende gewaarwordingen of de toestanden waarin hij zich bevind, namelijk, de jongen rondom de moeder, het liefdespel der mannetjes met de wijfjes, eindelijk derzelver boosheid, wanneer ze daar in gestoord worden. Deeze volkeren moeten wel eene zeer volkomene kennis van dit dier hebben, zij hebben, het is waar, menigvuldige gelegenheden om hem waar te neemen, en zonder twijffel maaken zij ’er een bijzondere studie van, want ze bootzen alle de beweegingen zo wel na als ik geloof dat maar mogelijk is. Ik vroeg aan Russen, welke die dieren beter kenden dan ik, als zijnde in hunne jagtpartijen meer gewoon met dezelve te doen te hebben, of deeze nagebootste danzen wel uitgevoerd wierden, zij verzekerden mij allen, dat het moeite zou kosten om in het land bekwaamer dansers te vinden, en dat het geschreeuw, de gang, en alle de gestaltens van den beer zo wel nagevolgt waaren, dat men ’er zich in vergissen zou; echter zijn, onder het welneemen van de liefhebbers, deeze dansen na mijn oordeel niet minder vermoeijend voor de aanschouwers als voor de vertooners; men lijdt wezentlijk wanneer men deeze dansers zich ziet ontheupen, alle de leden verstuiken, eindelijk zich uit den adem werken, en dit alles om het[I-90] groote vermaak, ’t welk zij in deeze klugtige dansen genieten, uittedrukken, die, ik herhaal het, zeer de belaggelijke vermaaken der wilden gelijken; in veel opzichten kunnen de Kamschatters in denzelfden rang geplaatst worden.

Beeren jagt.

Na verhaald te hebben, met welke kunst deeze volkeren de gebaarden en alle de beweegingen van den beer nabootzen, dien men eenigermaate hunnen dansmeester kan noemen, zou het nu niet de geschiktste gelegenheid zijn om een denkbeeld van de wijze te geeven, waar op zij op dit dier ter jagt gaan? Zij vallen hem op verschillende manieren aan, somtijds leggen zij hem strikken; onder eenen zwaaren val, in de hoogte opgehouden door eene genoegzaam verheven steigering, plaatzen zij het een of ander lokaas om den beer derwaarts te trekken, deeze heeft het zo dra niet gerooken en gemerkt, of hij gaat voorwaards om het te verslinden; terzelver tijd doet hij het zwakke steunzel van den val waggelen, die hem op den hals valt, en hem voor zijne gulzigheid straft, met hem den kop en somtijds het geheele lighaam te vermorzelen; dusdanig heb ik ’er zedert, wanneer ik door bosschen kwam, in deeze valstrikken zien vangen; dezelve blijven staan tot dat ’er een beer in gevangen is; voor dat dit gebeurt loopt ’er somtijds bijna een jaar voorbij. Men zal zeggen, dat deeze manier van de beeren te[I-91] vangen geene groote kloekmoedigheid nog veel vermoeijenis van de jagers vereischt, dog ’er is een andere die in dit land veel in gebruik is, en tot welke men ligt begrijpen kan, dat zo veel sterkte als moed vereischt word. Een Kamschatter gaat verzeld of alleen uit om een beer te ontdekken, hij heeft geen wapenen dan alleen zijn snaphaan, een soort van karabijn, waar van de kolf zeer dun is, voorts een lans of spriet en zijn mes. Al zijn voorraad bepaalt zich tot een klein pakje, bevattende een twintigtal gedroogde visschen. In deeze ligte uitrusting dringt hij door het digtste der bosschen en in alle de plaatzen die tot een leger voor dit dier kunnen verstrekken. Gewoonlijk is het in de struiken of in de biezen, aan de oevers der meiren of rivieren, dat zij zich plaatzen, en het dier met standvastigheid en onverzaagtheid afwachten; indien het nodig is zal hij dus een geheele week in hinderlaag blijven leggen, tot dat de beer verschijnt; zo dra hij denzelven onder zijn schot heeft, plaatst hij op den grond een houten vork, die ter ondersteuning van zijn snaphaan dient[50]. Met behulp van[I-92] deeze vork verkrijgt het oog meerder juistheid in het treffen, en de hand meerder zekerheid: het is zeldzaam, dat hij zelfs met een vrij kleine kogel het beest niet raakt, het zij in den kop, of in de schouders, deszelfs gevoeligste plaats; dog hij moet in het zelfde oogenblik wederom laaden, want zo het eerste schot hem niet ter neer geworpen heeft, loopt het beest aanstonds toe[51] om zich op den jager te werpen, die niet altoos den tijd heeft van een tweede schot te doen; als dan heeft hij toevlucht tot zijn lans, waar mede hij zich in der haast wapent, om zich tegen het verwoed beest, dat hem op zijn beurt aanvalt, te verweeren. Zijn leeven is in gevaar[52], indien hij den beer geen dodelijken steek toebrengt;[I-93] en men kan begrijpen, dat in deeze gevegten de mensch niet altoos de overwinnaar is, dit schrikt nogtans de bewoonders dezer streeken niet af, om ’er zich bijna dagelijks aan bloot te stellen; zij hebben te vergeefsch de menigvuldige voorbeelden van hunne landgenooten die daar bij omkomen voor oogen; zij kunnen daar en boven nimmer op deeze jagt gaan, zonder te denken dat ze overwinnen of sterven moeten; en nooit schrikt echter het denkbeeld van deeze harde keus hen af, of houd hen tegen[53].

[50] De Kamschatters kunnen zonder zodanig steunpunt niet schieten, het geen ondertusschen zeer langduurige toebereidzelen vordert, en blijkbaar strijdig is met de snelheid, die het grootste voordeel van een jager uitmaakt.

[51] Het gebeurt ook dikwils, dat men hem de vlugt ziet neemen, niettegenstaande zijne kwetsuur die hij in de doornhaagen of moerassen gaat verbergen, het is daar dat, wanneer men het spoor van zijn bloed volgt, men hem dood of stervende wedervind.

[52] Men verzekerde mij, dat de beer wanneer hij zijn aanvaller overwint, hem het vel van het bekkeneel aftrekt, zijn aangezicht ’er mêe bedekt, en dan heen gaat. Volgens het zeggen der Kamschatters, duidt de wraak van dit dier aan, dat hij het gezicht van den mensch niet verdragen kan; dit belaggelijk vooroordeel onderhoud onder hen het denkbeeld van hunne meerdere verhevenheid, en geeft na mijne gedagten reden van derzelver moed.

[53] Zij onderneemen deeze jagt in alle de jaargetijden, uitgezonderd wanneer de sneeuw de velden bedekt; als dan hebben zij een andere manier om den beer te vervolgen. Men weet dat hij zich s’winters in het hol begeeft het geen hij zich geduurende den herfst van takken gemaakt heeft, hij brengt daar den guuren tijd door met slaapen of met zijn poot te likken; het is hier dat de Kamschatters op hunne sleeden hem gaan aanvallen met behulp van hunne honden, die hem bespringen en noodzaaken om op zijn verdediging te denken; hij begeeft zich uit zijne schuilplaats en loopt in een bijna zekeren dood; zo hij weigert er uit te komen, vind hij eveneens den dood onder de puinhoopen van zijn hol.

Jagt.

Zij jaagen bijna op dezelfde wijs de andere gediertens, als de rendieren, de argalis of wilde bokken in het Russisch genaamd diki-barani, de vossen, de otters, de bevers, de sabelmarters, de[I-94] haazen[54] enz., dog nimmer hebben zij dezelfde gevaaren te vreezen; somtijds bedienen zij zich van vallen, van hout of ijzer gemaakt, minder groot dan die ze voor de beeren stellen, en ten opzichte van de eenvoudige zamenstelling, veel gelijkende naar onze wezelvallen; de eenigste voorzorg, die men gebruiken moet, bestaat daar in om ze van tijd tot tijd na te gaan zien. Somtijds gaan ze zich gewapend verschuilen, gelijk ik reeds gezegt heb, en de eenigste zwaarigheid, die ze doortestaan hebben, word veroorzaakt door de langduurigheid van derzelver jagt, wanneer ze geen voorraad van spijs meer hebben. Dikwils onderwerpen ze zich om geduurende verscheide agtereenvolgende dagen honger te lijden, liever dan de plaats te verlaaten, zonder het beest, dat ze vervolgen, gedood en gevangen te hebben; dog zij stellen zich ruim schadeloos voor dit vasten, met op de plaats het gejaagde op te eeten[55] en in blijdschap de vellen te tellen, die zij daar door bekomen.

[54] Men kan bij Cooke de beschrijving deezer dieren vinden.

[55] Zij vinden veel smaak in het vleesch van de beeren, wilde bokken en rendieren, voor al in het laatste, dit heeft ook dikwils mijn voornaamste geregt uitgemaakt.

Om op deeze dieren, die in Kamschatka overvloedig[I-95] zijn, ter jagt te gaan, kiezen zij de jaargetijden, waar in derzelver hair het schoonste is; in het begin van den winter jaagt men de sabelmarters. Deeze bewoonen gemeenlijk de boomen, men onderscheid ze aan dat gedeelte van ’t hair dat het digtst aan het vel is, het geen de couleur en den naam heeft van die boomen, waar op ze zich het meest ophouden, als de berken, mastboom, &c.

De herfst, winter en lente zijn de gunstigste jaargetijden voor de vossen jagt; men onderscheid ze in vierderlei soort als 1. de vos van een witachtig ros, die het minst geacht word, 2. de roode vos of van eene fraaije rosheid, 3. de vos gemengeld met ros, zwart en grijs, die seva-douschka genaamd word, 4. de zwarte vos die het zeldzaamste is en waar van men het meeste werk maakt; deszelfs couleur is zuiver donker zwart, men vind alleen, dat de langste hairen van den rug somtijds aan de uiterstens eene grijsachtige couleur hebben, daar zijn ’er wier waarde niet te schatten is. Eindelijk geloof ik dat men nog twee andere soorten van vossen zou kunnen tellen, dog die men hier daar niet voor houd, en welke wij de blaauwe en witte vos noemen; derzelver naamen zijn in ’t Russisch golouboij, pessets en beloij-pessets, hun hair is veel dikker dan dat van de anderen. In ’t algemeen zijn de[I-96] vossen van het vaste land veel fraaijer dan die in de Eilanden oostwaards gelegen[56] gevangen worden; ze worden oneindig duurder verkogt.

[56] Dit zijn de Aleutiaansche, Schoumaginsche, Vossen en andere Eilanden.

De jagt op de rendieren word in den winter ondernomen, en die der argalis in den herfst. De otters zijn hier ook zeer zeldzaam, dog daar is een redelijk groot aantal hermelijnen, en ik weet niet, waarom men zich de moeite niet geeft, van die te vangen; het schijnt dat men er geen werk van maakt.

Vischvangst.

Deeze volkeren verrichten ook derzelver vischvangst in verschillende jaargetijden, die der salm en forellen geschied in junij, die van den haring in april en maij, en eindelijk, die van den zeewolf in den zomer, de lente en vooral in den herfst.

Zij bedienen zich zeldzaam van een zegen, dog bijna altoos van de gewoone netten[57], of[I-97] van een soort van harpoen, waar van ze met zeer veel handigheid gebruik maaken; de zegen word zelden uitgeworpen dan om zeewolven te vangen, dezelve zijn van lederen riemen gemaakt, en de maazen zeer groot; zij hebben nog een andere manier van visschen namelijk met de rivier door paalen en takken aftesluiten, welke zeer digt in een gevoegd zijnde aan den visch maar een kleinen doortogt geeven; somtijds laat men ’er verscheide in, aan welkers openingen mandens geplaatst worden, zodanig ingerigt dat de visch ’er eens in zijnde daar niet weder uit kan.

[57] Hunne netten zijn van garen even als de onze, dit koopen zij van de Russen, en vervaardigen het ook zelfs van brandnetels, waar van ze een aanzienlijke verzameling opdoen, zij plukken dezelve in den herfst, binden ze aan bossen, en leggen ze onder hunne balagans te droogen. Zo dra zij hunne vischvangst en de inzameling der vrugten verricht hebben, werken zij aan derzelver bereiding: zij splijten in tweeën, vervolgens haalen zij ’er met de tanden behendig de schel af, het overige word geklopt en geschud, tot dat de vezels schoon en geschikt voor het spinnen worden.

De paarden zijn ’er zeldzaam.

De paarden zijn niet zeer gemeen in Kamschatka, ik zag ’er eenigen te Bolcheretsk, die aan de regeering toebehooren, en die aan de zorg der Cosakken toevertrouwd zijn; ze dienen alleen maar geduurende den zomer tot vervoering der koopwaaren en goederen van de kroon, als mede tot gemak der reizigers.

Honden.

Daar en tegen, zijn de honden overvloedig in dit land, en worden tot alle vervoeringen gebruikt, het nut dat ze den Kamschatteren aanbrengen,[I-98] maakt deeze minder gevoelig voor het gemis van andere huisdieren. Daar en boven heeft men gezien, dat het voedzel voor deeze loopers nog moeijelijk te verkrijgen nog kostbaar is, met dezelven verrotten of het overschot van gedroogden visch te geeven kunnen hunne meesters volstaan, en dit geeven zij ze nog niet eens, dan geduurende den tijd, dat ze hun van dienst zijn; des zomers, het geen de tijd is, wanneer die dieren niets te verrichten hebben, is het gebruik om zich van een groot gedeelte te ontdoen, aan welke men zelfs de zorg overlaat voor hun bestaan; deeze honden weeten daar zeer wel in te voorzien, met zich door de velden te verspreiden en langs de meïren en de rivieren te zwerven. Derzelver oplettenheid om vervolgens bij hunne meesters wedertekoomen is eene der verwonderlijkste proeven van de getrouwheid deezer dieren; de winter daar zijnde, betaalen zij de vrijheid en de korte rust die zij genoten hebben, zeer duur; hun arbeid begint met hunne slavernij, deeze honden moeten uitermaaten sterk zijn om dien te draagen, hunne grootte is nogtans niet buitengemeen, ze gelijken vrij wel aan de berg of herders honden in Frankrijk. Er zijn geene Russische inwoonders of inboorlingen die niet ten minsten vijf honden bezitten, zij bedienen zich daar van om mede te reizen, om in de[I-99] bosschen te gaan houthakken, om het zelve even als hunne andere goederen en voorraad te vervoeren; eindelijk, om de reizigers van de eene plaats naar de andere te brengen; en waarlijk, paarden zouden hun van geen meer dienst kunnen zijn. Deeze honden zijn doorgaans twee aan twee voor één sleede gespannen[58], één alleen is aan het hoofd en dient voor leidsman, het is voor dien, welke het beste geleerd is of de meeste kennis bezit, dat deeze eer bewaard is; hij begrijpt wonderlijk wel de uitdrukkingen, met welke de geleider hun weg bestiert; wil hij ze ter regter kant doen gaan, roept hij dezelve toe tagtag, tagtag, en kougha, kougha, indien men links moet. De verstandige hond verstaat het aanstonds, en geeft aan de geenen die hem volgen, het voorbeeld van gehoorzaamheid; ah, ah[I-100] doet hen stille staan, en ha doet hen vertrekken. Het getal der voorgespanne honden is evenredig aan den last van de sleede; wanneer die het gewigt van den man welke ze beklimt niet veel te boven gaat, noemt men dit een gewoone sleede of sannka[59], het voorspan bestaat als dan in vier of vijf honden. Derzelver tuig[60] is van leer; het gaat onder den hals door, dat is te zeggen, over de borst van deeze dravers, en is aan de sleede door een lederen riem van drie voeten lang gehegt op de wijze van een trek-zeel, men maakt ze daar en boven door koppelbanden aan den halsband, den een aan den anderen vast; meesttijds is die halsband met een beerevel overtrokken, het welk tot cieraad dient.

[58] Zij ondergaan even als de paarden de ontmanning, dog op eene andere manier. Men haald de ballen niet uit, maar men verbrijzeld ze, en men bediend zich hier toe van de tanden; eenige sterven ’er van, anderen worden ’er van verminkt en geraaken buiten staat om dienst te kunnen doen. Echter begrijpt men dat het onmogelijk zou zijn om van deeze honden zo veel gebruik te maaken, indien ze ongesneeden waaren, als dan zou men ze met haar wijfjes niet kunnen aanspannen; dog men snijd al de mannetjes niet; men houd er een zeker getal van tot bewaaring van het ras, en vrij dikwils bediend men er zich van op de jagt.

[59] De sleeden waar op men gewoon is de reisgoederen te laaden worden narta genaamt, voor deeze spant men tien honden.

[60] Deeze Kamschatsche tuigen worden ALAKI genaamt.

Sleeden.

De gedaante der sleeden is als van een langwerpige mand, waar van de twee uiterstens zich boogsgewijs verheffen, deszelfs lengte is omtrent drie voet, en de breedte heeft zelden meer dan één voet; deeze soort van mande, die het lighaam van de sleede uitmaakt is van zeer dun hout, de randen staan wijder uit en zijn vercierd met riemen van verschillende couleuren, een beerevel[I-101] legt uitgestrekt op de plaats waar de man gaat zitten. Dit verheven gedeelte van de sleede is omtrent drie voeten van den grond af, en draagt op vier stijlen of beenen; deeze wijken na om laag uit, en zijn op twee evenwijdige planken van drie a vier duimen breed vastgemaakt. Die planken zijn van weinig dikte, dog langer dan het lighaam van de slêe; aan deeze dienen ze beide voor steunpunten en tot schaatzen; tot dat einde zijn ze wanneer het dooid elk van onderen van drie a vier plaaten van walvischbeen van dezelfde breedte voorzien en aan deeze schaatzen vastgemaakt met leederen banden. De twee einden, welke deeze planken van vooren vertoonen, zijn na boven omgekromt, en voegen zich aan iedere kant met de dwarsplank, die ter zelfder tijd nederwaarts gaat om een gedeelte van het reisgoed te draagen; het voorste van de sleede is ook voorzien met loshangende leisten, of lederen riemen die van geen het minste gebruik zijn. De geleider heeft niets anders in de hand dan een krommen stok, die hem te gelijker tijd tot een stuur en zweep dient. Aan het eene einde van deezen stok zijn ijzeren ringen vastgemaakt, zo tot cieraad als om de honden aantemoedigen, door het geluid van dit soort van schelletjes, die men van tijd tot tijd schud; het andere eind is somtijds van een ijzeren punt voorzien, ten einde[I-102] meer kragts op het ijs en de sneeuw te kunnen doen; ze dient ook om den ijver van deeze dieren te bestuuren. Die geenen, welke wel geoeffend zijn, hebben niet nodig de stem te hooren; het is genoeg van met deezen stok op de sneeuw te slaan om ze links te doen gaan, of op de beenen van de slêe om ze ter regter zij te doen afwijken, en om ze te doen stil houden, plaatst men die voorwaarts tusschen de slêe en de sneeuw; eindelijk zo hun loop verflaauwt, zo ze afgetrokken en onoplettend worden, van de teekens, of op de stem, straft men ze met hun dien stok toetewerpen[61], dog dan heeft men de grootste behendigheid nodig om denzelven niettegenstaande den snellen loop, weder opteraapen, en dit is eene der voornaamste blijken van de bekwaamheid des geleiders; de Kamschatters zijn zonderling behendig in deeze oeffening. In ’t algemeen was ik over derzelver vlugheid in het rijden met hunne sleeden verwonderd; en daar ik welhaast zo als reeds gezegd is, maar al te veel van dit rijtuig zou moeten gebruik maaken, meende ik daar van dikwijls een proef te moeten neemen, minder met oogmerk van ’er mij aan te gewennen, dan wel om mij zelfs te leeren geleiden. Te vergeefsch stelde men mij de gevaaren voor,[I-103] waar aan ik mij blootstelde, wanneer ik mij alleen op een slêe wilde waagen, voor en aleer ik genoegzaame hebbelijkheid bezat, om zonder leidsman te kunnen weezen; op mijne jaaren kent men zich tot alles in staat; ik luisterde na geene waarschuwingen.

[61] Deeze stok word Oschtol genaamd.

De ligtheid van het rijtuig, naauwlijks tien ponden wegende, deszelfs hoogte, die ze meerder geschikt maakt tot omvallen, de moeijelijkheid om ’er het evenwigt op te bewaaren, eindelijk de gevolgen, die een val kan hebben, wanneer de sleede voortholt[62], alle deeze bedenkingen, die men niet naliet mij voor oogen te stellen, konden mij niet bevreesd maaken, nog afschrikken van eene zo gevaarlijke oeffening. Ik zette mij eens op mijn nieuwen wagen, echter toestemmende dat men mij volgen zou, en verscheide sleeden verzelden mij. De geenen die ’er opzaten, behoefden niet lang te wachten, om mij hunne voorzeggingen te zien vervullen; ik gaf hun op een weinig afstands reeds de vertooning van een geheele omtuimeling; naauwlijks opgericht, of weer op nieuw gevallen, en een vernieuwd geschater[I-104] van lagchen: niettegenstaande dit alles verloor ik den moed niet, en stond schielijk op om een oogenblik daar na weder omtevallen. Ik had alle reden van mij tegen deeze onaangenaamheid te wapenen, want bij verscheide herhaalingen betaalde ik den tol van mijne onervarendheid; ik viel bij deeze eerste proef zeven maal, zonder mij ooit te bezeeren; ik wierd des te vuuriger om een tweede les te neemen, vervolgens een derde, en een vierde, eindelijk gingen ’er weinig dagen voorbij zonder eenigen togt te doen. Het getal mijner tuimelingen verminderde, naar maate ik ’er meer hebbelijkheid en wetenschap van bekwam, en mijne vorderingen deeden mij zodanige liefhebberij in die oeffening verkrijgen, dat ik mij in weinig tijds een soort van roem verwierf. Ik erken, dat het mij moeite gekost heeft, om mij te gewennen, van de nodige regtstandigheid te bewaaren. Men moet om zo te spreeken in eene geduurige beweeging zijn, hier zich ter linkerzijde overwenden, wanneer de slêe ter regter afwijkt; daar, zich vrij spoedig op de regter kant werpen, om dat ze ter slinker zijde overhelt, vervolgens regt opstaan in andere gevallen, en zo men vaardigheid of oplettenheid mist, is het te verwonderen dat men niet aanstonds ombuitelt. Wanneer men valt, moet men echter de slêe niet verlaaten, dog ’er zich op zijn best aan vasthouden,[I-105] ten einde een voldoende zwaarte te maaken om de honden optehouden, die zonder dat aan het hollen zouden raaken, gelijk ik reeds gezegt heb. De meest gebruikelijke manier van zich op een slêe te plaatsen, is om er ter zijden op te gaan zitten, even als onze vrouwen te paard rijden; men kan ’er zich ook schrijlings op zetten, dog die richting, waar de meeste kracht toe nodig is, het nec plus ultra der bekwaamheid en bevalligheid, bestaat daar in, om zich over eind op één been te kunnen houden; zij, die in deeze luisterrijke houdingen recht ervaaren zijn, maaken een fraaie vertooning.

[62] Wanneer de honden het zelfde gewigt niet meer gewaar worden, geraaken ze in zulk eene drift, dat ze somtijds niet eer ophouden, voor dat de slêe tegens een boom verbrijzeld is, of hunne krachten uitgeput zijn.

Manier waar op men ter Haazen & Patrijzen jagt gaat.

Zo dra ik in staat was zelfs te mennen, had ik voor mij geen ander rijtuig; uit hoofde der wegen altoos verzeld zijnde, ging ik dan eens wandelen of rijden, dan eens op de haazen en patrijzen jagt, waar van wij de spooren in de sneeuw gedrukt zagen[63] en wel in zo eene groote menigte, dat ze daar van doorprikt scheen even als[I-106] een zeef: in de bosschen was ze somtijds zo dik, dat het onmogelijk zou geweest zijn om een stap te doen zonder ’er in te zinken, onze toevlucht was als dan om onze sleeden te verlaaten, waar van wij ons niet meer konden bedienen en wij plaatsten ze over zij. Na deeze voorzorg genomen te hebben, die voldoende is om de honden tegen te houden, die aanstonds op de sneeuw in een rei gaan leggen, en daar zonder zich te verroeren, de terugkomst van hunne geleiders afwachten, wij bonden onder de voeten raketten met riemen vast, gemaakt van zeer dunne plankjes[64], ieder van zes a agt duim breed, en van drie a vier voet lengte, welkers eind als een schaats omgekromt en van onderen bekleed is met zeewolvenvel of rendierenpooten. Van dit schoeizel voorzien, begonden wij onze jagt. Ik had echter in ’t eerst moeite genoeg om mij aan deeze schaatzen te gewennen, ik viel meer dan eens[I-107] op den rug en op den neus, dog het vermaak van een goede vangst deed mij deeze toevallen vergeeten. Hoe zeer het moeijelijk viel de haazen en de patrijzen te ontdekken, welkers witheid die der sneeuw evenaarde, zo miste het mij echter zelden, dank zij mijne oeffening en de raadgevingen mijner medgezellen, of ik bragt ’er een goed getal mede.

[63] De eerste sneeuw viel te Bolcheretsk op den 5 November, ze was zo overvloedig dat ’er aanstonds de velden mede bedekt waaren, dog de vorst langer agterblijvende, en de stormwinden bijna zonder tusschenpoozen elkander opgevolgt hebbende, kon de sleedevaart geen volkomen aanvang neemen dan vrij lang daar na, gelijk men in het vervolg zien zal.

[64] Deeze raketten worden in ’t land ligi genaamd. In het noorder gedeelte van het schier-eiland bediend men zich van een ander soort van raketten lapki genaamd, deeze zijn minder lang, en van ineengevlogten leere banden vervaardigt even als het draadwerk van onze raketten in de Kaatsbaanen; men maakt ’er van onderen twee kleine punten aan vast, die in de sneeuw dringen en het uitglijden beletten.

Het was een mijner aangenaamste tijdkortingen te Bolcheretsk; het overige van mijn tijd wierd besteed in verzuchtingen en ongeduldige aandoeningen over de gedwongen langduurigheid van mijn verblijf. Om afleiding te hebben, beijverde ik mij om van de weinige mooije dagen die wij hadden gebruik te maaken, ten einde eenige omleggende streeken te gaan bezichtigen, die ik zedert bij mijn vertrek wedergezien heb, en waar van ik spreeken zal, wanneer ik mijn reis zal hervatten.

De zamenstelling van mijne reissleeden[65] gaf mij ook bezigheid, dog mijne voornaamste[I-108] vertroosting bestond in het gezelschap van den Heer Kasloff en de Officieren van zijn gevolg; hunne verkeering en de aanmerkingen, die ik van tijd tot tijd maakte, stelden mij iederen dag in staat om aantekeningen te houden, waar van ik reeds een groot gedeelte afgeschreeven heb, en hier het overige zal laaten volgen.

[65] Een soort van gesloote koets alwaar men zich in leggen kan, en die aan een sleede vastgemaakt is; dit is dat slag van rijtuig dat men verock in Rusland noemt, alwaar ze zeer gemeen zijn, de mijne was van binnen met beerevellen bekleed, en van buiten met vellen van zeewolven.

1788. Januarij Te Bolcheretsk.

Ziektens.

Het artikel van de ziektens op Kamschatka doet zich het eerste aan mij voor: welke onaangenaame beschrijvingen dit ook vordert, vermeen ik het evenwel niet te moeten agterlaaten, het heeft een gedeelte mijner waarneemingen uitgemaakt, het dient dan ook in mijn dagverhaal geplaatst te worden.

De Kinderziekte, welker verwoestingen alhier ik reeds vermeld heb, schijnt aan het land niet eigen te zijn, dezelve is ’er ook niet zeer gemeen. Sedert de invallen der Russen en de menigvuldige verhuizingen herwaarts, die daar op gevolgt zijn, heeft deeze besmettelijke ziekte zich hier niet doen gevoelen dan in de jaaren 1767 en 1768; ze wierd toen door een Russisch schip derwaarts gebragt, het welk naar de eilanden, aan den oostkant gelegen, ging om otters, vossen enz. te vangen. De persoon, die dit noodlottige zaad overbragt, was een matroos die van Okotsk kwam, alwaar hij zich voor zijn vertrek had doen genezen; hij bezat nog na men zegt, de versche blijken[I-109] van deeze vreesselijke ziekte: naauwlijks ontscheept, deelde hij ze aan de arme Kamschatters mede, waar van ze het drie vierde gedeelte wegsleepte. Sedert is dezelve niet weder verscheenen, het welk doet denken, dat deeze volkeren daar aan niet onderhevig zijn. In het Jaar 1720 wierden de volkeren ten noorden van Kamschatka daar van bezogt, dog deeze ziekte drong niet tot in dit schiereiland door, ze had te Anadirskoi een aanvang genomen; en men weet niet wie ze derwaarts bragt, men is geneigt om ’er insgelijks de Russen van te beschuldigen.

Men vermeent ook, dat de Kamschatters aan hun de Venusziekte verschuldigt zijn, die gelukkig niet zeer gemeen onder hen is, het schijnt dat deeze geessel bij hun van vreemde afkomst is. De geneezing daar van is alzo zeldzaam als moeijelijk, men neemt zijn toevlugt tot verschillende wortels en de sublimaat, die in dit land even als elders treurige gevolgen voortbrengt, te meer daar men ’er hier nog minder goed gebruik van weet te maken, dan wel elders.

Men vind hier geen scheeve of kreupel geboorne; de eenigste mismaakte persoonen zijn die geenen, welke zwaare vallen gedaan hebben, het geen niet zeldzaam onder de Kamschatters is, dewijl zij blootgesteld zijn om van de hoogte hunner balagans aftevallen; zij zijn weinig aan de[I-110] scheurbuik onderhevig, het gebruik dat zij van de wilde knoflook en verscheiden soorten van beziën of vruchten maaken, brengt veel toe om ’er hen voor te bewaaren; de Russen en die geenen, welke hier pas voet aan land zetten, worden meer van deeze ziekte aangetast.

De longziektens zijn er vrij menigvuldig, dog bloedzweeren, water en ettergezwellen en klieren zijn de meest gewoone kwaalen, men weet ze niet anders te geneezen dan door insnijding en uitrooijing: men bedient zich tot deeze konstbewerkingen van een mes of eenvoudig van een puntig gesleepen steen in de plaats van een lancet. Diergelijke werktuigen zijn niet geschikt om een verheven denkbeeld te geeven van de kundigheden der wondheelers; en het is gemaklijk optemaaken, dat de heelkunde, zo na mogelijk tot de volmaaktheid bij ons gebragt, nog in de grootste duisterheid in Kamschatka begraven ligt.

Toverdoctors.

De Geneeskunde schijnt ’er geen grooteren opgang gemaakt te hebben; echter moet men ten dien opzichte erkennen, dat deeze volkeren reeds iets voorwaards gekomen zijn, namelijk in geleerd te hebben om derzelver bedriegers en belagchelijke kwakzalvers te mistrouwen; dit waaren eertijds de zogenaamde toveraars Chamans genaamt, die gebruik makende van de ligtgelovigheid der[I-111] Kamschatters, zich daarenboven tot Doctoren in de geneeskunde verhieven, en zich dus van een dubbelde aanspraak op achting en vertrouwen wisten meester te maaken[66]. Hun vreemde opschik bragt ook nog veel toe om eerbied te verwekken, en kwam wonderbaarlijk over een met hunne buitenspoorige bedriegerijen, het geen men ’er mij van gezegt heeft zou alle geloof te boven gaan, indien wij de goede gelukzeggers en andere tovenaars van dat soort niet kenden.

[66] Ik heb zedert, in een Ostrog op eenigen afstand van Bolcheretsk, gelegenheid gehad ten hunnen opzichte meer bijzondere ophelderingen te verkrijgen, die men bij mijn verblijf in dat dorp vinden zal.

Men kan zich geen denkbeeld vormen van de aaperijen deezer kwakzalvers, nog van de onbeschaamdheden die zij voorgaven omtrent de toebereiding hunner voorschriften, of omtrent hunne gewaande openbaaringen. Het is waarschijnlijk, dat hunne geneezingen menigwerf van een kwaaden uitslag waaren, en dat het getal hunner slagtoffers dat van hunne zieken evenaarde: dog op den duur word men verdrietig, wanneer men het voorwerp van bedrog is, vooral wanneer het leeven daar bij in gevaar raakt: als dan begint men onvergenoegd te worden op de bedriegers, die ongevoelig het vertrouwen verliezen, en ten[I-112] laatsten in verachting vallen en vergeeten worden. Dit is het geen met de Chamans gebeurd is; de weinige kundigheden, die de handel der Russen in deeze streeken heeft verspreid, is genoegzaam geweest om de oogen der inwooners te openen. Al aanstonds hebben zij de ongerijmdheid der toverkunst van hunne geneesheeren leeren kennen; zo dra ze ophield geëerbiedigt te worden, wierd ze ook welhaast minder voordeelig, en het voordeel verminderende nam ook spoedig het getal der tovenaars af. De mannen, afgeschrikt van deeze kostwinning, verlieten dezelve, en wierden door eenige oude vrouwen vervangen, die zonder twijffel minder behendig zijn en bij gevolg ook minder neering hebben[67].

[67] De verandering welke de Chamans in Kamschatka ondergaan hebben, is deeze niet volmaakt de geschiedenis van onze kwakzalvers? ten naasten bij dezelfde bedriegerijen, dezelfde beheersching, en dezelfde val. Welke aanmerkingen zou men niet nog omtrent dit onderwerp kunnen maaken! bij voorbeeld, dat volkeren even zo eenvoudig als onkundig gelijk de Kamschatters, eenigen tijd de voorwerpen der bedriegerijen van hunne tovenaars geweest zijn, kan niet vreemd schijnen en ook zijn deeze daar omtrent wel te verschoonen, dog dat zij met zo veel onbekwaamheid en bijgeloof, van hunne dwaaling te rug gekomen zijn en ’er schaamrood over worden, dit is het, zo ’t mij voorkomt, welk verwondering moet verwekken, en waar over men hun geluk moet wenschen; want eindelijk, ziet men bij de meest verlichte volkeren van Europa niet nog alle dagen een soort van even trouwlooze, even gevaarlijke Chamans te voorschijn komen? allen hebben zij nochtans hunne apostelen, nieuwbekeerden en een groot aantal martelaars.

Sterke gesteldheid der vrouwen.

De vrouwen hebben in dit land zelden meer dan tien kinderen, haar gewoon getal is vier of vijf; op de veertig jaaren verliezen ze de hoop[I-113] van ’er meer te krijgen, zij kraamen zeer gemaklijk, en helpen onderling elkander verlossen, daar zijn echter eenige vroedvrouwen, dog in een gering getal. De toevallen, de ongelukkige verlossingen, die zo veele moeders wegsleepen, zijn ’er minder gemeen dan het onverwacht kraamen in de open lucht, op de wegen, en overal waar de arbeid van haar huishouden deeze vrouwen roept. Het is waarschijnlijk in deeze gelegenheden, dat zij zich van derzelver hairen bedienen, volgens ’t geen men mij gezegt heeft, om de navelstreng aftebinden; zij draagen vervolgens zelfs de kinderen en zoogen ze aanstonds. De tijd der zooging is onbepaald. Ik heb moeders gezien die aan kinderen van vier en vijf jaaren de borst gaven. Men oordeele hier uit van de sterke gesteldheid deezer vrouwen. Men bespeurt echter, dat de Kamschatters van beide sexen weinig langer dan de Russen leeven.

[I-114]

Geneesmiddel, dat men aan den beer verschuldigt is.

Ik heb verzuimd van een geneesmiddel te spreeken, waar van de inwoonders van dit schier-eiland zig gaarne en bijna in alle hunne ziektens bedienen. Het is een wortel genaamt beere-wortel, in brandewijn geweekt, de naam, welken deeze volkeren aan die plant gegeeven hebben, duid genoeg aan, wien zij de kennis daar van verschuldigt zijn. Na dat zij opgemerkt hadden, dat de beer gewoon was om bij voorkeur dit gras te eeten, en zich wanneer hij gewond was daar over heen te wentelen, zijn zij in twijffel geraakt, of dit kruid niet eenige goede eigenschappen mogt bezitten, en hebben beslooten om ’er gebruik van te maaken; dit beest komt dus de eere toe van hun de eerste lessen in de kruidkunde en in derzelver toebereiding gegeeven te hebben. Daar en boven heeft men mij gezegt, dat met deezen wortel de beer alle zijne wonden geneest; het is mogelijk, dat de mensch ’er zich ook zeer wel bij bevind; dog ik ben niet in ’t geval geweest van ’er zelfs de proef van te neemen, en ik draag geene verdere kennis van deeze plant.

Godsdienst.

De Christelijke Godsdienst is door de Russen in Kamschatka gebragt, dog de bewoonders van dit schiereiland zijn, om eigentlijk te spreeken maar gedoopt, ze zijn ’er verre af om de verplichtingen te vervullen, welke dit bondzegel hun oplegt. Hebben zij eenige kennis, waarin de eerste[I-115] voorschriften van het Christendom bestaan? ik twijffel ’er aan; overgegeeven aan alle hunne neigingen, volgen zij daar van de goede of kwaade aandrift; indien zij op den Godsdienst denken, is het alleen om redenen van welvoeglijkheid of belang, of wel wanneer de omstandigheden hun derwaarts leiden; dit toont in deeze volkeren een groot gebrek in het onderwijs aan, en men kan daar van, na ’t mij toeschijnt, alleen hunne priesters beschuldigen, die derzelver onkunde moesten tragten opteklaaren. Dog hebben deeze priesters of zendelingen daar toe de nodige begaaftheden? het is waar dat zij niet in de gelegenheid zijn om zich door wijsgeerige oeffeningen bekwaam te maaken, ook schijnt men die in hun niet te vorderen, vermits het meenigmaal gebeurt, dat men Kamschatters tot deezen voortreflijken staat ziet toegelaaten.

Alle deeze Popen zijn aan ’t gezag van den Opperpope of Aartspriester die te Nijenei zijn verblijf houd, onderworpen; hij staat zelf onder den Aartsbisschop van Irkoutsk, die hun alleen ordent, en de zending geeft, zo dat alle de Geestlijken verplicht zijn om zich naar deeze stad te begeeven. Mogelijk word de langduurigheid en de gevaaren van de reis hun voor een soort van kweekschool toegerekent; mogelijk ontfangen zij de heilige ordeningen zonder andere verdiensten[I-116] of ondervraaging, dit altans is zeeker, dat zij nog braaver nog meer onderweezen te rug komen. Deeze Geestelijken worden vervolgens naar hunne bijzondere bestemmingen gezonden; de tijd, dien zij daar blijven, is onbepaald, en hangt volstrekt van den wil hunner hoofden af.

Kerken.

Men telt agt voornaame kerken op Kamschatka, als te Paratounka, Bolcheretsk, Ichinsk, Tiguil, Vercknei, Klutchefskaia, en twee te Nijenei; men zou ’er zelfs die van Ingiga in het land der Koriaken kunnen bijvoegen.

Zeven dorpen en de Kourilische eilanden maaken het gebied of de Parochie van Paratounka uit; te weeten, het dorp van dien naam, St. Pieter & Paulus, Koriaki, Natchikin, Apatchin, Malkin en Bolcheretsk. Het getal der Parochiaanen, welke deeze dorpen bevatten, gaat niet boven de vier honderd, en wanneer men ’er de Kourilische eilanden mede onder begrijpt, zal het geheele getal maar op zes honderd twintig Christenen beloopen. De Keizerin geeft aan den Pastoor van Paratounka tagtig roubels jaargeld, waar bij zij nog doet voegen twintig pouds[68] rogge-meel; zijne Parochiaanen betaalen hem dus geene tienden, dog hij ontfangt de aalmoessen en de andere[I-117] toevallige voordeelen, welke aan zijn Kerk gehegt zijn; Bij een huwelijk, doop, of begravenis vraagen deeze Pastooren zo veel geld, of zodanige andere zaaken als zij maar goedvinden te eischen. Niets is ten deezen opzichte bepaald, en zij kennen geen andere uitspraak dan hun eigen wil, het welk aanleiding tot grove misbruiken geeft. Gewoonlijk echter willen zij hunne eisschen wel afmeeten na het vermogen van hunne Parochiaanen, en men is hun dank verschuldigd voor deeze soort van bescheidenheid.

[68] Een Russisch gewigt, gelijk staande met iets meer dan drie en dertig Fransche ponden.

Belastingen of Schattingen.

De Kamschatters zijn vrij; zij zijn alleen onderhevig om aan Rusland een jaarlijksche schatting te betaalen, die gelijk als ik reeds gezegt heb, in bontwerk van allerlei soort bestaat, zo dat al het geene hun jagt opleevert, bijna geheel ten voordeele van de Keizerin komt. Ieder hoofd des huisgezins is verplicht, om voor hem, en voor elk van zijne kinderen, zelfs voor die geenen welke nog zeer jong zijn, een zeker aantal vellen te leveren, evenredig aan het aandeel van zijne belasting; deeze kan omtrent iets min of meer dan zeven roubels bedraagen, en men heeft mij gezegt, dat de waardeering van dit bontwerk altoos tegen den minst mogelijken prijs geschied. Deeze wijze van betaaling van het hoofdgeld in Kamschatka moet groote inkomsten aan de kroon opleveren,[I-118] wanneer men alleen in aanmerking neemt de Sabelmarters, welke dit landschap jaarlijks opbrengt, en waar van het getal op meer dan vier duizend begroot word. Ieder Toijon ontfangt de imposten in zijn Ostrog en steld ze vervolgens aan den schatmeester van de kroon ter hand; dog voor af is aan ieder Kamschatter een handschrift gegeeven van het beloop van zijn hoofdgeld, welke ook zorg draagt om met zijn zegel of eenig ander teeken al het bontwerk, dat hij levert, te merken.

Muntspecien.

De gangbaare munten zijn, de gouden Imperiaal, waardig tien roubels, de roubel en de halve roubel; men ziet weinig zilveren muntspecien onder deeze waarde; koperen of papieren munten zijn nog in dit schier-eiland niet doorgedrongen. Zou dit niet een bewijs opleveren, dat de goedkoopste waar tot een halve roubel moet verkogt worden? Men vind hier een groot getal oude zilveren muntspecien geslagen ten tijde van Peter den I, Catharina de I. en van Elisabeth; men zou daar van zelfs een tak van Koophandel kunnen maaken, dewijl het zilver veel zuiverder en van een hooger waarde is dan de gewoone muntspecien.

Bezolding van de Soldaaten

De bezolding der Soldaaten of Kosakken beloopt vijftien roubels in ’t jaar; wat de Officieren[I-119] betreft, die de regeering in zulke afgeleegen landen zend, deeze ontfangen dubbelde jaargelden.

Bestier.

Wanneer de Heer Major Behin te Bolcheretsk het bevel voerde, stond het Schiereiland Kamschatka onmiddelijk onder het algemeen bewind van Irkoutsk; na het vertrek van deezen bevelhebber, dien de Engelschen bij derzelver eerste aanlanding in 1779 bezogten, wierd de Capitein Schmaleff intusschen met dit bevel belast; hij heeft geduurende een jaar deeze magt bezeten, en het genoegen gehad om aan de inwoonders wel te kunnen doen, die voor hem ook zo veel eerbied als erkentenis toonen. De Heer Rénikin volgde hem op in 1780; hij wierd door hooge order teruggeroepen in 1784, en wel om oorzaaken, die ik verplicht ben te zwijgen. Op dit tijdstip, wierd het gebied van Kamschatka met dat van Okotsk vereenigd. Zedert zijn de hoofden en officieren van de verschillende ostrogs, steden of dorpen van dit schier-eiland, aan de bevelen van den Commandant te Okotsk, en aan de uitspraaken der rechtbanken van die stad onderworpen; deeze zijn wederom zelfs ondergeschikt en doen rekening aan den algemeenen landvoogd, te Irkoutsk zijn verblijf houdende. De Officier, die te Bolcheretsk, eertijds de hoofdplaats van Kamschatka, het bevel voerde, is tegenswoordig[I-120] maar een Sergeant; de geen, dien ik ’er liet, was Rastarganieff genaamt; hij wierd tot deezen post door den Heer Kasloff benoemd.

Ik moet hier nog bijvoegen, dat de bevelhebbers in deeze Ostrogs, zelfs de Officieren van een minderen rang omtrent derzelver meerderen, zich onderling geen verantwoording van hun bestuur schuldig zijn; ook breid ieders gezag zich niet verder uit dan over de inwoonders der plaatzen, die onder hun opzicht zijn; dit zal zeker de Keizerin bewoogen hebben om een capitan ispravnick, Capitein inspecteur te benoemen, gelast om ieder jaar alle de dorpen der Kamschatters door te reizen, hunne klagten te hooren, hunne verschillen te onderzoeken, te beoordeelen; hun die het verdienen te doen straffen, in een woord, om de goede order en den vreede onder hun te bewaaren. Ook is het daar en boven zijn zaak om den Koophandel, de jagt, en de vischvangst aan te moedigen, te waaken op de naauwkeurige betaaling der schattingen, toezicht te hebben, dat ieder bijzonder persoon zich van den nodigen voorraad tot zijn voedzel en dat van zijn gezin voorziet, en verder om acht te geeven op de verbetering der bruggen en wegen, die ongelukkig maar zo weinig in getal, als slegt onderhouden zijn. Eindelijk, moet deeze Capitan ispravnick zich in alles bevlijtigen om onder deeze volkeren[I-121] de zeden en de gebruiken der Russen intevoeren. Deeze gewigtige post wierd in 1784. aan den Heer Baron de Steinheil toevertrouwd, die zijn verblijf te Nijenei nam; andere zaaken hem elders geroepen hebbende, wierd hij bij mijne komst in Kamschatka opgevolgt door den Heer Schmaleff, die als toen, terwijl hij ons vergezelde, het bezoek van zijn departement deed.

Rechtbanken.

Het bestier is niet geheel militair; daar zijn eenige rechtbanken opgericht, om de gedingen en andere zaaken behoorlijk te behandelen en te beoordeelen, als daar zijn die van Tiguil, Ingiga & Nijenei-Kamschatka; deeze rechtbanken zijn aan die van Okotsk onderhoorig, even als in Rusland de gerechten der steeden van den tweeden rang afhangelijk zijn van die der Hoofdsteden, welke zonder verder beroep vonnissen. Behalven die is er te Bolcheretsk een soort van Burgerlijk rechtsgebied of stemgericht; in het Russisch slovesnoi-soud genaamt. De rechters zijn kooplieden, zij neemen kennis van alle verschillen betrekkelijk tot den koophandel, en hunne vonnissen worden goedgekeurd of vernietigt door de rechtbank, alwaar de zaaken bij hooger beroep gebragt zijn. Het is genoeg hier van te zeggen, dat men ’er alleen de Russische wetten volgt; deeze zijn genoeg bekend om mij te ontslaan, van in meer bijzonderheden deswegens te treden; ik[I-122] zou daar en boven maar herhaalen, het geen verscheidene geschiedschrijvers, of veel meer verlichte waarneemers dan ik ben, daar omtrent verhaald hebben.

Gebruiken omtrent de Erffenissen.

Ik meen echter hier te moeten bijvoegen, dat de goederen der Kamschatters, na hun afsterven, zonder moeijelijkheden wederkeeren aan derzelver naaste erfgenaamen, of aan die geenen aan wie ’t hun behaagt dezelve te vermaaken; de wil des testateurs word zo goed geëerbiedigt en na den letter gevolgt, als in Europa bij de meest zorgvuldige volkeren in geval van erffenissen, zou kunnen geschieden.

Aanmerkingen betreklijk de Huwelijken.

De egtscheiding is onder de Kamschatters nog gebruikelijk nog geoorloft. De Russen schijnen zich gaarne met hun te verbinden, hoe zeer dit dezelven geen bijzonder voorrecht aanbrengt. Men kan ligt bevroeden, welke hunne beweegredenen daar toe zijn; deeze vermenigvuldigen die huwelijken zodanig, dat het niet onmogelijk zou weezen, dat ’er voor het uiteinde van het tegenwoordig geslagt, van de inboorlingen des lands geen overblijfzels meer te vinden zullen zijn.

Strafoeffeningen.

De doodstraf in alle de staaten van de Keizerin vernietigd zijnde, word insgelijks nooit in Kamschatka uitgeoeffend. In het eerst wierden de Russen, die men beschuldigde van de Kamschatters mishandeld te hebben, tot de knout veroordeeld;[I-123] daar waaren ’er ook onder de laatsten, die om verscheiden misdaaden deeze wreede straf ondergingen, dog tegenwoordig maakt men daar van geen gebruik meer; zo dra deeze eenige misslagen, of zwaare misdaaden begaan, vergenoegt men zich met hun te slaan. Hebben zij wel veel bij deeze verandering gewonnen? de tegenswoordige manier van straffen veel eenvoudiger en spoediger verricht zijnde, word ook veel ligtvaardiger gebruikt en moet dus dikwijls verkeerd uitgeoeffend worden.

Taal.

De Kamschatsche taal kwam mij voor hard, hol en zeer moeijelijk in de uitspraak te weezen, de woorden zijn afgebrooken, en de klanken onaangenaam. Daar zijn om zo te spreeken zo veele tongvallen en verschillende uitspraaken als er Ostrogs zijn. Bij voorbeeld, men is zeer verwonderd, wanneer men van St. Pieter en Paulus komt, te Paratounka een andere brabbeltaal te hooren spreeken; het is in de dorpen, die het digtst aan elkander gelegen zijn, het zelfde. Niettegenstaande deeze veranderingen in de taal, heb ik gemeent een woordenboek te moeten vervaardigen, het welk ik aan het einde van mijn dagverhaal zal mêedeelen, ik zal ’er dat van de Tchouktchische, Koriaksche en Lamoutsche taal bijvoegen; ik heb ’er alle oplettenheid aan besteed, en men heeft mij al die hulp verleend, welke mij van zeer[I-124] veel nut is geweest. Ik zal het artikel van mijn verblijf te Bolcheretsk besluiten, met verscheide waarnemingen, die een ieder in staat zullen stellen om van de onmogelijkheid te oordeelen, waar in ik mij geduurende al dien tijd bevonden heb, van wederom mijn reis te kunnen aanneemen.

Aantekeningen over de lugtsgesteldheid.

Tegens het einde van November, deed de koude zich eensklaps zo hevig gevoelen, dat in weinig dagen alle de rivieren digt raakten, zelfs de Bolchaïa-reka, het geen door deszelfs uitermaate sterken stroom zeer zeldzaam is. Den volgenden morgen ontlastte zij zich reeds van de ijsschotsen, waar mede ze bedekt was; ik heb ’er zedert voor Bolcheretsk zich geene zien vastzetten, dan op de hoogte van ’t huis van den Commandant. Hoe zeer de rivier op verscheide plaatzen digt is, vertoont ze echter nog in dit tijdstip verscheide openingen, waar men haaren stroom deszelfs gewoonen loop ziet behouden.

Men word op iederen oever van dit schier-eiland een gevoelig onderscheid in den dampkring gewaar. Terwijl te St. Pieter & Paulus geduurende den zomer groote droogte geheerscht had, klaagde men te Bolcheretsk over menigvuldigen regen, echter is het mij voorgekomen, dat men over het algemeen den herfst in dit jaar niet zeer regenachtig gevonden had. De al te menigvuldige regen is in dit land schadelijk, dewijl ze aanmerkelijke[I-125] overstroomingen te weeg brengt, en de visch verjaagt; waar uit voortkomt, dat de honger de arme Kamschatters overvalt, gelijk in het voorleden jaar in alle de dorpen van de westkust van het schier-eiland gebeurd is. Deeze ijsselijke geessel heerschte daar zo algemeen, dat de inwoonders genoodzaakt wierden hunne wooningen te verlaaten, en zich met derzelver huisgezinnen naar de oevers van de Kamschatka te begeeven, in hoop van daar meer hulpmiddelen te zullen vinden, als zijnde de visch overvloediger in deeze rivier. De Heer Kasloff had zich voorgestelt om zijn te rug reis langs de westkust te neemen, hebbende de oostkust reeds doorgetrokken; dog de tijding van deezen hongersnood had hem tegen wil en dank genoodzaakt om den zelfden weg te rug te gaan, veel eer dan zich bloottestellen om daarin gestremt te worden, en misschien ter halver weg te verongelukken, door de moeijelijkheid van zich honden, en levensmiddelen op de westkust te verschaffen.

De wind is geduurende mijn verblijf te Bolcheretsk zeer veranderlijk geweest; hij was meest west, noord-west en noord-oost, zomtijds aan den zuidkant, maar zeldzaam in het oosten. De zuide en weste winden waaren bijna altijd van[I-126] sneeuw verzeld, en weinig weeken zijn ’er, tot in Januarij toe voor bij gegaan, waarin wij niet twee of drie hevige stormwinden zagen opkomen; deeze kwamen gewoonlijk uit het noord-westen: die buijen duurden weinig minder dan één of twee dagen, en somtijds zeven of agt. Als dan zou het de uiterste onvoorzigtigheid geweest zijn van ons te waagen om uit te gaan. De hemel was van alle kanten bezet, en de sneeuw door deeze dwarlwinden opgeheven, vormde een dikken nevel in de lucht, die niet toeliet om zes treden van zich aftezien. Wee de reizigers, die zich in dit ijsselijk wêer op weg bevinden! Zij zijn genoodzaakt stil te houden, zo als ik reeds gezegt heb, anders loopen zij gevaar elkander te verliezen, of in den een of anderen afgrond te vallen, want hoe zal men de wegen onderscheiden? Hoe die vervolgen, wanneer men te worstelen heeft met de onstuimigheid van den wind, en wanneer men zich met moeite van de sneeuwhopen ontdoen kan, waar van men eensklaps omringt word? Indien de menschen zo veele aanmerkelijke gevaaren uitstaan, dat men dan oordeele over het geen de honden moeten lijden. Niets is ook zo gemeen, dat dat men door deeze vreesselijke orkaanen, zich onverwachts van de sleeden, die tot het gevolg behooren, afgescheiden, en twee[I-127] wersten of meerder van elkander verwijderd bevind, ieder een anderen weg neemende[69].

[69] Deeze orkaanen heerschen vooral in de maanden November, December en Januarij.

Oorzaaken die de langduurigheid van ons verblijf te Bolcheretsk noodzaakelijk gemaakt hebben.

De meenigvuldigheid dezer stormwinden, de verbaazende uitwerkzels, die er de gevolgen van kunnen zijn, deeden ons de noodzaaklijkheid gevoelen om ons vertrek uittestellen. De Heer Kasloff had even zo veel verlangen om zich naar de plaats van zijn verblijf te begeeven, als ik ongedulds bezat om mijn reis te vervolgen, ten einde mijne zending met dien spoed te verrichten, welke mij aanbevolen was; dog alle de berichten, die wij ontfingen, veroordeelden onzen iever, en men toonde mij aan, dat het roekeloosheid van mij zoude zijn, indien ik wilde vertrekken, met zulke gewigtige brieven belast zijnde, als mij toevertrouwd waaren. Deeze bedenking deed mij voor de verzoeken en raadgeevingen van den Heer Kasloff, en van de andere Officieren van zijn gevolg zwigten; die bevelhebber voorkwam mijne begeerten door mij een eigenhandig getuigschrift te geeven, het welk de langdurigheid van mijn verblijf te Bolcheretsk rechtvaardigde, door het opgeeven der oorzaaken,[I-128] welke het zelve noodzaaklijk gemaakt hebben[70]. Deeze stormwinden eindelijk omtrent den 15 Januarij opgehouden hebbende, beijverden wij ons om in de laatste toebereidzelen tot ons vertrek te voorzien, het welk op den 27 van die maand wierd vastgesteld.

[70] Men zal dit getuigschrift aan het einde van dit werk vinden.

Toebereidzelen tot ons vertrek, bepaald op den 27 Januarij.

Wij voorzagen ons, zo goed wij konden, van brandewijn, ossenvleesch, roggemeel en gort; men bakte een groot getal brooden, waar van een gedeelte voor de eerste dagen van onzen togt bewaard wierd, en het overige wierd in zeer kleine stukjes gesneeden en op den oven even als beschuit gedroogd; het overschot van het meel vulde men in zakken, die voor gevallen van noodzakelijkheid bewaard wierden.

CARAVANE KAMTSCHADALE ARRIVANT DANS UN OSTROG OU VILLAGE.

Grote afbeelding. (398 kB)

De Heer Kasloff had bevolen, dat men zo veel honden, als maar te bekomen waaren, zou opzamelen; aanstonds bragt men ze ons uit alle de nabuurige Ostrogs bij menigte, eveneens leverde men ons de leevensmiddelen in overvloed; de eenigste zwarigheid was maar hoe dat alles mede te voeren. Toen men onze sleeden zou laaden, was ons reisgoed zo aanmerkelijk, dat niettegenstaande[I-129] de menigte van handen, die daar toe gebruikt wierden, de oplaading niet voor den 27. des avonds kon afgedaan zijn; wij hadden beslooten dien dag in den morgen te vertrekken, en het was reeds nagt, wanneer men ons kwam zeggen dat alles gereed was: hier hadden wij den tijd om ons ongeduld te beproeven; ik voor mij wil bekennen dat mij nimmer een dag zo lang gescheenen heeft. Dit uitstel had ons zo verveelt, dat wij niet tot aan den volgenden morgen wilden wachten; naauwlijks gewaarschuwt, of wij liepen naar onze sleeden, en in het zelfde oogenblik waaren wij buiten Bolcheretsk.

Den 27.

Vertrek van Bolcheretsk.

Het was des avonds ten zeven uuren wanneer wij het zelve verlieten, onder de begunstiging van het licht der maan, welkers helderheid nog levendiger wierd door de schemerende witheid van de sneeuw. Dit vertrek was waarlijk een onderwerp voor het penseel geschikt; dat men zich onze in der daad talrijke caravane verbeelde, bestaande uit vijf en dertig sleeden[71], daar[I-130] onder begreepen die, waar op ons reisgoed geladen was. Op de eerste was een Sergeant geplaatst, genaamt Kabéchoff; gelast om den togt te gebieden en te geleiden; hij gaf het teken, en spoedig, vertrokken alle deeze sleeden de een na de ander; ze wierden door omtrent driehonderd honden voortgetrokken[72] wier iever derzelver snelheid evenaarde; doch welhaast was de order gebrooken, de reijen kruisten zich en raakten in de war, eene edele naiever bezielde de geleiders, en de reis wierd een wagen-wedloop; de prijs behoort hem, die zijne dravers het meest voortdrijft, niemand wil voor bij gehaald zijn, de honden zelfs kunnen deeze belediging niet verdraagen; zij beijveren zich om het zeerst, en hitsen zich beurtelings aan om de eer in de loopbaan te verkrijgen; de strijd begint en de sleeden raaken om ver, met gevaar dikwils van aan stukken te breeken; het geroep der omgevallene, het geschreeuw der honden die aan het vegten, het verwarde geblaf der geenen die aan het loopen zijn, eindelijk het luidruchtig en onophoudlijk[I-131] gesnap der geleiders vermeerderde nog de wanorder waarin men zich zelfs niet kan hooren of verstaan.

[71] Het waaren meest gewoone sleeden, zo als men ze op bladz. 100 beschreeven heeft gezien, sommigen waaren geslooten en hadden de gedaante van verocs of kibitks de mijne was van dat getal gelijk ik bladz. 107 verhaald heb. Onder deeze vijfendertig sleeden, reken ik die van de inwoonders van Bolcheretsk niet, welke ons tot aan Apatchin uitgeleide deeden.

[72] Daar waaren er vijfen veertig voor de slêe van den Heer Kasloff gespannen, en zeven en dertig voor de mijne.

Om meer op mijn gemak dit rumoer te kunnen beschouwen, verliet ik mijn slêe, in welke ik als gevangen zat, ik verzogt om mij op een kleinder te plaatsen, die behalven het vermaak van zelfs te rijden, mij nog daar en boven dat verschafte, van te kunnen zien al het geen rondom mij gebeurde; daar viel gelukkig niets voor, en ik had geen reden mij mijner nieuwsgierigheid te beklagen; deeze verwarring wierd voornamelijk veroorzaakt door den toeloop der inwoonders van Bolcheretsk, die zo wel uit achting als eerbied voor den Heer Commandant ons tot aan Apatchin wilden vergezellen[73] alwaar wij tegens middernagt aankwaamen; Van Bolcheretsk tot aan dit Ostrog rekent men vier en veertig wersten.

[73] Voor dat ik den 18 October 1786. te Bolcheretsk was gekomen, had ik reeds dat dorp doorgetrokken, waar van ik op bladz. 54 de beschrijving gegeeven heb.

1788. Januarij Den 27.

Aankomst te Apatchin.

Weinige oogenblikken na onze aankomst ontstond ’er een geweldige wind, die ons zeer gehinderd zou hebben, indien ze ons op reis overvallen had. Deeze storm duurde het overige van den nagt, en den geheelen dag van den 28sten,[I-132] zo dat wij verpligt waaren dien te Apatchin doortebrengen.

1788. Januarij Den 27. Te Apatchin.

Afscheidsgroet van de inwoonders van Bolcheretsk.

Wij ontfingen daar den laatsten afscheids-groet van de Inwoonders van Bolcheretsk, die ons gevolgt waaren; de aandoeningen die zij over het vertrek van den Heer Kaslof betoonden, de betuigingen van erkentenis en van eerbied, die ze hem beweezen; troffen mij bijzonder: ik was boven al verwondert over het belang, dat zij in mij en in den goeden uitslag mijner reize scheenen te stellen; ieder hunner betuigde mij dit op zijne wijze; Ik was des te gevoeliger voor de genegenheid, die zij mij in dit oogenblik betoonden, dewijl ik geduurende mijn verblijf te Bolcheretsk, gelegenheid gehad had van te ontwaaren, dat de Fransche naam in geen zeer groote achting onder deeze volkeren was; zij hadden veel eer het slegtste denkbeeld van ons, zelfs tot die hoogte, dat zij in het eerst moeite hadden te gelooven, het geen men hun van de beleeftheid en oprechtheid verhaalde, met welke alle onze togtgenooten, de inwoonders van St. Pieter & Paulus behandeld hadden. Echter, naar maate zij hunne landgenooten met lof van onze handelingen ten hunnen opzichten hoorden spreeken, wierd derzelver vooringenomenheid minder sterk; ik maakte daar van gebruik, om dit denkbeeld, en door mijne gesprekken, en door mijn[I-133] gedrag onder hun, geheel weg te neemen; ik durf mij niet vleijen daar in geslaagt te zijn, doch het is mij voorgekomen, dat op het eind hun manier van denken geheel in ons voordeel veranderd was.

Oorzaak van de kwade denkbeelden die de inwoonders van Kamschatka omtrent de Franschen opgevat hebben.

Het nadeelig denkbeeld, het welk zij van den aart en de geschiktheid van onze natie opgevat hadden, was veroorzaakt door den naam van trouwloos en wreed, die ons eenige jaaren geleden in dit gedeelte van het Schiereiland door den berugten Beniovski berokkend was; deeze sclavonier had zich daar voor een Franschman uitgegeeven, en zich als een oprecht wandaal gedraagen.

1788. Januarij Den 28. Te Apatchin.

Historische bijzonderheden wegens Beniovski.

Zijne geschiedenis is bekend; men weet dat hij bij gelegenheid van de onlusten in 1769 in Poolen onder de vaandels van de confoederatie diende; uit hoofde zijner onverzaagtheid wierd hij gekoozen om een opgeraapten hoop vreemdelingen, of liever roovers gelijk hij te gebieden, welke door de verbondene met weerzin betaald wierden; aan het hoofd van dezelven, doorliep hij het land, vermoordende alles het geen hem op zijn weg tegenkwam; hij kwelde de Russen zonder ophouden die hem niet minder vreesden dan de Poolen. Zij gevoelden wel haast de noodzaakelijkheid om zich van een zo gevaarlijken vijand te ontslaan; het gelukte hun om hem gevangen te neemen, en men begrijpt ligt dat zij[I-134] hem niet gemakkelijk behandelden; Na Siberien gebannen, en van daar naar Kamschatka, bragt hij zijnen geweldigen en wraakzuchtigen imborst derwaarts; uit het midden der sneeuw, waar onder de Russen hem begraven achtten, te voorschijn gekoomen, verschijnt hij onverwachts voor Bolcheretsk, gevolgt van een troep bannelingen, aan welken hij zijne stoutmoedigheid heeft weten in te boezemen, hij verrast de bezetting en maakt zich van de wapens meester, de bevelhebber zelf, de Heer Nilloff wierd door zijn eige hand gedood; Een schip lag ’er in de haven, Beriovski maakt ’er zich meester van, alles beeft op zijn gezicht, alles is genoodzaakt hem te gehoorzaamen; hij dwingt de arme Kamschatters om hem den voorraad, dien hij vordert, te verschaffen, en niet te vreden over de opofferingen die hij verkrijgt, levert hij derzelver wooningen over aan de tomelooze moedwil der roovers van zijn gevolg, aan het welk hij tot een voorbeeld van misdaadigheid en wreedheid verstrekt; Eindelijk begaf hij zich met zijne medemakkers scheep, en maakte t’zeil, zo men zegt, naar China, met zich voerende de verfoeijing van het Kamschatsche volk[74].

[74] Men heeft niet lang geleeden de bijzonderheden omtrent het einde van dien beruchten gelukzoeker bekomen.

[I-135]

Dit was de eenigste zogenaamde Franschman, dien zij nog op hun Schier-eiland gezien hadden, en onze natie niet anders dan na hem kunnende beoordeelen, was het hun ongetwijffelt wel geoorloft ons niet te beminnen, ja zelfs ons te vreezen.

1788. Januarij Den 29. Te Apatchin.

De Heer Schmaleff verlaat ons ten einde het overige van zijn plaats en bewind te gaan bezigtigen.

De Heer Schmaleff verliet ons met het aanbreeken van den dag, en vertrok het eerste om de kust van Figuil of de westkust te doorkruissen, en de overige plaatzen van zijn bewind te bezoeken[75].

[75] Zijn reis was ook ingericht om levensmiddelen te verkrijgen die hij ons toezond, eenigen tijd daar na voegde hij zich weder bij ons, zo als men in het vervolg van dit dagverhaal zal zien.

Vertrek van Apatchin.

Wij verlieten bijna terzelfder tijd Apatchin, onze stoet zo talrijk niet meer zijnde, maakten wij des te meer spoed; na de vlakte waar in dat dorp gelegen was doorgetrokken te hebben, kwaamen wij aan de Bolchaïareka, dewelke wij eenige uuren langs reisden, wij volgden haar in alle de bogten, welke zij beschrijft, dan eens door het midden van een bosch, en dan eens langs den voet der hooge en steile bergen; waar mede deszelfs oevers bezoomd zijn; vijftien wersten van Malkin verlieten wij deeze rivier, welkers stroom de op verscheidene plaatzen gebrokene stukken ijs begon wegtevoeren, en op een weinig afstands[I-136] van dit Ostrog staken wij de Bistraïa over om ons derwaarts te begeeven; het was bijna ten twee uuren des namiddags wanneer wij ’er aankwamen; wij hadden, reeds vier en zestig wersten zedert Apatchin afgelegt, doch geen voorspan hebbende, waaren wij genoodzaakt ons hier op te houden, ten einde aan onze honden tijd te geeven om uit te kunnen rusten.

1788. Januarij Den 29.

Aankomst te Malkin.

De Toyon van Malkin kwam aanstonds den Heer Commandant zijn isba aanbieden, hij had reeds vrij groote toebereidzelen gemaakt om ons te ontfangen, het geen ons deed besluiten om daar den nagt door te brengen, hij deed ons alle mogelijke eerbewijzingen en gaf ons het beste onthaal, doch hoe meer reden wij hadden om over zijne voorzorge en goeden wil te vreeden te zijn, des te onaangenaamer was het mij, dat hij zich zo weinig over onze rust bekommerd had, met namelijk geen zorg te draagen dat dezelve door niets gestoord wierd. De mijne wierd schrikkelijk gehinderd door de nabuurschap van onze honden, waar aan ik nog niet gewoon was; het geweldig en geduurig gehuil van deeze vervloekte dieren was telkens aan mijn oor, en liet mij den geheelen nagt niet toe om een oog te sluiten. Men moet dit nagtmuziek, het onaangenaamste dat ik ken, gehoord hebben, om zich te verbeelden hoe veel moeite ik had van mij daar aan te gewennen,[I-137] want geduurende mijn reis wierd ik wel genoodzaakt om onder dit gejuil te slaapen; gelukkig schikt zich het lighaam tot alles, na eenige slegte nagten overstelpt van den slaap, hoorde ik eindelijk niets meer, en langzamerhand gewende ik zodanig aan het geschreeuw van deeze dieren, dat ik zelfs te midden onder hun met de grootste gerustheid sliep. Ik zal hier nog bijvoegen, dat men deeze honden niet te eeten geeft voor dat ze aan de rustplaats komen, of voor het einde van den dag; deeze eenigste maaltijd bestaat gewoonlijk in gedroogden salm, dien men aan ieder hunner uitdeelt.

Ostrog van Malkin.

Het Ostrog van Malkin gelijkt na alle die geenen die ik gezien en reeds beschreeven heb; het bestaat uit vijf of zes isbas en omtrent vijftien balagans; het is gelegen op den oever van de Bistraïa, en met hooge bergen omringt; Ik had den tijd niet om de heete bronnen, die men mij zeide in de nabuurschap te weezen, te gaan bezichtigen, men voegde ’er bij, dat ze een sterke zwavellucht bezaten, en dat ’er onder anderen één op het hellen van een heuvel gevonden wierd, langs den voet van welke ze een poel van vrij helder water vormt.

1788. Januarij Den 30.

Gedwongen omweg.

Van Malkin reisden wij op Ganal, dat vijf en veertig wersten daar van afgelegen is, doch wij konden deezen weg niet zo spoedig afleggen[I-138] als wij wel gewenscht hadden. De Bistraije was niet geheel digt, wij moesten dus een omweg neemen, dwars door de bosschen, alwaar de sneeuw zeer dik en niet vast lag, het geen veroorzaakte, dat onze honden ’er tot den buik toe inzakten, en zich zeer vermoeiden; dit noodzaakte ons dien weg te verlaaten en onzen togt naar de Bistraïa heen te wenden. Wij vonden ze tien wersten van Ganal weder, in dien staat, welken wij tot onze zekerheid konden verlangen; de dikte van het ijs beloofde ons een gemaklijken overtogt, en wij maakten ’er met allen iever gebruik van, wij volgden deeze rivier tot aan dat dorp het welk aan deszelfs oever gelegen is. Vier isbas en elf balagans maaken dit Ostrog uit, alwaar ik niets merkwaardigs gewaar wierd.

Te Ganal.

Wij vernamen er alleen dat de Orcaanen allerijsselijkst gewoed hadden, en dat ze zich nog deeden gevoelen, echter met minder hevigheid. Het is niet moeijelijk om reden van het geweld dezer stormwinden te geeven; de omgeleegen hooge bergen vormen als zo veele monden, waar in de wind zich verzamelt; hoe minder uitgangen dezelve vind, hoe onstuimiger hij word: hij zoekt zich een weg te baanen, hij maakt van den eersten dien hij vind gebruik, en ontlast zich in wervelwinden, werpt de sneeuw op de wegen, en maakt die meesttijds onbruikbaar.

[I-139]

1788. Januarij Den 31.

Een zeer lastigen dag.

Na eene vrij slegten nagt in het huis van den Toyon van Ganal doorgebragt te hebben, vertrokken wij van daar voor het aanbreeken van den dag om ons naar Pouschiné te begeeven. Den afstand tusschen deeze twee Ostrogs beloopt op negentig wersten, en echter deeden wij deezen togt in veertien uuren: doch de laatste helft van de weg was zeer slegt; deeze niet gebaand zijnde, zakten onze sleeden twee en drie voeten diep in de sneeuw, en de schokken waaren zo menigvuldig, dat ik mij gelukkig achte er van bevrijd te zijn, en maar eens omgevallen te hebben; om van de richting der sneeuw, uit de menigte die een gedeelte der boomen bedekte, te oordeelen, scheen het ons toe dat dezelve met noordewinden, en in eene buitengewoone hoeveelheid gevallen was, het geen ons door de bewoonders bevestigt wierd; wij reiden gestadig door een berkenbosch, en geduurende eenigen tijd verlooren wij de keeten van bergen uit het gezicht, welke wij daags te vooren langs getrokken waaren, doch nader aan Pouchiné komende, kreeg ik ze weder in het gezicht.

Te Pouschiné.

Isbas zonder schoorsteenen.

De Kamschatka loopt langs dit Ostrog, het welk grooter dan Ganal is, het eenigste dat ik hier waargenomen heb, bestaat daar in, dat de isbas zonder schoorsteenen zijn, dezelve hebben even als de balagans, maar eene naauwe opening[I-140] in het dak, dit is de eenigste doortogt, dien men aan den rook laat, daar en boven sluit men ze spoedig door een schuif, om de warmte te bewaaren. Wanneer men deeze vertrekken verwarmt, is het bijna onmogelijk van ’er in te kunnen blijven, men moet ’er uitgaan of op den grond gaan leggen, zo men geen gevaar wil loopen van versmoord of ten minsten verblind van den rook te worden, hij neemt niet altoos aanstonds den weg naar het dak, naar maate hij zich verheft, verspreid hij zich ook in dikke en zwarte wolken door de kamer, en daar men hem zelden tijd geeft om geheel optetrekken, is het binnenste van deeze isbas gewoonlijk met roet bepleisterd, het welke men bij het inkomen reeds aan de lucht gewaar word, en waar van het gezicht waarlijk afkeer verwekt.

Kamschatsche lamp.

Doch dit is nog minder onaangenaam dan de stinkende reuk, welke een donker brandende lamp, waar door het geheele huis verlicht word, van zich afgeeft; de gedaante daar van is alderlompst, het is eenvoudig een uitgeholde klei of steen, waar uit een linnen vod, opgerolt als tondel te voorschijn komt, rondom dezelve doet men sterk vet van zee-wolve of van andere dieren; zodra deeze tondel aangestoken is, ziet men zich eensklaps omringt van een duisteren damp, die niet minder dan de rook toebrengt om alles zwart te[I-141] maaken; hij stijgt in den neus en in de keel en gaat tot aan het hart. Dit is de eenigste kwaade lucht niet, die men in deeze wooningen inademt, daar is ’er nog een andere die na mijne gedagten veel stinkender is, ik kon ’er mij altans niet aan gewennen, dit zijn de walgachtige uitwaassemingen welke de gedroogde of verrotte visch verspreid, het zij dat men ze toebereid of opdischt, zelfs na dat men ze gegeeten heeft, het overschot is voor de honden geschikt doch voor dat ze het krijgen, worden al de hoeken van het vertrek daar mede uitgeveegt.

Morsigheid der bewoonders van deeze Isbas.

Daar en boven, is het toneel dat de bewoonders binnen deeze huizen opleveren, nog wel zo walgelijk. Hier ziet men een hoop vrouwen blinkende van smeer, en zich op den grond wentelende op een hoop vodden; deeze geeven haare halfnaakte en van het hoofd tot de voeten bemorste kinderen te zuigen, anderen verslinden met dezelve eenige stukken raauwe en meesttijds bedorven visch; verder ziet men wederom nog anderen, in een nagtgewaad dat niet minder vuil is op beerenvellen leggen, onder elkander of alle te gelijk praatende, en aan verschillende huishoudelijke zaaken werkende, in afwachting van haare mannen.

Gelukkig waaren de huizen der Toyons zo goed[I-142] schoongemaakt als mogelijk was, om den Heer Kasloff daar in te ontfangen, die altoos de goedheid had van mij daar, benevens hem te doen huisvesten.

Februarij. Den 1.

De wegen vervuld met sneeuw; vermoeijende oeffening van mijne geleiders.

Wij namen onze nagtrust bij den Toyon van Pouschiné, en wij vertrokken den volgenden morgen vroegtijdig; wij konden deezen dag niet meer dan vier en dertig wersten afleggen. Het scheen, dat hoe meer wij voorwaarts kwamen, hoe meer de wegen door de sneeuw gestopt waaren. Mijne twee geleiders waaren zonder ophouden bezig om mijn slee in evenwicht te houden ten einde het omvallen te beletten of niet van den weg te geraken; daar en boven moesten ze hunnen longen ongemeen geweld aandoen om de honden aantemoedigen, die dikwils stil hielden, niettegenstaande de slaagen die men hun met zo veel behendigheid als in menigte uitdeelde. Deeze arme dieren, wier sterkte onbegrijpelijk is, hadden de uiterste moeite om zich van de sneeuw te ontdoen, die hun weder bedekte naar maate zij ’er zich van ontlasteden, men moest die gelijk maaken om ’er hun door te helpen, dit was ook een der bezigheden van mijne leidsluiden; om op de sneeuw te kunnen staande blijven, hadden zij ieder een raket, onder eenen voet, en gleeden dus terwijl ze den anderen van tijd tot tijd[I-143] op de schaats van de slêe plaatsten. Ik twijffel of ’er wel een meer vermoeijender arbeid is, en waar toe meer kragts en hebbelijkheid vereischt word.

Het Ostrog van Charom, alwaar wij gelukkig aankwaamen, is op de Kamschatka gelegen; Het leverde mij niets aanmerkelijks op. Wij vertoefden er den nagt en voor de dag aankwam, hadden wij het reeds wederom verlaaten.

1788. Februarij. Den 2.

Te Vercknei-Kamschatka of Opper-Kamschatka.

In den tijd van zeven uuren bereikten wij Vercknei-Kamschatka, het geen vijf en dertig wersten van Charom afgelegen is. Vercknei is een zeer aanmerkelijke plaats, in vergelijking van de andere dorpen, die ik reeds gezien heb: ik telde hier meer dan honderd huizen: deszelfs ligging is gemaklijk en scheen mij veel verscheidenheids opteleveren. Aan de rivier gelegen[76] heeft dit Ostrog daar en boven het voordeel van in deszelfs nabijheid Bosschen en Velden te bezitten, waar van de Grond zeer goed is, en die door de inwoonders tot voordeel aangelegt word, de kerk is van hout, deszelfs maakzel is niet onbevallig, het zou alleen te wenschen zijn, dat het binnenste beantwoorde. Wat de wooningen betreft, deeze verschillen in niets van die der andere dorpen. Voor de eerstemaal zag ik hier een[I-144] soort van gebouwen omtrent van hoogte als de balagans, en die alleen maar dienen om den visch te droogen. Een sergeant voert te Vercknei het bevel, hij woont in een huis, dat aan de kroon behoort.

[76] De Kamschatka, die ter deezer plaats nog niet digt was.

Geschenk het geen Ivaschkin ons gaf.

Dit dorp is ook de verblijfplaats van den ongelukkige Ivaschkin, wiens lotgevallen ik bij mijn vertrek van St. Pieter &. Paulus verhaald heb[77]; hij behoorde tot ons reisgezelschap, en verliet ons niet, dan om naar Vercknei vooruitterijden, alwaar zijn eerste zorg bij zijn aankomen bestond, in één van zijne ossen te doen slagten, die hij ons verzogt wel te willen aanneemen voor de reis, als een blijk van zijne erkentenis. Die behandeling rechtvaardigde het belang het welk mij deeze ongelukkige edelman reeds ingeboezemd had, wiens enkele beschouwing mij meer dan eens over zijn lot had doen zuchten; ik kon niet begrijpen hoe hij zich aan het zelve had kunnen gewennen indien hij niet de gewaarwording zijner onschuld met zich voerde, die alleen hem deeze sterkte van geest had kunnen inboezemen; bij onze aankomst te Vercknei, gingen wij hem bezoeken, hij was bezig met eenige zijner buuren vrolijk te drinken, zijn vergenoegen was ongeveinst, en vertoonde geenzints een gevoelig mensch voor[I-145] zijne geledene rampen, nog iemand die misnoegd was over zijn tegenwoordigen staat.

[77] Ziet bladz. 18.

Zaimka of Gehugt dat door akkerlieden bewoond wierd.

Wij bleeven maar weinig tijds te Vercknei; wij begaven ons des nademiddags weder op weg om vijftien wersten verder te Milkovaïa Dercvna of in het dorp van Milkoff de nagtrust te neemen. Voortreizende vonden wij al aanstonds een vrij ruim veld met palissaden omgeeven, en wat verder een Zaimka, dat is te zeggen, een gehugt bewoond door akkerlieden; dit zijn Kosakken of Russische Soldaaten, geschikt tot het bebouwen der gronden, die voor rekening van de regeering bearbeid worden. Zij hebben tagtig paarden, die aan de kroon behooren, en die zo wel dienen voor het werk, als door de stoeterij die in deeze plaats opgericht is tot voortfokking van deeze nuttige en zo zeldzaame dieren in dit schier eiland. Omtrent vijf honderd treden van dit gehugt, het welk Tschigatchi genaamd word, ontdekt men op een arm van de Kamschatka een houten dog niet veel betekenenden watermolen. Men kon ’er als toen geen gebruik van maaken, dewijl het water zo sterk gewassen was, dat daar door de sluis was leeg geloopen, en het zelve zich door een gedeelte van de vlakte had verspreid, alwaar het bevroozen was; de grond scheen mij ter deezer plaats zeer goed, en de omleggende streeken zeer vermaakelijk te zijn. Ik ondervroeg eenige van[I-146] deeze Kosakken over de voortbrengzels van hunne landstreek, alwaar het mij voorkwam, dat alle soorten van graanen zeer wel moesten gelukken; zij antwoordden mij, dat in der daad de laatste oogst, als mede de hoedanigheid van het graan, hunne verwachting was te boven gegaan, en dat deeze in het geheel voor de beste Russische gewassen niet behoefde te wijken; twee ponds graan had ’er tien uitgelevert.

Inwoonders van Milkoff.

Te Milkoff gekomen, was ik verwonderd van daar nog Kamschatters nog Kosakken te vinden, maar eene belangrijke bevolking van akkerlieden, wier gelaatstrekken en voorkomen aanduiden, dat ’er onder hun geen vermenging van geslachten plaats had gehad. Deeze bevolking wierd in 1743 voor de helft in Rusland, en voor de andere helft in Siberiën uitgekozen, onder de oorsprongelijke bewoonders, namelijk, uit de landbouwers; wanneer de regeering hun in dit Schiereiland zond, had dezelve ten oogmerk de ontginning der gronden, en proefneemingen in den landbouw, in de verwachting, dat het voorbeeld en de goede uitslag deezer volkplanting van akkerlieden, tot onderrichting van de inwoonders des lands zou verstrekken, en hun doen besluiten om zich meer en meer op deeze edele en wezentlijke bezigheid toeteleggen. Ongelukkig heeft derzelver alles te boven gaande zorgeloosheid, die ik[I-147] reeds heb doen kennen, kwalijk aan de verstandige maatregels van de regeering beantwoord; zij zijn thans niet alleen nog verre af van door naiever gedreeven te worden, maar zelfs, om met de voorbeelden, die ze onder hun oog hebben, voordeel te doen. Die ongelukkige ongevoeligheid der Inboorlingen is des te bejammerenswaardiger, daar men zich aan den anderen kant niet kan onthouden van die vlijtige emigranten te bewonderen, wier arbeid met eenen zo voordeeligen uitslag bekroond is. Bij de Kamschatka geplaatst, vertoonen hunne wooningen een zeker soort van gemak, zij bezitten vee dat mij in een goeden staat scheen te weezen, de zorg die zij ’er voor draagen, brengt niet weinig tot derzelver welvaart toe; ik heb ook opgemerkt, dat in het algemeen deeze boeren zeer met hun lot te vreden scheenen te weezen; ze hebben, het is waar, het genot van hun eigendom, alles is voordeel voor hun, en niets is moeite, ieder werkt, bezaait zijn veld; en alleen gehouden om zijn hoofdgeld te betaalen, zamelt elk vrijelijk de vrugt van zijn arbeid, waar voor een vrugtbaare grond hun met woeker beloond. Ik houd mij verzekert, dat men ’er nog meer voordeel van zou kunnen trekken, indien de akkerlieden ’er in grooter aantal waaren. De oogst bestaat voornamelijk[I-148] in rogge en in gerst, dog deeze laatste in minder hoeveelheid. Deeze bevolking is daar en boven bevrijd van de jagt, de regeering heeft de oplettenheid zo ver uitgestrekt om die te verbieden, ten einde deeze planters geheel aan hun werk te houden, en te zorgen dat hun niets daar van kon aftrekken: ik meen evenwel te weeten, dat ze dit verbod niet te zeer eerbiedigen. Derzelver hoofd is een starost door de regeering benoemd, die hem, onder de bejaarde lieden van het dorp kiest, zo als zijn naam ook aanduid; hij is gelast op den goeden voortgang van den landbouw te waaken; hij bestiert de zaaijing, de inoogsting, en bepaalt daar van het juiste tijdstip, eindelijk moet hij de nalatigheid opwakkeren of den iever der arbeiders aanmoedigen, en vooral onder hun het oogmerk der inrichting en de goede verstandhouding bewaaren.

1788. Februarij. Den 3.

Ostrog van Kirgann.

Dewijl ik mij na Machoure wilde begeeven, om een dag bij den Heer Baron de Steinheil door te brengen, verliet ik den Heer Commandant te Milkoff, en ik vertrok omtrent vier en twintig uuren vroeger van daar, ten einde hem in zijn reis niet optehouden. Om des te spoediger voorttekomen, had ik een kleine slêe genomen, dog aan deezen kant waaren de wegen niet minder met sneeuw gevuld, en ook niet minder ongemaklijk,[I-149] zo dat, niettegenstaande mijne voorzorg, het onmogelijk was dien spoed te maaken, welken ik mij voorgesteld had; het eerste Ostrog, dat ik op mijn weg aantrof, was Kirgann. Voor dat ik daar aankwam, trok ik voorbij eenige balagans en huizen, die mij toescheenen verlaaten te zijn, dog men zeide mij, dat ieder jaar, de eigenaars door den zomer derwaarts te rug geroepen wierden; de weinige wooningen, die het dorp van Kirgann uitmaaken, zijn op den oever van een rivier, Kirganik genaamt, gebouwt; deeze word door verscheide bronnen gevormt, die uit de nabuurige bergen afkomen, en waar van de verschillende beekjes zich boven dit Ostrog zamenvoegen, het welk vijftien wersten van Milkoff afgelegen is.

De koude was zo hevig, dat niettegenstaande de voorzorg, die ik genomen had, van mij het aangezicht met een neusdoek te bedekken, mij binnen een half uur de wangen bevroozen waaren, dog ik nam mijn toevlucht tot het gewoone hulpmiddel, ik wreef mij het aangezicht met sneeuw, en ik raakte vrij met eene prikkelende pijn van eenige dagen. Op het oogenblik, waar in mijn aangezicht bevroor, wierd mijn lighaam het tegengestelde gewaar. Ik mende zelfs mijne slêe; de geduurige beweeging, welke deeze oeffening vordert, gevoegt bij het gewigt van mijne[I-150] Kamschatsche kleeding[78] bezorgde mij eene meer dan gewoone uitwaasseming, die mij geweldig vermoeide. Echter hield ik mij te Kirgann niet op. Eenige wersten verder wierd ik in het noordoosten een vuur-berg gewaar, die geen vlammen uitwierp, dog ’er kwam een zeer dikke colom rook uit. Ik zal welhaast gelegenheid hebben ’er wederom bij te komen,[I-151] en ’er meer in het breede van te spreeken. Ik ontdekte digt bij Machoure, een vrij digt mastbosch, het eerste dat ik nog in Kamschatka gevonden had, de boomen waaren regt maar zeer dun. Des namiddags ten twee uuren, kwam ik in het Ostrog van Machoure, gelegen op de Kamschatka, zeven en dertig wersten van Kirgann.

[78] Mijne kleeding vordert eene bijzondere beschrijving, men zal daar uit oordeelen, dat ik ’er niet zeer vlug uitzag. Gewoonlijk droeg ik maar een eenvoudig parque van rendieren vel en een gevoerde muts, die wanneer het nodig was, en de ooren, en een gedeelte van de wangen bedekte. Wanneer de koude heviger wierd, vermeerderde ik deeze kleeding met twee kouklanki, een soort van ruimer parque en van een dikker vel gemaakt; van de eene was het hair naar binnen, en van den anderen naar buiten gekeerd. In de geweldigste koude trok ik over dit alles nog een derde veel dikker kouklanki, van honden of argali vellen gemaakt; de hairige zij is altoos naar binnen, en het leer of de buitenste oppervlakte van het vel is roodachtig geverwt. Aan deeze kouklankis maakt men van vooren een kleine slabbedoek vast, die zich opheft om het aangezicht tegens den wind te beschermen, daar en boven, zijn dezelve van agter ieder voorzien van een gevoerde kap; somtijds maakten deeze drie kappen, de een over den anderen, mijn kapsel uit, ik deed ze zelfs over mijn gewoone muts. Mijn hals was bezorgt met een das van een martervel, of een vossestaart, genaamd ocheinik, en mijn kin met een kinband insgelijks van een martervel, dat op mijn hoofd wierd vastgemaakt. Het voorhoofd zeer gevoelig voor de koude zijnde, bedekt men het zelve met een otter of sabelrand, die vervolgens door de muts overdekt word. Mijne gevulde broeken verschaften mij meer warmte dan het overige van mijne kleeding, hoe zamengesteld ze ook weezen mogt. Ik was dubbeld met rendieren vellen geschoeid, ’t hair naar binnen en buiten gekeerd; ze worden in het Kamschatsch tchigi genaamd. Ik stak vervolgens mijn beenen in torbassis of laarzen van rendieren pooten, van binnen voorzien met een zool van tonnchitcha, een zeer zagt gras, het welk de eigenschap van te verwarmen bezit. Niettegenstaande deeze voorzorgen, wierden mijne voeten, na twee of drie uuren reizens, zeer vogtig, het zij door de uitwaasseming, het zij door de onmerkbaare doordringing van de sneeuw, en wanneer ik maar een weinig stil op de slee zat, voelde ik dezelve aanstonds bevriezen. Des avonds trok ik dit schoeizel uit, en deed voor den nagt een paar wijde koussen aan met rendieren of argali vel gevoerd, en ounti genaamt.

[I-152]

1788. Februarij Den 4. Te Machoure.

Verblijf te Machoure bij den Heer Baron de Steinheil.

Ik begaf mij bij den Heer Baron de Steinheil oud Capitain Ispravnick, of Inspecteur van Kamschatka, welke post tans door den Heer Schmaleff bekleed word. Ik was met hem te Bolcheretsk bekend geraakt, en het was mij zeer aangenaam geweest met hem verscheide taalen te kunnen spreeken, bijzonder die van mijn vaderland, hoe zeer ze hem niet zeer eigen was; dog het was Fransch, en ik meende in hem een mijner landsgenooten te zien. Wie immer Europa verlaaten heeft om in zulke afgelegene streeken te reizen, heeft zulks even als ik moeten ontwaar worden; men acht zich een medeburger van hem, die het zelfde waerelddeel voor zijn vaderland heeft, of die dezelfde taal spreekt. De geringste zaak, die het aandenken aan ons land kan opwekken, veroorzaakt het levendigste vermaak, ons hart breid zich uit tot den vriend, tot den broeder, dien wij meenen wedertevinden; in een oogenblik deelen wij in elkanders vertrouwen. Ik smaakte deeze aangenaame gewaarwordingen op het gezicht van den Heer Steinheil. Van het eerste oogenblik af aan, had ik tot de verkeering met hem eenen onweerstaanbaaren trek. Ik moest hem zien en spreeken, ik vond daarin een onuitspreekelijke vreugde, hoe zeer zijn Fransch, gelijk ik reeds gezegt hebbe, van het alleronregelmatigste was, en hij het met een Duitschen tongval uitsprak. Ik[I-153] bragt met den Heer Steinheil den dag van den 4. door, en des avonds zag ik den Heer Kasloff aankomen, gelijk hij mij beloofd had.

Ostrog van Machoure.

Het dorp van Machoure was een der aanzienelijkste van dit Schiereiland, voor dat de kinderziekte aldaar geheerscht had, dog de verwoesting, die deeze besmettelijke ziekte aldaar heeft aangericht, heeft het getal der inwoonders tot op twintig huisgezinnen vermindert.

Nadere bijzonderheden over de Chamans.

Alle de Kamschatters van dit dorp, zo wel mannen als vrouwen, zijn Chamans of gelooven aan de toverijen van deeze gewaande duivelskonstenaars. De een en de ander vreezen ten uitersten de Popen of Russische priesters, tegen welken zij een ongemeenen haat koesteren, ook zoeken zij altoos de ontmoeting met hun te ontwijken, somtijds is dit hun onmogelijk, als dan zoeken zij zich te vermommen wanneer ze hun zien naderen, en begeeven zich zo spoedig mogelijk weg. Ik schrijf deeze vrees, welke hun het gezicht der priesters inboezemt, aan den blaakenden ijver toe, welken deeze zonder twijffel betoont hebben in het uitroeijen der afgoderij, en die de Kamschatters voor vervolging aanzien; zij beschouwen dus deeze bedienaars van den Godsdienst als hunne grootste vijanden: mogelijk hadden zij grond om te gelooven, dat deeze zendelingen met hunne bekeering alleen niet ten oogmerk[I-154] hadden om derzelver afgoden omvertewerpen. Deeze popen gaven hun waarschijnlijk het voorbeeld der deugden niet, welke zij hun predikten zonder ze zelfs te beoeffenen. In der daad meent men, dat zij zich minder bekommerden om nieuwbekeerden te maaken, dan wel om goederen te verkrijgen, en voor al om die neiging te voldoen, welke hun zo dikwils mogelijk tot de dronkenschap vervoert. Men moet zich dus niet verwonderen, wanneer men deeze inwoonders nog aan derzelver oude dwaalingen ziet vasthouden. Zij bewijzen altoos een geheimen eerdienst aan hun God Koutka[79], zij stellen een zodanig vertrouwen in hem, dat ze onophoudelijk aan hem hunne gebeden opzenden, wanneer ze eenige zaak onderneemen of eenig goed verlangen. Gaan zij op de jagt, onthouden zij zich van hun te wasschen, en wagten zich wel om eenig teken van het kruis te maaken; zij roepen hun Koutka aan, vervolgens offeren zij aanstonds aan deezen God de eerste marter of het eerste dier, dat zij maar vangen kunnen, overtuigt, dat na deeze Godsdienstige daad derzelver jagt allergelukkigst moet weezen; zij verbeelden zich in tegendeel, dat wanneer zij een kruis maakten, zij zich[I-155] zouden blootstellen om niets te vangen. Tot hunne bijgeloovigheid behoort ook de toewijding van de jonggeboore kinderen aan hun Koutka, die zij reeds van de wieg af aan tot Chamans voorbeschikken. De eerbied, dien zij in dit dorp voor deeze tovenaars bezitten, is niet te begrijpen; dezelve schijnt waarlijk zinneloosheid en verwekt een diep medelijden; want de buitenspoorigheden, met welke deeze de ligtgelovigheid van hunne landgenooten bezig houden, zijn zo dwaas en ongerijmd, dat men ’er minder om lagchen moet dan wel met verontwaardiging daar over aangedaan weezen. Het is waar, tegenswoordig verrichten zij hun kunst niet meer opentlijk, zij voegen zo veel uitwendigs niet meer bij hunne toverijen; hunne kleederen zijn niet meer met geheimzinnige ringen, nog met verschillende zinnebeeldige metaalen figuuren opgeciert, welke zich op de minste beweging van hun ligchaam met veel geraas deeden hooren, zij hebben insgelijks ook een zeker soort van ketel afgelegt[80] op dewelke zij de maat sloegen, geduurende hunne voorgewende bezweeringen, of om een ieder van hunne aankomst te verwittigen; en eindelijk, hebben[I-156] zij zich ook van alle de toverinstrumenten ontdaan. Ziet hier ten naasten bij, waar in hunne plegtigheden thans in derzelver vergaderingen bestaan, welke zij zorgvuldig in het geheim houden, dog die daarom geen minder toeloop hebben. Men stelle zich een kring voor van aanschouwers, die met eene domme oplettenheid rondom den tovenaar of tovenaarster geschaard zijn, want de vrouwen zijn, zo als ik reeds verhaald heb, ook in de geheimenissen der Chamans ingeleid. Eensklaps zet deeze of die zich aan het zingen, of liever aan het geweldig schreeuwen, zonder maat of betekenis; de gehoorzaame vergadering antwoord hem op dezelfde manier, het geen het allerwanluidendste en onverdraagelijkste concert uitmaakt. Langzamerhand raakt de Chaman in verrukking, hij begint op de verwarde toonen van zijne toehoorders te danssen, die zich heesch schreeuwen en verbleeken in de vervoering van hun iever en bewondering; de dans word heviger, naar maate de dienaar van den God Koutka den voorzeggenden geest ontwaar word. Gelijk aan de Pijthische Waarzegster op den drievoet, slaat hij verwilderde en verwoede blikken op, alle zijne beweegingen zijn stuiptrekkende, zijn mond verdraait zich, zijne leeden worden stijf, ’er zijn, om alles in het kort te zeggen, geene verdraaijingen of grillen uittedenken, welke hij[I-157] niet verzint en uitvoert, tot groote verbaazing van alle de aanweezenden. Na dat hij een tijd lang deeze grillen verricht heeft, houd hij dikwils eensklaps stil, als of hij ingeevingen verkreeg; zijne zinneloosheid word dan zo bedaard als ze eerst heftig geweest is, men ziet geen woede of vervoering meer, het is dan de geheiligde opgetoogenheid van den mensch, geheel vervuld van den God, die hem beheerscht, en die door zijne stem zal spreeken. Verbaast en al beevende, zwijgt aanstonds de vergadering, in de verwachting van het wonderbaare, dat aan hun zal geopenbaard worden. Deeze hoord als dan uit den mond van den zogenaamden Propheet woorden zonder aaneenschakeling voortkomen, die de bedrieger zich bij tusschenpoozen laat ontglippen, hij verkondigt dus alles wat hem door het hoofd gaat, en dit is altoos een uitwerkzel van de ingeevingen van den Koutka. De redenaar verzeld gewoonlijk zijn verhaal of met een vloed van traanen of met een geschater van lagchen, naar maate van het goede of het kwaade dat hij verkondigt, en zijne kragtige gebaarden verschillen naar gelang van zijne gewaarwordingen[81]. Deeze bijzonderheden omtrent de Chamans zijn[I-158] mij door geloofwaardige lieden medegedeeld, die middel gevonden hadden om hunne onbeschaamde openbaaringen bij te woonen.

[79] Men vind daar van in Steller eene getrouwe beschrijving.

[80] Dit soort van trom wierd bouben genaamd, deeze is nog in gebruik bij de Yakoutsken, gelijk men in het vervolg zien zal.

[81] Men zou kunnen zeggen dat ten deezen opzichte de Chamans eene zekere overeenkomst met de Kwakers hebben; men weet dat deeze laatste ook diergelijke inblaazingen vooronderstellen, en dat die geen onder hun, welke aan deszelfs ingeeving bot viert, meest altoos begint met erbarmelijk te schreijen, of tekens van eene onverwachte vreugde te geeven; ten minsten preeken deeze ingegeevene nog, schoon wat in het wilde, over de zedekunde, welke zij meenen in haar zuiverste kracht voortestellen, in plaats dat de Kamschatsche redenaars niet weeten wat zij zeggen, en dit geheimzinnig en trouwloos gesnap niet anders bezigen, dan om de afgoderij van hunne al te eenvoudige toehoorders, aantewakkeren.

Bericht van een opstand der Koriaken.

Men bevestigde ons te Machoure dat geen, het welk reeds aan den Heer Commandant berigt was, door een ingenieur genaamt Bogenoff; hij was naar de omliggende streeken van de rivier de Pengina gezonden, om daar den grond voor een stad uit te kiezen en ’er het plan van aftetekenen, met bevel om vervolgens de westkust van Kamschatka te volgen tot aan Tiguil, en om eene naauwkeurige kaart van zijn reis te vervaardigen. Bij zijn aankomst te Kaminoi[82] vond hij, volgens zijn verhaal aan den Heer Kasloff, eene groote menigte van muitende Koriaken, die gewapend voor[I-159] hem kwamen om hem den doortogt te sluiten, en te beletten, dat hij aan zijne zending kon voldoen. Men voegde ’er hierbij, dat zij ten getale van zes honderd waaren, en dat ze zeer waarschijnlijk ons even min onze reis zouden laaten vervolgen. Het vooruitzicht was treurig, vooral voor mij, die van begeerte brandde om te Okotsk te komen, even als of daar de eindpaal van mijn reis was, of dat ik van daar tot in Frankrijk maar een dag reizens had afteleggen. Hoe hard viel mij het denkbeeld, dat ’er geen andere weg zijnde dan door dit dorp, wij mogelijk genoodzaakt zouden weezen om te rug te moeten keeren! de gedagte alleen deed mij van ongeduld beeven. De Heer Commandant, die met mij daar in deelde, was even als ik van oordeel, dat wij ons op deeze berichten niet moesten ophouden, dezelve konden misschien niet naauwkeurig zijn; het gewicht, dat de verhaalders daar in stelden, het verbaard gelaat, waar mede zij hunne verhaalen vergezelden, eindelijk de kleine bijvoegzelen, die men er dagelijks toevoegde, dit alles deed ons het verhaal mistrouwen. Bij gevolg beslooten wij, dat wij ons zelfs van de waarheid der zaak moesten overtuigen, en voorwaards trekken, behoudens de toevlucht tot de hulpmiddelen, waar door wij onzen doortogt konden verkrijgen, ingevalle deeze oproerigen zich daar tegens mogten[I-160] verzetten; dog welhaast wierden wij aangemoedigd door de aankomst van een expresse bij den Heer Kasloff, dien geen de minste tegenkanting of moeijelijkheid op zijn reis wedervaaren was, hij verzekerde ons, dat hem alles bedaard was voorgekomen; daar en boven hadden wij reden om te gelooven, dat, in het tegengesteld geval, hij eenige beweegingen zou hebben moeten gewaar worden, en dat wij dus geen beletzel op onzen togt te vreezen hadden.

[82] Een dorp gelegen op den oever van de rivier van Pengina.

Den 5.

Vertrek van Machoure.

Met het krieken van den dag verliet ik dan den Heer Baron van Steinheil, met zo veel leedweezen als erkentenis voor zijn verplichtend onthaal, en voor alle de blijken van genegenheid, die hij mij geduurende mijn kort verblijf te Machoure betoonde[83]. Ik verliet in hem een waarlijk belangrijk mensch, zo wegens zijne kundigheden als hoedanigheden.

[83] Niettegenstaande alle mijne voorzorgen, had ik hier het ongenoegen van mijn Sabelmarter die de Heer Kasloff mij gegeeven had te zien sterven; ziet pag. 48. Aanstonds liet ik ze villen om het vel te kunnen bewaaren.

Een mijner vermaaken had daar in bestaan, om haare hebbelijkheden gade te slaan. Derzelver verwonderlijke levendigheid maakte haar de keten onverdraagelijk, dikwils zogt ze te ontsnappen, en ze zou zeker daar toe gekomen zijn, zo ik ze niet onophoudelijk bewaakt had, en nooit agterhaalde ik ze, zonder dat ze mij een of andere beet toebragt, zij ontvingen bij voorkeur vleesch, het geen in de bosschen het begunstigde voedzel der marters uitmaakt. Haare gezwindheid in het vangen der vogels, en om dieren die zwakker als zij zijn, aantevallen, is onbegrijpelijk. De mijne sliep bijna den geheelen dag, des nagts maakte ze een geduurig gedruis, met zich in de keten te beweegen, dog ten uiterste vreesachtig, wanneer ze iemand zag aankomen, hield ze zich stil, en begon wederom als ze alleen was. Ik had de gewoonte van ze verscheide maalen op den dag buiten te brengen, naauwlijks was ze op de sneeuw, of ze begroef zich en dolf onder de aarde even als de mollen, zich van tijd tot tijd vertoonende om zich aanstonds weder te verbergen.

[I-161]

1788. Februarij Den 6.

Geduurende deezen dag reisden wij zes en zestig wersten ver over de Kamschatka, welkers ijs overal sterk en volmaakt effen was; ik zag niets aanmerkelijks op mijn togt zo min als in het dorp van Chapina, alwaar wij bij het ondergaan van de zon aankwamen.

De groote en de kleine Nikoulka.

Wij vertrokken den volgenden dag vroegtijdig van daar; de sneeuw belemmerde ons dien dag sterk; de grond was ’er mêe bedekt, en deszelfs dikte maakte onzen togt zeer moeijelijk. Wij reisden meest altoos door zeer digte dennen en berken bosschen. Ter halver weg en een weinig verder, ontmoeteden wij twee rivieren, waar van de eene omtrent dertig toisen of vijftien roeden breedte heeft, men noemt ze de groote Nikoulka,[I-162] en de andere de kleine; beide gevormt door bronnen, die uit de bergen komen, vereenigen ze zich ter deezer plaats, om gezamentlijk derzelver water aan de Kamschatka toetevoeren; nog de een nog de ander lagen digt; ik schreef de oorzaak daar van toe aan de groote snelheid van derzelver stroom. De plaats waar ik ze overtrok is waarlijk schilderachtig, dog het geen mij nog zonderlinger voorkwam, bestaat hier in, dat alle de denneboomen, die in grooten getale deeze rivieren omzoomen, boomen van ijs scheenen te weezen; een zeer dik ijzel, mogelijk door de vogtigheid van de plaats voortgebragt, had zich aan iederen tak vast gehegt en maakte derzelver geheele oppervlakte zuiver wit.

Vuurspuwende bergen van Tolbatchina en van Klutchefskaia.

Vroegtijdige Huwelijken in Kamschatka.

Op eenigen afstand van Tolbatchina, trokken wij een heide over, van waar ik drie vuurspuwende bergen ontdekte; geen derzelver wierp vlammen uit, alleen gaven ze wolken van eenen zeer zwarten rook op; de eerste, waar van ik te vooren gesprooken heb, wanneer ik naar Machoure ging, heeft deszelfs haardstêe in het binnenste van een berg, die omtrent van een kegelachtige gedaante is, de top is plat en schijnt weinig verheven. Men zeide mij, dat deeze eerste vuurberg geduurende eenigen tijd stil geweest was, dat men hem zelfs voor uitgedoofd hield, wanneer hij eensklaps op nieuw ontstoken is. In[I-163] het noord-oosten van deezen word men een piek gewaar, welkers punt de mond van den tweeden vuurberg schijnt te zijn, die zonder ophouden rook uitgeeft, dog ik zag geen de minste vonken. De derde deed zich in het noord-noord-oosten van den tweeden aan mijn oog op; ik kon denzelven niet zo waarneemen, als ik wel gewenscht had, een vrij hooge berg bedekte hem bijna geheel aan mijn oog. Hij ontleent zijn naam van het nabuurig dorp Klutchefskaïa, en men zeide mij, dat ik ’er zeer digt voor bij zou komen; de twee andere vuur-bergen ontleenen insgelijks derzelver naamen van het Ostrog Tolbatchina, alwaar wij vroegtijdig aankwamen. Dit dorp is op de Kamschatka gelegen, vierenveertig wersten van Chapina; het bevat niets buitengemeens; wij vernamen ’er bij onze aankomst, dat men aldaar dien morgen twee Kamschatters getrouwt had; het deed mij leed die plegtigheid niet bijgewoond te hebben, die men mij verhaalde, dat bijna op dezelfde wijze als in Rusland geschiedde. Ik zag de nieuw getrouwde, die mij voorkwamen twee kinderen te zijn; ik vroeg na derzelver ouderdom, en men antwoordde mij dat de bruidegom weinig meer dan veertien jaaren, en de bruid ten hoogste elf bereikte. Diergelijke huwelijken zouden overal buiten Asia voor al te vroegtijdig gehouden worden.

[I-164]

Reize naar Nijenei-Kamschatka.

Ik had eene bijzondere begeerte om de stad Nijenei-Kamschatka te zien, en zedert lang was ik bedagt om aan die begeerte te voldoen. Ik zou gemeend hebben eenen onvergeeflijken misslag te begaan, indien ik dit schier-eiland verliet, zonder deszelfs hoofdstad te leeren kennen. Ik was van den anderen kant verzekert, dat mijne nieuwsgierigheid ten deezen opzichte geene belemmering kon toebrengen aan mijn voorneemen, om met allen mogelijken spoed te reizen. Ik was in der daad genoodzaakt een omweg te neemen, dog deeze was niet lang genoeg om mij eenig beletzel van belang te veroorzaaken. Na dat ik mijn reis met den Heer Kasloff overlegd had, die zich bevlijtigde om mij alles te verschaffen, waar door ik die reis met zekerheid en vermaak kon volbrengen, verbond ik mij om in het Ostrog van Yelofki mij weder bij hem te voegen, alwaar die Heer mij verwittigde, dat hij eenige dagen dagt door te brengen, om op verscheide zaaken van zijn bestier de nodige orders te stellen.

Ik verlaat den Heer Kasloff te Tolbatchina.

Om des te minder tijd te verliezen, nam ik zelfs den eigen avond van onze aankomst te Tolbatchina afscheid van hem; dog de wegen waaren nog slegter dan alle die, welke wij tot nog toe hadden doorgetrokken. Ik had alle moeite, om met het aanbreeken van den dag Kosirefski te bereiken. Dit dorp was zes en zestig wersten van Tolbatchina afgelegen.

[I-165]

1788. Februarij Den 7.

Voorvallen op mijn reis naar Nijenei-Kamschatka.

Ik hield mij aldaar niet op; ik was trots, dat ik gelukkig alle de gevaaren, welke ik geduurende den nagt op deeze ijsselijke wegen geloopen had, was te boven gekomen[84], ik dagt op den dag niets te vreezen te hebben, ik vervolgde mijn weg met eene zekere onbeschroomdheid, waar voor ik echter wel haast gestraft wierd. Na een meenigte wersten op de Kamschatka afgelegt te hebben, die ik blijde was weder te vinden, en welkers breedte ik ter deezer plaats bewonderde, wierd ik genoodzaakt dezelve te verlaaten, om in eene engte te komen, alwaar de sneeuw door de orkaanen aangebragt, eene oneffe en bedriegelijke oppervlakte vertoonde. Het was onmogelijk om de klippen, die mij omringden, te vermijden. Ik hoorde welhaast een gekraak, het welk mij de een of andere breuk aan mijn slêe aankondigde; en in der daad, een schaats was in twee-en gebroken, ik hielp mijne leidslieden dezelve zo goed en kwaad vermaaken, als wij konden, en wij hadden het geluk te Ouchkoff zonder eenig ander toeval aantekomen. Het was middernagt,[I-166] wanneer wij ’er aankwamen, hebbende wij in deezen dag zes en zestig wersten afgelegt; mijn eerste zorg was om mijn slee te doen verstellen, het geen mij tot den volgenden dag ophield.

[84] Ik vernam daar na, dat het weinig gescheelt had, of de slêe van den Heer Kasloff, welke dien weg op den dag was doorgetrokken, was in stukken gebrooken, hebbende dezelve tegen een boom gestooten, zo dat daar door twee zijner geleiders gekwetst waaren.

Ostrog van Ouchkoff.

Men ziet in dit dorp een isba en elf balagans; het getal van deszelfs inwoonders bestaat in vijf geslachten, die in drie Yourtes verdeeld zijn. In de nabuurschap van dit Ostrog word een zeer vischrijk meir gevonden, alwaar de nabuurige dorpen derzelver voorraad komen opdoen, dit meir is ook van zeer veel nut voor de hoofdplaats, welke zonder de visscherij, die daar in voor haar geschied, dikwils gebrek aan visch zou hebben, het welke men weet overal het eerste noodwendigste voedzel te zijn.

1788. Februarij Den 8.

Ostrog van Krestoff.

Ik vertrok in den vroegen morgen van Ouchkoff en op den middag had ik reeds vier en veertig wersten afgelegd, gedeeltelijk over de Kamschatka en gedeeltelijk over zeer uitgestrekte heiden; het eerste dorp, dat ik aantrof, was Krestoff, het scheen mij van een weinig meer belang te zijn dan het voorige, dog voor het overige volmaakt gelijk aan alle de anderen, ik bleef ’er niet langer dan nodig was om andere honden voortespannen. Tot daar toe had ik den weg genomen, die de Heer Kasloff moest volgen om naar Yelofki te gaan; dog in plaats van mij naar Katchina[I-167] te begeeven gelijk hij deed, zo richte ik mijn weg van Krestoff naar het dorp van Klutchefskaïa, dat er dertig wersten van afgeleegen is.

Vuurberg van Klutchefskaïa

Het weder, dat zedert ons vertrek van Apatchin altoos zeer schoon en zeer koud was geweest, veranderde eensklaps in den agtermiddag; de hemel raakte met wolken bedekt, en de wind, die zich van den westkant verhief, gaf ons sneeuw in overvloed; dezelve hinderde ons geweldig, voor al om den vuurspuwenden berg van Klutchefskaïa te kunnen beschouwen, welken ik terzelfder tijd als dien van Tolbatchina gewaar was geworden. Zo veel mij mogelijk was om ’er van te oordeelen, is de berg, uit wiens boezem de stoffen voortkomen, veel hooger dan de twee anderen; deeze werpt geduurig vlammen uit, die uit het midden der sneeuw, waarmede de berg tot aan den top bedekt is, schijnen voorttekomen.

Inwoonders van Klutchefskaïa.

Bij het vallen van den nagt kwam ik aan het dorp Klutchefskaïa; deszelfs inwoonders zijn alle Siberische boeren, uit de omgelegen streeken van de Lena genomen, en in deeze oorden voor omtrent vijftig jaaren gezonden tot bearbeiding der gronden. Het getal der mannelijke persoonen, de kinderen daar onder begreepen, beloopt weinig meer dan vijftig; de kinderziekte viel onder hun alleen die geene aan, welke ze nog niet[I-168] gehad hadden, dog zij rukte ’er meer dan de helft van weg. Deeze akkerlieden zijn niet minder gelukkig geweest, dan die, welke zich in den omtrek van Vercknei-Kamschatka bevinden; derzelver oogst en de hoedanigheid van het graan, zo van rogge als gerst, hebben dit jaar derzelver verwachting te boven gegaan; deeze boeren bezitten veel paarden in eigendom, eenige behooren nogtans aan de kroon.

Ostrog van Klutchefskaïa.

Dit Ostrog is vrij groot, het schijnt zulks nog te meer, dewijl het in twëe-en gescheiden is, waar van het eene omtrent vier honderd passen van het andere aflegt; het strekt zich voor al van het westen naar het oosten uit, het is in deeze laatste windstreek, dat de Kerk geplaatst is, ze is van hout gebouwd en in den smaak van de Russische kerken. De meeste der wooningen zijn beter gebouwde en netter isbas dan alle de geenen, die ik tot hier toe gezien had, ook vind men daar zeer ruime magazijnen; de balagans zijn ’er in een gering aantal, en ook gelijken ze niet na die der Kamschatters, deeze zijn van eene langwerpige gedaante, en derzelver dak, dat de helling van de onze heeft, is op stijlen geplaatst, die het in de lucht ondersteunen.

De Kamschatka loopt langs den voet van dit Ostrog, en was ter deezer plaats nog geheel digt; ze loopt menigmaal geduurende den zomer buiten[I-169] haare oevers, het water rijst en dringt dan dikwils tot in de huizen, waarom het zeer goed is dat ze alle op de hoogte gebouwd zijn.

Vier wersten ten oosten van de Kerk van Klutchefskaïa, is nog een ander Zaïmka of klein gehugt, dat door Cosakken of Soldaten, die teffens akkerlieden zijn, bewoond word, wier oogst aan de regeering behoort; dog ik kon niet besluiten dien omweg te neemen, om het te gaan zien.

Ostrog van Kamini.

Ik hield mij maar weinig tijds te Klutchefskaïa op; ongeduldig om Nijenei te zien vertrok ik nog dien avond, om mij naar Kamini, een Kamschatsch dorp, twintig wersten verder gelegen, te begeeven. Ik kwam daar in het midden van den nagt aan, en reed het door.

1788. Februarij Den 9. Te Nijenei Kamschatka

Ostrogs van Kamokoff & van Tchoka.

Aankomst te Nijenei.

Voor den dag was ik te Kamokoff, twintig wersten van Kamini, welhaast bereikte ik Tchokofskoï of Tchoka, na nog twee en twintig wersten afgelegd te hebben, van daar tot aan Nijenei bleeven ’er nog twee-en twintig aftedoen, en deeze overtogt was voor mij ook maar het werk van eenige uuren; ik had het genoegen voor den middag in deeze hoofdplaats van Kamschatka aantekomen, die men reeds van verre ontdekt, dog welkers vertooning nog grootsch nog vermakelijk is.

Beschrijving van deeze hoofdplaats van Kamschatka.

Het zelve vertoond niet anders dan een verzameling van huizen, waar drie klokken boven[I-170] uitsteeken, en is gelegen aan den oever van de Kamschatka, in een kom, welke door een keten van bergen geformeerd word, die zich van ronds om verheffen, dog ’er echter op een vrij grooten afstand van verwijderd zijn; zodanig is de gesteldheid van de stad Nijenei, waar van ik, eer ik ze gezien had, meerdere verwachting had; alle deeze huizen, die men mij zeide in honderd vijftig te bestaan, zijn van hout, van een zeer kwaaden smaak, klein, en hadden als toen daar en boven de onaangenaamheid van onder de sneeuw begraven te zijn, die de orcaanen daar opgehoopt hadden. Deeze hebben zonder tusschenpoozing op die hoogte geheerscht, en waaren eerst zedert eenige dagen opgehouden. Daar zijn twee kerken te Nijenei, de eene is in de stad en heeft twee klokken, de andere, tot het fort behoorende, is daar binnen beslooten; deeze twee gebouwen zijn van een onbehaaglijk maakzel; het fort is bijna in het midden van de stad, het bestaat in eene vrij ruime palissadeering, van een vierkante gedaante. Behalven de kerk, waar van ik zo even gesprooken heb, besluit deeze omtrek daar en boven de magazijnen, het tuig en wagthuis; één schildwagt belet dag en nagt het inkomen; het huis van den bevelhebber van de plaats, den Heer Major Orléankoff, is bij het fort gelegen, en is even als de andere huizen, behalven dat het grooter is,[I-171] het zelve is van geen beter smaak, nog hooger gebouwd.

Ik trad af bij een ongelukkigen banneling genaamt Snasidoff, die bijna ter zelver tijd met Ivaschkin een gelijk lot had ondergaan, dog om andere oorzaaken; hij is evenals deeze zedert het Jaar 1744 naar Kamschatka gebannen.

Naauwlijks was ik daar, of ik ontfing een bezoek van een Officier, dien de Heer Orléankoff mij zond, om mij over mijn behouden aankomst te begroeten; hij wierd van verscheide der voornaamste Officieren van de stad gevolgd, die beurtelings mij derzelver dienst op de verplichtendste wijs des waerelds kwamen aanbieden. Ik betuigde hun, hoe gevoelig ik over derzelver beleeftheid was, dog in den grond jammerde het mij, dat ze mij voorgekomen waaren, ook haaste ik mij, zo dra ik gekleed was, om aan ieder mijne dankzeggingen te gaan betuigen. Ik begon met den Heer Major Orléankoff, en vond hem bezig in de toebereidzelen van een feest, het geen hij den volgenden dag geeven moest, ter gelegenheid van het huwelijk van een Pool in Russischen dienst, met de nigt van den protapope of aartspriester. Hij had niet alleen de beleeftheid van mij op die bruiloft, waar van hij al de kosten droeg, te verzoeken, dog hij had daar en boven de oplettenheid van mij des anderen daags[I-172] morgens te komen zien, en mij met zich te neemen, ten einde ik niets van dat schouwtoneel zou missen, het geen hij met reden voor mij belangrijk oordeelde.

1788. Februarij Den 10. Te Nijenei Kamschatka.

Feest gegeeven door den Heer Major Orléankoff.

Het geen mij echter des te meer verwonderde, was het gestrenge, dat bij de pligtpleegingen in acht genomen wierd. Het onderscheid der rangen scheen mij met de uiterste naauwgezetheid gade geslaagen te worden; de plichtpleegingen en gebruiken, alle deeze koele beleeftheden gaven bij de opening van het feest een zekere gemaaktheid, die meer verveeling dan vermaak voorspelden. De maaltijd was allerpragtigst voor het land; ik zag onder andere geregten een groot getal van verschillende soupen opbrengen. Deeze waaren verzeld van koude vleeschspijzen, waar van men terstond veel gebruik maakte. Bij het tweede geregt, kreegen wij het gebraad en pasteijen, dog dit alles kondigde minder weelde dan wel overdaad aan; de dranken waaren gemaakt van verscheidene vrugten, aan deeze streeken eigen, gekookt en met Franschen brandewijn gemengt. Men bediende bij voorkeur en bijna geduurig brandewijn van het land, gemaakt uit slatkaiatrava of zoet gras, waar van ik te vooren gesprooken heb; deeze likeur heeft zo als ik gezegt heb geen onaangenaamen smaak, zelfs is ze geurig, men went zich des te gewilliger aan deeze brandewijn, om[I-173] dat ze minder ongezond is, dan die uit graanen gemaakt word: alle de gasten raakten ongevoelig in een vrolijken luim, hunne reden was niet lang bestand tegen de dampen van een zo koppigen drank; welhaast heerschte de uitgelatenste vreugde over tafel. Op dit luidrugtige en pragtig gastmaal volgde een vrij wel zamengesteld bal. Het gezelschap was zeer vrolijk, en men danste ’er tot aan den avond Russische en Poolsche contredanssen; het bal wierd door een zeer aartig vuurwerk geeindigt, het geen de Heer Orléankoff gemaakt had, en zelfs aanstak, het was niet groot, dog de uitwerking voldeed in allen opzichte. Ik vermaakte mij met de verbaasdheid en opgetogene verrukking van de meeste der aanschouwers, die weinig denkbeelden van dit soort van vermaaken hadden, men zou ze allen geschilderd hebben; onbeweeglijk van verwondering, schreeuwden zij eenpaarig bij het opgaan van iederen vuurpijl; hun leedweezen over den korten duur hier van vermaakte mij niet minder. In het vervolg moest men al die lieden den lof daar van hooren vermelden, en in het heengaan herhaalde ieder al zuchtende de genooten vermaaken van dien dag.

Ik wierd den volgenden dag bij den protapope, oom van de bruid verzogt, alles was op den[I-174] zelfden voet als daags te vooren, uitgezondert het vuurwerk. De protapope is, gelijk ik reeds gezegt heb, het hoofd van alle de Kamschatsche kerken; ieder priester van dit schiereiland is aan hem ondergeschikt, en hij beschikt over alle de geestelijke zaaken, hij houd zijn verblijf te Nijenei. Het is nog een vrij jeugdige grijzaart, een breede witte baard hangt hem tot op de borst, en geeft hem een waarlijk achtbaar aanzien. Zijn ommegang scheen mij toe vol geest, vrolijk en gepast te weezen om zich den eerbied en de achting van deeze volkeren te verwekken.

Rechtbanken te Nijenei.

Te Nijenei zijn twee rechtbanken; voor de eene worden de zaaken van het bestier gebragt, en de andere neemt kennis van alle de verschillen tusschen de Kooplieden; de regeeringspersoon, die daar in voorzit, is een soort van Burgermeester, ondergeschikt aan de bevelen van den Gorodnitch of Commandant van de stad. Men heeft hier boven gezien, dat ieder van deeze rechtbanken van het rechtsgebied te Okotsk afhangt, en dat men van alle zaaken aan den bevelhebber van deeze laatste stad rekenschap moet geeven.

Dog het geen mij te Nijenei het belangrijkste voorkwam, en het geen ik niet met stilzwijgen kan voorbijgaan, bestaat daar in, dat ik hier negen Japoneezen aantrof, die in den afgeloopen[I-175] zomer derwaarts van de Aleutische eilanden gebragt waaren door een Russisch vaartuig, geschikt tot den handel in otters.

1788. Februarij Den 11. Te Nijenei Kamschatka.

Een van deeze Japoneezen verhaalde mij, dat hij zich met zijne makkers op een vaartuig van hun land had ingescheept, om zich naar de meest zuidelijke Kourilsche eilanden te begeeven, met vooruitzicht om daar met de Eilanders handel te drijven, zij volgden de kust en waaren ’er niet ver van verwijderd, wanneer hun zo een verschrikkelijke storm overviel, dat zij ver daar van afdreeven, en geheel verdwaalden. Volgens zijn verhaal, het geen mij echter zeer verdagt voorkwam, bevoeren zij de zee bijna zes maanden, zonder land te zien. Buiten twijffel hadden ze levensmiddelen in overvloed. Eindelijk vertoonden zich de Aleutische eilanden aan hunne oogen: vol van vreugde beslooten zij daar aan te landen, zonder te weeten waar dit best te onderneemen; zij wierpen één anker digt bij een van deeze eilanden uit, en een sloep bragt ze allen aan land. Zij vonden daar Russen, die hun voorstelden om te zaamen hun schip te gaan ontlaaden en het in veiligheid te brengen; dan deeze Japoneezen wilden daar in niet toestemmen, het zij uit mistrouwen, het zij dat ze in der daad geloofden, dat het den volgenden dag gemaklijker zou zijn. Zij hadden veel reden om zich[I-176] over dit verzuim te beklaagen: want in den zelfden nagt wierp een hevige zee-wind het schip op de kust; men wierd zulks niet dan met het aanbreeken van den dag gewaar, en men had veel moeite om het kleinste gedeelte van de lading en eenige stukken van het schip te bergen, welk laatste bijna geheel van welriekend hout gemaakt was. De Russen, die hen wel onthaald hadden, deeden als toen al het geen in hun vermogen was om deeze ongelukkigen hun verlies te doen vergeeten; zij bragten hun alle vertroosting toe, en deeden dezelven eindelijk het besluit neemen om hun naar Kamschatka te volgen, werwaards zij terugkeerden; mijn Japonees voegde ’er bij, dat zij in veel grooter getal geweest waaren, dog dat de vermoeijenissen, die ze op zee geleeden hadden, en vervolgens de gestrengheid van de lucht, veele van zijne makkers had doen omkomen.

Bijzonderheden wegens het opperhoofd van deeze Japoneezen.

De geen, die met mij sprak, scheen over de anderen een zeker blijkbaar gezag te voeren, men wist van hem, dat hij de Koopman was, en dat de overigen alleen matroozen waaren of onder zijn bevel stonden. Dit was ten minsten zeker, dat ze hem een bijzondere achting en eerbied toedroegen, zij zijn alle overstelpt van droefheid, en toonen de levendigste ongerustheid, wanneer hij ziek is of hem iets onaangenaams wedervaart;[I-177] geregeld zenden ze tweemaal daags iemand uit hun om hem te bezoeken. Men kan zeggen, dat hij hun geen minder vriendschap toedraagt, want daar gaat nooit een dag voorbij, zonder dat hij hun op zijn beurt bezoekt, en hij zorgt met de grootste oplettenheid, dat hun niets ontbreekt. Zijn naam is Kodaïl, zijn aangezicht heeft niets vreemds, zelfs heeft hij een aangenaam voorkomen; zijn oogen zijn niet getrokken als die van de Chineezen, hij heeft een langen neus en een baard, dien hij vrij dikwils afscheert, hij is omtrent vijf voet lang en vrij wel gemaakt, hij droeg het hair op de Chineesche manier, dat is te zeggen, dat van het midden van zijn hoofd een vlegt van de lengte zijner hairen af hong, die wijders rondom afgeschooren waaren, dog men heeft binnen kort hem daartoe gebragt om dezelve te laaten groeijen, en ze op onze manier vast te binden; hij is zeer bevreest voor de koude, de warmste kleederen die men hem gegeeven heeft, kunnen hem daar naauwlijks voor beschutten; hij bewaart en draagt altoos onder deeze die van zijn land, ze bestaan in de eerste plaats in een of verscheide zeer lange zijde hemden, even als onze nagtjaponnen, daar over trekt hij ’er een van wol, het geen zou kunnen doen gelooven, dat deeze laatste stoffe kostbaarder in hunne oogen is, misschien geschied deeze schikking ook[I-178] gemakshalve, dog dit is mij onbekend. De mouwen van deeze kleederen zijn wijd en open. Niet tegenstaande de strenge luchtsgesteldheid, heeft hij altoos de armen ontbloot en den hals open, alleen maakt men hem, wanneer hij uitgaat, een doek aan den hals vast, dog hij doet ze af zo dra hij in een vertrek komt, hij zegt zulks als dan niet te kunnen verdraagen.

Deszelfs meerderheid boven zijne landgenooten heeft hem eenig aanzien verschaft; dog deeze heeft ’er ongetwijffeld veel minder aan toegebragt, dan wel zijn levendige geest en zagtheid van aart; hij woont en leeft bij den Heer Major Orléankoff; de vrijheid waar mede hij, het zij bij den Commandant, het zij elders, binnen treed, zou onder ons voor onbeschaamdheid of ten minsten voor grove lompheid gehouden worden; zonder omslag zet hij zich aanstonds zo gemaklijk als hem mogelijk is, en wel op den eersten stoel, dien hij maar aantreft, hij vraagt terzelver tijd al wat hij nodig heeft, of wel neemt hij het zelfs, wanneer het maar onder zijn bereik is; hij rookt bijna zonder ophouden, zijn pijp is kort en met zilver vercierd, daar kan weinig tabak in, dog hij vuld ze elk oogenblik. Het rooken is voor hem een zodanige behoefte, dat men veel moeite heeft gehad om hem te beduiden, dat hij zijn pijp niet over tafel gebruikte. Zijn doordringend[I-179] oordeel is zeer werkzaam, hij bevat alles, wat men hem wil doen begrijpen, met eene verwonderlijke vlugheid, boven al schijnt hij zeer nieuwsgierig en een groot waarneemer. Men heeft mij verzekerd, dat hij naauwkeurige aantekening houd van al het geen hij ziet, en van het geen hem wedervaart, en in der daad de voorwerpen en de gebruiken, die hij onder zijne oogen heeft, zijn zo afwijkende van die, welke zijn vaderland oplevert, dat alles hem stof tot aanmerkingen verschaft: oplettend op het geen gebeurd, en in zijne tegenwoordigheid gezegt word, schrijft hij zulks op uit vreeze van het te vergeeten; de teekens, die hij maakt, scheenen mij ten naasten bij dezelfde als die der Chineezen, dog de manier van schrijven is verschillende, deeze schrijven van de regter naar de linker zijde,[85] en de Japoneezen van de hoogte naar de laagte;[86] hij spreekt genoeg Russisch om zich te doen verstaan, echter moet men aan zijne uitspraak gewoon zijn, om verkeering met hem te hebben; hij spreekt ongemeen snel, het geen veroorzaakt, dat men veel van hem verliest, of dat daar door de betekenis veranderd word; zijne antwoorden[I-180] zijn in ’t algemeen levendig en natuurlijk, nooit ontveinst hij zijn manier van denken, en men kan zich niet openhartiger over een ander uitlaaten, dan hij doet. Zijn gezelschap is aangenaam en zijn humeur altoos vrij gelijkvormig, hoewel zeer geneigd tot wantrouwen. Heeft hij het een of ander verlegd, aanstonds verbeeld hij zich, dat hem zulks ontvreemd is, het geen hem dikwils een ongeruste houding geeft. Ik bewonderde zijne maatigheid, die waarlijk het tegengestelde is van het geen men in dit land ziet. Wanneer hij voorneemens is van geen sterken drank te gebruiken, is het onmogelijk om hem overtehaalen van ’er van te proeven, hij eischt die wanneer hij ’er lust toe heeft, dog nooit gaat hij zich daar in te buiten. Ik merkte nog op, dat hij op de wijs der Chineezen zich in het eeten van twee kleine stokjes met de grootste behendigheid bediende.

[85] De Chineezen beginnen hunne boeken, daar wij de onze eindigen, namelijk van het laatste blad.

[86] Zij schikken hunne letters in reijen.

Japansche muntspecien.

Ik verzogt hem om muntspecien van zijn vaderland te zien, en hij beieverde zich om mijne nieuwsgierigheid te voldoen. De gouden munt is een plaat van omtrent twee duim lang, niet dik en bijna ovaal, verscheiden Japansche teekens zijn op deeze stukken gegraveerd: het goud scheen mij toe zeer goed te zijn, zonder eenige vermenging, het buigt zich zo als men begeert. De zilveren specie is vierkant, minder groot en dik, en van minder zwaarte dan het goud, nogtans[I-181] verzekerde hij mij, dat de laatste in Japan meer waarde had. Het koper geld is volmaakt het zelfde als het cache der Chineezen; het is rond en ten naasten bij van grootte als de Fransche twee oortjens stukken. In het midden is het in het vierkant doorboord.

1888. Februarij Den 11.

Koopmanschappen die een gedeelte van de lading uitmaakten van het Japansche schip.

Ik deed hem nog eenige vraagen over den aart der Koopmanschappen, die men uit hun schip geborgen had, en ik begreep uit zijne antwoorden, dat ze voornamelijk bestonden in kopjes, schaaltjes, doozen en andere fraaij verlakte zaaken van dit soort; ik vernam nog, dat ze daar van een gedeelte in Kamschatka verkogt hadden.

Ik twijffel niet, of men zal mij deeze uitweiding over die Japoneezen wel ten goeden houden, ik kan mij niet voorstellen, dat men ze ongepast zal vinden, ze zal kunnen dienen om een volk te leeren kennen, dat wij zo zeldzaam in het geval zijn van te zien en waarteneemen.

Den 12.

Vertrek van Nijenei Kamschatka.

Na omtrent drie dagen te Nijenei Kamschatka doorgebragt te hebben, vertrok ik den 12 des namiddags ten één uur, om mij weder bij den Heer Kasloff te vervoegen, dien ik zeker was van te Yelofki te zullen aantreffen; ik keerde dan te rug, ten einde mijn weg te vervolgen, dien ik verlaaten had. Ik kwam vrij tijdig te Tchoka, het laatste dorp, dat ik doorgetrokken was,[I-182] om mij naar Nijenei te begeeven, en het welk, gelijk men gezien heeft, twee en twintig wersten van daar gelegen is. Hier heerscht een hevige en bijna geduurige wind uit het westen, men vind daar van de reden in de legging van dit dorp aan de rivier, tusschen twee ketens van bergen, welke door deeze gescheiden word, en die zich vijfentwintig wersten langs deszelfs twee oevers uitstrekken.

1788. Februarij Den 13.

Ik bragt den nagt te Kamokoff door, en den volgenden morgen bereikte ik in weinig uuren het Ostrog van Kamini of van Pierre, van daar nam ik den weg op Kartchina, onderweeg trok ik voor bij drie meiren, waar van het laatste zeer uitgestrekt was, en weinig minder dan vier a vijf uuren omtrek heeft. Ik sliep in dit laatste Ostrog, veertig wersten van het voorige en gelegen op de rivier van Kartchina[87].

[87] In het algemeen, hebben bijna alle de dorpen dezelfde naamen als de rivieren, aan welkers oevers zij geplaatst zijn, uitgezonderd nogtans die geenen, welke op de Kamschatka zijn gelegen.

1788. Februarij Den 14.

Ik vertrok van daar met het aanbreeken van den dag, en niettegenstaande het slegte wêer, dat ik geduurende dien geheelen dag ondervond, reisde ik evenwel de zeventig wersten, die ik[I-183] nog tot Yelofki afteleggen had: dit Ostrog is op de rivier van denzelfden naam gelegen, en van bergen omgeeven.

Ik voeg mij weder bij den Heer Kasloff te Yelofki.

De Heer Commandant prees mijnen gemaakten spoed, dog ik had mij te vergeefs gevleid, dat het oogenblik van onze hereeniging ook dat van ons vertrek zou weezen; de zaaken zijner bediening, die hem derwaarts geroepen hadden, waaren nog niet afgeloopen, het geen hem noodzaakte om zijn verblijf te verlengen; daar en boven hoopte hij, dat de Heer Schmaleff ook niet lang zou agterblijven, dewijl, wanneer wij onze reismaat in aanmerking namen, het mogelijk geweest was, dat hij ons te Yelofki aangetroffen had. Wij bleeven ’er nog vijf dagen, zo om de zaaken te eindigen als om hem te vergeefs te wagten; de Heer Commandant aan mijn ongeduld toegeevende bewilligde in ons vertrek op den 19 des morgens zeer vroeg.

1788. Februarij Den 19.

Storm die ons op weg overviel.

Wij deeden in het begin vier en vijftig wersten vrij langzaam af, dog in den agtermiddag wierden wij door eenen ijsselijken storm uit het westen en noord-westen overvallen; wij bevonden ons in het open veld, de wervelwinden waaren zo hevig, dat het ons onmogelijk was verder te komen; de sneeuw, daar door bij vlaagen opgenomen, vormde in de lucht eenen dikken nevel, en onze leidsluiden wilden, niettegenstaande[I-184] de kennis, die zij van de wegen hadden, niet meer instaan voor het verdwaalen. Wij konden hun maar niet beweegen om ons verder te brengen, het was echter onmenschelijk hier op de genade van een zo geweldigen orcaan te blijven leggen; wat mij betreft, ik erken, dat ik zeer mismoedig wierd, wanneer onze geleiders voorsloegen om ons digt bij een bosch te brengen, het welk zij ons zeiden niet ver afgelegen te zijn, en alwaar wij ten minsten ons eenigermaate in veiligheid konden stellen. Wij aarzelden niet om van hunnen goeden wil gebruik te maaken, dog voor dat wij dien weg verlieten, die onmogelijk te onderscheiden was, moesten wij nog wachten, tot dat alle de sleeden van ons gevolg bij een waaren, anders hadden wij gevaar geloopen, om van elkander te geraaken en elkander te verliezen; de vereeniging geschied zijnde, bereikten wij dit bosch, het geen gelukkig op den afstand, dien men ons gezegd had, gevonden wierd; omtrent ten twee uuren nadenmiddag hielden wij stil.

Noodwendige stilhouding bij een Bosch.

Manier waar op de Kamschatters hun bed op de sneeuw vervaardigen.

De eerste voorzorg van onze Kamschatters bestond daar in, om een gat in de sneeuw te graaven, welke ter dezer plaats ten minsten zes voeten diep was, anderen bragten hout aan, in een oogenblik was het vuur aangestoken, en de ketel geplaatst; een sobere maaltijd en eenige maaten brandewijn herstelden welhaast al ons volk;[I-185] toen de nagt aankwam, hield men zich met de middelen bezig, om dien zo goed mogelijk op ons gemak doortebrengen, ieder werkte aan zijn bed, het mijne was in mijn vezock, alwaar ik mij in kon neerleggen, dog niemand als de Heer Commandant en ik hadden een zo gemaklijk rijtuig. Hoe, zeide ik tot mij zelfs, zullen het die arme menschen met slaapen maaken? Ik was welhaast buiten ongerustheid omtrent hun; de wijze, waar op ik hun derzelver bed zag toebereiden, verdiend verhaald te worden, hoe zeer ze ’er niet veel werk van maaken; na eerst een gat in de sneeuw gemaakt te hebben, bedekten zij het zelve met kleine takken van boomen, en wel de dunste, die zij vinden konden, vervolgens wikkelden zij zich in een Kouklanki, en na het hoofd in de kap, die ’er aan vastgemaakt was, gestoken te hebben, lagen zij zich neder even als op het beste bed des waerelds; wat onze honden betreft, deeze wierden uitgespannen en aan de boomen rondom vastgemaakt, alwaar zij den nagt zo als gewoonlijk op de sneeuw doorbragten.

1788. Februarij Den 20.

De wind sterk geminderd zijnde, begaven wij ons voor den dag wederom op weg, wij hadden nog dertig wersten afteleggen om ons naar Ozernoi te begeeven, alwaar wij voorneemens geweest waaren om den voorigen nagt te slaapen; wij kwamen daar des morgens ten tien uuren aan,[I-186] dog onze honden ten uiterste vermoeid zijnde, waaren wij genoodzaakt aldaar het overige van den dag en zelfs den nagt te blijven in hoop, dat de wind, die in den agtermiddag wederom met de grootste hevigheid begon op te steeken, in dien tusschentijd zou bedaaren.

Ostrog van Ozernoï.

Het Ostrog van Ozernoï ontfangt zijn naam van een meir in deszelfs nabuurschap; de rivier Ozernaïa loopt langs dit dorp, dog ze is van weinig belang; het huis van den toijon is de eenigste isba, die ik te Ozernoï gezien heb, en men zeide mij, dat ik ’er tot aan de stad Ingiga geene meer zou aantreffen; daar en tegen telde ik vijftien balagans en twee yourtes. Ik behoorde hier deeze onderaardsche wooningen te beschrijven, dog dewijl deeze klein zijn in vergelijking van die, welke ik welhaast gelegenheid zal hebben waarteneemen, wil ik liever de beschrijving tot dat tijdstip uitstellen.

Den 21.

Wij vertoefden den 21. nog te Ozernoi, om daar te vergeefsch een Sergeant van het gevolg van den Heer Commandant aftewachten, dien hij naar de stad Nijenei-Kamschatka had afgezonden.

Den 22.

Den volgenden morgen begaven wij ons naar Ouké, wij waaren daar zeer vroeg; als hebbende maar zes en twintig wersten afgelegt, wij beslooten niet verder te gaan, om aan den Sergeant[I-187] gelegenheid te geeven van zich weder bij ons te kunnen voegen, gelijk men hem bevolen had, dog hij kwam niet.

Ostrog van Ouké.

Te Ouké vind men geen eene isba, dit Ostrog bestaat alleen uit een twaalftal balagans en twee ijourtes, men had ’er een voor den Heer Kasloff schoongemaakt, en wij bragten daar den nagt door.

1788. Februarij Den 23.

Wij verlieten dit dorp met het aanbreeken van den dag, ter halver weg wierden wij een aantal balagans gewaar, die alleen maar, zo men ons verhaalde, bewoond worden ten tijde van den vischvangst; niet ver van daar, zagen wij de zee weder, en wij reeden ze eenigen tijd langs. Ik wierd zeer verhinderd om in persoon te kunnen ontdekken, tot op welken afstand ze digt lag, of welke de strekking van dit gedeelte der oostkust van Kamschatka is. Een noordewind overviel ons, en voerde ons de sneeuw met zo veel gewelds in de oogen, dat men maar alleen moest denken om ze afteweeren; daar en boven hing ’er over de zee een nevel, die van den oever af begon, en zich wijd scheen uittestrekken. Dit duistere gordijn verborg dezelve bijna geheel aan het oog; de bewoonders des lands, die ik ondervroeg, antwoordden mij, dat wij langs eene niet zeer ruime baaij gekomen waaren, en dat de zee[I-188] tot op dertig wersten ver van de kust met ijs bedekt was.

Te Khaluli een met leer bedekte baidar.

Ik vond te Khaluli, een Ostrog aan de rivier van deezen naam, zes en zeventig wersten van Ouké, en niet ver van den zeekant gelegen, niet meer dan twee yourtes en twaalf a dertien balagans, dog ik zag daar met vermaak een baidar met leer bedekt. De lengte van deeze schuit of boot was omtrent van vijftien a agttien voeten, en de breedte van vier voeten, het geraamte was van vrij dunne planken, het welk als latwerk aangelegt was. Een langer en zwaarder stuk hout dan de andere diende voor de kiel, de dwarshouten waaren met riemen vastgemaakt, en dit alles overdekt met verscheide vellen van zeepaarden en zeewolven van de grootste soort; de wijze waar op deeze vellen toebereid en digt aan een genaaid waaren, zo dat het water niet in de schuit kon doordringen, behaagde mij het meest, ze scheen mij van gedaante als de onze, dog minder rond, ook had ze die zwier niet, aan de uiterste einden enger, eindigde ze in een punt en was aan de kiel plat, de ligtheid dezer vaartuigen zeer geneigd tot omslaan, heeft deeze zamenstelling noodzaaklijk gemaakt, waar door ze meer evenwichts verkrijgt; deeze baidar was onder een loots geplaatst, die gemaakt was om ze voor de sneeuw te bewaaren.[I-189] De toijon van Khaluli ons zijn yourte ingeruimd hebbende, verbleeven wij daar des nagts, want wij moesten tot den volgenden morgen wagten, eer wij ons op weg konden begeeven; de wind was na onze aankomst meer opgestoken, en verminderde niet voor des nagts.

1788. Februarij Den 24.

1788. Februarij Den 25.

Ten tien uuren des morgens hadden wij Khaluli uit het gezicht verlooren; wij waaren het oude dorp van dien naam voorbijgetrokken, het gene onlangs verlaaten is uit hoofde van deszelfs slegte gelegenheid. Wij vonden wat verder eenige verlaaten wooningen, welke eertijds het dorp van Ivaschkin uitmaakten, om dezelfde reden eenige wersten van zijn eerste standplaats overgebragt, vervolgens zagen wij de zee weder, en wij volgden nog geduurende eenigen tijd de Oostkust; zij vertoonde ons ter deezer plaats eene andere baaij, die ik gaarne op mijn gemak had willen beschouwen; dog de dikke nevel, die van den oever af over de zee hing, liet mijn oog niet toe om tot aan den anderen kant van het ys te zien; alleen scheen het mij toe, dat de nevel opklaarde, naar maate dat de wind, die tot hier toe west en noordwest geweest was, meer naar het noordoosten liep.

Ostrog van Ivaschkin.

Ivaschkin legt veertig wersten van Khaluli en nabij de zee; twee yourtes en zes balagans maaken[I-190] dit dorp uit, het is aan een kleine rivier van denzelfden naam gelegen, die geheel toegevroozen was, even als die, welke wij overgekomen waaren.

Den 26.

Wij vonden te Dranuki den Heer Haus, een Russisch Officier.

Wij sliepen in dit dorp, alwaar de vrees voor een orcaan, waar mede wij, zo men ons zeide, bedreigd wierden, ons een gedeelte van den volgenden dag deed blijven; wij kwamen met de vrees vrij, en hoe zeer het laat genoeg was, wanneer wij tot ons vertrek beslooten, konden wij echter nog tot Dranuki geraaken, als zijnde de overtogt maar dertig wersten. De gelegenheid van dit Ostrog is dezelfde als die van het voorige; wij vonden daar den Heer Haus, een Russisch Officier, hij kwam van Tiguil, en bragt aan den Heer Commandant verscheide zaaken tot de natuurlijke historie betrekkelijk.

1788. Februarij Den 27.

Aanmerklijke en vrij gemaklijke baaij.

Wij vertrokken met het krieken van den dag van Dranuki. In den agtermiddag reeden wij over eene baai, welkers breedte omtrent uit vijftien wersten, en de lengte uit vijfentwintig a dertig bestaat, aan den ingang is ze weinig meer dan vijf wersten breed, ze word door de zuidkust geformeerd; deeze is een laage grond, die afneemt naar maate ze zich in zee uitstrekt, de baaij loopt west-noord-west en oost-zuid-oost. Het scheen mij toe, dat in het west-noord-westen[I-191] van deszelfs ingang nabij Karagui, de scheepen veilig konden ankeren tegens de zuiden westen en noorde winden; het zuidelijk gedeelte vertoont geene zo goede ankerplaats; de bewoonders des lands verhaalen, dat zich daar verscheide zandbanken bevinden. Ik was verplicht mij op hun zeggen te verlaaten, dewijl het ys en de sneeuw mij hinderlijk waaren om ’er meerder zekerheids van te bekomen.

Ostrog van Karagui, het laatste van Kamschatka.

Wij leiden deezen dag zeventig wersten af, en des avonds kwamen wij te Karagui; dit dorp ligt op eene hoogte, van waar men de zee ontdekt, deszelfs wooningen bestaan in drie yourtes en twaalf balagans, aan den voet van welke de Karaga langs loopt; deeze rivier valt in de zee op eenige snaphaanschoten afstands van dit dorp, het laatste van Kamschatka, want men rekend geen gehugt, dat honderd wersten verder ligt, en alwaar zich weinig Kamschatters bevinden.

1788. Februarij Den 28.

Daar wij verplicht zijn alhier voorraad van gedroogden visch aftewachten, welke agtergebleeven en geschikt is om onze honden in de woestenijen, die wij doortrekken moeten, te voeden, zal ik van dit verblijf gebruik maaken om verscheiden aanmerkingen, die ik in de voorige en in dit dorp gemaakt heb, afteschrijven; ze zijn niet in die orde geplaatst, waar in ze mij voorgekomen[I-192] zijn, dog men moet in overweeging neemen, dat de snelle voortgang in onze reis mij daar niet altoos meester van liet[88].

[88] Men zal mij mogelijk verwijten, dat mijn verhaal dikwils niet anders oplevert dan schraale en zeer eenvormige bijzonderheden, ik zou den leezer dezelve wel gespaard hebben, indien ik hem niet eene zorgvuldige naauwkeurigheid belooft had; dog dat men in aanmerking neeme, van welke voorwerpen ik omringt ben in de onafmeetbaare uitgestrektheid lands, welke ik doorreis, en dan zal men zien, dat die bijna over al dezelfde zijn. Hangt het dan van mij af om eene behaagelijke verandering aan mijne beschrijvingen te geeven, en niet in eenige herhaalingen te vervallen?

Te Karagui Beschrijving der yourtes.

Ik zal eerst met de yourtes beginnen, die ik nog niet heb kunnen beschrijven, hoe zeer deeze mij toegescheenen hebben eene bijzondere aandagt te verdienen; deeze vreemde wooningen staan onder den grond, gelijk ik reeds gezegt heb[89], en het dak dat ’er boven uitkomt, heeft de gedaante van een afgesneede kegel; dog om ’er een juister denkbeeld van te verkrijgen, stelle men zich voor, een groot vierkant gat van omtrent zes a[I-193] zeven toises of halve roeden middellijns en van agt voet diepte, de vier zijden bekleed met balken of planken, en alle de tusschenruimtens van deeze muuren met aarde, stroo of gedroogd gras en steenen gevuld; op den bodem van dit gat zijn verscheide paalen geplant, welke dwarsbalken ondersteunen, waar op het dak draagt; het begint gelijks gronds en komt vier voet daar boven uit, deszelfs dikte is twee voeten, de afhelling niet steil, voor het overige is het even als de muuren. Aan den top is een vierkant gat; deeze opening heeft vier voet lengte en drie voet breedte; hier is het, dat de rook moet doorkomen[90], en dat men in de yourte binnen treed met behulp van een ladder of ingekipte balk, die van buiten tot aan de opening van den ingang komt, welke voor mannen en vrouwen beide geschikt is. Men acht het voor een schande, wanneer men door een zeer laage poort ingaat, die aan een der zijden van de yourte gevonden word; om de[I-194] beschrijving der uitwendige vertooning van deeze wooningen te eindigen, zal ik er nog bijvoegen, dat ze van eene vrij hooge palissadeering omringt zijn, zonder twijffel om dezelve tegens de stormen of den val van de sneeuw te beschutten; anderen meenen, dat deeze omheiningen eertijds tot borstweeringen aan deeze volkeren verstrekten, om zich tegens derzelver vijanden te verweeren.

[89] Bij mijn doortogt te Paratounka, zal men zich herinneren, dat ik eenige yourtes zag, dog zij waaren half uitgebroken, en ik kon ’er naauwlijks de uiterlijke gedaante van mêedeelen.

[90] De rook is in deeze onderaardsche wooningen zo geduurig, dat deeze doortogt niet voldoende is tot deszelfs uitdamping; om dit gemaklijker te maaken, vervaardigt men in een onbewoonden hoek, agter de haardsteede, een soort van rookgat, welkers richting schuins is; dit luchtgat word joupann genaamd, deszelfs mond loopt van buiten op eenige voeten afstands van de vierkante opening uit, men sluit ze gewoonlijk met een riet- of stroodak.

1788. Februarij Den 28. Te Karagui.

Inwendig maakzel en vercieringen der yourtes.

Zo dra men in deeze woeste wooningen neergedaald is, wenschte men ook er weder uit te weezen; het gezicht en de reuk word daar beide aangedaan, het eenigste vertrek, dat het binnenste gedeelte uitmaakt, is omtrent tien voet hoog; eene verhevenheid van vijf voet breed, en bedekt met half versleete vellen van rendieren, zeewolven of van andere dieren, loopt rondom het vertrek; deeze verhevenheid is op zijn hoogst een voet van den grond[91] en diend gemeenlijk tot een bed aan verscheide huisgezinnen. Ik heb in eene enkelde yourte meer dan twintig persoonen, zo mannen, vrouwen, als kinderen geteld; al dit volk eet en slaapt de een onder den anderen; zonder schroom of schaamte, voldoen ze aan alle de behoeftens der natuur, en nooit beklaagen[I-195] zij zich over de kwaade lucht, die men in deeze plaatzen inademt. Het vuur brand ’er bijna altoos, gewoonlijk is de haardsteede in het midden van de yourte of aan een der zijden geplaatst; Des avonds gebruikt men de voorzorg om het gloeijende vuur bij een te zamelen, en het gat te sluiten, hetgeen aan den rook ten doortogt verstrekt; door dit middel bewaart men de warmte geduurende den geheelen nagt. Bij het schijnzel van een duistere lamp, waar van ik reeds de gedaante en de bedorven lucht heb leeren kennen, ontdekt men in een hoek van het vertrek[92] eene slegte afbeelding van den eenen of anderen heiligen, geheel blinkende van smeer en zwart van den rook; voor die beelden is het, dat deeze volkeren zich nederbuigen en hunne gebeden verrichten; het overige huisraad bestaat in banken en in drinkschaalen van hout of van boomschors gemaakt, de geenen die voor de keuken dienen zijn van yzer of koper, alle zijn ze van eene walgelijke morsigheid; overblijfzelen van gedroogden visch zijn hier en daar verspreid, en ieder oogenblik ziet men vrouwen of kinderen bezig om[I-196] stukken van zalm-vellen te roosteren, dit is een hunner meest geliefkoosde geregten.

[91] Ik heb eenige yourtes met planke vloeren gezien, dog dit beschouwt men als overdaadig, en de meesten hebben alleen de aarde tot planken.

[92] Dit klein vertrek is eeniger maate van het groote afgescheiden, het is een weinig minder morsig, omdat het minder bezogt word; dit is de plaats van eer, voor de vreemdelingen geschikt.

Kleeding der kinderen.

De kleeding der kinderen trok mijn aandagt door deszelfs zonderlingheid; men verzekerde mij, dat ze volmaakt na die der Koriaken gelijkt, zij bestaat in een enkeld kleed, namelijk, in een rendierenvel, dat elk gedeelte van het lighaam omwind en daar om sluit, zodanig dat deeze kinderen aan alle kanten daar in genaaid schijnen; eene opening om laag, van vooren en agter, verschaft de mogelijkheid om ze te reinigen; deeze opening is overdekt met een ander stuk vel, het geen na willekeur vastgemaakt en opgeligt word; dit ondersteunt een pak mos[93], dat men op de wijze van een doek tusschen de beenen van het kind aanlegt, en het welk men ververscht, naar maate het zelve vuil word. Behalven de gewoone mouwen zijn ’er nog twee anderen aan het kleed vastgemaakt, in dewelke men de armen steekt, wanneer het kind koud is, de uiterstens daar van zijn geslooten, en het binnenste is met mos gevuld. Men zet het ook een kap op van het zelfde vel als zijn kleed, dog in de yourtes zijn de kinderen meest altoos bloots hoofds, en de kap hangt hun op de schouders. Zij hebben[I-197] ook nog voor een gordel een band van rendieren vel. Hunne moeders draagen ze op den rug door middel van een riem, die langs het voorhoofd van de vrouw en onder de billen van het kind heen gaat.

[93] Men bediend zich insgelijks van het gras genaamt tonnchitcha.

De toijon van Karagui, bij wien wij ons verblijf hielden, was een oude oproermaaker; men had veel moeite gehad om hem tot zijn pligt te doen wederkeeren, en hij veroorzaakte ons eenige ongerustheid door de volstrekte weigering, die hij deed om ons visch te bezorgen.

1788. Februarij Den 29. Te Karagui.

Taal der Inwoonders van dit Ostrog.

De zeden der inwooners van dit Ostrog hebben veel overeenkomst met die van hunne nabuuren, de Koriaken; deeze gelijkvormigheid word men niet minder in de taal dan in de kleeding der kinderen gewaar. Ik had gelegenheid zulks den volgenden dag van onze aankomst gade te slaan.

Eenige Koriaken brengen ons twee levendige rendieren.

Vernomen hebbende, dat in den omtrek zich twee horden of benden van Koriaken met rendieren bevonden, zonden wij hun aanstonds iemand toe, om hun voortestellen van ’er ons eenige van te verkoopen, zij lieten zich niet lang verzoeken, denzelfden dag bragten zij ons twee levendige rendieren. Deeze toevoer kwam van pas om ons volk gerust te stellen, dat voor gebrek aan levensmiddelen begon te vreezen; echter bedreigde het gebrek nog meer onze honden, dewijl[I-198] de voorraad van visch niet aankwam; men doode dan in allen spoed een rendier, dog toen het op den prijs aankwam, vonden wij ons zeer belemmerd om met de verkoopers te handelen; ze spraken nog Russisch nog Kamschatsch, en de teekens, die ze gaven, waaren niet minder dan verstaanbaar; wij hadden elkander nooit begreepen, indien niet een inwoonder van Karagui ons voor tolk had gediend.

Onderscheid tusschen twee soorten van Koriaken.

Men onderscheid twee soorten van Koriaken; de geenen, welke eigentlijk met dien naam bestempelt worden, hebben eene vaste verblijfplaats; de andere, die rond zwerven, zijn onder de benaaming van Koriaken met rendieren bekend[94]; zij bezitten daar van groote kudden, en om ze te voeden, brengen zij ze in die streeken, waar de mos in overvloed te vinden is; zijn deeze weilanden afgegeeten, gaan zij anderen zoeken: zij zwerven dus zonder ophouden, hun verblijf houdende onder tenten van vellen, en leevende van hunne rendieren.

[94] Men zeide mij dat ’er zich van deeze zwervende Koriaken in het eiland van Karagui bevinden, het geen zes en twintig wersten van het dorp van dien naam in het oost-zuid-oosten van de baaij gelegen is; ik meen dit eiland van verre gezien te hebben.

Deeze dieren zijn hun niet minder van dienst[I-199] voor de reis, als de honden voor de Kamschatters. De Koriaken, die bij ons kwamen, wierden door twee rendieren getrokken, dog de wijze van ze voortespannen, en te mennen, als mede de gedaante van de slêe, vorderen eene bijzondere beschrijving; het zal best zijn, zo ’t mij voorkomt, om dit uittestellen tot het oogenblik, waar in ik, bij deeze volkeren reizende, beter in de gelegenheid zal zijn om naauwkeurige waarneemingen te doen.

Aankomst van onze leevensmiddelen.

Deeze zo verlangde leevensmiddelen bekwamen wij eindelijk den 29 des avonds; ze wierden ons aangebragt door den Sergeant, dien wij zedert verscheide dagen wachteden; wij namen ons voor om den volgenden morgen te vertrekken, dog in den nagt verhief zich een der hevigste weste en noordweste winden; die orcaan was van sneeuw verzeld, ze viel in zulk een overvloed, dat wij genoodzaakt wierden ons vertrek uittestellen. Om ons daar toe te noodzaaken was een zodanig verschriklijk wêer nodig, want de aankomst van onzen voorraad had ons ongeduld verdubbeld; deeze was van weinig aanbelang en onze behoefte zo dringend, dat er terstond aan begonnen wierd, zo dra dezelve ontfangen was; het was dus ons belang om de rustplaatzen te verkorten, ten einde de voorraad niet opgebruikt was,[I-200] voor dat wij de woestenijen doorgetrokken waaren.

1788. Maart Den 1. Te Karagui.

Des morgens bedaarde de wind, dog de sneeuw hield aan, en de lucht dreigde met een anderen storm voor het einde van den dag, deeze begon ook in der daad zich te laaten hooren tegens twee uuren in den agtermiddag, en duurde tot aan den avond.

Beroemde Kamschatsche danseresse.

Om ons afleiding te geeven, stelde men ons voor om een proef te neemen van de begaaftheden eener vermaarde Kamschatsche danseresse, te Karagui woonachtig; het geen men ’er ons van verhaalde, wekte onze nieuwsgierigheid op, en wij deeden haar komen; dog zij weigerde, het zij uit hoofdigheid, of uit gemelijkheid, om te danssen, en scheen in het minste geen belang te stellen in onze noodiging; te vergeefs tragte men haar te beduiden, dat ze hier door zich onwellevend en zelfs oneerbiedig tegens den Heer Commandant gedroeg; alles was vrugteloos; gelukkig hadden wij brandewijn bij de hand, eenige volle glaazen scheenen haar te doen veranderen; ter zelfder tijd begon een Kamschatter op ons verzoek voor haar te dansen, en met de stem en gebaarden haar optewakkeren; langzamerhand wierden de oogen van deeze vrouw vuuriger, haare houding wierd stuiptrekkende; haar geheele[I-201] lighaam beefde op de verhevenheid, waar op zij gezeten was, de ophitsingen en het heftig gezang van haar dansser, beantwoorde zij door gelijke poogingen met de stem, en door met het hoofd, het welk op allerhande wijze draaide, de maat te slaan. Welhaast wierden de beweegingen zo geweldig, dat zij zich daar op niet houden kon, zij wierp zich op den grond, en daagde op haar beurt het manspersoon uit door schreeuwen en door nog klugtiger verdraaijingen des lighaams. Het is moeijelijk om het belagchelijke van haar dans uittedrukken, alle haare ledemaaten scheenen verplaatst te zijn, zij beweegde die met zo veel kragts als snelheid, de handen bragt zij aan haar boezem met een soort van woede, ontbloote dien en vatte ze aan, even als of ze die benevens haare kleederen wilde verscheuren. Deeze vreemde vervoeringen waaren van nog vreemder gebaarden verzeld; in een woord, het was geen vrouw meer, maar wel eene Furie; In haare verblinde, krankzinnigheid zou zij zich in het vuur geworpen hebben, het welk in het midden van de yourte aangestoken was, indien haar man zich niet gehaast had om ’er een bank voortezetten, ten einde haar zulks te beletten; hij gebruikte daar en boven de voorzorg van geduurig bij haar te blijven; wanneer hij zag dat ze geheel buiten kennis was, en zich aan alle kanten nederwierp[I-202] als mede dat ze genoodzaakt was, wilde zij staande blijven, van zich aan haar voordansser vast te houden, nam hij haar in zijn armen en bragt haar op de verhevenheid; ze viel daar op neder als een klomp, zonder bewustheid en buiten adem; ze bleef bijna vijf minuuten in dien staat, ondertusschen hield de Kamschatter, grootsch op zijne overwinning, niet op met zingen en danssen. Tot haar zelfs gekomen hoorde deeze vrouw naar hem; somtijds stond zij niettegenstaande haare zwakheid op, en bragt onverstaanbaare klanken uit; men zou gezegt hebben, dat zij deezen moeijelijken tweestrijd weder wilde beginnen, haar man wederhield haar, en verzogt dat ze mogt uitscheiden, dog de overwinnaar zich verbeeldende van niet vermoeid te kunnen worden, ging voort met haar aantezetten; wij moesten van ons gezag gebruik maaken, om hem het stilzwijgen opteleggen; niettegenstaande de lofspraaken, die aan de begaaftheden der vertooners gegeeven wierden, moet ik bekennen, dat ik echter het toneel niet bevallig vond, ik zal meer zeggen, ik zag het met weerzin.

Liefhebberij van deeze volkeren voor den Tabak.

Mannen & Vrouwen, alles rookt en kaauwt hier tabak; door eene toebereiding, die mij niet bekend is, vermengt men dezelve met asch, om, zo als men zeide, ze des te sterker te maaken; de inwooners, aan welke wij snuif aanboden,[I-203] bragten ze niet aan hun neus, maar aan den mond; ik bezag hunne pijpen, zij hadden dezelve gedaante als die der Chinezen, alle waaren ze van been en zeer klein; wanneer ze rooken, wagten ze zich wel om den rook uitteblaazen; ze zwelgen dien met smaak in.

Afscheid der toyons, die ons tot een geleide gedient hadden.

Alle de toijons der Ostrogs, door dewelke wij van Ozernoi af doorgetrokken waaren, hadden ons, uit achting en tot eene eerbetooning voor den Heer Kasloff, tot aan Karagui uitgeleide gedaan.

Den tweeden dag na onze aankomst, hadden zij van ons afscheid genomen om ieder naar hun dorp te rug te keeren; hunne jongste groet was zeer hartelijk; na nogmaals op nieuw vergeeving aan hun Commandant gevraagt te hebben, dat ze hem niet beter op zijn reis hadden ontfangen, betuigden zij hem derzelver levendigste aandoeningen over de scheiding van hem, even als of ze hem in het midden der grootste gevaaren gelaaten hadden, ze booden hem alles aan wat zij bezaten, kennende geen andere blijken van erkentenis. Zij vervoegden zich even zo aan mij, met nadruklijk beede, om van hun het een of ander te willen aanneemen, te vergeefs weigerde ik zulks, dit maakte hunne verzoeken des te dringender, en om ze te vergenoegen, was ik genoodzaakt hunne geschenken aan te neemen.

[I-204]

Blijken van genegenheid, die mij de Kamschatters gaven.

Hier vind ik mij genoodzaakt om aan het geheele Kamschatsche volk, het geen ik gaa verlaaten, mijne verplichtingen te vervullen, welke derzelver handelingen ten mijnen opzichte van mij vorderen. Het vermaakt mij, wanneer ik mij voor den geest breng het verplichtend onthaal, het geen ik van het zelve genooten heb; ik heb deszelfs herbergzaamheid en zagtäartigheid recht gedaan, dog ik heb niet genoeg uitgeweid over de blijken van genegenheid, welke deeze goede luiden mij gaven. Daar zijn, zo ik meen, geene opperhoofden van Ostrogs, die mij niet eenige kleine geschenken deeden; dan eens was het een sabelmarter of vosse-vel, dan eens vrugten of visch, en zodanige andere zaaken, die zij dagten, dat mij aangenaam zouden weezen. Ik mogt mij tegens hunne aanbiedingen verzetten, zij kwaamen geduurig weder op het zelfde en noodzaakten mij om het aanteneemen, men zou gezegt hebben, dat zij zeer gezet waaren om het onrecht, dat zij zo lang den Franschen naam aangedaan hadden, ten mijnen opzichte te verbeteren; dikwils bedankten zij mij, dat ik hun ten onzen opzichte andere denkbeelden gegeeven had; somtijds waaren zij ook geneigd om daar berouw over te toonen, wanneer zij bedagten, dat zij mij niet meer zien zouden, en dat mijne landgenooten[I-205] zeldzaam in het geval waaren van door hun schier-eiland te reizen.

1788. Maart Den 2.

Vertrek van Karagui en gedwonge omweg door het losgaan van het ijs in eene baaij.

Wij vertrokken des morgens ten één uur van Karagui met redelijk stil weer, het geen den geheelen dag aanhield, de eenigste tegenspoed, dien wij op onze reis ondervonden, was, dat wij niet, gelijk wij gehoopt hadden, eene baaij konden overtrekken, die door den wind van daags te vooren was los gegaan, wij moesten dezelve dus omreizen. Deeze baaij is diep, ze is agt a tien wersten breed, en de richting van haar loop scheen mij toe noord-oost en zuidwest te weezen, het ys was alleen maar tot aan deszelfs mond gebroken, en van daar was ze weer digt tot in zee: met den omweg, tot welke deeze ontdooijing ons noodzaakte, kan onze dagreis op vijftig wersten bepaald worden.

Gesteltheid van onze rustplaatzen in het open veld.

Bij het vallen van den nagt hielden wij in het open veld stil; aanstonds waaren de tenten opgeslaagen. Onder de grootste, den Heer Kasloff toebehoorende, wierd zijn en mijn vezock met de portieren tegen elkander geplaatst, zo dat wanneer wij de glazen, die van talkbladen waaren, neerlieten, wij gemaklijk zamen spreeken konden; de overige sleeden waaren twee aan twee rondom onze tent geplaatst, en de tusschenruimte van de eene slee tot de andere was met lijnwaat of vellen bedekt, onder welke onze geleiders en[I-206] de luiden van ons gevolg zich in veiligheid konden stellen en hunne bedden maaken; dusdanig was de gesteldheid onzer rustplaatzen in het open veld.

Waar in ons avondeeten, onze eenigste maaltijd, bestond.

Zo dra als de ketel overgehangen was, dronken wij thée, vervolgens was men bezig met het avondeeten in gereedheid te brengen, het geen elken dag onze eenigste maaltijd was. Een Corporaal had het bestier als Hofmeester en als Kok; de geregten, die uit zijne handen kwamen, waaren nog talrijk nog lekker, dog de spoed waar mede hij ze toebereide, en onze honger maakte ons daar omtrent toegeevende. Hij diende ons gewoonlijk een soup, met beschuit van zwart brood en rijst of gort, voor, en ziet hier hoe hij ze vervaardigde: hij nam een stuk osse- of rendiere-vleesch, en voor dat hij die in het kookende water deed, sneed hij ze aan zeer dunne stukjes, die in een oogenblik gekookt waaren.

Daags voor ons vertrek van Karagui had men ons tweede rendier gedood en begonnen; wij vergastten ons op deszelfs merg; ik vond ze raauw of gekookt zeer smakelijk; wij deeden ook de tong kooken, en ik weet niet ooit iets beters gegeeten te hebben.

1788. Maart Den 3.

Onze honden beginnen gebrek te lijden, verscheiden raaken om het leeven.

Wij hervatteden onze reis in den vroegen morgen, dog het was ons onmogelijk meer dan vijf-en dertig wersten afteleggen; de wind was veranderd;[I-207] wederom in het westen en in het zuid-westen gekomen, verhief hij zich op nieuw met eene groote hevigheid en wierp ons den sneeuw in het aangezicht. Onze leidslieden hadden veel te lijden, echter nog minder dan onze honden, waar van verscheiden op weg omkwamen, uitgeput van vermoeidheid; de overigen konden ons uit zwakheid door gebrek aan voedzel niet voorttrekken, men gaf hun niet meer dan het vierde van hun gewoon rantsoen, en naauwlijks hielden wij voor hun nog voor twee dagen voorraad over.

Een Soldaat naar Kaminoi gezonden om aldaar onderstand te zoeken.

In deezen nood zonden wij een soldaat naar het Ostrog van Kaminoi, om aldaar onderstand te zoeken, en om ons te gemoet te doen komen het geleide, hetwelk den Heer Kasloff daar moest afwachten: Dit was een wagt van veertig mannen, die men hem van Ingiga op de eerste tijding van den opstand der Koriaken toegezonden had.

1788. Maart Den 4. Te Gavenki.

Aankomst in het dorp van Gavenki.

Beschrijving van Gavenki.

Wij hadden nog maar vijftien wersten afteleggen, om het dorp of vlek van Gavenki te bereiken; wij hoopten aldaar visch voor onze honden te vinden, en in dit vertrouwen waagden wij het om hun des avonds een dubbelde portie te geeven, ten einde dezelve in staat te stellen, om ons derwaarts te geleiden. Na den nagt even als den voorigen doorgebragt te hebben, begaven wij ons[I-208] des morgens ten drie uuren op weg, wij verlieten den oever van de zee niet, tot aan Gavenki, alwaar wij ten tien uuren aankwamen; dit dorp is dus genaamd ter oorzaake van deszelfs slegte vertooning en elendigen staat[95], men ziet ’er in der daad niets anders dan twee yourtes, die dreigen intevallen, en zes slegt gebouwde balagans van kwaad krom hout, het welk de zee somtijds op den oever werpt, want ’er is hier geen boom in de nabuurschap; alleen ontdekt men van ver eenig zeer slegt en zeer dun gezaait heestergewas. Het verwonderde mij niet te verneemen, dat ’er onlangs meer dan twintig inwoonders vrijwillig verhuist waaren om elders eene betere gelegenheid optezoeken; tegenwoordig bestaat de bevolking van dit gehugt in vijf geslachten, dat van den toijon ’er onder begreepen; daar en boven teld men onder dit getal twee Kamschatters, die van het eiland Karagui zich hier zijn komen nêerzetten. Men zeide mij de reden van hunne verplaatzing niet, dog ik twijffel of ze bij die verandering wel gewonnen zullen hebben.

[95] Deszelfs naam word ontleent van het woord GAUNA, het welk drek betekent.

Twist tusschen één van onze Sergeanten en twee Inwoonders van Gavenki.

Straf der schuldigen.

Wij waaren nog geen uur te Gavenki, of ’er ontstond verschil tusschen een Sergeant van ons gevolg en twee boeren van het dorp, bij wien hij[I-209] zich vervoegt had om hout te verkrijgen; deeze antwoorde zeer bars, dat ze het zelve niet geeven wilden; uit de eene woordenwisseling tot de andere raakten de hoofden verhit, de Kamschatters, weinig bevreest voor de bedreigingen van den Sergeant, trokken hunne messen[96], en vielen op hem aan, dog op dit oogenblik wierden zij door twee van onze Soldaaten ontwapend; zodra de Heer Commandant van deeze daad van geweld onderricht was, gaf hij bevel, dat men een voorbeeld stelde door de schuldigen te straffen; hij deed ze voor de yourte brengen, waar in wij ons bevonden, en hij nodig oordeelende om de andere inwoonders vrees aan te jaagen, kwam buiten om zelfs de straf te zien uitoeffenen, de toijon, die bij mij ter gezelschap gebleeven was, begon als toen zich tegens mij onvergenoegd te toonen over de strengheid, met welke men zijne twee landgenooten behandelde; zijn gezin omringde mij, terwijl het zelve nog harder schreeuwde dan hij. Ik was alleen, echter beproefde ik om hen gerust te stellen, wanneer ik gewaar wierd, dat de Heer Kasloff zijne wapenen vergeeten had; ik sprong naar onze sabels op de beweeging, die de[I-210] toijon maakte om naar buiten te gaan, en ik volgde hem van nabij. Reeds had hij zich bij den Heer Commandant gevoegd, en ruide alle zijne buuren op, hij verzocht, met een groot geschreeuw, dat men de misdadigers losliet, hij was, zeide hij, hun eenigste rechter, het kwam alleen hem toe om ze te straffen; die oproerig geschreeuw beantwoorde de Heer Kasloff alleen met een donker gelaat, het geen de onbeschaamde boeren en derzelver opperhoofd verbaasde; deeze sprak nog eenige woorden, dog men greep en noodzaakte hem, om bij de kastijding, die hij meende te beletten, tegenswoordig te zijn; van de twee oproermaakers, die de straf ondergingen, was de een een jongman van agttien jaaren, en de ander een man van agtentwintig a dertig, ze wierden ontkleed en op den grond gelegd, twee Soldaaten hielden hun de beenen en de handen vast, terwijl vier anderen een hagelbui van slaagen op hunne schouders deeden vallen; men sloeg ze dus den een na den ander met rijsjes van gedroogd denne hout, die hun lighaam vol bloed maakten; op de voorbede der vrouwen, welke overal van een mêedogender aart zijn uit hoofde van de zwakheid haarer sexe, wierd de straf afgebroken, men gaf haar den jongman over, aan wien zij op het oogenblik eene vermaaning gaaven, welke hij gemakkelijk missen kon, want hij was niet in staat[I-211] om ze te hooren, en nog minder om in gedagten te neemen van zich voor de tweede keer te willen verzetten.

[96] Deeze messen waaren omtrent twee voet lang, dezelve zijn aan de gordel vastgemaakt, en hangen tot op de dijen.

De Inwoonders weigeren ons visch.

De gestrengheid, waar van de Heer Commandant zich in deeze gelegenheid bediende, was des te noodzaaklijker, dewijl wij hier reeds den besmettelijken overgang van den onrustigen aart der Koriaken ontwaar wierden. De zeden van deeze het tegenovergestelde zijnde van die der Kamschatters, welke wij verlieten, deeden ons die der bewoonders van Gavenki twijffelen, of het nog wel het zelfde volk was. Zo veel reden wij hadden om over den iever en de goedaartigheid der anderen te vreden te zijn, zoo veel te meer moesten wij ons beklaagen over de hardnekkigheid en de bedriegerij van deeze. Welke aanzoeken wij ook bij hun deeden, wij konden maar geen visch voor onze honden verkrijgen, zij verzekerden ons koeltjes, dat zij ’er geen hadden, hunne dubbelzinnige antwoorden verraadden hun, en het duurde niet lang of onze leidsluiden wierden ’er de valschheid van gewaar, met alles te doorsnuffelen ontdekten ze onderaartsche bewaarplaatzen, alwaar deeze lieden bij onze aankomst hunnen voorraad verborgen hadden. Niettegenstaande de voorzorg, die ze gebruikt hadden om ’er het spoor van te verbergen, door ze kunstiglijk met aarde en sneeuw te bedekken, wierd in korten[I-212] tijd alles door onze honden opgespoord, wien door hunne neuzen en den honger de weg geweezen wierd; op het gezicht van hunne diepe kelders en van den visch, dien men ’er uithaalde, bragten deeze boeren de slegtste redenen voort om zich te rechtvaardigen, deeze verdubbelden onze verontwaardiging, en zonder een overblijfzel van medelijden met hun, hadden wij alles weggenomen, dog wij vergenoegden ons met ’er een gedeelte van te neemen.

Visch, dien men op deze kusten vangt.

Uit het geen wij in deeze kelders vonden, scheen het, dat men salm, haring, kabeljaauw, zeepaarden en verscheide andere halfslagtige dieren op deeze kusten vischt.

Meir in den omtrek van Gavenki.

Men vind geen bron nog rivier in de nabuurschap, maar alleen een meir, dat het water aan de inwoonders van Gavenki verschaft; zij gebruiken des winters de voorzorg om het ijs, waar mede het zelve bezet is, te breeken, waar van ze groote stukken t’huis brengen, vervolgens werpen ze die in een soort van bakken, die in de yourte opgehangen worden ter hoogte van een manslengte; de warmte is daar sterk genoeg om het ijs langzamerhand te doen smelten, en het is hier, dat ieder water komt haalen, wanneer men dorst heeft.

Men ziet bij dit dorp een berg of een soort van verschanssing in de manier van deeze volkeren,[I-213] die daar eertijds in hunne oproerigheden de wijk namen.

1788. Maart van den 5. tot den 9.

Vertrek van Gavenki.

Wij hielden ons te Gavenki maar twaalf a dertien uuren op; wij vertrokken van daar des nagts om ons naar Poustaretsk te begeeven, het welk ’er meer dan twee honderd wersten van afgelegen is; wij hadden vijf volle dagen nodig om dien overtogt te doen, nimmer was onze reis nog zo moeijlijk geweest; wij hadden ons over het wêer van den eersten dag niet te beklaagen, dog den volgenden overviel ons de sneeuw en de stormbuijen; de een volgde de ander zonder tusschenpoozing en met zo veel hevigheids, dat onze leidslieden ’er verblind van wierden, vier treden voor hun uit konden zij niets onderscheiden, zij zagen zelfs de slee niet, die hun oogenbliklijk volgde.

Onze wegwijzer doet ons verdwaalen.

Tot overmaat van ramp, was de wegwijzer, dien wij te Gavenki genomen hadden, oud en kort van gezicht, ook deed hij ons somtijds verdwaalen, als dan liet hij ons stil houden, en ging alleen voorwaards om een punt van verzameling te zoeken, maar hoe zulks te vinden in eene zo uitgebreide vlakte, met sneeuw bedekt, en alwaar men nog bosch, nog berg, nog rivier gewaar word? Alle oogenblikken faalde de ondervinding van onzen leidsman door het slegte weêr, niettegenstaande de ongelooflijke kundigheid, die[I-214] hij van deeze wegen had; het geringste heuveltje of heestertje was genoeg om hem weêr op den weg te helpen; daar hij zich echter somtijds wel eens bedroog, meenden wij dagelijks wel twintig wersten besteed te hebben aan omwegen, die hij ons veroorzaakte.

De honger beroofde ons van de honden.

Ten einde van twee dagen waren mijne honden op een enkelden visch gebragt, die onder allen verdeeld wierd. Het gebrek aan voedzel benam hun welhaast de krachten, naauwlijks konden zij ons trekken, de een viel neder onder de slagen van onze geleiders, de ander weigerde langer dienst te doen; verscheiden bleeven op de plaats van gebrek dood; van de zevenendertig honden voor mijn vezock gespannen, wanneer ik van Bolcheretsk vertrok, had ik er niet meer dan drie-en-twintig overgehouden, en nog waaren dezelve zeer zwak; de Heer Kaslof had insgelijks veele van de zijnen verlooren.

Het gebrek wierd op het laatst zo groot, dat wij ons op het punt gebragt zagen van niet uit deeze woestijn te kunnen koomen; onze honden volstrekt geen visch meer hebbende, waaren wij verplicht, om ze in het leeven te behouden, van hun van onzen eigen voorraad te geeven, dog derzelver aandeel was maatig; de voorzichtigheid beval ons de gestrengste bezuiniging.

Wij laaten ons reisgoed op het midden van den weg.

In deeze droevige omstandigheid verlieten[I-215] wij onze goederen op het midden van den weg, onder bewaaring van eenige onzer leidsluiden, en na, onder het voorspan van deeze sleeden de minst slegte honden uitgekoozen te hebben, om de geenen, die ons ontbraken, te vervullen, vervolgden wij onzen weg.

Nieuwe zwaarigheden.

Wij waaren niet buiten moeijelijkheid nog ongerustheid; het water begon ons te ontbreeken, de eenigste kleine beek, die wij onder weg vonden, was bevroozen, wij moesten besluiten om ons met sneeuw te laaven. Gebrek aan hout was eene andere verlegenheid; geen boom stond ’er op onzen weg, wij reisden somtijds een werst, om een slegt heester gewas, dat geen voet hoogte had, te ontdekken, alle, die zich aan ons oog aanboden, wierden ook dadelijk afgesneeden en mede genomen, uit vrees van ’er verder op geen te zullen vinden, dog deeze waaren zo klein en zeldzaam, dat ze niet voldoende bevonden wierden om onze spijs te kooken. Er was dus geen gelegenheid om ons te verwarmen, echter was de koude allerstrengst, en de traage voortgang van onze reis gaf ons gelegenheid om te klappertanden; bij iederen tred waaren wij genoodzaakt stil te houden, om de honden aftespannen, die de een na den ander stierven.

Ik zou geen verhaal kunnen geeven, wat in deeze omstandigheden binnen in mij omging, de[I-216] geest had meer dan het lighaam te lijden; de ongemakken, die ik met mijne medemakkers doorstaan moest, gingen mij het minste aan het hart, hun voorbeeld en mijne jeugd deeden mij alles met kloekmoedigheid verdraagen; dog mijne standvastigheid verliet mij, zo dra ik aan mijne brieven dagt; nagt en dag waaren dezelve onder mijne bewaaring, ik raakte ze niet dan met schrik aan. Het ongeduld om mijne zending te vervullen, de voorstelling der tegenspoeden, die ik te overwinnen had, de onzekerheid van daar in zullen slaagen, alle deeze denkbeelden ontrusten mij te gelijk, ik zogt ’er mij wel van te ontdoen, dog een oogenblik daar na bragt mij eene nieuwe tegenkanting weder tot deeze hoopelooze aanmerkingen.

Middelen, waar van wij ons bedienden, om onze honden te doen voortgaan.

Wanneer wij van Gavenki vertrokken, hadden wij de oostkust verlaaten, die van het westen vertoonde zich aan ons oog, wanneer wij nog twee wersten van Poustaretsk af waren, zo dat wij dit gedeelte van Kamschatka in deszelfs geheele breedte doorkruist hadden, het welk, gelijk men gezien heeft, maar twee honderd wersten of vijftig uuren is; wij deeden deezen togt meer te voet dan in sleeden, onze honden waaren zo zwak, dat wij liever verkoozen ons te vermoeijen, om dezelve eenigzints te gemoet te komen, echter liepen ze daarom zelden te gaauwer;[I-217] onze leidsluiden konden hun niet doen voortgaan, als met zich zelfs even als de honden aantespannen, om dezelve onze rijtuigen te helpen voorttrekken, en wij hitsten ze aan met hun een neusdoek te toonen, die even als de visch in een gedraaid was, zij volgden dit lokaas, dat voor hun uit vluchte, naar maate zij het zelve naderden om het te vatten.

1788. Maart Den 9. Te Poustaretsk.

Aankomst te Poustaretsk.

Het was door dit middel, dat wij ons oogmerk bereikten, om den berg, die naar Poustaretsk leid, overtekomen. Ik rekende mij behouden, wanneer ik in dit gehugt aankwam, uit hoofde van het vrindelijk onthaal, het geen ons de vrouwen beweezen. Wij vonden ’er zes, die ons te gemoet kwamen, en die ons met de dwaaste betooningen van vreugde inhaalden. Wij begreepen uit eenige woorden, welke zij ons zeiden, dat hunne mannen naar het Ostrog van Potkagornoï gegaan waaren, om walvischvleesch te haalen; zij geleiden ons naar haare wooningen, rondom ons zingende en danzende als uitgelaaten. Eene onder haar ontdeed zich van een parque van een jong rendier, om ’er den Heer Commandant mede te omhangen; de anderen betoonden haar genoegen over onze aankomst, welke zij volgens haare verzekeringen niet wagtten, door een luidruchtig geschater van lagchen; dit was niet zeer waarschijnlijk, dog wij gedroegen ons, of wij zulks geloofden,[I-218] in de hoop van daar door gemaklijker te zullen kunnen handelen.

Vergeefsche naspooringen om visch te vinden.

Wij kwamen den 9. des namiddags ten drie uuren te Poustaretsk, en ons eerste werk was om alle de bewaarplaatzen van de visch te doorzoeken. Hoe groot was ons verdriet, wanneer wij ze ledig vonden! wij hielden op het oogenblik de Inwoonders verdagt, dat ze dezelfde voorzorg als die van Gavenki gebruikt hadden; en ziet daar ons bezig met die vrouwen te ondervraagen, en met aan alle kanten te graaven, in de overtuiging, dat de voorraad verborgen was. Hoe meer men het ontkende, zo veel te meer vermeerderden wij onze naspooringen; dan deeze waaren vrugteloos en wij konden niets ontdekken.

Treurig schouwspel het welk onze honden ons opleeverden.

In dien tusschentijd had men onze honden uitgespannen, om ze volgens gewoonte op reijen vast te maaken; zo dra ze aan de paal waaren, vraten ze derzelver riemen en tuigen op, in een oogenblik was alles verslonden; te vergeefsch tragte men om hun daar af te houden, het grootste gedeelte ontvlugte in het veld, alwaar zij ginds en herwaards zworven, alles opeetende, wat hunne tanden verscheuren konden; alle oogenblikken stierven ’er eenigen, die te gelijker tijd een prooij voor de anderen wierden; deeze wierpen zich op deeze doode lighamen en scheurden ze aan stukken, ieder lid wierd den roover betwist door[I-219] een troup mededingers, die hem met gelijke hevigheid aanvielen: zo hij onder de menigte leggen bleef, was hij op zijn beurt het voorwerp van een nieuw gevegt[97]; op de afschuwelijke vertooning van hun zich dus onderling te zien verscheuren, volgde het droevig schouwspel van de geenen, die de yourte belegerden, alwaar wij ons verblijf hielden. Deeze arme dieren waaren zodanig vermagerd, dat men ’er meelijden mede hebben moest, zij konden zich naauwlijks beweegen, door hun klaagend en geduurig gehuil scheenen ze ons te smeeken, om hun te helpen, en tevens ons te verwijten de onmogelijkheid, waar in wij waaren om het te kunnen doen; verscheidene die zo veel van de koude als van den honger te lijden hadden, lagen zich neder aan den rand van de uitwendige opening, in het dak van de yourte gemaakt, en waar door de rook uittrekt. Hoe meer ze de hette gevoelden, hoe digter ze daar bij naderden; eindelijk vielen zij voor onze oogen in het vuur, het zij uit zwakheid, of dat ze het evenwicht verlooren.

[97] Om ons tegen deeze uitgehongerde honden te verweeren, waaren wij genoodzaakt van niet zonder onze stokken, of zonder wapenen, waar mede men dezelve verdrijven kan, uittegaan.

De Soldaat, die naar Kaminoi gezonden was, moest onderweg blijven.

Weinig oogenblikken na onze aankomst zagen[I-220] wij den leidsman van den soldaat, die den 3. naar Kaminoi gezonden was, om aldaar onderstand te haalen, te rug komen, hij gaf ons te kennen, dat onze zendeling zelf de spoedigste hulp nodig had, dat hij het geluk had gehad om twaalf wersten ten noorden van Poustaretsk eene slegte verlaate yourte aantetreffen, dat hij zich daar in veiligheid tegens de winden geplaatst had, die hem tien reizen hadden doen verdwaalen, dat de voorraad, dien wij voor hem en voor zijne honden medegegeeven hadden, gebruikt was, en dat hij daar met ongeduld afwagte, dat men hem uit de verlegenheid kwam redden, dewijl het hem anders onmogelijk was uit zijn schuilplaats te komen, nog om de bevelen, waar mede hij belast was, uittevoeren, nog om zich wederom bij ons te voegen.

Bode naar Potkagornoi gezonden, om aldaar walvischvleesch te gaan haalen.

De Heer Kasloff, wel verre van zich door deezen nieuwen tegenspoed te laaten neêrslaan, boezemde ons moed in, wanneer hij ons de laatste hulpmiddelen, die hij voorneemens was in het werk te stellen, mededeelde; reeds had hij op de verzekering, die men ons gegeeven had, dat ’er een walvisch nabij Potkagornoi op het drooge voorvallen was, iemand derwaarts gezonden, de meeste spoed was hem aanbevolen, en hij moest zo veel vleesch en vel van dien visch medebrengen, als hij maar krijgen kon.

[I-221]

1788. Maart Den 10. Te Poustaretsk.

De Sergeant Kabéchoff vertrekt naar Kaminoi, met het overschot van onzen voorraad.

Deeze hulp nog onzeker zijnde, stelde ons de Heer Commandant voor, om de weinige levensmiddelen, die ieder van ons voor zijne eigen honden meende te bewaaren, opteofferen; de vraag was om ’er ons van te ontdoen ten behoeven van den Sergeant Kabéchoff, die zich aanbood om naar Kaminoi te gaan. In den nood, waar in wij ons bevonden, was de minste straal van hoop genoegzaam om ons te doen besluiten van alles te waagen; wij omhelsden dan deezen raad met vervoering, ons geheel en al op den iever en de kundigheid van dien Sergeant verlaatende.

Hij vertrok den 10. van de nodige onderrichtingen en van het overschot van onzen voorraad voorzien. In deszelfs weg moest hij onzen armen soldaat opneemen, en van daar den last gaan vervullen, waar van deeze zich niet had kunnen kwijten. Na alle deeze maatregelen genomen te hebben, vermaanden wij elkander tot geduld, en wij zogten ons van onze bekommernissen aftetrekken, in afwachting, dat het de voorzienigheid behaagen mogt ons daar van te bevrijden. Ik gaa van deezen tijd gebruik maaken om rekenschap te geeven van de waarneemingen, die ik te Poustaretsk gemaakt heb.

1788. Maart van den 10. tot den 12. Te Poustaretsk.

Beschrijving van Poustaretsk en de omliggende streeken.

Dit gehugt is op het hangen van een berg, die door de zee bespoeld word, gelegen, want men[I-222] kan geen rivier noemen[98], het geen eigentlijk maar een zeer naauwe golf is, die zich tot aan den voet van deezen berg uitstrekt; het water is brak en in het geheel niet drinkbaar; om daar aan te gemoet te komen, dronken wij bezonken sneeuw, het welk ons eenigste zoet water was; twee yourtes, alwaar omtrent vijftien persoonen in leeven, maaken het geheele gehugt uit, men kan ’er ook nog eenige balagans onder rekenen, welke de inwoonders met het begin van den zomer betrekken, zij hebben die eenige wersten van de yourtes af, en meer voorwaards in de velden gebouwd.

[98] De inwoonders noemen ze Poustaïa-reka, dat is te zeggen, eenzaame rivier; die golf was als toen geheel bevroozen.

Spijze der inwoonders gedurende ons verblijf aldaar.

Zij brengen daar den zomer met visschen door, en om hunnen voorraad voor den winter te verzamelen; naar het voedzel, dat ik hun zag gereed maaken en gebruiken, te oordeelen, moet de visch er niet overvloedig zijn; geduurende ons verblijf bepaalde zich hunne spijze tot vleesch of vet van walvisschen, tot raauwe boomschors, en tot boomknoppen met olie van walvisschen, zee-wolven of vet van andere dieren; zij verhaalden ons, dat ze somtijds in volle zee kleine kabbeljaauwen gevangen hadden; ik weet niet of[I-223] ze ’er in den een of anderen hoek van verborgen hadden, dog wij hadden zo veele naspooringen gedaan, en wij zagen hun zulke slegte cier maaken, dat ik hun eindelijk waarlijk zo arm geloofde, als ze scheenen te zijn.

Wijze, waarop de rendieren gevangen worden.

Hunne manier om de rendieren te vangen, die in een groot aantal in deeze streeken gevonden worden, is niet minder zeker als gemaklijk; ze omzetten eene zekere uitgestrektheid gronds met palissaden, laatende daar in alleen eenige openingen: het is in deeze naauwe doortogten, dat zij hunne netten of strikken spannen, zij scheiden zich vervolgens van elkander, om de rendieren in deeze strikken te jaagen. Deeze beesten, zich zoekende te redden, loopen daar in en raaken met den hals of de hoornen vast; daar ontkomen ’er altijd een groot getal, die de strikken breeken of de palissaden omwerpen; echter heeft ééne jagt, door twintig of dertig menschen ondernomen, wel eens meer dan zestig rendieren uitgeleverd.

Bezigheden der vrouwen.

Behalven het huishoudelijke werk zijn de vrouwen belast met de vellen van verschillende dieren te bereiden, bijzonder van de rendieren, en met dezelve te verwen en te naaijen; zij schraapen dezelve eerst af met een scherpen steen, die in een stok vastgemaakt is. Na ’er het vet afgehaald te hebben, gaan ze voort met afschraapen, ten einde ze dunder en buigzaamer te maaken;[I-224] de eenigste couleur, waar van zij gebruik maaken om ze te verwen, is een zeer donker rood, zij trekken het zelve uit een boomschors in het Russisch Olkhovaïa-déréva genaamt, en bij ons onder de naam van elze bekend; men laat deeze schors kooken, vervolgens vrijven zij daar het vel mede, tot dat de verf wel doordrongen is; de messen, welke dienen om vervolgens deeze vellen te snijden, zijn geboogen en waarschijnlijk van de uitvinding dezer volkeren.

Zeer dunne rendieren zenuwen, door dezelfde vrouwen toebereid, verstrekken hun tot draaden, zij verstaan het naaijen zeer wel, haare naaldens komen van Okotsk en zijn niet buitengewoon, derzelver vingerhoeden gelijken na die van onze kleermaakers, ze plaatzen die altoos aan den voorsten vinger.

Manier van tabakrooken.

Bij mijn doortogt van Karagui heb ik opgegeeven de wijze, waar op deeze volkeren tabak rooken, dog ik kan niet voorbij ’er nog eens van te spreeken, om de nadeelige gevolgen daar van te doen kennen, waar van ik hier verscheide voorbeelden gezien heb; derzelver pijpen[99] kunnen[I-225] naauwlijks een vingergreep tabak bevatten, het geen zij tot verveelens toe herhaalen; en zie hier, hoe ze zulks verrichten; door den rook met geweld doorteslikken, in plaats van denzelven uitteblaazen, worden zij langzamerhand dronken, zelfs tot dien trap, dat ze in het vuur zouden vallen, indien ze ’er na bij waaren. Gelukkig heeft de gewoonte hun geleerd, om de gewaarwording van deeze bezwijming optevolgen, zij gebruiken de voorzorg van zich nedertezetten of zich aan het eerste voorwerp, dat zij vinden, vast te houden. Hun flaauwte duurt ten minsten een vierendeel uurs, geduurende welken tijd zij in eene zeer gevaarlijke omstandigheid zijn, het klamme zweet overdekt hun lighaam, de kwijl loopt van de lippen, de ademhaaling is moeijelijk en van een gestadigen hoest verzeld. Wanneer zij in deezen staat geweest zijn, meenen zij smakelijk gerookt te hebben.

[99] De lengte van deeze pijpen is van hout en hier en daar geborsten, in de midden kan men ze opendoen, en de zuinigheid der rookers doet hun het aangeslagene afkrabben, om vervolgens dit afschraapzel te rooken.

Kleeding.

Vrouwen nog mannen draagen hier hemden; hun gewoone kleeding heeft ’er bijna de gedaante van, ze is minder kort en van een rendieren vel gemaakt; wanneer zij uitgaan, trekken zij ’er een, dat warmer is, overheen; des winters draagen de vrouwen in plaats van rokken, gevoerde broeken[100].

[100] In de beschrijving van de kleeding der Kamschatters heeft men gezien, dat zij onder hun parque een klein hemd van nankin of van katoen draagen.

[I-226]

Den 12.

De Heer Schmaleff voegt zich weder bij ons.

Den 12. kwam de Heer Schmaleff wederom bij ons, zijn terugkomst was ons des te aangenaamer, vermits wij zeer ongerust over hem wierden; het was zes weeken geleeden, dat wij van hem gescheiden waaren[101], en bijna was er een maand verstreken na het bepaalde tijdstip, waar in wij ons weder hereenigen moesten. Er bleef hem weinig voorraad over, dog zijne honden beter zijnde dan de onze, maakten wij daar van gebruik om onze goederen aftehaalen, die wij genoodzaakt geweest waaren van onder weg te laaten, en waar van wij zedert onze aankomst geen het minste naricht bekomen hadden.

[101] De leezer zal zich herinneren, dat hij ons te Apatchin op den 29 Januarij verlaaten had.

1788. Maart van den 12. tot den 17. Te Poustaretsk.

De zuidweste wind, die ons op reis zo zeer gehinderd had, bleef met dezelfde hevigheid geduurende verscheide dagen waaijen, vervolgens liep dezelve in het noord-oosten: dog het wêer wierd ’er des te slegter door.

Het scheen, als of de vertoornde natuur ook tegen ons zamenspande om de zwaarigheden te vermeerderen en onze ellende te verlengen. Ik beroep mij op een ieder, die zich immer in eene zodanige omstandigheid bevonden heeft, hem[I-227] is bekend, hoe smertelijk het valt van dus door telkens wederopkomende beletselen gekluisterd te zijn; men mag alles aanwenden om zich afleiding te bezorgen, en zich met geduld te wapenen, op den duur worden de krachten uitgeput en de reden verliest haare werking; niets maakt ons lijden onverdraaglijker, dan wanneer wij ’er geen einde aan zien.

Bedroevend antwoord van den Sergeant Kabétchoff.

Wij ondervonden dit alles maar al te zeer, wanneer wij de brieven van Kaminoi ontfingen. Kabéchof melde ons, dat van daar geen hulp te wachten was; de van Ingiga afgezondene manschap was buiten staat om ons te gemoet te komen; over twee maanden reeds te Kaminoi gekomen, had dezelve niet alleen hun voorraad van leevensmiddelen gebruikt, maar ook daar en boven dat geene, het welk voor ons was geschikt geweest; de honden verscheurden elkander even als de onze, en de veertig manschappen zagen zich tot het uiterste gebragt; onze Sergeant voegde daar bij, dat hij aanstonds naar Ingiga, als onze eenigste toevlucht, gezonden had; zijn afgezondene kon niet dan binnen eenige dagen terugkomen; dog hij twijffelde of hij wel een voldoend antwoord mêe zou brengen, dewijl deeze stad niet anders dan slegt voorzien kon weezen van levensmiddelen en van honden, na de[I-228] aanzienlijke afzending, die dezelve daar van gedaan had.

De Heer Kasloff ontfing de tijding van zijne bevordering.

Dit droevig bericht benam ons alle hoop, en wij rekenden ons verlooren; onze mistroostigheid en droefheid was zodanig, dat de Heer Kasloff in het eerst ongevoelig was voor de nieuwstijding van zijne bevordering, die hij met denzelfden bode ontfing. Een brief van Irkoutsk komende, melde hem, dat de Keizerin uit erkentenis voor zijne gedaane diensten hem van het bevelhebberschap van Okotsk tot dat van Yakoutsk bevorderd had. In alle andere omstandigheden zou deeze gunst hem van blijdschap verrukt hebben, hier door verkreeg zijne werkzaamheid een ruimer veld, en meer gelegenheid om zijne bekwaamheid in de kunst van regeeren te oeffenen, dog hij was ’er verre af, om de voordeelen van zijn nieuwe bediening te berekenen, alle gewaarwordingen moesten voor die van ons gevaar wijken, en hij was ’er als van overstelpt.

Ik vorm het denkbeeld om van den Heer Kasloff te scheiden.

In een zo hagchelijk oogenblik moest ik aan een ingeeving des Hemels toeschrijven het denkbeeld, dat eensklaps in mij ontstond, om van den Heer Kasloff te scheiden. Wanneer ik daar op doordagt, gevoelde ik het onvriendelijke omtrent hem, en het verdrietige, dat daar in voor mij gelegen[I-229] was; ik wilde mij daar van ontdoen, dan te vergeefsch: in weerwil van mij zelfs moest ik ’er bij stil staan, ik dagt aan mijn vaderland, aan mijne bloedverwanten, aan mijn plicht. Derzelver onoverwinlijk gezag behaalde de overwinning, en ik ontdekte mijn voorneemen aan den Heer Commandant. Op het eerste aanhooren scheen hem dit ontwerp buitenspoorig, en hij liet niet af met het zelve te bestrijden. De begeerte om het uittevoeren verschafte mij antwoorden op alle zijne tegenwerpingen. Ik bewees hem, dat, wanneer wij bij den anderen bleeven, wij ons de een den ander de middelen benamen om onzen weg te vervolgen; wij konden niet te zamen vertrekken zonder eene aanmerkelijke versterking van honden. Onder de geenen, die ons overbleeven, bevonden ’er zich maar zeven en twintig, die redelijk waaren, alle de anderen waaren of dood of onbekwaam om te dienen[102]; wanneer een van ons toestemde om aan den ander deeze zeven en twintig honden aftestaan, zou de laatste daar door in de mogelijkheid geraaken van voorwaards te komen, en zijn vertrek zou den geenen, dien hij verliet, ontslaan van de zorg, om nog dit[I-230] klein getal van uitgehongerde honden te voeden. Maar, antwoorde mij de Heer Kasloff, zult gij niet altoos eenige leevensmiddelen voor dezelve nodig hebben? en hoe zult gij ze die verschaffen?

[102] Men zal zich ongetwijffelt wel herinneren, dat wij van Bolcheretsk vertrokken waren met een troup van bijna drie honderd honden.

Wij bekomen van Potkagornoi Walvisch vlees en vet.

Ik wist maar al te veel op deeze aanmerking intebrengen, wanneer men ons zeide, dat onze afgezondene van Potkagornoi was te rug gekomen; gelukkiger geslaagd dan alle de andere, bragt hij ons in een groote hoeveelheid walvisch-vleesch en vet aan, mijne vreugde was op dat gezicht uitermaate, alle de zwaarigheden waaren verdweenen, ik dagt reeds van Poustaretsk vertrokken te zijn. Op het zelfde oogenblik geraakte ik weder met den Heer Commandant op mijn voorstel, die nu geen zwaarigheden meer kon inbrengen, mijn iever moest prijzen, en eindelijk in mijn verzoek instemde, ’er wierd vastgesteld dat ik uiterlijk den 18. alleen zou vertrekken; van dien tijd af hielden wij ons bezig met de noodwendige schikkingen, die ter uitvoering van dit ontwerp nodig waaren.

De rust onder de Koriaken hersteld.

Alles beloofde mij nu een goeden uitslag; onder de droevige nieuwstijdingen, die wij van Kaminoi bekomen hadden, waaren ’er echter eenige zeer vertroostende. Men verzekerde ons onder anderen, dat wij in onzen doortogt geene hinderpalen zouden ontmoeten, de rust was onder de[I-231] Koriaken hersteld, en om ons daar van te overtuigen, hadden zij begeert, dat eenige uit hun den soldaat, die met brieven aan den Heer Commandant belast was, zouden vergezellen; de zoon van het Opperhoofd der oproerigen, genaamt Eitel, was aan het hoofd van dit geleide; hij zeide ons, dat zijne landgenooten ons zedert lang met ongeduld wachtende waren, en dat zijn vader voorneemens was om den Heer Kasloff ten bewijze van zijnen eerbied te gemoet te komen.

Het onthaal, ’t welk wij den Koriaken aandoen.

Verblijd, dat wij niets meer te vreezen hadden, ten minste van dien kant, bevlijtigden wij ons, om aan deeze Koriaken ons genoegen over hunne welwillenheid ten onzen opzichte te betuigen, wij gaven hun alle geschenken, die onze toestand ons toeliet, namelijk van tabak, stoffen en verscheidene zaaken, die ik geduurende mijn reis op zee gekogt had, en van andere, die de Heer Graaf de la Perouze mij had agtergelaaten. Wij gaven ’er hun ook voor derzelver ouders, dog onze voornaamste zorg bestond daar in, om ze zo dronken als mogelijk was te maaken, ten einde zij wel te vreden over ons onthaal zouden weezen; wij moesten dezelve naar hunnen smaak behandelen, daar en boven word dit bij hun voor de grootste beleeftheid gehouden.

Zij belasten zich met twee mijner mantelzakken.

Ik sloeg deeze Koriaken voor om zich met twee mijner mantel-zakken te belasten; in het eerst[I-232] scheenen ze daar in geen zin te hebben, te meer om dat ik vorderde, dat ze tot aan Ingiga gebragt wierden; echter verkreeg ik op het laatst door vriendelijkheden en geld, dat zij dezelve op hunne sleeden mede namen; het belang alleen dreef hun om mij deezen dienst te bewijzen, dog ze was mij van zo veel nut, dat ik niet geloofde dezelve te duur betaald te hebben; daar door van mijn reisgoed ontlast, had ik alleen maar voor mijne brieven te zorgen; ik had daar en boven weinig vrees voor de zaaken, die ik aan deeze Koriaken toevertrouwde, dewijl de soldaat, met de brieven van Ingiga belast, met hun te rug keerde, en mij beloofde daar zorg voor te zullen draagen, als mede dat mijne begeerte getrouwelijk gevolgt wierd.

De Heer Kaslof stelt mij zijne brieven ter hand en geeft mij de nodige paspoorten tot mijne veiligheid.

Tot op het oogenblik van mijn vertrek was de Heer Kaslof bezig[103] met zijne brieven te vervaardigen, waar mede ik volgens afspraak mij belasten zou; hij gaf mij een podarojenei of paspoort, die mij tot aan Irkoutsk van dienst kon weezen, en waar heen hij nog daar en boven[I-233] schreef, dat men mij alle de nodige hulp moest verschaffen. Die vrijgeleibrief was een bevel aan alle de Russische Officieren en andere onderdaanen van de Keizerin, die ik tot daartoe ontmoeten mogt, om mij alle gemak te bezorgen, ten einde ik mijn reis met alle zekerheid en spoed kon vervolgen. De voorzigtigheid van den Heer Commandant verzuimde niet om alles toetebrengen, wat mij van dienst kon weezen; hij had geen meerdere voorzorgen kunnen gebruiken, al was ik ook zijn geliefdste broeder geweest.

[103] Dit was waarlijk een zeer vermoeijende arbeid, wanneer men in aanmerking neemt, dat wij in deeze yourtes niet dan leggende op de grond konden schrijven, daar en boven waaren wij van den rook overstelpt, en zagen onzen inkt naast ons bevriezen.

Mijne aandoeningen, wanneer ik van den Heer Kasloff moest scheiden.

Hier moet ik ophouden, want ik kan de ontroering niet wederstaan, die ik ondervind, wanneer ik overweeg, dat ik dien beminnenswaardigen man gaa verlaaten, aan wien de hoedanigheid van zijne ziel, nog meer dan de bevalligheid van zijn verstand, mij voor altoos verbonden heeft.

De edelmoedige opofferingen, die hij voor mij heeft gedaan, weegen in dit oogenblik op mijn hart, en ik moet mij verwijten van dezelve begeert te hebben; wat kost het mij niet, om hem alleen in deeze woestijn agter te laaten, zonder voor mijn vertrek te weeten, hoe hij ’er zich zelfs uit zal redden! Het beeltenis van zijne treurige omstandigheid vervolgt en ontroert mij. Ach! laat ik het nog eens herhaalen, om tot het besluit te koomen van mij van hem te verwijderen, niettegenstaande het verbod, het geen mij de Heer[I-234] Graaf de la Perouze daar omtrent gedaan had moest ik ongetwijffelt alleen gedrongen worden door de overtuiging, dat mij geen ander middel overbleef om spoedig mijne brieven over te brengen; zonder deeze reden, zonder dit eenige oogmerk mijner zending, zou niets mijne begeerte om te vertrekken in mijne oogen kunnen verschoonen. Mogt het getuigenis, dat mijne erkentenis altoos zal afleggen, zo omtrent de door den Heer Kasloff aan mij beweezene weldaaden, als omtrent den iever, dien hij in den dienst van zijne Souvereine betoonde, iets tot zijne bevordering en tot zijn geluk toebrengen! als dan zou aan het mijne niets anders ontbreeken, dan het vermaak van hem weêr te zien en hem te omhelzen.

Einde van het eerste Deel.

Ornament

(I-235)

NABERICHT VAN DEN NEDERDUITSCHEN VERTAALER.

Wij hebben gemeent den Nederduitschen leezer geen ondienst te zullen doen met kortelijk optegeeven de berichten, die men tot hier toe van den Graaf de la Perouse ontfangen heeft.

Het was den 17 October 1788, dat de Schrijver van dit werk de eerste tijding van den togt des voorn. Graafs te Versailles overbragt, zijnde gen. Graaf de la Perouse benevens den Burggraaf de Langle met de schepen la Boussole en l’Astrolabe op den 1 Augustus 1785 van de rhee van Brest vertrokken, om ontdekkingen te doen. Na de eilanden Madera en Teneriffe, ten einde zich aldaar van nog wat wijn te voorzien, die van Martinvas en la Trinité, om derzelver aardmeetkundigen stand te bepaalen, en dat van St. Katherina van Brezil, om ’er eenige ververschingen in te neemen, aangedaan te hebben, deed de Graaf de la Perouze eenige navorschingen in de Zuidzee,(I-236) voer den 25 Januarij 1786, zijnde 69 dagen na zijn vertrek, de straat la Maire door, en bereikte den 9 Februarij den grooten Oceaan, gemeenlijk de zuid of de stille zee geheeten; den 24 dier maand wierp hij het anker in de baaij van la Conception, (een Stad in Chili) en vertrok van daar den 19. Maart. Den 8 April ontdekte hij het Paasch-eiland, waar hij aan land stapte; den 28 Maij kwam hij onder het Eiland Othahijtie, een der Sandwichsche Eilanden, waar Capitein Coock zo ongelukkig het leeven liet; de Graaf de la Perouse lag zich voornamelijk toe, om die Eilanden op te neemen, welke de beroemde Engelsche Zee-reiziger niet heeft kunnen bezichtigen. Hij verliet de Sandwich 1 Junij, zette koers naar Noord-Amerika, en bereikte aldaar den 23 dier maand de hoogte van Mont Saint-Elie, op 60 graden breedte; van de plaats, alwaar hij lande, tot aan de haven van Monterey, op 36 graaden en 2 minuuten breedte, nam hij de kust op; het geen Capt. Coock, door tegenwinden belemmerd, slegts gedeeltelijk en van afstand tot afstand had kunnen doen, zijnde niet verder geweest dan 43 graaden; Hij vertrok uit de haven van Montereij den 24 September, stak den grooten Oceaan over naar het vaste land van Asia, en ontdekte op deezen Togt eenige onbewoonde Eilanden.

(I-237)

Den 15 December raakte hij in het gezigt van Assonsong, een der Eilanden onder de kust van China, en wierp den 3 Januarij 1787 het anker voor Macao; van daar vertrok hij 6 Februarij, en liep den 28 in de baaij van Manille, voor Cavita, om zich van eenige ververschingen en leevensmiddelen voor zijn laatsten Togt te voorzien; hij verliet de Manille den 9 April, en, ten oosten Formosa voorbij zeilende, zette hij kours tusschen door de Eilanden Japan en Korea, bezag de oostkust van dat schier-eiland, en voer tot op 52 graaden breedte, door een vrij enge straat, bij de zeevaarders onbekend, en gevormd, van de eene zijde door de oostelijke kusten van Tartarijen, en van den anderen kant, door twee groote Eilanden, waar hij aan land stapte, en dezelve gedeeltelijk bezigtigde; het noordelijk einde deezer zee-engte door banken bezet vindende, welken den doortogt ondoenlijk maakten, wendde hij te rug naar het zuiden, en zijne naspooringen voortzettende, ontdekte hij, op 46 graaden breedte, een straat, die hem in de zee bragt, gelegen ten oosten der Kurillische Eilanden, tusschen welken hij eenen weg vond, waar door hij naar de haven van Avatska in Kamschatka gelegen kon zeilen: aldaar wierp hij den 6 September het anker.

Deeze scheepstogt van 5 maanden in eene(I-238) onbekende zee, onder bijna onophoudelijke zwaare nevels, was inderdaad niet min gevaarlijk dan moeijelijk: dezelve kan egter niet weinig ter opheldering dienen van een voornaam punt der aardmeetkunde; zullende, gevoegd bij de ontdekkingen, die de Russen in dit noordelijk deel des aardkloots gedaan hebben, ons naauwkeurig kennis doen verkrijgen aan een uitgestrekt land, welks bestaan tot nog toe betwist wierd; de volken, die de eilanden bewoonen, door den Graaf de la Perouse bezogt, hadden geene kennis aan de Europeaanen, zo min als aan de overige bewooners van het groote vaste land; zij zijn vriendelijk en gastvrij, dog hun grond levert geene voortbrengzels op, welken de handeldrijvende natien derwaarts kunnen lokken; den 30. September verliet de Graaf de la Perouse de baaij van Avatschka, om de nog overblijvende naspooringen in het zuidlijk Halfrond te doen.

Zedert vernam men in het begin des voorleden jaars door den Heer Fournier, Capitein van een Koninglijke Paketboot, dat de Heer de la Perouse, die reeds van zijnen togt rondom den Aardkloot in den Jaare 1789 in Frankrijk te rug verwacht was, door een Spaansch Fregat, van de Manilla op den 21. Februarij 1789 vertrokken, op deszelfs thuisreize was gepreid.

Vervolgens heeft men het gerucht verspreid, dat(I-239) de Graaf de la Perouse zich den 20 Maij 1789 te Batavia bevond, en bezig was met zijne twee Fregatten aldaar te laaten repareeren, met oogmerk om in de maand Julij daar aan volgende van daar naar Frankrijk te vertrekken, en dat de Heer d’Angelet, Astronomist en lid van de Fransche Akademie der wetenschappen, op die reize overleeden was.

En eindelijk heeft de Nationaale Vergadering in Frankrijk, uit hoofde van de onzekerheid, waar deeze doorluchtige Reiziger en zijne togtgenooten zich thans bevinden, op den 9 Februarij van dit jaar deswegens het volgende besluit genomen:

„De Nationaale Vergadering decreteert, dat de Koning zal verzogt worden, om aan alle de Ambassadeurs, Residenten, Consuls en Agenten van de Natie bij de resp. Mogendheden, de noodige bevelen te geeven, ten einde zij bij de Souvereinen, alwaar zij resideeren, in den naam der Menschlievendheid en van de Kunsten en Wetenschappen tragten te bewerken, dat dezelven aan alle de zeevaarenden, welken tot hunne onderdaanen behooren, en aan alle derzelver Agenten, hoe ook genaamd, en waar die zich ook mogen bevinden, dog voornaamelijk in het Zuidelijk Halfrond en de Zuidzee, gelieven te gelasten, om alle onderzoek te doen naar de twee Fransche Fregatten, la Boussole en l’Astrolabe, onder bevel(I-240) staande van den Heer de la Perouse en derzelver manschappen, als meede alle naspooringen in het werk te stellen, waar door het nog in weezen zijn, of de schipbreuk der gem. Fregatten, zou kunnen beweezen worden; ten einde, dat wanneer de Heer de la Perouse en zijne togtgenooten, waar het ook zijn mogt, gevonden of ontmoet zouden worden, aan hem de noodige hulp gegeeven, en alle de middelen bezorgt worden, waar door zij in hun Vaderland konden te rug keeren, en derwaarts al wat nog in derzelver bezit was met zich voeren; terwijl de Nationaale Vergadering zich verbind, om elk en een iegelijk, die aan deeze zeevaarenden hulp zal verleenen, tijdingen van dezelve bezorgen, of maar zouden kunnen gelegenheid geeven, dat de papieren en zaaken, van welken aart ook, die tot derzelver Togt zouden behooren of kunnen behoord hebben, aan Frankrijk wierden terug bezorgd, naar maate van de beweezene diensten, schadeloos te zullen stellen, en zelfs te beloonen. Decreteert wijders, dat de Koning zal verzogt worden om één of meer vaartuigen te doen uitrusten, waar op eenige Geleerden, Natuurkundigen en Tekenaars zullen ingescheept worden, en om aan den Bevelhebber van den Togt den tweevoudigen last te geeven, van den Heer de la Perouse optezoeken, volgens de stukken, onderrichtingen(I-241) en beveelen, die aan hen zullen worden gegeeven, en tevens ter gelijker tijd naspooringen, betrekkelijk de Wetenschappen en den Koophandel te doen; met alle de noodige maatregelen te neemen, om deezen togt, afgezonderd van het oogmerk om den Heer de la Perouse opte spooren, of zelfs, na hem ontdekt, of tijdingen van hem bekomen te hebben, nuttig voor de Aardrijkskunde, den Koophandel en de Kunsten en Wetenschappen te doen zijn. Decreteert eindelijk, dat de Minister van de Zee-zaaken onverwijld aan de Nationaale Vergadering een staat van de uitrusting, welke de Koning zal nodig geoordeeld hebben te beveelen, zal overgeeven, ten einde de noodige sommen ter bekostiging van deezen Togt kunnen vastgesteld worden.”


HISTORISCH DAGVERHAAL
DER
REIZE
VAN DEN HEER
DE LESSEPS,

Zedert het verlaten van den Heer Graaf de la
Perouse en zijne togtgenooten in de haven
van St. Pieter & Paulus op Kamschat-
ka, tot op zijne komst in Frank-
rijk, den 17. October 1788.

Naar het Fransch.

TWEEDE DEEL.

Met Plaaten en Kaarten.

Ornament

Te UTRECHT,
By B. WILD en J. ALTHEER,
1792.


Kaart 2

Grote versie van de kaart, 513 kB.

[II-1]

Lijn

REIZE
VAN DEN HEER
DE LESSEPS,
UIT
KAMSCHATKA naar FRANKRYK.


1788. Maart Den 18.

Vertrek van Poustaretsk.

Eindelijk kwam de 18. Maart en ik nam afscheid van den Heer Kasloff. Ik zal van ons jongst vaarwel niet gewaagen, men zal ligt bevatten, dat het zelve zo teder als moeijelijk was; Ik vertrok des morgens ten negen uuren van Poustaretsk, en wel op een overdekte slêe, bespannen met zeven honden, die ik zelfs mende, de soldaat die gelast was om mij ten geleide te verstrekken, had ’er agt voor de zijne; voor ons uit reed een wegwijzer, genomen uit[II-2] de inwoonders van dit gehugt,[104] en deeze voerde de slêe, waar op het reisgoed gelaaden was: twaalf honden waaren voor die slêe gespannen, in dewelke het overschot van mijne goederen en onzen voorraad was; ook wierd ik van den Heer Schmaleff en de onder-officieren van zijn gevolg verzeld; dog in plaats van ons gezamentlijk naar Ingiga te begeeven, zo als onze afspraak was, scheidden wij eenige dagen daar na.

[104] Geduurende mijn verblijf te Poustaretsk had de Heer Commandant onze Kamschatsche leidslieden afgedankt. Eenige hoorden in den omtrek van Bolcheretsk t’huis, en waren daar bijna vierhonderd uuren van verwijderd! Deeze arme lieden zagen zich genoodzaakt, na dat ze omtrent alle hunne honden hadden zien sterven, van te voet te rug te keeren.

Uit Poustaretsk komende begaven wij ons op de golf. In het eerst was onze togt vrij gemaklijk, het ijs was overal sterk en effen, in weinig uuren bereikten wij den mond; daar wierd de weg moeijelijker; verplicht over de zee te reizen zonder ons van den oever te verwijderen, ontmoeteden wij telkens ijsklompen, die als zo veele klippen scheenen, tegens dewelken wij verbrijzeld konden geraaken. Te vergeefs wilden wij beproeven, om ze door omwegen te vermijden,[II-3] de oneffen keten van deeze bergjes strekte zich langs de kust uit, en belette ons den doortogt; wij moesten besluiten van dezelve over te rijden; met gevaar van bij iederen stap omvergeworpen te zullen worden; meer dan eens, ontsnapte ik het, om mij in deeze tuimelingen gevaarlijk te kwetsen; mijn snaphaan, dien ik aan mijn slêe had vastgemaakt, wierd verwrongen en als een boog gekromd, verscheidene mijner medemakkers kreegen zwaare kneuzingen, geen één kwam ’er zonder eenig letzel af.

Verlaate gehugt.

Bij het vallen van den nagt bereikten wij een gehugt, gelegen aan den oever van de zee, en bestaande uit twee yourtes en drie balagans in een zeer slegten staat en geheel verlaaten; de eenigste man, welke de yourte bewoonde, waar wij ingingen, had zich op onze aankomst van daar begeeven.[105] Ik vernam van een der onzen, die derwaarts vooruitgereden was, dat deeze man een Chaman of tovenaar was, die, wanneer hij vernomen had, dat wij den volgenden dag moesten aankomen, van schrik bevangen, dadelijk bij de Oluteriers was gevlugt,[106] hij zou[II-4] daar blijven, tot dat de Heer Kasloff voorbij was.

[105] Alle de zwervende Koriaken vlugteden insgelijks voor ons, ten einde niet genoodzaakt te weezen van ons de behulpzaame hand te bieden.

[106] Dit volk woont ten zuiden der Tchouktchis op de Oost-kust.

Ontdekking van voorraad in dit gehugt verborgen.

De Kosak, die mij deeze bijzonderheden verhaalde, was door den Heer Schmaleff daags voor ons vertrek vooruitgezonden, deeze had hem bevolen van in dit gehugt stiltehouden, en aldaar, terwijl hij ons afwachtte, onderzoek te doen, of ’er geen voorraad van visch in de eene of andere onderaardsche kelder verborgen was; deeze voorzorg was ons van veel nut, de Kosak bragt ons bij onze aankomst naar een keldertje, dat hij ontdekt had, wij vonden het zelve vol visch, en ik maakte mij van een goed gedeelte meester, dewijl ik maar voor twee dagen leevensmiddelen van Poustaretsk mêegenomen had.

1788. Maart Den 19.

Een zeer lastige dag.

Den 19 begaven wij ons wederom in den vroegen morgen op weg; deeze dag was nog vermoeijender dan de voorige, de weg was verschriklijk, meer dan twintigmaal zag ik mijn slêe op het punt van verbrijzeld te worden, en het zou ’er mede gedaan geweest zijn, indien ik niet eindelijk beslooten had om te voet te gaan; Ik wierd daar toe genoodzaakt, wilde ik mij zelfs aan de gevaaren van het omvallen niet blootstellen, zo dat ik bijna den geheelen dag moest wandelen, dog ik ontweek het eene kwaad maar, om in het andere te vallen.

Onvoorzigtigheid die mijne gezondheid benadeelde.

Na verloop van eenige uuren gevoelde ik mij[II-5] zodanig vermoeid, dat ik weer op mijn slee stapte, en in dit oogenblik wierd dezelve overzij gesmeeten, zo dat mij de lust verging; Ik wierd genoodzaakt om mij zo goed voort te sleepen, als ik kon, mijne beenen waggelden onder mij, ik was zeer bezweet, en eene hevige dorst kwam nog bij mijne vermoeidheid; de sneeuw verschafte mij maar een zwak hulpmiddel, niets kon mij laaven, bij ongeluk wierd ik een kleine rivier gewaar, uit nooddwang ging ik derwaarts, en zonder de gevolgen van mijne onvoorzigtigheid te berekenen, was mijn eerste werk om het ijs te breeken en zulks aan mijnen mond te brengen; het duurde niet lang, of ik beklaagde mij deeze zuiver werktuigelijke onbedagtzaamheid, mijn dorst was gelescht, dog van de groote hette, waar over ik te onvreden was, geraakte ik eensklaps in het tegenovergestelde uiterste, eene doorgaande koude beving mij en alle mijne leden beefden.

Rustplaats.

De koude van den nagt vermeerderde mijne grillingen, en ik wierd zo zwak, dat het mij onmogelijk was verder te gaan, ik verzogt mijne mede-reizigers, om in het midden van deeze woestijn stil te houden; uit achting voor mij stemden zij daar in toe, want de moeijelijkheid, om zich hout te verschaffen, maakte dit hun niet zeer begeerlijk, naauwlijks had men zoveel geraapt, dat[II-6] men de ketel kon overhangen, dit bepaalde zich tot eenige kleine geheel groene heesters, die niet branden wilden; wij rekenden ons zeer gelukkig, dat wij thee konden drinken.

van den 20. tot den 24.

De beweeging doet mij herstellen.

Na daar eenige koppen van genomen te hebben, begaf ik mij onder mijne tent,[107] ik lag mij op een kleine matras, die op de sneeuw geplaatst was, en dekte mij met verscheidene bontwerken, in de hoop van de uitwaasseming weder te zullen herstellen, dan dit was tevergeefs, en ik deed den gantschen nagt geen oog toe. Bij de benaauwtheden van eene heete en brandende koorts voegden zich eene geduurige bezetheid op de borst, en de gewoonlijke ongerustheid bij de eerste voortekens van eene ziekte. Ik erken, dat ik mij verbeeldde gevaarlijk ziek te zijn, te meer, toen ik bij mijn opstaan geen geluid kon geeven. Ik leed geweldig op de borst en in de keel, de koorts was niet verminderd, nogtans deed mij het denkbeeld, dat een langer rust mij van geen nut kon weezen, en dat ik geen hulp kon erlangen, dan met voorwaards te trekken, het besluit neemen om mijn lijden voor den Heer[II-7] Schmaleff te verbergen. Ik was de eerste, die van vertrekken sprak, dog daar in raadpleegde ik meer mijne drift dan wel mijne krachten.

[107] Deeze tent was van lijnwaat. Ik had dezelve van den Heer Vorokoff gekogt, voor dat ik van Poustaretsk vertrok.

Ik had maar weinige wersten afgelegt, wanneer mijne smerten onverdraaglijk wierden, ik was verplicht zelfs te mennen, en daar door in eene geduurige beweeging te zijn, somtijds was ik daar en boven door de slegte wegen genoodzaakt naast mijn slêe te loopen, of tot mijne honden te spreeken om ze voort te doen gaan, mijne heeschheid liet niet toe om mij te doen verstaan, ik kon daar toe niet geraaken, dan met poogingen te doen, die mij de krachten benamen en de borst als van een scheurden. Behalven deeze pijniging had ik reden om over die beweeging te vreden te zijn; zo moeijelijk als ze ook was, zo heilzaam wierd mij dezelve, langzamerhand bevorderde ze de uitwaasseming, des avonds haalde ik vrijer adem, de koorts verliet mij, en ik behield alleen eene zwaare verkoudheid, die ik in weinig dagen kwijt raakte. Eene dagelijksche vermoeijing was mijn eenigste hulpmiddel, ik droeg voor al zorg, om het zweet dat mij daar door bezorgd wierd, aan den gang te houden, en ik ben overtuigd, dat ik daar aan alleen mijne spoedige geneezing te danken had; wat ’er van zij, mijn borst had zodanig geleden, dat ze ’er nog lang gevoel van gehad heeft.

[II-8]

In dien tusschentijd had ik ten minsten niet van de strengheid der winden te lijden, de lucht was bedaard en het wêer helder, wij hadden als toen de schoonste winterdagen, zonder dat had ik misschien nimmer mijn Vaderland wederom gezien; dog de Hemel scheen mijn togt te begunstigen, om mij het geen ik geleden had te doen vergeeten.

Ontmoeting van drie Convooijen die aan den Heer Kasloff gezonden wierden.

Welhaast volgde de levendigste vreugd op de droefheid, die mij overstelpt had, wij ontmoeteden in verscheide bezendingen drie Convooijen voor den Heer Kasloff door den Sergeant Kabéchoff afgezonden! Deeze onverwachte hulp verschafte mij des te meer vermaak, als ik mij zonder ophouden voor den geest bragt den beklaagelijken staat, in welken ik dien bevelhebber gelaaten had. Welk eene spoedige verandering in zijne omstandigheden! honderd vijftig vlugge en wel doorvoede honden gingen hem te gemoet en bragten hem leevensmiddelen aan; hij kan, zeide ik tot mij zelfs, den volgenden dag vertrekken, en in dien ik mij niet meer vleijen kan van hem wedertezien, ten minsten zal hij buiten verlegenheid zijn; deeze zekerheid stelde mij omtrent zijn lot gerust.

De Soldaat, die deeze bezending begeleide, bood mij aan een gedeelte van deezen voorraad te geeven, dog ik wachtte mij wel om ze aanteneemen;[II-9] dezelve was zo overvloedig niet en daar en boven hadden wij ze niet nodig, ik hield hem dan niet langer op als noodzakelijk was.

Voor dat hij mij verliet, verhaalde hij mij dat de Prins Eitel of het opperhoofd der Koriaken van Kaminoi, dien men van oproerigheid beschuldigt had, in aantogt was om in persoon den Heer Commandant van het tegendeel te gaan overtuigen.

Onzen weg vervolgende, vonden wij aan de overkant van eene kleine rivier, omzoomd van eenig heestergewas, een keten van steile bergen, die wij de een na den ander moesten overtrekken, vervolgens kwamen wij op eene andere rivier genaamt Talofka; deszelfs twee oevers verwijderen zich, naarmaate dat men den mond nadert, ze zijn met houtgewas bezet, en ik zag daar vrij zwaare boomen; wij verlieten deeze rivier op eenige afstand van Kaminoi, om een ruim hei-veld over te trekken, en vervolgens een groot meir; eindelijk, gingen wij over de rivier de Pengina bijna aan deszelfs mond, en in de richting van het zuid-oosten naar het noord-westen.

Overtogt van de rivier van Pengina.

Deszelfs breedte is verbaazend, het gezicht der ysschotzen, welke ze bedekten, en die tot eene verschrikkelijke hoogte op den anderen gehoopt waaren, zou mij nog schilderachtiger toegescheenen hebben, indien wij maar een gemaklijker[II-10] weg hadden kunnen neemen, dog ’er was geen keus, zo dat wij, om zo te spreeken, onze honden en sleeden van den eenen schots op den anderen moesten hijssen; men kan gemaklijk oordeelen over de moeijelijkheid en de langduurigheid van deezen arbeid, ik had alle moeite van de waereld om ’er wel aftekomen.

Aankomst te Kaminoi.

Wij waaren nog bijna twee uuren bezig om tot Kaminoi te geraaken, alwaar wij den 24. voordemiddag binnenkwamen, wij wierden ’er door de inwooners uitermaate wel ontfangen. In de afwezigheid van Eitel, voerde een ander Prins genaamt Eila het bevel over hun, hij kwam ons te gemoet, verzeld van het Russisch detachement, men geleide ons naar de yourte van Eitel, die zedert lang tegens de aankomst van den Heer Kasloff schoongemaakt en toebereid was.

Deeze Eila betoonde ons alle eerbewijzingen, wij hadden altoos een schildwagt aan de deur, zijn order was van dezelve niet te openen, dan voor die geenen, welken wij meenden het minste te moeten mistrouwen.

1788. Maart. Den 24. Te Kaminoi.

Rechtvaardiging van deeze Koriaken, valschelijk van oproer beschuldigt.

Het was niet alleen, dat de gerugten van oproer, die men op rekening van deeze Koriaken verspreid had, ons klaarblijkelijk valsch toegescheenen hadden;[108] hun gedrag ten onzen opzichte[II-11] en het onthaal, het welk zij zich voorstelden aan den Heer Commandant te doen, kon geen de minste twijffel overlaaten omtrent hunne tegenwoordige geneigtheid; ook was het niet te denken, dat dit alles het uitwerkzel was van de tegenwoordigheid der van Ingiga gezondene Soldaaten. De ellende waar toe die gebragt waaren[109], stelde hun buiten staat, om aan menschen die een zodanigen aart als deeze Koriaken bezaten, schrik aan te jaagen; zij geeven te weinig om het leeven, zo ik als nader zal doen zien, om immer bevreest gemaakt te kunnen worden, niets zou in staat geweest zijn om hun te kunnen wederhouden, indien ze de minste reden van misnoegen gehad hadden.

[108] Deeze geruchten waaren door de ontrouwe berichten van den Ingenieur Bogenoff geloofbaar geworden, men zal zich herinneren, dat hij ons verzekerde dat deeze Koriaken hun gewapenderhand belet hadden, om op de rivier de Pengina te komen; wanneer ik hun daar over onderhield, betuigden ze mij alle, dat zij wel verre van zich tegens den doortogt van dien Ingenieur verzet te hebben, zij hem geduurende zijn verblijf met veel beleeftheid en vriendschap behandeld hadden.

[109] Dit detachement was van veertig mannen geweest, dog op de begeerte van Kabéchof, wierd het met tien Kosakken versterkt, die te Kaminoi aankwamen, met de hulp, die wij onder weg ontmoet hadden.

Het gezicht van het Canon en van deeze gewapende[II-12] Kosakken, die echter in het dorp getrokken waaren zonder eenig vijandelijk oogmerk aantekondigen, had hun in het eerst eenige ongerustheid veroorzaakt; al aanstonds wendden zij zich tot den Onderofficier, die het bevel voerde, en vorderden van hem een verklaaring, of hij het op hun vrijheid kwam toeleggen dan of hij hun kwam uitroeijen; daar bijvoegende, dat, indien de Russen zodanige voornemens hadden, alle de Koriaken zich liever zouden laaten dooden dan zich onderwerpen. Die Onder-officier stelde hun gerust, hen zeer verstandig antwoordende, dat het oogmerk van zijne zending hen geenszints ontrusten moest; dat hij gelast was om den Heer Kasloff te gemoet te gaan; dat dit een eerbewijs was het geen men aan zijn rang verschuldigt, en voorgeschreeven was door de Krijgswetten in Rusland omtrent de Commandanten, wanneer zij door de plaatsen van hun gebied trokken. Deeze opheldering was voldoende om alle agterdogt te verdrijven, en van dat tijdstip af leefden Koriaken en Russen in de beste verstandhouding. De gerustheid der eerste was zo groot, dat zij geen de minste maatregels namen ingeval van verrassing, zij zouden zelfs geene acht gegeeven hebben op het langduurig verblijf van deeze soldaaten onder hun, indien het gebrek hun deeze gasten niet zeer tot last had doen worden.

[II-13]

1788. Maart Den 25. Te Kaminoi.

Ik had niet gedagt langer te Kaminoi te blijven, dan noodig was om mijne honden te laaten uitrusten, dog in den nagt van den 24 op den 25. wierd de lucht bezet, en eenige rukwinden bedreigden ons met eenen aanstaanden storm; de vrees dat die mij in het open veld mogt overvallen, deed mij mijn vertrek uitstellen.

Beschrijving van Kaminoi.

Dit Ostrog, drie honderd wersten van Poustaretsk verwijderd, is op eene hoogte bijna aan den oever van de zee, en aan de mond van de rivier de Pengina gelegen; het bevat een groot getal balagans en een twaalftal zeer ruime yourtes, gebouwd in den smaak van die, welke ik reeds beschreeven heb. Hoe zeer digt bij den anderen geplaatst, beslaan deeze wooningen een aanmerkelijke plek gronds; de palissaden waar van ze omringt waaren, zijn met speeren, boogen, pijlen en snaphaanen behangen; deeze palissaden zijn dikker en hooger dan die der Kamschatsche yourtes. Onder beschutting van die jammerhartige vestingwerken achten deeze Koriaken zich onoverwinlijk; het is van daar, dat zij de aanvallen hunner vijanden afkeeren, onder anderen die der Tchouktchis, hunne gedugtste nabuuren, zo om derzelver menigte als om derzelver kloekmoedigheid[110].

[110] Men zeide mij hier, dat dit volk, gewaarschuwt van mijne aanstaande reis door Ingiga, waarschijnlijk mij te gemoet zou komen, al was het maar alleen uit nieuwsgierigheid.

[II-14]

De bevolking te Kaminoi beliep als toen weinig meer dan drie honderd menschen, zo mannen, vrouwen als kinderen. Ik zal nog niets van derzelver zeden vermelden, ik verschuif alle bijzonderheden over dit onderwerp tot op mijn komst te Ingiga, alwaar ik binnen weinig dagen hoop aantekomen.

Aanmerkingen over eenige baidars.

Ik zag nog voor mijn vertrek een twintigtal baidars of booten van verschillende grootte. Dezelve geleeken na die, waar van ik voor mijn vertrek van Khaluli gesprooken heb[111]. Alleen scheen derzelver maakzel vrij beeter, en haare ligtheid meer geschikt, voor de scheepvaart. Derzelver ongemeene breedte behaagde mij ook zeer, verscheiden van deeze baidars konden vijf en twintig a dertig persoonen bevatten.

[111] Ziet het eerste deel Bladz. 188.

De Heer Schmaleff is genoodzaakt mij te verlaaten.

Zedert onze aankomst had de Heer Schmaleff reeds voorzien, dat het hem niet gemaklijk zou vallen om met mij dit dorp te verlaaten; dagelijks van den morgen tot den avond door alle de Soldaaten van het detachement overvallen, die hem hunnen hooggaanden nood kwamen voorstellen, rekende hij het van zijn plicht, om dezelve niet[II-15] te verlaaten, maar om van alle de hulpmiddelen, welke zijn post en eene volmaakte kennis van het land hem aan de hand gaven, ter hunner ondersteuning gebruik te maaken. Hoe zeer hij even ongeduldig was als ik om zich naar Ingiga te begeeven, alwaar zijn broeder hem zedert lang wachtte, besloot hij echter om mij alleen te laaten vertrekken.

Hij geeft mij eenen Soldaat genaamt Yegor Golikoff.

Hij gaf mij daar van met moeite kennis, en drong mij om een vertrouwd soldaat genaamt Yégor-Golikoff mede te nemen; dit was, zeide hij mij, een wezentlijk geschenk, het geen hij mij meende te doen, en men zal in het vervolg zien, dat hij de waarheid gesproken had.[112]

[112] Mijn geleide bestond dus uit vier mannen, te weeten, Golikoff, den soldaat, dien ik van Poustaretsk mêe gebragt had, en twee anderen uit het detachement van Ingiga gekoozen om mij tot wegwijzers te dienen, dog ik meende daar en boven een Koriakschen leidsman te moeten neemen, in dat vertrouwen, dat hij beter den weg zou kennen.

Een dusdanig vriendlijk gedrag vermeerderde mijn leedweezen, zo spoedig genoodzaakt te zijn, om dien waardigen en braaven Officier te verlaaten; mijne erkentenis omtrent hem wenschte hier te kunnen herhaalen, het geen de Engelschen van zijn menschlievendheid en beleeftheid vermeld[II-16] hebben, dog ik laat voor den Heer Graaf de la Pérouse het vermaak over, om de schuld van allen, die tot onzen togt behoorden, te vereffenen, aan welke de Heer Schmaleff geduurende hun verblijf te St. Pieter & Paulus zich bevlijtigd had alle diensten te bewijzen, die in zijn vermogen waaren.

1788. Maart Den 26. Vertrek van Kaminoi.

Vertrek van Chestokovæ.

Ik vertrok den 26. des morgens ten agt uuren van Kaminoi, met vrij goed weer[113]; vijftien wersten verder vond ik dezelfde keten van bergen, die ik aan den anderen kant van dat dorp ontmoet had, ik trok ze op nieuw over, vervolgens een rivier, genaamt Chestokova na een Russisch onder-officier, die aldaar aan het hoofd van een detachement van vijftig Kosakken gedood wierd, derwaards gezonden om eenige oproerige Koriaken in toom te houden; deeze verrasten hem, onder begunstiging van den nagt, aan den oever van deeze rivier, en lieten ’er geen een van ontkomen, alle de Russen wierden vermoord. Ik hield ter zelfder plaatse stil.

[113] De schaarschheid van honden te Kaminoi, en de slegte staat van de mijne, had den Heer Schmaleff doen besluiten, om mij die van het detachement te geeven.

Stormwind.

Ik ontwaakte door een allerhevigsten storm, draaijkringen van sneeuw verduisterden de lucht, naauwlijks kon men onderscheiden of het dag[II-17] was; niettegenstaande deezen ijsselijken orcaan besloot ik mij weder op weg te begeeven, dog ik kon mijne leidslieden maar niet beweegen om het te beproeven, zij weigerden de plaats te verlaaten, uit vreeze van te verdwaalen, en van andere gevaaren te loopen door een zo slegt weder.

1788. Maart Den 27.

Aankomst van zeven Tchouktchis.

Daar mij alles tegenliep, begaf ik mij vrij misnoegd in mijn tent; des middags wierd ik aangenaam verrast door de aankomst van zeven Tchouktchis, zij waaren op sleeden gezeten, gelijk aan die van de zwervende Koriaken, en insgelijks door rendieren voortgetrokken. Ik ontfing dezelve onder mijn tent en verzogt hun daar te blijven, tot dat de bui over was, ik kon hen niets aangenaamers voorstellen, na ik uit het vergenoegd gelaat, het geen mijn aanbod op alle de aangezichten verspreide, moest oordeelen.

Gesprek met hun Opperhoofd.

Onder deeze Tchouktchis bevond zich het hoofd van de horde of bende, genaamt Tummé; hij nam aanstonds het woord om mij te betuigen, hoe gevoelig zij waaren over mijn vriendelijk onthaal, hij verzekerde mij, dat zedert ze van mij hadden hooren spreeken, hun grootste verlangen daar in bestaan had om mij te leeren kennen, dat hun eenigste vrees geweest was, dat ze mij niet zouden ontmoeten, dat zij nimmer mijne gedaante nog mijne beleeftheden zouden vergeeten, en dat zij[II-18] daar van een naauwkeurig verslag aan hunne landsgenooten zouden doen; uitvoerige dankzeggingen waaren mijne antwoorden, door dewelke ik hun deed begrijpen, dat men mij van hunne begeerte om mij te zien reeds verwittigd had, en dat ik niet minder dan zij naar deeze bijeenkomst had verlangd.

Als toen wierd het gesprek algemeener; het zelve liep over verscbeide onderwerpen, voornamentlijk over hun en mijn vaderland; mijne nieuwsgierigheid evenaarde de hunne, het was over en weer een geduurig vraagen. Wanneer ik hen verhaalde, dat ik om wederom in Frankrijk te komen, de stad, welke derzelver Souvereine bewoonde, moest doortrekken, verzogten ze mij om aan Haar van hun een getrouw verslag te doen, en aan haaren Throon het getuigenis afteleggen van hunnen eerbied en gehoorzaamheid; zij voegden daar bij, dat zij zich tegenswoordig des te gelukkiger achten, om schattingschuldigen van Rusland te zijn, dewijl zij in hunnen handel met de Russen dagelijks van derzelver kant de grootste gerieflijkheid en blijken van genegenheid, welke hun zeer aangenaam waaren, ondervonden; zij waaren voornamentlijk zeer te vreden over den Heer Gaguen, bevelhebber van Ingiga.

Het jammerde hun uit hoofde van deeze goede[II-19] behandeling, van niet in de gelegenheid te zijn, om met de Russen meerdere betrekkingen te onderhouden; het geschiktste middel, zeiden ze, om alle de moeijelijkheden te vereffenen, zou zijn, dat deeze wederom eene nieuwe volkplanting op de rivier Anadir kwamen stichten, zij beloofden, dat ze voortaan, verre van ze te verontrusten, zouden trachten om dezelve door alle betooningen van vriendschap de onrechtvaardigheid van hun gehouden gedrag te doen vergeeten; dit had zijn oorsprong genomen uit eene dwaaling, die hun met de Koriaken gemeen was; zij verbeelden zich eertijds, dat het geheele Russische volk bestond in dat klein getal persoonen, die zich onverschrokken op hunnen grond en in hunne nabuurschap kwamen neerzetten; door een vrij natuurlijk gevoel van naiever zagen deeze volkeren in die Emigranten, wier vernuft en arbeidzaamheid hun verdagt voorkwamen, zo veele vijanden; zij meenden het hun dringendst belang te zijn om ’er zich van te ontdoen, overtuigd dat, met dezelve uitteroeijen, zij daar van het geheele geslacht vernietigden.

De Tchouktchis erkenden, dat zij hunne dooling en ongelijk ontwaar waaren geworden, zo dra ze de Russen hadden leeren kennen. Te vergeefsch zou men hun thans tot een opstand aanzetten, zij waaren integendeel geneigd om de[II-20] geheime oproerige laagen van een Prins of Opperhoofd der Tchouktchis, die een vaste woonplaats hadden, genaamt Khérourgui, te veriedelen, het zij door zijn gezag intebinden, of zelfs met hem aan de Russen overteleveren.

Niet kunnende bevatten, in welk gedeelte van de waereld ik gebooren was, vroegen ze mij of mijn vaderland niet aan de andere zijde van de groote rivier gelegen was; om hun te kunnen antwoorden, wilde ik eerst weten, wat zij daar door verstonden; ziet hier het zelve: zij verbeelden zich, dat aan geene kant van Rusland, waar van zij naauwlijks een denkbeeld hebben, een zeer groote Rivier is, die het van een ander land, dat door verscheide volken bewoond word, afscheid.

Het was niet gemaklijk hun hier omtrent intelichten, ik sprak een wijle tijds tot hun, zonder dat zij een woord van mijne aardrijkskundige verhandeling begreepen; zij hadden geen het minste juiste denkbeeld nog van de uitgestrektheid nog van het getal der landen, het was hun niet minder moeijelijk om eenig begrip te vormen van de sterkte of rijkdom van een staat, en van de magt van een Souverein. Nimmer hadden zij zelfs getragt om al het zelve van Rusland na te gaan; om hen daar van duidelijk te doen oordeelen, was ik verplicht hun den overvloed van de voortbrengzelen, van de geldspecien[II-21] en van de bevolking van dat rijk optehelderen, door eene vergelijking, genomen van de meenigte der dieren waar op ze jagt maaken, en van de hoeveelheid visch, die ze jaarlijks vangen, zonder dat hunne rivieren daar door uitgeput worden. Deeze ophelderingen, hun zo na mij mogelijk was aan het verstand gebragt, behaagden hun ongemeen; ik bediende mij van dezelve leerwijze om hen de uitgestrektheid te leeren bevatten; de ruimte van mijne tent gebruikte ik het eerst tot mijne betoogingen, vervolgens nam ik een vel papier, en maakte daar een Geographische kaart van, ten einde hun ten naasten bij de gelegenheid en den afstand van Rusland en Frankrijk, in betrekking van hun land, aanteduiden.

Het was niet zonder moeite, dat ik mij deed begrijpen. Ik achte mij daar voor wel beloond, door den aandagt en het belang, waar mede zij mij hoorden. Over het algemeen was ik verwonderd over derzelver sterkte van geest, en over de begeerte die zij toonden om onderricht te verkrijgen. Daar in boven hunne nabuuren de Koriaken verheven, schijnen ze ook meer het geen ze spreeken, zien en hooren, te overweegen; deeze twee volkeren hebben bijna dezelfde taal; het eenigste onderscheid, dat ik in de wijze van spreeken der Tchouktchis bemerkte, bestaat[II-22] daar in dat zij de laatste letters der woorden uitrekken, en dat derzelver uitspraak veel zagter en langzaamer is, dan die der Koriaken; met behulp van mijn wegwijzer, die mij voor tolk diende, hield ik zeer wel het gesprek aan den gang.

Mijne oplettenheid in het bezichtigen hunner kleeding wekte in hun de begeerte op om insgelijks Fransche te kennen[114], en ik liet mijn monteering uit de mantelzak haalen; op deszelfs gezicht was de verwondering op elks gelaat verspreid, ieder wilde ze eerst betasten, en elk vergaste zich op deszelfs zonderlingheid en fraaijheid. Mijne knoopen met het Fransche wapenschild trokken boven al derzelver aandacht; ik moest op nieuw alle mijne scherpzinnigheid te werk stellen, om hun op eene bevatbaare wijze te doen begrijpen, wat dit graveersel verbeelde, en waartoe zulks diende; zij lieten mij niet uitspreeken, zij sprongen over mijne knoopen, en verzogten mij zonder ophouden van ’er hun allen eenige van te geeven, ik stemde daar in toe op de beloften, die zij mij deeden, van dezelve met groote zorgvuldigheid te zullen gade staan. Hun oogmerk met ze te bewaaren, was om daar van een herkenningsteken te maaken, het geen zij aan allen, die[II-23] op hunne kusten mogten aanlanden, zouden laaten zien, in de hoop, dat ’er eindelijk mogelijk de een of andere Franschman zou aankomen.

[114] De leezer zal zich herinneren, dat ik als toen in eene Kamschatsche kleeding was.

Hunne landsgenooten hadden wel voor eenige jaaren Engelschen gezien: „Waarom, zeiden zij, zouden de Franschen ons ook niet komen bezoeken? zij konden verzekert zijn van door ons met vreugde en hartelijke vriendschap te zullen ontfangen worden”. Ik bedankte hun voor derzelver vriendelijke genegenheid, dog ik verborg voor hun niet, dat onze afgelegenheid een hinderpaal was om dikwils van hunnen goeden wil de proef te neemen, ik beloofde hun echter, dat ik bij mijn komst in mijn Vaderland daar van een getrouw getuigenis zou afleggen.

Na hun zo veel mogelijk op tabak onthaald te hebben, dewijl ik met niets hen meer vermaak kon aandoen, scheiden wij de beste vrienden des waerelds; zij zeiden mij in het heengaan, dat ik misschien spoedig hunne goederen en vrouwen zou ontmoeten, die ze agter gelaaten hadden, ten einde meer spoed te kunnen maaken.

Weinig tijds na het vertrek van deeze Tchouktchis stilde de wind, en ik begaf mij op weg.

1788. Maart Den 28.

Des anderendaags, op het oogenblik, wanneer ik dagt stil te houden bij een bosch, alwaar ik een gemaklijke rustplaats ontdekt had, wierd ik verder voor mij uit eene talrijke kudde van rendieren[II-24] gewaar, die op de kruin van een berg in vrijheid liepen weiden; wanneer ik met oplettenheid derwaarts zag, onderscheide ik eenige manspersoonen, die ze scheenen te bewaaken. Ik wist in het eerst niet, of ik dezelve moest vermijden dan mij bij hun voegen, dog de nieuwsgierigheid haalde het over, en ik trok voort om hun van nader bij te zien.

Ontmoeting van het gevolg deezer Tchouktchis.

Men zou gezegt hebben, dat ik het bosch langs trekkende hun spoedig zou bereiken. Ik twijffelde echter niet, dat wanneer ik aan het einde kwam, ik nog van dezelve zou afgescheiden zijn door eene vrij breede rivier, waar van ik een quartier uurs te vooren een kleinen arm overgetrokken was. Terwijl ik van den eenen oever tot den anderen deeze lieden beschouwde, wierd ik door twee vrouwen aangesprooken, die in den omtrek wandelden; de oudste voerde het woord, en hoe groot was mijne verwondering, van haar beide Russisch te hooren spreeken! Zij verhaalden mij dat ik omtrent twee honderd treden van de legerplaats der Tchouktschis af was, die het bosch voor mijn oog bedekt hield; wanneer ik op de rivier kwam, zag ik in der daad de sleeden en de tenten, en ik verzogt die vrouwen mij derwaarts te geleiden.

Geschiedenis van de twee vrouwen die mij aangesproken hadden.

Onder weg vroeg ik hun, van waar zij waaren, dewijl derzelver spraak niet te kennen gaf, dat[II-25] zij onder dit volk gebooren waren of altoos geleeft hadden.

De eene verhaalde mij, dat ze een Russische was, en dat de moederlijke liefde haar noopte om deeze Tchouktchis te volgen; gevaaren, vermoeijenissen, kwaade bejegeningen, alles braveerde zij, in het vuurig verlangen van zich met hun naar derzelver land te begeeven, ten einde haar dogter te rug te vorderen, die daar in gijzeling gehouden wierd: ziet hier hoe zij dezelve verlooren had.

Dit jonge kind reisde twee jaar geleeden met haar vader en verscheide andere Russen op de rivier de Pengina; deeze Caravane, bestaande uit negen persoonen, trok gerust voorwaards tot in het midden der Koriaken, welke als toen door een gedeelte der Tchouktchis bedreigd wierden, aan welkers hoofd zich diezelfde Kérourgui bevond, van wien hier boven gesproken is. Om deeze gevaarlijke vijanden van zich aftewenden, bedagten de Koriaken om hen van den doortogt dezer vreemdelingen bericht te geeven[115], even[II-26] als van een roof, die ze zich niet moesten laaten ontsnappen; deeze kunstgreep gelukte; verleid door het lokaas van een grooten buit in ijzer en tabak, vervolgde die Tchouktchis deeze reizigers, derzelver moed kon hun niet behouden, vier kwamen met de wapenen in de hand om, en wierden slachtoffers van hunnen nutteloozen tegenstand. De man van deeze vrouw wierd gedood, terwijl hij zijn dogter verdedigde, die de overwinnaars uit zijne armen rukten, en haar benevens zijne drie overige ongelukkige lotgenooten wegvoerden; zedert dien tijd hadden de Russen niet afgelaaten van onophoudelijk de teruggaaf deezer gevangenen te vorderen, ook hadden zij daar wel de beloften toe verkreegen, dog tot op dien dag waaren ’er maar twee van ontslaagen.

[115] De trouwloosheid der Koriaken heeft bijna altoos getracht om den haat der Tchouktchis tegens de Russen aantestooken, het zij door valsche berichten, het zij door deeze overteleveren, wanneer zij hun zelfs niet konden of durfden aanvallen. Deeze looze streeken kunnen reden geeven van zo veele wreedheden, die de Russen aan de Tchouktchis verwijten, en die echter niet tot den aart van dit volk behoorden.

Het aandoenlijk verhaal van deeze ongelukkige moeder, waar in zij meer dan eens door haare traanen verhinderd wierd, boezemde mij voor haar de levendigste belangneeming in; zonder nog te weeten, of mijne bemiddeling van eenig gewicht bij deeze Tchouktchis kon zijn, gevoelde ik mij reeds aangespoord om mijne poogingen bij de haare te voegen, en ik had het genoegen van[II-27] te ondervinden, dat dezelve niet vrugteloos waaren.

Van de andere vrouw vernam ik, dat zij eene Tchouktchische van geboorte was; in haare jeugd was zij door de Russen op de rivier Anadir gevangen genomen; naar Yakoutsk gebragt, wierd zij daar gedoopt en zo veel mooglijk onderweezen. Vervolgens had haar een soldaat getrouwt, die na verloop van eenige jaaren was komen te sterven; en eindelijk was zij op bevel van de regeering naar haar vaderland met haare kinderen te rug gekeerd, ten einde aldaar van de verplichtingen, die zij aan de Russen had, te kunnen getuigen; haar was aanbevolen, om alle de bijzonderheden, daar van ter kennis van de Tchouktchis, zelfs van die het wijdafgelegenste waaren, te brengen[116], als mede om hun te doen begrijpen, dat ze oneindige voordeelen zouden vinden in het oprichten van eenen veiligen en vreedzaamen handel met haare weldoenders.

[116] Dat is te zeggen, de geenen, die zich aan geene zijde van de Kaap Tchouktchi ophouden, in de landkaarten bekend onder den naam van Tchoukotskoi-noss.

Deeze vrouw spreekt de Russische, Yakoutsche en Tchouktchische taalen even gemaklijk; zij zeide mij, dat de weinige kundigheden, welke zij aan haare opvoeding verschuldigt was, haar[II-28] van derzelver aankomst af een zeker soort van vertrouwen onder haare landgenooten had doen verwerven; dat zij zelfs reeds van haar verkregen gezag op de geestvermogens gebruik had gemaakt, om eenige van hunne vooroordeelen uitteroeijen, en zij vleide zich om hun ongevoelig derzelver waare belangens te doen kennen. Haare hoop in dat opzicht was grootendeels gegrond op den aart van dat volk, welke zij mij verzekerde in der daad herbergzaam, edelmoedig, zagt-aartig en in allen opzichte beter te zijn dan de Koriaken.

Mijne aankomst in de legerplaats der Tchouktchis.

Het gesprek met deeze vrouwen had zodanig mijn aandagt afgetrokken, dat ik mij reeds in de legerplaats der Tchouktchis bevond, voor en aleer ik zulks gewaar wierd, derzelver vreugde was ongemeen, wanneer ze mij zagen, in een oogenblik zag ik mij omringt, zij spraken mij alle te gelijk aan, ten einde mij te beweegen om bij hun den nagt doortebrengen, ik antwoorde hun dat zulks mijn voorneemen was, en aanstonds vertoonde zich eene vernieuwde blijdschap en geschreeuw. Ik gaf bevel, dat men mijne tent aan het uiterste van ’t leger opsloeg; terwijl men hier mede bezig was, liet ik alle de opperhoofden verzoeken om mij te komen zien; vaardig om van de vrijheid, welke ik hun gaf, gebruik te maaken, wachteden zij niet, tot ik binnen mijne tent[II-29] gegaan was om mij te volgen, ik vondze daar reeds in zo eene menigte vergaderd, als dezelve maar bevatten kon.

Na de eerste plichtplegingen, wierd het gesprek van den een en den anderen kant levendig en wel met eene gelijke graagte om onderricht te bekomen; wij spraken breedvoerig over ons wederzijdsch vaderland, zeden en gebruiken, hunne redeneeringen waaren ten naasten bij dezelfde, als die welke Tummé en zijne medgezellen met mij gevoerd hadden; zij betuigden mij hunne onderwerping aan Rusland, hun oprecht verlangen om de onderlinge eensgezindheid door betrekkingen van koophandel te onderhouden, en boven al om de volkplanting op de Anadir weder te zien vernieuwen, vervolgens lieten zij zich uit over de beweegredenen van hunne reis, zij hadden voornamelijk beoogd om eenige hunner naastbestaanden, aan Russen verbonden, en te Ingiga woonachtig, te komen bezoeken; misschien waaren zij ook derwaarts gebragt door eenig ontwerp van koophandel, dog na hunne opgaaf, was de genegenheid tot derzelver landsgenooten de eenigste beweegoorzaak van hunne verplaatzing; en in der daad, ik meende deeze Vaderlandlievende gewaarwording in hun ontdekt te hebben in de blijkbaare achting, welke zij aan de tot hun wedergekeerde Tchouktchische vrouw toedroegen,[II-30] als mede in de liefkoozingen, welke zij aan haare kinderen bedreeven.

Zij herhaalden telkens, dat ik alle agterdogt moest laaten vaaren, en op hunne vriendschap staat maaken; zij vooronderstelden zeker in mij die agterhoudenheid, welke de Russen hun nog in derzelver ontmoetingen betoonen; dog dewijl ik dezelfde redenen niet had om hun te vreezen, was ik er ook ver af om hun te verdenken; dit deed ik hen ook begrijpen, wanneer ik hun antwoorde, dat, daar ik niet voorneemens was om iemand hoe genaamd op mijne reis te beledigen, ik dus ook niet kon denken, dat iemand mij zou willen verontrusten, en te minder zulks wachtte in het midden van een volk zo als zij, wier goedwilligheid en rechtvaardigheid mij reeds bekend was; deeze redenen behaagden hun, zij scheenen deswegens zo wel te vreden als over mijne onbekommerdheid, ik meende dierhalven ook mijne wapenen te moeten verborgen houden, en het voorstel, dat mij mijne soldaaten deeden, van een schildwagt voor mijne tent te plaatzen, van de hand te moeten wijzen.

Ik deelde aan de voornaamste deezer Tchouktchis tabak uit, en liet hun vervolgens thee met beschuit van rogge toedienen; derzelver opperhoofd of vorst genaamt Chegouiaga, gelijk aan Tummé in aanzien en gezag, twee van zijne[II-31] bloedverwanten, en de twee vrouwen die mij tot tolken dienden, gebruikten het avondeeten met mij; de maaltijd was allersoberst, dog zeer vrolijk, mijne gasten vertrokken zo vergenoegd als of ze het best mogelijke onthaal genooten hadden; de noodzaaklijkheid om rust te neemen deed ons scheiden.

Zo dra ik alleen was, hield ik mij bezig om de aanmerkingen, welke het onderhoud met hun, en mijne bijzondere waarneemingen mij opgeleverd hadden, in geschrift te brengen.

Beschrijving van de legerplaats.

De legering van deeze Tchouktchis was op den oever van de rivier, bij derzelver reisgoed, en mat het agterste naar het bosch geplaatst, waar van ik gesprooken heb; ze bestond in een twaalftal van tenten, geschikt op eene linie langs de rivier; deeze tenten zijn van een vierkante gedaante, van rendierenvellen gemaakt en met riemen aan stokken opgehangen, die aan de vier hoeken gesteld zijn. Bundels met speeren, en in de sneeuw gestokene pijlen voor iedere tent schijnen den ingang van dezelve te verdedigen[117]; deeze is zeer laag en sluit zo digt dat ’er niets uit vervliegen kan; men word daar binnen eene groote[II-32] hette gewaar, de rendierenvellen, welke de wanden en het bedekzel der tent uitmaaken, zijn ondoordringbaar voor de lucht, en altoos is het hair naar binnen geplaatst; derzelver bedden gelijken veel na die der Kamschatters, wanneer die eene rustplaats in het open veld vervaardigen. Zeer dunne takjes worden op de wijze als stof over de sneeuw verspreid, vervolgens legt men daar andere rendieren vellen over heen, en hier op is het, dat zich een geheel gezin nederlegt zonder onderscheid van jaaren of sexe, de ruimte is zo eng, dat men niet kan begrijpen, hoe al dat volk daar op nestelen kan; hier uit ontstaat eene onverdraagelijke stank en morsigheid; het is genoeg te zeggen, dat zij zonder afkeer hunne spijzen en dranken bij de vuilste dingen kunnen zien, want daar zijn geen uitdrukkingen te vinden om de maat van hunne zorgeloosheid te beschrijven.

[117] Het is aan de vrees van des nagts door de Koriaken te zullen overvallen worden, dat men deeze voorzorg moet toeschrijven.

Onder het getal deezer Tchouktchis, het welk omtrent op veertig beliep, waaren vijftien of zestien vrouwen[118], en bijna zo veele kinderen,[II-33] die alle bezig waaren met de toebereiding van de tenten en de spijzen. Een ieder der voornaamste onder hun heeft knegts tot deszelfs dienst, om de rendieren te hoeden, en dezelve geduurende den nagt tegen de wolven te beschermen, die op deeze kusten in overvloed gevonden worden.

[118] De veelwijverij is bij dit volk in gebruik; men zou ook kunnen zeggen, dat het daar aan de vrouwen geoorloft is meer dan een man te hebben, want men geeft voor, dat zij tot die volkeren behooren, welke de beleeftheid omtrent hunne gasten zo ver uitstrekken, van aan deezen derzelver vrouwen of dogters aftestaan: het zou hun een hoon aangedaan zijn, wanneer men die weigerde. Ik kan echter voor de waarheid van dit bericht niet instaan.

Kleeding der Tchouktchische vrouwen.

De kleeding der vrouwen is allerzonderlingst, ze bestaat in een enkeld rendierenvel, het geen aan den hals begint, alwaar het zelve van agter en vooren evenwijd open is, en als een wijde broek tot onder de knie afhangt, dit kleed word aan de opening van den hals doorgehaald, de eenigste manier van ’er zich van te ontdoen is, dat men de knoopen, die het zelve onder de kin ophouden, losmaakt, en aanstonds valt het in één stuk op den grond en de vrouw is naakt, men kan begrijpen, hoe ongemaklijk het is uit hoofde van de geduurige noodzaaklijkheid, om ’er zich geheel van te ontdoen; wanneer zij reizen, draagen zij een Kouklanki op den rug, welke zij over haar gewoon kleed aantrekken; laarzen van rendieren pooten zijn haar eenigste schoeizel; derzelver hair is donker zwart, somtijds strikken zij het in bossen agter het hoofd op, dog gewoonlijk dragen zij het op het voorhoofd gescheiden, wanneer[II-34] het met lange vlechten over zij afhangt; haare ooren en hals zijn met vercierzelen van Koraalen in allerhande couleuren belaaden, en als ze koud zijn, verstrekt hun de kap van het parque voor een hoofddekzel.

Gelaatstrekken.

Het geheel des gelaats heeft niets bevalligs, de trekken daar van zijn grof, over het algemeen echter hebben ze geene platte neuzen, nog getrokkene oogen, gelijk de Kamschatsche vrouwen, zij gelijken haar daar in minder dan de Koriaksche; haare gestalte is ook grooter, dog gantsch niet zwierig; de belemmerende dikte en wijdte van de kleeding geeven haar geen vlug aanzien; des niettegenstaande zijn zij met het zwaarste werk belast, als het vuur aantemaaken, hout te draagen, water te haalen, en al het geen zij verder voor haare huishouding noodig hebben. Voornamelijk zijn het de oude vrouwen, die zich met deeze zaaken moeten moeijen.

De trekken der mannen scheenen mij regelmaatiger toe, ze hebben niets van het Asiatische, derzelver couleur is, even als die der vrouwen, zeer bruin, en hunne kleeding, sleeden, en alle derzelver gewoontens zijn volmaakt gelijk aan die der zwervende Koriaken. Ik zal hun ter gelijker tijd met deeze nader leeren kennen.

Reizen, en Koophandel der Tchouktchis te Ingiga.

Deeze Tchouktchis doen tegenswoordig ieder jaar een reis naar Ingiga, zij vertrekken uit hun[II-35] land met het begin van den herfst, en komen niet in deeze stad voor in de eerste dagen van Maart; naauwlijks hebben ze hunne zaaken verricht, waar toe hun eenige dagen voldoende zijn, of zij begeeven zich weder op reis, ten einde nog van het gemak der sleedevaart gebruik te kunnen maaken; echter is het zeldzaam, dat zij voor het einde van Junij t’huis kunnen zijn.

De Koopmanschappen, die zij derwaarts brengen, bestaan in parquen van marter en vossevellen, en tanden van zee-paarden, die een fraaij ijvoor uitleveren; zij neemen in ruiling ketels, tabak, speeren, snaphaanen, messen en ander yzerwerk; nog weinig gewoon aan den snaphaan, bedienen zij ’er zich ook zelden van, dog daar en tegen zijn zij zeer handig in het afschieten van een pijl, en in het werpen van een lans; ook zijn dit hunne voornaamste wapenen.

1788. Maart Den 29.

Even als alle de Noordsche volkeren, zijn zij uitermaate geneigd tot de dronkenschap, ze zijn zodanige liefhebbers van brandewijn, dat, zo dra men hun daar van gegeeven heeft, men ook verplicht is hun zo lang inteschenken, tot dat ze geheel dronken zijn; zonder dat zouden zij zich beledigt achten, misschien zouden zij zelfs tot bedreigingen en tot geweld overgaan om zich dezelve te verschaffen. Even zulke sterke tabakrookers[II-36] als de Koriaken, hebben zij ook diergelijke pijpen en de eige manier van rooken.

Ik verlaat deeze Tchouktchis.

Mij niet langer willende ophouden, ging ik met het aanbreken van den dag van deeze Tchouktchis in derzelver tenten afscheid neemen, dog de stank en de hette deed ’er mij spoedig uitgaan. Ons scheiden was allertederst, zij omhelsden mij beurtelings en overlaaden mij met beleeftheden; men begrijpt, dat ik bij dit afscheid ook niet agterlijk bleef in plichtpleegingen, en waarlijk ik kan het onthaal van dit herbergzaame volk niet genoeg roemen.

Ik vertrok tijdig genoeg om in deezen dag bij de dertig wersten afteleggen; ter halver weg vond ik op den oever van de zee twee balagans en eene yourte, bewoond door een Koriaksch geslacht; één uur daar na bereikte ik het Ostrog van Pareiné.

1788. Maart Den 29. Te Pareiné.

Beschrijving van Pareiné.

Hoe zeer dit minder groot is als Kaminoi, was het echter veel meer bevolkt, deszelfs legging scheen mij toe zeer gemaklijk te weezen, het legt aan de rivier, waar van het den naam draagt, omtrent drie wersten van deszelfs uitwatering in de zee van Pengina, die op deeze hoogte een zo naauwe golf formeert, dat men met schoon weêr van den eenen oever tot den anderen kan zien.

Verhaal van een vrouw van Ingiga.

Het eerste mensch, dat ik in dit dorp ontmoete,[II-37] was eene oude mestische vrouw, wier bedroefde houding mij trof; ik zogt haar aantespreeken, het zij dat ik door medelijden of door nieuwsgierigheid gedreven wierd; mijne vraagen over de oorzaak van haare droefheid deeden haar een geweldigen schreeuw geeven, en zij antwoorde alleen met haare traanen; eindelijk verkreeg ik door onophoudelijk aanzoek en tekens van belangneeming het verhaal van haare rampen.

Het was bijna veertien dagen geleden, dat zij, benevens haar man, haar zoon en verscheidene van hunne vrienden van Ingiga vertrokken waaren, om te Pareiné hunne naastbestaanden te gaan bezoeken; onder weg overvallen door een van die schrikkelijke orcaanen, welkers droevige uitwerkzels ik meer dan twintigmaal vreesde te zullen ondervinden, waaren deeze reizigers verdwaald geraakt en de een van den anderen gescheiden; de vader en de zoon waaren op dezelfde slêe gezeten; na lang gezworven te hebben, om een schuilplaats of eenig punt van hereeniging te zoeken, waaren zij geheel afgedwaald; men had alle moeite van de waereld om hun te ontdekken, men vond hen eerst na twee dagen in de sneeuw bedolven en van koude gestorven, derzelver geheele lighaam was bevroozen, de houding toonde duidelijk aan, dat deeze twee ongelukkigen, geen krachten meer overhebbende om[II-38] voort te komen, zich ter verwarming den een om den ander gestrengeld hadden, en dat zij in elkanders armen dood gevonden waaren, de vrouw gelukkiger dan haar man had een schuilplaats bereikt aan den oever van eene rivier, omtrent vijftien wersten van Pareiné, alwaar zij en haare reisgenooten eindelijk uitgeput van krachten en ten uitersten bedroefd aangekomen waaren. Zij voegde ’er bij, dat zij allen geduurende deezen storm nog hemel nog aarde konden onderscheiden; de sneeuw in de lucht bevroozen verdikte zich in het vallen, en scheen een regen van brokken ys; hunne kleederen waaren daar van zodanig doortrokken, dat ze dezelve niet meer gebruiken konden. Dog het geen de droefheid van deeze vrouw vermeerderde, was van zich buiten staat te zien om in haar land te rug te keeren, niemand scheen hier geneigt om haar daar toe de middelen te verschaffen, die zij niet ophield van te verzoeken, dog altoos te vergeefs. Op deeze woorden stroomde een vloed van traanen over haare wangen. Ik wist niet hoe haar te vertroosten, ik zeide haar alles wat mij het mededogen opgaf, dog dewijl ik van geen de minste hulp kon zijn, verliet ik haar met het leedweezen van geen andere hulp toegebragt te hebben, dan alleen het geen een weinig verzagtende meewarigheid kan te weeg brengen.

[II-39]

Ongerustheid welke mij een Opperhoofd der Koriaken verwekt, die mij wil aanhouden.

Terwijl ik met haar sprak, waaren de inwooners van Pareiné rontom mij verzameld; hun Opperhoofd of Prins genaamt Youltitka naderde mij om mij te verzoeken van den nagt in zijn dorp te blijven; zijn valsch voorkomen bevestigde al het geen men mij van zijne trouwloosheid verhaald had, ik deed hem begrijpen, dat ik geen de minste genegenheid had om mij optehouden; op mijne weigering stelde hij mij de onmogelijkheid voor van mij honden en levensmiddelen voor den volgenden morgen te kunnen bezorgen; de redenen, die hij deswegens gaf, kondigden opentlijk zijn onwil aan[119], ik meende daar zelfs[II-40] gevaarlijke voorneemens in te ontdekken. Daar ik besloten had om tot wat prijs ook hem niet te wille te zijn, antwoorde ik, dat ik zou moeten ontbeeren, het geen ik niet verkrijgen kon, dog dat niets mij zou verplichten om te blijven; hij veinsde mij niet te begrijpen, en wende een nieuwe hinderpaal voor, ter zelver tijd zag hij mij met een schamperen glimlach aan, die mij toescheen wantrouwen omtrent mijn vertrek te moeten inboezemen. Ik gevoelde, dat ik mij met de grootste standvastigheid moest wapenen, of besluiten om geduldig aan het bevel te gehoorzaamen, het welk de plicht zou goedvinden mij opteleggen; al de inwoonders van het dorp waaren daar, ten minsten twee honderd menschen drongen zich op eene onstuimige wijze rondom mij heen, het zij om mij schrik aantejaagen, of het zij om mijne verlegenheid te bespieden. In deeze gevaarlijke omstandigheid bedagt ik om hun in het Russisch aantespreeken, in de hoop, dat ’er zich onder de menigte misschien eenigen zouden bevinden, van wie ik mij zou kunnen doen verstaan, en die minder onhandelbaar zouden weezen als derzelver opperhoofd.

[119] Ik had te meer grond om hem te verdenken, dewijl de aanvang zijner reden mij de middelen herinnerde, die hij het voorige jaar gebruikt had, om een matroos optehouden, die door de regeering met brieven van aanbelang belast was; deeze haast hebbende om zich naar zijne bestemming te begeeven, stelde zich voor, Pareiné te verlaaten, wanneer Youltitka hem drong om tot den volgenden morgen met het vervorderen zijner reis te wachten, de matroos wilde daar aan niet voldoen, maar op het oogenblik vertrekken, het verschil wierd heftiger, de woedende Koriak viel op hem aan en zou hem dadelijk vermoord hebben, indien men hem niet uit zijne handen gerukt had, hij deed hem boeijen en geduurende drie dagen opsluiten, eindelijk na hem allerlei kwaade bejegeningen te hebben doen ondergaan, stemde hij in zijn vertrek, mogelijk in de hoop van zich dus te gemaklijker van hem op de reis te zullen ontdoen, dog zijn prooij ontsnapte.

[II-41]

Mijne aanspraak was kort maar kragtig. Ik deed mijne hoedanigheid van vreemdeling, mijn recht op hunne ondersteuning, en voor al de begeerte gelden, die ik had, om door mijn gedrag ten hunnen opzichte die belangneeming te verdienen, welke alle hunne landgenooten mij op mijn reis betoond hadden, van deeze, voegde ik er bij, had ik nooit de hulp, die ik nodig had behoeven te vorderen; deeze hadden nimmer, om mij dezelve te verschaffen, de vertooning der bevelen, waar van ik voorzien was, afgewacht, maar altoos zich bevlijtigd om mijne vraagen voortekomen.

Op het woord van bevelen zag de een den ander verwonderd aan, naar maate mijne rede indruk op hun scheen te maaken, verdubbelde ik mijnen iever en stoutmoedigheid, vervolgens haalde ik eensklaps mijnen vrijgelei brief voor den dag, en terwijl ik Youltitka met een oog van verontwaardiging aanzag, liet ik ze hem zien, tevens hun verklaarende, dat ik op het langst binnen twee uuren meende te vertrekken. Deeze barsche sluitrede bragt hem van zijn stuk, hij zag, dat hij mij niet langer te leur kon stellen zonder zich schuldig te maaken; het mandaat van den Heer Commandant was al te nadruklijk en te gebiedende, dan dat hij het zelve zou hebben durven wederstreeven; hij nam dan de partij van te[II-42] beveelen, dat men aanstonds uit alle de bewaarplaatzen den voorraad van visch, dien ik verlangde zou verzamelen, mij verzoekende van in aanmerking te willen neemen de middelmaatigheid van hunnen voorraad, welke daar door veel zou verminderen; het was alleen daardoor, zeide hij mij, dat hij getragt had mij eenige zwaarigheden voortehouden, even als of hij gevreest had dat ik hunne kelders zou uitgeplunderd hebben! Dog dit was ook maar een uitvlucht, ik was welhaast overtuigd, dat dezelve overvloedig voorzien waaren.

Echter, het zij dat hij eene vertooning wilde maaken, als of hij zijn onbeleefd onthaal wilde verbeteren, of mogelijk in het vooruitzicht van mij des te beter te doen berouwen, dat ik hem uit zijne laatste verschanssingen verdreven had, verzogt hij mij om in zijne yourte te wachten, tot dat mijne luiden de nodige toebereidzelen tot mijn vertrek zouden gereed gemaakt hebben; dit te weigeren zou een overblijfzel van ongerustheid vertoond hebben, ik wilde hem in tegendeel van mijne onvertzaagdheid wel overtuigen, daarenboven was het eetenstijd, en in de hoop van ongevoelig den verrader te zullen winnen, nam ik zijn verzoek aan, hem tevens aanbiedende van eenen beteren maaltijd te zullen laaten aanrichten dan hij mij geeven kon, ik volgde hem, met zulk[II-43] een gerust gelaat, als of ik mij volmaakt veilig oordeelde. Om echter de waarheid te zeggen, ik gevoelde mij aangedaan, wanneer ik, om in deeze yourte te komen, veertig voeten onder de aarde moest afdaalen; de ongemeene diepte van deeze schuilplaats gaf mij aan de genade van mijn gastheer over, mijn gevolg kon mij daar nog hooren nog te hulp komen, ik beefde over mijne onvoorzigtigheid, dog het was geen tijd meer om agter uit te gaan, ik was wel gewapend, en ik was op mijne hoede om mij in geval van belediging zo goed mogelijk te verdedigen.

Het eerste, dat Youltitka verrichte, was mij op de plaats van eer neertezetten, namelijk in dat soort van alcove, het welk geschikt is voor het hoofd van het geslacht, het zijne was zeer talrijk; bijna tagtig persoonen bewoonden met hem deeze yourte; al dit volk was op het gerucht van mijn aankomst naar buiten gekomen, en was daar rondom mijn gevolg verbleeven, zo dat ik alleen was, om aan drie of vier medgezellen of naastbestaanden van Youltitka, dewelke mij omringden en onder de oogen zagen, het hoofd te bieden. Bij hun zelfs overtuigd, dat zij het Russisch wel verstonden, om reden zij ’er eenige verminkte woorden van uitspraken, deeden zij mij beurtelings vraagen, waar van de een nog ongerijmder was als de andere, mijn toestand vorderde[II-44] beleeftheid, en ik antwoorde een ieder met zagtheid en naauwkeurigheid. Ik bragt dus bijna een uur in het midden van deeze onmenschelijke gedaantens door, die waarlijk geschikt waaren om mij vrees aantejaagen, inzonderheid die van derzelver opperhoofd[120]. Mijn soldaat kwam niet naar beneden, en ik begon zeer ongerust te worden, op de beweeging, die ik maakte van naar buiten te willen gaan, stelden zich deeze Koriaken voor mij, een hunner nam mij bij den arm om mij weder te doen zitten, terwijl hij mij vroeg, of ik wilde vluchten; ik toonde goed gelaat, dog ik erken dat mijn hart toesloot, ik herstelde mij en niettegenstaande de verlegenheid, welke zij op mijn aangezicht konden leezen, antwoorde ik, dat ik niet vermeende hun te moeten vreezen. Youltitka zogt mij toen gerust te stellen, hij zwoer dat hij de grootste achting voor mij had, en dat ik bij hem in veiligheid was, zijn gehouden gedrag, voegde hij ’er bij, kon hem[II-45] in mijne oogen verdagt doen voorkomen, dog hij rekende het zijn plicht om mij omtrent hun andere gedagten te moeten inboezemen. Trots op zijne benoeming onder de rechters in het gericht van Ingiga,[121] nam hij zijnen roem te zeer ter harte, om te gedogen, dat men mij onder zijn oog zou mishandelen.

[120] Men kan zich geen lelijker mensch voorstellen; zwaarlijvig en in een gedrongen, het aangezicht van de kinderziekte en door verscheiden lidtekens geschonden, een somber gelaat, zwarte hairen, die zich tot aan een verschriklijke groote wenkbraauw uitspreidden, onder welke men één diep ingezonken en wild oog ontdekte, hebbende hij het andere door toeval verlooren; dit is de naauwkeurige tekening van deezen Koriakschen vorst.

[121] Die rechtbank word in het Russisch nijenei-zems-koisond, of laag grondgericht genaamd; de rechters, die daar zitting in hebben, worden beurtelings in de Ostrogs onder de boeren van ieder district gekozen, de tijd hunner bediening is op drie jaar bepaald, men noemt deeze rechters zassédatels.

Ik kende hem reeds genoeg, om geen geloof aan zijne fraaije betuigingen te geeven; ik rekende mij gelukkig, dat hij vreesde uittevoeren dat geen, het welk in zijn vermogen was, en waar toe hij waarschijnlijk wel genegenheid had. Ik spoede mij dan om uit de yourte te komen, onder voorwendzel van te gaan zien, waar mijn volk gebleeven was, en om bevel tot onzen maaltijd te geeven. Ik kon mij van den trouwloozen Koriak nog niet ontdoen, hij was halstarrig genoeg om mij te willen vergezellen, terwijl ik bezig was om mijn gevolg bijeentezamelen, ieder woord, dat ik sprak, scheen hem te ontrusten; dewijl hij het Russisch niet verstond, vroeg hij aanstonds[II-46] daar van de betekenis, en hij sloeg alle mijne gangen met eene bijzondere opmerkzaamheid gade.

Ik vond mijne luiden bezig met de slegte honden, die ze over hadden, tegens bontwerk en kleedingen van rendieren vellen te verruilen; de winzucht had hun mijne bevelen doen vergeeten, als mede het gevaar, waar in ze mij gelaaten hadden, dog ik verborg mijn misnoegen uit hoofde van de getuigen; ik klom weder in de yourte, gevolgt van Youltitka en van mijne twee Soldaaten, die aanstonds aan het werk gingen om ons middagmaal toetebereiden; de vrouwen hielpen ons servies schoon maaken[122], en langzamerhand met behulp van brandewijn volgde de vrolijkheid op de vrees en het mistrouwen; wij hielden een zeer lustigen maaltijd, ik tragte zelfs dikwils om het uitbundig geschater van lagchen van mijne gasten na te doen, ten einde hun te meer mijn vergenoegen te betuigen; want de overdreeven betooning van gevoel en gewaarwording is de eenigste die hun behaagt, de maaltijd gedaan zijnde, zond ik een mijner Soldaaten, om bevel te[II-47] geeven, dat men mijne honden zou voorspannen, welke men reeds gedeeltelijk verruild had, mijn voorraad was ook opgelaaden, in tien minuuten was ik in staat om van de Koriaken afscheid te neemen; zij scheenen zeer wel over mij te vreden, ik weet niet of ze het in der daad waaren. Wat mij betreft, ik was het veel meer, wanneer ik van hun verlost was, en ik verwijderde mij zo spoedig mogelijk.

[122] Zij bedienen zich daar toe van geene doeken nog servetten, zij neemen een stok, en schrapen die af, met dit afschrapzel wrijven en maaken ze vrij wel het vaatwerk en ander keukengereedschap schoon.

1788. Maart Den 29.

Vertrek van Pareiné.

Het was nog maar twee uuren in den agtermiddag; ik meende van het overige van den dag gebruik te moeten maaken, om mij schadeloos te stellen over het gedwongen vertoeven, het welk ik ondervonden had; ik wilde geen rustplaats houden, voor dat ik vijftien wersten van Pareiné af was.

1788. Maart Den 30.

Mijn reis geduurende deezen en den volgenden dag leverde mij niets bijzonders op. Ik trok over verscheide rivieren, geen van deeze was van belang, en zeer weinige waaren met eenig heestergewas aan deszelfs oevers bezet; van Pareiné vertrekkende had ik de zee verlaaten, die ik niet weder kon ontmoeten, dan aan geene zijde van Ingiga, bij gevolg hadden wij geen toevlucht tot het doode hout, het geen wij somtijds op den oever vonden, deeze berooving was ons grootste ongemak door de moeijelijkheid, waar in wij ons onophoudelijk bevonden om telkens ter ontdekking[II-48] van het minste heestertje uittezien, en door de vrees van ’er geen te zullen vinden.

Zedert lang leefde ik alleen van rendieren, hoe smakelijk dit vleesch ook zijn mag, is ’er echter geen, zo ik geloof, dat men zo ligt moede word; het geen nog erger was, bestond daar in, dat de voorraad, dien ik daar van opgedaan had, na het einde liep, wij aten ’er maar eens daags van, onze overige maaltijden bestonden in gedroogde visch en in gekookte zee-wolven, dus was ik zeer in mijn schik over den gelukkigen vond, welken ik dien dag van twee patrijzen had, ik doode ze en vermeerderde daar mijn pot mêe; deeze maaltijd was eene aangenaame verscheidenheid ten opzichten van de verveelende eenvormigheid van mijn dagelijks voedzel.

Rustplaats.

Zeer fraaij wêer begunstigde onzen togt, een heldere lucht scheen ons een frisscher koude aantekondigen, waar na wij ook verlangden, want de sneeuw was zo week, dat onze honden daarin tot den buik toe inzakten, ieder onzer was, om hun den weg te baanen, verplicht op raquetten voor uittegaan; de hoop op een schoonen volgenden dag bemoedigde mijne geleiders en wij maakten een langen dag; wij hielden niet dan zeer laat stil op een plaats, die gantsch niet beschut was, daar groeide geen ander hout dan een soort van klein, laagstammig en geheel bogtig, hartsachtige[II-49] ceder. Voor dat ik mij in mijn tent ter rust begaf, wierd ik geduurende den nagt, aan het uiterste van den gezichteinder, wolken gewaar, die niet veel goeds aankondigden. Ik was reeds genoeg aan het climaat gewend, om op de minste verschijnzelen over het te wachtene weder te kunnen oordeelen, en ik deelde die vermoedens aan mijne leidslieden mede; dog deeze vermeenden oneindig meerdere kundigheden dan ik ten dien opzichte te bezitten, zij zeiden mij, dat de zon te fraaij was ondergegaan om voor slegt weder te vreezen; nimmer hadden zij volgens hun zeggen zich daaromtrent bedroogen, en ik moest mij geheel op derzelver ondervinding verlaaten. Bij nadere overweeging was ik blijde hun in deeze verzekering te zien, dit benam mij de ongerustheid van door hun genoodzaakt te worden, om den dag ter plaatse, waar wij waaren, te verblijven, op deeze zouden wij het met den eersten rukwind niet hebben kunnen houden.

1788. Maart Den 31.

Ik wierd bij het aanbreeken van den dag door een van mijne geleiders wakker gemaakt; hij kwam op eenen spottenden toon mij aanzetten om te vertrekken, ten einde van den aanstaanden fraaijen dag gebruik te maaken; de maan gaf nog haar schijnzel, en de hemel was zonder wolken; terwijl ik volgens gewoonte mijn ontbijt nam met thée en[II-50] roggebeschuit, waar van het overschot door mijn volk bewaard was, die liever ’er zich zelfs van beroofden, dan dat ik ’er gebrek aan zou hebben, vroegen ze mij de een na den ander, wat ik van het wêer dagt; ieder schertste daar mêe om ’t zeerst, dog ik hield mijn gezegde staande, hun beweegende om tot aan den avond te wachten, en als dan te oordeelen, of ik gelijk of ongelijk gehad had, wanneer ik hen een storm voorspelde.

Ontmoeting van zwervende Koriaken.

Naauwlijks hadden wij ons klein leger opgebrooken, of wij ontdekten op eenigen afstand een sleep van vijf Koriaksche sleeden door rendieren getrokken; onze honden, aangelokt door den reuk van deeze beesten, liepen derwaarts op aan met eenen verwonderlijken iever; hoe meer wij voorwaards kwamen, hoe meer deeze Koriaken zig verwijderden, eerst meende ik, dat dit een uitwerkzel van hun aangebooren wantrouwen was, dog uit het gehuil en de drift van onze honden begreep ik, dat zij de oorzaak waaren van de vrees, welke onze nadering inboezemde; zij zouden in der daad ongetwijffelt op de rendieren aangevallen zijn, indien ze onder derzelver bereik geweest waaren. Ik gaf dus bevel om optehouden, het was zeer moeijlijk onze dravers te doen stilstaan, en wij geraakten daar niet toe dan met veel moeite; wij zogten door tekens deeze Koriaken te doen begrijpen, dat ons oogmerk was[II-51] om met hun een oogenblik te spreeken; als toen scheenen zij raad te houden, na verloop van eenige minuuten kwam een van hun naar ons toe, dog drie honderd treden van ons af stilhoudende, verzogt hij ons insgelijks door teekens om hem ook iemand van de onzen te zenden, en vooral om onze honden tegen te houden. Ik gelaste een mijner soldaaten om op zijne raketten dien Koriak te gemoet te gaan, en hem te vraagen, welken weg zij naamen, van waar zij kwamen, of zij niets van den Heer Kasloff vernomen hadden, en voornamelijk, hoe ver wij ten naasten bij nog van Ingiga verwijderd waaren.

Een half uur daar na kwam mijn afgezondene met het volgende verhaal te rug; deeze Koriaken hadden geen vaste woonplaats, zij gingen naar hunne bloedverwanten, die zij verlaaten hadden, om te Ingiga rendieren vellen te gaan verkoopen en hunne vrienden daar te zien; zij meenden daar te hebben hooren spreeken van eene versterking van honden en leevensmiddelen, zedert kort den Heer Commandant te gemoet gezonden, dog zij hadden verder niets van hem vernomen; ten opzichte van den afstand van die stad waaren derzelver antwoorden volmaakt overeenstemmend met de gedagten van mijn leidsman, dien ik weinig oogenblikken te vooren deswegens ondervroeg, bij gelegenheid van een nieuw verschil,[II-52] tusschen mijn volk en mij ontstaan; ziet hier, wat daar toe aanleiding gaf.

Verschil tusschen mijn volk en mij over het wêer.

Terwijl wij de terugkomst van dien soldaat afwachtten, zag ik snellijk over ons heen drijven eenige wolken, wier gedaante en richting mij in het denkbeeld bevestigden, dat wij met eenen aanstaanden storm bedreigt wierden; mijn soldaat Golikoff was niet minder ongeloovig dan de anderen, hij had gaarne het tegendeel gewed, echter erkende hij, dat tot heden toe de uitkomst bijna altoos mijne voorzeggingen had bewaarheid, hij had mij zelfs, zeide hij, aan de Koriaken als een waarzegger in dit vak voorgedraagen, en het deed hem leed van mij eensklaps te zien faalen en in minachting vervallen.

Deeze openhartige bekentenis was mij des te vermaakelijker, dewijl mijne leidslieden daar bij waaren; dit deed in mij de begeerte opkoomen om mij op mijn beurt met hunne onkundige eenvoudigheid te vermaaken; de omstandigheden waaren gunstig, ik herhaalde, dat zij ten hoogsten binnen twee uuren van mijne wetenschap zouden overtuigt zijn, dog dat ze mij voor alles moesten waarschuwen, of wij op onzen weg eenige plaats zouden aantreffen, alwaar wij ons in veiligheid konden stellen. „Geen een, antwoorde mij één van de twee, tot aan de rivier van Ingiga zullen wij niets anders doortrekken dan een[II-53] groot en open veld, alwaar het oog naauwlijks eenige oneffenheden van den grond, of sneeuw, door de orcaanen aangebragt en door den hagel verhard, ontdekken kan”. Deeze ophelderingen maakten mij verlegen, terwijl ik voorzag, dat wij genoodzaakt zouden zijn om te rug te keeren, ten einde bij een klein bosch, dat wij voorbijgekomen waaren, een schuilplaats te zoeken, wij waaren ’er nog maar een half uur van af, dog de hoofdigheid mijner wegwijzers, in staande te houden, dat wij niets te vreezen hadden, verdreef de zwaarigheid; stout op hunne ingebeelde ondervinding, waaren zij van begrip, dat wij onzen weg moesten vervolgen, dit was het geen ik verlangde, in de hoop van des avonds te Ingiga aantekomen.

Ik gebruik mijn Compas tot grote verwondering mijner leidslieden.

Om te zekerder mijn ontwerp uittevoeren, nam ik mij voor om tot mijn Compas toevlucht te neemen, het geen ons alleen dwars door de wervelwinden heen kon geleiden. Ik vernam derhalven van den bekwaamsten mijner wegwijzers, in wat streek Ingiga gelegen was, hij wees ze mij op het oogenblik aan, met mij van verre, een berg te doen opmerken, welkers spits zich in de wolken scheen te verliezen; „de stad, zeide hij, tot mij, is eenige wersten aan geenen kant en in dezelfde richting gelegen, wij zijn daar nog vijftig à vijfenvijftig wersten van af”. Ik viel hem[II-54] in de reden, om de windstreek hoger te zetten als waar ze gebleeven was, en om met mijn orlogie de snelheid van onzen voortgang te kunnen bepaalen; van de rustplaats af hadden wij zes a zeven wersten in het uur afgedaan, dog ik moest mij voorstellen, om veel langzaamer voorttekomen, wanneer de storm opkwam, ook rekende ik maar op drie wersten in een uur, het was zes uuren des morgens, en na mijne berekening, had ik hoop van voor middernagt te Ingiga te kunnen zijn. Ik vernam nog van mijn geleider, dat om bij de rivier te komen, die derwaarts geleid, wij een zeer groot bosch moesten bereiken, dat door dezelve gescheiden wierd, dit stelde mij verder gerust, de groote uitgestrektheid van dit bosch zo ter regter als ter linker hand verzekerde mij, dat wij het zelve niet missen nog verdwaalen konden.

Alle deeze maatregelen genomen hebbende, zeide ik aan mijn volk, dat ik niets liever wenschte dan voorttereizen, dog dat ik beslooten had van niet stil te houden, wat ’er ook gebeuren mogt. Ik belaste hun, dat zij mij zouden waarschuwen, zo dra zij meenden den weg niet meer te kunnen vinden, dewijl ik als dan voorneemens was om hun te geleiden; de ernstige toon, waar meede ik dit bevel gaf, verbaasde hun; zij zagen elkander verwonderd aan, en durfden mij niet[II-55] opentlijk zeggen, dat ik verdwaasd was; de vrijmoedigste nam echter het woord op, om mij voortestellen, dat daar ik nooit dien weg afgelegt had, ik ook niet op mij kon neemen om hun te geleiden zonder gevaar te loopen van allen verlooren te raaken, en dat ik zonder twijffel wilde spotten; om ’er in eens af te weezen, zond ik ze op een barssen toon ieder naar zijne slêe, onder bedreiging, dat ik die niet gehoorzaamde zou doen straffen, en ter zelver tijd gaf ik het teken om te vertrekken.

Eene heftige orcaan.

Ten half negen hadden wij omtrent vijftien wersten afgelegd, ’er bleeven mij nog veertig volgens mijne berekening over, dog het was reeds meer dan een uur geleden, dat de gezichteinder met donkere wolken bezet wierd, men zag den storm trapsgewijze naderen, en de wind begon de sneeuw met draaijkringen opteheffen; mijne reisgenooten bewaarden het stilzwijgen, de vrees werkte op hun bijna zo veel als de verwarring, ze wisten niet hoe ze het hadden; welhaast overviel ons de orcaan met zo veel hevigheid, dat daar door eenige van onze sleeden in verwarring geraakten, door hevig schreeuwen bragt men ze weder bij een, mijne wegwijzers erkenden overwonnen te zijn, en kwamen mij verzoeken om stil te houden, hoe zeer wij ons in het open veld bevonden; verblind door den wind, die hun in het aangezicht[II-56] speelde, vreesden zij, dat wij zouden verdwaalen.

Ik herinnerde hun mijne belofte, en bleef bij mijn besluit om voorwaards te trekken; ik beval, dat alle de sleeden zo digt mogelijk de een de ander zouden volgen, ten einde men bij het minste toeval elkander hooren en hulp toebrengen kon, vervolgens stelde ik mij, met behulp van mijn Compas, dat ik onder mijn kleed vastgemaakt had, om het telkens onder het oog te hebben, in staat om onze Caravane te bestuuren, wij reisden in deeze order het overige van den dag, om zoo te spreeken, in het midden der duisternis, want de Soldaat, die de slêe mende, welke op de mijne volgde, was voor mij onzichtbaar, naauwlijks kon ik zijn voorste honden onderscheiden.

Des avonds ten zeven uuren, vermoeid van de klagten en de vertoogen van mijn volk, die niet ophielden van te verzoeken om stil te houden, en daar en boven meenende, dat wij nog maar vijf of zes wersten van het bosch moesten afzijn, verzekerde ik hun, dat zo wij het zelve ten negen uuren niet bereikten, wij des nagts niet verder zouden voorttrekken, ten minsten zo zij, wanneer wij aan het bosch en de rivier mogten komen, niet liever dan tot aan Ingiga wilden voortreizen, waar wij als dan zo digt bij zouden zijn, dog dat ik hun volkomen vrij liet om dan[II-57] te doen wat zij zouden goedvinden; deeze voorwaarde scheen hun tot bedaaren te brengen, niet dat zij meenden, zo veel voorwaarts gekomen te zijn als zij waaren, waarschijnlijk zelfs dagten zij niet meer op de streek te zijn, en zij verlangden alleen maar naar eene rustplaats, in de hoop om met den dag den weg weer te kunnen vinden.

Omtrent een quartier over agt uuren, wierd ik als een donker gordijn gewaar, dat zich voor ons ontwikkelde; het voorwerp verspreide en verdonkerde zich, naar maate dat wij het naderden, een oogenblik daar na, riepen mijne leidslieden, dat zij boomen ontwaar wierden en behouden waaren; en inderdaad, wij bevonden ons in het bosch van Ingiga, ik zond hun eenige treden voor uit om zich te herkennen, en welhaast kwamen zij verrukt van blijdschap mij zeggen, dat wij bij de rivier waaren.

De eerbiedige toon, waar op zij mij dit bericht kwamen brengen, vermaakte mij zeer; terwijl zij mij bedankten van hun zo wel geleid te hebben, hield de Koriak staande, dat geen hunner Chamans ooit zo iets wonderbaars verricht had; daar ik hun het slegte weer had voorspeld, wanneer alles in hun oog het tegendeel scheen aantekondigen, en vervolgens hun had weeten te leiden en te bewaaren in het midden van deeze pourga[123][II-58], scheen hun zo veel wijsheids bovennatuurlijk te zijn; de erkentenis van mijn overig gevolg was bijna even dwaas, zij konden van hunne verbaasdheid niet te rug komen; te vergeefsch toonde ik hun mijn compas, te vergeefs wilde ik hun uitleggen, hoe dat daar in mijne geheele wetenschap gelegen was, zij beslooten met te zeggen, dat een zodanig toverboek niet verstaanbaar was, dan voor diergelijke verstanden als ik, die in de toverkunst onderweezen waaren.

[123] Dus noemen zij deeze stormwinden.

Ik was wel overtuigd, dat, daar zij zich op zo een kleinen afstand van Ingiga bevonden, zij niet meer denken zouden om stil te houden, ieder was verlangende zijn vrouw weder te zien, en zijne kinderen te omhelzen; wel verre van mijn voorstel aanteneemen om in dit bosch te vernachten, drongen zij mij om ons naar de rivier te begeeven, vorderende maar drie uuren om tot hunnent te komen; wij reeden dan van den oever af, en dezelve langs tot op de hoogte van de stad; daar moesten wij de rivier, die haare muuren bespoelt, overrijden, het ijs was sterk genoeg, dog de hevigheid van den wind had deszelfs oppervlakte met water bedekt, zo dat wij zeer natte beenen kreegen.

Aankomst te Ingiga.

Voor de poorten van Ingiga moest ik de gewoone[II-59] ondervraaging in versterkte plaatzen gebruikelijk, ondergaan, en was verplicht te wachten, tot dat men den bevelhebber gewaarschuwt had; zedert lang van mijn aanstaande komst verwittigt, had de Heer Major Gaguen de beleeftheid van mij aanstonds te komen verwelkomen en mij zijn huis aantebieden; juist ten half twaalf uuren kwam ik in deeze stad, de aanzienlijkste en meest bevolkte, welke ik nog op mijne reis gezien had.

1788. April Den 1. Te Ingiga.

Beschrijving van de stad.

Gelegen op de rivier van denzelfden naam, dertig wersten van deszelfs mond, vertoond dezelve van buiten een vierkanten omtrek, verdedigd door eene palissade, over welkers hoogte en dikte ik mij verwonderde, en door houten bolwerken, die zich op geheid paalwerk aan de vier hoeken van de plaats verheffen; ieder deezer bolwerken is van Canon voorzien, en daar in worden verscheidene oorlogsbehoeftens bewaard; dag en nagt worden dezelve door schildwagten bewaakt[II-60][124] even als de drie stadspoorten, waar van maar eene open is; voor het huis van den Commandant is een kleine plaats, een wagthuis aan een der zijden verbied den toegang derwaarts. Ik was niet minder getroffen over de zamenstelling der huizen, ze zijn allen van hout en zeer laag, dog ook allen hebben ze een bijna regelmaatigen voorgevel, en men ziet, dat men voor ieder het zelfde plan aangenomen heeft. De Heer Gaguen was voorneemens langzamerhand zijne stad aldus optecieren; de Isbas, zedert zijn verblijf alhier gebouwd, voegen bij eene uiterlijke bevalligheid alle de inwendige gemakken, waar voor deeze wooningen vatbaar zijn; hij heeft daar en boven het voorneemen van de kerk te doen herbouwen, welkers bouworde onbehaaglijk is, en die daarenboven dreigt intestorten.

[124] Zij roepen onophoudelijk werda, uit vreeze van door de omleggende Koriaken verrast te zullen worden, welkers oproerige en stoute aart hun menigmaal tot den opstand brengt, en om de stad te komen aanvallen, wanneer men daarop het minst verdagt is, ook is het hun niet geoorloft van aldaar lang te blijven, wanneer zij om handel te drijven derwaarts komen.

De bevolking bestaat in vier of vijfhonderd inwoonders, alle kooplieden of aan den dienst verbonden; de laatste maaken het grootste gedeelte en de bezetting uit; zij zijn aan eene gestrenge krijgstucht onderworpen, welke de menigvuldige noodzaaklijkheid van zich te moeten verdeedigen onvermijdelijk maakt; de wakkerheid en de iever van den Commandant doet ten deezen opzichte niets meer verlangen; de rechtbanken zijn dezelfde als te Nijenei-Kamschatka.

Koophandel.

De Koophandel van Ingiga bestaat in bontwerk,[II-61] en voornamelijk in rendierenvellen. In het algemeen leveren de pelterijen hier meer verscheidenheids op als in Kamschatka, zij scheenen mij ook van betere hoedanigheid te zijn; men trekt wel uit dat schier-eiland de Otter en Zee-beerenvellen, dog de sabelmarters zijn daar zo fraaij niet als hier, alwaar ze echter zeldzaamer zijn, daar en boven bezitten de Kamschatters de gemeene marter niet[125], nog de grijsachtige, nog de americaansche rotten genaamt rissei, welke de Koriaken bij ruiling van de Tchouktchis, hunne nabuuren, verkrijgen, en die zij naar Ingiga met hunne rendierenvellen brengen; deeze worden daar ruw en zeer goedkoop verkogt, zij worden vervolgens bereid en bewerkt op eene wijze, die des te behaagelijker is, dewijl de arbeidzaame naarstigheid der werklieden geen gebruik maakt van de gereedschappen, welke door de Europeesche schranderheid zijn uitgedagt; de fijnheid en de fraaijheid van hun werk behoeft alleen voor de sterkte te wijken, men ziet uit derzelver handen, handschoenen, en volmaakt vervaardigde koussen te voorschijn komen, het stiksel en het borduurzel is van rendierenhair, van zijde of[II-62] goud en zou aan onze bekwaamste handschoenmaakers tot eer verstrekken.

[125] De Russen noemen deeze soort van marter kounits.

Dog het word tijd om van de gewoontens der Koriaken melding te maaken, ik heb de beschrijving daar van alleen tot op heden uitgesteld, ten einde des te breedvoeriger daar omtrent te kunnen weezen. Bij de verkreegen aantekeningen op mijn togt in hunne verschillende Ostrogs, heb ik nog meer naauwkeuriger waarneemingen willen voegen, steunende op geloofwaardige verhaalen; hier in en in mijne gesprekken met den Heer Gaguen en eenige anderen der voornaamste Inwoonders heb ik gezogt de nodige inlichtingen omtrent dit onderwerp te bekomen, dog de man, die mij daarin van het meeste nut is geweest, was een Koriak, dien ik eerst en voor al moet leeren kennen.

Bijzonderheden omtrent een Koriaksch Prins genaamt Bumiavin.

Ik had hem al aanstonds te Kaminoi ontmoet; verwonderd over de beleeftheden, die de Heer Schmaleff hem bewees, was ik begeerig om den rang en den staat van deezen persoon te verneemen; men zeide mij, dat hij een zassédatel of rechter van Ingiga was, die ons te gemoet was gekomen, om ons zijn dienst aantebieden; de gemaklijkheid, waar mede hij het Russisch sprak en de juistheid van zijn oordeel bekoorde mij; ik zou hem voor een Rus gehouden hebben, indien hij niet op het[II-63] zelfde oogenblik zijn moedertaal gesproken had; als toen vernam ik, dat hij een Koriaksch prins, genaamt Bumiavin, en een broeder van een der hoofden van zwervende Koriaken was.

Mijne nieuwsgierigheid deed mij hem verscheide vraagen doen, hij beantwoorde dezelve met zo veel fijnheid en verstand, als ik nog onder geen zijner landsgenooten was gewaar geworden; het gemak van met hem zonder behulp van een tolk te kunnen spreeken, deed mij zijn omgang des te meer op prijs stellen, en zo lang ik te Kaminoi bleef, was dezelve voor mij een bron van vermaak en onderwijs; onder de verscheidene onderwerpen, die wij behandelden, was het voornaamste dat van den Godsdienst; even goed in dien van de Russen onderweezen, als in dien van de Koriaken, beleed hij inderdaad geen van beiden; hij scheen echter geneigd om zich te doen doopen, zo dra hij meer omtrent zekere punten, welke hij niet begreep, zou ingeligt zijn; vervuld van bewondering over de verhevenheid der voorschriften van het Evangelie, en over de eerbied verwekkende pracht van den uiterlijken dienst, erkende hij, dat niets meer geschikt was om hem het verlangen inteboezemen van het Christendom te omhelzen; dog de strenge vorderingen van eenige onzer Godsdienstige oeffeningen[126][II-64], de onzekerheid van eene hemelsche gelukzaligheid, en boven al het denkbeeld van een God, die de eeuwige straffen bedreigt, vervulden hem met schrik en twijffelmoedigheid; de Godsdienst van zijn land, zeide hij, verschafte onder alle haare droomerijen, en alle haare ongerijmdheden, ten minste meer hoop dan vrees; deeze kondigde hem geen straffen aan dan in deeze waereld, en beloofde hem belooningen in de andere, de booze geest kon hem niet langer dan geduurende zijn leeven pijnigen, het geluk wachtte hem bij zijn dood; door alle deeze bedenkingen geslingerd, was zijn geest in eene geduurige twijffeling en radeloosheid, hij durfde het geloof zijner vaderen niet verlaaten nog zig daar aan houden, hij wierd ’er schaamrood over, en ter gelijker tijd liefkoosde hij de dwaalingen daar van.

[126] Hij was voornamelijk afgeschrikt door de vasten, die men weet, dat bij de Grieksche kerk zeer gestreng en meenigvuldig zijn.

De bevalligheid, waar mede hij zijn besluiteloosheid erkende, was voor mij te belangrijker, dewijl ik in zijne redeneeringen en in zijn hart een trap van ongemeene deugd en bijzonder de liefde tot de waarheid ontdekte. Om deeze besluitloozen[II-65] geest te bepaalen, zou men hebben moeten beginnen om hem de vooroordeelen, die zijn verstand benevelden, te ontneemen, welke derzelver oorsprong genomen hadden in de verkeerde begrippen, die hem gegeeven waaren. Een ander zou mogelijk ondernomen hebben van die te willen wegneemen; ik wierd daar in wederhouden door de vrees van mijne pogingen vrugteloos te besteeden, dewijl ik maar weinig tijds met hem kon doorbrengen, zo te Kaminoi als te Ingiga, alwaar hij een dag na mij aankwam, gelijk hij mij beloofd had. Hij bewees mij daar de grootste diensten door zijne oplettenheid om mij alle de ophelderingen over zijn land te bezorgen, die ik maar verlangde, en om mijne verlangens en behoeftens tot het vervolgen van mijne reis voortekomen.

Uitgestrektheid van het land der Koriaken.

Tusschen de Koriaken, welke eene vaste woonplaats hebben en die welke zwervende zijn, bestaat in veele opzichten eene groote gelijkheid. De geringe vereeniging, ik zal meer zeggen, de tweespalt, die onder hun heerscht, schijnt daar om te vreemder; men zou zeggen, dat het twee verschillende volken waaren, door onmeetelijke scheidpaalen van den anderen verwijderd; zij hebben echter het zelve vaderland, dit beslaat eene groote uitgestrektheid, ten zuiden[II-66] bepaald door het schier-eiland van Kamschatka en door de golf van Pengina, ten oosten door het land der Oluteriers, ten noorden door dat der Tchouktchis, en ten westen door de Toungousen, de Lamouten, en de Yakonten.

Bevolking.

Men verzekert, dat voortijds deeze streek uitermaate sterk bevolkt was, dog dat de kinderziekte aldaar een groote slagting heeft aangericht; ik twijffel echter, of dezelve meer inwoonders weggerukt heeft dan derzelver menigvuldige geschillen met de Russen en hunne andere nabuuren; het getal der Koriaken, die een vaste woonplaats hebben, is thans niet boven de negen honderd; en hoewel het bijna onmogelijk is, om juist de bevolking der zwervende te bepaalen, meent men echter, dat zij het getal der andere Koriaken niet te boven gaan.

Zeden der Koriaken, die eene vaste woonplaats hebben.

De zeden van deeze zijn niet minder dan achtenswaardig, het is niet anders dan een mengzel van dubbelhartigheid, wantrouwen en gierigheid; zij bezitten alle de ondeugden der volken uit het noorden van Asia, zonder iets van derzelver deugden; dieven van aart, zijn zij achterdogtig, wreed, en kennen nog de goedwilligheid nog het medelijden. Om van hun den minsten dienst te verkrijgen, moet men ’er hun eerst[II-67] de belooning daar van laaten zien[127]; men kan dezelven niet dan door geschenken bewegen en doen handelen.

[127] Ik moet erkennen, dat ik geen reden heb van mij zo veel over de zwervende Koriaken te beklaagen. In het algemeen heb ik hen veel openhartiger en gedienstiger gevonden; en ik zal ’er welhaast de bewijzen van kunnen opgeeven.

Met deezen trouwloozen en beestachtigen inborst moet het hun niet gemaklijk vallen, om in vrede te leeven, nog om duurzaame verbintenissen met derzelver nabuuren aantegaan. Uit deezen geest van ongezelligheid moest de afkeer voor eene vreemde heerschappij gebooren worden, van daar hunne geduurige opstanden tegen de Russen, hunne afschuwelijke roverijen, hunne dagelijksche stroperijen bij de volken, die hun omringen; van daar de wederzijdsche wraakoeffeningen, die telkens wederom opwellen.

Onverzettelijke kloekmoedigheid van alle de Koriaken.

Deeze geduurige oorlog voed en onderhoud den woesten aart in alle de harten; de gewoonte van zich te verdedigen en aantevallen bezorgde hun die onverzettelijke kloekmoedigheid, welke de gevegten vereeuwigt en een roem stelt in de verachting van het leven. Het bijgeloof werkte mede, om in hunne oogen dien bloeddorst te veredelen,[II-68] met hun de wet opteleggen van te sterven of te dooden. Hoe ernstiger de zaak is, die hun de wapenen doet opneemen, hoe gretiger zij na den dood haaken; de dapperheid, het aantal hunner tegenstanders heeft niets schrikbaarends voor hun, dan is het, dat zij zweeren de zon niet meer te zullen aanschouwen; zij vervullen deezen schrikkelijken eed met hunne vrouwen en kinderen te vermoorden, met alles te verbranden, wat zij bezitten, en met zich vervolgens woedende in het midden der vijanden te werpen; het gevegt eindigt niet dan met de geheele verwoesting van een der twee partijen, men ziet de overwonnenen hun heil in de vlucht niet zoeken, de eer verbied zulks aan de Koriaken, geen een wil de slagting zijner landsgenooten overleeven.

Levenswijze der Koriaken, die een vaste woonplaats hebben.

Tot heden toe heeft de nabuurschap der Russen geen de minste verandering gemaakt in de levenswijze der Koriaken, welke eene vaste verblijfplaats hebben; de band des Koophandels, die hun meer en meer met deeze vreemdelingen bekend maakt, heeft op hun geen andere uitwerking gehad, dan de bekooring tot rijkdom en tot roof in hun te ontsteeken; onverschillig omtrent de voordeelen van een meer geregeld leeven, schijnen zij de beschaafdheid van zich afteweeren, en hunne[II-69] zeden en gebruiken als de bestmogelijke te beschouwen[128].

[128] De zwervende Koriaken toonden zich langen tijd nog onhandelbaarder, de onafhangelijkheid, aan welke zij gewoon waaren, die natuurlijke onrustigheid, welke hun kenschetst, gaven hun geene geneigtheid om het juk te draagen, daarenboven maakte de zucht tot heerschen misschien in den beginne de Russen niet zo gematigd, als wel behoord had; misschien gebruikten ze niet zo veel kunst om zich te doen beminnen, als wel om zich te doen vreezen; dit is zekerder, dat zij het verdriet gehad hebben, van geheele horden of benden op de minste vertooning van onderdrukking te zien verloopen, en gezamentlijk ver van de steden te zien vluchten, alwaar het lokaas van Koophandel hoop had gegeeven, dat zij hun verblijf zouden neemen; deeze menigvuldige ontvluchtingen hadden plaats tot op de aankomst van den Heer Major Gaguen; door de zagtheid van zijn bestier, zijne herhaalde aanzoeken en voordeelige inrichtingen, heeft hij van tijd tot tijd deeze voortvluchtende geslachten weeten tot zich te trekken, aanstonds is er een, vervolgens twee en drie te rug gekomen, de kracht van het voorbeeld, een soort van naiever trok nog anderen derwaarts; men telde reeds bij mijn doortogt elf Koriaksche yourtes rondom Ingiga.

Dog hierin heb ik gevonden, dat de schrandere staatkunde van den Heer Gaguen nog beter den goeden uitslag van de inzichten zijner Souvereine had weten voor te bereiden, namelijk, dat hij van de noodwendige betrekkingen door den Koophandel heeft gebruik gemaakt, om langzaamerhand tusschen de Russen en de zwervende en de andere Koriaken van de omleggende streeken een wederkeerigheid van hulp interichten, als mede een soort van overeenkomst tusschen ieder persoon, welke de oude herbergzaamheid doet herboren worden, en die zeker het zaad zal strooijen van eene omwending in de zeden der laatsten.

Wanneer een Koriak genoodzaakt is uit hoofde van zijne zaaken den nagt in de stad doortebrengen, gaat hij een schuilplaats bij zijn Russischen vriend zoeken; zonder verdere omwegen dringt hij zich bij zijn Gastheer in, die het zich een pligt rekent van hem wel te onthaalen, en om zijne begeertens en behoeftens nategaan en te voorkomen, niets word bespaart om hem wel te behandelen, dat is te zeggen, om hem geheel dronken te maaken. Bij zijne haardstee te rug gekomen, vermaakt hij zich in het vleijende onthaal te verhaalen, het welk hij ontfangen heeft, dit is eene verplichting, eene geheiligde schuld, die hij zich bevlijtigt, om zo dra als de gelegenheid zich opdoet, te vereffenen; dit heeft zijn aangenaamheid, voor al voor den Russischen soldaat, die in het geval is om menigvuldige reizen in de nabuurige vlekken te doen; de erkentenis van den Koriak omtrent zijn vriend bepaald zich niet alleen om hem een legerplaats te geeven, om hem te onthaalen, om hem levensmiddelen te verschaffen tot voortzetting van zijn reis; maar hij beschermt hem, hij word zelfs zijn verdediger tegen zijne landsgenooten.

1788. April van den 1. tot den 6. Te Ingiga.

Hunne bezigheden.

De jagt en de vischvangst maaken hunne gewoonlijke bezigheid uit, dog alle de jaargetijden[II-70] laaten niet toe om daar mede bezig te weezen; geduurende deeze tusschenpoozingen in hunne diepe wooningen begraaven, doen ze niets dan[II-71] slaapen, rooken en zich dronken drinken; zonder zorg voor het toekomende, zonder leedweezen over het gebeurde, komen zij niet uit hunne yourtes, dan wanneer eene dringende noodzaaklijkheid hun daar toe verplicht.

Wooningen.

Veel grooter dan die der Kamschatters van het noorden, vertoonen deeze ten naasten bij dezelfde verdeeling, ik twijffel of de morsigheid daar niet nog afzigtelijker is; men vind daar geen deur nog joupan of rookgat, ook is de rook ’er onverdraaglijk.

Voedzel.

Dit volk, vijandig van den arbeid, leeft even als dat van Kamschatka, van drooge visch, van walvisschen en zeewolvenvleesch en vet[129]; het eene word gewoonlijk raauw gegeeten, het andere word gedroogd en gekookt op dezelfde wijs als de visch, dog de zenuwen, het merg, de harsens en dikwils geheele stukken van het vleesch, worden geheel raauw met eene woeste gretigheid verslonden; het rendierenvleesch is het meest geacht; de Koriaken trekken daar dezelfde partij van als van de zee-wolven, walvisschen en andere dieren, waar op zij jagt maaken;[II-72] zij voeden zich ook met aardgewassen, zij plukken in den herfst verscheide soorten van vrugten, een gedeelte van den oogst dient om daarvan verkwikkende dranken te vervaardigen[130], het overige word verbrijzeld en gekneed met olie van walvisschen of zee-wolven; Dit beslag of ingemaakte vrugten word toltchoukha genaamd. Men maakt ’er hier te land veel werk van, dog volgens mijn smaak is ’er niets onaangenaamers.

[129] Alle de Koriaken, die ik op mijn weg van Poustaretsk af ontmoet heb, leeden niet minder gebrek als de inwoonders van dit gehugt; berken-schors, gemengt met zee-wolven vet, maakte als toen hun geheel voedzel uit.

[130] De rivieren in de nabuurschap van deeze Ostrogs, zijn bijna alle zo klein, dat met de minste koude dezelve geheel digt raaken, en geduurende meer dan de helft van het jaar zijn de inwoonders genoodzaakt om sneeuw of bezonken ijs te drinken.

Dranken.

Hunne zucht tot sterke dranken aangezet door de duurte van de brandewijn en de moeijelijkheid, om ’er zich zo veel van te verschaffen, als men begeert, uit hoofde van hunne verafgelegenheid, heeft hun een even koppigen drank doen uitdenken, welke zij uit een roode paddestoel trekken, in Rusland voor een hevig vergift onder den naam van moukhamorr bekend;[131] zij doen denzelven in een pot met eenige vrugten, en naauwlijks geeven ze dien den tijd om klaar te worden; de vrienden worden verzogt, eene edele mededinging[II-73] ontvlamt de gasten, ieder zoekt om het zeerst den huisheer van deszelfs nectar te ontlasten, het feest duurt een twee of drie dagen, tot dat de voorraad op gebruikt is; dikwils eeten zij ter zelfder tijd deeze paddestoel geheel raauw, om des te zekerder te zijn van de reden te zullen verliezen; het is onbegrijpelijk, dat ’er geen meer voorbeelden van schadelijke uitwerkzelen deezer dronkenschap gevonden worden. Ik heb echter liefhebbers daar van zeer onpaslijk gezien, die veel werk hadden om te herstellen; dog de ondervinding verbeterd hun niet, bij de eerste gelegenheid geeven ze geen gehoor, dan alleen aan hunne verdwaasde en beestachtige onmaatigheid; want het is bij hun eigentlijk geen involging van lusten, het is ook niet het vermaak om aandagtig den drank te proeven, welke hun een onwederstaanbaare behoefte word, zo dra zij denzelven gesmaakt hebben; zij zoeken eigentlijk in deeze Bacchusfeesten niets anders, dan de bewustheid van zich zelfs te verliezen, een staat van bezwijming, en geheele redenloosheid, eene ophouding van bestaan te ondergaan, indien ik mij dus mag uitdrukken; ziet daar hun eenigste vermaak, ziet daar voor hun het waar genoegen.

[131] Men bediend zich daar van in de Russische huizen, om de insecten te verdrijven.

Gelaatstrekken.

De gelaatstrekken van het grootste aantal hebben niets van het Asiatische; buiten derzelver kleine gestalte, de gebreken hunner aangezichten,[II-74] en de couleur van hun vel, zouden zij vrij veel overeenkomst hebben met de Europeaanen; de overige Koriaken hebben dezelfde trekken in het gelaat als de Kamschatters, onder de vrouwen vooral zijn ’er weinigen, die geen getrokken oogen, platte neuzen en hangende wangen hebben; de mannen zijn bijna zonder baard en draagen het hair zeer kort; de vrouwen geeven daar weinig acht op, en laaten ze langs de schouders hangen, eenigen binden ze in vlechten of steeken ze in een neusdoek.

Wat de kleeding der mannen en vrouwen betreft, deeze is zodanig, als ik bij mijn doortogt te Koriagin en te Poustaretsk beschreeven heb.

Wieg voor de kinderen.

De vrouwen draagen haare kinderen in een wieg, welkers gedaante mij zonderling voorkwam, het is een soort van nis of korf, dien men op den rug draagt, welke van boven boogsgewijs gemaakt, en waar in het kind gezeten en overdekt is.

Huwelijken.

Onder de allervreemdste gebruiken zal ik hier opgeeven de proef, waar aan een jongman, die trouwen wil, zich moet onderwerpen. Wanneer hij zijn keus gedaan heeft, gaat hij zich bij de ouders van zijne minnaares vertoonen, en zich aanbieden om te werken; dit is het oogmerk; aanstonds belaad men het meisje met een onnoemlijk aantal kleederen, die haar zodanig verbergen,[II-75] dat men naauwlijks het aangezicht zien kan; als dan is ze geen oogenblik meer alleen, haar moeder en verscheidene oude vrouwen volgen haar overal, slaapen aan haare zijde, en verliezen haar nimmer, onder wat voorwendzel ook, uit het oog; de behendigheid van den minnaar, alle zijne pogingen moeten daar heen strekken om het geluk te hebben van zijne beminde ontbloot aan te raaken; dit is het eenigste middel om haar te verkrijgen; ondertusschen verricht hij met iever en onderwerping allen arbeid, welken de ouders hem opleggen; hij, om dus te spreeken, de slaaf van het gezin geworden, word belast met al het huisselijke werk, als om het hout te hakken, het water of den voorraad van ijs te haalen; de liefde, de tegenwoordigheid van zijne aanstaande geeven hem moed; een enkel opslag van het oog, al was het ook onverschillig, doet hem zijne vermoeijenissen en de verdrietelijkheden van den dienst vergeeten; de hoop om de duurzaamheid daar van te verkorten, bestiert alle zijne daaden; het oog altoos gevestigt op den afgod van zijn harte, bespied hij alle haare beweegingen, volgt haare gangen, en vertoont zich zonder ophouden, waar zij ook gaan mag; dog door welk middel zal hij het geleide van Argusoogen, welke haar omringen, bedriegen? Het is eene geduurige strijd van de waakzaamheid tegens de list; een ieder neemt[II-76] zich in acht en gaat met gelijken iever en gelijke standvastigheid te werk; men zou uit zoo veel ernst, uit deeze verliefde onrustigheid van den minnaar, uit de genomen maatregelen om zijne pogingen te doen mislukken, moeten besluiten, dat het te doen was om eene zeldzaame schoonheid te schaaken: wie zou gelooven, dat het voorwerp der begeerte en der gedagten van den zugtenden Koriak de leelijkheid zelf is, en dat hij tot prijs van zo veel arbeids alleen haakt om een vereelt, geel en smeerig vel aanteraaken? In zijne oogenblikken van werkeloosheid vrijheid hebbende om zijne meesteresse te zien en te naderen, tragt hij somtijds haar door eene steelswijze aanraaking te verdienen, dog het aantal en de dikte der kleederen veroorzaaken hem een onoverkomelijken hinderpaal; verwoed over zo veel tegenstands, rukt en scheurt hij deeze lastige kleederen; wee den roekeloozen, indien hij in zijne poging betrapt word; de ouders, de onverbiddelijke bewaaksters vallen op hem aan, en noodzaaken hem om zijn prooij te verlaaten; het is gewoonlijk door schoppen of stokslagen, dat men hem verzoekt van heen te gaan en een beter gelegenheid uittekiezen: indien hij tegenstand bied, word hij bij de hairen gesleept, of de nagels van die oude Megera’s worden op zijn aangezicht gedrukt; indien hij zich verzet, zo hij te onvreeden[II-77] is over deeze wreede behandeling, word hij aanstonds afgedankt en verliest voor altoos zijne aanspraak op deeze verbintenis, hetwelk de grootste belediging is, die een verliefd Koriak kan wedervaaren. Dog de zwaarigheden doen zijne begeertens des te heviger ontsteeken; wel verre van zich te beklaagen, verre van door zo veele gestrengheden den moed te laaten ontzinken, vermeend hij de gelukzaligheid, welke hij zich belooft heeft, des te waardiger te zijn; hij verheugt zich, hij acht zich alle de kwellingen, die hij in zijne verliefde en moeijelijke slavernij ondergaat, tot een eer; het gebeurt dikwils niet, dan ten einde van twee of drie jaaren, meer of min, dat hij tot den eindpaal van zijnen arbeid, tot het oogmerk, het geen zo ongemaklijk te bereiken was, geraakt; trots op zijne zege, haast hij zich, om die aan de ouders van de overwonnene te gaan aankondigen; de getuigen worden geroepen, de dogter ondervraagt[132], men vordert haare bekentenis, men eischt bewijs, dat zij verrast is geworden, dat zij vergeefsche pogingen[II-78] aangewend heeft om zich te verdedigen, als dan is haare hand aan den overwinnaar toegestaan, van wien men nog een uitstel vordert, om verzekert te zijn, of de Juffrouw zich zal kunnen gewennen om met hem te leeven; van dit oogenblik af, bevrijd van allen arbeid, maakt hij zonder hinder zijn hof aan zijne aanstaande bruid, die zelfs niet treurig is van verlost te weezen van den last haarer talrijke kleederen. Het is zeldzaam, dat zij deeze tweede proef lang uitrekt, welhaast geeft zij, in tegenwoordigheid van de bloedverwanten, haare toestemming aan haar man, en dit is voldoende om hem in alle zijne rechten te doen treden. De plegtigheden en het huwelijksfeest worden in een vergadering der naastbestaanden voltrokken, die zich op het voorbeeld der getrouwden om het zeerst dronken drinken, de veelwijverij schijnt aan de Koriaken verboden te zijn, echter heb ik ’er gezien, die zich deeze zonder den minsten schroom veroorloofden.

[132] Het is waarschijnlijk, dat de schoone niet altoos ongevoelig is, en dat zij even ongeduldig als haar minnaar om deezen werkzaamen proeftijd te doen ophouden, wel eens erkent aangeraakt te zijn, hoe zeer zulks niet met de waarheid overeenkomt.

Lijkplegtigheden.

Derzelver lijkplegtigheden gelijken veel na de oude instellingen van het heidendom, tans nog bij verscheide woeste volkeren van het nieuwe halfrond in gebruik. Wanneer een Koriak gestorven is, vergaderen zijne naastbestaanden en zijne vrienden om hem de laatste eer te bewijzen; zij rechten een houtmijt op, waarop men een gedeelte der rijkdommen van den overleedenen en[II-79] een voorraad van leevensmiddelen plaatst, als rendieren, visch, brandewijn, in een woord, alles wat men meent, dat hij noodig kan hebben, om de groote reis te doen, en om niet van honger in de andere waereld te sterven. Indien het een zwervende Koriak is, word hij door zijne rendieren naar de houtmijt gebragt, zo het een Koriak is, die een vaste woonplaats heeft, word hij door zijne honden getrokken of door zijne naastbestaanden gedraagen; het lijk word met deszelfs fraaijste kleederen en leggende in een soort van doodkist ten toon gestelt; daar ontfangt hij het laatst vaarwel van de omstanders, die, van toortzen voorzien, het zich een eer rekenen, om spoedig hun bloedverwant of vriend in asch te doen verteeren. Zijn verlies veroorzaakt geen andere droefheid, dan alleen het gemis van zijn bijzijn, en niet die wegens eene eeuwige scheiding; men kent daar geen rouw, en de lijkplegtigheid word door een Bacchusfeest onder de naastbestaanden geeindigt, alwaar de dampen van den drank en tabak langzamerhand het aandenken aan den dooden verdrijven; na verloop van eenige maanden weduwe geweest te zijn, is het aan de vrouwen geoorloft om weêr te hertrouwen.

Deeze bijgeloovige gebruiken bij de lijkplegtigheden in acht genomen, en de kortstondige droefheid van hun, welke een wezen overleeven, dat[II-80] hun waard kon zijn, dit alles is na mijn inzien een ontegenzeggelijk bewijs van hunne onverschilligheid voor het leeven, waar van de korte duurzaamheid hun nog verbaast nog bedroefd. Hun godsdienstig zamenstel streelt hun waarschijnlijk met de vertroostende hoop van een voortduurend bestaan; de dood is in hunne oogen niets anders dan een overgang tot een ander leeven, wanneer zij de waereld verlaaten, gelooven ze niet, dat zij ophouden te genieten, het zijn andere genoegens, die ze zullen wedervinden; dit vleijend vooroordeel, het welk ik reeds door het verhaal van mijn eerste gesprek met Bumiavin heb doen kennen, geeft de beste reden van zijne twijffelingen in godsdienstige zaaken, en van de woeste kloekmoedigheid zijner landsgenooten. Dog hunne ongerijmde leerstellingen vereisschen eene meerdere ontwikkeling, hoe zeer de dienst, waar van ze den grondslag uitmaaken, zeer eenvoudig is, en dat het wonderbaare daar van weinig verleidends in zich bevat; zie hier, waar in het geslachtregister der Koriaksche Goden bestaat[133].

[133] Dit is even het zelfde bij de Tchouktchis, en ook eertijds bij de Kamschatters, voor de invoering van het Christendom.

Godsdienst.

Zij erkennen een Opperst Wezen, Schepper van alle dingen; volgens het denkbeeld deezer[II-81] volkeren, bewoont hij de zon; welkers vuurige bol hun toeschijnt het paleis, de throon van den beheerscher der natuur te weezen; misschien verwarren zij hem met dat hemelsch vuur, het welk zij vooronderstellen zijn verblijfplaats te zijn. Het geen mij dit deed denken, was, dat ze hem nog vreezen nog aanbidden; geene gebeden worden tot hem opgezonden; de goedwilligheid, zeggen ze, is zijn hoofdbestaan, hij zou geen leed kunnen doen; al het goede, het geen op deeze aarde gebeurt, daalt van hem af; schijnt het na dit alles niet, dat de vertooning der onafgebrooken en algemeene weldaaden van den Koning der schitterende lichten, die aan alles op het aardrijk leeven, werking en kracht geeft, dit blind vertrouwen hun heeft ingeboezemd, met dit licht des waerelds als haar beschermgod voortestellen?

De oorsprong van het kwaad is volgens hun niets anders dan een booze geest, die met het volmaakte goede weezen de beheering van de natuur deelt[134], hun magt is gelijk; zo veel als de een zich bezig houd met het geluk der menschen,[II-82] zo sterk zoekt de ander dezelve ongelukkig te maaken; de ziektens, de stormen, de honger, allerlei rampen zijn deszelfs werk en de werktuigen zijner wraak; om hem te ontwapenen is het, dat het eigenbelang zich verbind en waar op de godsvrugt zich toelegt; het afgrijzen, het welk deeze dreigende godheid in alle de harten verspreid, is de gewaarwording, welke den eerbied voorschrijft, de dienst, dien men hem toezwaait, bestaat in zoenofferhanden; men offert hem jonggebooren beesten, rendieren, honden[135], de eerstelingen van de jagt en vischvangst, en al het kostbaare, wat men maar bezit; de gebeden, die men tot hem opzend, bestaan in verzoeken of in dankzeggingen; men heeft geene tempels, geene heiligdommen, alwaar zijne aanbidders zich moeten verzamelen; overal kan men deeze ingebeelde godheid eerbiedigen; hij hoort den Koriak, die[II-83] hem alleen in de woestijn aanbid, even als het vereenigt gezin, dat zijn gunst meent te verwerven met zich in hunne yourte godvrugtig dronken te drinken; want de gewoonte der dronkenschap is bij dit volk een godsdienstige oeffening en de grondslag van alle plegtigheden geworden.

[134] Zij neemen echter ook eenige mindere Goden aan; sommigen zijn een soort van huisgoden, beschermers van hunne boersche daken. In de meest in het oog loopende plaats van de yourte is het, dat zij deeze afgoden, ruw uitgehouwen en zwart van den rook, plaatzen; zij kleeden ze op de Koriaksche manier, en behangen ze met schelletjes, ringen, en allerlei soort van yzeren en koperen gereedschappen. De andere mindere goden, welke zij zich verbeelden, bewoonen de bergen, de bosschen en de rivieren; dit alles doet ons denken aan de verdeeling der Nijmphen in de Fabelgeschiedenis der oude Grieken.

[135] Ik heb dikwils op mijn weg overblijfzels van honden, en gedoode rendieren gevonden, die aan paalen opgehangen waaren, het welk dan blijken gaf van de Godsvrugt van den offeraar.

Die Duivel, die gedugte geest, is zonder twijffel dezelfde als de Koutka, van wien de Kamschatsche Chamans zich de dienaars en de werktuigen zeggen te zijn; hier, even als in het schier-eiland, jaagt de geheimzinnige taal van deeze toveraars het bijgeloof vrees aan, en verwerft hun den eerbied van de menigte; zij oeffenen de genees- en heelkunde met denzelfden uitslag; deeze uitsluitende bedieningen, die men meent, dat veeleer door de hulp der ingeeving ondersteunt worden, dan wel door de verkreegene kundigheden der ondervinding, vergewissen hen van eene onbepaald gezag; overal worden ze geroepen, en bij voorraad worden hun de betuigingen van erkentenis toegezwaaid; zij vorderen uit der hoogte al het geene hun behaagd, en ontvangen als een schatting al het geen men hun aanbied; altoos is het onder voorwendzel van eene aangenaame offerhande aan den God, welken zij doen spreeken, dat zij zich het beste en fraaijste toeeigenen, het welk de inwoonders van deeze streeken bezitten; men moet niet gelooven, dat door het ten toon[II-84] spreiden van eenige deugden, door een streng voorkomen, of door eene stipter zedekunde, deeze bedriegers hunne misleide onderhoorige betoveren; zonder teugel nog geweeten, doen zij hunne ondeugden te meer gelden, en betoonen des te minder maatigheid; daags voor derzelver toverplegtigheden neemen ze eene houding aan, als of ze den geheelen dag vasten zouden, dog des avonds stellen zij zich schadeloos, met zich moukhamorr, zijnde dat dronkenmaakend vergift, het welk ik beschreeven heb, op te laaten disschen, zij drinken en eeten daar van tot verzadigens toe, deeze voorbereidende dronkenschap strekt tot een goed begin, het is waarschijnlijk, dat zij den volgenden dag daar van nog gewaarwording hebben, het geen hun die verhitting van hooft bezorgt, welke derzelver redenloosheid vermeerdert, en hen de nodige krachten bijzet om zich aan hunne buitenspoorige vervoeringen te kunnen overgeeven.

Taal.

De taal der Koriaken heeft de minste overeenkomst met die der Kamschatters; de uitspraak van dezelve is veel scherper en langzaamer, dog ze is gemaklijker, ze bezit niet die vreemde klanken, die uitblaazingen, welke even moeijelijk in het spreeken als in het schrijven zijn[136].

[136] De leezer kan deeze twee taalen vergelijken uit het woordenboek, het welk hij aan het einde van dit dagverhaal zal vinden.

[II-85]

Nu blijft mij nog overig om eenige bijzonderheden omtrent de zwervende Koriaken optegeeven; dog maar maatig te vreden over de aantekeningen, welke ik omtrent dit onderwerp heb getragt op te zamelen, zal ik mij voorbehouden om de waarheid daar van vast te stellen op mijn aankomst bij den broeder van Oumiavin, alwaar ik de voorwerpen onder mijn bereik kan hebben.

Toebereidzelen tot mijn vertrek.

Zedert mijne aankomst te Ingiga had de Heer Gaguen, toegeevende aan mijne verzoeken, zich bezig gehouden met de middelen te beraamen, om mij ten spoedigsten te doen vertrekken; indien dit van mij afgehangen had, zou ik ’er niet langer dan vierentwintig uuren verbleeven zijn; ongelukkig waaren mijne honden afgemat[137],[II-86] en men zou in de geheele stad niet dan een klein aantal, en welke altans niet beter waaren, hebben kunnen verzamelen; men sloeg mij dan voor om rendieren te neemen, ik stemde daar in des te gereeder toe, dewijl ik daar door meende meer spoed te zullen maaken, en ook reeds zedert lang begeerte gehad had om daar van de proef te neemen; men verborg voor mij niet de meerdere ongemakken, waar mede deeze manier van reizen verzeld is, meerdere vermoeijenissen en minder rust, op dit alles zou ik moeten staat maaken; dog mijn ongeduld beschoude niets anders dan de mogelijkheid om voorwaards te komen, en om het vermaak te genieten van de gezwindheid dezer dieren zelfs door de ondervinding te kunnen beoordeelen.

[137] Ik dankte uit dien hoofde mijne wegwijzers af. Ik heb tot hier toe van mijne reiskosten niet gesprooken, om reden, dat zo lang ik met den Heer Kasloff gereist had, hij zich belast had met daar in te voorzien, en ik had, wanneer ik hem verliet, niet anders te doen, dan hem zijne verschotten te rug te geeven; nu ben ik aan den leezer eene opgaaf van deeze kosten verschuldigt; ziet hier dezelve.

In Rusland noemt men dezelve progonn; voor de Couriers of postbodens bedragen ze twee Kopecks per werst en voor ieder paard, en vier Kopecks voor de andere reizigers (een Kopeck is zo veel als een Fransche stuiver). In Kamschatka en in Siberien zijn de kosten half zo veel, dog dewijl men zich in het schier-eiland zelden anders dan van honden bediend, betaald men daar voor bij podvods of bij voorspan van vijf honden; drie podvods of vijftien honden staan gelijk met den prijs van een paard in Siberien, namelijk een kopeck per werst voor de Couriers, en twee Kopecks voor de reizigers.

Om mijne begeerte te voldoen en mij in staat te stellen van mijne reis zonder hinderpaalen voorttezetten, besloot de Heer Gaguen van deswegens[II-87] met de opperhoofden der zwervende Koriaken uit de nabuurschap een overleg te maaken; bij gevolg deed hij dezelve verzoeken om bij hun te komen; twee dagen daar na zag ik twaalf van deeze Prinsen aankomen, benevens verscheide andere Koriaken, welke de Commandant insgelijks had doen waarschuwen.

Na de gebruikelijke pligtpleegingen[138] bragt hij mij in de vergadering; ter zelver tijd wierd hun door een tolk kortelijk uitgelegd, wie ik was, het gewicht mijner zending en dat ik noodwendig[II-88] hunne hulp noodig had. Op dit kort voorstel ontstond ’er een algemeen gemor, te vergeefs wilde men de volstrekte beveelen van de regeering ten mijnen opzichte doen gelden, het geschreeuw verdubbelde zodanig, dat het in het eerst onmogelijk was elkander te verstaan en de oorzaak van hun misnoegen te weeten; onder dit verward geroep ontdekte men eindelijk, dat zij zich beklaagden, om dat zij alleen de heerendiensten moesten draagen, terwijl de Koriaken, die steeds op eene bepaalde plaats woonachtig zijn, daar van scheenen uitgeslooten te weezen. Om welke reden[II-89] genooten zij deeze beledigende vrijheid? door welk voorrecht smaakten deeze vreedzaame kluizenaars in derzelver yourtes een gerust verblijf? waarom deeze niet even als zij aan den voorspandienst onderworpen? Deeze zeer gegronde vertoogen, welke echter met tekens van ongenoegen uitgesproken wierden, begonnen mij zeer verlegen over den uitslag mijner vraag te maaken, wanneer een oude Prins eensklaps opstond, „Is dit het oogenblik, riep hij uit, waarin wij ons moeten beklaagen? Indien men van onzen iever misbruik gemaakt heeft, is deeze vreemdeling daar voor verantwoordelijk? heeft hij daar door minder recht op onze goede diensten? Ik beloof hem de mijne, ik neem op mij van hem zo ver te geleiden, als hij noodig zal oordeelen, stemt alleen toe om hem bij mij te brengen, bevind ’er zich niemand onder ulieden, die hem deezen geringen dienst wil bewijzen”?

[138] In deeze bijeenkomsten bestaan de plichtpleegingen niet als bij ons, in eenige zoutelooze plegtigheden, of in koele beleeftheden, verzeld van eenige woorden zonder betekenis.

Naauwlijks is de vergadering gezeten, of de brandewijn word aangebragt, een bediende schenkt voor ieder vreemdeling in het rond drie vreesselijke groote glaazen, waar van een elders genoeg zou zijn om deswegens verschooning te vraagen; hier zou men zeggen, dat zulks alleen een aanzoek was om de dosis te doen verdubbelen of drie maal te vermeerderen; de Koriaksche drinker vergenoegd zich in der daad niet met het eerste glas; onder het aanneemen van het zelve ziet men hem tegens het geheele gezelschap vriendelijk glimlagchen, voor al tegens den heer van het huis, aan wien hij eene kleine buiging met het hoofd maakt, vervolgens verzwelgt hij de drie glazen het een na het ander, die ook weêr aanstonds volgeschonken en geleegd zijn, zonder dat iemand ooit het minste teken van afkeer geeft, zelfs niet de kinderen. Ik zag er een van zes a zeven jaaren, aan wien zijn vader een deezer glazen overgaf, en die het in eens uitdronk zonder zuur zien.

Bij deeze menigvuldige uitdeeling van brandewijn voegde de Heer Gaguen altoos eenige geschenken van ijzer, stoffen of tabak; hij is zelfs zo zorgvuldig, dat hij den smaak en de behoeftens van ieder persoon raadpleegt, de Tchouktchis en de Koriaken, die een vaste woonplaats hebben, ontfangen van hem, wanneer zij te Ingiga komen, het zelfde onthaal, daar door heeft hij ongevoelig deeze woeste geesten weeten te temmen, en op hun een zeker soort van vermogen en gebied te verkrijgen; eene geringe schadeloosstelling der opofferingen, die hij dagelijks moet doen om aan deeze mildadigheden te gemoet te komen, want hij alleen draagt daar de kosten van, en de duurte van alle deeze zaaken in dit land moet hem deeze uitgaaven zeer lastig maken.

Op deeze woorden was de verlegenheid op alle de aangezichten geschilderd; de oproerigste wierden verstomd; na een oogenblik stilzwijgens wilde zich ieder over het verwijt, het welk hij vreesde verdient te hebben, zuiveren. Ik ontving verschooningen en aanbiedingen zonder ophouden; ieder trachte de voorkeur te verkrijgen, om mijn persoon, mijn gevolg en mijne goederen[II-90] tot aan de Stoudénaïa-reka of koude rivier overtebrengen, aan welkers oever de gedienstige Koriak, welke zich verbonden had om mij tot leidsman te dienen, woonachtig was; alle de zwaarigheden vereffend zijnde, vernam men na den dag van mijn vertrek, het welk ik op den tweeden dag daar na of den 5 April bepaalde, en de geheele vergadering verplichte zich om op den bepaalden dag tot mijn dienst te zijn; de oude Prins, die zo edelmoedig mijne zaak bepleit had, onttrok zich het eerst aan mijne dankzeggingen, dewijl hij op het oogenblik vertrok, onder voorwendzel van verscheide toebereidzelen ten zijnent te moeten maaken voor mijne aankomst; hoe groot was mijn genoegen, wanneer ik vernam, dat hij, aan wien ik deeze verandering in de geneigtheden was verschuldigt, de broeder van Oumiavin was, dien ik zo zeer verlangde te leeren kennen!

Van dit oogenblik liet de Heer Gaguen niet af om alle mogelijke zorg te besteeden tot de toebereidzelen van mijn vertrek; hij liet onder zijn oog verscheide kleine tarwebroodjes en een voorraad van roggebeschuit vervaardigen; een gedeelte der leevensmiddelen, welke hij tot zijn eigen gebruik in gereedheid had, wierd tegens mijn wil en dank bij mijn reisgoed ingepakt; hij voegde daar eenige geschenken bij, die hij mij noodzaakte[II-91] om aanteneemen door de bevalligheid en de aanhoudende verzoeken, waar mede hij dezelve vergezelde. Eindelijk, ik kan alle zijne beleeftheden, die hij mij bewees, niet optellen: ieder uur leverde geduurende den tijd, welken ik bij hem doorbragt, bewijzen op van zijne heuschheid en zorgvuldigheid; deeze dienden niet minder als de rust ter herstelling van mijne gezondheid, waar over ik niet te roemen had zedert de verkoudheid, welke ik na mijn vertrek van Poustaretsk had opgedaan.

Den 5.

Wanneer ik den 5, gelijk bepaald was, mij gereed bevond om te vertrekken, zag ik tot mijne uiterste verwondering mijne leidslieden niet aankomen. Verscheide persoonen wierden aanstonds uitgezonden om hen optespooren, dog de dag verliep, zonder dat men ’er iets van vernam; het was reeds nagt, toen zij kwamen opdaagen, wanneer de een zo wel als de ander onverwachte beletzelen voorwende.

1788. April Den 6.

Bijgeloovigheid van mijne soldaaten.

Den volgenden dag wederom een andere tegenspoed; dit was een zondag, en het bekommerd gemoed van mijne soldaaten weigerde van zich op weg te begeeven; moest ik derzelver schroom of liever angstvalligheid eerbiedigen? Want dit was minder godsvrugt dan wel bijgeloof; zij wierden niet terug gehouden door de heiligheid van den dag, maar alleen door het denkbeeld, dat[II-92] zulks hun eenig ongeluk op den hals zou haalen; niettegenstaande de voorzorg, die ik gebruikt had om met hun een Russische mis te hooren, was ’er echter geen middel uittedenken, om hun tot vertrekken te doen besluiten. Na veele vergeefsche smeekingen en redeneeringen was ik genoodzaakt, om weder bij den Heer Commandant het middagmaal te gaan neemen, die op eene verplichtende wijze schertste met deeze nieuwe zwaarigheid, waar omtrent hij de beleeftheid had van zich geluk te wenschen; dog ziende, dat dezelve te veel invloed had op mijn vergenoegen, sloeg hij mij voor om mijn volk van hunne ingebeelde bevreestheid te geneezen; mijn antwoord was eene noodiging om zulks te doen, welke hij aannam. Op zijn bevel wierd oogenbliklijk aan al mijn volk zo Russen als Kosakken rijkelijk brandewijn geschonken; ongevoelig raakten de zinnen opgewekt, de vrolijkheid deed het vermeende gevaar vergeeten; die er het meest tegen hadden, zijn de eerste, welke verzoeken, dat men de rendieren voorspant; zo gezegt, zo gedaan en ziet daar mijne sleeden in gereedheid.

Afscheid van Oumiavin

In dien tusschentijd had ik eene ontmoeting, welke mij eenigen tijd ophield, dog waar over ik onophoudelijk lagchen moest. Oumiavin had uit genegenheid voor mij een geheelen roes gedronken; de levendigheid zijner aandoeningen[II-93] over het verlaaten van mij deed hem allerlei dwaasheden bedrijven, dewelke hij zijne afscheidsgroeten noemde; hij ging, kwam te rug, en wilde aan alles helpen, naauwlijks was mijn slêe gereed, of hij meende die te moeten opligten om van derzelver zwaarte te oordeelen, dog de staat, waarin zich deeze goede Koriak gebragt had, deed hem het evenwicht verliezen, en door zijn val brak hij de punt van mijn sabel; zijne droefheid op het gezicht van dit kleine ongeluk was uitermaaten; ik zag hem zich aan mijne voeten werpen, die hij omhelsde en met zijne traanen besproeide, mij bezweerende van niet te vertrekken, voor dat ik hem zulks vergeeven had. Ik spande alle mijne krachten in om hem opteheffen, ik verzekerde hem van mijne vriendschap; hij bleef even halsterrig aan mijne knieën, en zijne traanen hielden niet op; het was eerst na verloop van een half uur, dat ik door onophoudelijke vriendelijkheden hem eindelijk gerust stelde.

Vertrek van Ingiga.

Ik ging te voet de stad uit, geleid door bijna alle de inwoonders, die, volgens hun zeggen, begeerte hadden om den eenigsten Franschman, welke tot hier toe onder hun verkeerd had, eere aan te doen; de Heer Gaguen en de Officieren van de bezetting wilden mij volstrekt tot buiten de poort brengen, alwaar, na herhaalde dankzeggingen van mijn kant over derzelver beleeftheden, en[II-94] na de afscheidsgroet van mijne wegwijzers en verder gevolg ontfangen te hebben, onze scheiding plaats greep.

Ik neem een Reisgenoot met mij.

Van de vier soldaaten, die mijn gevolg bij mijn vertrek van Kaminoi uitmaakten, bleeven mij nu maar over Golikoff en Nédarézoff, ik had de twee anderen te Ingiga gelaaten, zijnde derzelver gewoone verblijfplaats; dog ik nam daar met mij op de aanbeveeling van den Heer Gaguen een jong Russisch koopman, genaamt Kissélioff, die mij verzogt had om met mij naar Okotsk te reizen. In onze meenigvuldige gesprekken had ik geduurende mijn verblijf te Ingiga in de gelegenheid geweest het aangenaame van zijn gezelschap te leeren kennen, en mijn geluk te waardeeren van hem tot reisgenoot te hebben.

Te vergeefs had ik mij voorgesteld om mijn slee zelfs te mennen, ieder een had zich daar tegens verzet, uit vreeze, dat onkunde en ongewoonte omtrent mijn nieuw voorspan mij in gevaar zou brengen; men had mij zeer aanbevolen van ten minsten mij den eersten dag te laaten rijden. Bij mijn rijtuig gekomen, vond ik in der daad mijn geleider reeds voor op gezeten; ik nam mijn plaats zonder veel acht op hem te geeven, dog hij draaide het hoofd om, en ik herkende in hem een Koriakschen prins genaamt Eviava; hij betuigde mij zijne vreugde, dat hij het genoegen[II-95] had van mij te geleiden, en vervolgens stelde hij zich in staat om weder in den trein te komen.

Beschrijving van een Koriaksche slêe.

Zedert lang ben ik den leezer eene beschrijving van een Koriaksche slêe verschuldigt; nu bevind ik mij in staat deszelfs nieuwsgierigheid te voldoen; mogt ik mijne beschrijving belangrijk genoeg inrichten, om over het lang uitstel verschooning te erlangen!

Op twee evenwijdige schaatzen, dat is te zeggen, op twee takken van boomen van zes en een half voet lengte en drie duimen breedte, vrij slegt geschaafd, en welkers voorste einden zich ter halver weg boogsgewijs verheffen, is het lighaam van de slêe geplaatst; het is eigentlijk maar een raam van latwerk, van twee voet en eenige duimen hoogte boven den grond; deszelfs breedte is van agttien duimen en de lengte vijf voet. Twee kleine stokken van omtrent vijf duimen in den omtrek verbinden het latwerk te zamen, het welk van grove latten, die de een in de ander gevoegd zijn, is gemaakt. Een sterker dwarshout als de twee voorigen vereenigt van vooren de uiterstens der latten, welke zich daar op dadelijk met de geboogene einden der schaatzen voegen en met riemen daar aan vast gemaakt zijn. Het onderste gedeelte van den raam draagt op boogswijze gekromde stokken, waar van de zijdelingsche punten te gelijk in deeze schaatzen komen; en[II-96] het bovenste gedeelte eindigt van agteren op de wijze van een kleine overdekte koetskar, van zestien duimen hoogte en twee voet diepte, en als een halve cirkel gemaakt met korte stokjes in halve hoepen ingevoegt, ten naasten bij als de agterleuningen van onze tuinstoelen. Het is in deezen naauwen omtrek, dat men gewoonlijk of den voorraad van levensmiddelen, of een gedeelte der zaaken, die van een dagelijks gebruik zijn, plaatst. Wat mij aangaat, ik borg daar het kistje met mijne brieven, en ik ging daar op zitten, tot dat ik de plaats van mijn geleider innam. Zijn zitplaats is omtrent in het midden van den raam, niet ver van het dwarshout; hij zet zich daar schrijelings op, en zijne voeten rusten op de schaatzen.

Wijze waar op men de rendieren voorspant en ment.

Het voorspan is van twee rendieren, derzelver tuigen bestaan in een lederen halsband, die gedeeltelijk over de borst en tusschen de voorbeenen van het beest doorgaat, en op zijde eindigt in een riem, op de wijze als een trekzeel, welke van het rendier, dat van de hand loopt, aan het dwarshout van de slêe word vastgemaakt, en van het geen bij de hand loopt aan de schoor van een der boogsgewijze steunzels, die op denzelfden kant van het rijtuig gevonden word. Voor teugels gebruikt men twee lederen riemen, waar van het eene eind als een band onder aan de schagt van de hoornen van[II-97] ieder rendier gehegt word[139]; wil men ter regterhand wenden, trekt men zagtjes de teugel naar die kant, terwijl men het dier dat buiten de hand is van agteren slaat; om links te rijden, is het voldoende eenige sterke schokken aan de regter teugel te geeven, en daar mêe het rendier het welk door deeze bestierd word aanteraaken; de linker teugel dient nergens anders toe, dan om het dier welke ze bereikt tegentehouden. Den rijder heeft daarenboven een stokje, welks eene eind van een soort van hamer voorzien is; dit is een horisontaal geplaatst been, het welk aan de eene zijde zeer dun is, het vertoont een punt van bijna twee duimen lang, die voornamelijk dient, om zonder te behoeven optehouden, de trekzeel der rendieren wanneer die om derzelver pooten verward raakt, na zich te trekken, het[II-98] welk voor één der voornaamste handgreepen van den koetzier gehouden word; het andere einde van dit been is een weinig ronder en verstrekt tot een zweep, dog de slagen daar mêe toegebragt zijn veel smertelijker, men bedeeld ’er deeze arme dieren ook zo rijkelijk mede, dat men somtijds hun bloed ziet vloeijen, dewijl dit stokje zeer ligt aan breeken onderhevig is, gebruikt men de voorzorg van zich van een zeker aantal te voorzien, welke ter zijde van de slêe vastgemaakt worden.

[139] Somtijds is het onderste van deeze band voorzien van kleine puntige beentjes, welke, bij de minste terugtrekking van de teugels, tot spooren van de onbuigzaame rendieren verstrekken; men gebruikt dezelve gewoonlijk om ze te leeren; wanneer men ze voorspant gebruikt men alle oplettendheid om het rendier dat voor de linker hand geleerd is niet aan de regter te plaatsen; dit zou veroorzaaken dat de slêe in plaats van voorwaards te gaan rondom zou draaijen, dit is een trek welke de Koriaken aan de Russen waar over ze meenen reden te hebben van onvergenoegt te zijn, wel eens speelen.

Wij reisden zeer gemaklijk tot aan den avond; mijn eenigste ongenoegen bestond hier in dat ik bij gebrek van een tolk geen gesprek met mijn prinselijke leidsman kon voeren. Ik verloor daar door ongetwijffelt veel van het geen hij mij anders zou hebben kunnen verhaalen, en onze onderlinge stilzwijgendheid verfraaijde de weg niet in mijne oogen.

Rustplaats.

Wij hielden ten zeven uuren stil, wij moesten eenen berg, die aan onze Koriaken bekend was, bereiken, welke deeze voor de eerste rustplaats in onze reismaat hadden aangetekent. Te vergeefs zou ik verlangt hebben om een schuilplaats in de bosschen te zoeken[140], dewijl het[II-99] gemak van den reiziger in het minste niet in de keus der rustplaatzen in aanmerking komt; dat der rendieren word alleen geraadpleegt, en de plaats, die het meeste mos opleevert, heeft altoos de voorkeur; ter halver weg van den berg wierden onze rendieren uitgespannen, men vergenoegde zich om dezelve aan leissels vasttemaaken, oogenbliklijk zag ik ze bezig met de sneeuw om te krabben, onder welke zij zeer wel hun voedzel weeten te vinden. Eenige treden verder wierd onze kookketel geplaatst, de duurzaamheid van onzen avondmaaltijd was evenredig aan deszelfs soberheid, ik verzogt mijn Koriaksche prins daar op, die bijzonder vergenoegt scheen over zulk een eerbewijs. Ik lag mij vervolgens op de sneeuw, alwaar men mij eenige uuren slaapens vergunde; de tijd verstreeken zijnde, kwam men mij onmeedogend wekken ten einde ons wederom op weg te begeeven.

[140] Gelijk ik doen kon, zo lang ik door honden getrokken wierd.

Het is noodig te weeten, dat de Koriaken in togten van vier, vijf of zes dagen bijna geen rust neemen; de rendieren zijn gewoon om dag en nagt, twee of drie agtereenvolgende uuren te loopen, vervolgens spant men ze uit, om dezelve omtrent één uur te laaten weiden; waar na ze met denzelfden iever wederom vertrekken, en herhaalen dit alle dagen tot aan het einde van de reis. Hier uit kan men ligt opmaaken dat ik[II-100] mij gelukkig rekende, wanneer men mij des nagts twee uuren lang de slaap vergunde; dog dit duurde niet lang, langzamerhand wierd ik genoodzaakt van mij aan de gewoonte mijner onbuigzaame geleiders te gewennen, en ik moet bekennen dat zulks mij moeijelijk viel.

Voor dat ik mijn slêe beklom, zeide mij Eviava dat hij de noodzaaklijkheid gewaar wierd om het rijtuig te verligten, dewijl het gewicht van twee persoonen op den duur te zwaar voor onze dravers zou vallen, en dat zo ik zelfs wilde beproeven om te mennen, hij zich op een der sleeden zou plaatzen, die ons leeg volgden, om ingeval van eenig ongeluk of verlies van rendieren te kunnen gebruikt worden; het voorstel was te zeer na mijn smaak, dan dat ik geaarzeld zou hebben om het zelve aanteneemen, ik vatte spoedig de teugels aan en begon mijne oeffenschool.

Ik begon zelfs te mennen.

Ik vond het zelve niet minder ongemaklijk, dan dat waaraan ik mij te Bolcheretsk onderworpen had, met dit onderscheid echter, dat ik als toen de eerste was, die lagchen moest om mijne menigvuldige tuimelingen, terwijl ik hier de verschrikkelijke proef van derzelver grootste gevaarlijkheid ten mijnen koste meende te ondergaan; het rendier, ter slinkerzijde aan het steunpunt van de slêe aangespannen zijnde, raakt deszelfs[II-101] trekzeel bijna aan den linker voet van den rijder, die met eene geduurige oplettenheid moet zorgen, dat hij ’er niet in verwart. Eens miste mij dit, het zij uit agteloosheid of onervaarendheid, en een schok wierp mij over de linkerhand, terwijl mijn been in deeze noodlottige trekzeel bleef vastzitten; de geweldige stoot die ik in het vallen onderging, of, zo ik geloof, de hevige en oogenblikkelijke smert welke mij dit been veroorzaakte, deed mij onvoorzigtiglijk de leissels ontglippen om de hand daar aan te brengen; door welk middel mij nu te ontwarren? de rendieren denzelfden teugel niet meer gevoelende, sleepten mij met des te meerdere snelheid voort, iedere pooging die ik tot mijne verlossing aanwende, deed dezelve moediger en meer verhit worden; dus door mijne rendieren voortgetrokken sleepte mijn hoofd over de sneeuw en sloeg zonder ophouden tegen de schaats van de slêe; dat men zich mijne smerten voorstelle; ieder oogenblik scheen mijn been te zullen breeken; reeds begaven mij de krachten om te roepen, ik verloor mijne kennis, wanneer ik door eene werktuigelijke beweeging de linker arm juist op mijne leissels sloeg die ginds en herwaards slingerde; een nieuwe schok van het rijtuig deed mij den arm terugtrekken, en dit was genoeg om mijne rendieren optehouden welke ter zelfder tijd[II-102] door eenige van mijn gevolg wierden ingehaald; de anderen liepen naar mij toe, niet anders verwachtende dan dat ik gevaarlijk gekwetst zou zijn. Ik vernam vervolgens van mijne soldaaten dat zij gevreest hadden van mij niet meer levendig te zullen vinden. Echter na eene flaauwte van eenige minuuten, zijnde een natuurlijk gevolg van de ontroering en schrik die ik gehad had, bekwam ik mijne zinnen en krachten allengskens wederom; ik geraakte met een sterke kneuzing aan het been en pijnen in het hoofd die geen de minste gevolgen hadden vrij, het genoegen dat ik aan dit gevaar ontsnapt was, deed mij de moed hervatten; ik beklom op nieuw mijn slêe en vervolgde mijn weg even als of mij niets wedervaaren was.

Hier door omzichtiger geworden, gebruikte ik de voorzorg, om wanneer ik omviel, aanstonds mijne rendieren op te houden; want ik had alle reden mij gelukkig te achten, dat deeze in derzelver onstuimige woede mij niet tusschen de bergen vervoerd hadden[141]; en hoe zou men dezelve dan hebben kunnen agterhaalen? Somtijds brengt men drie of vier dagen door om ze te volgen, en het gelukt niet altoos om ze wederom te[II-103] krijgen; dit bericht, het geen mij door onze Koriaken gegeeven wierd, deed mij voor mijne brieven beeven, terwijl de kist waar in die geplaatst waaren, op mijn slêe was vastgemaakt, en mij dus alle oogenblikken kon ontvoerd worden.

[141] Zij waaren wel van de weg afgeweeken, dog zij sleepten mij maar omtrent vijftig treeden voort.

1788. April Den 7.

Dorp van Karbanda.

Ik liet ter slinkerzijde het dorp van Karbanda, gelegen aan den oever van de zee, omtrent negentig wersten van Ingiga; dat Ostrog is van geen het minste belang, na het geen men, ten minsten op de afstand van een werst daar van kan oordeelen: drie wersten verder, wierd ik aan dezelfde kant, twee yourtes en zes balagans gewaar, alwaar inwoonders van dat dorp de zomer komen doorbrengen.

Rustplaats in een gehugt aan den oever van de Noijakhona.

Wij reisden nog zeven wersten om onze bepaalde rustplaats te bereiken, namelijk, een slegt gehugt, in het midden van een klein bosch, het geen door de rivier Noyakhona bespoeld word; het bestaat uit eene enkelde yourte, en drie of vier balagans, daar woonen ’s zomers en ’s winters tien a twaalf Koriaken, die mij vrij wel ontfingen; ten minsten bevond ik mij daar onder dak, en dit was zeer veel voor iemand die dikwils genoodzaakt was in de open lucht, en op een bed van sneeuw te slaapen.

1788. April Den 8.

Des morgens tegens twee uuren, lieten wij onze rendieren opzoeken, die van de wooningen verwijderd waaren, om reden van daar door[II-104] beter in derzelver voedzel te kunnen voorzien, en ze voor de verslinding der honden van het gehugt te bewaaren. Wij begaven ons weder op weg, dog den dag leverde niets bijzonders op.

Eviava niet recht weetende waar de yourte van Oumiavin’s broeder gelegen was, stelde mij des avonds voor, om een berg die aan onze linkerhand nog overterijden, dewijl hij hoopte op denzelven een zijner landgenooten te zullen aantreffen, die misschien daar beter bekend zou weezen dan wij; na anderhalf uur wegs afgelegt te hebben, bereikten wij den top, van waar wij, de oogen ginds en herwaards slaande, te vergeefs zogten te ontdekken de wooning van dien andere zwervende prins; niets duide zijn verblijf aan, en de nagt belette ons gezicht zich verder uittestrekken. Eviava was mistroostig, dewijl ik zeer vermoeijd en weinig geschikt was om voorwaards te komen. Om hem genoegen te geeven, zeide ik hem dat hij alléén zijn vriend zou gaan opzoeken, en zich ter dezer plaats weer bij mij voegen, alwaar ik, terwijl ik hem wagtende was, zou uitrusten; na verloop van drie uuren, kwam hij zeer verheugd mij wakker maaken, hij had de prins Amoulamoula en zijne geheele horde gevonden; de een en den ander verzogten mij aanhoudend van de plaats waar ik mij bevond niet te verlaaten, voor den volgenden morgen,[II-105] dewijl zij mij gezamentlijk wilden te gemoet komen. Ik was deswegens zeer wel te vreden, nadien ik daar door een goede nagt maakte.

1788. April Den 9.

Bezoek en geschenk, het welk ik van den Prins Amoulamoula ontfang.

Bij het aanbreeken van den dag zag ik deeze nieuwsgierigen verschijnen; het opperhoofd naderde mij het eerst, om zijne plichtpleeging op de Koriaksche wijs afteleggen, het geen hij, met een fraaije rood en zwartachtige vos, of séva-douschka tot een geschenk verzelde, welke hij onder zijn parque van daan haalde, en mij drong het zelve aanteneemen[142].

[142] Deeze behandeling was mij des te aangenaamer dewijl ik dezelve niet verwagte; tot dus verre had ik van geen Koriak eenig geschenk ontfangen. Ik zou zulks niet bemerkt hebben, indien ik niet, bij de verlaating de goedaartige Kamschatters die mij met geschenken overlaaden hadden, getragt had de hoedanigheden deezer twee volkeren te vergelijken.

Uit erkentenis voor deeze beleeftheid, onthaalde ik de geevers op brandewijn en tabak, waar van ik mij rijkelijk te Ingiga voorzien had, en na dat ik hen had betuigd, hoe gevoelig ik voor hun verplichtend onthaal was, nam ik van hen afscheid, voorzien van alle de noodige onderrichtingen, welken wij verlangen konden om onzen weg wel te bestieren.

Hoe zeer de sneeuw zeer dik lag, en geene vastheid had, zo liepen echter onze rendieren[II-106] met een verwonderenswaardig gemak en snelheid voort, zij hebben dit boven de honden vooruit, dat derzelver voeten meer oppervlakte beslaande, minder inzakken; men behoeft deeze met geene raketten voor uit te loopen om hen den weg te baanen; dog de honden worden niet zo spoedig moei, en bij gevolg bevrijden die de reizigers van de onaangenaamheid, van om de twee of drie uuren te moeten ophouden.

Onder weg, schoot ik verscheide patrijzen, uit de menigte die wij ’er van zagen is het optemaaken, dat ze zich in deeze streeken komen verlustigen; eenige wilde rendieren namen op onze aankomst de vlugt en lieten mij naauwelijks den tijd om ze te kunnen beschouwen, gelukkig dat ik door den overvloed van mijnen voorraad niet in verzoeking geraakte om dezelve te schieten.

Aankomst bij den Broeder van Oumiavin.

Op den middag konden wij reeds de Stoudé Naïa-reka onderscheidentlijk zien, en ten één uur waaren wij die overgetrokken, of liever wij bevonden ons bij den broeder van Oumiavin, bij wien Eviava aangenomen had, mij te zullen overbrengen.

Mijn nieuwe Gastheer kwam mij aan het hoofd van zijn gezin te gemoet; hun genoegen over mijne aankomst blonk hen ten oogen uit, ieder beieverde zich het zeerst om mij te naderen; de aanspraak van den ouden vorst was kort, dog[II-107] hartelijk en vervuld van die genegenheid welke hij mij reeds betoond had; hij verzogt mij, om van hem en alle de zijnen te willen gebruik maaken alle hunne bezittingen waaren tot mijn dienst, ieder bevlijtigde zich als toen om mijne sleeden en andere zaaken onder dak te brengen, ik had alleen maar aan mijne brieven te denken, en om deeze zelfs te kunnen draagen, moest ik hen uitleggen dat ik dit kistje nooit verliet.

In de yourte getreden, betaalde ik de postkosten aan den prins Eviava. Ik had twaalf sleeden ieder met twee rendieren bespannen; de weg dien wij afgelegd hadden beliep honderd vijf en tagtig wersten, dus was ik voor mijne vier en twintig rendieren, zeven roubels en veertig Kopecks verschuldigt[143]; wanneer mijn goeden leidsman deeze som ontfing verbaasde hij zich over mijne edelmoedigheid; wat ik ook deed om hem te betoogen, dat het als geen gift kon aangemerkt worden, het geen ik hem wettig schuldig was, het was onmogelijk om hem mijne berekening te doen bevatten; zijn oude deun bleef altoos dat hij nimmer een zo braaf man aangetroffen had: hem te betaalen om dat hij mij had verplicht, scheen in zijne oogen een daad van[II-108] verhevene deugd; uit zo veele lofspraaken, zou men de Russen kunnen verdenken, van meerdere bezuiniging in het werk te stellen; men meent in der daad, dat hunne reizen door deeze streeken niet zeer kostbaar zijn.

[143] Dat is te zeggen de waarde van vier paarden in Siberien en in Kamschatka voor de postbodens.

Wij hielden ons vervolgens met ons middagmaal bezig, het geen aller vrolijkst was, Eviava en mijn gastheer aten met mij, de brandewijn wierd niet gespaard, en mijne verrukte gasten herinnerden zich niet, ooit zulk een goeden cier gemaakt te hebben.

Bijzonderheden wegens mijne gastheer.

Het overige van den dag hield ik mij bezig om alles wat mij omringde natespooren en te ondervraagen, dog de leezer zal mogelijk begeerig zijn, meer bijzonder de braave Koriak te leeren kennen, die mij met zo veel beleefdheids ontfing.

Hij is ook Oumiavin genaamd, en in zijne kindsheid onder de naam van Siméon gedoopt, waar door hij van zijn broeder onderscheiden word, hij erkende in de beste trouw dat hij geen het minste denkbeeld had van de Christelijke Godsdienst; men had zo weinig zorg gedraagen om de jong bekeerde te onderwijzen, dat hij in het minste geen bewustheid had van zijne verplichtingen, nog van de eenvoudigste leerstukken der Evangelische wet; overgegeeven aan het onzinnig mengsel der dwaalingen van zijn land, en van[II-109] eenige uitwendige gebruiken van het Christendom, waar van hij zich een gewoonte gemaakt had[144], vond hij gelukkig in zijn hart de grondbeginzels van eene natuurlijke zedeleer, die alleen zijne daaden bestiert.

[144] In de tegenwoordigheid der Russen, liet hij nooit na om de gewoonlijke Kruistekenen te maaken, namelijk bij het binnentreden in de yourtes, en voor en na den eeten.

Even als alle de Koriaken, is hij klein van persoon en bruin van couleur; op zijn aangezicht vertoont zich zijne ziel, een klaarblijkelijke openhartigheid en goedaartigheid, die het geheel van zijne gestalte oplevert, doet een gunstig vermoeden van hem opvatten, en, zijn sneeuw wit hoofdhair, als mede de gelijkmaatigheid van zijne wezenstrekken verschaffen hem een waarlijk verheven aanzien; hij is aan de regter arm verminkt, door de gevolgen van een zeer gevaarlijk gevegt het geen hij tegens een beer gevoerd had; de schrik had zijne medemakkers van den anderen verspreid, alleen bood hij aan het dier tegenstand, en hoezeer hij maar van een mes voorzien was, gelukte het hem eindelijk van het zelve ter neer te werpen en te dooden; de jagt is zijn grootste vermaak, niet minder behendig dan stoutmoedig,[II-110] word hij ook voor een zeer gelukkig jager gehouden.

Ontwerp van Siméon Oumiavin.

Dog het was boven al door zijne krachtige geestvermoogen dat hij mij veel achtingswaardiger en belangrijker voorkwam; het ontwerp dat hij gevormd had, en waar van het te bejammeren is dat men de uitvoering belet heeft, kon niet anders dan uit wel geordende harssens voortkomen, ten minsten duid het veel gezond verstand aan, en meer opmerkzaamheid als men wel bij zijne landsgenooten zou verwachten, ziet hier wat daar toe aanleiding gaf.

Zedert lang viel het, dit onbuigzaame en jaloursche volk omtrent hunne vrijheid, moeijelijk om zich aan het denkbeeld te gewennen van schatting-schuldigen van Rusland te weezen; het gestrenge bestier der bevelhebbers wierd door deeze wilden voor een dwingelandsch misbruik van magt gehouden; en inderdaad, onder het getal der mindere officieren, waaren ’er zonder twijffel veelen die zich geweldenarijen veroorloofden omtrent de nieuwe onderdaanen van het Russische rijk.

Siméon Oumiavin was de eerste, welke door deeze knevelarijen tot den opstand verwekt wierd; nog meer verbitterd door de hardvogtigheid der afperssers, dan wel over hunne plunderingen,[II-111] was hij bij zich zelfs overreed dat een zodanig gedrag niet door eene Souveraine kon goedgekeurd worden, welkers goedheid en rechtvaardigheid men niet ophield te roemen, deeze schrandere aanmerking maakte op zijn geest de grootste indruk, en deed zijne natuurlijke kloekmoedigheid ontwaaken; dadelijk eenige diergelijke slachtoffers, die even als hij van de onrechtvaardigheid deezer kleine dwingelanden veel te lijden hadden verzamelt hebbende, deelde hij hen zijne overleggingen, en zijn voorneemen mede.

„Mijne broeders! zeide hij tot hen, gevoelt gij het gewicht uwer ketenen? Zijn wij gebooren om die te draagen, om den prooij van deeze gierige bewindvoerders te zijn, wier begeerlijkheid, onder het dagelijks misbruik van hun gezag, ons beschouwd als een goed het geen zij na hun welgevallen kunnen verteeren en gebruiken? wat hindert ons om ons van dien geessel te verlossen? het is niet door de wapenen dat wij zulks moeten beproeven; de onzen zouden onvoldoende zijn, en onze vijanden zouden des te gedugter uit hunne assche te voorschijn komen, dog laaten wij onderneemen de onmeetelijke ruimte der landen doortetrekken, welke zij hebben weeten te doorloopen om tot ons te komen; laaten wij onze klagten doen hooren tot in het verblijf van onze[II-112] Keizerin; het is onder haar naam en niet op haar bevel dat men ons knevelt, dat men ons berooft; zo veele kwaade behandelingen, zo veele schelmerijen worden door de wijsheid van haare regeering geloogenstraft; haare onwaardige bewindslieden zijn de eerste om de zagtheid daar van te verkondigen; spoeden wij ons aan haare voeten te werpen en onze klagten voortestellen; zij is onzer aller moeder, zij zal aan het geschrei van een gedeelte haarer onderdaanen gehoor geeven, die zij niet anders kan kennen en beoordeelen dan uit de leugenachtige verhaalen van haare afgezanten”.

Deeze redevoering, die ik hier zodanig mededeel als mij dezelve ten naasten bij door Oumiavin opgegeeven is, bezielde alle de gemoederen met gelijke verontwaardiging en iever. Ieder wilde om het zeerst naar Petersburg, de vermogendste en de stoutmoedigste verkreegen de voorkeur; het vrij wel spreeken van de Russische taal verwierf den ontwerper van dit denkbeeld, de eer om aan het hoofd van de bezending geplaatst te worden, welke van een meenigte kostbaare zaaken tot geschenken voorzien wierd; te Okotsk gekomen, hadden onze reizigers onderstand noodig, zij vervoegden zich aan den bevelhebber, hem verzoekende van hun de noodwendigheden te verschaffen, om ten minsten tot Irkoutsk te[II-113] kunnen geraaken: dan deeze had kennis van hun besluit gekreegen, hij voorzag het gevaar daar van, en nam maatregelen om derzelver togt tegen te gaan. Onder het spitsvondig voorwendzel van dadelijk de goedkeuring van het generaal gouvernement te zullen vraagen, hield hij hen geduurende eenige maanden bij zich. In dien tusschentijd deed hij alle de raderen der verleiding speelen; redeneeringen, vleijerij, alles wierd in het werk gesteld om hen van derzelver reis te doen afzien; dog ook alles was vrugteloos, zij bleeven onverzettelijk; als toen nam men toevlucht tot geweld, duizend strikken wierden hen gespannen; door de vervolging, de opkooping (monopole) wist men hun onaangenaamheden te berokkenen; en om hun voor dit alles te straffen, noodzaakte men hen eindelijk om wanhoopend en schaamrood te rug te keeren over de opoffering en het verlies van het grootste gedeelte hunner goederen en rendieren.

De treurige ondervinding hier van deed het opperhoofd van het Koriaksche bondgenootschap den moed niet verliezen. In zijne oogen was dit een nieuw bewijs voor de noodzaaklijkheid van zijn voorneemen, en van deszelfs uitvoering; zedert hield hij zich daar altoos mêe bezig, in de hoop, dat eenmaal de omstandigheden hem[II-114] gunstiger zouden weezen; wanneer ik bij hem kwam, brande zijn hart nog van verlangen om die reis te onderneemen; „Ja, zeide hij tot mij, ik zou niettegenstaande mijne hooge jaaren op het oogenblik vertrekken; mijn oogmerk zou niet meer het zelfde zijn, en zeker zou ik diergelijke hindernissen niet meer te vreezen hebben, want alle onze bevelhebbers verdienen tegenswoordig ons vertrouwen en onze lofspraaken, mijne begeerte zou, daar heenen strekken om onze souveraine te zien, somtijds, voegde hij ’er bij, zoek ik mij een denkbeeld te vormen van haar prachtig verblijf, van den rijkdom en de verscheidenheid, die daar heerscht; dit vernieuwt mijne aandoeningen van haar niet te hebben kunnen beschouwen in het midden van haare grootheid en roemrijke regeering. Zij zou ons eene godheid toegescheenen hebben, en het getrouw verslag, dat ieder van ons des wegens aan zijne landgenooten had kunnen mededeelen, zou in alle de harten den eerbied en de onderwerping hebben ingeprent; veel meer geketend door de liefde, als weleer door de vrees, is ’er niemand onder ons, die niet met blijdschap de schattingen, met gematigdheid opgelegd, zou willen voldoen; wij hadden onze nabuuren geleerd[II-115] om haare regeering te beminnen, wanneer wij hen getuigen gemaakt hadden van ons geluk en van onze dankbaarheid.”

Bijna alle mijne gesprekken met deezen welmeenenden Koriak, waaren van dien aart: ik heb gemeent dezelve hier te moeten afschrijven; om de afbeelding van zijne hoedanigheden geheel te schetzen; dat het mij nu geoorloofd zij van ’er nog eenen trek bij te voegen.

Edelmoedige trek van deezen Koriakschen Prins.

De verbaazende kosten, welke hij gemaakt had, scheenen zijn geheelen ondergang na zich te zullen sleepen; hij had lang werk om zijne kudde weder aantevullen, welke, in zijne afweezendheid, uit gebrek aan oppassing en door de ongetrouwheid der wachters, versmolten was; het was in dit oogenblik, dat hij zich noch edelmoediger betoonde. Eenige maanden te vooren had een zijner naastbestaanden alle zijne rendieren verlooren, en zag zich tot de dienstbaarheid gebragt. Siméon Oumiavin kwam ter zijner hulp, en leende hem zonder intrest eene kleine kudde. Bij zijne terugkomst van deszelfs mislukte zending, weigerde hij, niettegenstaande zijnen uitersten nood, dezelve te rug te neemen, dewijl hij die niet genoegzaam vermeerderd vond, om daar van een zeker getal aan zijnen schuldenaar, ingeval die zijn schuld afdeed, te laaten behouden.

[II-116]

Kudde van rendieren.

Dit is in der daad de eenigste rijkdom van dit zwervende volk; het opperhoofd van een horde bezit zelden minder dan twee of drie honderd rendieren; verscheiden hebben ’er drie à vier duizend; de kudde van Siméon Oumiavin kon als toen op agt a negen honderd beloopen, welkers gezicht mij het grootste vermaak verschafte.

Op de kruin van een berg, in de nabuurschap van de Stoudenaïa-reka, zag men die menigte van rendieren, dan eens bij den anderen, dan wederom verstrooid, zoekende de mos onder den sneeuw; zelden dwaalen ze af en altijd vind men ze zonder moeite wederom; des avonds van mijne aankomst zag ik deeze vertooning; men verzamelde ze, om er het getal, dat ik benoodigt had, uittekiezen; in minder dan een quartier uurs was zulks gedaan: op het geschreeuw der herders naderden de tamgemaakte rendieren; de jongen, en die geenen, welken vrij van of buiten den dienst waaren, liepen ter zijde weg; die, welken de sleeden voorttrekken, en de onhandelbaaren wierden in een kring gejaagd, en door middel van een strik, dien men dezelve met eene bijzondere behendigheid omwierp, bemagtigde men ze spoedig; de keus gedaan zijnde, wierden die voor mij geschikt waaren afgezondert, en indien men die niet vastgemaakt had, zouden zij zich spoedig bij de anderen gevoegd hebben.

[II-117]

Men spant de wijfjes gemeenlijk niet voor, deeze worden bewaard tot voortplanting van het geslacht. In den herfst worden ze gepaard, en in de lente werpen ze haare jongen; de jonge mannetjes, voor de sleeden geschikt, ondergaan de ontmanning ten naasten bij op dezelve wijze als de honden in Kamschatka.

Onder eene kudde, vind men altoos drie of vier rendieren tot de jagt aangelegt; de natuurlijke neiging (instinct) van dit dier is onbegrijpelijk; hij jaagt al weidende: ontmoet hij een wild rendier, dan bootst hij dikwils, zonder eenig teken van vreugde of verwondering te geeven, al graazende den gang en alle de gewoontens van het zelve na, dat somtijds zonder den strik te bemerken zich bij den ander vervoegt; welhaast ziet men ze te zaamen speelen, hunne hoornen vlegten zich door een, zij verlaaten elkander, keeren wederom, vlugten en vervolgen zich beurtelings; geduurende dit speelen weet het tamme rendier langzamerhand zijn prooij onder het bereik van het schot van den jager te brengen. Met een wel afgericht rendier heeft men het vermaak het beest levendig te vangen, het is genoeg om aan de hoornen van den eersten een strik vast te maaken, dien hij al speelende om de hoornen van zijn tegenpartij vastmaakt, hoe meer de een pogingen aanwend om ’er zich van te ontdoen,[II-118] hoe vaster de strik toegaat, en de ander meer en meer na zich toetrekt, ten einde zijn meester tijd te geeven om ’er bij te komen: dikwils gebeurt het ook, dat het wilde rendier de list mistrouwt, en zich aan het gevaar door de vlugt onttrekt.

Wanneer een Koriak des morgens uit zijne yourte te voorschijn komt, ziet men zijne rendieren zich rondom hem verzamelen, ten einde hunnen drank te bekomen, die derzelver grootste lekkernij uitmaakt, dit is menschenpis, dien men zorgvuldig in potten of in korven verzamelt[145]. De geheele kudde werpt zich om het zeerst op deezen drank, die in een oogenblik verzwolgen is, hoe groot de portie ook zijn mag.

[145] Deeze korven van stroo gemaakt zijn zo kunstig gevlogten, dat het vogt ’er niet kan doorzijgen.

Geschenk van Oumiavin.

Siméon Oumiavin liet in mijn bijweezen een jong rendier dooden, zijnde het beste, dat hij bezat, men sneed het in stukken, om tot voorraad voor mij te kunnen dienen, en hij voegde ’er de helft van een wild rendier bij, waar van het vleesch mij nog sappiger voorkwam; hij gaf mij ook vier zeer fraaije rendieren vellen[146]. Wij keerden vervolgens naar zijne yourte, alwaar ik[II-119] den nagt op mijn matras doorbragt, die ik in een hoek had doen uitspreiden.

[146] Men moet opmerken, dat men onder honderd jonge rendieren vellen, pouijiki genaamd, er naauwlijks twee aantreft, die voor kleeding kunnen gebruikt worden. Men vind er ook, die geheel wit zijn.

Yourte van de zwervende Koriaken.

Hoe zeer de benaaming het zelfde is, heerscht er echter geene de minste gelijkheid tusschen de wooningen der zwervende Koriaken, en de onderaardsche verblijfplaatzen der Koriaken, die een vaste woonplaats hebben; het schijnt, dat de Russen, niet weetende, hoe de verschillende legerplaatzen van deeze volkeren te benoemen, voor die allen maar den naam van yourte aangenomen hebben, zonder zich te bekommeren over deszelfs oorsprongelijke betekenis, namelijk, die van onderaardsch verblijf; de yourtes, waar van hier gesprooken word, zijn, om eigentlijk te spreeken, tenten, die in de gedaante van hutten op den grond geplaatst zijn. Om ’er de fondamenten van te stellen, doed men niets anders dan den omtrek op de sneeuw aftetekenen, die sneeuw, welke binnen de lijn gevonden word, werpt men naar buiten; vervolgens plaatst men op gelijke tusschenwijdte een groot aantal stokken, die zich van boven zamenvoegen, en de een aan den ander tot ondersteuning dienen; deeze boersche timmeragie word door een slegt dak van bereide rendieren vellen bedekt, het zelve bevat den geheelen buitensten[II-120] omvang van de yourte, van deszelfs grondvesten af[147] tot op eenige voeten afstand van den top, die open blijft om van binnen lucht te geeven, en een doortogt aan den rook te laaten; hier spruit uit voort, dat men in het midden van de woonplaats aan den regen en sneeuw is blootgestelt, alwaar die zonder eenige tegenstand doordringt; echter plaatst men daar de haardstee, en de keuken; het gezin, en de knegts, die de kudden bewaaken, slaapen onder pologs, zijnde een soort van huisjes of zeer laage tenten, bij verdeelingen rondom en tegens het behangzel van de yourte gerangschikt; deeze pologs zijn even als de vierkante tentjes der Tchouktchis.

[147] De yourte van mijn gastheer bestond uit omtrent vier toises (halve roeden) middellijns, en was ten naasten bij van dezelfde hoogte; deszelfs omtrek was van twaalf toises, en het dak eindigde in een kegelvormige gedaante.

Men kan aan de ongestadigheid van dit zwervende volk de uitvinding hunner wooningen toeschrijven; de overbrenging van het huis zeer gemaklijk zijnde, kost het hun weinig moeite om te besluiten van eene andere streek te gaan bewoonen. Bij de eerste behoefte of de minste verdrietelijkheid word de tent opgenomen; men maakt de stokken langs de sleeden vast, op dewelke de bekleedzels met het reisgoed ingepakt[II-121] word. Wanneer de nieuwe grond uitgekoozen is[148], zet men zich daar zodanig neder, dat men ieder oogenblik wederom opbreeken kan: men laat dienvolgens bij de wooningen de gelaaden sleeden staan; en de goederen worden niet ontpakt, dan naar maate men dezelve benoodigt heeft.

[148] De nabuurschap der rivieren, en boven al der plaatzen, waar men overvloed van mos vind, word, gelijk ik reeds gezegt hebbe, altoos het meest gezogt.

1788. April Den 10.

Vertrek.

Wanneer ik bij Siméon Oumiavin aankwam, vond ik daar twaalf sleeden tot mijne vervoering geschikt; het eerste, dat die prins deed, was mij te verzekeren, dat hij mijn leidsman zou zijn, en dat hij mij, indien het noodig waare, tot aan Yamsk zou vergezellen. Ik was over dit verplichtend aanbod zeer te vreden, en den 10. namen wij des morgens ten agt uuren de reis aan; des middags trokken wij de Tavatoma over, na dat wij reeds vijfentwintig wersten afgelegd hadden.

Warme bronnen van Tavatoma.

Begeerig om eene warme bron te zien, die Oumiavin mij in de nabuurschap aanwees, bond ik raketten aan, om te voet een klein bosch doortegaan, aan welkers zoom dezelve een beek vormt van zes voet breed, die in de Tavatoma valt. Ik scheide van mijn gevolg aan de bogt, welke die[II-122] rivier ter deezer plaats beschrijft. Ik was met hen overeengekomen, dat zij geduurende dien tijd den hoogen berg, die ter onzer rechterhand lag, zouden overrijden, en daar, terwijl ze mij wachtende waaren, onze rendieren laaten weiden, en al het nodige tot het middagmaal gereed maaken; Ik, alleen van den Heer Kissélioff verzeld, moest twee wersten gaan om aan de bron te komen.

Deeze heeft het voorkomen, als of ze uit verscheide anderen bestaat, welken uit een berg ter slinkerzijde van de rivier hervoortkomen, en zich in derzelver val vereenigen. Een dikke rook verheft zich wolksgewijze boven dit water, dog het verspreid geen de minste kwaade lucht, de hette is zeer sterk, en de kooking onophoudelijk; het zelve heeft eenen onaangenaamen en bijtenden smaak, welke zwavel en zoutdeelen aanduid, mogelijk zou men door de ontbinding daar ook ijzer en koper in ontdekken, dit is zeker, dat de steenen, die ik langs de beek opraapte, allen van dien aart scheenen, als of ze door een vuurspuwenden berg uitgeworpen waaren; dog ik moet meede opgeeven het uitwerkzel, dat dit water op ons voortbragt. Ik had ’er maar even den mond mêe gespoelt, en ter zelver tijd waschte de Heer Kisséliof zich daar meede het aangezicht; een half uur daar na, wierd zijn vel opgezet, en mijn tong en gehemelte van het vel ontbloot:[II-123] lang bleef mij het ongemak bij, dat ik niets heets, of dat van een sterken smaak was, kon gebruiken.

Mijne nieuwsgierigheid voldaan zijnde, begonden wij weer te denken om tot ons gevolg te rug te keeren; tot dat einde meenden wij een zeer steilen berg tegens over dien, waar deeze heete wateren ontspringen, te moeten overklimmen; dog verplicht zijnde van onze raketten aftedoen, die ons veel meer agter dan voorwaards deeden gaan, moesten wij denzelven op handen en voeten overklauteren; het drie vierde gedeelte van den berg beklommen hebbende, verzogt ik, overstelpt van vermoeijdheid, en daar en boven vreezende, dat ik mij in den weg bedroogen had, mijn reismakker, die meerder dan ik geoeffend was om dus over de sneeuw voort te kruipen, dat hij zou tragten den top te bereiken, van waar ik hoopte, dat hij onze sleeden zou ontdekken; hij slaagde daar in, en na een uur wagtens en ongerustheids, zag ik den goeden Oumiavin verschijnen, die mij een slêe bragt; wij waaren volgens zijn zeggen waarlijk verdwaald, en Kisséliof had meer dan tien maalen gedagt te zullen bezwijken, voor dat hij onze kleine legerplaats vond; men begaf zich bij mijne aankomst wederom op weg en wij hielden niet dan zeer laat stil, wanneer wij meer dan vijfentwintig wersten van de heete bronnen van Tavatoma afwaren.

[II-124]

1788. April Den 11.

Wij meenden den 11. tot aan de keten van bergen te komen, die Villéguinskoikhrébent genaamd word, dog dit was onmogelijk; bij het eindigen van den dag begonden wij ze eerst te ontdekken; wij wilden ze ten minsten zo digt naderen, om zeker te zijn van ze den volgenden morgen te kunnen overtrekken.

1788. April Den 12.

Bergen van Villegui.

Een ieder onzer dagt er nabij te zijn, echter waaren wij ’er nog agt wersten van af, na deezen togt gedaan te hebben, moesten wij de kleine rivier[149] die langs den voet van die bergen slingert, overrijden, vervolgens kwamen wij aan den Villégui, den hoogsten van allen, en die aan den zelven keten den naam geeft. Op het eerste gezicht schijnt hij ongenaakbaar. Eene naauwe engte vertoonde zich aan ons, en wij ondernaamen het om hem te beklimmen op het goed vertrouwen, dat wij in onzen princelijken geleider stelden; vier uuren waaren naauwlijks voldoende om op den top te geraaken; daar verloor ik den moed, wanneer ik zijne verbaazende hoogte in aanschouw nam; dat men zich inderdaad eenen ontzagchelijken klomp voorstelle, die ten minsten honderd toises of vijftig roeden bijna lijnregte hoogte heeft, omzoomt met rotsen en steenen, waar op de sneeuw niet is kunnen blijven leggen, maar door de orcaanen[II-125] weggevoerd is; het weinige, dat ’er op is gebleeven, maakt den weg zo glibberig, dat ieder oogenblik onze rendieren neervielen; niettegenstaande onze pogingen om de sleeden te ondersteunen veroorzaakte de steilte, dat deeze telkens agter uit raakten, het geen ons ook geduurig deed terug deinzen, uit vrees, dat ze op ons mogten vallen, het was met ons gedaan geweest indien de voet gemist had; menigmaal wierd ik gewaar, dat, wanneer ik mij aan een rots hield, die ik meende vast te zijn, dezelve mij onder de hand begaf en als dan verloor ik het evenwicht. Zonder de hulp van Oumiavin en van mijne soldaaten, die naast mij opklommen, en welken mij ter juister tijd tegenhielden, zou ik ongetwijffelt ter neergestort hebben; wanneer ik om hoog was, kon ik niet zonder afgrijzen den weg beschouwen, dien ik gekomen was, het gezicht van het gevaar, het geen ik geloopen had, veroorzaakte mij eene zodanige beklemdheid, dat ik genoodzaakt was mij neer te zetten.

[149] Deeze rivier word Villéga genaamd.

Het was ’er verre af, dat ik mij behouden rekende, ik moest wederom afklimmen; mijn ieverige Koriak beduide mij zeer naauwkeurig tot mijne geruststelling, hoe ik zulks onderneemen moest, zijn onderricht benam mij wel de vrees voor ongelukken, dog echter niet alle ongerustheid:[II-126] ik had een gedeelte van mijn reisgoed onder aan den voet van den berg laaten staan; wie zal het zelve durven gaan haalen, zeide ik tot mij zelfs? de moedige Oumiavin belaste zich daar mede, en vertrok aanstonds met eenige manschap.

Een hevige dorst verslond mij: de kruin van den berg was wel met sneeuw bedekt, dog hoe zou men dezelve doen smelten! geen heester zagen wij om ons heen; de hoop van ’er in de laagte te zullen vinden deed mij besluiten om mijn geleider niet aftewachten, maar van zijne raadgeevingen in het klimmen gebruik te maaken; wij begonnen met onze rendieren uittespannen; zij wierden agter de sleeden vastgemaakt, op ieder van welken zich twee menschen plaatsten; wij lieten ons vervolgens afglijden, even als de inwoonders van Petersburg, die zich op die wijs in de Carneval met ysbergen vermaaken, welken zij op de Néva vervaardigen; met behulp van onze stokken hielden wij het rijtuig tegen, en bestierden het zelve; in minder dan agt of tien minuuten waaren wij om laag; gelukkig wierd ik eenige kleine cederboomen gewaar, welhaast hadden wij vuur, en ik kon mij verfrisschen; het was als toen twee uuren in den namiddag, ten zeven uuren waaren wij allen weer bij den anderen. Oumiavin kwam onbeschadigd[II-127] bij ons, dog zo vermoeid, dat wij niet langer dan tot negen uuren konden voortreizen.

1788. April Den 13.

De volgende dag was minder moeijelijk voor ons, dan wel voor onze rendieren; de sneeuw lag meer dan drie voet dik, en zo los, dat de dieren tot den hals daar inzonken; verscheiden weigerden volstrekt dienst te doen, wij moesten ze op de weg agter laaten; dit is ook een ongemak in het reizen met rendieren, wanneer men een grooten togt agter den anderen wil afleggen; men mag ze spaaren zo veel men wil, zo dra ze moede worden, is men genoodzaakt op te houden of ze agter te laaten, als dan is het niet meer mogelijk om ze van de plaats te doen gaan.

Den 14.

Ik hoopte den 14. des morgens te Toumané te weezen; wij hadden niet meer dan tien wersten afteleggen, wanneer een hevige wind ons overviel, en ons sneeuwvlaagen aanbragt, die ons geheel verblinden; genoodzaakt om onzen togt langzaamer interichten, konden wij dit dorp niet bereiken dan des namiddags ten vier uuren.

Ostrog van Toumané.

Deszelfs ligging is ten zuidwesten van Ingiga, op den afstand van vierhonderd veertig wersten, in een klein boschje, dat door de rivier Toumane drie wersten van deszelfs mond gescheiden word. Drie yourtes, even zo veel houten magazijnen en een twaalftal balagans maaken dit Ostrog, en twaalf geslachten deszelfs bevolking uit; hoe[II-128] zeer de rivier zeer vischrijk was[150], heb ik echter sommige inwoonders, het zij uit luijheid, het zij uit een bedorven smaak, zich met berken schors, in walvischtraan gedoopt, zien voeden.

[150] Wij vischten daar uitmuntende lekkere forellen.

1788. April Den 14. en 16.

Oumiavin is genoodzaakt mij te verlaaten.

Het slegte wêer hield den 15 en 16 aan, dog te vergeefs zou ik mij op weg hebben willen begeeven, onze rendieren waaren buiten staat, om mij verder te brengen. Oumiavin durfde mij zulks niet zeggen; uit zijne treurigheid ontdekte ik reeds, het geen hij voor mij verbergen wilde; op het eerste woord, het geen ik deswegens tot hem voerde, verzogt hij reeds verschooning, even als of ik recht had gehad mij over hem te beklaagen, om dat hij zich in de onmogelijkheid bevond, van mij volgens zijne belofte naar Yamsk te brengen. Ik had veel moeite om hem te doen begrijpen, dat ik van zijnen goeden wil volmaakt overtuigd, en hem dankbaarheid voor alle zijne beweezene diensten verschuldigt was, ik moest bijna boos worden, om hem eenige geschenken te doen aanneemen, welken ik bij de kosten van de post meende te moeten voegen.

1788. April Den 15. en 16.

Op zijn raad drong ik sterk bij de inwoonders aan, om mij alle de honden te bezorgen, die zij krijgen konden; dog de naauwkeurigste navorschingen verschaften mij ’er maar een gering[II-129] aantal; en om die, welken ik noodig had, aantevullen, kon men geen ander hulpmiddel uitdenken dan de jongen en zelfs de wijfjes, die binnen kort werpen moesten voortespannen; de edelmoedigheid deezer lieden ging zo verre, dat ze een gedeelte van derzelver voorraad van gedroogden visch, die niet groot was, ten mijnen behoeven afstonden.

1788. April Den 17.

Vertrek van Toumane.

Des daags van den 17. ging de wind leggen, dog de lucht bleef met zwarte wolken belaaden, die niet veel goeds voorspelden; na dat ik echter van mijn getrouwen Siméon Oumiavin en van mijne vrienden te Toumané afscheid genomen had, vertrok ik des namiddags ten een uuren, verzeld van mijn geleide en al mijn reisgoed, op vijf open sleeden. Ieder voorspan was van agt a tien honden; ik nam een man te meer om mij voor koetzier te dienen, dewijl ik geen sterkte nog moeds genoeg bezat om ’er mij langer van te kunnen ontdoen; deeze vermoeijende oeffening had mij de krachten benomen.

Storm.

Het leed niet lang, of wij bereikten de zee, waar op wij ons begaven, ten einde zeven bergen te ontwijken, die den gewoonen weg ten uitersten moeijelijk maaken; naauwlijks hadden wij vijftien wersten gedeeltelijk over het ijs, gedeeltelijk langs den oever, afgelegt, alwaar wij tot ons geluk genoodzaakt wierden te rug te komen, dewijl[II-130] de sneeuw op nieuw met een zo onstuimigen wind nederviel, dat dezelve onze sleeden deed waggelen en de honden te rug stiet. Mijne leidslieden waarschuwden mij spoedig van het gevaar, en uit vrees van te verdwaalen, waaren zij van oordeel, om daar digte bij een schuilplaats te zoeken in een verlaaten yourte, die hun bekend was.

Verlaaten yourte, die ons ter schuilplaats verstrekt.

Zij is gelegen aan eene kleine rivier genaamt Yovanna, twintig wersten van Toumané: wij kwamen daar verkleumd van de koude, en met sneeuw bedekt; ieder wilde om het eerst daar in nederklimmen, ten einde zich in veiligheid voor den wind te stellen, dog vier voet sneeuw bedekte deszelfs opening; wij plaatsten onze sleeden in reijen, vervolgens baanden wij ons een doortogt met onze raketten, bij gebrek van schoppen; deeze arbeid duurde een uur; wij hadden geen ladder om er inteklimmen; de stoutmoedigste waagde het om ’er in te springen, en de anderen volgden hem; wij vielen op een hoop geheel bevroozen zeewolven, en waar van sommigen half verscheurt waaren, ongetwijffelt door verslindende dieren, aan wien in het hevigste van den winter deeze onderaardsche wooning veelmaals ter schuilplaats zal gediend hebben. Eene ledere zegen, in een hoek gesmeeten, was het eenigste kenteeken, dat menschelijke weezens dit hol bezogt hadden. Het is waarschijnlijk, dat eenige[II-131] Koriaken uit de omleggende streeken daar van hun voorraadschuur gemaakt hebben; de wanden waaren behangen met ijsschotzen, die in krisstallijnen droppen afhingen; en waarlijk ik kon deeze wooning niet beter dan bij een ruime ijskelder vergelijken; ze is vierkant, en heeft vijf voet diepte op tien voet breedte.

Terwijl wij bezig waaren om de zeewolven ter zijde te plaatzen, ten einde meer ruimte te hebben om ons te kunnen nederleggen, maakten mijne geleiders onze honden vast[151] en gaven hun derzelver rantsoen van gedroogden visch; terzelver tijd ontstak men het vuur, om ons te warmen en om onzen avondmaaltijd gereed te kunnen maaken; daar na lag ik mij op het lederen net, het welk wij in de yourte gevonden hadden: een zeewolf diende mij tot een hoofdkussen; mijne medgezellen volgden mijn voorbeeld na, en behalven[II-132] de onaangenaamheid van een weinig digt bij den anderen te leggen, bragten wij eenen zeer goeden nagt door, wij hadden aan de Koriaken van mijn gevolg een geheelen hoek ingeruimd, dog zij lagen de een op den ander, en konden zich zelfs niet uitstrekken; echter beklaagde zich geen van hun deswegens, nog scheen ’er zelfs eenige aandagt op te vestigen. Ik zag hen even als de aapen neerhuiken, het hoofd in hun parque winden, vervolgens met de elleboogen op de knie-ën leunende, zo rustig inslaapen, als of zij wel op hun gemak geplaatst waaren geweest.

[151] De sneeuw viel in zulk een overvloed, dat die arme dieren onder deszelfs dikte als begraaven waaren, dog gewoon aan het slegte wêer, verzamelen zij zich in gelederen en steeken altoos den neus in den wind, zo dat de warmte van derzelver adem, terwijl die hun koud bekleedzel doordringt, voor de ophaaling een vrijen doortogt laat: zij weeten ook zeer wel, wanneer dit dekzel te zwaar word, het zelve afteschudden.

1788. April Den 18.

Den volgenden dag veranderde de wind, dog even geweldig als die van daags te vooren, was hij ons nog hinderlijker; hij joeg den rook weer in de schoorsteen, zo dat wij ’er bijna van verstikten en blind wierden. Toen beslooten wij, dat men geen vuur zou aansteeken dan tegens eetenstijd.

Ik wilde beproeven, of ik dit ongemak niet door eenige schikkingen van buiten kon verhelpen; wanneer ik buiten kwam, dagt ik door den wind omver gesmeeten te zullen worden. De Heer Kisséliof, die mij volgde, raakte zijn muts kwijt, hij wilde die met eenigen van onze leidslieden naloopen, dog te vergeefs! wanneer hij zich maar vijftien passen van onze schuilplaats verwijderd[II-133] had, verloor hij die reeds uit het gezicht, zonder te weeten, naar welken kant zich te wenden, om die wederom te vinden, het was alleen door het beantwoorden van zijn geroep, dat wij hem den weg konden aanwijzen.

Door veel arbeids verkreegen wij eindelijk een genoegzaam verheven wal tegens den wind, ten einde een vrijen doortogt aan den rook te geeven: van toen af hadden wij dag en nagt vuur, dog niettegenstaande onze oplettenheid van het aan den gang te houden, waaren wij dikwils geheel van de koude bevangen; de vogtigheid was niet minder onverdraagelijk als de koude; het gestadige vuur deed de stukken ijs, welken ons omringden, ongevoelig smelten; boven ons vormden zich duizenden van gooten, het water stroomde onder onze voeten, en tot overmaat van ongeneugte begonden de zeewolven te ontdooijen en van zich een bedorven lucht te verspreiden. Die, welke uit onze ligchamen uitwaassemde[152], was meer dan genoeg om van onze schuilplaats een wezentlijken afgrond te maaken; daar het onmogelijk was de lucht te zuiveren, zogten wij ten minsten ons van onze buuren, de zeewolven te ontdoen; mijne leidslieden waaren de eerste in voortestellen, van[II-134] daar mede zo lang onze honden te voeden, als wij genoodzaakt waaren in deeze schrikkelijke spelonk te blijven. Ik gaf daar aan des te gereeder mijne toestemming, uit hoofde dat ik door mijnen weinigen voorraad van gedroogden visch met dezelve spaarzaam te werk moest gaan; door mij dien, welke het goed geluk ons aanbood, toeteeigenen, benadeelde ik ongetwijffeld eenige ongelukkige bewoonders van deeze kusten; dog wanneer men tot het uiterste gebragt is, is de eigenliefde somtijds geoorlooft.

[152] Wij waaren tien persoonen sterk, waar onder zeven Koriaken, wier morsigheid bekend is.

Den 19.

Onverduldig om onze reis te vervolgen, zond ik mijne Koriaken naar buiten om te zien, hoe het wêer was; na verloop van twee minuuten zag ik ze half bevroozen nederwaarts komen; derzelver kleederen en mutsen waaren als ééne sneeuw, de koude had hen zodanig bevangen, dat zij de tanden niet van elkander konden krijgen. De slegte staat, waarin zij zich bevonden, scheen invloed op hun bericht te hebben; dog onder al derzelver verhaalen trof mij dit het meeste, dat sommige rotsen, eenige treden van onze yourte afgelegen, van waar men ze daags te vooren nog ontdekken kon, geheel onzichtbaar geworden waaren.

1788. April Den 20.

Het wêer schijnende te bedaaren, en het sneeuwen optehouden, gaf ik de noodige bevelen tot ons vertrek; reeds waaren onze honden voorgespannen,[II-135] en wij buiten de yourte gehijst, wanneer een schrikkelijke storm alle onze genomen maatregels in wanorder bragt; de sneeuwvlaagen begonnen op nieuw, wij moesten spoedig naar binnen gaan, ons gelukkig achtende, dat wij wederom een schuilplaats konden vinden. Een oogenblik daar na bevond ik mij gantsch niet wel. Het is mij onbewust, of dit een uitwerkzel was van den schielijken overgang der koude in de warmte, of van de walgende uitwaassemingen, die ik inademde, wanneer ik mij op nieuw in dien afgrond wierp, dan wel, van den spijt, welke mij door zo veel tegenspoeds veroorzaakt wierd; dit is zeker, dat ik meer dan een quartier uurs buiten kennis was. Ik ondervond bij deeze gelegenheid den iever van mijne soldaaten, terwijl de een op mij een vloed water neerstorte, wreef de ander mij intusschen zo hevig met sneeuwvlokken, dat ik geloof, dat hij mij het vel zou hebben weggevreeven, om mij maar weer te doen bijkomen.

Bijzonderheden nopens het plan mijner reis.

Mijne overdenkingen waaren na deeze flaauwte even zo treurig, als de omstandigheden, waar in ik mij bevond; ik beschouwde het plan van mijne reis door zo veele hinderpaalen en genoodzaakte rustdagen geheel omvergeworpen. Ik vreesde, dat ik mij niet voor het losraaken der rivieren naar Okotsk zoude kunnen begeeven; echter[II-136] was dit onvermijdelijk, indien ik van den nog overigen tijd, die tot de sleedevaart geschikt was, wilde gebruik maaken, om tot de plaats te komen, genaamd het kruis van Yndoma of Yndomskoikrest. Van daar tot aan Yakoutsk was het zeker, dat ik door den omweg, dien ik mij voorgestelt had, over de rivieren Yndoma, de Maija en Aldann[153] te neemen, de verhinderingen, door den dooij veroorzaakt, zou ontsnappen, welke de wegen zelfs voor de paarden onbruikbaar maakt; dog in mijne bereekening moest ik geen oogenblik verliezen; een onvoorziene hindernis van éénen dag kon ’er mij een van meer dan twee maanden berokkenen; men moet zich in mijne plaats stellen, om te kunnen beoordeelen, hoe weinig bemoedigend dit vooruitzicht was; ik kan betuigen, dat de dreigende gevaaren mij veel minder verbaasden.

[153] Hoe zeer dit een omweg van meer dan zeven honderd wersten is, was ik door den snellen stroom van deeze rivieren echter zeker van eene gemaklijke vaart, die mij ter gelijker tijd een aanmerkelijken winst van tijd, en tevens het vermaak van het begin der lente zou bezorgt hebben.

1788. April Den 21.

Eindelijk wierd het den 21. mogelijk om ons op reis te begeeven: de lucht was geduurig bezet, de nevel zeer dik, dog de wind gaan leggen, het geen ons deed besluiten om te vertrekken,[II-137] niettegenstaande het vooruitzicht op een nieuwen orcaan, die ons in eene vreesselijke verlegendheid zou gebragt hebben, want wij konden voor onze aankomst te Yamsk op geen schuilplaats hoopen; wij keerden naar de zee, op welke wij ten naasten bij twee wersten van de kust aanhoudend voortreisden; wij meenden het echter best te weezen, om tegens den avond weder naar den oever te keeren, ten einde aldaar stil te houden; het ijs was zeer effen, en de plaatzing van ons kleine leger aan geene zwaarigheden onderhevig.

Den 22.

Het wierd vroeg opgebrooken, en om de bogten van den oever te vermijden, begaven wij ons weer op de ruimte; daags te vooren hadden wij eenige baaijen gezien, dog in verre na zo groot niet, als die, welke wij deezen dag in den agtermiddag overreeden; wanneer wij ’er vlak voor waaren, ontstond ’er ongelukkig een storm, die mij geene waarneemingen hoegenaamd toeliet.

Baaij Iret.

Ik vernam van mijne leidslieden, dat deeze baaij den naam van de rivier Iret draagt, welke daar invalt; dat dezelve bijna geheel geslooten is en des zomers bij een laage zee droog loopt, de watervogels worden ’er in dat jaarsaisoen bij meenigte gevonden; men komt van Yamsk en deszelfs nabuurschap die, wanneer ze in het ruijen zijn, met[II-138] netten vangen of met stokken doodslaan; de ondiepte van deeze baaij, die overal waadbaar is, moet de onderneemingen der jagers begunstigen.

Bij het vallen van den avond trokken wij wederom naar den oever, en wij sloegen ons in een schoon mastbosch nabij de rivier Iret ter neder.

1788. April Den 23.

Aankomst te Yamsk.

Deeze dag leverde niets bijzonders op; de wind overviel ons vrij geweldig in het midden van eene vlakte, die omtrent vijf en twintig wersten uitgestrektheids heeft. Ik nam nogmaals toevlucht tot mijn kompas, en wij hadden nog geen vijftien wersten afgelegt, of de lucht klaarde geheel op; wij ontmoeteden op deeze hoogte een sergeant van Okotsk afgezonden; een weinig verder vertoonde de rivier Yamsk omtrent drie wersten van deszelfs uitwatering zich aan ons oog; zijn loop volgende, ontdekten wij ter regterhand een visschers wooning, die zich daar alleen des zomers verzamelen. Ik trok nog zes wersten over het ijs, en vervolgens kwam ik in dit Ostrog, het geen meer dan honderd vijftig wersten van Toumané afgelegen is; dewijl het mij aan beschuit begon te ontbreeken, was ik niet alleen genoodzaakt daar te slaapen, maar ’er zelfs een gedeelte van den volgenden dag te blijven, om mijnen voorraad te vernieuwen.

De Sergeant, die aldaar het bevel voert over de bezetting, uit twintig man bestaande, ontfing mij[II-139] zeer beleefd; op de aanbeveeling van den Heer Commandant te Ingiga beieverde hij zich, om alles wat ik noodig had, voor mij gereed te doen maaken, en hij gaf mij alle onderrichting, die ik maar verlangde.

1788. April Den 24.

Beschrijving van dit Ostrog.

Het Ostrog of het fort Yamsk is op den oever van de rivier van denzelfden naam, omtrent tien wersten van deszelfs mond gelegen, alwaar ze een baaij vormt, die van uitmuntende ankerplaatsen schijnt voorzien te weezen, dog verscheiden zeer uitsteekende kaapen en eene groote meenigte van klippen, waar mede deszelfs inkomen, om zo te spreeken, als omzoomt is, maaken deeze des te gevaarlijker, naar maate van den engen doortogt, en noodzaakt de scheepen een geruimen tijd te laveeren, of een gunstigen wind aftewachten om dezelve doortevaaren, want men verzekert, dat die vaartuigen moeijelijk bij den wind zeilen. Uit dit alles is optemaaken, dat, indien die oord van meer belang was en meer bezogt wierd, er ook gewis het schipbreuk lijden meer gemeen zou weezen[154].

[154] Het is eenige jaaren geleden, dat een vaartuig van Okotsk komende aldaar ongelukkig verging; de geheele lading in levensmiddelen bestaande was verlooren, men kon alleen zeer weinige manschappen redden.

Men telt te Yamsk vijf en twintig houten huizen,[II-140] waar van een gedeelte ter plaatze, waar ook de kerk gevonden word[155], met eene vierkante palissadeering omgeeven is, op dezelfde wijs als die te Ingiga, dog van eene mindere hoogte en dikte; de bevolking bestaat in twintig geslachten, die ten naasten bij even als de Russen leeven.

[155] De Koriaken, een vaste woonplaats hebbende, welken men tusschen Ingiga en Yamsk aantreft, zijn allen gedoopt; deeze twee steeden worden maar door eenen priester bediend: zijn gewoon verblijf is te Ingiga, en zeldzaam bezoekt hij zijn district, het geen zich tot aan het Ostrog van Taousk uitstrekt, het welk van den pastoor van Okotsk afhangt.

Wijze waar op de Inwoonders het zout maaken.

Zij hebben een manier om zout te maaken, welke mij niet bekend is; al het hout, dat de zee somtijds op den oever werpt, word met de grootste zorgvuldigheid opgezameld; zo dra het droog is, verbrand men het zelve, vervolgens kookt men de assche, en het overblijvende bezinkzel is een zeer wit zout.

Kleeding der zwervende Tongousen.

Twee dagen voor mijn aankomst te Yamsk was van daar eene horde van zwervende Tongousen vertrokken; om mij den spijt te vergoeden, dat ik ze niet had kunnen zien, toonde men mij derzelver plechtgewaaden, zo wel van de mannen als vrouwen; zij draagen geen hemden, dog een soort van borstlap, die van agteren vastgemaakt[II-141] word, en tot op de knieën als een voorschoot afhangt; deeze is met rendieren hair geborduurd, en met glaskoraalen van verschillende couleuren vercierd: men behangt dezelve van onderen met yzeren en koperen plaaten en een groot aantal schelletjes. Onder dit voorschoot hebben zij een vellen broek of hansop, en lange geborduurde laarzen van rendieren vel, waarvan het hair naar buiten gekeerd is, dienen hen tot een schoeizel; een lang kamizool bedekt de schouders, aan het einde der mouwen worden handschoenen vastgehegt, welken onder het gewrigt der hand open zijn, ten einde er dezelve door te kunnen steeken; dit kamisool, dat zeer naauw op de borst en aan het lijf is, eindigt bijna op de helft der deijen, en is op dezelfde wijs met borduursel en glaskoraalen vercierd; onder de ribben begind een staart van twee voet lang, dog die niet zeer dik is en agterwaards afhangt, ze is van geverwd zee-wolven hair; derzelver hulsel is een kleine ronde muts, waar van de wangen de ooren bedekken; de geheele kleeding bestaat uit jonge rendieren vellen, met randen van een sabel marter, bever, of diergelijke kostbaare pelterijen voorzien.

De kleeding der vrouwen is ten naasten bij dezelfde, alleen is ’er geen staart nog handschoenen aan vast, en haare muts is op de kruin van het[II-142] hoofd open; deeze opening is van omtrent twee duimen middellijns, waar door ongetwijffelt het hair heen gaat.

Zodanig zijn de plechtgewaaden van dit volk. In den winter hangen zij gevoerde en veel dikker kleederen om, dog zij gebruiken de voorzorg, om die bij het intreeden in de yourte afteleggen; de vrees van ze te bederven doet hen aanstonds de slegtste aantrekken, en bij de geringste behoefte ontkleeden zij zich geheel.

Op deezen dag begon de zon te schijnen, en den naderenden dooij aantekondigen; derhalven voorzag ik mij van walvischbeenen plaaten, om die onder de schaatzen van mijne sleeden in geval van noodzaaklijkheid vast te maaken; en volgens raad van de bewoonders, gegrond op de ondervinding der reizigers in dit saisoen, nam ik de partij van des nagts te reizen, ten einde over dag, wanneer de zon op zijn sterkst was, te kunnen uitrusten. Ik vertrok van Yamsk des avonds ten elf uuren; onze caravane bestond uit negen groote sleeden of nartas[156].

[156] De postkosten worden hier op denzelfden voet als in Kamschatka voor de gewoone sleeden betaald, hoezeer het voorspan der nartas meer als tweemaal zo sterk is, ziet Deel I, pag. 100.

1788. April Den 25.

Berg, genaamt de Babouschka.

Bij het aanlichten van den dag bevonden wij[II-143] ons aan den voet van eenen der hoogste bergen des lands, omtrent vijftig wersten van Yamsk. De Koriaken hebben aan denzelven den naam van Babouschka, of Grootmoeder gegeeven; zij verhaalen, dat op deszelfs kruin een oude tovenaarster begraven legt, die even zo vermaard als gevreest is; mijne leidslieden hielden staande, dat ’er in dit gedeelte van de waereld geen hooger berg gevonden word; dog derzelver bijgeloovige vrees had na mijne gedagten eenigen invloed op hun denkbeeld, want de Villégui scheen mij veel stilder te weezen, ten minsten had ik meer moeite om ze overtetrekken. Boven op de Babouschka gekomen, voorzagen mijne geleiders derzelver voeten van krammen in de gedaante van kleine drievoetjes, vervolgens maakten zij dwars onder de sleeden vrij groote stokken vast, om ze in het afdaalen tegentehouden; men had eigentlijk geen andere voorzorg behoeven te neemen dan de sleeden met den Oschtol of met yzer beslagenen stok te bestieren, ook kwamen wij zonder eenig toeval om laag; de bewoonders van dit land beschouwen echter deeze afdaaling als gevaarlijk, voor al wanneer de sneeuw zich in de oneffenheden opeenhoopt, welke daar worden gevonden, en die als dan zo veele onzichtbaare en bij gevolg onvermijdelijke klippen worden; ook[II-144] ben ik niet vreemd van te gelooven, dat daar meenigmaal reizigers omkoomen.

Ziet daar volgens alle waarschijnlijkheid den oorsprong der vrees, welke deeze Babouschka aan de Koriaken inboezemd; door een natuurlijk gevolg van hun vooroordeel zijn zij zeer tot dankbaarheid geneigt, wanneer zij zich buiten gevaar zien; die, welke mijn gevolg uitmaakten, beieverden zich om derzelver offerhanden, te weeten tabaksbladeren, stukken visch, yzer &c. op de kruin van den berg agter te laaten, ter plaatze, alwaar zij voorgeeven, dat de tovenaarster rust; anderen hadden daar reeds voor hun oude yzeren krammen, messen, stukken van wapenen en pijlen agtergelaaten. Ik bespeurde daar onder anderen een werpspiets der Tchouktchis, met yvoor bezet, en ik ging derwaarts om ze weg te haalen, met voorneemen om dezelve te bewaaren, mijne geleiders dit ziende gaven een schreeuw, waardoor ik terug gehouden wierd; „Wat gaat gij beginnen, zeide een hunner tot mij? wilt gij ons doen omkomen? zulk een heiligschennis zou ons het grootste ongeluk berokkenen, en gij zoud uwe reis niet kunnen volbrengen”. Deeze redevoering zou mij over den beangstigden propheet hebben doen uitschateren van lagchen, indien ik de hulp van alle deeze luiden niet nodig[II-145] had gehad; om mij dezelve verder waardig te maaken moest ik hunne dwaaling eerbiedigen, en ik hield eene houding, even of ik daar in deel nam; dog naauwlijks hadden zij zich omgekeerd, of ik nam deeze schrikverwekkende pijl weg om die tot een gedenkteeken van de dwaaze bijgeloovigheid deezer volkeren te bewaaren.

Ostrog van Srednoi.

Het eerste dorp, dat ik aantrof, was Srednoi; deszelfs ligging heeft iets schilderachtigs, aan den oever van de zee, en aan den ingang van eene diepe baaij, die zich tusschen het land verliest, terwijl ze het bed voor eene kleine rivier vormt, welkers water nooit brak is; de Koriaken, die daar woonen, onthaalden mij zeer vriendlijk; ik rustte eenige uuren uit in een der twee yourtes, die met verscheide magazijnen de eenigste wooningen van dit Ostrog uitmaaken; deeze yourtes zijn op dezelfde wijs gebouwd, als die der Koriaken, welken een vast verblijf hebben; het eenigste onderscheid bestaat daar in, dat dezelve niet onderaardsch zijn, en dat men ’er door een deur gelijks gronds ingaat; de mosselen zijn aan deeze kust eigen en de inwoonders maaken daar van derzelver voornaamste voedzel.

Des avonds vervolgde ik, van andere honden voorzien, mijne reis: ik reed omtrent agt wersten over de rivier Srednoi. Op verscheiden plaatsen brak het ijs onder onze sleeden; de stoutmoedigheid[II-146] en de behendigheid mijner leidslieden onttrok ons aan het gevaar; wanneer ze genoodzaakt zijn aan wal te komen om het rijtuig te ontlaaden, gebruiken zij de voorzorg, om de raketten aan derzelver voeten gelijk en schoon te maaken, ten einde daar door meer oppervlakte op het ijs te beslaan; dog het geen ons meer hinder aanbragt, terwijl wij op deeze rivier reisden, was de yzel: onze honden konden niet op de pooten blijven staan, ieder oogenblik viel de een op den ander.

1788. April Den 26.

Ostrog van Siglann.

Voor den middag kwamen wij aan het Ostrog van Siglann, aan de rivier van denzelfden naam gelegen; dit is het laatste dorp van het land der Koriaken, het welk geen meerdere uitgestrektheid, nog meerdere bevolking bevat dan het voorige, en daar van zevenenzeventig wersten verwijderd is: men ziet daar eene yourte op de wijze der Yakouters gebouwd, dog ik stel de beschrijving daar van uit tot op mijn komst onder dit volk. Ik bleef zo lang te Siglann, als noodig was om de schaatsen van onze sleeden in order te doen brengen, namelijk om daar aan de walvischbeenen plaaten te hegten, welken door het smelten van de sneeuw noodzaaklijk wierden, en ik vertrok des avonds ten vijf uuren van daar.

Eerst reed ik over eene baaij, welke haaren naam van dit dorp ontleent; ze scheen mij toe vrij[II-147] groot en wel geslooten te weezen, uitgenomen in het zuid en zuidwestelijke gedeelte: derzelver kust is bijna overal zeer hoog, en ze is zo lang, dat ik agt uuren tijds noodig had om tot den westelijken uithoek te geraaken; verder kwam ik aan eenen niet minder aanmerkelijken inham, genaamt de baaij van Olas. Niettegenstaande onzen snellen voortgang waaren wij echter tien uuren bezig om dien op deszelfs grootste breedte overtetrekken.

1788. April Den 27.

Des anderen daags, omtrent ten drie uuren in den namiddag, hield ik te Ola, een Toungous Ostrog, honderd veertien wersten van Siglann, stil: het zelve is gebouwd op een zandoever, aan den mond van de rivier Ola, die ter deezer plaats breeder wordende een kleine haven vormt, waar agter de Toungousen zich in den wintertijd begeeven, zij waaren zedert weinig dagen van daar vertrokken, om zich naar de tien yourtes te begeeven, die het dorp Ola uitmaaken, en welke zij in den zomertijd bewoonen.

Yourtes der Toungousen.

Deeze zijn niet onder den grond, even als die der Kamschatters, en de meesten der Koriaken, die een vast verblijf hebben; zij zijn veel langer en beter gebouwd; dikke balken onderschraagen de muuren, en in den top van het dak is van het eene eind tot het ander eene naauwe opening; de haardstêe beslaat ook de geheele lengte[II-148] van het huis; omtrent agt voet boven het vuur, dat den gantschen zomer aangehouden word, maakt men den voorraad van visch en zeewolven aan dwarsbalken vast, ten einde dezelve te droogen en te rooken, want dit is het voornaamste nut, het welk deeze wooningen aanbrengen; twee deuren, de eene over de andere aan de twee einden geplaatst, verschaffen de mogelijkheid, om de boomen en verbaazende groote stukken hout, waar mede men het vuur aan den gang houd, binnen te brengen. Ieder geslacht heeft deszelfs bed in afgescheiden huisjes aan de zijden van de yourte; dat, waar in ik mij begaf, was met afschutzels verdeeld, die uit bereide vischvellen bestonden, welken aan elkander genaaid en met verschillende couleuren geverwt waaren; deeze kakelbonte tapijten zijn niet onbevallig.

De yourtes voor den winter geschikt zijn rond[157], en even als de zomerwooningen op den grond geplaatst, groote stukken houts, die recht over einde staan, maaken de muuren daar van uit; het dak heeft dezelfde helling als de onzen, en deszelfs top is open om den rook door te laaten; deeze huizen zijn gelijks gronds van een deur voorzien; sommigen zijn van binnen door een soort van galderij doorsneeden, waar door de colomlucht[II-149] gebrooken word, zo dat de rook er des te vrijer uittrekt.

[157] Onder deeze wooning ziet men een isba.

Opschik der Toungouse vrouwen.

Eenige oogenblikken na mijn aankomst te Ola, ontfing ik een bezoek van verscheidene vrouwen, waar van sommigen op de Russische, en anderen op de Toungouse wijze gekleed waaren. Dewijl ik mij verwonderd toonde van ze allen zo netjes te zien, verhaalde men mij, dat het thans het feest van het dorp was, en dat het daar en boven tot haaren opschik behoorde, van zich aan de vreemdelingen met alle haare cieraaden te vertoonen; onder de vercierselen, welken het meest bij haar in achting zijn, schijnen ze de voorkeur te geeven aan het stikzel met glascoraal: men ziet ’er, die van een zeer goeden smaak zijn, ik wierd ’er onder anderen een op de laars van een jong meisje gewaar, de tekening daar van was met eene bevallige zwier ingericht; hier door wierd niets van het schoone van het been weggenomen, het zelve was met een vel zeer fraaij bekleed, op het welke een soort van kleine vrouwerok nederhong.

Gelaatstrekken, en aart van de Toungousen.

De gelijkenis tusschen de Toungousen en de Russen is zeer sterk, ze hebben dezelfde trekken en de eige taal, de mannen zijn sterk en wel gemaakt, onder de vrouwen vind men eenige gedaantens, die na de Azianen zweemen, dog zij hebben geen platte neuzen en breede aangezichten[II-150] even als de Kamschatters en de meesten der Koriaken; de zagtaartigheid en herbergzaamheid maaken de hoofdtrekken van het Toungouse volk uit; het heeft hen aan geen iever ontbroken om mij al de hulp toe te brengen, die ik van nooden had, dog derzelver vermoogen is zo bepaald, dat zij niet meer dan een gedeelte mijne honden konden verruilen.

Wanneer wij dit dorp verlieten, reeden wij over de zee; het ijs maakte ons deezen nagt zeer bezorgt, het geduurig gekraak, het geen wij onder ons hoorden, was niet geschikt om ons zeer gerust te doen zijn.

1788. April Den 28.

Met het aanbreeken van den dag bereikten wij het vaste land om een steil voorgebergte overtetrekken. Onze weg was zodanig afgemeeten, dat wij voor zeven uuren weder op de zee dagten te weezen, dog de afdaaling was moeijelijker, dan men mij gezegd had; wij moesten ons een weg door een berkenbosch baanen. Een mijner geleiders, die zich even als de anderen van boven van den berg naar beneden liet gleijen, wierd door een slêe omvergeworpen, die hem een schok toebragt, juist wanneer hij wilde draaijen; hij wilde zich aan de stam van een boom vasthouden, en viel ongelukkig op de punt van zijn met yzer beslagen stok; hij was hier door in de zijde gekwetst en kreeg eene sterke kneuzing[II-151] aan het hoofd; wij waaren genoodzaakt om hen op een slêe, waar op reisgoed gelaaden was, te leggen.

Ongelukkige tegenspoed.

Een ander ongeval wachtte mij aan den voet van deezen berg; de zee was reeds losgeraakt; welk een gevaar had ik geloopen! daar ik den geheelen nagt op dezelve gereist had; mijne leidslieden waaren op dit gezicht niet minder verbaasd dan ik: „Wat zal ervan ons worden, riepen zij uit? nu zullen wij nog met veel grooter zwaarigheden te worstelen hebben”. Ik verborg mijne ongerustheid, terwijl ik hen moed zogt in te boezemen; wij volgden eenigen tijd den oever van de zee: een diep stilzwijgen heerschte onder al mijn volk, de verlegenheid was op de aangezichten geschilderd.

Na verloop van een half uur hield hij, die zich aan het hoofd van den trein bevond, eensklaps stil, roepende, dat hij geen weg meer zag. Ik meende in het eerst, dat de zwaarigheden door de vrees in zijn oog vergroot wierden, en ik zond mijn soldaat Golikoff met den ervaarensten mijner wegwijzers om denzelven optespooren. Bij derzelver terugkomst verzekerden mij de een zo wel als de ander, dat ’er geen mogelijkheid was om verder te komen. Golikoff was van oordeel, dat wij moesten te rug keeren, en een weg landwaarts in zoeken; mijne leidslieden verworpen[II-152] dien raad, staande houdende, dat het bijna onmogelijk was, om van deezen kant den berg, dien wij afgedaald waaren, weder overtetrekken, dog in de vooronderstelling, dat wij dit oogmerk konden bereiken, zou dan nog de omweg veel te groot en te gevaarlijk weezen, uit hoofde van den spoedigen dooij en de onkunde van den weg, dien men zou moeten volgen; eindelijk stelden zij mij voor om onze sleeden te verlaaten, daar het kostbaarste uitteneemen, en te besluiten om de baaij overtetrekken met van de eene ijsschots op de ander te springen; dog de stroom begon dezelve wegtevoeren en de zee was er mêe bedekt, het is gemaklijk nategaan, dat ik weinig lust betoonde om deeze manier van reizen te onderneemen, waar toe echter deeze volkeren soms genoodzaakt zijn. Ik wist niet wat te kiezen, eindelijk besloot ik om zelf te gaan onderzoeken, of ik langs den oever niet een bruikbaaren weg kon ontdekken.

Weg over een lijstwerk van ijs.

Deeze bestond uit een keten van rotsen, die bijna in deszelfs geheele lengte aan de zee eene platte oppervlakte voordoet, en bij gevolg niets van een zandoever heeft; de zee had in het wegvoeren van deszelfs ijs eene lijst ter zijde van deezen ontzaglijken muur agtergelaaten, dog dit soort van kroonlijst was niet meer dan twee voet breed, somtijds nog maar de helft, en deszelfs dikte[II-153] was zelden meer dan een voet; wij zagen agt voet laager de golven tegen de rots staan, en een onnoemlijk getal klippen uit het midden der baaren zich wel den voeten boven deszelfs oppervlakte verheffen.

Wel verre van door deeze vertooningen den moed te laaten zakken, begaf ik mij op het gevaarlijke lijstwerk; stoutmoediger geworden door deszelfs stevigheid, ging ik zagtjes voorwaards langs den kant, met den buik tegens de rots aan; ik zag niets waar aan ik mij kon vasthouden, behalven eenige inschietende hoeken, waar aan ik mij plaatste om adem te scheppen, wanneer ik de openingen, die zich van tijd tot tijd onder mijne voeten vertoonden, overgestapt was, want op sommige plaatsen was het ijs geheel van elkanderen afgescheiden en verscheiden van deeze gaapingen waaren twee of drie voet breed. Ik erken, dat ik in het eerst mij zeer bevreest gevoelde, en dezelve niet dan al beevende oversprong; bij een misstap, of bij de minste verbijstering was ik verlooren, nimmer zouden mijne reisgezellen mij hebben kunnen vinden of te hulp komen; na drie quartier uurs op zulk eenen moeijelijken weg doorgebragt te hebben, bereikte ik het andere einde van de rots; ik was niet zo dra daar gekomen, of ik vergat het gevaar van den togt om alleen aan mijne brieven te denken. Ik had[II-154] dezelve onder de bewaaring mijner soldaaten gelaaten, dog aan mij alleen was de zorg toevertrouwd om ze in veiligheid te stellen; de genoomene proef gaf mij daar hoop toe, en zonder aarselen keerde ik te rug, trotsch op mijne gedaane ontdekking.

Mijn gevolg veroordeelde reeds mijne stoutmoedigheid, die zij voor roekeloosheid hielden; ze scheenen zelfs verwonderd van mij weer te zien. Ik verborg voor hun niet, dat de weg gevaarlijk was „dog dewijl mij niets overkomen is, voegde ik er bij, waarom zoud gijlieden het dan niet waagen om mij te volgen? Ik gaa dien togt nog eens onderneemen, en ik hoop bij mijne terugkomst u allen gerust te zullen vinden, en gereed om mij na te volgen”.

Ter zelfder tijd nam ik mijn brieventas en het kistje, waar in mijne depeches beslooten waaren; mijne twee soldaaten Golikoff en Nédarézoff, wier behendigheid ik meermaalen ondervonden had, beslooten mij te vergezellen; zonder derzelver hulp zou het mij niet mogelijk geweest zijn dit vertrouwd pand in veiligheid te kunnen brengen; wij droegen het zelve beurtelings, en gaven het de een aan den ander over; de laatste, die het aannam, namelijk die geen, welke op deeze naauwe borstweering den voortogt had, wierp het spoedig in een hol van de rots, ging eenige treeden[II-155] voorwaards, en de anderen na hem komende, namen het er wederom uit en begonnen op nieuw den zelven arbeid. Het is mij onmogelijk mijne gewaarwordingen geduurende deeze overvoering meedetedeelen; bij iederen stap over deeze openingen vreesde ik, dat mijn kistje in zee zou vallen, dikwerf scheen het ons uit de hand te zullen glijden, en het bloed stolde mij in de aderen, even als had ik den dood voor oogen. En ik weet waarlijk niet, waar toe mij de wanhoop zou vervoerd hebben, indien ik het ongeluk had gehad van het zelve te verliezen; ik kon eerst vrijelijk ademhaalen, wanneer ik dien schrikkelijken last in veiligheid gesteld had, en toen was ik even zo van vreugde getroffen, als ik te vooren met zorg was aangedaan geweest.

Deeze tweede gelukkige uitslag boezemde mij zo veel vertrouwen in, dat ik niet langer aan de mogelijkheid twijffelde om onze sleeden over denzelfden weg heen te kunnen brengen. Ik deelde die gedagten aan mijne soldaaten meede: door mijn voorbeeld en de gelukkige proef, die zij genoomen hadden, aangemoedigd, keerden zij vrolijk met mij terug om ons gevolg te zoeken: op mijn bevel had men een gedeelte der honden uitgespannen; men hegtte aan de vier hoeken der sleeden lange riemen, die ik voor en agter liet vasthouden;[II-156] wij wierden daar van wel haast de nuttigheid gewaar, somtijds waaren onze rijtuigen breeder dan het lijstwerk en steunden maar op eene schaats, dus zou de zwaarte ze na den anderen kant hebben doen overhellen, indien ze niet met alle kracht waaren tegengehouden; somtijds moest men dezelve ter plaatze, waar het ijs zich scheidde, spoedig oplichten, om ze in evenwicht te houden; de welgespierde armen van mijne geleiders bezweeken onder den last, en onze vereenigde krachten waaren naauwlijks toereikende om ze staande te houden: men mogt zich zo goed mogelijk vasthouden, het was echter te vreezen, dat de een met den ander zou mêegesleept worden, of dat het ijs eensklaps onder onze voeten zou bezwijken; dog wij raakten met den schrik vrij.

Wij gingen wederom te rug om onze overige honden aftehaalen; men zou gezegd hebben, dat deeze arme dieren meer het gevaar dan wij inzagen, zij huilden en kroopen agterwaards, voor al op de ongemaklijkste plaatzen; te vergeefs spoorde men dezelve door de stem aan, men moest ze slaagen geeven en met geweld na ons toehaalen. Daar waaren ’er vier, die het zij door den wederstand, welken zij booden, of door derzelver domheid, niet even als de anderen wisten overtespringen; de eerste verongelukte voor onze[II-157] oogen, zonder dat het mogelijk was het beest eenige hulp toetebrengen[158], de tweede bleef aan zijne voorpooten hangen; een mijner leidslieden, door zijn makker vastgehouden, gelukte het, al bukkende dit arme dier weder te krijgen; de twee anderen wierden door derzelver leissel ondersteund en gemakkelijk gered.

[158] Dit was waarlijk een verlies voor mijne leidslieden; er zijn diergelijke honden, die vijftig roubels waardig zijn, en geene dezelver word minder dan voor vijf roubels gekogt.

Tot deeze verscheidene heen en weergangen besteedden wij zeven uuren arbeids in eene geduurige bekommering. Zo dra zagen wij ons niet buiten gevaar, of wij dankten den hemel, even als luiden, die den dood ontsnapt waaren, wij omhelsden elkander met blijdschap, even of ieder onzer deszelfs leeven aan de hulp van zijn meedemakker verschuldigt was: in een woord, ons genoegen wierd veel beter ondervonden, dan ik in staat ben om het zelve uittedrukken.

Men maakte allen spoed om onze beschadigde sleeden te herstellen; vervolgens vervorderden wij onzen weg over een zandigen oever, met keizelsteenen bezet, welkers breedte en vastheid ons geen den minsten schroom overliet; na verloop van twee uuren ontmoeteden[II-158] wij niet ver van het ostrog Armani verscheiden sleeden, die ledig naar Ola terugkeerden, en die bij gevolg genoodzaakt zouden weezen den eigen weg te neemen; wij waarschuuwden de geleiders van dezelve, terwijl wij hen een gelijken goeden uitslag toewenschten.

Twee yourtes, de eene voor den zomer, en de andere voor den winter geschikt, maaken het dorp van Armani uit, langs het welk de rivier van denzelfden naam vloeit omtrent een en tagtig wersten van Ola. Ik trok hier door, en hield omtrent drie honderd treeden verder bij een Yakouter stil, die zedert dertig jaaren in eene yourte, in het midden van een groot mastbosch, woonachtig is, en bij wien men mij verzekert had, dat ik een geschikter verblijf zou vinden.

Rustplaats bij een Yakouter.

In deszelfs afweezenheid ontfing mij zijne vrouw ongemeen wel; zij bood ons melk aan, benevens een zuurachtigen drank, bestaande uit gekarnde melk van eene merrie, genaamd koumouiss. Deeze drank kwam mij niet onaangenaam voor, en mijne Russen dronken daar van met veel vermaak, niettegenstaande derzelver bijgeloovigen afkeer van alles, wat van een paard komt. Intusschen kwam de man t’huis; dit was een goede grijsaard, die nog sterk en gezond was; na dat hij van de oorzaak mijner reis door zijn vrouw en door mijn soldaat Golikoff onderricht was,[II-159] welke laatste te Yakoutsk gebooren mij ten tolk diende, beieverde zich mijn gastheer om de beste plaats van zijn huis schoon te laaten maaken, ten einde ik mij ter rust kon begeeven. Ik wierd door het geloei van de kudde, die in de yourte kwam, wakker; agt koeijen, een stier en verscheiden kalveren besloegen met ons het binnenste van de wooning; niettegenstaande dit gezelschap heerschte ’er een zekere zindelijkheid, en de lucht, die men daar inademd, is zuiver en gezond; deeze Yakouter brengt zijn leeven niet door met visschen, en het droogen van dezelve, zo als de Koriaken en de Kamschatters, zijnde dit een voedzel, waar van hij weinig werk maakt; het onderhoud van zijne runderen en de jagt, deszelfs eenigste bezigheden, voldoen aan alle zijne behoeftens; hij heeft daar en boven tien paarden, die hem toebehooren, en welken tot allerlei arbeid dienen; deeze zijn in een perk op een weinig afstands van de yourte geplaatst, alwaar alles eene zekere welgeschikte order aanduid, en vrede en vrolijkheid inboezemd. Ik weet niet of het bijzijn van de kudde, het gezicht en de goede smaak van de melkspijs eenige bekoorlijkheid aan onzen maaltijd bijzette, dog het kwam mij voor, dat ik zedert lang zulken goeden cier niet gemaakt had; de huisheer gebruikte voor mijn vertrek de[II-160] voorzorg, om eenige stukken wild op mijn voorraad-slêe te doen laaden.

1788. April. Den 29.

Het Fort Taousk.

Wij scheiden denzelfden avond zeer vergenoegt de een van den ander; ik reisde den gantschen nagt, en des morgens bevond ik mij, na twee en veertig wersten afgelegd te hebben, in het Fort van Taousk; dit Ostrog, alwaar wij volgens onze gewoonte den dag doorbragten, is aan de rivier Taou geleegen; het bestaat uit omtrent twintig isbas, eene kleine kerk, die door den pastoor van Okotsk bediend word, en een gebouw, waar in men de schattingen bewaard: dit magazijn is met palissaden in de gedaante van bolwerken omheint; twintig Yakouters, twee van derzelver Prinsen en eenige Koriaken, welke de bekoorlijke gelegenheid derwaarts heeft getrokken, maaken al de inwoonders van Taousk uit; de bezetting word door vijftien soldaaten uitgemaakt, onder het bevel van een sergeant genaamd Okhohu; ik verbleef bij hem tot aan den avond.

Dorp Gorbé.

Ik trok des nagts door het dorp Gorbé, het geen door Yakouters en een zeer klein getal van Koriaken bewoond word; met het aanbreeken van den dag zagen wij de zee niet meer; wij hadden eerst langs de Taou gereeden, dewijl wij ons niet op het ijs durfden waagen, vervolgens waaren wij ongevoelig landwaarts in geraakt,[II-161] wij reisden voorts over het veld en op de rivier Kava, zonder een eenige wooning te ontdekken.

1788. Maij Den 3.

Op het oogenblik, waar in wij ons gereed maakten, om in het midden van een mastbosch stil te houden, verhief zich eensklaps een storm, die ons sneeuw in overvloed aanbragt; mijne tent, over de sleeden gehangen, die met reisgoed geladen waaren, verstrekte ons ten schuilplaats; dog wij moesten ook de kookketel overhangen; mijne geleiders bezig zijnde met hout te zoeken, wierden tot boven den gordel met sneeuw bedekt, en zelfs zonken ze met derzelver raketten tot aan de knien toe ’er in. In den agtermiddag veranderde de wind en de lucht klaarde op; dadelijk beklommen wij onze sleeden, dog de dikte van de sneeuw noodzaakte ons om ’er beurtelings aftekomen, om een weg voor onze honden te baanen.

1788. Maij Den 4.

Des morgens trokken wij den berg van Ine over, twee honderd zeventig wersten van Taousk afgeleegen; deszelfs hoogte is gelijk aan die van de Babouschka. Op den top gekomen, beving ons de koude zodanig, dat wij daar stilhielden om vuur aan te maaken; na vijf uuren reizens vonden wij den zeeoever weder, welken wij op eenigen afstand van Iné verlieten, alwaar wij bij het vallen van den avond aankwamen.

Dorp Iné.

Dit dorp is omtrent dertig wersten van den[II-162] berg geleegen, aan welken het zelve zijn naam geeft; het is door Russen en Yakouters bevolkt, welken in Isbas en Yakoutsche yourtes woonachtig zijn, zij dragen zorg voor een stoeterij van meer dan twee honderd paarden, die wij tien wersten van het dorp ontwaar wierden: ik dagt daar ander voorspan te neemen, en dadelijk te vertrekken, dog ik wierd mijnes ondanks opgehouden door de moeijelijkheid om honden te krijgen; het opperhoofd van de plaats was smoordronken; wij konden eerst, na een uur lang alle moeite aangewend te hebben, het getal, dat wij benoodigd hadden, verkrijgen.

Vijfentwintig wersten van Iné, (alwaar ik, om des te meer spoed te kunnen maaken, mijn reisgoed onder de bewaaring van mijn getrouwen Golikoff had agtergelaaten, met bevel van mij zo spoedig mogelijk te volgen;) trok ik voorbij twee yourtes, door Yakouters en Toungoussen bewoond; dit gehugt word Oulbé genaamd. Wat verder ontmoette ik verscheide convooijen van meel, die men naar de nabuurige dorpen bragt om ’er beschuit van te maaken, geschikt ter verzorging van de scheepen van den Heer Billings, waar van ik binnen kort nader geleegenheid zal hebben om te spreeken.

1788. Maij Den 5.

Aankomst te Okotsk.

Wij kreegen de zee weder in het oog, ik reisde zeven en veertig wersten, zonder den oever te[II-163] verlaaten, alwaar ik een gestranden walvisch en verscheiden zeewolven zag; boven op den berg van Marikann, namelijk op den afstand van vijf en twintig wersten, had ik het genoegen de stad Okotsk te ontdekken, dog ik moest daar een storm uitstaan, die mij een nieuw verwijl deed vreezen. Niets dan mijn ongeduld volgende, trok ik voorwaards, met het besluit van alle tegenspoeden te braveeren: mijne kloekmoedigheid wierd echter niet op de proef gesteld; aan den oever van de zee weêrgekomen, was de lucht reeds bedaard, en ik kon mijne nieuwsgierigheid voldoen met een verongelukt en op de kust geworpen schip te bezichtigen. Eindelijk, na al beevende de rivier Okhota overgereeden te hebben[159] kwam ik in den agtermiddag ten vier uuren, alleen van Nédarezoff verzeld, binnen Okotsk.

[159] Bij iederen stap boog het ijs onder mijn slêe.

Ik begaf mij naar den Heer Majoor Kokh, die in afweezendheid van den Heer Kasloff het bevel voerde, dien hij benevens mij zedert lang verwachtte; de brief van deezen Commandant onderrichte hem van de oorzaak onzer scheiding, en ik verhaalde hem daar van kortelijk de droevige omstandigheden. Ik wilde mij spoeden, om mij aan Mevrouw Kasloff te vertoonen, ten einde haar de brieven ter hand te stellen, welken[II-164] haar gemaal mij toevertrouwd had, dog zij was op haar buitengoed vier wersten van Okotsk. Ik was zo vermoeid, dat de Heer Kokh niet wilde toestaan, dat ik mij dien dag derwaards begaf. Een boode bragt de brieven en mijne ontschuldiging over, en gaf tevens kennis van mijn voorgenomen bezoek tegens den volgenden morgen; de beleefde Majoor, oordeelende dat ik voornamelijk rust noodig had, geleide mij op het oogenblik naar het vertrek, het welk in het huis van den Heer Kasloff voor mij geschikt was. Ik vond daar alle die gerieflijkheden, waar van ik zedert mijn vertrek van Ingiga bijna het gebruik verlooren had: in den tijd van drie honderd vijftig uuren had ik maar eenmaal in een bed te Yamsk geslaapen.

1788. Maij Den 6. Te Okotsk.

Bij mijn ontwaaken ontfing ik het bezoek van den Heer Kokh, en de voornaamste Officieren en Kooplieden van de stad; onder dezelve bevond zich de Heer Allegretti, Heelmeester, benoemd voor den togt van den Heer Billings; de gemaklijkheid, waar meede hij het Fransch sprak, zou mij hem voor een landsgenoot hebben doen begroeten, indien hij mij niet bij het aanspreeken zelfs verwittigd had, dat hij een Italiaan was; deeze ontmoeting was mij des te aangenaamer, dewijl ik op nieuw pijn op de borst bespeurde. Ik aarselde niet om hem deswegens te raadpleegen,[II-165] en mijne dankbaarheid schept een welgevallen, in hier opentlijk te betuigen, dat ik aan zijne kundigheden, en aan de zorg, die hij geduurende mijn verblijf voor mij gedraagen heeft, mijne geheele geneezing verschuldigt ben.

De Heer Kokh bragt mij vervolgens ten zijnent om het middagmaal te houden, wanneer wij nadere kennis maakten[160]; zijne oplettenheid omtrent mij ging zelfs zo ver, dat hij duizenderlei ontwerpen van vermaaken vormde, die hij mij met veel iever mêedeelde, in de hoop van mij eenigen tijd bij hem te zullen houden.

[160] In Duitschland gebooren, spreekt hij echter het Russisch als zijne moedertaal, ook mangelt hem niets dan de vrijmoedigheid om zich even goed in het Fransch uittedrukken; zedert lang met zijne vrouw en drie kinderen in deeze plaats woonachtig, leeft hij daar in vreede in het midden van zijn klein gezin, rijk door de algemeene achting, en gelukkig door het goede, dat hij in staat is te verrichten.

Indien mijn plicht mij alle vrijwillig verwijl niet verboden had, geloof ik dat het mij moeite zou gekost hebben, om zijne dringende noodiging, en het genoegen, dat ik in zijn gezelschap smaakte, te wederstaan; dog getrouw aan mijnen last, moest ik mijn geneigtheid en rust aan den spoed van mijne reis opofferen. Ik stelde dit[II-166] aan de beoordeeling van mijn gastheer, die mijne redenen gehoor geevende, eindelijk mijne begeerte om hem te verlaaten verschoonbaar vond; hij hield zich ook aanstonds bezig met het noodige te verzorgen, om aan mijn verlangen te hulp te koomen.

Genomen maatregelen om mij rendieren te bezorgen.

Zedert mijn aankomst had het niet opgehouden met regenen; luiden uitgezonden, om de wegen te bezichtigen oordeelden dezelve vooral met honden onbruikbaar; volgens derzelver berichten, liet mij de dagelijksche voortgang van den dooij geen hoop over om voorttespoeden dan alleen door het gebruiken van rendieren; om ’er mij te bezorgen zond de Heer Kokh een boode aan eenige zwervende Toungoussen, zedert weinig dagen van Okotsk vertrokken.

Bezoek afgelegt bij Mevrouw Kasloff te Boulguin.

Deeze maatregelen genomen zijnde, gingen de Heer Majoor en ik naar Boulguin, het lusthuis van Mevrouw Kasloff, die mij als den vriend en den medgezel der gevaaren van haar man ontfing. Ons geheele gesprek liep over dit voorwerp haarer tederheid; terstond vorderde zij een verhaal van onze rampen op het oogenblik van onze scheiding; te vergeefs zogt ik alles, wat deeze beschrijving voor haar te treurig kon maaken, te verzagten, haare gevoeligheid raadde reeds, wat ik voor haar verbergen wilde, en was ’er des te meer over aangedaan. Ik bevond mij weinig in[II-167] staat om haar gerust te stellen, want ik was zelf niet vrij van ongerustheid over deezen beminnenswaardigen bevelhebber; dog door den Heer Kokh geholpen, vertoonde ik een vrij gerust gelaat; ik nam mijn toevlucht tot gissingen; hij verzamelde van zijn kant de meest vertroostende waarschijnlijkheden, en wij stelden eindelijk deeze tedere vrouw gerust met haar op de nabijzijnde terugkomst van den Heer Kasloff te doen hoopen. Deeze dame, te Okotsk gebooren, scheen de beste opvoeding genooten te hebben; zij spreekt het Fransch met zeer veel bevalligheid. In de stilte haarer afzondering, stelde zij al haar genoegen daar in, om haare dogter, omtrent drie jaaren oud, en het levendig afbeeldzel van den vader, wel optevoeden.

Den 7.

Na dat ik alle mijne bezoeken bij de Officieren van de bezetting afgelegt had, keerde ik volgens mijne belofte naar Boulgum om aldaar het middagmaal te houden, wanneer Mevrouw Kasloff mij voor haare ouders te Moscou brieven meedegaf.

1788. Maij Den 8. Te Okotsk.

Onmoogelijkheid om rendieren te bekomen en toebereidzelen.

Den volgenden morgen kwam onze boode te rug, dog hij had de Toungoussen niet kunnen agterhaalen, die zich landwaards in verspreid hadden; dus bleef ’er geen hoop meer overig om rendieren te bekomen: echter kwam het mij van[II-168] belang voor om mijn vertrek niet te vertraagen, dewijl de wegen dagelijks slegter wierden; hoe langer ik wacht, zeide ik tot mij zelfs, hoe moeijelijker het word om het kruis van Yudoma, voor dat de rivieren geheel ontdooijt zullen zijn, te bereiken, en hoe meer ik waagde, van door de overstroomingen te zullen opgehouden worden; vervuld van deeze bedenkingen, viel ik den Heer Majoor op nieuw lastig; het baatte niet om mij alle de onaangenaamheden voortestellen, die ik zou moeten ondergaan, de beletzelen, waar meede ik zou te strijden hebben, de gevaaren zelfs waar door ik zou bedreigt worden, daar het jaargetij reeds te ver voor de sleedenvaart verloopen was; ik meende van mijn verzoek niet te moeten afgaan. Door mijn lang aanhouden overgehaalt, beloofde hij mij eindelijk de noodige beveelen te zullen geeven, ten einde dat mij niets zou verhinderen om twee dagen daar na te vertrekken; alleen voegde hij daar als eene voorwaarde bij, dat zo dra ik mij in groot gevaar zou bevinden, ik als dan aanstonds moest terugkomen: ik was zo verheugt over het verkrijgen van mijne vrijheid, dat ik mij tot alles verbond, wat hij maar begeerde; het overige van den dag wierd besteed met door de stad te wandelen, ten einde daar van een denkbeeld te vormen; verscheiden[II-169] persoonen van ons gezelschap verzelden mij om mij in mijne naspooringen te regt te helpen.

1788. Maij Den 9. Te Okotsk.

Beschrijving van de stad Okotsk.

De stad Okotsk, die langer als breed is, strekt zich van het oosten naar het westen bijna op een en dezelfde lijn uit; aan den zuidkant ziet men de zee omtrent honderd treeden van deszelfs wooningen; deeze tusschenruimte bestaat uit een zandoever met keizelsteenen bezet: ten noorden bespoeld de rivier Okhota deszelfs muuren; de mond van deeze is ten oosten, namelijk, aan de punt van de landengte, waar op de stad gebouwd is, en die zich vervolgens westwaards verbreed; van binnen heeft deeze hoofdstad niets aanmerkenswaardig; de huizen zijn bijna allen van het zelfde maakzel, het zijn niet anders dan isbas, waar van eenigen ten oosten gelegen, ruimer en beter ingericht dan de anderen, door de Officieren bewoond worden. De Heer Kokh woont in het tegenoverleggende wijk; de deur van zijne plaats komt in de groote straat uit, dewelke door een vierkante ruimte afgedeeld word, alwaar men het huis van den Commandant en de Cancelarij ziet, dat te zamen maar een gebouw uitmaakt; regt tegen over is het wagthuis, en ter slinker zijde de parochie kerk; alle deeze gebouwen maaken geene groote vertooning: eertijds waaren ze binnen eene palissadeering beslooten,[II-170] waar van naauwlijks eenige overblijfzelen te zien zijn. Eene overgebleeven poort ten westen van het gouvernement toont nog de plaats aan, het geen men de fortres noemt; daar agter is een straat na bij de rivier, en door kooplieden bewoond, welkers winkels gelijkvormig geplaatst beide zijden van de straat beslaan.

1788. Maij Den 10. Te Okotsk.

De haven is niet minder dan ruim; ik zou haar zelfs met dien naam niet bestempelen, indien ik daar niet zeven of agt kleine vaartuigen of galjooten geteld had, waar van sommigen aan de kroon, en anderen aan kooplieden toebehooren, die in Americaansch bontwerk handel drijven; deeze haven is ten oosten, bijna aan het uiterste van de stad, en digt bij de rivier, die dezelve door haare kronkelingen vormt. Op het verzoek van den Heer Hall, scheepsluitenant, ging ik op de werf twee kleine vaartuigen bezichtigen, die men bezig was te vervaardigen voor den togt, tot ontdekkingen geschikt, en aan den Heer Billings toevertrouwt. Het scheepsvolk, de soldaaten en de arbeiders waaren met groote kosten herwaards gezonden; allen werkten zij met den meesten iever aan deeze uitrusting [161],[II-171] welke na mijne gedagten aan de Keizerin vrij wat kosten zal.

[161] Welhaast zal ik geleegenheid hebben hier van nader te spreeken.

Vertrek.

De Heer Kokh had volgens zijne belofte in alle de toebereidzelen tot mijn vertrek voorzien; des avonds van den 10. waaren mijn zes sleeden gelaaden en voorgespannen; terstond nam ik afscheid van den braaven Majoor, en de Officieren, die mij bij het vaarwel zeggen, derzelver wensch om mij wedertezien vernieuwden.

Mijn gevolg was met twee man vermeerderd, die mij voor stuurlieden op de rivier Yndoma moesten dienen; niettegenstaande de slegte wegen reisde ik echter den gantschen nagt door, want ik ondervond welhaast, dat men mij deswegens een naauwkeurig bericht gedaan had; ik vond dezelve met water vervuld, en op sommige plaatzen, voornamelijk in de bosschen, liepen onze honden tot den buik ’er door; de wind was geduurig zuidelijk en de lucht zeer bezet; alles duide aan, dat de dooij voortgang zou hebben.

1788. Maij Den 11.

Na de rivier Okhota overgereeden te hebben, bereikte ik echter zonder eenigen ramp het dorp Medvejé-goloije, of het beerenhoofd, vijf en veertig wersten van Okotsk gelegen, en bewoond door Russen en Yakouters. Ik kwam daar met het aanbreeken van den dag, dog mijne honden waaren zo vermoeid, dat ik besloot om aldaar[II-172] dien dag en zelfs den volgenden nagt te verblijven, dewijl ’er geen nieuw voorspan in deeze plaats te verkrijgen was.

1788. Maij Den 12.

Gevaarlijke overtogt.

Ik dagt den volgenden morgen mij naar Moundoukan te begeeven, omtrent twintig wersten van het voorige dorp afgelegen; ter halver weg weigerde een gedeelte van ons voorspan langer dienst te doen; niettegenstaande onzen weerzin begaven wij ons echter op eene rivier, die ons een gemaklijken weg scheen aantebieden; naauwlijks waaren wij eenige treden voorwaards gereeden, of een onverwagt gekraak deed zich onder onze sleeden hooren; een oogenblik daar na gevoelde ik mij zagtjes ingezonken, een ysschots ondersteunde mij; deeze brak op nieuw en de schaatzen van mijne slêe raakten meer als voor drie vierde gedeelte onder water; tevergeefsch trachte ik ’er uittekomen, de minste waggeling zou mij meer voorwaards in het water gestort hebben. Gelukkig was deszelfs diepte maar vier voet; door veel arbeids gelukte het mijn gevolg om ’er mij uittehaalen, dog zij, welken mij te hulp kwamen, hadden die bijna ter zelfder tijd noodig; wij moesten de een den ander de hand geeven om weer op het land te komen; want ik wilde, doof voor de vertoogen van mijne geleiders, mijn weg vervolgen; de sneeuw smolt echter zo spoedig, dat onze honden door[II-173] het water plompten zonder voorwaards te geraaken, zij vielen de een op den ander afgemat neder.

Voorstel van een mijner wegwijzers.

Onder mijne leidslieden bevond zich een sergeant, dien de Heer Kokh mij tot meerdere zekerheid meedegegeeven had; daar hij voor zeer onverschrokken en als een man van ondervinding bekend stond, beschouwde ik hem als mijn compas en beveiliger: het oog onophoudelijk op hem vestigende, sloeg ik alle zijne beweegingen, en zijne houding gaade, en tot hier toe scheen hij mij eene onverzettelijke gerustheid te bezitten. Onder alle de murmureeringen van mijne andere medgezellen was ’er uit zijn mond geen ekel woord gekomen; hij had zelfs geene vertooning die eenige verbaasdheid aanduide, doen blijken. Ik moest natuurlijk deeze stilzwijgendheid voor eene afkeuring der vrees, die men mij trachtte inteboezemen, en deszelfs gerust gelaat voor eene aanmoediging, om mijn weg te vervolgen, houden; nimmer verwonderde ik mij meer, dan wanneer ik dien man eensklaps zag stilhouden, te kennen geevende, dat hij niet verder zou gaan. Ik ondervroeg hem, ik drong hem om zich nader te verklaaren. „Te lang heb ik reeds gezweegen, antwoorde hij mij; teruggehouden door mijne eigen-liefde, door niet gerekend te willen worden minder kloekmoedigheid te[II-174] bezitten, heb ik telkens uitgestelt om u mijn gedagten meedetedeelen weegens de gewaagde onderneeming, welke gij wilt ter uitvoer brengen; dog hoe meer ik uwe stoutmoedigheid bewonder, des te meer vind ik mij verplicht om voor te komen, dat dezelve u niet in onoverkomelijke rampen stort, en ook om u de gevaaren en de hinderpaalen van allerlei aart voor oogen te houden, die op iederen tred voor u zullen ontstaan; reeds ontdoen zich de meeste rivieren van het ijs; wanneer gij uw oogmerk, het geen ik echter niet geloof, bereikt om ze overtekomen, meent gij dan, dat gij niet in weinig tijds verrast, en door de overstroomingen zult ingeslooten worden? Waar in zal dan uwe toevlucht bestaan? mogelijk om een schuilplaats op een berg of in een bosch te zoeken: zult gij dan gelukkig genoeg zijn om ’er een aantetreffen? Zult gij even als de inwoonders van deeze streeken[162], in diergelijke omstandigheden, u zelven een hut[II-175] op de kruin van een boom vervaardigen, om daar vijftien dagen te verblijven, tot dat het water afgeloopen zal zijn? Wie zal instaan, dat het zelve niet vooraf tot uwe schuilplaats toe zal steigeren, dat het u niet met den boom, die u draagt, zal wegsleepen? zijt gij eindelijk verzekert, dat de voorraad uwer levensmiddelen u geduurende dien tijd voor gebrek zal kunnen behoeden? Indien dit kort voorstel van de rampen, die u wachten, niet voldoende is om u afteschrikken, zo gij aarzelt mij te gelooven, vertrekt dan, gij zijt daar meester van, ik heb mij van mijn plicht omtrent u gekweeten, staa mij toe, dat ik u verlaat”.

[162] Deeze, gewoon aan diergelijke beletselen, wanneer zij in dit jaargetij reizen, vlugten op de hoogste boomen, en maaken van de takken een soort van hutten, die zij labazis noemen, dog dikwils gebeurt het, dat zo de watervloed hen al geen hinder aanbrengt, zij echter door gebrek aan levensmiddelen omkomen.

Ik keer te rug.

Dit onverwachtte voorstel, de schrikkelijke voorspelling, welke het zelve behelsde, liet niet na om indruk op mijn geest te maaken; daar op doordenkende, gevoelde ik dat ik niets beters kon doen dan aanstonds naar Okotsk te rug te keeren, van waar ik nu maar vijfenvijftig wersten verwijderd was.

1788. Maij Den 13.

Den zelfden avond tot Medveje-golova te rug gekomen, bleef ik daar tot den volgenden namiddag ten vier uuren; van daar, tot aan de rivier Okhota, ondervond ik geen andere onaangenaamheid, dan dat ik zeer langzaam vorderde; dog wanneer wij ze moesten overtrekken, hadden[II-176] wij op nieuw gevaar en angst uittestaan. Ik beken, dat ik in die van mijn volk deelde: ik durfde de breedte van de rivier niet meeten[163], nog het spoor van mijne slêe uit het oog verliezen; de beweegbaarheid van het ijs, het welk de stroom van alle kanten ophefte, deed mij vreezen, dat het zelve onder het gewicht van zo veel reizigers zou bezwijken; ieder oogenblik scheen het mij toe, dat de afgrond zich onder den een of ander van ons opende. Eindelijk, wanneer wij den oever bereikt hadden, telden wij elkander onderling, om ons te overtuigen, dat wij niemand verlooren hadden, en de blijdschap, dat wij aan dit laatste gevaar ontkomen waaren, verschafte ons vleugelen om het overige van den weg tot aan Okotsk afteleggen, alwaar wij op den middag van den 14 aankwaamen.

[163] Zij heeft ten naasten bij de breedte van de Seine te Parijs.

1788. Maij Den 14. Te Okotsk.

Verblijf te Okotsk.

Een zo spoedige terugkomst deed den Heer Kokh en de andere Officieren in het eerst met mij schertzen, een ieder herinnerde mij, dat hij het mij voorspeld had, dog ik was minder verlegen over de dwaasheid mijner onderneeming, dan wel wanhoopend over deszelfs nutteloosheid. Ik berekende met aandoening, dat mijn verblijf in[II-177] deeze stad mogelijk wel een maand zou duuren; door de treurigste denkbeelden bestormt[164], had ik veel moeite om de blijken van vreugde en vriendschap, die mij zo rijkelijk toegezwaait wierden, te beantwoorden; het goed onthaal, dat ik van alle kanten genoot, verschafte eene zo aangenaams[II-178] wending in mijn verdriet, dat ik eindelijk omtrent het vaarwel zeggen van dit alles niets verdienstelijks meer bezat.

[164] Alle de wederwaardigheden, die ik zedert mijne ontscheeping in de haven van St. Pieter & Paulus ondergaan had, vertoonde zich allen tegelijk voor mijnen geest; overal meende ik de onoverwinlijke beheersching van het noodlot te ontdekken, dat zich tegens den goeden uitslag van mijne zending aankantte; te vergeefs had ik alles in het werk gesteld om meer spoed te maaken: te vergeefsch had mijn iever, tot roekeloosheid overgeslaagen, mij in verschillende gelegenheden mijn leeven en het mij aanbetrouwde pand in de waagschaal doen stellen; ook was ik nog ver van Petersburg verwijderd: nogtans is het algemeen bekend, dat het mogelijk is deezen togt binnen zes maanden op zijn hoogst afteleggen, dat men zich tot dat einde in het begin van Julij op het galjoot van de regeering of op een koopmans vaartuig kan inscheepen, wanneer men zonder tegenwind te Okotsk binnen drie weeken of een maand aankomt, en zelfs heeft men mij voorbeelden bijgebragt van luiden, die deeze reis in twaalf of veertien dagen hebben afgelegt: den weg van Okotsk tot Yakoutsk kan men in een maand te paart doen; denzelfden tijd heeft men noodig om tot Irkoutsk te komen, het zij dat men de Lena wil opvaaren, het zij dat men verkiest om die te paard langs te rijden; dus moet men in het begin van October daar zijn: ik vooronderstel, dat men geduurende één en een halve maand het begin der sleevaart aldaar afwacht; dus is het in dit jaargetij en op deeze wijs zeer gemaklijk, van zich in zes weeken naar St. Petersburg te kunnen begeeven; de Gouverneur Generaal van Irkoutsk was in agt en twintig dagen derwaards gereist.

Ik weet geene uitdrukkingen te vinden, om mijn ongeduld en wanhoop te schetzen, wanneer ik na deeze berekening weder mijne gedagten over de langduurigheid van mijne reis liet gaan; na agt maanden tijdverloop nog niet verder dan Okotsk! Ik was wel geen meester geweest van het jaargetij uit te kiezen, en ik had drie maanden te Bolcheretsk verlooren in het afwachten van de slêevaart; daar en boven in de noodzaaklijkheid zijnde om te land het schiereiland van Kamschatka omtereizen, had ik met de stormen en duizenden wederwaardigheden, de eene al verdrietiger als de andere, te worstelen gehad; zo veel beletselen waaren zonder tegenspraak even onvermijdelijk als tegens wil en dank (dit word ook bevestigt door het geschrift, het geen de Heer Kokh mij ter hand heeft gesteld, en het welk de leezer aan het einde van dit werk bij het getuigschrift van den Heer Kasloff zal gevoegd vinden); dog indien de zwaarigheden, die men ontmoet, al eene voldoende vrijspraak opleveren, is echter het hartzeer, deswegens niet minder onafscheidelijk van het aandenken aan dezelve; altoos is het treurig zijn pligt niet te kunnen volbrengen, vooral wanneer het beweezen is, dat in andere gevallen en met andere hulpmiddelen het zelve gemaklijk heeft kunnen geschieden; dog ik acht het dubbel smertelijk, wanneer de eindpaal van onze poogingen en verlangens ons vaderland is, en het genoegen van de waardste panden wedertezien; zoodanig waren de overdenkingen die mij bij mijn terugkomst te Okotsk voor den geest zweefden; hier door wierden geduurende verscheiden dagen de vermaaken giftigt, die ieder een mij poogde te verschaffen.

1788. Maij Te Okotsk.

Bevelen door den Heer Loftsoff ten mijnen voordeele gegeeven.

Onder de Officieren van de bezetting had ik voornamelijk zeer veel verpligting aan den Heer Loftsoff, Capitein Ispravnik; hij zond met allen[II-179] spoed naar de omgelegen streeken bevel, om op het oogenblik de minst slegte paarden optezamelen, en die gereed te houden om op de eerste tijding op reis te kunnen gaan[165]; deeze voorzorg stelde mij in staat om van het gunstig[II-180] oogenblik zo dra het zich maar vertoonde gebruik te maaken, want ik vleijde mij nog altoos van dit tijdstip veel eer te zullen zien opdaagen, dan men mij wel deed hoopen.

[165] Dit was waarlijk veel gevergt; indien men in aanmerking neemt de bijzondere zwakte van deeze arme dieren, die den geheelen winter geen ander voedzel genieten dan takken van wilgen of berkenboomen, wat voor dienst kan men van dezelven na het genieten van zulk een voedzel verwachten! Om een zo langduurig vasten te kunnen doorstaan, hebben ze zeer de rust benoodigt, die men dezelve geduurende dit jaargetij toestaat; en zelfs kan men hen in het begin van de lente nog tot geen arbeid van belang gebruiken, voor en aleer de krachten door eene betere weide hersteld zijn geworden; naauwlijks zijn de velden door den dooij ontbloot, of zij verspreiden zich daar om het zeerst. Met welk eene graagte vallen zij op de eerste grasscheuten die de lente doet ontluiken, niet aan! zij bespieden, om dus te spreeken, die, welke beginnen uittespruiten; dog hoe spoedig de groeijing ook voortgaat, begrijpt men echter, dat ’er nogtans veel tijd verloopt, eer zij derzelver voorige krachten weder bekomen.

Beleeftheid van Mevrouw Kasloff.

Mevrouw Kasloff, van mijne terugkomst onderricht, had de beleeftheid mij dagelijks van deszelfs lusthuis een overvloedigen voorraad van melk te zenden, die zij wist dat de Heer Allegretti mij ten gebruike aangeraaden had, als het eenigste voedzel, waar door mijn borst hersteld kon worden. Ik was hier over des te gevoeliger, dewijl het onmogelijk was die te Okotsk te bekomen, al wilde men dezelve tegens goud betaalen.

Bericht wegens de aankomst van den Heer Kasloff te Ingiga.

Eenige dagen daar na vernam ik eene tijding, die een waar genoegen in mijn hart verspreide. Een boode, komende van Ingiga, bragt naricht, dat de Heer Kasloff in die stad was aangekomen; dog hij bragt geene brieven van dien bevelhebber meede, en onze blijdschap wierd welhaast door ongerustheid vervangen. In welk een staat zal hij te Ingiga gekomen zijn? Waarom schrijft hij niets? Mogelijk heeft het zijne gezondheid niet toegelaaten. En dit was reden genoeg om beurtelings den courier te ondervraagen, die niettegenstaande[II-181] zijne verzekeringen bij niemand geloof vond. Uit hoofde van de waarschijnlijkheid van zijn verhaal, het geen altoos op het zelfde neerkwam, en meer nog door ons eigen vertrouwen, zo natuurlijk, wanneer het dat geen betreft, het geen wij vuurig verlangen, wierden wij langs hoe meer overtuigt, dat onze vrees kwalijk geplaatst was; niettegenstaande de treurige ondervinding, die ik wegens de moeijelijkheid van den weg, en het ongunstige jaargetij ondergaan had, zogt ik echter, verblind door mijne verkleeftheid aan het voorwerp onzer bekommernis, voor mij zelfs alle die zwaarigheden te verbergen, ten einde mij met de hoop te vleijen van hem nog voor mijn vertrek wedertezien.

Historische bijzonderheden wegens den handel van Okotsk.

Okotsk de zetel van het bestier, en de voornaamste stapelplaats voor den Koophandel der Russen in deeze streeken zijnde, vond ik mij inderdaad aan de bron, om over deeze stof eenige kundigheden te verkrijgen; het gezelschap, waar onder ik verkeerde, verschafte mij ten dien opzichte zo veel onderricht, dat het niet missen kon, of ik moest daar voordeel van trekken; ik onderzogt eerst alles, wat den koophandel betrof, ik spoorde de oorzaken op, welken de onderneemingen der Russische volkplantingen in deeze zeestreeken voorbereid, bevestigd en vermeenigvuldigt hebben. Ik verzogt hier toe de hulp der[II-182] verstandigste persoonen en der bekwaamste kooplieden; en om verzekert te zijn, dat mijne berichten echt waaren, vergeleek ik dikwerf het eene met het ander als meede met de opgaave van Coxe. Het zij mij geoorlooft hier de aantekeningen afteschrijven, welke ik omtrent dit onderwerp ter mijner eigene onderrichting heb opgezamelt. Indien men daar onder eenige belangrijke bijzonderheden aantreft, genoegzaam om deezen uitstap te billijken, als dan zal ik mijnen arbeid genoeg beloond rekenen, en mijn oogmerk bereikt hebben.

Door de overwinning van het westelijk gedeelte van Siberien hadden de Russen zich in bezitting gesteld van zeer rijke mijnen, welken dit landschap in haaren schoot verborgen hield, en waar van deszelfs inwoonders weinig werk scheenen te maaken: de overwinnaars vergenoegden zich niet alleen met de uitgraaving van het ijzer, maar voegden daar ook zilver, goud en andere kostbaare metaalen bij, welke altoos het voorwerp der menschelijke winzucht waaren. De ontdekking van deeze nieuwe bronnen van rijkdom vuurde de begeerte der overwinnaars aan; hier uit vloeide de zucht voort om derzelver heerschappij verder uittebreiden, en hunne begeerlijke vooruitzichten strekten zich tot aan geene zijde van Irkoutsk uit, het welk als toen van[II-183] dien kant tot eene grensscheiding van dit rijk kon dienen.

Bij de eerste invallen in de nabuurige landen wierd men niet zonder leedweezen gewaar, dat aldaar dezelfde voordeelen niet te verwachten waaren: overal vertoonde de natuur zich als eene stiefmoeder: de onvrugtbaarheid van den grond, evenredig aan de gestrenge luchtsgesteldheid, de verbaazende werkeloosheid van deszelfs woeste bewoonders, voor het grootste gedeelte uit jaagers, veehoeders, en visschers bestaande, beloofden geene aanzienlijke bronnen van welvaart; alles scheen veel eer ingericht te zijn om alle denkbeelden van een goed vooruitzicht te laaten vaaren. Echter wist de vindingrijke gierigheid zich daar evenwel schatten ten nutte te maaken; op het zien van de kleeding deezer volkeren bedagt zij oogenbliklijk om dezelve daar van te berooven, tevens berekenende de moogelijkheid om daar in door eene verleidelijke ruiling wel te slaagen, als meede het onmeetelijk voordeel, het welk deeze tak van koophandel zou aanbrengen, indien het haar gelukte denzelven te vermeesteren.

Wanneer men zich meer oostwaards in Asia verspreide, bevond men de pelterijen hoe langer hoe fraaijer; dit was genoeg om de Russen te doen begrijpen, dat het met derzelver belang[II-184] en roem overeenkwam, om alle de gedeeltens van deezen wijd uitgestrekten oord aan hun gezag te onderwerpen. Tot hier toe waaren deeze landschappen het toneel der strooperijen van een opgeraapten hoop Cosakken en Tartaaren geweest, waar bij zich eenige Russen, door dezelfde zucht na roof gedreeven, gevoegt hadden; de goede uitslag hunner onderneeming verspreide zich al verder en verder; het lokaas van voordeel deed een veel grooter getal emigranten derwaarts komen, wier stoutmoedigheid aanwies naar maate van den tegenstand, welken de inboorlingen hen booden. Te vergeefs had de natuur deeze in onvruchtbaare woestenijen, en in het midden der bosschen geplaatst, alwaar derzelver onafhangelijkheid voor allen aanval gedekt scheen te zijn; te vergeefsch verstrekten de onguure nevels, de bergen en bevroozene zee-en hen tot bolwerken; voor de heerschzucht, voor de ontembaare begeerte na overwinningen, en voor den dorst na rijkdommen zijn geene gevaaren onoverkomelijk; De kloekmoedigheid der inlanders veroorzaakte dagelijks gevegten, dog dit kon hen van de onderdrukking niet bevrijden; de overwinnaars kwamen om zo te spreeken meer en meer te voorschijn, naar maate ’er meer in deezen bloedigen strijd omkwamen; door veelvuldige versterkingen, bij de regeering goedgekeurd, wierden deeze verliezen[II-185] hersteld; zij zogten daar door te voorkomen, dat de overwonnenen den tijd niet hadden, om zich van derzelver verbaastheid en schaamte te ontdoen, namelijk dat zij voor een hoop vreemdelingen hadden moeten bukken, wier overheersching zich bij iedere overwinning al verder verspreide. Reeds hadden zij door het geweld hunner wapenen zich van het geheel land tot aan Okotsk meester gemaakt, en zich in het noorden tot aan de rivier Anadir verspreid.

Om van zo veel aanwinst zeker te zijn, moest men tot de grondregelen van bestier en koophandel toevlucht neemen; dadelijk bouwde men sterktens, en steeden vertoonden zich; hoe ellendig deeze inrichtingen ook waaren, nogtans verschaften deeze aan de handeldrijvende Russen en anderen, welken het reizen door deeze landschappen ondernamen, eene schuilplaats; door den togt of door hunne gevaarlijke onderneemingen afgemat, konden zij derwaarts de wijk neemen of hulpmiddelen vinden tegens de beleedigingen der oorsprongelijke inwoonders, welken zich altoos bereid betoonden om het juk afteschudden, en weerwraak te neemen.

Behalven de kwellingen van allerhanden aart, die men, ongetwijffelt buiten kennis van het hof, waar aan zij zich onderworpen hadden, tegens[II-186] hen pleegde, hadden zij daar en boven dikwils veel te lijden van de verraderijen, wreedheden, en alle de buitenspoorigheden, waar toe woeste overwinnaars, die door den goeden uitslag, het misbruiken der rijkdommen en des gezags, en door de hoop op straffeloosheid weggesleept worden, kunnen vervoerd worden. In het bedrijven deezer onmenschelijkheden, wierden de bijzondere persoonen gesterkt door het voorbeeld der opperhoofden, en zelfs van de officieren, derwaards gezonden om deeze ongeregeltheden te stuiten; eindelijk wierd dit kwaad zo groot, dat het zich de gestrengheid van den souverein op den hals haalde; de inkomsten der tollen kwamen niet in denzelfden overvloed in de schatkist, de schattingen gingen verlooren of verminderden in handen van hen, die met den ontfangst belast waaren; van daar die menigvuldige veranderingen der opperhoofden, wier ondeugden en ongerijmde handelingen te recht beschuldigt waaren, en ten minsten een spoedig opontbod verdienden; van daar de ongeoeffendheid der krijgsbenden, de ongehoorzaamheid onder de volkplantingen, de dagelijksche aanklagten, moordenarijen en alle die misdaaden, welken door de regeeringloosheid voortgebragt worden.

Het zelfde lot trof Kamschatka, na dat één[II-187] opperhoofd der Cosakken[166] de inwoonders van dit schiereiland genoodzaakt had om zich zelfs aan het Russische juk te onderwerpen. Hoe vreesselijk wierd het zelve op hunne hoofden verzwaard! hoe veel onlusten, beroovingen, en opstanden ontstonden daar niet uit! Deeze inlandsche en verwoestende oorlog eindigde niet, voor en aleer men in een beter bestuur voorzien had.

[166] Ziet Coxe, het 1. Capittel.

Als toen wierd ’er een nieuwe staat van zaaken gebooren; de voorrechten der landzaaten wierden meer geëerbiedigt, de belastingen minder willekeurig ingevordert, en de verplichtingen beter waargenomen; de koophandel, van de beletzelen ontheven, waar meede die omringd was, begon wel te slaagen, de inkoopen op vooruitzicht (speculations) vermeerderden; vermoogende Russische Kooplieden zonden derzelver factoors naar Okotsk, en deeze stad wierd de hoofdplaats der andere koopsteden, welken in vervolg van tijd opkwamen; deszelfs voordeelige legging in het middenpunt der overwonnen landschappen verschafte haar deeze voorkeur, en deed de kleinheid van haare haven over het hoofd zien: dog de scheepvaart bepaalde zich bijna alleen tot de vaart op vragt; het waaren grootendeels[II-188] galjooten, die den handel op Kamschatka dreeven.

De ladingen, welke dezelven aanbragten, namelijk de kostbaare pelterijen, die men aan de inwoonders door middel van ruiling of belasting onttrok, wierden vervolgens in het hart van het rijk gezonden, alwaar de verkoop daar van onder het oog van het Hof, en grootendeels voor deszelfs rekening geschiedde, de eigenzinnigheid der inlandsche of buitenlandsche koopers bepaalde alleen den koopprijs; de kunst der verkoopers bestond daar in om de waarde hunner koopmanschappen te doen rijzen; dog de behendigheid van den een, en de naiever van den ander verschaften geen wezentlijk voordeel, dan alleen aan de regeering door de verbaazende rechten, welken zij vordert van het geen gekogt word.

Ondertusschen bloeide Okotsk; het getal der Koopvaardijscheepen, de welken op deszelfs ree af en aanvoeren, vermeerderde dagelijks: meer uitgebreide verbintenissen deeden ook grooter uitzichten gebooren worden.

De Russische caravanen, die van Siberien afreisden, waaren van woestijn tot woestijn, van rivier tot rivier, tot op de grenzen van China gekomen. Na zeer hevige verschillen, en verscheiden geschonden en verbrooken verdragen,[II-189] wierd eindelijk vastgesteld, dat de twee natien te zamen op de grenzen zouden handelen. Dit voorrecht, het welk nog aan geen der nabuuren van het Chineesche Keizerrijk was toegestaan, was geschikt om aan den Russischen Koophandel[167] eene oneindige uitgebreidheid te verzorgen.

[167] Het zou hier mogelijk de plaats zijn, om melding te maaken van de berichten, die mij ter zelver tijd gegeeven wierden, over den oorsprong, den voortgang en den aart der verbintenissen van deeze twee rijken; dan dewijl de caravaanen door de Russen naar Kiatka gezonden, zich gewoonlijk te Irkoutsk verzamelen, scheen het mij voeglijker, van deezen handel melding te maaken bij mijn komst in de laatstgemelde stad, alwaar ik mogelijk nog naauwkeuriger berichten deswegens zal kunnen bekomen.

Ook was den Kooplieden deeze nieuwe deur tot het verhandelen van derzelver pelterijen zo dra niet geopend, of zij waaren reeds op de middelen bedagt om ’er zich in een grooter menigte van te voorzien; derzelver vaartuigen, aan stuurlieden toebetrouwd, welken van de scheepen, aan de kroon toebehoorende, genoomen waaren, begaven zich ten oosten van Kamschatka; deeze zeelieden, meer onderneemend dan bekwaam, verkreegen een geluk, het geen ze zich nimmer hadden kunnen voorstellen; niet alleen ontdekten zij onbekende eilanden, maar daar en boven keerden[II-190] zij van derzelver togten met zulke aanzienlijke ladingen, in zeer fraaije pelterijen bestaande, te rug, dat het hof van Petersburg het nodig oordeelde, om zich meer in het bijzonder met deeze ontdekkingen bezig te houden.

Beslooten hebbende om dezelve voorttezetten, in de hoop van eenmaal deeze eilanden onder het getal haarer bezittingen te stellen, stelde de regeering de uitvoering haarer ontwerpen in handen van meer bevaaren zee-officieren, als van eenen Behring, Tchirikoff, Levacheff, en andere niet minder vermaarde mannen; sommigen wapenen en scheepen zich te Okotsk in, anderen vertrekken uit de haven van Avatscha of St. Pieter & Paulus, aan den uithoek van Kamschatka gelegen; een ieder doorkruist op het ievrigste den ruimen archipel, die zich aan deszelfs oog opdoed, en gaat van de eene ontdekking tot de andere; de Koper, de Behring, de Vossen, de Aleutische Eilanden worden beurtelings opgespoord; en de schatkist van de kroon word op nieuw verrijkt. Na dat deeze gelukkige Argonauten een geruimen tijd op deeze zee-ën gedwaald hadden, landen zij op de Americaansche kust. Een schiereiland (Alaxa) vertoond zich aan hen; aan land gegaan verneemen zij daar, dat het zelve een gedeelte van een uitgebreid vast land uitmaakt; alles kondigt[II-191] hen aan, dat het de nieuwe waereld moet zijn, en verrukt van blijdschap, neemen zij den weg na hun vaderland.

Naauwlijks hadden zij verslag van den gelukkigen uitslag hunner reis gedaan, welke te meer bevestigt wierd door de nuttige waarneemingen, die zij meede bragten, of de uitzichten des koophandels wenden zich met allen iever na een gewest, alwaar men dezelve van onuitputtelijke bronnen verzekerde; Russische comptoiren wierden te Alaxa opgericht[168], en de onnoemelijke voordeelen hebben zedert altoos, niettegenstaande den[II-192] verren afstand, de werkzaamste verstandhouding tusschen de factoors en derzelver lastgeevers onderhouden: ziet hier, hoe de handel te Okotsk geschied, van waar een aantal scheepen jaarlijks naar America afvaaren.

[168] Ik zal in geene bijzonderheden treden over de wijze, waar op deeze inrichtingen gemaakt zijn. Ongelukkig betoonden de Russen zich aldaar geenzints braaver nog menschlievender, dan men hen in derzelver voorgaande overwinningen zich heeft zien gedraagen, en ik wenschte wel, dat het van mij af hing om voor altoos een gordijn te schuiven voor die ijsselijke vertooningen, welken zij bij derzelver aankomst alhier herhaalden; dog de onrechtvaardigheid en ontrouw der bevelhebbers, stuurlieden, handelaars en matroozen, hebben gelegenheid gegeeven tot zo veele klagten en rechtsgedingen, en zo veele schrijvers hebben daar van gesprooken, dat ik dit alles te vergeefs met stilzwijgen zou voorbijgaan; vooral is het bekend, dat verscheide scheepelingen, tot deezen togt gebruikt, beschuldigt zijn geworden van veel eer de pelterijen ontvreemd dan gekogt te hebben, welken zij zich bij derzelver terugkomst dubbel lieten betaalen; niet te vreden met de ongelukkige inboorlingen van de vrugten van derzelver moed en arbeid te berooven, noodzaakten zij die dan eens om onder derzelver oog en tot hun voordeel, de otters, beevers, zeekoeijen, de vossen enz. te vangen, en dan wederom gingen zij zelfs ter jagt, door een overdreeven mistrouwen of roofzucht bestierd. Na een zodanig gedrag is men niet vreemd, om hen nog van meer afschuwelijker buitenspoorigheden verdagt te houden. Hoe kan men ook vooronderstellen, dat op zulk een verbazenden afstand, de voorschriften en de bedreigingen van den souverain altoos de misdaaden zouden hebben kunnen voorkomen? de ondervinding heeft voor al in de uitgestrektheid van het Russische rijk maar al te veel doen zien, dat het gezag verzwakt, naar maate het zelve van deszelfs middelpunt verwijderd is. Hoe veel jaaren van waakzaamheid en gestrengheid zal het niet nodig hebben om zich beter te doen gehoorzaamen, en de misbruiken te verbeteren! Hier aan arbeid het tegenwoordig bestier reeds zedert lang, en het is waarschijnlijk, dat deszelfs poogingen niet te vergeefsch geweest zijn.

Wanneer een koopman voorneemens is om deeze reis in persoon, of door een van zijn gemagtigden te doen, vraagt hij de goedkeuring van den Commandant, en zeldzaam word[II-193] hen zulks geweigert; de laading van het schip word in acties verdeeld; ieder, die wil, kan dezelve koopen: het getal der acties gaat de bepaalde som der kosten van de uitrusting, en verkrijging der goederen, die tot ruiling moeten dienen, niet te boven, welken in stoffen, yzerwerk, coraalen, doeken, brandewijn, tabak en andere zaaken, bij de wilden in achting, bestaan; de officieren en matroozen genieten geene bezolding, dog zij hebben een deel in de laading, het welk men paï noemt; de togten duuren drie, vier tot zes jaaren, en altoos geleid de winzucht hen naar de minst bezogte plaatsen, of tragt nog anderen te ontdekken[169].

[169] Zodanig was zelfs het ontwerp van een mij bekend handelaar, die daarvan de grootste voordeelen verwachtte; met de kaart der reize van Cook in de hand, dacht hij de rivier, welke na deezen vermaarden zeebouwer genaamd is, te gaan opzoeken, en vervolgens zijn togt tot in de nabuurschap van de baaij Nootka voorttezetten. Indien hij zijn voornemen kan uitvoeren, is het zeer mogelijk, dat hij zich niet geheel in zijne hoop zal bedroogen vinden; en mogelijk zullen deszelfs landsgenooten eenmaal aan zijn vernuft en kloekmoedigheid de ontdekking van nieuwe bronnen van welvaart verschuldigt zijn.

Bij derzelver terugkomst zijn de scheepen aan een gestreng onderzoek onderhevig, volgens de[II-194] factuur van de lading moeten de uitrusters aan den Fiscaal de rechten betaalen, die hij zich van alle de zaaken, welken de lading uitmaaken, toeeigent; ze word vervolgens gewaardeert, en door eene gelijke deeling ontfangt iedere houder der actien in Natura of anders, het beloop van zijn inleg (behalven de zee-schade en de goederen, die van geene waardij zijn) en deszelfs gedeelte in het voordeel, indien ’er gewonnen is. Men begrijpt, dat de kans bijna alleen beslist over de hoeveelheid van het geen, dat gedeeld moet worden, of over het te kort komende; en eindelijk, een gedeelte der koopmanschappen word te Okotsk verkogt, en een ander gedeelte naar Yakoutsk en van daar naar Irkoutsk overgebragt, van waar ze naar Kiakhta vervoerd worden, om de begeerte der Chineesche koopers optewekken.

Bestier.

De regeeringsform zou geen minder onderzoek dan de koophandel verdienen; dan geduurende mijn verblijf in Kamschatka welkers rechtbanken allen aan die van Okotsk onderhevig zijn, zo als ik reeds opgegeeven heb, ben ik reeds in staat geweest van omtrent dit onderwerp vrij uitgebreide aantekeningen[170] optezamelen; mij blijft nog overig, wat van nader bij de krijgstucht van de bezetting, en het bestier van de stad, het[II-195] welk beide eveneens mijne verwondering trok, te beschouwen.

[170] Ziet het eerste deel, Bladz. 119. enz.

Ik meende een tomeloos krijgsvolk, gelijk het eertijds was, te zullen zien, namelijk eene bende van woeste Cosakken, in den aart roovers, en geene andere wetten eerbiedigende dan hunne eigenzinnigheid of belang. Er ging geen dag om, of eenigen liepen met geweer en wapenen weg; dikwils wierden de magazijnen door deeze onbeschaamde krijgsknegten geplunderd. Te vergeefsch wapenden de uitvoerders van het oppergezag zich met strengheid om dit overloopen en rooven te beletten; te vergeefsch ondergingen alle de schuldigen, die men kon agterhaalen, de straf van de Battogues of dunne stokjes, en de andere gebruikelijke kastijdingen onder de Russische krijgsbenden; men vond ’er onder deeze ongelukkigen, die zodanig gehard waaren tegen de slaagen, of zo onverbeterlijk, dat zij den volgenden dag op nieuws gestraft wierden, zonder dat immer zwaarder strafoeffeningen dezelve konden wederhouden, nog aan anderen ten afschrik verstrekken; deeze bezetting is echter tegenswoordig aan eene gestrenger krijgstucht onderworpen, en de voorbeelden van ongehoorzaamheid zijn veel zeldzaamer; zonder tegenspraak is men aan de hervormers hier van, wier[II-196] geduld en bekwaamheid ook dit goede reeds uitgewerkt hebben, allen lof verschuldigt.

Het burgerlijk bestier vereischt van deszelfs kant dezelfde voorzorgen; het was niet gemaklijk hetzelve in een stad te vestigen, die onder deszelfs inwoonders een groot getal bannelingen telt; de meesten van deeze hebben de onuitwischbaare schandvlek verdiend, welke de hand der gerechtigheid op derzelver misdaadige hoofden drukte, en de overigen, tot de galeijen verweezen, zoeken onophoudelijk, onder het geketend werken aan de haven, middelen uittedenken om straffeloos deeze boeijen te verbreeken; somtijds ontkomen ’er eenigen en ongelukkig is als dan de plaats, waar heen zich deeze galeiboeven begeeven! Dog de onophoudelijke waakzaamheid van den Commandant doed hun niet lang van deeze gevaarlijke vrijheid genot hebben; welhaast worden ze op nieuw gevangen en gestraft; alsdan belaad men ze met zwaarder ketenen, die aan de eerlijke burgers, welken onder deeze booswichten leeven, de openbaare veiligheid verzekeren; het gedrag van den Heer Kokh scheen mij in diergelijke gelegenheden even zo verstandig als standvastig te zijn; bij de gemaatigdheid, welke zijn hoofdhoedanigheid uitmaakt, voegt hij de onverzettelijkste gestrengheid.

[II-197]

De Lamouters, Toungoussers en de Yakouters verschaffen insgelijks veel bezigheids aan de regeering, het zij door derzelver klagten, het zij door hunne menigvuldige muiterijen, voor al bij den ontfangst der belastingen; dit belangrijke werk is aan den Heer Loftsoff, Capitan Ispraunick toevertrouwd: door zijne arbeidzaamheid en voorzigtigheid weet hij de onlusten te stillen, de verschillen bijteleggen, en zonder geweld de beveelen van zijne souvereine te doen uitvoeren. Ik ben in staat geweest om te beoordeelen, hoe zeer de inwoonders over zijn bestier voldaan waaren.

Het is in deezen voorspoedigen staat, dat ik dit departement gevonden heb; mogt het getuigenis, het geen ik met het grootste vermaak ten zijnen voordeele afleg, tegen de voorige verhaalen worden overgesteld, en den leezer op zijne hoede doen zijn tegens den indruk, welken het nadeelig vooroordeel, opgevat uit de voorstelling der misbruiken van de oude regeeringsform, op hem mogt gemaakt hebben! Men is ten minsten dit getuigenis aan de nieuwe inrichting verschuldigt, dat, indien er nog eenige abuizen in het bestier plaats hebben, dezelve onophoudelijk zich toelegt om die te verbeteren, naar maate dat ze ontdekt worden.

Ontwerp om de inwoonders van Okotsk elder te verplaatzen.

Zedert kort liep het gerugt (op welken grond[II-198] is mij onbekend) dat het hof voorneemens zou zijn, om de inwoonders van Okotsk of naar Oudskoï, of naar eenige andere nabuurige plaats overtebrengen. Indien dit waarlijk deszelfs voorneemen is, verbeeld ik mij, dat het zelve de noodzaaklijkheid zal begreepen hebben, om op deeze kusten eene aanzienlijker stad te bezitten, welker gemaklijke gelegenheid, grootte en veiligheid van de haven, in deszelfs keus ter verplaatzing zal in aanmerking komen.

Bijzonderheden over den togt van den Heer Billings.

Ik heb beloofd eenige bijzonderheden wegens de zending van den Heer Billings te zullen meede deelen: reeds heb ik gezegd, dat zijne twee scheepen op de werf van Okotsk gebouwd wierden, dog ik zou mij zeer verlegen vinden om optegeeven, naar welken oord zij zich ’t zeil zullen begeeven; het is mij onmogelijk geweest dit geheim te ontdekken; al het geen ’er mij van bekend is, bestaat hier in, dat de Heer Billings uit hoofde van zijn verkreegen roem en de proeven van bekwaamheid, welken hij op een der reizen van Capitein Cook zijn landsgenoot betoond heeft, naar Rusland geroepen is met den rang van Scheeps Capitein, om op eenen geheimen togt het bevel te voeren, dien men meent eenige ontdekking ten doel te hebben; het gezag, dat men hem toegestaan heeft, schijnt zeer uitgestrekt te weezen; de bouwstoffen, werklieden, matroozen,[II-199] en al het geene hij noodig zou kunnen hebben, is hem door het hof bezorgd.

Om meerder spoed te kunnen maaken, had de Heer Billings zijn volk verdeeld; een gedeelte wierd onder bevel van den Heer Hall, zijn lieutenant, naar Okotsk gezonden ter bouwing van de twee vaartuigen, terwijl hij zich met de overige manschap, voorzien van sterke sloepen en andere vaartuigen, die hij in allen spoed op de rivier Kolumé had doen vervaardigen, naar de ijs-zee begaf.

Niemand wist voor als nog het oogmerk van deezen eersten togt, een ieder verloor zich in gissingen; de waarschijnlijkste waren, dat deeze zeeman getragt had om dit gedeelte van Asia om te reizen, van de rivier Kolumé af, en de caap Sutoï voor bij te zeilen, tevens een weg zoekende om door de zee van Kamschatka naar Okotsk te rug te komen; dog indien dit zijn oogmerk mogt geweest zijn, is het waarschijnlijk, dat hij in de uitvoering onoverkomelijke zwaarigheden zal ontmoet hebben, vermits hij na eenen moeijelijken togt van eenige maanden in de rivier Kolumé is binnen geloopen, en zich van daar naar Yakoutsk heeft begeeven.

De arbeid onder het bestuur van den Heer Hall te Okotsk was geduurende een groot gedeelte[II-200] van den winter gestaakt, dog terwijl ik mijn verblijf aldaar hield, wierd dezelve hervat en met iever voortgezet; reeds was het beloop van een schip in gereedheid, en de kiel van het ander op de werf opgezet; de lijndraaijers, smeeders, timmerlieden zeilemakers; & kalfaters[171] hadden bijzondere werkplaatsen; de tegenwoordigheid der Officieren, onder welkers opzicht deeze arbeid geschiede, wakkerde onophoudelijk den iever der werklieden aan; niettegenstaande den grooten spoed, dien ik van alle kanten aan deeze bouwing zag toebrengen, twijffel ik echter, of deeze vaartuigen binnen twee jaaren nog wel in staat zullen weezen om onder zeil te kunnen gaan.

[171] Deeze waren benevens de werkbaazen en bevaaren matroozen allen uit Rusland gekomen. Om echter het noodige getal matroozen te bekomen, was de Heer Hall genoodzaakt recruuten aanteneemen; en de orders, waar mede hij voorzien was, waaren zo sterk, dat de Commandant hem op zijne eerste vordering al de noodige manschappen en materiaalen bezorgde.

De rivier Okhota ontdoed zich van het ijs.

Bij niemands geheugen was de rivier Okhota langer met ijs bezet geweest dan tot den 20 Maij; dit jaar echter raakte dezelve tot groote verwondering der inwooners niet los dan in den namiddag van den 26; dit schouwspel lokte de geheele stad uit, en ik wierd daar bij genodigt als tot eene[II-201] partij van vermaak; dog in het denkbeeld zijnde, dat ik niets anders zien zou dan het geen ik te Petersburg bijgewoond had, toonde ik even weinig begeerte als nieuwsgierigheid. Men verdubbelde de noodiging en ik ging meede naar den oever; de meenigte was reeds daar: ik wierd op het oogenblik door een aantal lieden omringd, die zich in eene eenstemmige opgetogenheid bevonden, op het gezicht der verbaazende ijsschotsen, welken door den snellen stroom van alle kanten weggevoerd wierden. Zij botsten met geweld tegens, en stapelden zich op elkander. Een oogenblik daar na hoorde ik een sterk gekerm; ik zag rondom, van waar dit geschreij kwam, en ik ontdekte een troup mannen en vrouwen, die even als wanhoopigen langs den oever liepen: ik naderde al beevende in de gedagte, dat het een of ander ongelukkig kind in leevensgevaar was; dog ik vond mij bedroogen.

Veertien à vijftien honden waaren oorzaak van deeze beweeging; derzelver meesters kermden gezamentlijk, het zij uit meedelijden of uit gierigheid, over het lot van deeze arme dieren, welker verlies zeker scheen. Gerust op de ijsschotsen gezeten, waar door ze weggevoerd wierden, zagen ze met eene verwonderde houding de geschaarde menigte langs den oever; nog het geroep, nog de teekens, welken door al dit volk gedaan[II-202] wierden, konden deeze in beweeging brengen; twee evenwel zogten zich te redden, en zij geraakten met veel moeite aan den anderen kant: de overigen verdweenen binnen eenige minuuten; eenmaal in volle zee zijnde hebben zij daar ongetwijffelt den dood gevonden.

Dit waaren de eenigste slagtoffers van het losgaan der rivier; dog de uitwerkzelen hier van zijn menigmaal zo gedugt geweest, dat men jaarlijks alle de huizen in de nabuurschap der rivier ontruimt[172]; de verstrooide overblijfzelen langs den oever bevestigen, dat ’er veelen door diergelijke treurige gebeurtenissen weggesleept zijn. Men heeft mij verzekert, dat in eenige jaaren bijna een vierde gedeelte van de stad daardoor verwoest is geworden.

[172] Men heeft in de beschrijving van Okotsk gezien, dat deeze gebouwen de wijk der Kooplieden uitmaaken; uit bevreestheid hadden zij allen hunne winkels op de plaats van het gouvernement overgebragt: zij beslooten zich in het vervolg daar neer te zetten; en dienvolgens herbouwde men aldaar hunne wooningen, wier getal aanmerkelijk vermeerdert wierd.

Men wagte met ongeduld, dat deeze rivier deszelfs loop hernam: het wierd tijd, dat zo dra mogelijk de vischvangst levensmiddelen verschafte tegens het gebrek, het geen zich begon te doen[II-203] gevoelen, de voorraad van visch, in den voorigen zomer verzameld, was van weinig belang geweest, en bijna verbruikt; het meel was insgelijks zeer geminderd, en het geen ’er nog van overig was, wierd tot zulk een aanmerklijken prijs verkogt, dat het gemeen ’er niets van bekomen kon. In deezen nood vertoonde de menschlievendheid van den Heer Kokh zich op het sterkst. In de magazijnen van de kroon was nog roggemeel in voorraad, en hij deelde zulks aan het behoeftigste gedeelte der inwoonders uit; deeze afgifte verschafte wel eenige ondersteuning, dog het was van geen langen duur; de Heer Kokh, die dagelijks verscheide persoonen uit de stad aan zijne tafel ontfing, zag zich zelfs genoodzaakt om van den weinigen voorraad, dien hij van het voorige jaar overgehouden had, gebruik te maaken. Eindelijk aten wij geen ander dan in de zon gedroogd ossevleesch. Om versch vleesch te verkrijgen liet de Heer Majoor op de rendieren en argalis jaagen, dog men had maar eenmaal het geluk om er van aantebrengen.

De rivier geheel van het ijs bevrijd zijnde, deed hij aanstonds de zegen uitwerpen; ik was daar met een groot gedeelte der inwoonders van de stad, en na mijne gedagten, was dit schouwspel veel fraaijer dan het eerste: onbeschrijflijk waaren de gewaarwordingen en de blijdschap van[II-204] deeze menigte getuigen, bij het eerste ophaalen van het net; het was met een verbaazend aantal kleine visch gevuld, als spiering, haring enz. op dit gezicht vermeerderde de vreugd en het gejuich; de meest verhongerden wierden eerst geholpen; men gaf hen al het geen, het welk dit gelukkig begin opgeleverd had. Ik kon mijne traanen niet wederhouden, wanneer ik de graagte van deeze ongelukkigen zag; geheele huisgezinnen betwisten zich onderling de visch, en verslonden dezelve geheel raauw voor onze oogen.

Op deeze vischvangst, die van dag tot dag overvloediger wierd door het terugkomen van de salm[173] en andere groote visschen in deeze rivieren, volgde de jagt op de watervogels[174], die welhaast de oppervlakte ’er van bedekten; dit was een nieuw middel van bestaan voor de inwoonders.

[173] De toebereiding van de salm geschied hier op dezelfde wijze als in Kamschatka.

[174] Ik meen reeds rekenschap gegeeven te hebben van de wijze, waar op deeze jagt zeer gemaklijk in den ruij-tijd deezer vogelen geschied. De stok is het eenigste wapentuig, waar meede men dezelve aanvalt.

Toebereidzelen tot mijn vertrek.

Ondertusschen vorderde het jaarsaisoen, en niettegenstaande zeer menigvuldige nevels zagen wij bij tusschenpoozen eenige schoone dagen. Deeze[II-205] kwamen ons des te fraaijer voor, dewijl in den nagt van den 29. twee duim sneeuw viel, en dat de koude een graad boven nul aanwees; het water liep langzaamerhand af, dog men wierd nog geene teekens van groeijing gewaar. Eenige verrotte grasscheuten, de ellendige vrugten der laatste poogingen van de natuur bij het eindigen van den voorigen herfst, waaren het eenigste voedzel, welk het aardrijk voor de paarden opleverde, in afwachting van dat, welk de terugkomst van de lente hen beloofde.

Reeds brande ik van begeerte om te vertrekken, en hoe zeer ik voor mij zelfs niet verbergen kon den slegten staat, waar in deeze dieren zich nog moesten bevinden, drong ik echter den Heer Kokh om spoedig allen die voor mij aangehouden waaren, te verzamelen, dewijl ik beslooten had om mij uiterlijk den 6 Junij op reis te begeeven. Zijne beveelen wierden stiptelijk ter uitvoer gebragt, en het was door zijne voorzorg, door de goedheid van Mevrouw Kasloff, en door de geschenken van verscheide vrienden, welken ik in deeze stad agterliet, dat ik mij eensklaps van een ruimen voorraad van beschuit en brood voorzien zag; zonder het terugdenken op het gebrek, het geen wij ondervonden hadden, kon ik niet anders dan zeer vergenoegd over deeze weldaaden zijn; dog het denkbeeld, dat ik mij met[II-206] de opofferingen der vriendschap zou moeten voeden, kwetste mijne gevoelige ziel, en het kostte mij zeer veel om te behouden, het geen ik niet te rug kon doen neemen; want hoe meer zwaarigheden ik maakte, des te meer beklag en aanhoudende verzoeken, voor welken ik eindelijk moest zwichten, had ik doortestaan.

De dag voor mijn vertrek wierd tot het afscheid neemen besteed. Ik had het genoegen te verneemen, dat de Heer Loftsoff voorneemens was mij tot Moundoukann te vergezellen; eenige zaaken betreklijk deszelfs opbouwing vorderden ook, dat de Heer Hall derwaards ging, die ook dadelijk besloot om met ons daar heen te reizen. Ik verwachtte niet van nog een ander reisgezel, voor wien ik eene dubbelde achting bezat, te zullen bekomen; de Heer Allegretti verwittigde mij des avonds, dat hij zich voorgesteld had om mij tot aan het kruijs van Yndoma te vergezellen: en hoe groot was mijne verwondering en erkentenis, wanneer ik vernam, dat zijne verkleeftheid aan mij de eenigste beweegoorzaak van zijn reis was! Van mijne twee soldaaten ging Golikoff alleen met mij. Nedarézoff bleef te Okotsk, dog ik nam zijn vader mêe, die mij gegeeven wierd om voor stuurman op de rivier Yndoma te dienen. Een aantal werklieden moesten volgens mijne afspraak met den Heer Kokh dadelijk[II-207] na ons vertrekken, om onder mijne oogen de vaartuigen, welken te zeer beschadigt zouden zijn, te herstellen, ten einde ik aan geene nieuwe gevaaren of aan langer uitstel blootgesteld zou weezen.

Alle mijne toebereidzelen in gereedheid zijnde, scheurde ik mij uit de armen van den Heer Kokh. Verscheiden der inwoonders deeden mij de eer aan, van mij tot buiten de poorten der stad te geleiden, alwaar onze paarden reeds te vooren gebragt waaren; daar scheiden wij onder wederzijdsche zegenwenschen, en het verschaft mij altoos genoegen van zeker te weezen, dat mijne herbergers mij verlaatende de blijken met zich voerden van geenen ondankbaaren wel gedaan te hebben.

Op het gezicht van het ros, dat ik beklimmen moest, sprong ik van schrik en meedelijden agter uit; nimmer had ik een diergelijk slegt paard gezien; ontvleeschte en ingezonken heupen, een smal en puntig kruis, alwaar men alle de beenen kon tellen, een uitgerekte hals, de kop tusschen de beenen, en waggelende op zijne kooten, ziet daar een getrouw afbeeldzel van het beest, dat mij draagen moest: dat men de gedaante der andere paarden beoordeele, dewijl het mijne voor een der minst slegte gehouden wierd; het zadel scheen mij toe veel na de onzen te gelijken; die[II-208] der vervoerders van ons reisgoed waaren veel kleinder, van hout en open; boven op dit draagzadel stonden twee kruisgewijze stokken, waar aan men den last[175] ophing en vastmaakte, evenwel met in achtneeming van het gewicht aan beide zijden gelijk te maaken, want de minste onevenredigheid zou wel dra deeze arme dieren het evenwicht hebben doen verliezen.

[175] Dit waren lederen en mantelzakken, ze hebben dit vooruit, dat de zijden van het paard daar door niet kunnen gekwetst worden; derzelver gewicht is gewoonlijk van vijf pouds of twee honderd ponden, en nooit zijn ze zwaarder dan zes pouds of twee honderd veertig ponden; men noemt dien last riouki en derzelver draagers RIOUSCHNI-LOSCHADEI; wanneer de goederen minder zwaar of van een klein begrip zijn, plaatst men dezelve op den rug van het dier, en maakt die meteen paardenhairen riem die onder den buik doorgaat, daaraan vast.

Zoutgroef drie uuren van Okotsk.

Het was in deeze erbarmelijke uitrusting, dat onze caravaane zich op weg begaf. Om ons eenigzints over den langzaamen voortgang te vertroosten, vervrolijkte zich een ieder ten kosten van deszelfs ros; twaalf wersten van Okotsk toonde men mij aan den oever der zee eene vrij aanmerkelijke zoutgroef; de menschen, die daar werken, zijn allen kwaaddoenders, of lieden door de justitie gestraft; dat huis voorbij zijnde, lieten wij de zee aan onze linkerhand, om eenigen tijd de Okhota langs te rijden.

[II-209]

1788. Junij Den 6.

Aanmerkingen over de Okhota en bijzonderheden omtrent mijne reis.

Daar het ontdooijen der rivier zo veel vrees in de stad verwekte, zijn deszelfs overstroomingen echter niet minder gevaarlijk voor de omleggende streeken; treed zij haare oevers te buiten, niet alleen overstroomt zij als dan de nabuurige landen, en nu een geweldige stroom geworden, verheft zij zich te heviger, naar maate zij veld wind; men verhaald, dat men wel eens deszelfs water twee voet boven de kruin der hoogste boomen heeft gezien; hier uit kan men opmaaken, hoedanige verwoestingen zij aanricht; dit is altans zeker, dat ik in de bosschen holle wegen heb aangetroffen van eene verbaazende diepte, welken men mij zeide haar werk te weezen.

Ten naasten bij te Medvéjé Golova gekomen, viel mijn paard onder mij neder, zonder dat het mogelijk was het weder te doen opstaan; gelukkig had ik tijds genoeg om het zadel te verlaaten, en ik wierd niet in deszelfs val mêegesleept; het beest bleef op de plaats leggen[176] alwaar[II-210] het zelve ongetwijffeld eenige uuren daar na zal omgekomen zijn; wij behielden nog elf paarden; mij wierd dadelijk een ander gegeeven; en ik kwam zonder eenig ander ongeval in het dorp.

[176] Het verlies van deeze dieren schijnt de Yakouters weinig aan te doen; het komt in hen zelfs niet eens op om ze hulp toetebrengen; zo dra zij weigeren dienst te doen, of dat zij van verzwaktheid of vermoeitheid neervallen, geeft men ze aan hun jammerhartig lot over; ook ziet men de wegen met derzelver lijken bezaaid, die ten voedzel voor de beeren verstrekken, welken hun roof niet verlaaten, voor en aleer ’er niets meer dan de beenen overblijft. Geen tien treeden ver of wij vonden van deeze geraamtens van paarden, en ik geloof, dat ik tot aan het kruis van Yndoma, er meer dan twee duizend gezien heb. Mijne geleiders verhaalden mij, dat de meesten het voorige jaar omgekomen waaren, bij gelegenheid van de overvoering der bouwstoffen, geschikt voor den togt van den Heer Billings van Yakoutsk naar Okotsk; men was door de overstroomingen overvallen geworden, en naauwlijks hadden de menschen zich kunnen bergen. Een gedeelte der laadingen was nog onder een soort van lootsen, en die labazis geplaatst, waar van ik gesprooken heb, alwaar de reizigers hunne goederen bergen, tot dat de afloop van het water hen de gelegenheid verschaft om dezelve te komen weghaalen; men voegde daar nog bij dat de Yakouters dus jaarlijks vier a vijf duizend paarden, in de overvoering der Koopmansgoederen, waar toe ze gebruikt worden, verliezen.

1788. Junij Den 7.

Den anderen dag des morgens ten negen uuren vertrokken wij van daar en doorwaadden de rivier Okhota, welke wij vervolgens verlieten. Ik ontdekte hier en daar op den weg, op een vrij grooten afstand den een van den ander geplaatst,[II-211] eenige Yakoutsche yourtes. Zeldzaam ziet men ’er eenigen bij elkander.

De neiging van deeze geslachten om zich dus ieder op zich zelven te plaatzen, zou die niet deszelfs oorsprong ontleenen uit een beweegreden van eigen belang, van zeer veel gewicht voor dit volk? daar de paarden derzelver eenigsten rijkdom uitmaaken, hoe zouden de eigenaars derzelven (men vind ’er die duizend en meer paarden bezitten) indien de wooningen bij elkander geplaatst waaren, aan hunne talrijke stoeterijen voedzel kunnen bezorgen? de weilanden in den omtrek zouden welhaast uitgeput zijn. Om daar aan te gemoet te komen, zou men genoodzaakt zijn de kudde ver weg te zenden, en hoeveel ongemaks zou zulks niet berokkenen, zo door de nalaatigheid als ontrouw der hoeders?

Den 8.

Wanneer wij te Moundoukann aankwamen, waaren onze paarden zodanig vermoeid, dat wij daar den nagt en den dag van den 8. doorbragten.

Ik heb boven reeds gezegt[177] dat dit dorp twintig wersten van Medvéjé-Golova afgelegen is; de rivier, die er langs loopt, ontleend deszelfs naam van het dorp.

[177] Ziet mijn eerste reize van Okotsk, Bladz. 171.

1788. Junij Den 9.

Met het aanbreeken van den dag verliet ik de Heeren Hal en Loftsoff, die hier blijven moesten;[II-212] en aanstonds moest ik een hoogen berg genaamt Ourak overrijden, welkers top nog met sneeuw bedekt was; onze paarden liepen tot den buik er door, en hadden op deezen weg veel te lijden.

Langs den voet van deezen berg stroomt de rivier, die denzelfden naam draagt; zo breed als diep, is haar loop ook niet minder sterk; op den oever ziet men eene yourte, welke men mij zeide door lieden bewoond te worden, die het ambacht van schuitevoerders waarnamen, dog nu waaren ze allen van huis, mogelijk wel op de jagt. Uit derzelver openstaande wooning was optemaaken, dat ze zich maar zedert weinige dagen uit bevonden.

Wanneer het ons verveelde om hen langer te roepen en te wachten, bragten wij het minst beschadigde vaartuig van die, dewelken aan den oever vastgemaakt waaren, te water; na lang zoekens vonden wij de riemen; men ontlaadde en ontzadelde de paarden en de goederen wierden in de schuit gebragt, die ons beurtelings aan den anderen kant bragt; nu bleeven onze harddraavers nog overig, en ik was zeer bevreesd, dat ze de rivier niet zouden kunnen overzwemmen; de gerustheid, die mijne Yakouters daar omtrent vertoonden, kwam mij onbegrijpelijk voor; door stokslaagen dwongen zij ze in het water te gaan,[II-213] de schuit ging vooraf om ze te bestieren, terwijl een der geleiders aan land gebleeven dezelve met steenen wierp, en ze door zijn geschreeuw schrik aanjoeg, ten einde ze het te rugkeeren te beletten; na verloop van een half uur kwamen ze onbeschadigd weder bij ons; dadelijk wierden ze gezadeld, op nieuws belaaden[178], en wij vervorderden onze reis.

[178] De Yakouters zijn hier aan zodanig gewoon, dat ze zulks den handigsten stalknecht niet zouden gewonnen geeven; ze maaken de lastpaarden drie aan drie met de staarten aan elkander vast, en eene riem is genoegzaam om ze allen te mennen.

De kragteloosheid onzer paarden noodzaakte ons vijf en twintig wersten van Moundoukann stiltehouden, ter plaatze die hen het meeste voedzel aanbood, en alwaar men het spoor der beeren het minst ontdekte.

Na een vasten van zes maanden, dat is te zeggen, na het eindigen van den winter, begrijpt men dat de gulzigheid der beeren verbaazend is; uit hunne schuilplaatzen gekomen, verspreiden zij zich door de velden; en bij gebrek van visch, die de rivieren als dan nog in geen groote hoeveelheid opleeveren, vallen zij woedend op alle dieren, die zij maar vinden en voornamelijk op de[II-214] paarden aan; wij waaren ter onzer eige behoudenis verplicht middelen uittedenken om ze afteweeren: ziet hier eene beschrijving van onze gewoonlijke voorzorgen, waar door de leezer zich een denkbeeld van onze rustplaatsen zal kunnen vormen.

Rustplaatzen der Yakouters.

De plaats uitgekoozen zijnde, ontlaad men de paarden en laat die in vrijheid wijden, rondom ons kleine leger staken wij van afstand tot afstand vuuren aan, vervolgens deed ik verscheide snaphaanschooten, voor dat ik mij in mijn tent begaf; men had mij verzekert, dat het geluid en de reuk van het kruid de beeren doed vluchten; wanneer de dageraad aanbrak, verzamelde men de paarden: indien ’er zich eenigen wat ver af begeeven hadden, kwamen ze op het geschreeuw mijner Yakouters aanstonds opdagen: deeze bezitten daar in dezelfde bekwaamheid als de Koriaken omtrent derzelver rendieren.

Den 10.

Verwonderd zijnde van geduurig paardemaanen of staarten aan de takken van de boomen te zien hangen, vroeg ik daar van de reden, en ik vernam dat dit offerhanden waaren, gedaan door de Inwoonders des lands aan de bosch en weg Goden: mijne wegwijzers hadden daar derzelver begunstigde plaatsen, alwaar zij op eene Godsdienstige wijs diergelijke gaaven gingen[II-215] vastmaaken; deeze bijgeloovigheid heeft ten minsten die nuttigheid, dat de offers, welke zij aanbrengt, tot wegwijzers kunnen dienen.

1788. Junij Den 11.

Den voorigen dag hadden wij verscheiden armen van de rivier Ourak doorwaad, die zich in onnoemlijk veel takken verspreid; door geen derzelven waaren wij opgehouden geworden. Den 11, des middags ten vijf uuren, kwamen wij weder aan deeze rivier; deszelfs breedte was niet zeer aanmerkelijk, en indien de regen[179] die tot aan den avond viel, dezelve niet zeer vergroot had, zouden wij niet geaarzeld hebben om die even als daags te vooren doortetrekken; het opperhoofd van mijne geleiders zeide mij, dat hij ’er gevaar in zag; dog men had mij gewaarschuwt, dat, indien ik zwak genoeg was om na hunnen raad te hooren, zij op de minste zwaarigheid mij dringen zouden om op den vollen dag stil te houden, meer om zelfs uit te rusten, dan wel om hunne paarden verkwikking toetebrengen. Ik besloot derhalven hen te noodzaaken om ten minsten den doortogt te beproeven, en de uitslag[II-216] overtuigde mij van de juistheid der gemaakte aanmerking; hij, aan wien ik bevel gaf om in de rivier te gaan, wierd genoodzaakt van spoedig weer aan land te komen; zijn paard had eenige treen van den oever den grond verlooren: wij moesten ons in de nabuurschap legeren, alwaar onze paarden gelukkig te graazen vonden. Om geen tijd te verliezen deed ik geene andere maaltijd dan des avonds, terwijl ik over dag niets anders dan roggebeschuit gebruikte; dog ik had al mijn volk gelast van mij te waarschuwen, wanneer men eenig wild zou ontdekken[180], zo dat wij een geruimen tijd alleen van de jagt leefden; de nooddruft is een goed meester; en door de gewoonte verkreeg ik allengskens de bekwaamheid.

[179] Ik was dien dag ooggetuige van eene zaak, welke verdiend verhaald te worden: mijne Yakouters trokken met behendigheid groote stukken schors van pijnboomen af, en wisten zich daar van een soort van parapluie te vervaardigen, waar onder zij den nagt doorbragten.

[180] Behalven het watergevogelte vonden wij zeer dikwijls op onzen weg korhaanen, witte patrijzen, jonge hoenderen, en wij raapten insgelijks de eijeren, wanneer wij die aantroffen.

Indien het gebeurde, dat ik eenige ligtgraauwe konijnen doode, was dit ten voordeele van mijne Yakouters, uitgezondert het vel, dat ze mij wedergaven; Golikoff had mij dit vleesch tegen gemaakt, dat ik op zijn woord voor zeer slegt hield. Eens echter, bekoord door de witheid van deeze kleine gekookte beestjes, was ik[II-217] begeerig daar van te eeten; zij hebben den smaak van het dennenhout, dog minder onaangenaam als men mij gezegt had. Op een tijd, dat wij gebrek hadden, heb ik mij daar wel aan vergast, en ik kan gemaklijk begrijpen, dat de Yakouters zulks voor eene lekkernij houden.

Gewoonlijk voedzel der Yakouters.

Derzelver voornaamste geregt, het welk zij Bourdouk noemen, stond mij veel meer tegen; dit is een dik afkookzel van roggemeel[181] en water in het welk zij vischtraan mengen, na dat ze het van het vuur genomen hebben: zij konden daar zo veel van gebruiken, dat ik ’er van ijsde. In het algemeen worden ze voor de grootste eeters gehouden; somtijds, voegt men ’er bij, braaden ze een paard om zich eens degelijk te vergasten, het welk in weinig uuren door een klein aantal van gasten opgebruikt word; al wat de maag of pens van het dier bevat, is voor hun geen versmadelijk beetje. Wie zou gelooven, dat menschen van zulk eenen verslindenden aart op een anderen tijd eene maatigheid bezitten, die ons ondragelijk zou toeschijnen, en dat zij menigmaal genoodzaakt zijn verscheide dagen zonder eeten te weezen?

[181] Bij gebrek van roggemeel neemen zij de schors van jonge pijnboomen, kooken die vervolgens en maaken ze fijn.

[II-218]

1788. Junij Den 12.

Ik wierd vroegtijdig door mijne wegwijzers wakker gemaakt, die mij kwamen zeggen, dat het water des nagts merkelijk gevallen was; terwijl men ons reisgoed oplaadde, zag ik eenige lieden te paard ons naderen, die om dezelfde reden aan de andere zijde waaren opgehouden, zij hadden om aan onzen kant te komen geen het minste gevaar geloopen, en zij stelden ons gerust.

Ontmoeting van eene Caravane Kooplieden.

Dit waaren in verval geraakte Kooplieden, die het geluk gingen beproeven, als gemagtigden van een rijk handelaar, wiens vooruitzichten in den handel de goedkeuring van het hof en al de ondersteuning die hij benoodigt was, hadden verworven; deeze hadden ten oogmerk den handel in pelterijen, voornamelijk in Sabelmarters, in het land der Koriaken of bij de Tchouktchis gevangen; die factooren moesten zich van den mond der rivier Pengina af tot diep landwaards in verspreiden; de reis zou vier of vijf jaaren duuren; zij waaren niet alleen voorneemens om overal bontwerk te koopen, dog daar en boven om zelfs de dieren, die ’er van voorzien zijn, te vangen: en daar zij geen andere beletselen vreesden dan die hen door de Inlanders konden veroorzaakt worden, hadden zij zich van wapenen en kruid en lood voorzien, ten einde in staat te zijn om derzelver aanvallen afteweeren.

[II-219]

Wanneer zij ons verlieten, sloegen zij een blijk van medelijden op onze ellendige paarden, terwijl wij met een benijdend oog de sterkte en welgesteldheid van de hunnen beschouwden. Uit den omtrek van Yakoutsk gekomen, alwaar men wintervoeder opzamelt, vertoonden deeze dieren vlak het tegengestelde van de onzen, welke mij nu door vergelijking nog veel slegter voorkwamen.

Wanneer wij de rivier overgetoogen waaren, vroeg ik aan mijne wegwijzers, of ik nu hoopen kon, dat dit voor de laatste keer zou zijn; „Neen, zeiden zij, voor dat de dag geeindigt is, moeten wij ’er nog drie overtrekken”.

Uit de beschrijving, die zij ’er mij van deeden, maakte ik op, dat dit wederom armen van de Ourak moesten weezen. Wat hier ook van zijn mogt, mijn vrees vernieuwde bij iedere doortogt, het denkbeeld dat een paard aan het waggelen raaken en met mijn kistje kon vallen, deed mij huiverig zijn.

Uitsteekende dienst welke Golikoff mij bewijst.

Uit een digt bosch komende, bevond ik mij aan den oever van een geweldigen waterstroom; deeze nieuwe rivier was van eene ongemeene snelheid, en deszelfs breedte weinig minder dan twee honderd treeden, ze valt hier digte bij in de Ourak. Echter oordeelden wij dezelve waadbaar, en in dat vertrouwen zette ik mijn paard aan om[II-220] ’er in te gaan: omtrent in het midden voelde ik dat zijne beenen waggelden; ik moedigde het beest aan, het hield stand, ging voorwaards, en het water ging mij maar tot aan de knie-ën; stouter geworden zette ik mij weder in het zadel, want het gezicht van den stroom veroorzaakte mij eene geduurige ontroering, en mijn lighaam hing geheel over eene zij; als ik eindelijk bijna aan den kant geraakte, welkers hoogte nieuwe poogingen vereischte, moest ik, om daar op te komen, over een kaaij van ijsschotsen, die ’er aan vast was klouteren; deeze was wel zeer steil, dog ik zou te vergeefsch eenen anderen doortogt gezogt hebben. Ik nam dan mijn besluit, en ik bragt het dier bij deezen gevaarlijken oever. Reeds waaren zijne voorpooten daar op geplaatst, en het deed zijn best om ook de agterpooten daar op vast te klampen, dog op het zelfde oogenblik glijdt hij uit, en valt agter over; wij geraakten van elkander en beide aan het zwemmen; de plaats was diep, de zwaarte mijner kleederen belemmerde de minste beweeging, die ik maakte; door den geweldigen stroom weggesleept, evenals mijn paard, dat digt bij mij zwom, verloor ik ongevoelig mijne krachten; ik geraakte na de t’zamenvloeijing der twee rivieren, wanneer ik mij eensklaps hoorde toeroepen: zoek uw paard te vatten, of het is met u gedaan; deeze stem,[II-221] en het nabijzijnde gevaar versterkten mij; ik werkte met alle magt, strekte de hand uit, en greep den teugel; de Hemel waakte ongetwijffelt over mijne behoudenis, want ter zelfder tijd voelde mijn paard grond en stond stil; een oogenblik laater en wij waaren verlooren geweest: ik hijste mij langs den toom tot aan den hals van het paard, waar aan ik mij sterk vasthield, ik bleef dus als tusschen leeven en dood hangen, vreezende mij te verroeren en met een groot geschreeuw om hulp roepende; mijn getrouwe Golikoff had te vergeefsch getragt mij te volgen, de sterkte van zijn paard had niet aan deszelfs iever beantwoord. Hij was het, die in zijne onverduldigheid mij den heilzaamen dog schrikkelijken raad gegeeven had, van mij aan den toom te houden; zo dra hij ’er het goed gevolg van zag, verdubbelde hij zijne poogingen om den oever te bereiken, daar op te springen, naar mijn paard te loopen, hetzelve buiten het water te trekken en mij het leeven wedertegeeven, dit alles was voor hem het werk van vijf minuuten.

Mijn eerste zorg was, na dat ik mijn verlosser omhelsd had, van de hand in mijn gordel te steeken en daar mijn brievetas uittehaalen. Niettegenstaande dat dezelve in gewast linnen gewonden was, had het water ’er nogtans ingedrongen, en ik beefde over twee brieven van belang,[II-222] die mij bijzonder door den Heer Graaf de la Pérouze waaren aanbevoolen, ik zag met blijdschap, dat dezelve niet zeer nat waaren.

Mijn kistje was aan den anderen kant gebleeven, dog mijne ongerustheid deswegens verdween wel dra door de aankomst van den Heer Allegretti en mijne andere meede reizigers, die het zelve in mijne handen stelden. Zij waaren nog verbleekt en ontstelt over mijn wedervaaren, en beschouwden mijne redding als een wonder. Ik was te nabij aan mijn einde geweest om niet van dezelfde gedagten te zijn.

Wij steegen vervolgens wederom te paard, dog ik moet bekennen, dat bij de nadering van eene rivier het bloed in mijne aderen stolde; ik zond altoos een van mijne wegwijzers voor uit en ik was niet gerust, voor dat hij mij van den overkant een teken gegeeven had.

Wij reisden deezen dag even als alle de voorigen, zedert mijn vertrek van Okotsk, geduurig dwars door de bosschen, alwaar wij den loop der rivieren volgden. In de bosschen zijn de boomen,[182] die langs de wegen staan, klein, dog zo digt en bezet met struiken, dat mijne Yakouters[II-223] verplicht waaren ons een weg met de bijl[183] te baanen, het geen onzen togt nog meer vertraagde, zelfs zo dat wij nooit anders dan stapvoets voortreeden.

[182] Het zijn meest wilgen of elzen boomen; dog wanneer men zich dieper in de bosschen begeeft, vind men daar denne en berkenboomen van eene fraaije hoogte.

[183] Zij bedienen zich tot dat einde van eene breede en lange plaat, aan het einde van een stok van drie voet lang vastgemaakt; dit wapentuig dient hun zo wel voor een lans als voor een bijl.

Aankomst te Ouratskoïplod-bisché. Inwoonders van dit gehugt.

Ik kwam redelijk vroegtijdig te Ouratskoïplodbisché; dit was de eerste bewoonde plaats, die ik zedert de verlaate yourte der schuitevoerders aan den oever van de Ourak aangetroffen had, en ik bleef daar dien geheelen dag uitrusten; deeze rivier loopt ook langs dit gehugt; het getal van deszelfs inwoonders bepaald zich tot vier soldaaten, die ieder een isba bewoonen. Zij zijn belast met de bewaaring van een magazijn, alwaar men de goederen bewaard, die aan de kroon toebehooren, komende van Okotsk of van Yakoutsk. Bij gelegenheid vervoeren zij de goederen tot aan den mond van de Ourak, dog deeze is zodanig belemmerd, dan eens door ondieptens, en dan wederom door watervallen, ook zijn de vaartuigen zo broos, dat de scheepvaart daar niet minder gevaarlijk dan moeijelijk is.

Den 13.

Oorsprong van de Ourak.

In den vroegen morgen voer ik met een schuit deeze rivier over, welke niet wijd van een zeer[II-224] groot meir ontspringt, waar omtrent wij ons dien zelven avond neersloegen; op eene hoogte gelegen, kan het omtrent zes a zeven wersten in den omtrek beslaan; men zegt, dat het zelve zeer vischrijk is.

1788 Junij Den 14.

Gewoonte der Yakouters, wanneer ze een paard op weg laaten leggen.

Ik moet hier van eene gebeurtenis melding maaken, die deezen dag onder mijne Yakouters voorviel, wegens een paard, dat men op den weg moest laaten leggen; zij hielden stil, en beraadslaagden zamen rondom het dier, wat hen te doen stond. Onverduldig om die zamenspraak te zien eindigen, ging ik derwaards om hun mijn misnoegen te betoonen, dog zij kwamen mij voor, verzoekende mijne toegevendheid voor het uitstel dat zij mij veroorzaakten; daar zij verantwoording schuldig zijn van de paarden, welken men hen toevertrouwd, zo hebben zij de gewoonte, wanneer zij, het zij door toeval of door zwaare vermoeidheid ’er eenige verliezen, om die als dan den staart en de ooren aftesnijden, welken zij aan hunne meesters te rug brengen, dewijl zij anders genoodzaakt zijn om ’er de waarde van te betaalen. In dit oogenblik was de vraag, of zij het stervende paard zouden dooden; dit vereischte eenigen tijd, en ik was niet zeer genegen om hun dien toetestaan. Ook antwoorde ik vrij bars, dat ’er een veel eenvoudiger, veel korter, en minder wreed middel was. Ik beloofde hen een[II-225] getuigschrift het welk hun verlies zou inhouden, en in plaats van de gewoonlijke bewijzen voldoen kon, terwijl ik het op mij zou neemen dat zij dezelve niet mêebragten. Zij stemden zonder aarsselen in mijn voorstel, en men zeide mij, dat ik hun verplichting schuldig was voor deeze toegeevendheid.

1788. Junij Den 16.

Ongeval het welk mijn Soldaat Golikoff bejegende.

In de hoop van spoediger te vorderen, belastte ik den ouden Nédarézoff om op ons reisgoed te passen, en ik trok met de Heer Allegretti, Golikoff en een Yakouter voor uit; wij naderden een moeras, deszelfs diepte was omtrent van een voet; de Heer Allegretti en ik reeden daar in, Golikoff volgde ons, houdende mijn kistje op zijn zaal, naauwlijks was hij tien treeden voorwaards, of zijn paard viel voor over, en wierp hem ter zijde; dog meer bezorgt over het geen onder zijne bewaaring was dan wel omtrent zich zelfs, rolde hij over het kistje dat hij zorgvuldig vast hield. Ik stapte aanstonds af om hem te helpen, hij was in de slijk gevallen zonder zich te bezeeren; zijne meeste bevreesdheid was dat mijn kistje nat zoude zijn, en hij kon zich deswegens niet gerust stellen, dan wanneer hij zag dat het van binnen droog was.

Onze paarden waaren zodanig vermoeijd, dat wij genoodzaakt wierden te voet te gaan, en dezelve bij de toom te trekken, terwijl onze Yakouter[II-226] ze van agter heftiglijk voortzweepte; wij reisden dus den geheelen dag, om het half uur stilhoudende ter plaatze alwaar het nieuwe gras zich begon te vertoonen[184], teneinde onze paarden gelegenheid te geeven van zich te kunnen herstellen.

[184] Ik heb reeds van de spoedige groeijing gewag gemaakt, dagelijks wierd deszelfs vordering zichtbaarder; de zo lang ontbloote boomen verkreegen langzaam derzelver bladeren, en welhaast veranderden de velden in een uitgestrekte weide, met bloemen geschakeerd; welk een toneel voor een man wiens oog geduurende zes maanden niet anders dan bevroozene vloeden, en met sneeuw bedekte bergen en vlaktens beschouwd had! ik verbeeldde mij nu met de natuur te herleeven en van onder deszelfs puinhoopen opterijzen.

Komst bij het kruis van Yudoma.

Omtrent ten drie uuren in den namiddag, bereikten wij Yudomokoï-krest, of het kruis van Yudoma[185]. Op eene hoogte, van waar men de overstroomingen deezer rivier kan braveeren, welke deszelfs onstuimig water zeer ver voortstuuwt, ziet men verscheide magazijnen door vier soldaaten bewaard, die derwaards vlugten, wanneer het water derzelver wooningen, welke digter aan de rivier gelegen zijn, bereikt; deeze dienen aan de reizigers ook tot schippers.

[185] Hier staat inderdaad een groot kruis aan den oever van de rivier geplaatst.

[II-227]

Zwaarigheden die ik bij mijne inscheeping ontmoet.

Op het zien der bevelen die ik bij mij had, waaren ze ter mijner hulp bereid. Ongelukkig bevonden zich derzelver schuiten in den aller slegtsten staat. Ook waaren ’er geen werklieden nog gereedschappen om dezelve te herstellen bij der hand: die mij van Okotsk nagezonden moesten worden kwamen nog niet opdagen, en mijne inscheeping[186] ten einde de rivieren Yudoma, Maija en Aldann aftezakken vereischte spoed. Onder deeze soldaaten had ’er maar een die reis gedaan; het was reeds negen jaaren geleden en hij had geheel de weg vergeeten: men raadde mij om mij niet van hem te bedienen, dan wanneer alle de anderen zulks weigerden.

[186] Het water viel dagelijks zichtbaar: een langer uitstel zou mij aan het gevaar der ondieptens blootgesteld hebben, en hoe hadden wij als dan de gedugte waterval vermijd!

Nédarézoff alleen was dus al mijn toevlucht; men had hem mij voor stuurman gegeeven, dog welk een stuurman! twaalf jaaren waaren ’er verloopen, zedert dat hij eenmaal die rivier was opgevaaren, en de eenigste zaak waar van hij geheugen droeg, bestond hierin dat hij drie jaar op den togt van Yakoutsk tot Okotsk toegebragt had; als toen geleidde hij een aanzienlijk convooij[II-228] van bouwstoffen, ankers, touwwerk en meer andere zaaken, tot eene uitrusting dienende.

Verbeteringen aan een schuit gemaakt om meede te vertrekken.

Van de vier schuiten die aan den oever lagen, nam ik de beste en de enigste[187]; in evenredigheid van twaalf voet lengte op de helft breedte; dezelve nader beschouwende, bemerkte ik dat het gestopt, geteerd en van vooren met een boord meerder bezet moest worden, ten einde meer tegenstands aan het bruisschen der golven te kunnen bieden. Een der Soldaaten die een weinig van het timmermans ambacht verstond, was het gelukt om met twee planken en met spijkers uit een oude schuit getrokken dit boord te maaken en vasttehegten, dog om het zelve verder te herstellen ontbrak ons alles; de nagt overviel ons, zoekende allerwegen in de magazijnen om iets te vinden, dat in de plaats van hennip en teer kon dienen; alle onze naspooringen waaren te vergeefsch, en tot aan den volgenden morgen kwelde ik mij onophoudelijk om eenig hulpmiddel uittedenken.

[187] Deeze schuiten zijn plat en eindigen aan beide de uiterstens puntig.

Met het aanbreeken van den dag, mijne arbeiders gaande bezoeken, trad ik op een oud dik touw aan den oever geworpen; verheugd over[II-229] deeze vond, bragt ik het zelve aan mijne Soldaaten, op het oogenblik was het doorgesneeden, en ontvlogten, ik bekwam vlas, en ziet daar ons bezig om de drie voornaamste boorden te calfateren; het moeijelijkste was om het werk te doen kleeven en vasttehegten; mijne werklieden sloegen mij voor van deeze reeten met latwerk te stoppen; wanneer wij die vast wilden maaken, ontdekten zich nieuwe zwaarigheden, zij hadden geen yzere haaken nog spijkers, dog de behoefte wekt de schranderheid op. Aan iedere kant van deeze naaden maakten wij gaaten met een boor, het welk ons eenigste gereedschap was; zeer dunne ledere riemen welken ik onder mijn reisgoed vond, wierden door deeze gaaten doorgehaald, en vervolgens met kleine pinnen gestopt, waar door wij deeze latten geslooten kreegen en ons vaartuig ondoordringbaar voor het water maakten; des namiddags ten drie uuren was onzen arbeid volbragt, het roer op zijn plaats en de riemen in gereedheid; ik beval mijn volk om zich tegens den anderen dag reisvaardig te houden.

1788. Junij Den 18.

De Heer Allegretti keert naar Okotsk te rug.

Op het oogenblik van ons vertrek, zagen wij een Caravaane van Yakoutsksche Kooplieden opdaagen; zij gingen naar Okotsk, en ik raadde de Heer Allegretti om van derzelver gezelschap gebruik te maaken. Wij scheidden ten negen uuren;[II-230] de dienstbewijzen en de betuigingen van genegenheid, welke ik van dien achtingswaardigen heelmeester ontfangen had, vertoonden zich op het oogenblik van ons laatste vaarwel allen te gelijk voor mijnen geest en aan mijn hart.

Overtogt van de waterval.

Twee Soldaaten had ik voor roeijers genomen, en daar onder die geen welke eertijds deeze reis gedaan had. Nédarézoff was aan het roer; Golikoff en ik moesten hem vervangen, wanneer hij te zeer vermoeid wierd; de snelheid van de stroom voerde ons met eene zodanige spoed voort, dat wij niet behoefden te roeijen; volgens den weg dien wij afleiden, twijffelden mijne twee Soldaaten niet, of wij zouden voor het einde van den dag nog aan de vermaarde waterval komen, die omtrent ruim tagtig wersten van de plaats van ons vertrek afgelegen was; derzelver gesprekken liepen alleen over de gevaaren die ons daar wagtende waaren; daar ik hunne onervaarendheid uit deeze redeneeringen, door de vrees opgegeeven, kon bemerken, besloot ik zelfs daar van de proef te neemen; ik meende alle voorzigtigheid te moeten gebruiken, ten einde mij niets te verwijten te hebben. Ik liet mij dikwils aan land zetten en ik ging langs den oever voor uit, om te ontdekken tot hoe ver wij zonder vrees vaaren konden; tegens den avond verhief zich een west-noord-weste wind die ons regen aanbragt.[II-231] Ik wilde liever stil houden dan ons aan een zo slegt wêer blootstellen, en ik liet mijne tent op de schuit opslaan.

1788. Junij Den 19.

Na vier uuren vaarens, telkens afgebrooken door het aan de wal gaan, ten einde te ontdekken of wij de waterval naderden, kreegen wij dezelve eindelijk in het gezicht; verzeld van mijne twee stuurlieden, ging ik aanstonds de plaats in oogenschijn neemen. Niet ver van daar wierd ik een klein steenachtig eiland gewaar, het geen men niet ontdekt voor dat het water begint afteloopen; mijne Soldaaten raadden mij het canaal in te vaaren het geen wij aan onze rechterhand zouden vinden; hoe zeer deszelfs loop zeer snel was, verzekerden zij mij echter dat deeze bijna geene beweeging had, in vergelijking van de waterval; ons bleef dus maar overig te weeten of het water hoog genoeg was. Deeze onderrichting overwoog ik van alle kanten, en alle mijne beschouwingen mij van deszelfs nuttigheid overtuigd hebbende, ging ik weder op het vaartuig met het vaste voorneemen om ’er gebruik van te maaken. Ik moedigde zo veel ik kon mijn volk aan, en plaatste mij vervolgens aan het roer; Nédarézoff bleef bij mij; Golikoff plaatste zich zodanig dat hij een der roeijers helpen kon, want wij hadden niet meer dan twee riemen. Wij vorderden dus, met opgeheeven roeijspaanen, tot[II-232] daar de twee stroomen zich ontmoeten, waar van den een naar het canaal loopt en den ander zich in de waterval verliest. De onstuimigheid van deeze zou ons in den draaikolk weggesleept hebben, indien de juistheid en de poogingen mijner roeijers zulks niet belet hadden; naauwlettend op het gegeeven teken, zetten hunne gespierde armen de roeispaan kracht bij, en worstelen tegens de golven; deeze verheffen zich en bruisschen; de geweldige schokken welken die aan het vaartuig toebrengen, mijne geduurige aanmoedigingen, en boven dat alles, de vrees van om te komen, verdubbelde den iever mijner Soldaaten; eindelijk geraakten wij uit de gevaarlijke stroom en roeijden het canaal in. Hoe bedaart scheen ons deszelfs water na deezen verschrikkelijken doortogt! Om mijn volk wat uit te laaten rusten, gaf ik mij geheel over aan het bespiegelen van den zagten afloop: het roer alleen was genoegzaam om het vaartuig te bestieren.

Zo dra wij aan den voet van de waterval waaren, deed mij de nieuwsgierigheid agterwaards zien. Op deszelfs ijsselijk gezicht, beefde ik; en dankte den hemel van mij een andere weg te hebben aangeweezen. Van de tien vaartuigen die verplicht zijn deeze te volgen, kan men rekenen dat ’er negen schipbreuk moeten lijden; dat dan de leezer oordeele.

[II-233]

Wat zal ’er van dat brooze schuitje worden, het welk, het gevaar tartende, zich door den vloed laat meesleepen? In deszelfs overhaastende val, zie ik het de speelbal der watergolven worden, die den een op den ander volgen, en die met een sterk geluid van de hoogte van twintig voeten, op drie verbaazende rotzen neervallen, welken zij met schuim bedekken. Hoe zal het zelve, zonder een wonderwerk, niet verzwolgen worden? Hoe ontgaat het de verbrijzeling tegens deeze dreigende klippen, langs welken het moet heenvaaren? En echter, wanneer het Canaal door gebrek aan water onbevaarbaar is, word dit de eenigste weg die men neemen kan. Mijne geleiders verhaalden mij dat voor en aleer men ’er zich op waagt, men altoos de schuiten ontlaad, en dat daarin de voorzorg en wetenschap der stuurlieden bestaat; deeze watervallen worden Porog genaamt.

Wij moesten nog eene plaats doorvaaren dewelke mijn volk ongerust maakte; deeze noemen zij Podporojenei, het laagste of de zuiging van de waterval, die van deeze, eene werst afgelegen is. Zij hadden naauwlijks hun gesprek deswegens geeindigd, of wij bevonden ons reeds daar: ik had naauwlijks de tijd om hen te beduiden wat ik noodig oordeelde dat in het werk gesteld moest worden; de zaak was dat wij de[II-234] diepste zijde koozen, de zwartheid van het water scheen mij die aan te wijzen, en ik stuurde derwaards, de bruissching en de zwaare golven, deed ons meer slingeren en op en neer gaan dan in volle zee: dog eensklaps wierd ons schuitje gelijks het water, tegens een rots gesmeeten die niemand onzer ontdekt had; door de geweldige schok vielen wij om ver: mijne makkers meenden verlooren te zijn en durfden zich niet oprichten; ik schreeuwde te vergeefs dat zij roeijen zouden, dan niemand gaf daar acht op. Ik vatte het roer wederom aan, en ziende dat ’er niets gebrooken was, stelde ik hen gerust, en ik bragt het zo ver dat ze derzelver plaatsen hernamen; wij waaren onze bevrijding aan het mos verschuldigt waar meede deeze rots bedekt was; zij bewaarde ons schuitje, dat ’er van terzijde tegenkwam en daar over heen gleed, zonder eenigzints beschadigt te zijn.

Om dit te vermijden moet men juist door het midden van de rivier vaaren, en niet bekommert weezen over de golven, die zich daar verheffen en tegen de rotsen schijnen te verbrijzelen; de doortogt is omtrent van honderd vijftig toises of halve roeden; beneden deeze Podporejenei stroomt eene andere rivier; deszelfs klaar en stil water, naast de beroering en de drabbigheid van de Yudoma, veroorzaakt eene zo merkbaare tegenstrijdigheid,[II-235] dat het oog een geruimen tijd de eene van de andere kan onderscheiden.

Arm van de Yudoma, die de DUIVELS-ARM genaamt word.

Aan de linker kant van deeze laatste, ziet men nog een arm die niet minder geducht is. Ook heeft men die de naam van Fschortofskoi-protok, of duivels arm gegeeven, hij loopt in het bed van de Yudoma, dertig wersten van de mond van deeze in de Maya. Men herkent dien arm aan het aantal doode boomen en rotzen die deszelfs inkomen opstoppen; een zeer snel vlietende stroom sleept u daar in om ’er nimmer weer uittekomen, indien men de voorzigtigheid niet gebruikt om altoos langs de regter hand te houden.

Den 20.

Ik meende een beer te dooden die langs den oever wandelde, ik deed een snaphaanschot op hem met hartenhagel; niettegenstaande zijne kwetsuur, vlugtte hij boschwaards en ik verloor hem uit het oog. Een oogenblik daar na, miste mij een schoon rendier dat vijftien treeden van ons wegvlood, uit hoofde dat mijn snaphaan nog niet weder gelaaden was. Ik zag ook verscheiden argalis, ooijevaars, ganzen, en een vos, dog ik kon ’er geen van bereiken.

Dien dag zag ik voor de eerstemaal zedert mijn vertrek van Yudomokoï-krest, een pijnboomen bosch; daar entegen waaren de dennen bosschen die zich links en regts aan mijn oog vertoond[II-236] hadden, ontelbaar; het is de laatstgemelde boom[188] welk de masten en ander scheepshout voor alle de werven die op deeze kust gevonden worden oplevert.

[188] Deeze word hier te land LISTUENISCHNOYÉ-DÉREVO genaamt.

1788. Junij Den 21.

Bij mij ontdekte zich eene ongesteldheid door een aanval van koorts, dog ik sloeg daar weinig acht op; alleen bleef ik in mijn schuit slaapen, en mijn leefregel bepaalde zich tot het drinken van koud water. Ik hield des nagts niet meer stil, dewijl onze vaart zeer gemaklijk was geworden.

Snelheid en rigting van de Yudoma.

Hoewel men het mij verzekerd heeft, heb ik nogtans moeite om te gelooven dat de Ourak snelder afloopt dan de Yudoma. Wij reisden op deeze tien, twaalf en somtijds twintig wersten in een uur; haare meest gewoonlijke richting scheen mij westelyk te zijn; aan deszelfs mond vormt zij een groot aantal kleine eilandjes.

1788. Junij Den 22.

Wij komen in de Maija.

Des morgens ten twee uuren geraakte ik in de Maya, neemende den weg ten naasten bij noordwaards en somtijds een weinig naar het oosten; de oevers van deeze rivier zijn minder steil, en minder dor dan langs de voorige; bij tusschenpoozen echter ontdekt men daar bergen en zelfs rotzen: het onderscheid tusschen de beide stroomen[II-237] wierden wij echter veel meer gewaar, dewijl wij maar vier wersten in een uur konden afleggen.

Ontmoeting van negen vaartuigen.

Omtrent op het midden van den dag, zagen wij negen vaartuigen ons te gemoet komen, beladen met allerleie voorraad voor den togt van de Heer Billings; zij voeren, door menschen getrokken, de rivieren op, welken wij afzakten; ik kon ze niet naderen; dog ik vernam dat de Officier die ze naar Okotsk geleidde, de Heer Behring was, de Zoon van dien zeeman, aan wien Rusland zo veele gewigtige ontdekkingen op de noordwest kust van Amerika verschuldigt is: hij dagt, zeide men mij, omtrent een en een halve maand bezig te zullen zijn om den togt te doen die ik in vier dagen had afgelegd.

1788. Junij Den 23.

De muggen waaren ons tot eene onverdragelijke last; wij konden ze niet afweeren dan met de rook van verrot hout; wij gebruikten de voorzorg om het vuur dag en nagt aan den gang te houden.

Uitwatering van de Maya in de Aldann.

In den agtermiddag, verliet ik de rivier Maya, om in eene andere die veel breeder en snelder was te komen, genaamt de Aldann[189]: dog ik voer dezelve alleen over om eene wooning te bereiken[II-238] aan de overkant gelegen, regt tegens de mond van de Maya over[190].

[189] Zij valt op eenigen afstand en ten noorden van Yakoutsk in de Léna.

[190] Deeze plaats word Oust-mayar pristann genaamt, of de haven van de mond van de Maya.

Bijzonder toeval dat mij paarden verschaft.

Daar vond ik zee-soldaaten voor den togt van de Heer Billings geschikt, die mij voorsloegen om van verscheide transport paarden onlangs aangekomen gebruik te maaken, en welken in het terugkeeren, mij tot Amgui konden brengen; volgens mijn reis-maat, moest ik mij te scheep naar Belskaïa-Péréprava begeeven, alwaar de gewoonlijke weg van Okotsk naar Yakoutsk langs loopt; dog de weg over Amgui neemende, zou ik aanmerkelijk winnen; hier van verzekerd zijnde, en het gelukkig geval het welk mij goede paarden verschafte, deed mij van mijn ontwerp afzien.

Ik betaalde mijne geleiders[191], die order hadden om hunne schuit te Belskaïa-Péréprava agter te laaten, namelijk, nog honderd vijftig wersten verder, en die bij gevolg voortgingen met de Aldann aftezakken. Zij waaren nog geen werst ver, of het deed mij reeds leed dat ik ze afgedankt had; de Yakouters aan wien deeze paarden toebehoorden, en die bevreest waaren van[II-239] ze te veel te zullen vermoeijen, hadden met ongenoegen vernomen dat ik ’er mij van dagt te bedienen; daar zij dit niet opentlijk durfden laaten blijken, poogden zij de vlucht te neemen; men zogt hen optespooren, en door veele beloften, bragt men ze terug. Om zich van dezelve te verzekeren, moest men ze allen in een isba opsluiten, waar uit men ze den volgenden morgen niet liet komen, dan onder voorwaarde dat ze mij tot Amgui zouden brengen; intusschen had men de voorzorg gebruikt om tien van de beste paarden tot mijn gebruik uittekiezen.

[191] In de vijf dagen dat ik scheep geweest was, had ik bijna zeven honderd wersten afgelegt.

1788. Junij Den 24.

Vertrek van Oustmaya-pristann.

Na wel geslaapen te hebben, het geen mij geheel herstelde van mijne ligte onpaslijkheid, stapte ik vrolijk te paard, gevolgt van deeze Yakouters die door Golikoff aangesproken en gedweë-er gemaakt waaren. Ik was over derzelver vergenoegtheid verwondert, zij zongen de geheele weg over.

Yakoutsche zangen.

Derzelver zangkunst is niet zeer aangenaam, deeze bestaat in een geduurige en eentoonige trammelant die ze uit de keel voortbrengen; zij zijn daar en boven zeer vaardig om iets voor de vuist optestellen; de woorden kosten hun geen moeite nog overleg; zij vinden stof in alles wat hen omringt of wat ze denken. Laat een vogel aan haar zij opvliegen, en ziet daar reden genoeg om een uur over te zingen; dit is geen uitwerkzel[II-240] van derzelver levendige verbeelding, want het gezang zal tot aan het einde toe zich bepaalen om te herhaalen, dat ’er een vogel zo weggevloogen is.

Bijzonderheden van mijne reis tot aan Amgui.

Meer dan honderd wersten lang, reeden wij door een losse moerassigen grond, waar onze paarden zodanig inzakten dat wij genoodzaakt waaren van aftestijgen om ze ’er uittehelpen; het overige van de weg was minder slegt. In het midden van een groot bosch, zag ik op den oever van een meir, twee visschers bezig om derzelver voorraad voor de winter te vangen; zij hadden geen ander verblijf dan een afdak van boomschors: op het einde van de zomer, gaan zij bij derzelver ouders een zekerder en warmer schuilplaats zoeken.

Den 25.

Wij hadden regen in overvloed, dog vooral van des namiddags ten vier, tot des avonds ten agt uuren wanneer ik stil hield: om ’er van bevrijd te weezen, plaatsten mijne Yakouters op derzelver schouders een beerenvel op de wijze van een kraag; door een paardestaart vastgemaakt aan een dikke zweepstok, bevrijden ze zich van de muggen; wij wierden ’er zodanig van geplaagt, dat ik niet lang wachtte om tot derzelver muggejagt toevlucht te neemen.

1788. Junij. Den 26.

Deeze dag leverde niets bijzonders op; des avonds bereikte ik den oever van de rivier Amga,[II-241] twee honderd wersten van de haven aan de mond der Maya. Deszelfs diepte benam ons de lust om dezelve door te waaden, echter waaren alle de schuiten aan de overkant; te vergeefs riepen wij dat men ons zou komen afhaalen. Een mijner geleiders, onverduldig dat hij niemand zag opdagen, ontdeed zich van zijne kleederen, en zwom over om een schuit te gaan haalen; de overtogt van onze caravaane duurde een uur; wij steegen dadelijk weer te paard om de wooning van een Yakoutsche Prins te bereiken, die Girkoff genaamd was. Onder weg, vond ik verscheide Yourtes, dog allen ten minsten een uur van den anderen gelegen; wanneer wij eenige treden van die van Knesetsk of van den Prins af waaren, reed mijn Soldaat Golikoff voor uit, om hem te beduiden, dat hij mij wel ontfangen moest.

Onthaal het geen mij een Yakoutsche Prins aandoet.

Hij onthaalde mij in der daad zeer vriendelijk; niet alleen bood hij mij zijn yourte, melk en zeer smakelijke boter aan, dog daar en boven beloofde hij mij, dat zijne beste paarden[192] den volgenden[II-242] dag tot mijnen dienst waaren; weetende dat ik rust noodig had, wees hij mij het afgeschoote huisje aan, dat hij voor mij geschikt had, en terwijl men het zelve gereed maakte, had hij de beleeftheid mij zijne geheele wooning, een der fraayste in dit soort, te laaten zien.

[192] Behalven zijn ander vee, bezat dien Prins een stoeterij van twee duizend paarden die in een goeden staat waaren, hij had ’er een groot aantal verlooren bij de bevoolen overbrenging der goederen voor den togt van de Heer Billings; de manier waar op hij mij onderhield over zijne onderwerping aan de wil van zijne souvereine, deed mij besluiten, dat hem geene opofferingen tot betooning van zijnen iever te zwaar vielen.

Beschrijving van eene Yakoutsche yourte.

De grootte van deeze huizen verschilt, naar maate dat den eigenaar meer of minder rijk, of zijn gezin meer of min talrijk is. Overeind geplaatste balken den een naast den ander, en bedekt met klei-aarde, vormen deszelfs muuren, die niet rechtstandig even als de onze opgaan; bovenwaards digter aan elkander staande, onderstutten ze een dak, welkers afhelling niet zeer steil is; in eenige yourtes, word het door paalen ondersteund; eene deur geeft alleen toegang naar binnen, het welk in twee-en afgedeeld is, gelijk ik reeds gezegt heb; het eindelijkste gedeelte word door de menschen bewoond, die zich daar in afdeelingen begeeven, welken op gelijken afstand naast de muuren verdeeld zijn; het zijn hutten, die ik niet beter kan vergelijken als met de kleine vertrekjes der dekofficieren op de Hollandsche scheepen; ieder paar heeft het zijne; aan de andere kant van de muur hebben de beesten,[II-243] de koeijen, de kalveren derzelver verblijf; dit alles maakt maar eene stal uit. In het midden van het gebouw is de schoorsteen geplaatst, zijnde van eene ronde gedaante en van hout gemaakt; men bezorgd die om ongelukken voortekomen, met een dik pleister van leemaarde; om het vuur te ontsteeken, word het hout regt over eind in de schoorsteen geplaatst; aan iedere uitspringenden hoek, maakt men een lange stok vast, waar uit een ander op dezelve hoogte voortkomt, dienende om de keetel aan te hangen, en ziet daar de haal en de hengel in gereedheid; het is gemaklijk om die te vermenigvuldigen, indien men meer dan eene pot behoeft heet te maaken.

Drank genaamd Koumouiss.

In een hoek van de yourte staat een leere tobbe geplaatst; alle dagen doet men daar paardemelk in, die men met een stok, even als met een karnstok, omroert. Een ieder die binnen komt, voor al de vrouwen, verzuimen nooit, voor dat men zich aan ander werk begeeft, om die melk geduurende eenige minuuten te karnen; dit leevert dien zuurachtigen en nogtans aangenaamen drank op, welke men Koumouiss noemt; wil men dezelve nog meerder doen gisten, als dan word ze een der koppigste dranken.

Mijn gastheer sprak het Russisch tamelijk[II-244] wel[193]; ik maakte daar gebruik van om van hem eenig onderricht over de gewoontens, de zeden en de Godsdienst van zijne landsgenooten te bekomen. Ik zal het zelve, beneevens de aantekeningen die mij reeds over deeze onderwerpen bezorgt waaren, hier laaten volgen.

[193] Ik heb verscheide van die Opperhoofden ontmoet, welke deeze taal zo eigen was als derzelver landtaal.

Gewoontens, Godsdienst, en zeden der Yakouters.

In het begin van de zomer, verlaaten zy hunne winterwoonigen, en begeven zich met derzelver gezin en eenige paarden, landwaards om de inzameling van het voeder voor het onguure jaargety te doen. Het is altoos op eene aanmerkelijke afstand van derzelver yourte, en in de vrugtbaarste streeken, dat zij deezen voorraad gaan zoeken. Geduurende dit verlaaten van derzelver wooning, laaten zij hunne paarden onder de bewaaring van derzelver knechten, en de omgelegen weilanden zijn voldoende om alle hunne kudden te voeden.

Het jammerde mij zeer, dat ik hun maijfeest niet heb kunnen bijwoonen, het welk zij uit blijdschap over de terugkomst van de lente vieren. Zij verzamelen zich als dan in het open veld, brengen sterk gegiste Koumouiss derwaards, braaden[II-245] ossen en paarden, eeten en drinken tot zat wordens toe, zingen, danssen en eindigen dit alles met toveryen; derzelver chamans bestieren deeze feesten, en verkondigen daar hunne buitenspoorige voorzeggingen.

Deeze waarzeggers zijn hier vrijer en meer geëerbiedigt dan in Kamschatka; verklaarders van den wil der Goden, verleenen zij hunne bemiddeling aan den onweetende Yakouter, die hem al beevende smeekt, dog die hem voor al betaalt. Ik heb sommigen dier misleiden hun schoonste paard zien geeven om een chaman naar zijn dorp te brengen. Niets is afgrijselijker dan de toverdiensten van deeze bedriegers: ik kende die nog maar alleen bij overlevering, en ik was begeerig om dezelve bijtewoonen. Ik was getroffen over de getrouwheid van het verhaal het welk men mij deswegens gedaan had: dog daar ik het met eene gelijke naauwkeurigheid opgegeeven heb, kan ik niet anders dan den leezer derwaards verwijzen[194]. Ik zal mij dus vergenoegen met hun een afbeeldzel van den Chaman die zich hier aan mij vertoonde, te geeven.

[194] Ziet het eerste deel, pag. 156.

Omhangen met een kleed, het welk van bellen en yzere plaaten voorzien was, welkers geluid het hoofd duizelig maakte, daar en boven sloeg[II-246] hij op zijn bouben of trommel, met een geweld dat geschikt was om vrees aantejaagen; vervolgens als een dwaas ginds en herwaards met de mond open loopende, beweegde hij het hoofd in allerleie bogten, zijne loshangende hairen bedekten hem het aangezicht, van onder zijne lange zwarte maanen[195] hoorde men een wezentlijk gebrul, het welk door geschrei en een geschater van lagchen gevolgt wierd, zijnde dit de gewoonlijke Voorbereidzelen tot de openbaaringen.

[195] Onder de Yakouters, die het hair allen kort draagen, is het gemaklijk de Chamans te kennen die ze laaten groeijen, en ze gewoonlijk agter het hoofd vast knoopen.

In de afgoderij der Yakouters, hervind men alle de dromerijen, alle de bijgeloovige gebruiken der oude Kamschatters, der Koriaken, Tchouktchis en andere volkeren van deeze streeken; zij bezitten echter uitgebreider grondbeginzelen, en dwars door de belagchelijkste verdigtselen heen, waar meede zij zich voeden, ontwikkelen zich vrij scherpzinnige denkbeelden over het Opperweezen, over de wonderwerken, en de toekomstige belooningen en straffen.

Voornamelijk was ik verwonderd over de levendigheid en eigenzinnigheid van hunnen geest; zij scheppen behaagen in het verhaalen van fabelen, getrokken uit derzelver belagchelijke verdigtsel[II-247] geschiedenis (mythologia), welken zij met de stelligste ligtgeloovigheid aan anderen meededeelen. Wanneer men die met de onzen vergelijkt, vind men zo veel reden niet meer, om onze vroegere en hedendaagsche schrijvers te bewonderen, dewijl men dit vak door diergelijke meededingers ziet behandelen; hier volgen twee van die fabelen, welke Golikoff mij spreekwijs voor spreekwijs vertolkte.

Het gebeurde eens, dat ’er in een groot meir een hevige twist ontstond tusschen de verscheiden soorten van visschen; het verschil was over het oprichten van een opperste rechtbank, dewelke het geheele visschen heir moest bestieren; de haringen, en de kleine visschen begeerden een gelijk recht als de salm, om daar in toegelaaten te worden. Van woorden tot woorden geraakten de hoofden verhit, men kwam zo ver om zich met kracht te vereenigen tegen die groote visschen, die de zwaksten beledigden en hinderlijk waaren, hier uit ontstonden inlandsche en bloedige oorlogen, dewelken door de vernieling van een der twee partijen eindigden, de overwonnelingen die de dood ontsnapt waaren, namen de vlucht naar enge waters, en lieten de groote visschen, welken de overwinning behaald hadden, alleen meester van het meir. Ziet daar de wet van den sterksten.

De andere fabel gelijkt meer na de verhaalen[II-248] van onze oude wijven, die de schrik der kinderen en het vermaak der bejaarden in onze (fransche) dorpen zijn. Ik ben niet vreemd van te gelooven, dat deeze het werk van den een of anderen Chaman is.

Een Yakouter had zich oneerbiedig tegens zijn Chaman gedraagen of hem beledigt. Om deeze te wreeken, veranderde de duivel zich in eene koei, en zich gemengd hebbende onder de kudde van den schuldigen, terwijl die langs een bosch ging graazen, wist hij de beste vaerzen daar van te ontvoeren; wanneer den herder des avonds terug kwam, joeg zijn verbolgen meester hem onbarmhartig weg, hem beschuldigende van door zijne zorgeloosheid, de oorzaak van dat verlies te zijn. Op dit oogenblik vertoond zich de duivel in een herders gewaad; men neemt hem aan, en den volgenden morgen brengt hij de koeijen naar de velden. Een, twee dagen loopen voorbij, en de Yakouter ziet zijne kudde niet opdagen. In de uiterste ongerustheid, vertrekt hij met zijne vrouw, zoekt ginds en derwaards, ontdekt dezelve eindelijk, dog in welk eene verwarring! Op zijne aannadering, gaan de koeijen aan het loopen, en op het geluid der fluit van den trouwloozen herder ook aan het danssen[196]; de meester raast, en schreeuwt.[II-249] „Houd stil, roept de duivel hem toe, het staat u wel om my te verwijten dat ik gestoolen heb, gij die misbruik maakte van het vertrouwen van den allerachtingswaardigsten Chaman; laat dit gebeurde u ter leering verstrekken. Geeft ieder het geen hem toekomt”. Op deeze woorden, verdween de kudde en den herder, en den armen Yakouter verloor al zijn goed.

[196] Het instrument dat ik hier met de naam van fluit bestempel, is een uitgehold been het geen ten naasten bij als onze pijpfluiten bewerkt is, de toonen welken de Yakouters daar uit haalen, zijn niet minder scherp.

Zedert dien tijd, wierd de plaats waar dit gebeurde, voor het verblijf der helsche geesten gehouden; de ongeloovigen mogten zeggen, dat, volgens alle waarschijnlijkheid, den beroovenden duivel niemand anders dan de chaman zelfs was; de eenvoudigheid der weltevreedene Yakouters kon deeze verdenking niet verdraagen, welke zij voor een gruwelijke lastering hielden.

Men had mij meenigmaal in de bosschen, overblijfzelen van oude Yakoutsche graven, getoond; dit waaren zeer plompgemaakte en aan de takken van de boomen opgehangen doodkisten; mij is onbekend, waarom zij van het gebruik afgezien hebben om dus hunne dooden aan de open lucht, en ver van derzelver wooningen, bloottestellen;[II-250] tegenswoordig begraven zij die op de wijze der Christenen.

De lijkplechtigheden geschieden met een soort van praal, die min of meer prachtig is naar maate van het aanzien en den rijkdom van den overleedene. Indien het een Prins is, bekleed men hem met zijne rijkste kleederen en beste wapenen; het lijk in de doodkist gelegd, word door de vrienden, tot aan den rand van het graf gedraagen; een luidrugtig geklag kondigt deeze naargeestige trein aan; het begunstigste paard van den Prins, en het beste uit de stoeterij, beiden rijk opgezadeld, en door een knegt of den een of ander naastbestaande geleid, gaan ter zijde van de kist; aan de begraafplaats gekomen, worden ze aan twee paalen[197] bij het graf gesteld, vastgemaakt; terwijl men derzelver meester in de aarde zet, worden ze op zijn lighaam gedood, en deeze bloedige offerhande is een eerbewijs, verschuldigd aan zijne genegenheid voor deeze dieren, die gehouden worden dat ze hem in de andere waereld zullen volgen, alwaar men hoopt dat hij ’er nog genot van zal hebben. Echter[II-251] brengt men die ter dood, het vel en het hoofd dat aan elkander blijft, word digt bij het graf in eene horisontaale richting aan boomtakken vast gemaakt, en ziet daar het praalgraf; vervolgens ontsteekt men een houtmijt, en de laatste vriendschapsblijk voor den overledene bestaat daar in, dat men zijne twee geliefde paarden aldaar braad en op eet; deeze maaltijd geeindigt zijnde, gaat ieder zijns weegs. De zelfde plechtigheid word ook omtrent een vrouw in acht genomen: in plaats van een paard, slagt men de koei, waar van zij het meeste werk pleegde te maaken.

[197] Deeze paalen ontbloot van deszelfs schors, zijn of met verscheide couleuren geverwt, of met wonderlijke figuuren vercierd.

De Yakouters zijn sterk en over het algemeen groot, het geheel van derzelver gelaatstrekken heeft eenige overeenkomst met de gedaante der tartaaren; men zegt zelfs dat de beide taalen veel overeenkomst hebben; al wat ik daar van zeggen kan, is, dat de Yakouters zeer afgebrooken spreeken, en dat ze hunne woorden niet zamenbinden.

Derzelver kleeding is eenvoudig en ten naasten bij zomers en des winters hetzelfde; het eenigste onderscheid bestaat daar in, dat dezelve in het laatste jaargetij, met pelterijen gevoerd zijn. Over het hemd, draagen zij gewoonlijk een groot overgeslaagen vest met mouwen; derzelver broek gaat maar ter halver weg van de deijen; dog lange[II-252] laarzen sarri genaamt gaan hun tot boven de knie-en. Wanneer het warm is, houden ze niets van dit alles dan de broek aan.

Zij verbeelden zich beter dan eenig ander volk van de waereld te paard te rijden, hunne verwaandheid ten deezen opzichte gaat zo ver, dat ze met versmading vermijden, om aan wat reiziger ook als te vrolijke paarden[198] te geeven.

[198] Wanneer ik van hunne zadels sprak, had ik ’er moeten bijvoegen dat de stijgbeugels daar van zeer kort zijn.

De veelwijverije behoort bij dit volk tot derzelver staatkundige grondbeginzels; genoodzaakt om menigvuldige reizen te doen, bezitten zij vrouwen op alle plaatsen waar zij stil houden, en nooit brengen zij die bij elkander; des niettegenstaande zijn ze uitermaaten jaloursch, en gezwooren vijanden van ieder die de rechten der gastvrijheid wilde schenden.

1788. Junij Den 27.

Vertrek van Amgui.

Door de goede voorzorg van de Prins Girkoff, vond ik bij mijn ontwaaken negen fraaije paarden alle gezadeld[199]; hij begeerde dat ik zijn geliefkoost paard beklom, het welk volmaakt de tel gang ging; overlaaden van zijne vriendelijkheden, verliet ik hem vroegtijdig, in de troostrijke[II-253] hoop van meermaalen woonplaatzen te zullen aantreffen, alwaar ik van paarden zou kunnen verwisselen, en somtijds mijne nagtrust neemen.

[199] Voor drie paarden betaalt men hier zo veel, als voor één in Siberien.

Afbeeldzel van eene kwaad doende Godheid.

Eenige treeden van deeze yourte die Amguinskoi-stanovie of rustplaats van Amgui genaamd, word, zag ik op de weg eene houte afbeelding van een vogel, zo groot als een endvogel of water-raave; dit is de zinnebeeldige gedaante van eene kwaad verwekkende Godheid, de schrik van dit gewest; men vertelt ten zijnen opzichte de zotste verhaalen, men geeft onder anderen voor, dat deeze booze geest somtijds de reizigers heeft doen verdwaalen, en derzelver paarden verslonden.

Ik stapte des avonds af, bij eene andere Yakoutsche Prins[200] die zedert kort zijne zomerwooning betrokken had, dewelke mij even zo zindelijk als aangenaam voorkwam: ziet hier de beschrijving van deeze ourassis; dit is de naam welke men aan deeze schilderachtige wooningen geeft.

[200] Ik zou telkens het zelfde moeten herhaalen, indien ik verslag wilde doen van het goed onthaal, dat ik bij alle deeze Yakoutsche Prinsen genoot.

Zomerwooningen der Yakouters.

Even als de yourtes der zwervende Koriaken, zijn deeze rond, ruim en met een minder aantal stokken zamengesteld, dog op dezelfde wijs[II-254] geplaatst, en rondom onderstut door dunne boogsgewijze dwarsbalkjes; het geheel is met berkenschors overdekt[201]; van boven naar beneden met banden van agttien duim breed vastgehegt; de randen deezer banden zijn kleine gemaakte zelfkanten, van deeze schors festonsgewijs uitgesneeden; men behangt de wooning van binnen in dezelfde smaak; de eigenaar schikt de tekening daar van na zijn zin; waar in gewoonlijk eene mengeling van coleuren heerscht, die niet onbevallig is; deezen opschik verciert ook de huisjes of hutten en de bedden van de hoofden der huisgezinnen; de dienstboden slaapen op vellen of matten op den grond; het vuur word in het midden van het huis aangelegd.

[201] In de lente ontdoed men deezen boom van deszelfs schors.

Den 28.

Ik kwam aan de rivier Sola die ik geduurende een geruimen tijd langs reed; de hette hinderde mij niet minder dan de muggen, en ik was zo dorstig, dat ik aan iedere yourte stil hield om Koumouiss te vraagen.

1788. Junij Den 29.

Komst te Yarmangui.

In den morgen bereikte ik, na dat ik van Amgui af, twee honderd wersten had afgelegd, de plaats genaamd Yarmangui, aan den oever van de Lena; wanneer ik die rivier overgetrokken zou zijn, bevond ik mij te Yakoutsk, dog een[II-255] wagt van den bevelhebber waarschuwde alle reizigers, om hier het verlof aftewachten van in de stad te mogen komen; hoe onaangenaam mij ook dit soort van quarantaine was voldeed ik daar aan, wanneer een Onderofficier mij verzogt, van mij omtrent twee honderd treden verder te begeeven, alwaar ik den Heer Capitain Ispraunick en een Lieutenant van de Heer Billings zou vinden; zij waaren van mijn aankomst onderricht, en ontfingen mij met de sterkste betooningen van achting en blijdschap; naauwlijks had ik hen verhaald, hoe zeer het uitstel waar meede ik bedreigd wierd mij tegenviel, of zij maakten allen spoed om de noodige beveelen te geeven, ten einde men mij aan den anderen oever bragt, daar bij voegende dat zij zich van de goedkeuring van den Heer Commandant verzekerd hielden, die reeds zedert lang van mijne komst verwittigd en aan wien ik aanbevoolen was.

Overtogt en breedte van de Lena voor Yakoutsk.

Des middags, trad ik in de schuit die men voor mij in gereedheid gebragt had, en ik was vier uuren bezig met de rivier de Léna in de dwarste overtesteeken, deeze rivier moet, zoveel men met het oog over eene zodanige uitgestrektheid kan oordeelen, ten minsten twee uuren breed zijn.

1788. Junij Te Yakoutsk.

Verblijf te Yakoutsk.

Aan land gestapt, wierd ik door een stads bediende ondervraagt en volgens gebruik, na het[II-256] verblijf gebragt dat hij voor mij bestemd had; dadelijk liet ik mij de wooning van den commandant de Heer Maklofski aanwijzen, wien ik ten eersten ging zien; hij ontfing mij met alle mogelijke beleeftheid, sprak mij altoos in het fransch aan, schijnende hem deeze taal zeer eigen te weezen; na mij wegens mijne spoedige togt[202] en over mijne gelukkige aankomst geluk gewenscht te hebben, deed hij mij belooven van eenige dagen te Yakoutsk te zullen blijven, om van mijne vermoeijenis uitterusten.

[202] Ik was de eerste reiziger, dit jaar van Okotsk vertrokken, welke men nog te Yakoutsk gezien had; den afstand tusschen deeze twee steeden is omtrent vijftien honderd wersten.

1788. Julij. Te Yakoutsk.

Ontmoeting van den Heer Billings.

Dog van alle zijne verplichtende aanbiedingen was mij geene aangenaamer, dan dat hij mij de gelegenheid verschafte om dien zelven avond met de Heer Billings te eeten. Ik was zeer verlangend om hem te leeren kennen, en ik wachtte met ongeduld het oogenblik van onze zamenkomst af; ons beider beroep van reiziger gaf al aanstonds tusschen ons zekere vereeniging, men zou gezegt hebben dat onze vriendschap reeds jaaren bestaan had; echter waaren wij beiden zeer omzichtig, van de gesprekken verwijderende al wat maar eenigzints betrekking kon hebben tot[II-257] de onderwerpen van onze wederzijdsche zending; ik bewonderde daar in de snedigheid en de voorzigtigheid van den Heer Billings: geduurende mijn verblijf alhier, nam ik eens het middagmaal bij hem; des morgens en des avonds begaven wij ons beiden bij de Heer Marklofski[203], en nimmer ontsnapte hem in onze redeneeringen eene onbescheide vraag.

[203] Deeze bevelhebber moest dien post blijven bekleeden tot op de aankomst van den Heer Kasloff.

Het jammerde hem zeer dat hij op zijnen togt onze fregatten niet ontmoet had; hij zou zijn geluk en roem gesteld hebben in het vervullen van de edelmoedige oogmerken zijner Souvereine, met aan den Heer Graaf de la Pérouse al dien onderstand en hulp te verschaffen, die hij zou hebben kunnen toebrengen; dit was eene schuld, zeide hij, van welke hij zich wilde, en ook niet anders kon kwijten dan in mijn persoon; en waarlijk, er zijn geene diensten uittedenken, die hij niet tragtte mij te bewijzen.

Het paardrijden mij zeer vermoeid hebbende, raadde men mij de Lena tot aan Irkoutsk optevaaren; zulks geviel mij zeer, dewijl mij daar door rust belooft wierd, en de vertraging die het mij veroorzaakte, op het hoogst vier of vijf dagen zou beloopen. Zo dra ik mijn besluit genomen[II-258] had, diende de Heer Billings mij van zijnen goeden raad en zorgde voor de keus en de verkrijging van een schuit; van mijne tent deed hij twee zeilen maaken, gaf mij een zijner Soldaaten, die bekwaam voor Stuurman was, en verschafte mij in een woord al dat geene wat hij tot mijne overtogt noodig oordeelde.

Beschrijving van de Stad en de Haven van Yakoutsk.

De vijf dagen die ik te Yakoutsk doorbragt, wierden tot de toebereidzelen voor mijn vertrek besteed: ik had echter tijds genoeg om optemerken, dat deeze stad de fraaijste en de meest bevolkte was van alle die geenen, welken ik tot nog toe, in de verbaazende uitgestrektheid lands dat ik doorkruist had, had gezien.

Zij is aan de westzijde van de Lena gebouwd; de huizen zijn van hout, dog ruim en gemaklijk, dat van den Commandant staat vlak tegens de haven over; de meeste kerken zijn van steen. Een arm van de rivier[204], die voorwaards loopt, terwijl ze een bogt tot aan de muuren van de stad beschrijft, vormt dat geen het welk men de haven noemt, die bij laag water droog loopt; de vaartuigen, door den Koophandel herwaards gebragt, zijn niet anders dan barken; het grootste[II-259] gedeelte derzelver dient tot overvoering van de levensbehoeftens, als zout en meel door de regeering derwaards gezonden; de Kooplieden huuren of koopen van die vaartuigen, tot overvoering van derzelver koopmanschappen, welke vaartuigen men uit den omtrek van den oorsprong van de Lena bekomt, alwaar dezelve gebouwt worden.

[204] Deeze rivier doorloopt Siberien bijna in deszelfs geheele breedte, van het noord-oosten naar het zuid-westen, en ontlast zich vervolgens in de Yszee.

Inwoonders.

De Yakouters komen niet in de Stad dan tot verrichting hunner zaaken; over het algemeen is dezelve niet dan door Russen bewoond. In de gewoontens en gebruiken word men de uitwerkzels der beschaafdheid gewaar; de inrichting van de gezelschappen, de vrolijkheid die daar in heerscht, alles werkt met de belangens van den handel zamen, om onder de inwooners die werkzaame onderlinge verstandhouding te onderhouden, dewelke de bron der rijkdommen en de aangenaamheid des leevens uitmaakt[205].

[205] Ik spreek niet van het bestier, dewijl het op den zelfden voet als dat van Okotsk ingericht is.

Den 5. tot den 9.

Vertrek van Yakoutsk en vaart op de Lena.

Na dat ik mij op nieuw van leevensmiddelen voorzien had, vertrok ik des morgens ten een uur van Yakoutsk; reeds kondigde de schemering de opkomende dageraad aan (het is bekend[II-260] dat men des zomers op de hoogste breedtens, den overgang tusschen nagt en dag geduurende meer dan eene week, naauwelijks bemerkt), zo dat men reeds duidelijk de zandbanken kon onderscheiden, waarmeede den oever tot aan de eerste post bezoomt is; dewijl wij die niet altoos vermijden konden, verzogten mijne geleiders, of de menschen die mijn vaartuig voorttrokken, ons ieder oogenblik, van ons even als zij te water te begeeven, om over die ondieptens te geraaken; het gebeurde ook dikwijls, niettegenstaande de ontzagchelijke breedte van de rivier, dat wij beslooten naar de overzijde te roeijen, in de hoop van daar eene gemaklijker doortogt te zullen vinden; dog dan dreef de geweldige stroom ons een halve werst min of meer agterwaards; groote ysschotzen vertoonden zich nog langs de oevers; men verzekerde mij dat ’er diergelijken het geheele jaar door te zien waaren.

Ik zal dag voor dag hier geen verslag van mijne vaart ter nederstellen; de aanmerkingen welke ze mij verschaft heeft zijn van te weinig belang, om den leezer met de verveelende eenvormigheid der dagelijksche kleinigheden bezig te houden.

Posthuizen en plaatzen waar men andere persoonen bekomt; welke lieden tot deezen dienst gebruikt worden.

De postroutes zijn afgedeeld; deeze beloopen dertig, veertig, vijftig, zestig, zeventig,[II-261] en zelfs tagtig wersten[206]. Dat men daar uit de straf der ongelukkigen beoordeele, die tot den dienst van de post veroordeeld zijn, namelijk, om de vaartuigen van de eene wisselplaats tot de andere te trekken; deeze schrikkelijke heerendienst, maakt de straf van de gebannene en kwaad doenders, in eene tusschenruimte van bijna twaalfhonderd wersten uit. Zij deelen deezen arbeid met de paarden; dog wanneer de schuit aan den grond raakt, of dat het voorttrekken belemmeringen ondergaat, moet de mensch de plaats van het beest vervangen, en het is in de moeijelijkste oorden dat deszelfs arbeid te pas komt; de eenigste verkwikking welke deeze boeven voor dien schrik verwekkenden arbeid genieten, bepaald zich tot eenige maaten meel, die de regeering hen toelegt; de Yakoutsche Prinsen uit de omgelegen streeken zijn ook verplicht van in derzelver onderhoud te voorzien, en ingeval van noodzaaklijkheid, hen manschappen en paarden te leenen.

[206] De kosten zijn daarom niet hooger, voor één man betaald men zo veel als voor één paard.

1788. Julij van den 5. tot den 14. Vaart op de Lena.

Veelen van deeze ellendelingen zijn getrouwd; zij bewoonen met hun gezin half gesloopte isbas, die hier en daar langs den regter oever verspreid[II-262] zijn; de regen noodzaakte mij op zekeren dag, om een schuilplaats in eene deezer wooningen te zoeken; ik verkoos die welke de meeste vertooning maakte; wanneer ik daar binnen trad, meende ik door de bedorve lucht die men ’er inademt te bezwijmen, en ik weet geene woorden te vinden, om het afschuwelijk tafereel der ellende welke mijn oog trof, te schetsen; wel verre van in dit huis eene veilige plaats gevonden te hebben, zag ik mij na verloop van een quartier uurs geheel overstroomt; het water viel stroomsgewijs van alle de hoeken van het dak, en ik verkoos wederom liever in mijn vaartuig te gaan.

De vischvangst en de jagt verschaffen voorts aan deeze bannelingen, die al de snoodheid van hunnen imborst bewaard hebben, bezigheid; ze worden alleen door het belang of de vrees bestierd. Op de nadering van een schuit beproeven ze altoos om zich door de vlucht aan den moeijelijken arbeid te onttrekken, waar aan zij door het gezag onderworpen zijn; meer dan eens hebben zij mij dien trek gespeeld; ik kwam aan eene wisselplaats: van de vijf of zes mannen die zich altoos, ten dienste van de reizigers gereed moeten houden, was ’er geen een te vinden; ze waaren allen naar de bosschen gevlucht, en mijne geleiders van de voorige wisselplaats[207],[II-263] zagen zich genoodzaakt van ook nog deeze postweg afteleggen. Ik stelde deeze ongelukkigen des te gewilliger schadeloos, dewijl ik menigmaal, wanneer ik hen afdankte, derzelver beenen geheel bebloed zag.

[207] Zij gebruikten de voorzorg, wanneer ze van hunne wisselplaats vertrokken, om aan mijn schuit een kleine praauw vasttemaaken, waarin ze naar hunne woonplaatzen te rug keerden, laatende zich met de stroom van de rivier afdrijven.

Eens, stelden zij mij op een morgen geheel te leur: een postschuit de rivier afkomende, kwam ons digt voorbij; Golikoff waakte op zijn beurt; mijne doortrapte fielten verzogten hem verlof om met hunne makkers te verwisselen, zij wisten hem zo wel te beduiden dat dit in ons voordeel was, dat hij er in toestemde; begeerig om mij ons geluk meedetedeelen maakte hij mij wakker, dog het was om mij te vertoonen, dat onze gaauwdieven op de loop gingen, in plaats van zich naar de schuit te begeeven die agter ons heen dreef. Op dit gezicht kan men zich de verlegenheid van Golikoff voorstellen; hij wist niet hoe hij zich voor mij verschoonen zou, want wij moesten besluiten om onze schuit tot aan de volgende wisselplaats voorttetrekken; gelukkig waaren wij ’er niet ver meer van verwijderd; de[II-264] menschen die de postschuit derwaards gebragt hadden bevonden zich daar nog; mijne twee soldaaten hadden hen spoedig overgehaald om ons voort te trekken. Ik geloof zelfs dat ik derzelver goede wil aan de onbeschofte bevelen van Golikoff verschuldigt was; onze ontmoeting had hem zo misnoegd gemaakt, dat ik geen mogelijkheid meer zag, om hem met gemaatigdheid te werk te doen gaan; „Gij weet niet, zeide hij tot mij, hoe men deeze Schelmen bestieren moet; ’er is geen ander middel dan de stok: ik moest u maar navolgen, dan zagen wij ons op iedere post aan beledigingen blootgesteld, of in dezelfde ongelegenheid die wij zo even komen te ondergaan”.

van den 14. tot den 29. Vaart op de Lena.

de Stad Olekma.

Wij kwamen echter zonder verdere onaangenaamheden te Olekma[208]; deeze stad, de eerste zedert Yakoutsk, is van daar zeven of agt honderd wersten verwijderd, hoe zeer de post maar op zes honderd berekend word; ze legt aan de uitwatering van de rivier die deszelfs naam voert, is niet groot, vrij slegt bebouwd en leverd geene bijzonderheden op. Ik verbleef daar maar twee uuren.

[208] men noemd ze ook Olekminsk.

Ontmoeting van een Toungousser.

Eenige wersten van daar naderde mij een kleine[II-265] praauw; één man bestierde dezelve alleen, hij bood mij berkenschors aan, die hij in de nabuurige bosschen had afgeplukt; mijne soldaaten verzogten mij dadelijk dat ik daar van koopen zou, om ons vaartuig mêe te overdekken; mijn koopman was een Toungousser, hij behoorde tot een huisgezin het welk zich op den linker oever neergezet had[209]. Ik verzuimde deeze schoone gelegenheid niet om dit volk van nader bij te leeren kennen; ik liet dan mijn schuit aan den regter oever vast maaken, en ging alleen van Golikoff verzeld, in het schuitje van den Toungousser over, die even zo vergenoegd was als ik, over het bezoek dat ik bij zijne naastbestaanden ging afleggen.

[209] Hij verhaalde mij dat de boorden van de Léna aan dien kant, door verschillende horden van zijne landsgenooten bewoond waaren. Ik moet hier bijvoegen, dat de Toungoussen en de Lamouten als een en dezelfde natie kunnen beschouwd worden.

Toungoussche praauwen.

Al aanstond trok de gedaante en de ligtheid hunner praauwen mijne aandagt; zeer afgerond vertoonen ze weinig oppervlakte, het geen ze aan omslaan onderhevig maakt; het beloop van het schuitje is van latwerk, de boorden zijn van genaaide en geteerde berken schors, en de twee einden worden langzamerhand naauwer en eindigen[II-266] puntig; men houd de riem in het midden, om zich beurtelings van de twee schoppen te bedienen die aan deszelfs einde vastgehegt zijn.

Vriendelijk onthaal eener Toungousse horde.

De vreugd van deeze Toungoussers in mij te zien was zeer uitbundig; ter gelijker tijd omringd, vergast, geliefkoosd, wist ik niet hoe ik aan alle hunne vriendschaps betuigingen zou beantwoorden. Een jong rendier wierd gedood en aan mijne voeten neergelegd; wanneer ze mij dit geschenk aanbooden, jammerde het deeze goede menschen, dat derzelver armoede hun van de middelen en het vermaak beroofde om mij van meer nut te kunnen weezen. Ik was zelfs niet in staat om veel giften te doen, en mijne erkentenis bestond alleen daarin, dat ik hun eenige van mijne kleederen agterliet.

Wooningen, gelaatstrekken, Godsdienst, rijkdommen en gewoontens der Toungoussen.

Daar zij even als de Koriaken rondzwerven, hebben zij ook ten naasten bij dezelfde leevenswijze; derzelver yourtes zijn niet zo groot, en met berkenschors bedekt; dit maakt het eenigste onderscheid uit; ieder geslacht heeft het zijne; de voornaamste verciering van binnen bestaat in een kleine houten afgod, hebbende een wanschapen hoofd en eene menschelijke gedaante; Zij omhangen het zelve met hunne kleederen, waar bij ze tot meerdere opschik een groot getal ringen, schellen, en andere stukken van metaal voegen; Ziet daar hun heiligen Nicolaas, welke naam[II-267] zij hem, bij zinspeeling op den beschermheilige der Russen, geeven.

Bij mijn doortogt te Yamsk, heb ik de kleeding der Toungoussen beschreeven; nu blijft mij nog overig van derzelver gelaatstrekken, zeden en manier van reizen te spreeken.

Ze zijn kleinder dan de Yakouters, en hebben even als de Kamschatters in een getrokken oogen, een platte neus, en een breed aangezicht; ze zijn niet minder gastvrij, derzelver hoofdcaracter schijnt de zagtmoedigheid en de openhartigheid te weezen. In zaaken van den Godsdienst, bezitten zij de domme ligtgeloovigheid der Koriaken, dewijl zij alle de dwaasheden der afgoderij voor geloofswaarheden aanneemen, de Chamans zijn insgelijks de voorwerpen van hun vertrouwen en eerbied; overal heerschen deeze bedriegers, door het verspreiden van schrik en verbaastheid.

Na de jagt en de vischvangst[210], welken deeze geslachten geduurende die jaargetijden, tot een meerder vast verblijf noodzaaken, geeft hen niets meer weezentlijker bezigheid, dan derzelver rendieren; deeze dieren maaken al hun rijkdom[II-268] uit, en betaalen met woeker alle de zorgen die zij daar aan besteeden; niet alleen verstrekken deeze dieren tot voedzel en kleeding van dit volk[211], dog daarenboven laaten zij zich, gedwee onder de hand die ze bestiert, door derzelver meesters, zo vrouwen als mannen beklimmen, en voeren hun met een snellen tred overal, waar derzelver grilligheid hen roept[212]. In plaats van de rendieren voor een slêe te spannen, zo als de Tchouktchis en de Koriaken gewoon zijn, leert men die onder de man loopen, en aan de beweegingen van een toom aan derzelver hoornen vastgestrikt, gehoorzaamen; het zaal is even als de onzen opgetooid en van dezelfde grootte, dog zonder stijgbeugels; eene zeer zwakke buikriem houd het vast, en de ruiter die waggelt, heeft geen ander hulpmiddel dan een lange stok waar meede hij het beest kastijd; men begrijpt dat deeze oeffening veel hebbelijkheids vereischt; het reisgoed word in kleine mandjes beslooten, die met rendieren vellen bedekt en aan het zadel[II-269] vastgemaakt zijn; deeze hangen aan iedere kant op de zij van het beest; wanneer zij stil houden, worden deeze geladene goederen op eene geregelde wijze rondom de yourtes geplaatst.

[210] De overvloedigste vangst in deeze rivier, is die van de Steur of STERLED; van de eijeren dezer visch maakt de Toungoussche vindingrijkheid de caviaar.

[211] Door een tegengesteld gebruik als dat der Koriaken, verzuimen deeze Toungoussen nooit om de wijfjes van hunne rendieren te melken; die melk, welken zij mij lieten proeven, is zeer dik.

[212] Hunne reizen strekken zich tot aan de grenzen van Tartarijen en China uit.

Het dorp Pélodoni; boeren die met de postroute belast zijn.

Mijne scheepvaart wierd eindelijk minder onaangenaam, en wel zo dra ik Pélodoni bereikt had; dit is een groot dorp welkers inwoonders Russen en afstammelingen van de eerste landbouwers van Siberien, genaamd Starogili, zijn; daar wierd ik van die gevaarlijke bannelingen verlost; ik had vervolgens geene andere geleiders dan braave boeren, die mij even zo veel ievers als beleeftheid betoonden; de wooningen waaren niet zo ver van elkander verwijderd, en beloofden des noodig ten minsten eenige hulp. In ieder deezer dorpen bevinden zich zes menschen, geschikt voor den dienst van de post: geen het minste voorrecht steld hun voor derzelver moeite schadeloos; even als alle de Russische boeren zijn zij grondeigenen, betaalen dezelfde rechten aan de kroon, en moeten recruten verschaffen; de voortbrengzels van derzelver oogst niet voldoende zijnde om hen het geheele jaar te voeden, zijn zij genoodzaakt graanen te koopen en daar van voorraadschuuren aanteleggen; nimmer was de rogge zo duur verkogt als dit jaar; het poud of het gewigt van drie en dertig a vier en dertig[II-270] fransche ponden, kostte zeventig a tagtig kopees.

Vitim is het naastgelegenste dorp aan het voorige; daar het in allen opzichte naar de Russischen dorpen gelijkt, meen ik de moeite te kunnen spaaren om ’er eene beschrijving van te geeven; de kerken zijn daar zeldzaamer als de cabacs of kroegen.

Aanteekeningen omtrent de Léna.

De vogels zijn in den omtrek en aan de oevers van de Léna zeer overvloedig; wolken van muggen waar meede dezelve bedekt is, geeven oorzaak tot derzelver zamenschooling; om deeze insecten te verdrijven, gebruikten wij de voorzorg van een voorraad van paarden-mest meede te neemen, die zonder ophouden in onze schuit brandde; dog een ander onvermijdelijk ongemak op deeze rivier, is het ongedierte welke zij voortbrengt; hoe meer men zich baad hoe meer de zelve vermenigvuldigen.

De Stad Kirinsk.

Omtrent vier honderd wersten van Péledoni, voer ik voorbij Kirinsk of Kiringui, een kleine stad, langs welke de Léna, en een weinig verder de Kiringa loopt. Onder deszelfs huizen waar van geen één eenige vertooning maakt, onderscheid men de kerk die van steen is.

1788. Julij Den 29.

Den oever langzaamerhand breeder en zandachtiger wordende, wierden wij dikwijls door[II-271] paarden getrokken;[213] de lijnen braken wel eens, dog ik maakte mij deswegens niet ongerust; het genoegen van voorttespoeden boezemde mij een blind vertrouwen in, waar voor ik echter welhaast gestraft wierd. In de nagt van den 29 stootte mijn schuit op een rots, welke de duisterheid voor ons verborg; de lijn brak door de geweldige schok, en ons vaartuig was in een oogenblik met water vervuld; wij hadden naauwlijks de tijd om het zelve naar de kant te brengen, die wij niet dan door vereenigde poogingen konden bereiken; dadelijk ging ik op een der paarden zitten en plaatste mijn kistje voor mij; wij waaren maar vier wersten van een Dorp, en dus was het gemaklijk om dadelijk hulp te verkrijgen; men ging mijn schuit opzoeken die geduurende den dag vermaakt wierd, en den volgenden morgen hervatte ik mijne togt.

[213] Naar maate men Irkoutsk nadert, word de rivier enger. Ik bespeurde ook dat de velden beeter bebouwd waaren, het graan voor al stond zeer schoon.

Augustus Den 1.

Wanneer ik het dorp Usting verliet, zag ik eene aanmerkelijke zoutgroef, en wat verder drie zavodes of koper smelterijen.

1788. Augustus Den 4.

Ik verlaat mijn vaartuig.

Mijn vaartuig was voor de tweede maal gebrooken, en ik had het zelve nog eens in der haast doen vermaaken; dog dien dag wanneer[II-272] het roer, door onophoudelijk langs den grond te schuuren, weg gevoerd wierd, als meede een soort van kiel het geen men onder het zelve vastgemaakt had, verliet ik de schuit, die ten voordeele van mijn getrouwe Golikoff was.

Den 5.

Ik voorzie mij van paarden en vervolgens van een kibitk.

Ik voorzag mij te Toutouze, omtrent drie honderd zeventig wersten van Irkoutsk gelegen, van paarden, en na het kleine vlek van Virkhalensk doorgetrokken te hebben, bereikte ik, des namiddags ten twee uuren dat van Katschouga, alwaar de reizigers zich gewoonlijk ontscheepen om de bogt van de Léna te vermijden, die daarenboven ook welhaast onvaarbaar word; men vind in dit dorp de Kibitks[214] of Russische rijtuigen op vier wielen, die door bannelingen en van tijd tot tijd door Bratskis gereeden worden.

[214] Deeze Kibitks hebben de gedaante van eene lange wieg, en hangen nergens aan vast; hoewel men ’er in leggen kan, gevoelt men echter niet te min al derzelver schokkingen.

Aanmerkingen omtrent de Bratskis.

Tusschen Katschouga en Irkoutsk is een step of onbebouwde streek, welke alleen door die Bratskis bewoond word, zijnde dit eene bevolking van herders, die men voor afstammelingen van de Tartaaren zou houden, dewijl zij zo veel gelijkenis met deeze hebben. Zy vertoonen iets[II-273] woest en wild in derzelver gedaante, ook zijn het groote dieven; men nam er een onder mijn oog gevangen die vee gestolen had; derzelver kudden zijn talrijk en bestaan uit ossen, koeijen, paarden en voornamelijk uit schaapen; mijne snelle voortgang belette mij, van mij in derzelver wooningen te begeeven, en daar door omtrent hunne zeden uitgebreider aantekeningen te maaken.

1788. Augustus Den 6. Te Irkoutsk.

Aankomst te Irkoutsk.

Wij reeden over verscheiden bergen door ysselijke slegte wegen, die mijn arme Golikoff sterk deeden klaagen, dewijl hij half verbrijzeld was, door het geduurig schokken van ons helsch rijtuig, waar van hij voor de eerstemaal de proef had. Eindelijk, na dat wij het klooster van Voznéssenskoï, van waar men Irkoutsk begint te ontdekken, aan onze regterhand hadden laaten liggen, kwamen wij aan den kleinen arm van de rivier, die onder de muuren van de stad heenloopt, en welke men overtrekt zonder dat men van het rijtuig behoeft aftestappen. Daar, wierd ik door een schildwagt aangehouden, die volgens zijne orders, de Heer Commandant wilde gaan waarschuwen; dog zich vergenoegd hebbende met mijn naam en qualiteit, het welk ik hem op schrift gaf, stond deeze soldaat mij toe van hem voor uittegaan; het was omtrent des avonds ten elf uuren wanneer ik in deeze hoofdstad binnen trad,[II-274] hebbende zedert mijn vertrek van Yakoutsk twee duizend vijfhonderd vierennegentig wersten afgelegd.

Ik stapte bij den stadsopzigter (à la police) van mijn rijtuig, ten einde daar een logement te vraagen; de Kwartermester of wijkmeester bragt mij in een huis, waar van den Heer, wel verre van aan het bevel te gehoorzaamen, het geen hem wierd gegeeven om mij te ontfangen, zich niet eens verwaardigde van optestaan, ten einde ons reden van zijne weigering te geeven. Ik zag het oogenblik gebooren worden waar in den opzichter, vergramd door eene zo onbeleefde wederstand, zijn gekrenkt gezag wilde wreeken; echter gelukte het mij om hem tot bedaaren te brengen, en ik verzogt hem dat hij voor mij een ander verblijf wilde uitzoeken. Intusschen was de Gorodnitsch of bevelhebber van de plaats, de Heer Majoor Dolgopoloff onderricht van mijne aankomst, en van de kleine onaangenaamheid die mij bejegend was; hij begaf zich dadelijk ter plaatze, waar ik naauwlijks bezit van genomen had, verzogt verschooning op verschooning wegens, dat men mij op eene onbeschofte wijze rondgeleid had, om mij eindelijk zulk een slegt verblijf te geeven, en niettegenstaande al het geen ik ten voordeele daar van wilde bijbrengen, noodzaakte hij mij echter om het zelve te verlaaten[II-275] en met hem te gaan. Ik verloor geenzints bij deeze verandering, men kan zich geen welgeschikter en cierlijker verblijf voorstellen dan dat, waar hij mij bragt; het was eene reeks van verscheiden vertrekken, allen fraaij met huisraad opgeschikt; en vercierd met schilderwerk in kalk; dog het geen mij het meeste trof was den oplettenden iever waar meede men mij bediende, en in alles voorkwam.

1788. Augustus Den 7.

Bezoek bij de Gouverneur afgelegt.

De volgende morgen, kwam de Heer Dolgopoloff mij afhaalen, om mij aan den Gouverneur, de Heer Generaal Majoor Arsénieff voortestellen; ik overhandigde hem de brieven van de Heer Kaslof, uit hoofde van de afwezendheid van den Gouverneur Generaal de Heer Jacobi, die zich als toen te Petersburg bevond. Ik was bijzonder vergenoegt over de wijze waar op de Heer Arsénieff mij ontfing; na mij met beleeftheden overlaaden te hebben, vorderde hij dat ik van geene andere tafel dan van de zijne zou gebruik maaken, en maakte mij met zijn gezin bekend,[215] welkers eensgezindheid, verstand en vrolijkheid, van zijn huis een waarlijk aangenaam[II-276] verblijf vormt, en den toon aan het gezelschap geeft, het welk door zoveel aangenaamheid derwaards gelokt word.

[215] Bijna alle zijne kinderen spreeken fransch; een zijner zoonen schrijft het zeer wel, en deeld met zijn broeder duizenderleie beminnelijke hoedanigheden: een suster van hun is met den Onder Gouverneur getrouwd.

Te Irkoutsk. Belooning die ik voor Golikoff verkreeg.

Ik maakte van de goede geneigtheid en verplichtende aanbiedingen van den Heer Gouverneur gebruik, om mijn Soldaat Golikoff met nadruk aan hem aantebeveelen; de ontelbaare diensten welken mij deezen braave man beweezen had, zijne getrouwheid, zijne verkleeftheid in alle gelegenheden waaren nog meer voor hem pleitende dan ik zelf, en de Heer Arsénieff wilde een zo goed voorwerp bij zich houden; dog de eerzucht van den armen Golikoff[216] bepaalde zich om in de bezetting van Yakoutsk ingelijfd te worden, werwaards hij door de hartelijke liefde voor zijn Vader in die stad woonachtig, en door zijne genegenheid voor de Heer Kasloff geroepen wierd, dewijl hij zich gelukkig achtte om onder het bevel van dien Heer te dienen; diergelijke gevoelens vermeerderden de belangneeming welke mijne verhaalen reeds hadden ingeboezemd,[II-277] en mijn begunstigde verkreeg dadelijk de gunst die ik voor hem verzogt had.

[216] Geduurende mijn verblijf te Okotsk, had de Heer Kokh op mijn verzoek de goedheid gehad, hem tot corporaal te verheffen; deeze onverwachte gunst maakte eene zo levendige indruk op zijn geest, dat ik, bij de terugkomst van de wagtparade meende, dat hij zinneloos van vreugde en erkentenis zou worden.

Ik ging vervolgens bij de Heer Poskatschinn, de bijzondere vriend van den Heer Kasloff, een bezoek afleggen, wiens aanbeveeling mij allerleie beleeftheden verzorgde. Ik vond daar een Roomsch priester, naar Siberien gezonden om de hulp van zijne bediening aan de Christenen der Roomsche kerk te verschaffen; hij houd deszelfs gewoonlijk verblijf te Irkoutsk.

1788. Augustus Te Irkoutsk.

Beschrijving van de stad Irkoutsk.

Deeze stad, de hoofdplaats van de landvoogdij van Irkoutsk en Kolivanien, is gelegen op den oever van de Angara en nabij de uitwatering van de Irkout die haar deszelfs naam meededeelt; men ziet in haare uitgebreide omtrek verscheide steenen huizen, en kerken met tigchelsteenen gebouwd: de houte huizen zijn groot en gemaklijk aangelegd, de bevolking is talrijk en de gezelschappen luisterrijk; de meenigte van Officieren en regeerings perzoonen welke dezelve uitmaaken, hebben daar de gebruiken en gewoontens van Petersburg ingevoerd. Er bevinden zich aldaar geene lieden van aanzien of zij houden rijtuig; de rang en de waardigheden bepaalen het getal der paarden welken men voor deeze rijtuigen, die met de onzen overeenkomen, spant.

Ik heb reeds gezegt dat alle de rechtbanken der nabuurige provincien onderhoorig zijn aan[II-278] die geenen welken in deeze stad gevonden worden; zij is ook de zetel van een Aartsbisschop, een zeer eerwaardig prelaat, die de Opperpriesterlijke diensten in de geheele uitgestrektheid van dit gedeelte des Russischen rijks uitoeffent.

Koophandel van Rusland met China.

Dog het is voornamelijk aan den handel dat deeze hoofdstad deszelfs luister verschuldigt is; door haare ligging is zij de stapelplaats van die, welke tusschen Rusland en China gedreeven word; het is bekend dat deezen handel te land geschied; dan eens is dezelve zeer uitgebreid, dan eens kwijnende en dikwils afgebroken geweest, ook heeft ze zo veele veranderingen ondergaan, dat het volgens mijne gedagten, niet onvoeglijk zal zijn om tot den oorsprong van deeze verstandhouding opteklimmen, ten einde zich een denkbeeld te kunnen vormen van deszelfs tegenwoordig bestaan, en van den aanwasch waar voor die vatbaar zou kunnen zijn.

De eerste betrekkingen zijn reeds in het midden der voorige eeuw begonnen, omtrent het tijdstip van den inval der Mantchousche Tartaaren, die, na dat zij een geruimen tijd de noordelijke provincien van het Chineesche rijk hadden verwoest, eindigden met het zelve geheel te overheeren. Het was aan een landvoogd van Tobolsk dat Rusland de eerste denkbeelden verschuldigt was, over de geschiktste middelen om[II-279] dien handel te beginnen; dezelve waaren de vruchten van eene pooging te Pekin, door eenige vertrouwde persoonen door hem derwaards gezonden, ondernomen; wel verre van door den slegten uitslag deezer zendelingen afgeschrikt te weezen, vereenigden zich eenige Russische en Siberische Kooplieden, om van derzelver ontdekkingen, indien het mogelijk waare, nut te trekken. In het jaar 1670 vertrok derzelver Caravaane, welke met nieuwe inlichtingen en ondubbelzinnige bewijzen van voordeel terugkwam; van toen af vermeenigvuldigden de maatschappijen, de togten wierden meermaalen ondernomen en de stigtingen uitgebreid.

Zo veele vorderingen verwekten bij de Chineezen argwaan, die beslooten daar aan paalen te stellen, sterktens wierden opgericht ten einde een nabuur tegentehouden, die ieder dag voorwaards komende zo door de rivier Amour, als door de oostelijke zee en de Selinga, ongevoelig de grenzen van China naderde; Deeze verweerende maatregelen waaren de oorsprong van zeer hevige verschillen, tusschen de twee rijken omtrent derzelver grenspaalen; daar vielen eenige vijandelijkheden voor, en eindelijk eene openbaaren oorlog; verscheidene jaaren wierden doorgebragt met het belegeren van steeden, beurtelings ontmanteld en weder hersteld, tot dat eindelijk[II-280] in 1689, de twee hoven, door de bemiddeling van de Paters Jesuiten Gerbillon en Pereira, van wegens de Keizer van China gemagtigt, een verdrag van vreede en eeuwigduurende vriendschap[217] te Nertschinsk slooten, het welk op twee steenen of paalen, op de grenzen van ieder rijk geplaatst, moest gegraveerd worden.

[217] Dit verdrag het welk door deeze geestelijke onderhandelaars in de latijnsche taal was zamengesteld, wierd wederzijds door de twee souvereinen bekragtigt, na dat het zelve in de Russische en Mantchousche taalen was overgezet; ziet daar het eerste voorbeeld, zedert de stichting van het Chineesche rijk, van een vredens verdrag door dit volk gemaakt, en van de vergunning aan vreemdelingen om in deszelfs hoofdstad te komen. Omtrent dit tijdstip telde men te Pekin verscheiden overgeloopene of krijgsgevangen gemaakte Siberische geslachten, die door de weldaaden van Keizer Kamhie bekoord beslooten om daar derzelver woonplaats te neemen, en zelfs om zich onder de Chineezen intelijven.

Het zelve verzekerde wederzijds de vrijheid van den koophandel, aan alle onderdaanen der beide mogendheden, welken van vrijgeleibrieven van derzelver hoven voorzien waaren: echter wist China zich voor deszelfs toegeevendheid zeer wel schadeloos te stellen, door de afstanden die ’t zelve van Rusland gevorderd had, het welk bij deeze gelegenheid, niet alleen een aanzienlijk[II-281] gedeelte van deszelfs bezittingen, maar ook de scheepvaart op de rivier Amour tot aan de oostelijke zee, verloor.

Tot schadeloosstelling, of in de hoop van meer voordeel van deezen handel te zullen trekken, gelastte de Tzar[218] Pieter de Groote in 1692 aan Ysbrand Yves, een Hollander van geboorte, die zich in zijn dienst bevond, om aan het hof van Pékin voor de Caravaanen, het genot van de voorrechten het welk het jongste verdrag aan de bijzondere persoonen toestond, te verzoeken; den uitslag van het gezantschap beantwoorde aan de verlangens van het hof van Petersburg; de Caravaanen wierden toegelaaten, en dewijl het zelve aan zich het uitsluitend recht behield om die te zenden, genoot het ook al het voordeel[219]; deeze reizen duurden drie jaaren; de Russische Kooplieden welken de Caravaane uitmaakten, waaren[II-282] in een Caravensera opgeslooten; alwaar de ruilingen geschiedden, en geduurende derzelver verblijf te Pékin, wierden ze ten koste van den Keizer onderhouden.

[218] Dus schrijven en spreeken de Russen het woord Czar uit.

[219] Het duurde niet lang of bijzondere persoonen wisten zich van de dwingelandsche beletselen van het Keizerlijk monopolie te ontdoen; zij kwamen zo ver om geheime betrekkingen in China door de Mongolsche Tartaaren te onderhouden, welken hun derzelver tusschenkomst zeer duur verkogten.

Deeze eensgezindheid was tusschen de twee mogendheden van geen langen duur; nieuwe onlusten door het slegt gedrag, de dronkenschap, en de beledigende handelwijzen van eenige Russen, in het midden zelfs van de Chineesche hoofdstad, verwekt, dreigden andermaal derzelver handel te vernietigen; het gezantschap van Ismaëloff hield ze echter staande: door de bekwaamheid van deezen onderhandelaar, Capitein van de lijfwagt van den Tzar, wierden de wanordens hersteld, en de klagten gestild; het misverstand wierd door het vertrouwen en de zekerheid opgevolgd: om zodanige gelukkige geneigtheden te behouden, bleef Laurent Lange te Pekin onder den titel van Agent der Caravaanen.

Na het vertrek van dien gezant, gingen de zaaken agterwaards, en de buitenspoorigheden van de Russen vermeerderden; hier door wierd de trotsheid en het wantrouwen, de Chineezen zo eigen, opgewakkerd; de weigering om verscheide Mongolsche horden uitteleveren, die zich aan den Tzar onderworpen hadden, voltooide verder, van de Keizer te verbitteren; hij bande alle[II-283] de Russen uit zijne staaten, en zedert dit oogenblik was alle gemeenschap tusschen de twee volkeren afgebrooken.

In 1727, gelukte het de Graaf Ragouzinskoi, Russisch gezant bij den opvolger van den wraakzugtigen Kan-hi, om de verbintenissen van Koophandel door een verdrag te vernieuwen, dat onherroepelijk de paalen van ieder rijk vaststelde,[220] en de Kooplieden aan een onveranderlijk reglement onderwierp; gemaakt om voor altoos alle bronnen van verdeeldheid te doen opdroogen.

[220] Ziet in Coxe, alle de bijzonderheden over de vaststelling deezer grensscheiding.

Hier door wierd het aan het Hof van Petersburg vrijgelaaten om alle drie jaaren eene Caravaane naar Pékin te zenden; het getal der Kooplieden wierd op twee honderd bepaald; op derzelver aankomst aan de Chineesche grenzen, moesten zij daar van aan den Keizer kennis geeven, ten einde dat een Chineesch Officier hen zou komen af haalen, en tot aan de hoofdstad geleiden, alwaar zij op kosten van den Keizer zo lang als derzelver handel duurde, zouden onderhouden worden; men kwam nog overeen dat de koopgoederen van bijzondere persoonen niet over de grenzen zouden komen, en deeze het voorrecht niet genieten van in alle de Chineesche en[II-284] Mongolsche bezittingen te mogen handelen. Ingevolge daar van wees men hun twee plaatsen op de grenzen van Siberien aan, de eene genaamd Kiakhta, na eene beek die deszelfs omgelegen streeken bewaterd, de andere Zurukhaire[221], gelegen op den linker oever van de Argoiin, en zij waaren gehouden om derzelver koopwaaren in de magazijnen van deeze twee steeden opteslaan.

[221] Dit is zo ik meen, dezelfde plaats, welke door de Russen Naïmatschinn genaamd word.

Niettegenstaande de plegtige bekragtiging van alle de bedingen van dit verdrag, ondervond de uitvoering van het zelve ongetwijffelt tegenstand; de zuurdeessen van het misnoegen geraakte aan het gisten, of de kwaade trouw hernieuwde de hairkloverijen: hoe dit ook zij, men zag in den tijd van zeven en twintig jaaren niet meer dan zes Caravaanen uit Rusland vertrekken; na de afzending van de laatste, geraakte deeze handel aan het kwijnen, zijnde een noodzakelijk gevolg van het wantrouwen.

Ik gaa de opgaaf der bezwaaren voorbij, welke de Chineezen ten lasten van de Russen meenden te hebben; verscheiden bekende geschiedschrijvers hebben verslag van de klagten gegeeven, welken veroorzaakt wierden door de agter elkander volgende verhuizingen van de Kalmouksche[II-285] Tartaaren, en van eene meenigte Toungoussers die allen door het hof van Petersburg vriendelijk ontfangen wierden; men heeft deszelfs behendige staatkunde zich beurtelings gemaatigd en bedreigende zien gedraagen, dog teevens altoos ontwijkende om China genoegen te geeven.

Deeze twisten duurden tot op de komst van de regeerende Keizerin op den throon; naauwlijks had Catharina II. de teugels der regeering in handen genomen, of zij zag ten voordeele van haar onderdaanen, van den uitsluitenden handel in pelterijen, en van het zenden der Caravaane naar Pékin af; deeze daad van rechtvaardigheid en weldaadigheid, het verstand en het hart van deeze souvereine waardig, was echter niet voldoende om aan den handel deszelfs voorige werkzaamheid weder te verschaffen: de vijandschap tusschen de twee rijken wierd nog meer aangezet door de omstandigheid van die zelfde Toungoussers, die, geen behaagen meer vindende in, en misnoegt over derzelver nieuwe verblijfplaats, zich eensklaps aan de Russische heerschappij onttrokken, en naar hun vaderland keerden, ten einde zich weder onder het Chineesche gebied te stellen.

Zedert heeft men gezien dat de twee volkeren alle verbittering hebben afgelegt, zich oprechtelijk vereenigt, en dat de goede verstandhouding[II-286] tusschen de kooplieden van dag tot dag meer toenam en belangrijker wierd; naar maate dat de Russische comptoiren te Kïakhta, het welk bevolkt, vergroot en versterkt is geworden, vermeenigvuldigden, begaven ook de Chineezen zich naar hun vlek Zurukhaire of Naïmatschinn; door wederzijdsche commissarissen wierden de ruilingen bestierd, en de Mongolsche taal wierd in de onderhandelingen gebruikt, dewelken door tolken geschiedde.

Het is ’er verre van daan dat de Russen het voordeel van den handel zouden genieten; de Chineezen, die zich altoos in maatschappijen vereenigen, zijn oneindig ijveriger omtrent het waarneemen hunner belangens en veel omzichtiger in hunnen handel, ook weten zij altoos de prijs der Russische Koopmanschappen te bepaalen, en deeze behendiglijk daar heenen te leiden, om hunne Koopmanschappen, volgens de eerst gestelde prijs, waar van zij nooit afgaan, te koopen, de Thee, bij voorbeeld, verschaft hun een onnoemlijk voordeel[222]; zij verkoopen die zo duur, dat de koopers vervolgens genoodzaakt[II-287] zijn om zich daar van met verlies weder te ontdoen; om zich deswegens schadeloos te stellen, tragtten deeze derzelver pelterijen, waar van de Chineezen groote liefhebbers zijn, in prijs te vermeerderen; dog derzelver loosheid doet hen tegens die bedriegerij op hunne hoede zijn.

[222] Wanneer ik mij te Okotsk bevond, kostte het pond thee zestien roubels, en nog was ze zeer schaars te bekomen; men zeide mij, dat ze van Petersburg kwam, welke stad ze thans uit Engeland of Holland trekt.

Ik zou te langwijlig worden indien ik hier alle de zaaken wilde optellen die bij deeze ruilingen in aanmerking komen; Ik verzoek den nieuwsgierigen leezer om het werk van Coxe of Pallas in te zien, die beide dit onderwerp zeer breed hebben behandeld, volgens de naspooringen welken zij omtrent den uit- en invoer in den jaare 1777 gedaan hebben, begrootten zij het geheel van deezen handel op vier millioenen roubels; dog zedert dien tijd, bevestigen verscheiden geloofwaardige verhaalen dat dezelve aanmerkelijk is verminderd; tegenswoordig zelfs kan men zeggen dat ze geheel te niet geloopen is[223].

[223] Bij mijne komst in Siberien, verzekerde men mij bij herhaaling, dat de Russische Kooplieden de inkoopen die ze bij vooruitzicht op vertrouwen van het laatste verdrag gedaan hadden, zich berouwden; en ten bewijze dat ze daar van geene verwachting hadden, lieten verscheidenen onder hun mij derzelver pakhuizen zien, ten einde mij de groote meenigte pelterijen te toonen, die ze daar in opgeslooten hadden, en kwamen allen daar in overeen dat zij met ongeduld naar het tijdstip verlangden, waar in een nieuw verdrag hen in staat zou stellen om zich van derzelver goederen te ontdoen.

Indien het mij geoorloft is mijne gedagten te zeggen, dan zou ik durven verzekeren dat het mij voor Rusland en zelfs voor China van het uiterste belang voorkomt, om dadelijk zodanige nieuwe verbintenis te sluiten; dog om het zelve op eene duurzaamer en nuttiger voet voor den wederzijdsche handel der twee rijken te vestigen, zou het mogelijk eerst en voor al noodig zijn, dat dezelve gezamentlijk de zwaare belastingen verligtten, en alle de beletzelen uit den weg ruimden die den koopman bevreesd maaken en te rug houden; misschien zou het ook Ruslands belang zijn, om van deszelfs natuurlijke voordeelen, welken zijne ligging aan het zelve verschaft, gebruik te maaken, en van Okotsk of Kamschatka, of zodanige andere haven als men het geschiktste zou oordeelen, vaartuigen aftezenden, die regelregt indien het mogelijk was te Macao of te Canton de Koopmanschappen konden verhandelen, welken men nu met groote onkosten overland naar Kiakhta overbrengt, als dan twijffel ik zeer, of de kosten tot derzelver uitvoer en tot den invoer van de Chineesche waaren, wel zo hoog zouden loopen; de gemeenschap tusschen Okotsk en Siberien is zo moeijelijk niet te verkrijgen, en dat landschap zou ongetwijffelt meer bloeijen zo dra deeze weg meer bezogt wierd; deeze aanmerkingen brengen mij natuurlijk te rug op het geen ik in het I Deel van dit werk (noot (d), bladz. 9. en bladz. 72.) gezegt heb, wegens een ontwerp van een Engelsch Koopman te Macao; Om wat reden zouden de Russen dezelve weg niet beproeven? bezitten zij niet veel meer voortbrengzelen dan de Engelschen, om zich van den handel in pelterijen op China alleen meester te maaken? Wanneer eenmaal deezen weg geopend was, zou het gemaklijk vallen die gemeenschap ook tot andere zaaken uittestrekken; Ik zal van het onschatbaar voordeel niet gewaagen, het welk Rusland daar en boven uit deeze handeldrijvende scheepvaart zou trekken, die namelijk, om in een groot aantal goede zeelieden te formeeren.

[II-288-
289-
290]

Toebereidzelen tot mijn vertrek.

De toebereidzelen tot mijn vertrek bestonden alleen in het koopen van een Kibitk[224]. Ik was nu niet meer door het meedeneemen van leevensmiddelen belemmerd, ook was ik zeker van op iedere wisselplaats zo veel te zullen vinden als ik zou noodig hebben; de Heer Gouverneur gaf mij een poradojenei of vrijgeleibrief tot Petersburg. Er wierd vastgesteld dat ik door een soldaat van de bezetting zou vergezeld worden, wiens kloekmoedigheid en getrouwheid beproeft was, en dat een der postbodens van het Cabinet van den Heer Gouverneur Generaal, door wien deeze bijzonder aanbevolen was, zich met mij zou begeeven; ten einde mij op mijn togt door zijn raad en ondervinding de behulpzaame hand te bieden.

[224] Dewijl ik mijn reis zo spoedig mogelijk wilde voleindigen, liet ik het grootste gedeelte mijner goederen in handen van een koopman de Heer Medrédoff, die de beleefdheid had van de bezorging dier goederen op Petersburg wel op zich te willen neemen.

Om hier aan de laatste hand te leggen, verzogt hij mij des avonds bij hem ten eeten; terwijl wij aan tafel zaten, wierd de stad door eene vrij hevige aardbeving getroffen, dezelve duurde twee minuuten, wij wierden zulks aan het vallen der glaazen, en aan het waggelen van onze tafel en stoelen gewaar, alle de klokken van de stad geraakten aan het luijden, en verscheidene schildwagtshuisjes wierden omvergesmeeten. In de eerste verbijstering, vormde men duizenderleie gissingen, over de oorzaak van deezen schok, en daar ik had opgemerkt, dat de beweging of luchtgolving van het zuiden naar het noorden deszelfs richting genomen had, meende men de aanleiding daar toe in de nabuurschap van het meir Baikal te vinden; ik laat dit ter oplossing aan de natuurkundigen over.

1788. Augustus Den 10.

Mijn afreize en laatste trek van de genegenheid van Golikoff voor mij.

Ik nam van den Heer Arsénieff afscheid; zijn zoon en de Heer Dolgopoloff wilden mij volstrekt tot aan de eerste wisselplaats uitgeleide doen, niettegenstaande alle mijne aangewende poogingen om zulks voortekomen; wij stapten in het rijtuig, wanneer den braaven Golikoff geheel in traanen zwemmende, mij smeekte dat ik hem de vrijheid wilde vergunnen om mij even zo ver als die twee Heeren te mogen volgen, dit was voor hem, zeide hij tot mij, de aangenaamste belooning die ik hem kon toestaan; deeze jongste trek van genegenheid doorgriefde mij het hart, en ik ontwaarde dat ik, wanneer ik hem zijn verzoek toestond, niet minder gelukkig was dan hij.

[II-291]

Na dat ik de rivier Angara[225] met een pont was overgevaaren, bereikten wij in weinig tijds de plaats onzer scheiding; terwijl ik mijne dankzeggingen en afscheidsgroet aan den Heer Commandant en de Heer Arsénieff hernieuwde, tragtte Golikoff, zich agter het rijtuig schuil houdende, zijne traanen te verbergen, terwijl hij mij aan de zorg van den soldaat die hem zou opvolgen aanbeval; wanneer mijne paarden in gereedheid waaren, berste eensklaps zijne wanhoop uit, hij schoot toe en omhelsde mijne knieën, onder het uitroepen dat hij mij nimmermeer verlaaten zou. Ik mogt hem bij herhaaling zeggen, dat het niet van mij afhing om hem mêe te neemen, dat hij zulks wel wist, dog niets kon baaten; mijne redeneeringen, mijne vriendelijkheden, niets vermogt op hem om mij los te laaten; men moest hem van mijne voeten en vervolgens van het rijtuig het geen hij gegreepen had, wanneer[II-292] hij mij verloor, afscheuren; nimmer, geloof ik, onderging mijne aandoenlijkheid heftiger aanval, ik vertrok zeer bedroefd; de smert, van de aandrift mijner dankbaarheid niet te hebben kunnen volgen[226] door aan den wensch van dien waardigen man te voldoen, kwelt mij nog heden, en daar blijft mij niets anders overig dan de hoop, dat zulks ter zijner kennis zal komen, want ik durf mij niet vleijen hem eenmaal te zullen wederzien.

[225] Deeze rivier de naam van Tounkoutska aanneemende loopt tot in de Yéneséi (bij de stad Yénéseisk), en ze valt op eenigen afstand van Irkoutsk, in het uitgestrekte meir, het welk de Russen de zee van Baikal noemen; men zegt dat deeze van hooge bergen omringt is, deszelfs water is zoet en de scheepvaart gevaarlijk door de menigvuldige stormen; het deed mij leed dat ik het zelve niet heb kunnen gaan beschouwen.

[226] Ik denk niet dat het noodig zal zijn de levendigheid mijner uitdrukkingen, in het afschetzen van mijne gevoelens voor dien soldaat, te rechtvaardigen; Ik heb niets te zeggen aan hem die, onderricht van de diensten, welken hij mij beweezen heeft, mij deswegens zou willen laaken.

1788. Augustus

Bijzonderheden van mijne reis.

Ik vind mij nu genoodzaakt om van de order, die ik in het opgeeven mijner dagelijksche aantekeningen gehouden heb, aftezien; mijne reis tot Petersburg is zo spoedig volbragt, namelijk van den 10 Augustus tot den 22 September, dat het mij onmogelijk is geweest om dezelve met mijne voorige naauw gezetheid optetekenen; om dezelve reden zal men de kortheid mijner aanmerkingen wel willen verschoonen; het land dat ik doorliep is daarenboven zo menigmaal door getrouwe en bekwaame pennen beschreeven; deeze reizigers hebben zo veel bekoorlijks en belangrijks[II-293] in derzelver verhaalen verspreid, dat men mij van verwaandheid en letterdieverij zou moeten beschuldigen, indien ik ondernam breedvoeriger uitteweiden, over een onderwerp het geen zij grondig onderzogt hebben, terwijl ik naauwlijks de tijd gehad heb om het zelve oppervlakkig te bespiegelen; verscheidene van deeze werken zijn eerst onlangs geschreeven, en de nieuwsgierigheid van den leezer zal daar stof genoeg aantreffen om die te voldoen[227]: Ik zal mij dus bepaalen om van niets anders dan het geen mij in persoon betreft, te spreeken.

[227] Onder deeze schrijvers tel ik Gmelin, Neven, Lepekinn, Ritschkoff, Falk en Georgi, den Abt Chappe, & Pallas; de laatste voor al vereenigt in zijne beschrijvingen, de drie dubbelde verdiensten van naauwkeurigheid, kragtige stijl en de uitgebreidste kundigheden.

Eerst trok ik een kleine streek van Bratskis bewoond, door; zou dit het volk niet zijn het welk door de Franschen Burates genaamd word? Voorbij Oudinsk kwam ik te Krasnoyarsk, alwaar ik vier en twintig uuren stil hield om den as van mijn rijtuig te laaten herstellen; deeze laatste stad ontleent deszelfs naam van den roodachtigen en steilen oever van de Yéniséi die langs deszelfs muuren loopt.

Woestijn van Baraba of Barabinskoi-step.

Vervolgens bereikte ik de woestijn genaamt[II-294] Barabinskoi-step; de dienst van de post word daar door bannelingen van allerleie soort verricht, welkers wisselplaatzen vijf en twintig, en somtijds vijftig wersten de eene van de andere gelegen zijn; deeze ongelukkigen hebben dezelfde levenswijze, als die geenen die mij van Yakoutsk tot aan Péledoni bragten; zij zijn niet gedienstiger, nog minder woest; in luiheid schijnen ze de anderen te overtreffen.

Gewoon aan de vrugtbaarheid, aan den rijkdom der velden in den omtrek van Irkoutsk, bebouwd door de arbeidzaame Starogili kan het oog zich vervolgens niet zonder moeite aan deeze onbebouwde vlaktens gewennen; men gevoeld zich aangedreeven om deeze treurige strijdigheid aan de onverschilligheid van deszelfs snoode bewooners toeteschrijven, hoe zeer men echter wel bemerkt dat de grond onvrugtbaar is; men zou meenen dat de natuur, in overeenstemming met de openbaare wraak die hen vervolgt, zich ten hunnen opzichte eene stiefmoeder betoond; het aardrijk waar heen den arm der gerechtigheid hen verstooten heeft, schijnt hun met weerzin te draagen, haare uitgedroogde schoot onttrekt zich aan derzelver bebouwing.

1788.

Voorval in deeze woestijn.

Mijne postbode die den rang van Sergeant had, behandelde deeze ellendigen niet met die bescheidenheid als wel gevoeglijk was; om zich te doen[II-295] gehoorzaamen, deelde hij dikwils stokslaagen uit, en mijne vertoogen dien aangaande konden hem van zijne haastigheid niet geneezen, welke hij gewoon was zijne dagelijksche zonden te noemen. Eens ontkwam hij het gevaar om die op eene schrikkelijke wijs te moeten boeten; aan een wisselplaats gekomen, vonden wij geen paarden; de man welke dien dag den dienst moest waarneemen, had de strafwaardige stoutmoedigheid gebruikt om hooij te gaan haalen; twee uuren verliepen er; niemand kwam te voorschijn, en mijn courier neemt het besluit om van mijn soldaat verzeld, paarden te gaan zoeken, met het vaste voorneemen om zich van de eerste die zij vinden zouden meester te maaken; na verloop van een half uur kwamen zij zeer bezweet terug, mij maar één paard aanbrengende; om ’er zich meester van te maaken, waaren zij genoodzaakt geweest van te vegten; terwijl zij bezig waaren met mij te verhaalen hoe zich de zaak toegedraagen had, kwam hij, die zij als den aanvaller voorstelden, naar mij toeloopen om zich te beklaagen, dat men hem de helft van zijn baard afgescheurd had; op het zelfde oogenblik wierd ik van meer dan vijftig persoonen omringd, die ik niet wist van waar ze gekomen waaren, want toen ik in het dorp aankwam, hadden wij niemand dan den Starost kunnen ontdekken; Ieder[II-296] overlaadde om het zeerst mijn courier met scheldnaamen; ik had lang werk eer ik gehoor kon krijgen; deeze in plaats van mij te helpen om de gemoederen tot bedaaren te brengen, word onze postillon gewaar die van het veld te rug kwam; hij loopt naar hem toe, en zijn arm doet hem het verwijl dat hij ons veroorzaakt had duur betaalen; de man met de afgescheurde baard wilde zijn makker wreeken, dog op bevel van mijn sergeant courier, wist mijn soldaat hem zulks te beletten, en ik zag mij genoodzaakt om hem uit zijne handen te verlossen; door geweldig schreeuwen, door bidden en smeeken, bragt ik eindelijk de strijdenden tot bedaaren; Ik had alle reden om over mijne gemaatigdheid, te vreden te weezen; de getuigen waaren woedende over de behandeling, hun gebuur aangedaan; ongetwijffeld zouden zij ons vermoord hebben, indien ik niet op staande voet, aan mijne twee onbedagtzaame, bevoolen had, van naar mijn rijtuig weder te keeren, en onzen voerman aantezetten om zijne paarden voortespannen; men wilde hen vervolgen, dog het gelukte mij de meenigte tegen te houden, en zij geraakten met eenige scheldnaamen vrij; zo dra ik de misnoegden ter neer gezet had, spoedde ik mij om bij mijn Kibitk te komen, en rekende mij eerst in veiligheid wanneer ik buiten hun bereik was.

[II-297]

Aankomst te Tomsk.

Ik was zeer bevreest dat deeze gebeurtenis rugtbaar zou worden; echter wierd ik tot aan de stad Tomsk, alwaar deeze woestijn eindigt, geen het minste blijk van beweeging gewaar; mijne luiden brandende van begeerte om derzelver klagten voor den Capitein Ispraunik te brengen, riepen mij tot mijn uiterste leedweezen tot getuige; dien Officier deed mij de gevaarlijke gevolgen van deeze zaak begrijpen, en de onmogelijkheid om de goede order en de ondergeschiktheid te kunnen bewaaren, indien deeze bannelingen van Baraba niet gestrengelijk gestraft wierden: dienvolgens was zijn voorneemen om zich naar de plaats te begeeven ten einde een voorbeeld te stellen.

Wie de Commandant was.

Mijn bezoek bij den Commandant van Tomsk deed mij welhaast dit onaangenaam voorval vergeeten. Ik vond in hem een Franschman genaamd de Heer de Villeneuve: hij bekleed den rang van Colonel; hij ontving mij als een landsgenoot, en dit is genoeg gezegd om een begrip te kunnen vormen van onze onderlinge blijdschap wanneer wij elkander zagen; het scheen mij toe als of ik reeds voet in Frankrijk gezet had.

Aanmerking over de stad Tomsk.

Tomsk is vrij fraaij; een gedeelte van de stad ligt op eene hoogte alwaar het huis van den Commandant de meeste vertooning maakt, het ander daald nederwaards tot aan de rivier Tom;[II-298] ik bleef ’er niet langer dan noodig was om de wielen van mijn rijtuig te doen vermaaken.

Ontmoeting van bannelingen naar Nertschinsk gezonden.

Ik ontmoette verscheiden benden van bannelingen of galeiboeven,[228] en men waarschuwde mij van op mijne hoede te zijn; daar ’er zeer dikwils ontsnappen, zijn de boeren genoodzaakt dezelve zo wel plichtshalven als tot hunne eigen veiligheid optezoeken; niets is inderdaad gemaklijker voor deeze bannelingen dan op den weg te ontsnappen; ze worden wel door wagten begeleid, dog nooit aan elkander geketend; Ik heb er tot tagtig toe in de bosschen gezien die dezelfde bestemming hadden; zij waaren in hoopen van vier, vijf, zes mannen en vrouwen gescheiden, die den een den ander somtijds op den afstand van twee of drie wersten volgden; die galeiboeven worden vervolgens in de verschillende mijnen van Siberien verdeeld; deeze gingen naar Nertschinsk.

[228] Onder dit getal bevonden zich eenige persoonen van aanzien.

Overtogt van de Ob of de Obi.

Ik moest de voornaamste rivieren van deeze provincie overvaaren, als de Oka, de Yéneséi, de Tom, de Obi welke de Russen de Ob noemen; Op deeze laatste liep ik groot gevaar in een kleine pont die in zulk een slegten staat was, dat ze in het midden van de rivier vol water liep;[II-299] wij zouden ons niet gemaklijk hebben kunnen redden, indien ik niet de voorzorg gebruikt had van aan die pont, een nog kleinder schuitje vastgemaakt te hebben, en zo de bewooners van den anderen oever ons niet spoedig vaartuigen aangebragt hadden.

Komst te Tobolsk, en beschrijving van de stad.

Voor dat ik te Tobolsk aankwam, toog ik tweemaal over de Irtisch, de laatste bij de mond van de Tobol; deeze hoofdstad tusschen die twee vloeden gelegen, moet één der fraaijste steden van Siberien geweest zijn, dog zij was onlangs een prooij der vlammen geworden, waar door het grootste gedeelte der stad in assche was gelegd; te vooren was ze in twee-en verdeeld, in de laage en hooge stad: de eene gebouwd op het plat van een berg vertoonde verscheide fraaije steenen gebouwen; het andere bestond uit houten huizen, die de eerste door de vlammen verteerd wierden; langzaamerhand sloegen ze over naar het bovenste gedeelte van de stad en de steenen gebouwen, alwaar ze niets dan de muuren overlieten; Ik was dit treurig schouwspel niet wagtende, het maakte eene zo levendige als diepe indruk op mij; nimmermeer zal ik het verbijsterd gelaat vergeeten der ongelukkige inwoonders die, van de grootste tot de kleinste, met allen iever, dog in een diep stilzwijgen aan den arbeid waaren, om derzelver verlies te herstellen;[II-300] reeds begonnen de overblijfzels der verwoestingen door het vuur aangericht te verdwijnen, en men zag de eerste beginzelen van eenige huizen en winkels oprijzen, alle in steen herbouwd: het is waarschijnlijk dat het overige van deeze stad even hegt en sterk zal hersteld worden.

Catherinenburg; Goudmijn in deszelfs omtrek.

Wanneer ik dezelve verliet, trok ik voor de derdemaal de Irtisch over, om mij naar Catherinenburg of Yékatherinbourg te begeeven, alwaar ik vier en twintig uuren verbleef, ten einde de noodige verbeeteringen aan mijn rijtuig te laaten maaken; ik maakte van die tijd gebruik om een goudmijn in den omtrek te bezoeken, als meede de plaats alwaar men het koper geld slaat.

Aanmerking wegens de Tartaaren.

Ik zal den leezer wederom naar de schrijvers, die ik aangehaald heb verwijzen, om eene beschrijving te erlangen van de Tcheremissische, Tchouvaschissche, Votiaguissche en Tartarische Volkplantingen; Ik zal alleen omtrent deeze laatste zeggen, dat de zindelijkheid van het inwendige hunner wooningen mij verwonderd heeft; ongetwijffeld om dat ik mij een weinig te gemeenzaam met het tegengestelde gebrek onder de Kamschatters, Koriaken &c. gemaakt had; deeze Tartaaren hebben vaste woonplaatsen, zijn landbouwers en vermoogend in Graanen en Vee; zij belijden de Mahometaansche Godsdienst.

[II-301]

Kapzel der Tcheremissisch.

Het Kapzel der Tcheremissisch kwam mij zeer zonderling voor; dit is een stuk uitgebeiteld hout, van agt a tien duim lang en vier a vijf breed, het welk men bijna aan de wortel der hairen plaatst, zodanig dat het bovenste gedeelte van dit soort van kussen (toque) een weinig over het voorhoofd heen hangt, men maakt het zelve vast, vervolgens omwind men het met een witte neusdoek, die geschilderd of geborduurd is; de hardste couleuren, de tekeningen die het meest opgevuld zijn, genieten de voorkeur, en eene breede franje of een gouden of zilveren kant, naar maate van de pracht of het vermogen der bijzondere perzoonen, omzoomt deeze neusdoek, die zeer groot is en agterwaards afhangt; wat de kleeding aangaat, ik kan dezelve niet beter vergelijken dan met onze nagtjaponnen.

Ontmoeting van Heidens.

Eene Caravaane van heidens (Bohémiens) die ik ontmoette, zeide mij, terwijl zij mij tevens om geld vroegen, dat zij een kleine streek gingen bevolken en ontginnen op den oever van de Wolga niet ver van Saratoff.

De stad Casan.

De noodzaaklijkheid om mijn paspoort door de Gouverneur van Casan te laaten onderzoeken, en de moeijelijkheid om paarden te bekomen, dewijl ik aldaar laat aangekomen was, deed mij tot den dag in deeze stad verblijven; de Wolga die deszelfs muuren bespoeld, maakt deszelfs ligging[II-302] aangenaam; deszelfs huizen zijn meest van hout, en de Kerken van steen: men verhaalde mij dat zij de zetel van een Aartsbisschop is.

Ongeval mij bejegend.

Aan geene zijde van de Wolga[229], eene rivier beroemd om deszelfs scheepvaart, en die in de Caspische zee uitwatert, reed ik voorbij de steden Kouzmodémiansk en Makarieff; deeze laatste vermaard door deszelfs lijwaat fabrieken is eigentlijk maar een vlek; Ik was niet ver van daar, en zo even het gevaar van een waggelende en slegt vastgemaakte brug ontkomen, wanneer mijne onverduldigheid mij bijna het leeven kostte; mijn postillon gaande gemaakt, door mijne herhaalde aanporringen, voerde mij zeer spoedig voort[230]: op eenmaal hoor ik tegens de bak van mijn Kibitk slaan; ik stak het hoofd buiten en ontfing een slag die mij in mijn rijtuig werpt; Een schreeuw van den courier die aan mijn zijde[II-303] was, waarschuwde mij dat ik gekwetst was; In der daad, het bloed stroomde langs mijn voorhoofd; men hield stil en ik stapte van het rijtuig, men bevind dat de omkring van een der wielen gebrooken was, en waar van de scherpe kant mij des te sterker getroffen had, naar maate dat wij harder voortreeden; wanneer ik aan mijne wond raakte kwam mij dezelve breed en diep voor; ik meende zelfs te gevoelen dat mijn harssenpan beschadigd was, in een woord, ik beschouwde mijn einde nabij.

[229] Men zegt dat deszelfs oevers door dieven ontrust worden, die mogelijk geene anderen dan de schippers zijn; Ik heb ’er veelen op mijn weg gezien, dog nimmer heeft iemand derzelven mij beledigd.

[230] Dit is een lofspraak die men aan de Russische postillons verschuldigd is; ook word men nergens beter gereden; de reden daar van is dat ze bijna altoos een roes ophebben; In de dorpen, moet men ze na den oogst, uit de Kabacs of kroegen haalen.

Hier kan ik met waarheid zeggen, dat mij de woorden ontbreeken om mijne overmaatige wanhoop afteschetsen; na zo veel tegenspoed, na zo veele gevaaren te boven gekomen te zijn, nu ik eerlang Petersburg meende te bereiken, waar na ik vierig verlangde om den besten der vaders aan mijn hart te drukken, die ik in geen vier jaaren gezien had; op het punt van in mijn Vaderland wedertekeeren; van mij van mijne zending te kunnen kwijten, door de overgifte van mijne belangrijke brieven; en in dit oogenblik te gelooven van door den doodelijke slag getroffen te zijn! Verbijsterd door deeze bedenking, voelde ik mijne knieën waggelen, mijn hoofd omdraaijen; Gelukkig deed mij de aangebragte hulp van mijn gezelschap tot mij zelfs komen; ik greep moed, deed mij het hoofd met een doek[II-304] sterk vastbinden, het wiel wierd zo goed mogelijk vermaakt, en wij bereikten spoedig de laatste wisselplaats voor Nijenei-novogorod.

Ik liet mijn Kibitk in dit dorp, onder de bewaaring van mijn soldaat, aan wien ik bevel gaf om dezelve te doen vermaaken, en ze mij in de naaste stad wedertebrengen; terwijl men voor mij een post rijtuig aanspande, en daarop mijn kistje laadde, ging ik in een Kabac alwaar men op mijne wond van de sterkste brandewijn goot; en vervolgens stelde eene goede compres mij in staat om de vijfentwintig a dertig wersten afteleggen, die mij nog tot Nijenei-novogorod te doen stonden.

De Chirurgijn Majoor bij wien ik stil hield was afwezig; men bragt mij om hem aftewachten, in een wezentlijke spelonk; de begeerte om onbekend te blijven, en de onzekerheid van mijn toestand deed mij besluiten om mij niet bij den Gouverneur te laaten aanmelden; In den agtermiddag ging ik wederom te vergeefsch bij dien Chirurgijn; verdrietig over mijn lijden zonder te weeten hoe ik mijne kwetsuur zou behandelen, vernam ik of ’er dan niemand was die mij helpen kon; men wees mij naar een podléker of tweede Chirurgijn, die men eindelijk na veel tegenstribbelens van zijne kant bij mij bragt; zijn voorkomen gaf mij geen groot denkbeeld van zijne[II-305] bekwaamheid en maatigheid; hij had al de onbeschoftheid en de waggelende gang van een dronk mensch; echter behield de noodzaaklijkheid om mijne wond te laaten peilen, de overhand op mijne afkeerigheid, om mij aan zodanige handen overteleveren; dog den ellendeling had zijne instrumenten vergeeten; wie zou gelooven dat een speld het sondeeryzer was, het welk hij ter leen vroeg? het onderzoek gedaan zijnde; zeide hij mij al stamerende, dat mijn bekkeneel open, dog in het minst niet beschadigd was, en dat ik door brandewijn met water gemengd er op te doen, mijn reis kon vervolgen; hij wilde mij vervolgens aderlaaten, dan het denkbeeld om mijn arm aan deezen dronkaard te waagen deed mij beeven; na dat ik hem bedankt, betaald en heen gezonden had, stapte ik weer in mijn Kibitk, mij gelukkig achtende, dat ik van de konstbewerking en van hem die ze verricht had, bevrijd was.

Nijenei-novogorod.

Nijenei-novogorod ligt zo als algemeen bekend is, aan de Wolga, en gelijkt in allen opzichte naar de Russische steeden; men beroemde zich, bij mijn doortogt van aldaar een troup nationaale toneelspeelers te bezitten.

1788. September.

Komst te Moscou.

Wanneer ik Wladimer verliet, bereikte ik spoedig Moscou; de fransche Vice-Consul de Heer de Boffe, deed al wat in zijn vermogen was om de bekwaamste heelmeesters optezoeken, ten einde[II-306] mijne kwetsuur te onderzoeken; zij stelden mij allen gerust, hoe zeer ik vrij hevige hoofdpijnen gewaar wierd; Ik was des te meer daar over opgebeurt, dat ik deswegens niets te vreezen had, dewijl ik terzelfder tijd eene nieuwstijding vernam die anders wel geschikt was om mijne smerten te vermeerderen; de Heer de Boffe verhaalde mij, dat mijn vader zich niet te Petersburg bevond; dierhalven, zou ik in de vooronderstelling dat ik gevaarlijker getroffen, en dat die stad de eindpaal mijner reis en van mijnen loopbaan zou geweest zijn, de vertroosting zelfs niet genooten hebben, van mijn leeven in de armen van hem te eindigen, aan wien ik het zelve verschuldigd was.

Aankomst te Petersburg.

Dewijl mijn rijtuig geheel in wanorder was, liet ik dat te Moscou agter, van waar ik met postrijtuig vertrok die telkens verwisselden, deeze waaren zo klein en ongemaklijk, dat ze ons zelfs niet voor de regen beveiligden; Ik trok door Twer, Vouischnei-Volotschok, Novogorod en Sophia digt bij Tsarsko celo gelegen,[231] en ik kwam des nagts van den 22 September te Petersburg; na dat ik in veertig dagen zes duizend wersten had afgelegd, waar onder ’er nog agt[II-307] in noodwendige rustplaatsen verlooren waaren geraakt.

[231] Deeze steeden zijn bekend; ik ben zo spoedig doorgereist, dat ik ze naauwlijks heb kunnen bezichtigen.

1788. September Den 23.

Ingevolge de bevelen van den Heer Graaf de la Perouze, overhandigde ik mijne brieven in handen van den Heer Graaf de Ségur, Minister Plenipotentiaris van den Koning bij de Keizerin; Ik had het geluk genooten van hem bij zijn aankomst in Rusland te leeren kennen, en ik rekende het onder de aangenaamste gebeurtenissen mijnes leevens van hem te Petersburg wedergevonden te hebben, om mij over de afwezigheid van mijn vader eenigzints te troosten. Niet alleen onthaalde mij die minister op het allervriendelijkst, maar hij zorgde daar en boven met eene belangneemende genegenheid voor mijne gezondheid; hij bood mij een zijner couriers aan, om mij op het overige van mijne reis te vergezellen en voor mij zorge te draagen; daar ik echter door de hulp van zijn heelmeester volkomen genezen was, bedankte ik de Heer Graaf de Segur voor zijn verplichtend aanbod, dewijl ik hem van geen man wilde berooven, wiens dienst hij noodig zou kunnen hebben.

1788. September.

Van zijne brieven voorzien, vertrok ik den 26 tusschen elf uuren en middernagt; Ik wierd twee dagen te Riga opgehouden door op nieuws genoodzaakt te zijn van mijn rijtuig te laaten herstellen; te Memel, moest ik agt uuren verliezen,[II-308] eer de schippers bewogen konden worden, om mij den arm van de zee genaamt Courich haff in een storm overtezetten; Ik sliep te Berlijn, dewijl de Heer Graaf d’Esterno Minister Plenipotentiaris van den Koning aan dit hof, zijn verlangen betoond had om mij ook zijne brieven aantebetrouwen; Ik wierd wegens dit kort verwijl rijkelijk schadeloos gesteld, door de vleijendste aangenaamheden, die mij van wegens dien gezant bejegenden.

October. Den 17.

Komst te Versailles.

Eindelijk zag ik mijn Vaderland weder, en den 17 October des namiddags ten drie uuren kwam ik te Versailles; Ik stapte van mijn rijtuig voor de wooning van den Heer Graaf de la Luzerne, Minister en Staatssecretaris van de Zeemagt; Ik had de eer niet van bij hem bekend te zijn, dog de uitneemende goedgunstigheid waar meede hij mij ontfing, bereidde dadelijk mijn hart tot die dankbaarheid, welke ik hem in zo veele opzichten verschuldigd ben; in mijne oogen bestond de uitsteekende gunst die hij mij bewees, daarin dat hij mij dien zelven dag nog de eer verschafte van aan zijne Majesteit voorgesteld te worden, die zich verwaardigde om mij over verscheidene zaaken en omstandigheden betreklijk mijn reis te ondervraagen, om mij deszelfs verlangen te betuigen van ’er alle de bijzonderheden van te kennen, en in mij den volgenden dag daar[II-309] voor de belooning te schenken, met mij tot Consul te Cronstadt te benoemen; eene belooning mij des te dierbaarder, dewijl daar door de lofspraak, des betoonden ievers van mijn geheele geslacht zo in de burgerlijke als staatkundige bedieningen, die aan het zelve zijn toevertrouwd geweest, hernieuwd en voltooid wierd.


[II-310]

AFSCHRIFT

Der Verklaaring mij van den Heer Kasloff Ougrenin, Colonel en Bevelhebber van Okotsk en Kamschatka gegeven.

Ik verklaar dat de Heer de Lesseps, vice Consul van Frankrijk te Cronstadt, genoodzaakt is geweest van zich in verscheidene plaatzen optehouden, en wel om de volgende redenen.

1. Te Bolcheretsk den 7/18 October 1787 aangekomen zijnde, heeft hij daar dien tijd waar in de sleedevaart kon begonnen worden afgewacht, buiten welke ’er geen mogelijkheid is om de reis van Kamschatka naar Okotsk over land te onderneemen; de sleedevaart en het bevriezen der rivieren is op het einde van November begonnen.

2. Hij zou vertrokken zijn, indien ik daartoe mogelijkheid had gezien, dog de geduurige en geweldige stormwinden, die van het begin van November tot aan het einde van December geheerscht hebben, zijn hem daar in hinderlijk geweest; daar zijn zeldzaam te Bolcheretsk twee dagen voorbij geloopen, of wij ondervonden ’er zulke heftige buijen, dat het gezicht zich naauwlijks zes of agt treden ver uitstrekken kon; de[II-311] Kamschatters zelfs kunnen geduurende dezelve hunne reizen niet vervolgen, maar zijn somtijds verplicht van in het open veld stil te moeten houden.

Ik oordeelde het van mijn plicht om de Heer de Lesseps te waarschuuwen van het gevaar het welk daar in gelegen was, om voor en aleer dat dit aanhoudende slegte wêer voorbij was, eene gevaarlijke en in zich zelfs moeijelijke reis te onderneemen, en daar door misschien de brieven te verliezen, waar meede hij voor het hof van Frankrijk gelast is; daar en boven heb ik hem verzekerd, dat dewijl ik zelfs verplicht was om zo dra mogelijk naar Okotsk terug te keeren, ik hem als dan onder mijne bescherming meede zou neemen, en dat wij ons niet zouden ophouden dan volstrekt onvermijdelijk was.

3. In die tusschentijd, is de Heer de Lesseps van eene zeer hevige buikloop aangevallen, deszelfs ziekte heeft negen weeken geduurd en heeft hem zeer verzwakt.

4. De hongersnood die onder de honden op de westkust van Kamschatka geregeerd had, heeft ons genoodzaakt om verscheide omwegen te nemen, en eenen langen tijd de oostkust te moeten volgen.

5. Wij wierden genoodzaakt om in een dorp[II-312] of Ostrog genaamt Poustaretsk, en zeshonderd wersten van de stad Ingiga afgelegen, stil te houden; wij kwamen daar den 26 Februarij; Ik maakte van alle mogelijke middelen gebruik om spoedig van daar te vertrekken, dog de honden, de leevensvoorraad en de verdere onderstand die ik wachtende was, niet komende opdagen, besloot ik de Heer de Lesseps op den 7/18 Maart met kleine sleeden in dat land in gebruik, te laaten vertrekken. Ik wierd hier toe in de mogelijkheid gesteld, door dat hij met weinig reisgoed bezwaard was, en door het aanspoelen van een walvisch aan den zee oever, waar van ik stukken deed afsnijden om zijne honden te voeden; en ten einde hij geene beletzelen in het ostrog van Kaminoï door Koriaken bewoond, op welken wij juist niet veel vertrouwen kunnen stellen, zoude ontmoeten, heb ik de Heer Capitein Smaleff bewoogen om hem derwaards te vergezellen; Ik heb hem aan alle de plaatzen waar hij doortrekken moest aanbevolen, en hem zo veel hulp als in mijn vermogen was toegebragt om zeker en spoedig voorttereizen; dog terzelver tijd heb ik niet kunnen afzijn van hem te waarschuwen, dat hij zich veel zwaarigheden en vermoeijenissen tot op zijn komst te Okotsk moest voorstellen; Ik heb hem daar en boven verzekerd, dat[II-313] hij het einde van dit jaargetij zou moeten afwachten; eer hij zich van Okotsk naar Yakoutsk zou kunnen begeeven, dewijl de wegen tusschen deeze twee steeden volstrekt onbruikbaar, of ten minsten ten uitersten gevaarlijk geduurende de winter zijn, uit hoofde van de zeer groote meenigte sneeuw waar meede dezelve overdekt zijn.

In kennisse daar van heb ik deeze getekend, met het keizerlijk zegel van mijn departement gezegeld, en meede door de Heer Smaleff, Capitein Inspecteur van Kamschatka doen ondertekenen.

Gedaan in het Ostrog van Poustaretsk den 12/23 Maart van den jaare duizend zeven honderd en agt en tagtig.

Het bovenstaande geschrift voorgelezen en goedgekeurd, en aan den Heer Smaleff vertolkt. Getekend Grégoire Kasloff Ougrenin, Colonel en Bevelhebber van Okotsk en Kamschatka.

Hier is in het Russisch gescbreeven, Vassili
Smaleff
, capitan ispravnik.

Verklaaring van den Commandant van Okotsk.

De Heer de Lesseps is den 25 April (5 Maij) 1788 te Okotsk, zeer vermoeid en ongesteld van[II-314] zijne reis aangekomen; zijn voorneemen was echter om dadelijk weer te vertrekken, en van de nog overige tijd waar in de sledevaart kon geschieden, gebruik te maaken tot aan het kruis van Yudoma, van waar hij bij de ontdooijing der rivier Yudoma, dezelve te water kon afzakken; Ik wendde alle poogingen aan om hem daar in de behulpzaame hand te bieden; de honden en alles wat hij voor de reis nodig had was in gereedheid, dog het slegte weder hield ons te rug: het zelve was door een hevige dooij die niet ophield, en die in weinig dagen de wegen onbruikbaar maakte, veroorzaakt; Ik hoopte, niettegenstaande dit toeval, dat de vorst nog eenige nagten zou aanhouden, en dat hij daar van gebruik kon maaken, het welk in dit jaargetij zeer dikwils gebeurt; deeze had geen plaats, en het was voor de Heer de Lesseps onmogelijk om te vertrekken; zelfs ondernam hij om zich op weg te begeeven, dog hij was, gelijk ik wel verwacht had, genoodzaakt te rug te keeren, hebbende de wegen en rivieren verschriklijk en met water overdekt gevonden; wij bedagten toen een ander middel, dog hier meede moest gewagt worden tot dat de rivieren ontdooijt waaren, en de sneeuw eenige plaatzen op de velden ontbloot had, ten einde een weinig voedzel voor de paarden te kunnen[II-315] bekomen; dit was het eenigste middel, waar van hij gebruik kon maaken wanneer hij op den 25 Junij vertrok, terwijl hij zich echter blootstelde om een gedeelte zijner paarden door gebrek te zullen verliezen; hij stemde geenzints vrijwillig onder geen voorwendzel hoe genaamd, om zo veel tijds hier te verblijven, en ik besloot om de beste of om beter te zeggen de minst slegtste paarden te doen opzoeken en uitkiezen, en om hem op het eerste gunstige tijdstip te laaten vertrekken, namelijk wanneer het meeste water zou afgeloopen zijn; Ik was over den spoed van zijnen togt zedert het Ostrog van Poustaretsk verbaasd, alwaar hij de Heer Kasloff verliet die nog niet aangekomen is, het zij dat die door de wegen of het jaargetij opgehouden word, of dat de middelen om zijn reis te volbrengen, hem ontbreeken; het besluit dat de Heer de Lesseps genomen had om hem te verlaaten, was het verstandigste en het beste, hij zou die weg nog in korter tijd afgelegt hebben; indien de stormwinden hem geduurende tien agtereenvolgende dagen zulks niet belet hadden.

Ik heb deeze verklaaring, op verzoek van den Heer de Lesseps getekend en afgegeeven, om ten bewijze te dienen zo van de noodzaaklijkheid zijns verblijf in deeze stad; als van de onmogelijkheid[II-316] om met meerder spoed in dit land vooral in dit jaargetij, te kunnen reizen.

Gedaan te Okotsk, den zes en twintigsten Maij (5 Junij) van den jaare duizend zeven honderd agt en tagtig. Geteekend als het Bevelhebberschap waarneemende, Johan Kokh, Bijzitter.

Einde van het Tweede en laatste Deel.


[II-317]

WOORDENBOEK
DER
KAMSCHATSCHE, KORIAKSCHE,
TCHOUKTCHISCHE en LAMOUTSCHE
TAALEN.


[II-318-
341]

Hollandsch. Russisch. Kamschatsch. Koriaksch. Tchouktchisch. Lamoutsch.
God. Bokh.[232] Douchtéakhtchitch, Kont & Koutka. Kamakliou of Angag. En-iéga. Kh-éouki.
Vader. Otets. Epep. Empitch. Illiguin. Amai.
Moeder. Matt. Engatcha. Ella. Illa. Eni.
Kind. Dittia. Péétch. Kmouiguin. Ninkhai. Khoutean.
Ik. Ja. Kimméa. Guiomma. Guim. Bi.
Naam (van een zaak.) Imea. Kharénétch. Ninna. Ninnéa. Guerbin.
Cirkel of rond. Kroug. Kill la Kil. Kamlell. Kilvo. Miouréati.
De reuk. Doukh. Tchekh outch. Vouï Voui. Vouié guirguiu. Ounga.
Een beest. Zvér. Kazit Kenguiia. Alliougoullou. Illpouilla. Boioun.
Een paal. Koll. Outlept Kouitch. Oupouinpin. Oupinpekhai. Tipiioun.
Rivier. Reka. Kiig. Veiem. Veiem. Okat.
Het werk. Rabota. Kazonem. Jakhitchat guiguin. Tirétirkingûns. Gourgalden.
De dood. Smért. Eranim. Veiaguiguin. Veiéigou. Kokan.
Het water. Voda. Azamkh of Ji. Mima. Mimil. Mou.
De zee. Moré. Ezouk. Ankan. Ankho. Nam.
Berg. Gora. Inzit. Guiéguéi. Neit. Ouraktchan.
Het Kwaad. Boll. Lodorum. Fatch guiguin. Téguél. Eien.
De luiheid. Lénn. Kh-alacik. Kouloumgatomg. Télounga. Ban.
De zomer. Léta. Adempliss. Alaal. Elek. Anganal.
Het jaar. God. Tkhatkhass. Guiviguiv. Guloud. Angan.
Het Heelal. Svétt. Atkhat. Khétchguikhei. Kheiguikei. Guévan.
Het zout. Soll. Peipiem. Yamyam. Teguiou. Tak.
Een os. Bouik. Kezioung. Tchimga. Penvel. Gueldak.
Het hart. Certsé. Guillioun. Lingling. Ling ling. Mévan.
De Sterkte. Cila. Kekhkekh. Nikétvoukhin. Nikatoukhin. Egui.
De gezontheid. Zdràva. Klouvesk. Tmelessvouk. Gué mélevli. Abgar.
Goed. Kharacho. Klioubello. Nimélkhin. Nimelkhin. Aïa.
Kwaad. Dourno. Keiel. Khatkin. Guetkin. Kanioulit.
De Hand. Rouka. Tonno (of) Cettoud. Mouina Galguin. Mouinguit. Gal.
De voet. Noga. Katkha (of) Tkada. Guit Galguin. Guitkalguin. Boudel.
Het oor. Oukho. Aillo (of) Jioud. Vélioulguin. Velioulguin. Gorot.
De neus. Noss. Kekiou (of) Kika. Enguittaam. Ekhkhaiakh. Ogot.
De mond. Rott. Cekcé (of) Kissa. Ikniguin. Guikirguin. Amga.
Het Hoofd. Glava. Khobel (of) Tchouzgea. Léout. Léout. Dél.
De keel. Gorlo. Kouikh. Pilguin. Pilguin. Belga.
Het voorhoofd. Lob. Tchoutschel (of) Tchikika. Kitschal. Kitschal. Omkat.
De tand. Zoub. Kip khépp. Bannalguin. Ritti. Itt.
De tong. Jazik. Ditchel. Lill. Guiguil. Enga.
De elleboog. Lokott. Tallotall. Nitschiouvétt. Kirvouéliin. Etschén.
De vingers. Paltsi. Tkida (of) kik-énn. Télguit. Tchuilguit. Kh-abrr.
De Nagels. Nokhti. Koud (of) Kououn. Véguit. Veguit. Osta.
De wangen. Choki. Aié ioud (of) Pr-énn. Elpitt. Irspitt. Anntschinn.
De hals. Chéia. Khaitt. Ennaïnn. Inguik. Mivonn.
De schouder. Pletcho. Tanioud (of) Tenno. Tilpitt. Tchilpu. Mirr.
De buik. Brioukho. K-Khaïlita. Nannktiénn. Nannkhinn. Ourr.
De Neusgaten. Nozdri. Kanngassounn. Innvalté.   Kh-elon.
De wenkbraauwen. Brovi. Talténn. Litchvétt.   Kh-aramta.
De oogleeden. Réssnitsi. Khenng iatschourenn. Illiatchiguit. Virvitt.  
Het aangezicht. Litso. Gouénng. Liouigoulkhall. Lioulgolkhill. Itti.
De rug. Spina. Karo. Khaptiann. Kheptitt. Neri.
Natuurlyke deelen van de man.   Kallkann.      
Natuurlyke deelen van de vrouw.   Kouappa.      
Het bloed. Krou. Bechlem. Moulliou moul. Moulliou moul. Songuial.
Groot. Véliko. Tgolo. Niméankhin. Nimeankhin. Ekjann.
Klein. Malo. Outchinnélo. Ouppoulioukhin. Niouppoulioukin. Niouktschoukan.
Hoog. Vouissoko. Kran-alo. Niguineguimakhen. Nivlikhin. Gouda.
Laag. Nisko. Disoulo. Nwtokhin. Nuvkhodin. Niatkoukak.
De zon. Solntzé. Koulletch. Tikiti. Tirkiti. Nioultian.
De maan. Méeéts. Kirkh-kirkh. Yalguin. Tschatamoui. Bekh.
Een ster. Zvezda. Ezeng-itch. Lillia Petschan. Eguér. Ossikatt.
De Hemel. Nebo. Kirkh-khell. Kh-igan. Keh iguin. Nian (of) Djioulbka.
Een straal. Loutch. Is-eiguilik. Tikakh-Mouinpen. Tirkhikh-mell. Elganni.
Het vuur. Ogonn. Briououmkhitch (of) Panitch. Mouilguin. Mouiltimouil. Tog.
De hette. Jarr. Kékak. Koutigué létonn. Nitilkhin. Khokhssin.
De stem. Goloss. Khaélo. Koumguikoum. Khoullikhoul. Delgann.
De deur. Dvér. Onnotch. Téllitél. Titil. Ourka.
Een kuil in de aarde. Jama. Khiouép. Zolou ioulguin. Nouterguin. Kengra.
De dag. Dénn. Taaje. Alvoui. Liougiout. Ining.
De nagt. Notsch. Kiounnouk. Nikinik. Likita. Golbani.
Stad. Grad. Attéiim. Gouina. Vouiveu. Gorad.
Het leven. Tizu. Zoït Téném. Kioulgatnguin. Toukoulguiarm. Inni.
Het bosch. Leos. Ou out. Outitou. Ouzit. Khenita.
Het gras. Trava. Chichtch. Biigai. Bagaïling. Orat.
De slaap. Sonn. Caéksn. Miél Khaïtik. Gniilkhétiarïnn. Oukléan.
Boom (of) hout. Drévo. Ou (of) Outé. Outouout. Outtiougout. Mo.
Slaapen. Spatt. Oun ekleni. Kouel Khalangui. Mulkhannik. Oukladai.
Snyden. Rezatt. Lzinim. Koutch viguin. Khitschviguin. Minadai.
Knoopen, vastmaaken. Vezatt. Tratak. Tién Mouiguin. Trémitim. Gadgim.
De maat. Mera. Tiakinioung. Tennmétén. Nigeni. Ilkavann.
Het goud. Zoloto.   Elnipélvouitinn. Tschedlioupouilvouitenn. Mérka.
Het zilver. Srébo.   Elnipelvouition. Nilguikinpouilvouilténn. Méguén.
Een haard. Otchag. Ak kannim. Melguippioulguin. Milguipialguin. Nerka.
Een huis. Domm. Kizd. Ja ianga. Valkarad. Djou.
Het gehoor. Sloukh. Joulloteliim. Tikovalaming. Valioulm. Issni.
Het gezicht. Zrenié. Eltchkioulnim. Tikila ounguin. Mogourkim. Igouroun.
De smaak. Vkouss. Tal-tal.     Amtam.
De reuk. Obonamié. Kheisk. Kot keng. Tikerkin. Moiéni.
Het vel. Koja. Salsa. Nalguin. Nelguin. Iss (of) Nandra,
Staa, Hou op. Stoï. Khimikhtch. Khanni vouilgui. Khvellia. Illé.
Een hond. Sabaca. Kossa. Kh. attaau. Guéttin. Ninn.
Een ei. Jaitso. Dilkhatch. Ligli. Liglig. Oumta.
Een vogel. Ptissa. Disskhilt. Gallia. Gallia. Dei.
Een pen. Péro. Cissioie. Teguelguin. Tégull. Detlé.
De man. Mouje (of) Mouch. Kiskoug. Ouiakhotch. Ouréakhotch. Edi.
De vrouw. Géna. Tigensoutch. Nevgann. Névgann. Achi.
De broeder. Bratt. Tig-a. Khaita kalguin. Khaïta kelguin. Akann.
De zuster. Séstra. Dikhtoung. Tehaa kiguit. Tchakiguitch. Eken.
De liefde. Lioubov. Allokhtel anim. Kekmitcha angui. Nitvaiguim. Goudi moun.
Beminnen. Lioubitt. Tallokhtel azinn. Ekmoukoulniguin. Tchivéatchim. Aia vrovou.
Een brief. Zémlia. Cimmit. Noutelkhen. Noultenout. Tar.
Een gordel. Poïass. Ciitit. Iguit. Ririt. Boïat.
Een steen. Kaminn. Kouall. Gouvién. Vougonn. Djoul.
Geeft. Daï. Katkou. Khinéélgui. Ketam. Omouli.
Ga, ga heen. Padi, padipotsch. Téout. Khallikhatigui. Khél khit. Khourli.
Neen. Niétt. Biinakitlik. Ouinnié. Ouinéa. Atcha.
Ja. Da. Lébell. E. E. Ya.
Drinken. Pitt. Ekoss khoinim. Mouiv vouitschik. Migouts-hi. Koldakou.
De tijd. Vreméa. Tak khit (of) Takkhiiat. Khoulitik. Khouriti. Khéren.
Dik. Tolst. Khaoumouilli. Nooumkhiu. Nioumkhin. Dérom.
Een been. Kost. Kotg amtch. Kh attaam. Ettemkai. Ipri.
Zingen. Pétt. Ang iéssonim. Kagannguiang. Khoulikhoul. Ikann.
Ligt. Légok. Dims khoulou. Ninnakhin. Nimirkoukhin. Aïmkhoun.
Koei. Karova.       Khoukoum.
Schaap (of) Argali. Baram. Koulem. Kitéb. Kétéb. Ouiamkan.
Varken. Svinia. [233]      
Gans. Gouss. Kissouiéss.     Erbatsch.
Eendvogel. Outka. Ditchimatch.     Néki.
Een Gragt (of) Canaal. Rov. Aetchpouinnim. Nota guilguiguin. Nivékhschinkoutérguin. Khouniram.
Vrugt. Plod. Issgatessitch. Sévouinann. Vouinniakhaï. Baldaran.
Hoorn. Rov. Détténn. Innalguin. Aivalkhschléa. Tannia.
Goed. Dobro. Klioubello. Malguiguin. Nimelhhin. Aïa.
Slegt. Khoudo. K’kellello. Kh antkinn. Guerkin. Kannialit.
Wortel. Korén. Jaéngettsch. Nimmakin. Kimgakai. Kh Obkann.
Stam. Pénn. Enni mellokol. Tattkhoub. Outtékhaiguétchvouili. Moudakan.
De schors. Kora. Treltch. Il khelguip.   Ourta.
Wit. Bélo. Guennkaio. Nilgakhin. Nilgakin. Guéltadi.
Rood. Krasno. Tchatch-alo. Neit Tschikhiu. Tchédlione. Khoulania.
Wyn (of) Brandewyn. Vino. Koabkho-azang. Akhamimil. Akamimil. Mina.
Zaaijen. Séiatt.        
Brood. Khléb.        
Haver. Oveuss. [234]      
Rogge. Rosch.        
Dekken. Seritt. Khankhlidinn. Khiniatchéiaguin. Khinvaguini. Djaïram.
Brengen. Nossit. Lénouiarenk. Khinéalguitati. Traïavam. Gue-énounn.
Sleepen. Vozit. Khéningekhich Kouénguinin. Guérévouli. Gue-elbouttiann.
Eikenboom. Doub.        
Schip. Soudno, karable. Tokh, khatim. Atviniakou. Etvou. Tschourna.
Huwelijk. Brak. Ea ittipositch. Konaoutiguing. Matarkinn. Koptonn.
Vlakte. Poléa. Ouskh. Kitilkhin.   Aviann.
Veld. Pachnéa.        
Ploegen. Pakhatt.        
Ploeg. Sokha.        
Egge. Borona.        
Moeite, Ongemak. Troud. Akhltipkonnim. Jakhitchatguiguin. Lioulngatt. Gourgaldénn.
Meisje. Déva of Dévka. Oukhtchitch. Janguianaouv. Nevouitchkhatt. Kh-ounatch.
Jongen. Maltchik. Pekhatchoutch. Ak kapill. Neukhaï. Kh-ourkann.
Duif. Goloub.        
Wagt. Storoje. Annatchourté. Koun oung. Eioulakaï. Etteeram.
Wasdom. Rost.       Goudatch.
Kraamen, in de kraam komen. Rodini. Jouss ass khénizatch. Kmigatalik. Guékmiiél. Baldajakann.
Magt, Wil. Vlast. Inatch kékuaouv. Katvouguiguin. Tschinvo. Ekjéanni.
De avond. Vétschér. Ettém. Anguivénguin. Arguivéiguin. Khisséatchin.
Paard. Konn of Lochat.       Mourak (of) Mourann.
De morgen. Outro. Moukoulass. Jakhimitiv. Réakhmitiv. Badjakar.
Nu. Téper. Eéngou. Ettchigui. Ettchigui. Ték.
Eerder. Préjedé. Koummétt. Inkilép. Ettiol. Djoulléa.
Laater. Possé. Déméll. Javatching. Javatchi. Essiméak.
Gij. Tí. Kizé. Guitché. Guir. Ssi.
Wij. Mouí. Bouze. Mouiou. Mouri. Bou.
Hij. On. Tié. Enno. Inkhann. Nong annioubeï.
Zij. Onna. Tschii. Ennonevitkhet. Inkhann névann. Nong ann achi.
Hun. Onni. Tié nakil. Joutschou. Innkhahast. Kong artann.
Gij lieden. Voui. Souze. Touiou. Touri. Kh-ou.
Hier. Zdéss. Tetchkh. Gouitkou. Vouskou. Ellia.
Daar. Tamm. Ték koni. Nanko. Nenko. Tala.
Zie daar. Vott. Tétk oun. Gout Tinno. Nottkhan. Er.
Baard. Boroda. Elloud. Lelou. Léliout. Tchourkann.
Hairen. Voloss. Tchérakhtcht (of) Koubid. Nitchouvoui. Kirvouitt. Niouritt.
Geschreeuw. Krik. Orang torritch. Koukomgalag. Nikétémérguinéa. Irkann.
Gedruis. Schoumm. Oukh véchtchitch. Kouvitchiguitchiguétok. Joulnorkinn. Ouldan.
Baaren der zee. Volni. Kéga. Kantchiguitang. Guittchguin. Bialga.
Zand. Péssok. Bezzalik. Tchiguéi. Tchigaï. Onéang.
Klei-aarde. Gliria. Kitt khim. Att ann.   Télbak.
Het Groen. Zélénn. Dokhle kralo. Touiévégaï. Tourréguei. Tchoulbann.
Groen. Zélénoié.       Tchoulbalrann.
Aardworm. Tschérf. Gepitch. Enniguém. Enniguén. Oug-ill.
Tak, loot. Souk. Jousstiltch. Elligér.   Garr.
Bladeren. Listi. Bouilt lell. Voutoo outo. Khokhonguit. Ebdernia.
Regen. Dojede. Tchoukh tchou. Moukhémouk. Ront-ti. Oudann.
Hagel. Grad. Koutg atta. Nikbéout. Guéguélironntiti. Bota
Weerlicht. Molnia. Kig Kikh. Kigui guilann.   Agdiou tapkittann.
Sneeuw. Snég. Korell. Gallag-all. Ellg-ell. Imandra.
Koude. Stouja. K-ennétch. Khialguin. Tchagtchénng. Igvénn.
Slijk. Gress. Tcha on esch. Ekékaguiguin. Guékitchkaguerguin. Boullakékh.
Melk. Moloko. Doukh énn. Lioukhéi. Lioukhaï. Oukiouln.
Man. Tschélovék. Krochtcho. Ouiémtevouilann. Khlavoll. Béi.
Oud. Starr. Kizékh Kétlinn. Enn pann. Guénpiévli. Sagdi.
Jong. Molod. Linnétt lék. G-oïitchik. Gorodchik. Nioulsioulkhtchann.
Gaauw. Scoro. Dikh-ak. Innaéï. Jïangué. Oumouchéat.
Zagtjes. Tikho. Dikh-letchoull. Métchinné. Noulméagué. Ett niou Koukann.
Het volk, de menschen. Liudi. Krochtchorann. Toumgou. Nilchikhikhlavoll. Béill.
Hoe? Kak. Libéch. Mintchi. Miniri. Onn.
Waar? Gdé. Binnié. G-aminna. Guémi. Illéa.
Wanneer? Kogda. Ittia. Tité. Tita. Ok.
Wat? Tchto. Enokitch. Inna. R-lakhnout. Ek.
Aan wie? Kémm. Kiouliout. Méki. Mikiném. Ni.
Aan wat, met wat. Tchémm. Enok kaïell. Jouk-khé. Reakh-kha. Etch.
Visch. Riba. Ennitch. Innaénn. Innéa. Olra.
Vleesch. Missa. Talt gall. Khostokvole. Khoratole. Oulra.
Oever. Bérég. Khaïmim. Antchouimm. Tchourma. Kh-olinn.
Diepte. Gloubina. Amm-amm. Nimm Khénn. Nimkhinn. Kh-ounta.
Hoogte. Vouissota. Krann-all. Niguinéguillokhénn. Niélikhinn. Oousski assoukounn.
Breedte. Chirina. Ank lakill. Nalamkhinn. Niougoumkhinn. Demga.
Lengte. Dlina. Joulijel. Nivlikhinn. Nivlikinn. G’onaminn.
Byl. Topor. Kouachou. Khaall. G-algaté. Tobar.
Hof. Rouil. Tezitch. Guitkaouétché. Noultschkhininnbouial. Kh-énguiélrénn.
Wervelwind. Vikhr.        
Storm. Bouréa. Tvetvi (of) pourga. Nouteguinn (of) Pourga. Ménivouial, pourga. Kh oui.
Kh oungua.
Heuvel. Kholm. Tek khoulitch. Ténoup. Néittipell. Kh-oupkann.
Grenzen. Méja.       Khidléa.
Muis. Mouich. Dekhouitch. Pipikhilguin. Pipikhilnik. Tchaliouktchann.
Vlieg. Moukha. Khalimitch. G-alamit. Mrénn. Dilkann.
Spyker. Guozd.       Tidkitinn.
Twist. Brann. Letch khalikalim. Kaouvtchiténg. Nipilvouitoukhinéat. Djargamatt.
Krijgsman. Voïnn. Tesk koullou. Enn Khévlann. Nikétioukhinkhlavol. Tchekti.
Oorlog. Voïnn. Ar-rokhl-konim. Nonn Mitchélangui. Maraourkinatt. Khounniattia.
Baterij. Draka. Loss-komozitch. Kotkinaoutchélaangui. Kousssikatchinn.
Harnas. Lati.   Mitchiguév. Ekh-év. Djboupla.
Verdrag, Overeenkomst. Lad. Killiouch. Kovélevlangui. Ténguég-iarkim. Antaki.
Vréede. Mir. Lomstach. Mitang étvéla. Minvouilimouik. Anmoldar.
Vergenoegd, bekoord. Rad. Khaiouk. Tiguinévok. Teiguég-iarkim. Ariduldiouin.
Dief. Tad vorr. Soukh atchoutch. Koutou lagaïténg. Nitouléakhenn. Djiourminn.
Kuil. Dira. Palp gall. Khénpi. Patriguinn. Kh-angar.
Schenken. Litt. Lioussézitch. Koutag-annguinn. Nékoutéaniét. Ouniétchip.
Kooken. Varitt. Kokazok. Koukoukévong. Khouitik. Oladjim.
Slaapen. Létch. Kh-alitch, Matchégatik. Mingaïtchamouik. Dastchissindum.
Sexe. Pol. Ozatitt. Tchétchaguing.   Kh arann.
Onder. Pod. Cessko.     Erguidalinn.
Boven. Nad.       Oïdalinn.
Zonder. Béz. Innakineuke. Ekh-é. A. Ag idali.
Ongeluk. Béda. Titch Kéink. Tschémgaïkitchoguidinn.   Ourgadou.
Overwinning. Pobéda. Danntch-tchkitchétch. Mouitinntaouvnaou. Guéinnitilim. Dabdarann.
Het weekste en het blankste gedeelte van de boom onder de schors. Béll. Guemkalo. Nivanngam. Nitvanguim. Kh-ouissinn.
Geweest. Boultt. Dellitch. Khilléguil. Tinntinn. Boukoss.
Ys. Léd. Kirvoul. Nilgaguinn. Nilguikhin. Guéltadi.
Slaan. Bitt. Emill tchaliim. Ténnkiplénn. Tratalanvouim. Maddia.
Walvisch. Kitt. Dénn. Jounni. Rég-év. Kalim.
Gevallen, (deelw. van vallen.) Pall. Etkhl khlinn. Vouiéguéi. Vouiééi. Tikrinn.
De damp. Par. Tchounéssétch. Kipil-ating. Nilnik. Okssinn.
Geklag. Volp. K-khanagtch. Kotéinn gatinng. Térnatirinnat. Kh-ogandra.
  Jivo. Zountchitch. Koukioulgtinng. Enguika. Inenn.
Het kwaad. Jlo. Khakaitt hlézitch. Kh-antt kinn. Akhali. Mbouvkatchairann.
Waar. Ili. G-akka. Méttké. Evouirr. Irék.
Aan hun. Imm. Doué énkaldakioul. Euning. Innkhanannténng. Nogordoutann.
Een. Jédin. Dizitt. Ennann. Iniélun. Oumounn.
Twee. Dva. Kaacha. Niiékh. Niréakh. Djiour.
Drie. Tri. Tchook. Niikoah. N-rioukh. Elann.
Vier. Tchétiré. Tchaak. Niiakh. N-rakh. Digoun.
Vijf. Pétt. Kom étak. Mouillanguinn. Mouilliguénn. Tonngonn.
Zes. Schést. Kilik-okk. Ennann-mouillanguinn. Innannmouilliguiénn. Nioungann.
Zeven. Sémme. Ettgatanok. Niiakh-mouillanguinn. Nirakh-mouilliguénn. Nadann.
Agt. Vossémm. Tchokh-otténokh. Niioukh-mouillanguinn. Annvrotkinn. Djépkann.
Negen. Dévétt. Tchak-attanokh. Khonnaï-tchinkinn. Khonatchinki. Ouiounn.
Tien. Déssétt. Tchomkhotako. Mouinéguitkinn. Mouinguikinn. Mér.
Twintig. Dvatsétt. Kaachatcho-khotako. Kh-alik. Khlik-kinn. Djir-mér.
Dertig. Trissétt. Tchook-tchom-khotako. Kh-alikmouinéguitkinn. Klipkinn mouinguitkinn parol. Elak mér.
Veertig. Sorok. Tchaak tchom-khotako. Niékh alik. Nirakh-khlipkinn. Diguén mér.
Vyftig. Pettdéssétt. Kom-iétak-tchom-kho-tako. Niékh alikmouinéguit-kinn. Niérakhkhlipkinn mou-inguitkinn parol. Tongam mer.
Zestig. Schésdéssétt. Kilk-ok-tchom-khotako. Niekh khalik. Nrokhkhlipkinn. Nicoungam mér.
Zeventig. Sem desset. Etgatanokh-tchom-kho-tako. Nioukhalikmouinéguit-kinn. Neurdekhlipkinn mou-innguintkinn parol. Nadann mér.
Taggentig. Vossém desset. Tchokhatténokh-tchom-khotako. Niakh-khalik. Nrakh klipkinn. Djépkann mér.
Negentig. Dévenosto. Tchakh-attanokh-tchom-khotako. Niak alikmouionéguit-kinn. Nrakh klipkinnmouinn-guitkinn parol. Oulonn mér.
Honderd. Sto. Tchom-khotako-tcham-khotako. Mouilanguin khalik. Mouil liguéing khlip-guitkinn. Niata.
Duizend. Tissétcha.   Mouinéguitkinn moui-languin kh-alik. Mouinguitkinn khlipkinn. Ménn namall.
Hollandsch. Russisch. Kamschatsch. Koriaksch.
God. Bokh.[232] Douchtéakhtchitch, Kont & Koutka. Kamakliou of Angag.
Vader. Otets. Epep. Empitch.
Moeder. Matt. Engatcha. Ella.
Kind. Dittia. Péétch. Kmouiguin.
Ik. Ja. Kimméa. Guiomma.
Naam (van een zaak.) Imea. Kharénétch. Ninna.
Cirkel of rond. Kroug. Kill la Kil. Kamlell.
De reuk. Doukh. Tchekh outch. Vouï Voui.
Een beest. Zvér. Kazit Kenguiia. Alliougoullou.
Een paal. Koll. Outlept Kouitch. Oupouinpin.
Rivier. Reka. Kiig. Veiem.
Het werk. Rabota. Kazonem. Jakhitchat guiguin.
De dood. Smért. Eranim. Veiaguiguin.
Het water. Voda. Azamkh of Ji. Mima.
De zee. Moré. Ezouk. Ankan.
Berg. Gora. Inzit. Guiéguéi.
Het Kwaad. Boll. Lodorum. Fatch guiguin.
De luiheid. Lénn. Kh-alacik. Kouloumgatomg.
De zomer. Léta. Adempliss. Alaal.
Het jaar. God. Tkhatkhass. Guiviguiv.
Het Heelal. Svétt. Atkhat. Khétchguikhei.
Het zout. Soll. Peipiem. Yamyam.
Een os. Bouik. Kezioung. Tchimga.
Het hart. Certsé. Guillioun. Lingling.
De Sterkte. Cila. Kekhkekh. Nikétvoukhin.
De gezontheid. Zdràva. Klouvesk. Tmelessvouk.
Goed. Kharacho. Klioubello. Nimélkhin.
Kwaad. Dourno. Keiel. Khatkin.
De Hand. Rouka. Tonno (of) Cettoud. Mouina Galguin.
De voet. Noga. Katkha (of) Tkada. Guit Galguin.
Het oor. Oukho. Aillo (of) Jioud. Vélioulguin.
De neus. Noss. Kekiou (of) Kika. Enguittaam.
De mond. Rott. Cekcé (of) Kissa. Ikniguin.
Het Hoofd. Glava. Khobel (of) Tchouzgea. Léout.
De keel. Gorlo. Kouikh. Pilguin.
Het voorhoofd. Lob. Tchoutschel (of) Tchikika Kitschal.
De tand. Zoub. Kip khépp. Bannalguin.
De tong. Jazik. Ditchel. Lill.
De elleboog. Lokott. Tallotall. Nitschiouvétt.
De vingers. Paltsi. Tkida (of) kik-énn. Télguit.
De Nagels. Nokhti. Koud (of) Kououn. Véguit.
De wangen. Choki. Aié ioud (of) Pr-énn. Elpitt.
De hals. Chéia. Khaitt. Ennaïnn.
De schouder. Pletcho. Tanioud (of) Tenno. Tilpitt.
De buik. Brioukho. K-Khaïlita. Nannktiénn.
De Neusgaten. Nozdri. Kanngassounn. Innvalté.
De wenkbraauwen. Brovi. Talténn. Litchvétt.
De oogleeden. Réssnitsi. Khenng iatschourenn. Illiatchiguit.
Het aangezicht. Litso. Gouénng. Liouigoulkhall.
De rug. Spina. Karo. Khaptiann.
Natuurlyke deelen van de man.   Kallkann.  
Natuurlyke deelen van de vrouw.   Kouappa.  
Het bloed. Krou. Bechlem. Moulliou moul.
Groot. Véliko. Tgolo. Niméankhin.
Klein. Malo. Outchinnélo. Ouppoulioukhin.
Hoog. Vouissoko. Kran-alo. Niguineguimakhen.
Laag. Nisko. Disoulo. Nwtokhin.
De zon. Solntzé. Koulletch. Tikiti.
De maan. Méeéts. Kirkh-kirkh. Yalguin.
Een ster. Zvezda. Ezeng-itch. Lillia Petschan.
De Hemel. Nebo. Kirkh-khell. Kh-igan.
Een straal. Loutch. Is-eiguilik. Tikakh-Mouinpen.
Het vuur. Ogonn. Briououmkhitch (of) Panitch. Mouilguin.
De hette. Jarr. Kékak. Koutigué létonn.
De stem. Goloss. Khaélo. Koumguikoum.
De deur. Dvér. Onnotch. Téllitél.
Een kuil in de aarde. Jama. Khiouép. Zolou ioulguin.
De dag. Dénn. Taaje. Alvoui.
De nagt. Notsch. Kiounnouk. Nikinik.
Stad. Grad. Attéiim. Gouina.
Het leven. Tizu. Zoït Téném. Kioulgatnguin.
Het bosch. Leos. Ou out. Outitou.
Het gras. Trava. Chichtch. Biigai.
De slaap. Sonn. Caéksn. Miél Khaïtik.
Boom (of) hout. Drévo. Ou (of) Outé. Outouout.
Slaapen. Spatt. Oun ekleni. Kouel Khalangui.
Snyden. Rezatt. Lzinim. Koutch viguin.
Knoopen, vastmaaken. Vezatt. Tratak. Tién Mouiguin.
De maat. Mera. Tiakinioung. Tennmétén.
Het goud. Zoloto.   Elnipélvouitinn.
Het zilver. Srébo.   Elnipelvouition.
Een haard. Otchag. Ak kannim. Melguippioulguin.
Een huis. Domm. Kizd. Ja ianga.
Het gehoor. Sloukh. Joulloteliim. Tikovalaming.
Het gezicht. Zrenié. Eltchkioulnim. Tikila ounguin.
De smaak. Vkouss. Tal-tal.  
De reuk. Obonamié. Kheisk. Kot keng.
Het vel. Koja. Salsa. Nalguin.
Staa, Hou op. Stoï. Khimikhtch. Khanni vouilgui.
Een hond. Sabaca. Kossa. Kh. attaau.
Een ei. Jaitso. Dilkhatch. Ligli.
Een vogel. Ptissa. Disskhilt. Gallia.
Een pen. Péro. Cissioie. Teguelguin.
De man. Mouje (of) Mouch. Kiskoug. Ouiakhotch.
De vrouw. Géna. Tigensoutch. Nevgann.
De broeder. Bratt. Tig-a. Khaita kalguin.
De zuster. Séstra. Dikhtoung. Tehaa kiguit.
De liefde. Lioubov. Allokhtel anim. Kekmitcha angui.
Beminnen. Lioubitt. Tallokhtel azinn. Ekmoukoulniguin.
Een brief. Zémlia. Cimmit. Noutelkhen.
Een gordel. Poïass. Ciitit. Iguit.
Een steen. Kaminn. Kouall. Gouvién.
Geeft. Daï. Katkou. Khinéélgui.
Ga, ga heen. Padi, padipotsch. Téout. Khallikhatigui.
Neen. Niétt. Biinakitlik. Ouinnié.
Ja. Da. Lébell. E.
Drinken. Pitt. Ekoss khoinim. Mouiv vouitschik.
De tijd. Vreméa. Tak khit (of) Takkhiiat. Khoulitik.
Dik. Tolst. Khaoumouilli. Nooumkhiu.
Een been. Kost. Kotg amtch. Kh attaam.
Zingen. Pétt. Ang iéssonim. Kagannguiang.
Ligt. Légok. Dims khoulou. Ninnakhin.
Koei. Karova.    
Schaap (of) Argali. Baram. Koulem. Kitéb.
Varken. Svinia. [233]  
Gans. Gouss. Kissouiéss.  
Eendvogel. Outka. Ditchimatch.  
Een Gragt (of) Canaal. Rov. Aetchpouinnim. Nota guilguiguin.
Vrugt. Plod. Issgatessitch. Sévouinann.
Hoorn. Rov. Détténn. Innalguin.
Goed. Dobro. Klioubello. Malguiguin.
Slegt. Khoudo. K’kellello. Kh antkinn.
Wortel. Korén. Jaéngettsch. Nimmakin.
Stam. Pénn. Enni mellokol. Tattkhoub.
De schors. Kora. Treltch. Il khelguip.
Wit. Bélo. Guennkaio. Nilgakhin.
Rood. Krasno. Tchatch-alo. Neit Tschikhiu.
Wyn (of) Brandewyn. Vino. Koabkho-azang. Akhamimil.
Zaaijen. Séiatt.    
Brood. Khléb.    
Haver. Oveuss. [234]  
Rogge. Rosch.    
Dekken. Seritt. Khankhlidinn. Khiniatchéiaguin.
Brengen. Nossit. Lénouiarenk. Khinéalguitati.
Sleepen. Vozit. Khéningekhich Kouénguinin.
Eikenboom. Doub.    
Schip. Soudno, karable. Tokh, khatim. Atviniakou.
Huwelijk. Brak. Ea ittipositch. Konaoutiguing.
Vlakte. Poléa. Ouskh. Kitilkhin.
Veld. Pachnéa.    
Ploegen. Pakhatt.    
Ploeg. Sokha.    
Egge. Borona.    
Moeite, Ongemak. Troud. Akhltipkonnim. Jakhitchatguiguin.
Meisje. Déva of Dévka. Oukhtchitch. Janguianaouv.
Jongen. Maltchik. Pekhatchoutch. Ak kapill.
Duif. Goloub.    
Wagt. Storoje. Annatchourté. Koun oung.
Wasdom. Rost.    
Kraamen, in de kraam komen. Rodini. Jouss ass khénizatch. Kmigatalik.
Magt, Wil. Vlast. Inatch kékuaouv. Katvouguiguin.
De avond. Vétschér. Ettém. Anguivénguin.
Paard. Konn of Lochat.    
De morgen. Outro. Moukoulass. Jakhimitiv.
Nu. Téper. Eéngou. Ettchigui.
Eerder. Préjedé. Koummétt. Inkilép.
Laater. Possé. Déméll. Javatching.
Gij. Tí. Kizé. Guitché.
Wij. Mouí. Bouze. Mouiou.
Hij. On. Tié. Enno.
Zij. Onna. Tschii. Ennonevitkhet.
Hun. Onni. Tié nakil. Joutschou.
Gij lieden. Voui. Souze. Touiou.
Hier. Zdéss. Tetchkh. Gouitkou.
Daar. Tamm. Ték koni. Nanko.
Zie daar. Vott. Tétk oun. Gout Tinno.
Baard. Boroda. Elloud. Lelou.
Hairen. Voloss. Tchérakhtcht (of) Koubid. Nitchouvoui.
Geschreeuw. Krik. Orang torritch. Koukomgalag.
Gedruis. Schoumm. Oukh véchtchitch. Kouvitchiguitchiguétok.
Baaren der zee. Volni. Kéga. Kantchiguitang.
Zand. Péssok. Bezzalik. Tchiguéi.
Klei-aarde. Gliria. Kitt khim. Att ann.
Het Groen. Zélénn. Dokhle kralo. Touiévégaï.
Groen. Zélénoié.    
Aardworm. Tschérf. Gepitch. Enniguém.
Tak, loot. Souk. Jousstiltch. Elligér.
Bladeren. Listi. Bouilt lell. Voutoo outo.
Regen. Dojede. Tchoukh tchou. Moukhémouk.
Hagel. Grad. Koutg atta. Nikbéout.
Weerlicht. Molnia. Kig Kikh. Kigui guilann.
Sneeuw. Snég. Korell. Gallag-all.
Koude. Stouja. K-ennétch. Khialguin.
Slijk. Gress. Tcha on esch. Ekékaguiguin.
Melk. Moloko. Doukh énn. Lioukhéi.
Man. Tschélovék. Krochtcho. Ouiémtevouilann.
Oud. Starr. Kizékh Kétlinn. Enn pann.
Jong. Molod. Linnétt lék. G-oïitchik.
Gaauw. Scoro. Dikh-ak. Innaéï.
Zagtjes. Tikho. Dikh-letchoull. Métchinné.
Het volk, de menschen. Liudi. Krochtchorann. Toumgou.
Hoe? Kak. Libéch. Mintchi.
Waar? Gdé. Binnié. G-aminna.
Wanneer? Kogda. Ittia. Tité.
Wat? Tchto. Enokitch. Inna.
Aan wie? Kémm. Kiouliout. Méki.
Aan wat, met wat. Tchémm. Enok kaïell. Jouk-khé.
Visch. Riba. Ennitch. Innaénn.
Vleesch. Missa. Talt gall. Khostokvole.
Oever. Bérég. Khaïmim. Antchouimm.
Diepte. Gloubina. Amm-amm. Nimm Khénn.
Hoogte. Vouissota. Krann-all. Niguinéguillokhénn.
Breedte. Chirina. Ank lakill. Nalamkhinn.
Lengte. Dlina. Joulijel. Nivlikhinn.
Byl. Topor. Kouachou. Khaall.
Hof. Rouil. Tezitch. Guitkaouétché.
Wervelwind. Vikhr.    
Storm. Bouréa. Tvetvi (of) pourga. Nouteguinn (of) Pourga.
Heuvel. Kholm. Tek khoulitch. Ténoup.
Grenzen. Méja.    
Muis. Mouich. Dekhouitch. Pipikhilguin.
Vlieg. Moukha. Khalimitch. G-alamit.
Spyker. Guozd.    
Twist. Brann. Letch khalikalim. Kaouvtchiténg.
Krijgsman. Voïnn. Tesk koullou. Enn Khévlann.
Oorlog. Voïnn. Ar-rokhl-konim. Nonn Mitchélangui.
Baterij. Draka. Loss-komozitch.
Harnas. Lati.   Mitchiguév.
Verdrag, Overeenkomst. Lad. Killiouch. Kovélevlangui.
Vréede. Mir. Lomstach. Mitang étvéla.
Vergenoegd bekoord. Rad. Khaiouk. Tiguinévok.
Dief. Tad vorr. Soukh atchoutch. Koutou lagaïténg.
Kuil. Dira. Palp gall. Khénpi.
Schenken. Litt. Lioussézitch. Koutag-annguinn.
Kooken. Varitt. Kokazok. Koukoukévong.
Slaapen. Létch. Kh-alitch, Matchégatik.
Sexe. Pol. Ozatitt. Tchétchaguing.
Onder. Pod. Cessko.  
Boven. Nad.    
Zonder. Béz. Innakineuke. Ekh-é.
Ongeluk. Béda. Titch Kéink. Tschémgaïkitchoguidinn.
Overwinning. Pobéda. Danntch-tchkitchétch. Mouitinntaouvnaou.
Het weekste en het blankste gedeelte van de boom onder de schors. Béll. Guemkalo. Nivanngam.
Geweest. Boultt. Dellitch. Khilléguil.
Ys. Léd. Kirvoul. Nilgaguinn.
Slaan. Bitt. Emill tchaliim. Ténnkiplénn.
Walvisch. Kitt. Dénn. Jounni.
Gevallen (deelw. van vallen.) Pall. Etkhl khlinn. Vouiéguéi.
De damp. Par. Tchounéssétch. Kipil-ating.
Geklag. Volp. K-khanagtch. Kotéinn gatinng.
  Jivo. Zountchitch. Koukioulgtinng.
Het kwaad. Jlo. Khakaitt hlézitch. Kh-antt kinn.
Waar. Ili. G-akka. Méttké.
Aan hun. Imm. Doué énkaldakioul. Euning.
Een. Jédin. Dizitt. Ennann.
Twee. Dva. Kaacha. Niiékh.
Drie. Tri. Tchook. Niikoah.
Vier. Tchétiré. Tchaak. Niiakh.
Vijf. Pétt. Kom étak. Mouillanguinn.
Zes. Schést. Kilik-okk. Ennann-mouillanguinn.
Zeven. Sémme. Ettgatanok. Niiakh-mouillanguinn.
Agt. Vossémm. Tchokh-otténokh. Niioukh-mouillanguinn.
Negen. Dévétt. Tchak-attanokh. Khonnaï-tchinkinn.
Tien. Déssétt. Tchomkhotako. Mouinéguitkinn.
Twintig. Dvatsétt. Kaachatcho-khotako. Kh-alik.
Dertig. Trissétt. Tchook-tchom-khotako. Kh-alikmouinéguitkinn.
Veertig. Sorok. Tchaak tchom-khotako. Niékh alik.
Vyftig. Pettdéssétt. Kom-iétak-tchom-kho-tako. Niékh alikmouinéguit-kinn.
Zestig. Schésdéssétt. Kilk-ok-tchom-khotako. Niekh khalik.
Zeventig. Sem desset. Etgatanokh-tchom-kho-tako Nioukhalikmouinéguit-kinn.
Taggentig. Vossém desset. Tchokhatténokh-tchom-khotako. Niakh-khalik.
Negentig. Dévenosto. Tchakh-attanokh-tchom-khotako. Niak alikmouionéguit-kinn.
Honderd. Sto. Tchom-khotako-tcham-khotako. Mouilanguin khalik.
Duizend. Tissétcha.   Mouinéguitkinn moui-languin kh-alik.
Hollandsch. Tchouktchisch. Lamoutsch.
God. En-iéga. Kh-éouki.
Vader. Illiguin. Amai.
Moeder. Illa. Eni.
Kind. Ninkhai. Khoutean.
Ik. Guim. Bi.
Naam (van een zaak.) Ninnéa. Guerbin.
Cirkel of rond. Kilvo. Miouréati.
De reuk. Vouié guirguiu. Ounga.
Een beest. Illpouilla. Boioun.
Een paal. Oupinpekhai. Tipiioun.
Rivier. Veiem. Okat.
Het werk. Tirétirkingûns. Gourgalden.
De dood. Veiéigou. Kokan.
Het water. Mimil. Mou.
De zee. Ankho. Nam.
Berg. Neit. Ouraktchan.
Het Kwaad. Téguél. Eien.
De luiheid. Télounga. Ban.
De zomer. Elek. Anganal.
Het jaar. Guloud. Angan.
Het Heelal. Kheiguikei. Guévan.
Het zout. Teguiou. Tak.
Een os. Penvel. Gueldak.
Het hart. Ling ling. Mévan.
De Sterkte. Nikatoukhin. Egui.
De gezontheid. Gué mélevli. Abgar.
Goed. Nimelkhin. Aïa.
Kwaad. Guetkin. Kanioulit.
De Hand. Mouinguit. Gal.
De voet. Guitkalguin. Boudel.
Het oor. Velioulguin. Gorot.
De neus. Ekhkhaiakh. Ogot.
De mond. Guikirguin. Amga.
Het Hoofd. Léout. Dél.
De keel. Pilguin. Belga.
Het voorhoofd. Kitschal. Omkat.
De tand. Ritti. Itt.
De tong. Guiguil. Enga.
De elleboog. Kirvouéliin. Etschén.
De vingers. Tchuilguit. Kh-abrr.
De Nagels. Veguit. Osta.
De wangen. Irspitt. Anntschinn.
De hals. Inguik. Mivonn.
De schouder. Tchilpu. Mirr.
De buik. Nannkhinn. Ourr.
De Neusgaten.   Kh-elon.
De wenkbraauwen.   Kh-aramta.
De oogleeden. Virvitt.  
Het aangezicht. Lioulgolkhill. Itti.
De rug. Kheptitt. Neri.
Natuurlyke deelen van de man.    
Natuurlyke deelen van de vrouw.    
Het bloed. Moulliou moul. Songuial.
Groot. Nimeankhin. Ekjann.
Klein. Niouppoulioukin. Niouktschoukan.
Hoog. Nivlikhin. Gouda.
Laag. Nuvkhodin. Niatkoukak.
De zon. Tirkiti. Nioultian.
De maan. Tschatamoui. Bekh.
Een ster. Eguér. Ossikatt.
De Hemel. Keh iguin. Nian (of) Djioulbka.
Een straal. Tirkhikh-mell. Elganni.
Het vuur. Mouiltimouil. Tog.
De hette. Nitilkhin. Khokhssin.
De stem. Khoullikhoul. Delgann.
De deur. Titil. Ourka.
Een kuil in de aarde. Nouterguin. Kengra.
De dag. Liougiout. Ining.
De nagt. Likita. Golbani.
Stad. Vouiveu. Gorad.
Het leven. Toukoulguiarm. Inni.
Het bosch. Ouzit. Khenita.
Het gras. Bagaïling. Orat.
De slaap. Gniilkhétiarïnn. Oukléan.
Boom (of) hout. Outtiougout. Mo.
Slaapen. Mulkhannik. Oukladai.
Snyden. Khitschviguin. Minadai.
Knoopen, vastmaaken. Trémitim. Gadgim.
De maat. Nigeni. Ilkavann.
Het goud. Tschedlioupouilvouitenn. Mérka.
Het zilver. Nilguikinpouilvouilténn. Méguén.
Een haard. Milguipialguin. Nerka.
Een huis. Valkarad. Djou.
Het gehoor. Valioulm. Issni.
Het gezicht. Mogourkim. Igouroun.
De smaak.   Amtam.
De reuk. Tikerkin. Moiéni.
Het vel. Nelguin. Iss (of) Nandra,
Staa, Hou op. Khvellia. Illé.
Een hond. Guéttin. Ninn.
Een ei. Liglig. Oumta.
Een vogel. Gallia. Dei.
Een pen. Tégull. Detlé.
De man. Ouréakhotch. Edi.
De vrouw. Névgann. Achi.
De broeder. Khaïta kelguin. Akann.
De zuster. Tchakiguitch. Eken.
De liefde. Nitvaiguim. Goudi moun.
Beminnen. Tchivéatchim. Aia vrovou.
Een brief. Noultenout. Tar.
Een gordel. Ririt. Boïat.
Een steen. Vougonn. Djoul.
Geeft. Ketam. Omouli.
Ga, ga heen. Khél khit. Khourli.
Neen. Ouinéa. Atcha.
Ja. E. Ya.
Drinken. Migouts-hi. Koldakou.
De tijd. Khouriti. Khéren.
Dik. Nioumkhin. Dérom.
Een been. Ettemkai. Ipri.
Zingen. Khoulikhoul. Ikann.
Ligt. Nimirkoukhin. Aïmkhoun.
Koei.   Khoukoum.
Schaap (of) Argali. Kétéb. Ouiamkan.
Varken.    
Gans.   Erbatsch.
Eendvogel.   Néki.
Een Gragt (of) Canaal. Nivékhschinkoutérguin. Khouniram.
Vrugt. Vouinniakhaï. Baldaran.
Hoorn. Aivalkhschléa. Tannia.
Goed. Nimelhhin. Aïa.
Slegt. Guerkin. Kannialit.
Wortel. Kimgakai. Kh Obkann.
Stam. Outtékhaiguétchvouili. Moudakan.
De schors.   Ourta.
Wit. Nilgakin. Guéltadi.
Rood. Tchédlione. Khoulania.
Wyn (of) Brandewyn. Akamimil. Mina.
Zaaijen.    
Brood.    
Haver.    
Rogge.    
Dekken. Khinvaguini. Djaïram.
Brengen. Traïavam. Gue-énounn.
Sleepen. Guérévouli. Gue-elbouttiann.
Eikenboom.    
Schip. Etvou. Tschourna.
Huwelijk. Matarkinn. Koptonn.
Vlakte.   Aviann.
Veld.    
Ploegen.    
Ploeg.    
Egge.    
Moeite, Ongemak. Lioulngatt. Gourgaldénn.
Meisje. Nevouitchkhatt. Kh-ounatch.
Jongen. Neukhaï. Kh-ourkann.
Duif.    
Wagt. Eioulakaï. Etteeram.
Wasdom.   Goudatch.
Kraamen, in de kraam komen. Guékmiiél. Baldajakann.
Magt, Wil. Tschinvo. Ekjéanni.
De avond. Arguivéiguin. Khisséatchin.
Paard.   Mourak (of) Mourann.
De morgen. Réakhmitiv. Badjakar.
Nu. Ettchigui. Ték.
Eerder. Ettiol. Djoulléa.
Laater. Javatchi. Essiméak.
Gij. Guir. Ssi.
Wij. Mouri. Bou.
Hij. Inkhann. Nong annioubeï.
Zij. Inkhann névann. Nong ann achi.
Hun. Innkhahast. Kong artann.
Gij lieden. Touri. Kh-ou.
Hier. Vouskou. Ellia.
Daar. Nenko. Tala.
Zie daar. Nottkhan. Er.
Baard. Léliout. Tchourkann.
Hairen. Kirvouitt. Niouritt.
Geschreeuw. Nikétémérguinéa. Irkann.
Gedruis. Joulnorkinn. Ouldan.
Baaren der zee. Guittchguin. Bialga.
Zand. Tchigaï. Onéang.
Klei-aarde.   Télbak.
Het Groen. Tourréguei. Tchoulbann.
Groen.   Tchoulbalrann.
Aardworm. Enniguén. Oug-ill.
Tak, loot.   Garr.
Bladeren. Khokhonguit. Ebdernia.
Regen. Ront-ti. Oudann.
Hagel. Guéguélironntiti. Bota
Weerlicht.   Agdiou tapkittann.
Sneeuw. Ellg-ell. Imandra.
Koude. Tchagtchénng. Igvénn.
Slijk. Guékitchkaguerguin. Boullakékh.
Melk. Lioukhaï. Oukiouln.
Man. Khlavoll. Béi.
Oud. Guénpiévli. Sagdi.
Jong. Gorodchik. Nioulsioulkhtchann.
Gaauw. Jïangué. Oumouchéat.
Zagtjes. Noulméagué. Ett niou Koukann.
Het volk, de menschen. Nilchikhikhlavoll. Béill.
Hoe? Miniri. Onn.
Waar? Guémi. Illéa.
Wanneer? Tita. Ok.
Wat? R-lakhnout. Ek.
Aan wie? Mikiném. Ni.
Aan wat, met wat. Reakh-kha. Etch.
Visch. Innéa. Olra.
Vleesch. Khoratole. Oulra.
Oever. Tchourma. Kh-olinn.
Diepte. Nimkhinn. Kh-ounta.
Hoogte. Niélikhinn. Oousski assoukounn.
Breedte. Niougoumkhinn. Demga.
Lengte. Nivlikinn. G’onaminn.
Byl. G-algaté. Tobar.
Hof. Noultschkhininnbouial. Kh-énguiélrénn.
Wervelwind.    
Storm. Ménivouial, pourga. Kh oui.
Kh oungua.
Heuvel. Néittipell. Kh-oupkann.
Grenzen.   Khidléa.
Muis. Pipikhilnik. Tchaliouktchann.
Vlieg. Mrénn. Dilkann.
Spyker.   Tidkitinn.
Twist. Nipilvouitoukhinéat. Djargamatt.
Krijgsman. Nikétioukhinkhlavol. Tchekti.
Oorlog. Maraourkinatt. Khounniattia.
Baterij. Kousssikatchinn.
Harnas. Ekh-év. Djboupla.
Verdrag, Overeenkomst. Ténguég-iarkim. Antaki.
Vréede. Minvouilimouik. Anmoldar.
Vergenoegd bekoord. Teiguég-iarkim. Ariduldiouin.
Dief. Nitouléakhenn. Djiourminn.
Kuil. Patriguinn. Kh-angar.
Schenken. Nékoutéaniét. Ouniétchip.
Kooken. Khouitik. Oladjim.
Slaapen. Mingaïtchamouik. Dastchissindum.
Sexe.   Kh arann.
Onder.   Erguidalinn.
Boven.   Oïdalinn.
Zonder. A. Ag idali.
Ongeluk.   Ourgadou.
Overwinning. Guéinnitilim. Dabdarann.
Het weekste en het blankste gedeelte van de boom onder de schors. Nitvanguim. Kh-ouissinn.
Geweest. Tinntinn. Boukoss.
Ys. Nilguikhin. Guéltadi.
Slaan. Tratalanvouim. Maddia.
Walvisch. Rég-év. Kalim.
Gevallen, (deelw. van vallen.) Vouiééi. Tikrinn.
De damp. Nilnik. Okssinn.
Geklag. Térnatirinnat. Kh-ogandra.
  Enguika. Inenn.
Het kwaad. Akhali. Mbouvkatchairann.
Waar. Evouirr. Irék.
Aan hun. Innkhanannténng. Nogordoutann.
Een. Iniélun. Oumounn.
Twee. Niréakh. Djiour.
Drie. N-rioukh. Elann.
Vier. N-rakh. Digoun.
Vijf. Mouilliguénn. Tonngonn.
Zes. Innannmouilliguiénn. Nioungann.
Zeven. Nirakh-mouilliguénn. Nadann.
Agt. Annvrotkinn. Djépkann.
Negen. Khonatchinki. Ouiounn.
Tien. Mouinguikinn. Mér.
Twintig. Khlik-kinn. Djir-mér.
Dertig. Klipkinn mouinguitkinn parol. Elak mér.
Veertig. Nirakh-khlipkinn. Diguén mér.
Vyftig. Niérakhkhlipkinn mou-inguitkinn parol. Tongam mer.
Zestig. Nrokhkhlipkinn. Nicoungam mér.
Zeventig. Neurdekhlipkinn mou-innguintkinn parol. Nadann mér.
Taggentig. Nrakh klipkinn. Djépkann mér.
Negentig. Nrakh klipkinnmouinn-guitkinn parol. Oulonn mér.
Honderd. Mouil liguéing khlip-guitkinn. Niata.
Duizend. Mouinguitkinn khlipkinn. Ménn namall.

[232][232] De Leezer zal wat de Uitspraak betreft wel eens het Voorbericht voor het eerste Deel willen inzien.

[233][233] Ze kennen dit beest in ’t geheel niet.

[234][234] De bovenstaande opengelaaten Regels in de Colommen der Kamschatsche, Koriaksche, Tchouktchische & Lamoutsche Taalen, hebben niet ingevuld kunnen worden bij gebrek van woorden bijzonder aan ieder deezer volkeren; wanneer zij zich in de noodzaaklijkheid bevinden om voorwerpen te benoemen, welke deeze woorden betekenen en die hun vreemd zijn, neemen zij de Russische benaamingen aan.


[II-342-
347]

WOORDENBOEK
DER
KAMSCHATSCHE TAAL
Zo als dezelve te St. Pieter & Paulus en te
Paratounka gesprooken wordt[235].

[235] Hoezeer de taal die men in deeze twee plaatsen spreekt verschilt met die van Bolcheretsk, heb ik nogtans opgemerkt dat men er byna alle de woorden van dit woordenboek verstond.

Hollandsch. Russisch. Kamschatsch.
Afbeeldzel van ten heilig. Obrass. Noukhtchatchitch.
Isba, Russisch Huis. Isba. Kisout.
Venster. Okno. Okno.
Tafel. Stoll. Ouzitor.
Kachel, vuuroven. Petch. Patch.
Onderaardsch huis. Jourta. Kentchitch.
Een Kamschatter. Kamtschadal. Holmatch.
Officier. Afitser. Houizoutchitch.
Tolk. Pérévodtschik. Ka aa touss.
Sleede. Sanki. Skaskatt.
Span de honden voor. Japrégaï sobaki. Kozaps nouzak.
Tuig voor de honden. Alaki. Tennemjeda.
Spiegel. Zérklo. Ouattchitch.
Water. Voda. I, i.
Vuur. Ogoun. Panitch.
Maak vuur aan. Dostann ogoun. Na anidakhtch.
Snaphaan. Fouzeia (of) Roujié. Koum.
Fles. Boutilka. Souala.
Zak. Méchok. Maoutch.
Thee. Tchaï. Amtchaoujé.
Verken. Vilki. Tchoumkoussi.
Lepel. Lochka. Kochpa.
Mes. Nojik. Vatchiou.
Bord. Torélka. Trélika.
Tafellaken. Scatért. Tétakhatt.
Servet. Salfetka. Toutkcha.
Brood. Khléb. Kopkom.
Kamizool. Kamzol. Ikoumtnakh.
Broek. Sehtani. Kouaou.
Kousen. Tchoulki. Païmann.
Laarzen. Sapogui. Kotnokot.
Een soort van laars van zee-wolven vellen of rendieren pooten. Torbassi. Skhvanioud.
Schoen. Bochmaki. Konkot.
Hemd. Roubachka. Ourvann.
Handschoenen. Pértchaki. Kikaskhroulid.
Ring. Persténn. Konnazoutchém.
Geef eeten. Daï iést. Ségcha.
Geef water te drinken. Daï pitt vodi. Kotkoii.
Papier. Boumaga. N, ks.
Boek. Kniga. Kalikol.
Kop. Tchachka. Saja.
Het hoofd. Golova. Tkhouzja.
Voorhoofd. Lop. Tchikika.
Hair. Volossi. Koubid.
Oogen. Glaza. Nadid.
Neus. Noss. Kika.
Mond. Rot. Kissa.
Handen. Rouki. Séttoud.
Voeten. Nogui. Tchkada.
Het lichaam. Télo. Konkhaï.
Wenkbraauwen. Brovi. Titdad.
Vingers. Paltsi. Pkida.
Nagels. Nokhti. Koud.
Wangen. Schtchoki. Abalioud.
Hals. Schéia. Khaïtill.
Ooren. Ouchi. J-ioud.
Schouders. Plétcha. Fanioud.
Muts. Chapka. Khalaloutch.
Gordel. Kouchak. Sitit.
Naald. Igla. Chicha.
Dobbelsteen. Napérstok. Oulioul.
Geef de hand. Daï raukou. Kot Koussoutou.
Neem dit geschenk. Primi prézént. Kamaïti.
Zeer verpligt. Blagodarstvouiou. Déléamoui.
Wast de Hemden. Vouimoui roubachki. Kadmouikh.
Zeep. Mouilo. Kadkhom.
Sabelmarter. Sobol. Komkom.
Vos. Lissitsa. Tchachiann.
Otter. Vouidra. Mouichémouicn.
Haas. Ouchkann. Zaits. Mouis tchitch.
Hermelijn. Gornostall. Deitchitch.
Gans. Gouss. Ksoaiss.
Eendvogel. Outka. Archimouss.
Hen. Kouritsa. Kokorok.
Ooijevaar. Lébéd. Maskhou.
Beeren. Medvéd. Kaza.
Wolf. Volk. Kotaioum.
Koei. Korova. Koouja.
Visch. Riba. Etchiou.
Vleesch. Mésso. Tatal.
Boter. Masso. Kotkhom.
Melk. Moloka. Nokann.
Geef gaauw te eeten. Daï iést-po-skoréié. Kotkotakossassk.
Geef gaauw te drinken. Daï-pitt poskoréie. Tikossosk.
Man. Mouje. Alkou.
Vrouw. Baba, jéna. Kanija.
Dogter. Défka. Outchitchion.
Klein kind. Malinnko robénok. Paatchitch.
Kerk. Tsérkov. Takakijout.
Priester. Pop. Jakatchitch.
Vrouw van de priester. Popadica. Alnatsch.
Bediende van de kerk. Diatchok. Diiatschok.
Kroon in de kerk. Padilo. Kapoutchitch.
Een. Jédinn. Dizk.
Twee. Dva. Kaza.
Drie. Tri. Tsoko.
Vier. Tchétiré. Tsak.
Vyf. Pétt. Koumnak.
Zes. Schést. Kilkok.
Zeven. Sémm. Idakok.
Agt. Vossemm. Tsoktouk.
Negen. Dévétt. Tsaktak.
Tien. Déssétt. Koumoukhtoukh.
Elf. Yédinn nodssét. Dizzkkina.
Twaalf. Dvanassét. Kachichina.
Dertien. Trinadssét. Tchokchina.
Veertien. Tchétiré nadsset. Tchakchina.
Vyftien. Pett nadssét. Koumnakchina.
Zestien. Schest nadsset. Kilkoukchina.
Zeventien. Semnadsset. Paktoukchina.
Agttien. Vossémnadssét. Tchoktouk.
Negentien. Dévétt nadssét. Tchaktak.
Twintig. Dvatssét. Koumkhtouk.
Vyftig. Péttdéssét. Koumkhtoukha.
Hondert. Sto. Koumkhtoukoumkhtoukha.

Einde der Woordenboeken.


Opmerkingen van de bewerker.

De kanttekeningen in het originele werk zijn als titels van secties (data) en paragrafen (beschreven onderwerpen), dan wel als kanttekeningen in deze e-tekst opgenomen, afhankelijk van het format waarin de tekst gelezen wordt.
Interpunctie, spelling, afbrekingen, opmaak, gebruik van accenten, transcripties e.d. zijn overgenomen uit de brontekst, en niet gestandaardiseerd of gecorrigeerd (inclusief de woordenlijsten), behalve zoals vermeld onder Wijzigingen. Persoons- en plaatsnamen worden niet altijd hetzelfde gespeld (bijv. Coock, Cooke en Cook) zonder dat dit tot duidelijk andere uitspraak en dus tot verwarring leidt. De volgende namen (die wel verschillende uitspraken hebben) hebben mogelijk betrekking op dezelfde persoon of plaats: Boulguin en Boulgum, Oumiavin en Bumiavin, Figuil en Tiguil, Kartchina en Katchina, Maklofski en Marklofski, Peledoni en Pelodoni, Podporojenei en Podporejenei, Schmaleff en Smaleff, Tongousen en Toungousen, Ustiug en Usting, Vorokoff en Vorokhoff, Yndoma en Yudoma.
Diverse conversaties: in het originele werk wordt het begin en het einde van de gehele conversatie met aanhalingstekens aangegeven, wisselingen van spreker worden niet met aanhalingstekens aangegeven.
De e-reader omslag is voor deze e-tekst gemaakt, en is in het public domain geplaatst.
Pag. I-177, uit hun om hem te bezoeken: hier lijkt een woord weggevallen (“uit hun midden” o.i.d.).
Pag. II-66, niet minder dan achtenswaardig: dit lijkt strijdig met het vervolg van de alinea.
Page II-259, voetnoot [204]: van het noord-oosten naar het zuid-westen: de Lena stroomt (min of meer) van het zuid-westen naar het noord-oosten.
Pag. II-270, kopees: mogelijk zetfout voor kopecks.
In de woordenlijsten zijn mogelijk verschillende accenten weggevallen; deze zijn niet aangevuld of gecorrigeerd. Enkele woorden zijn meerdere malen in de lijsten opgenomen, soms met verschillende spellingen. De woordenlijsten zijn uit het originele werk overgenomen, en bevatten zeker enige fouten in de Russische woorden.

Wijzigingen.
Voetnoten zijn onder de betreffende paragraaf gezet; de voetnoten in de eerste woordenlijst zijn verzameld onderaan de eerste woordenlijst.
Herhaalde kanttekeningen (datum en plaats) zijn verwijderd; deze werden in het brondocument herhaald als een alinea of datum/plaats op de volgende pagina doorliep. Soms werden ze enigszins korter of iets anders geformuleerd; in dergelijke gevallen is steeds de meest uitgebreide of de duidelijkste versie gekozen. In de bron staan sommige kanttekeningen midden in een alinea, deze zijn naar het begin van de alinea verplaatst, waardoor sommige alinea's beginnen met twee kanttekeningen. Sommig