The Project Gutenberg eBook of De drie steden: Rome

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: De drie steden: Rome

Author: Émile Zola

Translator: Willem Jacob Aarland Roldanus

Release date: February 5, 2020 [eBook #61326]

Language: Dutch

Credits: Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
Gutenberg.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE DRIE STEDEN: ROME ***


[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

DE MEULENHOFF-EDITIE
EEN ALGEMEENE BIBLIOTHEEK
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
TE AMSTERDAM IN HET JAAR MCMXVIII

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

DE DRIE STEDEN
ROME
UITGEGEVEN DOOR J. M. MEULENHOFF
TE AMSTERDAM AAN HET DAMRAK 88

[1]

[Inhoud]

EERSTE HOOFDSTUK

Door verschillende vertragingen tusschen Pisa en Civita-Vecchia kwam abbé Pierre Froment na een moeilijke en vermoeiende reis van vijf-en-twintig uur eerst tegen negen uur ’s ochtends te Rome aan. Hij had slechts een handkoffertje bij zich, sprong, te midden van het gedrang der aankomst, vlug uit de coupé, ontweek, daar hij gaarne alleen zijn en zien wilde, de op hem toeschietende witkielen en droeg zelf zijn lichte bagage. Voor het station, op het Plein der Vijfhonderd, stapte hij in een der langs het trottoir gestationneerde open rijtuigen, zette zijn handkoffertje naast zich en riep den koetsier het adres toe:

“Villa Giulia, palazzo Boccanera.”

Het was 3 September, een Maandag, de hemel was helder, mild en wondermooi-doorschijnend. De koetsier, een klein, rond mannetje, met schitterende oogen en witte tanden, glimlachte, toen hij aan het accent een Franschen priester herkende. Hij legde de zweep over zijn paard en het rijtuig schoot dadelijk voort in den vluggen gang, die deze zoo zindelijke en vroolijke Romeinsche rijtuigjes kenmerkt. Maar bijna onmiddellijk nadat zij de boompjes van het kleine pleintje voorbijgereden en op het plein der Thermen1 gekomen waren, keerde hij zich om en wees, nog steeds glimlachend, wet zijn zweep op de bouwvallen.

“De Thermen van Diocletianus,” zeide hij, als voorkomend koetsier, die er steeds op uit was bij de vreemdelingen in een goed blaadje te komen, ten einde zich van hun clientèle te verzekeren, in slecht Fransch.

Van de hoogten van den Viminalis, waarop het station staat, reed het rijtuigje in snelle vaart de sterk-hellende Via [2]Nazionale af. En van dat oogenblik hield hij niet op, bij ieder monument zijn hoofd om te draaien en er met de zweep op te wijzen. In dat gedeelte van de lange straat waren slechts nieuwe gebouwen. Iets verderop rechts verhieven zich met groen bedekte heuvels, waarop een eindeloos geel en kaal gebouw, een klooster of een kazerne, oprees.

“Het Quirinaal, het paleis van den koning,” zeide de koetsier.

Sedert, een week geleden, tot de reis besloten was, had Pierre alle dagen ijverig op plattegronden en in boeken de topographie van Rome bestudeerd, zoodat hij zich uitstekend had kunnen oriënteeren, zonder naar den weg te vragen. De aanwijzingen van den koetsier had hij dan ook volstrekt niet noodig. Doch de plotselinge dalingen, de onophoudelijke stijgingen, die sommige wijken als in etagevormige terrassen verdeelden, brachten hem toch telkens even in de war. Maar de stem van den koetsier verhief zich, hoewel eenigszins ironisch, en zijn zweep beschreef een wijderen kring, toen hij den naam van een reusachtig, nieuw en nog vochtig gebouw aan den linkerkant wees, een reusachtig blok van steenen, overladen met beeldhouwwerk, gevelversieringen en beelden.

“De Nationale Bank.”

Lager, toen het rijtuigje een driehoekig plein opreed, zag Pierre, opkijkend, tot zijn verrukking op een hoogen, gladden muur een hangenden tuin, waarin het elegante en krachtige profiel van een honderdjarigen piniepijnboom zich in den helderen hemel verhief. Hij voelde den vollen trots en de volle bekoring van Rome.

“De villa Aldobrandini.”

Nog verder en lager deed een vlug en vluchtig visioen zijn geestdrift nog meer ontvlammen. Weer maakte de straat een plotselinge bocht, toen zich plotseling in den hoek een lichte opening toonde. Van boven naar beneden gezien was het een wit plein als een zonneschacht, gevuld met een verblindend goudstof; en in die ochtendpracht rees een reusachtige marmeren zuil, die aan den kant, waar de dagvorstin haar bij haar opkomst in haar stralen baadde, als verguld was. Hij was verrast, toen de koetsier hem den naam noemde, want hij had zich haar niet zoo voorgesteld in dat verblindend witte gat te midden der naburige schaduwen.

“De Trajanuszuil.”

Onder aan de helling maakte de straat een laatste kromming. Steeds weer noemde in de snelle vaart de koetsier nieuwe namen: den palazzo Colonna, welks tuin door slanke [3]cypressen omgeven is; den palazzo Torlonia, voor de helft met den grond gelijk gemaakt ter wille van nieuwe verfraaiingen; den palazzo di Venezia kaal en angstaanjagend door zijn met kanteelen voorziene muren en zijn tragische strengheid van middeleeuwsche, in het hedendaagsche burgerlijke leven vergeten vesting. Tegenover dat onverwachte aspect der dingen nam Pierre’s verbazing steeds toe. Maar vooral werd hij getroffen, toen de koetsier hem triomphantelijk met zijn zweep den Corso wees, een lange, nauwe straat, nauwelijks zoo breed als de Parijsche rue Saint-Honoré, links in den vollen zonneschijn, rechts in donkere schaduwen liggend, terwijl in de verte de piazza del Popolo als het ware een ster van licht vormde: was dat nu het hart der stad, de beroemde promenade, de levende hoofdader, waarheen al het bloed van Rome stroomde?

Reeds sloeg het rijtuigje den corso Victor-Emanuele in, de voortzetting van de Via Nazionale; dat zijn de twee openingen, die van het eene einde der oude stad naar het andere, van het station tot de Heilige-Engelenbrug gesneden zijn. Links lag de ronde apsis van de kerk Il Gesù blond in de vroolijke ochtendzon. Tusschen de kerk en den loggen palazzo Altieri, dien men niet tegen den grond had durven werpen, werd de straat nauwer, kwam men in een vochtige, koude donkerte. Doch daar voorbij, vóór den gevel van de kerk Il Gesù, op het plein, scheen de zon weer verblindend en fel, terwijl in de verte, op den achtergrond van de Via d’Aracoeli, die eveneens in schaduw gehuld was, bezonde palmboomen opschoten.

“Daar ginds ligt het Capitool,” zeide de koetsier.

De priester boog zich uit het rijtuigje, maar hij zag niets dan een groene vlek aan het einde van de donkere steile helling. De plotselinge overgangen van warm licht in koude schaduw deden hem huiveren. Voor den palazzo di Venezia en voor de kerk Il Gesù had hij een gevoel gehad alsof de geheele nacht van lang vervlogen dagen op hem drukte; dan bij ieder plein, bij iedere verbreeding der nieuwe straten was het als een terugkeer in het licht, in de vroolijke, milde warmte van het leven. De stralen van de gele zon vielen langs de daken af en teekenden duidelijk de violette schaduwen af. Tusschen de gevels door zag men plekken diepblauwen, zeer helderen hemel. De lucht, die hij inademde, gaf hem een bijzonderen, onbestemden smaak, een vruchtensmaak, die in hem zijn reiskoorts verhoogde. [4]

Ondanks zijn onregelmatigheid is de corso Victor-Emanuele een zeer mooie, moderne straat; en Pierre kon zich in de een of andere groote stad met groote huurkazernes wanen. Maar toen hij langs de Cancellaria, het meesterwerk van Bramante, het karakteristieke monument in Romeinsche Renaissance, reed, kwam zijn verwondering weer en keerde hij in zijn geest terug naar de reeds geziene paleizen, naar die kale, kolossale en plompe architectuur, die reusachtige steenkubussen, die denken deden aan hospitalen of gevangenissen. Nooit had hij zich de beroemde Romeinsche paleizen zoo zonder gratie of phantasie, zoo zonder uiterlijke pracht voorgesteld. Het was beslist heel mooi, hij zou het ten slotte wel begrijpen, maar hij moest er aan wennen, zich erin leven.

Plotseling verliet het rijtuigje den drukken corso Victor-Emanuele en sloeg kronkelende straatjes in, waarin het slechts met moeite vooruitkwam. Na de heldere zon in de drukte der nieuwe stad kwam de kalmte, de eenzaamheid der slapende en koude, oude stad. Hij riep de plattegronden, die hij bestudeerd had, in zijn geheugen terug en zeide tot zichzelf, dat hij nu in de nabijheid der Via Giulia zijn moest; en zijn steeds grooter geworden nieuwsgierigheid nam nu zelfs zoo toe, dat hij er pijn van begon te krijgen, wanhopig, dat hij er niet dadelijk meer van zag, meer van wist. Zijn verbazing de dingen niet zóó te vinden als hij ze verwacht had, en de schokken, die zijn phantasie kreeg, deden den koortsachtigen toestand, waarin hij zich sedert zijn vertrek bevond, nog erger worden, deden de vurige begeerte in hem ontstaan, om zijn nieuwsgierigheid onmiddellijk te bevredigen. Het was pas even over negenen, hij had den geheelen ochtend voor zich, om zich aan den palazzo Boccanera aan te melden: waarom zou hij zich niet dadelijk naar de klassieke plek, naar den heuveltop rijden laten, vanwaar men geheel Rome op zijn zeven heuvelen zag liggen? Toen die gedachte eenmaal bij hem opgekomen was, kwelde zij hem zóó, dat hij ten slotte eraan toegaf.

De koetsier keerde zich niet meer om en Pierre moest opstaan, om hem het nieuwe adres te geven.

“Naar San Pietro in Montorio.”

De man was verbaasd, scheen hem niet te begrijpen. Met zijn zweep wees hij, dat het daarginds, heel in de verte was. Toen echter de priester bleef volhouden, begon hij weer vriendelijk te glimlachen en knikte amicaal met zijn hoofd. Goed, goed, hij had er niets tegen. [5]

Het paard draafde te midden van den doolhof der nauwe straten in sneller tempo verder. Eerst volgden zij er een, dat als beklemd lag tusschen hooge muren en waarin de zon als onder in een put scheen. Aan het einde ervan werd het plotseling weder licht en staken zij over de oude brug van Sixtus IV den Tiber over. Rechts en links strekten zich in den ravage en tusschen het nieuwe cement der bouwwerken de nieuwe kaden uit. Aan de overzijde was de Trastevere geheel tegen den grond geworpen; het rijtuigje reed langs een breeden weg, die zooals op groote borden te lezen was, den naam Garibaldi droeg, de helling van den Janiculus op. Voor de laatste maal maakte de koetsier zijn gemoedelijk-trotsch gebaar, toen hij den naam van de triomfstraat noemde.

“Via Garibaldi.”

Het paard moest zijn gang wat inhouden, en Pierre, aangegrepen door een kinderlijk ongeduld, keerde zich om, om te zien, naarmate achter hem de stad zich meer uitbreidde en ontrolde. Het stijgen duurde lang, steeds weer rezen tot aan de verre heuvels nieuwe stadswijken op. Dan vond hij in de toenemende opwinding, welke zijn hart deed kloppen, dat hij de bevrediging van zijn begeerte bedierf door haar in deze langzame en gedeeltelijke overwinning van den horizont te verbrokkelen. Hij wilde in eens alles zien, geheel Rome, de heilige stad, in één blik omvatten. En ondanks zijn hartstochtelijk verlangen had hij de kracht, niet meer om te kijken.

Boven bevindt zich een uitgestrekt terras. De kerk San Pietro in Montorio bevindt zich daar op de plaats, waar volgens de overlevering Petrus gekruisigd werd. De plaats is kaal en door te felle zomerzon roodachtig gebrand, terwijl iets verder daarachter het heldere, ruischende water der Acqua Paola in een eeuwige frischheid in dikke bellen uit de drie bekkens van de monumentale fontein stroomt. Tegen de borstwering, die langs het loodrecht op den Trastevere neerziende terras loopt, rijen zich steeds touristen, magere Engelschen, breedgeschouderde Duitschers, die, gapend van traditioneele bewondering, hun reisgids, dien zij raadplegen, om de monumenten te herkennen, in hun hand houden.

Pierre sprong vlug uit zijn rijtuig, liet zijn handkoffertje op het bankje liggen en gaf den koetsier een teeken om te wachten; deze bracht zijn rijtuigje in de rij en bleef in wijsgeerige kalmte op den bok zitten, in de volle zon, zijn hoofd voorovergebogen evenals zijn paard, beiden bij voorbaat [6]berustend in het lange wachten, dat zij daar gewoonlijk doen moesten.

Reeds stond Pierre in zijn nieuwe zwarte soutane, zijn bloote handen zenuwachtig samengeknepen en brandend van koorts, tegen de borstwering en keek, keek met zijn geheele ziel. Rome! Rome! De Stad der Caesars, de Stad der Pausen, de Eeuwige Stad, die tweemaal de wereld veroverd heeft, de uitverkoren Stad van den vurigen droom, dien hij sedert maanden droomde! Daar was zij eindelijk, zag hij haar! De onweersbuien der vorige dagen hadden de groote Augustushitte verjaagd. De wondermooie Septemberochtend lag frisch onder den doorzichtig-blauwen, vlekkeloozen, eindeloozen hemel. Het was een in zachtheid badend Rome, een droom-Rome, dat zich in de heldere ochtendzon scheen te vervluchtigen. Een fijn, blauwachtig waas, maar nauwlijks zichtbaar en teer als gaas, zweefde over de dalen der lager gelegen wijken, terwijl de uitgestrekte Campagna en de verre bergen zich in een licht-rose verloren.

In den beginne kon hij niets onderscheiden, wilde hij zich tot geen enkele bijzonderheid bepalen, gaf hij zich aan geheel Rome, aan den levenden kolos, die daar op dezen door het stof van geslachten gevormden bodem voor hem lag. Iedere eeuw had als door de groeikracht van een onsterfelijke jeugd zijn roem hernieuwd. Maar wat hem vooral aangreep, wat zijn hart met groote slagen kloppen deed, dat was, dat hij Rome vond, zooals hij ernaar verlangd had: in zijn ochtend-frischheid en verjongd, licht en vroolijk, onlichamelijk bijna en in dezen helderen dageraad van een mooien dag glimlachend in de hoop op een nieuw leven.

Toen doorleefde Pierre, onbeweeglijk staande voor den verheven horizont, zijn brandende handen nog steeds saamgeknepen, in enkele minuten opnieuw de drie laatste jaren van zijn leven. O, welk een vreeselijk jaar was dat eerste geweest, dat hij in zijn klein huisje te Neuilly doorgebracht had, de deuren en ramen steeds gesloten; hij had zich ingegraven als een gewond dier, dat in doodsstrijd verkeert. Hij was met een gestorven ziel, met bloedend hart uit Lourdes teruggekomen; niets was in hem overgebleven dan asch. Stilte en nacht waren op de puinhoopen van zijn liefde en van zijn geloof neergedaald. Dagen en dagen verliepen zonder dat hij zijn aderen hoorde kloppen, zonder dat een licht opkwam, dat het duister van zijn verlatenheid verhelderde. Hij leefde als een machine, hij wachtte tot zijn moed [7]terugkeeren zou, om het leven in naam van de souvereine rede, die hem alles had doen opofferen, weer op te vatten. Waarom was hij niet veerkrachtiger en sterker, waarom paste hij zijn leven niet kalm aan zijn nieuwe overtuigingen aan? Waarom wijdde hij zich, nu hij, trouw aan een innige liefde en met afschuw voor een meineed, de soutane niet wilde afleggen, niet aan een wetenschap, die den priester veroorloofd is, de sterrenkunde of de archaeologie? Maar iemand in hem weende, zijn moeder ongetwijfeld, een grenzenlooze teederheid die nog nooit bevredigd was en eraan wanhoopte ooit bevrediging te zullen vinden. Het was de voortdurende smart over zijn eenzaamheid, de opengebleven wond in zijn ziel, ondanks den eerbied, dien zijn herwonnen rede hem weer voor zichzelf had doen krijgen.

Dan, op een herfstavond, bij een sombere regenlucht, bracht het toeval hem in aanraking met een ouden priester, abbé Rose, vicaris aan de Sainte-Marguerite in de voorstad Saint-Antoine. Hij zocht hem op in zijn woning in de rue de Charonne, een vochtigen rez-de-chaussée, bestaande uit drie vertrekken, welke hij in een asyl voor kleine kinderen, die hij in de naburige straten vond, veranderd had. Van dat oogenblik af kwam er een geheele omkeer in zijn leven, een nieuw en machtig belang was er als het ware in binnengetreden, hij werd langzamerhand de hartstochtelijk-ijverige helper van den ouden priester. Van Neuilly naar de rue de Charonne was een lange weg. In den beginne ging hij slechts tweemaal per week, later dagelijks al ’s morgens vroeg, om ’s avonds pas naar huis terug te gaan.

De drie vertrekken waren niet voldoende meer, hij had er de eerste etage bij gehuurd en daar een kamer voor zich zelf gereserveerd, waar hij dikwijls slapen bleef. Zijn geheele kleine rente ging met deze hulp aan de arme kinderen, die onmiddellijk verleend moest worden, weg; en de oude priester, verrukt en tot tranen toe geroerd door deze jeugdige toewijding, die als het ware uit den hemel kwam vallen, omhelsde hem weenend en noemde hem een kind Gods.

Nu leerde Pierre de ellende, de misdadige, afschuwelijke ellende, kennen, leefde twee jaar lang met en bij haar. Het begon met kleine wezentjes, die hij op straat opraapte of die, nu het asyl in de geheele wijk bekend was, medelijdende buren bij hem brachten: jongetjes en meisjes, de allerkleinsten, die op straat terecht gekomen waren, terwijl de vaders en moeders werkten, dronken of stierven. Dikwijls [8]was de vader verdwenen, gaf de moeder zich aan prostitutie over; dronkenschap en ontucht waren met den stilstand van het werk de woning binnengetreden. Dan kwam het nest op straat, de jongsten stierven van koude en honger in de goot, terwijl de oudsten wegvlogen, ontucht en misdaad tegemoet.

Op een avond had hij in de rue de Charonne twee kleine jongetjes, broertjes, die hem zelfs niet eens konden zeggen waar zij vandaan kwamen, onder de wielen van een zwaren lastwagen gehaald. Een anderen avond kwam hij met een klein meisje in zijn armen thuis, een blond engeltje van een jaar of drie, dat hij huilende op een bank, waar haar moeder haar te vondeling gelegd had, had gevonden. Later ging hij van die magere en jammerlijke uit het nest getuimelde vogeltjes als vanzelf tot de ouders over, drong hij van de straten de donkere holen binnen, waagde hij zich iederen dag verder in die hel, waarvan hij langzamerhand de vreeselijke verschrikking kennen leerde. Zijn hart bloedde van angst en ontzetting in het diep-treurige bewustzijn, dat zijn hulp vergeefsch was.

O, welke verschrikkelijke tochten maakte hij gedurende die twee jaar, welke zijn geheele wezen schokten, in die jammerlijke stad van ellende, den bodemloozen afgrond van menschelijk verval en menschelijke ellende! In deze wijk Sainte-Marguerite, midden in het hart van de drukke en bedrijvige voorstad Saint-Antoine ontdekte hij smerige huizen, geheele steegjes lucht- en lichtlooze woningen, vochtig als kelders, waarin, vergiftigd, een geheele bevolking ongelukkigen vervuilde en met den dood streed. Op de wankele trap gleed de voet in het opgehoopte vuil uit. Op iedere verdieping begon steeds weer dezelfde armoede, die tot de grootste onreinheid, tot de afschuwlijkste manier van samenleven vervallen was. Ramen ontbraken, de wind joeg door de vertrekken, de regen sloeg in stroomen binnen. Velen sliepen op den kalen grond zonder zich ooit uit te kleeden. Geen meubels, geen linnen, het was als het leven van dieren, zij zochten bevrediging en troost, waar zij die vinden konden.

Alle geslachten, alle leeftijden waren daar opgehoopt; al die menschen keerden door gebrek aan het allernoodzakelijkste, door zulk een armoede, dat men er om de kruimels, die van de tafels der rijken geveegd werden, vocht, tot het dierlijke terug. Het ergste daar was het zedelijk verval der menschelijke natuur: het was niet meer de vrije wilde, [9]die in de oerwouden naakt rondliep, joeg en zijn buit opat, maar de geciviliseerde, weer tot het dier teruggekeerde mensch met al de brandmerken van zijn verval, bezoedeld, verliederlijkt, verzwakt te midden van de luxe en de verfijning van een stad, die de koningin der wereld is.

In iedere woning vond Pierre dezelfde geschiedenis terug. In den beginne was er jeugd en vroolijkheid geweest, was de wet van den arbeid moedig erkend. Daarna was de onvoldaanheid gekomen: waartoe diende het altijd te werken, als men toch niet rijk werd. De man begon te drinken, om ook zijn deel aan het geluk te hebben, de vrouw had haar huishouden veronachtzaamd, dronk soms zelfs ook, liet de kinderen in het wilde opgroeien. Het jammerlijke milieu, de onwetendheid en het op elkaar wonen hadden het overige gedaan. Nog meer was echter werkeloosheid de schuld van alles. Deze stelt er zich niet tevreden mede het overgespaarde geld op te maken, maar zij put ook den moed uit, went aan luiheid. Terwijl maandenlang de werkplaatsen leeg staan, worden de armen slap. Onmogelijk in dat zoo koortsachtig drukke en werkende Parijs het minste werk te vinden.

’s Avonds komt de man huilend thuis; overal heeft hij zijn armen aangeboden, het is hem zelfs niet gelukt voor straatveger in aanmerking te komen, want het baantje is gewild en je hebt er protectie voor noodig. Is het niet monsterachtig dat in deze groote stad, waar de millioenen op het plaveisel fonkelen en rinkelen, een man, die werk zoekt, dat niet vinden en daarom niet eten kan. De vrouw eet niet, de kinderen eten niet. Dan komt de zwarte honger, de verdierlijking, dan het verzet en de opstand; alle maatschappelijke banden worden onder die schandelijke onrechtvaardigheid tegenover arme schepsels, die hun zwakheid ter dood veroordeelde, verbroken. En op welk een lijdenssponde valt de oude werkman, wiens armen door vijftig jaren van zwaren arbeid geheel opgebruikt zijn, zonder dat hij een cent ter zijde heeft kunnen leggen, neer om te sterven? Of moest men hem op den dag, dat hij, daar hij niet meer werken kon, niet meer at, met een hamer moeten afmaken als een tot niets nut meer zijnd lastdier? Bijna allen sterven in het ziekenhuis. Anderen verdwijnen, zonder dat iemand zich om hen bekommert, medegesleept door den modderstroom der straat. Op een ochtend vond Pierre in een walgelijk krot op half vergaan stroo er een, die verhongerd was, daar, terwijl de ratten zijn gezicht afgeknaagd hadden, een week [10]gelegen had, zonder dat iemand naar hem had omgekeken.

Maar op een avond van den laatsten winter vloeide zijn hart van medelijden over. ’s Winters wordt het lijden der ongelukkigen in die onverwarmde krotten, waar de sneeuw door de spleten dringt, afzichtelijk. De Seine kruit, de grond is met ijs bedekt, verschillende takken van industrie moeten stilliggen. In de wijken der voddenrapers, die tot niets doen gedwongen zijn, loopen benden jongens blootsvoets en nauwlijks gekleed, hongerig en hoestend rond en worden door plotselinge windvlagen der tering weggemaaid. Hij vond heele huisgezinnen, moeders met vijf of zes kinderen, op elkaar gedrukt, om het toch maar ’n beetje warm te hebben, en die in drie dagen niets gegeten hadden.

En toen kwam die vreeselijke avond, toen hij achter in een donkere gang doordrong in die jammerkamer, waar een moeder zich en haar vijf kinderen uit wanhoop en honger gedood had, een drama van ellende, waar heel Parijs eenige uren van zou huiveren. Geen meubelstuk meer, geen stuk linnengoed meer, alles was stuk voor stuk in de naastbijzijnde bank van leening gebracht. Alleen het fornuis rookte nog. Op een half ledigen stroozak was de moeder neergevallen, toen zij haar jongste, een zuigeling van drie maanden, voedde; een droppel bloed parelde nog op haar borst, waarnaar de gulzige lippen van den kleinen doode zich uitstrekten. De twee meisjes, drie en vijf jaar oud, twee aardige blondinetjes, sliepen daar ook naast elkaar haar eeuwigen slaap, terwijl van de beide oudere jongens de een met zijn hoofd tusschen zijn handen, tegen den muur aangedrukt lag en de andere op den grond zijn doodsstrijd gestreden had, als had hij zich op zijn knieën voortgesleept, om het raam open te maken.

Toegeschoten buren vertelden de alledaagsche, vreeselijke geschiedenis: een langzame ondergang, de vader, die geen werk meer vond en misschien aan den drank geraakt was; de huisbaas, die, het wachten moede, dreigde het huisgezin op straat te zetten; de moeder, die, het hoofd verliezend, wilde sterven en haar nest met haar sterven liet, terwijl de vader vergeefs half Parijs afliep om werk te vinden. Toen de commissaris van politie bezig was de doodsoorzaak vast te stellen, kwam de ongelukkige juist thuis; en nadat hij gezien, nadat hij begrepen had, sloeg hij als een gedold rund neer en begon hij te brullen met zulke jammerlijke doodskreten, dat de geheele straat, door ontzetting aangegrepen, mede weende. [11]

Deze vreeselijke kreet van een ter dood veroordeeld ras, dat in ellende en honger ondergaat, bleef in Pierre’s ooren, bleef in zijn hart doorklinken; hij kon dien avond niet eten, den slaap niet vatten. Was het mogelijk, dat een dergelijke gruwel, een zoo volslagen armoede, een zoo zwarte, met den dood eindigende ellende voorkwam midden in het groote, met rijkdommen pronkende, van genietingen en genot dronken Parijs, dat voor zijn vermaak millioenen op straat smeet? Wat, aan den eenen kant zooveel groote fortuinen, zooveel nuttelooze, bevredigde grillen en luimen, zooveel levens vervuld met alle mogelijke geluk; en aan den anderen kant een zoo hardnekkige armoede, zelfs geen brood, geen enkele hoop, moeders, die zich dooden met haar zuigelingen, waaraan zij niets meer te geven hadden dan het bloed van haar uitgedroogde borsten!

Een woest verzet kwam in hem op; een oogenblik drong het bewustzijn tot hem door hoe belachelijk nutteloos weldadigheid en naastenliefde was. Waartoe diende het te doen wat hij deed, waartoe diende het de kleinen van de straat op te rapen, den ouders hulp te brengen, het lijden der ouden te verlengen? Het maatschappelijk gebouw was verrot tot in zijn grondvesten, alles moest in modder en bloed ten onder gaan. Slechts een groote daad van gerechtigheid kon de oude wereld wegvagen, om de nieuwe op te bouwen. En op dat oogenblik zag hij zoo duidelijk de onherstelbare breuk, de ongeneeslijke kwaal, den zeker doodelijken kanker der ellende, dat hij de heftige plannen van geweldenaren begreep, dat hij zelf bereid was te erkennen, dat een verwoestende en reinigende orkaan komen, dat de aarde door vuur en zwaard herboren worden moest, zooals vroeger, toen de vreeselijke God branden zond, om de vervloekte steden weer gezond te maken.

Toen abbé Rose hem dien avond hoorde snikken, ging hij naar boven, om hem op vaderlijke wijze te beknorren. Die man was een heilige vol oneindige zachtheid en vertrouwen. Wat, wanhopig zijn, lieve God, terwijl het Evangelie bestaat! Was de goddelijke grondstelling: “Hebt elkander lief!” niet voldoende voor het heil der menschheid? Hij had een afschuw van geweld en zeide, dat, hoe groot de ellende ook zijn mocht, er toch snel een einde aan zou komen, zoodra men terug zou keeren tot het tijdperk van eenvoud, deemoed en reinheid, toen de Christenen als schuldelooze broeders met elkaar leefden. Welk een heerlijke schildering gaf hij van [12]de Evangelische maatschappij, welker terugkeer hij met een rustige vroolijkheid opriep, alsof deze zich den volgenden dag verwezenlijken zou. En Pierre moest ten slotte glimlachen, behagen scheppen in dat mooie troostende sprookje, in zijn behoefte om aan die vreeselijke nachtmerrie te ontkomen. Zij praatten tot laat in den nacht en zetten de volgende dagen het gesprek over dit onderwerp, dat den ouden priester zoo lief was, voort. Telkens weer weidde hij uit over nieuwe bijzonderheden, sprak hij van het komend koninkrijk van liefde en rechtvaardigheid met de ontroerende overtuiging van een goed man, die zeker was niet te zullen sterven zonder God op aarde gezien te hebben.

Toen vond in Pierre een nieuwe omwenteling plaats. De uitoefening der liefdadigheid in die arme wijk had hem met een eindelooze deernis vervuld: zijn hart was door het zien van die ellende, aan welker genezing hij wanhoopte, geschokt, verscheurd. En door het weder ontwaken van zijn gevoeligheid voelde hij dikwijls, dat zijn rede naar den achtergrond gedrongen werd; hij keerde tot zijn kindsheid terug, tot die behoefte aan universeele liefde, welke zijn moeder in hem gelegd had. Hij droomde van hersenschimmige opbeuring, verwachtte een hulp van onbekende machten. Zijn vrees, zijn haat voor de brutaliteit der feiten wierpen hem in een steeds grooter wordend verlangen naar redding door liefde. Het was de hoogste tijd, om de vreeselijke, onvermijdelijke catastrophe, den broederoorlog der klassen, die de oude wereld zou wegvagen, welke veroordeeld was onder de opeenhooping van misdaden te verdwijnen, te bezweren. Tot in het diepst van zijn ziel overtuigd, dat de ongerechtigheid haar toppunt bereikt had, dat het wraakuur spoedig slaan zou, waarop de armen de rijken dwingen zouden om te deelen, gaf hij zich van dat oogenblik over aan zijn droom van een vredige oplossing, van een broederkus tusschen alle menschen, van den terugkeer tot de zuivere moraal van het Evangelie, die Jezus gepredikt had.

In den beginne werd hij door twijfel gekweld: was die verjonging van het oude Katholicisme mogelijk, kon men tot de jeugd, tot de reinheid van het primitieve Christendom terugkeeren? Hij begon studies te maken, te lezen, te vragen, zich steeds meer op te winden voor die groote vraag van het Katholieke socialisme, die sedert eenige jaren zoo druk en luidruchtig besproken werd; en in zijn hem doorhuiverende liefde voor de armen en geheel voorbereid als hij was [13]op het wonder der broederschap, verloor hij langzamerhand de scrupules van zijn rede, dwong hij zich tot de overtuiging, dat de Christus een tweede maal komen zou, om de lijdende menschheid te verlossen. Ten slotte formuleerde dit alles zich in zijn geest tot de zekerheid, dat het gelouterde Christendom, tot zijn oorsprong teruggebracht, de eenige macht was, die de tegenwoordige maatschappij zou kunnen redden, door de bloedige crisis, waarmede zij bedreigd werd, te bezweren.

Toen hij twee jaren geleden Lourdes vol verzet tegen dien lagen afgodendienst verlaten had, toen zijn geloof voor altijd gestorven was, maar zijn hart toch door de eeuwige behoefte aan het goddelijke, die alle schepselen kwelt, verontrust werd, was uit het diepst van zijn ziel een kreet in hem opgestegen: “Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst!” En nu meende hij dien nieuwen godsdienst of liever dien hernieuwden godsdienst ontdekt te hebben. Zijn doel was de maatschappelijke redding; tot het geluk der menschheid zou hij de eenige nog krachtige moreele autoriteit gebruiken, de ver om zich heen grijpende organisatie van het wonderbaarlijkste werktuig, dat men ooit voor het regeeren van volkeren gesmeed heeft.

Gedurende de langzame ontwikkelingsperiode, die Pierre doormaakte, hadden, behalve abbé Rose, twee mannen een grooten invloed op hem. Een goed werk had hem in aanraking gebracht met monseigneur Bergerot, een bisschop, dien de paus, ter belooning van een heel leven vol bewonderenswaardige liefdadigheid, onlangs tot kardinaal verheven had, niettegenstaande het heimelijk verzet van zijn omgeving, welke in den Franschen prelaat, die zijn diocees als vader regeerde, een vrijgeest vermoedde. Pierre geraakte door den omgang met dezen apostel, dezen zielenherder, een van die eenvoudige en goede leiders, zooals hij ze voor de toekomstige gemeenschap wenschte, nog meer in geestdrift. Maar zijn samenwerken met vicomte Philibert de la Choue, dien hij in Katholieke werkliedenvereenigingen ontmoet had, was nog beslissender voor zijn apostolaat.

De vicomte, een knappe man met militaire allures en een lang, edel gezicht, dat echter door een ingedrukten en te kleinen neus ontsierd werd, wat het eindéchec van een slecht geëquilibreerde natuur scheen aan te duiden, was een der ijverigste leiders van het Fransche Katholieke socialisme. Hij bezat groote domeinen en een groot fortuin, hoewel men [14]beweerde, dat een mislukte landbouwonderneming het reeds bijna tot op de helft verminderd had. In zijn departement had hij getracht modelboerderijen op te richten, waar hij zijn denkbeelden in zake Christelijk socialisme in toepassing bracht. Maar het succes scheen hem ook daar niet aan te moedigen. Wel was het hem daardoor gelukt afgevaardigde te worden. Hij sprak dikwijls in de Kamer en zette in lange, schitterende redevoeringen het programma van zijn partij uiteen. Onvermoeibaar in zijn ijver trad hij bovendien als leider van pelgrimstochten naar Rome op, als voorzitter van vergaderingen, hield lezingen, gaf zich geheel aan het volk, welks verovering, zooals hij tot zijn vertrouwden zeide, alleen de triomf der Kerk verzekeren kon.

Op die wijze oefende hij een grooten invloed uit op Pierre, die naïevelijk in hem de eigenschappen bewonderde, welke hij voelde zelf niet te bezitten, een organisatietalent, een strijdbaren, eenigszins onrustigen wil, die er enkel en alleen op gericht was om in Frankrijk de Christelijke maatschappij te hervormen. De jonge priester leerde veel uit zijn omgang met dezen Christen-socialist, maar hij bleef toch de man van het gevoel, de droomer, die, zonder te letten op politieke noodzakelijkheden, regelrecht zijn vlucht nam naar de toekomststad van het algemeen geluk, terwijl de vicomte daarentegen de pretentie had de vernietiging der liberale idee van ’89 te willen voltooien door voor den terugkeer tot het verleden gebruik te maken van de desillusie en den toorn der democratie.

Pierre doorleefde eenige verrukkelijke maanden. Nog nooit had een neophyt zoo geheel en al voor het geluk van anderen geleefd. Hij was een en al liefde, hij brandde van hartstocht voor zijn apostolaat. Zijn bezoeken bij het ongelukkige volk, bij de mannen, die geen werk hadden, bij de moeders en kinderen zonder brood, gaven hem dagelijks een steeds grootere zekerheid, dat een nieuwe godsdienst ontstaan moest, om een ongerechtigheid te doen ophouden, waaraan de in opstand gekomen wereld een gewelddadigen dood zou moeten sterven. En aan dit ingrijpen van het goddelijke, aan die wedergeboorte van het primitieve Christendom was hij vast besloten mede te werken; hij wilde alle krachten van zijn geheele wezen geven, om die te verhaasten.

Zijn Katholiek geloof bleef dood; hij geloofde niet meer aan dogma’s, mysteriën en wonderen. Maar één hoop bleef hem bij, n.l. dat de Kerk nog iets goeds kon uitwerken, door de onweerstaanbare, moderne, democratische beweging te [15]leiden, ten einde de volkeren voor de dreigende sociale catastrophe te behoeden. Sedert hij zich tot taak gesteld had het Evangelie weer terug te brengen in het hart van het hongerende en morrende volk der voorsteden, was in zijn ziel de rust teruggekeerd. Hij was nu werkzaam, hij leed minder onder het vreeselijk gevoel van het Niet, dat hij uit Lourdes had medegebracht, en daar hij zich niet meer met vragen kwelde, verteerde de angst der onzekerheid hem niet langer. Met de kalme opgewektheid, welke een eenvoudige plichtsvervulling met zich brengt, bleef hij de mis lezen. Zelfs begon hij tot de meening te komen, dat het mysterie, hetwelk hij aldus celebreerde, dat alle mysteriën en alle dogma’s ten slotte niets waren dan symbolen, kerkelijke gebruiken, die noodig waren voor de kindsheid der menschheid en waarvan men zich weer los zou kunnen maken, wanneer de grooter geworden, gelouterde en beschaafde menschheid in staat zijn zou den verblindenden glans der naakte waarheid te verdragen.

In zijn drang om nuttig te zijn, in zijn hartstochtelijk verlangen, om zijn geloof luide uit te schreeuwen, zette Pierre zich op een ochtend aan zijn tafel en begon een boek te schrijven. Het was zoo geheel natuurlijk gekomen; dat boek was als een hartekreet buiten iedere letterkundige idee om. In een nacht, dat hij niet slapen kon, was de titel in de duisternis plotseling voor hem opgevlamd: Het Nieuwe Rome. Dat zeide alles, want moest niet van Rome, het eeuwige en heilige Rome, de verlossing der volkeren uitgaan? De eenige, nog bestaande autoriteit was dáár; de verjonging kon slechts geboren worden uit de gewijde aarde, waarin de oude Katholieke eik opgegroeid was.

In twee maanden schreef hij dit boek, dat hij sedert een jaar, zonder er zich bewust van te zijn, door zijn studies over het hedendaagsche socialisme voorbereid had. Het was in hem als een dichterlijke opbruising; menigmaal scheen het hem toe alsof hij die bladzijden droomde, terwijl een innerlijke en als uit de verte klinkende stem ze hem dicteerde. Dikwijls gaf vicomte Philibert de la Choue, wanneer hij hem het den vorigen dag geschrevene voorlas, levendig uit een oogpunt van propaganda zijn goedkeuring te kennen, want, zeide hij, men moet het volk ontroeren, om het te kunnen leiden. Ook moest men vrome, maar tegelijk toch onderhoudende liederen componeeren, die in de werkplaatsen gezongen behoorden te worden. [16]

Monseigneur Bergerot, dien het boek uit een oogpunt van dogmatiek vrij koud liet, was daarentegen diep getroffen door de vurige inspiratie van naastenliefde, die uit iedere bladzijde sprak. Ja zelfs beging hij de onvoorzichtigheid den auteur een brief met verlof, om het boek te drukken, te schrijven en hem toe te staan dien als voorwoord daarin af te laten drukken. Dit werk nu, dat in Juni verschenen was, had de Indexcongregatie verboden en ter verdediging van dat boek was de jonge priester vol verbazing en geestdrift naar Rome gesneld; hij brandde van verlangen om zijn overtuiging te doen zegevieren, vastbesloten zijn zaak te verdedigen voor den Heiligen Vader zelf, wiens denkbeelden hij meende uitgesproken te hebben.

Terwijl Pierre aldus zijn drie laatste jaren herleefde, had hij zich niet bewogen; hij stond nog steeds tegen de borstwering tegenover het Rome van zijn droomen en van zijn begeerte. Achter hem reden nog steeds rijtuigen af en aan; magere Engelschen en corpulente Duitschers liepen langs hem heen, na aan den klassieken horizont de vijf in den reisgids aangegeven minuten geschonken te hebben, terwijl de koetsier en het paard van zijn rijtuig kalm met gebogen hoofd in de zon wachtten, die het op het bankje staande handkoffertje stoofde. Pierre zelf scheen in zijn zwarte soutane nog slanker, teerder, fijner geworden te zijn, terwijl hij zich geheel onbeweeglijk overgaf aan het verheven schouwspel. Na zijn terugkeer uit Lourdes was hij vermagerd, zijn gezicht smaller geworden. Sedert zijn moeder weer de overwinning in hem behaald had, scheen het groote, rechte voorhoofd—de toren der rede, die hij aan zijn vader te danken had—af te nemen, terwijl de goedige, ietwat groote mond, de teere, oneindig liefderijke kin nu zijn gelaat beheerschten en zijn ziel verrieden, die ook in de milde vlam van zijn oogen brandde.

O, met welke liefderijke en vurige blikken aanschouwde hij het Rome van zijn boek, het nieuwe Rome, waarvan hij droomde. Had in den beginne in de eenigszins wazige zachtheid van den wondermooien ochtend het geheel hem aangegrepen, thans kon hij de bijzonderheden onderscheiden. Met een kinderlijke blijdschap herkende hij alle monumenten, die hij zoo lang op plattegronden en in photographieënverzamelingen bestudeerd had. Daar aan zijn voeten, beneden den Janiculus strekte de Trastevere zich uit met zijn chaos van zijn oude, roodachtige huizen, wier door de zon verbrande [17]daken den loop van den Tiber verborgen. Het vlakke uitzicht op de stad verbaasde hem eenigszins. Van af dit hooge terras zag het er, zoo in vogelvlucht gezien, als het ware genivelleerd uit: de zeven beroemde heuvelen vormden slechts kleine kopjes, een ternauwernood merkbare deining in de breede zee der gevels.

Ja, daar ginds rechts, tegen het blauwachtig verschiet der Albaansche bergen donker-violet afstekend, lag wel de Aventinus met zijn drie tusschen het groen half verscholen kerken; lag daar ook de ontkroonde Palatinus, door een rij cypressen als met een donkere franje omzoomd. De Coelius daarachter ging als het ware verloren, liet slechts de in het goudstof der zon verbleekende boomen der villa Mattei zien. Slechts de slanke klokketoren en de beide kleine koepeltjes van Santa Maria Maggiore wezen heel in de verte aan den anderen kant der stad, den Esquilinus aan, terwijl hij op den top van den dichter bij gelegen Viminalis niets onderscheidde dan een in het zonlicht badend gewirwar van witachtige, met kleine bruine lijnen doorstreepte blokken, die denken deden aan een verlaten steengroeve.

Langen tijd zocht hij naar den Capitolinus, zonder dien te kunnen ontdekken. Hij trachtte zich te oriënteeren, en maakte zich ten slotte wijs, dat hij wel den campanile2 zag, daar in de laagte, vóór de Santa Maria Maggiore, dat vierkante, zóó bescheiden torentje, dat het te midden van de omgevende daken verloren ging. Links kwam dan de Quirinalis, herkenbaar aan den langen gevel van het koninklijk paleis, dien hospitaal- of kazernegevel, hardgeel, glad en met een eindeloos aantal kleine raampjes doorboord. Toen hij zich heelemaal omgekeerd had, deed een plotselinge aanblik hem onbeweeglijk staan. Buiten de stad, boven de boomen van den tuin Corsini rees de dom van St. Pieter voor hem op. Hij scheen op het groen te rusten en leek in den helderblauwen hemel zelf zóó teer hemelsblauw, dat hij met het eindelooze azuur scheen samen te smelten.

Pierre werd niet moede te kijken en zijn blikken gingen onophoudelijk van het eene einde van den horizont naar het andere. Lang staarde hij naar de edele, uitgetande randen en de trotsche gratie der met steden bezaaide Sabijnsche en Albaansche bergen, welker gordel den horizont afsloot. Kaal en majestueus, als een doode woestijn, en [18]blauwgroen als een onbeweeglijke zee strekte de Campagna romana zich in reusachtige slaglichten uit; eindelijk onderscheidde hij den lagen en ronden toren van het graf van Caecilia Metella, waarachter een dunne, bleeke lijn de oude Via Appia aanwees. Puinhoopen van waterleidingen bestrooiden het gras met het stof van ingestorte werelden. Dan gingen zijn blikken weer terug—en weer zag hij de nieuwe stad, het gewirwar van gebouwen. Hier dichtbij herkende hij aan zijn naar de rivier gekeerde loggia den grooten roodgelen kubus van den palazzo Farnese. Die lage, nauwlijks zichtbare koepel daar verderop moest die van het Pantheon zijn.

Dan herkende hij, met plotselinge sprongen, de pas weer gewitte muren van San Paolo fuori le Mura, welke op die van een groote graanschuur geleken; dan de standbeelden van San Giovanni in Laterano, licht en nauwlijks zoo groot als insecten; vervolgens de ontelbare koepels, dien van del Gesù, dien van San Carlo, dien van San Andrea della Valle, dien van San Giovanni de Fiorentini; eindelijk zooveel andere met herinneringen vervulde gebouwen nog, het kasteel der Heilige Engelen met zijn fonkelend standbeeld, de villa Medici, die de geheele stad beheerschte, het terras van den Pincio, waar tusschen enkele boomen marmergroepen òplichtten, en in de verte de hooge loofdaken der villa Borghese, die met hun groene toppen den horizont afsloten.

Vergeefs zocht hij het Colosseum. Toch begon het zachte noordenwindje de ochtendnevelen uiteen te jagen. In de wazige verte teekenden geheele stadswijken zich krachtig af als voorgebergten in een door de zon beschenen zee. Hier en daar lichtte tusschen de onduidelijke massa der huizen een wit stuk muur òp, flikkerde een rij vensters, wierp een tuin een groote vlek; alles tezamen vormde een verrassende kleurenpracht. Het overige, het gewirwar van straten en pleinen, de tallooze, in alle richtingen gezaaide eilanden, vermengden zich en losten zich op in de levende glorie der zon, terwijl van de daken hooge, witte rookkolommen opstegen en langzaam door de oneindige reinheid der lucht trokken.

Doch weldra concentreerde, door een heimlijk instinct, Pierre’s geheele aandacht zich op drie punten van den grenzenloozen horizont. De lijn der slanke cypressen, die den top van den Palatinus zwart omzoomden, ontroerde hem: daarachter was niets meer dan een ledige ruimte: de [19]paleizen der Caesars waren verdwenen, ingestort, door den tijd met den grond gelijk gemaakt. Hij riep ze weer voor zijn geest op, hij meende ze zich weer te zien oprichten als onbestemde en trillende spoken van goud in het purper van den schitterenden ochtend. Dan keerden zijn blikken terug naar de Sint Pieter; daar stond de dom nog en beschermde het Vaticaan, dat, zooals Pierre wist, dicht tegen de zijde van den kolos rustte; hij vond hem zoo triomphantelijk, krachtig en groot, dat hij hem toescheen als een reuzenkoning, die over de stad heerschte en eeuwig van overal zichtbaar was. Vervolgens wendde hij zijn blikken weer naar den anderen heuvel tegenover zich, naar den Quirinalis, waar het paleis des konings niets meer dan een lage, platte, geel geverfde kazerne leek.

De geheele eeuwenoude geschiedenis van Rome met haar voortdurende omwentelingen, haar telkens weer terugkeerende wederopleving lag daar in dien symbolischen driehoek, in die drie toppen, welke elkaar over den Tiber heen aankeken, voor hem: het opbloeiende, oude Rome met zijn paleizen en tempels, de monsterbloesem van keizerlijke macht en pracht; het pauselijke Rome, dat in de Middeleeuwen de wereld beheerschte en deze reusachtige kerk in al haar herwonnen schoonheid op de Christenheid liet drukken; het hedendaagsche Rome, dat hij niet kende, dat hij tot nu toe veronachtzaamd had, welks zoo kaal en koud koninklijk paleis een armoedigen indruk op hem maakte, den indruk van een jammerlijke, heiligschennende moderniseeringspoging op een eenige stad, die men liever aan den droom der toekomst had moeten overlaten. Hij zette het bijna pijnlijke gevoel van een hinderlijk heden van zich af, hij wilde zich niet ophouden bij een geheel nieuwe wijk, een klein, kleurloos, blijkbaar nog in aanbouw zijnd stadje, dat hij duidelijk dicht naast de St. Pieter op den oever der rivier zag. Hij had van een geheel ander nieuw Rome gedroomd, droomde er nog van, zelfs tegenover den in het stof der eeuwen vernietigden Palatinus, tegenover den dom van St. Pieter, in welks breede schaduw het Vaticaan sliep, tegenover het paleis van den Quirinalis, dat geheel nieuw opgebouwd en geverfd was en echt burgerlijk heerschte over de nieuwe wijken, die overal opschoten en groote scheuren maakten in het lichaam der oude stad met haar roode, in de heldere ochtendzon schitterende daken.

Het Nieuwe Rome! Weer vlamde voor Pierre’s oogen de [20]titel van zijn boek op en deed hem in een nieuwe overpeinzing wegzinken. Hij doorleefde nog eenmaal zijn boek, zooals hij daareven zijn leven doorleefd had. Hij had het met geestdrift geschreven en daarvoor van de op goed geluk af gemaakte aanteekeningen gebruik gemaakt. Een indeeling in drie deelen had zich als vanzelf opgedrongen, het verleden, het heden, de toekomst.

Het verleden was de buitengewone geschiedenis van het oorspronkelijke Christendom, van de langzame evolutie, die van dat Christendom het tegenwoordige Katholicisme gemaakt had. Hij toonde aan, dat onder iedere godsdienstige evolutie zich een economische quaestie verborg, en dat per slot van rekening de eeuwige kwaal niets anders is dan de eeuwige strijd tusschen de armen en de rijken. Bij de Joden breekt onmiddellijk na het nomadenleven, wanneer zij Kanaän veroverd hebben en het bezit ontstaan is, de klassenstrijd uit. Er zijn rijken en er zijn armen; van af dat oogenblik bestaat de sociale quaestie.

De overgang had plotseling plaats gehad, de nieuwe stand van zaken verergerde zoo snel, dat de armen, die zich nog de gouden eeuw van het nomadenleven herinnerden, er dubbel onder leden en met des te meer kracht hulp eischten. Tot aan Jezus toe zijn de propheten niets anders dan opstandelingen, die uit de ellende van het volk opkomen, die zijn lijden uitschreeuwen, de rijken met verwijten overstelpen, aan wie zij alle rampen voorstellen als straf voor hun onrechtvaardigheid en hun hardvochtigheid. Jezus zelf is slechts de laatste van hen; hij treedt als het ware op als de levende opvordering van het recht der armen. De propheten, socialisten en anarchisten, hadden de maatschappelijke gelijkheid gepredikt door de vernietiging der wereld, als zij niet rechtvaardig was, te eischen. Ook hij brengt den armen haat tegen de rijken bij. Zijn geheele leer is een bedreiging tegen den rijkdom, tegen het bezit; en wanneer men het Koninkrijk der Hemelen, dat hij beloofde, als den vrede en de broederschap op deze aarde opvat, dan zou het slechts een terugkeer zijn tot de gouden eeuw van het herdersleven, dan de droom der Christelijke gemeenschap, zooals hij na hem door zijn discipelen verwezenlijkt schijnt te zijn.

Gedurende de drie eerste eeuwen was iedere kerk een communistische poging, een echte gemeenschap, waarvan de leden alles gemeenschappelijk bezaten, behalve de vrouwen. De apologeten en de eerste Kerkvaders leggen er getuigenis [21]van af; het Christendom was toen niets anders dan de godsdienst der nederigen en der armen, een democratie, een socialisme, dat de Romeinsche maatschappij bestreed. En toen deze eindelijk, door het geld verrot en vermolmd, instortte, toen bezweek zij meer nog dan onder den vloed der barbaren en het heimelijke termietenwerk der Christenen onder de wormstekige banken en den financieelen krach. De geldquaestie lag steeds aan alles ten grondslag. Daarvoor kreeg men een nieuw bewijs, toen het Christendom, dank zij de historische, maatschappelijke en menschelijke toestanden eindelijk triompheerde en tot staatsgodsdienst verklaard werd. Om zijn overwinning ten volle te verzekeren, zag het zich genoodzaakt steun te zoeken bij de rijken en de machtigen; en het zou, als het niet zoo treurig was, belachelijk zijn om te zien door welke spitsvondigheden en sophismen de Kerkvaders ertoe komen in het Evangelie van Jezus de verdediging van het bezit te ontdekken. Voor het Christendom was het een politieke bestaansnoodzakelijkheid; slechts ten koste van dezen prijs is het Katholicisme de universeele godsdienst geworden.

Van af dat oogenblik richt de vreeselijke machine zich als veroverings- en regeeringswapen steeds meer in de hoogte: bovenaan bevinden zich de rijken, de machtigen, wier plicht het is met de armen te deelen, maar die het niet doen; onderaan de armen, de werkers, wien men berusting en gehoorzaamheid leert door hun het Rijk der toekomst, de goddelijke en eeuwige schadeloosstelling te beloven. Het is een wonderbaar monument, dat eeuwen geduurd heeft, waarin alles gebouwd is op de belofte van het hiernamaals, op die onleschbare dorst naar onsterfelijkheid en rechtvaardigheid, waardoor de mensch verteerd wordt.

Dat eerste deel van zijn boek, die geschiedenis van het verleden, had Pierre aangevuld met een in groote trekken ontworpen studie over het Katholicisme tot aan onze dagen. Eerst was het de Heilige Petrus, een onwetende, onrustige geest, die door een genialen inval naar Rome kwam en de oude orakels, die den Capitolinus de eeuwigheid voorspeld hadden, in verwezenlijking gaan deed. Daarna waren het de eerste pausen, eenvoudige leiders van begrafenisvereenigingen. Hierna begon het langzame opklimmen van het almachtige pausdom in een eeuwigen veroveringsstrijd om de geheele wereld, zonder ophouden trachtend zijn droom van universeele heerschappij te verwezenlijken. In de Middeleeuwen onder de [22]groote pausen geloofde het een oogenblik zijn doel te bereiken, de souvereine heerscher der volkeren te zijn. Was de absolute waarheid niet de paus, opperpriester en koning der aarde, heerschend, als God zelf, wiens vertegenwoordiger hij is, over de zielen en de lichamen van alle menschen. Deze bovenmatige, maar volkomen logische eerzucht verwezenlijkte zich in Augustus, keizer en pontifex, meester over de geheele wereld; en steeds weer is het de uit de ruïnen van het oude Rome oprijzende figuur van Augustus, die de pausen geen oogenblik losliet; het bloed van Augustus stroomde door hun aderen.

Maar daar na de instorting van het Romeinsche Rijk de macht zich gehalveerd had, moest de paus aan den keizer de wereldlijke heerschappij overlaten en kon hij voor zichzelf slechts het recht behouden hen in opdracht van God te zalven. Het volk behoorde aan God, de paus gaf in Gods naam het volk aan den keizer en kon het hem weer afnemen: een grenzenlooze macht, waarvan de excommunicatie het vreeselijke wapen was, een opperheerschappij, die voor het pausdom den weg tot de werkelijke en definitieve inbezitneming van het keizerrijk baande. In het kort, de eeuwige strijd tusschen paus en keizer ging om het volk, dat zij elkander betwistten, om de lijdelijk toeziende massa der eenvoudigen van geest en lijdenden, om het groote zwijgende volk, welks ongeneeslijk lijden zich slechts nu en dan door een dof gemor verried. Men beschikte, tot zijn welzijn, er over als over een kind; maar de Kerk droeg werkelijk tot de beschaving bij, bewees diensten aan de menschheid en gaf rijke aalmoezen. Steeds weer kwam, ten minste in de kloosters, de oude droom der Christelijke gemeenschap terug: een derde gedeelte der opgehoopte rijkdommen voor den eeredienst, een derde voor de priesters en een derde voor de armen. Werd daardoor het leven niet vereenvoudigd? Werd den geloovigen door het afstand doen van aardsche wenschen en door de belofte van ongehoorde, hemelsche vreugde het leven niet dragelijk gemaakt? Geeft ons de geheele wereld, dan zullen wij alle aardsche goederen in drie deelen verdeelen, dan zult gij zien welk een gouden eeuw te midden van aller berusting en gehoorzaamheid heerschen zal.

Maar vervolgens toonde Pierre aan hoe het pausdom bij het einde der Middeleeuwen, den tijd van zijn almacht, door de grootste gevaren bedreigd werd. De Renaissance met haar weelde en verwildering van zeden, met haar overstroomende [23]levenskracht, die uit de eeuwige, gedurende eeuwen geminachte en voor dood verklaarde natuur ontsprong, sleepte het bijna met zich mede. Maar nog dreigender was het onbewust ontwaken van het volk, den grooten zwijger, wiens tong los scheen te geraken. De Hervorming barstte los als een protest van de rede en de gerechtigheid, als een herinnering aan de miskende waarheden van het Evangelie; en Rome kon van een volkomen verdwijnen slechts gered worden door de hardhandige verdediging der Inquisitie, het langzame en hardnekkige werken van het Concilie van Trente, dat het dogma sterker maakte en de wereldlijke macht bevestigde.

Toen trad het pausdom in twee eeuwen van vrede en van bescheiden op den achtergrond blijven, want de krachtige, absolute monarchieën, die Europa onderling verdeeld hadden, konden het buiten de pausen stellen, sidderden niet meer voor de onschadelijk geworden banbliksems, aanvaardden den paus slechts als een ceremoniemeester, aan wien sommige riten opgedragen waren. Onder de bezitters van het volk was het evenwicht verstoord: de koningen hadden nog steeds het volk Gods in hun macht, maar de paus moest er zich toe bepalen het geschenk voor eens en voor altijd te registreeren, zonder zich ooit, welke gelegenheid zich ook voordeed, in de regeering der staten te kunnen mengen.

Nooit was Rome verder verwijderd geweest van de verwezenlijking van zijn eeuwigen droom der wereldheerschappij. En toen de Fransche Revolutie uitbrak, kon men gelooven, dat de verkondiging der rechten van den mensch het pausdom, dat de bewaarder was van het goddelijk recht, hetwelk God het over de volkeren had opgedragen, dooden zou. Welk een angst in den beginne dan ook in het Vaticaan, welk een woede, welk een wanhopige verdediging tegen het denkbeeld van vrijheid, tegen het nieuwe Credo der bevrijde rede en der weer meesteres over zichzelf geworden menschheid. Het was een schijnbare ontknooping van den langen strijd tusschen keizer en paus om het bezit van het volk: de keizer verdween, en het volk, vrij in den vervolge over zichzelf te beschikken, wilde zich ook onttrekken aan den paus: een onvoorziene oplossing, waarbij de geheele oude stelling van het Katholicisme in puin scheen te moeten vallen.

Hier eindigde Pierre het eerste gedeelte van zijn boek met een herinnering aan het primitieve Christendom tegenover het hedendaagsche Katholicisme, dat de triomf der rijken en machtigen is. Had het Katholieke Rome de Romeinsche [24]maatschappij, die Jezus in naam der armen en eenvoudigen van geest was komen verwoesten, na eeuwen met zijn geld- en hoogmoedspolitiek niet weer opnieuw opgebouwd? Welk een treurige ironie, wanneer men na achttien eeuwen van het Evangelie nog constateeren moest, dat de wereld voor de tweede maal instortte door wormstekige banken, door een financieelen krach, door de schreeuwende onrechtvaardigheid, dat een paar menschen zich vol konden proppen met rijkdommen, terwijl duizenden van hun broeders van honger omkwamen! Het geheele reddingswerk moest weer opnieuw begonnen worden. Maar Pierre zeide die vreeselijke dingen met zoo zachte, zoo medelijdende, zoo hoopvolle woorden, dat zij hun revolutionnair gevaar verloren hadden. Trouwens nergens viel hij het dogma aan. Zijn boek was in zijn sentimenteelen dichtvorm, waarin een vurige naastenliefde brandde, niets dan de kreet van een apostel.

Vervolgens kwam het tweede gedeelte van het werk, het heden, een studie van de tegenwoordige Katholieke maatschappij. Daarin gaf Pierre een vreeselijke beschrijving van de ellende der armen, van de ellende eener groote stad, die hij uit eigen aanschouwing kende, waarvan zijn hart nog bloedde, nu hij de vergiftigde wonden ervan aangeraakt had. De onrechtvaardigheid was niet langer meer te dulden, de liefdadigheid werd onmachtig, het lijden zoo verschrikkelijk, dat in het hart van het volk alle hoop stierf. Had het monsterachtige schouwspel, dat de Christenheid aan de wereld bood, er niet toe bijgedragen om het geloof in het volk te dooden? Haar gruwelen bedierven het, maakten het krankzinnig van haat en wraaklust.

En onmiddellijk na dat beeld van een verrotte, op het punt van instorten staande beschaving, vatte hij de geschiedenis weer op bij de Fransche Revolutie, bij den grenzenloozen hoop, die de vrijheidsidee aan de wereld gegeven had. Bij haar aan het bewind komen had de bourgeoisie, de groote, liberale partij, op zich genomen eindelijk het geluk van allen te verzekeren. Maar helaas schijnt de vrijheid, zooals de ervaring van een eeuw leert, den onterfden niet meer geluk gegeven te hebben. Op politiek gebied begint een desillusie te ontstaan. In ieder geval lijdt, al moge de derde stand zich, sedert hij regeert, voldaan verklaren, de vierde stand, de arbeiders, blijft nog altijd zijn deel opeischen. Men heeft hen vrij verklaard, men heeft hun politieke gelijkheid toegekend, maar dat zijn per slot van rekening belachelijke geschenken, [25]want zij hebben evenals vroeger onder hun economische slavernij slechts de vrijheid om van honger te sterven. Alle socialistische eischen komen daaruit voort, van nu af aan is het verschrikkelijke probleem, welks oplossing de tegenwoordige maatschappij dreigt te vernietigen, tusschen arbeid en kapitaal gesteld.

Toen de slavernij uit de oude wereld verdween, om plaats te maken voor het loonstelsel, was de omwenteling ontzaglijk; en zonder eenigen twijfel was de Christelijke idee een der machtigste factoren, die de slavernij vernietigd hebben. Waarom zou dan thans, nu het er om gaat het loonstelsel door iets anders te vervangen, misschien door het deel krijgen van de arbeiders in de winst, het Christendom niet trachten een nieuw aandeel daarin te hebben? Deze naderende, niet tegen te houden opkomst der democratie is een nieuwe phase in de geschiedenis der menschheid, de maatschappij van morgen, die zich aan het vormen is. En Rome kan zich daartegenover niet lijdelijk houden, het pausdom moest in dien strijd partij kiezen, als het niet van de wereld wilde verdwijnen als een geheel en al nutteloos geworden raderwerk.

Daaruit ontstond de rechtmatigheid van het Katholieke socialisme. Toen van alle kanten de socialistische secten elkaar met hun oplossingen het volksgeluk betwistten, moest de Kerk de hare geven. Hier nu verscheen het nieuwe Rome, hier verbreedde de evolutie zich in een herleving van onbegrensde hoop. Het stond vast, dat de Katholieke Kerk in haar grondstellingen niets tegen de democratie had. Integendeel zij behoefde slechts de Evangelische traditie weer op te vatten, opnieuw de Kerk der armen en eenvoudigen van geest te worden, om de universeele Christelijke gemeenschap te herstellen. Haar wezen is democratisch, en dat zij zich aan de zijde der rijken en machtigen geschaard heeft, toen het Christendom het Katholicisme werd, is alleen een gevolg van het feit, dat zij, met opoffering van haar oorspronkelijke zuiverheid, gehoorzamen moest aan de noodzakelijkheid van zelfverdediging, zoodat zij, wanneer zij nu de zijde van de heerschende, maar tot ondergang gedoemde klassen verlaat, om terug te keeren tot het volk der ongelukkigen, zich eenvoudig dichter aansluit bij den Christus, een verjongingskuur ondergaat, zich bevrijdt van politieke compromissen, waaronder zij zich zoo lang heeft moeten bukken. [26]

In alle tijden heeft de Kerk zich, zonder in één enkel opzicht afstand te doen van het absolute, weten te plooien naar de omstandigheden; zij behoudt haar volkomen souvereiniteit, zij duldt eenvoudig wat zij niet kan verhinderen, zij wacht, zelfs eeuwen lang, geduldig op het oogenblik, dat zij weer de meesteresse der wereld worden zal. En zou dat oogenblik niet nu, niet in de naderende crisis slaan? Weer betwisten alle machten zich het bezit van het volk. Sedert vrijheid en onderwijs het hebben opgevoed tot een macht, tot een wezen, dat met volle bewustzijn en krachtigen wil zijn deel opeischt, willen alle regeeringen het voor zich winnen, erdoor, ja zelfs ermede regeeren. Het socialisme is de toekomst, het nieuwe regeeringswerktuig; allen doen aan socialisme, de op hun troonen wankelende koningen, de bourgeois-leiders van onrustige, woelige republieken, de eerzuchtige volksmenners, die van macht droomen. Allen zijn het erover eens, dat de kapitalistische staat de terugkeer tot de heidensche wereld, tot de slavenmarkt is; allen willen de afschuwelijke ijzeren wet breken, die van den arbeid een aan de wetten van vraag en aanbod onderworpen koopwaar maakt, die het loon berekent naar het strikt noodzakelijke, dat de arbeider noodig heeft, om niet van honger om te komen.

Beneden verergeren de kwalen, worden de arbeiders door ellende en wanhoop gekweld, terwijl over hun hoofden heen de discussies worden voortgezet, de stelsels zich kruisen, de goede wil zich uitput in het beproeven van niets uitwerkende middelen. Het is het rondtrappelen op één plaats, het is de krankzinnige verbijstering, die aan naderende catastrophen voorafgaat. En tusschen de andere is het Katholieke socialisme, even vurig als het revolutionnaire socialisme, op zijn beurt in den strijd getreden en tracht te overwinnen.

Nu volgde een studie over de krachtsinspanning van het Katholieke socialisme in de geheele Christenheid. Daarbij was bijzonder opvallend, dat de strijd levendiger en succesvoller werd, zoodra hij geleverd werd op een terrein, dat nog niet geheel gewonnen was voor het Christendom, zooals bijvoorbeeld in die landen, waar het Katholicisme zich tegenover het Protestantisme bevond. Daar streden de priesters met eene ongewone heftigheid voor hun leven, betwistten zij den dominé’s het bezit van het volk door vermetel-democratische theorieën.

In Duitschland, het klassieke land van het socialisme was [27]monseigneur Ketteler een der eersten, die den rijken belastingen wilde opleggen, stichtte hij later een uitgebreide beweging, die thans met behulp van talrijke vereenigingen en couranten door den geheelen clerus geleid wordt. In Zwitserland verdedigde monseigneur Mermillod de zaak der armen zoo krachtig, dat thans de bisschoppen bijna gemeene zaak maken met de democratische socialisten, ongetwijfeld in de hoop hen op den dag der verdeeling te bekeeren.

In Engeland, waar het socialisme zoo langzaam doordringt, behaalde kardinaal Manning belangrijke successen, koos hij tijdens een reusachtige staking de zijde der werklieden, riep hij een volksbeweging in het leven, die talrijke aanhangers kreeg. Maar vooral in Amerika, in de Vereenigde Staten vierde het Katholieke socialisme triomfen in die democratische omgeving, welke bisschoppen als monseigneur Ireland ertoe noodzaakte zich aan het hoofd der arbeiderseischen te stellen: een geheele nieuwe Kerk schijnt daar te ontkiemen, zonder vaste vormen nog, maar overvloeiend van levenskracht en bezield met grootsche verwachtingen, als stond zij reeds aan den dageraad van het verjongde Christendom. Als men dan naar Oostenrijk en België, Katholieke landen, oversteekt, ziet men, dat in het eerste het Katholieke socialisme zich vermengt met het anti-semitisme, en dat het in het tweede geen uitgesproken karakter bezit, terwijl de beweging minder wordt, ja zelfs verdwijnt, zoodra men in Spanje en in Italië, die oude landen van het geloof, komt; Spanje, geheel overgeleverd aan de gewelddaden van revolutionnairen, met zijn stijfhoofdige bisschoppen, die er zich mede vergenoegen als in de dagen der Inquisitie hun banbliksems naar de ongeloovigen te slingeren; Italië verstard in de traditie, zonder eenig initiatief, rondom den Heiligen Stoel tot zwijgen en eerbied gedwongen.

In Frankrijk echter bleef de strijd levendig, maar was het vooral een ideeënstrijd; de oorlog ging over het geheel tegen de Revolutie, en het scheen voldoende te zijn de oude organisatie der monarchistische tijden te herstellen, om tot de gouden eeuw terug te keeren. Op die wijze werd het vraagstuk der werkliedencorporaties het punt, waar alles om draaide, als ware dat de panacee voor alle kwalen der arbeidende klassen. Maar omtrent de oplossing was men het allesbehalve met elkaar eens: sommigen, de Katholieken, die de inmenging van den Staat afwezen en een zuivere moreele actie voorstonden, wilden vrije corporaties, terwijl anderen, [28]de jongeren, de ongeduldigen, die tot handelen besloten waren, verplichte, door den Staat erkende en beschermde corporaties met voldoende eigen kapitaal wilden.

Vicomte Philibert de la Choue vooral had in woord en geschrift een vurige campagne ten gunste van de verplichte corporaties gevoerd; en zijn grootste verdriet was, dat hij er den paus nog niet toe had kunnen bewegen zich uit te spreken, of de corporaties open of gesloten moesten zijn. Zijns inziens hing het lot der maatschappij, de vreedzame oplossing der sociale quaestie of de gewelddadige catastrophe, die alles met zich mede slepen zou, daarvan af. In den grond der zaak was hij, hoewel hij het niet bekennen wilde, ten slotte overgegaan tot het staatssocialisme. Ondanks het gebrek aan overeenstemming bleef de agitatie bestaan, werden pogingen gedaan, die echter weinig succes hadden: coöperatieve verbruiksvereenigingen, arbeiderswoningvereenigingen, volksbanken, louter min of meer gemaskeerde pogingen, om tot de oude Christelijke gemeenschappen terug te keeren, terwijl te midden van de verwarring van den tegenwoordigen tijd, te midden van de onrust der geesten en de politieke moeilijkheden, die het land doormaakte, de militante Katholieke partij haar hoop met den dag grooter voelde worden, tot de blinde zekerheid toe, dat de wereldheerschappij spoedig weer in haar handen zijn zou.

Het tweede deel van het boek eindigde met een schildering van de intellectueele en moreele malaise, waartegen het einde der eeuw streed. De groote massa der arbeiders moge lijden onder de slechte verdeeling en eischen, dat men hun bij een nieuwe deeling ten minste het dagelijksch brood verzekert, de elite is evenmin meer tevreden: zij is wanhopig over de leegte, die haar bevrijde rede, haar zich uitgebreid hebbend begrip in haar achtergelaten hebben. Het is het beruchte bankroet van het rationalisme, van het positivisme, van de wetenschap zelf. De geesten, die verteerd worden door den drang naar het absolute, worden het langzame tasten van die wetenschap moede, welke alleen de bewezen waarheden aanvaardt; zij worden weer aangegrepen door den angst voor het mysterie; zij hebben een volkomen en onmiddellijke synthese noodig, om in vrede te kunnen slapen; en gebroken, razend gemaakt door de gedachte, dat zij nooit alles zullen weten, vallen zij onderweg weer op hun knieën, God, het in een geloofsformule onthulde onbekende, verkiezend. [29]

Inderdaad ook thans nog stilt de wetenschap noch onzen dorst naar gerechtigheid, noch onze begeerte naar zekerheid, noch de eeuwenoude idee, die wij ons maken van het geluk, en die in een voortleven, in eeuwige genietingen bestaat. Zij laat de wereld alleen nog maar spellen, zij brengt voor een ieder slechts de strenge, solidaire verplichting te leven, een eenvoudige factor in den universeelen arbeid te zijn. Hoe begrijpelijk is dan ook de opstand, het verzet des harten, het verlangen naar den Christelijken hemel met zijn mooie engelen, vol licht en muziek en geuren. O, wanneer men zijn dooden kussen en tot zichzelf zeggen kan, dat men ze terug zal vinden, dat men met hen in een glorierijke onsterfelijkheid herleven zal! Wanneer men deze zekerheid van een opperste gerechtigheid bezit, om de afschuwlijkheden van dit aardsche bestaan te kunnen dragen! Wanneer men daardoor aan de verschrikkelijke gedachte aan het Niet, aan de vreeselijke voorstelling van het verdwijnen van het Ik ontsnappen en zoodoende eindelijk rust vinden kan in het onwankelbare geloof, dat de gelukkige oplossing van alle problemen van het levenslot verschuift naar den dag na den dood.

Dien droom zullen de volkeren nog lang droomen. Dat verklaart ook, waarom aan het einde dezer eeuw ten gevolge van de overwinning der geesten, ten gevolge ook van de groote onrust, waarin zich de van een nieuwe wereld zwanger gaande menschheid verkeert, het religieuse gevoel weer ontwaakt is. Het is onrustig, snakt naar het ideale en het oneindige, eischt een moreele wet en de zekerheid van een opperste gerechtigheid. De godsdiensten kunnen verdwijnen, het religieuse gevoel zal er nieuwe scheppen, zelfs met behulp van de wetenschap. Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! En was het niet het oude Katholicisme, dat op het punt stond in deze hedendaagsche wereld, waar alles dat wonder scheen te begunstigen, opnieuw zou ontkiemen, weer groene loten zou doen ontspruiten en zich met een frisschen bloemenpracht tooien zou?

Eindelijk had, in het derde deel van zijn boek, Pierre met de vlammende woorden van een apostel geschilderd hoe de toekomst, het verjongde Katholicisme eruit zou zien, dat aan de in doodsangst verkeerende volkeren vrede en gezondheid, de vergeten gouden eeuw van het oorspronkelijke Christendom teruggeven zou. Hij begon met een roerende en verheerlijkende beschrijving van Leo XIII, den idealen [30]paus, den uitverkorene, aan wien de redding der volkeren opgedragen was. Hij had hem zich zoo voor den geest geroepen, hij had hem zoo gezien in zijn brandend verlangen naar de komst van een herder, die een einde maken zou aan de ellende. Het was geen buitengewoon gelijkend portret, neen het was de onmisbare redder, de onuitputtelijke naastenliefde, het groote hart en de breede geest, zooals hij zich die droomde. Toch had hij de documenten, de encyclieken bestudeerd, de geheele figuur op feiten opgebouwd: op zijn religieuse opvoeding te Rome, de korte nuntiatuur te Brussel, zijn lang episcopaat in Perugia.

Nauwlijks is Leo XIII in den moeilijken, door Pius IX achtergelaten toestand, paus, of zijn dubbele natuur openbaart zich: hij is de onwankelbare hoeder van het dogma, de soepele politicus, vast besloten, de verdraagzaamheid zoo ver mogelijk door te drijven. Hij breekt onmiddellijk met de moderne philosophie, gaat over de Renaissance heen terug naar de Middeleeuwen, herstelt in de Katholieke scholen de Christelijke wijsbegeerte in den geest van Thomas van Aquino. Nadat het dogma op die wijze beschermd is, bereikt hij het evenwicht, geeft aan alle mogendheden onderpanden van den vrede, tracht hij alle gelegenheden te benutten. Men ziet hoe hij met ongekenden ijver een verzoening tot stand brengt tusschen den Heiligen Stoel en Duitschland, hoe hij toenadering zoekt tot Rusland, Zwitserland bevredigt, in vriendschappelijke verhouding met Engeland tracht te komen, aan den keizer van China vraagt de zendelingen en de Christenen in zijn rijk bescherming te verleenen. Later zal hij tusschenbeide komen in Frankrijk en de rechtmatigheid der Republiek erkennen. Van den beginne af is in al zijn daden één gedachte duidelijk merkbaar, de gedachte, die van hem een der eerste politieke personen maken zal. En deze gedachte is niets anders dan het eeuwenoude ideaal van het pausdom: alle zielen te veroveren, Rome het centrum en de meesteres der wereld. Hij heeft slechts één wil, één doel: werken aan de eenheid der Kerk, de afgescheiden gemeenten tot haar terugbrengen, om haar in den komenden socialen strijd onoverwinlijk te maken.

In Rusland tracht hij de moreele autoriteit van het Vaticaan tot erkenning te brengen; hij droomt ervan in Engeland de Anglicaansche Kerk te ontwapenen en haar tot een soort broedervrede te bewegen. Maar vooral in het Oosten streeft hij naar een hereeniging met de afvallige Kerken, die hij [31]eenvoudig als gescheiden zusters behandelt, wier terugkeer zijn vaderhart zoo vurig wenscht. Over welke overwinnende kracht zou Rome niet beschikken, wanneer het zonder tegenspraak over alle Christenen der geheele wereld heerschen zou?

Hier kwam de sociale gedachte van Leo XIII terug. Nog als bisschop van Perugia had hij een herderlijken brief geschreven, waarin een nog wel vaag humanitair socialisme tot uiting kwam. Nauwlijks echter heeft hij zich de tiara opgezet, of hij verandert van meening, dreigt de revolutionnairen, wier vermetelheid toen geheel Italië schrik aanjoeg, met zijn banbliksems. Onmiddellijk echter wijzigt hij zijn koers, gewaarschuwd door de feiten, het doodelijk gevaar, om het socialisme in de handen van de vijanden van het Katholicisme te laten, inziende. Hij luistert naar de adviezen van de populaire bisschoppen in de propagandalanden, mengt zich niet meer in de Iersche quaestie, trekt den banvloek in, dien hij naar de Ridders van den Arbeid in de Vereenigde Staten geslingerd had, verbiedt de vermetele boeken van Katholiek-socialistische schrijvers op den Index te plaatsen. Deze omzwenking naar de democratie vindt men in zijn meest beroemde encyclieken terug: Immortale Dei over de constitutie der staten; Libertas over de menschelijke vrijheid; Sapientiae over de plichten van Christelijke burgers; Rerum novarum over den toestand der arbeiders. Met name deze laatste schijnt de Kerk verjongd te hebben. De paus constateert daarin de onverdiende ellende der arbeiders, den te langen werktijd, het onvoldoende loon. Ieder mensch heeft het recht om te leven; het door den honger afgeperste contract is onrechtvaardig.

Op een andere plaats verklaart hij, dat men den arbeider niet onbeschermd mag laten tegenover een uitbuiting, die de ellende der groote meerderheid in het geluk van enkele anderen verkeeren doet. Daar hij zich over de organisatiequaestie slechts zeer vaag kan uiten, bepaalt hij er zich toe de vereenigingsbeweging, die hij onder de bescherming van den Staat plaatst, aan te moedigen; en nadat hij aldus de gedachte van het burgerlijk gezag hersteld heeft, brengt hij God weer op zijn souvereine plaats terug. Hij verwacht voornamelijk heil van moreele maatregelen, van den ouden eerbied voor familie en eigendom.

Maar was deze hulpvaardige hand, die de verheven stedehouder van Christus openlijk aan de eenvoudigen van geest en de armen toestak, niet het zeker teeken van een nieuwen [32]bond, niet de aankondiging van een nieuw koninkrijk van Jezus op aarde? Van nu af aan wist het volk, dat het niet verlaten was. En tot welk een glorie steeg van dat oogenblik af Leo XIII niet, wiens priester- en bisschopsjubilea door de gezamenlijke Christenheid gevierd werden onder den toevloed van een ontzaglijke menigte, van tallooze geschenken, van vleiende brieven, door alle souvereinen gezonden.

Vervolgens had Pierre de quaestie van de wereldlijke macht behandeld, wat hij vrijuit meende te mogen doen. Natuurlijk wist hij, dat de paus in zijn strijd met Italië even hardnekkig als op den eersten dag zijn rechten op Rome bleef handhaven; maar hij meende, dat dit slechts een noodzakelijke vormquaestie was, die door politieke overwegingen opgedrongen werd en verdwijnen zou, zoodra het uur daarvoor sloeg. Hij voor zich was overtuigd, dat de paus, die nog nooit zoo groot geweest was als thans, die uitbreiding van zijn autoriteit, die zuivere schittering van moreele almacht te danken had aan het verlies van zijn wereldlijke macht. Welk een lange reeks van misslagen en conflicten was sedert vijftien eeuwen niet de geschiedenis van het bezit van dit kleine Romeinsche koninkrijk! In de vierde eeuw verlaat Constantijn Rome, op den ledigen Palatinus blijven nog slechts enkele vergeten functionarissen achter; de paus maakt zich natuurlijk van de macht meester en het leven der stad gaat over naar den Lateranus. Maar eerst vier eeuwen later erkent Karel de Groote het fait accompli door aan den paus formeel den Kerkelijken Staat te schenken.

Van dat oogenblik af houdt de oorlog tusschen de geestelijke macht en de wereldlijke machten niet meer op, dikwijls in het verborgene, meestal echter hevig, vol bloed en vlammen. Is het niet onverstandig thans te droomen van een pausdom, dat te midden van het gewapende Europa tegelijk koning van een lapje grond was, waar het blootgesteld zou zijn aan alle kwellingen, waar het zich slechts met behulp van een vreemd leger zou kunnen handhaven? Wat zou er van het pausdom worden in het algemeene bloedbad, dat men dreigend naderen ziet? Hoeveel veiliger, hoeveel waardiger en hooger is zijn positie, wanneer het, bevrijd van alle aardsche zorgen, slechts over de wereld der zielen regeert!

In de eerste tijden der Kerk heeft het pausdom, oorspronkelijk geheel locaal en zuiver Romeinsch, zich langzamerhand gekatholiseerd, geüniversaliseerd, door zijn heerschappij over de geheele Christenheid uit te breiden. Eveneens heeft het [33]Heilig College, dat oorspronkelijk niets anders was dan een voortzetting van den Romeinschen Senaat, zich geïnternationaliseerd, zoodat het heden ten dage de meest universeele van alle vereenigingen geworden is, waarin onderdanen van alle naties zitting hebben. En is het niet duidelijk, dat de paus, aldus door de kardinalen gesteund, de eenige groote internationale autoriteit geworden is, des te machtiger nu hij bevrijd is van monarchistische belangen en in naam der menschheid spreekt, ja zelfs boven het begrip vaderland staat. De zoo vurig gezochte oplossing, waarom zulke langdurige oorlogen gevoerd zijn, bestaat ongetwijfeld hierin: of men moet den paus de wereldlijke macht over de geheele aarde geven of hem slechts de geestelijke heerschappij laten. Wanneer hij, die reeds de meester der zielen is, niet door alle volkeren als de eenige meester der lichamen, als de koning der koningen erkend wordt, dan moet hij als stedehouder Gods, als absoluut en onfeilbaar souverein door goddelijke overdracht in zijn heiligdom blijven.

Maar welk een vreemd avontuur was dit nieuwe ontspruiten van het pausdom op het door de Fransche Revolutie bezaaide en bemeste veld! Misschien baant dit het den weg naar de heerschappij, het streven waarnaar het zooveel eeuwen staande gehouden heeft. Want nu staat het alleen voor het volk; de koningen zijn neergeworpen; aan het volk staat het thans vrij zich te geven aan wie het zelf wil; waarom zou het zich niet geven aan het pausdom? De zekere afbrokkeling, die de vrijheidsidee ondergaat, geeft het recht alles te hopen. Op economisch terrein schijnt de liberale partij overwonnen. De arbeiders, ontevreden over ’89, klagen over hun steeds grooter geworden ellende, roeren zich, zoeken wanhopig naar het geluk. Anderzijds hebben de nieuwe regeeringsvormen de internationale macht der Kerk doen toenemen; in de parlementen der republieken en constitutioneele monarchieën zitten talrijke Katholieken.

Alle omstandigheden schijnen dus het buitengewone geluk van het verouderende, maar tot nieuwe jeugdkracht ontwakende Katholicisme te begunstigen. Tot de wetenschap toe, die men bankroet verklaart, wat den Syllabus van belachelijkheid redt, maakte de geesten ongerust, opent weer het onbegrensde gebied van het mysterie en van het onmogelijke. En dan herinnert men zich een prophetie, volgens welke het pausdom meester der wereld zijn zou, [34]zoodra het zich aan de spits der democratie zou stellen, na al de afvallige Oostersche Kerken met de apostolische Roomsch-Katholieke Kerk vereenigd te hebben. Die tijd was blijkbaar gekomen, nu de paus, de machtigen en rijken dezer aarde van zich stootend, de van hun troon gejaagde koningen in hun ballingschap liet, om zich, zooals Jezus, aan de zijde van de arbeiders zonder brood en de bedelaars te scharen. Misschien nog enkele jaren van vreeselijke ellende, van verontrustende verwarring—en dan zal het volk, de groote Zwijger, waarover men tot dusverre naar willekeur beschikt heeft, zijn mond openen, terugkeeren naar de wieg, naar de geünifieerde Kerk van Rome, om de dreigende verwoesting der menschelijke maatschappij te voorkomen.

En Pierre eindigde zijn boek met een hartstochtelijke evocatie van het nieuwe Rome, het geestelijke Rome, dat weldra heerschen zou over de verzoende, in een nieuwe gouden eeuw als broeders vereenigde volkeren. Hij zag daarin zelfs het einde van het bijgeloof in, hij had, zonder echter de dogma’s direct aan te vallen, zich in zijn dweperij zoozeer vergeten, dat hij van een uitgebreid, van alle ceremoniën bevrijd, geheel in de bevrediging der naastenliefde opgaand, religieus gevoel droomde. Nog gewond door zijn reis naar Lourdes, had hij toegegeven aan den drang, om zijn hart te bevredigen. Was dat zoo krasse bijgeloof van Lourdes niet het afschuwlijke symptoom van een tijdvak van al te groot lijden? Den dag, dat het Evangelie over de geheele wereld verbreid en in toepassing gebracht zou worden, zouden de lijdenden niet meer zoo ver en onder zoo tragische omstandigheden een illusoiren troost gaan zoeken, zeker als zij van af dat oogenblik zouden zijn thuis hulp te vinden, getroost en genezen te worden.

Te Lourdes had men een zondige verdraaiing van het lot, een voortdurende reden tot strijd, die aan God deed twijfelen, maar in de echt-Christelijke maatschappij van morgen verdwijnen zou. O, deze christelijke maatschappij, deze christelijke gemeenschap; het zwaartepunt van het geheele boek lag in het vurige verlangen naar de komst daarvan! O, mocht de tijd gauw komen, dat het Christendom weer de godsdienst van gerechtigheid en waarheid worden zou, die het vroeger geweest was, voor het zich had laten veroveren door de machtigen en rijken! De tijd, dat de kleinen en armen regeerden, de aardsche goederen onderling deelden en slechts gehoorzaamden aan de alles gelijk makende wet [35]van den arbeid! De tijd, dat de paus alleen aan het hoofd van de federatie der volkeren staan zou, als een vredesvorst, wiens eenige en eenvoudige roeping was de regel der moraal, de band van liefde en barmhartigheid te zijn, die alle wezens samenbindt. Was dat niet de aanstaande verwezenlijking van Christus’ beloften. De tijden zouden in vervulling gaan, de burgerlijke maatschappij en de religieuse maatschappij zouden elkaar zóó volkomen dekken, dat zij er slechts één zouden vormen. Dat zou de door alle propheten voorspelde eeuw van triomf en geluk zijn: geen strijd meer, geen antagonisme tusschen lichaam en ziel, een wonderbaar evenwicht, dat de zonde zou dooden, dat op aarde het koninkrijk Gods brengen zou. Het nieuwe Rome, het centrum der wereld, dat aan de wereld den nieuwen godsdienst gaf!

Pierre voelde, hoe de tranen hem in de oogen kwamen. Met een onbewust gebaar en zonder de verbazing van de magere Engelschen en de corpulente Duitschers, die over het terras heen en weer liepen, op te merken, breidde hij zijn armen uit naar het werkelijke Rome, dat, badend in de mooie zon, zich aan zijn voeten uitstrekte. Zou het zijn droom goedgunstig gezind zijn? Zou hij, zooals hij gezegd had, werkelijk het geneesmiddel voor al ons ongeduld, voor al onze smart vinden? Kon het Katholicisme zich hernieuwen, tot den geest van het oorspronkelijke Christendom terugkeeren, de godsdienst der democratie zijn, het geloof, dat de in doodsgevaar verkeerende moderne maatschappij verwacht, om tot kalmte te komen en verder te leven? Hij was vol edelen hartstocht, vol geloof. Hij zag den goeden abbé Rose terug, zooals hij bij het lezen van het boek van ontroering weende; hij hoorde vicomte Philibert de la Choue tegen hem zeggen, dat een dergelijk boek met een leger gelijk stond; hij voelde zich vooral sterk door de goedkeuring van kardinaal Bergerot, den apostel van de onuitputtelijke naastenliefde.

Waarom dreigde dan de congregatie zijn werk op den Index te plaatsen? Sedert veertien dagen, sedert men hem officieus gewaarschuwd had naar Rome te gaan, als hij zich verdedigen wilde, stelde hij zich telkens weer die vraag, zonder te kunnen ontdekken, welke bladzijden van zijn boek aanstoot konden geven. Het kwam hem voor, dat in alle het zuiverste Christendom brandde. Maar hij kwam, bevend van geestdrift en moed, hij verlangde vurig neer te knielen aan de voeten van den paus, zich onder zijn verheven bescherming [36]te stellen, hem te zeggen, dat hij geen regel geschreven had, die niet door zijn geest geïnspireerd was, die niet den triomf van zijn politiek beoogde. Was het mogelijk, dat men een boek op den Index plaatste, waarin hij in volle oprechtheid meende Leo XIII verheerlijkt te hebben door hem bij zijn werk van Christelijke eenheid en algemeenen vrede te helpen?

Een oogenblik bleef Pierre tegen de borstwering staan. Bijna een uur lang stond hij daar reeds, zonder zich te kunnen verzadigen aan den aanblik van Rome’s grootheid, dat hij dadelijk ondanks al het onbekende, dat het voor hem verborg, had willen bezitten. O, het te grijpen, het te kennen, oogenblikkelijk de waarheid te ervaren, die hij het vragen kwam! Het was een nieuw experiment, een nog ernstiger dan Lourdes, een beslissend experiment, waaruit hij òf gesterkt òf voor altijd verpletterd te voorschijn zou komen. Hij vroeg niet meer het naïeve, absolute kindergeloof, maar het hoogere geloof van den intellectueel, dat zich verheft boven ceremoniën en symbolen en werkt aan het grootst mogelijke geluk der menschheid, gebaseerd op zijn behoefte aan zekerheid. Zijn hart klopte in zijn keel: wat zou Rome’s antwoord zijn? De zon was verder geklommen, de hooger gelegen stadswijken teekenden zich scherper tegen den in vuur staanden achtergrond af. In de verte namen de heuvels gouden en purperen tinten aan, terwijl de dichtst bij zijnde gevels helder en duidelijk met hun duizenden vensters te zien waren.

Maar de ochtendnevels waren nog niet geheel opgetrokken, lichte sluiers schenen uit de lage straten op te stijgen en de toppen te omhullen, waar zij zich dan in den vurigen, eindeloos blauwen hemel vervluchtigden. Een oogenblik dacht hij, dat de Palatinus verdwenen was; hij zag nauwlijks den donkeren zoom der cypressen, alsof hij door het stof van zijn ruïnen verborgen werd. Voornamelijk echter was de Quirinalis niet te onderscheiden, het koninklijk paleis met zijn onbeteekenenden, vlakken en lagen gevel scheen zich teruggetrokken te hebben en zag er in de verte zoo onbestemd en vaag uit, dat hij het niet meer onderscheiden kon. Links echter, boven de boomen, stak de dom van St. Pieter nog hooger uit in het heldere goud van de zon—nam den geheelen hemel in, beheerschte de geheele stad.

O, met welk een onbegrensde hoop vervulde hem deze eerste aanblik van Rome—het ochtend-Rome, welks nieuwe [37]wijken hij in de koorts van zijn aankomst niet eens opgemerkt had, het Rome, dat hij hoopte zóó te vinden als hij het gedroomd had. En toen hij daar in zijn dunne zwarte soutane op dezen schitterenden morgen in aanschouwing verzonken stond—toen meende hij een kreet van naderende verlossing uit de daken te hooren oprijzen, een belofte van wereldvrede te hooren weerklinken uit die heilige aarde, welke tweemaal koningin der wereld geweest was. Dit was het derde Rome, het nieuwe Rome, welks vaderlijke liefde over de grenzen heen uitging naar alle volkeren, om ze, getroost, in één omarming aan zijn borst te drukken. Hij zag het, hij hoorde het—het lag daar zoo verjongd, zoo kinderlijk-zacht onder den wijden blauwen hemel, als opgeheven in den heerlijk-frisschen ochtend en de hartstochtelijke reinheid van zijn droom.

Eindelijk rukte Pierre zich van het verheven schouwspel los. Het paard en de koetsier hadden zich niet bewogen, met gebogen hoofd stonden zij in de volle zon. Op het bankje brandde het handkoffertje in de stralen van de nu reeds hoog staande dagvorstinne. Hij stapte weer in zijn rijtuigje, riep den koetsier opnieuw het adres toe:

“Via Giulia, palazzo Boccanera.” [38]


1 Badhuizen der oude Romeinen. 

2 Klokketorentje. 

[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK

Op dat uur baadde de Via Giulia, die in een rechte lijn van ongeveer vijfhonderd meter van den palazzo Farnese naar de kerk San Giovanni de’ Fiorentini loopt, zich in het volle zonlicht. Het kleine vierkante plaveisel van den rijweg—een trottoir was er niet—leek geheel wit. Het rijtuigje reed bijna de geheele straat door tusschen de oude, grauwe, als in slaap gevallen en ledige huizen met hun groote getraliede vensters en hun diepe voorportalen, waardoor men op de sombere, op putten gelijkende binnenplaatsen zien kon. Geopend door paus Julius II, wiens droom het was haar met prachtige paleizen te omzoomen, had de straat, in dien tijd de regelmatigste en mooiste van Rome, in de zestiende eeuw als Corso gediend. Nu nog was te merken, dat het eens een mooie wijk geweest was; thans echter was het tot stille eenzaamheid vervallen en van een clericale rust en kalmte vervuld. De eene oude gevel volgde op den anderen; de ramen waren gesloten, een paar traliewerken met klimplanten begroeid, op de drempels zaten katten, in de bijgebouwen waren eenvoudige, donkere winkels ondergebracht, terwijl zich slechts weinig voorbijgangers lieten zien: vrouwen, die kinderen achter zich aan trokken, een met een muilezel bespannen hooiwagen, een monnik in een grove wollen pij, een geruischloos voorbijsnellende wielrijder, wiens rijwiel in de zon schitterde.

Eindelijk keerde de koetsier zich om en wees met zijn zweep op een groot vierkant gebouw op den hoek van een naar den Tiber loopend steegje.

“Palazzo Boccanera.”

Pierre keek op. Het streng-regelmatige, door den tijd zwart geworden, kale en massieve gebouw benauwde hem een weinig. Evenals de palazzo Farnese en de palazzo Sacchetti, [39]zijn buren, was het omstreeks 1540 door Antonio da San Gallo gebouwd; ja zelfs beweerde men, dat, evenals voor het eerste, de architect voor den bouw uit het Colosseum en het Theatrum Marcelli gestolen steenen gebruikt had. De gevel, in verhouding tot de straat te groot en te vierkant, bestond uit drie verdiepingen, waarvan de eerste zeer hoog en voornaam was. Als eenige versiering rustten de hooge vensters van den rez-de-chaussée, die ongetwijfeld uit vrees voor een beleg met reusachtige, vooruitspringende tralies voorzien waren, op groote consoles en waren gekroond met attieken, die zelf weer op kleinere consoles steunden. Boven de monumentale ingangspoort met zijn bronzen deuren liep voor het middenraam een balcon. De gevel eindigde bovenaan in een prachtige lijst, waarvan de fries bewonderenswaardig zuivere en mooie versieringen had. Die fries, de consoles en de attieken waren, evenals de deurlijsten, van wit marmer, dat echter zoo vuil gevlekt en afgebrokkeld was, dat het er ruw en geel als zandsteen uitzag. Links en rechts van de poort stonden twee oude, door draken gedragen banken, eveneens van marmer; in een der hoeken zag men nog een in den muur ingemetselde, prachtige Renaissance-fontein, een op een dolfijn rijdende Amor, die echter nauwlijks meer te herkennen was, zoo was het relief in den loop der tijden weggevreten.

Maar Pierre’s blikken werden vooral getrokken door een gebeeldhouwd wapenschild boven een der ramen van de rez-de-chaussée: het wapenschild der Boccanera’s, een gevleugelde, vlammenspuwende draak; hij kon nog heel duidelijk het intact gebleven devies lezen: Bocca nera, Alma rossa—zwarte mond, roode ziel. Boven een ander raam bevond zich, als pendant, een van die kleine kapelletjes, die men nog zoo veel in Rome vindt, een in satijn gekleede Heilige Maagd, waarvoor in het volle daglicht een lantaarntje brandde.

De koetsier wilde, zooals dat gebruikelijk is, onder het donkere, openstaande voorportaal rijden, toen de jonge priester in zijn verlegenheid hem tegenhield:

“Neen, neen, niet inrijden. Het is niet noodig.”

Hij stapte uit, betaalde en ging met zijn valiesje in zijn hand eerst onder de poort door en dan de binnenplaats op, zonder een menschelijk wezen te zien.

Het was een vierkant, groot, als een klooster door een overdekte zuilengang omgeven binnenplaats. Onder de arcaden waren tegen de muren overblijfselen van opgedolven [40]marmeren standbeelden geplaatst—een Apollo zonder armen, een Venus, waarvan alleen de romp nog over was; tusschen de kiezelsteenen, die den grond met een zwart en wit mozaïek plaveiden, was fijn gras opgeschoten. Nooit scheen de zon tot dit door vochtigheid verweerde plaveisel door te dringen. Er heerschte daar een duisternis en een zwijgen als van een doode grootheid en een eindelooze droefheid.

Verbaasd door het ledige van dit zwijgende paleis, zocht Pierre naar een portier of naar een knecht; toen hij een schim meende te zien voorbijglijden, vermande hij zich onder een tweede gewelf door te gaan, dat naar een klein aan den Tiber gelegen tuintje leidde. Aan die zijde liet de hier geheel vlakke en onversierde gevel slechts zijn drie rijen symmetrische vensters zien. Maar de totaal verwaarloosde tuin benauwde hem nog meer. In het midden, in een toegegooid bassin, waren groote taxisboomen opgeschoten. Tusschen het onkruid wezen slechts de oranjeappelboomen met hun gouden vruchten de lijn der paden aan. Tegen den rechtermuur stond tusschen twee reusachtige laurierboomen een sarcophaag uit de tweede eeuw; het relief stelde faunen voor, die vrouwen schoffeerden, een ongebreideld bacchanaal, een van die wellustige liefdetooneelen, zooals het decadente Rome uit dien tijd ze op de graven liet aanbrengen.

Deze in een trog veranderde, afgebrokkelde, groen geworden, marmeren sarcophaag ving het fijne waterstraaltje op, dat uit een in den muur gemetseld, tragisch masker stroomde. Vroeger kwam hier een soort loggia met een zuilengalerij op den Tiber uit, een terras, vanwaar een dubbele trap naar de rivier stroomde. Maar de kadewerken brachten ook een verhooging van den oever met zich mede; het terras lag nu al lager dan de nieuwe grond, te midden van puin en gehouwen steenen, die waren blijven liggen.

Ditmaal was Pierre er zeker van de schim van een rok gezien te hebben. Hij ging naar de binnenplaats terug en stond tegenover een vrouw, die tegen de vijftig zijn moest, maar nog geen grijs haar had; met haar wat korte gestalte maakte zij een vroolijken, levendigen indruk. Toch kwam bij het zien van den priester iets als wantrouwen op haar rond gezichtje met de kleine, heldere oogjes.

Hij maakte zich dadelijk bekend, terwijl hij zijn beetje slecht Italiaansch bij elkaar zocht.

“Madame, ik ben abbé Pierre Froment …”

Maar zij liet hem niet uitspreken, maar zeide in heel goed [41]Fransch met het eenigszins dikke en sleepende accent van Ile-de-France:

“O, mijnheer de abbé, ik weet het, ik weet het … ik verwachtte u …”

En toen hij haar verbaasd aankeek:

“Ja, ik ben een Française … Ik woon hier nu al vijf-en-twintig jaar in dit land, maar ik heb me nog steeds niet kunnen wennen aan hun verduiveld koeterwaalsch.”

Toen herinnerde Pierre zich, dat vicomte Philibert de la Choue hem gesproken had over deze dienstbode, Victorine Bosquet, eene Beauceronnin uit Auneau, die op twee-en-twintigjarigen leeftijd met een teringachtige dame naar Rome gekomen was. Haar meesteres was plotseling gestorven en zij bleef wanhopig, als alleen midden in een land van wilden achter. Zij had zich dan ook met lichaam en ziel gegeven aan gravin Ernesta Brandini, geboren Boccanera, die pas bevallen was en haar van de straat opgenomen had als kindermeisje voor haar dochtertje Benedetta en in de hoop, dat zij haar zou helpen Fransch te leeren. Victorine, die nu vijf-en-twintig jaar in de familie was, had zich opgewerkt tot de rol van huishoudster, hoewel zij nog even onbeschaafd gebleven was en een zoo weinig ontwikkeld taalgevoel bezat, dat zij, wanneer zij voor het huishouden met het verdere dienstpersoneel spreken moest, nog slechts een afschuwlijk Italiaansch brabbelen kon.

“En maakt mijnheer de vicomte het goed?” vroeg zij met haar vrijmoedige familiariteit. “Hij is zoo aardig. Wij vinden het zoo prettig, dat hij telkens als hij in Rome is, hier komt logeeren. Ik weet, dat de prinses en de contessina gisteren een brief van hem gekregen hebben, waarin hij uw bezoek meldde.”

Inderdaad had vicomte Philibert de la Choue alles voor het verblijf van Pierre in orde gebracht. Van het oude, krachtige geslacht der Boccanera’s waren alleen nog over kardinaal Pio Boccanera, de prinses, zijn zuster, een ongetrouwde dame, die men uit eerbied donna Serafina noemde, hun nicht Benedetta, wier moeder, Ernesta, haar echtgenoot, graaf Brandini in het graf gevolgd was, en eindelijk hun neef, prins Dario Boccanera, wiens vader, prins Onofrio Boccanera gestorven en wiens moeder, een Montefiori, hertrouwd was. De vicomte was door een toevallig huwelijk aan deze familie geparenteerd: zijn jongste broer was met een Brandini, de zuster van Benedetta’s vader, getrouwd; [42]op die wijze had hij als oom-titulair tijdens het leven van den graaf verschillende malen in het paleis in de Via Giulia gelogeerd. Hij had zich zeer aan diens dochter gehecht, vooral sedert het intieme drama van een ongelukkig huwelijk, dat zij thans ontbonden trachtte te krijgen.

Sedert zij weer naar haar tante Serafina en haar oom, den kardinaal, teruggekeerd was, schreef hij haar dikwijls en zond haar Fransche boeken. Onder andere had hij haar het boek van Pierre doen toekomen, en daar nam de heele geschiedenis haar oorsprong: er werden brieven over gewisseld, tot eindelijk Benedetta meldde, dat het werk bij de congregatie van den Index aangegeven was, den schrijver aanraadde onmiddellijk naar Rome te komen en hem op de allervriendelijkste wijze gastvrijheid in het paleis aanbood. De vicomte, die even verbaasd was als de jonge priester zelf, had de zaak niet goed begrepen, maar toch uit een oogpunt van goede politiek en omdat hij zich ook hartstochtelijk interesseerde voor een overwinning, die hij bij voorbaat tot een eigen overwinning maakte, er bij Pierre op aangedrongen om te gaan. Uit dit alles is zeer goed te begrijpen, dat Pierre zich weinig op zijn gemak gevoelde, toen hij, gewikkeld in een avontuur, waarvan de redenen en de voorwaarden hem onbekend waren, in dit voor hem vreemde huis kwam.

“Maar ik zou u zoo waar hier laten staan, mijnheer de abbé,” begon Victorine plotseling weer. “Ik zal u naar uw kamer brengen. Waar is uw koffer?”

Toen hij haar zijn handkoffertje, dat hij zoo lang naast zich neergezet had, gewezen en haar uitgelegd had, dat hij voor de veertien dagen, die hij blijven zou, alleen maar een schoone soutane en wat linnengoed meegebracht had, scheen zij zeer verbaasd.

“Veertien dagen? Denkt u maar veertien dagen te blijven? Enfin, we zullen wel zien.”

Zij riep een langen slungel van een bediende, die eindelijk te voorschijn gekomen was.

“Giacomo, breng dat naar de roode kamer … Als mijnheer de abbé zoo goed wil zijn mij te volgen.”

Pierre was door die onverwachte ontmoeting met een landgenoote, en bovendien nog zoo’n vriendelijke, hartelijke vrouw, in dit sombere Romeinsche paleis weer geheel opgevroolijkt en op zijn gemak gebracht. Terwijl zij de binnenplaats overstaken, vertelde zij hem, dat de prinses uit was [43]en dat de contessina, zooals men ondanks haar huwelijk Benedetta uit liefde was blijven noemen, zich niet erg wel voelde en op haar kamer gebleven was. Maar men had haar opgedragen voor hem te zorgen.

De trap was in een hoek van de binnenplaats onder de zuilengang: een monumentale trap met breede, lage en zoo zacht oploopende treden, dat een paard haar makkelijk had kunnen opgaan; maar de steenen waren zoo kaal, de trapportalen zóó leeg en zóó deftig, dat een doodsche melancholie uit de hooge gewelven scheen te vallen.

Op de eerste verdieping glimlachte Victorine even, toen zij de gedachte van Pierre meende te raden. Het paleis scheen onbewoond te zijn, geen geluid kwam uit de gesloten zalen. Zij wees op een groote eikenhouten deur rechts.

“Zijne Eminentie bewoont hier den vleugel, die op de binnenplaats en op de rivier uitziet. O, nog niet het vierde gedeelte der verdieping … Alle ontvangsalons, die op de straat uitzien, zijn gesloten. Hoe zou men een dergelijke ruimte kunnen schoon houden? En waarom trouwens? Daarvoor zouden er meer menschen hier moeten wonen.”

Zij bleef met haar stevigen pas doorloopen; ongetwijfeld was deze omgeving haar nog steeds vreemd, was zij zelf te zeer verschillend ervan, om door het milieu beïnvloed te worden. Op de tweede verdieping begon zij weer:

“Kijk, daar links is het appartement van donna Serafina, en daar rechts dat van de contessina. Dit is het eenige hoekje van het huis, waar het een beetje warm is en waar je tenminste leven kan … Trouwens het is vandaag Maandag, de prinses ontvangt vanavond. U zult het dus zelf kunnen zien.”

Dan opende zij een deur, die op een breede, heel nauwe trap uitkwam, en zeide:

“Wij wonen op de derde verdieping … Als ik mijnheer den abbé voor mag gaan?”

De groote monumentale trap eindigde op de tweede verdieping. Victorine legde hem uit, dat de derde verdieping alleen langs deze trap te bereiken was, die beneden uitkwam in het steegje, dat langs het paleis naar den Tiber liep. Er was daar een afzonderlijke deur, wat heel makkelijk was.

Op de derde verdieping volgde zij een gang en wees zij hem opnieuw verschillende deuren.

“Dit is de kamer van don Vigilio, den secretaris van Zijne Eminentie … Dit is de mijne … En hier hebt u uw [44]kamer. Mijnheer de vicomte wil, wanneer hij voor een paar dagen in Rome komt, nooit een andere hebben. Hij zegt, dat hij hier vrijer is, uit kan gaan en thuis kan komen, wanneer hij wil. Ik zal u, net als hem, een sleutel van de deur beneden geven … En u zult eens zien, wat een mooi uitzicht u hier hebt!”

Zij was naar binnen gegaan. De voor Pierre bestemde woning bestond uit twee vertrekken, een vrij grooten salon met een rood behang met veel bladwerk, en een kleiner kamer met een vlaskleurig behang bezaaid met verschoten blauwe bloemen. De salon lag op den hoek van het paleis en zag dus op het steegje en op den Tiber uit. Victorine ging dadelijk de beide ramen open zetten, waarvan het eene een ruim uitzicht gaf op de rivier stroomafwaarts, het andere op den Trastevere en den Janiculus aan de overzijde van het water.

“Ja, het is hier heel mooi,” zei Pierre, die haar gevolgd was en nu naast haar stond.

Zonder zich te haasten kwam Giacomo met het handkoffertje achter hem aan. Het was nu even over elf. Victorine, die zag, dat de priester moe was, en begreep, dat hij na zoo’n lange reis wel honger hebben zou, bood hem aan dadelijk in den salon een ontbijt te laten brengen. Dan zou hij daarna den namiddag hebben, om te rusten of uit te gaan; de dames zou hij eerst ’s avonds bij het diner zien. Hij protesteerde daartegen; neen, hij zou beslist uitgaan en niet een heelen middag verliezen. Maar heel graag wilde hij een ontbijt hebben, want hij stierf werkelijk bijna van honger.

Intusschen moest Pierre nog ruim een half uur geduld oefenen. Giacomo, wien Victorine opgedragen had voor het ontbijt te zorgen, maakte volstrekt geen haast. En deze verliet den gast niet eerder, voordat zij zich overtuigd had, dat het hem aan niets meer ontbrak.

“O, mijnheer de abbé, wat een menschen en wat voor een land! Daar kunt u zich geen denkbeeld van vormen. Al woonde ik hier honderd jaar, dan zou ik nog niet kunnen wennen … Maar de contessina is zoo mooi en zoo goed!”

En terwijl zij zelf een schotel met vijgen op tafel zette, deed zij hem versteld staan door haar opmerking, dat een stad, waarin niets dan geestelijken waren, geen goede stad zijn kon. Een ongeloovige, zij het dan ook levendige en vroolijke, huishoudster in dit paleis! Hij begon zich weer te verbazen. [45]

“Wat, u bent toch niet ongodsdienstig?”

“Neen, neen, mijnheer de abbé, dat niet, maar van geestelijken moet ik niet veel hebben. Ik had er al een in Frankrijk gekend, toen ik nog klein was. En later, hier, heb ik er te veel gezien. Ik heb er meer dan genoeg van … O, ik spreek niet van Zijne Eminentie, die is een heilig en eerbiedwaardig man … En hier in huis weet men, dat ik een fatsoenlijk meisje ben; nog nooit heb ik me slecht gedragen. Waarom zou men mij ook niet met rust laten, daar ik heel veel van mijn meesters houd en voor mijn werk sta? Ja, zeker,” voegde zij er lachend aan toe, “toen ze me vertelden, dat er een priester komen zou—net alsof we er nog niet genoeg gehad hebben—toen heb ik vreeselijk in de hoekjes zitten brommen … Maar u lijkt me een aardige, jonge man, ik geloof, dat we het best zullen kunnen vinden … Ik weet waarachtig niet, waarom ik u dat allemaal vertel! Zeker, omdat u uit Frankrijk komt, en misschien ook wel, omdat de contessina zich voor u interesseert … U neemt het mij niet kwalijk mijnheer de abbé, maar heusch, ik zou u aanraden vanmiddag wat te rusten. Wees niet zoo dwaas in de stad te gaan rondloopen. Wat u te zien krijgt, is bovendien lang zoo aardig niet, als ze zeggen.”

Toen Pierre alleen was, voelde hij zich plotseling uitgeput. De vermoeienis van de lange reis was nog toegenomen door den ochtend, dien hij in koortsachtige geestdrift doorleefd had; en als bedwelmd door de twee eieren en de cotelette, die hij in groote haast opgegeten had, wierp hij zich, met het voornemen een half uurtje te rusten, op bed. Hij sliep echter niet dadelijk in, maar dacht aan de Boccanera’s, wier geschiedenis hij gedeeltelijk kende, en over wier intiem leven hij peinsde in dit verlaten en stille paleis, dat hem van een zoo vervallen en zoo melancholieke grootschheid scheen. De verrassing van de eerste oogenblikken deed hem alles nog grooter zien. Dan verwarden zich zijn gedachten; hij sluimerde in te midden van een geheele schaar van nu eens tragische, dan weer vriendelijke schimmen, van verwarde gezichten, die hem met hun raadselachtige oogen aankeken.

De Boccanera’s hadden twee pausen in de familie gehad, een in de dertiende en een in de vijftiende eeuw; en van deze twee uitverkorenen, deze almachtige meesters, was hun vroeger reusachtig vermogen afkomstig. Het bestond uit [46]uitgestrekte landerijen in den omtrek van Viterbo, verschillende paleizen in Rome, kunstvoorwerpen, waarmede men musea, goud, waarmede men kelders zou kunnen vullen. De familie ging door voor de vroomste van het Romeinsche patriciaat; haar geloof was het vurigste en haar degen had zij altijd ter beschikking van de Kerk gesteld. Ja, zij was de geloovigste, maar ook de heftigste, de strijdlustigste, steeds in twist en oorlog, en zoo wild en woest, dat de toorn der Boccanera’s spreekwoordelijk geworden was. Vandaar was ook hun wapenschild afkomstig, de gevleugelde, vlammen spuwende draak, en ook het vurige devies, dat een woordspeling op hun naam vormde: Bocca nera, Alma rossa, zwarte mond, roode ziel—de mond, in het donker gehuld door gebrul, de ziel vlammend als een vuur van geloof en liefde.

Nog steeds waren legenden van krankzinnige hartstochten en vreeselijke wraaknemingen in omloop. Zoo vertelde men nog altijd van het duel van Onfredo, den Boccanera, die tegen het midden der zestiende eeuw op de plaats van een oud, vervallen gebouw het tegenwoordige paleis had laten zetten. Onfredo, die wist, dat zijn vrouw zich door den jongen graaf Costamagna op de lippen had laten kussen, liet hem ’s avonds ontvoeren en met touwen geboeid in zijn huis brengen; en in een groote zaal daarvan dwong hij den graaf, alvorens hem te bevrijden, aan een monnik te biechten. Daarna sneed hij de touwen met een dolk door, wierp alle lampen om, riep den graaf toe den dolk te houden en zich te verdedigen. Meer dan een uur lang zochten, vermeden, omvatten de beide mannen elkaar in het donker, in de met meubelen volgepropte zaal, en reten elkaar open met dolksteken. Toen men eindelijk de deuren intrapte, vond men, te midden van bloedplassen, van omgegooide tafels en gebroken stoelen, Costamagna met een afgereten neus en twee-en-dertig wonden in zijn dijen, terwijl Onfredo twee vingers van zijn rechterhand verloren had en zijn schouders gaten hadden als een schietschijf. Het wonder was, dat zij geen van beiden aan hun wonden stierven.

Honderd jaar later had, op dienzelfden oever van den Tiber, een Boccanera, een kind van zestien jaar nauwlijks, de mooie en hartstochtelijke Cassia, Rome met schrik en bewondering vervuld. Zij beminde Flavio Corradini, den zoon van een vijandige familie. Haar vader, prins Boccanera, had ruw zijn toestemming geweigerd, terwijl haar oudste broeder, Ercole, [47]gezworen had hem te dooden, als hij hem ooit met haar samen mocht vinden. De jonge man kwam altijd in een bootje haar opzoeken en zij wachtte hem op bij het kleine trapje, dat naar de rivier voerde. Maar Ercole, die op hen loerde, sprong op een avond in het bootje en stak Flavio een mes in het hart. Eerst later kon men de feiten vaststellen en begreep men, dat Cassia, woedend van krankzinnigheid en wanhopig, en daar zij hem, dien zij liefhad, niet wilde overleven, zelf wraak genomen had, zich op haar broeder geworpen en het bootje had doen kantelen, terwijl zij den moordenaar en diens slachtoffer met dezelfde onweerstaanbare kracht omvatte. Toen men de drie lijken vond, hield Cassia nog steeds de beide mannen omkneld en drukte met haar bloote armen, die sneeuwwit gebleven waren, hun gezichten tegen elkaar.

Doch dit alles behoorde tot het verleden. Thans scheen, ook al was het geloof gebleven, bij de Boccanera’s het heftige, woest stroomende bloed tot kalmte gekomen te zijn. Hun groot fortuin was ook verdwenen in het langzame verval, dat sedert een eeuw het Romeinsche patriciaat met ondergang bedreigt. De landerijen moesten verkocht worden, het paleis was leeg geworden en nam langzamerhand het kleinburgerlijke karakter van de nieuwere tijden aan. Maar de Boccanera’s, trotsch op hun zuiver gebleven Romeinsch bloed, verzetten zich hardnekkig tegen ieder huwlijk met een vreemdeling. Armoede beteekende voor hen niets; zij hadden genoeg aan hun familietrots; zij leefden teruggetrokken, zonder een klacht, in de stilte en in de vergetelheid, waarin hun geslacht uitstierf. Aan prins Ascanio, die in 1848 gestorven was, had zijn vrouw, een geboren Corvisieri, vier kinderen geschonken: Pio, den kardinaal; Serafina, die niet getrouwd was, om bij haar broer te kunnen blijven; Ernesta, die slechts een dochter had nagelaten, zoodat de zoon van Onofrio, de thans dertigjarige Dario, de eenige mannelijke erfgenaam was. Met hem zou, als hij zonder nakomelingschap stierf, het krachtige geslacht der Boccanera’s, wier daden de geschiedenis vervuld hadden, uitsterven.

Van hun jeugd af hadden Dario en zijn nicht Benedetta elkaar met een glimlachenden, diepen en natuurlijken hartstocht lief gehad. Zij waren voor elkander geboren en konden zich niet voorstellen, dat zij voor iets anders op de wereld gekomen waren dan om man en vrouw te worden, zoodra zij den huwbaren leeftijd bereikt zouden hebben. Toen prins [48]Onofrio, een beminlijk en in Rome zeer populair man, die het kleine fortuintje, dat hij nog bezat, naar hartelust uitgaf, op zijn veertigste jaar met de dochter van markiezin Montefiori, de kleine markiezin Flavia, wier trotsche schoonheid hem dol gemaakt had, trouwde, was hij in de villa Montefiori gaan wonen, het eenige bezit van die dames. Zij lag dicht bij de Santa Agnese fuori le Mura in een grooten tuin, een waar park met oude boomen, waarin de villa zelf, een vrij onaanzienlijk gebouw uit de zeventiende eeuw, in een staat van verval verkeerde. Allerlei praatjes deden over de dames de ronde: de moeder was na den dood van haar man geheel beneden haar stand geraakt; de te mooie dochter was veel te vrijmoedig in haar optreden.

Het huwlijk was dan ook door de zeer strenge Serafina en door zijn ouderen broeder Pio, die toentertijd geheim kamerheer van den Heiligen Vader en canonicus van de Vaticaansche Basilica was, ten sterkste afgekeurd. Alleen Ernesta was met haar broeder, dien zij om zijn betooverende charme aanbad, blijven omgaan, zoodat het later haar prettigste afleiding geworden was met haar dochter Benedetta iedere week een dag op de villa Montefiori te gaan doorbrengen. En wat een heerlijke dag was het altijd voor de tienjarige Benedetta en den vijftienjarigen Dario—welk een gelukkigen dag brachten zij dan door in den grooten, bijna verwaarloosden en verlaten tuin met zijn piniepijnen, zijn reusachtige taxisboomen, zijn groene eikenboschjes, waarin men als in een maagdelijk woud verdwalen kon.

De arme, in haar levenslust verstikte Ernesta was een hartstochtelijke lijdende ziel geworden. Zij was met een groote levenslust geboren en smachtte naar zonneschijn, naar een gelukkig, vrij en druk leven in het volle daglicht. Zij was beroemd om haar mooie, groote oogen, om het bekoorlijke ovaal van haar zacht gezichtje. Zeer onwetend, zooals alle jonge meisjes van den Italiaanschen adel, die het kleine beetje, dat zij nog kenden, in een Fransch nonnenklooster geleerd hadden, was zij, geheel afgesloten van het leven, opgevoed in den somberen palazzo Boccanera, kende zij de wereld alleen maar van den dagelijkschen wandelrit, dien zij met haar moeder over den Corso en den Pincio maakte. Op haar vijf-en-twintigste jaar sloot zij, reeds moede en wanhopig, het gewone huwlijk. Zij trouwde met graaf Brandini, den laatst geborene van een zeer oud, talrijk en arm geslacht, die in het paleis in de Via Giulia moest komen [49]wonen, waar een geheele vleugel van de tweede verdieping ter beschikking van het jonge paar gesteld werd.

Verandering bracht dit niet met zich mede, Ernesta bleef in dezelfde koude donkerte, in dat doode verleden, waarvan zij het gewicht, als een zwaren grafsteen, steeds zwaarder op zich voelde drukken, voortleven. Verder was het van beide kanten een zeer eervol huwlijk. Graaf Brandini ging weldra voor den domsten en hoogmoedigsten man van Rome door. Hij was streng godsdienstig, op de vormen gesteld en onverdraagzaam, en hij triompheerde, toen het hem, na tallooze intriges en kunstgrepen, na zes jaar gelukte tot opperstalmeester van Zijne Heiligheid benoemd te worden.

Van af dat oogenblik scheen met zijn ambt tegelijk de geheele sombere majesteit van het Vaticaan in zijn huis gekomen te zijn. Onder Pius IX, tot in 1870, was het leven van Ernesta nog draaglijk: zij durfde de ramen, die op straat uitzagen, nog openen, ontving openlijk enkele vriendinnen, nam uitnoodigingen voor feestelijkheden aan. Maar toen de Italianen Rome veroverd en de paus zich tot gevangene verklaard had, werd het paleis in de Via Giulia een graf. De groote poort werd gesloten en gegrendeld, de deurvleugels ten teeken van rouw dichtgespijkerd; gedurende twaalf jaar ging alles langs het kleine trapje, dat naar het steegje leidde. Eveneens was het verboden de jaloezieën aan den voorkant te openen. Dit was het boudeeren, het protest der zwarte kringen. Het paleis zonk terug in de onbeweeglijkheid van den dood en in een volkomen geïsoleerdheid: recepties werden niet meer gehouden, en slechts zelden, op Maandagen, slopen schimmen, vrienden van donna Serafina, door de nauwe, openstaande deur. Gedurende die twaalf lugubere jaren weende de jonge vrouw iederen nacht, haar arme ziel verteerde in stilte van wanhoop over dit levend begraven zijn.

Ernesta had haar dochtertje Benedetta vrij laat gekregen, eerst toen zij al drie-en-dertig was. In den beginne was het kind een afleiding voor haar. Dan geraakte zij echter weer in den doodenden sleur van het geregelde leven; zij moest het meisje in het klooster bij de Fransche nonnen doen, die haar zelf ook opgevoed hadden. Benedetta kwam er op haar negentiende jaar als volwassen meisje vandaan met als eenige kennis: Fransch, orthographie, wat rekenen, den catechismus en een heel klein beetje geschiedenis. En het leven der beide vrouwen, een leven in het vrouwenvertrek, dat reeds iets [50]Oostersch had, werd als altijd voortgezet: nooit ging de echtgenoot en vader met haar uit; zij brachten den geheelen dag in de afgesloten kamers door, de eenige afleiding was de dagelijksche verplichte wandelrit over den Corso en den Pincio.

Thuis heerschte er volkomen gehoorzaamheid; de familieband was nog sterk en deed haar beiden buigen onder den wil van den graaf, zonder dat verzet mogelijk was. Daarbij kwam nog de wil van donna Serafina en van den kardinaal, die krachtige verdedigers van de oude gewoonten waren. Sedert de paus in Rome niet meer uitging, had de graaf als opperstalmeester veel vrijen tijd, want de stallen waren sterk ingekrompen; toch bleef hij zijn dienst, die niet meer dan een vorm was, met een groot vertoon van vromen ijver waarnemen als een voortdurend protest tegen de usurpatorische monarchie, die zich op het Quirinaal gevestigd had. Benedetta was twintig jaar, toen haar vader op een avond hoestend en rillend van een ceremonie in de St. Pieter thuis kwam. Acht dagen later stierf hij, weggerukt door een longontsteking. Voor de beide vrouwen was het, ondanks haar rouw, een opluchting, die zij echter niet bekennen wilden; zij voelden zich nu vrij.

Van af dat oogenblik had Ernesta nog slechts één gedachte, haar dochter te vrijwaren voor dat vreeselijke, ingemetselde en begraven bestaan. Zij had zich te zeer verveeld, voor haar was het te laat weer op te leven, maar zij wilde niet, dat Benedetta op haar beurt een tegennatuurlijk leven in een vrijwillig graf leven zou. Trouwens bij enkele patricische families begonnen zich eveneens teekenen van moeheid en verzet te toonen; na de eerste tijden van wrokken en boudeeren gingen zij toenadering zoeken bij het Quirinaal. Waarom zouden de naar werkzaamheid, vrijheid en buitenleven snakkende kinderen eeuwig den strijd hunner ouders voortzetten? En zonder dat een verzoening tusschen de zwarte en de witte kringen tot stand kon komen, begonnen toch de nuances samen te smelten, werden onvoorziene huwlijken gesloten.

De politieke quaestie liet Ernesta totaal onverschillig; zij wist er eigenlijk niets van; het eenige wat zij hartstochtelijk begeerde, was, dat haar familie eindelijk dat vervloekte graf, dat stomme, donkere paleis Boccanera, waarin alle vreugden van haar vrouwenbestaan in een zoo lang sterven verstard waren, verlaten zou. Als jong meisje, als bruid, als echtgenoote [51]had haar hart te veel geleden; zij gaf zich geheel over aan de woede over haar verloren leven, dat zij in domme berusting voorbij had laten gaan. Een nieuwe biechtvader, welken zij in dien tijd koos, had nog meer invloed op haar begeerte, want zij was heel vroom gebleven, vervulde trouw haar kerkelijke plichten en volgde de raadgevingen van haar biechtvader trouw op. Om zich nog vrijer te maken, biechtte zij niet meer bij den Jezuïetenpater, dien haar man voor haar gekozen had, maar bij abbé Pisoni, den pastoor van de Santa Brigittakerk op de piazza Farnese.

Het was een zeer zachte en goede man van een jaar of vijftig, voor Rome buitengewoon liefdadig, van wien de archaeologie en de liefde voor de steenen een vurig patriot gemaakt hadden. Men vertelde, dat hij ondanks zijn nederige positie meermalen in netelige quaesties als bemiddelaar tusschen het Vaticaan en het Quirinaal opgetreden was. Daar hij ook de biechtvader van Benedetta werd, sprak hij met moeder en dochter graag over de grootheid der Italiaansche eenheid, over de triompheerende heerschappij van Italië, wanneer de verzoening tusschen den paus en den koning tot stand zou zijn gekomen.

Benedetta en Dario hadden elkaar nog lief als op den eersten dag met die krachtige en rustige liefde, welke hun de zekerheid gaf, dat zij voor elkaar bestemd waren. Maar toen kwam Ernesta tusschen beide en verzette zich halsstarrig tegen het huwlijk. Neen, neen, niet Dario! Niet die neef, de laatste van den naam, die ook zijn vrouw zou opsluiten in het donkere graf van het paleis Boccanera. Dat zou het voortgezette begraven zijn beteekenen, een nog erger verval, dezelfde hoogmoedige ellende, het eeuwige, neerdrukkende en in slaap wiegende wrokken. Zij kende den jongen man goed, wist, dat hij een egoïst en een zwakkeling was, niet in staat om te denken of te handelen, dat hij voorbestemd was om zijn geslacht glimlachend te begraven en om de laatste steenen van het huis boven zijn hoofd te laten instorten, zonder een poging te doen om een nieuwe familie te stichten. En zij wilde juist een ander lot voor haar kind, wilde het rijk en in het leven van de overwinnaars en de machthebbers der toekomst tot nieuwen bloei zien ontluiken.

Van af dat oogenblik bleef de moeder er hardnekkig aan vasthouden haar dochter tegen haar wil gelukkig te maken; zij vertelde haar haar eigen lijden, bezwoer haar de jammerlijke [52]geschiedenis niet opnieuw te beginnen. Toch zouden haar pogingen mislukt zijn, zouden zij gestrand zijn op den rustigen wil van het jonge meisje, dat zich voor altijd gegeven had, wanneer bijzondere omstandigheden haar niet in aanraking gebracht hadden met den schoonzoon van haar droomen. In dezelfde villa Montefiori, waar Benedetta en Dario elkaar trouw beloofd hadden, maakte zij kennis met graaf Prada, den zoon van Orlando, een der helden van de Italiaansche eenheid. Op achttienjarigen leeftijd was hij na de occupatie met zijn vader naar Rome gekomen en als eenvoudig ambtenaar bij het ministerie van Financiën in staatsdienst getreden, terwijl de oude held, die tot senator benoemd was, zeer bescheiden van een kleine rente leefde, de laatste overblijfselen van een in den dienst van het vaderland verdwenen kapitaal. Maar de edele krijgslust van Garibaldi’s ouden strijdmakker was, na de overwinning, bij den jongen man in een woeste begeerte naar buit veranderd, en hij was een der werkelijke veroveraars van Rome geworden, een der roofvogels, die de stad in stukken scheurden en verslonden. In reusachtige bouwspeculaties gewikkeld en, naar men beweerde, bovendien reeds zeer rijk, was hij in aanraking gekomen met prins Onofrio, wien hij het hoofd op hol gebracht had door hem het denkbeeld in te fluisteren het groote park van de villa Montefiori te verkoopen, om daar een geheele nieuwe wijk te doen verrijzen. Anderen beweerden, dat hij de minnaar der prinses, de mooie Flavia, was, die, hoewel negen jaar ouder dan hij, nog steeds een pracht van een vrouw bleef.

En inderdaad werd hij beheerscht door woeste begeerte, een drang om alles te veroveren, die hem voor niets deed terugdeinzen, als hij het goed of de vrouw van een ander wilde bezitten. Vanaf het eerste oogenblik wilde hij Benedetta. Haar kon hij niet als maîtresse nemen, met haar moest hij trouwen. Hij aarzelde geen oogenblik, brak op staanden voet met Flavia, plotseling hongerig naar die reine maagdelijkheid, naar het oude patricische bloed, dat in een zoo aanbiddelijk jong lichaam stroomde. Toen hij begreep, dat Ernesta, de moeder, voor hem was, vroeg hij, zeker van zijn overwinning, om haar hand. Het was een groote verrassing, want hij was vijftien jaar ouder dan zij; maar hij was graaf, droeg een reeds historischen naam, hoopte het eene millioen op het andere, was gezien op het Quirinaal en had de beste vooruitzichten. Heel Rome sprak erover. [53]

Later heeft Benedetta zichzelf nooit kunnen verklaren, hoe zij ten slotte had toegestemd. Een half jaar vroeger of een half jaar later zou een dergelijk huwlijk wegens het vreeselijke schandaal, dat daardoor in de zwarte kringen ontstaan zou, niet tot stand zijn gekomen. Een Boccanera, de laatste van dit oude, pauselijke geslacht, gegeven aan een Prada, aan een van die Kerkroovers! Dit krankzinnige plan had juist moeten vallen op een zeer bijzonder en kortstondig oogenblik, juist toen een uiterste toenaderingspoging tusschen het Vaticaan en het Quirinaal gedaan werd. Het gerucht liep, dat men eindelijk tot overeenstemming zou komen, dat de koning erin zou toestemmen de souvereiniteit van den paus over de Leostad en over een smalle, tot aan de zee loopende strook gronds te erkennen. Werd daardoor het huwlijk van Benedetta en Prada als het ware niet het symbool van de nationale verzoening? Was dit mooie meisje, de reine lelie der zwarte kringen, niet het offer, het onderpand, dat men aan de witte kringen gaf?

Gedurende veertien dagen sprak men over niets anders. Maar het jonge meisje zelf bekommerde zich niet om die beweegredenen, luisterde slechts naar haar hart, waarover zij niet meer beschikken kon, omdat zij het reeds weggeschonken had. Doch van den vroegen ochtend tot den laten avond smeekte haar moeder haar, bezwoer haar het geluk, het leven, dat haar geboden werd, niet te weigeren. Vooral echter werd zij bewerkt door haar biechtvader, den goeden abbé Pisoni, wiens vaderlandslievende ijver bij deze gelegenheid tot volle uiting kwam: hij oefende door het geheele gewicht van zijn geloof aan de Christelijke bestemming van Italië een sterken druk op haar uit; hij dankte de Voorzienigheid, dat zij een zijner biechtkinderen uitverkoren had om een accoord te verhaasten, dat God in de geheele wereld zou doen triompheeren. En ongetwijfeld was de invloed van haar biechtvader een der beslissende oorzaken, die haar ten slotte deden toestemmen, want zij was zeer vroom en wijdde vooral een bijzonderen eerbied aan een Madonna, wier beeld zij iederen Zondag in de kleine kerk op de piazza Farnese ging vereeren.

Eén feit maakte vooral diepen indruk op haar: abbé Pisoni vertelde haar, dat de vlam van de lamp, die voor het beeld brandde, telkens wanneer hij zelf neerknielde, om de Heilige Maagd te smeeken zijn biechtkind het verlossing brengende huwlijk aan te raden, wit werd. Op die wijze werkten hoogere [54]machten mede; en ten slotte gaf zij uit gehoorzaamheid aan haar moeder toe. De kardinaal en donna Serafina hadden zich eerst verzet, maar later, toen de religieuse quaestie tusschen beide kwam, hun tegenstand laten varen. Zij was in volkomen reinheid en in volkomen onschuld opgegroeid, wist niets van zichzelf en was zoo onwetend omtrent de wereld, dat het huwlijk met een ander dan Dario eenvoudig het verbreken van een lange belofte van gemeenschappelijk leven, geen physieke losscheuring van haar lichaam en van haar hart was. Zij weende veel en op een moedeloozen dag, toen haar de wilskracht ontbrak, zich tegen de haren en tegen de geheele wereld te verzetten, trouwde zij met Prada en sloot aldus een huwlijk, waaraan geheel Rome medeplichtig geworden was.

En toen, op den avond zelf van het huwlijk, sloeg plotseling de bliksem in. Toonde Prada, de Piemontees, de Noord-Italiaan en veroveraar, te veel de brutaliteit van den binnendringer, wilde hij de vrouw behandelen, zooals hij de stad behandeld had, als een meester, die zijn ongeduld, om zich te bevredigen, niet bedwingen kan? Of kwam de onthulling voor Benedetta te onverwacht, vond zij haar te bezoedelend van den kant van een man, dien zij niet lief had en aan wien zij zich niet onderwerpen kon? Nooit heeft zij zich daaromtrent duidelijk uitgesproken. Maar zij sloot heftig de deur van haar kamer, grendelde die en weigerde hardnekkig die weer voor haar echtgenoot te openen.

Een maand lang deed Prada, dien deze belemmering voor zijn hartstocht dol maakte, wanhopige pogingen. Hij was diep beleedigd, zijn trots bloedde, hij zwoer zijn vrouw te temmen, zooals men een onwillige merrie temt, met zweepslagen. En al die zinnelijke woede van den sterken man liep zich te pletter tegen den ontembaren wil, die in één avond achter het smalle, bekoorlijke voorhoofd van Benedetta opgeschoten was. De Boccanera’s waren in haar ontwaakt: zij wilde niet—heel eenvoudig—en niets ter wereld, zelfs de dood niet, zou haar hebben kunnen dwingen, om te willen. Bovendien voelde zij, in deze plotselinge kennis der liefde, de oude genegenheid voor Dario weer met verdubbelde kracht terugkeeren; zij kwam tot de niet aan het wankelen te brengen zekerheid, dat zij haar lichaam slechts aan hem geven mocht, omdat zij het aan hem alleen beloofd had. Sedert het huwlijk, dat hij, naar men zeide, als een sterfgeval had aanvaard, reisde de jonge man in Frankrijk. Zij verborg hem niets, [55]schreef hem, dat hij terug moest komen, beloofde hem nogmaals nooit aan een ander te zullen toebehooren.

Haar vroomheid was nog grooter geworden; de hardnekkige gedachte om haar maagdelijkheid te bewaren voor den uitverkoren geliefde paarde zich, in haar aanbidding, aan een gedachte van trouw aan Jezus. Een vurig liefhebbend hart had zich in haar geopenbaard, bereid voor het gegeven woord den marteldood te sterven. En toen haar moeder, wanhopig, haar met gevouwen handen bezwoer zich aan haar echtelijke plichten te onderwerpen, antwoordde zij, dat zij niets verplicht was, omdat zij bij haar huwlijk niets wist. Bovendien waren de tijden weer veranderd, de overeenkomst tusschen het Vaticaan en het Quirinaal was mislukt, en wel in die mate, dat de bladen van beide partijen met nieuwe heftigheid hun laster- en scheldcampagne weer begonnen waren. Zoo stortte ook dit triomfhuwlijk, waartoe de geheele wereld medegewerkt had als aan een onderpand van den vrede, met de algemeene debacle in, was nog slechts een ruïne naast zoovele andere.

Ernesta stierf eraan. Zij had zich vergist, haar mislukt bestaan, haar vreugdeloos huwlijksleven vonden haar bekroning in deze laatste dwaling als moeder. Het ergste was, dat zij geheel alleen bleef, dat de geheele verantwoordelijkheid van de ramp op haar rustte, want haar broer, de kardinaal, en haar zuster, donna Serafina, overlaadden haar met verwijten. Haar eenige troost was de wanhoop van abbé Pisoni, die dubbel getroffen werd: door het verlies van zijn patriottische verwachtingen en door het berouw aan zulk een catastrophe medegewerkt te hebben. En op een morgen vond men Ernesta koud en wit in haar bed. Men sprak van een slagaderbreuk; maar het verdriet alleen zou reeds een voldoende oorzaak geweest zijn, want zij leed vreeselijk, in het geheim, zonder te klagen, zooals zij haar geheele leven geleden had.

Benedetta was nu reeds bijna een jaar getrouwd en weigerde zich nog steeds aan haar echtgenoot, maar zij had de echtelijke woning niet willen verlaten, om haar moeder den vreeselijken slag van een publiek schandaal te besparen. Haar tante Serafina echter wendde al haar invloed op haar aan, door haar hoop te geven op een mogelijke ongeldigverklaring van het huwlijk, als zij zich voor de voeten van den Heiligen Vader wilde werpen. Ten slotte gelukte het haar haar te overtuigen, nadat zij—zelf gehoor gevend aan den [56]raad van anderen—haar in plaats van abbé Pisoni den Jezuïetenpater Lorenza, bij wien zij zelf ook biechtte, als biechtvader gegeven had. Deze nauwlijks vijf-en-dertigjarige Jezuïetenpater was een ernstig en vriendelijk man met heldere oogen en een groote overredingskracht. Benedetta nam echter eerst na den dood van haar moeder een besluit; eerst toen ging zij weer in het paleis Boccanera de kamer bewonen, waar zij geboren en haar moeder zoo juist gestorven was. Onmiddellijk werd het proces tot nietigverklaring van het huwlijk tot eerste instructie voor den kardinaal-vicaris, die met de leiding van het diocees Rome belast was, gebracht. Men vertelde, dat de contessina er eerst toe overgegaan was, nadat haar een geheime audiëntie verleend was bij den paus, die haar zijn aanmoedigende deelneming betuigd had.

Graaf Prada dacht er in den beginne over zijn vrouw met den sterken arm van het gerecht te dwingen naar de echtelijke woning terug te keeren. Op aandrang van zijn vader echter, die de geheele zaak met leede oogen aanzag, gaf hij ten slotte toe, dat het proces voor de kerkelijke autoriteit gevoerd werd. Het meest verbitterde hem het feit, dat de eischeresse aanvoerde, dat het huwlijk door impotentie van den man niet voltrokken was. Dat was een der motieven, die voor het Hof van Rome altijd groote kracht bezaten. In zijn memorie verzuimde de kerkelijke advocaat Morano, een der autoriteiten van de Romeinsche balie, eenvoudig te zeggen, dat de eenige reden van die impotentie de tegenstand van de vrouw was; een geheel debat ontspon zich over dit teere punt, dat zoo scabreus werd, dat het onmogelijk scheen de waarheid aan het daglicht te brengen; van beide zijden gaf men intieme bijzonderheden in het Latijn, riep men getuigen voor, die allerlei details over het samenwonen en de voorgevallen scènes moesten geven.

Het meest beslissende stuk was een door twee vroedvrouwen onderteekende verklaring, dat haar na onderzoek gebleken was, dat de maagdelijkheid van het jonge meisje ongerept was. De vicaris had dus in zijn qualiteit van bisschop van Rome, de zaak overgedragen aan de Conciliecongregatie, wat voor Benedetta een eerste succes beteekende. Zoo stonden thans de zaken; zij wachtte nu op de definitieve uitspraak van de congregatie in de hoop, dat de kerkelijke nietigverklaring van het huwlijk een onweerstaanbaar argument zou zijn tot verkrijging van echtscheiding van de burgerlijke autoriteiten. In het kille vertrek, waarin haar [57]moeder Ernesta, onderworpen en wanhopig, gestorven was, had de contessina haar jongemeisjesleven weer opgevat. Zij was heel kalm en beheerschte volkomen haar hartstocht, want zij had gezworen, dat zij zich aan niemand zou geven dan aan Dario, en ook aan hem eerst op den dag, dat een priester hen heilig voor God verbonden had.

Ook Dario was een half jaar vroeger ten gevolge van den dood van zijn vader en van een catastrophe, die hem geruïneerd had, in het paleis Boccanera komen wonen. Prins Onofrio had zich namelijk, nadat hij op raad van Prada de villa Montefiori voor tien millioen aan een financieele maatschappij verkocht had, in plaats van verstandig zijn tien millioen in zijn zak te houden, zich laten medesleepen door de speculatiekoorts, die Rome toen verteerde; hij begon zelfs zoo te spelen, dat hij zijn eigen terrein terugkocht, en verloor alles in den verschrikkelijken krach, die het vermogen der geheele stad verslond. Geheel geruïneerd, ja zelfs niettegenstaande hij vele schulden had, bleef de prins toch als populair man glimlachend zijn wandelingen op den Corso voortzetten, totdat hij plotseling ten gevolge van een val van zijn paard stierf. Elf maanden later trouwde zijn weduwe, de nog steeds mooie Flavia—die het zoo had weten aan te leggen, dat zij uit de ramp een moderne villa en een rente van veertig duizend francs had opgevischt—met een prachtigen, tien jaar jongeren man, een Zwitser, Jules Laporte, oud-sergeant van de garde van St. Pieter, daarna beunhaas van een reliquieënhandel, en thans markies Montefiori, daar hij door een speciale breve van den paus tegelijk met de vrouw den titel veroverd had. Prinses Boccanera was weer markiezin Montefiori geworden.

Diep gekrenkt in zijn trots had kardinaal Boccanera toen van zijn neef Dario geëischt, dat hij een paar kleine appartementen op de eerste verdieping van het paleis in de Via Giulia zou betrekken. In het hart van den heiligen man, die voor de wereld afgestorven scheen te zijn, leefde nog de trots op den naam en een teedere liefde voor dezen tengeren knaap, den laatste van het geslacht, den eenige, door wien de oude wortel weer groen kon worden. Hij toonde zich volstrekt niet afkeerig van een huwlijk met Benedetta, die hij eveneens met vaderlijke toegenegenheid liefhad. Hij was zoo hooghartig en zoo ten volle overtuigd van hun vroomheid, dat hij zich, toen hij hen beiden bij zich aan huis nam, in het minst niet stoorde aan de gemeene praatjes, [58]die de vrienden van graaf Prada onder de witte kringen rondstrooiden sedert neef en nicht onder één dak woonden. Donna Serafina waakte over Benedetta, zooals hij zelf over Dario waakte, en in de stilte en in de donkerte van het groote verlaten paleis, dat vroeger door zulke tragische en bloedige gewelddaden bevlekt was, leefden nu nog slechts deze vier met hun thans ingeslapen hartstochten—de laatste overlevenden van een wereld, die op den drempel van een nieuwe wereld ineenstortte.

Toen abbé Pierre Froment plotseling met een zwaar hoofd uit zijn benauwde droomen ontwaakte, zag hij tot zijn groote spijt, dat de dag al ver gevorderd was. Zijn horloge wees zes uur. Hij, die hoogstens een uur wilde rusten, had in een onoverwinnelijke uitputting bijna zeven uur geslapen. En hoewel hij nu wakker was, bleef hij toch op bed liggen, gebroken, als reeds overwonnen voor den strijd. Vanwaar kwam toch die uitputting, die ongemotiveerde ontmoediging, die huivering van twijfel, die zich in zijn slaap, hij wist niet hoe en waarom, van hem meester gemaakt had en zijn heerlijk-jonge geestdrift van dien ochtend geheel uitdoofde. Hadden de Boccanera’s iets met deze plotselinge zwakheid van ziel te maken? In het donker van zijn droomen had hij zulke verwarde, zulke verontrustende gestalten gezien; zijn angst bleef bestaan, hij riep ze zich nogmaals voor den geest, schrikkend zoo in deze vreemde kamer wakker te worden, bang voor het onbekende.

De dingen schenen hem zoo onbegrijpelijk toe; hij kon zich niet verklaren waarom juist Benedetta aan vicomte de la Choue geschreven en hem opgedragen had hem te zeggen, dat zijn boek bij de Indexcongregatie aangegeven was. Welk belang kon zij erbij hebben, dat de schrijver zich te Rome kwam verdedigen? Met welk doel had zij de vriendelijkheid zoo ver gedreven, dat zij wilde, dat hij hier logeeren zou? Zijn groote verbazing was, dat hij, een vreemdeling, zich in dit bed, in dit vertrek, in dit paleis bevond, waarvan hij de diepe, doodsche stilte om zich heen hoorde. Zijn ledematen waren als geradbraakt, zijn hoofd leeg; plotseling echter zag hij duidelijk, begreep hij, dat er dingen waren, die hem ontgingen, dat zich achter de schijnbaar eenvoudige feiten een geheele complicatie verbergen moest. Maar dat was slechts een lichtflits, zijn argwaan verdween weer; [59]hij stond op, schudde zich eens flink, zeide tot zichzelf, dat die trieste schemering de eenige oorzaak van dien angst en die wanhoop was, waarover hij zich nu reeds schaamde.

Om zijn gedachten wat afleiding te geven, begon Pierre in zijn twee kamers rond te kijken. Zij waren eenvoudig, bijna armoedig, van ongelijksoortige mahoniehouten meubelen uit het begin der vorige eeuw voorzien. Het bed had, evenmin als de ramen en deuren, geen gordijnen. Op den kalen, roodgeverfden en geboenden grond lagen alleen voor de stoelen kleine matjes. Bij het zien van die kille kaalheid dacht hij terug aan de kamer, waarin hij, als kind, te Versailles bij zijn grootmoeder geslapen had, die daar onder Louis Philippe een garen- en bandwinkeltje gehad had. Maar aan den muur van het bed hing tusschen kinderachtige en waardelooze gravures een oud doek, dat zijn aandacht trok. Het stelde, nauwlijks door den stervenden dag verlicht, een vrouwefiguur voor, die op den drempel van een groot en streng gebouw zat, waaruit men haar weggejaagd scheen te hebben. De bronzen vleugeldeuren hadden zich voor altijd achter haar gesloten en zij zat daar, in een eenvoudig wit linnen kleed gehuld, terwijl andere kleedingstukken, ruw weggeworpen, her en der op de granieten treden lagen. Haar voeten en haar armen waren bloot, het gelaat rustte in haar van smart krampachtig verwrongen handen—een gezicht, dat men niet zag, dat, door de golven van haar prachtige lokken overstroomd, als door een dofgouden sluier omhuld was.

Welk een naamlooze smart, welk een vreeselijke schande, welk een afschuwlijk aan haar lot overgelaten zijn verborg deze uitgestootene, deze hardnekkig liefhebbende vrouw, over wier geschiedenis—de geschiedenis van een heftig hart—men tot in het oneindige peinzen kon? Men raadde, dat zij in haar ellende, in die om haar schouders geworpen flarden linnen, aanbiddelijk jong en mooi was; maar al het overige van haar—haar hartstocht en misschien haar ongeluk en haar schuld wellicht—was gehuld in mysterie. Tenzij zij het symbool was van alles, dat, zonder een eigen gelaat, rillend en weenend voor de eeuwig gesloten deur van het onzienlijke staat. Lang keek hij naar haar, zóó strak, dat hij zich ten slotte verbeeldde haar goddelijk rein, lijdend profiel te onderscheiden. Doch het was slechts een illusie, want het doek had veel geleden, was zwart geworden en verwaarloosd, en hij vroeg zich af van welken onbekenden meester dit paneel, dat hem zoo ontroerde, wel zijn kon? Aan den anderen [60]kant irriteerde een Heilige Maagd, een slechte copie van een doek uit de achttiende eeuw, hem door haar banalen glimlach.

Het daglicht werd al zwakker en zwakker. Pierre opende het raam en ging er op zijn ellebogen uit liggen. Tegenover hem, aan de overzijde van den Tiber, verhief zich de Janiculus, vanwaar hij ’s ochtends Rome gezien had. Maar thans, in dit doffe licht, was het niet meer de stad van jeugd en droomen, die zich ophief in de ochtendzon. De avond omsluierde alles met een aschgrauw: de horizont, onduidelijk en droefgeestig-dof, zonk weg. Daarboven links, over de daken, raadde hij nog den Palatinus: daarbeneden rechts stak de dom van de St. Pieter nog steeds leikleurig tegen den loodgrijzen hemel af, terwijl achter hem de Quirinalis, dien hij niet zien kon, ook wel in den mist zou wegsomberen. Een paar minuten verliepen, en alles werd nog waziger; hij voelde Rome verdwijnen, zich verliezen in zijn hem onbekende onmetelijkheid. Opnieuw grepen twijfel en onrust hem zoo pijnlijk aan, dat hij niet langer aan het raam kon blijven staan; hij sloot het weer, ging zitten, liet zich door de duisternis met een eindelooze triestheid omhullen. En aan zijn droef gepeins kwam eerst een einde, toen de deur zacht openging en het schijnsel van een lamp het vertrek opvroolijkte.

Het was Victorine, die voorzichtig het licht binnen bracht.

“Zoo, mijnheer de abbé, al op! Om vier uur ben ik ook wezen kijken, maar ik heb u laten slapen. Heel verstandig van u, om eens goed uit te slapen!”

Maar toen hij over pijn in zijn ledematen en over koude rillingen klaagde, begon zij ongerust te worden.

“Pas maar op, dat u die afschuwlijke koortsen niet krijgt. Dat vlak bij de rivier wonen is niet gezond. Don Vigilio, de secretaris van Zijne Eminentie, heeft ze ook, en ik verzeker u, dat dat alles behalve lollig is.”

Zij gaf hem dan ook den raad niet naar beneden te gaan, maar weer zijn bed op te zoeken. Zij zou hem wel excuseeren bij de prinses en de contessina. Hij liet haar praten en doen wat zij wilde, want hij was niet in staat zelf iets te willen. Op haar raad at hij echter wel wat; hij gebruikte een bord soep, een stukje kip en appelmoes, die Giacomo, de knecht, voor hem boven bracht. Dat deed hem goed; hij voelde zich weer zoo veel beter, dat hij weigerde naar bed te gaan en met alle geweld de dames vanavond nog voor haar hartelijke [61]gastvrijheid wilde bedanken. Daar donna Serafina ’s Maandagsavonds ontving, zou hij zich voorstellen.

“Goed, goed!” zeide Victorine. “Als u u weer goed voelt, zal dat een uitstekende afleiding voor u zijn … Het beste zal zijn dat don Vigilio, die hiernaast zijn kamers heeft, u om negen uur komt halen en met u naar beneden gaat. Wacht maar op hem!”

Pierre had zich juist gewasschen en zijn nieuwe soutane aangetrokken, toen er precies om negen uur bescheiden op de deur geklopt werd. Een kleine, nauwlijks dertigjarige, magere en ziekelijk uitziende priester met een lang, gerimpeld en saffraankleurig gelaat kwam binnen. Nu al twee jaar lang werd hij dagelijks op hetzelfde uur door de koorts verteerd. Maar in zijn geel gezicht brandden, door zijn vurige ziel ontstoken, de vlammen van zijn zwarte oogen, wanneer hij vergat die uit te dooven.

Hij maakte een buiging en zeide, eenvoudig, in heel zuiver Fransch:

“Mag ik mij even voorstellen, mijnheer de abbé? Don Vigilio, en geheel tot uw dienst!… Als u het goed vindt, kunnen we naar beneden gaan.”

Pierre dankte hem voor zijn vriendelijkheid en volgde hem dadelijk. Don Vigilio zeide echter verder niets meer en antwoordde alleen maar met een glimlachje. Zij waren de kleine trap afgegaan en bevonden zich nu op het groote portaal van de eeretrap. Pierre voelde zich bij de armzalige verlichting droef te moede; op grooten afstand van elkaar flikkerden enkele vleermuizen als in een verdacht hôtel garni; de gele vlekken verlichtten nauwlijks de diepe duisternis van de hooge, eindelooze gangen. Het was iets gigantisch en doodsch tegelijk. Zelfs op het portaal, waarop, tegenover die van haar nicht, de appartementen van donna Serafina uitkwamen, wees niets erop, dat het de ontvangavond van de oude dame was. De deur bleef dicht, geen geluid drong uit de vertrekken in de doodelijke stilte, die uit het geheele paleis opsteeg. Zonder te bellen opende don Vigilio na een nieuwe buiging de deur.

Een enkele, op de tafel staande petroleumlamp verlichtte de antichambre, een groot vertrek met kale muren, waarop al fresco een behang in rood en goud geschilderd was. Op de stoelen lagen een paar jassen en twee mantels, terwijl een wandtafeltje met hoeden bedekt was. Tegen den muur zat een huisknecht te dommelen.

Toen don Vigilio ter zijde trad, om Pierre den eersten [62]salon, een met rood brocaat behangen, half donker, schijnbaar leeg vertrek, te laten binnengaan, stond deze plotseling tegenover een zwarte gedaante, een in het zwart gekleede vrouw, wier trekken hij niet dadelijk onderscheiden kon. Gelukkig hoorde hij, hoe don Vigilio met een buiging zeide:

“Contessina, mag ik de eer hebben u abbé Pierre Froment, die vanochtend uit Frankrijk gekomen is, voor te stellen?”

Hij bleef een oogenblik alleen met Benedetta in het slapende licht der twee met kant omsluierde lampen van den verlaten salon. Maar dan kwam een geroezemoes van stemmen uit den salon ernaast, een grooten salon, welks deur, waarvan de beide vleugels open stonden, een vierkant van helderder licht afteekende.

De jonge vrouw begroette hem met eenvoudige hartelijkheid.

“Het is mij een groot genoegen u te zien, mijnheer de abbé! Ik was werkelijk bang, dat u ernstig ongesteld zoudt zijn. Maar nu voelt u zich weer beter, niet waar?”

Dadelijk kwam hij onder de bekoring van haar langzame, ietwat brouwende stem, waarin een diepe, bedwongen hartstocht over scheen te gaan in veel gezond verstand. Nu eindelijk zag hij haar met haar zware, bruine lokken, met haar witte, ivoorwitte huid. Zij had een rond gezicht, eenigszins dikke lippen, een zeer fijngeteekenden neus en bijna kinderlijk-zachte trekken. Maar vooral haar oogen leefden, groote, eindeloos diepe oogen, waarin niemand met zekerheid lezen kon. Sliep zij? Droomde zij? Verborg zij onder de onbeweeglijkheid van haar gelaat de vurige spankracht der groote heiligen en der groote amoureuses? Zij was zoo blank, zoo jong, zoo rustig, haar bewegingen waren harmonisch, haar geheele manier van doen weloverwogen, zeer edel en rhythmisch. In haar ooren droeg zij twee groote parelen van het zuiverste water, parelen afkomstig van een beroemden collier van haar moeder en die geheel Rome kende.

Pierre excuseerde zich en dankte haar.

“Madame, u maakt mij werkelijk verlegen, ik had u vanochtend al willen zeggen, hoe zeer ik uw te groote goedheid op prijs stel.”

Hij had een oogenblik geaarzeld haar “Madame” te noemen, daar hij zich het in haar eisch tot nietigverklaring van het huwlijk aangevoerde motief herinnerde. Maar blijkbaar noemde iedereen haar zoo. Trouwens haar gelaatsuitdrukking was kalm en welwillend gebleven, en zij wilde hem op zijn gemak stellen. [63]

“U doet hier precies alsof u thuis was, mijnheer de abbé. Het is voor ons voldoende, dat u de vriend bent van mijnheer de la Choue en dat hij zich voor uw werk interesseert. Zooals u waarschijnlijk weten zult, koester ik voor hem een groote genegenheid …”

Zij hield verlegen op, begreep, dat zij over het boek moest spreken, de eenige reden van de reis en de aangeboden gastvrijheid.

“Ja, de vicomte heeft mij uw boek gezonden. Ik heb het met heel veel genoegen gelezen. Het heeft mij zelfs zeer getroffen. Maar ik ben slechts een onwetend meisje en heb zeker niet alles goed begrepen. Wij moeten er samen eens over spreken en dan wilt u mij zeker uw denkbeelden wel eens nader uitleggen, niet waar?”

In haar groote, heldere oogen, die niet liegen konden, las hij de verbazing, de ontroering van een kinderziel, die in aanraking gebracht wordt met verontrustende problemen, welke zij nog nooit onder de oogen gezien had. Zij was het dus niet, die zich voor zijn boek geïnteresseerd had, die hem in haar nabijheid wilde hebben, om hem te steunen, om zijn bondgenoot te zijn in de overwinning? Hij vermoedde, en ditmaal zeer beslist, een geheimen invloed, iemand, wiens hand alles naar een onbekend doel leidde. Maar hij kwam onder de bekoring van zooveel eenvoud en zooveel openhartigheid in een zoo mooi, zoo jong en zoo edel wezen; hij gaf zich geheel aan haar na de eerste woorden, die zij tot hem gericht had. Hij wilde haar juist zeggen, dat zij geheel over hem beschikken kon, toen hij daarin gestoord werd door de komst van een andere, eveneens in het zwart gekleede vrouw, wier hooge, slanke gestalte scherp tegen de lichte lijst der wijd openstaande deur van den salon ernaast afstak.

“Heb je aan Giacomo gezegd, dat hij boven moet gaan kijken, Benedetta? Don Vigilo is juist gekomen, en hij is alleen. Dat past niet.”

“Wel neen, tante, mijnheer de abbé is hier.”

En vlug stelde zij voor.

“Mijnheer de abbé Pierre Froment … Prinses Boccanera!”

Een ceremonieele begroeting volgde. Zij moest niet ver meer van de zestig zijn, maar zij reeg zich zoo sterk, dat men haar van achteren voor een jonge vrouw zou hebben aangezien. Dat was echter haar laatste coquetterie; haar haar, nog dik en vol, was geheel grijs, slechts de wenkbrauwen [64]in haar lang gezicht met de diepe plooien en den grooten, eigenzinnigen familieneus, waren nog zwart. Zij was nooit mooi geweest en maagd gebleven; nooit was de wonde, welke de keus van graaf Brandini, die zijn oog op Ernesta, haar jongere zuster, had laten vallen, haar toegebracht had, genezen; van dat oogenblik af had zij besloten al haar vreugde te zoeken in de bevrediging van den overgeërfden trots op den naam, dien zij droeg. De Boccanera’s hadden reeds twee pausen in de familie gehad, en zij hoopte niet te sterven, voordat haar broeder, de kardinaal, de derde was. Zij was zijn geheime huishoudster geworden, zij had hem nooit verlaten, waakte over hem, was zijn raadsvrouw, deed wonderen, om het langzame verval, dat de plafonds van het huis boven hun hoofden deed ineenstorten, te verbergen. Uit hooge politiek, om den salon van de zwarte kringen, om een macht en een gevaar te blijven, ontving zij sedert dertig jaar iederen Maandag enkele intieme vrienden, die allen tot de partij van het Vaticaan behoorden.

Uit haar ontvangst begreep Pierre onmiddellijk, hoe weinig hij, de kleine vreemde priester, die niet eens prelaat was, voor haar beteekende. En dat deed zijn verwondering nog grooter worden, deed opnieuw de vraag in hem opkomen: waarom had men hem hier uitgenoodigd, wat moest hij in deze voor de nederigen gesloten wereld doen? Hij wist, dat zij uiterst vroom was, en meende ten slotte te moeten begrijpen, dat zij hem alleen uit égard voor den vicomte ontving, want op haar beurt wist zij niets anders te zeggen dan:

“Het doet ons zoo’n genoegen goede berichten van mijnheer de la Choue te ontvangen! Twee jaar geleden is hij hier met zoo’n mooien pelgrimstocht geweest!”

Zij ging den jongen priester voor naar den salon ernaast. Het was een groot vierkant vertrek met oud, geel brocaat met groote Louis XIV-bloemen behangen. Het zeer hooge plafond had een prachtige bekleeding van gesneden en beschilderd hout en vakken met gouden rosetten. De meubileering was zeer gemengd. Hooge spiegels, twee prachtige, vergulde wandtafeltjes, een paar mooie fauteuils uit de zeventiende eeuw; maar al het overige was jammerlijk-leelijk, een zware empire-guéridon van God weet waarvandaan, allerlei vreemde dingen, die uit den een of anderen bazar afkomstig moesten zijn, afschuwlijke photographieën op het kostbare marmer der wandtafeltjes. Er was geen enkel interessant kunstvoorwerp. Aan de muren hingen oude middelmatige [65]schilderijen, uitgezonderd een prachtige onbekende primitief: een Visitatie uit de veertiende eeuw: de Heilige Maagd was heel klein en had de teere reinheid van een tienjarig kind, terwijl de Engel zeer groot en schitterend was en haar deed baden in de golven van een verblindende, bovenmenschelijke liefde. Daartegenover hing een oud familieportret, een zeer mooi jong meisje met een tulband op het hoofd voorstellend, waarschijnlijk Cassia Boccanera, die zich met haar broeder Ercole en het lijk van haar geliefde, Flavio Corradini, in den Tiber geworpen had. Vier lampen verlichtten met haar sterk, rustig licht het verwelkte, als door een melancholieken zonsondergang geel bestraalde, ernstige, ledige en kale vertrek, waarin geen enkele bloem te zien was.

Dadelijk stelde donna Serafina Pierre met enkele woorden voor. In de onmiddellijk daarop volgende stilte en het plotselinge staken der gesprekken voelde hij hoe aller blikken zich tot hem wendden als naar een beloofde en verwachte curiositeit. Er waren hoogstens een tiental personen bijeen, waaronder Dario, die stond te praten met de kleine prinses Celia Buongiovanni, welke hier gebracht was door een oude bloedverwante, die in een donker hoekje zat te fluisteren met een prelaat, monsignor Nani. Pierre was echter het meest getroffen door den naam van den kerkelijken advocaat Morano, van wiens bijzondere positie in dit huis de vicomte, toen hij Pierre naar Rome zond, gemeend had hem op de hoogte te moeten brengen, opdat hij geen verkeerde dingen zeggen of doen zou.

Morano was sedert dertig jaar de vriend van donna Serafina. Deze verhouding was vroeger strafbaar, daar de advocaat vrouw en kinderen had, maar nadat hij weduwnaar geworden was en vooral onder den invloed van den tijd werd het een door allen geëxcuseerde en aanvaarde liaison, een van die langdurige natuurlijke huwlijken, welke door de verdraagzaamheid der wereld gewijd worden. Daar beiden zeer vroom waren, hadden zij zich ongetwijfeld van de noodige aflaten verzekerd. Zoo zat Morano op de plaats, die hij sedert meer dan een halve eeuw innam, naast den haard, hoewel er nog geen vuur brandde. Toen donna Serafina zich van haar plicht als gastvrouw gekweten had, ging zij op haar eigen plaatsje aan den anderen kant van den haard tegenover hem zitten.

Terwijl Pierre, zwijgend en bescheiden op een stoel naast don Vigilio plaats nam, vertelde Dario op luideren toon het verhaal, dat hij aan Celia deed, verder. Hij was een knappe [66]jonge man van middelbare grootte, slank en elegant, met een bruinen, zeer gesoigneerden baard, een lang gezicht en den grooten neus der Boccanera’s; maar zijn gelaatstrekken waren zachter, als door de eeuwenlange verarming van het bloed verslapt.

“O, een schoonheid!” herhaalde hij met nadruk; “een buitengewone schoonheid!”

“Wie bedoel je toch?” vroeg Benedetta, die zich bij hen voegde.

Celia, die op de boven haar hoofd hangende kleine Maagd van den primitief leek, begon te lachen.

“O, een arm meisje—een arbeidster, die Dario vandaag gezien heeft.”

En Dario moest zijn verhaal opnieuw beginnen. Hij liep in een smal straatje, dicht bij de piazza Navona, toen hij op de treden van een bordes een groot, krachtig meisje van een jaar of twintig zag, dat vreeselijk zat te snikken. Getroffen door haar schoonheid, was hij naar haar toegegaan en had eindelijk begrepen, dat zij in het huis, een fabriek van wasparelen, werkte, maar dat de fabriek gesloten was en zij nu niet naar huis durfde gaan, omdat daar toch al zoo’n armoede heerschte. Onder den zondvloed van haar tranen had zij zulke mooie oogen naar hem opgeslagen, dat hij ten slotte wat geld uit zijn zak gehaald had. Toen was zij echter, rood en verlegen, opgesprongen, had haar handen onder haar rok verborgen en niets willen aannemen; als hij wilde, kon hij met haar medegaan en het aan haar moeder geven. Vervolgens was zij weggeloopen in de richting van de Engelenbrug.

“O, een schoonheid,” herhaalde hij met geestdriftige extase; “een buitengewone schoonheid!… Grooter dan ik, maar desniettemin toch slank, met een hals als van een godin! Een echte antieke, een twintigjarige Venus—de kin iets te krachtig, mond en lippen zeldzaam regelmatig, oogen—o, die reine, groote oogen! En blootshoofds, niets dan de kroon van haar zware, zwarte lokken—een stralend gezicht, als verguld door de zon!”

Allen luisterden verrukt in dien hartstocht voor de schoonheid, welken Rome trots alles bewaart.

“Die mooie meisjes uit het volk beginnen zeldzaam te worden,” zeide Morano. “Je kan heel Trastevere doorloopen, zonder er een tegen te komen. Maar dit bewijst, dat er tenminste nog één is.” [67]

“En hoe heet je godin?” vroeg Benedetta, die even verrukt was als de anderen, glimlachend.

“Pierina,” lachte hij terug.

“En wat heb je gedaan?”

Maar het gelaat van den jongen man kreeg een uitdrukking van onbehagen en angst, als dat van een kind, dat onder het spelen een leelijk dier ziet.

“Praat me daar niet over, ik heb er spijt genoeg van … Een ellende, een ellende, om er ziek van te worden.”

Hij was haar uit nieuwsgierigheid gevolgd naar den anderen kant van de Engelenbrug tot in de nieuwe wijk, die op de oude Prati del Castello gebouwd werd; en daar, op de eerste verdieping van een der verwaarloosde, nauwlijks droge en toch reeds in verval verkeerende huizen, was hij getuige geweest van een vreeselijk tooneel, waar hij nu nog van walgde: een heele familie, vader, moeder, een oude zwakke oom, kinderen, die bijna stierven van honger en in het vuil vervuilden. Hij gebruikte bij zijn schildering de mooiste woorden, verjoeg het vreeselijk visioen met een verschrikte handbeweging.

“Enfin, ik maakte, dat ik wegkwam, en ik verzeker je, dat ik niet meer terug ga.”

In de koude en verlegen stilte, die volgde, schudden allen afkeurend hun hoofd. Morano verklaarde met bittere woorden, dat de roovers, de mannen van het Quirinaal, de eenige oorzaak van al die ellende van Rome waren. Liep niet het gerucht, dat men den afgevaardigde Sacco, dien in allerlei verdachte zaken gecompromitteerden intrigant, minister wilde maken? Dat zou het toppunt van onbeschaamdheid zijn, het onvermijdelijke en nabije bankroet.

Alleen Benedetta, wier blik zich op Pierre richtte, prevelde, denkend aan zijn boek:

“Die arme menschen! Hoe vreeselijk! Maar waarom niet naar hen teruggaan?”

Pierre, in den beginne verstrooid en zich niet op zijn gemak voelend, was diep ontroerd door het verhaal van Dario. Hij doorleefde weer zijn apostolaat te midden der ellenden van Parijs, en een innig medelijden maakte zich van hem meester, nu hij bij zijn aankomst in Rome weer dezelfde ellende terugvond. Zonder het te willen, verhief hij zijn stem en zeide luid:

“O, madame, laten we er samen heengaan! Breng mij er! Die quaesties interesseeren mij zoo.” [68]

De aandacht van allen werd daardoor weer op hem gevestigd. Men begon hem vragen te stellen; hij voelde, dat zij nieuwsgierig waren naar zijn eersten indruk, naar wat hij over hun stad en over hen zelf dacht. Vooral moest hij Rome niet naar den uiterlijken schijn beoordeelen. Wat had hij gezien, hoe vond hij de stad? Doch hij verontschuldigde zich beleefd, zeide, dat hij daarop geen antwoord geven kon, daar hij nog niets gezien had, zelfs nog niet uit geweest was. Maar toch bleef men bij hem aandringen; hij kreeg het zeer besliste gevoel, dat men een druk op hem wilde uitoefenen, hem met geweld tot bewondering en liefde dwingen wilde. Men gaf hem van alle kanten raad, bezwoer hem zich niet door teleurstellingen, die niet uit konden blijven, te laten beïnvloeden, doch vol te houden, te wachten, tot Rome hem zijn ziel openbaarde.

“Hoe lang denkt u hier te blijven, mijnheer de abbé?” vroeg een beleefde, zachte en heldere stem.

Het was monsignor Nani. Hij zat nog steeds in hetzelfde donkere hoekje en sprak nu voor het eerst met luide stem. Meermalen meende Pierre reeds opgemerkt te hebben, dat de prelaat zijn blauwe, zeer levendige oogen niet van hem af had, terwijl hij aandachtig scheen te luisteren naar het langzame gepraat van Celia’s tante. Voor hij antwoordde, keek hij hem aan. In zijn soutane met de smalle karmijnroode zoom en de violetzijden sjerp om zijn middel, zag hij er met zijn nog blond haar, zijn rechten, fijngeteekenden neus, zijn krachtigen mond en zijn schitterend-witte tanden, nog jong uit, ofschoon hij de vijftig reeds gepasseerd was.

“Een veertien dagen, monsignor, drie weken misschien.”

De geheele salon protesteerde. Wat? Drie weken? En verbeeldde hij zich heusch Rome in drie weken te leeren kennen? Daar waren zes maanden, een jaar, tien jaar voor noodig! De eerste indruk was altijd ongunstig, en om dien te overwinnen was een langer verblijf beslist noodzakelijk.

“Drie weken!” herhaalde donna Serafina met een minachtend gebaar. “Kan men elkaar in drie weken leeren kennen en lief hebben?”

Om de lippen van Nani, die zich met de anderen opgewonden had, speelde slechts een flauw glimlachje. Met zijn fijne hand, die zijn aristocratische geboorte verried, maakte hij een klein gebaar. En toen Pierre zeer bescheiden uitlegde, dat hij alleen gekomen was, om enkele stappen te doen, en [69]weer terug zou gaan, zoodra die gedaan waren, zeide de prelaat nog steeds glimlachend:

“O, mijnheer de abbé zal langer blijven dan drie weken. Ik hoop, dat we het genoegen zullen hebben hem nog lang in ons midden te zien.”

Hoewel deze woorden met rustige beleefdheid uitgesproken werden, maakten zij op Pierre toch een zeer onaangenamen indruk. Wat wist de prelaat? Wat wilde hij daarmede zeggen? Hij vroeg zacht aan don Vigilio, die nog steeds zwijgend naast hem zat:

“Wie is toch die monsignor Nani?”

Maar de secretaris antwoordde niet dadelijk. Zijn koortsachtig gelaat kreeg een nog grauwere tint. Zijn vurige oogen zagen rond, vergewisten zich, dat niemand naar hem keek. Dan fluisterde hij:

“De assessor van het Heilig College!”

Die inlichting was voldoende, want Pierre wist heel goed, dat de assessor, die zwijgend de vergaderingen van het Heilig College bijwoonde, zich iederen Woensdagavond na de zitting naar den Heiligen Vader begaf, om hem op de hoogte te brengen van de dien middag behandelde zaken. Die wekelijksche audiëntie, dat vertrouwlijke uurtje bij den paus, dat het mogelijk maakte allerlei onderwerpen te bespreken, gaf aan den functionaris een bijzondere positie en zeer uitgebreide macht. Bovendien leidde dit ambt tot de kardinaalswaardigheid; de assessor kon later nog slechts tot kardinaal benoemd worden.

Monsignor Nani, die een zeer eenvoudig en vriendelijk man scheen te zijn, bleef den jongen priester zoo aanmoedigend aankijken, dat deze zich verplicht voelde plaats te nemen op den stoel, dien de oude tante van Celia eindelijk naast hem vrij gemaakt had. Was deze kennismaking, dadelijk op den eersten dag, met een machtig prelaat, wiens invloed misschien alle deuren, voor hem zou openen, niet een voorteeken voor de overwinning? Hij was dan ook zeer ontroerd, toen deze hem dadelijk na de eerste woorden op zeer belangstellenden toon vroeg:

“Dus hebt gij, mijn waarde zoon, een boek het licht doen zien?”

En Pierre, weer geheel medegesleept door zijn geestdrift en geheel vergetend, waar hij was, vertelde hem, hoe hij door de lijdenden en ongelukkigen ingewijd was in brandende naastenliefde, droomde hardop van den terugkeer tot [70]de Christelijke gemeenschap, juichte over het verjongde Katholicisme, dat de godsdienst der universeele democratie geworden was. Langzamerhand was hij met stemverheffing gaan spreken en in den ouden strengen salon ontstond een stilte; allen luisterden te midden van een toenemende verbazing, een ijzige koude, die hij echter niet voelde.

Eindelijk viel Nani hem zacht in de rede met zijn eeuwig glimlachje, waarin het ironisch trekje zelfs niet op te merken was:

“Zeker, zeker, mijn waarde zoon, het is heel mooi, ongetwijfeld heel mooi, de reine en edele phantasie van een Christen volkomen waardig … Maar wat wilt ge nu doen?”

“Regelrecht naar den Heiligen Vader gaan, om mij te verdedigen.”

Een zacht, onderdrukt lachje volgde en donna Serafina drukte aller gevoelen uit, door te zeggen:

“Maar dat gaat zoo maar niet!”

Doch Pierre wond zich op.

“Maar ik hoop hem toch te spreken. Heb ik geen uitdrukking gegeven aan zijn denkbeelden? Heb ik zijn politiek niet verdedigd? Kan hij mijn boek laten veroordeelen, waarin ik volgens mijn overtuiging door het beste in hem zelf geïnspireerd ben?”

“Zeer zeker, zeer zeker,” haastte Nani zich te herhalen, alsof hij bang was, dat men te heftig te werk ging met dezen jongen enthousiast. “De Heilige Vader heeft zulke hooge en verheven denkbeelden! Ge moet hem spreken … Maar, mijn lieve zoon, ge moet u niet zoo opwinden, denk een weinig na en wacht uw tijd af.”

En zich dan tot Benedetta wendend:

“Zijne Eminentie heeft mijnheer den abbé nog niet gezien, wel? Het zou goed zijn, indien Zijne Eminentie hem morgenochtend zou willen ontvangen, om hem met zijn wijze raadgevingen te leiden.”

Kardinaal Boccanera woonde nooit de ontvangavonden van zijn zuster bij. Maar in den geest was hij altijd als afwezige, opperste gebieder aanwezig.

“Maar ik ben bang,” antwoordde de contessina aarzelend, “dat mijn oom niet medegaat met de denkbeelden van mijnheer den abbé.”

Nani begon weer te glimlachen.

“Juist daarom zal hij hem des te beter kunnen raden.”

En onmiddellijk werd met don Vigilio afgesproken, dat [71]deze Pierre voor een audiëntie zou inschrijven voor den volgenden ochtend om tien uur.

Doch op dat oogenblik kwam een kardinaal binnen, gekleed met den rooden gordel en de roode kousen en de zwarte, roodomzoomde simarra1 met roode knoopen, de gewone dracht, die de kardinalen bij bezoeken dragen. Het was kardinaal Sarno, een zeer oud vriend der Boccanera’s. Terwijl hij zich verontschuldigde, dat hij zoo laat kwam, omdat hij lang had moeten werken, zwegen allen en omgaven hem vol eerbied. Pierre echter, die voor het eerst een kardinaal zag, voelde zich zeer teleurgesteld, want het was niet de majestueuze verschijning, de mooie decoratieve aanblik, dien hij verwacht had. Deze kardinaal leek klein en een weinig mismaakt, de linkerschouder was hooger dan de rechter, het gezicht uitgeteerd en vaal, de oogen als dood. Hij maakte op hem den indruk van een zeer afgeleefden, zeventigjarigen ambtenaar, die, door een halve eeuw van bekrompen bureauleven afgestompt, zwaar en misvormd geworden was, daar hij nooit den ronden leeren stoel verlaten had, waarop hij zijn geheele leven doorgebracht had.

En inderdaad was zijn geheele geschiedenis in het kort aldus weer te geven: hij was het ziekelijke kind van een kleinburgerlijke familie, werd in het Roomsche Seminarie opgevoed, was later tien jaar professor in het kanonnieke recht aan datzelfde Seminarie, daarna secretaris van de Propaganda en eindelijk sedert vijf-en-twintig jaar kardinaal. Kort geleden had hij zijn kardinaalsjubileum gevierd. Te Rome geboren, had hij nooit een enkelen dag buiten Rome doorgebracht; hij was het type van den priester, opgegroeid in de schaduw van het Vaticaan. Hoewel hij nooit een diplomatieke functie bekleed had, had hij aan zijn methodische werkwijze aan de Propaganda te danken, dat hij president geworden was van een der beide commissies, die onderling het bestuur van de uitgestrekte, nog niet Katholieke landen in het Westen verdeelden. Zoo kwam het, dat op den bodem van deze uitgestorven oogen, in dezen lagen schedel de uitgebreide kaart der Christenheid lag.

Zelfs Nani was vol heimelijken eerbied voor dien weinig op den voorgrond tredenden en verschrikkelijken man opgestaan, die, zonder ooit zijn bureau verlaten te hebben, tot in de verste hoeken der aarde zijn invloed gelden liet. Hij wist, [72]dat hij, ondanks zijn schijnbare onbeduidendheid, door zijn langzamen, methodischen en goed geregelden veroveringsarbeid een macht was, die rijken aan het wankelen brengen kon.

“Is de verkoudheid van Uwe Eminentie weer beter?”

“Neen, neen, ik hoest nog altijd … Het is een gevaarlijke corridor. Ik ril van de koude, zoodra ik uit mijn kabinet kom.”

Van af dat oogenblik voelde Pierre zich heel klein en nietig. Men vergat zelfs hem aan den kardinaal voor te stellen. En hij moest nog bijna een uur blijven, alleen rondkijkend en opmerkend. De geheele, verouderde wereld kwam hem zoo kinderlijk voor, als waren zij allen in een treurige kindsheid teruggevallen. Hij wist nu, dat zich onder de trotsche terughoudendheid, onder de hoogmoedige ingetogenheid een werkelijke schuchterheid, het onuitgesproken wantrouwen van een groote onwetendheid verborg. Dat het gesprek niet algemeen werd, was het gevolg van het feit, dat niemand durfde. In de hoeken echter hoorde hij kinderachtige, eindelooze gesprekken, de onbeteekenende historietjes van de week, de praatjes der sacristieën en salons. Men zag elkaar slechts zelden, de kleinste gebeurtenissen namen ontzaglijke afmetingen aan.

Ten slotte kreeg hij het zeer duidelijke gevoel, dat hij verplaatst was in een Franschen salon in een der groote bisschoppelijke provinciesteden onder de regeering van Karel X. Ververschingen werden niet rondgediend. De oude tante van Celia had zich meester gemaakt van kardinaal Sarno, die haar geen antwoord gaf, doch slechts nu en dan zijn kin optrok. Don Vigilio had den geheelen avond geen mond opengedaan! Nani en Morano voerden reeds eenigen tijd een fluisterend gesprek, terwijl donna Serafina, die zich over hen heen boog om te kunnen luisteren, telkens goedkeurend knikte. Ongetwijfeld spraken zij over de scheiding van Benedetta, want zij keken nu en dan met een ernstig gezicht naar haar. En in het groote, door de lampen rustig verlichte vertrek scheen alleen de door Benedetta, Dario en Celia gevormde groep te leven. Zij praatten halfluid en hadden soms moeite hun lachen in te houden.

Plotseling viel Pierre de groote gelijkenis op, die hij zag tusschen Benedetta en het aan den muur hangend portret van Cassia. Het was dezelfde kinderlijke teerheid, dezelfde hartstochtelijke mond, dezelfde groote oogen in hetzelfde kleine ronde, verstandige en gezonde gezichtje. Beiden hadden ongetwijfeld een rechtschapen ziel en een vurig [73]hart. Dan flitste een herinnering door zijn brein: de herinnering aan een portret van Guido Reni, de aanbiddelijke kuische kop van Beatrice Cenci, waarvan het portret van Cassia hem op dat oogenblik de nauwkeurige reproductie scheen te zijn. Die dubbele gelijkenis ontroerde hem en deed hem met bange deelneming naar Benedetta kijken, als zou het geweldige noodlot van het land en van het ras op haar neerstorten. Maar zij was zoo kalm, zag er zoo vastberaden en gelaten uit. Sedert hij in den salon was, had hij tusschen haar en Dario geen ander dan een zuiver broederlijke en geestelijke en opgewekte teederheid kunnen opmerken, vooral van haar kant; haar gelaat behield de vroolijke uitdrukking van een groote liefde, die voor de wereld niet verborgen behoefde te blijven. Eenmaal had Dario schertsend haar handen in de zijne genomen en die gedrukt; doch toen hij eenigszins zenuwachtig begon te lachen en vluchtige vlammen onder zijn wimpers òplichtten, had zij kalm zijn vingers losgemaakt als bij een spel van oude kameraden. Zij had hem lief, het was duidelijk te zien, met haar geheele wezen, voor het geheele leven.

Maar nadat Dario een geeuw onderdrukt, op zijn horloge gekeken en zich uit de voeten gemaakt had, om naar zijn vrienden te gaan, die bij een dame speelden, gingen Benedetta en Celia op een canapé zitten naast den stoel van Pierre, die, zonder het te willen, enkele woorden van haar gesprek opving. De kleine prinses was de oudste dochter van prins Matteo Buongiovanni, vader van vijf kinderen reeds en getrouwd met eene Mortimer, een Engelsche, die hem vijf millioen aangebracht had. Trouwens de Buongiovanni’s gingen door voor een der weinige patricische families te Rome, die nog rijk waren en zich staande hadden weten te houden te midden van de van alle kanten instortende ruïnes van het verleden. Ook zij hadden twee pausen in de familie gehad, wat echter voor Matteo geen beletsel geweest was zich bij het Quirinaal aan te sluiten, zonder daarom nog met het Vaticaan te breken. In zijn aderen vloeide, daar hij zelf de zoon van een Amerikaansche was, niet meer het zuivere Romeinsche bloed; zijn politiek was soepeler; ook zeide men, dat hij gierig was. Hij streed om als een der laatsten den vroegeren rijkdom en de vroegere almacht, die, zooals hij voelde, ten doode gedoemd waren, te behouden. In deze trotsche familie nu, wier glans nog steeds de stad vervulde, was plotseling iets gebeurd, dat eindelooze praatjes [74]veroorzaakte: de plotselinge liefde van Celia voor een jongen luitenant, dien zij nog nooit gesproken had; de hartstochtelijke eensgezindheid der twee, die elkaar dagelijks op den Corso zagen en alleen maar door hun blikken met elkaar spreken konden; de taaie vasthoudendheid van het jonge meisje, dat aan haar vader verklaard had, dat zij nooit een anderen man wilde hebben, en nu onwrikbaar wachtte in de vaste overtuiging, dat men haar den man van haar keuze geven zou. Het ergste was, dat deze luitenant, Attilio Sacco, de zoon was van den afgevaardigde Sacco, een parvenu, dien de zwarte kringen minachtten als verkocht aan het Quirinaal en tot de gemeenste dingen in staat.

“Dat gezegde van Morano daareven was natuurlijk voor mij bestemd,” fluisterde Celia Benedetta in. “Ja zeker, daarnet, toen hij den vader van Attilio naar aanleiding van het ministerschap, waar men het zoo druk over heeft, zoo uitmaakte … Hij heeft mij een lesje willen geven.”

De twee jonge meisjes hadden elkaar in het nonnenklooster een eeuwige vriendschap gezworen. Benedetta, die vijf jaar ouder was dan Celia, speelde een beetje moedertje over haar.

“Ben je nu nog niet verstandig geworden? Denk je nog altijd aan dien jongen man?”

“Begin jij nu ook al mee te doen? Attilio bevalt me en ik wil hem hebben. Hem, versta je, en geen ander! Ik wil hem hebben en ik zal hem hebben, omdat hij van mij houdt en ik van hem … Het is zoo eenvoudig mogelijk.”

Pierre keek haar verbaasd aan. Met haar zacht, jonkvrouwelijk gezicht was zij een witte, gesloten lelie. Een voorhoofd en een neus, zoo rein als een bloem; een onschuldige mond, welks lippen zich vastberaden over de witte tanden sloten; oogen, helder als bronwater en zonder grond. Geen rilling liep over de als zijde zoo zachte wangen, niet de minste onrust was in den naïeven blik te bespeuren. Dacht zij? Wist zij? Wie zou het hebben kunnen zeggen? Zij was de maagd in al haar angstig makende verborgenheid.

“Kom, lieve kind,” begon Benedetta weer, “ga mijn treurige geschiedenis niet herhalen. Het gaat nu eenmaal niet, paus en koning trouwen niet samen.”

“Maar,” zeide Celia in alle kalmte, “jij hieldt niet van Prada en ik wel van Attilio. En leven is nu eenmaal liefhebben.”

Dit woord uit den mond van dit onschuldige kind trof Pierre zóó zeer, dat hij de tranen in zijn oogen voelde komen. [75]De liefde, ja, dat was de oplossing van alle geschillen, de band tusschen de volkeren, de vrede en de vreugde in de geheele wereld. Maar donna Serafina, die het gesprek van de twee vriendinnen niet geheel scheen te vertrouwen, was opgestaan. Zij wierp don Vigilio een blik toe, dien deze dadelijk scheen te begrijpen, want hij ging heel zacht tegen Pierre zeggen, dat het tijd was om te gaan. Het sloeg elf uur, Celia vertrok met haar tante. Blijkbaar wilde advocaat Morano, dat kardinaal Sarno en Nani nog even bleven, om in den familiekring nog even te spreken over de een of andere moeilijkheid, die zich ten opzichte van de echtscheiding voorgedaan had. Toen Benedetta Celia op beide wangen gekust had, nam zij in den eersten salon hartelijk afscheid van Pierre:

“Morgenochtend zal ik den vicomte antwoorden en hem schrijven, hoe prettig we het vinden u bij ons te hebben, en voor heel wat langer dan u zelf gelooft … En vergeet vooral niet morgenochtend om tien uur uw opwachting bij mijn oom, den kardinaal, te maken.”

Toen boven op de derde verdieping Pierre en don Vigilio, ieder met een blaker, dien een knecht hun gegeven had, in de hand, elkaar voor hun deuren goeden nacht zeiden, kon de eerste zich niet weerhouden den ander een vraag te doen, die hem kwelde.

“Is die monsignor Nani een invloedrijk iemand?”

Don Vigilio schrok opnieuw. Hij maakte slechts een gebaar, waarbij hij zijn beide armen uitbreidde, als wilde hij de wereld omarmen.

“U hebt hem vroeger reeds gekend, niet waar?” vroeg hij zonder te antwoorden.

“Ik? Geen quaestie van!”

“Dan begrijp ik er niets van!… Hij kent u heel goed. Ik heb hem verleden Maandag over u hooren spreken in zulke termen, dat het mij toescheen alsof hij op de hoogte was van de kleinste bijzonderheden van uw leven en van uw karakter.”

“Ik heb zelfs zijn naam nooit hooren noemen.”

“Dan zal hij zeker naar u geïnformeerd hebben.”

Don Vigilio groette en ging zijn kamer binnen, terwijl Pierre, die tot zijn verbazing de deur van zijn kamer open vond, er Victorine op haar rustige manier uit zag komen.

“O, mijnheer de abbé, ik heb mij persoonlijk willen overtuigen, dat er niets ontbrak. U hebt uw kaars, u hebt suiker, water en lucifers … Wat gebruikt u ’s ochtends? Koffie? Neen? Alleen melk met een broodje. Goed! Om acht uur [76]zeker?… En rust u nu maar eens goed uit! Ik heb de eerste nachten in dit oude paleis een vreeselijken angst voor spoken gehad! Maar ik heb er nooit één gezien. Wanneer je dood bent, dan ben je veel te blij, dat je het bent, en rust je lekker uit.”

Eindelijk was Pierre alleen. Hij was blij, dat hij uit de plooi kon komen, dat hij kon ontsnappen aan het onbehaaglijk gevoel, dat die onbekende omgeving, die salon, die menschen, welke zich in het rustige licht der lampen als spoken vermengden en weer verdwenen, hem gaven. De spoken, dat zijn de oude dooden van vroeger, wier onrustige zielen terugkwamen om lief te hebben en te lijden in het hart der levenden van thans. Ondanks zijn lange dagrust had hij zich nooit zoo moe gevoeld, nooit zoo’n behoefte aan slaap; zijn hoofd was geheel verward, hij was bang niets begrepen te hebben. Toen hij zich begon uit te kleeden, maakte de verwondering, dat hij hier was, dat hij hier naar bed ging, zich opnieuw met zulk een heftigheid van hem meester, dat hij een oogenblik meende een ander te zijn. Wat dachten al die menschen van zijn boek? Waarom had men hem in dit kille huis laten komen, dat hem—hij voelde het—vijandig gezind was? Was het om hem te helpen of om hem te overwinnen? En hij zag in het gele licht van den salon niets meer dan donna Serafina en advocaat Morano, ieder aan een kant van den haard, terwijl achter het hartstochtelijke en rustige hoofd van Benedetta, het glimlachende gezicht van monsignor Nani met zijn listige oogen en zijn van ontembare energie getuigende lippen verscheen.

Hij ging liggen, maar stond al heel gauw weer op; hij had het benauwd, voelde zoo’n behoefte aan frissche, vrije lucht, dat hij het raam geheel openzette en eruit leunde. Maar de nacht was inktzwart, de horizont lag in het duister gedompeld. De sterren aan het firmament werden waarschijnlijk door nevels bedekt, het ondoorzichtige hemelgewelf hing loodzwaar neer. De huizen van den tegenoverliggenden Trastevere sliepen reeds lang; geen enkel raam was meer verlicht; slechts flikkerde in de verte een lantaarn als een verloren ster. Vergeefs zocht hij den Janiculus. Alles ging in dit meer van Niets onder, de vier-en-twintig eeuwen van Rome, de oude Palatinus, de moderne Quirinalis, de reusachtige dom van de St. Pieter, die in de schaduwgolf van den hemel verdrongen werd. En onder zich zag hij zelfs niet, hoorde hij zelfs niet den Tiber, de doode rivier in de doode stad. [77]


1 Een lang kleed. 

[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK

Den volgenden ochtend om kwart voor tienen ging Pierre naar de eerste verdieping van het paleis, om zich aan te melden voor de audiëntie van kardinaal Boccanera. Vol moed was hij wakker geworden, vol naïeve geestdrift van zijn geloof; niets was er meer overgebleven van zijn ongewone terneergeslagenheid van den vorigen dag, van den twijfel, van den argwaan, die hem na de vermoeienis van de reis bij het eerste contact met Rome hadden aangegrepen. Het weer was zoo mooi, de hemel zoo helder, dat zijn hart weer vol hoop was gaan kloppen.

De op het groote portaal uitkomende deur van de eerste antichambre stond wijd open. De kardinaal, een der laatste kardinalen van het Romeinsche patriciaat, had, hoewel hij de op de straat uitkomende, van ouderdom wegrottende gala-salons had gesloten, den ontvangsalon van een zijner oud-ooms, die tegen het einde der achttiende eeuw eveneens kardinaal geweest was, behouden. Het was een reeks van vier groote, zes meter hooge vertrekken, die op het hellend, naar den Tiber loopend steegje uitzagen. De zon, waaraan door de zwarte huizen aan den overkant de weg versperd werd, drong er nooit in door. De inrichting met al haar pracht en praal, die de vroegere hoogwaardigheidsbekleeders der Kerk ten toon spreidden, was intact gebleven. Maar hersteld of gerepareerd of onderhouden was er niets. Het behang hing aan flarden, het stof vrat de meubelen op; in de volkomen verwaarloozing voelde men den hautainen wensch den tijd tegen te houden.

Toen Pierre het eerste vertrek, de antichambre der bedienden, binnenging, werd hij door een lichte ontroering aangegrepen. Vroeger stonden daar voortdurend twee pauselijke gendarmes in hun uniform te midden van een groote [78]schaar lakeien; thans echter verhoogde één enkele bediende door zijn spookachtige aanwezigheid nog de melancholie van dit groote, half donkere vertrek. In het bijzonder viel tegenover het raam een met rood gedrapeerd altaar op onder een eveneens rooden baldakijn met het wapen der Boccanera’s, den gevleugelden, vlammenspuwenden draak en het devies: Bocca nera, Alma rossa. Ook de roode kardinaalshoed van den oud-oom, de oude, groote, voor plechtige gelegenheden bestemde hoed, bevond zich hier, evenals de twee kussens van roode zijde en de twee aan den muur hangende parasols, die vroeger bij iederen uitgang in de karos werden medegenomen. In de volkomen stilte meende men het zachte leven van de maden te hooren, die sedert een eeuw aan dat geheele doode verleden knaagden, dat door één streek van een plumeau in stof gevallen zou zijn.

De tweede antichambre, waarin vroeger de secretaris zijn verblijf hield, was leeg; Pierre vond don Vigilio eerst in de derde, de eere-antichambre. Daar het personeel tot het strikt noodzakelijke beperkt was, gaf de kardinaal er de voorkeur aan zijn secretaris vlak bij de hand te hebben, dicht bij de deur van de voormalige troonzaal, waarin hij audiënties verleende. Don Vigilio, zoo mager, zoo geel, zoo rillend van koorts, zat daar als verloren aan een heel klein, armoedig, zwart, met paperassen beladen tafeltje. Verdiept in een dossier, keek hij op, herkende den bezoeker en zeide op fluisterenden toon, zoodat het in de stilte als een gemompel klonk:

“Zijne Eminentie is bezig … Wees zoo goed te wachten.”

Dan verdiepte hij zich weer in zijn lectuur, blijkbaar om iedere poging tot een gesprek af te snijden.

Pierre, die niet durfde gaan zitten, keek het vertrek rond. Het verkeerde misschien in een nog meer vervallen toestand dan de twee andere met zijn door ouderdom versleten behang van groen damast, dat denken deed aan verkleurd mos op oude boomen. Maar het plafond was nog prachtig, een schitterende decoratie, een fries met geschilderde en vergulde versieringen, die een Triomf van Amphitrite, een fresco van een van Raffaël’s leerlingen, omgaven. Volgens oud gebruik lag in dit vertrek de kardinaalshoed op een wandtafeltje aan den voet van een groot crucifix van ebbenhout en ivoor.

Toen Pierre wat aan het halfdonker gewend geraakt was, werd zijn aandacht plotseling getrokken door een kort geleden geschilderd levensgroot portret van den kardinaal. Hij [79]was er afgebeeld in groot gala, de soutane van rood moiré, het kanten koorhemd, de kappa koninklijk om de schouders geworpen. En deze grijsaard van zeventig jaar had in dat kerkelijke gewaad zijn trotsche, vorstelijke houding bewaard: hij was geheel geschoren, zijn grijs haar was nog zóó dik, dat het in zware lokken om zijn schouders golfde. Het was het majestueuze gezicht der Boccanera’s—de krachtige neus, de groote mond met de dunne lippen, het lange, diepgerimpelde gezicht. Vooral de oogen van zijn geslacht verhelderden het bleeke gezicht—bruine, vurige oogen onder de dikke, nog zwarte wenkbrauwen. Wanneer zijn hoofd met een lauwerkrans omgeven geweest was, zou men hem voor een Romeinsch keizer gehouden hebben; hij was verheven en gebiedend, alsof het bloed van Augustus in zijn aderen klopte.

Pierre kende zijn geschiedenis, en zijn portret riep hem die weer voor den geest. Opgevoed in het adellijke College, had Pio Boccanera slechts éénmaal Rome verlaten, toen hij nog maar heel jong en pas diaken was, om als pauselijk gezant een kardinaalshoed naar Parijs te brengen. Daarna had zijn kerkelijke carrière zich zeer geleidelijk ontwikkeld; de eere-ambten vielen hem als op natuurlijke wijze ten deel, zooals trouwens in verband met zijn voorname afkomst te verwachten was. Hij werd door Pius IX persoonlijk gewijd, later tot canonicus aan de Vaticaansche Basilica en tot geheim kamerheer, na de Italiaansche occupatie tot majordomo en eindelijk in 1874 tot kardinaal benoemd. Sedert vier jaar was hij kardinaal-voorzitter van de apostolische kamer, en men vertelde, dat Leo XIII hem voor dit ambt uitverkoren had, zooals Pius IX hem zelf vroeger daartoe uitverkoren had, om hem van de opvolging op den pauselijken troon uit te sluiten, want, al was het conclave bij zijn keuze afgeweken van de traditie, volgens welke de kardinaal-voorzitter niet tot paus gekozen kon worden, voor een nieuwe inbreuk daarop zou het waarschijnlijk toch terugschrikken.

Ook vertelde men, dat, evenals onder de vroegere regeering, de heimelijke strijd tusschen den paus en den kardinaal-voorzitter voortgezet werd; deze laatste veroordeelde de politiek van den Heiligen Stoel, was in alles van precies tegenovergestelde meening en wachtte in de feitelijke onbeduidendheid van zijn ambt op den dood van den paus, die hem tot aan de keuze van den nieuwen paus de interimaire macht zou geven, de plicht om het conclave bijeen te roepen [80]en over den goeden tijdelijken gang van zaken der Kerk te waken. Lag het eerzuchtige verlangen naar het pausschap, de droom, om het avontuur van kardinaal Pecci, die kardinaal-voorzitter en toch paus was, te herhalen, achter dit hooge, strenge voorhoofd, in de vlam zelf van die donkere oogen. Zijn Romeinsche prinsentrots kende niets dan Rome; hij stelde er bijna een eer in niets van de moderne wereld te weten. Overigens was hij zeer vroom, streng godsdienstig, onwankelbaar in zijn geloof, niet in staat den geringsten twijfel te koesteren.

Maar een fluisteren rukte Pierre uit zijn overpeinzingen. Don Vigilio vroeg hem te gaan zitten.

“Het zal misschien een tijdje duren; neemt u zoo lang een tabouret.”

En hij begon een groot, geelachtig vel papier met een fijn schrift te beschrijven, terwijl Pierre machinaal op een der eikenhouten tabouretjes, die in een rij langs den muur tegenover het portret stonden, plaats nam. Hij viel weer in zijn overpeinzingen terug en meende om zich heen de vorstelijke pracht der vroegere kardinalen te zien herleven en schitteren. In de eerste plaats gaf de kardinaal op den dag, dat hij benoemd werd, groote feesten, volksvermaken, waarvan er sommige thans nog door hun pracht en praal bekend zijn. Gedurende drie dagen blijven de deuren der ontvangsalons wijd openstaan; iedereen, die wilde, mocht binnenkomen, van zaal tot zaal riepen de deurwachters elkaar de namen toe—namen van patriciërs, van gezeten burgers, van het gewone volk, in het kort geheel Rome, dat de kardinaal met de welwillendheid van een souverein ontving, zooals een koning zijn onderdanen.

Vervolgens werd een geheele koninklijke hofhouding georganiseerd, sommige kardinalen brachten vroeger meer dan vijfhonderd personen met zich mede, hadden een huishouding, die zestien bureaux telde, leefden te midden van een waar Hof. Zelfs in lateren tijd, toen het leven reeds veel eenvoudiger geworden was, had een kardinaal, als hij van vorstelijken bloede was, het recht op een galastoet van vier met zwarte paarden bespannen rijtuigen. Vier knechts, in de livrei van zijn kleuren, gingen hem vooraf en droegen den hoed, de kussens en de parasols. Bovendien was hij vergezeld van zijn secretaris in een violetzijden mantel, van den sleepdrager in zijn croccia, een soort gewatteerde jas van violette wol met zijden revers, en van den gentiluomo in de [81]kleederdracht van Henri II, die den kardinaalshoed in zijn gehandschoende handen droeg.

Hoewel reeds verminderd, omvatte de huishouding nog den auditor, die met het werk der congregatie belast was, den secretaris, die zich alleen met de correspondentie bezig hield, den kamerheer, die de bezoekers aandiende, den gentiluomo, die den kardinaalshoed droeg, den sleepdrager, den kapelaan, den hofmeester, den kamerdienaar, ongerekend de schaar ondergeschikt personeel, koks, koetsiers en stalknechten, een geheele bevolking, waarvan de reusachtige paleizen gonsden. En met deze bevolking vulde Pierre in zijn gedachte de drie groote antichambres van de troonzaal; deze vloed van lakeien in blauwe livrei met tressen in de kleuren van het wapen, die wereld van abbé’s en prelaten in zijden mantels herleefde weer voor hem, bracht weer een hartstochtelijk en schitterend leven onder de hooge, ledige plafonds, in het halfdonker, dat zij met hun weder opgestane pracht lichter maakten.

Maar thans, vooral na den intocht der Italianen in Rome, waren bijna alle groote vermogens van den Italiaanschen adel en de pracht en de praal van de hoogwaardigheidsbekleeders der Kerk verdwenen. Het ten gronde gerichte patriciaat onttrok zich aan de geestelijke ambten, die slecht betaald werden en slechts weinig roem meer gaven; het liet die over aan de eerzucht der kleine burgerij. Kardinaal Boccanera, de laatste met het purper bekleede prins van ouden adel, had niet meer dan ongeveer dertig duizend francs, om zijn rang op te houden—de twee-en-twintig duizend francs van zijn salaris, vermeerderd met wat enkele andere functies nog opbrachten; en nooit zou hij daarmede alle kosten hebben kunnen bestrijden, indien donna Serafina hem niet geholpen had met de kruimpjes van het vaderlijk erfdeel, waarvan hij vroeger ten gunste van zijn beide zusters en zijn broeder afstand gedaan had. Donna Serafina en Benedetta hielden beiden haar eigen huishouden, hadden haar eigen personeel en droegen de kosten van haar persoonlijke uitgaven.

De kardinaal had alleen zijn neef Dario bij zich en gaf nooit een diner of een receptie. Zijn grootste uitgave was zijn eenig rijtuig, de zware karos met twee paarden, die het ceremonieel hem oplegde, want een kardinaal kan in Rome niet te voet gaan. Zijn koetsier, een oude knecht, spaarde hem ook nog een stalknecht uit, daar hij er beslist op stond alleen voor de karos en de twee paarden te zorgen, die, [82]evenals hij, in de familie oud geworden waren. Verder waren er twee lakeien, vader en zoon, van wie de laatste in het paleis geboren was. De vrouw van den kok hielp in de keuken mede. Maar de inkrimping betrof voornamelijk de eere-antichambre en de eerste antichambre, het vroeger zoo schitterende en talrijke personeel bepaalde zich thans tot twee priesters, don Vigilio, den secretaris, die tegelijk auditor en majordomo was, en abbé Paparelli, den sleepdrager, die tevens als kapelaan en kamerheer fungeerde. Waar vroeger een schaar van bezoldigd personeel rondgeloopen en de zalen met hun schittering vervuld had, daar zag men thans slechts die twee zwarte soutanes geruischloos rondsluipen, twee bescheiden schimmen, die in de diepe duisternis der doode vertrekken verloren gingen.

Hoe begrijpelijk kwam Pierre thans de hooghartige zorgeloosheid van den kardinaal voor, die den tijd zijn werk van verwoesting liet volbrengen in dit paleis zijner voorvaderen, waaraan hij het glorierijke leven van vroeger niet teruggeven kon. Gebouwd voor den hofstaat van een vorst uit de zestiende eeuw, viel thans het huis, verlaten en donker, in op het hoofd van zijn laatsten meester, die niet genoeg personeel meer had om het te vullen, die niet geweten zou hebben, waar hij het geld had moeten vinden voor de voor de reparatie benoodigde kalk. Waarom zou men dus niet, nu de moderne wereld zich vijandig toonde, nu de religie geen koningin meer was, nu de maatschappij veranderd was en men, te midden van den haat en de onverschilligheid der nieuwe generaties, het onbekende tegemoet ging, waarom zou men nu niet de oude wereld met haar onzinnigen trots op haar eeuwenouden roem, in stof laten vallen? Slechts helden stierven staande, zonder iets van het verleden prijs te geven, tot aan hun laatsten ademtocht trouw aan hetzelfde geloof, zonder iets anders te bezitten dan den smartelijken moed om den langzamen doodsstrijd van hun God aan te zien. En in het majestueuse portret van den kardinaal, op zijn bleek, zoo trotsch, zoo wanhopig-dapper gelaat was de hardnekkige wil te lezen liever onder de puinhoopen van het oude, sociale gebouw begraven te worden dan er één steen aan te veranderen.

Het ritselen van heimelijke voetstappen, zacht muizengetrippel, deed den priester uit zijn gepeins opschrikken en omkijken. In het behang was een deur opengegaan en tot zijn verbazing zag hij een gezetten en korten, ongeveer [83]veertigjarigen abbé voor zich staan; men zou hem voor een oude in het zwart gekleede jongejuffrouw hebben kunnen aanzien, heel oud reeds, zoo was zijn slap gezicht met rimpels doorgroefd. Het was abbé Paparelli, de sleepdrager, de kamerheer, die in deze laatste functie de bezoekers moest aandienen. Toen hij den jongen priester zag, wilde hij hem zijn naam vragen, maar don Vigilio kwam tusschenbeide, om hem op de hoogte te brengen.

“O, ja, prachtig! Mijnheer de abbé Froment, wien het Zijne Eminentie behaagt een audiëntie te verleenen … Wees zoo goed te wachten, wees zoo goed te wachten!”

En met zijn glijdenden, onhoorbaren stap ging hij weer terug naar de tweede antichambre, waar hij zich gewoonlijk ophield.

Pierre beviel dit door het celibaat verbleekte, door al te harde godsdienstige oefeningen verwoeste, oude vromebesjesgezicht niet; en daar don Vigilio, wiens hoofd moe was en wiens handen van koorts brandden, niet weer aan het werk gegaan was, waagde hij het hem het een en ander te vragen. O, abbé Paparelli! Een buitengewoon geloovig man, die alleen uit eenvoud en deemoed op zijn bescheiden post bij Zijne Eminentie bleef. Trouwens het behaagde dezen hem daarvoor te beloonen, daar hij zich een enkele maal verwaardigde naar zijn adviezen te luisteren. Bij die woorden lag er in de vurige oogen van don Vigilio een heimelijke ironie, een nog bedekte woede. Hij bleef Pierre aankijken; zijn gelaat kalmeerde zich wat; de zichtbare rechtschapenheid van dezen vreemdeling, die blijkbaar tot geen partij behoorde, stelde hem gerust. Hij liet dan ook zijn gewoon, ziekelijk wantrouwen varen, ja vergat zich zelfs zoozeer, dat hij een oogenblik bleef praten.

“Ja, ja, er is soms veel en dikwijls moeilijk werk … Zijne Eminentie heeft zitting in verscheidene congregaties: de Inquisitie-, de Index-, de Riten- en de Consistoriecongregatie. En al die dossiers gaan door mijn handen. Ik moet iedere zaak bestudeeren en een rapport daarover samenstellen, om alles voor hem in orde te maken … En bovendien heb ik voor de geheele correspondentie te zorgen. Gelukkig is Zijne Eminentie een heilige, die noch voor de eene, noch voor de andere partij intrigeert, zoodat we wat afgezonderd kunnen leven.”

Pierre interesseerde zich zeer voor die intieme bijzonderheden uit het leven van een Kerkvorst, dat dikwijls zoo verborgen [84]is en door de legende misvormd wordt. Hij wist, dat de kardinaal, winter en zomer, om zes uur opstond. Hij las de mis in zijn kapel, een klein vertrek met een altaar van beschilderd hout, dat nooit iemand betrad. Verder bestonden zijn particuliere appartementen slechts uit een slaapkamer, een eetkamer en een studeerkamer, alle drie bescheiden, eenvoudige vertrekken, die men door middel van beschotten uit een grooten salon gemaakt had. Hij leefde er zeer teruggetrokken, zonder eenige luxe, als een matig en arm man. Om acht uur ontbeet hij met een glas koude melk. Vervolgens begaf hij zich op de zittingsdagen naar de congregaties, waar hij lid van was, of wel bleef hij thuis, om audiëntie te verleenen.

Hij dineerde om één uur, dan volgde tot vier, in den zomer zelfs tot vijf uur, de siësta, de Romeinsche siësta, het heilige oogenblik, waarin geen bediende het gewaagd zou hebben zelfs maar op de deur te kloppen. Daarna maakte hij op mooie dagen een wandelrit in den omtrek van de oude Via Appia, waarvan hij bij het luiden van het Angelus terug kwam. Na van zeven tot negen uur ontvangen te hebben, soupeerde hij, trok zich in zijn kamer terug en vertoonde zich niet meer; hij werkte alleen of begaf zich ter ruste. De kardinalen begaven zich twee of drie maal per maand op vaste dagen naar het Vaticaan, om dienst te doen. Doch nu in bijna een jaar al was den kardinaal-voorzitter geen particuliere audiëntie verleend, wat een teeken van ongenade, een bewijs van oorlog was, waarover in de zwarte kringen zacht en voorzichtig gesproken werd.

“Zijne Eminentie is wat stroef,” ging don Vigilio, die blij was zich eens te kunnen uiten, zacht voort: “maar u moet hem zien glimlachen, wanneer zijn nicht, de contessina, die hij aanbidt, hem komt omhelzen … Wanneer u goed ontvangen wordt, dan hebt u dat alleen aan de contessina te danken.”

Op dat oogenblik werd hij in de rede gevallen. Uit de tweede antichambre kwam een geroezemoes van stemmen. Hij stond vlug op en maakte een diepe buiging, toen hij een dikken man in een zwarte soutane met een rooden gordel, en een zwarten hoed met roode en gouden troedels op, binnen zag komen, dien abbé Paparelli met tal van nederige buigingen begeleidde. Hij had Pierre een teeken gegeven eveneens op te staan en vond nog juist tijd, om hem in te fluisteren:

“Kardinaal Sanguinetti, de praefect van de Indexcongregatie.” [85]

Abbé Paparelli putte zich uit in dienstvaardigheid en herhaalde telkens weer met een vroom-tevreden gebaar:

“Uwe Eminentie wordt verwacht. Ik heb order Uwe Eminentie dadelijk binnen te brengen … Zijne Eminentie, de groot-penitentiarius is er reeds!”

Sanguinetti, een man met een harde stem en een dreunenden stap, kreeg plotseling een aanval van vertrouwelijkheid.

“Ja, ja, ik ben ook zoo opgehouden; al die menschen waren zoo lastig. Je kan nooit doen wat je wilt. Enfin, ik ben er nu!”

Het was een man van zestig jaar, ineengedrongen en dik, met een rond, opgeblazen gezicht, een grooten neus, dikke lippen, altijd even onrustige oogen. Vooral echter viel hij op door zijn jeugdig, bijna stormachtig-jong uiterlijk, zijn nog bruine haren, waarin nauwelijks een grijs haartje te ontdekken viel en die in dikke lokken om zijn slapen vielen. Hij was geboren te Viterbo, en had op het seminarie van die stad gestudeerd, alvorens zijn studiën aan de Gregoriaansche universiteit te Rome te gaan voltooien. Zijn geestelijke staat van dienst bewees voldoende zijn vlugge opklimming, zijn soepelen geest: eerst was hij secretaris van de nuntiatuur te Lissabon, daarna titulair-bisschop van Thebe geweest en had men hem een moeilijke zending naar Brazilië opgedragen.

Na zijn terugkeer werd hij nuntius te Brussel, vervolgens te Weenen en eindelijk kardinaal, ongerekend nog, dat hij het in de nabijheid van Rome gelegen bisdom van Frascati gekregen had. Zeer ervaren in allerlei zaken, daar hij geheel Europa afgereisd had, had hij alleen zijn eerzucht tegen zich, die hij te veel blijken liet, en de intriges, die hij steeds spon. Het heette thans, dat hij onverzoenlijk was en van Italië de overgave van Rome eischte, hoewel hij vroeger toenadering getoond had tot het Quirinaal. In zijn vurigen hartstocht om paus te worden, veranderde hij ieder oogenblik van meening, gaf hij zich eindelooze moeite, om menschen voor zich te winnen, die hij dan later weer losliet. Reeds tweemaal had hij onaangenaamheden gehad met Leo XIII, maar had het ten slotte politiek geoordeeld zich te onderwerpen. De waarheid was, dat hij, de bijna erkende candidaat naar het pausschap, zich uitputte in zijn voortdurende krachtinspanning, door zich met te veel dingen en te veel menschen te bemoeien.

Maar Pierre had in hem slechts den praefect der Indexcongregatie gezien; slechts één gedachte hield hem bezig, n.l. dat deze man over het lot van zijn boek zou beschikken. [86]Hij kon zich dan ook, toen de kardinaal verdwenen en abbé Paparelli teruggekeerd was in de tweede antichambre, niet weerhouden te zeggen:

“Zijn Hunne Eminenties de kardinaal Sanguinetti en kardinaal Boccanera erg bevriend?”

Een glimlach kwam om de lippen van den secretaris spelen, terwijl in zijn oogen een ironie flikkerde, die hij nu niet meer verbergen kon.

“Zeer bevriend? Neen, neen!… Zij bezoeken elkaar, wanneer het niet anders kan!”

En hij legde uit, dat men eerbied toonde voor de hooge geboorte van kardinaal Boccanera, zoodat men zich gaarne vereenigde bij hem, wanneer een ernstige zaak, zooals dien dag, een samenkomst buiten de gewone zittingen noodzakelijk maakte. Kardinaal Sanguinetti was de zoon van een geneesheer te Viterbo.

“Neen, neen, Hunne Eminenties zijn in het geheel niet bevriend … Wanneer men niet dezelfde denkbeelden en hetzelfde karakter heeft, dan gaat dat zoo makkelijk niet. En vooral als daar nog bijkomt, dat men elkaar in den weg staat.”

Hij had het zachter, als tot zichzelf gezegd. Trouwens Pierre, die geheel met zichzelf bezig was, hoorde het nauwlijks.

“Komen zij misschien voor de een of andere Index-aangelegenheid bij elkaar?” vroeg hij.

Don Vigilio moest weten waarom er vergaderd werd. Maar hij vergenoegde zich met te antwoorden, dat voor een zaak van den Index de bijeenkomst gehouden zou zijn bij den praefect der congregatie. In zijn ongeduld kon Pierre zich niet weerhouden een directe vraag te stellen.

“U kent mijn aangelegenheid—de zaak van mijn boek—niet waar? Daar Zijne Eminentie deel uitmaakt van de congregatie en de dossiers door uw handen gaan, zoudt u mij misschien een nuttige inlichting kunnen geven. Ik weet er niets van en ik zou zoo gaarne wat willen weten!”

Onmiddellijk werd don Vigilio weer door zijne angstige ongerustheid aangegrepen.

“Ik verzeker u, dat er nog geen stuk door mijn handen gegaan is. Ik weet er absoluut niets van.”

Toen Pierre wilde aandringen, gaf hij hem een teeken te zwijgen en begon weer te schrijven, terwijl hij telkens heimlijk een blik in de tweede antichambre wierp, ongetwijfeld [87]bang, dat abbé Paparelli luisterde. Blijkbaar had hij reeds veel te veel gezegd. En hij maakte zich weer klein aan zijn tafeltje, verdween als het ware geheel in zijn donker hoekje.

Pierre viel nu weer in zijn gepeins terug; weer maakte al dat onbekende, de oude, ingeslapen triestheid, die hem omgaf, zich geheel van hem meester. Eindeloos verliep de eene minuut na de andere, het was bijna elf uur. Het opengaan van een deur, het geluid van stemmen maakte hem weer wakker. Hij boog eerbiedig voor kardinaal Sanguinetti, die weg ging met een anderen, zeer mageren en langen kardinaal met een grauw, lang asketengezicht. Maar geen van beiden scheen zelfs dien eenvoudigen, vreemden priester, die zoo voor hen boog, op te merken. Zij spraken luid en vertrouwelijk met elkaar.

“Ja, de wind gaat liggen, het is warmer dan gisteren.”

“We zullen morgen zeker een sirocco krijgen.”

Plechtig viel de stilte weer in het groote, donkere vertrek terug. Don Vigilio schreef nog altijd, zonder dat men het gekras van zijn pen op het harde, geelachtige papier hoorde. Het zachte tingelen van een gebarsten belletje weerklonk. Abbé Paparelli kwam uit de tweede antichambre toegesneld, verdween een oogenblik in de troonzaal en kwam dan terug, om Pierre met een handgebaar te roepen.

“Mijnheer de abbé Pierre Froment,” diende hij met zachte stem aan.

Ook deze groote zaal was een ruïne. Onder het prachtige plafond van gebeeldhouwd en geschilderd hout hing het roode behang, geheel van brocaat met groote palmen, in flarden. Op sommige plaatsen was het als bijgewerkt, maar door het lange gebruik vlamde het donkere purperrood der zijde, dat vroeger zoo schitterend geweest was, met bleeke tinten. Het merkwaardige van het vertrek was de oude troon, de fauteuil van rood fluweel, waarin vroeger de Paus, wanneer hij een bezoek bracht aan den kardinaal, plaats nam. Een baldakijn, ook van rood fluweel, stond erover heen, waaronder eveneens het portret van den regeerenden paus hing. Volgens het voorschrift stond de fauteuil naar den muur toe gekeerd, ten teeken, dat niemand er op mocht gaan zitten. Verder waren er in het groote vertrek slechte canapés, fauteuils, stoelen en een prachtige Louis XIV-tafel van verguld hout met een mozaïekblad, voorstellend de ontvoering van Europa. [88]

Maar Pierre zag in den beginne niets dan kardinaal Boccanera, die bij een andere tafel, welke hij als bureau gebruikte, stond. In zijn eenvoudige zwarte soutane met roode zoomen en knoopen, scheen hij hem nog grooter en trotscher toe dan op het portret in zijn gala-kostuum. Het was wel hetzelfde grijze haar, hetzelfde lange gezicht met de diepe rimpels, den grooten neus en de dunne lippen; het waren dezelfde vurige oogen, die het bleeke gezicht onder de dichte, zwart gebleven wenkbrauwen verhelderden. Maar het portret gaf niet het van deze hooge gestalte uitgaande verheven en rustige geloof weer, de vaste overtuiging te weten waar de waarheid lag, den onwankelbaren wil zich daar eeuwig aan te houden.

Boccanera bewoog zich niet, toen hij met zijn donkeren blik den bezoeker naar zich toe zag komen; de priester, die het ceremonieel goed kende, knielde neer en kuste den grooten smaragd, dien de kardinaal aan zijn vinger droeg. Maar bijna onmiddellijk richtte de kardinaal zich op.

“Wees welkom bij ons, mijn lieve zoon … Mijn nicht heeft mij met zooveel sympathie over u gesproken, dat ik mij gelukkig voel u te ontvangen …”

Hij was bij de tafel gaan zitten, zonder Pierre te vragen ook plaats te nemen; hij bleef hem aankijken, terwijl hij op langzamen, zeer beleefden toon verder sprak.

“U is gisterenochtend gearriveerd, niet waar? En zeker heel moe?”

“Uwe Eminentie is te vriendelijk … Ja, ik was gebroken, zoowel van emotie als van vermoeienis. Deze reis is voor mij van zooveel beteekenis.”

De kardinaal scheen niet dadelijk op die ernstige quaestie in te willen gaan.

“Zeker, dat begrijp ik. En bovendien is het een lange reis van Parijs naar Rome. Tegenwoordig gaat het vrij snel, maar vroeger was het een eindelooze reis!”

Hij begon langzamer te spreken.

“Ik ben éénmaal in Parijs geweest, o, al heel lang geleden, vijftig jaar bijna al, en ik ben er geen week gebleven … Een groote, mooie stad, ja zeker! Veel menschen in de straten, zeer goed opgevoede menschen, een volk, dat wonderbare dingen gedaan heeft. Men mag het zelfs in dezen droevigen tegenwoordigen tijd niet vergeten, Frankrijk is de oudste dochter der Kerk geweest … Na die eenige reis heb ik Rome nooit meer verlaten!” [89]

Met een gebaar van kalme minachting voltooide hij zijn gedachte. Waarom reizen te ondernemen naar het land van twijfel en rebellie? Was Rome niet voldoende, Rome, dat de wereld beheerschte, de eeuwige stad, die eens, wanneer de tijden in vervulling zouden gaan, weer de hoofdstad der wereld zou worden?

Pierre, die zwijgen bleef, riep zich den gewelddadigen, strijdlustigen prins weer voor den geest, die er thans toe genoodzaakt was deze eenvoudige soutane te dragen; hij vond hem mooi in zijn trotsche overtuiging, dat Rome aan zichzelf genoeg had. Maar deze koppige onwetendheid, deze eigenzinnigheid, om andere naties slechts als vazallen te beschouwen, maakten hem ongerust, toen hij weer dacht aan het motief, dat hem hier bracht. Daar er een stilzwijgen ontstaan was, meende Pierre met een paar eerbiedig-huldigende woorden op het onderwerp te moeten terugkomen.

“Alvorens verdere stappen te doen, heb ik mijn hulde aan de voeten van Uwe Eminentie willen leggen, want Uwe Eminentie is mijn eenige hoop, en ik smeek Uwe Eminentie mij wel te willen raden en leiden.”

Met een handbeweging noodigde Boccanera hem uit op een stoel tegenover hem te gaan zitten.

“Zeker, mijn lieve zoon, ik weiger volstrekt niet u met mijn raad ter zijde te staan. Ik ben dat verschuldigd aan alle Christenen, die het goede willen. Maar ge zoudt verkeerd doen op mijn invloed te rekenen: die beteekent niets. Ik leef volkomen afgezonderd, ik kan en ik wil niets vragen … Maar dat belet ons niet wat te praten.”

Hij ging zonder eenigen omweg op de quaestie in. Zijn onafhankelijke, moedige geest schrikte voor de verantwoordelijkheid niet terug.

“Ge hebt een boek geschreven, niet waar? Het nieuwe Rome, als ik mij goed herinner; en ge zijt hierheen gekomen om dit boek, dat men bij de Indexcongregatie aangegeven heeft, te verdedigen … Ik heb het nog niet gelezen. Ge begrijpt, ik kan niet alles lezen. Ik lees alleen de boeken, die de congregatie, waarvan ik sedert verleden jaar deel uitmaak, mij zendt; en dikwijls stel ik mij zelfs tevreden met het rapport, dat mijn secretaris voor mij opstelt … Maar mijn nicht Benedetta heeft uw boek gelezen en mij gezegd, dat het niet oninteressant is. Eerst was zij er een beetje verbaasd over geweest, maar later heeft het haar zeer geroerd … Ik beloof u dus, dat ik het door zal lezen en de [90]geïncrimineerde passages met groote zorg bestudeeren zal.”

Pierre greep de gelegenheid aan, om zijn zaak te verdedigen. Hij meende, dat het maar het beste zou zijn zijn aanbevelingen uit Parijs mede te deelen.

“Uwe Eminentie zal begrijpen hoe verbaasd ik was, toen ik hoorde, dat mijn boek vervolgd werd. Mijnheer de vicomte de la Choue, die mij welwillend gezind is, zegt steeds weer, dat een dergelijk werk voor den Heiligen Stoel even veel waard is als het beste leger.”

“O, de la Choue, de la Choue,” herhaalde de kardinaal welwillend-spottend; “ik weet heel goed, dat de la Choue denkt een goed Katholiek te zijn … Hij is nog eenigszins aan ons geparenteerd, zooals u niet onbekend zal zijn. Wanneer hij hier in het paleis logeert, dan ontvang ik hem heel graag, op voorwaarde echter, dat over bepaalde onderwerpen, waarover we het toch nooit eens zouden worden, niet gesproken wordt. Maar per slot van rekening is het Katholicisme van dien voortreffelijken en goeden de la Choue met zijn corporaties, zijn werkliedenvereenigingen, zijn gezuiverde democratie en zijn vaag socialisme niets anders dan litteratuur.”

Het woord trof Pierre onaangenaam, want hij voelde in de woorden van den kardinaal zeer duidelijk de minachtende ironie, die ook op hemzelf sloeg. Hij haastte zich dan ook zijn anderen repondant1, dien hij voor een onaantastbare autoriteit hield, te noemen.

“Zijne Eminentie kardinaal Bergerot is wel zoo goed geweest zijn volkomen goedkeuring aan mijn boek te hechten.”

Plotseling veranderde het gezicht van Boccanera heelemaal. Het was niet meer de spottende blaam, het medelijden, dat de ondoordachte en van te voren tot mislukking gedoemde daad van een kind te voorschijn roept. Een vlam van woede lichtte op in zijn donkere oogen; zijn gezicht werd hard van strijdlust.

“Zeker,” zeide hij langzaam; “kardinaal Bergerot heeft in Frankrijk den naam heel vroom te zijn. Hier in Rome weten wij weinig van hem. Persoonlijk heb ik hem éénmaal gezien, toen hij den kardinaalshoed kwam halen. En ik zou mij niet veroorloven een oordeel over hem te vellen, indien onlangs zijn geschriften en zijn handelingen mijn ziel als geloovige niet hadden bedroefd. En, helaas, sta ik in dat opzicht niet [91]alleen; ge zult in het Heilig College niemand vinden, die zijn daden goedkeurt.”

Hij hield even op en zeide dan op zeer beslisten toon:

“Kardinaal Bergerot is een revolutionnair.”

Ditmaal kon Pierre van verbazing een oogenblik niet spreken. Een revolutionnair, lieve God, die zachte zielenherder met zijn onuitputtelijke naastenliefde, wiens droom-ideaal het was, dat Jezus weer op aarde zou nederdalen, om eindelijk gerechtigheid en vrede te doen heerschen! De woorden hadden dus niet overal dezelfde beteekenis! En in welk een godsdienst kwam hij terecht, dat de godsdienst der armen en lijdenden een verdoemenswaardige, eenvoudig opstandige hartstocht werd?

Zonder het nog duidelijk te begrijpen, voelde hij, dat een discussie onbeleefd en nutteloos zijn zou; hij koesterde nog slechts den wensch zijn boek te vertellen, het uit te leggen, het te rechtvaardigen. Maar onmiddellijk na zijn eerste woorden viel de kardinaal hem al in de rede.

“Neen, neen mijn lieve zoon. Dat zou te veel tijd in beslag nemen, en bovendien wil ik de passages lezen … Trouwens het is een regel zonder uitzondering: ieder boek, dat het geloof aantast, is verderfelijk en verdoemenswaardig. Eerbiedigt uw boek ten volle het dogma?”

“Ik meen van wel, en ik verzeker Uwe Eminentie, dat het geen oogenblik mijn bedoeling geweest is het dogma of het geloof te verloochenen.”

“Dat is zeer prijzenswaardig. En wanneer dat zoo is, zou ik met u mede kunnen gaan … Doch in het tegenovergestelde geval zou ik u maar één raad kunnen geven: uit eigen beweging uw boek terug te nemen, te vernietigen, zonder te wachten, dat een besluit van de Indexcongregatie u daartoe dwingt. Wie ergernis gegeven heeft, moet die onderdrukken en ervoor boeten door in zijn eigen vleesch te snijden. Een priester heeft geen andere plicht dan deemoed en gehoorzaamheid, de volkomen vernedering en vernietiging van zijn eigen Ik, een geheel opgaan in den wil der Kerk. Ja, ik vraag u, waartoe eigenlijk überhaupt te schrijven? In de uiting van een eigen meening ligt in zekeren zin al opstand en verzet; het is altijd een verzoeking van den duivel, die u de pen in de hand drukt. Waarom de risico te loopen zichzelf te verdoemen door toe te geven aan den hoogmoed van den geest … Uw boek, mijn waarde zoon, is ook weer litteratuur, litteratuur!” [92]

Hij herhaalde het woord met zoo’n minachting, dat Pierre het gevaar, dat de arme apostelbladzijden, welke hij geschreven had, liepen, wanneer zij onder de oogen van dezen prins, die een heilige geworden was, kwamen, onmiddellijk begreep. Hij luisterde naar hem en meende, door toenemenden angst en bewondering aangegrepen, hem grooter te zien worden.

“O, het geloof, mijn lieve zoon, het onvoorwaardelijke, onbaatzuchtige geloof, dat alleen gelooft voor het geluk om te gelooven! Welk een rust, wanneer men zich voor de mysteries buigt, zonder te trachten die te doorgronden, met de rustige overtuiging, dat men, door ze te aanvaarden, eindelijk het zekere en het definitieve bezit! Is de meest volkomen intellectueele bevrediging niet die, welke door het goddelijke gegeven wordt, terwijl het de rede verovert, schoolt en vermeerdert, zoodat zij als het ware gevuld en zonder verdere begeerte is? Wanneer het onbekende niet door het goddelijke verklaard wordt, is er voor den mensen geen duurzame vrede mogelijk. Men moet de waarheid en de gerechtigheid in Gods hand geven, als men wil, dat zij op aarde heerschen zullen. Wie niet gelooft is als een slagveld, dat bloot staat aan alle rampen. Het geloof alleen bevrijdt en geeft vrede!”

Pierre bleef een oogenblik zwijgen tegenover deze hooge gestalte, die zich oprichtte. Te Lourdes had hij de lijdende menschheid zich zien storten op de genezing van het lichaam en de vertroosting der ziel. Hier was het de intelligente geloovige, de zekerheid verlangende geest, die bevrediging vond door de hoogste genieting te vinden in het niet meer twijfelen. Nog nooit had hij zoo’n kreet van vreugde gehoord, om te leven in gehoorzaamheid en zonder vrees voor dat wat na den dood volgt. Hij wist, dat Boccanera een eenigszins hartstochtelijke jeugd gehad en zinnelijke crisissen doorgemaakt had, waarin het heete bloed zijner voorouders opvlamde; en hij verwonderde zich over de kalme majesteit, die het geloof dezen afstammeling van een zoo heftig ras verleend had. Hoogmoed en trots waren zijn eenige hartstochten gebleven.

“En toch,” waagde hij het eindelijk met zachte stem te zeggen: “ook al blijft het wezen van het geloof onveranderlijk, is het mogelijk, dat de vormen wisselen … Van uur tot uur ontwikkelt alles zich, verandert de wereld.”

“Maar dat is juist niet waar!” riep de kardinaal uit, “de wereld is onwrikbaar, eeuwig onwrikbaar!… Zij trappelt [93]heen en weer, zij verdwaalt, zij geraakt op de afschuwelijkste banen, men moet haar ieder oogenblik weer op den rechten weg terugbrengen. Dat is de waarheid … Moet de wereld, opdat de beloften van Christus in vervulling kunnen gaan, niet terugkeeren tot haar punt van uitgang, tot haar oorspronkelijke schuldeloosheid? Is het einde der dagen niet vastgesteld op den triompheerenden dag, dat de menschen in het volle bezit zijn der geheele waarheid, die het Evangelie gebracht heeft?… Neen, neen, de waarheid ligt in het verleden. Men moet zich steeds houden aan het verleden, wanneer men zich niet in het verderf wil storten. Al die mooie nieuwigheden, die fata morgana van den beroemden vooruitgang zijn niets anders dan valstrikken voor de eeuwige verdoemenis. Waartoe nog meer te zoeken, waartoe onophoudelijk het gevaar van dwalingen te loopen, waar de waarheid reeds sedert achttien eeuwen bekend is? De waarheid, maar die ligt in het roomsch-apostolisch Katholicisme, zooals de lange reeks van generaties het geschapen heeft! Welk een dwaasheid het te willen veranderen, daar zoovele groote geesten, zoovele vrome zielen er het wonderbaarlijkste van alle gedenkteekenen, er het eenige middel tot orde in deze en tot redding in de andere wereld van gemaakt hebben!”

Pierre protesteerde niet meer. Zijn hart kromp ineen, want thans kon hij niet langer meer twijfelen of hij had een onverzoenlijk vijand van zijn liefste en dierbaarste denkbeelden tegenover zich. Hij boog eerbiedig, maar tot een ijskoude verstard, hij voelde een zachten ademtocht over zijn gelaat strijken, een wind, die van verre kwam en de doodende hitte der graven met zich voerde. De kardinaal echter richtte zijn hooge gestalte op en ging op zijn eigenzinnigen toon, waaruit een trotsche moed klonk, door:

“En wanneer, zooals zijn vijanden beweren, het Katholicisme doodelijk getroffen is, dan moet het fier sterven, in zijn glorierijke ongeschondenheid … Versta mij goed, mijnheer de abbé, geen enkele concessie, geen toegeven, geen lafheid! Het is, zooals het is, anders zou het niet kunnen zijn. De goddelijke zekerheid, de onvoorwaardelijke waarheid is niet voor verandering, welke dan ook, vatbaar; de kleinste steen, die aan het gebouw ontnomen wordt, is nooit iets anders dan een oorzaak tot ineenstorting … dat is toch duidelijk, niet waar? De oude huizen, waarin men, onder voorwendsel ze te willen herstellen, de spade zet, zijn niet te redden. Men vergroot er de scheuren slechts door. Als [94]het waar was, dat Rome in puin dreigt te vallen, dan hebben al die verbeteringen en reparaties geen ander resultaat dan dat zij de onvermijdelijke catastrophe verhaasten. En in plaats van een grootschen, verheven dood zou het een jammerlijke doodsstrijd worden, het einde van een lafaard, die zich verweert en om genade smeekt … Ik wacht af. Ik voor mij ben overtuigd, dat het schandelijke leugens zijn, dat het Katholicisme nooit krachtiger geweest is, dat het zijn eeuwigheid put uit de eenige bron des levens. Maar op den avond, dat de hemel instort, zou ik hier staan te midden van deze oude, afbrokkelende muren, onder deze oude plafonds, waarvan de balken door de wormen weggevreten worden, en fier overeind staande zou ik onder de puinhoopen sterven, mijn Credo voor een laatste maal uitsprekend.”

Hij was steeds langzamer gaan spreken, in zijn stem klonk een hoogmoedige droefheid, terwijl hij met een breed gebaar naar het oude, verlaten, zwijgende paleis wees, waaruit het leven zich iederen dag iets meer terugtrok. Was het een onwillekeurig voorgevoel, streek de zachte, koude ademtocht, die van de puinhoopen kwam, ook langs hem heen? Dat zou verklaren, waarom de groote zalen zoo verwaarloosd waren, het zijden behang in flarden hing, de wapenschilden door stof verbleekt, de roode hoed door maden weggevreten werd. En deze prins en kardinaal, deze intransigente Katholiek, die zich zoo in de toenemende duisternis van het verleden terugtrok en met een dapper soldatenhart de onvermijdelijke instorting der oude wereld trotseerde, stond te midden van dit alles als iets wanhopig-grootsch en verhevens.

Ontroerd wilde Pierre afscheid nemen, toen een kleine deur in het behang openging. Boccanera maakte een ongeduldig gebaar.

“Wat is er nu weer? Kan men mij dan geen oogenblik met rust laten?”

Maar abbé Paparelli, de dikke, stille sleepdrager, kwam toch binnen, zonder zich een oogenblik op te winden. Hij ging naar den kardinaal toe en fluisterde hem iets in het oor.

“Welke pastoor?… O, ja, Santobono, de pastoor van Frascati. Ik weet het … Zeg, dat ik hem nu niet ontvangen kan.”

Weer begon Paparelli met zijn zacht stemmetje te fluisteren. Toch kon Pierre enkele woorden hooren: een dringende zaak, de pastoor moest weer vertrekken, hij had maar één [95]woord te zeggen. En zonder de toestemming van den kardinaal af te wachten, bracht hij den bezoeker, een protégé van hem, dien hij achter de kleine deur gelaten had, binnen. Dan verdween hij zelf met de kalmte van een ondergeschikte, die, ondanks zijn nederige positie, zijn groote macht kent.

Pierre, die geheel vergeten werd, zag een reusachtig langen priester binnenkomen, grof gebouwd, een echten boerenzoon, die nog steeds in nauwe aanraking met de aarde was. Hij had groote voeten, vingers vol knobbels, een verweerd gezicht met litteekens, dat door donkere, zeer heldere oogen verlevendigd werd. Voor zijn vijf-en-veertig jaar zag hij er nog krachtig uit en geleek met zijn slecht verzorgden baard en zijn mantel, die te wijd om zijn zware, vooruitspringende beenderen hing, eenigszins op een vermomden bandiet. Maar zijn gelaatsuitdrukking was trotsch gebleven, zonder iets gemeens. Hij had een klein mandje bij zich, dat zorgvuldig met vijgeblaadjes toegedekt was.

Onmiddellijk knielde Santobono neer en kuste den ring, doch met een snel gebaar, als was het een eenvoudige, gewone beleefdheid. Dan zeide hij met de eerbiedige familiariteit van het mindere volk tegenover de grooten:

“Ik smeek Uwe eerwaardige Eminentie om vergiffenis, dat ik zoo indringerig ben. Er wachten nog vele anderen, en ik zou niet ontvangen zijn, indien mijn oude vriend Paparelli niet op het denkbeeld gekomen was mij door deze deur te laten gaan … Ik heb Uwe Eminentie een grooten dienst te vragen, een zoo grooten dienst … Maar voor alles veroorlove Uwe Eminentie mij, U een klein geschenk aan te bieden.”

Boccanera luisterde ernstig naar hem. In vroegere tijden, toen hij den zomer ging doorbrengen in de villa, die de familie te Frascati bezat, had hij hem goed gekend. Die villa was een in de zestiende eeuw gerestaureerd huis met een prachtig park, waarvan het beroemde terras uitzag op de uitgestrekte en als een zee zoo kale Campagna romana. Thans was de villa verkocht en in de wijngaarden, die bij de boedelscheiding aan Benedetta ten deel gevallen waren, was graaf Prada, vóór den eisch tot echtscheiding, begonnen een geheele nieuwe wijk van kleine lusthuizen te bouwen. Vroeger had de kardinaal het niet beneden zijn waardigheid geacht op zijn wandelingen een oogenblik te gaan uitrusten bij Santobono, die, buiten de stad in een oude aan Santa Maria dei Campi gewijde kapel dienst deed. De priester bewoonde een naast die kapel staand, half vervallen huisje, [96]waarvan een door muren omgeven tuin de grootste aantrekkelijkheid vormde. Dien tuin onderhield hij zelf met den hartstocht van een echten boer.

“Ik zou graag willen, dat Uwe Eminentie, zooals andere jaren, mijn vijgen proefde,” ging hij voort, terwijl hij het mandje op tafel zette. “Het zijn de eerste vijgen van het seizoen, die ik vanochtend voor Uwe Eminentie geplukt heb. Eminentie at ze zoo graag, toen het Eminentie nog behaagde ze van den boom te komen eten. Eminentie was dan wel zoo goed mij te zeggen, dat geen vijgeboom in de wereld zulke vijgen droeg!”

De kardinaal kon een glimlach niet onderdrukken. Hij was dol op vijgen, en het was waar: de vijgeboom van Santobono was in het geheele land beroemd.

“Dank je zeer, mijn waarde pastoor; je herinnert je mijn kleine gebreken nog goed … En wat kan ik voor je doen?”

Hij was onmiddellijk weer ernstig geworden, want tusschen hem en den pastoor bestonden oude meeningsverschillen, die hem hinderden. Santobono, die uit Nemi, een zeer woeste streek, en uit een heftige familie, waarvan de oudste zoon door een messteek gedood was, afkomstig was, had zijn vurig-patriottische denkbeelden nooit onder stoelen of banken gestoken. Men vertelde, dat het heel weinig gescheeld had, of hij had zich bij de troepen van Garibaldi aangesloten; en op den dag, dat de Italianen Rome binnentrokken, had men hem moeten beletten de vlag der Italiaansche eenheid op zijn dak te planten. Zijn hartstochtelijke droom was, Rome als meesteres der wereld te zien, wanneer paus en koning, na zich verzoend te hebben, gemeenschappelijk zouden optreden. De kardinaal hield hem voor een gevaarlijken revolutionnair, een afvallig priester, die het Katholicisme in gevaar bracht.

“O, wat Uwe Eminentie voor mij doen kan? Wat Uwe Eminentie voor mij doen kan, als het haar behaagt,” herhaalde Santobono op vurigen toon, terwijl hij zijn grove, knokkelige handen vouwde.

Doch dan zich bedenkend:

“Heeft Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti niet met een enkel woord met Uwe eerwaardige Eminentie over mijn zaak gesproken?”

“Neen, de kardinaal heeft mij alleen gezegd, dat ge me iets te vragen hadt.”

Boccanera wachtte met een strenge gelaatsuitdrukking. [97]Hij wist heel goed, dat de priester een protégé van Sanguinetti geworden was, sedert deze, als bisschop van Frascati, daar jaarlijks eenige weken ging doorbrengen. Iedere kardinaal, die het pausschap ambieert, heeft een aantal van die vrienden achter zich, die de geheele eerzucht van hun leven op zijn mogelijke verkiezing stellen: wanneer hij eens paus is, wanneer zij hem helpen het te worden, is de kans groot, dat zij in de groote pauselijke huishouding opgenomen worden. Het gerucht ging, dat Sanguinetti Santobono reeds uit een zeer moeilijk geval gered had. Hij had een kind, dat fruit wilde stelen, juist op het oogenblik, dat het over zijn muur klom, gesnapt, en het zoo’n geduchte afstraffing toegediend, dat het aan de gevolgen gestorven was. Maar tot eer van den priester moet gezegd worden, dat zijn fanatieke toewijding aan den kardinaal voornamelijk het gevolg was van de hoop, dat hij de verwachte paus zijn zou, de paus, die voorbestemd was om van Italië de eerste natie te maken.

“Nu, dan zal ik mijn ongeluk vertellen … Uwe Eminentie kent mijn broer Agostino, die twee jaar tuinman bij u in de villa geweest is. Het is een heele fatsoenlijke, zachte jongen, op wien nooit iemand iets te zeggen gehad heeft … Nu is hem—niemand kan zich verklaren hoe—een vreeselijk ongeluk overkomen; hij heeft in Genzano op een avond, dat hij op straat aan het wandelen was, een man met een messteek gedood. Ik vind het iets verschrikkelijks en ik zou graag twee vingers van mijn hand geven, om hem uit de gevangenis te houden. En nu had ik gedacht, dat Uwe Eminentie niet weigeren zou mij een getuigschrift te geven, waarin staat, dat Agostino bij Uwe Eminentie in dienst geweest is, en dat Uwe Eminentie altijd zeer tevreden over hem geweest is.”

“Ik ben heelemaal niet tevreden over Agostino geweest,” protesteerde de kardinaal. “Hij had een krankzinnig-heftige en opvliegende natuur, en juist omdat hij altijd met de andere bedienden overhoop lag, heb ik hem weg moeten sturen.”

“O, wat doet Uwe Eminentie mij een verdriet met dat te zeggen. Het is dus waar, dat het karakter van mijn armen kleinen Agostino bedorven is! Maar de zaak is toch wel te schikken, niet waar? Uwe Eminentie kan mij daarom toch wel een getuigschrift geven—in andere woorden vervat. Een getuigschrift van Uwe Eminentie zou voor de rechtbank zoo’n goeden indruk maken.” [98]

“Dat begrijp ik heel goed,” antwoordde de kardinaal. “Maar ik geef geen getuigschrift.”

“Wat? Uwe eerwaarde Eminentie weigert?”

“Absoluut … Ik weet, dat gij een priester zijt, op wiens moraliteit niets te zeggen valt, dat gij uw heilig ambt met ijver vervult, dat gij een zeer aanbevelenswaardig iemand zijn zoudt zonder uw politieke denkbeelden. Doch uw broederliefde brengt u op een dwaalspoor, ik kan niet liegen, om u ter wille te zijn.”

Santobono keek hem verbaasd aan, begreep niet, dat een prins, een almachtig kardinaal, zich met zulke onbeteekenende gewetensbezwaren ophield, wanneer het om een messteek ging, de meest gewone en ieder oogenblik voorkomende zaak in de nog woeste streken der Romeinsche Kasteelen.

“Liegen, liegen,” prevelde hij; “wanneer je alleen het goede, dat iemand heeft, zegt, is toch geen liegen! En Agostino heeft toch wel wat goeds. In een getuigschrift hangt alles af van de zinnen, waarin het gekleed is.”

Hij had het zich nu eenmaal in het hoofd gezet en hij kon niet begrijpen, dat iemand weigeren kon den rechter door een handige voorstelling van de zaken op een dwaalspoor te brengen. Toen hij eindelijk inzag, dat hij niets krijgen zou, maakte hij een wanhopig gebaar; zijn vaal gelaat kreeg een uitdrukking van heftigen wrok, terwijl zijn donkere oogen vlamden van ingehouden toorn.

“Goed, goed! Iedereen ziet de waarheid op zijn manier. Ik zal het aan Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti gaan vertellen. En ik smeek Uwe eerwaarde Eminentie mij niet kwalijk te nemen, dat ik haar voor niets gestoord heb … Misschien zijn de vijgen nog niet heelemaal rijp, maar ik zal de vrijheid nemen tegen het eind van het seizoen, wanneer zij heelemaal goed en zoet zijn, nog een mandje te brengen … Duizendmaal dank en duizendmaal heil en zegen aan Uwe eerwaarde Eminentie.”

Achteruit loopend ging hij weg met buigingen, die zijn knokige gestalte in tweeën vouwden. Pierre, die met groote belangstelling het tooneel gevolgd had, vond in hem de belichaming van de lagere geestelijkheid van Rome en omgeving, waarover men hem voor zijn reis zoo dikwijls gesproken had. Dat was niet de scagnozzo, de arme, hongerige priester, die ten gevolge van de een of andere minder mooie geschiedenis uit de provincie komt en zoekend naar zijn dagelijksch brood door Rome zwerft. Deze soort vormt een [99]schaar van bedelaars in soutane, die in de kruimels der Kerk hun geluk zoeken, elkaar gulzig de missen bestrijden en met het mindere volk in de meest beruchte kroegen zitten. Ook was het niet de priester uit de ver afgelegen provincies, die, volmaakt onwetend en kras bijgeloovig, boer met de boeren was, die door zijn biechtkinderen als huns gelijke behandeld werd, welke in hun groote vroomheid hem nooit verwisselden met God en neerknielden voor den heilige van hun parochie, maar niet voor den man, die van hem leefde. In Frascati kreeg de pastoor van een kleine kerk negenhonderd francs en had geen andere uitgaven dan voor vleesch en brood, wanneer hij den wijn, de vruchten en de groenten uit zijn eigen tuin haalde. Deze priester was niet onontwikkeld, wist iets van theologie, van geschiedenis, vooral de geschiedenis van Rome’s vroegere grootheid, die zijn patriotisme ontvlamd had, zoodat hij steeds weer van de nabije wereldheerschappij droomde, die voor het wedergeboren Rome, de hoofdstad van Italië, weggelegd was. Maar welk een onafzienbare afstand nog tusschen deze dikwijls zeer waardige en intelligente lagere geestelijkheid en den hoogeren clerus, de hoogwaardigheidbekleeders van het Vaticaan! Alles wat niet minstens prelaat was, bestond niet.

“Duizendmaal dank en moge alles naar wensch van Uwe eerwaarde Eminentie gaan.”

Toen Santobono eindelijk weg was, wendde de kardinaal zich weer tot Pierre, die eveneens boog, om afscheid te nemen.

“In één woord, mijnheer de abbé, het komt mij voor, dat de zaak van uw boek slecht staat. Ik zeg u nog eens, dat ik niets precies weet, dat ik het dossier niet gezien heb. Maar daar het mij bekend was, dat mijn nicht Benedetta zich voor u interesseert, heb ik er met kardinaal Sanguinetti, die daareven hier was, over gesproken. Maar hij zelf weet er niet meer van dan ik, want het dossier bevindt zich nog in handen van den secretaris. Het eenige, dat hij mij mededeelen kon, was, dat de aanklacht van aanzienlijke, zeer invloedrijke personen uitging, en dat zij liep over talrijke bladzijden, waarin men de aanstoot gevende passages zoowel wat betreft de kerkelijke tucht als het dogma naar voren gebracht heeft.”

Zeer ontroerd door de gedachte, dat verborgen vijanden hem in het donker vervolgden, riep hij uit:

“O, aangeklaagd, aangeklaagd! Als Uwe Eminentie eens [100]wist, hoe dat woord mij pijn doet. En aangeklaagd voor beslist onwillekeurige misdaden, omdat ik enkel en alleen vurig den triomf der Kerk gewild heb … Ik zal mij voor de voeten van den Heiligen Vader werpen en mij verdedigen.”

Boccanera richtte zich plotseling in zijn volle lengte op. Een diepe plooi groefde zich in zijn voorhoofd.

“Zijne Heiligheid kan, wanneer het Haar goeddunkt, alles, zelfs u ontvangen en u absolutie geven … Maar luister naar mij, ik raad u nogmaals aan uit eigen beweging uw boek terug te nemen, het eenvoudig en dapper te vernietigen, voor u te storten in een strijd, die u slechts de schande brengen zal verpletterd te worden … Denk er over na!”

Onmiddellijk had Pierre berouw gehad, dat hij van een bezoek aan den Paus gesproken had, want hij voelde, dat dit beroep op het hoogste gezag den kardinaal moest kwetsen. Twijfel was echter niet meer mogelijk: de kardinaal zou tegen zijn werk zijn. Hij had geen andere hoop meer dan door zijn omgeving druk op hem uit te oefenen, door hem te smeeken neutraal te blijven. Hij had hem openhartig, vrijmoedig gevonden, ver verheven boven de heimelijke intriges, die, zooals hij hoe langer hoe meer begon te begrijpen, om zijn boek gespannen werden. Hij nam dan ook met grooten eerbied voor den persoon van den kardinaal afscheid.

“Ik dank Uwe Eminentie uit den grond van mijn hart en beloof alles, wat Uwe Eminentie zoo goed is geweest tegen mij te zeggen, ernstig te zullen overwegen.”

In de antichambre zag Pierre vijf of zes personen, die gedurende zijn audiëntie gekomen waren en nu wachtten. Er waren een bisschop, een prelaat en twee oude dames; en toen hij, alvorens weg te gaan, don Vigilio wilde begroeten, zag hij dien tot zijn groote verbazing in gesprek met een langen, blonden jongen man, een Franschman, die even verbaasd uitriep:

“Wat, u hier, mijnheer de abbé? U hier in Rome?”

De priester aarzelde een oogenblik.

“O, mijnheer Narcisse Habert, neem me niet kwalijk, dat ik u niet dadelijk herkende. Het is werkelijk onvergeeflijk van mij, want ik wist, dat u sinds een jaar aan het gezantschap geattacheerd bent.”

Slank, flink gebouwd, zeer elegant had Narcisse een mooien tint, lichtblauwe, bijna malvekleurige oogen, een blonden, kroezenden baard en droeg zijn blonde lokken op [101]Florentijnsche wijze over het voorhoofd weggeknipt. Hij stamde uit een zeer rijke, militant-Katholieke rechtersfamilie en had een oom, die tot de diplomatie behoorde, wat over zijn carrière beslist had. Zijn plaats te Rome was als het ware aangewezen, waar hij over invloedrijke bloedverwanten beschikken kon: hij was de aangetrouwde neef van kardinaal Sarno, wiens zuster te Parijs getrouwd was met zijn oom, een notaris; germain neef van den geheimen kamerheer, monseigneur Gamba del Zoppo, een zoon van een zijner tantes, die in Italië met een kolonel getrouwd was. Om die redenen had men hem geattacheerd aan het gezantschap bij den Heiligen Stoel, waar men zijn eenigszins fantastische allures, zijn vurigen hartstocht voor de kunst, die hem steeds weer tot zwerftochten door Rome aanspoorde, duldde. Verder was hij een zeer beminlijk man en zeer gedistingeerd, bovendien in den grond der zaak zeer practisch en buitengewoon ervaren in financieele quaesties. Soms gebeurde het, zooals dien ochtend, dat hij met zijn moede, eenigszins geheimzinnige manier van doen in opdracht van den gezant bij een kardinaal over een ernstige zaak kwam spreken.

Onmiddellijk nam hij Pierre mede in een der groote vensternissen, om op zijn gemak met hem te kunnen praten.

“Mijn waarde abbé, wat ben ik blij u te zien! Herinnert u zich onze prettige gesprekken nog uit den tijd, dat we elkaar bij kardinaal Bergerot ontmoetten? Ik heb u nog schilderijen aangewezen voor uw boek, miniaturen uit de veertiende en vijftiende eeuw. Voor vandaag leg ik beslag op u; ik zal u Rome laten zien, zooals niemand anders dat kan. Ik heb alles gezien, alles doorsnuffeld. Schatten zijn hier, schatten! Doch feitelijk is er maar één ding hier, daar ga je altijd weer naar terug: de Botticelli in de Sixtijnsche kapel!”

Zijn stem stierf als het ware uit; hij maakte een uitgeput gebaar van bewondering. En Pierre moest beloven zich aan hem toe te vertrouwen, met hem naar de Sixtijnsche kapel te gaan.

“U weet toch zeker wel, waarom ik hier ben?” zeide deze eindelijk. “Men vervolgt mijn boek, men heeft het bij de Indexcongregatie aangegeven.”

“Uw boek? Dat is niet mogelijk!” riep Narcisse uit. “Een boek, waarvan sommige bladzijden aan den verrukkelijken Franciscus van Assisi herinneren.” [102]

Hij stelde zich welwillend ter beschikking van den priester.

“Maar onze gezant zal u van groot nut kunnen zijn. Er bestaat geen beter mensch op de wereld; hij is zeer vriendelijk en welwillend, vol oude Fransche bravoure. Vanmiddag of op zijn allerlaatst morgenochtend zal ik u aan hem voorstellen, en daar u zoo spoedig mogelijk een audiëntie bij den paus verlangt, zal hij probeeren die voor u te verkrijgen … Maar ik moet eraan toevoegen, dat het niet altijd even makkelijk is. De Heilige Vader doet hem gaarne een genoegen, maar toch lukt het hem niet altijd, zoo moeilijk is het dikwijls hem te naderen.”

In werkelijkheid had Pierre er nog niet aan gedacht gebruik te maken van de hulp van den ambassadeur; in zijn onnoozelheid had hij gemeend, dat een aangeklaagde priester, die zich kwam verdedigen, van zelf alle deuren voor zich zou zien open gaan. Hij was verrukt over het aanbod van Narcisse en dankte hem zoo hartelijk alsof de audiëntie reeds verkregen was.

“En mochten er zich onverhoopt moeilijkheden voordoen,” ging de jonge man voort, “dan heb ik nog altijd bloedverwanten op het Vaticaan. Ik bedoel niet mijn oom den kardinaal, die ons toch niet zou kunnen helpen, want hij komt nooit uit zijn bureau van de Propaganda en wil nooit een gunst vragen. Maar mijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, die tot de vertrouwde omgeving van den paus behoort en door zijn dienst ieder oogenblik met hem in aanraking komt, is een zeer welwillend man; als het noodig is, gaan we naar hem toe, en hij zal ongetwijfeld wel een middel weten, om een audiëntie voor u te verkrijgen, hoewel zijn groote voorzichtigheid hem een enkele maal bang doet zijn, dat hij zich zal compromitteeren … Dus, dat is afgesproken, vertrouw in alle dingen maar op mij.”

“Niets liever dan dat, waarde heer,” riep Pierre verlicht en gelukkig uit; “u weet niet welk een balsem u mij geeft, want sedert ik hier ben, tracht iedereen mij te ontmoedigen; u bent de eerste, die mij weer wat kracht geeft door de zaken op zijn Fransch te behandelen.”

Fluisterend vertelde hij hem zijn onderhoud met kardinaal Boccanera, van wien hij niet de minste hulp te verwachten had, de slechte tijdingen, die kardinaal Sanguinetti gebracht had, en ten slotte den wedijver, die, zooals hij voelde, tusschen de beide kardinalen bestond. Narcisse luisterde glimlachend naar hem en liet zich ook tot vertrouwlijke mededeelingen [103]bewegen. Die wedijver, die voorbarige twist om de tiara, waarnaar beiden hartstochtelijk streefden, bracht reeds lang de zwarte kringen in opwinding. Het waren allerlei gecompliceerde dessous, niemand zou met zekerheid kunnen zeggen wie de uitgebreide intriges leidde. In het algemeen wist men, dat Boccanera het intransigente Katholicisme vertegenwoordigde, dat van geen compromis met de moderne maatschappij weten wilde, rustig afwachtte, dat God over Satan regeeren, het koninkrijk Rome aan den Heiligen Vader teruggegeven worden, Italië berouwvol voor zijn heiligschennis boete doen zou; Sanguinetti daarentegen, een zeer soepel en politiek man, zou voorstander zijn van even nieuwe als vermetele combinaties, een soort republikeinsche federatie van alle oude kleine Italiaansche staten onder protectoraat van den paus. In één woord het was de strijd tusschen twee tegengestelde richtingen: de eene wilde de Kerk redden door een volmaakten eerbied voor de oude traditie; de andere kondigt haar onvermijdelijken ondergang aan, indien zij weigert de evolutie der komende eeuw mede te maken. Maar dit alles was zoo vaag, zoo onbestemd, dat ten slotte de meening post vatte, dat, wanneer de tegenwoordige paus nog eenige jaren leefde, noch Boccanera, noch Sanguinetti hem zouden opvolgen.

Plotseling viel Pierre Narcisse in de rede.

“En monsignor Nani, kent u dien? Gisterenavond heb ik met hem gesproken … Kijk, daar komt hij juist binnen!”

Inderdaad kwam Nani met zijn eeuwigen glimlach en zijn blozend, vriendelijk prelatengezicht binnen. Zijn fijne soutane en zijn gordel van violette zijde schitterden in een voornaam-luxueusen en zachten glans. Hij was zeer hoffelijk tegenover abbé Paparelli, die hem eerbiedig te gemoet ging en hem vroeg wel te willen wachten tot Zijne Eminentie hem ontvangen kon.

“O,” fluisterde Narcisse, die ernstig geworden was; “monsignor Nani is iemand, dien men te vriend moet houden.”

Hij kende zijn geschiedenis en vertelde die Pierre half fluisterend. Te Venetië uit een adellijk, maar geruïneerd geslacht, dat verscheidene helden onder zijn leden geteld had, geboren, was hij, na zijn eerste onderricht bij de Jezuïeten ontvangen te hebben, naar Rome gekomen, om aan het Romeinsch College, dat onder leiding der Jezuïeten stond, in de theologie en wijsbegeerte te studeeren. Op zijn drie-en-twintigste jaar tot priester gewijd, was hij dadelijk als particulier [104]secretaris met een nuntius naar Beieren gegaan en vandaar als auditor naar Brussel en Parijs, in welke laatste stad hij vijf jaar had gewoond. Alles, zijn schitterend debuut, zijn vlug begrip—hij was een der veelzijdigste en meest ontwikkelde geesten, die men zich denken kan—scheen hem voor de diplomatie te bestemmen, toen hij plotseling naar Rome teruggeroepen werd, waar men hem bijna onmiddellijk na zijn aankomst tot assessor bij het Heilig College benoemde. Toenmaals ging het gerucht, dat dit op uitdrukkelijk verlangen van den paus geschied was, die, daar hij zijn capaciteiten kende en gaarne iemand bij het Heilig College had, op wien hij kon vertrouwen, hem teruggeroepen had onder voorwendsel, dat hij te Rome veel meer diensten bewijzen kon dan bij een nuntiatuur. Nani, reeds sedert langen tijd huisprelaat, was sedert korten tijd kanunnik van de St. Pieter en apostolisch protonotarius en had, wanneer op een dag de paus een assessor vinden kon, die nog meer in zijn smaak viel, groote kans kardinaal te worden.

“O,” ging Narcisse voort, “monsignor Nani! Een superieur man, die het moderne Europa buitengewoon goed kent, en daarenboven een heilig priester, een oprecht geloovige, volkomen toegewijd aan de Kerk, maar van een geloof, dat geheel verschillend is van het bekrompen en vage theologische geloof, zooals wij dat in Frankrijk kennen! Daarom zal het u moeilijk vallen de menschen en dingen hier te begrijpen. Zij laten God in Zijn heiligdom, zij regeeren in Zijn naam, ten volle overtuigd, dat het Katholicisme de menschelijke organisatie van het Godsbestuur, de eenige, eeuwige en volmaakte is, buiten welke er slechts leugen en sociaal gevaar bestaat. Terwijl wij in onze godsdienstige twistgesprekken nog steeds hartstochtelijk over het bestaan van God discussieeren, geven zij niet eens toe, dat aan dat bestaan getwijfeld worden kan, omdat zij de door God gezonden ministers zijn; zij gaan geheel in hun rol van onafzetbare ministers op, oefenen hun macht uit tot het grootst mogelijke welzijn der menschheid, gebruiken al hun intelligentie, al hun energie om de door de volken aanvaarde meesters te blijven. Bedenk eens, een man als monsignor Nani is, na met de politiek der geheele wereld te doen gehad te hebben, sedert tien jaar te Rome met de meest kiesche en moeilijke opdrachten belast en daardoor met de meest verschillende en belangrijke zaken vertrouwd. Hij blijft heel Europa, dat in Rome komt, zien, weet alles, heeft in alles de hand. Daarenboven [105]is hij buitengewoon bescheiden en welwillend, zóó volmaakt bescheiden schijnbaar, dat men zich onwillekeurig afvraagt, of hij met zijn zachten stap niet naar het hoogste doel van ’s menschen eerzucht, naar de tiara, schrijdt.”

“Nog een candidaat voor den Heiligen Stoel!” dacht Pierre, die zeer aandachtig geluisterd had, want deze Nani interesseerde hem, gaf hem een soort instinctieve onrust, alsof hij achter het blozende en glimlachende gezicht iets beangstigend oneindigs voelde. Bovendien begreep hij de verklaringen van zijn vriend maar half; de angst, die hem bij zijn aankomst in deze nieuwe wereld, een wereld, wier onverwachte aanblik al zijn verwachtingen den bodem insloeg, aangegrepen had, maakte zich ook nu weer van hem meester.

Maar monsignor Nani had de twee jonge mannen gezien en kwam hartelijk en met uitgestoken hand naar hen toe.

“Zoo, mijnheer de abbé Froment! Het is mij aangenaam u weer te zien. Ik behoef u niet te vragen, of u goed geslapen hebt, want men slaapt te Rome altijd goed … Dag, mijnheer Habert, nog altijd even gezond als toen ik u vol bewondering aantrof voor de Heilige Theresia van Bernini?… En ik zie, dat u elkaar kent. Prachtig! Mijnheer de abbé, ik mag u zeker wel verraden, dat mijnheer Habert een van de vurigste bewonderaars onzer stad is, die u de mooiste plekjes zal kunnen laten zien.”

Dan wilde hij dadelijk weer hooren over het onderhoud tusschen Pierre en den kardinaal. Hij luisterde zeer aandachtig naar het verhaal, terwijl hij bij sommige bijzonderheden zijn hoofd schudde en dikwijls zijn fijn glimlachje onderdrukken moest. De strenge ontvangst van den kardinaal en de overtuiging van den priester, dat hij van dezen geen hulp behoefde te verwachten, verwonderden hem in het minst niet, als had hij geen ander resultaat verwacht. Maar bij den naam van kardinaal Sanguinetti en toen hij hoorde, dat deze aan kardinaal Boccanera gezegd had, dat die quaestie van het boek zeer ernstig was, scheen hij zich een oogenblik te vergeten en sprak met plotselinge heftigheid:

“Dan ben ik te laat gekomen, mijn waarde zoon! Zoodra ik van die vervolging hoorde, ben ik dadelijk naar Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti gegaan, om hem te zeggen, dat men voor uw werk een groote reclame zou maken. Is dat verstandig? Waar is dat goed voor? Wij weten, dat u wat geëxalteerd, geestdriftig en strijdlustig is. Wat zouden wij erbij winnen, indien wij een jongen priester, die met een [106]boek, waarvan reeds duizenden exemplaren verkocht zijn, tegen ons in het krijt zou kunnen treden, tegen ons in het harnas joegen? Van den beginne af aan heb ik gewild, dat men het boek met rust liet, en ik moet eerlijk zeggen, dat de kardinaal, die een verstandig man is, dezelfde meening toegedaan is. Hij hief zijn armen ten hemel en riep opgewonden uit, dat men hem nooit raadpleegde, dat de dwaasheid nu begaan was en dat het onmogelijk was het proces tegen te houden, nu het eenmaal ten gevolge van beschuldigingen, die van de meest bevoegde zijden en om de ernstigste motieven ingebracht waren, aanhangig gemaakt was. … Enfin, zooals hij zeide, de domheid was begaan, en ik moest iets anders bedenken.”

Maar hij hield op; hij zag, dat de vurige oogen van Pierre op de zijne gericht waren en trachtten te begrijpen. Een bijna onmerkbare blos kleurde zijn gezicht, terwijl hij, zonder het onaangename gevoel, dat hij te veel gezegd had, te laten blijken, zeer onbevangen voortging:

“Ja, ik wilde u met mijn zwakken invloed helpen, om u de onaangenaamheden, waarin deze geschiedenis u ongetwijfeld brengen zal, te besparen.”

In Pierre steeg bij het heimelijke besef, dat men misschien met hem speelde, een verzet op. Waarom zou hij zijn geloof, dat zoo rein, zoo geheel onbaatzuchtig, zóó brandend van Christelijke naastenliefde was, niet bekennen?

“Nooit,” zeide hij, “nooit zal ik uit eigen beweging mijn boek terugnemen of vernietigen, zooals men mij aanraadt. Het zou een lafheid en een leugen zijn, want ik heb nergens berouw over, loochen niets. Waar ik geloof, dat mijn werk eenige waarheid brengt, daar kan ik het niet vernietigen, zonder een misdaad te begaan tegenover mezelf en de anderen … Nooit, verstaat u, nooit!”

Er volgde een stilte. En bijna onmiddellijk ging hij voort:

“Aan de voeten van den Heiligen Vader zal ik hetzelfde zeggen. Hij zal mij begrijpen, hij zal het met mij eens zijn!”

Nani glimlachte niet meer. Zijn gelaat was thans onbeweeglijk en als gesloten. Hij scheen de plotselinge heftigheid van den priester, dien hij dan door zijn rustige welwillendheid trachtte te kalmeeren, aandachtig te bestudeeren.

“Zeker, zeker … Gehoorzaamheid en ootmoed hebben hun groote bekoring. Maar ik begrijp heel goed, dat u vóór alles met Zijne Heiligheid zoudt willen spreken. En dan kunt u verder zien, niet waar, dan kunt u verder zien?” [107]

En hij interesseerde zich opnieuw voor de audiëntie. Hij betreurde het zeer, dat Pierre de aanvrage niet van uit Parijs gedaan had, vóór hij naar Rome kwam; dat zou de zekerste manier geweest zijn, om die toegestaan te krijgen. Men hield in het Vaticaan niet van lawaai, en wanneer het bericht van de aankomst van den jongen priester zich verspreidde, en er over de motieven, die hem hier brachten, gesproken werd, zou alles verloren zijn.

Maar toen Nani hoorde, dat Narcisse aangeboden had Pierre voor te stellen aan den Franschen gezant bij den Heiligen Stoel, scheen hij weer ongerust te worden en protesteerde daar krachtig tegen.

“Neen, neen, doe dat niet! dat zou uiterst onverstandig en onvoorzichtig zijn!… In de eerste plaats loopt u gevaar den gezant, wiens positie in die soort van zaken steeds zeer delicaat is, in ongelegenheid te brengen. En als het hem mislukt, zou het uit zijn, zoudt ge niet de minste kans hebben de gevraagde audiëntie door bemiddeling van anderen te verkrijgen, want men zou de eigenliefde van den gezant niet willen kwetsen door aan een ander wel toe te staan wat men hem weigert.”

Angstig keek Pierre Narcisse aan, die weifelend en aarzelend zijn hoofd schudde.

“Inderdaad,” begon Narcisse eindelijk, “hebben we onlangs voor een hoogen Franschen politicus een audiëntie gevraagd, die geweigerd is. Dat heeft een zeer onaangenamen indruk op ons gemaakt … Monseigneur heeft gelijk. Wij moeten den gezant in reserve houden en hem slechts gebruiken, wanneer alle andere middelen uitgeput zijn.”

En toen hij de teleurstelling van Pierre zag, ging hij met zijn gewone welwillendheid voort:

“Ons eerste bezoek zal dus aan mijn neef op het Vaticaan zijn.”

Verbaasd keek Nani den jongen man opnieuw aan.

“Op het Vaticaan? Hebt u daar een neef?”

“Ja zeker, monsignor Gamba del Zoppo.”

“Gamba!… Gamba!… Ja, ja, neem me niet kwalijk, nu herinner ik het me … Wilt u probeeren door Gamba toegang te krijgen bij den paus? Het is ongetwijfeld een idee … We zullen zien … we zullen zien …”

Verscheidene malen herhaalde hij den zin om zich tijd te geven het denkbeeld bij zichzelf te overwegen. Monsignor Gamba del Zoppo was een braaf man, speelde in het geheel [108]geen rol; in het Vaticaan was het reeds een legende geworden, dat hij een nul was. Hij amuseerde met zijn praatjes den paus, dien hij op overdreven wijze vleide en die graag aan zijn arm in de tuinen wandelde. Op die wandelingen kreeg hij makkelijk allerlei kleine gunsten. Maar hij was buitengewoon bang, hij vreesde zoo zeer zijn invloed te compromitteeren, dat hij geen verzoek waagde, zonder lang en breed overwogen te hebben of er geen schade voor hem zelf uit kon voortvloeien.

“Het idee is niet kwaad,” verklaarde Nani eindelijk. “Gamba zal zeker een audiëntie voor u kunnen verkrijgen, als hij wil … Ik zal ook met hem gaan spreken en hem de zaak uitleggen …”

Ten slotte gaf hij nogmaals den raad uiterst voorzichtig te zijn. Hij waagde het zelfs te zeggen, dat men tegenover de omgeving van den paus niet wantrouwend genoeg kon zijn. Ach ja, Zijne Heiligheid was zoo goed, geloofde zoo blindelings in het goede, dat zij niet altijd haar vertrouwde gekozen had met die kritische zorgvuldigheid, welke daartoe eigenlijk noodig was. Nooit wist men tot wien men zich wendde noch in welke val men zijn voet zetten kon. Zelfs gaf hij te verstaan, dat men zich in geen geval direct tot Zijne Eminentie den Staatssecretaris wenden moest, omdat deze zelf niet vrij was en zich in het middelpunt bevond van een haard van intriges, die zijn beste bedoelingen verlamde. Terwijl hij langzaam en zalvend zoo sprak, rees het Vaticaan voor de beide anderen op als een land, dat door ijverzuchtige en verraderlijke draken bewaakt wordt, een land, waarin men geen drempel overschrijden, geen pas wagen, geen hand uitsteken kon, zonder zich van te voren vergewist te hebben, dat men er niet zijn geheele lichaam bij verliezen zou.

Meer en meer verkild en weer in onzekerheid terugvallend, bleef Pierre naar hem luisteren.

“Lieve God!” riep hij uit; “ik weet heusch niet meer wat ik doen moet … U beneemt mij allen moed, monseigneur!”

Nani vond zijn hartelijk glimlachje terug.

“Ik, mijn waarde zoon? Dat zou mij zeer spijten … Ik wil u slechts herhalen: wacht, denk na! En vooral geen overijling! Er is niets geen haast bij, dat bezweer ik u, want eerst gisteren is een deskundige benoemd, die rapport over uw boek moet uitbrengen. U hebt nog een heele maand voor u … Vermijd zooveel mogelijk alle gezelschappen, leef [109]zonder dat men van uw bestaan iets weet, bezoek Rome kalm en rustig, dat is de beste manier om uw zaak te bevorderen.”

En terwijl hij de hand van den priester in zijn beide aristocratische, volle en zachte handen nam:

“U begrijpt wel, dat ik mijn redenen heb, om zoo met u te spreken … Ik zou mezelf aangeboden hebben, het zou me een eer geweest zijn u regelrecht naar Zijne Heiligheid te brengen. Maar ik wil er mij op dit oogenblik nog niet in mengen, ik geloof, dat zulks op dit oogenblik nog niet goed zijn zou. Later, wanneer niemand geslaagd is, zal ik voor u een audiëntie weten te verkrijgen. Daar verbind ik me plechtig toe … Maar vermijd, wat ik u bidden mag, intusschen woorden als nieuwe godsdienst, die ongelukkigerwijze in uw boek voorkomen en die ik u gisterenavond nog heb hooren uitspreken. Er kan geen nieuwe godsdienst zijn, mijn waarde zoon, er is slechts één eeuwige godsdienst, waarbij geen compromis of vergelijk mogelijk is, de Katholieke, Apostolische, Roomsche godsdienst. Laat eveneens uw Parijsche vrienden waar zij zijn, en reken niet al te zeer op kardinaal Bergerot, wiens groote godsvrucht hier te Rome niet genoeg gewaardeerd wordt … Ik verzeker u, dat ik dat zeg als uw vriend.”

Toen hij echter zag, dat Pierre geheel overstuur en als gebroken was en niet meer wist van welken kant hij de zaak moest aanvatten, troostte hij hem opnieuw.

“Kom, kom, het zal wel gaan. Alles zal zich ten goede schikken tot heil van de Kerk en van u zelf. Maar nu moet ik u verlaten, ik zal Zijne Eminentie vandaag niet meer zien, want het is mij onmogelijk langer te wachten.”

Abbé Paparelli, dien Pierre loerend achter hen had zien rondsluipen, snelde toe en zeide tot monsignor Nani, dat er nog slechts twee personen voor hem waren. Maar de prelaat antwoordde zeer vriendelijk, dat hij terug zou komen: de zaak, waarover hij Zijne Eminentie spreken wilde, had volstrekt geen haast. En met een beleefden groet aan allen ging hij heen.

Bijna onmiddellijk daarna kwam de beurt aan Narcisse. Voor hij de troonzaal binnenging, drukte hij Pierre de hand en zeide nogmaals:

“Dus dat is afgesproken. Ik zal morgen met mijn neef op het Vaticaan gaan spreken; en zoodra ik een antwoord heb, zal ik het u doen weten. Tot ziens!” [110]

Het was over twaalven, er was niemand meer dan een der twee oude dames, die ingeslapen scheen te zijn. Aan zijn klein tafeltje schreef don Vigilio nog steeds met zijn krabbelschrift op de groote, geelachtige vellen. Slechts nu en dan keek hij van het papier op als om zich in zijn voortdurend wantrouwen te vergewissen, dat er geen gevaar voor hem was.

In de droefgeestige stilte, die weer neerviel, bleef Pierre nog een oogenblik onbeweeglijk in de groote vensternis staan. Hoe vol angst was zijn arme, gevoelige dwepersziel. Toen hij Parijs verliet, had hij alles zoo eenvoudig, zoo natuurlijk gevonden! Men beschuldigde hem onrechtvaardig: welnu, hij ging zich verdedigen, kwam aan, wierp zich voor de voeten van den paus, die welwillend naar hem luisterde. Was de paus niet de levende godsdienst, de geest, die begrijpt, de gerechtigheid, die de waarheid maakt! En was hij niet vóór alles de Vader, de afgezant van de eindelooze vergiffenis, van de goddelijke barmhartigheid, wiens armen geopend bleven voor alle kinderen der Kerk, zelfs de meest schuldigen? Moest hij zijn deur niet wijd open laten staan, opdat de nederigsten van zijn kinderen zouden kunnen binnentreden, om hem hun leed te klagen, hun schuld te bekennen, hun gedrag te verklaren, uit de bron der eeuwige goedheid te drinken? En op den eersten dag van zijn aankomst sloten zich alle deuren, viel hij in een vijandige wereld, bezaaid met valstrikken en versperd door afgronden. Allen riepen hem toe op zijn hoede te zijn, alsof hij de ernstigste gevaren liep, wanneer hij zich daarin waagde. De wensch den paus te spreken was een exorbitante aanmatiging, een zoo moeilijke zaak, dat zij de belangen, de hartstochten en de invloeden van het Vaticaan in beweging bracht. Het waren raadgevingen zonder eind, handigheden, die lang besproken werden, taktieken van generaals, die een leger ter overwinning leiden, onophoudelijk nieuw ontstaande verwikkelingen te midden van duizenden intriges, die men onder zich voelde voortwoekeren! Groote God, wat was dat alles heel anders dan de verwachte liefderijke ontvangst, dan het huis van den herder aan den weg, dat voor alle schapen, de gedweeë en de verdwaalde, openstaat!

Wat Pierre echter het meest bang maakte was, dat hij voelde, dat zich in de donkerte iets slechts bewoog. Kardinaal Bergerot verdacht, aangezien voor een revolutionnair, zoo compromitteerend, dat men hem aanried zijn naam niet meer te noemen! Hij zag weer den minachtend-spottenden [111]trek om den mond van kardinaal Boccanera, wanneer hij over zijn collega sprak. En monsignor Nani, die hem waarschuwde woorden als nieuwe godsdienst niet meer te gebruiken, alsof het voor allen niet duidelijk was, dat die woorden den terugkeer van het Katholicisme tot de oorspronkelijke reinheid van het Christendom beteekenden? Was dat dan een der misdaden, die bij de Indexcongregatie aangegeven waren? Hij begon langzamerhand te vermoeden, wie die aanklagers waren, en hij werd bang, want hij was zich thans bewust, dat een onderaardsche aanval, een krachtige poging gedaan werd om zijn werk neer te slaan en te vernietigen. Alles wat hem omgaf, scheen hem nu verdacht toe. Hij wilde zijn krachten verzamelen, om zich heen zien en die zwarte kringen in Rome, die hij nooit verwacht had daar te zullen aantreffen, bestudeeren. Maar in het verzet van zijn apostelgeloof zwoer hij zichzelf een plechtigen eed, dat hij, zooals hij reeds gezegd had, nooit zou wijken of toegeven, niets zou veranderen, geen bladzijde, geen regel van zijn boek, dat hij in het openbaar als het onwankelbare getuigenis van zijn geloof zou handhaven. Wanneer het moest, zou hij de Kerk verlaten, een afvallige worden, den nieuwen godsdienst blijven prediken, een nieuw boek schrijven—het ware Rome thans, zooals hij het nu vaag begon te zien.

Inmiddels was don Vigilio opgehouden met schrijven en keek Pierre met zulk een strakken blik aan, dat deze eindelijk uit beleefdheid naar hem toe ging, om afscheid te nemen. Ondanks zijn angst toegevend aan een drang om te spreken, fluisterde de secretaris:

“U begrijpt zeker wel, dat hij voor u alleen gekomen is, hij wilde alleen het resultaat van uw onderhoud met Zijne Eminentie weten.”

De naam van monsignor Nani behoefde niet uitgesproken te worden.

“Gelooft u dat werkelijk?”

“Daaraan valt niet te twijfelen … En indien u van mij een goeden raad wilt aannemen, doe dan onmiddellijk uit eigen beweging wat hij van u verlangt, want het is absoluut zeker, dat u het later toch doen zult.”

Dat maakte Pierre nog angstiger en wanhopiger. Met een uitdagend gebaar ging hij weg. Zij zouden wel merken, of hij gehoorzaamde. En de drie antichambres, die hij weer doorging, schenen nu nog donkerder, nog lediger, nog [112]doodscher. In de tweede groette abbé Paparelli hem met een kleine, zwijgende buiging; in de eerste scheen de ingedommelde knecht hem zelfs niet te zien. Onder den baldakijn weefde tusschen de kwasten van den grooten rooden hoed een spin zijn net. Zou het niet beter geweest zijn het houweel te zetten in dat geheele rottende, in puin vallende verleden, opdat de zon vrij binnen schijnen en aan den gereinigden bodem de vruchtbaarheid der jeugd teruggeven kon? [113]


1 Iemand, die zich borg stelt voor een leerling, een boek enz. 

[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK

Den middag van dienzelfden dag wilde Pierre, daar hij toch niets anders te doen had, onmiddellijk zijn zwerftochten door Rome beginnen met een bezoek, dat hem na aan het hart lag. Onmiddellijk na de verschijning van zijn boek had een brief, dien hij uit deze stad kreeg, hem diep ontroerd en geïnteresseerd—een brief van den ouden graaf Orlando Prada, den held der Italiaansche onafhankelijkheid en eenheid, die hem, zonder hem te kennen, onder den indruk van de eerste lezing spontaan geschreven had; en die vier bladzijden bevatten een vurig protest, een kreet van het in dezen grijsaard nog jeugdige patriottische geloof, hij beschuldigde hem in zijn werk Italië vergeten te hebben, eischte Rome, het nieuwe Rome voor het één geworden en eindelijk vrije Italië op. Daarop was een heele briefwisseling gevolgd, en de priester had, hoewel hij zijn ideaal van een nieuw Katholicisme, dat de wereld redden moest, niet opgaf, den man, die hem deze brieven schreef, waarin een zoo groote vaderlands- en vrijheidsliefde brandden, van verre leeren liefhebben. Hij had hem van zijn reis op de hoogte gebracht en beloofd hem een bezoek te zullen brengen. Maar nu was de gastvrijheid, die hij in het paleis Boccanera had aangenomen, daarvoor een sta-in-den-weg, want het scheen hem na de zoo hartelijke ontvangst door Benedetta moeilijk toe, den eersten dag reeds, zonder haar te waarschuwen, den vader van den man te gaan bezoeken, van wien zij gevlucht was en tegen wien zij een eisch tot echtscheiding had ingesteld; en dit te meer, omdat de oude Orlando bij zijn zoon woonde in het kleine paleis, dat deze in de Via Venti Settembre had laten bouwen.

Vóór alles wilde Pierre dus zijn bezwaren aan de contessina zelf mededeelen. Hij had trouwens van vicomte Philibert [114]de la Choue gehoord, dat zij voor den held een met bewondering vermengde dochterlijke liefde behouden had. En inderdaad, toen hij haar na het ontbijt de verlegenheid, waarin hij verkeerde, mededeelde, protesteerde zij onmiddellijk.

“Maar mijnheer de abbé, ga toch, ga toch gauw! U weet, dat de oude Orlando een onzer nationale sieraden is. Verwonder u er niet over, als u mij hem ook zoo hoort noemen, geheel Italië geeft hem uit liefde en dankbaarheid dezen liefkoozenden bijnaam. Ik ben opgegroeid in een wereld, die hem vervloekte, hem voor een Satan hield. Eerst later heb ik hem leeren kennen en liefhebben. Hij is de zachtste en rechtvaardigste man, die op aarde rondwandelt.”

Zij was begonnen te glimlachen, terwijl tranen haar oogen bevochtigden, ongetwijfeld bij de herinnering aan het stormachtige jaar, dat zij in dat huis doorgebracht had, waarin zij, behalve bij den ouden man, geen rustig uur had gekend. En zachter en met eenigszins bevende stem voegde zij eraan toe:

“Als u toch naar hem toegaat, zeg hem dan uit mijn naam, dat ik hem nog altijd liefheb en dat ik nooit, wat er ooit gebeuren moge, zijn goedheid vergeten zal.”

Terwijl Pierre naar de Via Venti Settembre reed, riep hij zich de geheele heldengeschiedenis van den ouden Orlando, die hij zich vroeger had laten vertellen, voor den geest. Zij was een waar heldendicht en voerde hem terug naar het geloof, de dapperheid en de onbaatzuchtigheid van een ander tijdperk.

Graaf Orlando Prada, de afstammeling van een oud-adellijk Milaneesch geslacht, werd reeds in zijn jeugd door zulk een haat tegen den vreemdeling verteerd, dat hij op zijn vijftiende jaar al deel uitmaakte van een geheim genootschap, een der vertakkingen van het oude carbonarisme. Die haat tegen de Oostenrijksche overheersching was oud, stamde nog uit den tijd van de opstanden tegen de knechtschap, toen de samenzweerders zich vereenigden in verlaten hutten diep in de bosschen. En deze haat werd nog aangewakkerd door het oude ideaal van een bevrijd, aan zichzelf teruggegeven Italië, dat eindelijk weer de groote, heerschende natie, de waardige dochter van de oude veroveraars en meesters der wereld worden zou.

O, welk een vurige en heerlijke droom, om dat roemrijke land van vroeger, dat verbrokkelde en versnipperde Italië, dat aan een menigte kleine tyrannen was prijsgegeven en [115]onophoudelijk door naburige volkeren bezet en bezeten werd, uit zijn lange schande te rukken. Den vreemdeling verslaan, de despoten wegjagen, het volk wekken uit de vernederende ellende van zijn slavernij, Italië vrij, Italië één verklaren, dat was de hartstocht, die toen in de geheele jeugd met onbluschbare vlammen oplaaide, die het hart van den jongen Orlando van geestdrift kloppen deed. Hij doorleefde zijn jeugd in een heilige verontwaardiging, in het vurige ongeduld om zijn bloed aan zijn vaderland te geven en daarvoor te sterven, als hij het niet bevrijden kon.

Orlando leefde teruggetrokken in zijn familiepaleis te Milaan, bevende onder het juk en zijn tijd met nuttelooze samenzweringen verspillend. Hij was juist getrouwd en vijf-en-twintig jaar, toen de tijding kwam van de vlucht van Pius IX en de revolutie te Rome. Onmiddellijk liet hij alles, huis en vrouw, in den steek, om, als geroepen door de stem van zijn lot, naar Rome te snellen. Het was de eerste maal, dat hij zoo uittrok, om de onafhankelijkheid te veroveren. Hoe dikwijls zou hij dat nog moeten doen, zonder ooit moe te worden. Toen leerde hij Mazzini kennen en geraakte een oogenblik in geestdrift voor de mystieke figuur van dezen unitaristischen republikein. Zelf droomend van een algemeene republiek, nam hij het devies van Mazzini: “Dio e popolo1 aan, volgde hij de processie, die met groote pracht en praal door het oproerige Rome trok.

Het was een tijd vol grootsche verwachtingen, die reeds door de behoefte aan een hernieuwing van het Katholicisme gekweld werd en in afwachting leefde van een menschelijken Christus, wiens taak het was de wereld een tweede maal te redden. Maar weldra trok een man, Garibaldi, die aan den dageraad van zijn epischen roem stond, hem geheel tot zich en maakte van hem een soldaat der vrijheid en eenheid. Orlando hield van hem als van een God, streed als held aan zijn zijde, maakte de overwinning bij Rieti op de Napolitanen mede, volgde den hardnekkigen patriot op zijn terugtocht, toen hij, gedwongen om Rome over te laten aan het Fransche leger van generaal Oudinot, die er Pius IX kwam herstellen, Venetië te hulp snelde. En welk een vermetel, dolzinnig waagstuk was dat! Dit Venetië, dat Manin, een tweede groote patriot, een martelaar, weer tot republiek gemaakt [116]had en dat nu al maanden lang weerstand bood aan de Oostenrijkers!

En Garibaldi, die met een handvol mannen uittrekt, om het te ontzetten, en dertien visschersschepen huurt en er acht in de handen van zijn vijand laten moet, is verplicht naar den Romeinschen oever terug te keeren en verliest daar op jammerlijke wijze zijn vrouw Anita, wier oogen hij sluit alvorens terug te keeren naar Amerika, waar hij in afwachting van het uur van den opstand reeds gewoond had. O, die Italiaansche bodem, waarin toen allerwegen het inwendige vuur van het patriotisme gromde, waaruit in iedere stad mannen vol geloof en moed opschoten, waaruit overal oproeren en opstanden losbarstten als vulkanische erupties, en die ondanks alle tegenspoeden en tegenslagen, toch, onoverwinlijk, den triomf tegemoet ging!

Orlando keerde naar Milaan en naar zijn jonge vrouw terug en leefde daar twee jaar lang in het verborgen, verteerd door zijn ongeduldig verlangen naar den glorierijken dag, welks aanbreken zich zoo lang wachten liet. Eén geluk stilde een weinig zijn vurige begeerte: een zoon, Luigi, werd hem geboren, maar het kind kostte zijn moeder het leven. Orlando werd daardoor met diepe droefheid vervuld, en daar hij niet langer te Milaan blijven kon, waar de politie al zijn gangen naging, en hij de overheersching door de vreemdelingen niet langer dragen kon, besloot Orlando de overblijfselen van zijn vermogen te realiseeren en begaf zich naar Turijn, naar een tante van zijn vrouw, die het kind onder haar bescherming nam. Graaf Cavour, de groote politicus, werkte vanaf dat oogenblik aan de onafhankelijkheid, bereidde Piemont voor op de beslissende rol, die het spelen moest. Het was het tijdperk, waarin koning Victor Emanuel met vleiende vriendelijkheid de uit alle deelen van Italië toestroomende vreemdelingen opnam, zelfs hen, van wie hij wist, dat zij republikeinen waren en ten gevolge van opstanden de vlucht hadden moeten nemen.

De droom, de Italiaansche eenheid ten gunste van de Piemonteesche monarchie te verwezenlijken, bestond in het sluwe Huis van Savoye reeds lang en rijpte sedert jaren. Orlando wist heel goed onder welken heer hij dienst nam, maar reeds stond in zijn hart de republikein achter bij den patriot: hij geloofde niet meer aan een in naam der republiek geschapen en onder de bescherming van een liberalen paus geplaatst Italië, zooals het een oogenblik Mazzini’s ideaal [117]geweest was. Was het geen hersenschim, die generaties zou verslinden, indien men dat ideaal bleef nastreven? Zelfs wanneer de vrijheid er gevaar bij liep, wilde hij het vaderland weder opbouwen en het zijn plaats onder de zon geven. Hoe koortsachtig gelukkig was hij dan ook, toen hij bij het uitbreken van den oorlog in 1859 dienst nam; hoe klopte zijn hart tot barstens toe, toen hij na Magenta met het Fransche leger Milaan binnentrok, hetzelfde Milaan, dat hij acht jaar vroeger als wanhopig balling verlaten had. Na Solferino was het verdrag van Villafranca een bittere teleurstelling: Venetië bleef gevangen. Maar Milaan en omgeving was toch heroverd, en ook Toscane, Parma en Modena traden toe. Eindelijk vormde zich de kern van de ster, het vaderland bouwde zich om het overwinnende Piemont op.

Het volgend jaar keerde Orlando in het epos terug. Garibaldi was weer uit Amerika terug, omgeven door een geheele legende, de verhalen van zijn ridderlijke heldendaden in de pampa’s van Uruguay, een buitengewonen tocht van Canton naar Lima, gingen hem vooruit; hij kwam terug, om in 1859 te vechten, het Fransche leger voor te zijn, een Oostenrijksch maarschalk onder den voet te loopen, de steden Como, Bergamo en Brescia binnen te trekken. Plotseling hoorde men, dat hij met slechts duizend man te Marsala was—de duizend van Marsala, het beroemde handjevol dapperen. Orlando streed in de voorste gelederen. Palermo bood drie dagen tegenstand, werd dan genomen. Als lievelingsluitenant van den dictator, hielp Orlando hem bij het organiseeren van het bestuur, stak vervolgens met hem de landengte over en nam aan zijn rechterhand deel aan den triomphantelijken intocht in Napels, waaruit de koning gevlucht was.

Het was een dolzinnig-vermetele en -dappere daad, de uitbarsting van het onvermijdelijke; allerlei verhalen van bovenmenschelijke daden deden de ronde: Garibaldi onkwetsbaar, beter door zijn rood hemd beschermd dan door het dikste harnas; Garibaldi, die de vijandelijke legers op de vlucht sloeg alleen door als een aartsengel zijn vlammend zwaard te zwaaien. Van hun kant hadden de Piemonteezen, na generaal Lamoricière bij Castelfidardo verslagen te hebben, de Romeinsche staten veroverd. En Orlando was erbij, toen de dictator, afstand doende van zijn macht, het besluit van de annexatie der beide Siciliën bij de Kroon van Italië onderteekende; [118]evenals hij bij den heftigen kreet: “Rome of de dood!” deelnam aan de wanhopige poging, die zoo tragisch bij Aspromonte eindigde: het kleine legertje verstrooid door de Italiaansche troepen, Garibaldi gewond, gevangen genomen, verbannen naar de eenzaamheid van zijn eiland Caprera, waar hij nog slechts een eenvoudig landman bleef.

De zes daarop volgende jaren van wachten bracht Orlando te Turijn door, zelfs toen Florence als nieuwe hoofdstad gekozen werd. De senaat had Victor Emanuel tot koning van Italië uitgeroepen, en inderdaad Italië was geschapen, alleen Venetië en Rome ontbraken. Van dat oogenblik af schenen de groote slagen geëindigd te zijn, was het tijdperk der epiek afgesloten. Venetië werd aan Italië door een nederlaag geschonken. Orlando maakte den ongelukkigen slag bij Custozza mede, waarin hij tweemaal gewond werd; doch zijn hart werd nog pijnlijker getroffen door de smartelijke gedachte, dat Oostenrijk zou kunnen overwinnen. Maar in hetzelfde oogenblik verloor Oostenrijk, verslagen bij Sadowa, Venetië, en vijf maanden later wilde hij in den triomfroes te Venetië zijn, toen Victor-Emanuel onder het geestdriftige gejubel van het volk zijn intocht deed.

Rome alleen ontbrak nu nog, een koortsachtig ongeduld drong geheel Italië daarheen, en slechts de eed van het bevriende Frankrijk den paus te zullen handhaven, hield dien drang terug. Ten derden male wilde Garibaldi de legendarische heldendaden hernieuwen; vrij van alle banden wierp hij zich als een door vaderlandsliefde gedreven vrijbuitershoofdman op Rome. En ten derden male nam Orlando deel aan dien heldenwaanzin, die zich bij Mentana tegen de door een klein Fransch corps geholpen pauselijke zouaven te pletter liep. Weer gewond, keerde Orlando, bijna stervend, naar Turijn terug. Met bloedend hart moest men berusten: de quaestie was niet op te lossen. Dan kwam plotseling de donderslag van Sedan, de verplettering van Frankrijk; de weg naar Rome werd vrij. Orlando, in het staand leger teruggekeerd, maakte deel uit van de troepen, die stelling namen in de Campagna romana, om, overeenkomstig de woorden in den brief van Victor Emanuel aan Pius IX, de veiligheid van den Heiligen Stoel te verzekeren.

Het was overigens slechts een schijngevecht: de pauselijke zouaven onder generaal Kanzler moesten zich terugtrekken en Orlando was een der eersten, die door de bres in de Porta Pia de stad binnendrong. O, die twintigste [119]September, die dag, waarop hij het grootste geluk van zijn leven ondervond, een dag van geestdrift, een dag van volkomen triomf, waarop de droom van zoovele jaren van bitteren strijd verwezenlijkt werd, de droom, waarvoor hij zijn rust, zijn vermogen, zijn geest en zijn lichaam gegeven had.

Hierop volgden nog tien gelukkige jaren in het veroverde Rome, in het Rome, dat als een vrouw, waarop men al zijn hoop gezet heeft, aangebeden, ontzien en gevleid werd. Van Rome verwachtte hij een zoo groote nationale kracht, een zoo wonderbaarlijke herleving van sterkte en jeugd voor de jonge natie! De voormalige republikein, de voormalige insurgent, die hij toch was, moest zich bukken en een senaatszetel aannemen: ging Garibaldi zelf, zijn afgod, geen bezoek afleggen bij den koning en zijn plaats innemen in het Parlement? Alleen de intransigente Mazzini had niets van een onafhankelijk Italië, dat niet tevens republiek was, willen weten. Ook een ander motief had Orlando tot toegeven bewogen: de toekomst van zijn zoon Luigi, die den dag na den intocht in Rome achttien geworden was. Al was hij ook tevreden met de kruimels van zijn vroeger vermogen, dat geheel opgegaan was in den dienst van het vaderland, hij droomde van een beter lot van het kind, dat hij aanbad.

Hij voelde heel goed, dat het heldentijdvak geëindigd was; hij wilde van hem een groot staatsman, een groot bestuurder maken, een man, die nuttig zijn zou voor de souvereine macht van morgen; en daarom had hij het koninklijk gunstbewijs, het loon voor zijn lange toewijding, niet geweigerd; hij wilde Luigi helpen, over hem waken, hem leiden. Was hij dan zelf zoo oud, zoo afgeleefd, dat hij zich niet nuttig meer maken kon bij de organisatie, zooals hij het meende geweest te zijn bij de verovering? Hij had den jongen man ambtenaar laten worden aan het Ministerie van Financiën, daar hem zijn vlug begrip van financieele quaesties opgevallen was en ook misschien omdat hij intuïtief voelde, dat de strijd thans voortgezet zou worden op financieel en economisch gebied. En weer leefde hij in een droom, steeds geestdriftig geloovend in een heerlijke toekomst; vol grenzenlooze verwachtingen zag hij hoe de bevolking van Rome verdubbelde, hoe het zich door het dolzinnige opschieten van nieuwe stadswijken uitbreidde. In zijn verrukte minnaarsoogen werd de stad weer de koningin der wereld.

Plotseling sloeg bij helderen hemel een bliksemstraal neer. [120]Toen Orlando op een ochtend naar beneden ging, werd hij door een beroerte getroffen; zijn beide beenen waren als dood en zwaar als lood. Men had hem naar boven moeten dragen en nooit zette hij meer een voet op straat. Hij was toen zes-en-vijftig; sedert veertien jaar had hij zijn fauteuil niet meer verlaten. Hij, die vroeger zoo dapper de slagvelden van Italië afgeloopen had, was nu tot volslagen onbeweeglijkheid gedoemd. Het was jammerlijk om aan te zien—de val van een held. En het ergste was, dat de oude soldaat van uit de kamer, waarin hij gevangen zat, getuige zijn moest van het langzame ineenstorten van al zijn verwachtingen en in zijn onuitgesproken angst voor de toekomst door een vreeselijke droefgeestigheid en zwaarmoedigheid aangegrepen werd.

Sedert hij door den roes van het bezig zijn niet meer verblind werd en hij zijn lange, ledige dagen met nadenken vulde, zag hij eindelijk alles helder en duidelijk. Italië, dat hij zoo gaarne machtig in zijn triomphantelijke eenheid gezien had, handelde dwaas, snelde zijn ondergang, zijn bankroet misschien, tegemoet. Rome, dat voor hem steeds de noodwendige hoofdstad, de roemrijke stad, die haars gelijke niet had, geweest was, scheen de rol van groote moderne hoofdstad te weigeren; het was zwaar als een doode, drukte met het gewicht der eeuwen op de borst van de jonge natie. Bovendien bracht zijn zoon, zijn Luigi, hem tot wanhoop; hij verzette zich tegen iedere leiding, hij wierp zich als een der kinderen, die de verovering verslinden, op den nog warmen buit, dit Italië, dit Rome, die zijn vader alleen gewild scheen te hebben, opdat hij zelf het zou kunnen plunderen en er zich mede vetmesten.

Tevergeefs had hij zich verzet tegen het verlaten van het ministerie, tegen het ongebreidelde speculeeren in bouwterreinen, dat door het opschieten van al die nieuwe wijken ontstaan was. Toch bleef hij hem aanbidden, was hij tot zwijgen gedoemd, vooral nadat hem de meest gewaagde financieele operaties gelukt waren, zooals bijv. de metamorphose van de villa Montefiori in een werkelijke stad, een reusachtige zaak, waarin de rijksten zich geruïneerd hadden, doch waaruit hij met millioenen tevoorschijn gekomen was. Maar zwijgend en wanhopig had Orlando in het kleine paleis, dat Luigi Prada in de Via Venti Settembre had laten bouwen, niet meer dan een klein kamertje willen hebben, waarin hij zijn dagen in kloosterachtige afzondering doorbracht met [121]één enkelen knecht; hij wilde van zijn zoon niets anders aannemen dan die gastvrijheid en leefde verder armzalig van zijn kleine rente.

Toen Pierre in die nieuwe, op de helling en den top van den Viminalis aangelegde Via Venti Settembre kwam, werd hij getroffen door de zware pracht der nieuwe huizen, waarin de overgeërfde smaak voor het ontzaglijke duidelijk sprak. In het purperen goud van de warme namiddagzon verried deze breede triomfstraat, deze dubbele rij eindelooze en witte gevels de trotsche toekomstverwachtingen van het nieuwe Rome, de begeerte naar overheersching, die deze reusachtige gebouwen uit den grond had doen oprijzen. Doch vooral viel het ministerie van Financiën hem op, een gigantische massa, een cyclopische kubus, waarin zuilen, balkons, gevelversieringen en beeldhouwwerken zich ophoopten, een geheele, onmatige wereld, op een dag van overmoedigen trots door steenenwaanzin gebouwd. En iets verder, aan de overzijde, voor men aan de villa Bonaparte kwam, stond het kleine paleis van graaf Prada.

Toen hij zijn koetsier betaald had, bleef hij een oogenblik verlegen staan. Daar de deur openstond, was hij de vestibule binnengegaan, maar hij zag daar niemand, geen conciërge en geen knecht. Hij liep naar de eerste verdieping. De monumentale trap met marmeren leuning was een nabootsing in het klein van de overdreven afmetingen der eeretrap van het paleis Boccanera; het was dezelfde koude, kale naaktheid, getemperd door een rooden looper en roode portières, die schel afstaken tegen de witte kalk der muren. Op de eerste verdieping bevonden zich de vijf meter hooge receptievertrekken; door een half open staande deur zag hij twee in elkaar loopende salons, die, met moderne pracht, met een overvloed van fluweel en zijde, vergulde meubels, hooge spiegels, welke de weelderige consoles en tafels weerkaatsten, ingericht waren. En nog steeds zag hij geen mensch, geen levende ziel in dat verlaten huis, waarin nergens de invloed der vrouw te bespeuren viel. Hij wilde weer naar beneden gaan om te bellen, toen zich eindelijk een knecht vertoonde.

“Ik zou gaarne graaf Prada spreken.”

De knecht keek den kleinen priester zwijgend aan en verwaardigde zich te vragen:

“Vader of zoon?”

“De vader, graaf Orlando Prada!”

“Gaat u dan maar naar de derde verdieping.” [122]

Dan was hij nog wel zoo goed een naderen uitleg te geven:

“De kleine deur rechts op het portaal. U moet hard kloppen, anders doet men niet open.”

Inderdaad moest Pierre tweemaal kloppen. Een kleine, uitgedroogde militair, een voormalig soldaat van den graaf, die in zijn dienst gebleven was, kwam open doen en zeide bij wijze van verontschuldiging niet eerder de deur geopend te hebben, daar hij juist bezig was de beenen van zijn meester in de goede houding te leggen. Onmiddellijk diende hij den bezoeker aan, en deze werd, toen hij een kleine donkere antichambre doorgeloopen had, door het vertrek, dat hij binnenging, ten zeerste getroffen. Het was een betrekkelijk kleine, geheel kale kamer, die met een eenvoudig, blauwgebloemd papiertje behangen was.

Achter een scherm stond een ijzeren ledikant, een echt soldatenbed; verder was er geen meubelstuk te zien behalve de fauteuil, waarin de invalide zijn dagen doorbracht, een zwarte houten tafel, die bedekt was met couranten en boeken, en twee oude stoelen met stroozittingen voor de enkele bezoekers. Tegen een der muren deden enkele planken dienst als boekenkast. Maar het breede raam, waar geen gordijn voor hing, zag uit op het prachtigste panorama van Rome, dat men zich denken kon.

Dan verdween als het ware de kamer; Pierre zag in een plotselinge en diepe ontroering niets meer dan den ouden Orlando. Hij geleek op een ouden, witharigen, nog prachtigen, sterken, grooten leeuw. Een bosch van grijze haren op een krachtigen kop met een dikken mond, een dikken, platten neus, groote, donkere, fonkelende oogen. Een lange witte, nog jeugdig-krachtige baard, kroezend als die van een god. Men zag, dat in dezen leeuwenkop vreeselijke hartstochten gewoed moesten hebben; maar al deze hartstochten, de zinnelijke zoowel als de geestelijke, hadden hun uitbarsting gevonden in patriotisme, in dolzinnige bravoure en in een onmatige onafhankelijkheidsliefde. En de oude, door den bliksem getroffen held zat daar nu op zijn fauteuil genageld, de doode beenen door een zwarten plaid bedekt. Alleen de armen, de handen leefden; alleen het gelaat straalde van lichaams- en geestkracht.

Orlando wendde zich tot zijn oppasser en zeide zacht:

“Je kan wel gaan, Batista. Kom over een paar uur maar terug.”

Dan keek hij Pierre strak aan en riep met een ondanks zijn zeventig jaar nog krachtige stem: [123]

“Eindelijk dus, beste mijnheer Froment; nu kunnen we eens op ons gemak praten … Neem dien stoel daar en kom voor mij zitten.”

Maar hij had den verbaasden blik, waarmede de priester het kale vertrek rond keek, gemerkt, en voegde er vroolijk aan toe:

“Je moet me niet kwalijk nemen, dat ik je in mijn cel ontvang. Ja, ik leef hier als een monnik, als een gepensionneerd oud soldaat, die thans buiten het leven staat … Mijn zoon valt me nog steeds lastig met zijn verlangen, dat ik een van de mooie kamers beneden neem. Maar waarom zou ik dat doen? Ik heb geen enkele behoefte, ik houd niet van veeren bedden, want mijn oude botten zijn gewend aan den harden grond … En bovendien heb ik hier zoo’n prachtig uitzicht! Geheel Rome komt naar mij—nu ik het niet meer bezoeken kan.”

Met een gebaar naar het raam had hij de verlegenheid en den lichten blos verborgen, die steeds op zijn gelaat kwam, wanneer hij zijn zoon op die wijze verontschuldigde, zonder de ware reden te willen bekennen, die hem in zijn armelijke inrichting deed blijven.

“Het is prachtig mooi!” verklaarde Pierre, om hem een genoegen te doen. “Ook ik voel mij zoo gelukkig u eindelijk eens te zien; zoo gelukkig uw dappere handen, die zooveel heldendaden verricht hebben, te kunnen drukken.”

Met een nieuw gebaar scheen Orlando het verleden weg te willen schuiven.

“Kom, kom, dat alles ligt achter den rug en is begraven … Laten we liever over u spreken, mijn waarde mijnheer Froment, over u, die nog zoo jong is en het heden zijt, en laten we gauw over uw boek spreken, dat de toekomst is … O, als u eens wist hoe woedend ik mij in den beginne gemaakt heb over uw boek, over uw: Nieuw Rome!”

Hij lachte nu en nam het boek, dat toevallig naast hem op de tafel lag. Met zijn breede reuzenhand sloeg hij op den omslag.

“Neen, u kunt u niet voorstellen hoe dikwijls ik onder het lezen tegen u uitgevaren ben!… De paus, nog eens de paus, en altijd de paus! Het nieuwe Rome voor den paus en door den paus! Het triompheerende Rome, dat morgen, dank zij den paus, ontstaat, gegeven aan den paus, zijn roem samensmeltend met dien van den paus!… En wij dan? En Italië? En al de millioenen, die wij uitgegeven hebben, om van [124]Rome een grootsche hoofdstad te maken? Ja, men moet een Franschman, en nog wel een Parijsche Franschman zijn, om zoo’n boek te schrijven. Maar laat ik het u dan zeggen, als u het niet weet, waarde heer, dat Rome de hoofdstad van het koninkrijk Italië geworden is; er is hier een koning Humbert, en er zijn Italianen, een geheel volk, dat Rome, het glorierijke, opgestane Rome, voor zich behouden wil!”

Het jeugdige vuur van den grijsaard deed Pierre op zijn beurt lachen.

“Ja, ja, dat heeft u mij geschreven. Maar wat heeft dat eigenlijk met mijn standpunt te maken? Naar mijn meening is Italië slechts een natie, een deel der menschheid, en ik wil de eendracht, de broederschap der volkeren, een verzoend, geloovig, gelukkig menschdom. Wat komt de regeeringsvorm, een monarchie of een republiek er op aan? Wat komt het denkbeeld van een éénig en onafhankelijk vaderland erop aan, als er nog slechts een vrij, in gerechtigheid en waarheid levend volk bestaat!”

Van dezen geheelen geestdriftigen kreet had Orlando slechts één woord in zich opgenomen.

“De republiek! Ik heb er in mijn jeugd innig naar verlangd!” ging hij zacht en met een peinzend gelaat voort. “Ik heb voor haar gestreden, ik heb samengezworen met Mazzini, een heilige, een geloovige, die zich tegen het absolute te pletter geloopen heeft. En daarna? Men moest de praktische noodzakelijkheid aanvaarden, zelfs de meest intransigenten hebben zich aangesloten … Zou thans de republiek ons redden? In ieder geval zou zij maar weinig verschillen van onze parlementaire monarchie: zie maar wat er in Frankrijk gebeurt. Waarom dan een revolutie te wagen, die de macht misschien brengen zou in de handen van de uiterste revolutionnairen, van de anarchisten? Daar zijn wij allen bang voor, daar is onze berusting het bewijs voor … Ik weet wel, dat sommigen de redding zien in een republikeinsche federatie; alle oude kleine staatjes omgezet in even zoovele republieken onder leiding van Rome. Het Vaticaan zou daarbij misschien heel wat kunnen winnen. Men kan niet zeggen, dat het daarvoor werkt, het ziet alleen niet zonder welgevallen de mogelijkheid ervan onder de oogen. Maar het is een droom, een droom!”

Hij vond zijn vroolijkheid, waarin zelfs een zweempje ironie doorklonk, terug.

“Weet u wat mij in uw boek zoo aangetrokken heeft? [125]Want, ondanks al mijn bedenkingen heb ik het tweemaal gelezen … Welnu, dat Mazzini zelf het bijna geschreven kon hebben. Ja, ik heb er mijn jeugd in teruggevonden, al de overdreven-dolle verwachtingen, die ik op mijn vijf-en-twintigste jaar koesterde, de hoop, dat Christus’ godsdienst de pacificatie der wereld door het Evangelie tot stand brengen zou … Wist u wel, dat, lang vóór u, Mazzini de hernieuwing van het Katholicisme gewild heeft? Hij schoof het dogma en de discipline ter zijde, hield slechts de moraal over. En het nieuwe Rome, het Rome van het volk, gaf hij aan de algemeene Kerk, waarin alle andere Kerken van het verleden zouden samensmelten: Rome, de eeuwige, de gepraedestineerde Stad, de moeder en de koningin, wier heerschappij opnieuw ontstond tot het definitieve geluk der menschheid!… Is het niet zonderling, dat het tegenwoordige neo-Katholicisme, de nog onbestemde spiritualistische herleving, de idee der Christelijke gemeenschap en der Christelijke naastenliefde, waarover men het thans zoo druk heeft, in den grond der zaak niets anders is dan een terugkeer tot de mystieke en humanitaire denkbeelden van 1848? Ach, ik heb dat alles medegemaakt, ik heb erin geloofd en ervoor gestreden, en ik weet in welk een treurige verwarring die vluchten in het blauw van het mysterieuse ons gebracht hebben! Wat zal ik u zeggen? Ik heb mijn vertrouwen verloren!”

En toen Pierre zich van zijn kant ook opwond en antwoorden wilde, viel hij hem dadelijk in de rede:

“Neen, laat mij uitpraten … Ik heb u alleen willen overtuigen hoe beslist noodzakelijk het voor ons was, Rome te veroveren en tot hoofdstad van Italië te maken. Zonder Rome kon het nieuwe Italië niet bestaan. Rome was de oude glorie; Rome bevatte in zijn stof de souvereine macht, die wij herstellen wilden, het gaf aan hem, die het bezat, kracht, schoonheid, eeuwigheid. In het middelpunt van het land gelegen, was het het hart daarvan, moest het er het leven van worden, zoodra men het uit den langen slaap van zijn puinhoopen gewekt zou hebben … O, wat hebben wij ernaar verlangd te midden van onze overwinningen en nederlagen, gedurende de jaren van afschuwlijk ongeduldig wachten! Ik, ik heb het meer dan eenige vrouw liefgehad en begeerd; mijn bloed brandde, ik werd wanhopiger naar mate ik ouder werd. En toen wij het in ons bezit hadden, waren wij zoo dwaas het weelderig, grootsch, tot heerscheres, tot de gelijke van andere groote hoofdsteden, Berlijn, Parijs en Londen te [126]willen maken … Kijk er naar. Het is nog steeds mijn eenige liefde, mijn eenige troost, nu ik dood ben, daar niets meer in mij leeft dan mijn oogen.”

Met hetzelfde gebaar had hij weer naar het raam gewezen. Onder den diepen hemel strekte Rome, purper en goud in de schuin vallende zonnestralen, zich in het oneindige uit. Heel in de verte sloten de boomen van den Janiculus den horizont met hun groenen, helder smaragdgroenen gordel af, terwijl meer naar links de dom van de St. Pieter, bleek-blauw, op een in het felle licht doffen saphier geleek. Dan kwam de lager gelegen stad, de oude stad, rood, als verbrand door eeuwen van heete zomers; zij was zoo zacht voor het oog, zoo mooi in het diepe leven van het verleden, een grenzenlooze chaos van daken, gevelmuren, torens, campaniles en koepels. Maar op het eerste plan, onder het raam, lag de nieuwe stad, die men in de laatste vijf-en-twintig jaar gebouwd had, op elkaar gehoopte, nog krijtachtige kubussen van metselwerk, die noch de zon noch de geschiedenis in haar purper gehuld hadden. Vooral de daken van het reusachtige ministerie van Financiën strekte zich in zijn afschuwlijke leelijkheid als eindelooze, troosteloos-vale steppen uit. En op die nieuwe gebouwen waren ten slotte de blikken van den ouden soldaat uit den veroveringstijd blijven rusten.

Er ontstond een stilte. Pierre voelde de lichte koude van de verborgen, onuitgesproken droefheid langs zich strijken en wachtte beleefd.

“Neem me niet kwalijk, dat ik u in de rede gevallen heb,” ging Orlando voort. “Maar ik geloof, dat we niet met vrucht over uw boek kunnen spreken, zoolang u Rome niet van nabij gezien en bestudeerd hebt. U bent gisteren pas hier gekomen, niet waar? Welnu, loop de stad door, kijk en vraag, en ik geloof, dat vele van uw denkbeelden veranderen zullen. Ik verwacht vooral veel van den indruk, dien het Vaticaan op u maken zal, daar u toch alleen gekomen zijt om den paus te zien en een werk voor de Indexcongregatie te verdedigen. Waarom zouden wij ons thans in een nuttelooze discussie begeven, waar de feiten zelf u tot geheel andere denkbeelden brengen zullen, veel beter, dan ik het door de mooiste redevoeringen zou kunnen?… Dus afgesproken, u komt nog eens terug, en dan zullen we weten waarover we spreken moeten, en het misschien eens worden kunnen.” [127]

“Zeker,” antwoordde Pierre. “Ik was vandaag alleen maar gekomen, om u dank te zeggen, dat u mijn boek met belangstelling gelezen hebt, en om in u een der sieraden van Italië te begroeten.”

Orlando, verstrooid, luisterde niet, zijn blikken waren nog altijd op Rome gevestigd. Hij wilde niet, dat erover gesproken werd, maar ondanks zichzelf begon hij, geheel door een heimelijke onrust beheerscht, met fluisterende stem als in een onwillekeurige biecht weer te spreken:

“Ongetwijfeld zijn wij te hard van stapel geloopen. Er waren onvermijdelijke, nuttige uitgaven: straten, havens, spoorwegen. En gewapend moest het land ook worden; in den beginne heb ik me dan ook tegen de zware militaire lasten niet verzet … Maar later, dat zware oorlogsbudget—de lasten van een oorlog, die niet kwam, het wachten waarop ons geruïneerd heeft. O, ik ben altijd een vriend van Frankrijk geweest; het eenige, dat ik het verwijt, is, dat het den toestand, die ons opgedrongen was, de beweegredenen, die wij hadden voor ons verbond met Duitschland, niet begrepen heeft … En de milliarden, die Rome ingeslikt heeft! Dat was waanzin; wij hebben gezondigd uit geestdrift en hoogmoed. In de droomen, die ik, eenzame oude, hier kon droomen, ben ik een der eersten geweest, die den afgrond, de verschrikkelijke financieele crisis, het bankroet, waarin de natie zou ondergaan, vooruitgezien heb. Ik heb het mijn zoon en allen, die bij mij kwamen, toegeschreeuwd, maar wat hielp het? Zij luisterden niet naar mij, zij waren krankzinnig, kochten, verkochten, bouwden in hun speculatiewoede en hersenschimmige geldwoede. U zult het zien, u zult het zien … Het ergste is, dat wij niet, zooals u, in een dichte landbevolking een reserve aan goud en menschen hebben, een spaarkas, die steeds gereed staat, om de door de catastrophes geslagen gaten weer te vullen. Bij ons hernieuwt het opstijgen van het volk, dat nog niets beteekent, het sociale bloed niet door een gestadigen toevloed van nieuwe menschen, het is arm, het heeft geen oude wollen kousen, die het ledigen kan. De ellende is vreeselijk, waarom het te ontkennen? Zij, die geld hebben, verteren het liever kleinzielig in de steden dan het te wagen in landbouw- en industrieele ondernemingen. Fabrieken worden zoo goed als niet gebouwd. De bodem wordt nog op dezelfde barbaarsche wijze als twee duizend jaar geleden bebouwd … Daar ligt Rome, Rome, dat geen Italië geschapen heeft, dat Italië door zijn vurigen hartstocht [128]tot hoofdstad gemaakt heeft; Rome, dat nog slechts het schitterende decor van den roem der eeuwen is, Rome, dat ons met zijn ontaarde, hoogmoedige en nietsdoende pauselijke bevolking niets gegeven heeft dan de schittering van dat decor! Ik heb het te lief gehad, ik heb het nog te lief, dan dat ik er spijt over kan hebben hier te zijn. Maar, groote God, tot welk een waanzin heeft het ons gebracht, hoeveel millioenen heeft het ons gekost, wat drukt het ons met zijn triomphantelijk gewicht!… Zie zelf, zie zelf slechts!”

En hij wees op de kleurlooze daken van het ministerie van Financiën, de eindelooze, troostelooze steppe, als had hij daar den bij voorbaat gemaaiden oogst van roem, de afschuwlijke kaalheid van het dreigend bankroet gezien. Zijn oogen werden omsluierd door heimelijke tranen; hij zag er trotsch uit in zijn aan het wankelen gebrachte hoop, in zijn hem pijnigenden angst, met zijn grooten, witharigen leeuwenkop. Nu was hij machteloos, vastgenageld in die zoo kale en lichte, zoo hoogmoedig armelijke kamer, die een protest scheen te zijn tegen den monumentalen rijkdom van het geheele kwartier. Dat was het dus wat men uit de verovering gemaakt had! En hij was nu door den bliksem getroffen, niet in staat nog eenmaal zijn bloed en zijn ziel te geven.

“Ja, ja,” riep hij opnieuw uit; “wij gaven alles, ons hart en ons hoofd, ons geheele bestaan, zoolang het erom ging het vaderland één en onafhankelijk te maken. Maar wie interesseert zich, nu het vaderland geschapen is, voor de reorganisatie van zijn financiën! Dàt is geen ideaal! En dat is de reden, waarom, terwijl de ouden sterven, geen nieuwe man onder de jongeren opstaat!”

Plotseling hield hij, eenigszins verlegen en glimlachend over zijn eigen onstuimigheid, op.

“Neem me niet kwalijk, dat ik zoo doorsla! Ik ben nu eenmaal onverbeterlijk … Maar nu zullen we er werkelijk over uitscheiden; u komt terug, wanneer u alles gezien hebt, en dan praten we verder.”

Vanaf dat oogenblik was hij een innemend gastheer, en Pierre begreep uit de vriendelijkheid en welwillendheid, waarmede hij hem omgaf, hoe het hem speet te veel gesproken te hebben. Hij bezwoer hem lang te Rome te blijven, het niet te vlug te veroordeelen, overtuigd te zijn, dat Italië in den grond der zaak Frankrijk nog altijd liefhad; hij wilde ook, dat men Italië liefhad, een ware angst greep hem aan bij de gedachte, dat men het misschien niet meer liefhad. Evenals [129]den vorigen avond in het paleis Boccanera was de priester zich bewust, dat men een soort druk op hem uitoefende om hem tot bewondering en liefde te dwingen. Evenals een vrouw, die voelt, dat zij niet mooi is, aan zich twijfelt en prikkelbaar is, was Italië bang voor den indruk, dien het op zijn bezoekers zou maken, trachtte het ondanks alles al hun liefde te behouden.

Toen Orlando hoorde, dat Pierre in het paleis Boccanera logeerde, wond hij zich opnieuw op; hij maakte een gebaar van levendige ergernis, toen hij juist op hetzelfde oogenblik op de deur hoorde kloppen. Hij riep binnen, maar hield tevens den priester terug.

“Neen, ga niet weg, ik wil weten …”

Een dame kwam binnen. Zij was de veertig gepasseerd, was klein en rond, knap nog met haar poppengezichtje en haar vriendelijke glimlachjes, blond en had groene, als bronwater heldere oogen. Tamelijk goed gekleed zag zij er in haar reseda-kleurig toilet aardig, bescheiden en bezadigd uit. “Ha, ben jij het, Stefana?” zeide de grijsaard, terwijl hij zich liet omhelzen.

“Ja, oom, ik kwam langs en wilde even zien hoe u het maakte.”

Het was mevrouw Sacco, een nicht van Orlando. Zij was te Napels geboren, haar moeder een Milaneesche, was getrouwd met den Napolitaanschen bankier Pagani, die later geheel geruïneerd werd. Na de ruïne was Stefana getrouwd met Sacco, toen nog slechts een laag ambtenaar bij de posterijen. Van dat oogenblik af had Sacco, die het huis van zijn schoonvader weer in de hoogte wilde brengen, zich in vreeselijke, gecompliceerde en verdachte zaken geworpen en ten slotte het onverwachte geluk gehad tot Kamerlid gekozen te worden. Sedert hij naar Rome gekomen was, om dat op zijn beurt te veroveren, had zijn vrouw hem in zijn verterende eerzucht moeten helpen, toilet maken en een salon openen; en al gedroeg zij zich daarbij wat onbeholpen, toch bewees zij hem diensten, die niet te verachten waren, daar zij zeer spaarzaam en voorzichtig was, en het huishouden op uitnemende wijze bestuurde, alle uitstekende en goede Noord-Italiaansche eigenschappen, die zij van haar moeder geërfd had en die een scherp contrast vormden met het onrustige karakter en de liederlijkheid van haar man, in wien Zuid-Italië met zijn wellustige hartstochten steeds weer opvlamde. [130]

De oude Orlando, die Sacco verachtte, had voor zijn nicht, in wie hij zijn eigen bloed terugvond, een zekere toegenegenheid behouden. Hij dankte haar voor haar vriendelijkheid en begon bijna onmiddellijk over het bericht in de ochtendbladen, daar hij heel goed begreep, dat de afgevaardigde zijn vrouw gezonden had om te hooren, hoe hij erover dacht.

“En hoe staat het met het ministerschap?”

Zij was gaan zitten en keek, zonder zich te haasten, naar de couranten, die op de tafel slingerden.

“O, daaromtrent is nog niets bepaald, de couranten hebben te vroeg gesproken. Sacco is bij den minister-president ontboden en zij hebben samen een onderhoud gehad. Maar hij aarzelt, hij is bang niet genoeg op de hoogte te zijn van Landbouw. O, als het Financiën was!… En bovendien, hij zou nooit een besluit nemen zonder u te raadplegen. Hoe denkt u erover, oom?”

Hij viel haar met een heftig gebaar in de rede.

“Neen, neen, met zulke zaken bemoei ik mij niet.”

Het vlugge succes van dien avonturier Sacco, die altijd in troebel water vischte, was een gruwel in zijn oogen, het begin van het eind. Zijn zoon Luigi bracht hem tot vertwijfeling; maar als men bedacht, dat Luigi met zijn levendig begrip en zijn altijd nog goede eigenschappen, niets was, terwijl Sacco, dat warhoofd, deze eeuwige wellusteling, zich in de Kamer had weten te werken en nu op het punt stond een portefeuille te bemachtigen! Een klein, donker, uitgedroogd mannetje met groote, ronde oogen, uitstekende jukbeenderen en kin, altijd dansend en schreeuwend, zeldzaam welsprekend, met een krachtige, machtige en tevens streelende stem! Indringerig, van alles gebruik makend, verleidend en heerschzuchtig!

“Versta me goed, Stefana, zeg aan je man, dat de eenige raad, dien ik hem geef, is zoo gauw mogelijk weer ambtenaar bij de Posterijen te worden, waar hij misschien diensten bewijzen kan.”

Den oud-soldaat ergerde het voornamelijk, dat een kerel als Sacco als een bandiet Rome binnengevallen was, Rome, welks verovering zooveel edele krachtsinspanning gekost had. Op zijn beurt veroverde Sacco het, ontnam het aan hen, die het zoo duur gekocht hadden, nam er bezit van, doch alleen om er zijn ongebreideld verlangen naar macht te bevredigen. Onder een vriendelijk uiterlijk was hij besloten alles te verslinden. Na de overwinning waren, nu de buit daar nog warm [131]lag, de wolven gekomen. Het Noorden had Italië geschapen, het Zuiden ijlde nu op den buit af, wierp zich daarop, leefde ervan als van een prooi. En aan de woede van den verpletterden held lag vooral ten grondslag het zich steeds duidelijker openbarende antagonisme tusschen het Noorden en het Zuiden: het Noorden arbeidzaam en spaarzaam, politiek voorzichtig, ontwikkeld en open voor moderne denkbeelden; het Zuiden onwetend en lui, genotzuchtig, met de hinderlijke onordelijkheid in daden en den ledigen glans van mooie, welluidende woorden.

Stefana glimlachte kalm, terwijl zij naar Pierre, die bij het raam was gaan staan, keek.

“O, oom, dat zegt u wel, maar toch houdt u van ons, en meer dan eens hebt u mij een goeden raad gegeven, waarvoor ik u nog dankbaar ben … Onder andere in die geschiedenis met Attilio …”

Zij bedoelde haar zoon, den luitenant, en zijn liefdesavontuur met Celia, de kleine prinses Buongiovanni, waarover alle zwarte en witte salons spraken.

“Attilio—dat is heel wat anders!” riep Orlando uit. “Evenals jij, is hij van mijn bloed, en het is wonderlijk, zooals ik mij in dien kwajongen terugvind. Ja, hij is precies eender als ik, toen ik zoo oud was, en mooi en dapper en enthousiast … Je ziet, dat ik mezelf complimentjes maak. Maar werkelijk, ik mag Attilio heel graag, hij ligt me aan het hart, want hij is de toekomst, hij geeft mij mijn hoop terug … En hoe staat het met zijn geschiedenis?”

“Och oom, die quaestie bezorgt ons heel wat verdriet. Ik heb er al eens met u over gesproken, maar u haalde uw schouders op en zeide, dat de ouders in dergelijke quaesties de jongelui hun liefdeszaken zelf maar in orde moesten laten brengen … Maar wij willen toch niet, dat men overal zegt, dat wij onzen zoon aansporen de kleine prinses te schaken, om dan later haar geld en haar titel te trouwen.”

Orlando lachte hartelijk.

“Dat is me ook een bezwaar! Je man heeft je zeker opgedragen dat tegen me te zeggen? Ja, ik weet, dat hij in deze quaestie graag den fijngevoelige speelt. Maar ik zeg je nog eens, ik houd me voor minstens zoo netjes als hij is, en als ik een zoo openhartigen, zoo goed en zoo naïef-verliefden zoon had als den jouwe, dan zou ik hem laten trouwen met wie en zooals hij wilde … De Buongiovanni’s! Lieve God, het zou voor de Buongiovanni’s met al hun adel [132]en al het geld, dat zij nog hebben, een groote eer zijn om een knappen jongen met zoo’n goed hart tot schoonzoon te hebben.”

Weer kreeg Stefana’s gelaat een uitdrukking van kalme voldaanheid. Zij kwam zeker alleen, om dat te hooren.

“Goed, oom, ik zal het aan mijn man zeggen en hij zal daar zeker rekening mede houden, want, al is u streng voor hem, hij heeft een ware vereering voor u. En wat dat ministerschap aangaat, daar komt misschien niets van. Sacco zal naar omstandigheden handelen.”

Zij was opgestaan en nam afscheid van den grijsaard, terwijl zij hem, evenals bij haar komst, teeder omarmde. Zij maakte hem een complimentje over zijn goed uitzien, vond hem nog knap en deed hem glimlachen door te zeggen, dat zij een dame kende, die nog dol op hem was. Na met een kleine buiging den zwijgenden groet van den jongen priester beantwoord te hebben, ging zij op haar bescheiden en kalme manier weg.

Een oogenblik bleef Orlando zwijgen en hield, in zijn droefgeestige stemming terugvallend, zijn blik gericht op de deur; hij dacht ongetwijfeld aan het verdachte en pijnlijke heden, dat zoo zeer verschillend is van het roemrijke verleden. Plotseling wendde hij zich weer tot Pierre, die nog steeds wachtte.

“Dus logeer je in het paleis Boccanera, vriendlief. Wat een ongeluk ook daar!”

Maar toen de priester hem zijn gesprek met Benedetta verteld had en dus ook zei, dat zij nog altijd van hem hield en nooit zijn goedheid vergeten zou, wat er ook gebeuren mocht, maakte een ontroering zich van hem meester. Zijn stem beefde.

“Ja, zij is een goede ziel, zij is niet slecht. Maar wat zal je eraan doen? Zij hield niet van Luigi en hij zelf is misschien een beetje heftig geweest … Die dingen zijn geen geheim meer, ik praat er vrij met u over, daar tot mijn groot verdriet de geheele wereld ze kent.”

Orlando gaf zich geheel aan zijn herinneringen over en vertelde, hoe gelukkig hij zich vóór het huwlijk gevoeld had bij de gedachte aan het wondermooie schepseltje, dat zijn dochter worden en jeugd en bekoring om zijn ziekestoel brengen zou. Hij had altijd een vereering gehad voor de schoonheid, de hartstochtelijke vereering van een minnaar, wiens eenige liefde steeds de vrouw gebleven zou zijn, [133]indien het vaderland niet het beste van zijn wezen tot zich getrokken had. En Benedetta aanbad hem, vereerde hem, kwam steeds weer bij hem zitten in zijn klein armoedig kamertje, dat dan schitterde door den glans van goddelijke charme, die zij met zich bracht. Hij herleefde in haar frisschen adem, in den zuiveren geur en de stralende teederheid, waarmede hij haar omringde. Maar welk een vreeselijk drama onmiddellijk daarna, wat had zijn hart gebloed, toen hij niet wist, hoe hij de echtgenooten verzoenen moest. Hij kon zijn zoon geen ongelijk geven, dat hij de erkende echtgenoot wilde zijn.

In den beginne, na den eersten rampzaligen nacht, na die botsing tusschen de beide echtgenooten, die beiden hardnekkig aan hun recht vasthielden, had hij gehoopt Benedetta in de armen van haar man terug te kunnen brengen. Maar toen zij hem weenend alles vertelde, hem haar oude liefde voor Dario bekende, hem haar afschuw tegen de daad, tegen het geven van haar maagdelijkheid aan een anderen man, zeide, toen begreep hij, dat zij nooit toegeven zou. Een geheel jaar was verloopen, hij had een jaar vastgenageld op zijn ziekestoel doorgebracht, terwijl onder hem, in die weelderige vertrekken, waarvan de geluiden zelfs niet tot zijn ooren doordrongen, dat hartverscheurende drama afgespeeld werd. Hoe dikwijls had hij getracht te luisteren, bang voor twisten, wanhopig zich niet meer nuttig te kunnen maken. Van zijn zoon, die zweeg, vernam hij niets; hij hoorde slechts nu en dan bijzonderheden van Benedetta. En dit huwlijk, waarin hij eens den zoo vurig verlangden band tusschen het oude en het nieuwe Rome gezien had, dat niet voltrokken huwlijk maakte hem wanhopig; het was het echec van al zijn verwachtingen, de definitieve ontgoocheling van zijn levensdroom. Hij zelf was ten slotte naar een echtscheiding gaan verlangen, zoo ondragelijk was het lijden onder een dergelijken toestand.

“Ach, lieve vriend, nog nooit heb ik het fatale van zekere tegenstellingen zoo goed begrepen—en hoe men met het meest liefhebbende hart en het oprechtste karakter zijn ongeluk en dat van anderen bewerken kan.”

Maar de deur ging opnieuw open en ditmaal kwam, zonder geklopt te hebben, graaf Prada binnen. Onmiddellijk nam hij, na den bezoeker, die opgestaan was, vluchtig gegroet te hebben, zacht de handen van zijn vader en betastte die, bang, dat hij ze te warm of te koud vinden zou. [134]

“Ik kom juist van Frascati, waar ik heb moeten overnachten, zoo druk heb ik het met dat onderbroken bouwen. Ze hebben me gezegd, dat u een slechten nacht gehad hebt.”

“Wel neen, geen quaestie van.”

“O, u zoudt het nooit bekennen … Waarom blijft u er zoo hardnekkig bij om hier te wonen, zonder eenig gemak? Dat gaat op uw jaren niet meer. U zoudt me er zoo’n groot pleizier mede doen, als u een meer comfortabele kamer nam, waar u beter zoudt kunnen slapen.”

“Neen, hoor, ik denk er niet aan … Ik weet, dat je het goed met mij meent, beste Luigi. Maar laat ik mijn eigen zin nou maar doen. Dat is de eenige manier, om mij gelukkig te maken.”

Pierre werd diep getroffen door de innige liefde, die uit de blikken der beide mannen straalde, terwijl zij elkaar oog in oog aankeken. Het scheen hem zoo aandoenlijk, zoo prachtig mooi toe, daar toch zooveel tegenstrijdige denkbeelden en handelingen, zooveel verschillen, die een moreele breuk veroorzaakt hadden, hen scheidden.

Hij vergeleek hen met belangstelling. Graaf Prada, die korter en gezetter was, had denzelfden energieken, krachtigen kop met borstelig zwart haar, dezelfde openhartige, eenigszins harde oogen in een blozend gezicht met dikke snor. Maar de mond verschilde, een zinnelijke, vraatzuchtige mond met een wolfsgebit, een bloeddorstige mond, als geschapen voor den avond na den slag, wanneer het er slechts nog om gaat in de overwinning van anderen te bijten. Dat was dan ook de reden, waarom men, wanneer zijn vrijmoedige oogen geprezen werden, zeide: “Ja, maar zijn mond bevalt mij niet.” Zijn voeten waren groot, zijn handen dik en te breed, maar mooi.

Pierre verwonderde er zich over, dat hij precies zoo was als hij verwacht had. Hij kende zijn geschiedenis nauwkeurig genoeg, om zich een beeld van den heldenzoon te kunnen vormen, dien de overwinning bedorven had, die met vollen mond den door het roemrijke zwaard van zijn vader gemaaiden oogst verslindt. Hij ging vooral na hoe de deugden van zijn vader van den rechten weg afgeweken waren, zich in het kind tot ondeugden vervormd hadden; de edelste eigenschappen waren ontaard, de heldhaftige, onbaatzuchtige energie was woeste genotzucht, de man van den slag de man van den buit geworden, sedert de grootsche gevoelens van geestdrift sliepen, sedert men niet meer vocht en te midden van [135]den opgehoopten buit in alle kalmte plunderde en roofde. En de held, de met lamheid geslagen, tot onbeweeglijkheid gedoemde vader moest getuige zijn van de ontaarding van zijn zoon, den met millioenen volgepropten zakenman.

Maar Orlando stelde Pierre voor.

“Mijnheer de abbé Pierre Froment, over wien ik je zoo dikwijls gesproken heb, de schrijver van het boek, dat ik je heb laten lezen.”

Prada was dadelijk zeer vriendelijk en begon onmiddellijk met een intelligenten hartstocht over Rome te spreken als iemand, die er een groote moderne hoofdstad van maken wil. Hij had het na het tweede keizerrijk gemetamorphoseerde Parijs, het na de overwinningen van Duitschland vergroote en verfraaide Berlijn gezien; en volgens hem werd Rome, als het zich bij die beweging niet aansloot, als het niet een groote stad werd, die een groot volk bewonen kon, met een spoedigen dood bedreigd. Of een ineenstortend museum of een nieuw-geschapen, herboren stad.

Vol belangstelling, reeds bijna gewonnen luisterde Pierre naar dezen welsprekenden man, wiens krachtige en heldere geest hem inpalmde. Hij wist hoe handig hij gemanoeuvreerd had in de zaak van de villa Montefiori, waarbij hij rijk geworden was en zoovele anderen zich geruïneerd hadden, daar hij ongetwijfeld de onvermijdelijke catastrophe reeds voorzien had op het oogenblik, waarop de agiowoede de geheele natie nog het hoofd op hol bracht. Toch ontdekte hij op dit wilskrachtige, energieke gezicht reeds teekenen van moeheid, vroegtijdige rimpels, afhangende lippen, alsof de man uitgeput raakte van het voortdurende strijden tusschen al die instortingen om hem heen, welke den grond ondermijnden en door den terugslag ook de best belegde fortuinen dreigden mede te sleepen. Men vertelde, dat Prada in den laatsten tijd ernstige zorgen gehad had; niets stond meer vast, alles kon opgeslokt worden ten gevolge van de financieele crisis, die van dag tot dag dreigender werd. Bij dezen ruwen zoon van Noord-Italië ontstond onder den verweekelijkenden, verderfelijken invloed van Rome een soort verval, een langzame verrotting. Al zijn hartstochten hadden hun bevrediging gezocht, hij putte er zich in uit door alles—zijn zucht naar geld, zijn passie voor vrouwen—hun volle maat te geven. Vandaar de groote, zwijgende droefheid van Orlando, als hij dit snelle verval van zijn veroveraarsras zag, terwijl Sacco, de Zuid-Italiaan, door het klimaat geholpen en als geschapen [136]voor die wellustige lucht en voor die door de zon verbrande steden vol oud stof, er zich ontwikkelde als de natuurlijke vegetatie van den door de misdaden der geschiedenis gedrenkten bodem en zich er langzamerhand van alles, van rijkdom en macht, meester maakte.

Toen de naam Sacco genoemd werd, vertelde de vader den zoon van Serafina’s bezoek. Zonder verder iets te zeggen, keken zij beiden elkaar met een glimlach aan. Het gerucht liep, dat de overleden minister van Landbouw misschien niet dadelijk vervangen zou worden, dat een andere minister het departement ad interim zou leiden en men de opening der Kamer afwachten zou.

Daarna kwam het gesprek op het paleis Boccanera, waarbij Pierre dubbel aandachtig toeluisterde.

“Zoo, logeert u in de Via Giulia,” zeide de graaf tegen hem. “Daar slaapt het heele oude Rome in de stilte der vergetelheid.”

Onbevangen sprak hij over den kardinaal en zelfs over Benedetta, de contessina, zooals hij zeide, wanneer hij over zijn vrouw sprak. Hij deed alles om geen toorn te laten blijken. Maar de jonge priester voelde, dat hij inwendig beefde, dat zijn hart nog bloedde en gromde van wrok. Bij hem brak de begeerte naar de vrouw los met de heftigheid van een behoefte, die onmiddellijk bevredigd moest worden; ongetwijfeld was dat weer een der ontaarde deugden van zijn vader: de dwepende geestdrift, die op het doel toesnelde en tot onmiddellijk handelen aanzette. Toen hij, na zijn liaison met prinses Flavia, Benedetta, de goddelijke nicht van een zoo mooi gebleven tante, bezitten wilde, had hij zich dan ook in alles geschikt; in een huwelijk, in den strijd tegen dat jonge meisje, dat hem niet lief had, in het zekere gevaar zijn geheele leven te bederven. Liever had hij Rome in brand gestoken dan van haar afgezien. En dat, waaraan hij thans zonder hoop op genezing leed, de steeds weer opengaande wonde in zijn borst was het bewustzijn, dat hij haar niet bezeten had, dat hij zeggen moest, dat zij de zijne was en zich aan hem geweigerd had.

Nooit zou hij den smaad kunnen vergeten; de wond bleef in zijn onbevredigden hartstocht, waar de minste ademtocht het branden weer aanwakkerde. En onder het correcte uiterlijk verborg zich een razende, jaloersche en wraakzuchtige wellusteling, die tot een misdaad in staat was.

“Mijnheer de abbé is op de hoogte,” prevelde de oude Orlando met zijn droevige stem. [137]

Prada maakte een gebaar als om te zeggen, dat iedereen op de hoogte was.

“O, vader, als ik niet naar u geluisterd had, zou ik mij nooit tot dat nietigverklaringsproces geleend hebben. De contessina zou dan wel verplicht geweest zijn weer in de echtelijke woning terug te keeren, en zich thans niet met haar liefje, dien neef Dario van haar, vroolijk over ons maken.”

Op zijn beurt wilde Orlando nu met een gebaar protesteeren.

“Maar natuurlijk, vader. Waarom denkt u, dat zij van hier gevlucht zou zijn als het niet is, om thuis in de armen van haar minnaar te leven? En ik vind zelfs, dat het paleis in de Via Giulia met zijn kardinaal vrij vuile zaakjes verbergt.”

Deze strafbare, volgens hem publieke, schaamtelooze liaison was het gerucht, dat hij verspreidde, de beschuldiging, die hij overal inbracht tegen zijn vrouw. Feitelijk geloofde hij er zelf niet aan, daar hij het koele verstand van Benedetta, het bijgeloovige, bijna mystieke begrip, dat zij in haar maagdelijkheid legde, haar vasten wil om alleen toe te behooren aan den man, dien zij liefhad en die haar echtgenoot voor God was, maar al te goed kende. Doch hij vond, dat een dergelijke beschuldiging een goede en zeer handige politiek was.

“Tusschen twee haakjes,” riep hij plotseling uit, “weet u al, vader, dat ik inzage gehad heb van de memorie van Morano. Het staat nu vast: als het huwelijk niet voltrokken is kunnen worden, dan is dat ten gevolge van de impotentie van den echtgenoot.”

Hij barstte in een luiden lach uit, als wilde hij daardoor te kennen geven, dat hij dit het toppunt van het komische vond. Maar hij was onder zijn heimelijke verbittering bleek geworden, zijn lachende mond had een harden, wreed-moorddadigen trek; blijkbaar had slechts deze valsche, voor een man van zijn viriliteit zoo smadelijke beschuldiging van impotentie hem er toe gebracht zich in dit proces te verdedigen, iets, waarvan hij in den beginne niets had willen weten. Hij zou zich dus verzetten. Overigens was hij overtuigd, dat zijn vrouw de nietigheidsverklaring niet verkrijgen zou. En nog altijd lachend gaf hij enkele vrij brutale bijzonderheden over het gebeurde en legde uit, dat het niet zoo gemakkelijk was met een vrouw, die zich verzet en bijt en krabbelt, maar dat hij er geen eed op zou durven doen, dat het hem niet gelukt was. In ieder geval zou hij het bewijs [138]vragen, het Godsoordeel, zooals hij, nog harder lachend om zijn grap, zeide, en wel voor de verzamelde kardinalen.

“Luigi,” zeide Orlando zacht met een blik op den jongen priester.

“Ja, ik zwijg al, u hebt gelijk, vader. Maar werkelijk het is zoo afschuwlijk, zoo belachelijk … U weet toch wat Lisbeth gezegd heeft: “Arme jongen, dan moet ik dus zeker van een kleinen Jezus bevallen.”

Orlando kon wederom zijn misnoegen niet onderdrukken, want hij hield er niet van, dat zijn zoon, wanneer er een bezoeker was, zoo openlijk over zijn liaison sprak. Lisbeth Kauffmann, nauwlijks dertig jaar, hoogblond, zeer blozend en steeds even lachend en vroolijk, behoorde tot de vreemdelingenkolonie; zij was weduwe, haar man was twee jaar te voren te Rome, waar hij genezing was komen zoeken voor een borstkwaal, overleden. Daar zij rijk genoeg was, om niemands hulp noodig te hebben, was zij, een hartstochtelijke kunstliefhebster en zelf een vrij goede schilderes, te Rome gebleven; zij had in de Via Principe Amadeo, in een der nieuwere wijken, een klein paleis gekocht, waarvan de groote, in een atelier veranderde, in alle jaargetijden met bloemen doorgeurde en met oude stoffen behangen zaal op de tweede verdieping aan de beau monde van Rome heel goed bekend was. Daar bewoog zij zich in lange blouses gekleed, in haar voortdurende vroolijkheid; zij was een beetje overmoedig en kon gewaagde grappen vertellen, doch had zich, behalve met Prada, nog niet gecompromitteerd.

Hij viel blijkbaar in haar smaak en zij had zich eenvoudig aan hem gegeven, toen zijn vrouw hem verliet. Zij was thans in de zevende maand van haar zwangerschap, die zij volstrekt niet trachtte te verbergen; integendeel zij zag er zoo kalm en gelukkig uit, dat haar uitgebreide vriendenkring haar bleef bezoeken, als was dat in dit vrije leven van groote kosmopolitische steden van geen beteekenis. In de omstandigheden, waarin hij verkeerde, was Prada met die zwangerschap natuurlijk ten zeerste ingenomen; zij was in zijn oogen het beste argument tegen de beschuldiging, waaronder zijn manlijke trots leed. Maar zonder dat hij het zichzelf bekennen wilde, bloedde de ongeneeslijke wond in zijn hart er niet minder om; want noch dit aanstaande vaderschap, noch het vleiende bezit van de knappe Lisbeth wogen op tegen de bitterheid van Benedetta’s weigering: haar wilde hij met al den hartstocht, die in hem was, bezitten, [139]haar had hij vreeselijk willen straffen, omdat hij haar niet bezeten had.

Pierre, die van deze liaison niet op de hoogte was, begreep niets van het gesprek. Daar hij zich verlegen voelde en zich een houding wilde geven, had hij een dik boek van de tafel genomen en zag tot zijn verwondering, dat het een Fransch onderwijsboek was, een van die handboeken voor het baccalaureaat, die een samenvatting van de in het programma vereischte kennis bevatten. Het was slechts een eenvoudig en practisch boek voor het lager onderwijs, maar het handelde over de geheele wiskunde, de natuur- en scheikunde, zoodat het een korte samenvatting was van de veroveringen der eeuw en van den tegenwoordigen stand van het menschelijk weten.

“Zoo,” riep Orlando, blij over de afleiding, uit, “kijkt u het boek van mijn ouden vriend Théophile Morin in. Zooals u wel weten zult, was hij een der duizend van Marsala en heeft hij met ons Sicilië en Napels veroverd. Een held!… En nu al meer dan dertig jaar geleden is hij naar Frankrijk teruggekeerd als eenvoudig leeraar, wat hem ook al niet rijk gemaakt heeft. Hij heeft dan ook een boek geschreven, dat, naar het schijnt, zóó goed verkocht wordt, dat hij op het denkbeeld gekomen is daar ook nog een voordeeltje uit te slaan door vertalingen, o. a. een Italiaansche … Wij zijn broeders gebleven, en hij heeft gedacht van mijn invloed, dien hij voor zeer gewichtig houdt, gebruik te maken. Maar hij vergist zich, helaas; ik geloof niet, dat het mij gelukken zal een uitgever ervoor te vinden.”

Prada, die weer correct en voorkomend geworden was, haalde zijn schouders op, vol van het scepticisme van zijn tijdgenooten, die er alleen maar op uit zijn de bestaande dingen te handhaven, om er zooveel mogelijk nut uit te trekken.

“Waarom ook?” prevelde hij. “Er zijn al veel te veel boeken.”

“Neen, neen, er zijn niet te veel boeken,” antwoordde de oude man hartstochtelijk. “We hebben boeken, steeds meer boeken noodig. Door het boek en niet door het zwaard, zal de menschheid de leugen en de ongerechtigheid overwinnen, den definitieven broedervrede tusschen alle volkeren veroveren … Ja, je lacht, ik weet, dat je dat mijn denkbeelden van 48 noemt, “vieille barbe”, zooals men bij u in Frankrijk zegt, nietwaar mijnheer Froment? Maar daarom staat het [140]niet minder vast, dat Italië dood is, als men zich niet haast het probleem van onderen aan te vatten, dat wil zeggen, wanneer men het volk niet maakt; en er bestaat maar één manier, om een volk te maken en menschen te scheppen, en die is, dat men ze onderwijst, dat men door het onderwijs de groote, verloren kracht ontwikkelt, die thans in onwetendheid en luiheid ten onder gaat … Ja, ja, Italië is geschapen, laten we thans Italianen scheppen. Boeken, boeken en nog eens boeken! En steeds verder voorwaarts, steeds dieper de wetenschap, de helderheid in, indien wij leven, goed, gezond en sterk zijn willen!”

De oude Orlando, die zich half opgericht had, was met zijn machtigen leeuwenkop heerlijk om aan te zien; het schitterende wit van zijn baard en zijn hoofdhaar scheen te vlammen. En zijn kreet van hoop had door dit reine, in zijn gewilde armoede zoo aandoenlijke vertrek met zulk een hartstochtelijk vertrouwen weerklonken, dat de jonge priester een andere gestalte voor zich zag oprijzen, die van kardinaal Boccanera, geheel zwart, slechts het haar wit als sneeuw, eveneens bewonderenswaardig in zijn heldhaftige schoonheid, hoog opgericht midden in zijn in puin vallend paleis, waarvan de vergulde balken op zijn schouders dreigden neer te storten. O, deze groote stijfkoppen, die geloovigen, die ouders, die manlijker, hartstochtelijker blijven dan de jongen! Deze twee stonden aan twee tegenover elkaar liggende einden van meeningen, daar zij niet één gemeenschappelijke idee, niet één gemeenschappelijke liefde hadden, en toch schenen zij alleen in dit oude Rome, waar alles in stof vervloog, onverwoestbaar en als twee gescheiden broeders onbeweeglijk aan den horizont te staan en over de stad heen hun protest uit te schreeuwen. De aanblik van deze beiden in hun grootschheid, in hun eenzaamheid, in hun verheven zijn boven de dagelijksche laagheid, vulde een dag met een droom der eeuwigheid.

Prada had dadelijk met kinderlijk-bezorgden druk de handen van den ouden man in de zijne genomen, om hem te kalmeeren.

“Ja, ja, vader, u hebt gelijk, gelijk zooals altijd, en ik ben een domkop, om u tegen te spreken. Maar ik smeek u, beweeg u niet zoo, uw plaid valt af en uw voeten zullen weer koud worden.”

Hij knielde naast zijn vader neer en legde de plaid met oneindige zorg weer goed; daar bleef hij ondanks zijn vier-en-veertig [141]jaar als een kleine jongen op den grond zitten en sloeg zijn vochtige, in zwijgende vereering smeekende oogen naar hem op, terwijl de oude man, kalm nu en ontroerd, met bevende vingers zijn haar streelde.

Pierre was langer dan twee uur daar geweest, toen hij eindelijk, zeer getroffen en ontroerd door alles wat hij gezien en gehoord had, afscheid nam. Opnieuw moest hij beloven terug te komen, om langer te praten. Buiten gekomen, liep hij op goed geluk verder. Het was nog geen vier uur; hij wilde in dit heerlijke uur, waarin de zon aan den verfrischten, onmetelijk blauwen hemel daalde, zonder een vooraf vastgesteld plan dwars door Rome slenteren. Maar bijna onmiddellijk bevond hij zich in de Via Nazionale, die hij den vorigen dag bij zijn aankomst doorgereden had; hij herkende de groene, naar het Quirinaal loopende tuinen, de witachtige, buitensporig groote Bank, de pijnboomen van de villa Aldobrandini; dan zag hij bij de kromming, toen hij staan bleef, om de Trajanuszuil, die nu als een donkere schacht tegen den achtergrond van het reeds door de schemering gevulde lage plein afstak, nog eens te zien, plotseling tot zijn groote verbazing een victoria stilhouden, waaruit een jonge man hem beleefd riep, terwijl hij hem met zijn hand wenkte.

“Mijnheer de abbé Froment! Mijnheer de abbé Froment!”

Het was de jonge prins Dario Boccanera, die zijn dagelijkschen wandelrit op den Corso ging maken. Bijna altijd à court d’argent, leefde hij nog slechts van de vrijgevigheid van zijn oom, den kardinaal. Maar evenals alle Romeinen zou hij, als het noodig was, droog brood gegeten hebben, om zijn rijtuig, zijn paard en zijn koetsier te kunnen houden. In Rome is een rijtuig een onontbeerlijke luxe.

“Als u wilt instappen, mijnheer de abbé, zal het mij een genoegen zijn u iets van onze stad te laten zien.”

Ongetwijfeld wilde hij, door voorkomend te zijn jegens haar protégé, Benedetta een pleizier doen. En bovendien vond hij het, daar hij niets anders te doen had, aardig den jongen priester, die, naar men zeide, zoo intelligent was, in te wijden in wat hij voor de bloem van Rome, het onnavolgbare leven hield.

Pierre moest het wel aannemen, ofschoon hij liever alleen zijn wandeling voortgezet had. Toch interesseerde hem de jonge man, deze laatstgeborene van een uitgeput ras; van wien hij voelde, dat hij niet tot denken of handelen in staat was. [142]doch die verder ondanks zijn trots en zijn indolentie zeer innemend was. Veel meer Romein dan patriot, had hij nooit de geringste neiging gehad zich te rallieeren, hij leefde liever in afzondering en niets doen. Ondanks zijn hartstochtelijk karakter deed hij geen dwaasheden, daar hij zeer practisch en overleggend was, zooals trouwens de meesten van zijn stadgenooten niettegenstaande hun schijnbare onstuimigheid. Zoodra het rijtuig, na de piazza de Venezia overgestoken te zijn, op den Corso gekomen was, liet hij zijn kinderlijke ijdelheid, zijn liefde voor het gelukkige en vroolijke leven buitenshuis onder den mooien hemel blijken. En dat alles drukte hij zoo duidelijk uit in het eenvoudige gebaar, waarmede hij zeide:

“De Corso!”

Evenals den vorigen dag was Piere één en al verbazing. Weer strekte de lange en smalle straat zich uit tot de piazza del Popolo, geheel wit van licht, slechts met dit onderscheid, dat nu de huizen aan den rechterkant in de zon baadden, terwijl die aan de linkerzijde in de schaduw lagen. Wat, was dat de Corso? Deze halfdonkere, tusschen hooge, zware gevels ingedrukte loopgraaf! Deze armoedige weg, waar hoogstens drie rijtuigen naast elkaar konden rijden, die door dicht op elkaar gedrongen winkels met hun etalages van klatergoud omzoomd werd. Geen vrije ruimte, geen wijde horizonten, geen schaduwgevend, verfrisschend groen. Niets dan een stooten, een dringen en een bijna verstikken langs de kleine trottoirs onder een kleine reepje hemel. Vergeefs noemde Dario hem de historische en weelderige paleizen: palazzo Bonaparte, palazzo Doria, palazzo Odelscachi, palazzo Sciarra, palazzo Chigi; vergeefs wees bij hem de piazza Colonna met de zuil van Marcus Aurelius, het drukste plein der stad, waar steeds een groote menigte pratend en kijkend rondslentert; vergeefs deed hij hem, tot aan de piazza del Popolo, de kerken, de huizen, de dwarsstraten, de via Candotti, aan het einde waarvan in de glorie van de ondergaande zon, de Santa Trinità dei Monti als goud boven de triomphantelijke Spaansche trap oprees, bewonderen,—Pierre bleef den teleurstellenden indruk houden van een straat zonder breedte en zonder licht. De paleizen schenen hem droefgeestige ziekenhuizen of kazernes toe; de piazza Colonna toonde een jammerlijk gemis aan boomen; alleen de Santa Trinità dei Monti had hem door haar schittering als in een verre apotheose betooverd.

Maar nu ging het van de piazza del Popolo weer naar de [143]piazza de Venezia terug, en weer terug, en nogmaals terug, twee-, drie-, viermaal, onvermoeibaar. Dario was in zijn element, liet zich zien, keek rond, groette, werd gegroet. Op de twee trottoirs slenterde een dicht op elkaar gedrongen menigte, wier oogen zich tot achter in de rijtuigen boorden, wier handen de handen van hen, die erin zaten, hadden kunnen drukken. Langzamerhand werd het aantal rijtuigen zóó groot, dat de ononderbroken, vast aaneengesloten dubbele rij verplicht was stapvoets te gaan. Bij het voortdurend langs elkaar gaan van degene, die heen-, en van degene, die terugreden, kon men elkaar aanraken, elkaar goed opnemen. Geheel Rome drong zich hier samen, hoopte zich op in de kleinst denkbare ruimte; het waren menschen, die elkaar kenden en elkaar hier weer vonden als in de vertrouwelijkheid van een salon; menschen, die niet op vertrouwelijken voet met elkaar stonden en tot tegenovergestelde kringen behoorden, maar hier tegen elkaar aan stieten en elkaar tot in de ziel kijken konden. Nu ging Pierre een licht op; hij begreep den Corso, de oeroude gewoonte, den hartstocht en de glorie der stad. Ja, het genot lag juist in de nauwte van de straat, in dat gedwongen tegen elkaar stooten, waardoor onverwachte ontmoetingen, de bevrediging van nieuwsgierigheid, het ten toon spreiden van ijdelheid, het voeren van eindelooze gesprekken mogelijk werd. De geheele stad zag hier elkaar dagelijks terug, liet zich zien, loerde op elkaar, het was een op den duur zoo dringende behoefte geworden om elkaar zóó te zien, dat een man van goede familie, die den Corso meed, als een wilde beschouwd werd, die buiten zijn kringen, zonder couranten leefde.

Dario glimlachte steeds door, boog steeds weer ten groet; hij noemde Pierre prinsen en prinsessen, hertogen en hertoginnen, klinkende namen, wier glans de geschiedenis vulde, wier klankrijke lettergrepen het op elkaar botsen van wapenrustingen in den slag, de pauselijke processies met haar purper ornaat, haar gouden tiara’s, haar heilige, van juweelen fonkelende gewaden voor den geest riepen. Maar Pierre zag tot zijn wanhoop dikke dames, kleine heeren, opgeblazen of ziekelijke wezens, die door de moderne kleeding nog leelijker werden. Toch vielen enkele knappe vrouwen op, vooral jonge meisjes, zwijgend, met groote, heldere oogen. Toen Dario, hem het paleis Buongiovanni wees, een grooten gevel uit de zeventiende eeuw met door lofwerk omgeven ramen, voegde hij er lachend aan toe: [144]

“Kijk, daar staat Attilio op het trottoir… U weet wel, de jonge luitenant Sacco!”

Met een hoofdknikje antwoordde Pierre, dat hij op de hoogte was. Attilio, in zijn uniform, jong met zijn levendig en flink uiterlijk en zijn open gezicht, waarin de blauwe oogen van zijn moeder liefdevol glansden, nam hem dadelijk voor zich in. Hij was inderdaad de jeugd en de liefde in hun geestdriftige en zich om de toekomst niet bekommerde hoop.

“U zult zien,” ging Dario voort, “dat hij, wanneer we terugkomen, er nog staat. Let maar op, dan zal ik u tevens nog op iets anders opmerkzaam maken ook.

Hij sprak vroolijk over de jonge meisjes, die in den Sacré-Coeur in zoo strenge afzondering opgevoede en verder meestal zoo onwetende jonge prinsessen en hertoginnen, die daarna haar opvoeding voltooiden in de rokken van haar moeder, met haar den verplichten wandelrit op den Corso maakten en de eindelooze dagen verder leefden in de afzondering der sombere paleizen. Maar welke stormen woedden in deze zwijgende zielen, waarin niemand nog was afgedaald! Hoe wies onder die passieve gehoorzaamheid, onder die schijnbare onwetendheid omtrent dat, wat haar omringde, soms haar wilskracht op! Hoevelen wilden hardnekkig haar leven zelf maken, den man, die in haar smaak vallen zou, zelf kiezen, hem hebben tegen de geheele wereld in. En de geliefde werd onder den stroom van jonge mannen op den Corso gezocht en uitverkoren; de geliefde werd onder de wandeling met de oogen gevischt, met de reine oogen, die spraken, wier blik voor de bekentenis, voor de algeheele overgave voldoende waren, zonder dat één ademtocht over de kuisch gesloten lippen behoefde te komen. Ten slotte kwamen dan de in de kerk heimelijk overhandigde liefdesbrieven, maakte de omgekochte kamenier de in den beginne zoo onschuldige ontmoetingen makkelijk. Ten slotte volgde dan aan het eind dikwijls een huwlijk.

Celia nu had Attilio gewild vanaf het eerste oogenblik, dat hun blikken elkaar ontmoet hadden op een doodelijk vervelenden dag, dat zij hem voor het eerst uit een raam van het paleis Buongiovanni had gezien. Hij keek toevallig op en zij had, terwijl zij zichzelf met haar groote, reine oogen, die in de zijne rusten bleven, gaf, hem voor eeuwig gevangen. Zij was slechts een liefhebbende vrouw—niets meer. Hij viel in haar smaak, zij wilde hèm, hèm en geen [145]ander. Zij zou desnoods twintig jaar op hem gewacht hebben, maar zij hoopte hem door de kalme hardnekkigheid van haar wil dadelijk te veroveren. Allerlei verhalen omtrent vreeselijke uitbarstingen van woede van haar vader, die zich echter te pletter liepen tegen haar eerbiedig en halsstarrig zwijgen, deden de rondte. De prins, van gemengd bloed, de zoon van een Amerikaansche en zelf de echtgenoot van een Engelsche, streed slechts, om te midden van de instortingen om hem heen, zijn naam en zijn vermogen intact te houden.

Het gerucht liep, dat tengevolge van een woordenwisseling, waarin hij haar voor de voeten wierp niet voldoende over haar dochter gewaakt te hebben, de prinses met al den hoogmoed en al het egoïsme van een vreemdelinge, die vijf millioen medegebracht had, in verzet gekomen was. Was het niet voldoende, dat zij hem vijf kinderen geschonken had? Zij bracht haar dagen in aanbidding van zichzelf door, bemoeide zich niet met Celia, liet het huishouden, waarin de storm woedde, aan zichzelf over.

Maar het rijtuig reed opnieuw langs het paleis en Dario waarschuwde Pierre.

“Ziet u, daar is Attilio weer … En kijk nu eens naar boven naar het derde raam van de eerste verdieping.”

Het was een kort, maar charmant tooneeltje. Pierre zag een hoekje van het gordijn wat ter zijde trekken en het zachte gezichtje van Celia, een reine, gesloten lelie, werd zichtbaar. Zij glimlachte niet, zij bewoog zich niet. Niets was uit dien kuischen mond en die heldere oogen te lezen. Toch trok zij Attilio tot zich, gaf zij zich onvoorwaardelijk aan hem. Het gordijn viel weer neer.

“Die kleine heks!” prevelde Dario. “Wie kan ooit weten, wat er achter zooveel onschuld verborgen ligt?”

Toen Pierre omkeek, zag hij Attilio daar nog steeds met opgeheven hoofd staan; ook zijn gezicht was bewegingloos en bleek, zijn mond gesloten, zijn oogen wijd geopend. En deze grenzenlooze liefde in haar plotselinge almacht, de ware, eeuwige en jonge liefde, die zich verhief boven de eerzucht, en de berekeningen van de omgeving, trof hem diep.

Dan gaf Dario zijn koetsier bevel naar den Pincio te rijden: den op mooie middagen verplichten rit naar den Pincio. Eerst kwamen zij de piazza del Popolo over, het ruimste en regelmatigste plein van Rome, met zijn in aanleg zijnde straten, zijn symmetrische kerken, zijn obelisk in het midden, zijn twee [146]boomgroepen, die aan beide zijden van den kleinen, witten rijweg, tusschen de ernstige, door de zon vergulde gebouwen tegenover elkaar staan. Dan reed het rijtuig rechts den oprit van den Pincio op, een prachtigen, met bas-reliefs, standbeelden en fonteinen versierden zigzagweg, een apotheose van marmer, een herinnering aan het oude Rome, die zich tusschen het groen opricht. Maar de tuin bovenop kwam Pierre klein voor, niet veel meer dan een groot plein, een vierkant met vier lanen, die noodig waren, om de equipages eindeloos te kunnen laten keeren en draaien. Een ononderbroken rij borstbeelden van beroemde mannen uit het oude en nieuwe Italië liep langs de alleeën heen. Pierre bewonderde vooral de boomen, de zeldzaamste, met groote zorg gekozen en onderhouden boomsoorten, bijna alle met altijd groen loof, waardoor hier zoowel in den zomer als in den winter een heerlijke, in alle tinten van groen genuanceerde schaduw verkregen werd. Het rijtuig begon nu door de mooie frissche lanen achter de andere equipages, die één onafgebroken stroom vormden, te rijden.

Pierre merkte in een donkerblauwe, elegant bespannen victoria een jonge dame alleen op. Zij was knap, klein, kastanjebruin met een matte tint, groote zachte oogen, en zag er bescheiden en verleidelijk eenvoudig uit. Bij haar streng costuum van feuille-morte-zijde droeg zij een grooten, eenigszins extravaganten hoed. Toen Dario haar vrij onbeschaamd opnam, vroeg de priester hem haar naam, wat den jongen prins deed glimlachen. O, niemand, Tonietta, een van de weinige demi-mondaines, waarover Rome sprak.

Dan vertelde hij, met de openhartige vrijmoedigheid van zijn ras in liefdesquaesties, bijzonderheden: haar afkomst was niet met volkomen zekerheid bekend; sommigen beweerden, dat zij de dochter van een kroegbaas in Tivoli was, anderen daarentegen beweerden, dat een Napolitaansche bankier haar vader was. Doch hoe dit zij, in ieder geval was het een zeer intelligent meisje, dat zich een zekere beschaving eigen gemaakt had en uitstekend wist te ontvangen in haar klein paleis in de Via dei Mille, dat zij van den ouden, thans overleden markies Manfredi gekregen had. Zij afficheerde zich niet, had nooit meer dan één amant tegelijk, en de prinsessen en hertoginnen, die dagelijks op den Corso door haar in onrust geraakten, vonden haar fatsoenlijk. Een bijzondere eigenschap had haar vooral beroemd gemaakt; meermalen maakte een zoo hartstochtelijke passie zich van haar meester, [147]dat zij zich voor niets aan haar geliefde gaf en alleen iederen ochtend een ruiker witte rozen van hem wilde hebben, zoodat de menschen, wanneer zij haar dikwijls weken achtereen met deze reine rozen, dezen witten bruidsbouquet op den Pincio zagen, met liefdevol welgevallen naar haar keken.

Maar Dario viel zichzelf in de rede om plechtig een dame, die alleen in gezelschap van een heer in een grooten landauer voorbij reed, te groeten. En hij zeide eenvoudig tot den priester:

“Mijn moeder.”

Pierre kende haar, althans vicomte de la Choue had hem het een en ander over haar verteld: haar tweede huwelijk op vijftigjarigen leeftijd na den dood van prins Onofrio Boccanera; de manier, waarop de nog altijd mooie vrouw precies als een jong meisje op den Corso, een knappen, vijftien jaar jongeren man, die in haar smaak viel, met haar blikken gevischt had; en wie die man, die Jules Laporte, was, een oud-sergeant der Zwitsersche garde, naar men beweerde, een voormalige commis-voyageur in reliquieën, die gecompromitteerd was geweest in een geruchtmakende zaak van valsche reliquieën; hoe zij van hem een markies Montefiori gemaakt had van statig voorkomen—de laatste van de geluksridders in het legendarische land, waar de herders met koninginnen trouwen.

Toen een volgende maal de groote landauer weer voorbij reed, nam Pierre hen beiden goed op. De markiezin was werkelijk nog verbazingwekkend in haar tot vollen bloei gekomen, klassiek-Romeinsche schoonheid, groot, flink gebouwd, hoogblond, met een godinnekop met regelmatige, eenigszins domme trekken; alleen het lichte dons, waarmede haar bovenlip bedekt was, verried haar leeftijd. De markies, deze geromaniseerde Zwitser uit Genève, maakte met zijn breede, krachtige officiersschouders en zijn opgedraaide snor werkelijk een imposanten indruk; hij was niet dom, heel vroolijk en plooibaar en zeer onderhoudend in gezelschap van dames. Zij was zóó trotsch op hem, dat zij hem overal medesleepte en ten toon stelde; zij was met hem het leven opnieuw begonnen, alsof zij twintig jaar was, en verteerde in zijn armen het kleine, uit de catastrophe van de villa Montefiori geredde vermogen. Zij vergat haar zoon zóó volkomen, dat zij hem menigmaal slechts op den wandelrit zag en als een toevallige kennis groette.

“Laten we naar den zonsondergang achter de St. Pieter [148]gaan kijken!” zeide Dario in zijn rol van consciëntieus vreemdelingengids.

Het rijtuig keerde naar het terras terug, waar een militaire kapel met vreeselijke uitbarstingen der koperinstrumenten speelde. Verschillende equipages stonden reeds stil om te luisteren, terwijl een steeds grooter wordende menigte voetgangers, eenvoudige wandelaars, zich om de tent opgehoopt hadden. Van dat bewonderenswaardige, zeer hooge en zeer breede terras ontrolde zich een der heerlijkste panorama’s van Rome. Aan de overzijde van den Tiber, boven den vaalbleeken chaos van de nieuwe wijk der Prati del Castello, verrees de St. Pieter tusschen het groen van den Monte Mario en den Janiculus. Dan kwam links de geheele oude stad, een eindelooze vlakte van daken, een deinende, onafzienbare zee van gebouwen. Doch steeds weer keerden de blikken terug naar de St. Pieter, die in reine en majestueuse grootschheid in het azuur troonde. En de langzame zonsondergangen achter den kolos, achter in den grenzenloozen hemel maken, van af dit terras gezien, een verheven indruk.

Nu eens is het een ineenstorten van bloedroode wolken, zijn het veldslagen van reuzen, die met bergen tegen elkander strijden en onder de monsterachtige ruïnes van brandende steden verpletterd worden. Dan weer teekenen zich tegen een donker meer slechts roode scheuren af, alsof een lichtnet uitgeworpen was, om tusschen de algen de verdwenen dagvorstin weer op te visschen. Weer een ander maal is het een rose nevel, een zacht stof, dat een regenbui in de verte, waarvan het gordijn over het mysterie van den horizont getrokken is, met paarlen doorstreept heeft. Weer een ander maal is het een triomftocht van purper en goud, wolkenwagens, die over een vuurstraat rijden, galeien, die over een azuren zee trekken, prachtvolle en phantastische stoeten, die in den geleidelijk dieper wordenden afgrond der schemering afdalen.

Maar dien avond ontvouwde zich voor Pierre het schouwspel in een kalme, verblindende grootschheid. Eerst, juist boven den dom van de St. Pieter, was de zon, in een smetteloozen, diepblauwen hemel ondergaande, nog zóó schitterend, dat het oog haar glans niet verdragen kon. In die flikkering scheen de dom als witgloeiend, als een dom van vloeibaar zilver, terwijl de wijk ernaast, de daken van den Borgo, als in een zee van gloed veranderd was. Dan, naarmate de zon verder daalde, nam haar gloed af, kon men [149]haar aanschouwen; en weldra gleed zij majestueus langzaam achter den dom, die zich diepblauw afteekende; tot, geheel erachter schuilgaand, de dagvorstinne niets meer was dan een aureool, een lichtkring, waaruit kroonvormige, vlammende stralen schoten. En dan begon het droombeeld, de zeldzame belichting der ramenrij, die zich onder den koepel uitstrekt; het licht veranderde ze in de roodgloeiende openingen van een smeltoven, zoodat men had kunnen gelooven, dat de dom een in de lucht hangend, door het geweld der vlammen opgeheven en gedragen kolenvuur was. Dat duurde nauwlijks drie minuten. Beneden doken de reeds niet meer duidelijk te onderscheiden daken van den Borgo weg in violette dampen, terwijl de horizont zich van den Janiculus tot den Monte Mario in een duidelijk zwarte lijn afteekende; nu werd op zijn beurt de hemel purper en goud, een oneindige rust van bovenaardsche helderheid over de verdwijnende aarde. Het laatst gingen de ramen uit, ging de hemel uit, bleef alleen nog in den invallenden nacht de onbestemde, steeds vager wordende ronding van den dom van de St. Pieter.

En door een heimelijke gedachtenverbinding zag Pierre op dat oogenblik nogmaals de hooge, droefgeestige en ten ondergang neigende gestalten van kardinaal Boccanera en den ouden Orlando voor zich oprijzen. Op den avond van dien dag, waarop hij na elkaar deze in hun verwachtingen zoo groote mannen had leeren kennen, stonden zij beiden aan den horizont boven hun vernederde stad, aan den rand van den hemel, dien de dood scheen te grijpen. Zou dan alles zoo met hen instorten, alles in den nacht van den afgeloopen tijd uitgaan en verdwijnen? [150]


1 God en volk. 

[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK

Den volgenden dag kwam Narcisse wanhopig aan Pierre vertellen, dat zijn neef, monsignor Gamba del Zoppe, de geheime kamerheer, onder voorwendsel, dat hij ziek was, twee of drie dagen tijd gevraagd had, voor hij den jongen priester ontvangen en zich met zijn audiëntie bezig houden kon. Pierre was dus tot niets doen veroordeeld, daar hij niet langs een anderen weg een poging durfde wagen om den paus te spreken, want men had hem zóó bang gemaakt, dat hij vreesde door een onhandigen stap alles te zullen bederven. En daar hij toch iets doen moest, om den tijd te dooden, begon hij Rome te bezichtigen.

Zijn eerste bezoek gold de ruïnes van den Palatinus. Reeds om acht uur ’s ochtends, bij een helderen hemel, ging hij alleen op weg en begaf zich naar den in de Via Santo Teodoro gelegen ingang, een hek, omgeven door de woningen der bewakers. Dadelijk kwam een van dezen naar hem toe en bood zich als gids aan. Pierre had liever op goed geluk af willen rondzwerven, maar hij vond het moeilijk het aanbod van den man, die zeer vloeiend en met een vriendelijk glimlachje Fransch sprak, te weigeren. Het was een klein, ineengedrongen mannetje, een oud-soldaat van even boven de zestig, met een vierkant, opgeblazen, door een dikke, grijze snor in tweeën gedeeld gezicht.

“Als mijnheer de abbé zoo goed wil zijn mij te volgen … Ik zie, dat mijnheer de abbé een Franschman is. Ik ben een Piemontees en ken de Franschen goed: ik heb aan hun zijde bij Solferino gevochten. Ja, ja, men kan zeggen wat men wil, maar je vergeet het niet zoo gauw, wanneer je wapenbroeders geweest bent … Hier rechtsaf, als het u blieft!”

Toen Pierre opkeek, zag hij de reeks cypressen, die het plateau van den Palatinus omzoomen en die hij den dag van [151]zijn aankomst van af den Janiculus gezien had. In de zoo teerblauwe lucht maakte het donkere groen van die boomen den indruk van zwarte franje. Behalve deze zag men niets, de helling strekte zich kaal en naakt, vuil stofgrijs uit, bestrooid met enkele kreupelboschjes, te midden waarvan stukken van oude muren uitstaken. Het was de verwoesting, de vlekkige troosteloosheid der opgravingen, waarvoor alleen de geleerden zich kunnen opwinden.

“De paleizen van Tiberius, Caligula en der Flavii liggen daar in de hoogte,” ging de gids voort. “Maar die bewaren wij voor het laatst, we zullen eerst een rondgang maken.”

Toch ging hij wat links af en bleef voor een uitholling, een soort grot in de helling van den berg, staan.

“Dit is het wolvenhol, waar de wolvin Romulus en Remus zoogde. Vroeger was aan den ingang nog de vijgeboom Rominalis te zien, die de tweelingen tegen regen en zon beschermde.”

Pierre kon een glimlach niet onderdrukken, zoo eenvoudig en vast overtuigd van de waarheid van wat hij zeide, gaf de man zijn uitleggingen, zóó trotsch bovendien op al dien ouden roem, als ware het de zijne. Maar toen de oud-soldaat hem bij de grot de sporen van Roma quadrata gewezen had, overblijfselen van muren, die werkelijk uit den tijd van Rome’s stichting te stammen schenen, begon Pierre zich te interesseeren, deed een eerste ontroering zijn hart kloppen. Dit kwam natuurlijk niet, omdat het zoo’n wondermooi schouwspel was, want het waren slechts enkele blokken gehouwen steen, die zonder cement of kalk op elkaar gelegd waren, maar een verleden van zeven-en-twintig eeuwen rees hier voor zijn geest op, en deze afgebrokkelde, zwart geworden steenen, die een zoo machtig gebouw van pracht en almacht gedragen hadden, kregen een buitengewone majesteit.

Zij zetten hun rondgang voort en liepen nu naar rechts, steeds langs de helling van den berg. De annexen der paleizen moesten tot hier geloopen hebben: overblijfselen van portieken, ingestorte zalen, nog staande gebleven zuilen en friezen omzoomden het hobbelige pad, dat tusschen kerkhofgrassen slingerde; de gids, die dat, wat hij wist, zoo goed vertelde, omdat hij het nu al tien jaar lang iederen dag herhaald had, bleef de onzekerste hypothesen ten beste geven, terwijl hij aan iederen puinhoop een verhaal toevoegde.

“Het paleis van Augustus,” zeide hij eindelijk met een gebaar van zijn hand naar de aardophoopingen. [152]

Ditmaal waagde Pierre, die absoluut niets zag, te vragen:

“Waar dan?”

“O, mijnheer de abbé, het schijnt, dat aan het einde van de vorige eeuw de gevels nog stonden. Je kwam er van den anderen kant, van de Sacra Via, in. Aan dezen kant was er een groot balkon, dat den grooten Circus Maximus beheerschte, en vanwaar men de spelen zien kon. Overigens is het paleis, zooals u constateeren kunt, nog bijna geheel begraven onder dien grooten tuin boven, den grooten tuin van de villa Mills. Wanneer men geld genoeg voor de opgravingen hebben zal, zal men het terugvinden, dat is zeker, evenals den tempel van Apollo en dien van Vesta, welke ernaast stonden.”

Hij wendde zich nu naar links en ging het Stadium binnen, den kleinen circus voor de wedloopen, die zich vlak langs de zijde van het paleis van Augustus uitstrekte; nu begon ook de priester zich te interesseeren en geestdriftig te worden. Niet dat zich hier een voldoende bewaard gebleven ruïne, die een monumentalen aanblik opleverde, bevond; geen zuil was op haar plaats gebleven en alleen de muren aan den rechterkant stonden nog, maar men had het geheele plan teruggevonden, de grenssteenen aan ieder einde, de zuilengang om de baan, de groote loge van den keizer, die, nadat zij links in het paleis van Augustus geweest was, vervolgens in het paleis van Septimius Severus ingemetseld was en naar rechts uitkeek. En de gids liep nog steeds te midden van die verstrooide puinhoopen, gaf uitvoerige en preciese uitleggingen, verzekerde, dat de heeren der directie van de uitgravingen hun Stadium tot in de kleinste bijzonderheden vastgesteld hadden, zoodat zij bezig waren er een nauwkeurig plan van te maken met de juiste plaats der zuilen, de standbeelden in hun nissen, het soort marmer, waarmede de muren bedekt waren.

“O, de heeren zijn volkomen op hun gemak,” eindigde hij zijn uitlegging, terwijl hij zelf een gelukzalig gezicht trok. “De Duitschers zullen geen aanmerking kunnen maken en hier niet alles ondersteboven gooien, zooals zij op het Forum gedaan hebben, waar je niet meer weet, waar je bent, sedert zij er met hun wetenschap gekomen zijn.”

Pierre glimlachte en zijn belangstelling nam nog toe, toen hij langs gebroken trappen en over gaten geslagen houten bruggen in de reusachtige ruïnes van het paleis van Septimius Severus gekomen was. Het paleis verhief zich op de Zuidpunt van den Palatinus en zag eindeloos ver uit op de [153]Via Appia en de Campagna Romana. Alleen de onderbouw ervan bestaat nog, de onderaardsche zalen, die onder de bogen van het terras aangebracht zijn, waarmede men het te bekrompen geworden plateau van den berg uitgebreid had. En deze blootgelegde onderbouw was voldoende om een denkbeeld te geven van het prachtige paleis, dat erop rustte, zoo reusachtig en machtig als deze in zijn onverwoestbare massa gebleven is. Hier verhief zich het beroemde Septizonium, de toren met zijn zeven verdiepingen, die eerst in de veertiende eeuw verdwenen is. Hier bevindt zich nog een door cyclopische arcaden gedragen terras, vanwaar men een schitterend uitzicht heeft. Vervolgens komt niets dan een opeenhooping van dikke, half ingestorte muren, gapende afgronden te midden van ingevallen zolderingen, rijen van eindelooze gangen en reusachtige zalen, waarvan de bestemming niet bekend is. Al deze door de nieuwe administratie goed onderhouden, schoongeveegde en van onkruid bevrijde ruïnes hebben haar romantische woestheid verloren, om een kale en sombere grootschheid aan te nemen. Maar stralen van de levende zon verguldden de oude muren, drongen door spleten tot achter in de donkere zalen door, brachten met hun schitterend stof leven in de zwijgende droefgeestigheid van deze doode majesteit, die uitgegraven was uit de aarde, waarin zij sedert eeuwen geslapen had. Over de oude, roodachtige, van tegels gemaakte en van hun prachtige marmerbekleeding beroofde muren legde de purpermantel der zon opnieuw een vorstelijke glorie.

Pierre liep nu reeds bijna anderhalf uur rond en nog moest hij de menigte voorste paleizen op het plateau zelf bezichtigen.

“Wij moeten teruggaan,” zeide de gids. “Zooals u ziet, versperren de tuinen der villa Mills en het klooster van Santa Bonaventura ons den weg. We zullen er eerst door komen, wanneer de opgravingen hier deze geheele zijde blootgelegd hebben. O, mijnheer de abbé, wanneer u een kleine vijftig jaar geleden hier op den Palatinus gewandeld hadt! Ik heb plattegronden uit dien tijd gezien. Het waren niets dan wijngaarden, niets dan kleine, door heggen afgesloten tuinen, een echte Campagna, een echte woestijn, waarin je geen levende ziel ontmoette … En te moeten denken, dat al deze paleizen daaronder sliepen!”

Pierre volgde hem, zij liepen weer langs het paleis van Augustus, gingen naar boven en betraden het paleis der Flavii. Het was reusachtig groot, nog half onder de villa [154]ernaast verborgen en bestond uit een menigte groote en kleine zalen, over de bestemming waarvan men het nog steeds niet eens is. De troonzaal, de rechtzaal, de eetzaal en het peristylium schijnen echter vast te staan. Doch voor het overige is alles slechts phantasie, vooral wat de kleine particuliere vertrekken betreft. Trouwens geen muur staat meer overeind; men zag niets dan uitstekende fundamenten, afgebrokkelde grondmuren, die op den grond het plan van het gebouw aangaven. De eenige als door een wonder gespaard gebleven ruïne is het paleis, dat volgens de overlevering aan Livia toebehoord zou hebben; in vergelijking met de reusachtige paleizen ernaast is het opvallend klein, drie zalen zijn met haar nog wonderlijk frissche muurschilderingen, mythologische tooneelen, bloemen en vruchten, intact gebleven. Van het paleis van Tiberius is zelfs geen steen zichtbaar, de overblijfselen ervan liggen verborgen onder het prachtige openbare park, dat op het plateau een voortzetting van de oude Farnesische tuinen vormt; en van het paleis van Tiberius ernaast, boven het Forum, bestaat, evenals van het paleis van Septimius Severus, niets meer dan een reusachtige onderbouw, steunmuren, op elkaar geplakte verdiepingen, hooge booggewelven, die het paleis droegen, kolossale keldergewelven, waarin het dienstpersoneel en de wachtposten woonden en zich overgaven aan voortdurende drinkgelagen. Deze geheele, de stad beheerschende hoogte had dus niets dan nauwlijks herkenbare sporen, groote, grijze en kale, door het houweel doorstoken terreinen, waaruit enkele brokstukken van muren opstaken; en er was een groote geleerdenphantasie voor noodig om de oude keizerlijke pracht, die hier geheerscht had, weer te construeeren.

De gids bleef desniettemin zijn explicaties geven met een rustige overtuiging en naar het ledige wijzen, alsof de monumenten zich nog voor hem oprichtten.

“Hier zijn wij op de piazza Palatina. Links is de gevel van het paleis van Domitianus, rechts die van het paleis van Caligula, en wanneer u zich omkeert, hebt u den tempel van Juppiter Stator tegenover u … De Sacra Via liep tot dit plein en ging onder de Porta Mugonia door, een der drie oude poorten van het oorspronkelijke Rome.”

Hij hield op en wees met zijn hand naar de noordwestzijde van den berg.

“U zult reeds opgemerkt hebben, dat aan die zijde de [155]Caesars niet gebouwd hebben. Blijkbaar moesten zij heel oude, nog uit den tijd van vóór de stichting van Rome dateerende en door het volk vereerde monumenten eerbiedigen. Daar bevonden zich de door Euander en zijn Arcadiërs gebouwde tempel van Victoria, het wolvenhol, dat ik u heb laten zien, de nederige, uit aarde en twijgen opgetrokken hut van Romulus … Dat alles is teruggevonden, mijnheer de abbé, daar is geen twijfel aan, wat de Duitschers ook beweren mogen.”

Maar plotseling riep hij op een manier, alsof hij het interressantste vergeten had:

“Ten slotte zullen we naar de onderaardsche gang gaan, waarin Caligula vermoord is.”

Zij daalden af in een lange, overdekte gang, waarin thans de zon door scheuren vroolijke stralen werpt. Enkele pleisterversieringen en mozaiekfiguren zijn nog over. Doch daardoor is de plek niet minder melancholiek en eenzaam, als gemaakt voor afschuwelijke tragiek. De stem van den oud-soldaat was gedempter gaan klinken; hij vertelde hoe Caligula, van de Palatijnsche spelen terugkeerend, de gril kreeg alleen in die gang af te dalen, om de heilige dansen te zien, die jonge Aziaten daar dien dag repeteerden. Op die wijze kon de leider der samenzweerders, Chereas, in het donker hem het eerst in zijn buik steken. De keizer, brullend, wilde vluchten. Maar toen stortten de moordenaars, zijn creaturen, zijn meest geliefde vrienden, zich op hem, wierpen hem op den grond en doorhakten hem met steken, terwijl hij, waanzinnig van woede en angst, de donkere gang vulde met zijn geloei als van een dier, dat geslacht wordt. Toen hij dood was, viel de stilte weer neer, en de moordenaars vluchtten vol ontzetting.

Het klassieke bezoek aan de ruïnes van den Palatinus was hiermede geëindigd. Toen Pierre weer boven was, had hij nog slechts één wensch, n.1. zich te bevrijden van zijn gids en alleen te blijven in dezen stillen droomtuin, die den top van den Rome beheerschenden berg besloeg. Drie uur liep hij nu rond, hoorde hij die zware, eentonige stem in zijn ooren zoemen, zonder hem ook maar één enkelen steen te sparen. Nu kwam de brave man weer terug op zijn vriendschap voor Frankrijk en gaf een lang relaas over den slag bij Magenta. Met een vriendelijken glimlach nam hij het zilverstuk, dat de priester hem gaf, en begon dan aan den slag bij Solferino. Er dreigde geen einde aan te komen, toen [156]het toeval wilde, dat een dame een inlichting vragen kwam. Dadelijk ging hij met haar mede.

“Goeden dag, mijnheer de abbé. U kunt door het paleis van Caligula naar beneden komen. En u weet waarschijnlijk, dat een geheime, in den grond uitgegraven trap van dat paleis naar de woning der Vestaalsche Maagden op het Forum leidde. Men heeft haar nog niet teruggevonden, maar zij moet er zijn.”

Welk een heerlijke verlichting, toen Pierre, eindelijk alleen, een oogenblik op een van de marmeren banken in den tuin kon gaan zitten! Er waren daar slechts enkele boomgroepen, taxisboomen, cypressen, palmen, maar de prachtige, steeneiken, waaronder de bank stond, gaven een diepe, heerlijk frissche schaduw. Ook de droomerige eenzaamheid had haar groote bekoring, de huiverende stilte, die van dezen ouden bodem uitging, welke gedrenkt was door de geschiedenis, de opzienbarendste, in de volle pracht van een bovenaardschen trots schitterende geschiedenis. Eens hadden de Farnesische tuinen dit deel van den berg in een heerlijk, met boschjes versierd lustplekje veranderd; de sterk beschadigde gebouwen der villa bestaan nog, en ongetwijfeld is een zekere bekoring gebleven; de ademtocht der Renaissance strijkt nog steeds als een liefkoozing door het glanzende loof der oude steeneiken. Men bevindt zich daar te midden van het lichtgevleugelde volk der visioenen, onder den zwevenden adem van tallooze generaties, die in de graszoden slapen.

Maar het in de verte, rondom dezen verheven top verstrooide Rome, lokte Pierre zóó onweerstaanbaar, dat hij niet kon blijven zitten. Hij stond op en ging naar de balustrade van een terras. Onder hem breidde het Forum zich uit en aan het einde verrees de Monte Capitolino.

Het was niet meer dan een opeenhooping van grijze gebouwen, zonder eenige voornaamheid of schoonheid. Men zag niets dan den achtergevel van het Senatorenpaleis, een vlakken gevel met kleine ramen, bekroond door een hoogen campanile. Deze groote, kale, roestkleurige muur verborg de kerk Santa Maria di Aracoeli, den top, waarop de tempel van Juppiter Capitolinus, goddelijke bescherming verleenend, in koninklijke pracht geschitterd had. Verder links op de helling van den Monti Caprino, waar in de Middeleeuwen geiten gegraasd hadden, verhieven zich nu reeksen leelijke huizen, terwijl de enkele mooie boomen van den palazzo Caffarelli, waarin het Duitsche gezantschap ondergebracht was, met hun groen den top van de oude Tarpeïsche rots bedekten, [157]die thans, bijna onvindbaar, onder de stadsmuren verloren gaat. Dat was dus die Monte Capitolino, de roemrijkste der zeven heuvelen, met zijn vesting, met zijn tempel, waaraan de heerschappij van de wereld beloofd was, de St. Pieter van het oude Rome!—deze aan de zijde van het Forum steile, aan den kant van den Campus Martius loodrechte berg met zijn vreeselijken aanblik, die berg, welken de bliksem bezocht, dien het asylbosch met zijn heilige eiken tot in het verste verleden geheimzinnig maakte en huiveren deed voor het grimmige onbekende.

Later had de Romeinsche grootheid hier haar tabularium, haar staatsarchief. De triumphatoren beklommen hem, de keizers werden er goden, hier stonden hun marmeren standbeelden. En thans, op dit oogenblik vroeg het oog verwonderd hoe zooveel geschiedenis, zooveel roem zich heeft kunnen ontwikkelen op zoo kleine ruimte, op dit bergachtige, armzalige eilandje van armoedige daken, op een molshoop, niet grooter en niet hooger dan een klein, tusschen twee dalen in gelegen marktvlek.

Een tweede verrassing was voor Pierre het bij den Capitolinus beginnende en zich langs den Palatinus uitstrekkende Forum: een eng, tusschen de naburige heuvels ingeperst plein, een laagliggend terrein, waarop het zich uitbreidende Rome, daar er gebrek aan ruimte was, zijn gebouwen als het ware op elkaar had moeten zetten. Men heeft diep moeten graven om, onder de vijftien meter hooge, door de eeuwen aangebrachte alluviale lagen, den eerbiedwaardigen bodem der Republiek terug te vinden. Thans ziet men niet meer dan een lange, witachtige, goed onderhouden groeve zonder struiken of klimop, waarin brokstukken van het plaveisel, onderstukken van zuilen, grondmuren te voorschijn komen. De in haar geheel weer opgebouwde Basilica Julia is niet veel meer dan de projectie van een architectonisch plan. Aan dezen kant heeft slechts de Arcus van Septimius Severus zijn breedte ongeschonden weten te bewaren, terwijl de enkele van den tempel van Vespasianus overgebleven en door een wonder te midden van de ineenstortingen staande gebleven zuilen een trotsche elegance, een majestueuse koenheid van evenwicht aangenomen hebben en fijn en verguld in den blauwen hemel opstijgen.

Ook de Phocas-zuil staat nog en van de rostra1 ernaast [158]ziet men, wat daarvan met behulp van de in de omgeving gevonden stukken gereconstrueerd is. Maar men moet verder gaan dan de twee of drie zuilen van den tempel van Castor en Pollux, verder dan de sporen van het paleis der Vestaalsche Maagden, verder dan den tempel van Faustina, waarin de Christelijke San-Lorenzo-kerk het zich zoo gemakkelijk gemaakt heeft, verder nog dan den ronden tempel van Romulus, om de buitengewone gewaarwording van het enorme te ondergaan, die de Basilica van Constantinus met haar drie reusachtige, gapende gewelven geeft. Van den Palatinus af gezien zou men ze voor voorportalen kunnen houden, die toegang geven tot een wereld van reuzen; zoo dik was het metselwerk, dat een van de arcaden afgevallen stuk als een van een berg losgeraakt blok op den grond ligt. En hier, op dat beroemde, zoo enge en tevens zoo onbegrensde Forum heeft zich eeuwenlang de geschiedenis afgespeeld van het grootste aller volkeren—vanaf de legende der Sabijnsche Maagden, die de Romeinen met de Sabijnen verzoenden, tot aan de afkondiging der volksrechten en volksvrijheden, die de plebejers geleidelijk op de patriciërs hadden veroverd.

Was het niet tegelijk de Markt, de Beurs, het Gerechtshof, de Zaal der politieke vergaderingen, open, in de vrije lucht? De Gracchen verdedigden er de zaak der kleine luiden, Sulla plakte er zijn proscriptielijsten aan, Cicero sprak er en zijn bloedend hoofd werd er vastgespijkerd. Daarna verdonkerden de keizers zijn ouden glans, begroeven de eeuwen de monumenten en de tempels onder hun stof, zoodat de Middeleeuwen er slechts plaats vonden voor een veemarkt. De eerbied is thans teruggekomen, een grafschennende eerbied, een weetgierigheids- en wetenschapskoorts, die door hypothesen nog aangewakkerd wordt en op dezen historischen bodem, waar geslachten boven elkaar liggen, op een dwaalweg raakt en weifelt tusschen de vijftien of twintig reconstructies, welke men van het Forum gemaakt heeft en waarvan de eene even aannemelijk is als de ander. Voor een eenvoudig voorbijganger, die noch een archaeoloog noch een geleerde van beroep is, die niet den vorigen dag zijn Romeinsche Geschiedenis nagelezen heeft, verdwijnen de bijzonderheden; hij ziet in dit in alle richtingen doorgraven en doorzochte terrein niets dan een stadskerkhof, waar de uitgegraven oude steenen verbleeken en waaruit de groote melancholie van gestorven volkeren oprijst. Van plek tot plek zag Pierre het door de wielen der wagens uitgeholde plaveisel van de Sacra [159]Via, die telkens weer verschijnt, zich kronkelt, daalt en stijgt; en hij dacht aan den triumphus, den zegetocht van den triomphator, dien zijn wagen zoo hard deed schokken op het ruwe plaveisel van den roem.

Maar naar het zuidoosten verbreedde zich de horizont en zag hij aan gene zijde van den Titus- en van den Constantinusboog het groote massief van het Colosseum. O, deze kolos, waarvan de eeuwen als met een reusachtigen zwaai van een zeis nog slechts de helft afgerukt hebben, blijft in zijn ontzaglijkheid, in zijn majesteit als steenen kant bestaan met zijn honderden ledige, in het blauw des hemels uitkijkende vensters.

Het is een wereld van voorportalen, trappen en gangen, een wereld, waarin men te midden van de eenzaamheid in de stilte van den dood verdwaalt. Binnenin gelijken de afgebrokkelde, door de lucht verweerde trappen op de vormenlooze treden van een ouden uitgedoofden krater, een soort natuurlijken circus, dien de macht der elementen in de onverwoestbare rotsen uitgehouwen hebben. Maar de heete zonnen van achttienhonderd jaren hebben deze ruïne verbrand en rood gemaakt, die tot den natuurstaat teruggekeerd is, kaal en verguld is als een berghelling, sedert zij van haar planten beroofd is, die dit hoekje tot een stuk oerwoud maakten. En thans, welk een visioen, wanneer de phantasie dit doode gebeente weer vleesch, bloed en leven teruggeeft, den circus weer vult met de negentig duizend toeschouwers, die er een plaats vinden konden, de spelen en gevechten weer doet plaats hebben en een geheele beschaving vanaf den keizer en zijn Hof tot aan de deining van het plebs in de beweging en schittering van een geheel, door hartstocht ontvlamd volk onder den rooden weerschijn van het reusachtige, purperen velum ophoopt!

Verder aan den horizont bevond zich nog een tweede cyclopische ruïne, de thermen van Caracalla; ook zij zijn als een spoor van een van de aarde verdwenen ras van reuzen achtergebleven: zalen van overdreven en onverklaarbare grootte en hoogte, twee voorportalen, waarin men de bevolking van een stad ontvangen kan; een frigidarium, welks bassin vijfhonderd badenden tegelijk kon bevatten; een tepidarium en een caldarium van gelijken omvang, alle ontstaan uit een zucht naar het overweldigende! En het angstaanjagende massieve van het monument, de dikte der zuilen en pilaren, zooals geen vesting die ooit gekend heeft! [160]Een oneindigheid, waarin de bezoekers eruit zien als verdwaalde mieren! Het is een zoo buitengewoon zwelgen in cement en baksteenen, dat men zich afvraagt, voor welke menschen, voor welke menigten dit monsterachtige gebouw neergezet kan zijn! Thans zou men ze voor oude, van een hoogte afgestorte rotsen houden, die hier opgehoopt liggen voor den bouw van een titanenwoning …

Pierre werd door het onmatige verleden, waarin hij onderdompelde, overweldigd. Aan alle kanten, aan de vier windstreken van den wijden horizont herleefde de geschiedenis en steeg als een hooge golf naar hem op. Die blauwachtige, onafzienbare vlakten daar in het Noorden en Westen waren het oude Etrurië; in het Oosten teekenden de getande toppen der Sabijnsche bergen zich tegen den gezichtseinder af, terwijl in het Zuiden de Albaansche bergen en Latium zich onder den goudregen der zon uitstrekten. Alba Longa lag daar en de met eiken bekroonde Monte Cavo met zijn klooster, dat den ouden tempel van Juppiter vervangen heeft. Dan aan zijn voeten, aan gene zijde van het Forum en van den Capitolinus, breidde Rome zelf zich uit, de Esquilinus recht tegenover hem, de Coelius en de Aventinus rechts, de andere, die hij niet kon zien, de Quirinalis en de Viminalis links van hem. Achter hem aan den oever van den Tiber de Janiculus. En de stad kreeg een stem en vertelde hem haar doode grootheid.

Een onwillekeurige bezwering van het verleden, een opstanding van het doode voltrok zich in hem. De Palatinus, dien hij zooeven bezichtigd had, die grijze, melancholieke, als een verdoemde stad met den grond gelijk gemaakte, met enkele instortende muren bestrooide Palatinus, werd levend, bevolkt, rees opnieuw op met zijn paleizen en tempels. Hier was de wieg zelf van Rome, Romulus had hier op dezen top, die den Tiber beheerschte, zijn stad gesticht, terwijl daartegenover de Sabijnen den Capitolinus bezetten. De zeven koningen van de twee-en-een-halve eeuw geduurd hebbende monarchie hadden hem zeker bewoond, ingesloten door hooge, sterke muren, waarin slechts drie poorten gemaakt waren. Dan kwamen de vijf eeuwen der republiek, de grootste, de roemrijkste, degene, die het Italiaansche schiereiland en daarna de wereld aan Rome onderworpen hadden.

Gedurende die overwinnende jaren vol socialen strijd en oorlog, had het grooter wordende Rome de zeven heuvelen [161]bevolkt, was de Palatinus nog slechts de eerbiedwaardige wieg gebleven met zijn legendarische tempels, hoewel ook hier langzamerhand particuliere gebouwen oprezen. Maar dan triompheerde Caesar, de belichaming der almacht van het ras, na Gallië en Pharsalos, in den naam van het geheele Romeinsche volk; hij was dictator, keizer, nadat hij het geweldige werk verricht had, waaraan de vijf eeuwen van het keizerrijk in den galop van hun losgelaten lusten zich te goed gingen doen. En Augustus kon de macht in handen nemen, de roem van Rome stond op zijn toppunt; de milliarden lagen in de provincies te wachten om gestolen te worden; de keizerlijke pracht begon zich in de hoofdstad der wereld voor de oogen der verre, verblinde en overwonnen volkeren te ontvouwen.

Hij was op den Palatinus geboren, en nadat de overwinning bij Actium hem het keizerschap gegeven had, stelde hij er zijn eer en zijn trots in om van dien heiligen, door het volk vereerden berg te regeeren. Hij kocht er de particuliere huizen, bouwde er zijn paleis met een tot nog toe ongekende weelde: een door vier pilasters en acht zuilen gedragen atrium; een peristylium, dat door zes-en-vijftig Ionische zuilen omgeven werd; particuliere vertrekken, geheel van marmer, daaromheen; een verspilling van marmer, dat met groote kosten uit het buitenland gehaald werd; de felste kleuren, schitterend als edelgesteenten. En hij woonde met de goden samen: hij had naast zijn paleis den grooten tempel van Apollo en een tempel van Vesta gebouwd, om zich het eeuwige, goddelijke koningschap te verzekeren. Van nu af was het zaad der keizerlijke paleizen uitgestrooid; zij groeiden en woekerden en bedekten den geheelen Palatinus.

O, deze almacht van Augustus, die vier-en-veertig jaren van een volkomen, absolute, bovenmenschelijke heerschappij, zooals geen ander despoot, zelfs in den waanzin zijner droomen, die gekend heeft. Hij liet zich alle titels geven, hij had in zijn persoon alle ambten vereenigd. Als imperator en consul stond hij aan het hoofd der legers, oefende hij het uitvoerend gezag uit; als pro-consul bezat hij de suprematie in de provinciën; als levenslang censor en princeps heerschte hij over den senaat; als tribunus was hij de meester van het volk. En hij liet zich uitroepen tot Augustus; hij was heilig, god onder de menschen, had zijn tempel, zijn priesters, werd tijdens zijn leven aangebeden als een op aarde wandelende godheid. En ten slotte werd hij pontifex [162]maximus, zoodat hij de religieuse macht met de staatkundige vereenigde. Daar de pontifex maximus geen particulier huis mocht bewonen, had hij zijn paleis tot staatseigendom verklaard. Daar de pontifex maximus zich niet mocht verwijderen van den tempel van Vesta, had hij in zijn paleis een tempel voor die godin gebouwd en liet hij de bewaking van het oude altaar aan den voet van den Capitolinus over aan de Vestaalsche Maagden.

Niets was hem te duur, want hij voelde wel, dat in die in één persoon vereenigde dubbele macht, in het tegelijk rex en pontifex, keizer en paus zijn de menschelijke souvereiniteit, het in de hand houden van de menschen en van de wereld lag. Al het levenssap van een krachtig ras, al de opgehoopte overwinningen en al de nog verspreid liggende rijkdommen ontplooiden zich bij Augustus in een éénige schittering, zooals zij nooit meer in zulk een glans stralen zou. Hij was werkelijk de meester der wereld; zijn voet rustte op het voorhoofd der veroverde en tot vrede gedwongen volkeren; een onsterfelijke roem van kunst en letterkunde omgaf hem. Het schijnt, dat op dat oogenblik in hem de oude en gretig-begeerige eerzucht van zijn volk, de eeuwenlange strijd, dien het gevoerd had, om het koningsvolk der aarde te zijn, zijn bevrediging vond.

Het is het Romeinsche bloed, het is het bloed van Augustus, dat eindelijk in keizerlijk purper in de zon rood òplicht. Het is het bloed van Augustus, den goddelijken, triompheerenden, onbeperkten heerscher over zielen en lichamen, het bloed van een man, in wien de erfenis van zeven lange eeuwen van nationalen trots haar toppunt bereikt, van wien een ontelbare en eindelooze nakomelingschap van universeelen trots door de eeuwen heen uitgaan zal. Want nu was het beslist: het bloed van Augustus zou in de aderen van alle heerschers over Rome weder ontwaken en kloppen, hen vervolgen met den zich eeuwig vernieuwenden droom der wereldheerschappij.

Eén oogenblik was deze droom werkelijkheid geworden. Augustus, imperator en pontifex, heeft de menschheid bezeten, geheel, zonder reserve, als een hem persoonlijk toebehoorend iets in zijn hand gehouden. En later, na het verval, toen de macht zich gesplitst had en weer tusschen rex en pontifex verdeeld was, hebben de pausen geen anderen, hartstochtelijken wensch, geen andere, eeuwenlange politiek gekend dan het staatkundig gezag, de wereldheerschappij weer terug te veroveren. Het atavistische bloed, het roode, [163]gretig-begeerige bloed van den voorvader brandde in hun harten.

Dan—nadat Augustus gestorven en zijn paleis gesloten, geheiligd en een tempel geworden was—zag Pierre het paleis van Tiberius uit den grond oprijzen. Het stond op deze plek zelf, onder zijn voeten, onder de mooie steeneiken, die hem beschutting gaven. Men voelde, dat het stevig en groot moest zijn met binnenplaatsen, zuilengangen en zalen—ondanks het sombre humeur van den keizer, die ver van Rome leefde te midden van een volk van verklikkers en wellustelingen, wiens hart en brein tot aan misdaad en tot aan de vreeselijkste aanvallen van krankzinnigheid door de macht vergiftigd waren. Dan rees het paleis van Caligula op, een uitbreiding van het paleis van Tiberius.

Men had booggewelven aangebracht om den bouw te kunnen vergrooten, over het Forum een brug geslagen, die op den Capitolinus uitkwam, daar de vorst in staat wilde zijn op zijn gemak met Juppiter te gaan spreken, voor wiens zoon hij zich uitgaf. De troon had ook hem woest, tot een tierenden, in zijn almacht ongebreidelden gek gemaakt. Dan, na Claudius, Nero, die, alles overtreffend, den Palatinus niet groot genoeg vond, een reusachtig paleis voor zichzelf eischte, zich meester maakte van de heerlijke tuinen, welke tot aan den top van den Esquilinus liepen, om daar zijn Gouden Paleis te bouwen, een droom van ongekende weelde, dien hij niet ten volle verwezenlijken kon en waarvan de puinhoopen weldra verdwenen tijdens de onlusten, die op het leven en den dood van dit door hoogmoed krankzinnige monster volgden. Dan vielen, binnen achttien maanden, Galba, Otho, Vitellius op elkaar in de modder en in het bloed, nadat het purper ook hen tot monsters en krankzinnigen gemaakt had, nadat ook zij zich aan den keizerlijken trog als zwijnen met genietingen hadden volgestopt.

Dan komt met de Flavii in den beginne de rust van de menschelijke rede en goedheid. Titus en Vespasianus bouwen weinig op den Palatinus, doch dan begint met Domitianus weer de vreeselijke waanzin der almacht, onder de heerschappij van vrees en verklikkerij, van dwaze gruwelen, misdaden, onnatuurlijke uitspattingen. Bouwwerken van waanzinnige ijdelheid rijzen op, wier weelde wedijverde met die van de tempels der goden, zooals het paleis van Domitianus, dat door een steegje van dat van Tiberius gescheiden was, zich verheffend als een geweldige apotheose met zijn audiëntiezaal [164]met den gouden troon en de zestien zuilen van Phrygisch en Numidisch marmer, de acht met prachtige beelden versierde nissen, met zijn rechtszaal, zijn groote eetzaal, zijn peristylium, zijn appartementen, die vol stonden met graniet, porphier en albaster, bewerkt door beroemde kunstenaars, om de wereld te verblinden. Dan, jaren later, werd nog een laatste paleis aan de geweldige massa andere toegevoegd, het paleis van Septimius Severus, een trotsch bouwwerk nog: booggewelven, die hooge zalen droegen; verdiepingen, die zich op terrassen verhieven; torens, die de daken beheerschten; een Babylonische opeenhooping daar op de uiterste spits van den berg, tegenover de Via Appia, opdat, naar men zeide, de landslieden van den keizer, de uit Afrika, zijn geboorteland, gekomen provincialen reeds van den horizont af zich zouden kunnen verbazen over zijn geluk en hem aanbidden in zijn roem.

En nu zag Pierre al deze in het zonlicht opgeroepen en opgestane paleizen hoog en schitterend om en voor zich staan. Zij waren als het ware aan elkaar gesoldeerd, sommige slechts door kleine steegjes gescheiden. Door den wensch der bewoners om geen duimbreed terrein te verliezen op dien heiligen top, waren zij in een compacte massa opgeschoten als een monsterachtige bloei van matelooze kracht en macht en trots; slechts millioenen waren voor hen voldoende, de wereld moest voor het genot van één enkeling bloeden. In werkelijkheid was het slechts één paleis, dat steeds weer grooter werd als de gestorven keizer god geworden was en de nieuwe keizer, de heilige woning, die een tempel werd, waarin de schim van den doode hem misschien angst aanjoeg, verlatend, de dringende behoefte voelde om een eigen paleis te bouwen, om in de eeuwigheid van den steen de onverwoestbare herinnering aan zijn regeering te houwen. Allen hadden die bouwwoede bezeten; zij scheen onverbrekelijk verbonden te zijn met den bodem, met den troon, waarop zij zaten, zij herleefde in ieder hunner met steeds toenemende heftigheid, verteerde hen met den drang om elkaar door steeds dikkere en hoogere muren, door nog grooter opeenstapelingen van marmer, zuilen en beelden, te overtreffen.

Allen beheerschte dezelfde gedachte aan een roemrijk overleven, om aan het verbijsterde nageslacht het bewijs van hun grootheid na te laten, om zich te vereeuwigen in onvergankelijke wonderwerken, om voor altijd met het geheele [165]gewicht van die kolossen op de aarde te drukken, wanneer de wind reeds lang hun lichte asch verstrooid zou hebben. Zoo was het plateau van den Palatinus niets meer geweest dan de eerbiedwaardige ondergrond van een wonderbaar monument, een dichte vegetatie van naast elkaar geplaatste en op elkaar gestapelde gebouwen, waarin ieder nieuw woonhuis als een vulkanische uitbarsting van hoogmoedskoorts was en wier geheele massa met haar sneeuwschittering van wit marmer, met haar levendige tinten van het gekleurde marmer, Rome en de geheele wereld gekroond had met het ontzaglijkste en onbeschaamdste heerscherspaleis, woning, tempel, basilica of kathedraal, dat zich ooit in den hemel heeft opgericht.

Maar in deze buitensporige kracht, in dezen buitensporigen roem lag de dood. Zeven-en-een-halve eeuw monarchie en republiek hadden Rome groot gemaakt, en in de vijf eeuwen van het keizerrijk zou het koningsvolk tot aan de laatste spier verteerd worden. Het ontzaglijke territorium, de verst gelegen provinciën, werden langzamerhand geplunderd en uitgeput; de fiscus verslond alles, groef den afgrond van het onvermijdelijke bankroet; het volk ontaardde, gevoed als het werd met het gif der spelen, en verviel tot het nietsdoen vol uitspattingen der Caesars, terwijl huurlingen vochten en den grond bebouwden.

Sedert Constantijn heeft Rome een mededinger, Byzantium. De verbrokkeling begint met Honorius, en na hem zijn twaalf keizers voldoende, om het vernietigingswerk te voltooien, de stervende prooi te verscheuren, tot aan Romulus Augustulus, den laatsten, den jammerlijken zwakkeling, wiens naam als het ware een bespotting van de roemrijke geschiedenis, een dubbele hoon aan den stichter van Rome en aan den stichter van het keizerrijk is. Op den verlaten Palatinus triompheerde nog steeds de geweldige opstapeling van muren, verdiepingen, terrassen en hooge daken. Toch had men er reeds sieraden afgerukt, standbeelden verwijderd, om ze naar Byzantium te brengen. Het Christelijk geworden keizerrijk sloot dan de tempels, doofde het vuur van Vesta uit, maar eerbiedigde nog het oude palladium, het gouden beeld van Victoria, het symbool van het eeuwige Rome, dat vroom in de kamer van den keizer zelf bewaard werd. Tot in de vierde eeuw behield het zijn eeredienst. Maar in de vijfde eeuw storten de Barbaren zich op Rome, plunderen het, steken het in brand, nemen met karren vol den door de vlammen gespaarden [166]buit mede. Zoolang de stad van Byzantium afhankelijk was, had een opper-intendant in de keizerlijke paleizen gewoond en den Palatinus bewaakt. Dan gaat alles ten onder, verdwijnt in den nacht der Middeleeuwen.

Het schijnt, dat van dat oogenblik af de pausen langzamerhand de plaats der Caesars ingenomen hebben, hun opvolgers geworden zijn in hun verlaten marmeren huizen en in hun steeds levende heerschzucht. Zeker hebben zij het paleis van Septimius Severus bewoond, is een concilie gehouden in het Septizonium, evenals later paus Gelasius II in een naburig klooster op dien vergoddelijkten berg gekozen is. Weer was het Augustus, die uit het graf opstond, weer was hij het met zijn Heilig College, die den Romeinschen Senaat tot nieuw leven wekte. In de twaalfde eeuw behoorde het Septizonium aan Camaldulische monniken, die het afstonden aan de machtige familie Frangipani, welke het versterkte, zooals zij het Colosseum, de bogen van Constantinus en Titus versterkt hadden tot een reusachtige vesting, die den eerbiedwaardigen berg, de wieg, bijna in zijn geheel innam. De geweldenarijen der burgeroorlogen, de verwoestingen der invasies woedden erover als orkanen, vernietigden de muren, maakten de paleizen en de torens met den grond gelijk. Later kwamen er generaties, die zich van de ruïnen meester maakten, en zich met het recht van den vinder en van den veroveraar vestigden, er kelders, zolders, stallen van maakten.

Op de puinhoopen, die de mozaïekvloeren der keizerlijke paleizen bedekten, werden moestuinen en wijngaarden aangelegd. Van alle kanten schoten brandnetels en struiken op, die den toegang tot deze eenzame velden versperden; de klimop vrat de reeds op den grond liggende zuilenrijen weg. En er kwam een dag, waarop de reusachtige opeenhooping van paleizen en tempels, waarop de triomphantelijke woning der Caesars, die het marmer had moeten vereeuwigen, in het stof der aarde scheen terug te keeren en onder den deinenden bodem in de vegetatie, welke de gevoellooze Natuur erover heen stortte, verdwenen. In de brandende zon was tusschen de wilde bloemen niets te zien dan dikke, gonzende vliegen, terwijl troepen geiten vrij rondzwierven in de troonzaal van Domitianus en het ingestorte heiligdom van Apollo.

Pierre voelde een huivering door zich gaan. Zooveel kracht en trots, zooveel grootheid!—en zoo spoedig vervallen en [167]voor altijd weggejaagd! Welke nieuwe, barbaarsche, wrekende adem had over die schitterende beschaving moeten blazen, om haar aldus uit te dooven; in welk een verkwikkenden slaap, in welke kinderlijke onwetendheid moest zij gevallen zijn, om zoo plotseling met haar pracht en haar meesterwerken onder te gaan. Hij vroeg zich af hoe het mogelijk was, dat geheele paleizen met hun bewonderenswaardig beeldhouwwerk, hun zuilen en standbeelden langzamerhand inzakken en verdwijnen konden, zonder dat iemand op het denkbeeld kwam ze te beschermen.

Deze meesterwerken, die men later onder een algemeenen kreet van bewondering opgroef, waren niet door een catastrophe verzwolgen; neen, zij waren als verdronken, door den stijgenden vloed om hun voeten, dan om hun middel, eindelijk om hun hals gegrepen, totdat eindelijk op een dag het hoofd wegzonk. Hoe is het te verklaren, dat heele generaties het lijdelijk aanzagen, geen hand tot redding uitstaken? Het schijnt, dat een zwart gordijn plotseling over de aarde getrokken is: een nieuwe menschheid begint met een nieuw brein, dat nieuw gevormd en uitgerust moet worden. Rome was als het ware leeggeloopen; wat vuur en zwaard beschadigd hadden, werd niet hersteld, een onbegrijpelijke onverschilligheid liet de te groote, nutteloos geworden gebouwen instorten, ongerekend nog, dat de nieuwe godsdienst den ouden vervolgde, hem zijn tempels ontstal, zijn goden vernietigde. Ten slotte voltooiden ophoopingen en aanplempingen die ramp, want de bodem steeg steeds meer, de alluviale lagen der jonge Christelijke wereld bedekten en nivelleerden de oude, heidensche maatschappij. En nadat men de tempels, de bronzen daken, de marmeren zuilen gestolen had, werden uit het Colosseum en het theater van Marcellus ook nog de steenen weggerukt, de beelden en bas-reliefs met hamerslagen vernietigd en in den oven geworpen, om de kalk voor de nieuwe monumenten van het Katholieke Rome te maken.

Het was bijna een uur en Pierre ontwaakte als uit een droom. De zon viel als een goudregen door het glanzende loof der steeneiken, Rome was aan zijn voeten in de groote hitte ingesluimerd. Hij besloot den tuin te verlaten; nog vervolgd door verblindende visioenen, liep hij moeilijk over het ongelijke plaveisel der Via Triumphalis. Om den dag vol te maken had hij zich voorgenomen des middags de oude Via Appia te bezichtigen. Daar hij niet naar de Via [168]Giulia terugkeeren wilde, dejeuneerde hij in een restauratie in de voorstad in een groote, half donkere zaal, waar hij geheel alleen, te midden van de zoemende bromvliegen, meer dan twee uur bleef zitten wachten op het dalen der zon.

O, deze Via Appia, deze oude Koningin der wegen, die de Campagna in een lange, rechte lijn met de dubbele rij van haar trotsche graven doorsnijdt, was voor hem niets dan de triomphantelijke voortzetting van den Palatinus! Dezelfde drang naar pracht en heerschappij, dezelfde wil om in het marmer de herinnering aan de Romeinsche grootheid te vereeuwigen. De vergetelheid was overwonnen, de dooden wilden niets van rust weten, bleven aan beide zijden van dezen door menschen uit de geheele wereld betreden weg tusschen de levenden staan. De vergoddelijkte beelden van hen, die niet meer dan stof waren, keken nog heden de voorbijgangers met hun ledige oogen aan; de opschriften spraken nog, zeiden luid de namen en de titels. Van af het graf van Caecilia Metella tot aan het graf Casale Rotondo strekte zich vroeger die dubbele rij, onafgebroken, kilometers ver langs dien vlakken, rechten weg uit; het was een soort in de lengte aangelegd dubbelkerkhof, waarin de ijdelheid der rijken en machtigen met elkaar wedijverde, wie het grootste, met de weelderigste verspilling ingerichte mausoleum nalaten zou.

Dit verlangen naar blijven leven, deze pronkachtige zucht naar onsterfelijkheid, deze behoefte om den dood, door hem in tempels onder te brengen, te vergoddelijken is blijven bestaan in de tegenwoordige pracht van den Campo Santo in Genua en den Campo Verano in Rome met hun monumentale graftomben. Welk een visioen van mateloos groote graven links en rechts van den roemrijken weg, waarover de Romeinsche legioenen bij haar terugkeer van de verovering der wereld stampten. Daar het graf van Caecilia Metella met zijn reusachtige klokken, zijn muren, die zoo dik waren, dat de Middeleeuwen er een met tinnen gekroonden vestingtoren van gemaakt hebben. Dan alle volgende moderne bouwwerken, die opgericht werden om de in de omgeving gevonden marmeren fragmenten weer op hun oorspronkelijke plaats terug te brengen, oude van hun beeldhouwwerken beroofde pilasters van cement en baksteen, die als half-weggevreten rotsen zijn blijven staan, kale blokken, die nog vormen aangeven, huisjes in den vorm van tempels, cippen,2 [169]op sokkels rustende sarkophagen. Een wonderbare rij van reliëfs stelde de portretten der dooden in groepen van drie of vijf voor; staande beelden lieten de dooden in een apotheose opnieuw herleven; in de nissen stonden banken, waarop de wandelaars konden gaan zitten en de gastvrijheid der dooden prijzen; grafschriften loofden de dooden, de bekende en de onbekende, de kinderen van Sextus Pompeius Justus, Marcus Servilius Quartus, Hilarius Fuscus, Rabirius Hermodorus, afgezien van de graven, die op goed geluk af aan Seneca, de Horatii en Curiatii toegeschreven werden. En eindelijk, aan het einde lag het meest bijzondere, het reusachtigste van alle graven, de zoogenaamde Casale Rotondo. Het is zóó groot, dat men een hoeve met een olijvenboschje heeft kunnen maken op den onderbouw, die een dubbele, met Korinthische zuilen, groote kandelabers en tooneelmaskers versierde rotonde droeg.

Pierre, die zich in een rijtuig tot het graf van Caecilia Metella had laten brengen, zette zijn wandeling te voet voort, liep langzaam tot den Casale Rotondo. Hier en daar kwam het oude plaveisel nog te voorschijn, groote platte steenen, lavastukken, die door den tijd krom getrokken waren, en zelfs voor de best veerende wagens hard waren. Rechts en links strekken zich twee randen gras uit, die de ruïnes der graven omzoomen; verwaarloosd, door de zomerzon verbrand kerkhofgras en met dikke lila distels en hooge, gele fenkel bestrooid. Een klein, zonder cement opgetrokken muurtje, zóó laag, dat men er met zijn arm op leunen kan, sluit aan beide zijden deze rosachtige ruimten, waarin de krekels tsjirpen, af; en aan de andere zijde daarvan strekt onafzienbaar de eindelooze, kale Campagna Romana zich uit. Nauwlijks ziet men aan de randen hier en daar op groote tusschenruimten een piniepijn, een eucalyptus, van stof witte olijf- en vijgeboomen. Links steken de overblijfselen van de Acqua Claudia zich met hun booggewelven roestkleurig af tegen de weiden; onvruchtbare velden, wijngaarden met kleine hoeven, strekken zich in de verte uit tot de Sabijnsche en de violet-blauwe Albaansche bergen, waarin de lichte vlekken van Frascati, Rocca di Papa en Albano steeds grooter en witter worden naar mate men er dichter bij komt. Rechts daarentegen, aan den zeekant, verbreedt de vlakte zich en zet zich in reusachtige, golvende lijnen voort, zonder één huis, zonder één boom, in een eenvoudige, buitengewone grootschheid. Zij vormt één enkele lijn, een oceaanachtigen [170]horizont, dien een rechte lijn van het eene einde naar het andere van den hemel scheidt. In het hartje van den zomer brandt alles, vlamt de grenzenlooze prairie in een valen gloed. Van af September begint deze oceaan van gras groen te worden en verliest zich in de verte, in rose en mauve, in het verblindende, met goud doorschoten blauw der mooie zonsondergangen.

Zijn droomen verder spinnend, liep Pierre langzaam den eindeloozen vlakken weg, welks melancholieke majesteit uit eenzaamheid en stilte bestaat, af. Hij strekt zich, volkomen kaal, in een geheel rechte lijn tot in het oneindige uit, in de oneindigheid der Campagna. In hem herhaalde zich de opstanding van den Palatinus, richtten aan beide zijden van den weg de graven zich weer op in den verblindenden glans van hun marmer. Had men niet hier aan den voet van dezen baksteenpilaster, die den zeldzamen vorm van een groote vaas heeft, onder overblijfselen van enorme sphinxen het hoofd van een reusachtig beeld gevonden? En hij zag het kolossale beeld weer tusschen de enorme neergehurkte sphinxen staan. Verderop had men in de kleine cel van een graftombe een mooi, hoofdloos vrouwenbeeld gevonden; hij zag het nu weer in zijn geheel voor zich met een het leven vol kracht en aanminnigheid toelachend gezicht. Van het eene einde naar het andere vulden de opschriften elkander aan, hij las ze, begreep ze zonder veel moeite, voelde zich als broeder met die twee duizend jaar geleden gestorvenen herleven. Ook de weg werd weder bevolkt, de wagens rolden dreunend voort, legerscharen trokken met zwaren stap voorbij, het volk uit het naburige Rome verdrong zich in de koortsachtige opwinding van groote steden.

Onder de Flavii, de Antonini, in de groote jaren van het Keizerrijk bereikte de Via Appia het toppunt van weelde in haar als tempels gebeeldhouwde en vergulde reuzengraven. Welk een monumentale straat van den dood, welk een monumentale entree was deze rechte weg, waarop de groote dooden u met de buitengewone praal van hun de asch overlevenden trots begroetten, u geleidden naar de levenden! Bij welk groot, de wereld beheerschend volk moest men komen, dat het zijn dooden de opdracht gegeven had den vreemdeling te zeggen, dat niets bij hen een einde nam, zelfs de dooden niet, die in overgroote monumenten glorievol vereeuwigd werden? Grondmuren als voor een citadel, een toren van twintig meter middellijn om er een vrouw in te begraven! [171]

Pierre keerde zich om en zag duidelijk geheel aan het einde van den prachtigen, verblindenden, door het marmer van zijn doodspaleizen omzoomden weg den zich in de verte verheffenden Palatinus met het glanzende marmer der keizerspaleizen, de enorme opeenstapeling der paleizen, wier almacht de aarde beheerschte.

Maar hij kreeg een kleine huivering: twee carabinieri, die hij in deze woestijn niet gezien had, verschenen tusschen de puinhoopen. De streek werd onveilig gemaakt, de autoriteiten zorgden daarom, zelfs midden op den dag, discreet voor de veiligheid der toeristen. Iets verder had hij een andere ontmoeting, die hem ontroerde. Het was een geestelijke, een groote grijsaard met een zwarte soutane met rooden zoom en rooden gordel, in wien hij tot zijn groote verbazing kardinaal Boccanera herkende. Hij had den weg verlaten en liep langzaam in den grasrand tusschen hooge fenkelplanten en groote distels; hij hield zijn hoofd gebogen en was tusschen de grafruïnes, waarlangs zijn voet streek, zóó in gedachten verzonken, dat hij den jongen priester zelfs niet zag. Beleefd wendde deze zich af, verbaasd hem zoo alleen en zoo ver van Rome aan te treffen. Maar hij begreep het onmiddellijk, toen hij achter een groot gebouw een zwaren, met twee zwarte paarden bespannen karos zag staan, waarnaast roerloos een lakei in donkere livrei stond te wachten, terwijl de koetsier zelfs zijn plaats op den bok niet verlaten had; hij herinnerde zich, dat de kardinalen, die in Rome niet te voet mochten gaan, naar de Campagna moesten rijden, als zij eenige lichaamsbeweging wilden nemen.

Maar welk een trotsche triestheid, welke een eenzame en als het ware afgezonderde grootschheid omgaf dezen grooten, peinzenden grijsaard, die, een vorst voor God en voor de menschen, verplicht was naar de woestijn, naar de graven te gaan, om een weinig frissche avondlucht in te ademen.

Pierre had reeds lange uren tusschen de graven doorgebracht, de schemering viel en hij was nog getuige van een prachtigen zonsondergang. Links van hem nam de door de roestkleurige waterleidingbuizen doorsneden en in de verte door de in rose nevels vervluchtigende Albaansche bergen afgesloten Campagna een leisteenkleurige tint aan; rechts daarentegen, aan de zeezijde ging de dagvorstin onder tusschen kleine wolkjes, een geheelen archipel van goud in een oceaan van uitstervenden gloed. En niets anders, niets dan die saphieren met robijnen bestrooide hemel over de [172]eindelooze, vlakke lijn der Campagna! Niets anders: geen heuveltje, geen kudde, geen boom. Niets tusschen de graven dan de donkere silhouet van kardinaal Boccanera, die zich groot tegen het laatste purper van de zon afteekende.

Den volgenden ochtend vroeg ging Pierre, aangegrepen door een koorts om alles te zien, naar de Via Appia terug, om de katakomben van St. Calixtus te bezichtigen. Het is het grootste en merkwaardigste der christelijke kerkhoven, dat, waar verscheidene der eerste pausen begraven zijn. Men gaat tusschen olijfboomen en cypressen een door de zon half verbranden tuin door, komt aan een uit planken en pleisterwerk opgetrokken hut, een armzalig winkeltje, waarin religieuse artikelen verkocht worden, en staat dan voor een moderne, vrij makkelijke trap, waarlangs men naar beneden gaat. Pierre vond hier tot zijn blijdschap Fransche Trappisten, die deze katakomben bewaken en de touristen rondleiden moesten.

Juist stond een frater op het punt met twee dames, Françaises, moeder en dochter, naar beneden te gaan. De dochter was bekoorlijk jong, de moeder nog een knappe vrouw. Beiden glimlachten, hoewel zij toch wel wat bang waren, toen de frater de dunne lange kaarsen aanstak. Hij had een voorhoofd met vele deuken, de breede, krachtige jukbeenderen van een streng geloovige; zijn lichte heldere oogen verrieden de onschuld van zijn ziel.

“Zoo, mijnheer de abbé, u komt juist op tijd … Als de dames het goed vinden, kunt u u bij ons aansluiten, want drie fraters zijn reeds beneden en u zoudt lang moeten wachten. We zitten midden in het reisseizoen.”

De dames knikten hoffelijk en hij gaf den priester een der kleine dunne kaarsen. Moeder en dochter schenen geen van beiden vroom te zijn, want zij hadden een schuinschen blik op de soutane van Pierre geworpen en waren plotseling angstig geworden. Ze gingen naar beneden en kwamen bij een soort nauwe gang.

“Past op, dames,” zeide de frater telkens weer, terwijl hij den bodem met zijn kaars verlichtte; “loopt langzaam, want er zijn hier heuvels en dalen.”

En dan begon hij met een heldere stem en de kracht van een buitengewone zekerheid zijn explicatie. Pierre was zwijgend afgedwaald, hij had een gevoel, alsof er een prop in [173]zijn keel zat, en zijn hart klopte van opwinding. O, hoe dikwijls had hij in den onschuldigen seminarietijd gedroomd van deze katakomben der eerste Christenen, deze toevluchtsoorden van het oorspronkelijke geloof! En hoe dikwijls had hij er kort geleden, toen hij zijn boek schreef, nog aan gedacht als aan het oudste en eerbiedwaardigste spoor van de gemeente der armen en eenvoudigen, welker terugkeer hij predikte! Maar zijn geest was geheel vervuld van de schilderijen der dichters, de groote prozaschrijvers, die de katakomben beschreven hadden. Hij zag ze door het vergrootglas der phantasie, stelde ze zich groot voor, als onderaardsche steden met breede avenuen en reusachtige zalen, die vele menschen bevatten kunnen. En in welk een armzalige en nederige werkelijkheid kwam hij terecht!

“Ach ja,” antwoordde de frater op de vragen van moeder en dochter, “het is niet breeder dan een meter, twee menschen kunnen niet naast elkaar loopen … En hoe men het gegraven heeft? O, dat is heel eenvoudig. Een familie, een begrafenisvereeniging wilde een graf hebben, niet waar? Welnu, dan groef zij met een houweel de eerste gang in die zoogenaamde tufsteenlaag: een roodachtige, weeke en toch taaie substantie, zooals u ziet, die makkelijk te bewerken en volkomen waterdicht is; in het kort een grondsoort, die voor dit doel als het ware geschapen is en de lijken prachtig geconserveerd heeft.”

Hij hield even op en liet bij het zwakke licht van zijn kaars de rechts en links in de wanden gegraven nissen zien.

“Kijk, dat zijn de loculi… Zij groeven dus een onderaardsche gang, waarin zij aan beide kanten deze boven elkaar liggende nissen aanbrachten, en legden daarin de meestal alleen in een doodskleed gewikkelde lijken. Dan sloten zij de opening met een marmeren plaat af, die zorgvuldig met cement vastgemaakt werd … Nu is alles duidelijk, niet waar? Wanneer andere families zich bij de eerste aansloten, wanneer de vereenigingen zich uitbreidden, maakten zij de gang, naarmate deze vol raakte, grooter, groeven andere naar links en naar rechts, ja zelfs legden zij een dieper gelegen tweede verdieping aan. Kijk, hier zijn wij in een gang, die ruim vier meter hoog is. Nu zult u vragen, hoe men de lijken zoo hoog krijgen kon. Welnu, zij heschen de lijken niet in de hoogte, maar lieten ze juist zakken, daar men steeds dieper graven ging, zoodra de onderste nissen vol waren … Zoo hebben ze op deze plek bijvoorbeeld in nog geen vier eeuwen [174]gangen van zestien kilometer gegraven, waarin meer dan een millioen Christenen begraven moeten zijn. En nu bestaan er dozijnen van zulke katakomben, de geheele Campagna romana is op deze wijze ondergraven. Denkt daar eens goed over na en maakt dan zelf uw berekening maar!”

Pierre luisterde met de grootste aandacht. Vroeger had hij in België een kolenmijn bezocht, en hij vond hier dezelfde nauwe gangen, dezelfde verstikkende zware lucht, een niets dan donkerte en zwijgen terug. Slechts de kleine kaarsen flikkerden in de dichte duisternis, die zij echter niet verlichtten. En nu begreep hij eindelijk den arbeid van deze doodgraverstermieten, deze op goed geluk afgegraven muizengaten, verder open gemaakt naar gelang van de behoeften, zonder eenige kunst, zonder symmetrie, daar waar het houweel toevallig in den grond gezet werd. De hobbelige bodem daalde en steeg bij iederen pas, de wanden liepen scheef, er was in het geheel niet met een waterpas of een schietlood gewerkt. Het was slechts een werk van noodzaak en naastenliefde van naïeve, vrijwillige doodgravers, van onontwikkelde werklieden, die in de onbeholpenheid der decadence vervallen waren. Dat alles bleek vooral duidelijk uit de op de marmeren platen aangebrachte opschriften en emblemen, die men voor kinderlijke teekeningen had kunnen houden, zooals straatjongens die op muren maken.

“Zooals u ziet,” ging de trappist voort, “meestal is het slechts een naam; dikwijls nog niet eens een naam, doch alleen maar de woorden in pace… Een enkele maal vindt men een embleem: de duif der reinheid, de palm van den martelaar, of wel de visch, waarvan het Grieksche woord3 uit vijf letters bestaat, die de initialen zijn der vijf Grieksche woorden: Jezus Christus, zoon van God, redder der menschen.”

Weer bracht hij het kleine vlammetje dicht bij de wanden, en zij zagen de palm, een enkele streep in het midden, waartegen kleinere streepjes stelselmatig gezet waren, de duif of de visch, in een contour gevormd, terwijl de staart voorgesteld werd door een zigzaglijn en het oog door een ronde punt. De letters der korte opschriften waren scheef, ongelijk en zonder vormen, het plompe schrift van onwetenden en eenvoudigen. [175]

Maar thans waren zij bij een krypt gekomen, een soort kleine zaal, waarin men de graven van verscheidene pausen teruggevonden had, o. a. van paus Sixtus II, een heiligen martelaar, ter eere van wien paus Damasius een prachtig, metrisch opschrift had laten aanbrengen, dat nog te lezen is. Verder liet men in een even kleine zaal ernaast, een familiegraf, dat later met naïeve muurschilderingen was versierd, de plek zien, waar men het lijk van de Heilige Caecilia gevonden had. De trappist ging met zijn explicaties voort, gaf toelichtingen bij de schilderijen, leidde daar de onweerlegbare bevestiging uit af van alle sacramenten en van alle dogma’s, den doop, het Avondmaal, de opstanding, de opwekking van Lazarus, Jonas uitgespuwd door den walvisch, Daniël in den leeuwenkuil, Mozes, die water uit de rotsen sloeg, den wonderdoenden baardeloozen Christus van de eerste eeuwen.

“U ziet,” zeide hij telkens; “alles is er, er is niets van te voren bedacht, alles is even authentiek.”

Op een vraag van Pierre, wiens verwondering steeds grooter werd, erkende hij, dat de katakomben oorspronkelijke eenvoudige kerkhoven waren en dat er geen enkele godsdienstige ceremonie gehouden werd. Later eerst, in de vierde eeuw, toen men de martelaren vereerde, gebruikte men de krypt voor den eeredienst. Eveneens werden zij pas een toevluchtsoord tijdens de vervolgingen, in den tijd, dat de Christenen genoodzaakt waren de toegangen te verbergen en te maskeeren; tot op dat oogenblik hadden zij vrij en wettelijk open gestaan. De ware geschiedenis was dus als volgt: vier eeuwen waren zij kerkhoven, werden dan gedurende de troebelen toevluchtsoorden en verwoest, vervolgens tot in de achtste eeuw vereerd, dan van hun heilige reliquieën beroofd, om ten slotte gedurende meer dan zeven eeuwen in vergetelheid te geraken, door de aarde verstopt en begraven te zijn, zoodat de eerste opgravingen in de vijftiende eeuw ze als een buitengewone vondst aan het licht brachten, als een historisch probleem, waarover eerst in onze dagen het laatste woord gesproken is.

“Weest zoo goed even te bukken, dames,” ging de pater welwillend en dienstvaardig voort. “Hier in deze nis bevindt zich een skelet, dat men nog niet aangeraakt heeft. Het ligt hier nu zestien- of zeventienhonderd jaar. U kunt dus wel begrijpen hoe zorgvuldig men de lijken neerlegde. De geleerden zeggen, dat het een vrouw is, ongetwijfeld een jong [176]meisje … Het geraamte was verleden jaar nog geheel ongeschonden, maar thans is de schedel ingevallen. Een Amerikaan heeft er met een stok op geslagen, om zich te vergewissen, dat het hoofd niet valsch was.”

De dames hadden zich voorover gebogen en haar bleeke gezichten drukten in het zwakke dansende licht een met ontzetting vermengd medelijden uit. Het jonge meisje vooral met haar rooden mond en haar groote, donkere oogen scheen een oogenblik met medelijdende smart te zijn vervuld. Dan viel alles weer in het donker terug; de kaarsen richtten zich op en zetten in de diepe duisternis haar tocht door de gangen voort. Een uur nog duurde het bezoek, want de gids spaarde hun geen enkele bijzonderheid; zijn ijver dreef hem voort, als was hij werkzaam voor het zieleheil van de touristen.

Pierre liep nog steeds voort en een groote verandering voltrok zich in hem. Langzamerhand, naarmate hij meer zag en begreep, veranderde zijn eerste verbazing, dat hij de werkelijkheid zoo geheel verschillend vond van wat de vertellers en dichters erover geschreven hadden, zijn desillusie terecht te komen in deze zoo onbeholpen en ruw in die roodachtige aarde gegraven mollegangen, in een broederlijke ontroering, in een verteedering, die zijn hart week maakte. En dat kwam niet door de gedachte aan de vijftienhonderd martelaren, wier heilige gebeenten daar gerust hadden; neen, maar welk een zachte, berustende en in den dood door hoop gewiegde menschheid lag daar!

Voor de Christenen waren deze lage, donkere gangen slechts een tijdelijke slaapplaats. Dat zij de lijken niet verbrandden, zooals de heidenen dat deden, maar ze begroeven, was een gevolg van het feit, dat zij van de Joden het geloof aan de opstanding des vleesches overgenomen hadden; en die gelukkige gedachte aan een sluimeren, aan een goede rust na een rechtvaardig leven in afwachting van de hemelsche belooning, maakte den oneindigen vrede, de eindelooze bekoring van deze diepe onderaardsche stad uit. Alles daarin sprak van een donkeren en stillen nacht, alles sliep er in een verheerlijkte onbeweeglijkheid, alles oefende er geduld tot het nog verre ontwaken. Kon men iets ontroerenders denken dan die platen van terracotta of marmer, die zelfs geen naam droegen, doch waarin alleen de woorden in pace, in vrede, gegraveerd waren? Eindelijk in vrede zijn, in vrede slapen, in vrede hopen op den toekomstigen hemel [177]na volbrachte taak! En deze vrede scheen te heerlijker, omdat hij in diepen ootmoed genoten werd! Ongetwijfeld was iedere kunst hier verdwenen, de doodgravers groeven op goed geluk af met de onregelmatigheid van onbeholpen werklieden, de kunstenaars konden geen naam meer graveeren, geen palm of geen visch meer beitelen.

Doch welk een heldere stem van een jonge menschheid steeg uit deze armzaligheid en deze onwetendheid op! Armen, eenvoudigen, onwetenden rustten hier, sliepen hier onder de aarde, terwijl de zon daarboven haar werk voortzette. Welk een naastenliefde, welk een broederschap in den dood! Echtgenoot en echtgenoote lagen dikwijls bij elkaar met het kind aan hun voeten; in den overstroomenden vloed der onbekenden verdwenen de persoonlijkheid, de bisschop, de martelaar: de meest ontroerende gelijkheid, die der bescheidenheid, heerschte onder in al dat stof, in deze nissen, op deze platen. Dezelfde naïveteit, dezelfde bescheidenheid deed de eindelooze rijen der sluimerende hoofden één worden. Nauwlijks veroorloofden de opschriften zich een lofprijzing, en dan nog hoe voorzichtig, hoe teergevoelig! De mannen zijn zeer waardig, zeer vroom, de vrouwen zijn zeer zacht, zeer mooi, zeer kuisch. Een geur van kindsheid stijgt hier op, een onbegrensde en zoo echt menschelijke teederheid, de dood der eerste Christelijke gemeente, die dood, welke zich verborg, om weer te herleven, en niet meer droomde van het rijk van deze wereld.

En plotseling zag Pierre in zijn herinnering de graven, die hij den vorigen dag gezien had, weer voor zich oprijzen, die weelderige graven, die hij zich aan beide kanten van de Via Appia voor den geest geroepen had, die in het volle zonlicht den heerscherstrots over een geheel volk ten toon spreidden. Met hun reusachtige afmetingen, hun opeenstapeling van marmersoorten, hun onbescheiden inscripties, hun meesterwerken van beeldhouwers, hun friezen, bas-reliefs en beelden straalden zij in pralende pracht. O, welk een schril contrast vormde die luisterrijke avenue van den dood midden in de vlakke Campagna Romana, die als een triomfweg naar de koninklijke, eeuwige stad voerde, met de onderaardsche stad der Christenen, die verborgen, zachte, mooie, kuische doodenstad! Hier was niets meer dan slaap, dan een gewilde en aanvaarde nacht, een verheven berusting, die zich in de hoop op de zaligheid des hemels gaarne toevertrouwde aan de goede rust in de duisternis; en alles, [178]tot aan het stervend, zijn schoonheid verliezend heidendom, tot aan de onbeholpenheid der werklieden toe, verhoogde de bekoring van deze armoedige, ver van de zon, in den nacht der aarde gegraven kerkhoven.

Millioenen wezens hadden zich ootmoedig in deze als door voorzichtige mieren doorboorde aarde ter ruste gelegd, hadden er eeuwen lang hun slaap geslapen, zouden dien er nog slapen, gewiegd door de stilte en de duisternis, wanneer niet de menschen hun begeerte naar vergetelheid waren komen storen, vóór de bazuinen van het Jongste Gericht de opstanding hadden verkondigd. De dood had nu van het leven gesproken; er was niets, dat meer, dat intenser, dat aandoenlijker leefde dan deze begraven steden van naamlooze, onbekende en ontelbare dooden. Eens was een diepe ademtocht uit haar opgerezen—de ademtocht van een nieuwe menschheid, die de wereld zou hernieuwen. Met den ootmoed, met de minachting van het vleesch, met den angstigen haat tegen de natuur, met het opgeven van aardsche genietingen, met het hartstochtelijk verlangen naar den dood, die bevrijdt en het paradijs opent, begon een andere wereld. En het bloed van Augustus, zoo trotsch in zijn purper, zoo schitterend in zijn hoogste heerschappij, scheen een oogenblik te verdwijnen, alsof de nieuwe aarde het had opgezogen in haar donkere graven.

De frater stond erop den dames de trap van Diocletianus te laten zien en vertelde haar de legende daarvan.

“Ja, een wonder … Onder dien keizer vervolgden de soldaten de Christenen, die in deze katakomben een schuilplaats zochten; en toen de soldaten hen daarin volgen wilden, brak de trap en stortten allen naar beneden … De treden zijn thans nog gebroken. Gaat u maar kijken, het is maar een paar stappen.”

Doch de dames waren doodmoe en bovendien gaven deze donkerte en al die doodenverhalen haar een zoo onbehagelijk gevoel, dat zij erop stonden dadelijk weer naar boven te gaan. Trouwens de dunne kaarsen waren bijna opgebrand; en allen werden verblind, toen zij eindelijk weer in het zonlicht voor het kleine winkeltje met religieuse artikelen stonden. Het jonge meisje kocht een presse-papier, een stuk marmer, waarin de visch gebeiteld was, het symbool van Jezus Christus, den Zoon Gods, den Redder der menschen. [179]

Den namiddag van dienzelfden dag bezocht Pierre de Basilica van de St. Pieter. Hij kende er nog niets van dan het groote plein met zijn obelisk en zijn twee fonteinen, waar hij eens over gereden was. De reusachtige lijst der zuilengang van Bernini, deze uit zuilen en pilasters bestaande vierhoek, omgeeft het met een gordel van monumentale majesteit. Op den achtergrond verheft zich de door haar gevel gedrukte en zwaar gemaakte Basilica, wier verheven dom den hemel vult.

Onder de brandende zon strekten zich de met kiezelzand bestrooide, eenzame hellingen uit, de eene lage, versleten en verbleekte trede volgde op de andere. Geheel aan het einde trad Pierre binnen. Het was drie uur; breede zonnestralen vielen door de hooge, vierkante ramen; links in de Cappella Clementina begon een godsdienstoefening, de vesper ongetwijfeld. Maar hij hoorde niets; slechts de ontzaglijke grootte van het schip viel hem op. Met langzame stappen doorliep hij, omhoog kijkend, de matelooze afmetingen. Daar waren dadelijk bij den ingang de groote wijwaterbakken met hun Engelen, die zoo dik als Amors waren; daar was het middenschip, het geweldige, met vakken versierde, halfcirkelvormige gewelf; daar waren bij het kruis de vier cyclopische pijlers, die den dom steunden; daar waren de kruisbeuken en de apsis, die ieder afzonderlijk zoo groot zijn als een van onze kerken. Ook de trotsche praal, de verblindende, neerdrukkende pracht trof hem: de koepel, die als een ster schitterde in de levendige tinten en het goud van zijn mozaïeken; de prachtige baldakijn, waarvan het brons uit het Pantheon genomen is, en die het hoofdaltaar kroont, dat over het graf van den Heiligen Petrus staat, waarheen de dubbele trap der Confessie leidt, die door zeven-en-tachtig eeuwig brandende lampen verlicht wordt; de marmersoorten ten slotte, een verkwisting en verspilling van de zeldzaamste witte en gekleurde marmersoorten naast en boven elkaar.

O, dat polychrome marmer, waarin Bernini zwelgde! Uit marmer bestaat de heerlijke vloer, waarin het geheele gebouw zich weerspiegelt; van marmer is de bekleeding der pijlers, die versierd zijn met de medaillons der pausen, afwisselend met de tiara en de sleutels, die bolwangige Engelen dragen; van marmer zijn de met gecompliceerde zinnebeelden overladen muren, waarop men telkens weer de duif van Innocentius X terugvindt; van marmer zijn de nissen met haar reusachtige [180]beelden in barokstijl; van marmer de loggia’s en haar balkons; van marmer de dubbele trap der Confessie; van marmer de rijke altaren en de nog rijkere graftomben! Alles, het groote middenschip, de zijbeuken, de kruisbeuken, de apsis, alles was van marmer, schitterde in rijkdom van marmer, zonder dat men een hoekje vinden kon, zoo groot als de palm van een hand, dat niet de overmoedige pralerij van het marmer toonde. En zoo triompheerde de Basilica, onbestreden erkend en bewonderd als de grootste en rijkste kerk der wereld.

Pierre liep maar steeds; hij dwaalde door de schepen, keek, zonder echter iets te kunnen onderscheiden. Hij bleef een oogenblik voor den bronzen Heiligen Petrus staan, die in zijn stijve, hiëratische houding op zijn marmeren sokkel stond. Enkele geloovigen kwamen den grooten teen van den rechtervoet kussen; sommigen veegden die, alvorens haar te kussen af; anderen deden het, zonder haar af te vegen, drukten er dan hun voorhoofd op, om haar vervolgens nogmaals te kussen. Dan keerde hij naar de linker kruisbeuk terug, waarin zich de biechtstoelen bevonden. Hier zitten steeds priesters gereed, om in alle talen de biecht af te nemen. Anderen wachten, met een lang stokje gewapend, en slaan zachtjes daarmede op het hoofd van de nederknielende zondaars, die daarmede een aflaat van dertig dagen krijgen. Doch er waren slechts weinig menschen; de priesters verdreven in hun kleine houten kastjes de verveling van het wachten door, alsof ze thuis waren, lezen of schrijven.

En weer stond hij voor de Confessie, waar de zeven-en-tachtig als sterren fonkelende lampen hem zoo imponeerden. Het hoofdaltaar, waarop alleen de paus mag celebreeren, stond met den trotschen weemoed der eenzaamheid onder den reusachtigen, met bloemen versierden baldakijn, welks bewerking en vergulding meer dan een half millioen gekost hebben. Dan herinnerde hij zich de ceremonie, die in de Cappella Clementina gecelebreerd werd, en hij verwonderde zich in het geheel niets meer te hooren. Hij vermoedde, dat zij reeds afgeloopen was, en wilde zich daarvan overtuigen. Maar hoe dichter hij bij de kapel kwam, des te sterker drong een geluid, dat aan verre tonen van een fluit denken deed, tot zijn oor door. Hij hoorde het steeds duidelijker, doch eerst toen hij voor de kapel zelf stond, herkende hij de orgeltonen. Roode gordijnen, die voor de ramen getrokken waren, dempten het zonlicht; zoo werd de kapel geheel door [181]een helderen, rooden vuurgloed en de diepe klanken van een ernstige muziek vervuld. Maar hoe klein was zij, hoe ging zij als het ware verloren in de reuzenruimte van het schip, dat men op zestig passen afstands noch de stemmen noch het dreunen van het orgel onderscheiden kon!

Bij het binnentreden had Pierre gedacht, dat de ontzaglijke kerk leeg en dood was. Daarna had hij echter in de verte eenige wezens opgemerkt Er waren menschen, maar zóó weinig en op zulke groote afstanden, dat het den indruk maakte, alsof zij er niet waren. Toeristen slenterden met hun reisgids in hun hand met moede beenen rond. In het midden van het groote schip was een schilder aan zijn ezel bezig een gedeelte van de kerk op het doek te brengen. Dan kwam een geheel Fransch seminarie voorbij onder leiding van een prelaat, die een explicatie gaf omtrent de graftomben. Maar die vijftig, die honderd personen telden niet, maakten in de groote ruimte nauwlijks den indruk van enkele verdwaalde zwarte mieren, die angstig den weg zoeken.

Van dat oogenblik af had hij het duidelijke gevoel, dat hij zich in een reuzengalazaal bevond, in de voorzaal van een onmatig groot ontvangpaleis. De breede zonnestralen, die door de hooge, vierkante ramen zonder gordijnen binnenvielen, wierpen in de kerk een verblindend licht, vervulden haar in haar geheele ruimte als met een glorie. Geen bank, geen stoel was te zien, niets dan de prachtige, kale, eindelooze vloer, een vloer als in een museum, die den dansenden regen der stralen weerkaatste. Nergens een hoekje voor stille overpeinzing, nergens een mysterievol, donker hoekje om neer te knielen en te bidden. Overal het felle licht, de glans, de majesteit en de pracht van het volle daglicht.

En in deze verlaten, in goud en purper vlammende operazaal kwam hij, die slechts de huivering van onze Gotische kathedralen kende, waarin in het donker onbestemde menigten snikken in het woud der pilasters; hij, die de smartelijke herinnering aan de uitgeteerde architectuur en beeldhouwkunst der Middeleeuwen, welke geheel ziel is, met zich bracht, kwam nu midden in deze pronkende majesteit, in deze reusachtige, leege praal, welke niets dan lichaam is! Vergeefs zocht hij naar een arme, knielende vrouw, naar een geloovig of lijdend wezen, dat zich in een halfdonker toevertrouwde aan den Ongekende, met gesloten mond sprak met den Onzienlijke. Hij zag hier niets dan het moede komen en gaan van toeristen, het gewichtige druk-doen van de [182]prelaten, die de jonge priesters naar de voorgeschreven staties brengen, terwijl in de kapel links de vesper voortgezet werd, zonder dat één geluid tot de ooren der bezoekers doordrong.

Pierre begreep, dat dit het geraamte was van een monumentalen kolos, uit wien het leven langzaam wegvlood. Om hem te vullen, om hem zijn werkelijke ziel in te blazen, was de geheele pracht van de religieuse praal noodig; waren de tachtig duizend geloovigen noodig, die het schip kon bevatten, de groote pauselijke ceremoniën, de schittering der Kerst- en Paaschfeesten, de optochten, die in een decor en mise-en-scène van een grand opéra hun heilige luxe ontvouwen. En hij riep zich voor den geest wat hij van deze pracht wist: een aanbiddende menigte overstroomde de Basilica, de bovenmenschelijke stoet bewoog zich te midden van de ter aarde gebogen hoofden, het kruis en het zwaard openden de processie, de kardinalen schreden twee aan twee voort als de goden der pleïade, gekleed in het kanten koorhemd, het priesterkleed en den mantel van rood moiré, waarvan de sleep door de sleepdragers vastgehouden werd. En eindelijk kwam de paus. Hij zat als een machtige Juppiter op een schild van rood fluweel in een leunstoel van rood fluweel en goud en was gekleed in wit fluweel met den gouden koorrok, de gouden stola en de gouden tiara. De dragers van de sedia gestatoria fonkelden in hun roode, met goud bestikte tunica’s, de flabelli bewogen boven het hoofd van den eenigen, souvereinen pontifex de groote veeren waaiers, die men vroeger voor de afgodsbeelden van het oude Rome zwaaide.

En welk een verblindend en glorierijk Hof om dezen triomfzetel heen! Het geheele pauselijke personeel, de stroom van assisteerende prelaten, de patriarchen, de aartsbisschoppen en bisschoppen, allen in gouden ornaat en met mijters! De geheime kamerheeren in violette zijde, de werkelijke kamerheeren in zwart fluweel met den gouden halskraag en ketting! Het ontelbare geestelijke en wereldlijke gevolg, wier opsomming honderd bladzijden der Gerarchia zou beslaan, de protonotarii, de kapelaans, de prelaten van alle klassen en alle rangen, afgezien nog van het Militair Huis, de gendarmes met hun berenmutsen, de Palatijnsche garden in blauwe broek en zwarte tunica, de Zwitsersche garden in hun geel, zwart en rood gestreepte harnassen van zilver, de garden der edelen, die in hun hooge laarzen, hun witte broeken, hun roode, [183]met goud bestikte mantels, hun gouden epauletten en hun gouden helmen een schitterenden aanblik opleverden.

Maar sedert Rome de hoofdstad van Italië was, werden de vleugeldeuren niet meer wijd geopend, integendeel men hield ze zorgvuldig gesloten, en de enkele malen, dat de paus de mis nog kwam celebreeren, zich kwam vertoonen als de hoogste uitverkorene, als de belichaming Gods op aarde, vulde de kerk zich slechts met genoodigden, moest men een kaart hebben, om toegang te verkrijgen. Het was niet meer het volk, de vijftig-, zestigduizend Christenen, die samenstroomden en zich verdrongen, neen, het waren bevriende toeschouwers, die voor particuliere en gesloten plechtigheden in het bijzonder uitgezocht werden. En zelfs wanneer men erin slaagde er eenige duizenden bijeen te krijgen, dan was het nog steeds een beperkt, tot een gala-concert genoodigd publiek.

Hoe langer Pierre door dit in den harden glans van het marmer flikkerende, koude en majestueuse museum wandelde, des te meer werd hij doordrongen van het gevoel, dat hij zich in een heidenschen tempel bevond, opgericht ter eere van den god van licht en praal. Een groote tempel van het oude Rome had er ongetwijfeld evenzoo uitgezien met dezelfde met polychroom marmer bekleede muren, dezelfde kostbare zuilen, dezelfde gewelven met vergulde vakken. Datzelfde gevoel zou hij nog sterker krijgen bij het bezoeken van andere basilica’s, die ten slotte hem tot de kennis der onbetwistbare waarheid brengen zouden. Daar was in de eerste plaats de Christelijke kerk, die het zich in alle kalmte en vermetelheid makkelijk maakte in den heidenschen tempel: zooals bijvoorbeeld San Lorenzo in Miranda, die zich in den tempel van Antoninus en Faustina thuis voelde als in zijn eigen huis en de zeldzame porticus van cipoline4 en de mooie lijst van wit marmer behouden had; of wel de Christelijke kerk, die uit den gevelden stam, het oude verwoeste gebouw weer opgewassen was, zooals de tegenwoordige San Clemente bijvoorbeeld, waaronder eeuwen van tegenstrijdige godsdiensten lagen, een zeer oud monument uit den tijd der Republiek, een ander uit den keizertijd, waarin men een Mithratempel herkend heeft, en ten slotte een oud-Christelijke basilica. Vervolgens had men de Christelijke kerk, zooals de Santa Agnese fuori le Mura, die geheel naar het voorbeeld [184]van de staatsbasilica der Romeinen, het Gerechtshof of de Beurs, gebouwd was. Ten slotte en vooral had men de Christelijke kerken, die met de uit in puinhoopen liggende tempels gestolen materialen opgetrokken waren.

Zoo bijvoorbeeld de zestien prachtige zuilen uit diezelfde Santa Agnese fuori le Mura van verschillende marmersoorten, die blijkbaar aan verschillende goden ontstolen waren; de een-en-twintig zuilen van Santa Maria dei Trastevere, die uit een tempel van Isis en Serapis afkomstig waren, wier afbeeldingen zich nog op de kapiteelen bevinden; de zes-en-dertig wit marmeren Ionische zuilen van de Santa Maria Maggiore, die uit den tempel van Juno Lucina komen, de twee-en-twintig in materiaal, hoogte en bewerking geheel verschillende zuilen van Santa Maria d’Aracoeli, waarvan de legende zegt, dat enkele aan Juppiter zelf ontstolen zijn uit den tempel van Juppiter Capitolinus, die zich op dezelfde plaats op den heiligen top verhief. Heden nog herleven de tempels van het rijke keizertijdperk in de prachtige basilieken van San Giovanni de Laterano en San Paolo fuori le Mura. Was niet de basilica van San Giovanni, de Moeder en het Hoofd van alle kerken, met haar vijf, door vier zuilenrijen gescheiden schepen, met haar twaalf reusachtige Apostelbeelden, die als een dubbele rij van goden naar den Heer der Goden voerden, met haar bas-reliefs, haar friesen, haar lijsten, het eerepaleis van een heidensche godheid, wier koninkrijk van deze wereld is? En vindt men niet in de pas voltooide San Paolo in den glans van het nieuwe marmer de woning der Onsterfelijken van den Olympus terug?

Het is de typische tempel met de majestueuse zuilengaanderij onder het vlakke, met vergulde vakken versierde gewelf, de marmeren vloer van onvergelijkelijk mooi materiaal en onvergelijkelijk mooie bewerking, de zuilen met de violette voeten en de witte kapiteelen, de witte lijsten met violette friesen, de overal terugkeerende vermenging van deze beide kleuren, die zulk een goddelijk vleeschelijke harmonie vormen, welke denken doet aan de verheven, door den dageraad gebade lichamen der groote godinnen. Nergens, evenmin als in de St. Pieter een donker, een mysterievol voor den Onzienlijke geopend plekje.

En toch bleef de St. Pieter, krachtens haar recht als kolos, nog het grootste van deze groote monsters. Zij is het levende bewijs van dat, wat de zucht naar het monsterachtig-groote vermag, wanneer de mensch in zijn trotschen overmoed met [185]behulp van verspilde en weggegooide millioenen God onderbrengen wil in de te groote en te rijke woning van steenen, waarin de mensch in Zijn naam triompheert.

Tot dezen pronkkolos had dus na zoovele eeuwen de vrome ijver van het oorspronkelijke geloof geleid. Men vond er het sap van den Romeinschen bodem in terug, dat te allen tijd in onredelijke monumenten is opgeschoten. Het schijnt, dat de onbeperkte heerschers, die er achtereenvolgens geregeerd hebben, dien hartstocht voor cyclopischen bouw met zich mede brachten, dien putten uit den geboortegrond, waarop zij groot geworden zijn, want zij hebben dien zonder onderbreking van beschaving op beschaving aan elkaar overgeleverd. Het is een onophoudelijk opbloeien der menschelijke ijdelheid: allen hadden den drang om hun naam op een muur te schrijven, om, nadat zij meesters der wereld geweest zijn, het tastbare bewijs van hun ééndaagschen roem achter te laten, het eeuwige gebouw van brons en marmer, dat tot aan het einde der dagen van hen getuigen zal.

In den grond van de zaak ligt daarin slechts de veroveringsgeest, de trotsche eerzucht van het ras, dat steeds om de wereldheerschappij strijdt; en wanneer alles ineen gestort is, wanneer een nieuwe maatschappij uit de puinhoopen opstaat, en men meent, dat deze van den hoogmoed genezen en tot den ootmoed teruggekeerd is, dan blijkt dat opnieuw een dwaling te zijn; het oude bloed bruist in haar aderen, zij geeft opnieuw toe aan den overmoedigen waanzin van haar voorouders en wordt, zoodra zij groot en sterk geworden is, een prooi van al de overgeërfde heftigheid. Er is geen beroemde paus, die niet heeft willen bouwen, die niet de traditie der Caesars opgevat heeft, die hun regeering in steen vereeuwigden, bij hun dood tempels voor zich lieten oprichten, om over te gaan in de rij der goden.

Dezelfde zorg voor aardsche onsterfelijkheid openbaart zich weer, het is een wedijver, wie het grootste, het stevigste, het mooiste monument zal achterlaten; en de ziekte is zoo hevig, dat de minder rijken, die niet bouwen konden, zich tevreden hebben moeten stellen met herstellingen, er een behagen in schepten de herinnering aan hun bescheiden werken aan het nageslacht achter te laten door marmeren tafels met praalzieke inscripties aan te brengen. Vandaar, dat men steeds weer die tafels aantreft; geen muur heeft nieuwe fundamenten gekregen of de paus heeft daarop zijn wapens gedrukt; geen ruïne is hersteld, geen paleis weer in goeden [186]staat gebracht, geen fontein schoongemaakt, zonder dat de regeerende paus het werk teekent met zijn Romeinschen titel Pontifex Maximus.

Het is een nachtmerrie, een onvrijwillige uitspatting, de onvermijdelijke opbloei uit deze sedert meer dan twee duizend jaar uit puinhoopen gevormde humus. Onophoudelijk rijzen monumenten op uit dit stof van monumenten. En men vraagt zich af, of Rome ooit Christelijk geweest is. Rome in zijn verdorvenheid, waarmede de oude Romeinsche bodem bijna dadelijk de leer van Jezus bevlekt heeft, met zijn heerschzucht, zijn hartstochtelijk verlangen naar aardschen roem, die, zonder acht te slaan op de zwakken en de reinen, op de liefderijken en eenvoudigen van het oorspronkelijke Christendom, den triomf van het Katholicisme bewerkt hebben.

Toen, in een plotselinge ingeving, zag Pierre in een hooger licht de waarheid stralen. Het was op het oogenblik, dat hij voor de tweede maal door de reusachtige basilica liep en de graftomben der pausen bewonderde. O, die graftomben! Daarginds in de vlakke Campagna, in het volle zonlicht, aan beide zijden van de Via Appia, die was als een triomphantelijk entree, welke den vreemdeling naar den verheven, door een kroon van paleizen omgorden Palatinus leidde, daarginds verhieven zich de gigantische graven der machtigen en rijken in een glans en in een schittering, in een onvergelijkelijke pracht, die den trots van een sterk, wereldbeheerschend ras in marmer vereeuwigde. Dan, dicht daarbij, onder de aarde, in den donkeren, stillen nacht, onder in armzalige molsgaten verborgen zich de andere graven, de kleinen, de armen, de lijdenden, zonder kunst of rijkdom, wier bescheidenheid verkondigde, dat een ademtocht van teederheid en berusting over de aarde gestreken was, dat een mensch broederschap en liefde, het opgeven van aardsche goederen voor de eeuwige vreugde van het toekomstige leven was komen prediken en aan de nieuwe aarde het zaad van zijn Evangelie toevertrouwd, de verjongde menschheid gezaaid had, die de oude wereld zou hervormen.

En nu waren uit dat eeuwen in den grond begraven zaad, nu waren uit die zoo nederige, zoo onbekende graven, waarin de martelaars hun zachten slaap sliepen, nu waren daaruit weer nieuwe graven opgeschoten, even reusachtig, even praalvol als de verwoeste oude graven der afgodendienaars. Hun marmer verhief zich in de heidensche pracht [187]van een tempel en verkondigde denzelfden bovenmenschelijken trots, dezelfde waanzinnige zucht naar wereldoverheersching. In de Renaissance wordt Rome weer heidensch, komt het oude keizerlijke bloed weer boven en sleept het Christendom mede in den heftigsten aanval, dien het ooit te doorstaan heeft gehad. O, die graven der pausen in de St. Pieter met hun overmoedig-onbeschaamde verheerlijking, met hun zinnelijke praal, hoe dagen zij den dood uit en willen zij de onsterfelijkheid op aarde brengen! Het zijn reuzengroote pausen van brons, het zijn allegorische figuren, het zijn dubbelzinnige engelen, mooi als mooie meisjes, als begeerlijke vrouwen met heupen en boezems als van godinnen.

Paulus III zit op een hoogen piedestal met de Gerechtigheid en de Wijsheid half liggend aan zijn voeten; Urbanus VIII zit tusschen de Wijsheid en den Godsdienst, Innocentius IX tusschen den Godsdienst en de Gerechtigheid, Innocentius XII tusschen de Gerechtigheid en de Naastenliefde, Gregorius XIII tusschen den Godsdienst en de Kracht. De knielende Alexander VII heeft naast zich de Wijsheid en de Gerechtigheid, voor zich de Naastenliefde en de Waarheid; daarnaast staat een geraamte met een ledigen zandlooper. De eveneens knielende Clemens XIII triompheert op een monumentalen sarkophaag, waarop de Godsdienst, die een kruis draagt, steunt, terwijl onder den rechts zich bevindenden Genius van den Dood twee reusachtige leeuwen liggen, het symbool der almacht. Het brons verkondigde de eeuwigheid der figuren, het witte marmer glansde als mooi, rijp vleesch, het polychrome marmer viel neer in rijke draperieën en verhieven in het felle, vergulde licht der reusachtige schepen de monumenten tot een apotheose.

Pierre ging van de eene tombe naar de andere, steeds voortloopend in de bezonde, trotsche, eenzame basilica. Ja, deze graven sloten zich met keizerlijke praal bij die van de Via Appia aan.

Het was ongetwijfeld Rome—de bodem van Rome, de bodem, waaruit trots en heerschzucht opschoten als het gras uit de velden, de bodem, die van het oorspronkelijke Christendom het overwinnend Katholicisme gemaakt had den bondgenoot der machtigen en rijken, de reusachtige regeeringsmachine, opgericht voor de verovering der volkeren. In de pausen waren de Caesars weder ontwaakt. De herediteit werkte, het bloed van Augustus was weer boven gekomen, [188]bruiste door hun aderen, verteerde hun brein met bovenmenschelijke eerzucht. Alleen Augustus had de wereldheerschappij kunnen verwezenlijken, Augustus, imperator en pontifex maximus, meester van lichamen en zielen. Vandaar de eeuwige droom der pausen, die wanhopig zijn, omdat zij slechts het geestelijke behouden kunnen en niets van het wereldlijke willen afstaan, want zij koesteren nog steeds de eeuwenoude, nooit opgegeven hoop, dat de droom zich nog eens verwezenlijken en van het Vaticaan een tweeden Palatinus maken zal, vanwaaruit zij, als onbeperkte despoten, over de veroverde volkeren heerschen zullen. [189]


1 Het beroemde spreekgestoelte. 

2 Halve, afgeknotte zuilen als symbool van den dood. 

3 Het Grieksche woord ichthus, waarvan de vijf letters (ch en th zijn beide één letter) de initialen zijn van Ièsous, Christos, Theou, Uios, Soter. 

4 Grijsachtig, geaderd marmer. 

[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK

Pierre bevond zich nu reeds veertien dagen te Rome, maar de zaak, waarvoor hij gekomen was, de verdediging van zijn boek, vorderde niet. Hij koesterde nog steeds den vurigen wensch den paus te spreken, zonder dat ten gevolge van de verschillende uitstellen en van den angst, dien monsignor Nani hem voor een onvoorzichtigen stap had ingeboezemd, te voorzien was, wanneer of hoe die wensch bevredigd zou worden. Daar hij begreep, dat zijn verblijf heel lang zou kunnen duren, had hij besloten zijn celebret in het vicariaat te laten viseeren en las nu iederen ochtend zijn mis in de Santa Brigittakerk op de piazza Farnese, waar hij door abbé Pisoni, den vroegeren biechtvader van Benedetta, zeer vriendelijk ontvangen was.

Dien Maandag wilde hij vroeg naar de intieme receptie van donna Serafina gaan, in de hoop daar nieuws te hooren en zijn zaak te kunnen bespoedigen. Misschien zou monsignor Nani er zijn, misschien zou hij het geluk hebben er den een of anderen prelaat of kardinaal te vinden, die hem zou willen helpen. Vergeefs had hij getracht tenminste enkele inlichtingen van don Vigilio te krijgen. Maar als opnieuw bevangen door wantrouwen en vrees, na een oogenblik dienstvaardig geweest te zijn, ontweek de secretaris van kardinaal Boccanera hem, verborg zich, vastbesloten zich niet in te laten met een beslist verdacht en gevaarlijk avontuur. Bovendien had hij twee dagen te voren zoo’n hevigen aanval van koorts gekregen, dat hij zijn kamer moest houden.

Zoo had Pierre geen anderen troost dan Victorine Bosquet, het tot huishoudster opgeklommen vroegere kindermeisje, de Beauceronneesche, die na een dertigjarig verblijf in Rome, dat zij nog niet kende, nog steeds haar oud Fransch hart behouden had. Zij sprak met hem over Auneau, als had zij [190]het den vorigen dag nog gezien. Maar dien dag was zij niet zoo levendig en opgewekt als anders; en toen zij hoorde, dat hij ’s avonds naar de receptie wilde gaan, schudde zij haar hoofd.

“U zult de dames niet opgewekt aantreffen. Die arme Benedetta heeft groot verdriet. Het schijnt, dat het er met haar echtscheiding niet heel schitterend voor staat.”

Geheel Rome sprak erover. Het gepraat was opnieuw begonnen en wond de zwarte en witte kringen beide op. Het was dan ook volstrekt niet noodig, dat Victorine bang behoefde te zijn zich aan onbescheidenheid schuldig te maken, als zij haar landgenoot iets vertelde. In antwoord op de memorie van advocaat Morano, die, steunend op getuigenverklaringen en schriftelijke bewijzen, trachtte aan te toonen, dat het huwlijk wegens impotentie van den echtgenoot niet voltrokken kon zijn, had monsignor Palma, de voor deze aangelegenheid door de Conciliecongregatie als verdediger van het huwlijk gekozen theoloog, een vreeselijke tegen-memorie ingediend. In de eerste plaats trok hij de maagdelijkheid van de eischeresse sterk in twijfel, terwijl hij de technische termen van het certificaat der beide vroedvrouwen betwistte en een grondig onderzoek door twee doktoren eischte, voor welke formaliteit het schaamtegevoel der jonge vrouw teruggeschrikt was. Bovendien citeerde hij wetenschappelijk vastgestelde, physiologische gevallen, waarin jonge meisjes gemeenschap gehad hadden met mannen, zonder dat een spoor van ontmaagding te vinden geweest was.

Hij legde verder sterk den nadruk op het in de memorie van graaf Prada voorkomende verhaal, waarin deze, zeer eerlijk, aarzelde te zeggen of het huwlijk voltrokken was of niet, zóó had de gravin zich verzet; hij had het wel gemeend op het oogenblik, dat de daad in normale omstandigheden ten einde gebracht was, maar bij nadere overweging durfde hij dat niet beslist te verzekeren, gaf hij toe, dat hij, toegevend aan zijn heftige begeerte, zich misschien illusies gemaakt had over een volkomen bezit. Monsignor Palma juichte over dien twijfel, versterkte dien nog door al de spitsvondige redeneeringen, die deze zaak mogelijk maakte, ja hij voerde zelfs tegen de echtgenoote aan de verklaring der kamenier, die zij zelf als getuige had laten dagvaarden, en die het lawaai van den strijd gehoord had en bevestigde, dat na dezen eersten nacht mijnheer en mevrouw steeds afzonderlijk geslapen hadden. Het hoofdargument van de [191]memorie was echter, dat het, zelfs, wanneer de eischeresse het onbetwistbare bewijs van haar maagdelijkheid geven kon, daarom niet minder vast stond, dat haar weigering alleen de voltrekking van het huwelijk belet had, daar de eerste voorwaarde voor de voltrekking de gehoorzaamheid der vrouw is. Na een vierde memorie, die van den rapporteur, waarin deze de drie andere resumeerde en aan kritiek onderwierp, was de congregatie tot stemming overgegaan en had met één stem meerderheid de nietigverklaring van het huwlijk uitgesproken. Dit was een zoo precaire oplossing der quaestie, dat monsignor Palma krachtens zijn recht onmiddellijk een aanvullingsonderzoek geëischt had, waardoor het geheele proces opnieuw behandeld moest worden en een nieuwe stemming noodig was.

“Die arme contessina!” riep Victorine uit; “zij zal nog van verdriet sterven, want ondanks haar kalm uiterlijk wordt het lieve kind door liefde verteerd … Het schijnt, dat advocaat Palma meester is van den toestand, dat hij de zaak net zoo lang kan rekken als hij zelf wil. En bovendien heeft het al zooveel gekost en zal het nog meer kosten. Abbé Pisoni—u kent hem nu goed—heeft waarachtig een prachtig idee gehad, toen hij met dit huwelijk voor den dag kwam. En ik wil geen kwaad zeggen van de nagedachtenis van mijn lieve mevrouw, gravin Ernesta, die een heilige was, maar zij heeft haar dochter ongelukkig gemaakt door haar aan graaf Prada te geven.”

Zij hield even op, om er dan in haar aangeboren rechtvaardigheidszin aan toe te voegen:

“Trouwens ik kan mij best begrijpen, dat graaf Prada met het heele geval ook niet erg ingenomen is. Ze maken zich te vroolijk over hem. Maar dat neemt niet weg, dat ik zeg, dat het van Benedetta toch wel dwaas is, om zooveel poespas te maken. Als het van mij afhing, dan zou zij vanavond nog haar Dario in haar kamer hebben; zij houdt toch zooveel van hem en ze verlangen al zoolang naar elkaar. Wel zeker, zonder burgemeester en zonder pastoor, zij zijn zoo jong en zoo mooi en zouden zoo graag samen gelukkig zijn … Geluk, lieve God, geluk is zoo zeldzaam!”

Toen zij zag, dat Pierre haar verbaasd aankeek, begon zij vroolijk met het kalme evenwicht van het lagere Fransche volk, dat alleen nog maar gelooft aan een gelukkig, fatsoenlijk leven, te lachen.

Dan klaagde zij op bescheiden wijze haar leed over een [192]andere onaangenaamheid, die over het heele huis haar schaduw wierp. Het was eveneens een terugslag van die ongelukkige echtscheidingsquaestie. Donna Serafina en advocaat Morano hadden een woordenwisseling gehad. De laatste was zeer uit zijn humeur over het echec, dat hij met zijn memorie geleden had, en verweet pater Lorenza, den biechtvader van de tante en de nicht, haar aangezet te hebben tot een proces, waaruit niets dan schandaal kon voortkomen. En hij was niet meer in het paleis Boccanera teruggekomen. Het was het afbreken van een meer dan dertigjarige liaison en bracht groote beroering in alle Romeinsche salons, die Morano’s handelwijze ten sterkste afkeurden. Donna Serafina was des te meer verbitterd en beleedigd, omdat zij vermoedde, dat hij de woordenwisseling slechts als voorwendsel gebruikte, om haar voor iets geheel anders te verlaten, om een plotselingen, bij een man van zijn positie en vroomheid misdadigen hartstocht, dien een jong, intrigeerend burgermeisje hem ingeboezemd had.

Toen Pierre ’s avonds den met geel Louis XIV brocaat behangen salon binnentrad, bemerkte hij inderdaad, dat er een zekere zwaarmoedigheid heerschte onder het gedempte licht van de door kant omsluierde lampen. Er was niemand dan Benedetta en Celia, die met Dario op de canapé zaten te praten, terwijl kardinaal Sarno, achter in een fauteuil verscholen, zonder een woord te zeggen, naar het eindelooze, onuitputtelijke gebabbel luisterde van de oude tante, die iederen Maandag met de kleine prinses medekwam. Donna Serafina zat alleen op haar gewone plekje aan de rechterzijde van den haard; een heimelijke woede verteerde haar, dat zij de linkerzijde tegenover haar ledig zag, het plekje, dat Morano gedurende de dertig jaar van zijn trouw ingenomen had. Pierre merkte ook haar angstigen, daarna wanhopigen blik op, dien zij bij zijn binnenkomen op hem wierp; zij loerde als het ware op de deur, daar zij blijkbaar den wispelturige nog verwachtte. Zij hield zich echter zeer flink en zag er met haar fijne, meer dan ooit in haar corset geregen taille, met haar hard oude-jongejuffrouwengezicht, haar sneeuwwit haar en haar zeer donkere wenkbrauwen nog trotsch uit.

Nadat Pierre haar begroet had, liet hij dadelijk de hem geheel beheerschende gedachte blijken door te vragen of hij dien avond niet het genoegen zou hebben, monsignor Nani te zien.

En zij kon zich niet weerhouden te zeggen: [193]

“O, monsignor Nani verlaat ons, evenals alle anderen. Wanneer je de menschen noodig hebt, verdwijnen ze.”

Zij had ook een zekeren wrok tegen den prelaat, omdat hij zich ondanks zijn vele beloften, bij de echtscheiding op den achtergrond gehouden had. Ongetwijfeld verborg hij als altijd onder zijn buitengewoon vleiende welwillendheid een ander plan. Zij had echter dadelijk berouw over de bekentenis, die haar woede haar ontrukt had, en zeide:

“Misschien komt hij nog. Hij is zoo goed en heeft zoo met ons op.”

Ondanks haar vurig bloed wilde zij politiek zijn, om het ongeluk zoo mogelijk te kunnen overwinnen. Haar broeder, de kardinaal, had haar gezegd, hoe de houding der Conciliecongregatie hem hinderde, want hij twijfelde er geen oogenblik aan, of de koele ontvangst, die de eisch van zijn nicht gevonden had, was gedeeltelijk het gevolg van het feit, dat sommige van zijn medekardinalen het uit rancune tegenover hem gedaan hadden. Zelf wenschte hij thans de scheiding, die alleen het voortbestaan van het geslacht verzekeren kon, daar Dario het nu eenmaal in zijn hoofd gezet had met niemand dan met zijn nicht te trouwen. Alle ongelukken kwamen nu tegelijk en troffen de geheele familie; hij was beleedigd in zijn trots, zijn zuster deelde in zijn verdriet en was bovendien in haar hart gewond; Benedetta en Dario waren wanhopig, dat hun verwachtingen nogmaals de bodem ingeslagen werd.

Toen Pierre bij de canapé kwam, waar de jongelui zaten te praten, hoorde hij, dat er fluisterend over niets dan over de catastrophe gesproken werd.

“Waarom ben je toch zoo wanhopig?” vroeg Celia. “Per slot van rekening is de nietigverklaring van het huwlijk met één stem meerderheid uitgesproken. Het proces wordt alleen nog eens gevoerd. Het is alleen een quaestie van uitstel.”

Maar Benedetta schudde haar hoofd.

“Neen, neen, als monsignor Palma zoo blijft aandringen, zal Zijne Heiligheid nooit zijn toestemming geven. Het is uit.”

“O, als we maar rijk, heel rijk waren!” prevelde Dario met een vaste overtuiging, die echter niemand lachen deed.

Dan zacht fluisterend tegen zijn nicht:

“Ik moet je beslist spreken; op deze manier kunnen we niet verder leven.”

En zij antwoordde eveneens zacht fluisterend: [194]

“Kom morgenmiddag om vijf uur. Ik zal thuis blijven en zorgen alleen te zijn.”

Dan sleepte de avond zich eindeloos verder. Pierre zag met diepe ontroering de verslagenheid van de gewoonlijk zoo kalme en verstandige Benedetta. Haar diepe oogen in haar rein, kinderlijk-teer gezicht waren als omsluierd door ingehouden tranen. Hij had reeds een groote genegenheid voor haar opgevat, daar hij haar steeds in een zoo gelijkmatige, zij het ook eenigszins indolente stemming zag, en wist hoe zij onder dezen schijn van kalmte den hartstocht van haar vlammenziel verborg. Toch trachtte zij te glimlachen om de vertrouwlijke mededeelingen van Celia, wier liefdesaangelegenheden er beter voor stonden dan de hare. Een oogenblik slechts werd het gesprek algemeen, toen de oude tante met verheffing van stem over de onwaardige houding sprak, die de Italiaansche pers tegenover den Heiligen Vader aannam. Nooit schenen de betrekkingen tusschen het Quirinaal en het Vaticaan zoo slecht geweest te zijn.

De anders zoo stille kardinaal Sarno deelde mede, dat de paus ter gelegenheid van de heiligschennende feesten van 20 September ter herinnering aan de inneming van Rome, een nieuw protest zou slingeren naar alle Christelijke staten, die door hun onverschilligheid medeplichtig waren aan den roof.

“Ja, probeer maar den paus en den koning te laten trouwen!” zeide donna Serafina op bitteren toon, zinspelend op het betreurenswaardige huwlijk van haar nicht.

Zij scheen geheel buiten zichzelf te zijn, het was te laat om monsignor Nani of een ander nog te verwachten. Toch flikkerden haar oogen bij een onverwacht lawaai van stappen op; met vlammende blikken keek zij naar de deur, doch zag tot haar groote teleurstelling Narcisse Habert binnentreden, die zich over zijn late komst bij haar kwam verontschuldigen. Zijn aangetrouwde oom, kardinaal Sarno, had hem in dezen zoo gesloten salon geïntroduceerd en hij was er ten gevolge van zijn, naar men beweerde, intransigente godsdienstige denkbeelden welwillend ontvangen. Dien avond echter kwam hij, ondanks het late uur, slechts voor Pierre. Hij nam dezen dadelijk ter zijde.

“Ik was er zeker van u hier te zullen vinden, ik heb met mijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, in de ambassade gedineerd en heb goed nieuws voor u … Hij zal u morgenochtend in zijn appartement op het Vaticaan ontvangen.” [195]

Dan op nog meer fluisterenden toon:

“Ik geloof wel, dat hij trachten zal u bij den Heiligen Vader te introduceeren … In het kort, de audiëntie schijnt mij zeker.”

Pierre voelde een groote vreugde over dat nieuws, dat hij kreeg in dezen droefgeestigen salon, waar hij nu reeds bijna twee uur in steeds grooter wanhoop verviel. Eindelijk dus toch een oplossing! Na Dario de hand gedrukt en Benedetta en Celia begroet te hebben, ging hij naar zijn oom den kardinaal, die, nu hij eindelijk van de tante bevrijd was, begon te spreken. Maar hij praatte over bijna niets anders dan over zijn gezondheid en het weer en herhaalde enkele onbeteekenende anecdotes, die men hem verteld had, zonder ooit één woord los te laten over de dreigende ingewikkelde en verschrikkelijke dingen, die hij aan de Propaganda onder handen had. Het was alsof hij, buiten zijn bureau, in deze teruggetrokkenheid en in dit op den achtergrond treden een bad nam, waarin hij uitrustte van de zorgen over de heerschappij der wereld. Allen stonden nu op en namen afscheid.

“Vergeet het vooral niet,” zeide Narcisse nogmaals tot Pierre; “morgenochtend om tien uur vindt u mij in de Sixtijnsche kapel. Voordat mijn neef u ontvangt, zal ik u dan de Botticelli’s laten zien.”

Den volgenden ochtend om half tien bevond Pierre, die te voet gekomen was, zich op het groote plein. Voordat hij zich naar de bronzen deur in den hoek van de zuilengaanderij rechts wendde, keek hij op en bleef enkele minuten naar het Vaticaan staan kijken. Hij kon zich niets minder monumentaals voorstellen dan deze opeenhooping van gebouwen, die zonder eenige architectonische orde en zonder eenige regelmaat in de schaduw van den dom der St. Pieter opgegroeid waren. Het eene dak stapelde zich op het andere, de gevels strekten zich breed en vlak uit, zoo, als de vleugels eraan toegevoegd en opgebouwd waren. Alleen de drie zijden van den St. Damasiushof schenen symmetrisch boven de zuilengaanderij; met de groote vensters der voormalige, thans gesloten loggia’s deden zij denken aan drie groote broeikassen, waarvan de roodachtige steen in de zon glansde. Dat was dus het mooiste, het grootste paleis der wereld met elfhonderd vertrekken, die de schoonste kunstwerken van het menschelijk genie bevatten. Maar in zijn teleurstelling [196]interesseerde Pierre zich slechts voor den hoogen rechtschen gevel, die uitziet op het plein, en waar hij wist, dat de ramen van de particuliere vertrekken van den paus op de tweede verdieping uitkwamen. Hij keek lang naar deze ramen, men had hem verteld, dat het vijfde raam rechts dat van de slaapkamer was, waarin men tot laat in den nacht een lamp branden zag.

Wat bevond zich achter deze bronzen deur daar voor hem, die de heilige drempel, de verbinding tusschen alle rijken der aarde en het koninkrijk Gods was, Wiens verheven vertegenwoordiger zich tusschen deze hooge, zwijgende muren ingekerkerd had? Hij keek uit de verte naar de met dikke, vierkante spijkers beslagen, metalen paneelen en hij vroeg zich af wat die streng-uitziende, oude vestingdeur verdedigde, verborg, wegsloot. Welke wereld zou hij daarachter vinden, wat voor een schat van ijverzuchtig in de donkerte bewaarde naastenliefde, wat voor een wedergeboorte der hoop voor de nieuwe, naar broederschap en gerechtigheid snakkende volkeren? Hij liet zich geheel door dien droom wiegen: de eenige en heilige redder, wakend in dit gesloten paleis, de heerschappij van Jezus voorbereidend, terwijl de oude, verrotte beschavingen in stof vallen zouden; de herder, die op het punt stond deze heerschappij af te kondigen door van onze democratieën de door den Heiland beloofde groote Christelijke gemeenschap te maken. Ja, de toekomst bereidde zich achter die bronzen deur voor, de toekomst zou daar ongetwijfeld uit te voorschijn treden.

Plotseling zag Pierre tot zijn groote verbazing monsignor Nani tegenover zich staan, die juist het Vaticaan verliet, om zich te voet te begeven naar het een paar passen verder gelegen paleis van den Santo Offizio, waar hij in zijn qualiteit als assessor woonde.

“O, monseigneur, ik ben zoo gelukkig. Mijn vriend, mijnheer Habert, zal mij voorstellen aan zijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, en ik geloof werkelijk, dat ik de zoo vurig verlangde audiëntie verkrijgen zal.”

Op zijn vriendelijke en fijne manier glimlachte monsignor Nani.

“Ja, ja, ik weet het!”

Dan herstelde hij zich.

“Ik ben er even blij om als gij, mijn waarde zoon. Maar nogmaals, wees voorzichtig.”

Bang, dat de jonge priester mogelijk zou kunnen vermoeden, [197]dat hij juist van monsignor Gamba del Zoppo kwam, den prelaat, die van de geheele toch al zoo angstige pauselijke hofhouding het makkelijkst bang te maken was, vertelde hij, dat hij van ’s morgens vroeg al moeite deed voor twee Fransche dames, die eveneens van verlangen brandden, om den paus te zien, maar dat hij erg bang was niet te zullen slagen.

“Ik wil u eerlijk bekennen monseigneur,” zeide Pierre, “dat ik den moed al begon te verliezen. Ja, het is hoog tijd, dat ik wat getroost word, want mijn verblijf hier is niet erg geschikt om je op te wekken.”

Hij sprak verder en liet doorschemeren hoe zeer Rome het geloof in hem vernietigd had. Dagen, zooals hij ze op den Palatinus en op de Via Appia, daarna in de katakomben en in de St. Pieter doorgemaakt had, konden zijn onrust slechts grooter doen worden, zijn droom van een verjongd en triompheerend Christendom slechts vernietigen. Hij was door die bezoeken een prooi van den twijfel geworden. Een uitputting maakte zich van hem meester, nu hij zooveel van zijn steeds tot verzet bereid enthousiasme verloren had.

Zonder dat het glimlachje van zijn lippen verdween, luisterde monsignor Nani naar hem en schudde goedkeurend zijn hoofd. Blijkbaar was het zoo goed, had het zoover moeten komen. Hij scheen het voorzien te hebben en daarom tevreden te zijn.

“Enfin, mijn waarde zoon, alles komt in orde, zoodra gij de zekerheid hebt Zijne Heiligheid te zien.”

“Dat is zoo, monseigneur, al mijn hoop is gevestigd op den zeer rechtvaardigen en helderzienden Leo XIII. Hij alleen kan over mij richten, omdat hij alleen in mijn boek zijn denkbeelden, die ik geloof zeer getrouw weergegeven te hebben, kan terugvinden … O, als hij wil, zal hij in naam van Jezus door de democratie en de wetenschap de oude wereld kunnen redden.”

Zijn oude geestdrift maakte zich weer van hem meester en Nani knikte opnieuw goedkeurend, terwijl om zijn scherpe ogen en om zijn dunne lippen een steeds vriendelijker wordende uitdrukking kwam.

“Precies, precies, mijn waarde zoon … Gij zult met den Heiligen Vader spreken—en dan zult gij verder zien.”

Toen hierop beiden opkeken naar den gevel van het Vaticaan, dreef hij de vriendelijkheid zoover om hem van zijn dwaling te genezen. Neen, het raam, waar men iederen [198]avond licht zag, was niet van de slaapkamer van den paus. Het was het raam van een trapportaal, dat den geheelen nacht door gas verlicht werd. De kamer van den paus was twee ramen verder. Dan vielen zij weer in hun zwijgen terug en bleven, beiden nu ernstig geworden, naar den gevel kijken.

“Nu, tot ziens mijn waarde zoon. Ge komt me zeker wel eens van de audiëntie vertellen?”

Zoodra Pierre weer alleen was, ging hij de bronzen deur door; zijn hart klopte heftig, als had hij de heilige en vreeselijke plaats betreden, waar het toekomstige geluk voorbereid werd. Een schildwacht der Zwitsersche garde liep langzaam heen en weer; hij was in een grijsblauwen mantel gehuld, die slechts de zwart, geel en rood gestreepte broek liet zien; het scheen alsof deze mantel over een vermomming geworpen was, om de nu hinderlijk geworden verkleeding te bedekken. Onmiddellijk aan zijn rechterhand bevond zich de groote overdekte trap, die naar den St. Damasiushof leidde. Maar om in de Sixtijnsche kapel te komen, moest hij tusschen een dubbele rij zuilen de lange gaanderij volgen en de Scala Regia opgaan. En Pierre begon in deze reusachtige wereld, waarin alle afmetingen een overdreven, neerdrukkende majesteit kregen, bij het oploopen van de breede treden eenigszins te hijgen.

Toen hij de Sixtijnsche kapel binnenkwam, voelde hij zich eerst verbaasd. Zij kwam hem klein voor, een soort rechthoekige, zeer hooge zaal. Een mooi marmeren schot scheidt tweederde gedeelten af, het deel, waar bij groote plechtigheden de invités zich verzamelen; op het koor zitten de kardinalen op eenvoudige houten banken, terwijl de prelaten achter hen blijven staan. De pauselijke troon bevindt zich op een lage estrade rechts van het sober versierde altaar. Links is in den muur de smalle voor de zangers bestemde loggia met een marmeren balkon. Maar men moet eerst opkijken, men moet zijn blikken van de reusachtige fresco, die het Laatste Oordeel voorstelt en den geheelen achterwand inneemt, laten dwalen naar de zolder-schilderijen, die tusschen de twaalf lichte ramen—zes aan iederen kant—tot aan de kroonlijsten loopen, om plotseling te zien, dat alles uit elkaar schuift, en zich tot in het oneindige verbreedt.

Er waren gelukkig slechts drie of vier stille toeristen. Pierre zag onmiddellijk Narcisse Habert op een der kardinaalsbanken boven de trede, waarop de sleepdragers zitten. [199]Onbeweeglijk, het hoofd wat achterover gebogen, scheen de jonge man in extase. Maar hij keek niet naar het werk van Michelangelo. Zijn blikken waren als het ware niet weg te krijgen van een der voorste fresco’s onder de kroonlijst. Toen hij den priester herkend had, prevelde hij slechts met tranen in zijn oogen:

“O, lieve vriend, zie toch dien Botticelli!”

Dan viel hij weer in zijn extase terug.

Pierre was geheel en al verdiept in een aandachtige beschouwing van Michelangelo’s bovenmenschelijk genie. Al het andere verdween, daar in de hoogte bevond zich als in een onbegrensden hemel niets dan deze buitengewoone kunstschepping. In den beginne sloeg het onverwachte hem met stomheid, dat de schilder de eenige schepper van dit werk had willen zijn; hij had geen hulp willen hebben, noch voor het marmer, noch voor het brons, noch voor het verguldsel. Het penseel van den schilder was voldoende geweest voor de pilasters, voor de zuilen, voor de marmeren kroonlijsten, voor de standbeelden en de bronzen ornamentiek, voor de gouden bloemen en rosetten, voor deze ongehoorde rijke versiering, welke de fresco’s omlijstte. Hij stelde zich voor hoe het op den dag geweest was, toen men hem het kale gewelf ter bewerking gegeven had—niets dan kalk, niets dan den vlakken en witten muur, de honderden vierkante meters, die te bedekken waren. En hij zag hem voor deze reusachtige taak staan, zonder hulp te willen, de nieuwsgierigen wegjagen, zich geheel alleen opsluitend met zijn reuzenwerk. Vier en een half jaar was hij in grimmige eenzaamheid met het baren van dezen kolos bezig geweest. O, dit ontzaglijke werk, geschapen om een leven te vullen, dit werk, dat hij had moeten beginnen in een rustig vertrouwen in zijn wil en in zijn kracht—het was een geheele wereld, die hij in een voortdurenden drang van zijn scheppende manlijke kracht, in de volle ontplooiing van zijn almacht uit zijn hersens getrokken en daar neergeworpen had.

Dan echter doorrilde Pierre een siddering van bewondering, toen hij deze door een zienersoog vergroote menschheid zag. Zij stroomde over van een matelooze synthese, van een cyclopisch symbolisme. Als een natuurlijke bloei lichtte iedere schoonheid op: koninklijke gratie in koninklijken adel, verheven vrede in verheven geweld. En dan de volkomen beheersching der stof, de meeste gewaagde verkortingen, waarvan hij zeker was, dat zij slagen zouden, de voortdurende [200]overwinning op de technische moeilijkheden, die door de gewelfde vlakken veroorzaakt werden! En vóór en boven alles de ongelooflijke naïveteit en de aanwending der middelen: de stof bijna tot niets teruggebracht, enkele kleuren rijkelijk gebruikt zonder eenig streven naar het gekunstelde of naar praal! En dat was voldoende, het bloed bruiste stormachtig, de spieren spanden zich onder de huid, de figuren kregen leven en traden met zulk een krachtig élan uit de lijst te voorschijn, dat daarboven over alles een vlam scheen te strijken, die aan dat volk een bovenmenschelijk, onsterfelijk leven gaf. Ja, het was het leven, het stralende, overwinnende leven—een ontzagwekkend, woekerend leven, een levenswonder, dat een enkele hand verwezenlijkt had; maar deze bezat dan ook de hoogste en verhevenste gave: eenvoud en kracht.

Men heeft daarin een geheele philosophie gezien, men heeft daarin het geheele menschenlot, de schepping der wereld, van den man en van de vrouw, de zondenval, de straf, de verzoening en ten slotte de gerechtigheid Gods bij het Laatste Oordeel willen zien, maar daarbij kon Pierre bij die eerste aanschouwing, in de stomme verbijstering, waarin een dergelijk werk hem bracht, zijn gedachten niet bepalen. Doch welk een verheerlijking van het menschelijk lichaam, van zijn schoonheid, van zijn gratie was dit alles! O, die Jehova, deze koninklijke, geweldige en vaderlijke grijsaard, medegesleurd in den orkaan van zijn schepping, met uitgestrekte armen werelden barend! En die heerlijke Adam met zoo adellijke lijnen en de uitgestoken hand, en dien Jehova, zonder hem aan te raken, met een bewonderenswaardig gebaar met den vinger bezielt! Een geheiligde ruimte ligt tusschen dien vinger van den Schepper en dien van het schepsel, een kleine ruimte, die echter de oneindigheid van het onzichtbare en het mysterievolle bevat!

En deze machtige en aanbiddellijke Eva, deze Eva met haar krachtigen schoot, die in staat is de toekomstige menschheid in zich te dragen, met de trotsche, teere aanminnigheid der vrouw, die bemind zal willen worden, al zou het tot haar verdoemenis leiden, de vrouw in haar volheid met haar verleiding, haar vruchtbaarheid, haar macht. Zelfs de in de vier hoeken der fresco’s op pilasters zittende figuren vieren den triomf van het vleesch: de over haar naaktheid gelukkige twintig jonge mannen met hun prachtige torso’s en hun bewonderenswaardige ledematen, zoo vol leven, dat een waanzinnige [201]zucht naar beweging hen medesleept, buigt en in heldenhoudingen terugwerpt. En tusschen de vensters troonden de reuzen, de Propheten en de Sibyllen, de goden geworden man en vrouw, bovenmenschelijk in spierkracht en in hun intellectueele uitdrukking: Jeremia met zijn elleboog op zijn knie en zijn kin in zijn hand, verzonken in visioenen en droomen; de Sibylle van Erythrea met het reine profiel en zoo jong in haar rijke schoonheid, een vinger leggend op het open boek van het noodlot; Jesaja met den sterken mond der waarheid, opgezwollen onder de gloeiende kolen, trotsch, het gezicht half afgewend en een hand met bevelend gebaar omhoog geheven; de Sibylle van Cumae, angstaanjagend door haar weten en haar ouderdom, vast als een rots, met haar gerimpeld gezicht, haar roofvogelneus en haar vierkante kin, die eigenzinnig vooruitsteekt; Jonas, uitgespuwd door een walvisch en neergeworpen in een buitengewone verkorting, den romp verrekt, de armen gekromd, het hoofd achterovergeworpen, den grooten mond open en schreeuwend; en al de anderen, al de anderen, allen van dezelfde groote en majestueuze familie, heerschend met de souvereiniteit van eeuwige gezondheid en eeuwig intellect, den droom van een onverwoestbare, grootere en hoogere menschheid verwezenlijkend.

Ook in de vensterbogen en in de luchtgaten ontstonden en verdrongen zich gestalten vol schoonheid, macht en aanminnigheid; het zijn de voorvaderen van den Christus, peinzend-droomende moeders met mooie naakte kinderen, mannen met vooruitzienden, in de toekomst starenden blik, het gestrafte, uitgeputte, naar den beloofden Heiland snakkende ras, terwijl in de overhangende gewelfbogen der vier hoeken bijbelsche tooneelen naar voren treden, de overwinningen van Israël op den geest van het Kwade. En eindelijk de reusachtige fresco van den achtergrond, het Laatste Oordeel met zijn wemelende gestalten, die zoo talloos zijn, dat er dagen en dagen noodig zijn, om ze goed te zien, een razende, door den brandenden adem van het leven voortgesleepte menigte, vanaf de dooden, die door de woest bazuinende engelen der Apokalypse gewekt worden, vanaf de verdoemden, die de duivelen in de hel storten, tot den door apostelen en heiligen omgeven, richtenden Jezus, tot de stralende uitverkorenen, die door engelen gedragen, omhoog stijgen, terwijl nog hooger andere engelen met de instrumenten van het lijden triompheeren in volle glorie. En toch bewaart de [202]zoldering boven deze reusachtige schildering, die dertig jaar later de kunstenaar in de volle rijpheid van zijn kunnen maakte, haar zekere superioriteit, want daarin heeft hij zijn ongerepte kracht, al zijn jeugd, het eerste opvlammen van zijn genie gegeven.

Pierre kon geen woorden vinden. Michelangelo was het monster, dat alles domineerde, alles terneer drukte. Om dat in te zien, behoeft men slechts naast het geweldige van zijn werk de werken van Perugino, Pinturicchio, Rosselli, Signorelli, Botticelli, al de andere bewonderenswaardige fresco’s te aanschouwen, die onder de kroonlijst om de kapel loopen.

Narcisse had zijn oogen niet opgeslagen naar de verpletterende pracht van de zoldering. Geheel in extase verzonken, had hij zijn oogen niet afgewend van Botticelli, die hier drie fresco’s heeft. Eindelijk sprak hij op fluisterenden toon:

“O, Botticelli, Botticelli! De elegance en de gratie van den lijdenden hartstocht, het diepe gevoel van de droefheid in de wellust! Hij heeft onze geheele moderne ziel geraden en met de verleidelijkste bekoring omgeven, die ooit van een kunstenaarsschepping is uitgegaan!”

Verbaasd keek Pierre hem aan. Dan waagde hij het te vragen:

“Maar komt u dan hier om Botticelli te zien?”

“Natuurlijk,” antwoordde de jonge man met zijn gewone kalmte. “Iedere week kom ik eenige uren hier alleen voor hem en ik zie niets anders dan hem … Zie toch dat blad eens: Mozes en de dochters van Jethro. Heeft menschelijke teederheid en melancholie ooit iets aandoenlijkers geschapen?”

En met een zachte, vrome beving in zijn stem, als een priester, die in de verrukkelijke en angstaanjagende huivering van het heiligdom doordringt, ging hij voort:

“O, Botticelli, de vrouwen van Botticelli met haar lang, zinnelijk en rein gezicht, met haar onder de dunne kleeding iets te veel naar voren tredenden buik, met haar hoogopgerichte, soepele en zwevende houding, waarin haar geheele lichaam zich overgeeft. De jonge mannen, de engelen van Botticelli, die zoo echt en toch zoo mooi als vrouwen zijn, van een niet met zekerheid uit te maken geslacht, waarin zich de kracht der spieren paart aan de fijnheid der lijnen, allen omhoog gedragen door een vlam van verlangen, die zelfs de toeschouwers brandt. O, de monden van Botticelli, die zinnelijke, als vruchten zoo vaste, ironische of pijnlijk vertrokken monden, raadselachtig in hun plooien, zonder dat men kan zeggen of zij reine of afschuwlijke dingen verzwijgen. [203]O, de oogen van Botticelli, die vleiende, hartstochtelijke, mystiek of wellustig zwijmelende oogen, soms vol van een zoo diepe smart in hun vreugde, dat er in de wereld geen ondoorgrondelijkere bestaan. O, de zoo zorgvuldig bewerkte handen van Botticelli, die als het ware een eigen intens leven bezitten, vrij spelen, zich met elkander vereenigen en met zulk een gezochte gratie elkaar kussen en met elkander spreken, dat zij er soms gemaniereerd door zijn, maar ieder met haar eigen uitdrukking, alle uitdrukkingen van genot en lijden der aanraking. En toch is er niets verweekelijkts noch iets leugenachtigs te zien; overal is een soort manlijke fierheid, een hartstochtelijke, prachtige beweging, die de figuren leven inblaast en medesleept, een volmaakt streven naar waarheid, een nauwkeurige waarneming, de grootste nauwkeurigheid, een echt realisme, dat gecorrigeerd en gematigd wordt door de geniale zeldzaamheid van het gevoel en het karakter en dat aan de leelijkheid zelve de onvergetelijke verheerlijking van den charme geeft!”

De verbazing van Pierre nam toe, terwijl hij luisterde naar Narcisse; hij merkte voor het eerst diens ietwat bestudeerde distinctie op, het gefriseerde, op Florentijnsche wijze geknipte haar, de blauwe, bijna malvekleurige oogen, die in zijn enthousiasme nog lichter werden.

“Zeker,” zeide ten slotte Pierre, “Botticelli is een schitterend kunstenaar … Maar het komt me voor, dat hier Michelangelo …”

Met een bijna heftig gebaar viel Narcisse hem in de rede.

“Ach neen, neen, praat me niet van dezen! Hij heeft alles bedorven, alles in den grond bedorven! Een man, die zich als een stier voor het werk spande, die zijn kunst tot een ambacht verlaagde, zoo en zooveel meter per dag! En een mensch zonder eenig begrip of gevoel voor het mysterievolle of ongekende, die alles zoo grof zag, dat je een walg krijgt van de schoonheid, mannenlichamen als boomstammen, vrouwen als reusachtige slagerinnen, klompen gevoelloos vleesch, zonder dat daarachter iets van een goddelijke of duivelsche ziel spreekt!… Een metselaar, en als gij wilt, een kolossaal metselaar, maar meer niet!”

Onbewust kwam in dit verwarde, door de zucht naar het eigenaardige en zeldzame verdorven ras van den moeden moderne de noodlottige haat tegen gezondheid, kracht en flinkheid te voorschijn. Deze Michelangelo, die zonder eenige moeite schiep, die het wondermooiste kunstwerk achtergelaten [204]heeft, ooit door een kunstenaar ter wereld gebracht, was de booze vijand! Zijn misdaad bestond juist in dat scheppen, dat leven geven, zoodat al die kleine kunstgewrochtjes der anderen, zelfs de besten, in dezen overstroomenden vloed van levend in de zon geworpen wezens verdronken en ondergingen.

“Waarachtig,” zeide Pierre moedig; “ik kan het niet met u eens zijn. Ik heb zoo juist geleerd, dat in de kunst het leven alles is en dat alleen de scheppers de onsterfelijkheid verdienen. Het geval van Michelangelo lijkt mij beslissend, want alleen door dat buitengewone verwekken van levend en prachtig vleesch, waaraan uw verweekelijktheid aanstoot neemt, is hij de bovenmenschelijke meester, het monster, dat al de anderen dooddrukt. Laten de op buitenissigheid belusten, de intellectueele scherpzinnigen maar spitsvondig het equivoque en onzichtbare uitpluizen, laten zij het hoogste der kunst maar leggen in de keuze van een gezochte behandeling en het halfdonker van het symbool, Michelangelo blijft de Almachtige, de Schepper van menschen, de Meester van het licht, den eenvoud en de gezondheid, hij blijft eeuwig als het leven zelf.”

Thans glimlachte Narcisse slechts met een medelijdend- en hoffelijk-minachtend lachje. Och ja, niet iedereen ging uren lang in de Sixtijnsche kapel voor een Botticelli zitten, zonder ooit zijn blikken te richten naar de Michelangelo’s. En kort brak hij het gesprek af met de woorden:

“Maar het is elf uur. Mijn neef zou me hier laten waarschuwen, zoodra hij ons ontvangen kon. Ik begrijp niet, dat ik nog niemand gezien heb … Willen we zoolang naar de Raffaëlgalerij gaan?”

En boven in de galerij oordeelde hij weer heel helder en juist over de werken; zijn onbevangen blik keerde terug, zoodra hij niet meer bezeten werd door zijn haat tegen reusachtige werken en geniale decors.

Maar ongelukkig kwam Pierre uit de Sixtijnsche kapel; hij moest zich eerst uit de omarming van het monster rukken, vergeten wat hij gezien had, wennen aan wat hij daar zag, voor hij de reine schoonheid hiervan genieten kon. Het was, alsof hij eerst een te koppigen wijn gedronken had, die hem bedwelmde en belette dezen anderen lichteren, maar toch ook geurigen wijn lekker te vinden. Hier treft de bewondering niet als een bliksemstraal, maar werkt de betoovering met langzame, doch onweerstaanbare macht. Het [205]is als Racine vergeleken bij Corneille, Lamartine bij Hugo—het eeuwige paar, wijfje en mannetje, in de eeuwen van den roem. Bij Raffaël triompheeren de adel, de gratie, de exquise, onberispelijke, goddelijk harmonische lijn; het is niet alleen meer het lichamelijke symbool, zooals Michelangelo het zoo prachtig neergeworpen heeft, maar tevens een in de schilderkunst overgebrachte psychologische analyse van groote scherpzinnigheid. Bij Raffaël is de mensch meer veredeld, meer geïdealiseerd, meer van binnen uit gezien. En ook wanneer daar iets sentimenteels, iets vrouwelijks, waarvan men de teedere huivering voelt, in ligt, toch heerscht hier een krachtige, bewonderenswaardige, grondige en groote techniek.

Langzamerhand kwam Pierre onder de bekoring van deze hoogste meesterschap; deze krachtige, elegante, jonge mannenschoonheid, deze visie van de opperste schoonheid in de hoogste volmaaktheid roerde hem tot in het diepst van zijn hart. Maar terwijl de vóór de schilderingen in de Sixtijnsche kapel ontstane schilderijen “De Strijd om het Heilige Sacrament” en “De School van Athene” hem de meesterwerken van Raffaël toeschenen, voelde hij daarentegen, dat de kunstenaar in “De Brand van den Borgo” en meer nog in “Heliodorus uit den tempel verjaagd” en “Attila tegengehouden bij de poorten van Rome” den bloesem van zijn goddelijke gratie verloren had, daar de verpletterende grootheid van Michelangelo op hem inwerkte. Welk een inslaan als van den bliksem, toen de Sixtijnsche kapel geopend werd en de rivalen binnentraden. Het monster daar beneden had geschapen en zelfs de grootste onder de stervelingen liet hier iets van zijn ziel, zonder dat hij zich ooit meer van den onderganen invloed vrij maken kon.

Dan bracht Narcisse Pierre naar de loggia’s, naar de zoo lichte, zoo smaakvol ingerichte glazen galerij. Maar Raffaël was dood; de kartons, die hij achtergelaten had, waren slechts het werk van leerlingen. Het was een plotseling, volkomen verval. Nooit had Pierre beter begrepen, dat het genie alles is, dat met zijn verdwijnen de geheele school ineenstort. De geniale mensch is als het ware een samenvatting van het tijdvak, geeft op een bepaald oogenblik der beschaving al het sap van den socialen bodem, dat dan menigmaal gedurende eeuwen uitgeput blijft. Het prachtige uitzicht, dat men van uit de loggia’s heeft, interesseerde hem nog te meer, toen hij merkte, dat hij aan de andere [206]zijde van den St. Damasiushof de door den paus bewoonde verdieping zag. Beneden lag de hof met zijn zuilengaanderij, zijn fontein, zijn wit plaveisel, fel en kaal in de zon te branden.

Hier was beslist niets van de schaduw, van het gedempt-vrome mysterievolle, waarvan de omgeving der oude Noordelijke kathedralen hem hadden doen droomen. Rechts en links van het bordes, dat toegang gaf tot de vertrekken van den paus en den kardinaal-secretaris, stonden vijf rijtuigen, de koetsier rechtop op den bok, de paarden onbeweeglijk in het felle licht. En geen levende ziel bracht leven in de woestijn van den grooten, vierkanten hof met de drie verdiepingen loggia’s, die met haar groote ramen aan reusachtige broeikassen denken deden; de flikkering der ruiten en de roodachtige afstraling der steenen schenen de kaalheid van het plaveisel en van de gevels in een soort ernstige majesteit te vergulden als een heidenschen, aan den zonnegod gewijden tempel.

Maar nog meer trof Pierre het wondermooie panorama van Rome, dat zich onder die ramen van het Vaticaan ontrolde. Hij had geen oogenblik het vermoeden gehad, dat het zoo zijn zou, en plotseling maakte de gedachte zich van hem meester, dat de paus van zijn ramen uit geheel Rome voor zich uitgestrekt zag, samengedrongen, alsof hij slechts zijn handen behoefde uit te steken, om het weer te nemen. Lang dronk hij dat ongehoord-mooie schouwspel met zijn oogen en zijn hart in, want hij wilde het met zich mede dragen, het bewaren.

Een geluid van stemmen stoorde hem in zijn overpeinzingen en deed hem omkijken; hij zag, hoe een lakei in zwarte livrei, nadat hij Narcisse zijn boodschap medegedeeld had, diep groette.

De jonge man kwam naar den priester toe.

“Mijn neef, monsignor Gamba del Zoppo laat mij weten, dat hij ons vanochtend niet zal kunnen ontvangen. Het schijnt, dat hij onverwacht dienst moet doen.”

Maar zijn verlegenheid liet zien, dat hij niet aan dat excuus geloofde en begon te vermoeden, dat zijn neef, gewaarschuwd en bang gemaakt door een of andere goede ziel, er tegen opzag zich met deze zaak in te laten. Dit hinderde hem, die zoo gaarne een ander een dienst bewees en niet tegen moeite opzag. Maar hij glimlachte reeds weer, toen hij eraan toevoegde: [207]

“Luister, misschien is er wel een middel om toch toegang te krijgen. Indien u uw middag vrij hebt, zullen wij samen dejeuneeren en dan hier terugkomen, om de Galleria degl’ antichi te bezichtigen. Het zal mij dan wel gelukken mijn neef te vinden, afgezien nog van het feit, dat wij door een gelukkig toeval den paus zelf kunnen ontmoeten, als hij naar de tuinen gaat.”

Bij het hooren, dat de audiëntie nogmaals uitgesteld was, had Pierre eerst een zeer groote teleurstelling ondervonden. Hij nam dan ook, daar hij over zijn geheelen dag beschikken kon, het aanbod van Narcisse gaarne aan.

“Ik ben werkelijk bang, dat ik misbruik begin te maken van uw vriendelijkheid … Ik dank u van ganscher harte.”

Zij dejeuneerden tegenover de St. Pieter in een klein restaurant van den Borgo, dat gewoonlijk alleen door pelgrims bezocht werd. Het eten was er trouwens zeer slecht. Tegen twee uur liepen zij de Basilica om over de piazza della Sagrestia en de piazza Santa Marta, om van de achterzijde in de Galleria te komen. Het was een licht, verlaten en warm stadsdeel, waar de jonge priester opnieuw en in veel sterker mate het gevoel van kale, vale en als door de zon verbrande majesteit kreeg, dat hij gehad had bij het zien van den St. Damasiushof. Toen hij om de reusachtige apsis van den kolos heen liep, begreep hij de ontzaglijkheid daarvan nog beter: een groote menigte gebouwen is hier opgestapeld, die door de ledige ruimte van het plaveisel, waarop een fijne grassoort groeit, omzoomd wordt. In die zwijgende oneindigheid speelden slechts twee kinderen in de schaduw van een muur. De oude Munt der pausen, de Zecca, die nu Italiaansch is en door soldaten des konings bewaakt wordt, staat links van de naar de Galleria leidende gang, terwijl rechts daartegenover zich een poort van het Vaticaan bevindt, waar een schildwacht der Zwitsersche Garde staat; door die poort komen de met twee paarden bespannen rijtuigen, die volgens de etiquette de bezoekers van den kardinaal-secretaris en van Zijn Heiligheid naar den St. Damasiushof brengen.

Zij volgden de lange gang, de straat, die tusschen een vleugel van het paleis en den muur der pauselijke tuinen loopt. Eindelijk kwamen zij aan de Galleria degl’ antichi. O, deze groote, uit eindelooze zalen gevormde Galleria, de Galieria, die eigenlijk drie musea bevat, de zeer oude Galleria Pio-Clementino, de Galleria Chiaramonte en den Braccio-Nuovo; het is een geheele wereld, die in de aarde teruggevonden [208]en uitgegraven is en in het felle zonlicht verheerlijkt wordt. Meer dan twee uur liep de jonge priester er door, ging van de eene zaal naar de andere, verblind door deze meesterwerken, bedwelmd door zooveel genie en zooveel schoonheid. Niet alleen de beroemde stukken sloegen hem met verbazing, zooals de Laokoon en de Apollo van Belvédère, ook niet de Meleager of zelfs de torso van Hercules; meer nog werd hij getroffen door het ensemble, door de ontelbare beelden van Venus, Bacchus, vergoddelijkte keizers en keizerinnen, door dezen prachtigen opbloei van mooie lichamen, die de onsterfelijkheid van het leven uitjubelden.

Drie dagen te voren had hij het museum van het Capitool bezocht, waar hij de Venus, den Stervenden Galliër, de wondermooie, zwartmarmeren Kentauren, de buitengewone verzameling busten bewonderd had. Maar hier steeg door dezen onuitputtelijken rijkdom die bewondering tot stomme verbijstering. En daar hij misschien nog meer naar leven dan naar kunst zocht, bleef hij opnieuw in zelfvergetelheid voor de busten staan, waarin zoo werkelijk en echt het historische Rome herleeft, dat ongetwijfeld niet in staat was geweest zich op te werken tot de ideale schoonheid van Griekenland, maar dat het leven schiep. Zij zijn daar allen: de keizers, de wijsgeeren, de geleerden, de dichters, zij herleven allen in een wonderbare intensiteit, zooals zij waren, angstvallig door den kunstenaar bestudeerd en weergegeven met hun mismaaktheden, hun gebreken, de kleinste bijzonderheden in hun trekken; en uit dit overdreven streven naar waarheid kwam het karakter, een herleving van onvergelijkelijke macht voort. Er bestaat niets hoogers; het zijn de menschen zelf, die herleven, die de geschiedenis weer doen opstaan, deze valsche geschiedenis, door het onderwijs waarvan geslachten van leerlingen de oudheid verafschuwen. Maar hoe begrijpt men haar, hoe gaat men sympathie ervoor voelen, als men dit alles gezien heeft. En zoo kwam het, dat de kleinste marmeren brokstukken, de afgebroken standbeelden, de verminkte bas-reliefs, een goddelijke arm van een nymf, de gespierde dij van een satyr den glans van een lichtende, groote en krachtige beschaving doen opleven.

Narcisse bracht Pierre terug naar de honderd meter lange Galleria dei Candelabri, waar prachtige beeldhouwwerken te vinden zijn.

“Kijk eens, mijn waarde abbé, het is pas vier uur. Wij zullen hier een oogenblik gaan zitten, want het gebeurt [209]meermalen dat de Heilige Vader hier door komt, om naar den tuin te gaan. Het zou een groot geluk zijn, wanneer u hem zoudt kunnen zien, en wie weet misschien spreken!… In ieder geval zult u wat uitrusten, want u zult wel doodmoe zijn …”

Alle suppoosten kenden hem, zijn verwantschap met monsignor Gamba del Zoppo opende alle deuren van het Vaticaan voor hem, waar hij dikwijls geheele dagen doorbracht. Er stonden twee stoelen, zij gingen erop zitten en Narcisse begon onmiddellijk weer over kunst te spreken.

Welk een verwonderlijk lot, welk een verheven en geleende koninklijkheid bezit Rome toch! Het schijnt een middelpunt te zijn, waarin de geheele wereld samenkomt, maar waar niets uit den bodem zelf, die van den beginne af met onvruchtbaarheid geslagen is, opschiet. De kunsten moeten hier geacclimatiseerd, het genie van de omliggende volkeren hierheen overgeplant worden; doch is dat eenmaal gedaan, dan bloeien zij in volle pracht op. Onder de keizers, wanneer Rome de koningin der aarde is, krijgt het van Griekenland de schoonheid van zijn monumenten en beeldhouwwerken. Later, als het Christendom ontstaat, is het in Rome nog geheel doordrenkt door het heidendom, trouwens op een anderen bodem verwekt het de Gotische kunst, de Christelijke kunst bij uitnemendheid. Nog later, in den tijd der Renaissance, bloeit wel in Rome de eeuw van Julius II en Leo X, maar deze beweging, welke het dien grooten opbloei bracht, werd voorbereid door Toscaansche en Umbrische kunstenaars.

Voor de tweede maal krijgt het zijn kunst van buiten, die het de heerschappij over de wereld geeft en daar een triomphantelijke grootte aanneemt. Toen had het ontwaken der oudheid plaats: Apollo en Venus worden tot nieuw leven gewekt en door de pausen zelf aangebeden, die, na Nicolaas V droomen het pauselijke Rome gelijk te maken aan het keizerlijke. Na de zoo oprechte, teere en sterke voorloopers, Fra Angelico, Perugino, Botticelli, en zoovele anderen, verschijnen twee majesteiten: Michelangelo en Raffaël, de bovenmenschelijke en de goddelijke. Dan volgt een plotselinge val: honderdvijftig jaren moeten verloopen om te komen tot Caravaggio, tot alles wat de schilderkunst, bij gebrek aan genie, aan krachtige kleur en uitbeelding bereiken kon. Dan duurt het verval voort tot Bernini, die de vervormer, de werkelijke schepper van het Rome der tegenwoordige pausen is, het wonderkind, dat van zijn achttiende jaar af [210]een geheel geslacht van marmeren dochters verwekt, de alles omvattende architect, wiens verbazingwekkende werkzaamheid den gevel van de St. Pieter voltooid, de zuilengang gebouwd, het inwendige van de basilica versierd, tallooze fonteinen, kerken en paleizen opgericht heeft. En dit was het einde van alles, want van af dat oogenblik is Rome langzamerhand uit het leven verdwenen, heeft het zich iederen dag wat meer uit de moderne wereld teruggetrokken, alsof deze stad, die altijd van andere steden geleefd heeft, eraan ten gronde ging, dat zij haar niets meer kon afnemen, om zichzelf daaruit nieuwen roem te scheppen.

“Bernini, o, die heerlijke Bernini!” ging Narcisse, in extase wegzwijmelend, voort; “hij is zoo kráchtig en exquis, zijn scherpzinnigheid is steeds wakker, hij bezit een vruchtbaarheid vol gratie en pracht … En altijd weer komen zij aan met hun Bramante, hun Bramante met zijn meesterwerk, zijn correcte en koude Cancellaria! Nu, laten wij zeggen, dat hij de Michelangelo en Raffaël van de architectuur is geweest, en verder niet over hem praten!… Maar Bernini, de heerlijke Bernini, wiens zoogenaamde slechte smaak uit meer fijnheid en verfijning bestaat dan de anderen genie gelegd hebben in hun kolossaalheid en volmaaktheid. De rijke en diepe ziel van Bernini, waarin onze tijd zich terugvinden moest, is zoo triompheerend gezocht!… Kijk toch eens in de Villa Borghese naar de Apollo en Daphné-groep, die hij op zijn achttiende jaar gemaakt heeft, en vooral in de Santa Maria della Vittoria zijn Heilige Theresia in extase! Ach, deze Heilige Theresia! Men ziet den hemel open, de siddering, die het goddelijke genieten door het lichaam der vrouw zendt, de tot krampen opgevoerde wellust van het geloof, het naar adem snakkende schepsel, dat van overweldigende zaligheid in de armen van haar God sterft!… Ik heb uren en uren voor haar doorgebracht, zonder de kostbare, verterende oneindigheid van het symbool ooit te hebben kunnen uitputten!”

Zijn stem stierf weg, en Pierre, die zich over zijn onbewusten haat tegen gezondheid, eenvoud en kracht niet langer verwonderde, luisterde nauwlijks naar hem, overweldigd als hij werd door de gedachte, die zich meer en meer van hem meester maakte: het heidensche Rome ontwaakte weer in het Christelijke Rome en maakte daarvan het Katholieke Rome, het nieuwe politieke, gehiërarchiseerde en beheerschende centrum van de regeering der volkeren. Was [211]het, met uitzondering dan van den oorspronkelijken katakombentijd, ooit Christelijk geweest? Deze gedachten waren als het ware een voortzetting, een bevestiging van die, welke hij op den Palatinus, op de Via Appia, in de St. Pieter gehad had. En dezen zelfden ochtend in de Sixtijnsche kapel en in de Stanza della Segnatura, in de bedwelming, waarin de bewondering hem gebracht had, had hij het nieuwe bewijs, dat het genie hem gaf, wel begrepen. Weliswaar kwam in Michelangelo en Raffaël het heidendom slechts terug in een door den Christelijken geest bewerkte vervorming. Maar lag het er niet aan ten grondslag? Kwamen de reusachtige naaktfiguren van den eersten niet uit den vreeselijken hemel van Jehova, dien hij door den Olympus heen gezien had? Lieten de ideale figuren van den tweede niet onder den kuischen sluier der Heilige Maagd de heerlijke en begeerlijke Venuslichamen zien? Nu was Pierre zich daar ten volle van bewust, en bij de verbazing, die hem overstelpte, voegde zich een gevoel van verlegenheid, want die tallooze, mooie lichamen, deze naaktfiguren, die de hartstochtelijke levenslust verheerlijkten, gingen in tegen den droom, dien hij in zijn boek gedroomd had: het verjongd Christendom, dat vrede gaf aan de wereld, de terugkeer tot den eenvoud, tot de reinheid der eerste tijden.

Plotseling hoorde hij tot zijn verbazing hoe Narcisse, zonder dat hij begrijpen kon door welken overgang van gedachten hij daartoe kwam, hem bijzonderheden begon te vertellen over het dagelijksch leven van Leo XIII.

“Ja, mijn waarde abbé, op zijn vier-en-tachtigste jaar is hij nog zoo werkzaam als een jonge man, leidt hij een leven van wilskracht en arbeid, zooals wij het geen van beiden gaarne leven zouden!… Om zes uur staat hij al op, leest zijn mis in zijn particuliere kapel en ontbijt dan met wat melk. Van acht tot twaalf uur is het vervolgens een onafgebroken défilé van kardinalen, prelaten, alle congregatie-aangelegenheden, die hem onder de oogen komen moeten, en ik verzeker u, dat er geen meer ingewikkelde bestaan. Om twaalf uur hebben de openbare en gemeenschappelijke audiënties plaats. Om twee uur dineert hij. Dan volgt een siësta, die hij wel verdiend heeft, of een wandeling in den tuin tot zes uur. Menigmaal houden de particuliere audiënties hem dan nog een paar uur bezig. Om negen uur soupeert hij, maar hij eet bijna niets, leeft van niets, en dan altijd alleen aan een klein tafeltje … Wat zegt u wel van de [212]etiquette, die hem tot een dergelijke eenzaamheid verplicht? Stel u voor: een mensch, die in geen achttien jaar een dischgenoot gehad heeft, altijd alleen zit in zijn grootheid?… Om tien uur zondert hij zich, nadat hij met zijn vertrouwden de Rozenkrans gebeden heeft, af in zijn kamer. Maar ook al gaat hij naar bed, hij slaapt weinig; meermalen wordt hij bezocht door slapeloosheid; dan staat hij weer op, roept een secretaris, om dezen aanteekeningen of brieven te dicteeren. Wanneer een belangrijke zaak hem bezighoudt, dan geeft hij zich daar geheel aan, denkt er onophoudelijk aan. Dat is zijn leven, daarin ligt het geheim van zijn gezondheid: een voortdurend wakkere, bezige geest, een kracht, die behoefte heeft zich te uiten … U weet natuurlijk ook, dat hij langen tijd met liefde de Latijnsche poëzie beoefend heeft. Men beweert ook, dat hij in dagen van strijd een waren hartstocht voor de journalistiek heeft, zoozeer zelfs, dat hij de artikelen in de bladen, die hij steunt, inspireert, ja ook dicteert, wanneer zijn liefste denkbeelden op het spel staan.”

Er volgde een stilte. Ieder oogenblik keek Narcisse in deze groote, verlaten en plechtige Galleria dei Candelabri te midden van de roerlooze, spookachtig witte marmeren beelden, of het kleine gevolg van den paus nog niet kwam, om zich naar den tuin te begeven.

“Het zal u wel bekend zijn,” ging Narcisse voort, “dat men hem op een lagen stoel naar beneden draagt, die zoo smal is, dat hij door alle deuren heen kan. Het is een heele tocht! Bijna twee kilometers door de loggia’s, de Stanza di Raffaeli, de schilderijen- en beeldhouwwerkengalerijen, ongerekend de talrijke trappen. In het kort een eindelooze tocht, voor men hem beneden neerzet in een allée, waar een rijtuig met twee paarden staat te wachten.—Het is prachtig weer vanavond. Hij zal zeker komen. Heb nog maar even geduld!”

Terwijl Narcisse deze bijzonderheden vertelde, zag Pierre de geheele geschiedenis voor zich herleven. Eerst kwamen de mondaine en praallievende pausen der Renaissance, zij, die de Oudheid hadden opgewekt en ervan droomden den Heiligen Stoel weer met het keizerlijk purper te drapeeren: Paul II, de prachtlievende Venetiaan, die den palazzo di Venezia had gebouwd; Sixtus V, wien wij de Sixtijnsche kapel te danken hebben; Julius II en Leo X, die van Rome een stad van theatralen pronk, van kostbare feesten, tournooien, balletten, jachtpartijen, maskerades en festijnen maakten. Het pausdom had juist onder den grond, in het stof der [213]puinhoopen, den Olympus teruggevonden; en als bedwelmd door den uit den ouden bodem opstijgenden levensstroom, stichtte het de musea, maakte daarvan weer de prachtige, aan den eeredienst der algemeene bewondering teruggegeven heidensche tempels. Nooit had de Kerk zich nog in zoo’n doodsgevaar bevonden, want al bleef men ook in de St. Pieter den Christus vereeren, zoo troonden toch Juppiter en al de marmeren goden en godinnen met hun triompheerende lichamen in de zalen van het Vaticaan.

Vervolgens rees een ander visioen voor Pierre op, dat der moderne pausen vóór de Italiaansche occupatie, Pius IX vrij nog en zich dikwijls bewegend in zijn geliefd Rome. De groote, roode en gouden koets werd door zes paarden getrokken, omgeven door de Zwitsersche garde, gevolgd door een peloton edelgarden. Op den Corso verliet de paus meermalen zijn rijtuig en zette zijn wandelrit te voet voort; dan galoppeerde een bereden garde vooruit, om te waarschuwen en alles te doen stilstaan. Onmiddellijk schaarden de rijtuigen zich in een rij; de mannen stapten uit, om op straat neer te knielen, terwijl de vrouwen eenvoudig bleven staan en het hoofd eerbiedig bogen bij de nadering van den Heiligen Vader, die, glimlachend en zegenend, met langzamen stap tot aan de piazza del Popolo ging. En nu kwam Leo XIII, de vrijwillige gevangene. Achttien jaar lang nu al in het Vaticaan opgesloten, had hij achter deze dikke, zwijgende muren, in dat onbekende, waarin het bescheiden leven van al zijn dagen wegvloot, een hoogere majesteit, iets heilig en huiveringwekkend mysterievols gekregen.

O, deze paus, dien men niet meer ontmoet, dien men niet meer ziet, die voor den gewonen mensch verborgen is als een dier vreeselijke godheden, die alleen de priesters in het gelaat durven zien! Hij heeft zich opgesloten in dat weelderige Capitool, dat zijn voorgangers uit den Renaissance-tijd gebouwd en versierd hadden voor reusachtige feesten; hij leeft daar, ver van de groote menigte, in een gevangenis, met de mooie mannen en de mooie vrouwen van Michelangelo en Raffaël, met de marmeren goden en godinnen, den schitterenden Olympus, die den godsdienst van het licht en van het leven viert. Het geheele pausdom baadt daar met hem in het paganisme. Welk een schouwspel, wanneer deze tengere grijsaard met zijn sneeuwwitte haren, door die zalen der Galleria degl’ Antichi komt, om zich naar den tuin te begeven. Rechts en links zien de standbeelden met al hun [214]naakt vleesch hem voorbijkomen: Juppiter en Apollo en Venus, de heerscheres, en Pan, de universeele god, wiens lach de vreugden der aarde inluidt. Nereïden baden zich in den doorzichtigen stroom, Bacchanten dartelen zonder sluier in het warme gras. Kentauren dragen galoppeerend op hun dampende flanken mooie, in wellust zwijmelende meisjes weg. Ariadne wordt verrast door Bacchus, Ganymedes liefkoost den adelaar, Adonis doet de paren in liefde ontvlammen.

En de witte grijsaard wordt op zijn lagen stoel door dit triompheerende vleesch, die pronkende, pralende, verheerlijkte naaktheid, die de almacht der natuur, het eeuwige mysterie verkondigt, gedragen. Sedert men haar teruggevonden, uitgegraven en geëerd heeft, heerscht zij daar opnieuw onvergankelijk; en vergeefs heeft men wijnrankbladeren aan de standbeelden aangebracht, evenals men de grootsche figuren van Michelangelo gekleed heeft: het geslacht vlamt, het leven schuimt over, het zaad stroomt wild-bruisend door de aderen der wereld.

Dicht daarbij in de onvergelijkelijk rijke Vaticaansche Bibliotheek, waarin het geheele menschelijke weten slaapt, zal het een nog vreeselijker gevaar zijn, zal een ontploffing het Vaticaan en zelfs de St. Pieter ten val brengen, wanneer ook die boeken eens ontwaken en luide spreken, zooals de schoonheid der Venussen en de mannekracht der Apollo’s gesproken hebben. Maar de witte, zoo magere grijsaard schijnt niets te zien, niets te hooren, en de Juppiterkoppen en de Herculestorso’s en de Antinoi met hun dubbelzinnige heupen, blijven hem zwijgend voorbij zien gaan.

In zijn ongeduld vroeg Narcisse een suppoost, die hem verzekerde, dat Zijne Heiligheid reeds in den tuin was. De meeste keeren namelijk ging men, om den weg te bekorten, door een kleine overdekte galerij, die voor de Munt uitkwam.

“We zullen ook gaan, als ge het goed vindt!” zeide hij tegen Pierre. “Ik zal zien, dat we toegang tot de tuinen krijgen.”

Beneden in den vestibule, waar een deur uitkwam op een breede laan, begon hij weer te praten met een anderen suppoost, een voormalig pauselijk soldaat, dien hij speciaal kende. Onmiddellijk liet deze hem met Pierre doorgaan; maar hij kon niet zeker zeggen of monsignor Gamba del Zoppo met Zijne Heiligheid was.

“Het komt er niet op aan,” begon Narcisse weer, toen zij samen in de allée waren; “ik geef nog steeds de hoop op een gelukkige ontmoeting niet op … En nu zijn we in de beroemde tuinen van het Vaticaan.” [215]

Deze tuinen zijn zeer uitgestrekt. De paus kan, wanneer hij door de alleeën en dan door de wijngaard en den moestuin gaat, vier kilometer loopen. Zij beslaan het plateau van den Vaticaanschen heuvel, die aan alle zijden nog door den ouden muur van Leo IV omgeven wordt, wat hen van de omliggende kleine dalen scheidt. Vroeger liep de muur door tot den Engelenburg, waar de zoogenaamde Leostad was. Er is geen plek, vanwaar men in die tuinen zien kan, geen enkele nieuwsgierige blik zou erin kunnen doordringen, behalve van den dom van de St. Pieter, en slechts haar reusachtige schaduw valt op brandend heete dagen in de tuinen. Zij vormen als het ware een wereld op zichzelf, een gevariëerd en volkomen geheel, dat iedere paus getracht heeft mooier te maken: een groot grasperk met geometrische gazons met twee mooie palmen beplant en met citroen- en oranjeappelboomen in potten versierd; een vrijere, schaduwrijker tuin, waarin zich tusschen diepe heggen en lanen de Aquilone, de fontein van Giovanni Vesanzio en het oude Casino van Pius IV bevinden; de boschjes met de prachtige steeneiken, die door breede alleeën doorsneden worden en als uitlokken tot langzame wandelingen; en eindelijk, na nog andere boomgroepen, de moestuin en de goed onderhouden wijngaard.

Al loopend door de boschjes vertelde Narcisse aan Pierre bijzonderheden over het leven van den Heiligen Vader in deze tuinen. Wanneer het weer het toelaat, gaat hij er om den anderen dag wandelen. Vroeger verhuisden de pausen in Mei van het Vaticaan naar het Quirinaal, dat koeler en gezonder is, terwijl zij den tijd der grootste hitte doorbrachten in Castel Gandolfo aan het Albaansche Meer. Tegenwoordig heeft de Heilige Vader geen ander zomerverblijf dan de zoo goed als ongedeerd gebleven toren van den ouden muur van Leo IV. Hij brengt daar de warmste dagen door en heeft zelfs een soort paviljoen ernaast laten bouwen voor zijn gevolg, om er langer verblijf te kunnen houden. Narcisse, die hier bekend was, kon vrij naar binnen gaan en Pierre een blik laten slaan in het eenige door Zijne Heiligheid bewoonde vertrek, een groote ronde kamer met een half-kogelvormige zoldering, waar de hemel op geschilderd is met de symbolische teekenen der sterren, waarvan er een, de Leeuw, als oogen twee sterren heeft, die door een bijzonder verlichtingssysteem ’s nachts fonkelen. De muren zijn zoo dik, dat men door een der ramen af te sluiten, in de nis een soort kamer heeft kunnen maken, waarin zich een rustbed [216]bevindt. Verder bestond het meubilair uit een groote schrijftafel, een kleinere eettafel en een grooten, geheel vergulden, koninklijken leunstoel, een der geschenken ter gelegenheid van het bisschopsjubileum. En men denkt aan de eenzame, stille dagen in deze lage torenkamer, koel als een graf, wanneer de heete Juli- en Augustuszon in de verte op het in slaap gevallen Rome brandt.

Dan nog verdere bijzonderheden. In een anderen, door een kleinen, witten koepel bekroonden toren, dien men tusschen het groen ziet, is een sterrenwacht opgericht. Ook is er onder de boomen een Zwitsersch chalet, waarin Leo XIII gaarne uitrust. Hij gaat meermalen te voet naar den moestuin en stelt vooral belang in den wijngaard, dien hij dikwijls bezoekt, om te zien, of de druiven rijpen en de oogst goed worden zal. Maar wat den jongen priester het meest verbaasde was te hooren, dat de Heilige Vader, toen hij jonger en sterker was, een hartstochtelijk jager geweest was. In het bijzonder was hij een vriend van den “roccolo”. Aan den rand van een boschje worden langs een allée netten met groote, breede mazen gespannen, zoodat die allée aan beide zijden afgesloten is. In het midden zet men op den grond de kooien met lokvogels, wier zang al heel spoedig de vogels uit de buurt, de roodborstjes, grasvinken, nachtegalen en allerlei soorten vijgeneters lokt. Wanneer er dan veel bij elkaar waren, klapte Leo XIII, die verscholen op den loer zat, in zijn handen en verschrikte de vogels, die opvlogen en met hun vleugels in de mazen van het net bleven hangen. Men behoefde ze dan nog slechts uit te zoeken en met een lichten druk van den duim te wurgen. Gebraden vijgeneters vormen een groote delicatesse.

Toen zij door het kreupelhout teruggingen, zag Pierre tot zijn groote verbazing een kleine imitatie der Grot van Lourdes, die met behulp van rotsjes en cementblokken gemaakt was. Zijn ontroering was zóó groot, dat hij die voor Narcisse niet verbergen kon.

“Dus is het toch waar?… Men had het mij verteld, maar ik dacht, dat de paus breeder van opvatting en los van dat lage bijgeloof was.”

“O,” antwoordde Narcisse, “ik geloof, dat de Grot uit den tijd van Pius IX dateert, die voor Notre-Dame de Lourdes een dankbare vereering had. In ieder geval is het een geschenk, en Leo XIII zorgt alleen maar, dat de Grot niet in verval geraakt.” [217]

Gedurende enkele minuten bleef Pierre roerloos en zwijgend voor die nabootsing, voor dat kinderlijke, religieus stuk speelgoed staan. Verscheidene bezoekers hadden uit vromen ijver hun visitekaartjes in de spleten van het cement achtergelaten. Teleurgesteld en droevig gestemd begon hij met hangend hoofd en geheel verzonken in een troosteloos gepeins over de jammerlijke dwaasheid der wereld, Narcisse weer te volgen.

Lieve God, hoe heerlijk was ondanks alles dit einde van een mooien dag, welk een alles overwinnende bekoring steeg in dit aanbiddelijke gedeelte der tuinen uit de aarde op! Meer dan onder de flauwe schaduw van het kreupelhout, meer zelfs dan tusschen de vruchtbare wijngaardranken voelde hij hier midden op dit kale, verlaten, trotsche en brandende grasperk de volle kracht der machtige natuur. In het dunne gras, dat regelmatig de geometrische afdeelingen, die door de alleeën gevormd werden, sierde, zag men nauwlijks eenige lage struiken, dwergrozen, aloës en half verdroogde bloemperkjes, terwijl in den barokken smaak van vroeger enkele groene heestertjes nog het wapen van Pius IX vormden.

Niets stoorde de warme stilte dan het zachte, kristallijnen geruisch van de fontein in het midden, een regen van droppels, die onophoudelijk uit een bekken vielen. Geheel Rome met zijn vurigen hemel, zijn souvereine lieftalligheid, zijn veroverenden wellust scheen dit vierkante mozaïek van groen te bezielen; half verwaarloosd en geschroeid als het was, nam het in de oude huivering van een vlammenden hartstocht, die nooit sterven kon, een zwaarmoedigen trots aan. Oude vazen, oude standbeelden, naakt en wit in de ondergaande zon, stonden om het grasperk heen. En sterker dan de geur der eucalyptussen en der pijnboomen, sterker ook dan de geur der rijpende oranjeappelen steeg de geur der groote taxisboomen op, zoo vol gulzig leven, dat hij als de geur zelf der manlijke kracht van dezen ouden, door menschenstof verzadigden bodem, de voorbijgangers als het ware bedwelmde.

“Het is werkelijk wonderlijk, dat wij Zijne Heiligheid niet gezien hebben,” zeide Narcisse. “Het rijtuig is zeker de andere allée doorgereden, toen wij in den toren van Leo IV waren.”

Hij begon nu over zijn neef, monsignor Gamba del Zoppo, en legde Pierre uit, dat het ambt van “Copiere”, van opperschenker, dat deze als een der vier geheime kamerheeren [218]moest vervullen, nog slechts een zuiver eerebaantje was, vooral sedert de diplomatieke diners en de diners ter eere van bisschopswijdingen gegeven werden bij den kardinaal-secretaris in het staatssecretariaat. Monsignor Gamba del Zoppo, wiens blooheid en onbeduidendheid spreekwoordelijk waren, scheen geen andere rol te spelen dan Leo XIII, die hem om zijn voortdurende vleierijen en de anecdotes, welke hij zoowel uit de zwarte als de witte kringen wist te vertellen, gaarne mocht, op te vroolijken. Deze dikke, vriendelijke en zelfs, wanneer zijn eigen belangen daardoor geen gevaar liepen, dienstvaardige man, was een wandelende courant. Hij wist alles en versmaadde zelfs keukenpraatjes niet. Op die wijze stevende hij kalm op het kardinaalschap aan; hij was zeker van den kardinaalshoed, zonder dat hij zich eenige andere moeite behoefde te geven dan op de wandelingen nieuwtjes te vertellen. En God weet, dat hij daarvoor stof genoeg vond in dat gesloten Vaticaan met zijn gewemel van prelaten van alle soorten, onder dat pauselijk personeel, waarbij geen vrouwen zijn en dat alleen uit oude jonggezellen in lange kleeren bestaat, die slechts leven in matelooze eerzucht, in heimlijken en afschuwlijken strijd en in woesten haat, welke, naar men zegt, soms nog wel grijpt naar het goede, oude gif van vroeger tijden!

Plotseling bleef Narcisse staan.

“Kijk, ik wist het wel … Daar is de Heilige Vader … Maar wij hebben geen geluk. Hij zal ons zelfs niet zien. Hij stapt weer in zijn rijtuig.”

Inderdaad was de koets tot den rand van het kreupelhout gereden en de kleine stoet, die uit een smalle allée kwam, liep erheen.

Pierre had een schok in zijn hart gekregen. Onbeweeglijk stond hij met Narcisse half verborgen achter den hoogen pot van een citroenboom en kon slechts uit de verte den witten grijsaard, zoo tenger in de fladderende plooien van zijn witte soutane, zeer langzaam loopend met kleine pasjes, die over het zand schenen te glijden, zien. Nauwlijks kon hij het magere, als uit oud, doorzichtig ivoor gesneden gezicht, waarin vooral de groote neus boven de dunne lippen opviel, onderscheiden. Maar de zeer donkere oogen glansden nieuwsgierig glimlachend, terwijl hij zijn oor naar rechts gewend hield, naar monsignor Gamba del Zoppo, die, dik en kort, met een bloem in het knoopsgat en waardig, ongetwijfeld bezig was een verhaal te vertellen. Aan de andere [219]zijde liep een der edelgarden, terwijl twee andere prelaten volgden.

Het was slechts een alledaagsch tooneeltje; reeds stapte Leo XIII in de gesloten koets. En te midden van dien grooten, brandend heeten, met geuren bezwangerden tuin vond Pierre weer dezelfde vreemde ontroering terug, die zich in de Galleria dei Candelabri van hem meester gemaakt had, toen hij zich voor den geest had geroepen, hoe de paus tusschen de hun triomphantelijke naaktheid ten toon spreidende Venussen en Apollo’s gedragen werd. Daar vierde slechts de heidensche kunst de eeuwigheid van het leven, de prachtige en almachtige krachten der natuur. Hier echter zag hij hem baden in de natuur zelf, in de mooiste, wellustigste, hartstochtelijkste natuur.

O, deze paus, deze witte grijsaard, die zijn God, den God van smarten, ootmoed en verzaking, door de lanen van dezen liefdetuinen leidde, wanneer na heete dagen mat de avond valt en de geuren van pijnboomen en eucalyptussen, van rijpe oranjeappelen en taxisboomen hem liefkoozen! Geheel en al omgaf Pan hem hier met de machtige uitstroomingen van zijn manlijke kracht. Hoe heerlijk zou het zijn daar te leven te midden van de pracht van den hemel en van de aarde, de schoonheid van de vrouw er lief te hebben en zich te verblijden in de algemeene vruchtbaarheid. Plotseling werd hij zich van de waarheid bewust, dat uit het land van licht en vreugde slechts een wereldlijke, op verovering en politieke macht beluste godsdienst kon ontsproten zijn en niet de mystieke en lijdende godsdienst van het Noorden, de religie der ziel.

Maar Narcisse liep met den jongen priester verder, terwijl hij hem nog meer bijzonderheden vertelde: over de gulle eenvoudigheid van Leo XIII, die dikwijls bleef staan om met de tuinlieden te praten en te vragen naar den stand der boomen, naar den verkoop der oranjeappelen; over de liefde, welke hij gehad had voor twee gazellen, die hij uit Afrika ten geschenke gekregen had, mooie, teere dieren, die hij graag streelde en bij wier dood hij geweend had. Maar Pierre luisterde niet meer; en toen zij zich weer op het plein voor de St. Pieter bevonden, keerde hij zich om en keek nogmaals naar het Vaticaan.

Zijn blikken vielen op de bronzen deur en hij herinnerde zich, hoe hij zich ’s ochtends afgevraagd had, wat er achter die metalen, met groote spijkers beslagen spijlen verborgen [220]was. Hij durfde zich nog geen antwoord geven op die vraag; hij durfde nog niet te beslissen, of de nieuwe, naar broederschap en gerechtigheid smachtende volkeren er den door de toekomstige democratieën verwachten godsdienst zouden vinden, want hij nam nog slechts een eersten indruk met zich mede. Maar hoe sterk was die indruk en welk een beginnende ramp voor zijn droom! Een bronzen deur—ja, het was een harde, onbedwingbare deur, die het Vaticaan met haar oude paneelen dichtmetselde, het zoo streng van de overige wereld scheidde, dat er sinds drie eeuwen niets binnengekomen was. Zoo even had hij daarachter de oude eeuwen, tot aan de zestiende toe, zien herleven. De tijd was er als het ware stil blijven staan. Niets was er meer, dat leefde; de uniformen zelfs der Zwitsersche garde, van de edelgarden, van de prelaten waren niet veranderd; men vond er de wereld van driehonderd jaar geleden terug met haar zelfde etiquette, haar zelfde kleeding, haar zelfde denkbeelden. Want ook al sloten de pausen zich, als een hautain protest, de laatste vijf-en-twintig jaar vrijwillig op, dat nam niet weg, dat die inmetseling in het verleden, in de traditie van veel langer geleden dateerde en een op andere wijze ernstig gevaar vormde.

Het geheele Katholicisme was er evenals zij opgesloten, hardnekkig vasthoudend aan zijn dogma’s, in zijn starre onbeweeglijkheid nog slechts levend door zijn wijde hiërarchische organisatie. Kon dan het Katholicisme ondanks zijn schijnbare soepelheid in niets toegeven zonder gevaar te loopen geheel medegesleept te worden? En dan—wat voor een vreeselijke wereld vol trots, vol eerzucht, vol haat en strijd! En welk een vreemde gevangenis, welke vreemde toenaderingen daar achter die sloten en grendels: de Christus in gezelschap van Juppiter Capitolinus, de geheele Christelijke Oudheid verbroederd met de Apostelen, de herder van het Evangelie, die in naam der armen en eenvoudigen regeert, omgeven door de geheele pracht der Renaissance! Op het plein voor de St. Pieter ging de zon onder, de zachte wellust van den Romeinschen avond zonk neer van den helderen hemel; en de jonge priester bleef wanhopig na dien mooien dag, doorgebracht met Michelangelo, Raffaël, de Oudheid en den Paus in het grootste paleis der wereld.

“En nu moet ik mij verder excuseeren, mijn waarde abbé!” zeide Narcisse. “Ik wil u niet verhelen, dat ik bang ben, dat mijn dappere neef zich niet in uw zaak wil compromitteeren … [221]Ik zal nog wel eens naar hem toe gaan, maar u zult verstandig doen niet te veel meer op hem te rekenen.”

Het was bijna zes uur toen Pierre in den palazzo Boccanera terugkwam. Gewoonlijk ging hij bescheiden door het steegje en liep hij de kleine trap op, waarvan hij een sleutel had. Maar hij had dien ochtend een brief van vicomte Philibert de la Choue ontvangen, waarvan hij den inhoud aan Benedetta wilde mededeelen. Dus ging hij de groote trap op. Tot zijn verwondering vond hij echter niemand in de antichambre. Op gewone dagen ging Victorine, wanneer Giacomo uit moest, daar aan een handwerkje zitten naaien. Haar stoel stond er wel, hij zag zelfs op een tafeltje het linnen, dat zij aan het verstellen was, liggen, zij was dus ongetwijfeld weggegaan. Hij nam de vrijheid den eersten salon binnen te gaan. Het was er bijna reeds donker, de schemering stierf er zacht weg. De priester bleef staan, durfde niet verder gaan, toen hij uit den salon ernaast, den grooten gelen salon, een stemmengeruisch, geritsel, bonsen hoorde. Eerst klonk een dringend smeeken, dan woedend gebrom. Plotseling aarzelde hij niet meer; hij werd ondanks zichzelf als medegesleept door de zekerheid, dat iemand zich in dat vertrek verdedigde en op het punt stond het onderspit te delven.

Toen hij het vertrek binnenvloog, zag hij daar tot zijn groote verbijstering Dario als dol, in een uitbarsting van wilden hartstocht, waarin het ongebreidelde bloed der Boccanera’s, ondanks de elegante uitputting van het ras, weer boven kwam: hij hield Benedetta bij haar schouders, had haar achterover op een canapé geworpen, wilde haar met geweld bezitten, terwijl hij haar gezicht met zijn heete woorden verzengde.

“Om Gods wil, lieveling … Om Gods wil, als je niet wilt, dat ik en jij sterven … Je zegt het toch zelf … het is uit … dat huwlijk zal nooit vernietigd worden … Laten we toch niet langer ongelukkig zijn, heb mij lief zooals ik jou liefheb … en laat mij je liefhebben, laat mij je liefhebben!”

Maar weenend, met een gelaat vol onuitsprekelijke liefde en onuitsprekelijke smart stootte de contessina hem met haar uitgestrekte armen van zich af.

“Neen, neen, ik heb je lief, ik wil niet, ik wil niet!”

Op dat oogenblik had Dario, terwijl hij een wanhopig gebrom uitstiet, het gevoel, dat iemand binnenkwam. Hij richtte zich heftig op en keek Pierre met een waanzinnig-starenden [222]blik aan, zonder hem goed te herkennen. Dan streek hij met zijn handen over zijn gezicht, over zijn door tranen overstroomde wangen, over zijn met bloed doorloopen oogen en vluchtte, terwijl hij een vreeselijk: “Ach” uitbrulde, waarin zijn bedwongen begeerte nog in tranen en berouw streed.

Benedetta was hijgend op den canapé blijven zitten; haar moed en haar kracht waren gebroken. Maar toen Pierre, verlegen met zijn rol en geen woorden kunnende vinden, zich ook wilde verwijderen, vroeg zij hem met een stem, die al kalmer begon te worden:

“Neen, neen, mijnheer de abbé, ga niet weg … Neem plaats wat ik u smeeken mag, ik wou graag even met u praten.”

Hij meende zich echter voor zijn plotseling binnenkomen te moeten verontschuldigen, zeide haar, dat de deur van den eersten salon half open stond en hij in de antichambre alleen maar het verstelgoed van Victorine gezien had.

“Dat is waar!” riep de contessina uit; “Victorine moest er zijn, ik heb haar zooeven nog gezien. Toen mijn arme Dario zijn zelfbeheersching verloor, heb ik haar geroepen. Waarom is zij niet gekomen?”

Dan voegde zij in een opwelling van vertrouwelijkheid, terwijl haar gezicht nog brandde van den strijd, eraan toe:

“Luister eens, mijnheer de abbé, ik zal u alles vertellen, want ik wil niet, dat u een te laag idee van mijn armen Dario krijgt. Dat zou me veel leed doen … Kijk u eens, wat er zooeven hier gebeurd is, is ook eenigszins mijn eigen schuld. Gisteravond heeft hij mij om een onderhoud in deze kamer gevraagd, om eens rustig en kalm te kunnen praten; en daar ik wist, dat mijn tante op dit uur niet thuis zou zijn, heb ik hem gezegd te komen … Het is heel natuurlijk, niet waar, dat wij na het groote verdriet, dat het bericht, dat mijn huwlijk ongetwijfeld nooit vernietigd zal worden, ons veroorzaakt heeft, elkaar even spreken wilden? Wij lijden te veel, er moet een besluit genomen worden … En toen hij kwam, begonnen wij te huilen, hebben wij lang in elkaars armen gelegen, elkaar geliefkoosd en onze tranen vermengd. Ik heb hem wel duizendmaal gekust en hem gezegd, dat ik hem aanbad, dat ik er wanhopig onder was hem zoo ongelukkig te maken, dat ik zeker aan mijn verdriet hem zoo ongelukkig te zien, sterven zou. Misschien heeft hij daarin een aanmoediging gezien, en bovendien hij is toch ook geen engel, ik had hem niet zoo lang aan mijn hart moeten drukken … [223]U begrijpt, mijnheer de abbé, ten slotte is hij als dol geworden en heeft hij datgene gewild wat ik aan de Heilige Maagd gezworen heb alleen aan mijn echtgenoot te geven.”

Zij zeide het kalm, eenvoudig, zonder eenige verlegenheid. Een flauw glimlachje speelde om haar lippen, toen zij voortging:

“O, ik ken mijn armen Dario heel goed. Maar dat belet niet, dat ik hem liefheb, integendeel. Hij ziet er teer, ja zelfs een beetje ziekelijk uit, maar in den grond der zaak is hij hartstochtelijk, moet hij zijn zinnen bevredigen. Ja, het oude bloed bruist nog in hem, en ik weet wat dat zeggen wil, want als klein meisje had ik soms aanvallen van woede, waarin ik op den grond lag te stampen; en ook nu nog moet ik, wanneer ik dergelijke aanvallen krijg, tegen me zelf strijden, me pijnigen, om niet de grootst mogelijke dwaasheden uit te halen … Mijn arme Dario! Hij kàn zoo moeilijk leed verdragen! Hij is precies een klein kind, dat zijn luimen dadelijk ingewilligd zien wil; maar in den grond der zaak is hij toch ook heel verstandig, wacht hij op mij, omdat hij begrijpt, dat het ware geluk voor hem bij mij is, die hem aanbid.”

Nu kreeg Pierre een helder inzicht in het karakter van den jongen prins, dat hij tot nog toe niet volkomen begrepen had. Hoewel hij doodelijk veel van zijn nicht hield, had hij toch steeds door elders zijn vermaken gezocht. Een volmaakte egoïst, maar toch een vriendelijke, aardige jongen. Vooral was hij niet in staat leed te verdragen, had hij een afschuw van lijden, leelijkheid en armoede, zoowel bij hem als bij anderen. Met hart en ziel was hij voor vreugde, schittering, uiterlijken schijn en leven in de open, vrije lucht. En bovendien was hij uitgeput, bezat hij nog slechts kracht voor dit leven van niets doen, kan hij zelfs niet meer denken of willen, zoodat het nooit zelfs in hem opgekomen was zich aan te sluiten bij het nieuwe regime. Daarbij kwam nog de matelooze Romeinsche trots, een met scherpzinnigheid en een steeds levendig, praktisch begrip der werkelijkheid verbonden luiheid, en bij de zachte lieftalligheid van zijn eindigend geslacht, bij zijn voortdurende behoefte aan een vrouw, aanvallen van woedende begeerte, een dierlijke, menigmaal losbarstende zinnelijkheid.

“Mijn arme Dario! Laat hij naar een andere vrouw gaan, ik neem het hem niet kwalijk,” voegde Benedetta er met haar mooi glimlachje zacht aan toe. “Je moet niet het onmogelijke aan een man vragen, niet waar?” [224]

Toen Pierre, wiens denkbeelden omtrent Italiaansche jaloezie geheel geschokt werden, haar verbaasd aankeek, riep zij, brandend van hartstochtelijke aanbidding:

“Neen, neen, daar ben ik niet jaloersch op. Hij vindt er genot in en mij hindert het niet. Ik weet heel goed, dat hij steeds tot mij zal terugkeeren, dat hij alleen nog maar aan mij zal toebehooren, wanneer ik dat willen, wanneer ik dat kunnen zal.”

Er volgde een stilte. De salon begon zich in duisternis te hullen, het goud aan de groote wandtafeltjes doofde uit, een eindelooze droefgeestigheid viel van de hooge, donkere zoldering en het oude gele behang met zijn herfsttinten. Spoedig daarna trad door een toevallige belichting een schilderij boven den canapé, waarop de contessina zat, uit de duisternis te voorschijn: het portret van het jonge, mooie meisje, van Cassia Boccanera, die in haar liefde gerechtigheid geoefend had. Weer trof hem de gelijkenis en hij dacht hardop:

“De verzoeking is sterker dan de menschen, er komt altijd een oogenblik, waarop men bezwijkt. Als ik daareven niet binnengekomen was …”

Heftig viel zij hem in de rede:

“Ik, ik!… O, u kent mij niet. Ik zou liever gestorven zijn.”

En in een vreemde, vrome exaltatie, geheel opgeheven door haar liefde en als had het bijgeloof den hartstocht tot extase opgevoerd, voegde zij eraan toe:

“Ik heb de Madonna gezworen mijn maagdelijkheid te geven aan den man, dien ik liefheb, doch eerst op den dag, dat hij mijn man zal zijn; en dien eed heb ik gehouden ten koste van mijn geluk, en ik zal hem houden ten koste van mijn leven, als het moet … Ja, Dario en ik zullen desnoods sterven, maar de Heilige Maagd heeft mijn woord en de engelen in den hemel zullen niet weenen.”

Zij gaf zich geheel in al haar oprechtheid, met een eenvoud, die eerst ingewikkeld, onverklaarbaar schijnen kon. Ongetwijfeld werd zij beheerscht door die zonderlinge voorstelling van menschelijken adel, welke het Christendom gelegd heeft in verzaking en reinheid, die een protest is tegen de eeuwige materie, de krachten der natuur, de oneindige vruchtbaarheid van het leven. Maar in haar was het nog iets meer: voor haar had de maagdelijkheid een onschatbare waarde, was zij een kostbaar goddelijk geschenk, dat zij aan den door haar hart uitverkoren geliefde geven wilde, die, [225]zoodra God hen verbonden zou hebben, ook de meester van haar lichaam was. Voor haar bestond er buiten het door den priester gewijde huwlijk slechts doodzonde en gruwel. Dat alles verklaarde haar langen tegenstand aan Prada, dien zij niet liefhad; haar wanhopigen, pijnlijken tegenstand aan Dario, dien zij aanbad, maar aan wien zij zich slechts geven wilde in een wettig huwlijk. Welk een marteling moest het voor die in liefde ontvlamde ziel zijn weerstand te bieden aan die liefde! Welk een niet eindigende strijd van haar plichtsgevoel en haar eed aan de Heilige Maagd met den hartstocht, dien hartstocht van haar geslacht, welke soms, zooals zij zelf bekende, in haar woedde als een storm!

Pierre keek haar in de wegstervende schemering aan en het was hem, alsof hij haar nu voor het eerst zag, voor het eerst begreep. Haar dualiteit verried zich in haar eenigszins krachtige en zinnelijke lippen, in haar groote, zwarte, ondoorgrondelijke oogen, in haar zoo kalm, zoo verstandig, zoo kinderlijk-teer gezicht. Achter deze vurige oogen, onder die lelie-reine huid raadde men de innerlijke spankracht van de bijgeloovige, trotsche en eigenzinnige vrouw, die zich hardnekkig bewaarde voor haar liefde, die slechts werkte, om daarvan te genieten en er in haar beredeneerde bedachtzaamheid steeds op voorbereid was, dat een hartstochtelijke dwaasheid haar mede zou kunnen sleepen. O, hoe kon hij zich nu begrijpen, dat men haar liefhad! Hoe voelde hij, dat een zoo aanbiddelijk wezen met haar heerlijke oprechtheid, haar onstuimige terughouding, om zich beter te kunnen geven, het leven van een man vervullen kon! Zij kwam hem voor als de jongere zuster van die liefelijke en tragische Cassia, die met haar voortaan nuttelooze maagdelijkheid niet langer leven wilde en zich in den Tiber geworpen had, terwijl zij haar broeder Ercolo en het lijk van Flavio, haar geliefde, met zich trok!

In een liefdevolle opwelling greep Benedetta de beide handen van Pierre.

“Mijnheer de abbé, u bent nu een veertien dagen hier, en ik heb al een groote genegenheid voor u opgevat, omdat ik voel, dat u een vriend bent. Indien u ons niet dadelijk begrijpt, moet u toch niet te slecht over ons oordeelen. Ik zweer u, dat ik, hoe onwetend ik ook ben, altijd tracht zoo goed mogelijk te handelen.”

Hij werd diep geroerd door haar beminlijkheid en hij dankte haar daarvoor, terwijl hij een oogenblik haar mooie [226]handen in de zijne nam, want ook hij had een groote genegenheid voor haar opgevat. Weer sleepte een droom hem mede: haar opvoeder zijn, als hij den tijd daarvoor had, in ieder geval niet weer te vertrekken, zonder deze ziel gewonnen te hebben voor de denkbeelden van naastenliefde en broederschap, die de zijne waren. Was dit bewonderenswaardige, indolente, onwetende, niets omhanden hebbende schepseltje, dat slechts haar liefde wist te verdedigen, niet het Italië van gisteren? Het zoo mooie, sluimerende Italië van gisteren met haar uitstervende lieftalligheid, zoo betooverend in haar sluimering, in wier diepe, donkere, hartstochtelijk brandende oogen nog zoo veel ongekends verborgen lag? Welk een heerlijke taak haar te wekken, haar te onderrichten, haar te veroveren voor de waarheid, het volk der lijdenden en der armen, het verjongde Italië van morgen, zooals hij zich dat droomde!

In dat rampzalige huwlijk met graaf Prada, in dien breuk met hem, wilde hij zelfs een eerste mislukte poging zien: het moderne Noord-Italië ging te vlug te werk, was te ruw in zijn poging om het zachte, achtergebleven, nog groote en trage Rome lief te hebben en te hervormen! Maar kon hij de taak niet opnieuw opvatten, had hij niet gemerkt, dat zijn boek na de verbazing, die de eerste lezing in haar gewekt had, in de leegte van haar slechts door haar verdriet gevulde dagen, haar gedachten bezig gehouden had, haar belang inboezemde. Wat, zich voor anderen, zich voor de minderen dezer wereld, voor het geluk der ongelukkigen te interesseeren? Was het mogelijk, dat daarin een verzachting van eigen leed lag? Zij was reeds ontroerd; en hij nam zich voor haar tranen te doen vloeien, terwijl hij zelf naast haar beefde bij de gedachte aan de eindelooze liefde, die zij geven zou, wanneer zij zou liefhebben.

De nacht was geheel gevallen en Benedetta stond op om een lamp te vragen. Toen Pierre afscheid nam, hield zij hem nog even terug in de donkerte. Hij zag haar niet meer, hoorde haar nog slechts met haar ernstige stem zeggen:

“U zult toch geen al te slechte opinie van ons meenemen, mijnheer de abbé? Dario en ik hebben elkaar lief, en dat is geen zonde, wanneer men verstandig is. Ja zeker, ik heb hem al zoo lang lief! Stel u voor, ik was nauwlijks dertien en hij achttien, toen we al zoo heel veel van elkaar hielden in dien grooten tuin van de villa Montefiori, welken men heelemaal verwoest heeft … O, wat voor dagen hebben wij daar [227]doorgebracht—heele middagen onder de boomen, uren lang in onvindbare schuilhoekjes—en wat hebben wij elkaar als cherubijnen gekust! Wanneer de tijd kwam, dat de oranjeappelen rijp werden, bedwelmde ons de geur der vruchten. En de groote taxisboomen, wat omhulden ze ons met hun geur, die onze harten sneller deed kloppen! Thans kan ik dien niet meer inademen, zonder duizelig te worden.”

Giacomo bracht de lamp en Pierre ging naar zijn kamer. Op de kleine trap vond hij Victorine, die even schrok, alsof zij daar was gaan staan, om hem op te wachten, als hij uit den salon kwam. Zij volgde hem, praatte, hoorde hem uit. En plotseling ging de priester een licht op.

“Waarom ben je niet gekomen, toen je meesteres je riep? Je zat toch in de antichambre te naaien?”

Eerst wilde zij verbaasde oogen opzetten, zeggen, dat zij niets gehoord had. Maar haar open, gul gezicht kon niet liegen, lachte ondanks alles. Ten slotte bekende zij dapper en vroolijk.

“Wat ging mij dat aan? Waarom moest ik tusschenbeide komen? En bovendien voelde ik mij heel rustig, ik weet, dat de prins veel te veel van haar houdt, om mijn kleine Benedetta kwaad te doen.”

In werkelijkheid had zij, begrijpend waar het om ging, bij den eersten hulproep haar werk op de tafel neergelegd en was zoo zacht mogelijk weggeslopen, om de lieve kinderen, zooals zij ze noemde, niet te moeten storen.

“De arme kleine,” begon zij weer, “hoe dom van haar om zich om het hiernamaals zoo te kwellen. Groote God, wat voor kwaad zou erin steken, wanneer zij elkaar wat geluk gaven, daar zij elkaar toch liefhebben? Zoo lollig is het leven toch niet! En wat een wroeging later, wanneer het te laat zou zijn!”

Toen Pierre alleen in zijn kamer was, voelde hij zich duizelig worden. De groote taxisboomen! Evenals hij, had zij bij hun scherpen, krachtigen geur gehuiverd. En zij kwamen terug en riepen hem dien der pauselijke tuinen in herinnering, de wellustige, verlaten en in de hoogstaande zon brandende, Romeinsche tuinen. De beteekenis van den geheelen dag werd hem nu duidelijk. Het was de vruchtbare ontwaking, het eeuwige protest van de natuur en van het leven, de Venus en de Hercules, die men gedurende eeuwen in den grond heeft kunnen begraven, maar die er toch eens weer uit oprijzen; die men diep in het heerschzuchtige, starre en koppige Vaticaan kan willen opsluiten, maar die zelf daar regeeren en onbeperkt de wereld beheerschen. [228]

[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK

Toen Pierre den volgenden dag na een lange wandeling weer voor het Vaticaan stond, waarheen een soort obsessie hem steeds weer terugbracht, ontmoette hij opnieuw monsignor Nani. Het was een Woensdagavond en de assessor bij het Heilig College had juist zijn wekelijksche audiëntie bij den paus gehad, aan wien hij over de zitting, die de Heilige Congregatie ’s ochtends gehouden had, rapport uitbracht.

“Welk een gelukkig toeval, mijn waarde zoon! Ik dacht juist aan u … Wilt ge Zijne Heiligheid in het openbaar zien, alvorens hem in een particuliere audiëntie te spreken?”

Hij had weer zijn gewone glimlachende welwillendheid, waarin men nauwlijks de zachte ironie voelde van den man, die alles wist, alles kon, alles voorbereidde.

“Zeker, heel graag, monseigneur”, antwoordde Pierre, een weinig verbaasd door dat plotselinge aanbod. “Iedere afleiding is welkom, wanneer je je dagen met wachten verspilt.”

“Neen, neen, ge verspilt uw dagen niet,” viel de prelaat hem vlug in de rede. “Ge ziet, ge denkt na, ge ontwikkelt u … Maar om op de zaak terug te komen. Ongetwijfeld weet u, dat de groote internationale bedevaart van den Pieterspenning Vrijdag te Rome komt en Zaterdag door Zijne Heiligheid ontvangen wordt. Den volgenden dag, Zondag, is er een andere plechtigheid. Zijne Heiligheid zal dan in de basilica de mis lezen … Welnu, ik heb nog enkele kaarten over. Hier hebt u nog zeer goede plaatsen voor de beide dagen.”

Hij had uit zijn zak een kleine elegante, met zijn gouden naamcijfer voorziene portefeuille gehaald en nam daaruit twee kaarten, een rose en een groene, die hij aan den jongen priester gaf.

“Als u eens wist, hoe men er om vecht! U herinnert zich [229]die twee Fransche dames nog wel, die van verlangen branden om Zijne Heiligheid te zien? Ik heb niet te veel willen aandringen, om een audiëntie voor haar te krijgen; ook zij hebben zich tevreden moeten stellen met de kaarten, die ik haar gegeven heb … Ja, de Heilige Vader voelt zich wat vermoeid. Ik was zooeven bij hem en vond, dat hij er geel en koortsachtig uitziet. Maar hij is zoo moedig, in hem leeft alleen zijn ziel.”

Hij glimlachte weer zijn nauwlijks merkbaar spottend glimlachje.

“Ja, hij is een voorbeeld voor de ongeduldigen, mijn waarde zoon … Ik hoor, dat monsignor Gamba del Zoppo niets voor u heeft kunnen doen. Maar u moet u dat niet al te zeer aantrekken. Laat ik u nogmaals zeggen, dat dit lange wachten zeker een genade der Voorzienigheid is. Het leert u, het dwingt u dingen te begrijpen, die gij, Fransche priesters, ongelukkig niet voelt, wanneer gij in Rome komt. En misschien zal u dit voor fouten behoeden … Kom, draag het kalm en zeg tegen uzelf, dat alles in Gods hand ligt en geschiedt op het door Zijn hooge wijsheid vastgestelde oogenblik.”

Hij stak hem zijn mooie, lenige hand toe. Het was als de hand van een vrouw, maar haar druk had de kracht van een stalen schroef. Dan stapte hij in het rijtuig, dat op hem stond te wachten.

De brief, dien Pierre van vicomte Philibert de la Choue ontvangen had, was toevallig een lange kreet van verbittering en wanhoop naar aanleiding van de internationale bedevaart van den Pieterspenning. Hij schreef van zijn bed af, waaraan hij door een hevigen jichtaanval gekluisterd was, en kon niet komen. Het meest verdroot hem echter, dat de president van het comité, die als zoodanig natuurlijk de bedevaart aan den paus moest voorstellen, juist baron de Fouras was, een van zijn meest verbitterde tegenstanders uit de oude conservatieve Katholieke partij; en hij twijfelde er geen oogenblik aan, of de baron zou van die gelegenheid gebruik maken, om den paus tot zijn theorie van vrije corporaties over te halen, terwijl hij, de la Choue, slechts heil voor het Katholicisme en voor de wereld verwachtte van gesloten, verplichte corporaties. Hij smeekte Pierre dan ook zich tot de hem gunstig gezinde kardinalen te wenden, niet te rusten voor hij door den paus ontvangen was en Rome niet te verlaten zonder hem de hoogste goedkeuring te brengen, die de overwinning beslissen kon. De brief gaf bovendien interessante bijzonderheden [230]over de bedevaart. Zij bestond uit drie duizend uit alle landen saamgekomen pelgrims, uit Frankrijk, België, Spanje, Oostenrijk, ja zelfs Duitschland, en werd in kleine groepjes door bisschoppen en leiders der corporaties naar Rome gebracht. Frankrijk was met drie duizend pelgrims het sterkst vertegenwoordigd. Een internationaal comité was te Parijs werkzaam geweest, om alles te organiseeren, een moeilijk werk, want het was een zeer gemengd gezelschap, leden der aristocratie, damesvereenigingen, arbeidersvereenigingen, alle klassen, leeftijden en geslachten, als broeders in hetzelfde geloof. De vicomte voegde er nog aan toe, dat de bedevaart, die millioenen aan den paus brengen zou, den datum van zijn aankomst zóó gekozen had, dat zij als het ware het protest van het algeheele Katholicisme was tegen de feesten van 20 September, waarmede het Quirinaal den glorierijken verjaardag van de verheffing van Rome tot hoofdstad vierde.

Pierre meende, dat het vroeg genoeg zou zijn als hij tegen elf uur kwam, want de plechtigheid zou eerst om twaalf uur beginnen. Zij zou plaats vinden in de Sala dei Beatificazione, een groote, mooie zaal, die boven de zuilengaanderij van de St. Pieter ligt en in 1890 in een kapel veranderd is. Een der ramen ziet uit op de middelste loggia, vanwaaraf vroeger de nieuw-gekozen paus het volk, Rome en de wereld zegende. Twee andere zalen, de Sala regia en de Sala ducale lagen ervoor. Toen Pierre echter naar de plaats, waarop zijn groene kaart hem in de Sala dei Beneficazione zelf recht gaf, wilde gaan, vond hij de drie zalen met een zóó dicht op elkaar gepakte menigte gevuld, dat hij er zich slechts met de uiterste moeite een weg door kon banen. Een uur lang verdrong men elkaar reeds op die manier in de vurige koorts en de toenemende opwinding van de drie- of vierduizend daar opgesloten personen. Eindelijk kon hij tot de deur der derde zaal komen, maar bij het zien van die buitengewone opeenhooping van hoofden ontzonk hem de moed en trachtte hij zelfs niet verder te gaan.

De Sala dei Beatificazione, die hij, toen hij op zijn teenen ging staan, met één enkelen blik overzag, was onder de hooge, strenge zoldering rijk versierd, verguld en beschilderd. Tegenover den ingang, waar anders het altaar stond, was op een lage estrade de pauselijke troon geplaatst, een groote fauteuil van rood fluweel, welks rug en armen van goud schitterden; de draperieën van den eveneens roodfluweelen [231]baldakijn vielen naar achter en ontplooiden zich als twee groote purperen vleugels. Doch vooral trof Pierre die menigte, die menigte vol ongebreidelden hartstocht, zooals hij ze nog nooit vroeger gezien had, wier harten hij met luide slagen hoorde kloppen, wier oogen het koortsachtige ongeduld van hun wachten trachtten te misleiden door naar den ledigen troon te kijken, dien te aanbidden.

O, die troon. Hij verblindde hen, hij bracht hen een onmacht nabij, evenals de gouden monstrans, waarin het Gode behaagde persoonlijk plaats te nemen. Men zag daar arbeiders in zondagskleeren met heldere kinderblikken en ruwe, thans in extase vertrokken gezichten, burgerjuffrouwen in haar voorgeschreven zwarte japonnen, bleek door een soort heilige vrees en bovenmatig verlangen, heeren in gekleede jas en witte das, stralend, vast overtuigd, dat zij de Kerk en de volkeren redden. Maar in het bijzonder viel een groep van deze laatsten, om den pauselijken troon, in het oog, de leden van het internationale comité met baron de Fouras aan het hoofd, een groote, corpulente, blonde vijftiger, die zich steeds heen en weer bewoog en als een generaal op den ochtend van een beslissende overwinning bevelen gaf. Hier en daar schitterde tusschen de grijze en zwarte menigte de violette zijde van een bisschop, daar iedere herder bij zijn kudde had willen blijven. De gebaarde of gladgeschoren hoofden van de wereldlijke geestelijken en de ordebroeders in hun bruine, zwarte of witte kleederen staken boven de menigte uit. Rechts en links wapperden de banieren, die vereenigingen en congregaties als geschenk voor den paus medebrachten. De deining steeg steeds hooger, het bruisen der zee zwol steeds aan; de zweetende gezichten, de brandende oogen, de versmachtende monden straalden een zoo ongeduldige liefde uit, een zoo zware geur steeg uit die opgehoopte menigte op, dat de atmospheer er als het ware dik en donker door werd.

Maar plotseling zag Pierre naast den troon monsignor Nani, die, nadat hij hem uit de verte opgemerkt had, hem een teeken gaf naderbij te komen. En toen Pierre met een bescheiden gebaar te kennen gaf, dat hij liever bleef waar hij was, gaf de prelaat het niet op, maar zond een zaalwachter naar hem met bevel ruimte voor hem te maken.

“Waarom kwam u niet naar uw plaats toe?” vroeg de prelaat, toen de zaalwachter hem eindelijk bij den troon gebracht had. “Uw kaart geeft u recht hier links van den troon te staan.” [232]

“Ach, ik zou zooveel menschen lastig hebben moeten vallen, dat ik dat niet wilde. En bovendien is het te veel eer voor mij.”

“Neen, neen, ik heb u deze plaats niet voor niets gegeven. Ik wil, dat u vooraan staat, om alles goed te kunnen zien en niets van de plechtigheid te verliezen.”

Pierre kon niets anders dan hem dankbaar zijn. Hij zag nu, dat verschillende kardinalen en vele prelaten van het pauselijk Hof eveneens aan beide zijden van den troon stonden te wachten. Tevergeefs echter zocht hij naar kardinaal Boccanera, die nooit in de St. Pieter of op het Vaticaan kwam dan wanneer zijn dienst hem daartoe verplichtte. Maar wel zag hij kardinaal Sanguinetti, die in een druk gesprek gewikkeld was met baron de Fouras. Even kwam monsignor Nani nog naar hem toe, om hem twee andere Eminenties te wijzen, zeer invloedrijke en machtige persoonlijkheden: den kardinaal-vicaris, een corpulenten, kleinen man met een koortsachtig, door eerzucht verteerd gelaat, en den kardinaal-secretaris, robuust, gespierd en met grove trekken, het romantische type van een Siciliaanschen bandiet, die de discrete en glimlachende kerkelijke diplomatie gekozen heeft. Nog enkele passen verder stond, afgezonderd, de grootpenitentarius, zwijgend, met een lijdend uiterlijk en een vaal, mager ascetengezicht.

Het had twaalf uur geslagen. Er ontstond een ongegronde vreugde, een beweging, die zich als een diepe golf uit de twee andere zalen voortplantte. Doch het waren slechts de zaalwachters, die de menigte achteruitdrongen om een doorgang voor den pauselijken stoet vrij te maken. Plotseling echter klonken uit de eerste zaal toejuichingen, kwamen naderbij, zwollen aan. Ditmaal was het de stoet. Voorop een afdeeling der Zwitsersche garde in klein tenue onder bevel van een sergeant; dan de in het rood gekleede dragers; vervolgens de Hofprelaten, waaronder vier geheime kamerheeren. En eindelijk liep tusschen twee pelotons edelgarden in half-gala de Heilige Vader alleen, te voet, flauwtjes glimlachend, langzaam naar rechts en links zegenend. Met hem was het gejuich, dat uit de zalen ernaast opsteeg, binnengedrongen in de Sala dei Beatificazione: de hartstochtelijke liefde wies tot waanzin aan; en onder de tengere witte handen, die zich zegenend uitstrekten, waren al deze schepsels, die de onmacht nabij waren, op hun beide knieën gevallen. Op den grond was niets meer te zien dan een neergeworpen, als door de verschijning van God verpletterd, vroom volk. [233]

Medegesleept door de geestdrift, was Pierre bevend met de anderen op zijn knieën gevallen. O, deze almacht, deze onweerstaanbare besmetting van het geloof, van den vreeselijken ademtocht uit het onzienlijke, die zich in een pracht en een praal van majestueuse grootte vertienvoudigden! Dan, toen Leo XIII, omgeven door de kardinalen en zijn Hof, op den troon was gaan zitten, ontstond er een diepe stilte, waarna de ceremonie zich volgens de gewone ritueele gebruiken ontwikkelde. Eerst sprak, geknield, een bisschop om de hulde van de getrouwen der geheele Christenheid aan de voeten van Zijne Heiligheid te leggen. Op hem volgde de president van het comité, baron de Fouras, die, staande, een lange redevoering voorlas, waarin hij de bedevaart voorstelde, de bedoeling ervan uiteenzette en op het ernstige karakter van het tegelijk politieke en godsdienstige protest ervan wees. De corpulente man had een dunne, snijdende stem, die als een drilboor knarste; hij zeide hoe smartelijk de Katholieke wereld leed onder de berooving van den Heiligen Stoel, hoe gaarne alle volkeren, die hier door pelgrims vertegenwoordigd waren, het hooge en vereerde Hoofd der Kerk wilden troosten door hem de obool der rijken en der armen, het penningske der nederigsten te brengen, opdat de paus trotsch en onafhankelijk zou kunnen leven. Hij sprak ook over Frankrijk, betreurde zijn dwalingen, voorspelde zijn terugkeer tot gezonde tradities, gaf trotsch te verstaan, dat het het rijkste en vrijgevigste land was, waaruit in een ononderbroken stroom goud en geschenken naar Rome vloeiden. Eindelijk stond Leo XIII op en beantwoordde den bisschop en den baron. Zijn stem was zwaar, had een sterken neusklank. Uit een zoo tenger lichaam had men een dergelijke stem niet verwacht. In enkele zinnen drukte hij zijn dankbaarheid uit en zeide hoezeer zijn hart door deze toewijding der naties aan het pausdom geroerd was. De tijden mochten slecht zijn, de eindtriomf kon niet lang meer uitblijven. De teekenen wezen er duidelijk op, dat het volk tot het geloof terugkeerde, dat de ongerechtigheden weldra onder de algemeene heerschappij van Christus zouden ophouden. En Frankrijk? Was Frankrijk niet de oudste dochter der Kerk, die aan den Heiligen Stoel te veel bewijzen van liefde gegeven had dan dat deze ooit op zou kunnen houden haar lief te hebben? Dan hief hij zijn handen op en schonk aan alle aanwezige pelgrims, aan de vereenigingen en congregaties, die zij vertegenwoordigden, aan hun huisgezinnen [234]en aan hun vrienden, aan Frankrijk, aan alle Katholieke naties zijn apostolischen zegen, om hen te danken voor de kostbare hulp, die zij hem zonden. Terwijl hij weer ging zitten, barstten toejuichingen los, geestdriftige salvo’s, die tien minuten duurden, gepaard met vivatgeroep, met ongearticuleerde kreten, een storm van ontketenden hartstocht, die de zaal deed beven.

En terwijl deze woeste aanbidding woedde, keek Pierre naar Leo XIII, die weer roerloos op zijn troon zat. Met de pauselijke muts op en den rooden, met hermelijn afgezetten mantel had hij in zijn lange witte soutane de hiëratische stijfheid van een afgodsbeeld, dat door tweehonderdvijftig millioen Christenen aangebeden wordt. Op den purperen achtergrond der gordijnen van den baldakijn, tusschen de vleugelachtig uitgespreide draperieën, waarin iets als een gloed van verheerlijking gloeide, nam hij een werkelijke majesteit aan. Het was niet meer de zwakke grijsaard met zijn kleine, gesaccadeerde pasjes en zijn tenger halsje van arm, ziek vogeltje. Het magere gezicht, de te krachtige neus, de te groote mond verdwenen. In dat wasachtige gelaat onderscheidde men niets dan de prachtige, donkere, diepe, eeuwig jonge, scherpzinnige en doordringende oogen.

Een onwillekeurig oprichten van zijn gestalte, een bewustzijn, dat hij de eeuwigheid vertegenwoordigde, de koninklijke adeldom, die hem omgaf, riepen den indruk te voorschijn, dat hij niet meer was dan een ademtocht, een reine ziel in een lichaam van zóó doorzichtig ivoor, dat men er die ziel reeds in zag, bevrijd van alle aardsche banden. En toen begreep Pierre, wat zulk een man, de souvereine pontifex, de koning, aan wien tweehonderdvijftig millioen onderdanen gehoorzamen, zijn moest voor de vrome en lijdende schepsels, die, door de schittering van de machten, die hij vertegenwoordigde, neergeslagen, hem van zoo verre kwamen aanbidden. Achter hem, in het purper der gordijnen, opende zich plotseling het onzichtbare, de oneindigheid van het ideale en de verblindende verheerlijking!

Hoeveel eeuwen van geschiedenis sedert den apostel Petrus, hoeveel kracht, hoeveel genie, hoeveel strijd, hoeveel triomphen vereenigden zich in één wezen, den Uitverkorene, den Eenige, den Bovenmenschelijke! Welk een telkens hernieuwd wonder; de hemel, die zich verwaardigde in dit menschelijk lichaam neer te dalen, God, die woonde in den dienaar, dien hij uitverkoren had, dien hij wijdt en heiligt boven de ontzaglijke [235]menigte andere wezens door hem alle macht en wetenschap te geven! Welk een heilige ontroering, welk een liefde, God in een mensch, God, steeds ziende door zijn oogen, sprekend met zijn stem, uit ieder van zijn zegenende gebaren uitstroomend. Wie kan zich deze exorbitante, onbeperkte macht van een onfeilbaren monarch, de volkomen macht in deze, het heil in de wereld hiernamaals, den zichtbaren God voorstellen? En hoe begrijpelijk was het, dat de door de behoefte om te gelooven verteerde zielen naar hem toe vlogen, dat deze zielen, die eindelijk de zoo lang gezochte zekerheid, den troost zich te geven en in God zelf te verdwijnen vonden, geheel in hem opgingen.

Maar de plechtigheid liep ten einde, baron de Fouras stelde den Heiligen Vader de leden van het comité en enkele andere voorname deelnemers aan de bedevaart voor. Het was een langzaam voorbijtrekken, een bevend buigen der knieën, de gulzige kus op de muil en op den ring. Dan werden de banieren aangeboden; Pierre’s hart kromp samen, toen hij in de mooiste, de rijkste een banier van Lourdes herkende, die ongetwijfeld door de paters der Onbevlekte Ontvangenis geschonken werd. Op de witte, met goud geborduurde zijde was aan de eene zijde de Heilige Maagd van Lourdes gestikt, terwijl de andere het portret van Leo XIII vertoonde. Hij zag hem glimlachen tegen zijn beeltenis, en een groote droefheid maakte zich van hem meester alsof zijn geheele droom van een intellectueelen, Evangelischen, van laag bijgeloof bevrijden paus ineenstortte. Op dat oogenblik ontmoette hij weer den blik van monsignor Nani, die hem sedert het begin der plechtigheid geen oogenblik uit het oog verloren had en met de nieuwsgierigheid van iemand, die bezig is een proef te nemen, zijn minste indrukken bestudeerde.

De prelaat kwam naar hem toe en zeide:

“Een prachtige banier! Wat zal Zijne Heiligheid zich verheugen, dat hij zoo mooi afgebeeld is in gezelschap der Heilige Maagd.”

En toen de jonge priester, die bleek geworden was, niet antwoordde, voegde hij er met een echt-Italiaansche, vrome blijdschap aan toe:

“Hier in Rome houden wij veel van Lourdes! Die geschiedenis van Bernadette is zoo bekoorlijk!”

Wat nu gebeurde, was zoo iets buitengewoons, dat Pierre er lang door van streek bleef. Hij had te Lourdes tooneelen van onvergetelijke afgoderij gezien, tooneelen vol naïef geloof [236]en tot waanzin opgevoerden godsdiensthartstocht, die hem nu nog van onrust en smart deden beven. Maar die menigten, welke zich naar de Grot stortten, de zieken, die in liefdesrazernij wegzwijmelden voor het beeld der Heilige Maagd, dat geheele volk, dat door de besmetting van het wonder waanzinnig geworden was, niets, niets van dat alles evenaarde ook maar in het minst den aanval van uitzinnigheid, die de pelgrims aangreep en voor de voeten van den paus wierp. Bisschoppen, geestelijke leiders van congregaties, afgevaardigden naderden, om bij den troon de offeranden neer te leggen, die zij uit de geheele Katholieke wereld brachten, de universeele collecte voor den Pieterspenning. Het was de vrijwillige belasting van een volk aan zijn souverein, zilver, goud, bankpapier in beurzen, in tasschen, in portefeuilles. Dan kwamen dames, die op haar knieën vielen en zijden of fluweelen taschjes, die zij geborduurd hadden, aanboden. Anderen hadden op portefeuilles het naamcijfer van Leo XIII in diamanten laten aanbrengen. Eén oogenblik werd de extase zóó groot, dat vrouwen zich geheel plunderden, haar beurzen tot met den laatsten sou, dien zij hadden, wegwierpen. Een zeer mooie, slanke en groote brunette ontdeed zich van haar horloge en ringen en wierp die op het tapijt der estrade. Allen zouden haar vleesch weggerukt hebben, om haar van liefde brandend hart uit te scheuren en dat ook weg te werpen. Zij zouden zichzelf geheel hebben willen wegwerpen, zonder iets van zich te behouden. Het was een regen van geschenken, een volkomen zichzelf geven, de hartstocht, die zich van alles berooft ter wille van het voorwerp van zijn vereering, de hartstocht, die zijn geluk daarin vindt niets te bezitten, dat niet tevens daaraan toebehoort. En dat alles speelde zich af te midden van een steeds toenemend gejuich, van vivatgeroep, van uitgebrulde aanbiddingskreten, terwijl een steeds heftiger gedrang ontstond, daar allen, mannen en vrouwen, bezweken voor den onweerstaanbaren drang om den afgod te kussen.

Een signaal werd gegeven. Leo XIII daalde vlug van den troon af en nam zijn plaats in den stoet in, om zich weer naar zijn appartementen te begeven. De Zwitsersche garde hield de menigte krachtig in bedwang en trachtte in de drie zalen zich een doortocht te banen. Maar toen de menigte zag, dat Zijne Heiligheid vertrok, rees een reusachtige kreet van wanhoop op, alsof de hemel zich plotseling gesloten had voor hen, die hem nog niet hadden kunnen naderen. Welk een bittere [237]teleurstelling; God was zichtbaar voor hen geweest en zij hadden hem verloren, voor zij allen door hem aan te raken, hun eeuwig heil verkregen hadden! Het gedrang was zoo hevig, dat de grootste verwarring begon te heerschen en de Zwitsersche garde wegvaagde. Men zag een vrouw achter den paus aansnellen, op handen en voeten op de marmeren tegels kruipen, om zijn voetsporen te kussen en het stof van zijn schreden te drinken. De groote brunette, die aan den rand der estrade neergevallen was, lag in onmacht; twee heeren van het comité hielden haar vast, opdat zij zich niet wonden zou in den zenuwaanval, die haar krampachtig trekken deed. Een andere, een dikke blondine, klampte zich vast aan een der vergulde armen van den fauteuil, waarop de tengere elboog van den grijsaard gerust had, en drukte er zoo gulzig haar lippen op, alsof zij hem wilde opeten. Anderen zagen het, kwamen haar den arm betwisten, maakten zich meester van den anderen, van de rugleuning, van het fluweel, drukten haar lippen op het hout en op de stof, terwijl haar lichamen schokten in diepe snikken. Men moest geweld gebruiken, om haar eraf te rukken.

Toen alles geëindigd was, ontwaakte Pierre als uit een pijnlijken droom; zijn hart en zijn rede verzetten zich. En weer voelde hij den blik van monsignor Nani, die niet van zijn zijde week, op zich rusten.

“Een prachtige plechtigheid, niet waar?” vroeg de prelaat. “Dat geeft voor heel wat ongerechtigheden troost.”

“Zeker, maar welk een afgoderij!” kon de priester niet nalaten te zeggen.

Monsignor glimlachte, maar ging niet verder op Pierre’s gezegde in, deed alsof hij het niet gehoord had. Op dat oogenblik kwamen de twee Fransche dames, aan wie hij kaarten gegeven had, hem bedanken; en tot zijn verbazing herkende Pierre in haar de twee bezoeksters der katakomben, moeder en dochter, die beiden zoo mooi, zoo vroolijk, zoo gezond waren. Zij waren blij het schouwspel gezien te hebben, zeiden, dat een dergelijk iets op de wereld niet verder bestond.

Plotseling voelde Pierre in de menigte, die zonder eenige haast de zalen ontruimde, een hand op zijn schouders leggen. Hij keek om en zag Narcisse Habert, die buitengewoon geestdriftig was.

“Ik heb u verscheidene malen een teeken gegeven, mijn waarde abbé, maar gij hebt mij niet gezien … De vrouw, die met haar armen in den vorm van een kruis stijf neerviel, [238]was wondermooi van uitdrukking. Een meesterwerk der primitieven, een Cimabue, een Giotto, een Fra Angelico! En die anderen, die de armen van den fauteuil met haar kussen verslonden, wat een groep van lieftalligheid, schoonheid en liefde!… Ik ontbreek bij dergelijke plechtigheden nooit: er zijn altijd schilderijen, schouwspelen van zielen te zien.”

Langzaam vloeide de ontzaglijke stroom van pelgrims weg en ging in de brandende koorts, die hen bleef doorhuiveren, de trap af. Pierre, gevolgd door Monsignor Nani en Narcisse, die een gesprek begonnen waren, dacht na, terwijl het oproer van zijn denkbeelden in zijn hersens woedde. O zeker, er was iets grootsch en moois in dezen paus, die zich in zijn Vaticaan had opgesloten, die steeds hooger steeg in de aanbidding en den heiligen eerbied der menschen, naarmate hij meer verdween, meer zuiver geest, meer een zuiver zedelijke macht geworden was, vrij van alle wereldsche zorgen. Er lag daarin iets vergeestelijkts, een vlucht in het ideale, waardoor hij diep geroerd werd, want zijn droom van een verjongd Christendom berustte op die gelouterde, zuiver geestelijke macht van het Hoofd der Kerk. Hij had nu juist gezien wat die verheven pontifex van het hiernamaals daardoor aan macht en majesteit won—deze paus, aan wiens voeten de vrouwen flauw vielen, omdat zij achter hem God zagen. Maar in dezelfde minuut had hij plotseling de geldvraag voor zich zien oprijzen, wat zijn vreugde weer geheel bedierf, hem tot nadere overwegingen dwong. Al had het gedwongen opgeven van de wereldlijke macht den paus grooter gemaakt door hem te bevrijden van de moeilijkheden, die een kleinen koning zonder ophouden bedreigen, toch bleef de behoefte aan geld als een blok aan zijn been, dat hem aan de aarde bond. Daar hij den geldelijken steun van het koninkrijk Italië niet kon aannemen, had de werkelijk roerende idee van den Pieterspenning den Heiligen Stoel van iedere materieele zorg kunnen bevrijden, op voorwaarde dat deze penning in werkelijkheid de obool van den Katholiek, het penningske van iederen geloovige was, dat, op het dagelijksch brood gespaard, regelrecht naar Rome gezonden werd en van de nederige hand, die het geeft, valt in de verheven hand, die het ontvangt; ongerekend, dat een dergelijke vrijwillige belasting, door de kudde aan haar herder betaald, voldoende zijn zou voor het onderhoud der Kerk, indien ieder van de tweehonderdvijftig millioen Christenen eenvoudig wekelijks zijn stuiver gaf. [239]

Op deze wijze zou de paus, die aan allen, aan ieder van zijn kinderen verplichtingen had, aan niemand verplichtingen hebben. Het was zoo weinig, een stuiver, zoo makkelijk en zoo roerend! Ongelukkig echter ging de zaak geheel anders, de groote meerderheid der Katholieken gaf niet, rijken zonden groote sommen uit politieken hartstocht, en vooral werden de giften opgehoopt in de handen der bisschoppen en van sommige congregaties, zoodat de ware gevers die bisschoppen, die machtige congregaties schenen, welke openlijk de weldoeners van het pausdom werden, de onmisbare kassen, waaruit het zijn leven putte. De kleinen en nederigen, wier obolen het offerblok vulden, werden als het ware gesupprimeerd; van de bemiddelaars, van de hooge geestelijke of wereldlijke heeren hing de paus af, die daardoor genoodzaakt was hen te ontzien, hun vertoogen aan te hooren, dikwijls zelfs aan hun inzichten toe te geven, indien hij de aalmoezen niet wilde zien opdrogen. Niettegenstaande hij van het doode gewicht der wereldlijke macht bevrijd was, was hij toch niet volkomen vrij, was hij afhankelijk van zijn clerus, daar hij met te veel belangen van eerzucht rekening moest houden, om de trotsche, zuiver geestelijke meester te zijn, die in staat was, om de wereld te redden. En Pierre herinnerde zich de Grot van Lourdes in de tuinen, de banier van Lourdes, die hij zooeven gezien had; hij wist, dat de paters van Lourdes jaarlijks een som van tweehonderdduizend francs afzonderden van hun inkomsten, om die aan den Heiligen Vader te zenden. Was dat niet de hoofdreden van hun almacht? Hij beefde en werd zich plotseling bewust, dat hij, ondanks zijn aanwezigheid te Rome, ondanks den steun van kardinaal Bergerot, verslagen en zijn boek veroordeeld zou worden.

Toen hij eindelijk in het laatste gedrang der menigte op het plein voor de St. Pieter kwam, hoorde hij Narcisse vragen:

“Gelooft u werkelijk, dat de giften vandaag dit bedrag overschreden hebben?”

“O meer dan drie millioen, daar ben ik ten stelligste van overtuigd,” antwoordde monsignor Nani.

Met hun drieën bleven zij een oogenblik onder de rechtsche zuilengaanderij staan kijken naar het in het zonlicht badende plein, waarop de drie duizend pelgrims zich als kleine zwarte vlekjes verspreidden, een wriemelende menigte, een in opstand gekomen mierenhoop.

Drie millioen! Het geld bleef in Pierre’s ooren klinken. [240]Hij keek naar de gevels van het Vaticaan, die aan de andere zijde van het plein geheel verguld in de zon lagen, alsof hij door de muren heen Leo XIII wilde volgen, terwijl deze door de muren en de zalen naar zijn appartementen ging, waarvan hij de ramen in de hoogte onderscheiden kon. In zijn gedachten zag hij hem beladen met de drie millioenen, hoe hij ze met zich droeg in zijn magere, tegen zijn borst gedrukte armen, hoe hij met zich droeg het zilver, het goud, het bankpapier, tot aan de juweelen, die de vrouwen hem toegeworpen hadden, toe. Dan begon hij onbewust, hardop te spreken.

“En wat gaat hij met die millioenen doen? Waarheen gaat hij ermede?”

Narcisse en monsignor Nani konden bij het hooren van deze op die wijze geuite nieuwsgierigheid hun vroolijkheid niet bedwingen. En de jonge man antwoordde:

“Maar die neemt Zijne Heiligheid mee naar zijn kamer of liever hij laat ze voor zich uitdragen. Hebt u die twee personen uit zijn gevolg niet gezien, die alles opraapten, al hun zakken en hun handen vol hadden?… En nu heeft Zijne Heiligheid zich alleen opgesloten, iedereen weggestuurd, alle knippen op de deur gedaan … Als u achter die deur kon kijken, zoudt u zien hoe hij met gelukkige aandacht zijn schatten telt en hertelt, de goudstukken netjes opstapelt, het bankpapier in de couverten doet en dan alles op geheime plaatsen, die hij alleen kent, wegbergt.

Terwijl Narcisse sprak, had Pierre zijn blikken weer gericht naar de ramen van den paus, alsof hij het tooneel gevolgd had. De jonge man vertelde verder, zeide, dat er in de kamer tegen den rechtermuur een meubelstuk stond, waarin het geld bewaard werd. Sommigen vertelden ook van diepe laden in een schrijfbureau; anderen weer beweerden, dat het geld achter in het groote alkoof in met zware sloten voorziene koffers sliep. Links van de naar het Archief leidende gang was er wel een groot vertrek, waarin de hoofdkassier met een groote brandkast met drie afdeelingen huisde, maar daarin bevond zich het geld van het erfgoed van den Heiligen Petrus, de administratieve inkomsten uit Rome, terwijl het geld van de Pieterspenning, van de aalmoezen der geheele Christenheid, in de handen van Leo XIII bleef, die alleen het bedrag daarvan wist en alleen met die millioenen leefde, waarover hij de onbeperkte beschikking had en waarvan hij niemand rekenschap behoefde af te leggen. [241]Hij verliet dan ook zijn kamer niet, wanneer de bedienden haar kwamen doen. Nauwlijks liet hij zich overhalen even op den drempel te gaan staan, om het stof niet in te ademen. Wanneer hij zich voor enkele uren verwijderde, om in de tuinen te gaan wandelen, deed hij de deuren op het nachtslot en nam de sleutels mede, die hij nooit aan iemand toevertrouwde.

Narcisse hield op en wendde zich dan tot monsignor Nani.

“Dat zijn feiten, die geheel Rome kent, nietwaar monseigneur?”

De prelaat, die, zonder zijn goed- of afkeuring uit te spreken, glimlachend met zijn hoofd schudde, was weer begonnen op het gelaat van Pierre den indruk, dien deze verhalen op hem maakten, te volgen.

“Zeker, zeker, men zegt zooveel!… Ik voor mij weet het niet, maar als u het zegt, mijnheer Habert!”

“O!” antwoordde deze; “ik beschuldig Zijne Heiligheid niet zoo schraperig gierig te zijn, als het gerucht wel wil. Er gaan heele verhalen van met goud gevulde koffers, waarin hij uren lang zou zitten graaien—van schatten, die in hoeken opgehoopt zijn alleen voor het genot om ze te tellen en telkens weer te tellen … Maar wel kan men, geloof ik, met recht beweren, dat de Heilige Vader eenigszins van het geld houdt, dat hij het, als hij alleen is, prettig vindt het aan te raken en het te ordenen; een manie, welke bij een ouden man, die geen andere afleiding heeft, wel te verontschuldigen is … En ik haast mij eraan toe te voegen, dat hij van het geld nog meer houdt om de sociale kracht, die erin ligt, om den grooten steun, dien het aan het pausdom van morgen geven moet, als het overwinnen wil.”

Toen rees voor Pierre de hooge gestalte van den voorzichtigen en wijzen paus op, die zich de moderne behoeften besefte, geneigd was de machten der eeuw te gebruiken, om deze te veroveren, die zaken deed, ja zelfs in een financieele debacle den door Pius IX nagelaten schat bijna verloren had, en nu de bres trachtte te stoppen en den schat te herstellen, om hem grooter aan zijn opvolger na te laten. Spaarzaam, ja, maar spaarzaam voor de behoeften der Kerk, waarvan hij besefte, dat zij groot waren, iederen dag grooter werden, voor haar een levensquaestie waren, indien zij het atheïsme op het gebied van scholen, inrichtingen en allerlei vereenigingen bestrijden wilde. Zonder geld was zij niets meer dan een vazal, overgeleverd aan de genade der burgerlijke machten van het koninkrijk Italië en andere Katholieke [242]naties. Daardoor kwam het, dat hij, ondanks zijn liefdadigheidszin, ondanks het feit, dat hij rijkelijk nuttige werken steunde, welke den triomf van het Geloof konden verhaasten, een afschuw had van nuttelooze uitgaven en voor zich zelf en voor anderen uiterst spaarzaam was. Persoonlijke behoeften had hij niet. Van het begin van zijn pausschap af had hij zijn klein particulier vermogen geheel gescheiden van den grooten rijkdom van den Heiligen Stoel, had hij geweigerd iets daarvan af te nemen, om de zijnen te helpen. Nooit had een paus zoo weinig aan het nepotisme toegegeven; zijn drie neven en zijn twee nichten waren arm gebleven en verkeerden in groote financieele moeilijkheden. Hij luisterde noch naar praatjes, noch naar klachten, noch naar beschuldigingen; hij bleef doof en ontoegankelijk daarvoor, verdedigde energiek de millioenen van het pausdom tegen de vele hardnekkige begeerige lusten, tegen zijn omgeving en tegen zijn familie. Hij stelde er zijn trots in den toekomstigen pausen, het onoverwinlijke wapen, het leven gevend geld, na te laten.

“Maar waarin bestaan,” vroeg Pierre, “eigenlijk de inkomsten en de uitgaven van den Heiligen Stoel?”

Monsignor Nani haastte zich zijn ontwijkend gebaar te herhalen.

“O van die dingen weet ik absoluut niets … Wend u tot mijnheer Habert, die zoo goed op de hoogte is.”

“Lieve God,” begon deze; “ik weet wat iedereen in de ambassades weet en wat overal verteld wordt … Wat de inkomsten betreft, moet men wel een goed onderscheid maken … In de eerste plaats is er de door Pius IX nagelaten schat, een twintig millioen, die op verschillende wijzen belegd zijn en ongeveer een millioen rente geven; maar veel is, zooals ik reeds gezegd heb, in een krach verloren gegaan, doch, naar men beweert, weer teruggekomen ook. Bij de vaste inkomsten van dat kapitaal komen dan nog een paar honderdduizend francs, die door elkaar genomen de kanselarijrechten, de adellijke titels en de duizenden kleine belastingen, die aan de congregaties betaald worden, opleveren … Maar daar het budget der uitgaven zeven millioen bedraagt, moet men er jaarlijks zes millioen bij zien te krijgen, die de Pieterspenning ongetwijfeld verschaft heeft, niet alle zes misschien, maar drie of vier, waarmede men gespeculeerd heeft om ze te verdubbelen en de uitgaven te dekken … Het zou te lang duren, u de geschiedenis der speculaties van den Heiligen [243]Stoel in de laatste vijftien jaar te vertellen, de reusachtige winsten in den beginne, dan de catastrophe, die bijna alles medegesleept heeft, het hardnekkig blijven volhouden, waardoor de gaten ten slotte weer gestopt zijn. Ik zal het u later wel eens vertellen, als u er nieuwsgierig naar bent.”

Pierre luisterde zeer belangstellend.

“Zes millioen!” riep hij uit. “Of ook vier! Wat brengt dan de Pieterspenning op?”

“Ik heb u al gezegd, niemand heeft dat ooit precies geweten. Vroeger publiceerden de couranten lijsten, de cijfers van de giften, kon men tenminste een raming maken. Maar ongetwijfeld heeft men dat verkeerd gevonden, want er wordt geen enkel bericht meer gepubliceerd, zoodat het te eenenmale onmogelijk is zich een voorstelling te maken van wat de paus ontvangt. Hij alleen, ik zeg het u nogmaals, kent het totale bedrag, bewaart het geld en beschikt erover als onbeperkt heerscher. Aangenomen mag worden, dat in goede jaren de giften vier à vijf millioen opgebracht hebben. Frankrijk droeg in den beginne de helft van die som af, maar tegenwoordig geeft het beslist minder. Amerika geeft eveneens veel. Dan komen België en Oostenrijk, Engeland en Duitschland. Wat Spanje en Italië betreft … O, Italië …”

Glimlachend keek hij monsignor Nani aan, die, als was hij verrukt interessante dingen te hooren, waarvan hij niets wist, met zijn hoofd schudde.

“Ga voort, mijn waarde zoon!”

“O, Italië slaat geen schitterend figuur. Als de paus alleen moest leven van de Italiaansche giften, dan zou er gauw hongersnood heerschen op het Vaticaan. Men kan zelfs zeggen, dat de Romeinsche adel, verre van hem te helpen, hem veel gekost heeft, want een der voornaamste oorzaken van zijn verliezen is het geld geweest, dat door hem aan prinsen geleend is, die speculeeren wilden … Eigenlijk zijn Frankrijk en Engeland de eenige landen, waar rijke particulieren en de hooge adel den paus, gevangene en martelaar, koninklijke geschenken gegeven hebben. Men noemt den naam van een Engelschen hertog, die jaarlijks, om een gelofte, die hij gedaan had, ten einde van den hemel de genezing van een ongelukkigen idioten zoon te verkrijgen, te vervullen, een groote gift bracht … En nu spreek ik nog niet van den buitengewonen oogst tijdens het priester- en bisschopsjubileum, van de veertig millioen, die toen aan de voeten van Zijne Heiligheid neervielen.” [244]

“En de uitgaven?” vroeg Pierre.

“Dat heb ik u al gezegd, die bedragen ongeveer zeven millioen. Men kan twee millioen rekenen voor de pensioenen, welke aan de voormalige dienaren der pauselijke regeering betaald worden, die niet in Italiaanschen dienst wilden overgaan. Het spreekt vanzelf, dat dit bedrag jaarlijks vermindert door uitsterven … Laten we verder een millioen nemen voor de Italiaansche diocesen, een millioen voor de secretarie en de nuntii en een millioen voor het Vaticaan. Met dat laatste bedoel ik de uitgaven voor het pauselijke Hof, de militaire garde, de musea, het onderhoud van het paleis en van de Basilica … Dan hebben we dus vijf millioen. Stel de overblijvende twee op rekening van ondersteuning van goede werken, voor de Propaganda en vooral voor de scholen, die Leo XIII met zijn breed praktisch inzicht altijd zeer ruim subsidieert in de zeer juiste gedachte, dat de strijd en de triomf van het geloof voornamelijk bij de kinderen ligt, die de mannen van morgen zijn en hun moeder, de Kerk, zullen verdedigen, indien men hun afschuw voor de verfoeilijke leerstellingen der eeuw heeft weten in te boezemen.”

Er volgde een zwijgen. De drie mannen bleven onder de majestueuse zuilengang staan, waarin zij langzaam op en neer gewandeld hadden. Langzamerhand was het groote plein leeg geloopen, stonden nog slechts de obelisk en de twee fonteinen op het verlaten, in de zon brandende, symmetrische vierkant, terwijl tegen de kroonlijst van de zuilengaanderij aan de overzijde de standbeelden zich in edele, roerlooze rust afteekenden.

Een oogenblik meende Pierre, die zijn blikken nog steeds op de ramen van den paus gericht hield, nogmaals hem in dien stroom van goud te zien, waarvan men hem vertelde—meende hij te zien, hoe zijn witte en reine persoonlijkheid, zijn arm, mager, doorzichtig lichaam van was in die millioenen baadde, die hij verstopte, die hij telde, die hij alleen uitgaf tot Gods eere.

“Dus,” prevelde hij, “heeft hij geen zorgen, verkeert hij niet in geldverlegenheid?”

“In geldverlegenheid, in geldverlegenheid?” riep monsignor Nani uit, dien dat woord zoo buiten zichzelf bracht, dat hij zijn diplomatieke achterhoudendheid varen liet. “Maar, mijn waarde zoon!… Iedere maand, dat de rentmeester, kardinaal Mocenni, naar Zijne Heiligheid gaat, geeft de Heilige Vader hem de som, die hij vraagt, en hij zou ze [245]hem geven, ook al was zij nog zoo groot. Natuurlijk is hij zoo verstandig geweest een flinke reserve te maken; de schatkist van den Heiligen Petrus is rijker dan ooit … In geldverlegenheid! In geldverlegenheid! Lieve God! Maar weet u wel, dat, als morgen onverhoopt de paus een direct beroep moest doen op de liefde van zijn kinderen, de Katholieken der geheele wereld, een milliard voor zijn voeten neervallen zou juist zooals het goud en de juweelen, die daareven op de treden van den troon regenden?”

Doch zich dan weer kalmeerend en zijn vriendelijken glimlach terugkrijgend:

“Dat heb ik tenminste meermalen hooren zeggen, want ik persoonlijk weet niets, absoluut niets. Het is maar heel gelukkig, dat mijnheer Habert juist hier was, om u in te lichten … En ik dacht nog al, mijnheer Habert, dat u geheel en al in de kunst opging en u verre hieldt van al die vragen van aardsch belang! Waarachtig, u bent in die dingen even goed thuis als een bankier of een notaris … U weet letterlijk alles, ja zeker, alles! Het is wonderlijk!”

Narcisse voelde blijkbaar de fijne ironie, want inderdaad stak in hem onder den nagemaakten Florentijn, onder den engelachtigen jongen met zijn lange, gelokte haren, zijn lichtblauwe oogen, die voor de Botticelli’s wegzwijmelden, een praktische, in zaken zeer ervaren man, die zijn fortuin bewonderenswaardig, ja zelfs eenigszins gierig, beheerde. Hij sloot half zijn oogen, die een kwijnende uitdrukking aannamen.

“Ach,” prevelde hij, “dat alles zijn maar droomerijen; mijn ziel is elders.”

“Enfin, ik ben blij,” wendde monsignor zich tot Pierre, “heel blij, dat u van zoo’n mooi schouwspel getuige hebt kunnen zijn. Nog een paar dergelijke gelegenheden, en u zult zien en zelf begrijpen wat zeker heel wat beter is dan alle redeneeringen van de wereld … Tot morgen, en verzuim vooral de groote plechtigheid in de St. Pieter niet. Het zal prachtig zijn en u stof tot nadenken geven, daar ben ik zeker van … Doch nu moet ik u verlaten. Het verheugt mij inderdaad u in zoo’n goede stemming te zien.”

Zijn onderzoekende oogen schenen met een laatsten blik de moeheid en de onzekerheid, die zich op Pierre’s bleek gelaat afteekenden, met vreugde op te merken. Toen hij weg was en ook Narcisse met een zachten handdruk afscheid genomen had, voelde de jonge priester een toornige woede [246]in zich opkomen. De goede stemming, waarin hij was! Wat voor een goede stemming? Hoopte die Nani hem moe te maken, hem tot wanhoop te brengen, door hem telkens nieuwe hinderpalen in den weg te leggen, en hem ten slotte geheel te overwinnen? Voor de tweede maal kreeg hij het plotselinge gevoel, dat om hem heen allerlei heimelijke pogingen gedaan werden, om hem te omsingelen en te breken. Een opwellende trots deed hem minachtend op dat alles neerzien, vast als hij aan zijn weerstandskracht geloofde. Opnieuw legde hij voor zichzelf de plechtige gelofte af, om nooit toe te geven, nooit zijn boek terug te nemen, wat er ook gebeuren mocht. Wanneer men bij zijn besluit volhardt, is men onoverwinlijk, baatten noch ontmoedigingen noch verbittering!

Maar voor hij het plein overstak, richtte hij zijn blikken nog eenmaal naar de ramen van het Vaticaan, en alles was voor hem hierin samengevat: er bleef niets over dan dat geld, welks zwaar noodzakelijk gewicht de laatste band was, die den paus, thans bevrijd van de neerdrukkende zorgen van wereldlijke macht, nog aan de aarde bond; dit geld, dat hem verplichtingen gaf, dat vooral door de wijze, waarop het gegeven werd, slecht geworden was. Doch dan kwam, ondanks alles, weer een blijde stemming in hem op, toen hij bedacht, dat, wanneer daar alleen een begripsquaestie in lag, zijn droom van een zuiver geestelijken paus, die de wet der liefde, het geestelijke hoofd der wereld was, niet ernstig bedreigd werd. Hij wilde nog slechts hopen in de gelukkige ontroering over het buitengewone schouwspel, dat hij gezien had, dezen zwakken grijsaard, die straalde als het symbool van de menschelijke bevrijding, gehoorzaamd en aangebeden werd door de menigte, die alleen de moreele almacht in handen had, om eindelijk op aarde liefde en vrede te doen heerschen.

Gelukkig had Pierre voor de plechtigheid van den volgenden dag een rose kaart, die hem een plaats op de gereserveerde tribune gaf; want het gedrang bij de deuren der basilica was ontzettend van af zes uur ’s ochtends, het uur, waarop men zoo verstandig geweest was de hekken te openen, ofschoon de mis, die de paus persoonlijk lezen zou, eerst om tien uur beginnen moest. Het getal der drie duizend geloovigen, waaruit de internationale bedevaart van de [247]Pieterspenning bestond, werd door de uit alle hoeken van Italië naar Rome gestroomde touristen, die een van die in den laatsten tijd zoo weinig voorkomende pontificale plechtigheid gaarne wilden zien, vertienvoudigd, ongerekend nog de getrouwen van den Heiligen Stoel, die Rome-zelf en de overige groote steden van Italië telden en die zich haastten om hun trouw te manifesteeren, zoodra de gelegenheid zich daartoe aanbood. Naar het aantal afgegeven kaarten rekende men op een veertig duizend aanwezigen. Toen Pierre om negen uur het plein overging, om zich door de Via Santa Maria naar de Porta Canonica te begeven, waar de rose kaarten ingenomen werden, zag hij onder de zuilengaanderij nog de eindelooze queue, die zich langzaam voortbewoog, terwijl heeren in gekleede jas in de brandende zon op en neer vlogen, om met behulp van een detachement pauselijke gendarmen de orde te handhaven. Meermalen ontstonden er in de dichte menigte twisten, werden zelfs te midden van onwillekeurig gedrang vuistslagen gewisseld. Er heerschte een verstikkende hitte, twee vrouwen werden, half platgedrukt, weggedragen.

Toen Pierre de basilica binnenkwam, werd hij zelf onaangenaam getroffen. Het reusachtige schip was geheel bekleed. Overtrekken van oud rood damast met goudgalon waren om de vijf-en-twintig meter hooge zuilen en pilasters aangebracht, terwijl de omgang der zijbeuken met dezelfde stof gedrapeerd was. Het bedekken van dit prachtige marmer, van deze geheele schitterende decoratie onder deze oude, verbleekte zijde bewees waarlijk een buitengewonen smaak en maakte den indruk van een gekunstelden, armzaligen praal. Maar zijn verbazing werd nog grooter, toen hij zag, dat ook het bronzen beeld van den Heiligen Petrus als een levende paus met prachtige, pauselijke gewaden bekleed en de tiara op zijn metalen hoofd geplaatst was. Nooit had hij gedacht, dat men beelden kon aankleeden, om ze te eeren of een feest voor de oogen te doen zijn; het resultaat scheen hem dan ook zeer mager. De Heilige Vader zou de mis aan het pauselijk altaar der Confessie, het hoofdaltaar onder den dom, lezen. Bij den ingang van den linkerzijbeuk stond op een estrade de troon, waarop hij na de mis plaats zou nemen. Aan de beide kanten van het middenschip had men tribunes opgericht voor de zangers der Sixtijnsche kapel, het corps diplomatique, de Malthezer ridders, den Romeinschen adel en verdere genoodigden. In het midden voor het altaar stonden slechts [248]drie rijen roodbekleede banken, de eerste voor de kardinalen, de twee andere voor de bisschoppen en de prelaten van het pauselijk Hof. De overige aanwezigen moesten blijven staan.

O, deze reusachtige menigte als op een monsterconcert, die dertig-, veertigduizend van overal saamgestroomde geloovigen, die zich, opgezweept door nieuwsgierigheid, hartstocht en geloof, heen en weer bewogen, elkaar verdrongen, op hun teenen gingen staan om te midden van het luide gebruis van den menschelijken vloed te zien. Alles ging met God vertrouwelijk en vroolijk om, als bevond men zich in een goddelijken schouwburg, waar het veroorloofd was luid te spreken en zich in het schouwspel van vromen praal te vermeien. Pierre werd er in den beginne onaangenaam door verrast, hij, die slechts het zwijgende nederknielen in de donkere kathedralen kende, die niet gewend was aan dezen godsdienst van licht, welks schittering een religieuse plechtigheid in een openluchtfeest veranderde. In de tribune, waar hij zijn plaats gevonden had, was hij omringd door heeren in gekleede jas en dames in het zwart, die hun tooneelkijkers gebruikten, alsof zij in de Opéra waren. Er waren vooral veel vreemde dames, Duitsche, Engelsche, Amerikaansche, lieftallig als onbezonnen en luidruchtige vogeltjes. Links van zich zag hij in de tribune van den Romeinschen adel Benedetta en haar tante, donna Serafina; daar staken de groote kanten sluiers scherp af tegen den voorgeschreven eenvoud der toiletten en wedijverden in elegance en rijkdom. Aan zijn rechterhand stond de tribune der Malthezer ridders, waar de grootmeester der orde te midden van een groep commandeurs zat, terwijl hij in de tribune tegenover zich, die van het corps diplomatique, de gezanten van alle Katholieke naties in groot gala-costuum zag. Maar steeds keerde zijn blik weer terug naar de groote, onbestemde menigte, waarin de drie duizend pelgrims als verdronken tusschen de duizenden andere geloovigen.

En toch was de basilica, die makkelijk tachtig duizend menschen bevatten kon, nauwlijks half gevuld door deze menigte, die zich vrijelijk door de zijschepen bewegen en ophoopen kon tusschen de zuilen, vanwaar het schouwspel het makkelijkst te volgen zou zijn. Men zag menschen, die gebaren maakten, en uit het voortdurend geroezemoes der gesprekken steeg hier en daar geroep op. Door de hooge vensters vielen breede zonnestralen, kleurden de rooddamasten [249]overtrekken bloedrood en belichtten de opgewonden, van ongeduld koortsachtige gezichten als met den weerschijn van een brand. De kaarsen, de zeven-en-tachtig lampen der Confessie verbleekten in dit verblindend licht tot kleine nachtpitjes. Het was niets meer dan de wereldlijke pracht van den keizerlijken God der Romeinsche praal.

Plotseling ontstond er een valsch alarm. Kreten stegen op en plantten zich door de menigte voort: “Eccolo, eccolo!1 Nu ontstond er een gedrang; stroomen en tegenstroomen sleepten den menschelijken vloed als in een draaikolk mede; allen rekten hun halzen uit, maakten zich grooter, stormden weg als razenden, om Zijne Heiligheid en den stoet te zien. Doch het was nog slechts een afdeeling van de edelgarden, die zich rechts en links van het altaar gingen opstellen. Toch bewonderde men hen, men bracht hun een ovatie, een vleiend gemompel volgde hen om hun mooie houding, hun overdreven militaire stramheid. Een Amerikaansche beweerde, dat het prachtkerels waren. Een Romeinsche gaf aan een vriendin, een Engelsche, bijzonderheden over dit elitecorps en vertelde, dat vroeger de jongelui der aristocratie er een eer in stelden om er deel van uit te maken, om de mooie uniformen, waarmede zij bij de dames konden geuren; nu echter werd de aanwerving moeilijker, zoodat men zich tevreden stellen moest met knappe jongelui uit den twijfelachtigen en geruïneerden adel, die nog blij waren met de karige soldij, die hen in staat stelde te leven. Gedurende een kwartier werden die particuliere gesprekken nog voortgezet en vulden de hooge schepen met het geroezemoes van een ongeduldige zaal, die zich den tijd bekort met het opnemen van het publiek en elkaar, in afwachting van het schouwspel, nieuwtjes vertelt.

Eindelijk trok de stoet voorbij. Dat was de groote, lang verwachte bijzonderheid, de praal, waarnaar men zoo vurig verlangd had, om hem in het voorbijgaan toe te juichen. Evenals wanneer in den schouwburg de geliefde acteur in de groote rol van een jeune-premier, die de harten verovert, op het tooneel komt, zoo barstte ook hier een geestdriftige bijval los, die omhoog steeg en voortdreunde onder de gewelven. Ook verder had men, alweer evenals in een schouwburg, dit verschijnen handig en knap geregeld, opdat het te midden van het prachtige decor niets van zijn uitwerking [250]missen zou. De stoet had zich in de coulissen, in de Cappella della Pieta, de eerste kapel rechts bij het binnenkomen, gevormd; om die te bereiken, had de paus, die door de Cappella del Sagramento uit zijn dichtbij gelegen vertrekken gekomen was, achter de draperieën van het zijschip moeten gaan, die aldus als een soort achtergrond dienst deden. Daar wachtten hem de kardinalen, de aartsbisschoppen, de tot de hofhouding behoorende prelaten, reeds volgens de hiërarchie in klassen en groepen gerangschikt en gereed, om zich in beweging te zetten. Als op het signaal van een balletmeester trad de stoet binnen, ging naar het hoofdschip en doorliep dat triomphantelijk van de hoofddeur tot het altaar der Confessie, tusschen de dubbele rij geloovigen, wier toejuichingen bij het zien van zooveel pracht verdubbelden, naarmate het delireeren van hun geestdrift steeg.

Het was de feeststoet als van ouds, het kruis en het zwaard, de Zwitsersche garde in groot tenue, de lakeien in een scharlaken cimarra2, de eerekamerheeren in Henri II-dracht, de kanunniken in kanten koorhemden, de leiders der godsdienstige congregatie, de apostolische protonotarii, de aartsbisschoppen en bisschoppen, het geheele pauselijk hof in violette zijde, de kardinaals in purper en met de cappa magna, op groote afstanden plechtig twee aan twee loopend. Vervolgens kwamen, om Zijne Heiligheid geschaard, de officieren van het militaire Huis, de prelaten van de geheime antichambre, de majordomus, de kamerheer en alle hoogwaardigheidsbekleders van het Vaticaan, benevens de bij den troon assisteerende Romeinsche vorst, de traditioneele en symbolische verdediger der Kerk. Op de seda gestatoria, die de flabelli met hun hooge veeren waaiers beschermden en dragers in roode met zijde geborduurde tunica’s droegen, zat Zijne Heiligheid, gekleed in de heilige gewaden, die hij in de Cappella del Sagramento aangetrokken had, den amictus3, het miskleed, de stola, de witte, rijk met goud geborduurde kazuifel en mijter, twee buitengewoon prachtige geschenken uit Frankrijk. Bij zijn nadering gingen alle handen de hoogte in en klapten nog luider in de golven van de felle zon, die door de ramen vielen.

Pierre kreeg toen een geheel nieuwen indruk van Leo XIII. Het was niet meer de vertrouwelijke, moede en nieuwsgierige [251]grijsaard, die aan den arm van een praatzieken prelaat in den mooisten tuin der wereld wandelde. Het was zelfs niet meer de Heilige Vader in den rooden mantel en met de pauselijke muts, die vaderlijk een bedevaart ontving, welke hem een vermogen bracht. Het was de souvereine Pontifex, de almachtige Meester, de God, dien de Christenheid vereerde. Als in een reliquieënkastje zat hij daar. Zijn mager, wasachtig lichaam scheen in het witte, zwaar met goud geborduurde gewaad geheel stijf geworden te zijn; hij bewaarde een hiëratische en trotsche onbeweeglijkheid als een afgodsbeeld, dat in den loop der eeuwen door den rook der offeranden uitgedroogd en bruin geworden is. De oogen alleen leefden in de doode strakheid van het gezicht—oogen als een paar zwarte, fonkelende diamanten, die in de verte, ver van de aarde, in het oneindige staarden. Hij had geen blik voor de menigte, sloeg zijn oogen noch naar links noch naar rechts, als was hij in den hemel en wist hij niet, wat er aan zijn voeten gebeurde. En dat afgodsbeeld, dat ondanks het schitteren der oogen als gebalsemd, doof en blind scheen, dat door deze razende menigte gedragen werd, die het niet scheen te zien of te hooren, nam een angstaanjagende majesteit, een vrees inboezemende grootheid, de starheid van het dogma, de onbeweeglijkheid der traditie aan. Men had het opgegraven met al zijn windselen, die het nog samen en staande hielden. Toch meende Pierre op te merken, dat de paus lijdend en moe was, zeker had hij een van die koortsaanvallen, waarover monsignor Nani hem den vorigen dag gesproken had, toen hij den moed, de groote ziel van dezen vier-en-tachtigjarigen grijsaard verheerlijkte, dien slechts de wil om te leven in de hoogheid van zijn zending leven deed.

De plechtigheid begon. Nadat Zijne Heiligheid voor het altaar der Confessie uit de seda gestatoria gestapt was, celebreerde hij, bijgestaan door vier prelaten en den propraefect der ceremoniën, een stille mis. Bij het Lavabo4 sprenkelden de majordomus en de kamerheer, begeleid door twee kardinalen, het water over de verheven handen van den officiant, terwijl even voor de elevatie5 alle prelaten van het pauselijk Hof met een brandende kaars in de hand [252]voor het altaar gingen knielen. Het was een plechtig oogenblik, de veertig duizend daar verzamelde getrouwen huiverden en voelden den vreeselijken en toch heerlijken wind uit het onzienlijke over zich strijken, toen gedurende de elevatie zilveren klaroenen het beroemde engelenkoor aanhieven, waarbij steeds weer vrouwen in onmacht vielen. Bijna onmiddellijk daarop klonk uit den dom, uit de bovengalerij, waar honderdtwintig koorzangers verborgen waren, een aetherisch-fijne zang: het was een wonder, een verrukking, alsof de engelen zelf geantwoord hadden op de klaroenen.

De stemmen daalden en vlogen licht als hemelsche harptonen onder het gewelf; dan verdwenen zij in een zacht accoord, stegen zij op naar den hemel met een zacht vleugelgeklap, dat langzaam wegstierf. Na de mis hief Zijne Heiligheid zelf, nog steeds op het altaar staande, het Te Deum aan, dat de jongeren der Sixtijnsche kapel en de koren herhaalden, beurtelings een vers zingend. Maar weldra vielen alle aanwezigen in, de veertig duizend stemmen verhieven zich in juichenden lofzang, verbreidden zich met een onvergelijkelijke volheid in het onmetelijke schip. Thans was het schouwspel buitengewoon prachtig: het door den met bloemen versierden, vergulden baldakijn van Bernini omgeven altaar, omringd door het pauselijke Hof, waartusschen de brandende kaarsen als sterren flikkerden; in het midden de paus, schitterend als een zon in zijn gouden kazuifel, daarvoor de banken der kardinalen in purper, der aartsbisschoppen en bisschoppen in violette zijde, de tribunes, waarop de galakostuums, de ridderkruisen van het corps diplomatique, de uniformen schitterden; die van overal samenstroomende menigte, die zee van hoofden, welke van uit de verste diepten der basilica opdeinde.

En ook de reusachtige afmetingen van dit alles maakten indruk, de zijschepen, waar een geheele parochie zich verzamelen kon, de dwarsbeuken, groot als kerken in een volkrijke stad, een tempel, dien duizenden en duizenden geloovigen nauwlijks vulden. Zelfs de lofzang van dit volk werd iets geweldigs en steeg als een stormvlaag op tusschen de groote graftomben, de bovenmenschelijke standbeelden, langs de reusachtige zuilen tot den onmetelijken steenen hemel van het gewelf, tot het firmament van den koepel, waar het oneindige zich in den goudglans der mozaïeken opende.

Na het Te Deum, terwijl Leo XIII in plaats van den mijter de tiara opzette, den kazuifel voor den pauselijken koormantel [253]verwisselde en zijn troon op de bij den ingang van de linkerdwarsbeuk geplaatste estrade besteeg, ontstond er een langdurig lawaai. Van af dezen troon overzag en beheerschte hij de geheele menigte, die door een huivering doorsidderd werd, als streek een ademtocht uit het onzienlijke over haar heen, toen hij na de gebeden van het rituaal opstond. Hij scheen grooter geworden onder de drievoudige-symbolische kroon, in zijn met goud omzoomden mantel. Te midden van een plotselinge, diepe stilte, die alleen verstoord werd door het kloppen der harten, hief hij met een zeer edel gebaar zijn arm op en gaf langzaam den pauselijken zegen met een luide en vaste stem, die de stem van God zelf scheen te zijn, zóó verrassend klonk zij van deze waslippen, uit dit bloed- en levenlooze lichaam. De uitwerking was verpletterend; en toen de stoet zich opnieuw vormde, om denzelfden weg terug te gaan als hij gekomen was, barstten de toejuichingen opnieuw los. De razernij van den geestdrift had zulk een paroxysme bereikt, dat het klappen in de handen niet meer voldoende was, doch zich toejuichingen en kreten daaronder mengden, die zich langzamerhand over de geheele menigte verbreidden. Het begon in een vurig-geestdriftigen groep bij het standbeeld van den Heiligen Petrus: “Evviva il papa re! Evviva il papa re!6 Dan volgde het den geheelen stoet als een lekkende vlam, die allengs de harten in brand stak en eindelijk uit duizenden monden knetterde als een donderend protest tegen de overweldiging der Kerkelijke Staten. Het geheele geloof, de geheele liefde der geloovigen werd door het koninklijke schouwspel van een zoo mooie ceremonie overprikkeld en keerde terug tot den droom, tot het hartstochtelijk verlangen naar een paus, die koning en pontifex was, meester der lichamen, zoowel als der zielen, onbeperkt heerscher van de wereld. Daarin lag de eenige waarheid, het eenige geluk, het eenige heil. Alles moest hem gegeven worden, de menschheid en de wereld! Evviva il papa re! Evviva il papa re!

O, deze kreet, deze krijgskreet, die zooveel fouten had doen begaan en zooveel bloed had doen stroomen, die kreet van overgave en verblinding, die, als hij werkelijkheid geworden was, de tijden van lijden teruggebracht zou hebben! Hij wekte verzet in Pierre, deed hem besluiten vlug de tribune te verlaten, om aan de besmetting van die afgoderij te ontkomen. [254]Terwijl de stoet nog door de kerk trok, trachtte hij zich een weg te banen door den linkerzijbeuk in het gedrang en lawaai der menigte; daar hij er echter aan wanhoopte op die wijze de straat te bereiken en het woeste dringen bij den uitgang vermijden wilde, kwam hij op de gedachte van een openstaande zijdeur gebruik te maken en vluchtte hij in de vestibule, vanwaar een trap naar den dom leidde. Een sacristijn, die bij de trap stond en in verrukking was over de schitterende manifestatie, keek hem een oogenblik aan en wist niet of hij hem tegenhouden moest of niet, maar het zien van de soutane en de opwinding, waarin hij verkeerde, deed hem besluiten hem maar door te laten. Met een gebaar liet hij Pierre passeeren, die vlug de trap opliep, om steeds hooger, steeds hooger te vluchten, naar den vrede en naar de stilte.

En plotseling werd het geheel stil; de muren verstikten dien kreet, die nu nog slechts in hem scheen te beven. Het was een makkelijke en lichte trap met breede treden, die in een soort toren uitliepen. Toen hij op het dak der schepen kwam, voelde hij het als een verlichting weer de heldere zon, de zuivere, frissche lucht, die daar als in het vrije veld woei, terug te vinden. Verwonderd dwaalden zijn blikken over deze reusachtige ontplooiing van lood, zink en steen, een geheele luchtstad, die hier onder den blauwen hemel een eigen leven leidde. Hij zag er dommen, klokketorens, terrassen, ja zelfs huizen en tuinen, de met bloemen opgevroolijkte huizen van enkele werklieden, die in verband met de voortdurende herstellingswerken op de basilica wonen. Een kleine bevolking leeft, werkt, eet en slaapt daar, heeft daar lief.

Hij liep naar de borstwering, om de reusachtige standbeelden van den Heiland en van de Apostelen boven op den gevel van nabij te kunnen zien—gigantische beelden van zes meter hoog, die steeds hersteld moeten worden en waarvan de door de buitenlucht half verweerde armen, beenen en hoofden slechts samengehouden worden door cement, stangen en klampen. Toen hij zich vooroverboog, om een blik te werpen op de roodachtige opeenhooping der daken van het Vaticaan, kwam het hem voor, alsof de kreet, waarvoor hij vluchtte, van het plein naar hem oprees. Vlug klom hij verder naar boven tot den koepel. Tusschen de twee wanden van den dubbelen koepel, den binnensten en den buitensten, liep eerst een trap; dan kwamen nauwe, [255]schuinsche gangen, hellende vlakken met enkele treden. Eenmaal deed hij uit nieuwsgierigheid een deur open, waardoor hij weer in de basilica terugkwam, doch nu een zestig meter boven den beganen grond, in een smalle galerij, die om den dom liep, juist boven de fries, waarop men in zeven voet hooge letters las: “Tu es Petrus et super hanc petram …7

En toen hij op zijn elleboog leunde, om naar het vreeselijke gat onder zich met het diepe uitzicht op de dwarsbeuken en de zijschepen te kijken, sloeg hem weer die kreet in zijn gelaat, de razende kreet der daar beneden wriemelende en wemelende menigte. Iets hooger opende hij opnieuw een deur, en thans vond hij een tweede galerij, ditmaal boven de ramen, bij het begin der schitterende mozaïeken; van daar uit scheen de menigte hem kleiner, verder verwijderd, als verloren in den duizelingwekkenden afgrond, waarin de reusachtige beelden, het altaar der Confessie en de triomphantelijke baldakijn van Bernini niet meer dan stukjes speelgoed geleken; en toch steeg de kreet op, dezelfde krijgs- en aanbiddingskreet en striemde zijn gezicht met de woede van een orkaan, die in zijn voortstormende vaart nog heftiger wordt. Hij moest nog hooger stijgen, tot aan de buitenste galerij van de traplantaarn om hem niet meer te hooren.

Welk een heerlijke verlichting was in den beginne dat bad van licht en zon voor hem! Boven zich had hij niets meer dan den verguld-bronzen kogel, waarin, zooals pralende opschriften in de gangen verkondigen, keizers en koningen opgestegen zijn—de holle kogel, waarin de stem als de donder echoot, waarin ieder geluid van de ruimte weerkaatst. Hij was aan den kant der apsis naar buiten gegaan en zag nu eerst de pauselijke tuinen, welker boomgroepen hem van uit deze hoogten laag bij den grond staande struiken toeschenen; hij dacht aan zijn wandeling van enkele dagen geleden, aan het groote grasperk, dat aan een Smyrnaasch verkleurd tapijt denken deed, aan het donkergroene, als een stilstaande poel ondoorzichtige kreupelhout, aan de met zorg onderhouden moestuin en wijngaard. De fonteinen, de toren van de Sterrenwacht, het Casino, waarin de paus de warme zomerdagen doorbracht, vormden slechts kleine, witte plekken [256]te midden van deze onregelmatige, door den muur van Leo IV ingesloten terreinen.

Dan ging hij door een nauwe gang om de traplantaarn heen en bevond hij zich plotseling tegenover Rome, dat zijn geheele ontzaglijke grootte voor hem ontrolde: in het Westen de verre zee, in het Oosten en Zuiden de onafgebroken bergketenen, de Campagna romana, die als een eentonige, groenachtige woestijn den geheelen horizont beheerschte, en aan zijn voeten de Stad, de Eeuwige stad. Nooit had hij een zoo majestueusen indruk van uitgestrektheid gekregen. Daar lag Rome in vogelvlucht voor hem, duidelijk als een geographisch reliefplan. Een dergelijk verleden, een dergelijke geschiedenis, zooveel grootschheid—en dan dit door de verte zoo verkleinde Rome, lilliputterachtige en als speelgoed zoo aardige huisjes, nauwlijks een schimmelvlek op de wijde aarde. Vooral voelde hij zich echter gelukkig, dat hij nu met één oogopslag de indeeling der stad zag, daar beneden de oude stad met het Capitool, het Forum, den Palatinus, de pauselijke stad in den Borgo, en de St. Pieter en het Vaticaan, die op de moderne stad keken, het Italiaansche Quirinaal boven de Middeleeuwsche stad, samengedrongen in den rechterhoek, dien de Tiber vormde. Een ding viel hem in het bijzonder op, n.l. de krijtachtige gordel, dien de nieuwe wijken om den centralen kern van de oude, roodachtige, door de zon verbrande stadsdeelen vormde, een waar symbool van een poging tot verjonging: in het oude hart gaan de herstellingen slechts langzaam, terwijl de uitwendige deelen zich als door een wonder hernieuwden.

Maar in de heete middagzon kwam Rome Pierre niet zoo licht en rein voor als op den ochtend van zijn aankomst in den lieflijken, zachten zonsopgang. Het was niet meer het glimlachende, bescheiden Rome, half omsluierd door een gouden nevel en als weggezonken in een kinderdroom. Nu in dit felle licht had het een onbeweeglijke hardheid, een doodelijke stilte. De achtergrond werd als door een te sterke vlam verteerd, door een vurig stof overstroomd, waarin het scheen te verdwijnen. De geheele stad teekende zich in groote massa’s licht en schaduw met plotselinge overgangen tegen deze verkleurde verten af.

Men zou het voor een zeer oude, verlaten steengroeve hebben kunnen houden, waarin de zonnestralen loodrecht neervielen en waarin hier en daar een boomeneilandje een donkergroene vlek vormde. Van de oude stad zag men den [257]rossigen toren van het Capitool, de zwarte cypressen van den Palatinus, de ruïnes van het paleis van Septimius Severus, die op een geraamte van een door den zondvloed aangespoeld fossiel denken deden. Daartegenover troonde de moderne stad met de lange, gerestaureerde gebouwen van het Quirinaal, waarvan de fel-gele kleur tusschen de krachtige toppen van den tuin heen schemerde; aan gene zijde, op de hoogten van den Viminalis, lagen rechts en links de als gips zoo witte nieuwe wijken, een stad van krijt, waarin de vensters als het ware kleine inktstrepen vormden.

Dan lagen hier en daar de Pincio als een slapende poel, de Villa Medicis met haar dubbelen campanile, de oudroestkleurige Engelenburg, de als een kaars brandende klokkentoren der Santa Maria Maggiore, de drie onder de boomtakken sluimerende kerken van den Aventinus, de palazzo Farnese met zijn door de zomerzon verbrande, oudgouden pannen, de koepels van de Il Gesù, van de Santo Andrea della Valle, van de Santo Giovanni de Fiorentini en steeds weer met koepels en nog eens koepels, alle witgloeiend en als gesmolten in den vurigen oven van den hemel. Toen voelde Pierre zijn hart weer samenkrimpen bij het zien van dit heftige, harde, zoo weinig op het Rome van zijn droom gelijkende Rome, het Rome der verjonging en der hoop, dat hij den ochtend van zijn aankomst geloofd had te vinden, maar dat nu verdween, om plaats te maken voor de onveranderlijke, tot in haar dood hardnekkig dezelfde blijvende stad van trots en heerschzucht.

Plotseling begreep Pierre, alleen daar in de hoogte, alles. Het was alsof een lichtstraal hem daar in de vrije, grenzenlooze ruimte trof. Kwam het door de plechtigheid, die hij bijgewoond had, door den fanatieken kreet der slavernij, die nog steeds in zijn ooren gonsde? Of was het niet eerder de aanblik van deze stad, welke daar aan zijn voeten lag als een gebalsemde koningin, die nog steeds uit het stof van haar graf regeert? Hij zou het niet kunnen zeggen: ongetwijfeld deden beide oorzaken haar invloed op hem gelden. Maar hij zag alles duidelijk, hij voelde, dat het Katholicisme niet zou kunnen bestaan zonder wereldlijke macht, dat het den dag, waarop het geen koning meer zijn zou, onvermijdelijk geheel verdwijnen zou.

Het atavisme droeg daarvan in het bijzonder de schuld, de macht der Geschiedenis, de lange reeks opvolgers der Caesars, de pausen, de pontifices, in wier aderen het bloed [258]van den de wereldheerschappij eischenden Augustus steeds was blijven stroomen. Zij mochten thans in het Vaticaan wonen; dat nam niet weg, dat zij uit de keizerlijke paleizen van den Palatinus kwamen, uit het paleis van Septimius Severus; hun politiek had in den loop van zooveel eeuwen niets anders nagestreefd dan den droom van de Romeinsche overheersching: alle volkeren overwonnen, onderworpen, gehoorzamend aan Rome. Zonder dit wereldrijk, zonder dit volkomen bezit van lichamen en zielen verloor het Katholicisme zijn reden van bestaan, want de Kerk kon het bestaan van een keizer- of koninkrijk slechts om een politieke reden erkennen, daar de keizer of de koning slechts eenvoudige, tijdelijke gevolmachtigden zijn, die tot taak hebben de volkeren te besturen, tot zij ze haar weer teruggeven. Alle natiën, de menschheid met de geheele aarde, behooren aan de Kerk, die ze van God gekregen heeft.

Wanneer zij haar niet altijd in werkelijk bezit heeft, dan vindt dit zijn reden daarin, dat zij heeft moeten wijken voor geweld, verplicht is de faits accomplis te aanvaarden, maar onder het formeele voorbehoud, dat het een strafbare usurpatie is, dat men haar haar goed onrechtmatig onthoudt; zij doet het in de verwachting van de verwezenlijking der beloften van Christus, die haar op den daarvoor bestemden dag voor eeuwig de wereld en de menschen, de almacht teruggeven zal. Dat is de ware toekomststad, het Katholieke, voor de tweede maal heerschende Rome. Rome behoort tot den droom, aan Rome is dan ook de eeuwigheid voorspeld; de bodem zelf van Rome heeft aan het Katholicisme den onleschbaren dorst naar onbeperkte macht gegeven. Daarom was dan ook het lot van het pausdom met dat van Rome zoo nauw verbonden, dat een paus buiten Rome niet meer een Katholieke paus zijn zou. En plotseling voelde Pierre, terwijl hij daar tegen de dunne ijzeren borstwering stond te leunen, zoo hoog verheven boven den afgrond, waarin de donkere, harde stad zich in de brandende zon verbrokkelde, hoe een groote rilling door zijn beenderen huiverde.

Eén ding stond nu onomstootelijk vast. Dat Pius IX, dat Leo XIII besloten hadden zich in het Vaticaan op te sluiten, vond slechts hierin zijn oorzaak, dat zij aan Rome gebonden waren. Het staat een paus niet vrij het te verlaten, elders het hoofd der Kerk te zijn. Evenmin zou een paus, welk een goed inzicht hij ook in de moderne maatschappij mocht hebben, het recht hebben afstand te doen van de wereldlijke [259]macht. Het is een onvervreemdbaar erfdeel, dat hij verdedigen moet; het is bovendien een levensquaestie, waarover verder niet te discussieeren valt. Daarom heeft Leo XIII dan ook den titel van heer van het wereldlijk gebied der Kerk behouden, te meer daar hij als kardinaal, evenals de andere leden van het Heilig College, bij hun verkiezing in zijn eed gezworen had die heerschappij ongeschonden te bewaren. Mocht Italië nog een eeuw lang Rome als hoofdstad behouden, een eeuw lang zal de eene paus op den anderen volgen, niet ophouden te protesteeren, niet ophouden hun koninkrijk op te eischen. Zelfs wanneer er op een dag een overeenstemming tot stand mocht komen, dan zou die ongetwijfeld gebaseerd moeten zijn op het afstaan van een stuk grond.

Had men, toen er verzoeningsgeruchten liepen, niet gezegd, dat de regeerende paus als besliste voorwaarde minstens het bezit der Leostad met de neutraliteitsverklaring van een naar zee loopenden weg stelde? Heelemaal niets is niet genoeg, men kan niet van niets uitgaan, om ten slotte alles te hebben. Maar de Leostad, dat kleine hoekje, is reeds een stukje koninklijke aarde; men behoeft het overige dan nog slechts te veroveren, eerst Rome, dan Italië, vervolgens de aangrenzende naties, eindelijk de wereld. Nooit heeft de Kerk gewanhoopt, zelfs niet op oogenblikken, dat zij, verslagen en geplunderd, stervende scheen. Nooit zal zij afstand doen; nooit zal zij afzien van de beloften van Christus, want zij gelooft aan haar onbegrensde toekomst, zij beschouwt zich onverwoestbaar, eeuwig. Men geve haar den kiezelsteen, waarop zij haar hoofd neerleggen kan—en zij hoopt reeds weldra het veld terug te zullen hebben, waarop die kiezelsteen ligt, het rijk, waarin zich dat veld bevindt. Als een paus het erfdeel niet terug kan krijgen, dan zal een tweede paus, zullen tien, twintig andere pausen zich daartoe aangorden. De eeuwen tellen niet meer. Deze gedachte was het, die een vier-en-tachtigjarigen grijsaard ertoe bracht ontzaglijke werken te ondernemen, die verscheidene menschenlevens vereischten, zeker als hij was, dat opvolgers komen zouden en het werk ondanks alles voortgezet en beëindigd zou worden.

En Pierre kwam zich tegenover die oude stad van roem en heerschersmacht, welke haar purper hardnekkig vasthield, met zijn droom van een zuiver geestelijken paus belachelijk voor. Het scheen hem zoo misplaatst toe, dat hij er een soort schaamtevolle wanhoop over voelde. Een Romeinsch prelaat zou zeker niets voelen kunnen voor den nieuwen Evangelischen [260]paus, die een zuiver geestelijke, alleen over zielen heerschende paus zou moeten zijn. Bij de herinnering aan dat in ritus, trots en gezag verstarde, pauselijke Hof werd hij zich den afschuw, den bijna om zoo te zeggen lichamelijken afkeer daarvan bewust. O, hoe verbaasd en minachtend zouden zij neerzien op deze wonderlijke phantasie van het Noorden: een paus zonder grondgebied en zonder onderdanen, zonder militair Huis en koninklijke eerbewijzen, zuiver geest, zuiver moreele autoriteit, opgesloten in zijn tempel, de wereld slechts regeerend door zijn zegenend gebaar, door liefde en goedheid! Dat was voor dezen Latijnschen clerus, priesters van het licht en van de praal, slechts een Gotisch, door nevels omsluierd phantasiebeeld. Zeker, zij waren wel vroom, deze priesters, bijgeloovig zelfs, maar zij lieten God goed beschermd in den tabernakel achter, om in Zijn naam te heerschen voor het heil der hemelsche belangen, van dat oogenblik af natuurlijk allerlei listen gebruikend, in den strijd van menschelijke begeerten en eerzucht tot alle middelen hun toevlucht nemend, met zachte diplomatenstappen de aardsche, definitieve overwinning van Christus tegemoet schrijdend, die eenmaal in den persoon van den paus over de volkeren heerschen zou.

Maar welk een verbijsterende schrik moest dat voor een Franschen prelaat zijn, voor een monseigneur Bergerot, dien heiligen bisschop van verzaking en naastenliefde, wanneer hij in die wereld van het Vaticaan terecht kwam! Hoe moeilijk moest het hem vallen om dit alles te begrijpen, zich in dat alles in te denken—hoe pijnlijk moest hij de onmogelijkheid voelen één te zijn met deze vaderlandsloozen, deze internationalen, die steeds over de kaart der beide werelddeelen gebogen, steeds verdiept in berekeningen waren, welke hun de macht verzekeren moesten. Daarvoor waren dagen en dagen noodig, moest men te Rome leven; hij zelf had het eerst na een verblijf van een maand begrepen onder de heftige crisis, die het aanschouwen der koninklijke praal in de St. Pieter in hem teweeggebracht had, eerst bij het zien der oude stad, die daar in de zon haar zwaren slaap sluimerde, haar eeuwigheidsdroom droomde.

Maar zijn blik viel op het plein voor de basilica en hij zag daar den menschenstroom, de veertig duizend geloovigen, naar buiten komen, die zich als een zwart gewriemel van insecten op het witte plaveisel voortbewogen. Toen scheen het, dat opnieuw de kreet: “Evviva il papa re! Evviva il [261]papa re!” opsteeg. Toen hij even te voren de eindelooze trappen opklom, was het hem voorgekomen, alsof de steenen kolos in dezen waanzinnigen kreet, die onder zijn gewelven uitgestooten werd, gebeefd had. En thans, nu hij tot bijna in de wolken gestegen was, meende hij hem daar ook in de enge ruimte weer terug te vinden. Was dat voortdurende beven van den kolos onder hem niet het laatste opschieten van het sap langs zijn oude muren, een hernieuwing van het Katholieke bloed, dat hem eens zoo mateloos groot tot koning van alle tempels geschapen had en dat thans trachtte in het uur, dat de dood voor zijn te groote en verlaten schepen kwam, hem een krachtigen levensadem te geven?

De menigte kwam nog steeds naar buiten en overstroomde het plein; een groote droefheid snoerde zijn keel dicht, want met haar roep had zij zijn laatste hoop weggevaagd. Den vorigen dag, na de ontvangst der bedevaart, in de Sala dei Beneficazione had hij zich nog aan een illusie over kunnen geven, door de noodzakelijkheid van het geld, dat de paus aan de aarde vasthoudt, te vergeten en in hem slechts den zwakken grijsaard, geheel ziel, stralend als het symbool van moreel gezag te zien. Maar nu was het uit met zijn geloof in dezen van alle aardsche goederen bevrijden herder van het Evangelie, die slechts koning zijn moest van het koninkrijk der Hemelen. Niet alleen het geld van den St. Pieterspenning legde Leo XIII een harde slavernij op; neen, hij was bovendien de gevangene der traditie, de eeuwige koning van Rome, die aan dezen grond vastgeklonken werd, de stad niet kon verlaten, noch afstand doen van het wereldlijk gezag.

En het einde daarvan was de dood ter plaatse, de instorting van den dom van de St. Pieter, zooals de tempel van Juppiter Capitolinus ingestort was; op de ruïnes van het Katholicisme zou het gras groeien, terwijl elders het schisma schitteren zou als een nieuw geloof van de nieuwe volkeren. Het grootsche en tragische visioen rees voor hem op: hij zag zijn droom verwoest, zijn boek medegesleept in den kreet, die zich uitbreidde, als wilde hij naar de vier hoeken der Katholieke wereld vliegen: “Evviva il papa re! Evviva il papa re!” En onder zich meende hij reeds te voelen, hoe de reus van marmer en goud bij het instorten der oude verrotte maatschappij beefde.

Eindelijk ging Pierre naar beneden en tot zijn groote verbazing vond hij monsignor Nani, op de daken der schepen, [262]in die bezonde uitgestrektheid, welke zoo groot was, dat men er een stad zou kunnen plaatsen. De prelaat was in gezelschap van de beide Fransche dames, moeder en dochter, aan wie hij ongetwijfeld aangeboden had met haar naar boven te gaan. Maar zoodra hij den jongen priester herkende, sprak hij hem aan:

“Welnu, mijn waarde zoon, zijt ge tevreden? Heeft het geen grooten indruk op u gemaakt, heeft het u niet gesticht?”

Met zijn onderzoekende blikken las hij tot in zijn ziel en zag hoe het met de proef stond. Dan begon hij, voldaan, te glimlachen.

“Ja, ja, ik zie het al … Kom, ge zijt toch ten slotte een verstandige jongen. Ik begin werkelijk te gelooven, dat uw ongelukkige zaak hier een zeer goed einde nemen zal.” [263]


1 Daar is hij, daar is hij! 

2 Lang kleed. 

3 Een soort schouderbedekking. 

4 Gedeelte van de mis, waarin de priester zijn handen wascht en een psalm, aanvangende met dat woord, aanheft. 

5 De opheffing der hostie. 

6 Leve de paus-koning! 

7 “Gij zijt Petrus (de steen) en op dezen steen zal ik mijn kerk bouwen.” 

[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK

Pierre had de gewoonte aangenomen de ochtenden, dat hij in den palazzo Boccanera bleef, uren door te brengen in den kleinen, verwaarloosden tuin, die vroeger in een soort loggia met zuilengaanderij eindigde, van waar men met een dubbele trap bij den Tiber kwam. Tegenwoordig was het daar een verrukkelijk, eenzaam hoekje, waarin het heerlijk rook naar de rijpe vruchten van de eeuwenoude oranjeappelboomen, welker symmetrische rijen alleen nog de reeds lang onder het onkruid verdwenen voetpaden aangaven. En hij vond er ook den geur der taxisboomen terug, die in het oude, door puin opgevulde middelste bekken opgeschoten waren.

Op die heldere, zoo heerlijk-zachte Octoberochtenden kon men zich hier geheel geven aan een eindelooze levensvreugde. Maar de priester bracht er zijn Noordelijk gepeins mede, zijn kommer om het lijden, zijn voortdurend door naastenliefde gekwelde ziel, die de liefkoozing van het heldere zonlicht in deze wellustige atmospheer voor hem nog zachter maakte. Hij ging gewoonlijk tegen den achtermuur op een stuk van een omgevallen zuil in de donkere, frissche schaduw van een grooten laurierboom zitten. Naast hem liet in de oude, verweerde sarcophaag, waarop wellustige faunen vrouwen schoffeerden, het dunne waterstraaltje, dat uit het in den muur gemetselde tragische masker viel, voortdurend zijn kristalheldere muziek weerklinken. Hij las daar de couranten, zijn brieven, een uitgebreide correspondentie met den goeden abbé Rose, die hem op de hoogte hield van zijn werk, van de ongelukkigen in het sombere, reeds door nevels kille en onder de modder liggende Parijs. O, hoe onbegrijpelijk klonken die berichten over de ellenden van het koude land, over de ellende van de moeders en van de kleinen, die [264]weldra zouden rillen op hun slecht afgesloten dakkamertjes, van de mannen, die straks door de strenge vorst zonder werk zijn zouden, over dien doodsstrijd onder de sneeuw van al die arme menschen, hoe onbegrijpelijk klonken zij in deze warme, met heerlijke vruchtengeuren bezwangerde lucht, in dit land van den blauwen hemel en het dolce far niente, waar men zelfs ’s winters, beschut voor den wind, zoo lekker op de warme steenen slapen kon!

Maar op een ochtend vond Pierre Benedetta op het als bank dienende stuk zuil zitten. Zij gaf een gilletje van verbazing en was een oogenblik verlegen, want zij had toevallig het boek van den priester in haar hand. Het Nieuwe Rome, dat zij reeds eenmaal gelezen had, zonder het echter geheel te begrijpen. Dan echter wilde zij, dat hij naast haar kwam zitten, en vertelde hem met haar gewone openhartigheid, dat zij naar den tuin gekomen was, om alleen te zijn en als een onwetende leerling zijn boek te bestudeeren. Zij praatten als vrienden; het was voor Pierre een heerlijk uurtje.

Hoewel zij het vermeed over zichzelf te praten, voelde hij toch, dat haar verdriet haar nader tot hem bracht, als had het lijden haar hart grooter gemaakt, zoodat zij zich nu het lot van allen, die leden, aantrok. In haar patriciërstrots, die de hiërarchie als een goddelijke wet beschouwde, had zij nooit aan die dingen gedacht. De gelukkigen waren boven, de ongelukkigen beneden, zonder dat eenige verandering daarin mogelijk was. En met welk een verbazing had zij bij sommige bladzijden gevoeld, welk een moeite het haar kostte zich erin te denken! Wat? Zich interesseeren voor het mindere volk, gelooven, dat het dezelfde ziel, hetzelfde verdriet had, zich moeilijk maken voor zijn vreugde als voor die van een broeder? Toch trachtte zij het, maar zonder veel succes; heimelijk was zij bang een zonde te begaan, want het is het beste niets te veranderen aan de door God ingestelde en door de Kerk bekrachtigde maatschappelijke orde. Zeker was zij weldadig, gaf de gewone kleine aalmoezen, maar zij gaf niet haar hart; altruïsme en werkelijk medegevoel ontbraken haar te eenenmale. Zij was geboren en opgegroeid in het atavisme van een geheel ander ras, dat ook in den hemel zijn tronen boven het plebs der uitverkorenen bezit.

Nog menigmaal vonden zij elkaar in de schaduw van den laurierboom dicht bij de zingende fontein terug, en Pierre, die niets te doen had en het moe werd te wachten op een [265]oplossing, die van uur tot uur uitgesteld scheen te worden, spande al zijn krachten in, om deze jonge, mooie, in haar liefde stralende vrouw met zijn bevrijdende naastenliefde te bezielen. In het bijzonder bleef één gedachte hem voortdurend ontvlammen—de gedachte, dat hij Italië zelf zou bekeeren, de in haar onwetendheid nog sluimerende koningin der schoonheid, die haar vroegere grootte terug zou vinden, als zij met een grootere ziel, vol medelijden voor de dingen en wezens, ontwaken zou tot het begrip der nieuwere tijden. Hij las haar de brieven van den goeden abbé Rose voor, hij deed haar beven onder den snik, die uit de groote steden opsteeg. Waarom zou zij, daar zij toch zulke diep-teedere oogen had, daar van haar geheele persoonlijkheid het geluk om te beminnen en bemind te worden uitstroomde, niet met hem erkennen, dat de wet der liefde het eenige heil der lijdende, door haat in doodsgevaar geraakte menschheid was? Zij erkende het, zij wilde hem het genoegen doen te gelooven aan de democratie, aan de broederlijke hervorming der maatschappij, maar bij de andere volkeren, niet te Rome. Onwillekeurig kwam een zacht glimlachje om haar lippen, zoodra hij het visioen voor haar opriep, dat wat er van Trastevere over was broederlijk samen gaan zou met wat er van de oude vorstelijke paleizen over was. Neen, neen! Dat was al sedert te lang zoo, aan die dingen moest men niets veranderen. In één woord de leerling maakte slechts weinig vorderingen, zij werd alleen getroffen door den hartstocht van lief te hebben, die in dezen priester zoo heftig brandde, en dien hij in zijn kuischheid afgewend had van het schepsel, om hem over te brengen op de geheele schepping. Gedurende die enkele zonnige Octoberochtenden werd er tusschen deze twee een kostelijke band gelegd; in de groote liefde, waardoor zij beiden verteerd werden, hadden zij elkaar lief met een diepe, reine liefde.

Dan op een dag begon Benedetta, die met haar elleboog op den sarcophaag leunde, te spreken over Dario, wiens naam zij tot dusverre vermeden had te noemen. O, wat had hij een berouw getoond na zijn aanval van brutalen waanzin. Eerst was hij, om zijn schaamte te verbergen, drie dagen naar Napels gegaan, waarheen, naar men beweerde, Tonietta, het aanminnige meisje met de ruikers witte rozen, die dol verliefd op hem geworden was, hem dadelijk gevolgd had. Na zijn terugkeer in het paleis vermeed hij het alleen te zijn met zijn nicht, zag hij haar eigenlijk alleen op de [266]Maandagsche receptieavonden, wanneer zijn oogen haar om vergiffenis smeekten.

“Gisteren,” vertelde zij verder, “ben ik hem op de trap tegengekomen. Ik heb hem een hand gegeven, waaruit hij begreep, dat ik niet boos meer ben. Hij was er zoo gelukkig door … Och, wat zal ik u zeggen. Je moet niet zoo lang streng zijn. En bovendien ben ik bang, dat hij zich ten slotte compromitteeren zou, als hij zich, om afleiding te zoeken, te veel met haar afgaf. Hij moet weten, dat ik hem nog altijd liefheb, dat ik nog altijd op hem wacht … O, hij is van mij, van mij alleen. Hij zou dadelijk voor eeuwig in mijn armen liggen, als ik één woord zeggen kon. Maar onze zaak staat er slecht, heel slecht voor!”

Zij zweeg, twee dikke tranen stonden in haar oogen. Inderdaad scheen er in het proces tot nietigverklaring van het huwlijk geen voortgang te komen, daar zich steeds weer nieuwe hinderpalen voordeden.

Pierre werd zeer ontroerd door die tranen, welke bij haar zoo weinig voorkwamen. Dikwijls erkende zij met haar kalmen glimlach, dat zij niet huilen kon. Maar haar hart was nu week; een oogenblik leunde zij als vernietigd op den bemosten, door het water weggevreten sarcophaag, terwijl het dunne waterstraaltje met parelende fluittoontjes uit den open mond van het tragische masker stroomde. Maar voor den geest van den priester rees plotseling de gedachte aan den dood op, toen hij haar, de jonge, van schoonheid stralende vrouw half bewusteloos worden zag op den rand van den sarcophaag, waar de faunen, die zich in een razend bacchanaal op de vrouwen wierpen, de almacht der liefde verkondigden, het symbool waarvan de Ouden zoo gaarne op de graftomben beeldhouwden als een bewijs van de eeuwigheid des levens. Een licht, zacht briesje streek door de zonnige, stille eenzaamheid van den tuin en voerde den doordringenden geur der oranjeappelen en taxisboomen mede.

“Wanneer men liefheeft, is men sterk!” prevelde hij.

“Ja, ja, u hebt gelijk,” antwoordde zij, reeds weer glimlachend. “Ik ben nog maar een kind … Maar daar is uw boek de schuld van. Ik begrijp het pas goed, wanneer ik lijd … Maar toch maak ik vorderingen, niet waar? Laten, nu u het wilt, alle armen mijn broeders en alle vrouwen, die verdriet hebben als ik, mijn zusters zijn!”

Gewoonlijk ging Benedetta het eerst weer naar haar kamer [267]terug en bleef Pierre dan, alleen onder den laurierboom, nog wat toeven in den zachten geur der jonge vrouw. Hij droomde dan verward van prettige en droeve dingen. Wat was het leven hard voor arme wezens, die door den eeuwigen dorst naar geluk gekweld worden! Over hem had de stilte zich nog uitgebreid, het geheele oude paleis met de binnenplaats, waarop het gras welig opschoot, en die omgeven was door haar doode zuilengaanderij, waarin de opgegraven marmeren beelden, een armlooze Apollo en de afgebroken romp van een Venus, verweerden, sliep zijn zwaren ruïne-slaap, en deze doodsche stilte werd slechts nu en dan verbroken door het plotselinge ratelen van den karos van een prelaat, die een bezoek kwam brengen aan den kardinaal.

Op een Maandag bevonden zich tegen kwart over tienen in den salon van donna Serafina slechts de jongelui. Monsignor Nani had slechts even zijn opwachting gemaakt, terwijl kardinaal Sarno juist vertrokken was. Bij den schoorsteen zat donna Serafina op haar gewone plekje als afgezonderd; haar blikken staarden naar de onbezette plaats van advocaat Morano, die nog steeds weggebleven was. Voor de canapé, waarop Benedetta en Celia zaten, stonden Dario, abbé Pierre en Narcisse Habert te praten en te lachen. Narcisse plaagde voortdurend den jongen prins, dien hij beweerde in gezelschap van een heel mooi meisje gezien te hebben.

“Maar ontken het toch niet, mijn waarde, zij was werkelijk een prachtstuk … Zij liep naast je en jullie gingt samen een verlaten straatje in, den Borgo Angelico geloof ik. Uit bescheidenheid ben ik jullie niet verder nagegaan.”

“Zeker, zeker, ik was het, ik ontken het niet … Maar het is toch heel iets anders dan je denkt.”

En zich tot Benedetta wendend, die eveneens zonder een zweempje van ongeruste jaloezie glimlachte:

“Het was dat arme meisje, je weet wel, dat ik onlangs in tranen gevonden heb, een week of zes geleden, denk ik … Ja, die parelenwerkster, die zoo huilde, omdat ze geen werk meer had, en toen ik haar wat geld wilde geven, hard voor me uit liep, om me naar haar ouders te brengen … Pierina, je herinnert je nog wel?”

“Pierina, ja zeker!”

“Welnu, stel je voor, na dien tijd ben ik haar een keer of vier, vijf op straat tegengekomen. En het is zoo, zij is zóó zeldzaam mooi, dat ik een oogenblikje met haar heb staan [268]praten … Onlangs heb ik haar bij een fabrikant gebracht. Maar zij heeft nog geen werk kunnen vinden en zij begon weer te huilen, en waarachtig ik heb haar toen, om haar wat te troosten, een zoen gegeven … Zij was er zoo gelukkig door!”

Allen lachten om het verhaal. Celia was de eerste, die weer kalm werd. En met een zeer ernstige stem zeide zij:

“Dario, zij houdt van je, dat begrijp je toch. Je moet niet zoo slecht zijn.”

Ongetwijfeld was Dario van dezelfde meening, want hij keek opnieuw Benedetta aan en schudde vroolijk zijn hoofd, als wilde hij zeggen, dat, al mocht zij van hem houden, hij niet van haar hield. Een parelwerkster, een meisje uit het lagere volk, o, neen! Zij kon een Venus zijn, maar een maîtresse, neen, dat was niet mogelijk! Hij had zelf veel pleizier in het romantische avontuur, waarop Narcisse dadelijk een sonnet maakte: “De schoone parelwerkster wordt tot stervens toe verliefd op den jongen prins, die, mooi als de dag, voorbijkomt en die haar, geroerd door haar ongeluk, een geldstuk gegeven heeft; de schoone parelwerkster, diep in haar hart getroffen, daar hij even milddadig als mooi is, droomt nog slechts van hem, volgt hem overal, een vlammenband bindt haar aan zijn schreden; de schoone parelwerkster, die het geldstuk geweigerd heeft, vraagt met haar onderworpen, liefdevolle oogen als aalmoes het hart van den jongen man, dat hij haar op een avond genadig schenkt.” Het woordenspel viel zeer in den smaak van Benedetta, maar Celia, die er met haar engelachtig gezichtje als een klein meisje uitzag, dat eigenlijk nog niets weten moest, bleef zeer ernstig en herhaalde droevig:

“Dario, ze houdt van je, je moet haar niet laten lijden.”

Nu werd ook de contessina door medelijden bewogen.

“Zij zijn niet gelukkig, die arme menschen!”

“O,” riep de prins uit, “een ellende, om niet te gelooven! Den dag, dat zij me medegenomen heeft naar de Prati del Castello, dacht ik te zullen stikken. Het is verschrikkelijk, ongelooflijk verschrikkelijk!”

“Maar ik herinner me,” antwoordde zij, “dat wij het plan gemaakt hebben naar hen toe te gaan, het is heel slecht, dat we het nog niet gedaan hebben … U wilde immers met ons mede gaan, mijnheer de abbé, voor uw studies en om op die wijze de arme bevolking van Rome van nabij te zien.”

Zij keek op naar Pierre, die sedert eenige oogenblikken [269]zweeg. Het trof hem zeer, dat deze barmhartige gedachte weer bij haar opkwam, want hij voelde aan het even beven van haar stem, dat zij daarmede ook wilde laten blijken, dat zij een gedweeë leerlinge was, die vorderingen maakte in de liefde tot de ongelukkigen en armen. Onmiddellijk trouwens had de hartstocht voor zijn apostolaat zich weer meester van hem gemaakt.

“O,” zeide hij, “ik zal Rome niet verlaten, voordat ik het lijdende, werk- en broodlooze volk gezien heb. Voor alle naties ligt daarin de ziekte, en redding kan slechts komen van de genezing der ellende. Wanneer de wortels van den boom geen voedsel krijgen, sterft de boom.”

“Welnu, we zullen dadelijk afspreken, u gaat morgen met ons naar de Prati del Castello … Dario zal ons er brengen.”

Deze, die met een verbijsterd gezicht naar den priester geluisterd had, zonder het beeld van den boom en zijn wortels goed te begrijpen, protesteerde.

“Neen, neen, waarde nicht, leid jij er mijnheer den abbé rond, als je daar lust in hebt … Ik ben er eens geweest, maar ik ga er nooit meer naar terug. Toen ik weer thuis kwam, moest ik bijna naar bed, zoo draaide alles in mij om … Neen, neen het is te vreeselijk, zulke afschuwlijkheden zijn gewoon ongelooflijk.”

Op dat oogenblik kwam een ontevreden stem uit het hoekje bij den schoorsteen. Donna Serafina verbrak haar lang stilzwijgen.

“Dario heeft gelijk! Zend er je aalmoes naar toe, beste kind, ik zal er graag de mijne bijvoegen … Er zijn heel wat bezienswaardiger plekken, waar je mijnheer den abbé kunt brengen … Je zult waarachtig zorgen, dat hij een mooie herinnering aan onze stad medeneemt!”

De Romeinsche trots klonk uit haar slechte luim. Waartoe diende het de wonden der stad te laten zien aan de vreemdelingen, die hier misschien alleen met een vijandige nieuwsgierigheid kwamen. Rome moest altijd mooi zijn, men moest Rome alleen in den praal van zijn roem laten zien.

Maar Narcisse had zich van Pierre meester gemaakt.

“Ja, mijn waarde, dat is waar ook, ik heb heelemaal vergeten u die wandeling aan te raden … U moet beslist de nieuwe wijk zien, die men in de Prati del Castello gemaakt heeft. Die is heel typisch en als het ware een samenvatting van de andere; u zult zien, dat het geen verloren tijd is, daar sta ik voor in, want niets ter wereld kan u een [270]beteren indruk van het tegenwoordige Rome geven. Het is buitengewoon, buitengewoon.”

En zich dan tot Benedetta wendend:

“Is het afgesproken? Vindt u morgenochtend goed?… U zult den abbé en mij daar vinden, want ik sta erop hem eerst op de hoogte te brengen, zoodat hij alles goed begrijpt … Om tien uur, kunt u dan?”

Alvorens te antwoorden, wendde de contessina zich tot haar tante.

“Kom, tante, mijnheer de abbé heeft genoeg bedelaars in onze straten ontmoet; hij kan alles zien. En trouwens naar wat hij ons in zijn boek vertelt, zal hij te Rome niet meer zien, dan hij in Parijs reeds gezien heeft. Overal is, zooals hij ergens zegt, de honger dezelfde.”

Dan richtte zij zich kalm en zacht tot Dario.

“Weet je wel, Dario, dat je me een heel groot pleizier zoudt doen, als je met me meeging. Zonder jou zou het er te veel van hebben, alsof we uit den hemel kwamen vallen. We zullen een rijtuig nemen en dan de heeren daar aantreffen; het zal een heel aardige wandelrit zijn … We zijn in geen tijd samen uit geweest.”

Ongetwijfeld was dat het, waarom zij het zoo prettig vond: zij had nu een voorwendsel, om met hem samen te zijn en zich geheel met hem te verzoenen. Hij voelde dat, hij kon er zich niet aan onttrekken.

“O, lieve nicht,” zeide hij schertsend, “het is jouw schuld, als ik de geheele verdere week nachtmerries heb. Een dergelijk uitstapje bederft voor acht dagen je levensvreugde.”

Hij rilde al bij voorbaat. De anderen begonnen weer te lachen, en ondanks de zwijgende afkeuring van donna Serafina werd de samenkomst bepaald op den volgenden ochtend tien uur. Het speet Celia zeer, dat zij niet van de partij kon zijn. Maar zij met haar onschuld van een lelieknop, interesseerde zich slechts voor Pierina.

“Let goed op die schoonheid,” fluisterde zij in de antichambre haar vriendin in; “dan kan je me vertellen, of zij werkelijk zoo mooi is, mooier dan alle anderen.”

Toen Pierre den volgenden ochtend om negen uur Narcisse bij de Engelenburg vond, bemerkte hij tot zijn verbazing, dat deze weer in zijn smachtende kunstdweperij vervallen was. In den beginne was er geen sprake van de nieuwe [271]wijken noch van den vreeselijken financieelen krach, die er het gevolg van geweest was. De jonge man vertelde, dat hij tegelijk met de zon was opgestaan, om nog een uur voor de Santa Teresia van Bernini te kunnen vertoeven. Wanneer hij die in acht dagen niet gezien had, zeide hij, leed zijn ziel daaronder, voelde hij zich verdrietig, als moest hij een dierbare geliefde missen. Hij had ook zijn uren, waarop hij haar op verschillende wijzen, anders liefhad, al naar gelang der belichting van het doek. ’s Morgens in het ochtendlicht, dat haar als in een wit kleed hulde, had hij haar lief met het mystieke élan van zijn ziel; ’s middags wanneer de schuine stralen der ondergaande zon op haar vielen, met den rooden hartstocht van het bloed der martelaren.

“O, mijn vriend,” zeide hij met zijn moe gelaat, terwijl zijn malvekleurige oogen bijna wegzonken, “ge kunt u niet voorstellen welk een heerlijk, ontroerend ontwaken het dezen ochtend was … Een onwetende, reine maagd, die, gebroken van wellust en nog zwijmelend van het geluk door Jezus bezeten te zijn, haar oogen kwijnend opslaat … Het is om erbij te sterven.”

Na een paar passen verder geloopen te hebben werd hij kalmer en ging hij op den beslisten toon van een praktisch man vol levenservaring voort:

“Kom laten we langzaam opwandelen naar de Prati del Castello, waarvan ge de gebouwen onder u ziet liggen; onderweg zal ik u vertellen, wat ik ervan weet. O, het is een buitengewoon verhaal, een van die krankzinnige aanvallen van speculatie, die mooi zijn als het monsterachtige en mooie werk van het een of andere waanzinnige genie … Ik heb het van familieleden van me gehoord, die hier gespeeld en, waarachtig, aanzienlijke sommen gewonnen hebben.”

Toen vertelde hij Pierre de zeldzame geschiedenis met de duidelijkheid en nauwkeurigheid van een financier, terwijl hij de technische termen met volkomen zekerheid gebruikte. Na de verovering van Rome, toen geheel Italië als uitzinnig van geestdrift was bij het denkbeeld eindelijk de zoo lang begeerde hoofdstad, de oude, roemrijke stad, de eeuwige, aan wie de wereldheerschappij was toegezegd, te bezitten, barstte een zeer goed te begrijpen jubel van vreugde en hoop los bij het jonge volk, dat eerst gisteren geboren was en nu zoo spoedig mogelijk zijn macht wilde bewijzen. Men moest Rome in bezit nemen, het tot een moderne, een groot rijk waardige hoofdstad maken, en daarvoor was het in de [272]allereerste plaats noodig haar gezond te maken, haar te reinigen van het vuil, dat haar onteerde. Men kan zich niet voorstellen in welk een staat van verontreiniging het Rome der pausen, la Roma sporca, waar de kunstenaars nu nog naar terugverlangen, verkeerde: er bestonden zelfs geen bestekamers, de openbare straat diende voor alle behoeften, de verheven ruïnes waren in vuilnishoopen veranderd, de omgeving van de oude vorstelijke paleizen met excrementen bevuild; kortom, overal steeg een laag van afval, puin en tot verrotting overgegane stoffen op, die de straten in vergiftigde goten veranderden, welke telkens weer de vreeselijkste epidemieën veroorzaakten. Het was dringend noodig daarin van stadswege verbetering te brengen.

Deze maatregelen beteekenden inderdaad de redding, een verjonging, een veilig verder leven. Even gerechtvaardigd was de gedachte nieuwe huizen te bouwen voor de nieuwe bewoners, die van alle kanten zouden toestroomen. Na de totstandkoming van het keizerrijk Duitschland had men hetzelfde te Berlijn zien gebeuren: de stad had haar bevolking bliksemsnel zien toenemen met honderdduizenden zielen. Rome zou zich ook zeker verdubbelen, verdrie-, vervijfvoudigen, de levende krachten der provincies tot zich trekken, het centrum van het nationale bestaan worden. Ook de trots sprak een woordje mede: men moest aan de gevallen regeering van het Vaticaan toonen, waartoe Italië in staat was, in welken glans het nieuwe Rome stralen zou, het derde Rome, dat de beide andere, het keizerlijke en het pauselijke, zou overtreffen door de pracht van zijn straten en den overstroomenden vloed van zijn inwoners.

Toch bleef de eerste jaren de bouwbeweging binnen de grenzen der voorzichtigheid. Men was verstandig genoeg slechts te bouwen, wanneer daaraan behoefte was. Met één sprong was de bevolking verdubbeld, van tweehonderdduizend tot vierhonderdduizend zielen gestegen: de kleine wereld van ambtenaren en employés, die met de verschillende takken van algemeen bestuur kwamen, de geheele groote menigte, die van den staat leeft of ervan hoopt te leven, ongerekend de nietsdoeners en genotzoekers, die een Hof steeds na zich sleept. Dat was de eerste oorzaak van den roes, niemand twijfelde eraan, of die toeneming zou blijven doorgaan, ja zelfs sterker worden. Van af dat oogenblik was de stad van gisteren niet voldoende meer, men moest zonder talmen rekening houden met de eischen [273]en behoeften van morgen, door Rome buiten Rome over alle verlaten, oude voorsteden uit te breiden. Men sprak ook van het Parijs van het tweede Keizerrijk, dat zooveel grooter geworden, in een stad van licht en gezondheid veranderd was. Doch het ongeluk wilde, dat er aan de oevers van den Tiber geen algemeen plan bestond, dat er geen man was met een ruimen blik, die den toestand overzag en op krachtige financieele instellingen steunen kon.

Wat nu de trots, de eerzucht om het Rome der Caesars en der Pausen in glans te overtreffen, de wil om van de eeuwige, gepraedestineerde stad het centrum en de koningin der aarde te maken, begonnen was, voltooide de speculatie, een van die buitengewone agiostormen, een van die orkanen, welke, zonder dat iets ze aankondigt of tegenhoudt, ontstaan, woeden, alles vernielen en met zich sleuren. Plotseling liep het gerucht, dat terreinen, die vijf francs den meter gekost hadden, voor honderd francs verkocht werden; toen brak de koorts uit, de koorts van geheel een door speculatiewoede verhit volk. Een zwerm van speculanten was uit Boven-Italië op Rome, de edelste en makkelijkst te krijgen buit, neergestreken.

Voor deze arme, hongerige bergbewoners begon in dit wellustige zuiden, waarin het zoo heerlijk is om te leven, de drijfjacht der begeerten, zoodat het verrukkelijke klimaat, op zichzelf reeds zoo verderfelijk, de moreele ontbinding verhaastte. Bovendien behoefde men zich in den beginne inderdaad slechts te bukken; het geld was tusschen de puinhoopen der eerste gesloopte wijken met schoppen vol op te rapen. Handige lieden, die het tracé der nieuwe straten als het ware roken, hadden zich meester gemaakt van de terreinen, die onteigend zouden moeten worden, en vertiendubbelden binnen twee jaar hun vermogen. Nu greep de besmetting nog verder om zich heen en vergiftigde langzamerhand de geheele stad; de bewoners werden op hun beurt ook medegesleept, alle standen door waanzin aangegrepen, de vorsten, de bourgeois, de kleine huiseigenaars tot winkeliers, slagers, kruideniers toe. Zoo vertelde men later van een eenvoudigen bakker, die een bankroet van vijf-en-veertig millioen geslagen had.

Het was niets meer dan een wanhopige, schandelijke, koortsachtige speculatie, die in de plaats van het geregelde pauselijke lotto gekomen was, een speculatie met millioenen, waarbij de terreinen en bouwwerken iets fictiefs, slechts [274]een voorwendsel voor Beursoperaties werden. De oude atavistische trots, die van Rome de hoofdstad der wereld maken wilde, werd door deze speculatiekoorts opgezweept tot hoogmoedswaanzin; er werd gekocht en gebouwd, om weer te verkoopen, zonder maat, zonder ophouden, zooals aandeelen gelanceerd worden, zoolang de persen er drukken willen.

Nooit had een stad in haar evolutie een dergelijk schouwspel geboden. Wanneer men het thans tracht te begrijpen, staat men gewoonweg perplex. Het bevolkingscijfer was de vierhonderd duizend overschreden en scheen dan stationnair te blijven; maar dit belette niet, dat de nieuwe wijken steeds dichter uit den grond opschoten. Voor welk toekomstig volk bouwde men met zooveel woede? Door welke zinsverbijstering kwam men ertoe niet te wachten op de nieuwe bewoners, om duizenden woningen gereed te maken voor families, die misschien komen zouden? De eenige verontschuldiging was, dat bij voorbaat als vaststaande aangenomen werd, dat het derde Rome, de triompheerende hoofdstad van Italië, niet minder dan een millioen zielen tellen kon. Zij waren niet gekomen, maar zij zouden zeker komen; daaraan kon geen patriot twijfelen zonder vaderlandsschennis te begaan. En men bouwde, bouwde, bouwde zonder ophouden voor de vijfhonderdduizend onderweg zijnde burgers. Men bekommerde zich zelfs niet om den dag van hun aankomst, het was voldoende, dat men op hen rekende. In Rome waren ook maatschappijen tot het maken van groote wegen door de oude, ongezonde, gesloopte wijken gevormd en deze verkochten of verhuurden haar terreinen, waardoor zij groote winsten behaalden.

Doch naarmate de waanzin steeg, werden er meer maatschappijen opgericht, om den honger naar winst te bevredigen; zij hadden ten doel om buiten Rome nog meer nieuwe wijken, steeds weer nieuwe wijken, ware kleine steden, waaraan niet de minste behoefte bestond, te bouwen. Bij de Porta S. Giovanni, bij de Porta S. Lorenzo rezen de voorsteden als door een wonder op. Op de reusachtige terreinen der Villa Ludovisi, van de Porta Salaria tot aan de Porta Pia, ontstond het ontwerp van een stad, en op de Prati del Castello wilde men plotseling een stad met kerk, school en markt uit den grond doen oprijzen. En dat waren geen arbeiderswoningen, geen bescheiden huizen voor den middenstand en de ambtenaren, neen, het waren groote bouwwerken, ware paleizen met drie of vier verdiepingen, met gelijkvormige, [275]overmatig groote gevels, welke van deze nieuwe, excentrieke wijken Babylonische stadsdeelen maakten, die alleen hoofdsteden met een krachtig industrieleven, zooals Parijs en Londen, zouden kunnen bevolken. Het zijn de monsterachtige voortbrengselen van den hoogmoed en van de speculatie. En welk een droeve bladzijde uit de geschiedenis, welk een bittere les, wanneer het thans ten gronde gerichte Rome zich bovendien nog onteerd ziet door dien leelijken gordel van groote, ledige, grootendeels onafgemaakte geraamten, welker puinhoopen nu reeds de met gras begroeide straten bedekken!

De onvermijdelijke instorting, de ramp was vreeselijk. Narcisse gaf de redenen daarvoor op en lichtte de diverse stadia zoo duidelijk toe, dat Pierre alles goed begreep. Natuurlijk waren talrijke financieele maatschappijen uit die humus der speculatie opgeschoten: de Immobiliere, de Società edilizia, de Fondiaria, de Tiberina, l’Esquilino. Bijna alle lieten bouwen, richtten groote huizen op, legden heele straten aan, om ze weer te verkoopen. Maar zij speculeerden ook in bouwterreinen, stonden die met groote winsten aan kleine speculanten af, die in de door de toenemende agiokoorts verwekte kunstmatige hausse overal opschoten en eveneens van ontzaglijke winsten droomden. Het ergste daarbij was, dat deze kleine burgers, deze onervaren winkeliers zonder geld, zoo door de speculatiewoede werden opgezweept, dat zij zelf ook lieten bouwen; zij leenden van de banken en wendden zich tot de maatschappijen, van wie zij de terreinen gekocht hadden, om het voor het voltooien der gebouwen noodige geld te krijgen.

In de meeste gevallen zagen de maatschappijen, om niet alles te verliezen, zich op een goeden dag genoodzaakt de terreinen en de gebouwen, zelfs al waren zij niet afgebouwd, terug te nemen, wat een ontzaglijke opstopping veroorzaakte, waaraan zij ten gronde moesten gaan. Wanneer het millioen inwoners de woningen, die men in een zoo vreemden droom van hoop voor hen gebouwd had, waren komen betrekken, dan hadden de winsten onberekenbaar kunnen zijn. Rome was in tien jaar rijk en een der bloeiendste hoofdsteden der wereld geworden. Maar de inwoners wilden niet komen, niets werd verhuurd, de woningen stonden leeg. En toen barstte de krach met een ongekende heftigheid los en wel om twee redenen. In de eerste plaats waren de door de maatschappijen gebouwde huizen veel te groot en veel te duur, waardoor [276]het grootste gedeelte van de gewone, middelmatige renteniers, die hun geld in grondbezit willen beleggen, afgeschrikt werden. Het atavisme had zijn werk gedaan, de bouwers hadden in hun grootheidswaanzin een reeks prachtige paleizen opgericht, bestemd, om die van de twee vorige tijdperken in het niet te doen verzinken en welke nu triest en verlaten als de meest ongehoorde getuigen van den onmachtigen hoogmoed staan bleven.

Er waren dus geen particuliere kapitalen te vinden, die de plaats der maatschappijen durfden of konden innemen. Bovendien zijn elders, in Parijs en in Berlijn, de nieuwe wijken en de verfraaiingen met nationaal kapitaal, met gespaard geld gemaakt. In Rome daarentegen werd alles gebouwd met crediet, met wissels op drie maanden en vooral met buitenlandsch geld. Men schat de aldus verslonden som op bijna een milliard, waarvan vier vijfden Fransch geld was. Het was eenvoudig een zaken doen van bankier op bankier; de Fransche bankiers leenden tegen 3½ à 4 procent aan de Italiaansche, die op hun beurt aan de speculanten, aan de bouwers te Rome tegen 6, 7, ja zelfs 8 procent leenden.

Men kan zich dan ook de ramp voorstellen, toen Frankrijk, dat het verbond van Italië met Duitschland met leede oogen aanzag, binnen twee jaar zijn achthonderd millioen terugtrok. Er ontstond een reusachtige terugvloeiing, die de Italiaansche banken ledig maakte; de grondmaatschappijen en al die maatschappijen, welke in terreinen en bouwwerken speculeerden, werden nu eveneens genoodzaakt op haar beurt terug te betalen en moesten zich wenden tot de emissiemaatschappijen, die papier konden uitgeven. Tegelijkertijd dreigden zij den Staat de werken stil te zullen leggen en veertig duizend werklieden op straat te zetten, wanneer de Staat de emissiemaatschappijen niet dwong hun de vijf of zes millioen, die zij noodig hadden, te leenen, wat de Staat, bang voor een algemeen bankroet, ten slotte deed. Natuurlijk konden de vijf of zes millioen op de vervaldagen niet terugbetaald worden, omdat men de huizen niet kon verkoopen of verhuren, zoodat nu de debacle steeds verder om zich heen greep en de eene puinhoop op de andere stapelde: de kleine speculanten vielen op de bouwers, deze op de grondmaatschappijen, deze op de emissiemaatschappijen, deze op het openbaar krediet, wat de natie ruïneerde. Zoo kwam het, dat een eenvoudige stedelijke crisis een ontzettende financieele ramp, een nationaal gevaar werd. Een [277]geheel milliard was zonder eenig nut in den afgrond verdwenen, Rome leelijk gemaakt; het droeg nu de last van zijn jonge, smadelijke ruïnes, van de gapende, ledige huizen voor de vijf of zeshonderd duizend gedroomde inwoners, die men nog steeds wacht.

Trouwens in den gierenden stormwind van den roem was ook de Staat zelfs door grootheidswaanzin aangegrepen. Alles werd erop ingericht om een triompheerend Italië te scheppen, om het land in vijf-en-twintig jaar die eenheid en die grootte te doen bereiken, waarvoor andere volkeren eeuwen hebben noodig gehad. Aan alle kanten werd dan ook met man en macht gewerkt, reusachtige uitgaven gedaan voor kanalen, havens, wegen, spoorwegen en openbare werken in alle groote steden. Men improviseerde, organiseerde de natie zonder te tellen. Na het verbond met Duitschland verslonden de oorlogs- en marinebudgetten noodeloos millioenen. En aan al die steeds stijgende behoeften werd slechts het hoofd geboden door emissies; de eene leening volgde op de andere. In Rome alleen kostte de bouw van het ministerie van Oorlog tien, die van het ministerie van Financiën vijftien millioen, terwijl meer dan tweehonderd millioen voor verdedigingswerken om de stad uitgegeven werden. Het was steeds en steeds weer het opvlammen van den noodlottigen hoogmoed, het sap van den grond, die slechts in al te groote plannen bloeien kan, de wil om de wereld te verblinden en te veroveren, die ontstaat zoodra men den voet op het Capitool zet—zelfs in het opgehoopte stof van alle menschenmachten, die daar na elkaar ingestort zijn.

“Ja, mijn waarde vriend,” vertelde Narcisse verder, “als ik wilde afdalen tot praatjes, die in omloop zijn, die men elkaar in het oor fluistert, als ik u enkele feiten noemde, dan zoudt u verbluft, versteld staan over den graad van waanzin, waarin deze in den grond der zaak zoo verstandige, zoo indolente en zoo zelfzuchtige stad door de vreeselijke, besmettelijke koorts van speculatiewoede gebracht is. Niet alleen de kleine luiden, de onwetenden en dommen hebben zich ten gronde gericht, maar ook de groote families, bijna de geheele Romeinsche adel heeft daarbij zijn oude vermogens, het goud, de paleizen en de verzamelingen kunstwerken, die hij aan de vrijgevigheid der pausen te danken had, verloren. Deze ontzaglijke rijkdommen, waarvoor eeuwen van nepotisme noodig geweest zijn, om ze in de handen van enkelen op te hoopen, zijn in nauwlijks tien jaar als was gesmolten.” [278]

Dan vergat hij geheel, dat hij met een priester sprak, en vertelde hij een van die equivoque geschiedenissen.

“Laten we onzen goeden vriend Dario, prins Boccanera, even als voorbeeld nemen. Hij is de laatste van zijn geslacht en verplicht te leven van de kruimels van zijn oom, den kardinaal, die toch ook niet heel veel meer dan zijn salaris heeft. Nu, hij zou zeker nog in zijn karos rijden, als die vreemde geschiedenis van de villa Montefiori er niet tusschen gekomen was … Men zal u wel reeds op de hoogte gebracht hebben: de uitgestrekte terreinen van deze villa werden voor tien millioen aan een financieele maatschappij afgestaan; daarna werd prins Onofrio, de vader van Dario, door de speculatiewoede aangegrepen, kocht zijn eigen terreinen duur terug, speculeerde en liet bouwen; ten slotte sleurde de catastrophe behalve die tien millioen nog alles mede, wat hij zelf bezat, de overblijfselen van het eertijds zoo reusachtige fortuin der Boccanera’s …

“Maar wat men u ongetwijfeld niet verteld heeft, dat zijn de geheime oorzaken, die daartoe medegewerkt hebben, de rol, die graaf Prada—ja zeker, de gescheiden echtgenoot van de bekoorlijke contessina, op wie wij nu wachten—in deze zaak gespeeld heeft. Hij was de minnaar van prinses Boccanera, de mooie Flavia Montefiori, die de villa als huwlijksgift medebracht, o, een pracht van een vrouw, veel jonger dan haar man. Welnu, algemeen wordt beweerd, dat Prada den echtgenoot in zijn macht had door die vrouw, zoodat deze weigerde zich ’s avonds aan den ouden prins te geven, indien deze aarzelde zijn handteekening te zetten of zich verder in te laten in een avontuur, waarvan hij het gevaar van te voren inzag. Prada heeft er millioenen mede verdiend, die hij nu op een zeer verstandige manier verteert. En wat de mooie Flavia betreft, u weet, dat zij, na een klein vermogen uit de debacle gered te hebben, dapper afstand gedaan heeft van haar adellijken titel, om zich een knappen man te koopen, den tweeden, ditmaal jonger dan zij, van wien zij een markies Montefiori gemaakt heeft, die haar nu gezond en mooi houdt, hoewel zij de vijftig nu al gepasseerd is. In deze heele zaak is het eenige slachtoffer onze arme vriend Dario, die totaal geruïneerd is en vastbesloten met zijn nicht te trouwen, die niet veel rijker is dan hij. Weliswaar wil zij hem met alle geweld hebben en is hij niet in staat haar zoo lief te hebben als zij hem. Anders zou hij reeds lang de een of andere Amerikaansche genomen [279]hebben, een millionnairsdochter, zooals zooveel andere vorsten gedaan hebben; ofschoon het ook zeer goed mogelijk is, dat de kardinaal en donna Serafina er zich tegen verzet zouden hebben, want dat zijn helden in hun genre, echte trotsche, koppige Romeinen, die hun bloed vrij willen houden van vreemde smetten … Enfin laten we hopen, dat die goede Dario en die bekoorlijke Benedetta samen gelukkig zullen zijn.”

Hij hield op, om na eenige passen, op bijna fluisterenden toon voort te gaan.

“Een van mijn bloedverwanten heeft met die affaire der villa Montefiori een kleine drie millioen verdiend. Wat heb ik er toch dikwijls spijt van gehad, dat ik pas na den heroëntijd van het agio gekomen ben! Wat zal het hier toen amusant geweest zijn en wat was er toen een boel te verdienen voor koelbloedige spelers!”

Plotseling echter zag hij, opkijkend, voor zich het nieuwe stadsdeel der Prati del Castello; zijn geheele gelaatsuitdrukking veranderde, hij werd weer de kunstenaarsziel, die in verzet kwam tegen de moderne gruwelen, waarmede men het pauselijke Rome bezoedeld had. De kleur van zijn oogen werd bleeker, zijn blik drukte de bittere minachting uit van den in zijn liefde voor de verdwenen eeuwen gewonden droomer.

“Kijk toch eens, kijk toch eens! O, stad van Augustus, stad van Leo X, stad van eeuwige macht en eeuwige schoonheid!”

Pierre zelf kwam ook onder den indruk. Op deze plek strekten zich vroeger langs den Tiber tot aan de hellingen van den Monte Marco de vlakke, hier en daar met populieren begroeide weiden van de Engelenburg uit, breede grasvlakten, die aan den Borgo en den verren dom van de St. Pieter een groenen voorgrond gaven en die de schilders graag vereeuwigden. Nu echter verhief zich midden op die omgewoelde, rotsachtige vlakte een geheele stad, een stad van massieve, reusachtige huizen, regelmatige steenen kubussen met breede, elkaar rechthoekig snijdende straten, precies een groot dambord met symmetrische vakken. Van het eene einde naar het andere zag men dezelfde gevels; men zou het geheel voor een rij kloosters, kazernes of ziekenhuizen hebben kunnen houden, waarvan de eenvormige lijnen zich tot in het oneindige voortzetten. Maar de pijnlijke indruk, dien dit schouwspel maakte, kwam hoofdzakelijk voort uit de in den beginne onverklaarbare catastrophe, die deze stad midden in haar aanbouw verstard had, alsof op een vervloekten [280]ochtend een booze toovenaar zijn staf opgeheven, het werk tot stilstand gebracht, de drukke werkplaatsen geledigd, de gebouwen gelaten had in denzelfden droefgeestigen toestand als waarin zij op dit oogenblik verkeerden.

Alle stadia van aanbouw vond men nog terug—van het grondwerk, de voor de fundamenten gegraven diepe gaten, welke open gebleven waren en waarin onkruid woekerde, tot geheel voltooide en bewoonde huizen toe. Er waren huizen, waarvan de muren nauwlijks boven den grond uitkwamen; andere waren tot de tweede of derde verdieping gekomen, maar door hun houten plafonds en door de open vensters stroomde de regen naar binnen; andere, die geheel opgetrokken en met een dak voorzien waren, stonden daar als geraamten, ten prooi aan de gevechten der winden, en deden aan ledige kooien denken. Ook waren er geheel afgebouwde huizen, waarvan men echter de buitenmuren niet had kunnen pleisteren; bij nog andere ontbrak het houtwerk van de deuren en ramen; weer andere hadden wel deuren en ramen, maar waren dichtgespijkerd als doodkisten, in de doode kamers was geen levende ziel te ontdekken; andere tenslotte waren bewoond, de meeste gedeeltelijk, slechts weinige geheel, maar alle levend van een niet-verwachte bevolking. Niets kan de vreeselijke triestheid van die dingen weergeven; het was een Schoone-Slaapster-stad, die door een doodelijken slaap bezocht was, nog voor zij geleefd had, en nu in afwachting van een ontwaken, dat nooit scheen te zullen komen, in de heete zon ten gronde ging.

Pierre ging met zijn gids door de breede, verlaten straten, die de roerloosheid en stilte van een kerkhof hadden. Geen rijtuig, geen voetganger kwam erdoor. Sommige hadden zelfs geen trottoir, het gras woekerde op den nog niet bestraten rijweg als op een veld, dat tot den natuurstaat terugkeert; toch stonden er reeds overal sedert jaren voorloopige gaslantaarns. Aan beide zijden hadden de huiseigenaren de vensteropeningen van den rez-de-chaussée en de verschillende verdiepingen met dikke planken hermetisch gesloten, om geen deur- en vensterbelasting te betalen. Andere huizen, waarvan de bouw nauwlijks begonnen was, waren met staketsels afgesloten, uit vrees, dat de kelders verzamelplaatsen voor alle bandieten uit het land zouden worden. Maar den treurigsten indruk maakten toch de jonge ruïnes, hooge, trotsche, onvoltooide, zelfs nog niet gepleisterde gebouwen, die hun leven van steenen reuzen nog niet eens geleefd [281]hadden en nu reeds aan alle kanten scheurden, zoodat men ze met allerlei gecompliceerde stellingen had moeten stutten, om te voorkomen, dat zij zouden instorten. Je hart kromp ineen als in een stad, waaruit de pest, de oorlog of een bombardement de inwoners weggevaagd heeft.

Maar men werd door een nog grootere melancholie, door een grenzenlooze wanhoop aangegrepen bij de gedachte, dat dit niet een dood, maar een miskraam was, dat de verwoesting haar werk voltooien zou voordat de gedroomde, vergeefs verwachte bewoners dezen doodgeboren huizen leven zouden inblazen. Daarbij kwam nog de vreeselijke ironie, dat men op iederen hoek marmeren platen met de straatnamen zag, beroemde, aan de Geschiedenis ontleende namen, de Gracchen, de Scipio’s, Plinius, Pompeius, Julius Caesar, die als een hoon, als een slag, dien het verleden de moderne onmacht in het gezicht gaf, op deze onvoltooide, instortende muren prijkten.

Wederom werd Pierre getroffen door de waarheid, dat ieder, die Rome bezit, verteerd wordt door den marmerwaanzin, door den ijdelen drang om te bouwen en aan de volkeren van morgen het gedenkteeken van zijn roem na te laten. Na de Caesars, die hun paleizen op den Palatinus ophoopten, na de pausen, die het Middeleeuwsche Rome weer opbouwden en hun wapens daarop drukten, is de Italiaansche regeering nauwlijks meester der stad, of zij wil haar onmiddellijk schitterender en grooter dan zij ooit geweest was, herbouwen. De bodem zelf suggereerde die gedachte; het bloed der Caesars steeg den nieuw aangekomenen naar het hoofd en bracht hen tot het waanzinnige denkbeeld om van het derde Rome de nieuwe koningin der aarde te maken. Vandaar de reusachtige plannen, de cyclopische kadewerken, de ministeries, die wedijveren met het Colosseum; vandaar die nieuwe wijken met hun reuzenhuizen, die als evenveel kleine stadjes om de oude stad opgeschoten zijn. Hij herinnerde zich den krijtachtigen gordel, welke de oude, rosachtige daken omgaf en dien hij vanaf den dom van de St. Pieter uit de verte als verlaten steengroeven gezien had; want niet alleen in de Prati del Castello, maar ook bij de Porta S. Giovanni, bij de Porta S. Lorenzo, bij de Villa Ludovisi, op de hoogten van den Viminalis en den Quirinalis vielen de onvoltooide en ledige wijken reeds in het gras der verlaten straten in. Ditmaal scheen het alsof na tweeduizend jaar van wonderbare vruchtbaarheid de bodem eindelijk uitgeput scheen, [282]en de steen der monumenten daar niet meer groeien wilde.

Evenals in zeer oude boomgaarden de pruime- en kerseboomen, die men verplant, kwijnend opgroeien en sterven, zoo vonden blijkbaar de nieuwe muren geen levensvoedsel meer in dat door de eeuwenlange groei van een zoo groot aantal tempels, circussen, triomfbogen, basilica’s en kerken verarmde Romeinsche stof. De moderne huizen, die men getracht had hier opnieuw tot vruchtbaarheid te brengen, de tot niets nutte, al te groote, door hereditairen eerzucht opgeblazen huizen, hadden niet tot rijpheid kunnen komen; de halve, door geopende ramen doorboorde gevels bezaten geen kracht genoeg, om op te stijgen tot het dak, waren daar onvruchtbaar blijven staan als kwijnende struiken op een terrein, dat te veel voortgebracht heeft. Het verschrikkelijk trieste lag voornamelijk hierin, dat een voorbijgegane grootheid zóó vol scheppingskracht uitloopen moest op een dergelijke bekentenis van tegenwoordige onmacht, dat Rome, hetwelk vroeger de wereld met zijn onverwoestbare monumenten bedekt had, thans niets meer dan ruïnes baarde.

“Ze zullen eens wel afgebouwd worden!” riep Pierre uit.

Narcisse keek hem verbaasd aan.

“Voor wie dan?”

Dat was juist het verschrikkelijke. Waar waren op dit oogenblik die vijf of zeshonderd duizend inwoners, van wier komst men gedroomd had, op wie men nog altijd wachtte; waar waren zij, in welke nabije landstreken, in welke verafgelegen steden woonden zij? Waar in de eerste dagen na de verovering een vurige patriotische geestdrift alleen op een dergelijke bevolking had kunnen hopen, daar moest men thans wel bijzonder verblind zijn, om nog te kunnen gelooven, dat zij ooit komen zou. De proef scheen genomen te zijn, Rome’s bevolking bleef stationnair, er was geen enkele reden, die voorzien deed, dat het aantal inwoners verdubbeld zou worden, noch de genoegens, die de stad aanbood, noch de winst van een handel en van een industrie, die zij niet bezat, noch een intens maatschappelijk en intellectueel leven, waartoe zij niet meer in staat scheen. In ieder geval zouden er jaren en jaren mede heengaan. Hoe dus moest men de gereed zijnde, ledige huizen, die nog slechts op huurders wachtten, bevolken? Voor wie moest men de in geraamte-toestand gebleven woningen, die in de zon en in den regen afbrokkelden, afmaken? Zouden zij dus, gedeeltelijk vleeschloos en open voor alle winden, gedeeltelijk dichtgespijkerd en stil als [283]graven, voor onafzienbaren tijd daar moeten blijven staan in hun vreeselijke, nuttelooze en verwaarloosde leelijkheid? Welk een verschrikkelijke getuigenis legden zij onder dien stralenden hemel af! De nieuwe heeren van Rome hadden een slecht begin gemaakt, maar zouden zij, indien zij thans wisten wat zij hadden moeten doen, ooit wat zij gedaan hebben ongedaan durven maken? Daar het milliard, dat hier ingestoken was, voorgoed verslonden en verloren scheen te zijn, begon men te verlangen naar een Nero met een onbeperkte en matelooze energie, die fakkel en spade grijpen en in naam van rede en schoonheid alles verbranden en met den grond gelijk maken zou.

“Ha!” riep Narcisse uit; “daar zijn de contessina en de prins!”

Benedetta had het rijtuig bij een kruispunt van de eenzame straten laten ophouden; en nu liep zij aan den arm van Dario door die breede, stille, met onkruid begroeide wegen, die als voor verliefde paren aangelegd zijn. Beiden waren verrukt over de wandeling, dachten niet meer aan het treurige, waarvoor zij waren gekomen.

“Wat een goddelijk weer!” zeide zij vroolijk, terwijl zij naar de twee vrienden toe ging. “Wat schijnt de zon heerlijk!… Het doet je goed een beetje te loopen net alsof je op het land bent!”

Dario was de eerste, die ophield te lachen tegen den blauwen hemel, zich te vermeien in de vreugde met zijn nicht aan zijn arm te wandelen.

“Omdat je bij je gril blijft, die zeker onzen geheelen mooien dag bederven zal, moeten we toch naar die menschen toe … Maar eerst moet ik me even oriënteeren. Ik weet nooit goed den weg op plaatsen waar ik niet gaarne kom … En bovendien is deze wijk met haar doode straten, haar doode huizen zoo moeilijk; je ziet niets dat je je herinnert, geen winkel, die je den weg aanwijst … Maar ik geloof, dat het hier is. Ga maar mee, we zullen wel zien.”

De vier wandelaars gingen naar het middelste gedeelte van de wijk, dat op den Tiber uitziet. Hier was zich een bevolking gaan vormen. De eigenaars van sommige afgebouwde huizen, hebben daar zoo goed als het kan voordeel van door ze tegen zeer lage prijzen te verhuren; ze werden zelfs niet boos, wanneer de huur eens wat lang op zich wachten liet. Ambtenaren met een klein inkomen en jonge huishoudens zonder geld hadden zich dus gevestigd en betaalden [284]wel langzaam, maar toch altijd iets. Doch het ergste was, dat tengevolge van het sloopen van het vroegere Ghetto en van de doorbraken, waarmede men wat licht gebracht had in Trastevere, ware horden brood- en daklooze haveloozen, die zelfs bijna geen kleeren hadden, in de onafgemaakte huizen waren neergestreken en er met hun ellende en hun ongedierte bezit van genomen hadden. Men had de oogen wel moeten sluiten, deze brutale inbeslagneming moeten dulden, wanneer men niet wilde, dat deze verschrikkelijke ellende zich op de openbare straat ten toon spreidde. Aan deze vreeselijke gasten dus waren de groote gedroomde paleizen ten deel gevallen, de reuzengebouwen van vier of vijf verdiepingen, die men door monumentale deuren binnenging, en die versierd waren met groote standbeelden en langs welker gevels gebeeldhouwde, door cariatiden gesteunde balkons liepen.

Het houtwerk van deuren en ramen ontbrak; iedere van deze ongelukkige families had haar keuze gedaan, bewoonde of een geheele vorstelijke verdieping of gaf de voorkeur aan kleinere vertrekken, waarin ze zich konden ophoopen. De ramen waren meestal met planken dichtgespijkerd; de deuren met behulp van lompen dichtgestopt. Armzalige stukken linnengoed hingen op de gebeeldhouwde balkons te drogen, pavoiseerden met hun vuile vlaggen deze doodgeboren, in hun trots verdeemoedigde gevels. Een snelle slijtage, allerlei vuiligheden zonder naam bezoedelden reeds de mooie witte gebouwen, bespatten en bestreepten ze met smerige vlekken; door de prachtige deuren, die gemaakt waren voor het koninklijk uitrijden van equipages, stroomde een vieze beek van afval en drek, waarvan de poelen dan op den trottoirloozen rijweg vervuilden.

Tot tweemaal toe had Dario hen denzelfden weg al laten loopen. Hij verdwaalde steeds meer en meer en werd hoe langer hoe somberder.

“Ik had links moeten afslaan. Maar hoe kan je dat ook weten in zoo’n omgeving?”

Nu zagen zij heele troepen kinderen vol ongedierte in het stof kruipen. Zij waren buitengewoon vuil, bijna naakt; hun huid was heelemaal zwart, hun haren borstelig als bosjes paardenhaar. Vrouwen liepen rond in smerige rokken, haar openstaande jakken lieten borsten en heupen als van overwerkte lastdieren zien. Velen stonden krijschend met elkander te praten; anderen zaten, met haar handen op haar knieën, [285]op oude stoelen en bleven, zonder iets te doen, urenlang in dezelfde houding zitten. Mannen zag men maar heel weinig. Slechts enkelen lagen op hun buik zwaar tusschen het rossige gras in de zon te slapen.

Maar vooral de geur was vreeselijk, een geur van vuile ellende; het menschelijke vee leefde daar in zijn drek en die stank werd nog erger door de uitwasemingen van een klein marktje, dat zij moesten oversteken: bedorven vruchten, gekookte, zure groenten, reeds den vorigen dag in gestolten en ranzig vet gebraden spijzen, die arme koopvrouwen van den grond af verkochten, terwijl een troep hongerige kinderen gulzig toekeek.

“Kort en goed, ik weet het niet meer,” zeide de prins tot zijn nicht. “Wees verstandig, we hebben er nu genoeg van gezien; laten we naar het rijtuig teruggaan.”

Inderdaad leed hij, en zooals Benedetta zelf gezegd had, hij kon niet lijden. Het scheen hem een monsterachtige misdaad toe zijn leven door een dergelijke wandeling somber te maken. Het leven was gemaakt, om het licht en prettig in de volle zon te leven. Men moest het alleen door mooie schouwspelen, gezang en dans opvroolijken. En in zijn naïef egoïsme had hij een waren afschuw van het leelijke, van de armoede, van het lijden, zoodat het zien alleen ervan hem reeds een onbehagelijk gevoel, een soort lichamelijke en moreele uitputting gaf.

Maar Benedetta, die evenals hij huiverde, wilde tegenover Pierre dapper zijn. Zij keek hem aan en daar zij zag hoe geïnteresseerd hij was, welk een hartstochtelijk medelijden zich van hem meester gemaakt had, wilde zij haar poging om deelneming met de armen en ongelukkigen te toonen, niet opgeven.

“Neen, neen, we moeten blijven, beste Dario … De heeren willen alles zien, niet waar?”

“Ja, het tegenwoordige Rome ligt hier,” zeide Pierre. “Dit hier zegt meer dan alle klassieke wandelingen door ruïnes en monumenten.”

“Nu overdrijft ge, mijn waarde,” zeide Narcisse op zijn beurt. “Maar ik stem toe, dat het interessant, zeer interessant is … Vooral de oude vrouwen zijn prachtig, vol uitdrukking …”

Op dat oogenblik kon Benedetta, die een buitengewoon mooi jong meisje voor zich zag, een kreet van gelukkige bewondering niet onderdrukken. [286]

“O che bellezza!”1

Dario, die haar herkend had, riep met dezelfde verrukte uitdrukking uit:

“O, dat is Pierina … Zij zal ons den weg wijzen.”

Het kind liep de groep reeds een oogenblik na, zonder echter dichterbij te durven komen. Haar blikken, die straalden van de vreugde van een verliefde slavin, hadden zich vurig op den prins gericht; dan nam zij de contessina op, doch zonder eenigen haat, met een soort teedere onderworpenheid, een soort berustend geluk, dat ook zij heel mooi was. En zij was in waarheid zooals de prins haar afgeschilderd had: groot, sterk, met een godinnenhals, een echte antieke, een twintigjarige Juno met een ietwat te krachtige kin, een zeldzaam regelmatigen mond en neus, groote koeoogen en een stralend, als door de zon verguld gelaat onder een kroon van zware, zwarte haren.

“Wil jij ons den weg wijzen?” vroeg Benedetta vertrouwlijk glimlachend, reeds getroost over het vele leelijke bij het denkbeeld, dat er dergelijke wezens konden bestaan.

“Ja zeker, mevrouw, ja zeker, dadelijk!”

Zij liep voor hen uit met haar groote schoenen zonder gaten en in een oude bruinwollen japon, die zij blijkbaar kort geleden had gewasschen en gestopt. Men merkte aan alles, dat zij eenigszins coquet, dat zij op reinheid gesteld was, wat van de anderen niet gezegd kon worden, indien tenminste niet alleen haar groote schoonheid uit haar armzalige kleederen straalde en een godin van haar maakte.

“Che bellezza! che bellezza!” werd de contessina niet moede uit te roepen. “Het is werkelijk een genot, dat meisje aan te kijken.”

“Ik wist wel, dat zij in je smaak vallen zou,” antwoordde hij eenvoudig, gevleid over zijn vondst; hij sprak niet meer over heengaan, nu hij eindelijk zijn oogen kon laten rusten op iets, dat mooi was om te zien.

Achter hen kwam Pierre, eveneens verrukt, wien Narcisse, in wiens smaak het zeldzame en gekunstelde slechts viel, zijn bezwaren mededeelde.

“Zeker, zeker, zij is mooi … Maar in den grond der zaak is er niets plompers en zielloozers dan dit Romeinsche type … Achter haar huid is niets dan bloed, niets bovenaardsch.” [287]

Maar Pierina was blijven staan en wees met een handbeweging op haar moeder, die voor de hooge deur van een onafgebouwd paleis op een half kapotte kist zat. Ook zij moest heel mooi geweest zijn, doch nu op haar veertigste jaar reeds was zij vervallen; haar oogen waren uitgedoofd door de ellende, haar mond met de zwarte tanden misvormd, haar gezicht doorploegd met diepe, slappe rimpels, haar boezem buitengewoon groot en afhangend. Bovendien was zij akelig-smerig; haar grijzende, ongekamde haren fladderden in verwarde lokken, haar rok en jak zaten vol vlekken en lieten het vuil op haar ledematen zien. Met haar beide handen hield zij een slapenden zuigeling, haar jongste kind, op haar knieën. Zij keek het wicht als terneergeslagen en moedeloos aan met de uitdrukking van een in zijn lot berustend lastdier, als een moeder, die kinderen op de wereld gebracht en gevoed heeft, zonder te weten waarom.

“Ja, ja!” zeide zij opkijkend; “dat is de mijnheer, die me een daalder is komen brengen, omdat hij je huilend aangetroffen had. En nu komt hij met zijn vrienden nog eens naar ons kijken. Ja, ja, er zijn toch nog goede zielen.”

Toen vertelde zij haar geschiedenis; maar onverschillig, zonder zelfs te trachten hun medelijden op te wekken. Zij heette Giacinta en was getrouwd met een metselaar, Tommaso Gozzo, bij wien zij zeven kinderen gehad had, Pierina, dan Tito, een grooten jongen van achttien jaar, en nog vier meisjes telkens na twee jaar, en nu eindelijk dit kind, een jongen. Heel lang hadden zij in dezelfde woning in Trastevere gewoond, een oud huis, dat echter gesloopt was. En het scheen, dat men tezelfdertijd hun bestaan gesloopt had, want sedert zij hun toevlucht gezocht hadden in de Prati del Castello, trof hen de eene ramp na de andere, de vreeselijke crisis in de bouwvakken, die Tommaso en haar zoon Tito werkeloos gemaakt had, de sluiting van de wasparelenfabriek, waar Pierina tenminste nog twintig centesimi verdiende, zoodat zij niet van honger behoefden om te komen. Maar nu werkte niemand, leefde de heele familie van het toeval.

“Als u soms liever naar boven wilt? Daar zult u Tommaso vinden met zijn broer Ambrogio, dien we bij ons genomen hebben; zij zullen beter met u kunnen praten en alles vertellen, wat gezegd moet worden … Wat zal ik u zeggen? Tommaso rust uit net als Tito, hij slaapt, omdat hij toch niets beters te doen heeft.” [288]

Met haar hand wees zij naar een jongen, flinken kerel met een grooten neus, een harden mond en dezelfde mooie oogen als Pierina, die languit in het dorre gras lag. Al die menschen niet vertrouwend, had hij even opgekeken. Een toornige plooi kwam op zijn voorhoofd, toen hij merkte met welk een verrukten blik zijn zuster naar den prins keek. Hij liet zijn hoofd weer achterover vallen, doch sloot zijn oogleden niet, maar loerde eronder door naar hen.

“Pierina, wijs jij mevrouw en den heeren den weg eens.”

Enkele andere vrouwen, wier naakte voeten in afgeloopen pantoffels staken, waren dichterbij gekomen; troepen kinderen, halfgekleede meisjes, waarbij ongetwijfeld de vier van Giacinta waren, wriemelden om haar heen. Allen geleken met haar zwarte oogen onder de verwarde kroesharen zoo op elkaar, dat alleen de moeders ze onderscheiden konden; het was als een opschieten, als een kampeeren der ellende in de volle zon midden in deze majestueuse ongeluksstraat, die door onvoltooide en reeds in puin vallende paleizen omzoomd werd.

“Neen, ga niet mee naar boven,” zeide Benedetta zacht en met een glimlachende teederheid tegen haar neef; “ik wil je dood niet, beste Dario. Het is al heel lief van je, dat je tot hier meegegaan bent. Nu mijnheer de abbé en mijnheer Habert met me medegaan, kan je best hier buiten in de heerlijke zon wachten.”

Ook hij begon te lachen en gaf gaarne gevolg aan haar wensch; hij stak een sigaret aan en ging met kleine pasjes op en neer loopen.

Pierina was vlak onder de groote portiek doorgegaan. Deze had een hoog, met rosetvormige vakken versierd gewelf; maar in de vestibule bedekte een echte mestvaalt de marmeren tegels, die men reeds was begonnen te leggen. Dan kwam de monumenteele steenen trap met de gescheurde en gebeeldhouwde leuning; de treden waren reeds gebroken en met zulk een dikke laag vuil bedekt, dat zij wel zwart geleken. Overal hadden handen vettige sporen achtergelaten.

Op het groote portaal van de tweede verdieping bleef Pierina staan en riep door de opening van een groote, openstaande deur zonder lijst of vleugels:

“Vader, een dame en twee heeren willen u spreken.”

En zich dan tot de contessina wendend:

“Heelemaal achteraan, in de derde kamer!”

En zij maakte zich uit de voeten, liep veel vlugger de [289]trap af dan zij hem opgegaan was; zij wilde Dario weer zien.

Benedetta en de twee heeren liepen twee zeer groote kamers door; de grond vertoonde heuveltjes van afgevallen kalk, de ramen stonden wijd open. Eindelijk kwamen zij in een kleineren salon, waar de geheele familie Gozzo, met wat zij nog aan meubelen over had, huisde. Op den grond lagen op de onbedekt gebleven ijzeren dwarsbalken vijf of zes vuile, door zweet verteerde stroozakken. Een lange, nog goede tafel stond in het midden, evenals een paar oude, met touwen vastgebonden stoelen, waaruit echter de stroozittingen verdwenen waren. Maar het zwaarste werk was toch geweest twee van de drie ramen met planken dicht te spijkeren, terwijl het derde en de deur gesloten waren met oud, vuil linnen vol gaten.

Tommaso, de metselaar, scheen verbaasd, blijkbaar was hij dergelijke liefdadigheidsbezoeken niet gewend. Hij zat met zijn beide ellebogen en zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel uit te rusten, zooals zijn vrouw Giacinta gezegd had. Het was een flinke kerel van een vijf-en-veertig jaar met een zwaren haar- en baardgroei, een groot, lang gezicht en, ondanks zijn niets doen, de waardigheid van een Romeinsch edelman. Bij het zien van de twee heeren, in wie hij onmiddellijk vreemdelingen rook, stond hij met een plotselingen aanval van wantrouwen op. Maar zoodra hij Benedetta herkende, begon hij te glimlachen; en toen zij hem het doel van haar komst vertelde en zeide, dat Dario beneden gebleven was, viel hij haar in de rede:

“Ik weet het, ik weet het, contessina … Ik weet heel goed, wie u bent, want ik heb, toen mijn vader nog leefde, in den palazzo Boccanera eens een raam dichtgespijkerd.”

Dan liet hij zich gewillig uitvragen. Aan Pierre, die verbaasd luisterde, antwoordde hij, dat er wel geen geluk heerschte, maar dat zij toch zouden hebben kunnen leven, wanneer ze maar twee dagen per week konden werken. Het was heel goed aan hem te merken, dat hij heel graag de buikriem toehaalde, als hij maar op zijn gemak leven kon. Het was weer precies de geschiedenis van den slotenmaker, die, toen een reiziger hem liet roepen om het slot van een koffer te openen, waarvan de sleutel was weggeraakt, absoluut weigerde in zijn siësta-uurtje te komen. Daar er zooveel ledige paleizen voor de armen openstonden, behoefde men geen huur meer te betalen, en ze waren zoo gauw tevreden en stelden zulke [290]lage eischen, dat enkele centisimi voor voedsel voldoende geweest zouden zijn.

“Ja, mijnheer, onder den paus ging alles beter … Mijn vader, die evenals ik, metselaar was, heeft zijn geheele leven in het Vaticaan gewerkt: trouwens, wanneer ik tegenwoordig nog werk heb, is het altijd daar … Ziet u eens, wij zijn allemaal verwend door die tien jaar, dat er zooveel werk was, dat je niet van den ladder kwam en verdiende wat je wilde. Natuurlijk kon je beter eten, je beter kleeden en behoefde je je geen pleiziertje te ontzeggen, en daarom is het des te harder dat nu wel te moeten doen … Maar als u ons onder den paus eens hadt kunnen zien! Geen belastingen, alles voor niets, je behoefde alleen maar te leven!”

Op dat oogenblik klonk van een der stroozakken in de schaduw der dichtgespijkerde ramen, een gebrom.

“Dat is mijn broer Ambrogio,” ging de metselaar op zijn gelaten, kalmen toon voort, “hij is het niet met me eens … In ’49, toen hij veertien was, heeft hij met de republikeinen medegedaan … Maar dat hindert niets, we hebben hem toch bij ons genomen, toen we hoorden, dat hij van honger en ellende in een kelder omkwam.”

De bezoekers doorhuiverde een rilling van medelijden. Ambrogio was vijftien jaar ouder dan zijn broeder en, hoewel hij nauwlijks zestig was, nog slechts een ruïne: hij werd door koorts verteerd en zijn beenen waren zóó mager, dat hij zijn dagen op zijn stroomatras doorbracht, zonder ooit uit te gaan. Hij was kleiner, magerder en drukker dan zijn broeder en vroeger schrijnwerker geweest. Maar ondanks zijn lichamelijk verval had hij nog een zeer helder hoofd, het edele en tragische gelaat van een apostel en een martelaar.

“De paus, de paus,” bromde hij, “ik heb nooit iets kwaads gezegd van den paus, maar het is toch zijn schuld, dat de tyrannie blijft voortduren. Hij alleen had ons in ’49 de republiek kunnen geven, en dan zou het met ons niet zoo gesteld zijn, zooals het nu het geval is.”

Hij had Mazzini gekend en koesterde nog steeds diens onbestemd ideaal van een republikeinschen paus, die vrijheid en broederschap op aarde zou doen heerschen. Maar later verwarde zijn hartstocht voor Garibaldi dit begrip; van af dat oogenblik hield hij het pausdom voor onwaardig en niet in staat om te werken aan de bevrijding der menschheid, zoodat hij zweefde tusschen het droombeeld van zijn jeugd [291]en zijn harde levenservaring. Verder had hij altijd gehandeld onder den invloed van een heftige emotie en bleef het bij mooie woorden, bij vage, onbestemde verlangens.

“Ambrogio,” begon Tommaso, nog altijd even kalm, weer; “de paus is de paus, en wie verstandig is, kiest zijn partij, omdat hij altijd de paus zijn zal, dat wil zeggen de sterkste. Als we morgen stemmen moesten, zou ik voor hem stemmen.”

De oude werkman haastte zich niet met een antwoord. De bedachtzame voorzichtigheid van zijn ras had hem kalm gemaakt.

“Ik zou tegen hem stemmen, Tommaso, altijd tegen hem … En je weet heel goed, dat wij altijd de meerderheid zouden hebben. Met den paus-koning is het uit. De Borgo zelf zou daartegen in opstand komen … Maar dat wil niet zeggen, dat we ons niet met hem verstaan moeten, opdat de godsdienst van iedereen gerespecteerd wordt.”

Vol belangstelling luisterde Pierre. Hij waagde het een vraag te stellen.

“En zijn er in Rome veel socialisten onder het volk?”

Ditmaal liet het antwoord zich nog langer wachten.

“Socialisten, mijnheer de abbé, ja zeker, enkelen, maar lang zooveel niet als in andere steden … Dat zijn nieuwigheden, waarbij de ongeduldigen zich aansluiten zonder er heel veel van te begrijpen … Wij, ouderen, waren voor de vrijheid, wij zijn niet voor brandstichten en moorden.”

Waarschijnlijk was hij bang in tegenwoordigheid van die dame en die heeren te veel te zeggen, want hij begon te steunen, terwijl hij zich op zijn matras uitstrekte. Intusschen maakte de contessina, die last begon te krijgen van den stank, aanstalten om weg te gaan, na den priester gewaarschuwd te hebben, dat het beter zou zijn hun aalmoes beneden aan de vrouw te geven.

Reeds was Tommaso weer met zijn kin tusschen zijn handen aan de tafel gaan zitten en groette zijn gasten zonder zich om hun weggaan meer te bekommeren dan om hun komen.

“Tot ziens! Het was mij een groot genoegen u van dienst te kunnen zijn!”

Maar op den drempel kon Narcisse zijn geestdrift niet meer bedwingen. Hij keerde zich om, om nog eens den kop van den ouden Ambrogio te bewonderen.

“Mijn waarde abbé, wat een meesterwerk! Dat is heerlijk, dat is schoon! Hoeveel minder banaal is dat dan het gezicht [292]van dat meisje … Hier ben ik er zeker van, dat een geslachtelijke valstrik mij niet in een onreine verleiding brengt. Ik geraak om lage redenen niet in verrukking … En bovendien, welk een oneindigheid is er in die rimpels, welk een mysterie in die diepe oogen, welk een geheimzinnigheid in die stoppelige haren en baard! Zoo stel je je een profeet, God den Vader voor!”

Beneden zat Giacinta nog met haar zuigeling op de half kapotte kist; eenige passen verder stond Pierina voor Dario en keek met een verrukt gezicht, hoe hij zijn sigaret oprookte, terwijl Tito nog als een dier in het gras op den loer lag en hen geen oogenblik uit het oog verloor.

“O, mevrouw,” begon Giacinta met haar berustende en temende stem; “nu hebt u het zelf gezien, het is bijna niet bewoonbaar! Het eenige goede ervan is, dat je er werkelijk wat ruimte hebt. Maar aan den anderen kant tocht het er altijd zóó, dat je er ieder oogenblik van den dag een doodelijke kou kan vatten. En dan ben ik altijd bang voor de kinderen met het oog op de gaten.”

Zij deed het verhaal van een vrouw, die, toen zij op het portaal wilde gaan, een raam voor een deur aangezien had, op straat gevallen en onmiddellijk dood was. Een meisje had haar armen gebroken door van een trap te vallen, die geen leuning had. Bovendien zou je er kunnen sterven, zonder dat iemand het wist of op het denkbeeld komen zou je op te rapen. Den vorigen dag nog had men achter in een afgelegen kamer het lijk van een ouden man gevonden, die minstens een week geleden van honger gestorven moest zijn; hij zou er zeker nog langer blijven zijn liggen, als de vreeselijke stank den buren zijn aanwezigheid niet verraden had.

“En als je nu nog maar te eten hadt!” ging Giacinta voort. “Maar wanneer je niet eet en je een kind voeden moet, dan heb je geen melk. De kleine zuigt je gewoon je bloed uit je lichaam! Hij wordt boos, wil wat hebben—och, en dan begin ik te huilen, want het is mijn schuld niet, dat er niets is.”

Inderdaad waren er tranen in haar oogen gekomen. Maar een plotselinge woede maakte zich van haar meester, toen zij merkte, dat Tito nog steeds als een beest in het zonnetje lag, wat zij al heel onbeleefd vond voor die hooge dame en heeren, die haar zeker een aalmoes zouden geven.

“Hei, Tito, luilak, kan je niet opstaan, wanneer er menschen zijn?” [293]

Hij hield zich eerst doof, maar stond toch eindelijk kwaadgehumeurd op. Pierre, die belang stelde in den jongen, trachtte hem aan het praten te krijgen, zooals hem dat boven met den vader en den oom gelukt was. Doch hij kreeg slechts korte, wantrouwende, gemelijke antwoorden uit hem. Als je geen werk hadt, was slapen het eenige, dat er overbleef. Met kwaad worden veranderde je de dingen toch niet. Het beste was te leven zoo goed en zoo kwaad als het ging, zonder het je moeilijk te maken. Wat de socialisten betreft, ja misschien waren er enkelen, maar hij kende ze niet. En uit zijn indolente, onverschillige houding bleek heel duidelijk, dat, ook al mocht de vader voor den paus en de oom voor de republiek zijn, hij, de zoon, voor niets was. Pierre voelde daarin het einde van een volk of liever gezegd den slaap van een volk, waarin nog geen democratie ontwaakt was.

Maar toen de priester door bleef vragen, hoe oud hij was, op welke school hij geweest was, in welke wijk hij geboren was, viel Tito, terwijl hij met zijn vinger op zijn borst wees, hem met een ernstige stem in de rede:

Io son Romano di Roma!

Inderdaad, was dat niet het antwoord op alles? “Ik ben een Romein uit Rome!” Pierre glimlachte droevig en zweeg. Nooit had hij beter den hoogmoed van het ras, het oeroude, zoo zwaar op de schouders drukkende erfdeel van den roem gevoeld. In dezen gedegenereerden jongen, die nauwlijks lezen of schrijven kon, herleefde de onbeperkte ijdelheid der Caesars. Deze hongerlijder kende de stad, zou instinctmatig de mooiste bladzijden uit haar geschiedenis kunnen vertellen. Hij was vertrouwd met de namen der groote keizers en groote pausen. Waarom te werken, nadat men de meester der wereld geweest was? Waarom zou men in de mooiste stad, onder den mooisten hemel, niet in voornaam nietsdoen leven?

Io son Romano di Roma!

Benedetta had haar aalmoes in de hand der moeder laten glijden en Pierre en Narcisse, die haar voorbeeld volgden, deden hetzelfde, toen Dario, die Pierina niet wilde vergeten, maar haar toch geen geld durfde geven, op een aardig denkbeeld kwam. Hij bracht zacht zijn vingers aan zijn lippen en zeide met een vriendelijk lachje:

“Voor de schoonheid!”

Dit kushandje, dat eenigszins ermede spottende lachje, deze zoo vertrouwlijke prins, dien de zwijgende vereering [294]van de mooie parelwerkster als in een liefdesgeschiedenis uit vroeger tijden trof, dat alles had werkelijk iets bekorends en liefs.

Pierina kreeg een kleur van blijdschap; zij raakte heelemaal haar hoofd kwijt, nam plotseling de hand van Dario, drukte er haar warme lippen op in een onberedeneerde opwelling, waarin zoowel groote dankbaarheid als verliefde teederheid lag. Maar de oogen van Tito fonkelden van woede; hij greep zijn zuster ruw bij haar rok en stiet haar met zijn vuist op zijde, terwijl hij dreigend bromde:

“Pas op hoor, ik vermoord jou en hem ook!”

Het werd hoog tijd, om weg te gaan, want ook andere vrouwen, die het geld blijkbaar geroken hadden, kwamen naderbij, staken haar hand uit en lieten haar huilende kinderen zien. Een groote opwinding had zich van de ellendige wijk met haar groote verwaarloosde gebouwen meester gemaakt, een noodkreet rees op uit de doode straten met de op marmeren bordjes prijkende namen. Wat te doen? Ze konden toch niet aan allen geven. Er bleef niet anders over dan weg te vluchten.

Toen Benedetta en Dario weer bij haar rijtuig waren, stapten zij vlug in en drukten zich, blij aan deze nachtmerrie ontsnapt te zijn, dicht tegen elkaar. Toch streelde het haar eigenliefde, dat zij zich in tegenwoordigheid van Pierre dapper gehouden had, en drukte hem de hand als een dappere leerling, toen Narcisse gezegd had, dat hij met den priester wilde gaan dejeuneeren in het kleine restaurant op de piazza S. Pietro, vanwaar men zoo’n interessant gezicht op het Vaticaan had.

“Drinkt een glas witten Genzano,” riep Dario, die zijn oude vroolijkheid weer teruggekregen had, hun na. “Er bestaat niets beters om zwartgallige ideeën te verjagen.

Maar Pierre was onverzadigbaar, wilde meer bijzonderheden weten. Onderweg vroeg hij Narcisse naar het volk van Rome, naar zijn leven, zijn zeden en gewoonten. Het onderwijs beteekende zoo goed als niets. Industrie en handel was er bijna niet te vinden. De mannen oefenden de enkele nog bestaande handwerken uit, terwijl het voortgebrachte alleen maar in Rome zelf verkocht werd. Onder de vrouwen waren enkele parelwerksters en borduursters, terwijl religieuze artikelen, medailles en rozenkransen, en het vervaardigen van lokale snuisterijen altijd een zeker aantal menschen van werk voorzagen. Maar zoodra de vrouw trouwde en moeder werd [295]van een als door een wonder opschietende kinderzwerm werkte zij niet meer. In het kort gezegd, de bevolking leefde, zoo goed en zoo kwaad als het ging, werkte juist genoeg om te eten, was tevreden met groenten, pap en een beetje schapenvleesch, kwam niet in opstand, was zonder eenige eerzucht voor de toekomst, zorgde slechts voor den dag van heden. De twee eenige ondeugden waren het spel en de roode en witte wijn van de Romeinsche Castelli, wijnen, die tot moord en doodslag aanzetten, wijnen, die op avonden van feestdagen na het sluitingsuur der kroegen de straten vulden met reutelende, met messteken doorboorde mannen. De meisjes waren over het algemeen zeer fatsoenlijk; zij, die zich voor het huwelijk aan een man overgaven, waren te tellen. Dat vond vooral zijn oorzaak in het feit, dat de familieband zeer sterk was en het vaderlijk gezag nog onbeperkt heerschte.

De broers waakten over de eer van haar zusters, zooals Tito, hoewel hij zoo ruw tegenover Pierina was, over haar waakte met een woeste zorg, en dat niet om de een of andere geheime ijverzucht, maar voor den goeden naam en de eer der familie. En toch heerschte er geen werkelijke godsdienstigheid, maar wel een zeer kinderlijke afgoderij: aller harten gingen uit tot Maria en de heiligen; dezen alleen bestonden, tot hen alleen werd gebeden met achterstelling van God, aan wien het niemand inviel te denken.

Uit dit alles was het stilstaan van het lagere Romeinsche volk zeer goed te verklaren. Eeuwen van aangemoedigd niets doen, gestreelde ijdelheid en verweekelijkt leven lagen achter hen. Wanneer zij geen metselaars, schrijnwerkers of bakkers waren, dan waren zij bedienden; zij dienden bij priesters en waren daardoor min of meer aan den invloed van het Vaticaan onderworpen. Vandaar twee streng gescheiden partijen: de vroegere carbonari, de latere Mazzinianen en Garibaldianen, die ongetwijfeld de meerderheid en de elite van Trastevere vormden; en de aanhangers van het Vaticaan, al degenen, die van de Kerk leefden en naar den paus-koning terug verlangden. Maar aan beide kanten bleef het altijd bij denkbeelden, waarover men sprak, zonder dat ooit de gedachte opkwam, zich eens voor het een of ander in te spannen, zich bloot te stellen aan een gevaar. Er zou een zeer sterke hartstocht voor noodig geweest zijn, om het koele verstand van het ras weg te vagen en hen tot den een of anderen waanzin te brengen. Waartoe ook? De [296]ellende duurde al zooveel eeuwen, de hemel was zoo blauw, de siësta tijdens de warmste uren was meer waard dan al het overige. Slechts een ding scheen erbij gekomen te zijn, een fond van vaderlandsliefde.

De meerderheid was beslist voor Rome als hoofdstad, voor dezen heroverden roem, zelfs in dien mate, dat er in de Leostad bijna een oproer uitgebroken was, toen er sprake was van een accoord tusschen Italië en den paus, dat als grondslag het herstel van de wereldlijke macht over die stad had. Dat de ellende toch grooter scheen geworden te zijn en de Romeinsche werkman meer klaagde, vond zijn oorzaak hierin, dat hij in werkelijkheid niets gewonnen had bij de reusachtige werken, die de laatste vijftien jaar in zijn stad waren uitgevoerd. In de eerste plaats hadden veertig duizend arbeiders Rome overstroomd, arbeiders, die voor het grootste gedeelte uit het Noorden gekomen waren, voor minder loon werkten, moediger waren en meer weerstandsvermogen bezaten. In de tweede plaats had hij, toen hij zelf zijn deel in het werk kreeg, beter geleefd, zonder echter iets op zijde te leggen, zoodat, toen de crisis uitgebroken was en men de veertig duizend arbeiders weer naar hun provincies had moeten terugzenden, hij weer in dezelfde positie verkeerde als vroeger: in een doode stad, waarin alle werkplaatsen ledig stonden en voorloopig geen kans op werk was. Aldus viel hij weer terug tot zijn oude indolentie, in den grond der zaak blij, dat hij niet door al te veel werk geplaagd werd, en ging weer zoo goed mogelijk samenwonen met zijn oude liefde, de ellende—zonder een cent, maar als een groote mijnheer.

Vooral werd Pierre getroffen door het groote verschil in karakter tusschen de ellende te Parijs en die te Rome. Ongetwijfeld was hier de ontbering nog grooter, het voedsel nog vuiler, de smerigheid nog afstootender. Maar hoe kwam het dan, dat deze verschrikkelijk-arme menschen meer echte vroolijkheid bezaten, hun leed opgewekter droegen? Wanneer hij zich een winter te Parijs, de krotten, die hij zoo dikwijls bezocht had, waarin de sneeuw binnendwarrelde en heele families zonder vuur of brood zaten te rillen, voor den geest riep, dan werd zijn hart aangegrepen door een medelijden, dat hij in de Prati del Castello lang niet zoo levendig gevoeld had. Nu eindelijk begreep hij het: de ellende te Rome was een ellende, die geen koude leed. Welk een heerlijke en eeuwige troost was die altijd warme [297]zon, die weldoende hemel, die uit medelijden met die ongelukkigen, steeds blauw bleef. Wat beteekende een krot van een verblijf, wanneer men buiten kon slapen en zich laten liefkoozen door de zoele winden? Wat beteekende zelfs honger, wanneer het huishouden in zonnige straten, in het droge gras op het geluk van het toeval wachten kon? Het klimaat maakte de menschen sober: er waren geen nevels, die men met alcohol trachtte te overwinnen. Het goddelijke nietsdoen vermeide zich in de gulden avonden, de armoede werd in deze heerlijke lucht, waarin het enkele levensgeluk voor het schepsel voldoende scheen te zijn, een vrij genot.

Te Napels, vertelde Narcisse, leefde in de nauwe, stinkende, met te drogen hangend waschgoed gepavoiseerde straten aan de haven en in Santa Lucia de bevolking heelemaal buiten. De vrouwen en de kinderen, die niet beneden op straat waren, leefden op lichte houten balcons, die voor alle ramen aangebracht waren. Hier werd genaaid, gezongen, gewasschen. Maar de straat was eigenlijk de gemeenschappelijke woonkamer; hier trokken de mannen hun broeken aan, reinigden halfnaakte vrouwen haar kinderen van ongedierte en kamden zichzelf; hier was voor het hongerige volk de tafel altijd gedekt. Op kleine tafeltjes, op wagens werd een doorloopende markt gehouden van goedkoope eetwaren, te rijpe granaatappels en watermeloenen, gekookte knoedels, afgekookte groenten, gebakken visch, mosselen, alle heelemaal klaar en gereed, zoodat men altijd in de open lucht kon eten, zonder ooit vuur behoeven aan te maken. En wat voor een wriemelende menigte! De vrouwen gesticuleerden aan één stuk door, de vaders zaten in een lange rij langs de trottoirs, kinderen renden heen en weer te midden van een oorverdoovend lawaai, geschreeuw, gezang, muziek. Ruwe stemmen barstten in luid gelach uit, bruine, niet mooie gezichten hadden prachtige oogen, die onder het inktzwarte, verwarde haar van levensvreugde schitterden. O, arm, vroolijk, kinderlijk, onwetend volk, welks eenige wensch zich tot de enkele centesimi bepaalde, die noodig waren, om op deze eeuwigdurende markt zijn honger te stillen!

Zeker, nog nooit was een democratie zich minder zichzelf bewust geweest. Waar zij, zooals men zeide, terugverlangden naar de oude monarchie, onder welke hun rechten op dit leven van zorgelooze armoede beter verzekerd schenen te zijn, moest men zich wel afvragen, of het noodzakelijk [298]was zich om hunnentwil zooveel moeite te geven, voor hen, tegen hun zin, meer kennis en bewustzijn, meer welvaart en waardigheid te veroveren. Toch steeg in Pierre’s hart bij deze vroolijkheid van hongerlijders, die door de bedwelming van de zon in het leven geroepen werd, een eindelooze droefheid op. Ja de mooie hemel, niets dan de mooie hemel bewerkte deze langdurige jeugd van dat volk, verklaarde, waarom de democratie niet vlugger ontwaakte. O, zeker, de armen van Rome en Napels leden gebrek aan alles; maar in hun hart bleef niet de wrok, dat zij van koude gerild hadden, terwijl de rijken zich warmden voor groote vuren; zij kenden niet de woeste droomen in de door sneeuw koude krotten voor een dun stukje kaars, dat dadelijk uitgebrand zou zijn; zij kenden niet den dan opvlammenden drang, om zichzelf gerechtigheid te verschaffen, kenden niet den plicht van opstand, om vrouw en kinderen van de tering te redden, om zelf ook een warm nestje te hebben, waarin leven mogelijk was. Ja, de ellende, die koude lijdt, is het toppunt, neen het exces van sociale onrechtvaardigheid, de vreeselijke school, waarin de arme zijn lijden leert kennen, ertegen in opstand komt en zweert er een einde aan te zullen maken, ook al moet de oude wereld daardoor ten gronde gaan!

En in dezen milden hemel vond Pierre ook een verklaring voor den Heiligen Franciscus van Assisi, dien goddelijken bedelaar uit liefde, die langs de wegen trok en de heerlijke bekoring der armoede bezong. Hij was ongetwijfeld een onbewust revolutionnair en protesteerde, door dezen terugkeer tot de liefde voor de armen, tot den eenvoud van de oorspronkelijke Kerk, op zijn wijze tegen de overmatige weelde van het Romeinsche Hof. Maar nooit zou zulk een ontwaken van onschuld en matigheid kunnen plaats hebben in een Noordelijk land, dat verstart onder de December-vorsten. Daarvoor is de betoovering der natuur, de matigheid van een door de zon gevoed volk, de door de lauwe wegen steeds gezegende bedelarij noodig. Slechts op die wijze had hij tot volkomen zelfvergetelheid en zelfverloochening kunnen komen. En toen drong zich een eerst onoplosbaar schijnende vraag aan hem op: hoe had een Heilige Franciscus, een ziel, die alle schepselen, de dieren en de dingen, met een zoo vurige broederliefde liefhad, eens kunnen ontstaan op deze aarde, die tegenwoordig zoo liefdeloos, zoo hard voor de armen is, haar mindere volk veracht en niet eens haar paus haar aalmoes geeft? Had de oude hoogmoed de harten uitgedroogd [299]of leidde de ervaring van zeer oude volkeren ten slotte tot egoïsme, dat de ziel van Italië ingesluimerd scheen te zijn in haar dogmatisch en pronkzuchtig Katholicisme, terwijl de terugkeer tot het Evangelische ideaal, de liefde tot de armen en ongelukkigen, in onze dagen ontwaakte in de sombere vlakten van het Noorden, onder de van zon beroofde volkeren? Dat alles werkte samen, maar vooral was het de reden, waarom de Heilige Franciscus, nadat hij zijn dame, de Armoede, zoo vroolijk getrouwd had, haar blootsvoets en nauwlijks gekleed in de heerlijke lente kon leiden te midden van bevolkingen, waarin toen een vurige behoefte aan medelijden en liefde brandde.

Al pratende waren Pierre en Narcisse op het plein voor de St. Pieter gekomen. Zij gingen zitten voor de deur van het restaurant, waarin zij reeds eenmaal gedejeuneerd hadden, aan een der kleine tafeltjes, die met haar smoezelig linnengoed langs het trottoir stonden. Maar het uitzicht was prachtig: tegenover hen de basilica, rechts boven de majestueuze zuilengaanderij het Vaticaan. Dadelijk had Pierre opgekeken naar het Vaticaan, dat hem als het ware niet losliet, vooral naar die tweede verdieping met de altijd gesloten ramen, waar de paus woonde, waar nooit iets levends te zien was. Toen de kellner de hors-d’oeuvre, finocchi en ansjovis bracht, gaf de priester een klein gilletje, om de aandacht van Narcisse te trekken.

“Kijk toch eens, waarde vriend … Daar aan het raam, dat, naar men zegt, dat van den Heiligen Vader is … Ziet u daar niet een witte, onbeweeglijke gestalte staan?”

De jonge man begon te lachen.

“Dat moet de Heilige Vader in eigen persoon zijn, u verlangt zoo zeer hem te zien, dat uw wensch hem als het ware bezweert.”

“Maar ik verzeker u,” zei de Pierre nogmaals, “dat erachter de ramen een witte gestalte staat, die naar ons kijkt.”

Narcisse, die trek had, at, maar bleef onder het eten door schertsen. Dan plotseling ernstig:

“Daar de paus naar ons kijkt, is het het geschikte oogenblik, om nog eens over hem te praten … Ik heb u beloofd u te zullen vertellen hoe hij de millioenen van het erfdeel van den Heiligen Petrus verloren heeft in die verschrikkelijke financieele catastrophe, waarvan u de puinhoopen zooeven gezien hebt, en een bezoek aan de nieuwe wijk in de Prati del Castello zou niet volledig zijn, als het niet besloten werd met dat verhaal.” [300]

En zonder zich iets van het dejeuner te laten ontgaan, vertelde hij de lange geschiedenis. Bij den dood van Pius IX bedroeg het erfgoed van den Heiligen Petrus meer dan twintig millioen. Lang had kardinaal Antonelli, die speculeerde en over het algemeen goede zaken maakte, dat geld gedeeltelijk bij Rothschild en gedeeltelijk in de handen van sommige nuntii gelaten, die in opdracht hadden het in het buitenland goed te beleggen. Maar na den dood van kardinaal Antonelli vroeg zijn opvolger, kardinaal Simeoni, het geld aan de nuntii terug, om het in Rome te plaatsen. In dien tijd, onmiddellijk na zijn troonsbestijging, riep Leo XIII met het doel het erfgoed te besturen, een commissie van kardinalen in het leven, waarvan monsignor Folchi tot secretaris benoemd werd. Deze prelaat, die gedurende twaalf jaar een belangrijke rol speelde, was de zoon van een ambtenaar aan de Daterie2, die bij zijn dood een door handige speculatie bij elkaar gekregen millioen naliet. Monsignor Folchi was in vele opzichten het evenbeeld van zijn vader en liet zich weldra als een financier van de eerste kracht kennen, zoodat de commissie hem langzamerhand alle macht in handen gaf, hem volkomen de vrije hand liet en er zich toe bepaalde het rapport, dat hij in elke zitting indiende, goed te keuren. Het erfgoed gaf niet veel meer dan een millioen rente, en daar de uitgaven tot zeven millioen opliepen, moesten de zes andere elders gevonden worden. De paus gaf jaarlijks drie millioen van den St. Pieterspenning aan monsignor Folchi, die gedurende de twaalf jaar, dat hij het financieele beheer voerde, het wonder verrichtte die te verdubbelen door zijn handige speculaties en beleggingen, zoodat men den uitgaven het hoofd kon bieden zonder het erfgoed aan te spreken.

Zoo behaalde hij in de eerste tijden groote winsten door zijn grondspeculaties te Rome. Hij nam aandeelen in alle nieuwe ondernemingen, speculeerde in molens, omnibussen en waterleidingen, afgezien van een in overeenstemming met een Katholieke bank, de Banca di Romana, gevoerden wisselhandel. De paus, die tot dusverre zijnerzijds ook gespeculeerd had door bemiddeling van een vertrouwensman, een zekeren Sterbini, was over monsignor Folchi’s handigheid zóó verbaasd, dat hij Sterbini ontsloeg en den kardinaal opdroeg ook met zijn geld te speculeeren, zooals hij het met dat van den Heiligen Stoel gedaan had. Dit was de tijd, [301]dat monsignor Folchi op het toppunt van zijn macht stond. Dan begonnen de slechte dagen: de bodem kraakte reeds en als met donderslagen stortte alles in.

Ongelukkigerwijze bestond een der operaties van Leo XIII hierin, dat hij aan den Romeinschen adel, die, verteerd door den hartstocht voor het spel en in grond- en bouwspeculaties gewikkeld, geen geld had, groote sommen leende; deze gaf hem als borgstelling aandeelen, zoodat, toen de debacle kwam, hij niets dan vodjes papier in handen had. Bovendien was er nog een geheel andere, zeer rampspoedige geschiedenis, n.l. de poging, om te Parijs een bank op te richten, met het doel om obligaties, die Italië zelf niet hebben wilde, te plaatsen onder de vrome, aristocratische clientèle in Frankrijk; als lokaas zeide men, dat de paus daarin betrokken was, en het ergste was inderdaad, dat hij bij die zaak drie millioen verloor. Kort en goed, de toestand werd des te kritieker, daar hij ten slotte de millioenen, waarover hij beschikte, in de vreeselijke speculatiepartijen gestoken had, die in Rome onder de vensters van het Vaticaan afgespeeld werden.

Ongetwijfeld werd ook hij door de speelwoede verteerd, misschien ook koesterde hij heimelijk de hoop om door het geld de stad, die men hem met geweld ontrukt had, terug te winnen. De geheele verantwoordelijkheid van dat alles rustte op hem, want nooit stak monsignor Folchi geld in een belangrijke onderneming, zonder hem te raadplegen. Zoo was hij door zijn hebzucht en door zijn zedelijk hooger staanden wensch, om aan de Kerk de moderne almacht van het grootkapitaal te geven, de werkelijke bewerker van de ramp geworden. Maar, zooals het altijd gaat, de kardinaal werd de eenige zondenbok. Hij had een heerschzuchtig en moeilijk karakter; de kardinalen van de commissie sympathiseerden niet met hem, vonden de zittingen volmaakt overbodig, omdat hij als onbeperkt heerscher handelde en men alleen bijeenkwam, om goed te keuren, wat hij wel zoo goed was omtrent zijn operaties mede te deelen. Toen de catastrophe losbrak, werd een complot gesmeed: de kardinalen maakten den paus bang met de praatjes, die de ronde deden en dwongen daarna monsignor Folchi aan de commissie rekening en verantwoording af te leggen. De toestand was buitengewoon zorgwekkend, reusachtige verliezen konden niet meer vermeden worden.

Zoo viel hij in ongenade; van af dat oogenblik heeft hij [302]steeds weer vergeefs om een audiëntie bij Leo XIII gevraagd, die, hardvochtig, steeds geweigerd heeft hem te ontvangen als om hem te straffen voor hun gemeenschappelijke fout, de hebzucht van hen beiden. Maar monsignor Folchi heeft zich nooit beklaagd: vroom, onderworpen en berustend heeft hij zijn geheim bewaard. Niemand zou het cijfer van de millioenen, die het erfgoed van den Heiligen Petrus in de catastrophe van het in een speelhol veranderde Rome gelaten heeft, met juistheid kunnen zeggen; sommigen beweren tien, anderen weer dertig millioen. Het meest aannemelijk is echter, dat er vijftien millioen verloren gegaan zijn.

Na de coteletten met tomaten bracht de kellner een gebraden kip.

“Het gat is nu gestopt,” eindigde Narcisse zijn verhaal, “ik heb u al verteld van de reusachtige sommen, die de St. Pieterspenning opgebracht heeft en waarvan de paus, die over het geheele bedrag beschikt, alleen het juiste cijfer kent … De les is niet voldoende geweest om hem te verbeteren, want ik hoor uit goede bron, dat hij nog altijd speculeert, al is het dan ook voorzichtiger. Zijn vertrouwensman is thans weer een prelaat, monsignor Marzolini, geloof ik, die zijn geldzaken regelt … En hij heeft groot gelijk, je moet met je tijd medegaan.”

Pierre had met toenemende verbazing geluisterd, waarin zich een soort schrik en droefheid mengde. Dit alles was zeer natuurlijk, zelfs gerechtvaardigd, maar in zijn droom van een zielenherder, die hoog boven, ver en vrij van alle wereldlijke zorgen troonde, had hij nooit geloofd, dat zoo iets had kunnen bestaan. Wat, de paus, de geestelijke vader van armen en ongelukkigen, had gespeculeerd met bouwterreinen, met Beurswaarden! De opvolger van den Apostel, de pontifex van Christus, van den Jezus van het Evangelie, den goddelijken vriend der lijdenden, had gespeculeerd, zijn kapitaal belegd bij Joodsche bankiers, zooveel mogelijk geld uit zijn geld willen slaan! En dan, welk een pijnlijke tegenstelling: zooveel millioenen daarboven in de kamers van het Vaticaan, weggesloten in het een of andere geheime meubelstuk—zooveel millioenen, die vruchtdragend werkten, die onophoudelijk belegd en weer teruggenomen werden, om steeds maar meer op te brengen, die als gouden eieren met de hartstochtelijke teederheid van een vrek uitgebroed werden! En daar vlak bij, beneden, in de afschuwlijke, onvoltooide gebouwen van het nieuwe stadsgedeelte zooveel [303]ellende, zooveel arme menschen, die in hun vuil van honger stierven, moeders zonder melk voor haar zuigelingen, mannen, door gebrek aan werk tot nietsdoen gedoemd, grijsaards, die zich afbeulden als lastdieren, welke men doodslaat, als zij tot niets meer nut zijn! O, God van barmhartigheid, God van liefde, was dat mogelijk? Ongetwijfeld had de Kerk materieele behoeften, zij kon niet zonder geld leven en het was een verstandige en zeer politieke gedachte om voor haar een schat bijeen te brengen, die haar in staat stellen zou haar tegenstanders te overwinnen! Maar hoe vernederend, hoe bezoedelend was dat alles! Zij daalde van haar goddelijke hoogte af, om niet meer te zijn dan een partij, een groote internationale vereeniging, die georganiseerd was met het doel om de wereld te veroveren en te bezitten!

En deze zeldzame geschiedenis bracht Pierre tot nog grooter verbazing. Wie zou ooit een onverwachter, pakkender drama hebben kunnen uitdenken? Deze paus, die zich in zijn paleis opsloot, dat ongetwijfeld een gevangenis was, maar een gevangenis, waarvan de honderd ramen uitzagen op een eindelooze ruimte, op Rome, de Campagna, de ver verwijderde heuvels; deze paus, die uit zijn raam op alle uren van den dag en van den nacht het geheele jaar door, met één oogopslag zijn stad omvatten kon—zijn stad, die men hem ontstolen had, waarvan hij de teruggave met een ononderbroken jammerklacht eischte; deze paus, die van het begin der werken af, van dag tot dag, de veranderingen, die zijn stad onderging, aanschouwd had: het neerhalen van de oude wijken, het verkoopen van terreinen, het geleidelijk oprijzen van nieuwe gebouwen, die langzamerhand een witten gordel om de oude rossige daken vormden; deze paus, die bij het dagelijks zien van deze bouwwoede, welke hij van zijn opstaan tot zijn naar bed gaan volgen kon, ten slotte zelf medegesleept werd door den hartstocht voor het spel, die als een roes uit de geheele stad opsteeg; deze paus, die uit zijn op zoo stoïcijnsche manier gesloten kamer met de verfraaiingen van zijn oude stad begon te speculeeren, die trachtte zich te verrijken met de door de Italiaansche regeering, die hij voor roover uitmaakte, in het leven geroepen stadsuitbreiding en ten slotte plotseling in een geweldige catastrophe, die hij had moeten wenschen, maar die hij niet voorzien had, millioenen verloor! Neen, nooit nog had een onttroonde koning aan een vreemdere ingeving toegegeven, zich gewaagd in een tragischer avontuur, [304]dat hem als een straf trof. En dit was geen koning, dit was de afgezant Gods, dit was God zelf, de onfeilbare in de oogen der aanbiddende Christenheid!

Het dessert, geitenkaas en vruchten, was gebracht, en Narcisse was juist met een trosje druiven klaar, toen hij opkeek en uitriep:

“Maar ge hebt groot gelijk, waarde vriend, ik zie nu ook die witte schim daarboven achter de ramen in de kamer van den Heiligen Vader heel duidelijk.”

Pierre, die zijn blikken niet van het raam af had, antwoordde langzaam:

“Ja, zij was verdwenen, maar toen weer teruggekomen, en nu staat zij er nog steeds, wit en roerloos.”

“Maar wat zoudt ge dan willen, dat hij deed?” vroeg de jonge man op zijn kwijnenden toon, waaruit men niet opmaken kon, of hij spotte of niet. “Hij doet als iedereen en kijkt eens naar buiten, wanneer hij zich wat verzetten wil, en dat des te eerder, omdat hij werkelijk iets ziet, waarnaar je nooit moede wordt te kijken.”

Dat was het juist, wat Pierre in een toenemende opwinding bracht. Men sprak altijd van een gesloten Vaticaan, en hij had zich een somber, door hooge muren omgeven paleis voorgesteld, want niemand had hem gezegd, niemand scheen te weten, dat dit paleis Rome beheerschte en dat de paus van uit zijn raam de wereld zag. En de onmetelijkheid van dat uitzicht kende Pierre, hij had het gezien van af den top van den Janiculus; van uit de loggia’s van Raffaël, van af den dom der Basilica. En waar Leo XIII, roerloos en wit achter zijn ramen, naar keek, dat riep Pierre voor zijn geestesoog op, zag het met hem. In het midden van de uitgestrekte vlakte der Campagna, die de Sabijnsche en Albaansche heuvelen begrensden, zag Leo XIII de zeven beroemde heuvels: den door de boomen der villa Pamphili gekroonden Janiculus; den Aventinus, waarvan niets overgebleven was dan de drie half in het groen schuil gaande kerken; dan iets verder afgelegen, den door zijn rijpe oranjeappelen der villa Mattei doorgeurden Coelius; den Palatinus, die een dunne, daar als op het graf der Caesars opgeschoten rij cypressen omzoomde; den Esquilinus, waarop zich de slanke klokkentoren van de Santa Maria Maggiore verhief; den Viminalis, die met zijn verwarde en witachtige opeenhooping van nieuwe gebouwen op een openliggende steengroeve geleek; den Capitolinus, dien de vierkante campanile [305]van het Senatorenpaleis nauwlijks aanwees; den Quirinalis, waarop het paleis van den koning fel-geel afstak tegen de donkere schaduwen der tuinen. Hij zag behalve de Santa Maria Magggiore alle basilica’s, S. Giovanni in Laterano, de wieg van het pausdom, S. Paola fuori le mura, S. Croce in Gerusalemme, S. Agnese, de dom van Il Gesù, van S. Andrea della Valle, van S. Carlo, van S. Giovanni del Fiorentini en al de vierhonderd kerken van Rome, die de stad in een met kruisen beplant, heilig veld veranderen. Hij zag de beroemde monumenten, de getuigen van den eeuwenouden hoogmoed, de Engelenburg, een in een pauselijke vesting veranderd keizersgraf, de witte lijn der andere graven langs de Via Appia, dan de verspreid liggende ruïnen van Caracalla, van het paleis van Septimius Severus, zuilen, gaanderijen, triomfbogen, de paleizen en de villa’s van prachtlievende kardinalen der Renaissance, den palazzo Farnese, den palazzo Borghese, de villa Medicis en alle, alle andere—een gewemel van daken en gevels.

Maar voor alles zag hij links, vlak onder zijn raam, den gruwel van de nieuwe, onvoltooide wijk der Prati del Castello. Wanneer hij ’s middags in zijn tuinen wandelde, die als een citadel door den muur van Leo IV ingesloten was, had hij het vreeselijke uitzicht op het dal, dat men in den koortsachtigen tijd der bouwwoede in den voet van den monte Mario gegraven had, om er steenbakkerijen op te richten. De groene hellingen zijn opengehaald, geelachtige gangen loopen naar alle kanten, terwijl de thans gesloten fabrieken met haar hooge, doode schoorsteenen, waaruit geen rook meer opstijgt, niets meer dan armzalige ruïnes zijn. Op geen uur van den dag kon hij bij een raam komen zonder die verwaarloosde gebouwen, waarvoor zooveel steenbakkerijen gewerkt hebben, voor oogen te hebben, deze gebouwen, die dood waren voor zij geleefd hadden, waarin op dat oogenblik niets was dan de wriemelende ellende van Rome, dat hier als het cadaver van oude maatschappijen tot ontbinding lag over te gaan.

Vóór alles echter beeldde Pierre zich in, dat Leo XIII, de witte schim daar boven, ten slotte de geheele overige stad vergat, om zijn droomenden blik op den Palatinus te richten, die nu ontkroond is en nog slechts zijn zwarte cypressen in den blauwen hemel opricht. Ongetwijfeld bouwde hij in gedachten de paleizen der Caesars weer op, en voor zijn blik verrezen dan hooge, geheel roode, met het purper bekleede [306]schimmen op, zijn voorvaderen, de keizers en de pontifices, die hem alleen konden zeggen, hoe men als onbeperkt heerscher der wereld, over de wereld regeeren kon. Dan gingen zijn blikken naar den Quirinalis en bleven daar uren lang rusten in de aanschouwing van het koningschap tegenover hem. Welk een zonderling toeval, dat deze beide paleizen, het Quirinaal en het Vaticaan, elkaar aankijken, dat zij naast elkander boven het Rome der Middeleeuwen en der Renaissance uitsteken, welks door de gloeiende zon verbrande en vergulde daken aan den oever van den Tiber zich ophoopen en samenvloeien. Met een eenvoudigen verrekijker kunnen de paus en de koning, wanneer zij voor hun ramen gaan staan, elkander duidelijk zien. Zij zijn niets dan onbeteekenende, in de grenzenlooze ruimte verloren gaande punten; en welk een afgrond ligt er tusschen hen, hoeveel eeuwen van geschiedenis, hoeveel generaties, die gestreden en geleden hebben, hoeveel doode grootheid, hoeveel zaad voor de geheimzinnige toekomst! Zij zien elkaar en strijden nog steeds om het volk, dat voor hun oogen op- en neergolft. Wien zal de onbeperkte macht ten deel vallen, den pontifex, den herder der zielen, of den monarch, den meester der lichamen?

Pierre vroeg zich af aan welke overpeinzingen, aan welke droomerijen Leo XIII zich over zou geven achter die ramen, waar hij nog altijd zijn bleeke, spookachtige schim meende te zien. Bij het zien van het nieuwe Rome, van de oude, gesloopte wijken, van de door een ongeluksstorm met den grond gelijk gemaakte stadsdeelen, moest hij zich ongetwijfeld verheugen over de reusachtige mislukking der Italiaansche regeering. Men had hem zijn stad ontstolen, men had hem als het ware willen laten zien, hoe men een groote hoofdstad in het leven roept, en dat was uitgeloopen op die catastrophe, op zooveel leelijke, nuttelooze bouwwerken, die men niet eens wist hoe af te maken. Het kon niet anders of hij moest zich verheugen in die vreeselijke ongelegenheden, waarin het usurpatorische gezag geraakt was, in de politieke, in de financieele crisis, in de steeds verder om zich heen grijpende nationale malaise, waarin dat gezag binnen niet al te langen tijd ten gronde dreigde te gaan; en toch, sloeg ook niet in zijn borst het hart van een patriot, was ook niet hij een liefhebbende zoon van dat Italië, welks genie en eeuwenoude eerzucht ook in zijn aderen stroomde? O neen, niets tegen Italië; integendeel, alles wilde hij doen, om te [307]bewerken, dat het weer de wereldbeheerscher werd! Ongetwijfeld steeg te midden van zijn blijde hoop een smartelijk gevoel in hem op, wanneer hij zag hoe Rome ten gronde gericht, met een bankroet bedreigd werd, hoe het als het ware zijn onmacht in het openbaar ten toon stelde. Maar wanneer de dynastie van Savoye eens mocht worden weggevaagd, was hij er dan niet, om haar te vervangen en eindelijk weer in het bezit te treden van zijn stad, die hij sedert vijftien jaar slechts uit zijn venster zag, overgeleverd aan sloopers en metselaars? Dan werd hij weer de meester, regeerde hij over de wereld, troonde hij in de gepraedestineerde stad, waaraan de propheten de eeuwigheid en de wereldheerschappij toegezegd hadden.

De horizont breidde zich uit en Pierre vroeg zich af wat Leo XIII wel aan gene zijde van Rome, aan gene zijde van de Campagna Romana, aan gene zijde van de Sabijnsche en Albaansche bergen, in de geheele Christenheid zag. Sedert achttien jaar had hij zich in zijn Vaticaan opgesloten, zag hij de wereld slechts door de ramen van zijn kamer. Wat aanschouwde hij van daarboven, welke waarheden en welke zekerheden drongen uit onze moderne maatschappijen tot hem door? Dikwijls toch moest van de hoogten van den Viminalis, waar het station lag, het langgerekte gefluit der locomotieven in zijn ooren klinken: dat was onze wetenschappelijke beschaving, de toenadering der volkeren, de vrije menschheid, die de toekomst tegemoet ging. Droomde hij zelf van vrijheid, wanneer hij zijn blik naar rechts wendde en daar in de verte, aan gene zijde van de graven aan de Via Appia, de zee vermoedde? Had hij ooit den wensch in zich voelen opkomen weg te gaan, Rome en zijn verleden te verlaten, om elders het pausdom der nieuwe democratieën te stichten?

Men beweerde, dat hij zulk een scherpen, doordringenden blik had; dan had hij moeten begrijpen, dan had hij moeten beven, wanneer uit zekere strijdlustige landen een ver geluid tot hem doordrong—uit Amerika bijvoorbeeld, waar revolutionnaire bisschoppen op het punt stonden het volk te veroveren. Werkten zij voor hem of voor zichzelf? Was een breuk niet onvermijdelijk, wanneer hij hen niet volgen kon, wanneer hij, aan alle kanten door het dogma en de traditie gebonden, zich hardnekkig in zijn Vaticaan bleef opsluiten? Van uit de verte woei een dreigende, het schisma voorspellende wind, streek hem over zijn gelaat en vervulde zijn [308]hart met steeds grooter wordenden angst. Om die reden waarschijnlijk was hij de verzoeningsdiplomaat geworden, die alle verspreide krachten der Kerk in zijn hand verzamelen wilde, die zijn oogen sloot voor de vermetelheid van sommige bisschoppen, voor zoover dat ten minste mogelijk was, die zelf het volk trachtte te veroveren, door zich aan zijn zijde tegen de gevallen monarchen te verklaren. Maar zou hij ooit verder gaan? Was hij niet ingemetseld achter de bronzen deur van het Vaticaan, in de strenge Katholieke formule, waaraan de eeuwen hem vastketenden? Hij moest daar blijven, het zou hem onmogelijk zijn zich tot zijn werkelijke almacht, tot die zuiver geestelijke macht, tot die moreele autoriteit van het hiernamaals te beperken, die de menschheid aan zijn voeten bracht, die bewerkte, dat de pelgrims neerknielden en vrouwen in onmacht vielen. Rome opgeven, afstand doen van de wereldlijke macht zou gelijk staan met het middelpunt der Katholieke wereld te veranderen. Dan zou de paus de paus niet meer zijn, niet meer het hoofd van het Katholicisme, maar een ander, het hoofd van iets anders. Welke onrustige gedachten moesten, terwijl hij daar aan het raam stond, door zijn brein gaan, wanneer de avondwind menigmaal het onduidelijke beeld van dien andere, de vrees voor den nieuwen, nog onbestemden godsdienst met zich bracht, die zich voorbereidde in het doffe stappen der voorwaarts marcheerende naties!

Maar op dat oogenblik voelde Pierre, dat de witte, roerlooze schim achter de ramen staande gehouden werd door den trots, door de voortdurende zekerheid, dat hij zou overwinnen. Wanneer menschenhanden daartoe niet in staat zouden zijn, dan zou het wonder tusschenbeide treden. Hij had de vaste overtuiging, dat hij weer in het bezit zou komen van Rome; en zoo niet hij, dan zijn opvolger. Had de Kerk in haar onbedwingbare levenskracht en levensenergie niet de eeuwigheid voor zich? Trouwens, waarom zou hij zelf niet in het bezit van Rome komen? Vermocht God zelfs niet het onmogelijke? Morgen, als God het wilde, zou ondanks alle menschelijke redeneeringen, ondanks alle schijnbare logica der feiten, zijn stad hem door de een of andere plotselinge wending in de geschiedenis teruggegeven worden. O, welk een feestelijke ontvangst zou hij de verloren dochter, wier dubbelzinnige avonturen hij met zijn door tranen vochtige vaderoogen steeds gevolgd had, bereiden! Hoe gauw zou hij de uitspattingen vergeten, waarvan hij achttien jaar lang [309]op alle uren en in alle jaargetijden getuige geweest was! Misschien peinsde hij, over wat hij doen zou met die nieuwe wijken, waarmede men haar bezoedeld had: zou hij ze sloopen of zou hij ze daar laten staan als een getuigenis van den waanzin der overweldigers? Zij zou weer de verheven en doode stad worden, die een souvereine minachting had voor alle ijdele zorgen van zindelijkheid en materieel welzijn, die als een reine ziel in den overgeleverden roem der vervlogen eeuwen over de wereld stralen zou.

En hij peinsde verder, hij stelde zich voor hoe alles, ongetwijfeld reeds morgen, in zijn werk zou gaan. Alles was beter dan het Huis van Savoye, zelfs een republiek. Waarom niet een federatieve republiek, die Italië volgens de oude, nu afgeschafte, politieke indeeling verbrokkelen, hem Rome teruggeven, hem tot den beschermer van den op die wijze herstelden staat kiezen zou? Dan strekte zijn blik zich verder dan Rome, verder dan Italië uit; zijn droom breidde zich uit, steeds verder uit, omvatte het republikeinsche Frankrijk, Spanje, dat het weer worden kon, ja, zelfs Oostenrijk, dat eenmaal gewonnen zou worden—al de Katholieke naties, die dan de Vereenigde Staten van Europa worden en onder het hooge voorzitterschap van den Pontifex Maximus vreedzaam en in broederschap leven zouden. En dan de hoogste triomf, wanneer ten slotte alle andere Kerken verdwijnen, alle andersdenkende volkeren tot hem komen zouden als tot den eenigen herder, wanneer Jezus in zijn persoon over de universeele democratie regeeren zou.

Plotseling werd Pierre in zijn droom, dien hij aan Leo XIII toeschreef, gestoord.

“Mijn waarde abbé, kijk toch eens naar den toon van de standbeelden op de zuilengaanderij,” zeide Narcisse.

Hij had zich een kop koffie laten brengen en rookte, zich weer geheel overgevend aan zijn geraffineerde aesthetica, langzaam een sigaret

“Zij zijn rose, niet waar? Een rose, dat langzaam overgaat in mauve, alsof het blauwe bloed der engelen in hun steenen aderen vloeide … Het is de zon van Rome, die hun dat bovenaardsche leven verleent, want zij leven, ik heb gezien hoe ze op sommige mooie avonden tegen me glimlachten en de armen naar mij uitstrekten … Ach, Rome, het wonderbare en verrukkelijke Rome! Men zou hier arm als Job willen leven in de bestendige vreugde zijn bekoring in te ademen!”

Ditmaal kon Pierre zijn verbazing niet bedwingen, nu hij [310]zich zijn nuchtere stem, zijn zoo helderen en drogen zakengeest herinnerde. Dan keerden zijn gedachten terug naar de Prati del Castello en een eindelooze droefheid maakte zich van hem meester, toen hij zich zooveel ellende en zooveel lijden voor den geest riep. Hij zag weer de schandelijke vuilheid, waarin zooveel schepsels ten gronde gingen, die vreeselijke sociale onrechtvaardigheid, welke de groote meerderheid veroordeelt tot een bestaan van vervloekte, vreugde- en broodlooze dieren. En toen zijn blikken weer teruggingen naar de vensters van het Vaticaan en hij meende te zien, hoe achter de ramen een witte hand zich ophief, dacht hij aan den pauselijken zegen, dien Leo XIII van deze hoogte over Rome, over de Campagna en de bergen aan de geloovigen der geheele Christenheid gaf. Maar deze zegen scheen hem plotseling belachelijk en onmachtig toe, daar hij in zoovele eeuwen niet in staat geweest was, één enkele smart der menschheid te onderdrukken, omdat hij zelfs niet in staat geweest was een weinig rechtvaardigheid te scheppen voor de ongelukkigen, die daar beneden, onder zijn venster, in doodsstrijd verkeerden. [311]


1 Hoe mooi! 

2 Pauselijke kanselarij. 

[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK

Daar Benedetta Pierre had laten zeggen, dat zij hem gaarne wilde spreken, ging hij dien avond bij het invallen van de schemering naar beneden en vond haar in den salon in een druk gesprek met Celia.

“Ik heb jullie Pierina gezien,” riep het jonge meisje, juist toen hij binnenkwam, uit. “Ja, ja, en nog wel met Dario. Dat wil zeggen, zij moet hem opgewacht hebben; hij zag, dat zij in een laan van den Pincio op hem stond te loeren, en glimlachte tegen haar. Toen begreep ik het dadelijk … Wat een zeldzame schoonheid!”

Benedetta glimlachte zachtjes over haar geestdrift. Maar er kwam een pijnlijke, droevige plooi om haar mond, want, hoewel zij zeer verstandig was, begon deze hartstocht, die, zooals zij voelde, oprecht en sterk was, haar toch te hinderen. Dat Dario elders zijn genoegens zocht, kon zij begrijpen, daar zij zich niet aan hem geven wilde en hij jong en geen geestelijke was. Maar dit ongelukkige meisje hield te veel van hem en zij was bang, dat hij zich zou kunnen compromitteeren; een zoo groote schoonheid verontschuldigde alles. Zij verried dan ook het geheim van haar hart, door het gesprek een andere wending te geven.

“Ga zitten, mijnheer de abbé … U ziet, we zijn aan het kwaadspreken. Mijn arme Dario wordt ervan beschuldigd, dat hij alle schoonheden van Rome in het ongeluk stort … Zoo vertelt men ook, dat men in hem den gelukkige zien moet, die de witte rozen geeft, waarmede Tonietta de laatste veertien dagen op den Corso rondrijdt.”

Celia vatte dadelijk vlam.

“Maar dat is beslist zeker. In den beginne heeft men getwijfeld en den kleinen Pontecorvo en luitenant Moretti genoemd. Je kan je voorstellen, hoe er gekletst werd … [312]Maar nu weet iedereen, dat de vlam van Tonietta Dario in eigen persoon is. Trouwens hij heeft in den Costanzi-schouwburg zijn opwachting in haar loge gemaakt.”

Toen Pierre haar zoo hoorde praten, herinnerde hij zich die Tonietta, die de jonge prins hem op den Pincio gewezen had, een der weinige demi-mondaines, waarover de hoogere Romeinsche kringen spraken. En hij herinnerde zich ook de galante bijzonderheid, die haar beroemd maakte, de onzelfzuchtige liefde, die zij meermalen voor een geliefde opvatte, van wien zij niets aannam dan iederen ochtend een ruiker witte rozen, zoodat, wanneer zij soms weken achtereen op den Corso met de reine bloemen rondreed, de dames der hoogere kringen brandend nieuwsgierig waren naar den naam van den uitverkoren en aangebeden man. Sedert den dood van den ouden markies Manfredi, die haar zijn klein paleis in de Via dei Mille nagelaten had, was Tonietta beroemd om haar onberispelijk rijtuig en haar elegante, maar eenvoudige toiletten, welke alleen door ietwat opzichtige hoeden ontsierd werden. De rijke Engelschman, die haar onderhield, was nu reeds sedert een maand op reis.

“Zij is werkelijk heel mooi, heel mooi,” herhaalde Celia overtuigd, met haar rein gezichtje van maagd, die zich slechts voor liefdeszaken interesseert. “En dan haar groote, zachte oogen; o, zij is niet zoo mooi als Pierina, dat is trouwens onmogelijk; maar toch prettig om naar te kijken, een echt feest voor je oogen!”

Met een onwillekeurig gebaar scheen Benedetta Pierina weer ter zijde te schuiven, terwijl zij daarentegen Tonietta aanvaardde; zij wist heel goed, dat zij maar een eenvoudige afleiding, een tijdelijke streeling voor zijn oogen was.

“Zoo,” zeide zij glimlachend; “mijn arme Dario ruïneert zich dus met witte rozen! Daar moet ik hem eens mee plagen … Wanneer onze zaken niet gauw in orde komen, zullen zij hem mij ten slotte nog ontstelen … Gelukkig heb ik uitstekende berichten. Ja, het proces zal weer beginnen; tante is juist daarvoor uitgegaan!”

Toen Celia opstond op het oogenblik dat Victorine een lamp bracht, wendde Benedetta zich tot Pierre, die eveneens opgestaan was.

“Blijf nog even, ik wou u graag spreken.”

Maar Celia bleef ook nog: zij was nu een en al belangstelling voor de echtscheiding van haar vriendin, wilde weten hoe het met de zaak stond en of het huwlijk nu [313]gauw plaats zou hebben. Zij omhelsde haar hartstochtelijk.

“Dus heb je weer hoop? Geloof je, dat de Heilige Vader je je vrijheid terug zal geven? O, lieveling, wat ben ik blij voor je. Hoe heerlijk zal het zijn, als jij en Dario kunnen trouwen!… Ik van mijn kant heb ook geen reden tot klagen, want ik zie heel goed, dat mijn vader en mijn moeder genoeg krijgen van mijn koppigheid. Gisteren nog heb ik hun met mijn gewone kalmte gezegd: ‘Ik wil Attilio hebben en u zult hem mij geven!’ Toen is mijn vader verschrikkelijk woedend geworden, hij heeft me met beleedigingen overstelpt, me met zijn vuist gedreigd en geschreeuwd, dat, wanneer ik een even harden kop had als hij, hij den mijne toch zou breken. Plotseling begon hij woedend uit te varen tegen mijn moeder, die er zwijgend bij stond: ‘Geef haar dan haar Attilio, dan laat zij ons ten minste met rust …’ Neen, hoor, ik ben erg in mijn schik!”

Pierre en Benedetta konden hun lachen niet bedwingen, zoo straalde haar lelierein madonnagezichtje van onschuldige en hemelsche vreugde. Eindelijk ging zij weg met haar kamenier, die in den eersten salon op haar zat te wachten.

Zoodra zij alleen waren, vroeg Benedetta den priester weer te gaan zitten.

“Waarde vriend, men heeft mij opgedragen u een zeer dringenden raad te geven … Het schijnt, dat uw aanwezigheid te Rome algemeen bekend geworden is en dat er zeer verontrustende praatjes over u in omloop zijn. Uw boek zou een vurige oproep tot het schisma zijn, u zelf slechts een eerzuchtige en oproerige afvallige, die na zijn werk te Parijs uitgegeven te hebben, naar Rome gekomen is, om er een vreeselijk schandaal over te ontketenen en het op die manier te lanceeren … Indien u er nog steeds op staat Zijne Heiligheid te spreken, om uw zaak te bepleiten, raadt men u aan gedurende twee of drie weken geheel te verdwijnen, zoodat men uw aanwezigheid hier vergeet.”

Pierre luisterde met de grootste verbazing. Ze zouden hem nog krankzinnig maken; ze zouden hem nog op het denkbeeld brengen zich af te scheiden en een schandaal te maken, wanneer zij zijn geduld nog langer op de proef wilden stellen, daar misbruik van wilden maken. Hij wilde zich verzetten, protesteeren. Dan echter maakte hij een gebaar van moeheid. Waarom zou hij dat doen tegenover deze jonge vrouw, die toch in ieder geval oprecht en hem goed gezind was? [314]

“Wie heeft u verzocht mij dien raad te geven?”

Zij gaf geen antwoord, glimlachte slechts. Dan kreeg hij een plotselinge ingeving.

“Het is monsignor Nani, niet waar?”

Nu begon zij, zonder blijkbaar een direct antwoord op de vraag te willen geven, den lof van den prelaat te zingen. Ditmaal had hij erin toegestemd haar leidsman te zijn in het eindelooze proces over de nietigverklaring van haar huwlijk. Hij had er lang over gesproken met haar tante, donna Serafina, die nu juist naar het paleis van den S. Offizio was, om hem rapport uit te brengen over enkele stappen, die zij hadden gedaan. Pater Lorenza, de biechtvader van de tante en van de nicht, zou ook bij het onderhoud tegenwoordig zijn, want dit heele echtscheidingsproces was eigenlijk zijn werk: hij had er de twee vrouwen steeds toe aan gezet, als wilde hij den band, dien de patriottische pastoor Pisoni gelegd had, weer losmaken. Zij werd steeds meer opgewonden en zeide hem, waarom haar verwachtingen zoo hoog gespannen waren.

“Monsignor Nani kan alles, juist daarom ben ik juist zoo gelukkig, dat mijn zaak in zijn handen is … Kom, beste vriend, wees ook verstandig, verzet u niet, laat u door hem leiden. Ik sta er u borg voor, dat gij u er goed bij bevinden zult!”

Met gebogen hoofd dacht Pierre na. Rome had hem in zijn boeien geslagen; hij kon er ieder uur zijn nog steeds toenemende weetgierigheid bevredigen, en de gedachte, nog twee of drie weken hier te blijven, had volstrekt niets afstootelijks voor hem. Ongetwijfeld voelde hij, dat al dat telkens weer uitstellen zijn wilskracht zou kunnen verminderen, een slijtage zou kunnen veroorzaken, waaruit hij verzwakt, ontmoedigd en tot niets meer nut te voorschijn zou komen. Maar waarom behoefde hij eigenlijk bang te zijn, daar hij zich plechtig gezworen had en steeds nog zwoer niets van zijn boek te zullen terugtrekken en den Heiligen Vader slechts te willen spreken, om zijn nieuw geloof nog krachtiger te verkondigen? Zacht legde hij dien eed nogmaals voor zichzelf af en gaf dan toe. En toen hij zich verontschuldigde, dat hij in het paleis lastig zou worden, riep zij uit:

“Neen, ik ben veel te blij u te hebben. Ik houd u vast; ik heb nu eenmaal de overtuiging, dat uw aanwezigheid hier ons aller geluk brengen zal, nu de kans schijnt te keeren.” [315]

Zij spraken nu af, dat hij niet meer zou gaan ronddwalen om de St. Pieter en het Vaticaan, waar het voortdurend zien van zijn soutane de aandacht getrokken scheen te hebben. Hij beloofde zelfs de eerste acht dagen het paleis zoo goed als niet te zullen verlaten, daar hij toch nog gaarne enkele boeken in Rome zelf wilde lezen. Dan bleef hij nog een oogenblikje praten; hij voelde zich zoo gelukkig-kalm in de groote rust, die er in den salon heerschte, sedert de lamp hen met haar schemer verlichtte. Het had zes uur geslagen, op straat was het reeds geheel donker.

“Voelde Zijne Eminentie zich vandaag niet wel?” vroeg hij.

“Ja zeker,” antwoordde de contessina; “alleen wat moe, maar volstrekt niets verontrustends … Mijn oom heeft mij door don Vigilio laten zeggen, dat hij zijn kamer zou houden en daar zijn secretaris enkele brieven zou dicteeren … Neen, het heeft niets te beteekenen.”

Weer viel een stilte in, geen geluid kwam van de eenzame straat of uit het oude, ledige, als een graf zoo stomme paleis. Maar op dat oogenblik kwam iemand met fladderende rokken en hijgend van schrik den zacht sluimerenden, met de mildheid van een hoopvollen droom vervulden salon binnenstormen. Het was Victorine.

“Contessina, contessina …”

Benedetta was doodsbleek en koud, als was een ongelukswind binnengewaaid, opgestaan.

“Wat is er … Waarom loop je zoo hard en beef je zoo?”

“Dario, mijnheer Dario, beneden … Ik was gaan kijken of ze de lamp onder de poort wel aangestoken hadden, dat vergeten ze zoo dikwijls … En daar, onder de poort, ben ik in den donker over mijnheer Dario gestruikeld … Hij ligt op den grond, hij schijnt met een mes gestoken te zijn …”

Een kreet van wanhoop rees uit Benedetta’s borst op.

“Dood!”

“Neen, neen, gewond!”

Maar zij hoorde het niet, bleef steeds luider roepen:

“Dood! Dood!”

“Neen, neen, hij heeft tegen me gesproken … Om Godswil wees toch stil! Hij heeft mij ook bevolen te zwijgen, omdat hij niet wil, dat iedereen het weet; ik mocht alleen u, en niemand anders halen, maar nu mijnheer de abbé hier toch is, wil hij misschien wel helpen. We zullen hem best gebruiken kunnen.”

Pierre luisterde ontsteld. Toen zij de lamp wilde nemen, [316]zagen zij, dat haar bevende rechterhand met bloed bevlekt was; blijkbaar had zij het op den grond liggende lichaam betast. Dat gezicht was zóó verschrikkelijk voor Benedetta, dat zij opnieuw begon te gillen.

“Wees toch stil, om Godswil, wees toch stil!… Laten we zoo zacht mogelijk naar beneden gaan! Ik neem de lamp alleen maar mee, omdat we toch moeten kunnen zien … Gauw, gauw!”

Beneden, dwars onder de poort, voor den ingang van den vestibule, lag Dario op de steenen, als had hij, na op straat aangevallen te zijn, nog slechts de kracht gehad enkele passen te doen, om daar neer te vallen. Hij was bewusteloos geworden en lag daar nu met een doodsbleek gezicht, op elkaar gedrukte lippen en gesloten oogen. Benedetta, die ondanks haar hevigen angst de energie van haar ras teruggevonden had, jammerde en gilde niet meer, doch keek, zonder te begrijpen, met haar groote, droge, wijdgeopende, waanzinnige oogen, naar hem. Het verschrikkelijke was het onverwachte, het onbegrijpelijke, het waarom en het hoe van dien moord te midden van de sombere stilte van het oude, verlaten, door het donker van den nacht vervulde paleis. De wond bloedde blijkbaar zeer weinig, want slechts zijn kleeren waren met bloed bevlekt.

“Gauw, gauw!” herhaalde Victorine fluisterend, nadat zij de lamp wat had laten zakken, om het lichaam beter te kunnen zien. “De portier is er niet, die zit altijd hiernaast gekheid te maken met de vrouw van den schrijnwerker. U ziet, dat hij de lantaarn nog niet aangestoken heeft, maar hij kan natuurlijk ieder oogenblik terugkomen … Mijnheer de abbé en ik zullen den prins gauw naar zijn kamer dragen.”

Alleen zij met haar prachtige kalmte hield haar hoofd bij elkaar. De twee anderen luisterden in hun verdooving, die maar niet wijken wilde, zonder een woord te kunnen vinden, en gehoorzaamden haar als zoete kinderen.

“U moet ons bijlichten, contessina. Houd de lamp een beetje laag, anders kunnen we de treden niet zien … Neem u hem bij zijn beenen, mijnheer de abbé, dan zal ik hem onder zijn armen dragen. Wees maar niet bang, de arme jongen is niet zoo zwaar!”

Gelukkig lag het uit drie vertrekken, een slaapkamer, een toiletkamer en een salon, bestaande appartement van Dario op de eerste verdieping, naast dat van den kardinaal, in den vleugel, die op den Tiber uitzag. Nadat zij de trap waren [317]opgegaan, behoefden zij slechts zoo zachtjes mogelijk de gang af te loopen en konden dan tot hun groote verlichting den gewonde op zijn bed leggen.

Victorine kon een lachje van voldoening niet onderdrukken.

“Zoo, dat is alweer klaar … Zet u de lamp nu maar neer, contessina. Daar, op die tafel … En ik verzeker u, dat niemand ons gehoord heeft; het is maar gelukkig, dat donna Serafina uit is en Zijn Eminentie don Vigilio bij zich gehouden heeft … Ik heb zijn schouders in mijn rok gewikkeld, zoodat er geen droppeltje bloed is gevallen; en strakjes zal ik zelf met de spons den drempel schoonmaken.”

Zij zweeg even en ging naar Dario kijken.

“Hij ademt … Nu dan laat ik hem maar aan uw zorg over en ga ik gauw dien goeden dokter Giordano halen, die u op de wereld heeft zien komen en op wien we vertrouwen kunnen.”

Toen Benedetta en Pierre met den bewusteloozen gewonde alleen waren in deze half donkere kamer, waarin nu het vreeselijke schrikbeeld, dat in hen was, scheen te huiveren, bleven zij ieder aan een kant van het bed staan, zonder nog een woord te kunnen vinden. Zij had in de behoefte om haar smart te ontspannen en er lucht aan te geven, haar armen uitgebreid en steunde handenwringend. Dan boog zij zich voorover en keek op het bleeke gelaat met de gesloten oogen naar leven. Hij ademde inderdaad, maar zeer langzaam en nauwlijks merkbaar. Een flauwe blos kwam echter op zijn wangen en eindelijk sloeg hij zijn oogen op.

Onmiddellijk had zij zijn hand gegrepen en gedrukt, als wilde zij den angst van haar hart in dien druk leggen; en een gevoel van groot geluk maakte zich van haar meester, toen zij voelde, dat hij dien beantwoordde:

“Je ziet me toch, je hoort me toch?… Wat is er gebeurd, lieve God?”

Maar hij antwoordde niet, de aanwezigheid van Pierre scheen hem onrustig te maken. Toen hij hem herkend had, scheen hij er zich bij neer te leggen, maar hij keek angstig rond, of er nog niet iemand anders in de kamer was. Eindelijk prevelde hij:

“Niemand heeft het gezien; niemand weet …”

“Neen, neen, stel je gerust. Wij hebben je met Victorine boven kunnen brengen, zonder dat iemand het gezien heeft. Tante is uit en oom heeft zich in zijn kamer opgesloten.”

Hij scheen nu verlicht te zijn, glimlachte. [318]

“Niemand mag het weten; het is zoo belachelijk.”

“Wat is er toch gebeurd, lieve God?” vroeg zij opnieuw.

“Ik weet het niet, ik weet het niet!”

Met een moe gebaar deed hij zijn oogen dicht, aldus trachtende aan de vraag te ontsnappen. Doch dan scheen hij te begrijpen, dat het beter was dadelijk een deel der waarheid te zeggen.

“Een man, die zich onder de donkere poort verborgen had en daar op mij wachtte … En toen ik thuis kwam, heeft hij me met een mes in mijn schouder gestoken …”

Bevend boog zij zich nog verder over hem heen, keek hem diep in zijn oogen en vroeg:

“Maar wie was die man?”

En toen hij met een steeds vermoeider stem stamelde, dat hij het niet wist, dat de man in het donker gevlucht was, zonder dat hij hem had kunnen herkennen, stiet zij een vreeselijken kreet uit.

“Het is Prada, het is Prada; zeg het maar, ik weet het immers toch.”

Zij kon zich niet bedwingen.

“Ik weet het, hoor je? Ik ben de zijne niet geweest en hij wil niet, dat ik de jouwe ben; hij zal je liever vermoorden op den dag, dat ik vrij zal zijn me aan jou te geven. Ik ken hem wel, nooit zal ik gelukkig zijn … Het is Prada, het is Prada!”

Doch een plotselinge kracht bezielde den gewonde, hij protesteerde opgewonden:

“Neen, neen, het is Prada niet en ook niet iemand, die het voor hem gedaan heeft … Dat zweer ik je. Ik heb den man niet herkend, maar het is Prada niet.”

Er lag zulk een klank van waarheid in Dario’s stem, dat Benedetta wel overtuigd moest zijn. Trouwens de angst maakte zich van haar meester; zij voelde zijn hand, die zij nog steeds in de hare hield, slap en klam en krachteloos worden. Uitgeput door de inspanning, was hij weer met doodsbleek gelaat en gesloten oogen in onmacht gevallen. Hij scheen te sterven.

Wanhopig bevoelde zij hem met haar handen.

“Kijk toch eens, mijnheer de abbé, kijk toch eens … Hij sterft! Hij sterft! Hij is reeds heelemaal koud … O, groote God, hij sterft!”

Pierre trachtte haar gerust te stellen.

“Hij heeft te veel gesproken en daardoor zijn bewustzijn [319]weer verloren, precies als daareven … Ik verzeker u, dat ik zijn hart voel kloppen. Leg uw hand maar hier … Om Godswil, wind u niet zoo op; de dokter komt dadelijk en alles loopt goed af.”

Maar zij luisterde niet naar hem, en hij was nu getuige van een tooneel, dat hem met de grootste verbazing vervulde. Plotseling had zij zich op het lichaam van den aangebeden man geworpen, drukte hem als waanzinnig tegen zich aan, overstroomde hem met haar tranen en bedekte hem met haar kussen, terwijl zij hartstochtelijke woorden stamelde:

“O, als ik je verliezen moest, als ik je verliezen moest! En ik heb me niet aan hem gegeven, ik ben zoo dom geweest me aan hem te weigeren, toen het nog tijd was het geluk te kennen … Ja, om de Madonna, omdat ik dacht, dat zij maagdelijkheid op prijs stelde en dat men zich rein moet houden voor zijn echtgenoot, als men wil, dat zij het huwlijk zegent … Wat zou het haar gehinderd hebben, indien wij onmiddellijk gelukkig geweest waren? En dan, dan … als zij mij bedrogen had, wanneer zij je van mij wegnam, zonder dat we in elkaars armen gerust hadden, dan zou ik maar van één ding spijt hebben; dat ik niet gelijk met jou verdoemd ben! Ja, ja, liever de verdoemenis dan elkaar niet bezeten te hebben met ons bloed, met onze lippen!”

Was dat de zoo kalme, zoo verstandige vrouw, die geduld oefende, om haar geluk beter in te richten! Pierre kende haar in zijn verbijstering niet meer. Tot dusver had hij haar nooit anders gekend dan gereserveerd, zoo natuurlijk-kuisch, dat de bijna kinderlijke bekoring daarvan als het ware uit haar natuur zelf scheen voort te komen. Ongetwijfeld was onder de bedreiging van het gevaar en van den angst het verschrikkelijke bloed der Boccanera’s in haar ontwaakt, een geheel atavisme van heftigheid, hoogmoed, razende, wanhopige en ontketende begeerten. Zij wilde haar deel van het leven, haar deel van de liefde. Zij morde en raasde alsof de dood, wanneer hij haar haar geliefde ontnam, een stuk van haar eigen vleesch wegrukte.

“Maar ik smeek u, mevrouw, wees toch kalm,” herhaalde de priester. “Hij leeft, zijn hart klopt … U doet er u zelf zooveel kwaad mede.”

Maar zij wilde met hem sterven.

“O, lieveling, neem mij met je mede, neem mij met je mede, wanneer je weggaat … Ik zal me op je hart nederleggen, ik zal je zoo vast in mijn armen drukken, dat zij [320]één zullen worden met de jouwe, en dat ze ons samen zullen moeten begraven … Ja, ja, wij zullen dood en toch getrouwd zijn. Ik heb je beloofd aan niemand anders te zullen toebehooren dan aan jou; ik zal ondanks alles de jouwe zijn, als het moet in de aarde … O lieveling, doe je oogen, doe je mond open, kus me, wanneer je niet wilt, dat ook ik sterf, wanneer jij dood bent.”

Door de donkere kamer met de oude, ingeslapen muren was een vlam van woesten hartstocht, van vuur en bloed gestreken. Maar de tranen overweldigden Benedetta, diepe snikken putten haar uit en wierpen haar verblind en krachteloos op den rand van het bed. Gelukkig maakte de dokter, dien Victorine medegebracht had, een einde aan het verschrikkelijk tooneel.

Dokter Giordano, die de zestig reeds voorbij was, was een klein, witharig, gladgeschoren mannetje met blozende wangen, wiens vaderlijke persoonlijkheid te midden van zijn kerkelijke praktijk de allures van een prelaat aangenomen had. Het was, naar algemeen beweerd werd, een goedhartig man, die de armen gratis behandelde en in delicate gevallen zoo gesloten en gereserveerd was als een priester. Sedert dertig jaar hadden al de Boccanera’s, vrouwen, kinderen, ja zelfs de kardinaal, zich aan zijn voorzichtige handen toevertrouwd.

Bijgelicht door Victorine en geholpen door Pierre, kleedde hij Dario, die door de pijn uit zijn bewusteloosheid ontwaakt was, zoo zachtjes mogelijk uit, onderzocht de wonde en verklaarde onmiddellijk glimlachend, dat er volstrekt geen gevaar bij was. Het zou niets beteekenen, hoogstens drie weken te bed, en voor complicaties behoefde men niet bang te zijn. Evenals alle Romeinsche artsen was hij een liefhebber van mooie messteken, die hij dagelijks onder het lagere volk te behandelen kreeg, hij bleef met welgevallen naar de wond kijken, bewonderde die als kenner en vond ongetwijfeld, dat het prachtig gedaan was. Hij fluisterde den prins in:

“Wij noemen dat een waarschuwing … De man heeft u niet willen dooden, de steek is van boven naar beneden toegebracht, zoodat het mes door het vleesch gegaan is, zonder zelfs het been te raken … Een knappe kerel, die zoo steken kan!”

“Ja, ja,” prevelde Dario; “hij heeft me gespaard, anders zou hij me door en door gestoken hebben.” [321]

Benedetta hoorde er niets van. Toen de dokter verklaard had, dat er absoluut geen gevaar was en de zwakte en de bezwijming alleen het gevolg waren van den heftigen zenuwschok, was zij in een toestand van volkomen uitputting op een stoel neergevallen. Het was de ontspanning der vrouw na den vreeselijken wanhoopsaanval. Zachte, stille tranen begonnen langzaam uit haar oogen te stroomen; dan stond zij weer op en omhelsde Dario in een ontboezeming van hartstochtelijke, stille vreugde.

“Luister eens, beste dokter,” ging hij voort; “niemand behoeft er iets van te weten. Deze geschiedenis is zoo belachelijk … Niemand heeft het blijkbaar gezien, behalve mijnheer de abbé, aan wien ik geheimhouding vraag … En laat men vooral den kardinaal of mijn tante—kortom, geen van de huisvrienden ongerust maken!”

Dokter Giordano glimlachte kalm.

“Goed, goed! Dat spreekt van zelf, maak je daar maar niet druk over … Voor alle anderen ben je van de trap gevallen en heb je je schouder verrekt … En nu je verbonden bent, moet je trachten wat te slapen en geen koorts te krijgen. Morgenochtend kom ik nog eens kijken.”

Nu vloten langzaam dagen vol groote kalmte voorbij; voor Pierre ontwikkelde zich een geheel nieuw leven. De eerste dagen verliet hij zelfs het oude, ingeslapen paleis niet; hij las en schreef en had geen andere afleiding dan dat hij iederen middag tot het invallen van de schemering in de kamer van Dario zat, waar hij zeker was ook Benedetta aan te treffen. Na een vrij hooge koorts van acht-en-veertig uren was het herstel zijn gewonen gang gegaan; alles liep zoo goed mogelijk, de geschiedenis van den verrekten schouder werd door iedereen geloofd, zoodat de kardinaal van de spaarzame donna Serafina eischte, dat een tweede lantaarn op het portaal aangestoken zou worden, opdat een dergelijk ongeluk niet weer gebeuren zou. De weer ontstane, monotone vrede werd slechts gestoord door een laatsten schok, of liever door het dreigen van een moeilijkheid, waarin Pierre op een avond, dat hij wat langer bij den herstellende bleef, gemengd werd.

Toen Benedetta zich eenige oogenblikken verwijderd had, boog Victorine, die een kop bouillon was komen brengen, zich over den prins heen en fluisterde hem zacht in het oor:

“Een jong meisje, u weet wel Pierina, komt iederen dag huilend naar u vragen … Ik kon haar niet wegsturen, zij [322]dwaalt maar om het huis rond; en ik vind het beter u maar te waarschuwen.”

Ondanks zichzelf had Pierre het gehoord; plotseling begreep hij alles. Dario, die hem aankeek, zag heel goed, wat hij dacht. En zonder Victorine antwoord te geven, zeide hij:

“Ja, abbé, het was die woesteling van een Tito … Nu vraag ik u, is het niet belachelijk?”

Maar hoewel hij beweerde niets gedaan te hebben, waarom de broeder hem een waarschuwing moest geven, zijn zuster niet aan te raken, glimlachte hij toch verlegen, zelfs een beetje beschaamd over een dergelijke geschiedenis. Het was blijkbaar een heele opluchting voor hem, toen de priester beloofde, als zij weer terugkwam, met haar te praten en te trachten haar aan het verstand te brengen, dat zij thuis moest blijven.

“Een belachelijke geschiedenis, belachelijk!” herhaalde de prins, terwijl hij, als om zichzelf te honen, zijn woede overdreef. “Het is waarachtig iets uit de vorige eeuw.”

Plotseling zweeg hij. Benedetta kwam terug en ging weer naast haar lieven zieke zitten. En het zoete waken duurde voort in de oude, slapende kamer, in het oude, doode paleis, waaruit geen zuchtje opsteeg.

Toen Pierre weer uitging, waagde hij zich, om een beetje frissche lucht te scheppen, nauwlijks in de wijk zelf. De Via Giulia interesseerde hem: hij kende haar vroegere pracht uit den tijd van Julius II, die haar in een rechte lijn aanlegde en met grootsche paleizen wilde omzoomen. Gedurende het carneval werden er wedrennen gehouden: men begon, te voet of te paard, bij het paleis-Farnese en eindigde bij de piazza S. Pietro. Hij had pas gelezen, dat de Fransche gezant, d’Estrée, markies van Couré, die in den palazzo Saccheti woonde, daar in 1630 met pracht en praal de geboorte van den dauphin gevierd had; hij liet drie wedrennen houden van de Sixtusbrug tot de S. Giovanni di Fiorentini, waarbij een buitengewone weelde tentoongespreid werd: de straten waren bestrooid met bloemen, alle vensters met de kostbaarste tapijten behangen. Den tweeden avond werd een groot vuurwerk op den Tiber ontstoken, het schip Argo, waarmede Jason uitvoer om het Gulden Vlies te veroveren. Een andermaal stroomde uit de Farnesische fontein, den Mascherone, wijn. [323]

Hoe ver lagen die tijden nu al weg en wat waren zij veranderd! Hoe eenzaam en stil lag nu de straat in de treurige verwaarloosde grootschheid, breed en recht, door de zon beschenen of in diepe duisternis. Van ’s ochtends negen uur af blakerde de zon op het plaveisel van den vlakken, trottoirloozen rijweg, terwijl aan de beide, afwisselend van het felle licht in diepe schaduw overgaande kanten, de oude paleizen, de zware, oude huizen, de antieke, met schilden en spijkers bedekte poorten, de met groote ijzeren staven getraliede vensters, geheele verdiepingen met gesloten vensters sluimerden. Zij waren als dichtgespijkerd, om het daglicht niet meer binnen te laten. Wanneer de poortdeuren open stonden, zag men diepe overwelvingen, vochtige en kille, met groene vlekken bedekte binnenplaatsen, die evenals kloosters met zuilengangen omgeven waren. In de dépendances, in de lage gebouwen, die ten slotte vooral aan de Tiberzijde kleine steegjes gevormd hadden, waren kleine winkeltjes en werkplaatsen gekomen, een kleermaker, een boekbinder, vruchtenkeldertjes met vier tomaten en vier kropjes salade, kleine wijndebieten, die producten van Frascati en Genzano hadden, en waarin de drinkers gestorven schenen te zijn.

In het midden van de straat bracht de gevangenis met haar afschuwlijk gelen muur al heel weinig vroolijkheid. Een geheel net van telegraafdraden liep door deze lange grafachtige gang met haar weinige voorbijgangers, waarin het stof van het verleden neerviel, van het eene einde naar het andere, van de arcade van den palazzo Farnese tot aan het verre uitzicht over de rivier, over de boomen van het hospitaal van den Heiligen Geest. Maar vooral ’s avonds, wanneer de duisternis gevallen was, werd Pierre getroffen door de eenzaamheid, door de soort gewijden afschuw, dien de straat dan kreeg. Geen levende ziel, geen licht van de ramen, niets dan de dubbele rij lantaarns, die ver van elkander staande, wel op nachtlichtjes geleken, welke opgeslokt werden door de duisternis. De poorten waren gegrendeld en gebarricadeerd, geen geluid, geen ademtocht drong eruit door. Slechts hier en daar een verlicht wijnwinkeltje, doffe ramen, Waarachter in volkomen onbeweeglijkheid een lamp brandde, geen geroezemoes van stemmen, geen gelach echter was te hooren! Alles wat leefde waren de schildwachten voor de gevangenis; één voor de poort, één op den hoek van het steegje rechts, beiden stijf en strak in de doode straat! [324]

Verder interesseerde hem het geheele stadsdeel, die oude, voorname wijk, welke nu in vergetelheid geraakt en ver van het moderne leven verwijderd was, en nu nog slechts een muffe kerklucht uitademde. Aan den kant van de S. Giovanni di Fiorentini, op de plek, waar de nieuwe Corso Victor Emanuele alles vernietigd heeft, bestond een groote tegenstelling tusschen de hooge, gebeeldhouwde, schitterende, nauwlijks voltooide huizen van vijf verdiepingen en de zwarte, ingezakte en armzalige hutten van de naburige steegjes. ’s Avonds glommen electrische bollen in verblindende witheid, terwijl de enkele lantaarns van de Via Giulia en de andere straten niet meer dan walmende lampions waren. Het waren vroeger beroemde straten: de Via dei Banchi Vecchi, de Via del Pellegrino, de Via di Monserrato, verder tallooze dwarsstraten, die er doorheen liepen en ze onderling verbonden, alle op den Tiber uitkwamen en zoo nauw waren, dat wagens er slechts met moeite door konden. Iedere straat had haar eigen kerk, een menigte bijna gelijkvormige, rijk versierde, zwaar vergulde en geschilderde kerken, die alleen op de uren van den dienst geopend, en dan vol zon en wierook waren. In de Via Giulia stond behalve de S. Giovanni di Fiorentini, behalve de S. Biagio della Pagnotta, behalve de Sant’ Eligio degli Orefici, achter den palazzo Farnese nog de Santa Maria delle Morte, waarin hij gaarne toefde, om te droomen van het onbewoonde Rome, van de boetepriesters, die den dienst in die kerk waarnamen en wier taak het was de hun gesignaleerde verlaten lijken in de Campagna te gaan halen. Op een avond woonde hij de zielemis van twee onbekende, reeds veertien dagen lang onbegraven lijken bij.

Maar zijn lievelingswandeling werd al heel gauw de nieuwe Tiberkade aan den achterkant van den palazzo Boccanera. Hij behoefde slechts het nauwe straatje uit te loopen en kwam dan op een eenzaam plekje, waar alles hem met eindelooze gedachten vervulde. De kade was niet geheel afgemaakt, het werk scheen zelfs stil te liggen, het was een ontzaglijke, met puin en gehouwen steenen bedekte werkplaats met half gesloten palissaden en ingevallen loodsen. Het rivierbed was steeds hooger geworden, terwijl de onophoudelijke opgravingen den bodem der stad lager gemaakt hebben. Om haar tegen overstroomingen te beschermen, had men het water in die reusachtige vestingmuren gevangen gezet. Voor dat doel had men ook de oude oevers zóó moeten [325]ophoogen, dat het terras van den kleinen tuin der Boccanera’s met zijn dubbele trap, waaraan vroeger pleizierbootjes aanlegden, lager lag en gevaar liep begraven te worden en te verdwijnen, wanneer men weer aan het straatwerk beginnen zou. Er was nog niets genivelleerd, de aangevoerde aarde bleef er zoo liggen als de kipkarren die er uitstortten; te midden van het materiaal, dat was blijven liggen, was niets te zien dan modderkuilen en instortingen. Slechts armelui’s-kinderen kwamen spelen tusschen die puinhoopen, waarin het paleis wegzonk, werklooze arbeiders sliepen er zwaar in de warme zon, terwijl vrouwen haar wasch op de hoopen kiezelsteenen te drogen legden. Toch was het voor Pierre een gelukkig toevluchtsoord, waar hij zeker was rust te zullen vinden en ongestoord droomen kon, wanneer hij hier uren lang kwam zitten kijken naar de rivier, de kaden en de stad.

Van acht uur af verguldde de zon het onmetelijk gat met haar blond-geel licht. Wanneer hij naar links keek, zag hij in de verte de daken van Trastevere, die zich grijsblauw tegen den schitterenden hemel afteekenden. Rechts maakte de rivier voorbij de apsis van de S. Giovanni di Fiorentini een bocht. De populieren van het hospitaal van den Heiligen Geest drapeerden op den anderen oever hun donkergroen gordijn en lieten aan den horizont het duidelijke profiel van de Engelenburcht zien. Maar vooral kon hij zijn oogen bijna niet afhouden van den tegenoverliggenden oever, want daar was een stuk van het heel oude Rome ongeschonden gebleven. Van de Sixtusbrug tot de Engelenbrug bevond zich op den rechteroever het deel van den onvoltooid gebleven kade-aanleg, dat, wanneer deze eenmaal voltooid zou zijn, later de rivier in de reusachtig hooge en witte vestingmuren gevangen houden zou.

En inderdaad deze buitengewone bezwering van den ouden tijd, van dien met een heel stuk der oude pauselijke stad bedekten oever had iets verrassends en betooverends. Aan de Via della Longara waren de gelijkvormige gevels blijkbaar opnieuw gepleisterd, maar hier bleven de achterzijden van de tot aan het water loopende huizen zooals zij waren: gescheurd, rosachtig, met vuil bedekt, als oude bronzen beelden door de heete zon met een groenen tint bedekt. En welk een opeenhooping, wat een ongelooflijke opeenstapeling! Onder donkere gewelven, waarin de rivier binnendrong, heiwerk, dat de muren schraagde, stukken oud-Romeinschen [326]bouw, die loodrecht naar beneden liepen; dan steile, uit hun voegen geraakte, groen geworden trappen, die uit het oeverzand opstegen, boven elkaar liggende terrassen, verdiepingen met haar lange rijen onregelmatige kleine vensters, huizen, die boven andere huizen uitstaken—en dat alles in een fantastisch gewemel van balcons, houten galerijen, dwars over binnenplaatsen geslagen bruggen, boomgroepen, die uit de daken schenen te groeien, en bijgebouwde dakkamertjes, die midden in de rose dakpannen gezet waren. Een goot liep met groot lawaai uit een versleten en vervuild steenen bekken. Overal, waar de oever door de meer achteruitgelegen huizen zichtbaar werd, was hij met een wilde vegetatie, met onkruid, struiken en mantels van klimop, die in koninklijke plooien op den grond sleepten, bedekt. De ellende, de vervuiling verdween onder de glorie der zon, de oude, ingezonken, opeengehoopte gevels werden als van goud; de voor de ramen te drogen hangende wasch pavoiseerde ze met het purper van de roode rokken en de verblindende sneeuw van het linnen, terwijl verder weg, boven de wijk uit, de Janiculus zich met het fijne profiel van de S. Onofrio tusschen pijnboomen en cypressen verhief in de schittering der dagvorstinne.

Dikwijls ging Pierre leunen over de borstwering van den reusachtigen kademuur en bleef daar dan lang met een hart, dat vol droefheid over de doode eeuwen was, staan kijken naar den onder hem stroomenden Tiber. Niets zou de groote moeheid van die oude wateren kunnen schilderen, hun somber langzaam voortkabbelen onder in die Babylonische gracht, die hen omsloot, tusschen de mateloos groote, rechte, gladde, kale, in hun nieuwe leelijkheid geheel grauwe gevangenismuren. In de zon nam de gele rivier een gulden tint aan en vlamde door de lichte schittering van zijn stroom in blauw en groen. Maar zoodra zij in het donker lag, werd zij ondoorzichtig, modderkleurig, zoo oud, zoo dik en zoo zwaar, dat de omringende huizen zich er niet eens in weerspiegelen konden. Welk een troostelooze verlatenheid, welk een rivier van stilte en eenzaamheid! Ook al mocht zij na de winterregens haar dreigenden vloed nog dikwijls voorwaarts stuwen, toch sliep zij gedurende de lange maanden, dat de hemel blauw is, en stroomde geruischloos door Rome.

Men kon daar den geheelen langen dag staan, zonder dat een bark of een zeil er leven aan gaf. De enkele booten, de twee of drie stoombootjes, die van de zeekust kwamen, de [327]tartanes1, die wijn van Sicilië brachten, ankerden alle aan den voet van den Aventinus. Verder was het niet meer dan een woestijn, dood water, waarin hier en daar een onbeweeglijke visscher zijn hengel hangen liet. Pierre zag iets naar rechts onder aan den ouden oever nooit iets anders dan een soort oude, overdekte, platte schuit, een half verrotte Arke Noachs, misschien was het een waschschuit, maar hij zag er nooit een levende ziel. Verder lag er nog op een modderachtig punt een gestrande sloep met een gebarsten zijde als een armzalig symbool, dat alle scheepvaart hier onmogelijk en opgegeven was. O, deze rivierruïne, die even dood was als de beroemde ruïne, waarvan zij het stof zoovele eeuwen lang bespoeld had! Nu was zij het moede! En wat riep zij niet voor den geest op? Eeuwen van geschiedenis, zoovele dingen, zoovele menschen, die de gele wateren weerspiegeld hadden, wier moeheid en walging zij overgenomen hadden, tot zij, in hun vurig verlangen naar het Niet, zoo zwaar, zoo stil, zoo eenzaam geworden waren.

Hier was het, dat Pierre op een ochtend Pierina achter een der houten loodsen, die tot bewaring van gereedschappen gediend hadden, zag staan. Zij rekte haar hals uit en keek, nu al uren lang misschien, strak naar het raam van Dario’s kamer op den hoek van het steegje en de kade. Ongetwijfeld bang geworden door de strenge manier, waarop Victorine haar ontvangen had, had zij zich niet meer in het paleis durven vertoonen, om naar hem te informeeren, maar nadat zij van een knecht gehoord had, waar het raam was, ging zij daarheen en bracht er heele dagen door, om onvermoeibaar op een teeken van leven en redding te wachten. Alleen de hoop reeds dat te zullen zien deed haar hart woest kloppen. Diep ontroerd haar zich zoo ootmoedig, ondanks haar koninklijke schoonheid zoo bevend van aanbiddende vereering te zien verbergen, ging hij naar haar toe. In plaats van haar te beknorren en weg te jagen, zooals hem opgedragen was, praatte hij vriendelijk en opgewekt met haar, alsof er niets voorgevallen was, en richtte het gesprek zóó in, dat hij den naam van den prins kon noemen, om haar daarbij tevens te zeggen, dat hij binnen veertien dagen weer op den been zou zijn.

Eerst was zij, schuw en wantrouwend, opgesprongen en wilde vluchten. Maar toen zij hem begrepen had, schoten de [328]tranen in haar oogen, en toch lachend, wierp zij hem gelukkig een kushand toe en riep hem “Grazie, grazie!”2 toe, terwijl zij zich zoo vlug mogelijk uit de voeten maakte. Nooit heeft hij haar meer teruggezien.

Op een anderen ochtend zag Pierre, toen hij in de S. Brigitta op de piazza Farnese zijn mis wilde gaan lezen, tot zijn groote verbazing Benedetta, ondanks het vroege uur, reeds uit de kerk komen. Zij had een klein fleschje olie in haar hand. Zij toonde in het geheel geen verlegenheid daarover en vertelde hem, dat zij om de twee of drie dagen bij den koster een paar druppeltjes ging halen van de olie, welke de eeuwige lamp voedde voor een oud, houten beeld der Madonna, waarin zij groot vertrouwen stelde. Zij bekende zelfs, dat zij alleen in deze vertrouwen stelde, want zij had nooit iets verkregen van andere, zelfs niet van zeer beroemde Madonna’s, van marmer of zilver, tot wie zij zich gewend had. In haar hart brandde dan ook voor dit heilige beeld, dat haar niets weigerde, een innige vereering, de eenige vereering, die zij in werkelijkheid bezat. En zij verzekerde heel eenvoudig, als ware het de natuurlijkste zaak van de wereld, waaraan geen twijfel mogelijk was, dat die enkele droppels olie, waarmede zij iederen ochtend en iederen avond de wond van Dario inwreef, de oorzaak waren van zijn zoo snelle, ja bijna wonderbaarlijke genezing. Een zoo kinderlijke vroomheid bij dit bewonderenswaardige wezen van verstand en hartstocht en aanminnigheid, trof Pierre diep en maakte hem wanhopig; glimlachen kon hij niet.

Iederen avond, wanneer hij van zijn wandeling thuis kwam en een uurtje ging doorbrengen in de kamer van den genezenden Dario, wilde Benedetta, dat hij, om den zieke wat afleiding te geven, vertelde hoe hij zijn dagen doorgebracht had; en alles wat hij vertelde, zijn verbazing, zijn ontroering en dikwijls ook de woede, die in hem opgekomen was, dat alles kreeg, te midden van de groote, gedempte stilte van de kamer, een droeve bekoring. Maar vooral toen hij de wijk weer durfde verlaten, toen hij een groote liefde had opgevat voor de Romeinsche parken, waarheen hij zich ’s morgens vroeg, wanneer de hekken geopend werden, reeds begaf, om zeker te zijn er niemand te zullen ontmoeten, bracht hij geestdriftige gevoelens mede naar huis—een verrukte liefde voor de mooie boomen, voor de fonteinen, voor de terrassen, [329]vanwaar men zulk een heerlijk uitzicht had op breede horizonten.

En niet de grootste van die vele parken vervulden zijn hart met de meeste geestdrift. In de Villa Borghese, het Bois de Boulogne van Rome, was majestueus volwassen hout, waren koninklijke alleeën, waar ’s middags vóór den verplichten rit op den Corso de equipages kwamen defileeren, maar veel meer werd hij getroffen door den afgesloten tuin vóór de villa—deze villa vol verblindende pracht van marmer, waarin zich thans het mooiste museum der wereld bevindt. Daar was een eenvoudig, fijn tapijt van gras, een heel groot bekken in het midden, dat door de naakte blankheid van een Venus beheerscht wordt. Daar waren brokstukken van antieke vazen, beelden, zuilen, sarcophagen, symmetrisch in een vierkant opgesteld, en verder niets dan dat verlaten, bezonde, melancholieke gras. Op den Pincio, waarheen hij weer terugkeerde, bracht hij een heerlijken ochtend door; hij begreep thans de bekoring van dit smalle hoekje met zijn enkele, altijd-groene boomen, met zijn prachtig uitzicht: geheel Rome en de St. Pieter in de verte, in het zoo zachte, zoo helder, zoo bepoederde zonlicht.

In de villa Albani en in de villa Pamphili vond hij de heerlijke, trotsche, slanke piniepijnen, de krachtige steeneiken met hun kromme takken en hun bijna zwart loof terug. In de laatste vooral dompelden de eiken de lanen in een heerlijk halfdonker; het kleine meertje met zijn treurwilgen en riettouffes was vol droomen; het dieper gelegen bloemperk vormde een mozaïek van barokken smaak, een samengesteld dessin van rozetten en arabesken, dat door een rijke verscheidenheid van bloemen en bladeren gekleurd werd. Wat hem echter in den tuin, den edelste, grootste, best verzorgde van al deze tuinen, in het bijzonder opviel, was, dat hij, toen hij langs een klein muurtje liep, weer de St. Pieter zag, maar nu onder een zóó nieuw en zoo onverwacht aspect, dat het symbolische beeld voor altijd in zijn geest gegrift was. Rome was geheel verdwenen; tusschen de hellingen van den Monte Mario en een anderen heuvel, die de stad aan het oog onttrok, zag men niets dan den reusachtigen dom, welks groote massa op verspreide, witte en rossige blokken scheen te rusten. Met zijn overmatig grooten, tegen het helle blauw van den hemel matblauw afstekenden koepel beheerschte hij, drukte hij de huizeneilandjes van den Borgo, de opgehoopte gebouwen van het Vaticaan dood. [330]

Maar Pierre voelde nog meer de ziel der dingen in de minder weelderige tuinen, die een meer gesloten lieftalligheid bezaten. O, die villa Mattei op de helling van den Coelius met haar terrasvormigen tuin, met haar intieme, door aloës, laurierboomen en groote kardinaalsmutsen omzoomde lanen, met haar priëelvormig geschoren taxisboomen, met haar oranjeappelen, haar rozen en haar fonteinen! Hij doorleefde er heerlijke uren! Een dergelijke bekoring vond hij alleen nog maar terug op den Aventinus, toen hij de drie kerken bezocht, die daar als verloren gingen in het groen; vooral in de S. Sabina, de wieg der Dominicanen, welker kleine, van alle kanten ingesloten tuin, zonder eenig uitzicht, in een lauwen, geurigen vrede slaapt, en beplant is met oranjeappelboomen, in het midden waarvan de eeuwenoude boom van den Heiligen Dominicus nog met rijpe vruchten beladen is. De tuin van de kloosterkerk der Malthezer ridders gaf een ruim uitzicht over een breeden horizont, die den loop van den Tiber, de gevels en daken, die zich langs de beide oevers ophoopen, tot aan den verren top van den Janiculus omvat. Overigens zag men in die tuinen van Rome steeds weer dezelfde geschoren taxisboomen, de eucalyptussen met hun witten stam en hun lichte, als menschenhaar zoo lange bladeren, de ineengedrongen, sombere steeneiken, de reusachtige pijnboomen, de groote cypressen, tusschen de rozenstruiken witte marmergroepen, onder de mantels van klimop ruischende fonteinen.

Een teederder, smartelijke vreugde smaakte hij eerst in de villa van paus Julius, welker in den tuin uitkomenden zuilengang met zijn geschilderde decoratie, zijn gouden, met bloemen omrankt latwerk, waardoor glimlachende zwermen van kleine Amortjes vliegen, het geheele leven van een beminlijk en zinnelijk tijdvak verhaalt. Den avond eindelijk, dat hij uit de villa Farnese thuiskwam, zeide hij, dat hij de doode ziel van het oude Rome medebracht; niet de naar kartons van Raffaël uitgevoerde schilderingen hadden hem echter zoo getroffen, neen, de mooie zaal aan den rand van het water met haar zacht-blauwe, zacht-lila, zacht-rose, volstrekt niet geniale, maar zoo bekoorlijke en zoo echt-Romeinsche versiering—en nog meer de verwaarloosde tuin, die vroeger tot den Tiber liep en nu door de nieuwe kade afgesloten werd. Hij was verwaarloosd, verwoest, met onkruid doorwoekerd als een kerkhof, maar toch rijpten er nog steeds de gouden vruchten der oranjeappel- en citroenboomen. [331]

Nog eenmaal werd Pierre op een mooien avond, toen hij de villa Medici bezocht, door een hevige ontroering geschokt. Daar was hij op Franschen bodem. En welk een prachtige tuin was het weer met zijn taxisboomen, zijn pijnboomen en zijn alleeën vol pracht en bekoring! Welk een heerlijk toevluchtsoord voor droomerijen en gepeins over de Oudheid gaf dat oude en donkergroene bosch van steeneiken, waar de ondergaande zon gloeiende goudroode lichtstralen wierp in het glanzende brons der bladeren. Men moet een eindeloos hooge trap opgaan, om van uit de hoogte, van af den Belvédère met één blik geheel Rome te omvatten, als kon men het, wanneer men zijn armen uitbreidde, geheel nemen. Van uit de eetzaal, die de portretten van alle kunstenaars, die te Rome hun studies in de villa kwamen voortzetten, versieren, van uit de bibliotheek, een groote zaal vol diepe rust, heeft men hetzelfde bewonderenswaardige, grootste en medesleependste uitzicht, een uitzicht van mateloozen eerzucht welks oneindigheid den jongen daar verblijf houdenden mannen den wil moest ingeven de wereld te veroveren en te bezitten.

Hij, die met vijandige gevoelens tegen het instituut van den prix de Rome, tegen deze traditioneele, éénvormige en voor de oorspronkelijkheid zoo gevaarlijke opleiding naar Rome gekomen was, werd nu een oogenblik door dezen lauwen vrede, door deze zachte eenzaamheid van den tuin, door dezen verheven horizont, waarin de vleugels van het genie schenen te klapwieken, geheel gevangen genomen. Hoe heerlijk moest het zijn, om op zijn twintigste jaar drie jaar in dezen zachten droom, te midden van de mooiste kunstwerken der menschheid te mogen leven, zich te mogen zeggen, dat men nog te jong is om reeds te kunnen scheppen, zichzelf te mogen zoeken, te mogen leeren genieten, lijden en liefhebben! Maar dan overwoog hij weer, dat het smaken van het goddelijk genot van zulk een kunst-retraite niet de zaak der jeugd is, maar van den rijperen leeftijd, van reeds behaalde overwinningen, van de beginnende moeheid nadat het werk voltooid is. Hij sprak met de inwonende kunstenaars en merkte op, dat, al mochten ook droomerige en contemplatieve jonge zielen en de eenvoudige middelmatigheid zich in dit in de kunst van het verleden opgesloten leven schikken kunnen, iedere strijdbare kunstenaar, ieder persoonlijk temperament hier van ongeduld stierf en, verteerd door de begeerte om dadelijk midden in [332]den vurigen haard van scheppen en strijden te zijn, zijn oogen gericht hield op Parijs.

En al die tuinen, waarvan Pierre hun ’s avonds met verrukking vertelde, riepen in Benedetta en Dario de herinnering wakker aan den tuin van de villa Montefiori, die thans verwoest, maar vroeger zoo groen en met de mooiste oranjeappelboomen van Rome, een geheel bosch van eeuwenoude boomen, beplant was, en waarin zij elkaar hadden leeren liefhebben.

“O, ik herinner het mij,” zeide de contessina, “in den bloeitijd rook het er zóó heerlijk, zóó sterk, zóó bedwelmend, dat ik eenmaal in het gras ben blijven liggen en niet opstaan kon … Weet jij het nog, Dario? Je hebt me toen in je armen genomen en naar de fontein gedragen, waar het zoo lekker frisch was.”

Zij zat, zooals gewoonlijk, op den rand van het bed en hield de hand van den herstellende, die was begonnen te lachen, in de hare.

“Ja zeker, ik heb je op je oogen gezoend en eindelijk heb je die geopend … Toen was je heel wat minder wreed, liet je me je oogen zoenen, zooveel als ik zelf wilde … Maar we waren kinderen, en indien we geen kinderen geweest waren, zouden we in dien grooten tuin, waarin het zoo heerlijk rook en we zoo vrij konden loopen, dadelijk man en vrouw geweest zijn!”

Zij knikte toestemmend, overtuigd, dat de Madonna alleen hen beschermd had.

“Dat is zoo, dat is zoo!… En welk een geluk, dat we nu elkander kunnen toebehooren, zonder de engelen te bedroeven!”

Steeds weer kwam het gesprek daarop terug. Het proces tot nietigverklaring van het huwlijk liet zich steeds gunstiger aanzien en Pierre was iederen avond getuige van hun verrukking, hoorde hen slechts praten over hun aanstaande echtverbintenis, over hun plannen, over hun vreugde van verliefden in het paradijs. Ditmaal door een almachtige hand bestuurd, moest donna Serafina de zaak met kracht leiden, want er ging bijna geen dag voorbij, dat zij niet de een of andere blijde tijding medebracht. Zij wilde de zaak ter wille van het voortbestaan en de eer van den naam zooveel mogelijk bespoedigen, aangezien Dario met niemand dan met zijn nicht trouwen wilde en anderzijds dit huwlijk alles zou verklaren, alles zou verontschuldigen, aan een onhoudbaren toestand een einde maken zou. [333]

Het afschuwlijke schandaal, de vreeselijke kletspraatjes, die de zwarte en witte kringen opwonden, brachten haar geheel buiten zichzelf, te meer daar zij voor de eventueele mogelijkheid van een conclave, waarin zij wilde, dat de naam van haar broeder in onbevlekten, verheven glans schitteren zou, de noodzakelijkheid van een overwinning inzag. Nooit had de geheime eerzucht van haar geheele leven, de hoop er getuige van te zijn, dat haar geslacht een derden paus aan de Kerk schenken zou, haar met zulk een hartstocht vervuld; het was, alsof zij de behoefte voelde troost te zoeken voor haar koud celibaat, sedert haar eenige vreugde in deze wereld, advocaat Morano, haar zoo wreed in den steek gelaten had. Steeds in het donker gekleed, druk bezig en zóó slank en ingeregen, dat men haar, van achteren gezien, voor een jong meisje gehouden had, was zij als de donkere ziel van het oude paleis; Pierre ontmoette haar overal, terwijl zij als zorgzame huisvrouw door het huis sloop en ijverzuchtig over den kardinaal waakte.

Hij groette haar zwijgend; telkens werd het hem koud om het hart, wanneer hij het uitgedroogde, met diepe plooien doorgroefde gelaat met den grooten, eigenzinnigen familieneus zag. Maar zij beantwoordde nauwlijks zijn groet, keek nog steeds minachtend neer op dien kleinen vreemden priester, dien zij slechts in haar naaste omgeving duldde ter wille van monsignor Nani en van vicomte Philibert de la Choue, die zoovele mooie bedevaarten naar Rome gebracht had.

Langzamerhand begon Pierre, die iederen avond getuige was van de angstige vreugde en het liefde-ongeduld van Benedetta en Dario, met hen een spoedige oplossing te wenschen. Het proces zou weer gevoerd worden voor de concilie-congregatie, wier eerste beslissing ten gunste van de echtscheiding niet in kracht van gewijsde gegaan was, daar de verdediger van het huwlijk, monsignor Palma, in overeenstemming met zijn recht een aanvullend onderzoek geëischt had. Trouwens dat slechts met één stem meerderheid genomen besluit zou zeker niet door den Heiligen Vader bekrachtigd zijn. In het kort, het ging er nu om stemmen te krijgen onder de tien kardinalen, waaruit de congregatie samengesteld was, hen te overreden en een bijna volkomen eenstemmigheid te verkrijgen: een moeilijke taak, want de verwantschap van Benedetta met haar oom den kardinaal, welke alles makkelijker moest maken, compliceerde juist de zaak door al de intriges van het Vaticaan, al den wedijver, [334]die door het doen voortduren van het schandaal ernaar streefde den mogelijken paus in hem te dooden.

Op die verovering van stemmen ging donna Serafina iederen middag uit, waarbij zij geleid werd door haar biechtvader, pater Lorenza, dien zij dagelijks ging opzoeken in het Collegium Germanicum, het laatste toevluchtsoord der Jezuïeten te Rome, sedert zij niet langer de meesters van Il Gesù zijn. De hoop op succes baseerde zich vooral op de omstandigheid, dat Prada, de zaak moede en geprikkeld, verklaard had, niet meer te zullen verschijnen. Hij antwoordde niet eens op de herhaalde dagvaardingen, zoo hatelijk en belachelijk scheen hem de aanklacht van impotentie, sedert Lisbeth, zijn erkende maîtresse voor de oogen der geheele stad, zwanger van hem was.

Hij zweeg dus, deed als was hij nooit getrouwd geweest, ofschoon de wond van zijn beleedigden mannetrots nog altijd bloedde en onophoudelijk door de praatjes, die bleven loopen, en den twijfel aan zijn vaderschap, welke in de zwarte kringen heerschen bleef, weder geopend werd. Daar dus de tegenpartij zich terugtrok en uit eigen beweging verdween, kon men de steeds toenemende hoop van Benedetta en Dario voorstellen, wanneer donna Serafina ’s avonds bij haar thuiskomst vertellen kon, dat zij meende weer de stem van een kardinaal gewonnen te hebben.

Maar de man, die hun den meesten angst bezorgde, was monsignor Palma, de door de congregatie van ambtswege aangestelde advocaat, om den heiligen band van het huwlijk te verdedigen. Hij bezat bijna onbeperkte rechten, kon nogmaals hooger beroep aanteekenen, in ieder geval het proces sleepende houden, zoolang als hij zelf wilde. Zijn eerste pleidooi in antwoord op dat van Morano, was reeds verschrikkelijk geweest, had den maagdelijken staat van Benedetta in twijfel getrokken, citeerde wetenschappelijk vastgestelde gevallen, waarin vrouwen nog de door vroedvrouwen beëedigde maagdelijke kenteekenen bezaten, eischte een nauwkeurig onderzoek van twee artsen en verklaarde ten slotte, dat, waar de eerste voorwaarde tot het verrichten van de daad gehoorzaamheid van de vrouw is, de eischeresse, zelfs al was zij maagd, niet gerechtigd was de nietigverklaring van het huwlijk te vragen, waarvan de volkomen voltrekking belemmerd was door haar herhaalde weigeringen. Het gerucht liep, dat het nieuwe pleidooi, hetwelk hij gereed maakte, nog onverbiddelijker en meedoogenloozer zou zijn, [335]zóó vast stond zijn overtuiging. Het ergste zou zijn, dat tegenover die verheven energie van waarheid en logica de kardinalen, zelfs al waren zij nog zoo welwillend, het niet wagen zouden den Heiligen Vader tot nietigverklaring te adviseeren.

Benedetta begon dan ook reeds weer moedeloos te worden, toen donna Serafina haar na een bezoek aan monsignor Nani weer wat gerust stelde met de mededeeling, dat een gemeenschappelijke vriend beloofd had met monsignor Palma te zullen spreken. Maar dat zou ongetwijfeld veel geld kosten. Monsignor Palma, een in kanonische aangelegenheden zeer ervaren en uiterst rechtschapen theoloog, had in zijn leven een groot verdriet gehad: op lateren leeftijd was hij als waanzinnig verliefd geworden op een zeldzaam mooie nicht en had haar, om een schandaal te vermijden, moeten uithuwlijken aan een spitsboef, die haar van af het eerste oogenblik arm maakte en mishandelde. De schijn bleef gered, maar op dat oogenblik maakte de prelaat een moeilijke crisis door: hij was het moe zich nog langer te laten plukken en bezat niet het noodige geld, om zijn neef, die valsch gespeeld had, uit die moeilijkheid te redden. De gelukkige vondst nu bestond hierin, dat men den jongen man wilde redden door voor hem te betalen en hem dan een positie te bezorgen, zonder iets aan den oom te vragen, die op een avond, nadat de duisternis volkomen ingevallen was, als was hij een medeplichtige, weenend donna Serafina voor haar goedheid danken kwam.

Pierre was dien avond bij Dario, toen Benedetta dien avond lachend en in haar handen klappend van blijdschap de kamer binnenkwam.

“Het is zoover! Het is zoover! Hij is juist bij tante geweest en heeft haar eeuwige trouw gezworen. Nu is hij wel verplicht vriendelijk te zijn.”

“Maar heeft men hem iets laten onderteekenen, heeft hij zich formeel verbonden?” vroeg Dario, die wantrouwender was.

“Wel neen, hoe kon dat nu? Het is zoo’n delicate quaestie!… Men zegt, dat hij een buitengewoon eerlijk man is!”

Toch was ook zij weer door een onrust aangegrepen. Als monsignor Palma ondanks den grooten dienst, dien men hem bewezen had, onomkoopbaar zou blijken te zijn? Die gedachte liet hen niet meer los. Het in spanning wachten begon opnieuw. [336]

“Dat heb ik nog niet verteld,” begon zij weer na een vrij lange stilte; “ik heb me tot dat beroemde onderzoek vermand. Ja, ik ben vanochtend met tante naar twee doktoren geweest.”

Zij glimlachte weer, scheen in het geheel niet verlegen.

“En?” vroeg hij met hetzelfde kalme gezicht.

“Natuurlijk hebben zij gezien, dat ik niet loog. Zij hebben allebei een soort certificaat opgemaakt … Het was, naar het schijnt, absoluut noodzakelijk ten einde monsignor Palma in staat te stellen zijn vroegere woorden te herroepen.”

En zich vervolgens tot Pierre wendend:

“O, dat vreeselijke Latijn, mijnheer de abbé!… Toch zou ik graag geweten hebben, wat erin stond, en daarom had ik gedacht, dat u zoo welwillend zoudt zijn het te vertalen. Maar tante heeft mij de stukken niet willen laten en ze onmiddellijk aan het dossier doen toevoegen.”

Heel verlegen knikte de priester slechts, want hij wist maar al te goed, dat die soorten certificaten een volledige beschrijving in technische termen waren van alle bijzonderheden van den toestand, tot van de kleur en den vorm toe. Zij schaamden zich er zonder eenigen twijfel niet voor, zóó natuurlijk en gelukkig zelfs scheen dit onderzoek, waarvan hun geheele levensgeluk afhing, hun toe.

“Enfin,” zeide Benedetta, “laten we hopen, dat monsignor Palma dankbaar zal zijn. En jij, Dario, maak nou maar gauw, dat je voor den mooien dag van ons geluk weer heelemaal beter bent.”

Maar hij was zoo onvoorzichtig geweest te vroeg op te staan, waardoor zijn wond weer open ging en hij nog eenige dagen het bed moest houden. Pierre bleef iederen avond bij hem komen en trachtte hem dan wat afleiding te bezorgen door hem van zijn wandelingen te vertellen. De laatste dagen was hij moediger geworden, doorkruiste hij geheel Rome en ontdekte met verrukking de merkwaardigheden, die in alle reisgidsen genoemd worden. Zoo begon hij op een avond met iets van ontroering in zijn stem te praten over de voornaamste pleinen der stad, die hij in den beginne banaal gevonden had, doch die nu in zijn oog zeer interessant waren en ieder hun eigenaardige bekoring hadden: de piazza del Popolo, zoo zonnig, zoo voornaam in haar monumentale symmetrie—de piazza di Spagna, de zoo drukke en levendige plaats van samenkomst der vreemdelingen met haar dubbele, door de zomerzon vergulde, breede [337]en sierlijke trap van honderd twee-en-dertig treden—de groote, altijd van menschen wemelende piazza Colonna, de meest typisch Italiaansche door die nietsdoende en zorgelooze menigte, welke flaneert om de zuil van Marcus Aurelius in de hoop, dat het geluk hun wel uit den hemel in den schoot zal vallen—de lange, regelmatige piazza Navone, die stil en verlaten ligt, sedert er geen markt meer op gehouden wordt, doch de droefgeestige herinnering aan haar vroegere drukte bewaart—de piazza del Campo de’ Fiori, welke iederen ochtend met het lawaai van de vruchten- en groentenmarkt vervuld wordt, een ware plantage van groote parapluies, stapels tomaten, Spaansche pepers en druiven te midden van den stroom der steeds maar door ratelende koop- en huisvrouwen. Het meest echter werd hij getroffen door de piazza del Capitolio, waaraan hij altijd dacht als aan een bergtop, aan een de stad en de wereld beheerschende open plek; nu vond hij haar echter klein, vierkant, eng tusschen de drie paleizen ingesloten, terwijl zij slechts uitzag op een kleinen, door daken begrensden horizont. Niemand komt hierlangs, vindt het de moeite waard de met palmen omzoomde toegangstrap op te gaan; alleen vreemdelingen maken een omweg om er heen te rijden. De rijtuigen wachten, de touristen blijven een oogenblik staan kijken naar het prachtige, oude, bronzen ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, dat in het midden staat. Tegen vier uur, wanneer de zon het paleis aan den linkerkant verguldt en de fijne beelden van het lijstwerk zich tegen den blauwen hemel afteekenen, zou men haar met haar vrouwen, die onder de zuilengaanderij zitten te breien en de troepen havelooze kinderen, die daar losgelaten zijn als een school op een speelplaats, voor een lauw en stil provinciepleintje houden.

Weer op een anderen avond gaf Pierre tegenover Benedetta en Dario uiting aan zijn bewondering voor de fonteinen van Rome, de stad, waar het water het rijkelijkst en overvloedigst in marmer en brons stroomt: van het “Scheepje” op de piazza di Spagna, den “Triton” op de piazza Barbarini, de “Schildpadden” op het pleintje, dat daarnaar genoemd is, af tot de drie fonteinen op de piazza Navona, waar in het midden het grootsche kunstwerk van Bernini prijkt, en de reusachtige en weelderige Fontana di Trevi, die door het tusschen de Gezondheid en de Vruchtbaarheid staande beeld van Neptunus beheerscht wordt, toe.

Een anderen avond kwam hij gelukkig thuis en vertelde, [338]dat hij zich eindelijk den typischen indruk had kunnen verklaren, die de straten van het oude Rome om den Capitolinus en op den linkeroever van den Tiber, daar waar oude krotten als het ware gekleefd stonden tegen de zijden van groote, vorstelijke paleizen, op hem maakten: het kwam, omdat zij geen trottoir hadden en de voetgangers heel op hun gemak tusschen de voertuigen in liepen, zonder ooit op de gedachte te komen langs de huizen te gaan. Het waren oude wijken, zooals hij ze gaarne zag: eindeloos draaiende straatjes; nauwe, onregelmatige pleintjes; reusachtige, vierkante paleizen, die in de op elkaar gedrongen menigte kleine huizen, welke ze van alle kanten overstroomden, als het ware verdwenen. Ook de wijk van den Esquilinus was zoo: overal met grijs kiezel bedekte trappen, waarvan iedere trede met witten steen omrand was; plotselinge bochten makende hellingen; boven elkander liggende terrassen; seminaria en kloosters met gesloten ramen als waren het doode huizen; een groote kale muur, waarachter zich een reusachtige palm in het smettelooze blauw van den hemel verheft.

Weer een ander maal, nadat hij zijn wandeling nog verder uitgestrekt had tot in de Campagna, langs den Tiber, stroomopwaarts van af de Ponte Molli, kwam hij verrukt thuis, omdat hem een klassieke kunst, waarvoor hij tot dusverre geen gevoel gehad had, geopenbaard was. Langs den oever had hij zuivere Poussin’s3 gezien: de gele, langzaam stroomende rivier met haar met riet begroeide oevers; lage, gekartelde, rotsachtige oevers, waarvan de krijtachtige witheid afstak tegen den rosachtigen achtergrond van de eindelooze, golvende vlakte, die slechts door de blauwe heuvels van den horizont begrensd werd; enkele spichtige boomen; de ruïne van een zuilengaanderij; een troep achter elkaar loopende schapen, die gaan drinken, terwijl een herder, die met zijn schouder tegen den stam van een steeneik leunt, staat te kijken. Het was een speciale, vermetele en ruwe, uit niets bestaande, tot een rechte en vlakke lijn vereenvoudigde, maar door grootsche herinneringen veredelde schoonheid; steeds nog marcheerden de Romeinsche legioenen over de straatwegen door de kale Campagna, steeds nog was het de lange slaap der Middeleeuwen, dan het ontwaken der oude natuur in het Katholieke geloof, wat Rome voor de tweede maal tot den wereldheerscher gemaakt had. [339]

Op een dag, dat Pierre den Campo Verano, het groote kerkhof van Rome bezocht had, vond hij ’s avonds aan het bed van Dario behalve Benedetta ook Celia.

“Vindt u het zoo prettig naar de dooden te gaan kijken?” riep de kleine prinses uit.

“O, die Franschen,” viel Dario, die alleen bij de gedachte aan een kerkhof al huiverde, haar bij; “die Franschen bederven door hun liefde voor treurige tooneelen met opzet hun leven.”

“Maar,” merkte Pierre zachtjes op, “je ontkomt nu eenmaal niet aan de werkelijkheid van den dood. Het beste is hem in het gezicht te zien.”

De prins werd plotseling boos.

“De werkelijkheid, de werkelijkheid! Wat beteekent dat? Als de werkelijkheid niet mooi is, kijk ik er niet naar. Ik probeer zelfs niet er aan te denken.”

Desniettemin vertelde Pierre op zijn kalme, vriendelijke manier, wat hem getroffen had: het prachtige onderhoud van het kerkhof; het feestelijke, dat de herfstzon erin bracht; de buitengewone marmerpracht; de tallooze marmeren beelden op de graven; de marmeren kapellen; de marmeren gedenkteekenen. Ongetwijfeld was dat de uitwerking van het oude atavisme; de weelderige mausolea van de Via Appia, een pronk en praal, een matelooze hoogmoed tot in den dood toe herleefden daar. In het bijzonder in het hooger gelegen gedeelte, waar de Romeinsche adel haar aristocratische wijk had, was het een opeenhooping van ware tempels, van reusachtige figuren, van uit verschillende personen bestaande groepen, meest alle getuigend van een vreeselijken wansmaak, maar waaraan millioenen ten koste gelegd moesten zijn. Vooral was tusschen de taxisboomen en cypressen het zuiver wit gehouden marmer van een groote bekoring. De warme zon verguldde het, er was geen mosvlek op te zien, geen door den regen veroorzaakte scheuren, welke de standbeelden in het Noorden zoo droefgeestig maken.

Benedetta, op wie het onbehagelijke gevoel van Dario aanstekelijk werkte, viel Pierre eindelijk in de rede door aan Celia te vragen:

“En is de jacht interessant geweest?”

Op het oogenblik, dat de priester binnenkwam, was de kleine prinses juist aan het vertellen over een vossenjacht, waarheen haar moeder haar medegenomen had.

“Je kan je niets interessanters voorstellen!… Om een uur [340]zouden we bij elkaar komen bij het graf van Caecilia Metella, waar in een tent een buffet ingericht was. En een menschen—de geheele vreemdelingenkolonie, de jongelui van de gezantschappen, officieren, ongerekend nog de heeren in rood jachtcostuum en de vele dames als amazones … Het sein van vertrek is om half twee gegeven en de jacht heeft meer dan twee uur geduurd, zoodat de vos zich eerst heel ver weg heeft laten vangen. Ik heb niet heelemaal kunnen volgen, maar ik heb toch heel interessante dingen gezien: een groote muur, waar alles overheen moest, greppels, hekken, in het kort een dolle jacht achter de honden aan … Er zijn twee ongelukken gebeurd, o, niet heel erg, een heer heeft zijn pols verrekt en een ander een been gebroken.”

Dario had met groote aandacht geluisterd, want deze vossenjachten behoorden tot de grootste genoegens van Rome. Welk een genot dat galoppeeren door de vlakke en toch met hindernissen als het ware bestrooide Campagna, dat verijdelen van de listen der door de honden opgejaagde vossen, dat voortdurend op zijwegen komen, dat plotselinge verdwijnen soms, dat vangen eindelijk, wanneer het dier door uitputting neervalt! Wat een genot, die jachten zonder geweer, dat jagen achter de staart van den vos, hem in snelheid te overtreffen en te overwinnen.

“O,” riep hij wanhopig uit, “wat een bezoeking om zoo aan je kamer gebonden te zijn! Ik zal nog sterven van verveling.”

Benedetta glimlachte slechts even, zonder een woord van verwijt of verdriet over dien naïeven uitroep van zelfzucht. En zij was zoo gelukkig hem in deze kamer, waar zij hem verpleegde, geheel voor zichzelf te hebben! Maar haar liefde, die zoo jong en zoo verstandig tegelijk was, had iets moederlijks in zich; en zij begreep heel goed, dat hij het alles behalve prettig vond zoo beroofd van zijn gewone genoegens en gescheiden te zijn van zijn vrienden, die hij uit vrees, dat het verhaal van dien verrekten schouder hun verdacht zou voorkomen, niet in de ziekenkamer toeliet. Geen feestmalen, geen schouwburgavonden, geen bezoeken aan dames meer! Vooral echter miste hij den Corso, het maakte hem ziek en wanhopig niets meer te zien of te hooren, nu hij heel Rome niet meer van vier tot vijf uur voorbijtrekken zag. Zoodra dan ook een enkele heel intieme vriend kwam, scheen er geen einde aan het vragen te komen; of hij dezen ontmoet had, of die weer verschenen was, hoe het met de [341]amourette van een derde afgeloopen was, of niet het een of andere schandaaltje de geheele stad in beroering bracht: onbeteekenende verhalen, gewone babbelpraatjes, kinderlijke intriges van een uur, waaraan hij tot nog toe al zijn energie besteed had.

Celia, die hem graag al die onschuldige praatjes kwam vertellen, begon, terwijl zij haar heldere oogen, haar diepe, raadselachtige meisjesoogen op hem richtte, na een kort zwijgen weer:

“Wat duurt het toch een tijd, hé, eer zoo’n schouder beter is?”

Had dit kind, dat alleen maar leefde voor de liefde, alles geraden? Verlegen keek Dario naar Benedetta, die kalm bleef glimlachen. Maar de kleine prinses begon al weer over iets anders.

“Zeg, Dario, ik heb gisteren op den Corso een dame gezien …”

Zij hield verlegen op, zelf verbaasd, dat die woorden haar ontsnapten. Dan ging zij heel dapper door als een jeugdvriendin, die in de kleine amourettes ingewijd is, door:

“Ja, een knappe dame, die je heel goed kent. Zij had toch een ruiker witte rozen.”

Ditmaal liet Benedetta aan haar vroolijkheid den vrijen loop, terwijl ook Dario haar lachend aankeek. Zij had hem de eerste dagen geplaagd, dat een zekere dame in het geheel niet naar hem liet vragen. In den grond der zaak vond hij deze geheel natuurlijke breuk volstrekt niet onaangenaam, want de liaison begon lastig te worden; en hoewel hij er eenigszins door gekwetst werd in zijn ijdelheid, was hij toch blij te hooren, dat Tonietta reeds een plaatsvervanger voor hem gevonden had.

“O,” antwoordde hij, “de afwezigen hebben altijd ongelijk.”

“De man, dien men liefheeft, is nooit afwezig,” zeide Celia met haar ernstig rein gezichtje.

Maar Benedetta was opgestaan, om het kussen in den rug van den herstellende op te schudden.

“Kom, kom, Dario, alle ellende is nu uit. Ik zal je houden; je zult niemand meer hebben om lief te hebben dan mij.”

Hij keek haar vol hartstocht aan en kuste haar op haar haren, want zij had de waarheid gezegd: hij had nooit een andere lief gehad dan haar, en zij vergiste zich evenmin, wanneer zij erop rekende, hem altijd voor zich te behouden, [342]zoodra zij zich aan hem gegeven zou hebben. Sedert zij hem in deze kamer verpleegde, had zij tot haar groot geluk het kind weer in hem teruggevonden, dat zij vroeger onder de oranjeappelboomen der villa Montefiori in hem lief had gehad. Ongetwijfeld ten gevolge van de verzwakking van het ras had hij een zeldzame kinderlijkheid behouden, die soort terugkeer tot de kindsheid, welken men bij zeer oude volkeren aantreft; hij speelde op zijn bed met plaatjes, keek uren lang naar photographieën, die hem aan het lachen maakten. Zijn onmacht om te lijden was nog grooter geworden; hij wilde, dat zij vroolijk was en zong, en amuseerde haar op zijn beurt met zijn beminlijken zelfzucht, die hem ertoe bracht van een leven van voortdurende vreugde met haar te droomen. O, wat zou het heerlijk zijn steeds samen in den zonneschijn te leven, niets te doen, zich om niets te bekommeren, mocht ook de wereld ergens ineenstorten, zonder dat men zich de moeite gaf er naar te gaan kijken!

“Maar het meest verheug ik mij er toch in,” zeide Dario zonder eenigen overgang, “dat mijnheer de abbé verliefd geworden is op Rome.”

Pierre, die zwijgend geluisterd had, stemde toe.

“Dat is zoo.”

“Ik heb het u wel gezegd,” merkte Benedetta op; “er is tijd, veel tijd voor noodig, om Rome te begrijpen en lief te hebben. Als u maar veertien dagen gebleven was, zoudt u een heel slechte meening van ons medegenomen hebben, terwijl wij nu na twee lange maanden heel rustig zijn; nooit meer zult u zonder liefde aan ons denken.”

Zij was betooverend en bekoorlijk, terwijl zij het zeide, en hij knikte opnieuw. Maar hij had reeds over dat verschijnsel nagedacht en meende de oplossing ervan reeds gevonden te hebben. Wanneer men naar Rome komt, brengt men een eigen Rome mede, een gedroomd, door de phantasie zóó veredeld Rome, dat het echte Rome een bittere teleurstelling geeft. Men moet dan ook, om de phantasie tijd te geven nogmaals te werken en de dingen te zien zooals zij zijn, nog slechts door de wonderbare pracht van het verleden zien, tot men daaraan gewend raakt, tot de middelmatige werkelijkheid wat verzacht wordt.

Celia stond op en nam afscheid.

“Tot ziens … En is er nu gauw bruiloft, Dario?… Je weet, dat ik vóór het eind van de maand de bruid wil zijn. Ja, ja, ik zal mijn vader dwingen een groote soirée te [343]geven … Wat zou het heerlijk zijn, als we tegelijk konden trouwen!”

Twee dagen later na een lange wandeling door Trastevere, gevolgd door een bezoek aan den palazzo Farnese, voelde Pierre hoe de verschrikkelijke en droefgeestige waarheid omtrent Rome zich in hem openbaarde. Verschillende malen reeds had hij Trastevere, welks ellendige bevolking zijn liefde voor de armen en lijdenden aangetrokken had, doorkruist. O, dat riool van ellende en onwetendheid! Hij had te Parijs afschuwelijke voorstadshoeken gezien, geheele huizenreeksen van verschrikking, waarin de menschheid samenhokte en vervuilde. Maar niets haalde bij dezen stilstand in zorgeloosheid en vuilheid. Zelfs op de mooiste dagen van dit zonneland verkilde een vochtig donker deze bochtige, nauwe, kelderachtige steegjes; vooral de stank was onhoudbaar, een walgelijke stank, die den voorbijgangers op de keel sloeg, een stank van zure groenten, ranzige olie, menschelijk vee, dat daar opgesloten was in zijn mest en drek.

Het waren oude, onregelmatige krotten, daar neergeworpen in een pêle-mêle, dat zoo geliefd was bij de kunstenaars, met donkere, gapende deuren, die onder den grond wegzonken, met buitentrappen, die naar de verschillende verdiepingen leidden, met houten balkons, die als door een wonder in de ruimte in evenwicht gehouden worden. Er waren half in elkaar gevallen gevels, die men met behulp van balken had moeten stutten; smerige woningen, door welker gebarsten ruiten men het vuil zien kon; allerlei treurige winkeltjes: de heele, in de open lucht zich bevindende keuken van een lui volk, dat zelf niet kookte; de vischbakkerijen met haar in stinkende olie zwemmende stukken polenta en visschen; de kooplieden in gekookte groenten, die koud geworden en kleverige rapen, bosjes selderie, bloemkool en spinazie uitstalden. Het slecht gesneden vleesch in de slagerswinkels was zwart; dierennekken waren met bloedklonters bezaaid, als waren zij zoo van de beesten afgerukt.

De brooden van de bakkers lagen als ronde keisteenen op de planken; arme fruitvrouwen hadden voor hun met gedroogde en aan een draad geregen tomaten bekranste deuren niets dan Spaansche peper en pijnappels. De eenige aantrekkelijke winkels waren die van de delicatessenhandelaren, wier pekelvleesch en kaas met hun scherpen geur den [344]stank van de goten wat verminderde. De loterijkantoren, waar de winnende nummers aangeplakt waren, wisselden af met kroegen; iedere dertig passen was een kroeg, die met groote letters aankondigde, dat daar de uitgelezen wijnen der Romeinsche kasteelen Genzano, Marino en Frascati te krijgen waren. De geheele wijk wemelde van een havelooze, door vervuiling zwarte bevolking, van troepen halfnaakte kinderen, die door ongedierte opgegeten werden, van gesticuleerende en schreeuwende vrouwen met loshangende haren, loshangende jakken en kakelbonte rokken, van grijsaards, die onder een zwerm zoemende muggen en vliegen onbeweeglijk op banken zaten.

Het was een nietsdoend en toch druk leven te midden van het voortdurende heen en weer geloop van kleine ezeltjes, die karren trokken, van mannen, die met zweepen kalkoenen voortdreven, van enkele onrustige, zenuwachtige touristen, die dadelijk door troepen bedelaars bestormd werden. Schoenlappers zaten kalm op het trottoir te werken. Voor de deur van een kleermaker hing een oude, met aarde gevulde emmer, waarin een plant groeide. Van alle ramen, van alle balkons hing aan touwen, die van het eene huis naar het andere gespannen waren, over de straat de wasch te drogen, vodden en lompen zonder naam, die als het ware de symbolische vaandels van de afzichtelijke ellende waren.

Pierre voelde, hoe zijn van naastenliefde overstroomende ziel ineenkromp van eindeloos medelijden. Ja, zeker, men moest die zieke en verpeste wijken, waarin het volk zoo lang gehokt had als in een vergiftigden kerker, met den grond gelijk maken. Ja, hij voelde alles voor gezondmaking, voor slooping, ook al moest het oude Rome tot groote ergernis der kunstenaars daardoor gedood worden. Reeds was Trastevere zeer veranderd, boorden nieuwe straten er luchtgaten, waar het zonlicht in breede stralen binnendrong. Wat ervan overbleef, scheen te midden van die gesloopte huizen en van die onlangs ontstane gaten, groote terreinen, waarop men nog niet had kunnen bouwen, nog zwarter en vuiler. De ontwikkeling van deze stad interesseerde hem. Later zou men ongetwijfeld verder gaan met bouwen; maar wat voor een opwindend oogenblik was het, dat de oude stad en de nieuwe te midden van zoovele moeilijkheden als het ware zieltoogde! Men had het vuile, onder excrementen, gootwater en groentenafval verdronken Rome moeten kennen. Het onlangs met den grond gelijk gemaakte Ghetto [345]had sedert eeuwen den bodem met zulk een menschelijke vuilheid doordrenkt, dat het nog kale bouwterrein, dat vol bulten en modderkuilen was, nog steeds een vreeselijken peststank uitwasemde. Men deed er zeer goed aan het op die wijze lang te laten drogen en zich reinigen in de zon.

In al deze wijken aan beide oevers van den Tiber, waar belangrijke openbare werken van wege de stad uitgevoerd worden, stoot men bij iederen stap op hetzelfde: men volgt een nauwe, stinkende, vochtig-kille straat met sombere gevels en daken, die elkaar bijna aanraken, en komt dan plotseling op een lichte, open plek, die de spaden en bijlen gehouwen hebben in het bosch van de oude, melaatsche krotten. Er zijn daar pleinen, breede trottoirs, hooge witte gebouwen, met beeldhouwwerk, een moderne hoofdstad in aanleg. Overal ziet men stukken van geprojecteerde wegen; het is een reusachtige werkplaats, die de financieele crisis thans dreigt te vereeuwigen; de stad van morgen is in haar groei belemmerd en blijft met haar matelooze, overhaaste en detoneerende beginwerken staan, als kon zij niet verder. Maar desniettemin was het een goed en hygienisch werk, dat voor een groote en moderne stad een absolute en sociale noodzakelijkheid was, als men ten minste het oude Rome niet wilde laten vervuilen als een merkwaardigheid uit lang vervlogen tijd, als een museumstuk, dat men onder glas bewaart.

Dien dag maakte Pierre, toen hij zich van Trastevere naar den palazzo Farnese, waar hij verwacht werd, begaf, een omweg door de Via di Pettinari en de Via di Giubbonari, waarvan de eerste zoo somber en tusschen den grooten, zwarten muur van het hospitaal en de ellendige krotten daartegenover samengedrukt is, terwijl de tweede één en al leven is door den voortdurenden menschenstroom en opgevroolijkt wordt door de etalages der juweliers met de dikke gouden kettingen en die van de modemagazijnen, waar groote blauwe, gele, groene en roode zijden banen in glanzende tinten schitteren. De arbeiderswijk, die hij pas doorloopen had, en de kleinhandelaarswijk, die hij nu doorging, riepen hem het stadsgedeelte vol afgrijselijke ellende voor den geest, dat hij reeds bezocht had, de beklagenswaardige massa der arbeiders, die door het stopzetten van het werk tot den bedelstaf gebracht waren en tusschen de prachtige en verwaarloosde gebouwen der Prati del Castello kampeerden; dat arme, dat ongelukkige, kind gebleven volk, dat, door eeuwen van theocratie in een onwetendheid en lichtgeloovigheid van wilden [346]gehouden, aan den nacht van zijn geest, aan het lijden van zijn lichaam zóó gewend is geraakt, dat het ondanks alles thans buiten den maatschappelijken réveil blijft en gelukkig is, wanneer men het in vrede genieten laat van zijn trots, zijn luiheid en zijn zon. Het scheen blind en doof in zijn verval te zijn, het zette zijn leven van stilstand van vroeger te midden van de evolutie van het nieuwe Rome voort, zonder er iets anders van te merken dan de lasten, nu de oude wijken, waarin hij woonde, met den grond gelijk gemaakt, de gewoonten veranderd, de levensmiddelen duurder werden, alsof licht, reinheid en gezondheid het lastig vielen, daar men ze met een groote financieele en arbeidscrisis betalen moest.

Maar, hetzij men er werkelijk die bedoeling mede gehad had of niet, in den grond der zaak werd Rome alleen ter wille van het volk gereinigd en met het doel, er een groote, moderne hoofdstad van te maken, opnieuw opgebouwd; want aan het einde van die veranderingen staat de democratie; het volk zal morgen de steden erven, waaruit men de vuilheid en de zieken verjaagt, waarin de wet van den arbeid zich ten slotte organiseert en de ellende doodt. En daarom moet men, ook al vervloekt men de rein gehouden ruïnen en het Colosseum, nu het van zijn klimop en zijn struiken en zijn wilde flora bevrijd is, die de jonge Engelsche dames in haar herbarium opnemen, ook al maakt men zich boos over de foei-leelijke vestingmuren, die den Tiber gevangen houden, ook al beweent men de zoo romantische oevers met hun groen en hun oude, in het water duikende huizen, toch tot zichzelf zeggen, dat het leven geboren wordt uit den dood en dat het morgen noodzakelijk opbloeien moet uit het stof van het gisteren.

Terwijl Pierre deze dingen overdacht, was hij op de eenzame, regelmatige piazza Farnese met haar gesloten huizen en haar twee fonteinen gekomen, waarvan de eene in de volle zon te midden van de groote stilte een eindeloozen straal van paarlen vallen deed. Hij bleef een oogenblik staan kijken naar den kalen en monumentalen gevel van het zware, vierkante paleis, zijn hooge poort, waarop de driekleurige vlag wapperde, zijn dertien gevelramen, zijn beroemde, zoo kunstrijke fries. Dan ging hij naar binnen. Een vriend van Narcisse Habert, een der gezantschapsattachés, die hem aangeboden had hem het reusachtige paleis, het mooiste van Rome, en dat Frankrijk voor zijn gezant gehuurd had, te laten zien [347]wachtte hem daar. O, dat geweldige, weelderige en doodsche paleis met zijn groote, vochtig-donkere, door een zuilengaanderij omgeven binnenplein, zijn reusachtige trap met de lage treden, zijn eindelooze gangen, zijn te groote galerijen en zalen. Het was de majestueuse praal van den dood; een ijskoude kilte viel van de muren en drong door tot in de beenderen van de menschelijke mieren, die zich onder de gewelven waagden.

De attaché bekende met een discreet glimlachje, dat de ambassade er zich doodelijk verveelde; ’s zomers werd zij gebraden, ’s winters tot ijs verstijfd. Slechts het door den gezant bewoonde gedeelte, de eerste verdieping, die op den Tiber uitzag, was iets rianter en levendiger. Daar ziet men van uit de beroemde galerij der Carrachi den Janiculus, de Corsini-tuinen, de Acqua Paolo boven de S. Pietro in Montorio. Dan komt na een grooten salon het studeervertrek, waarin een stille, door de zon opgevroolijkte vrede heerscht. Maar de eetzaal, de woonkamers en de andere door het personeel bewoonde vertrekken vallen weer terug in het sombere donker van een zijstraat.

Al die groote, zeven à acht meter hooge vertrekken hebben prachtige, geschilderde of gebeeldhouwde plafonds, kale muren, waarvan sommige met fresco’s versierd zijn, verschillende stijlen van meubelen, prachtige wandtafeltjes tusschen allerlei moderne bric-à-brac. En die troosteloosheid der dingen werd iets afschuwlijks, wanneer men in de galavertrekken komt, de groote eerezalen, die aan den op de binnenplaats uitzienden gevel liggen. Geen meubel, geen behang meer, niets dan een ruïne, verlaten, aan spinnen en ratten prijsgegeven zalen. De ambassade gebruikte er slechts één, waarin zij op wit houten tafels, op den grond en in alle hoeken haar stoffige archieven opbergt. Daarnaast is de reusachtige, tien meter en twee verdiepingen hooge zaal, die de eigenaar, de voormalige koning van Napels, voor zich gereserveerd had, een ware rommelkamer, waar maquettes, onvoltooide beelden en een buitengewoon mooie sarcophaag rondslingeren te midden van een onzegbaren massa onherkenbare puinhoopen.

En dat is nog slechts een gedeelte van het paleis; de rez-de-chaussée is geheel onbewoond, onze Ecole de Rome gebruikt een hoekje van de tweede verdieping, terwijl onze ambassade zich opeenhoopt in den meest bewoonbaren vleugel van de eerste, genoodzaakt als zij is het overige niet te gebruiken en de deuren te sluiten en te grendelen, om zich de [348]onnoodige moeite van schoonhouden te besparen. Zeker het is koninklijk het door paus Paulus III gebouwde en meer dan een eeuw door kardinalen betrokken paleis Farnese te bewonen, maar welk een gruwlijke ongemaklijkheid, welk een afschuwlijke melancholie in die onmetelijke ruïne, waarvan drie vierden der vertrekken dood zijn, nutteloos, onbewoonbaar, van het leven afgesneden! En ’s avonds, o, ’s avonds! Dan worden de poort, de binnenplaats, de trap, de gangen in een dichte duisternis gevangen, strijden de enkele, walmende lantaarns vergeefs, moet men een eindeloozen tocht maken door die lugubere woestijn van steenen, om in den warmen, gezelligen salon van den gezant te komen!

Gedrukt en met kloppende slapen verliet Pierre het paleis. En alle andere paleizen, al de groote paleizen, die hij op zijn wandelingen gezien had, richtten zich voor zijn geestesoog op; alle waren beroofd van hun pracht, de vorstelijke hofhoudingen van vroeger waren verdwenen, alle waren vervallen tot ongerieflijke huurhuizen. Wat moest men thans met die galerijen, met die grootsche zalen beginnen, nu geen vermogen groot genoeg was om daarin het weelderige leven te leiden, waarvoor men ze gebouwd had?

Prinsen, die, als prins Aldobrandini met zijn talrijke nakomelingschap, hun paleis alleen bewoonden, waren zeldzaam. Bijna allen verhuurden de oude verblijven van hun voorouders aan maatschappijen of particulieren, terwijl zij voor zichzelf een verdieping of soms zelfs maar een reeks appartementen in het donkerste hoekje behielden. Verhuurd was de palazzo Chigi: de rez-de-chaussée aan banken, de eerste verdieping aan de Oostenrijksche ambassade, terwijl de prins en zijn familie de tweede met een kardinaal deelden. Verhuurd was de palazzo Sciarra: de eerste verdieping aan den minister van Buitenlandsche Zaken, de tweede aan een senator, terwijl de prins en zijn moeder zich met den rez-de-chaussée tevreden moesten stellen. Verhuurd was de palazzo Barberini: de rez-de-chaussée, de eerste en tweede verdieping aan verschillende families, terwijl de prins op de derde verdieping in de vroegere kamers van het dienstpersoneel huisde. Verhuurd was de palazzo Borghese: de rez-de-chaussée aan een koopman in oudheden, de eerste verdieping aan een vrijmetselaarsloge, de rest aan families, terwijl de prins zelf slechts een paar kamers van een klein burgerlijk huis had. Verhuurd was de palazzo Odelscachi, [349]verhuurd de palazzo Colonna, verhuurd de palazzo Doria, terwijl de prinsen er nog slechts het bekrompen bestaan van goede huiseigenaars leidden en uit hun eigendom het grootst mogelijke profijt trokken, om rond te komen.

Een verwoestende wind woei over het Romeinsche patriciaat, de grootste vermogens waren in de financieele crisis gebleven; slechts weinigen bleven rijk. En welk een rijkdom was dat nog! Een onbeweeglijke, doode rijkdom, dien handel noch industrie konden hernieuwen. De talrijke prinsen, die getracht hadden zaken te doen, waren van alles beroofd. Den anderen, die door dat voorbeeld afgeschrikt waren en bovendien gebukt gingen onder zware belastingen, welke hun bijna het derde gedeelte van hun inkomsten ontnamen, bleef niets anders over dan toe te zien, hoe hun laatste stilstaande millioenen door deelingen verbrokkeld werden en stierven, daar het geld, evenals al het andere, sterft, wanneer het geen vruchten meer draagt in een levenden bodem. Het was nog slechts een quaestie van tijd, want de ruïne was onvermijdelijk, een absoluut, historisch noodlot. Zij, die er zich toe verlaagden om te verhuren, streden nog om hun leven, trachtten zich te schikken in en te richten naar het tegenwoordige, door er zich toe te dwingen tenminste de eenzaamheid van hun al te groote paleizen te bevolken, terwijl de dood reeds woonde bij de koppigen en hoogmoedigen, die zich inmetselden in het graf van hun geslacht, zooals de angstaanjagende, in stof vallende, in donker en zwijgen verstarde palazzo Boccanera, waarin men slechts nu en dan den dof over het gras van de binnenplaats rollenden, ouden karos van den kardinaal hoorde, als hij uitreed of thuiskwam.

Maar Pierre was vooral onder den indruk van die twee op elkaar volgende bezoeken aan Trastevere en aan den palazzo Farnese; het eene wierp een licht op het andere en beide leidden tot een slotsom, die zich nog nooit met een zoo vreeselijke helderheid in hem geformuleerd had: nog geen volk en weldra geen aristocratie meer. Dat liet hem niet meer los, vervolgde hem overal. Het volk, door de geschiedenis en het klimaat in een lange kindsheid gehouden, was, zooals hij gezien had, zóó ellendig, zóó onwetend, zóó berustend, dat er lange jaren van opvoeding en onderwijs noodig zouden zijn, om het te vormen tot een sterke, gezonde, werkzame, zich van haar rechten evenals van haar plichten bewuste democratie. De aristocratie stierf uit in haar instortende [350]paleizen, zij was niet meer dan een uitgeput, ontaard ras, zóó vermengd bovendien met Amerikaansch, Oostenrijksch, Poolsch en Spaansch bloed, dat het zuivere Romeinsche bloed een zeldzame uitzondering werd, afgezien nog van het feit, dat zij opgehouden had in krijgsdienst of in dienst der kerk te staan, daar het haar tegen de borst stuitte het constitutioneele Italië te dienen en uit het Heilige College trad, waarin alleen parvenu’s het purper aantrokken. En tusschen de kleinen beneden en de machtigen boven bestond nog geen stevig gegrondveste, door een nieuw sap sterke bourgeoisie, die verstandig en ontwikkeld genoeg was, om de overgangsopvoedster der natie te zijn.

De bourgeoisie bestond uit voormalige bedienden, de voormalige beschermelingen van de prinsen, de pachters, die hun landgoederen huurden, de intendanten, notarissen of advocaten, die hun vermogens beheerden; zij bestond uit ambtenaren, employé’s van iederen rang en stand, afgevaardigden en senatoren, die de regeering uit de provincies medegebracht had; zij bestond ten slotte uit de zwerm vraatzuchtige valken, die op Rome neerstreken, de Prada’s en de Sacco’s, de uit het geheele koninkrijk saamgestroomde roofmenschen, wier klauwen en bek alles, het volk en de aristocratie, verslonden. Voor wie had men dan gewerkt? Voor wie de reuzenwerken begonnen van het nieuwe Rome, die van een zóó matelooze hoop en hoogmoed getuigden, dat men ze niet afmaken kon? Over Rome woei een wind van verschrikking; een gekraak deed zich hooren, dat in alle liefhebbende harten onrust en tranen wakker riep! Ja, het einde van een wereld dreigde: nog geen volk en geen aristocratie meer, slechts een verslindende bourgeoisie, die de buit tusschen de puinhoopen zocht.

En welk een verschrikkelijk symbool waren die nieuwe paleizen, welke men gebouwd had naar het reusachtige voorbeeld der vroegere paleizen, deze groote, weelderige paleizen, welke uit den grond opgerezen waren voor honderdduizenden zielen, waarop men gehoopt had, doch die niet gekomen waren; deze paleizen, waarin zich de toenemende rijkdom, de triompheerende luxe van de nieuwe wereldhoofdstad had moeten vestigen, en die nu de jammerlijke, bezoedelde en reeds wankele toevluchtsoorden voor de zwartste ellende van het volk, voor alle bedelaars en vagebonden geworden waren!

Den avond van dien dag bracht Pierre, toen het reeds donker geworden was, een uur door op de kade van den [351]Tiber voor den palazzo Boccanera. Er heerschte een plechtige stilte, een eenzaamheid, zooals men die nergens vindt, en waarin hij graag vertoefde, niettegenstaande Victorine beweerde, dat het er niet veilig was. En inderdaad, op zulke pikdonkere avonden als deze had geen moordenaarshol ooit een tragischer decor gehad.

Geen levende ziel, geen voorbijganger; rechts en links en recht vooruit stilte, donkerte leegte. De palissaden, die aan alle kanten de reusachtige verlaten werkplaats insloten, versperden zelfs aan honden den toegang. Op den hoek van het in het donker verzonken paleis wierp een gaslantaarn, die sedert de ophooping dieper was komen te liggen vlak bij den grond een schemerlicht op de bultige kade; de materialen, die waren blijven slingeren, de hoopen steenen en tegels vormden groote, onbestemde schaduwen. Rechts plekten enkele lichtjes op de Ponte S. Giovanni de’Fiorentini en voor de ramen van het Heilige-Geest-hospitaal. Links verdwenen en zonken de verre stadswijken weg op den achtergrond van den rivierloop. Recht tegenover lag Trastevere; de huizen op den steilen oever, waar slechts enkele vensters door een dof schijnsel geel verlicht werden, maakten den indruk van bleeke, onduidelijke spookgestalten, terwijl daarboven een donkere streep de ligging aangaf van den Janiculus, waarop de lantaarns van de een of andere wandelplaats een driehoek van sterren deden fonkelen. De Tiber, die in de avonduren zoo melancholiek majestueus was, trok Pierre het meest aan. Hij bleef, op de steenen borstwering geleund, minuten lang kijken hoe hij tusschen zijn nieuwe muren stroomde, die ’s avonds het zwarte en monsterachtige uiterlijk aannamen van een gevangenis, die men daar voor een reus gebouwd zou hebben.

Zoolang in de huizen aan de overzijde lichten brandden, kon hij zien, hoe de zware wateren langzaam voorbij kabbelden in de reflexen, welker rimpeling hun een mysterievol leven gaf. En hij droomde eindeloos van het beroemde verleden dezer rivier; dikwijls riep hij zich de legende voor den geest, die beweert, dat fabelachtige rijkdommen in de modder van zijn bed begraven zijn. Bij iedere invasie der barbaren, en speciaal bij de plundering van Rome, zou men er de schatten der tempels en der paleizen in geworpen hebben, om ze aan de hebzucht der overwinnaars te onttrekken. Waren die gouden strepen, die daar in het ondoorzichtige water beefden, niet de gouden kandelaar met zeven [352]armen, dien Titus medegebracht had uit Jeruzalem? En die witte schimmen, welke onophoudelijk door den wind van vorm veranderden, waren dat geen zuilen en standbeelden? En die diepe vlammige weerschijnen, waren dat geen kostbare bekers en vazen, geen met edelgesteenten bezette kleinodiën? Welk een droom was dat even geziene wemelen in den schoot der rivier, dat verborgen leven van die schatten, welke daar eeuwen lang geslapen zouden hebben! En welk een verwachtingen voor den trots en het weer rijk worden van een volk vormden die wonderdadige schatten, welke men in den Tiber zou vinden, wanneer men hem eenmaal droog zou kunnen leggen, waarvoor reeds plannen ontworpen waren. Misschien lag daar het geluk van Rome!

Maar op dien zoo donkeren avond dacht Pierre, terwijl hij zoo over de borstwering leunde, slechts aan de strenge werkelijkheid. Hij zette zijn overpeinzingen van den dag, die zijn bezoek aan Trastevere in hem gewekt hadden, voort en kwam bij het zien van dat doode water tot de slotsom, dat de groote ramp, waaronder Italië leed, daarin bestond, dat men Rome gekozen had, om er een moderne hoofdstad van te maken. Hij wist zeer goed, dat die keuze onvermijdelijk was, daar Rome de koningin der glorie, de oude wereldheerscheresse was, de stad, aan welke de eeuwigheid beloofd was, zonder welke de nationale eenheid steeds onmogelijk geschenen was, zoodat een vreeselijk dilemma gesteld werd, daar zonder Rome Italië niet bestaan kon en dit met Rome zeer moeilijk bleek te zijn! O welk een onheilvolle stem nam deze doode rivier in den avond aan! Geen boot was te zien, geen beweging van handels- of industriedrukte, die leven brengt aan het hart van een groote stad. Ongetwijfeld had men mooie plannen gemaakt: Rome zeehaven, het rivierbed zóó diep uitgegraven, dat schepen met groote tonneninhoud tot den Aventinus zouden kunnen komen. Doch dat waren slechts hersenschimmen, nauwlijks had men den mond, die telkens weer verzandde, kunnen vrijmaken. En de andere reden van den doodsstrijd, de Campagna romana, de doodenwoestijn, waar de doode rivier door stroomde en die Rome met een gordel van onvruchtbaarheid omgaf? Men sprak er wel over haar te draineeren, haar te beplanten; men discussieerde tot in het eindelooze over de vraag, of zij onder de oude Romeinen vruchtbaar geweest was of niet; Rome bleef desniettemin midden in zijn groot kerkhof liggen als een stad van vroeger, die voor [353]eeuwig van de overige wereld afgescheiden is door een steppe, waarin zich het stof van eeuwen opgehoopt heeft.

De geographische oorzaken, die haar eens de wereldheerschappij gegeven hebben, bestaan thans niet meer. Het centrum der beschaving heeft zich opnieuw verplaatst, het bekken der Middellandsche Zee is onder machtige naties verdeeld. Alles gaat naar Milaan, de stad van handel en nijverheid, terwijl Rome in het vervolg slechts een doorgangsplaats is. De meest heldhaftige pogingen der laatste vijf-en-twintig jaar hebben de stad dan ook niet uit haar onoverwinlijken slaap kunnen rukken. De hoofdstad, die men te vlug heeft willen improviseeren, is stationnair gebleven en heeft de natie bijna geruïneerd. De nieuwe bewoners, de regeering, de Kamers, de ambtenaren doen er niet veel meer dan even hun tenten opslaan en vluchten bij de eerste warme dagen, om het doodende klimaat te vermijden; en dit geschiedt in zoo’n sterke mate, dat de hotels en magazijnen gesloten worden, de straten en parken als uitgestorven schijnen, daar de stad geen werkelijk leven bezit en onmiddellijk in den dood terugvalt, zoodra het kunstmatige leven, dat haar bezielt, haar weer verlaat.

Zoo blijft dan alles stilstaan in deze hoofdstad, waarvan de bevolking thans af- noch toeneemt, waarin een nieuwe stuwkracht van geld en menschen noodig is, om de reusachtige, nuttelooze gebouwen der nieuwe wijken af te maken en te bevolken. En wanneer het waar was, dat het morgen steeds weer opbloeit uit het stof van het gisteren, dan moest men zich tot hoop dwingen. Maar was de bodem niet uitgeput? Was, nu zelfs de bouwwerken er niet meer opschieten wilden, het sap, dat gezonde individuen en krachtige naties schept, ook niet voor eeuwig opgedroogd?

Naarmate het later werd, gingen de lichten in de tegenoverliggende huizen van Trastevere één voor één uit. En door wanhoop overmand, bleef Pierre nog lang gebogen staan over de nu zwarte wateren. Het was een eindelooze duisternis; in den diepen nacht van den Janiculus bleef niets over dan de sterrendriehoek van de gaslantaarns. Geen enkele weerschijn vlamde den Tiber meer met een rimpeling van goud, liet meer het tragische visioen der fabelachtige rijkdommen onder zijn mysterievollen loop dansen; het was nu uit met de legende, met den gouden, zevenarmigen kandelaar, met de gouden vazen, met de gouden kleinoodiën, met dezen geheelen droom van een ouden schat, die als de oude roem [354]van Rome zelf, in den nacht weggezonken was. Geen lichtglans, geen geluid, de eindelooze slaap, niets dan het dikke, zware droppelen van een goot rechts, die men niet zien kon. Ook het water was verdwenen, Pierre voelde nog slechts het loodzware voortstroomen in de duisternis, den neerdrukkenden ouderdom, de eeuwenoude uitputting, de eindelooze triestheid van dezen oerouden en glorierijken Tiber, die naar het Niets verlangde en voortaan nog slechts den dood eener wereld scheen voort te stuwen. Alleen de groote, rijke hemel, de eeuwige, pralende hemel ontplooide nog boven de schaduwrivier, die de ruïnen van bijna drie duizend jaar voortstuwde, het schitterende leven van zijn millioenen sterren.

Toen Pierre, alvorens naar zijn kamer te gaan, een oogenblik naar de kamer van Dario ging, vond hij daar Victorine, die bezig was alles in gereedheid te brengen voor den nacht.

“Wat, mijnheer de abbé, bent u op dit uur weer op de kade gaan wandelen?” riep zij op verwijtenden toon, toen zij hoorde waar hij vandaan kwam. “Wilt u dan met alle geweld een messteek krijgen … Neen hoor, mij zouden zij er niet toe krijgen in deze vervloekte stad zoo laat versche lucht te gaan happen.”

Dan wendde zij zich met haar gewone familiariteit tot den prins, die op een fauteuil lag te glimlachen.

“Zeg, dat meisje, die Pierina, is niet meer teruggeweest, maar ik heb haar tusschen de puinhoopen zien sluipen.”

Met een gebaar legde Dario haar het zwijgen op en wendde zich nu tot den priester.

“Maar u hebt toch met haar gesproken. Het wordt toch eigenlijk te gek … Stel je voor, dat die woesteling van een Tito zijn mes in mijn anderen schouder komt steken!”

Plotseling zweeg hij; hij zag Benedetta voor zich staan, die ongemerkt binnengekomen was, om hem goeden nacht te zeggen. Hij werd erg verlegen, wilde iets zeggen, een verklaring geven, haar zijn volkomen onschuld in dit avontuur bezweren. Maar zij glimlachte en zeide slechts liefdevol:

“Ik ken je geschiedenis, Dario. Je begrijpt toch wel, dat ik niet zoo dom ben, of ik heb erover nagedacht en het begrepen … Dat ik er niet verder naar gevraagd heb, komt alleen, omdat ik alles wist en toch van je hield.”

Zij was zoo gelukkig; zij had dien avond vernomen, dat monsignor Palma, de verdediger van het huwlijk in haar echtscheidingsproces, zich voor den aan zijn neef bewezen [355]dienst dankbaar had betoond door een voor haar gunstige memorie in te dienen. Niet dat de prelaat, die niet gaarne zijn eigen woorden herroepen wilde, zich geheel aan haar zijde geschaard had, maar de verklaringen der beide geneesheeren hadden hem toch in staat gesteld tot een zekeren maagdelijken staat te concludeeren, en hij had, heenglijdend over het feit, dat de niet voltrekking van het huwlijk haar oorzaak vond in den tegenstand der vrouw, de feiten zóó handig gegroepeerd, dat zij een nietigverklaring noodzakelijk maakten. Daar iedere hoop op toenadering vergeefsch was, stond het vast, dat de echtgenooten in voortdurend gevaar verkeerden tot onkuischheid te vervallen. Hij maakte een discrete toespeling op den echtgenoot, als om aan te toonen, dat deze reeds onder die verleiding bezweken was, om dan de hooge moraliteit der vrouw, haar vroomheid, alle deugden, die een waarborg vormden voor haar waarheidsliefde, te prijzen. Zonder het met zoovele woorden te zeggen, refereerde hij zich aan de wijsheid der congregatie. Maar daar monsignor Palma ongeveer de argumenten van advocaat Morano herhaalde en Prada er hardnekkig bij bleef niet te verschijnen, scheen het aan geen twijfel onderhevig of de congregatie zou met een groote meerderheid tot de nietigverklaring adviseeren, zoodat de Paus deze zou kunnen uitspreken.

“Nu zijn we tenminste aan het eind van onzen lijdenstocht, Dario! Maar wat een geld heeft het gekost! Tante zegt, dat we nauwlijks droog brood en water over hebben!”

Zij lachte met de heerlijke zorgeloosheid van een hartstochtelijk verliefde vrouw. Niet dat een proces voor de congregatie zoo kostbaar was, want in principe waren die kosteloos. Maar er waren oneindig veel kleine onkosten, alle ondergeschikte beambten, de medische deskundigen, de afschriften, de memories, de pleidooien. Bovendien, ook al kocht men natuurlijk de stemmen der kardinalen niet, zoo kwamen toch enkele stemmen op groote sommen te staan, wanneer men op de omgeving van Hunne Eminenties invloed wilde uitoefenen, afgezien nog van het feit, dat groote geldgeschenken in het Vaticaan, wanneer zij met takt gegeven worden, de grootste moeilijkheden uit den weg ruimen. En ten slotte had de neef van monsignor Palma veel gekost.

“Als ze ons, nu je weer genezen bent, maar gauw laten trouwen, dat is het eenige, wat we hun vragen, niet waar, Dario?… Als ze willen, zal ik hun nog mijn paarlen geven, het eenige vermogen, dat ik nog bezit.” [356]

Ook hij lachte, want geld had in zijn leven nooit een rol gespeeld. Hij had nooit zooveel gehad als hij wel wilde, hij hoopte eenvoudig steeds bij zijn oom, den kardinaal, te kunnen wonen, die het jonge paar niet op straat zetten zou. Bij hun ruïne beteekenden honderd, of tweehonderd duizend francs niets voor hem; hij had wel hooren zeggen, dat sommige echtscheidingen meer dan vijfhonderd duizend francs gekost hadden. Hij antwoordde dan ook schertsend:

“Geef hun ook mijn ring, geef hun alles, lieveling; wij zullen in dit oude paleis heel gelukkig leven, ook al moesten wij de meubels verkoopen.”

In haar geestdrift nam zij zijn hoofd tusschen haar beide handen en kuste hem in een opwelling van grooten hartstocht op zijn beide oogen.

Dan wendde zij zich plotseling tot Pierre:

“O, neem me niet kwalijk, mijnheer de abbé, ik had nog een boodschap voor u ook … Ja, van monsignor Nani, die ons daarnet de blijde tijding gebracht heeft; hij heeft mij opgedragen u te zeggen, dat u u te veel op den achtergrond houdt, dat u meer moet werken voor de verdediging van uw boek.”

Verbaasd luisterde Pierre naar haar.

“En juist hij heeft me aangeraden mij zoo weinig mogelijk te laten zien.”

“Dat is zoo. Maar het schijnt, dat het oogenblik nu gekomen is, dat u de menschen opzoeken, uw zaak bepleiten, u roeren moet in één woord! En nog iets: hij is ook den naam van den rapporteur te weten gekomen, aan wien men opgedragen heeft uw boek te onderzoeken. Het is monsignor Fornaro, die op de piazza Navona woont.”

Pierre voelde zijn verbazing grooter worden. Het gebeurde nooit, dat de naam van een rapporteur bekend werd, deze bleef geheim om het oordeel zoo vrij mogelijk te houden. Zou een nieuwe phase in zijn verblijf te Rome beginnen?

“Ik dank u zeer,” antwoordde hij eenvoudig. “Ik zal handelen en iedereen bezoeken.” [357]


1 Overdekt bootje der Middellandsche Zee met een driehoekig zeil. 

2 Dank, dank. 

3 Poussin, een bekend Fransch schilder. 

[Inhoud]

TIENDE HOOFDSTUK

Pierre, die niets liever wilde dan zoo spoedig mogelijk een eind maken aan de zaak, trachtte den volgenden dag reeds aan het werk te gaan. Maar een twijfel had zich van hem meester gemaakt: bij wien moest hij het eerst aankloppen, wien moest hij het eerst bezoeken, wanneer hij in een zoo gecompliceerd en zoo ijdel milieu geen fout wilde begaan? Toen hij zijn kamer verliet, zag hij toevallig don Vigilio, den secretaris van den kardinaal, in de gang. Hij verzocht hem even binnen te komen.

“U kunt mij een dienst bewijzen, mijnheer de abbé. Ik vertrouw me geheel aan u toe; ik heb een raad noodig.”

Hij voelde, dat deze kleine, magere man met zijn saffraan-kleurigen tint, die steeds rilde van koorts, ondanks zijn overdreven en bange omzichtigheid van alles op de hoogte, in alles betrokken was. Blijkbaar om het gevaar zich moeilijkheden op den hals te halen, te ontloopen, had hij Pierre tot dusverre, naar het scheen met opzet, vermeden. De laatste dagen echter was hij minder schuw, vlamden zijn zwarte oogen op, wanneer hij zijn buurman ontmoette, als had het ongeduld, waardoor Pierre verteerd moest worden, nu hij zoo lang tot niets doen gedoemd werd, zich ook van hem meester gemaakt. Hij trachtte dan ook niet zich aan het gesprek te onttrekken.

“Neem me niet kwalijk,” begon Pierre, “dat ik u in zoo’n wanorde laat. Maar ik heb van ochtend weer linnengoed en winterkleeren uit Parijs gekregen … Stel u voor, dat ik met een klein handkoffertje voor veertien dagen gekomen ben, en nu ben ik al drie maanden hier, zonder dat ik nog iets verder ben dan op den ochtend van mijn aankomst.”

Don Vigilio schudde zachtjes het hoofd.

“Ja, ja, ik weet het.” [358]

Toen legde Pierre hem uit, dat hij, nu monsignor Nani hem door de contessina had laten weten, dat hij, om zijn boek te verdedigen, moest gaan handelen en iedereen gaan opzoeken, in de grootste verlegenheid verkeerde, daar hij niet wist, hoe hij zijn bezoeken regelen moest. Moest hij bijvoorbeeld het eerst naar monsignor Fornaro gaan, die rapport over zijn boek moest uitbrengen?

“Wat,” riep don Vigilio bevend uit, “is monsignor Nani zoover gegaan, dat hij u dien naam genoemd heeft?… Dat is veel meer dan ik verwacht had!”

Hij liet zich door zijn hartstocht medeslepen.

“Neen, neen, begin niet met monsignor Fornaro. Ga eerst een zeer nederig bezoek brengen aan den praefect van de Indexcongregatie, aan Zijne Eminentie kardinaal Sanguinetti, omdat hij het u nooit vergeven zou, als hij te hooren kwam, dat u eerst bij een ander uw opwachting gemaakt hebt …”

Hij hield even op en voegde er dan fluisterend en rillend van koorts, aan toe:

“En hij zou het te hooren komen. Hier in Rome kom je alles te hooren.”

Dan nam hij, als maakte zijn sympathie hem plotseling dapper, de beide handen van den jongen, vreemden priester in de zijne.

“Mijn beste mijnheer Froment, ik zweer u, dat ik mij zeer gelukkig voelen zal, wanneer ik u op de een of andere wijze kan helpen, want u hebt een oprechte, eenvoudige ziel en ik heb werkelijk met u te doen … Maar u moet mij niet het onmogelijke vragen. Wanneer u wist, wanneer ik u alle gevaren toevertrouwde, die ons omringen … Toch meen ik u op dit oogenblik nog te kunnen aanraden in geen enkel opzicht te rekenen op mijn meester, Zijne Eminentie kardinaal Boccanera. Verschillende malen heeft hij zich tegenover mij zeer afkeurend over uw boek uitgelaten … Maar hij is een heilige, een man van hoogen ziele-adel, en al verdedigt hij u niet, hij zal u niet aanvallen, maar uit égard voor zijn nicht, de contessina, die hij aanbidt en die u beschermt, neutraal blijven … Bepleit, wanneer u hem ziet, uw zaak niet, dat zou u geen voordeel brengen en hem slechts prikkelen.”

Pierre voelde door die woorden geen al te groote teleurstelling, want hij had na zijn eerste onderhoud met den kardinaal en later bij de enkele bezoeken, die hij hem gebracht had, dadelijk begrepen, dat hij in hem slechts een tegenstander vinden zou. [359]

“Ik zal hem dan een bezoek brengen,” zeide hij, “om hem te bedanken voor zijn neutraliteit.”

Doch onmiddellijk kwam bij don Vigilio de angst weer boven.

“Neen, neen, doe dat niet, hij zou misschien begrijpen, dat ik gepraat had, en dan zou mijn positie leelijk gevaar loopen … Ik heb niets gezegd, ik heb niets gezegd. Bezoek eerst de kardinalen, al de kardinalen. Maar verder heb ik u niets gezegd, dat is afgesproken?”

Dien dag wilde hij niets meer zeggen. Bevend verliet hij de kamer, terwijl hij met zijn vlammende, onrustige oogen rechts en links in de gang rondkeek.

Onmiddellijk verliet Pierre het paleis, om een bezoek aan kardinaal Sanguinetti te brengen. Het was tien uur; hij had dus kans hem thuis te treffen. De kardinaal bewoonde, naast de kerk S. Luigi dei Francesi, in een donkere, nauwe straat, de eerste verdieping van een klein paleis, dat thans als huurhuis ingericht was. Het was niet de reusachtige, vorstelijk-grootsche en zwaarmoedige ruïne, waarin kardinaal Boccanera zich opsloot. De vroegere, voorgeschreven galavertrekken waren, evenals de geheele huishouding, beperkt. Er was geen troonzaal meer, er hing geen groote, roode kardinaalshoed meer onder een baldakijn, geen tegen den muur gekeerde fauteuil stond meer op de komst van den paus te wachten. Twee in elkaar loopende, als antichambres dienende kamers, een salon, waarin de kardinaal ontving—en dat alles zonder eenigen luxe, zonder comfort zelfs. De meubelen waren in empire-stijl, de tapijten en het behang zaten vol stof en waren door het gebruik verkleurd.

Het duurde lang, voordat er open gedaan werd, en toen eindelijk een knecht, die, zonder zich te haasten, zijn vest aantrok, de deur op een kiertje opende, antwoordde hij slechts, dat Zijne Eminentie den vorigen dag naar Frascati gegaan was.

Toen herinnerde Pierre zich, dat kardinaal Sanguinetti in den omtrek van Rome een diocees had. Hij bezat in Frascati een villa, waarin hij meermalen een paar dagen ging doorbrengen, wanneer hij behoefte had aan rust of een politieke reden hem daartoe noopte.

“En komt Zijne Eminentie gauw terug?”

“Dat is niet te zeggen … Zijne Eminentie is ziek en heeft opdracht gegeven, niemand naar hem toe te sturen, die hem daar lastig zou kunnen vallen.”

Toen Pierre weer op straat was, voelde hij zich door dien [360]eersten tegenslag geheel van streek. Zou hij zich, daar de zaken drongen, onmiddellijk naar Fornaro begeven, die hier vlak bij op de piazza Navona woonde? Maar hij herinnerde zich, dat don Vigilio hem aangeraden had eerst de kardinalen te bezoeken; hij kreeg een ingeving en besloot dadelijk naar kardinaal Sarno te gaan, met wien hij op de Maandagsche recepties van donna Serafina kennis gemaakt had. Ondanks zijn vrijwillig op den achtergrond blijven, beschouwde iedereen hem als een der machtigste en meest te duchten leden van het Heilig Concilie, wat zijn neef, Narcisse Habert, niet belette te verklaren, dat hij niemand kende, die voor vraagstukken, welke niet tot zijn gewone bezigheden behoorden, onverschilliger was dan zijn oom. Al maakte hij geen deel uit van de Indexcongregatie, toch zou hij hem goeden raad kunnen geven en zijn grooten invloed op zijn collega’s doen gelden.

Pierre begaf zich regelrecht naar het paleis der propaganda, waar hij zeker was den kardinaal te zullen aantreffen. Dit paleis, waarvan men den zwaren gevel van af de piazza di Spagna zien kan, is een reusachtig, kaal en plomp gebouw, dat een geheelen hoek tusschen twee straten inneemt. Pierre, die thans de nadeelen van zijn slecht Italiaansch voelde, raakte erin verdwaald en liep trappen op, die hij onmiddellijk daarop weer af moest gaan. Eindelijk had hij het geluk den secretaris van den kardinaal, een vriendelijken jongen priester, dien hij reeds in den palazzo Boccanera gezien had, te ontmoeten.

“Zeker, zeker. Ik zou niet weten waarom Zijne Eminentie u niet zou willen ontvangen. U hebt er heel goed aan gedaan op dit uur te komen, want dan is hij altijd hier … Wees zoo goed mij te volgen.”

Het werd een nieuwe tocht. Kardinaal Sarno, die langen tijd secretaris der Propaganda was geweest, bekleedde nu in zijn qualiteit van kardinaal het voorzitterschap der commissie, die den eeredienst organiseerde in de voor het Katholicisme nieuw veroverde landen in Europa, Afrika, Amerika en Oceanië. Als zoodanig had hij daar een werkkamer, een bureau, een heele administratie, waar hij heerschte als een maniak ambtenaar, die oud geworden was op zijn leeren stoel zonder ooit buiten den engen kring van zijn groene dossiers te komen, zonder van de wereld iets anders te kennen dan de straat, waarin de voetgangers en rijtuigen onder zijn raam voorbijgingen. [361]

Aan het einde van een donkere gang, waarin zelfs bij vollen dag licht branden moest, verzocht de secretaris Pierre even op een bankje plaats te nemen. Na een groot kwartier kwam hij terug.

“Zijne Eminentie is op het oogenblik in conferentie met zendelingen, die eerstdaags zullen vertrekken. Maar het zal niet lang duren. Hij heeft mij gevraagd u te verzoeken zoolang in zijn kabinet te wachten.”

Toen Pierre alleen in het kabinet was, nam hij nieuwsgierig de inrichting ervan op. Het was een tamelijk groot vertrek, zonder eenigen luxe, met een groen behang en groene damastmeubelen van zwart hout. De twee ramen, die op een smal zijstraatje uitzagen, verlichtten slechts half de sombere muren en het verschoten tapijt; behalve de twee wandtafeltjes stond er in het vertrek alleen maar een bureau, een eenvoudige houten tafel met een geheel versleten blad, dat bovendien geheel schuil ging onder dossiers en paperassen. Hij ging er wat dichter bij staan en keek naar den door het vele gebruik ingezakten bureaustoel, naar het scherm, dat ervoor stond, naar den met inktvlekken bespatten inktkoker. Dan begon hij in de zware, doode atmospheer, die op hem drukte, in de groote, angstaanjagende stilte, die alleen door de gedempte straatgeluiden gestoord werd, ongeduldig te worden.

Al op en neer loopende, werd Pierre’s aandacht getrokken door een kaart, die aan den muur hing en hem zóó met gedachten vervulde, dat hij al het andere vergat. Het was een gekleurde kaart van de Katholieke wereld, de geheele aarde, de afgerolde wereldkaart, waarop de verschillende kleuren de gebieden aangeven, al naar gelang zij tot het overwinnend, onbeperkt heerschend of aan het nog steeds in strijd met de ongeloovigen zijnde Katholicisme behoorden. De laatste landen waren naar gelang van de organisatie in vicariaten of praefecturen verdeeld. Was dit geheel eigenlijk niet een graphische voorstelling van het geheele, eeuwenoude streven van het Katholicisme naar de wereldheerschappij, die het van af het eerste oogenblik gewild had, die het door alle eeuwen heen nooit opgehouden heeft te willen? God heeft de wereld aan Zijn Kerk gegeven, maar zij moet die wel gewelddadig in bezit nemen, daar de dwaling nog steeds hardnekkig heerschen blijft. Vandaar de voortdurende strijd, vandaar dat de volkeren in onze dagen nog betwist worden aan vijandelijke godsdiensten, evenals in den tijd, dat [362]de apostelen Judea verlieten, om het Evangelie te verbreiden.

Gedurende de Middeleeuwen bestond de groote taak in het organiseeren van het veroverde Europa, zonder dat men zelfs een poging doen kon, om zich met de Oostersche afgescheiden Kerken te verzoenen. Daarna kwam de Hervorming, volgde het eene schisma op het andere—de Protestantsche helft van Europa en het geheele orthodoxe Oosten moesten heroverd worden. Maar met de ontdekking der Nieuwe Wereld ontwaakte de krijgslust weder, streefde Rome met al zijn eerzucht ernaar deze tweede helft der aarde ook in zijn bezit te krijgen, werden missies uitgezonden, om deze gisteren nog onbekende volkeren aan God te onderwerpen, want Hij had ze evenals de andere aan Rome geschonken. Zoo had zich de groote, tegenwoordige splitsing der Christenheid als van zelf gevormd: eenerzijds de Katholieke naties, bij wie het geloof slechts behoefde onderhouden te worden en die door het in het Vaticaan ondergebrachte Staatssecretariaat geleid werden; aan de andere zijde de schismatieke of nog eenvoudige heidensche naties, die in den schoot der Kerk gebracht of bekeerd moesten worden en waarover de congregatie der Propaganda trachtte te heerschen. Vervolgens had die congregatie zich op haar beurt in twee afdeelingen moeten splitsen, om het werk wat makkelijker te maken: de Oostersche afdeeling, die speciaal belast was met de dissidente secten in het Oosten, en de Latijnsche afdeeling, wier werkzaamheid zich over alle andere missielanden uitstrekt. Het is een grootsch ensemble van overwinnende organisatie, een reusachtig net met sterke dichte mazen, dat over de wereld geworpen wordt en geen enkele ziel moet laten ontsnappen.

Eerst nu, vóór deze kaart, kreeg Pierre een duidelijke voorstelling van deze sedert eeuwen werkende en tot het opzuigen der menschheid vervaardigde machine. De door de pausen rijk begiftigde en over een reusachtig inkomen beschikkende Propaganda scheen hem als het ware een afzonderlijke macht, een pausdom in een pausdom; hij begreep nu waarom aan den praefect der congregatie de naam “roode paus” gegeven werd. Over welk een onbeperkte macht beschikte niet deze veroveraar en heerscher, wiens handen van het eene einde der wereld tot het andere reikten? Had hij, terwijl de kardinaal-secretaris Centraal Europa, dat zoo kleine stukje van de aardbol, bezat, niet de geheele rest, eindelooze ruimten, de verre, nog onbekende streken? De cijfers bevestigden [363]het: Rome heerschte onbeperkt slechts over ruim tweehonderd millioen Roomsch-apostolische Katholieken, terwijl de schismatici, die van het Oosten en die der Hervorming, wanneer men ze optelde, dit getal reeds overschreden. En welk een reusachtig verschil werd het, indien men daarbij het milliard ongeloovigen voegde, wier bekeering nog volgen moest!

Plotseling werd hij zoo door die cijfers getroffen, dat een rilling hem doorhuiverde. Was het dan waar? Er waren vijf millioen Joden, bijna tweehonderd millioen Mohammedanen, meer dan zevenhonderd millioen Brahmanen en Boeddhisten, ongerekend de honderd millioen andere heidenen van alle godsdiensten, te zamen een milliard, waartegenover de Christenen niets meer dan vierhonderd millioen konden stellen, en deze nog onderling verdeeld, in voortdurenden strijd—de eene helft met Rome, de andere tegen Rome! Was het mogelijk, dat Christus in achttien eeuwen nog niet het derde gedeelte van de menschheid, dat het eeuwige, almachtige Rome nog niet het zesde gedeelte der volkeren aan zich onderworpen had? Eén ziel van de zes gered, welk een verschrikkelijke verhouding! Maar de kaart sprak onomwonden; het met rood aangegeven rijk van Rome was slechts een in de ruimte verloren punt, wanneer men het vergeleek met het geel gekleurde rijk der andere goden, de eindelooze streken, die de Propaganda nog te onderwerpen had.

De vraag drong zich nu op: hoeveel eeuwen zouden er moeten verloopen, vóórdat de beloften van Christus in vervulling zouden gaan, voor de geheele aarde aan zijn wet onderworpen zou zijn en de religieuse maatschappij de burgerlijke weer dekken en samen slechts één geloof en één rijk vormen zouden? En door welk een verbazing werd men bij deze vraag, bij deze reusachtige, nog te vervullen taak aangegrepen, wanneer men aan de kalme rust van Rome, aan zijn geduldige hardnekkigheid dacht, die nooit getwijfeld heeft, die thans minder dan ooit twijfelt. Het is door zijn bisschoppen en zijn zendelingen steeds aan den arbeid, wordt nooit moede en doet in de niet aan het wankelen te brengen overtuiging, dat slechts Rome alleen eens de meester der wereld zijn zal, zijn werk zonder onderbreking, evenals het oneindig kleine de wereld geschapen heeft!

O, Pierre zag en hoorde, hoe dit zich voortdurend op marsch bevindend leger aan de overzijde der zeeën door alle landen heen de politieke verovering in naam van den [364]godsdienst voorbereidde en verzekerde. Narcisse had hem verteld, hoe zorgvuldig de ambassades te Rome de handelingen der Propaganda moesten nagaan, want de missies in die verre landen waren dikwijls nationale werktuigen, die een grooten invloed uitoefenden. De geestelijke heerschappij verzekerde de wereldlijke, de veroverde zielen gaven de lichamen. Er werd dan ook een aanhoudende strijd gevoerd, waarin de congregatie aan de zijde stond der Italiaansche zendelingen of van die der verbonden naties, welker overwinning zij wenschte. Steeds was zij ijverzuchtig geweest op haar concurrent, de Propagation de la Foi te Lyon, die even rijk en even machtig is als zij, maar over meer energieke en dappere mannen beschikt. Zij stelde zich er niet mede tevreden haar reusachtige belastingen op te leggen, maar zij werkte haar tegen, offerde haar desnoods op, wanneer zij haar overwinning vreesde.

Meermalen waren Fransche zendelingen en Fransche orden verjaagd en hadden plaats moeten maken voor Italiaansche of Duitsche monniken. En thans voelde Pierre dezen geheimen haard van politieke intrigues in dit sombere, stoffige vertrek, dat nooit door de zon opgevroolijkt werd. En weer doorrilde hem zijn oude huivering, die huivering voor dingen, die men weet, doch die u plotseling monsterachtig en angstaanjagend toeschijnen. Moest dit in de geheele wereld georganiseerde en met een eeuwige hardnekkigheid in tijd en ruimte functioneerend werktuig van verovering en geweld niet de verstandigsten in de war brengen, niet de dappersten doen verbleeken? Het was niet tevreden met de zielen, maar werkte aan zijn toekomstige heerschappij over alle menschen, beschikte over hen, daar het hen nog niet voor zichzelf kon nemen, en stond ze af aan den wereldlijken meester, die hen zoolang bewaren zou. Welk een wonderlijken droom: Rome wacht met glimlachende kalmte op de eeuw, dat het de tweehonderd millioen Mohammedanen en de zevenhonderd millioen Brahmanen en Boeddhisten opgezogen zal hebben in één enkel volk, waarvan het de geestelijke en wereldlijke koning zijn zal in naam van den triompheerenden Christus!

Een gehoest deed Pierre omkijken; hij huiverde, toen hij kardinaal Sarno, dien hij niet had hooren binnenkomen, zag. Nu hij daar zoo voor die kaart staande aangetroffen werd, kreeg hij een gevoel, alsof men hem betrapte, terwijl hij bezig was iets kwaads te doen, een geheim te schenden. Een diepe blos kwam op zijn gelaat. [365]

Maar de kardinaal, die hem met zijn doffe oogen strak had aangekeken, liet zich, zonder een woord te zeggen, in zijn fauteuil vallen. Met een handbeweging had hij hem van den ringkus ontslagen.

“Ik wilde mijn opwachting maken bij Uwe Eminentie … Voelt Uwe Eminentie zich ziek?”

“Neen, neen, maar ik kan maar niet afkomen van die beroerde verkoudheid. En bovendien heb ik het op het oogenblik heel druk.”

Pierre keek hem aan; in het schemerlicht, dat door het raam binnenviel, zag hij er met zijn linkerschouder, die hooger was dan zijn rechter, zoo kwijnend en mismaakt uit. In zijn uitgemergeld, aardkleurig gelaat was niets levends meer, zelfs zijn blik niet. Hij dacht plotseling aan een van zijn ooms te Parijs, die, nadat hij dertig jaar in het bureau van een ministerie had doorgebracht, dienzelfden dooden blik, diezelfde perkamenten huid, diezelfde moede wezenloosheid had. Kon het eigenlijk wel mogelijk zijn, dat deze uitgedroogde en in zijn roodomzoomde, zwarte soutane als het ware zwemmende grijsaard de meester der wereld was en zonder Rome ooit verlaten te hebben, de kaart der Christenheid zóó in zich opgenomen had, dat de praefect der Propaganda geen enkel besluit nam, alvorens hij zijn advies ingewonnen had?

“Ga een oogenblik zitten, mijnheer de abbé … U hebt mij zeker iets te vragen, dat u mij komt bezoeken …”

En terwijl hij in een luisterende houding zitten ging, bladerde hij met zijn magere vingers in de voor hem opgestapelde dossiers, wierp een blik in ieder stuk als een generaal, als een ervaren en kundig tacticus, wiens leger zich ergens in de verte bevindt en die het uit zijn studievertrek ter overwinning voert, zonder ooit een minuut te verliezen.

Pierre, die een oogenblik verlegen was, nu hij het zelfzuchtige doel van zijn bezoek zoo duidelijk geformuleerd hoorde worden, besloot met de deur in huis te vallen.

“Inderdaad, ik ben zoo vrij van de groote wijsheid van Uwe Eminentie raad te komen vragen. Uwe Eminentie zal het niet onbekend zijn, dat ik te Rome ben, om mijn boek te verdedigen. Ik zou zeer gelukkig zijn, indien Uwe Eminentie mij zou willen leiden en met haar ervaring bijstaan.”

In enkele woorden vertelde hij hem, hoe het met zijn zaak, die hij tegelijk verdedigde, stond. Maar naar mate hij verder sprak, zag hij, hoe de kardinaal alle belangstelling verloor, aan iets anders dacht, hem niet meer verstond. [366]

“Ach ja, u hebt een boek geschreven; als ik mij goed herinner, is daar op een avond bij donna Serafina over gesproken … Dat is verkeerd, een priester moet niet schrijven. Waartoe dient dat?… En wanneer de Indexcongregatie het vervolgt, heeft zij daar zeker groot gelijk in. Wat kan ik in deze zaak doen? Ik ben geen lid der Congregatie, ik weet niets, absoluut niets.”

Vergeefs trachtte Pierre, die zijn teleurstelling den kardinaal zoo gesloten en onverschillig te vinden, niet bedwingen kon, hem belangstelling in te boezemen. Hij merkte, dat deze geest, die op het gebied, waarop hij zich sedert veertig jaar bewoog, zoo veelomvattend en scherpzinnig was, stomp werd, zoodra hij zich van dat speciale gebied verwijderde. Hij was noch nieuwsgierig noch soepel. Uit zijn oogen verdween alles wat op leven geleek, zijn schedel scheen nog dieper ingedrukt te worden, zijn geheele gelaatsuitdrukking kreeg iets imbeciels.

“Ik weet niets, ik kan niets,” herhaalde hij. “Ik beveel nooit iemand aan.”

Toch trachtte hij iets te doen.

“Maar Nani zit erachter. Wat raadt Nani u aan te doen?”

“Monsignor Nani is zoo vriendelijk geweest mij den naam van den rapporteur, monsignor Fornaro, te noemen en heeft mij aangeraden hem te bezoeken.”

De kardinaal scheen verbaasd en als het ware wakker te worden. Er kwam wat licht in zijn oogen terug.

“Zoo, zoo, werkelijk … Als Nani dat gedaan heeft, dan zal hij daar zijn reden wel voor hebben. Ga naar monsignor Fornaro.”

Hij was opgestaan ten bewijze, dat de audiëntie afgeloopen was, waarop Pierre met een diepe buiging zijn dank betuigde. Zonder hem naar de deur te brengen, ging hij weer zitten en in het doode vertrek was niets meer te hooren dan het droge geluid van zijn knokige vingers, die in de dossiers bladerden.

Gewillig volgde Pierre zijn raad op. Hij besloot op zijn terugweg naar de Via Giulia over de piazza Navona te gaan. Maar bij Monsignor Fornaro zeide een knecht hem, dat zijn heer was uitgegaan en dat hij zich, als hij hem spreken wilde, vroegtijdig, om tien uur, moest laten aandienen. Hij kon dan ook eerst den volgenden ochtend ontvangen worden. Hij had voordien zorg gedragen omtrent den prelaat iets te weten te komen, zoodat hij het voornaamste van hem wist: [367]hij was in Napels geboren, was zijn studies begonnen bij de Barnabietenpaters in die stad en had die op het seminarie te Rome voltooid. Daarna was hij langen tijd professor aan de Gregoriaansche universiteit geweest. Thans was monsignor Fornaro raadgever bij verschillende congregaties, kanunnik van de S. Maria Maggiore, werd verteerd door de eerzucht eenmaal kanunnik van de St. Pieter te worden, en koesterde den droom eens secretaris van het consistorie te worden—een ambt, dat hem later het purper geven zou. Het eenige wat men hem, die voor een bijzonder knap theoloog doorging, verwijten kon, was, dat hij te veel aan litteratuur deed, hij schreef namelijk veel artikelen voor godsdienstige tijdschriften, die hij echter zoo verstandig was niet te teekenen. Ook zeide men, dat hij zeer mondain was.

Zoodra Pierre zijn kaartje had laten overhandigen, werd hij ontvangen, en misschien zou het vermoeden bij hem opgekomen zijn, dat hij verwacht werd, wanneer de ontvangst, die hem van de zijde van den prelaat ten deel viel, niet getuigd had van de meest oprechte verrassing, gepaard met eenige ongerustheid.

“Mijnheer de abbé Froment, mijnheer de abbé Froment,” herhaalde de prelaat, terwijl hij naar het kaartje, dat hij in zijn hand gehouden had, keek. “Kom binnen, als het u blieft. Ik had eigenlijk niemand willen ontvangen, want ik heb zeer dringend werk … Maar het komt er niet op aan, ga zitten!”

Maar Pierre bleef vol bewondering voor dezen knappen, grooten en sterken man, die in de kracht van zijn leven was, staan. Blozend, gladgeschoren, met nauwlijks grijzende haren had hij een vriendelijken neus, vochtige lippen, liefkoozende oogen, in het kort alles wat den Romeinschen prelaat verleidelijk en decoratief maken kan. In zijn zwarte soutane met lila kraag zag hij er zeer gesoigneerd en eenvoudig-elegant uit. Het groote vertrek, waarin hij ontving, en dat door twee op de piazza Navona uitziende ramen vroolijk verlicht en met een thans bij de Romeinsche geestelijkheid weinig voorkomenden smaak gemeubileerd was, was een waardige omlijsting voor den opgewekten en hartelijk ontvangenden prelaat.

“Ga toch zitten, mijnheer Froment, en vertel me, waaraan ik de eer van uw bezoek te danken heb.”

Hij was zelf ook weer gaan zitten; en Pierre voelde zich bij die natuurlijke vraag, welke hij had moeten voorzien, [368]plotseling verlegen worden. Zou hij onmiddellijk op de zaak ingaan, het teere motief van zijn bezoek bekennen? Hij voelde, dat het de snelste en waardigste weg was.

“O, monsignor, ik weet heel goed, dat wat mij tot u voert, iets zeer ongewoons is. Maar men heeft mij aangeraden dezen stap te doen en het komt mij voor, dat het tusschen eerlijke menschen nooit kwaad kan zijn de waarheid in volle oprechtheid te zoeken.”

“Maar wat dan, wat dan?” vroeg de prelaat met een volkomen onschuldig gezicht, terwijl zijn glimlach hem geen oogenblik verliet.

“Welnu dan, ik heb gehoord, dat de Indexcongregatie u opgedragen heeft rapport uit te brengen over mijn boek Het Nieuwe Rome; en nu neem ik de vrijheid mij te komen voorstellen voor het geval, dat u eenigen naderen uitleg aan mij te vragen hebt.”

Maar monsignor Fornaro scheen er niets verder over te willen hooren. Hij bracht zijn beide handen aan zijn hoofd en ging, hoewel nog altijd beleefd, wat achteruit.

“Neen, neen, vertel me dat niet, zeg niets verder, daar zoudt u mij groot verdriet mede doen … Laten we aannemen, dat men u verkeerd heeft ingelicht, want men moet niets weten, weet ook niets, de anderen evenmin als ik … Laten we om Godswil niet meer over die dingen praten.”

Gelukkig kreeg Pierre, die de uitwerking gemerkt had, welke de naam van den assessor van het Heilig College gemaakt had, den inval te antwoorden:

“Zeker, monsignor, ik ben niet van plan u den minsten overlast te veroorzaken, en ik herhaal u, dat ik mij nooit de vrijheid veroorloofd zou hebben u lastig te vallen, indien niet monsignor Nani zelf mij uw naam en uw adres gegeven had.”

Ook ditmaal liet de uitwerking niet op zich wachten, ook al gaf monsignor Fornaro niet dadelijk toe.

“Wat, is monsignor Nani zoo onbescheiden geweest! Ik zal hem een standje moeten geven … En wat weet hij ervan? Hij behoort niet tot de congregatie, hij kan op een dwaalspoor gebracht zijn … Zeg hem, dat hij zich vergist heeft, dat ik niets met deze zaak te maken heb; dat zal hem leeren, dat hij geen geheimen, die door allen geëerbiedigd moeten worden, moet verraden.”

Dan voegde hij er vriendelijk met zijn liefkoozende oogen en zijn glimlachenden mond aan toe: [369]

“Enfin, nu monsignor Nani het wenscht, wil ik wel een oogenblik met u praten, mijnheer Froment, onder voorwaarde, dat u van mij niets zult hooren over mijn rapport, noch over wat in de congregatie gedaan of gezegd kan zijn.”

Op zijn beurt moest nu Pierre glimlachen, want hij verwonderde er zich over hoe makkelijk dadelijk alles werd, wanneer de schijn en de vormen maar gered werden. En hij begon nogmaals zijn geval uit te leggen, schilderde hem de groote verbazing, waarin het proces, dat zijn boek aangedaan was, hem geworpen had, de onwetendheid, waarin hij nog verkeerde omtrent de grieven, waarnaar hij nog altijd zocht, zonder ze te kunnen vinden.

“Zoo, zoo!” zeide de prelaat, verbaasd over zooveel naïeveteit. “De congregatie is een rechtbank en kan niet handelen, wanneer een zaak niet aanhangig bij haar gemaakt wordt. Uw boek wordt vervolgd, omdat men het aangegeven heeft.”

“Ja, ik weet het, aangegeven.”

“Zeker, de klacht is door drie Fransche bisschoppen ingediend—u zult mij niet kwalijk nemen, dat ik de namen verzwijg—en dan moet de congregatie tot onderzoek van het geïncrimineerde werk overgaan.”

Pierre keek hem vol verbazing aan. Aangeklaagd door drie bisschoppen, en waarom, met welk doel?

Dan dacht hij aan zijn beschermer.

“Maar kardinaal Bergerot heeft mij een goedkeurenden brief geschreven, dien ik als voorwoord in mijn boek heb laten drukken. Was dat geen voldoende waarborg voor het Fransche episcopaat?”

Fijntjes schudde monsignor Fornaro zijn hoofd, vóór hij antwoordde:

“O, ja zeker! De brief van Zijne Eminentie, een heel mooie brief … Toch geloof ik, dat hij beter gedaan zou hebben dien niet te schrijven, zoowel voor hem zelf als vooral voor u.”

En toen de priester, wiens verbazing steeds toenam, hem tot een nadere verklaring dwingen wilde, voegde hij eraan toe:

“Neen, neen, ik weet niets, ik zeg niets … Zijne Eminentie kardinaal Bergerot is een heilige, die door iedereen vereerd wordt, en wanneer hij zondigen kon, dan zou men daarvan alleen zijn hart een verwijt kunnen maken.”

Er volgde een stilte. Pierre had een gevoel, alsof zich een afgrond voor hem opende. Hij durfde niet aandringen, maar zeide met eenige heftigheid:

“Maar waarom mijn boek en waarom niet de boeken der [370]anderen? Ik denk er niet over op mijn beurt als aanklager op te treden, maar hoeveel boeken ken ik niet, waarvoor Rome de oogen sluit en die heel wat gevaarlijker zijn dan het mijne!”

Ditmaal scheen monsignor blijde te zijn zich bij Pierre’s meening te kunnen aansluiten.

“U hebt groot gelijk, wij weten heel goed, dat wij niet alle slechte boeken kunnen bereiken, en dat spijt ons genoeg. Maar u moet eens denken aan het ontelbaar aantal boeken, dat wij gedwongen zouden zijn te lezen. Daarom veroordeelen wij de slechtste en bloc.”

Hij ging nader op die quaestie in. In principe moesten de drukkers geen boek op de pers leggen, zonder het van te voren aan de goedkeuring van den bisschop onderworpen te hebben. Maar in welke groote verlegenheid zouden de bisschoppen geraken, wanneer de drukkers zich bij de tegenwoordige reusachtige boekenproductie, plotseling naar dien regel gingen schikken. Men zou voor dat kolossale werk geen tijd, geen geld en niet genoeg geschikte menschen hebben. Daarom veroordeelde de Indexcongregatie de verschenen of nog te verschijnen boeken van sommige categorieën geheel en al, zonder ze te onderzoeken: in de eerste plaats alle voor de zeden gevaarlijke boeken, alle erotische boeken, alle romans; vervolgens alle Bijbels in de gewone talen, want de Heilige Boeken mogen maar niet zonder onderscheid toegestaan worden; ten slotte alle duivelskunstenboeken, alle wetenschappelijke, geschiedkundige en wijsgeerige boeken, die met het dogma in strijd zijn, alle boeken van ketters of eenvoudige geestelijken, die den godsdienst betreffen. Dat waren verstandige, door verschillende pausen overgenomen wetten, waarvan het exposé als voorrede diende voor den catalogus van verboden boeken, dien de congregatie uitgaf, en zonder welke deze catalogus, wilde men hem volledig hebben, alleen een heele bibliotheek gevuld zou hebben. In één woord, wanneer men hem doorbladerde, merkte men dadelijk, dat het interdict vooral werken van priesters betrof, daar Rome er zich, gezien de moeilijkheid en het reusachtige van de taak, slechts om bekommerde zorg te dragen voor de goede orde in de Kerk. Dat was ook het geval met Pierre en zijn boek.

“U begrijpt,” ging monsignor Fornaro voort, “dat we voor een hoop ongezonde boeken geen reclame gaan maken door ze de eer van een afzonderlijke veroordeeling aan te doen. [371]Er zijn er legioenen bij alle volkeren, en wij zouden geen papier en geen inkt genoeg hebben, om ze alle te bereiken. Wij bepalen er ons toe er een te treffen, wanneer het door een beroemden naam geteekend is, wanneer er te veel over gesproken wordt of wanneer het ergerlijke aanvallen bevat tegen het geloof. Dat is voldoende om er de menschheid aan te herinneren, dat wij bestaan en ons verdedigen, zonder in het minst iets van onze rechten of van onze plichten prijs te geven.”

“Maar mijn boek, mijn boek?” riep Pierre uit; “waarom die vervolging tegen mijn boek?”

“Maar dat leg ik u toch, voor zoover het mij geoorloofd is, uit, mijn beste mijnheer Froment. U is priester, uw boek heeft succes, u hebt een goedkoope editie gegeven, die goed verkocht wordt—en nu spreek ik niet over de letterkundige verdienste, die werkelijk zeer opmerkelijk is, want ik maak u mijn compliment over den dichterlijken ademtocht, die door het geheele werk gaat. Maar hoe zou het mogelijk zijn, dat wij in die omstandigheden onze oogen sloten voor een werk, waarin u concludeert tot de vernietiging van onzen heiligen godsdienst en tot de verwoesting van Rome?”

Pierre bleef, als verstikt door verwondering, met open mond zitten.

“De verwoesting van Rome? Groote God, maar ik wil Rome juist verjongd, eeuwig, de koningin der wereld!”

En opnieuw aangegrepen door zijn brandende geestdrift, verdedigde hij zich, legde hij opnieuw zijn geloofsbekentenis af: het Katholicisme moest terugkeeren tot de oorspronkelijke Kerk, nieuwe krachten putten uit het broederlijke Christendom van Jezus, de paus moest, van alle aardsche hoogheid bevrijd, door barmhartigheid en liefde heerschen over de geheele menschheid, de wereld redden van de vreeselijke sociale crisis, die haar bedreigde, om haar te brengen tot het ware koninkrijk Gods, tot de Christelijke gemeenschap van alle tot één volk vereenigde volkeren.

“Kan de Heilige Vader mijn boek veroordeelen? Zijn het niet zijn geheime ideeën, die men begint te raden? En zou het mijn eenige fout niet zijn, dat ik ze te vroeg en te vrij uitgesproken heb? Zou ik, indien men mij toestond hem te spreken, niet onmiddellijk van hem verkrijgen, dat de vervolging gestaakt werd?”

Monsignor Fornaro zeide niets meer, schudde zijn hoofd, zonder zich boos te maken over de jeugdige onstuimigheid [372]van den priester. Integendeel hij glimlachte met een toenemende vriendelijkheid, als schepte hij vermaak in zooveel onschuld en dweperij.

“Vooruit maar, vooruit maar!” zeide hij eindelijk vroolijk. “Ik zal u niet tegenhouden. Het is mij verboden iets te zeggen … Maar het wereldlijk gezag, het wereldlijk gezag …”

“En wat wil dat wereldlijk gezag?”

Weer zeide de prelaat niets. Hij keek naar boven en speelde met zijn blanke handen. Toen hij weer begon te spreken, was het alleen om er aan toe te voegen:

“En dan is er nog uw nieuwe godsdienst … Want het woord nieuwe godsdienst, nieuwe godsdienst komt tweemaal in uw boek voor …”

Hij wond zich nog meer op, raakte zoo buiten zichzelf, dat Pierre, door ongeduld aangegrepen, uitriep:

“Ik weet niet, hoe uw rapport luiden zal, monseigneur, maar ik verzeker u, dat het nooit in mijn bedoeling gelegen heeft het dogma aan te vallen. Dat blijkt waarachtig toch wel uit mijn heele werk, ik heb alleen een boek van erbarmen en redding willen geven. Het is niet meer dan billijk ook met de bedoelingen rekening te houden.”

Monsignor Fornaro was weer kalm geworden en zeide op vaderlijken toon:

“O, de bedoelingen, de bedoelingen!”

Hij stond op, ten teeken, dat hij het onderhoud als geëindigd beschouwde.

“Wees ervan overtuigd, mijn waarde mijnheer Froment, dat ik mij zeer vereerd gevoel, dat u zich tot mij gewend heeft … Natuurlijk kan ik u niet zeggen, hoe mijn rapport zal uitvallen; wij hebben er trouwens al te veel over gesproken en ik had eigenlijk moeten weigeren naar uw verdediging te luisteren. Maar desniettemin ben ik gaarne bereid u in alles, wat niet indruischt tegen mijn plicht, te helpen … Maar ik vrees voor uw boek het ergste.”

En toen Pierre opnieuw beginnen wilde, voegde hij er aan toe:

“Ach ja … De feiten worden beoordeeld en niet de bedoelingen. Iedere verdediging is dus nutteloos, het boek bestaat en is wat het is. U kunt het net zooveel verklaren en uitleggen als u wilt, maar veranderen kunt u het niet meer … Daarom hoort de congregatie de aangeklaagden nooit, aanvaardt zij van hen slechts de eenvoudige herroeping. Het verstandigste wat u nog doen kunt, is uw boek [373]te herroepen, u te onderwerpen … Wilt u dat niet? Ach, wat zijt ge nog jong, vriendlief!”

Hij lachte nog luider om het gebaar van verzet, van ontembaren trots, dat zijn jonge vriend, zooals hij hem noemde, niet bedwingen kon. Dan bij de deur, in een nieuwe opwelling van sympathie, terwijl hij zijn stem deed dalen:

“Kom, vriendlief, ik wil iets voor u doen, ik zal u een goeden raad geven … Eerlijk gezegd, beteeken ik niets. Ik lever mijn rapport in, het wordt gedrukt, men leest het, zonder dat men er eenige waarde aan behoeft te hechten … De secretaris der Congregatie, pater Dangelis, daarentegen kan alles, zelfs het onmogelijke … Ga hem opzoeken in het klooster der Dominicanen achter de piazza di Spagna … Maar noem mijn naam niet. Tot ziens, waarde heer, tot ziens!”

Als verdoofd stond Pierre weer op de piazza Navona; hij wist niet meer, wat hij gelooven en hopen moest. Een laffe gedachte maakt zich van hem meester: waarom dezen strijd, waarin de tegenstanders onbekend en ongrijpbaar bleven, voortzetten? Waarom nog langer blijven in dit bedriegelijke Rome? Hij zou vluchten, nog denzelfden avond naar Parijs terugkeeren, dan verdwijnen en er in de uitoefening van de nederigste naastenliefde troost zoeken voor zijn bittere teleurstellingen. Het was een van die oogenblikken van hulpeloosheid, waarin de zoo lang gedroomde taak onmogelijk schijnt. Maar ondanks zijn verwarring ging hij toch op zijn doel af. Toen hij op den Corso, dan in de Via dei Condotti en eindelijk op de piazza di Spagna gekomen was, besloot hij nog een bezoek te brengen aan pater Dangelis. Het klooster der Dominicanen ligt daar onder de S. Trinità dei Monti.

O, die Dominicanen! Hij had nooit zonder een zekeren, met eenigen schrik vermengden eerbied aan hen gedacht. Welke een krachtigen steun hadden zij zich steeds voor de autoritaire en theocratische idee getoond! Hun dankte de Kerk haar meest krachtige autoriteit; zij waren de glorierijke soldaten van zijn overwinning. Terwijl de H. Franciscus van Assisi voor Rome de zielen der nederigen veroverde, onderwierp de H. Dominicus de zielen der intelligenten en machtigen. En dat alles vol hartstocht, met een vuur vol bewonderenswaardig geloof en wilskracht, door alle mogelijke middelen—door prediking, door boeken, door den druk van politie en gerecht. Al moge hij de Inquisitie niet ingesteld hebben, hij heeft daar een dankbaar gebruik [374]van gemaakt; zijn zacht, broederlijk voelend hart bestreed het schisma te vuur en te zwaard. Levend in armoede, kuischheid en gehoorzaamheid, groote deugden in die tijden van hoogmoed en uitspattingen, trokken hij en zijn monniken door de steden, predikten voor de goddeloozen, trachtten hen terug te brengen tot de Kerk, klaagden hen aan bij de geestelijke rechtbanken, wanneer hun woord niet voldoende was. Hij viel ook op de wetenschap aan, trachtte die voor zich te winnen, koesterde het ideaal God te verdedigen met de wapenen der rede en der menschelijke kennis; hij was de voorvader van den Heiligen Thomas van Aquino, het licht der Middeleeuwen, die alles, de psychologie, de logica, de politiek en de moraal in zijn Summarium samenvatte.

Op die wijze vulden de Dominicanen de wereld, terwijl zij de leer van Rome op de beroemdste kansels van alle volkeren verdedigden en bijna overal in strijd waren met den vrijen geest der Universiteiten; zij waren de trouwe wachters en hoeders van het dogma, de onvermoeide smeden van het fortuin der pausen, de machtigsten van alle wetenschappelijke en litteraire arbeiders, die het reusachtige gebouw van het Katholicisme, zooals het thans nog bestaat, hebben opgetrokken.

Maar thans vroeg Pierre, die dit gebouw, dat men meende op vasten grond te hebben gebouwd om de eeuwigheid uit te dienen, voelde wankelen, zich af, welk nut die werklieden nog konden hebben. Hun politie en hun rechtbanken waren onder vervloekingen gestorven, naar hun woord werd niet meer geluisterd, hun boeken las men zoo goed als niet meer, hun rol van geleerden en beschavers was tegenover de hedendaagsche wetenschap, wier waarheden het dogma aan alle kanten steeds meer en meer doen kraken, uitgespeeld. Zeker, ook nu nog vormen zij een invloedrijke en bloeiende orde; maar hoe lang ligt de tijd reeds achter ons, dat hun generaal in Rome heerschte als heer van het heilige paleis, en in geheel Europa kloosters, scholen en onderdanen had! Van dat onmetelijke groote erfgoed hebben zij in de Romeinsche curie thans niets meer over dan eenige in hun orde gebleven betrekkingen, o. a. het secretariaat van de Indexcongregatie, een vroegere onderhoorigheid van het Heilig Officie, waarin zij oppermachtig heerschten.

Pierre werd onmiddellijk bij pater Dangelis toegelaten. Het was een groote, kale, witte en door helder zonlicht overstroomde kamer. Men vond er niets dan een tafel en [375]eenige lage stoeltjes, terwijl aan den muur een groot koperen crucifix hing. Bij de tafel stond de pater, een magere, in de strenge, wijde, zwarte en witte dracht gekleede man van ongeveer vijftig jaar. De grijze oogen in zijn lang ascetengezicht met den smallen mond, den spitsen neus en de magere kin hadden een hinderlijk-starenden blik. Overigens was zijn optreden beslist, eenvoudig en beleefd.

“Mijnheer de abbé Froment, de schrijver van Het Nieuwe Rome, niet waar?”

Hij ging op een laag stoeltje zitten, terwijl hij met zijn hand naar een ander voor Pierre wees.

“Wees zoo goed, mijnheer de abbé, mij het doel van uw bezoek te zeggen.”

Pierre moest opnieuw met zijn uitleggingen en zijn verklaringen beginnen; en dit was des te pijnlijker voor hem, daar zijn woorden neervielen in een doodelijke stilte, in een doodelijke kilte. De pater bewoog zich niet, hij hield zijn handen op zijn knieën gekruist, terwijl zijn scherpe, doordringende oogen op die van den priester gericht waren.

Toen deze eindelijk klaar was, zeide hij:

“Mijnheer de abbé, ik heb gemeend u niet in de rede te moeten vallen, maar ik had eigenlijk niet naar dit alles mogen luisteren. Het proces tegen uw boek is begonnen, en geen macht ter wereld zou in staat zijn den loop daarvan tegen te houden. Ik begrijp dus eigenlijk niet goed, wat u van mij schijnt te verwachten.”

Met bevende stem waagde Pierre te antwoorden:

“Ik verwacht goedheid en rechtvaardigheid.”

Een flauw glimlachje van trotschen ootmoed, speelde om de lippen van den monnik.

“Wees niet bang, het heeft God altijd behaagd in mijn bescheiden ambt Zijn licht over mij te doen schijnen. Trouwens ik heb geen gerechtigheid te oefenen, ik ben maar een eenvoudige ambtenaar, die de processen moet ordenen en documenteeren. Alleen Hunne Eminenties, die leden zijn der congregatie, spreken een oordeel uit over uw boek … Zij zullen dat ongetwijfeld doen met de hulp van den Heiligen Geest, en u hebt niets te doen dan u te buigen voor haar uitspraak, zoodra die door Zijne Heiligheid bekrachtigd is.”

Hij stond op en dwong daardoor Pierre ook op te staan. Het waren dus bijna dezelfde woorden als bij monsignor Fornaro; slechts werden zij hier met een snijdende beslistheid, [376]met een soort kalme bravoure uitgesproken. Overal stootte hij op dezelfde naamlooze kracht, op dezelfde machtige, steeds in werking zijnde machine, welker raderen elkaar onderling niet kennen wilden. Ongetwijfeld zou men hem nog langen tijd van den een naar den ander sturen, zonder dat hij ooit het hoofd, den beoordeelenden en handelenden wil, vinden zou. Hem bleef niets over dan zich erbij neer te leggen.

Toch kwam hij, alvorens weg te gaan, op de gedachte nogmaals den naam van monsignor Nani, wiens macht hij thans begon te begrijpen, uit te spreken.

“Ik vraag u wel excuus, dat ik u nutteloos lastig gevallen heb. Ik heb slechts den welwillenden raad van monsignor Nani gevolgd, die wel zoo goed is zich voor mij te interesseeren.”

Maar de uitwerking was geheel onverwacht. Weer kwam er een glimlachje op het magere gezicht van pater Dangelis; om zijn lippen verscheen een plooi, waarin een ironische minachting niet te miskennen viel. Hij was bleeker geworden; zijn vurige oogen vlamden.

“O, zendt monsignor Nani u?… Nu, wanneer u meent protectie noodig te hebben, is het onnoodig u tot een ander dan tot hem te wenden. Hij is almachtig … Ga naar hem, ga naar hem!”

Dat was de geheele bemoediging, die Pierre van dat bezoek medenam: de raad om terug te gaan tot hem, die hem zond. Hij voelde, dat de grond hem onder de voeten wegzonk, en besloot naar het paleis Boccanera terug te keeren, om na te denken en een duidelijk besef te krijgen van zijn toestand, vóór hij verdere stappen deed. Onmiddellijk was het denkbeeld in hem opgekomen raad te vragen aan don Vigilio: en het toeval wilde, dat hij dien avond na het souper den secretaris in de gang aantrof, toen deze met zijn kaars in de hand naar zijn slaapkamer wilde gaan.

“Ik heb u zooveel te zeggen! Kom als het u blieft een oogenblik in mijn kamer!”

Met een handgebaar legde de secretaris hem het zwijgen op. Dan op zacht-fluisterenden toon:

“Hebt u abbé Paparelli niet op de eerste verdieping gezien? Hij liep achter ons.”

Dikwijls ontmoette Pierre in het paleis den sleepdrager, wiens slap gezicht en verdacht-snuffelende manier van doen Pierre steeds hinderden. Maar hij bekommerde zich er nooit [377]om en was dan ook door die vraag zeer verrast. Doch reeds was don Vigilio, zonder het antwoord af te wachten, naar het einde van de gang teruggeloopen en bleef daar lang staan luisteren. Dan sloop hij weer naar Pierre’s kamer, blies zijn kaars uit en sprong naar binnen.

“Ziezoo, daar ben ik!” prevelde hij, toen de deur weer dicht was. “Als u het goed vindt, zullen wij niet in dezen salon blijven, maar naar uw slaapkamer gaan. Twee muren zijn beter dan een.”

Toen de lamp eindelijk op tafel stond en zij beiden in de vervelooze kamer zaten, welker vlaskleurig behang, ongelijksoortige meubelen, kale vloer en kale muren de melancholie van oude verwelkte dingen bezaten, merkte Pierre, dat de abbé aan een heftiger aanval van koorts ten prooi was dan gewoonlijk. Zijn klein mager lichaam huiverde van de koude, nog nooit hadden in zijn arm, geel, uitgeteerd gelaat zijn vurige oogen zoo donker gebrand.

“Bent u ziek? Ik zou u niet graag vermoeien.”

“Ziek! Ach ja, mijn lichaam brandt als vuur. Maar ik wil juist heel graag praten. Ik kan het niet langer uithouden. Eens moet je je hart toch lucht geven.”

Wilde hij afleiding zoeken voor zijn kwaal? Wilde hij zijn lang zwijgen verbreken, om niet den verstikkingsdood te sterven? Hij liet Pierre onmiddellijk de stappen, die hij de laatste dagen gedaan had, vertellen en wond zich nog meer op, toen hij hoorde op welke wijze kardinaal Sarno, monsignor Fornaro en pater Dangelis den jongen priester ontvangen hadden.

“Jawel, jawel, natuurlijk! Het verwondert me heelemaal niet, maar toch hindert het me voor u. O, ik weet wel, het gaat mij niet aan, maar het maakt me ziek, want het roept al mijn eigen ellende weer wakker!… Kardinaal Sarno, die met zijn gedachten elders leeft en nooit iemand geholpen heeft, moeten we niet mederekenen, maar die Fornaro, die Fornaro!”

“Hij scheen mij heel vriendelijk, ja zelfs heel welwillend toe, en ik geloof werkelijk, dat hij naar aanleiding van ons onderhoud zijn rapport wel verzachten zal.”

“Hij! Hoe vriendelijker hij geweest is, des te zwarter zal hij u maken. Hij zal u opvreten, zich vetmesten aan die makkelijke prooi. O, u kent hem nog niet! Altijd ligt hij op de loer, om zijn geluk op te bouwen met het ongeluk van arme drommels, van wie hij weet, dat hun ondergang den [378]machtigen behagen zal!… Neen, dan heb ik liever te doen met den andere, met pater Dangelis, een verschrikkelijk man, maar eerlijk en rechtuit ten minste, en bovendien iemand met een helderen kop. Ik wil u echter volstrekt niet verhelen, dat hij, als hij de baas was, u als een handjevol stroo zou verbranden … Als ik u alles kon zeggen, als ik u met mij mede kon nemen in de vreeselijke dessous van deze kringen, als ik u de monsterachtige eerzucht, de afschuwlijke intriges, de omkoopbaarheid, de lafheden, het verraad, ja zelfs de misdaden kon laten zien!”

Nu Pierre zag, dat hij zich zoo door zijn wrok liet medesleepen, wilde hij trachtten de inlichtingen te krijgen, die hij tot dit oogenblik vergeefs gezocht had.

“Zeg mij tenminste, hoever het met mijn zaak staat. Toen ik er bij mijn aankomst naar vroeg, hebt u mij geantwoord, dat de kardinaal nog geen enkel stuk gekregen had. Maar de processtukken zijn nu klaar, dat weet u toch zeker wel?… Tusschen twee haakjes, monsignor Fornaro heeft mij verteld, dat drie Fransche bisschoppen een aanklacht ingediend en een vervolging geëischt zouden hebben! Drie bisschoppen! Hoe is het mogelijk?”

Don Vigilio haalde heftig zijn schouders op.

“O, wat bent u toch nog goed van vertrouwen! Het verwondert mij, dat er maar drie zijn … Ja, verschillende stukken van uw proces zijn thans in onze handen, trouwens ik had al lang begrepen, wat voor een proces het zijn zou. De drie bisschoppen zijn de bisschop van Tarbes, die blijkbaar handelt op instigatie van de paters van Lourdes, en de bisschoppen van Poitiers en Evreux, beiden bekend om hun ultramontaansche onverdraagzaamheid en hartstochtelijke tegenstanders van kardinaal Bergerot. Deze laatste staat, zooals u weet, om zijn Gallicaansche denkbeelden en zijn werkelijk zeer liberalen geest op het Vaticaan slecht aangeschreven … U behoeft nergens anders te zoeken, de geheele zaak is daar te vinden. De almachtige paters van Lourdes eischen van den Heiligen Vader een executie, terwijl men bovendien door uw boek den kardinaal tracht te treffen voor een brief, dien hij voor u zoo onvoorzichtig geschreven heeft en welken gij als inleiding hebt laten afdrukken … In den laatsten tijd zijn de veroordeelingen van den Index dikwijls niets meer dan knotsslagen, die geestelijken elkander wederkeerig in het donker toebrengen. Het aanklagen en verklikken is aan de orde van den dag; het heerscht als [379]onbeperkt gebieder en daarna komt de wet van de willekeur. Ik zou u ongelooflijke feiten kunnen noemen, onschuldige boeken, die men onder honderden andere uitgekozen heeft, om een gedachte of een mensch te dooden; want achter den auteur heeft men het meestal altijd op een hoogere en machtigere gemunt. Het is zulk een nest van intriges, zoo’n bron van misbruiken, waarin de laagste persoonlijke wraaknemingen uitgeoefend worden, dat de instelling van den Index wankelt en men zelfs hier in de omgeving van den paus de noodzakelijkheid voelt haar binnen korten tijd opnieuw te reglementeeren, indien men niet wil, dat zij geheel en al in diskrediet geraakt … O, ik begrijp heel goed, dat men er zoo lang mogelijk aan vasthoudt om de universeele macht te behouden, met alle wapenen te regeeren, maar dan moeten het mogelijke wapenen zijn, moeten zij niet door hun onbeschaamde onrechtvaardigheid prikkelen en door hun kinderachtigheid geen lachje opwekken.”

Pierre luisterde, een pijnlijke verwondering had zich van zijn hart meester gemaakt. O, hij had, sedert hij te Rome was, sedert hij zag, hoe de Paters der Grot daar ontzien en gevreesd werden en door de groote sommen, die zij voor den Pieterspenning zonden, er heer en meester waren, gevoeld, dat zij achter de vervolgingen stonden, geraden, dat hij zou moeten boeten voor de bladzijde in zijn boek, waarin hij constateerde, dat er te Lourdes een zondige verdraaiing van het fortuin, een verschrikkelijk schouwspel, dat aan God deed twijfelen, een voortdurende reden tot strijd waar te nemen was, die in de waarlijk Christelijke maatschappij van morgen zou ophouden te bestaan. Ook begreep hij heel goed de ergernis, die zijn niet verborgen vreugde over het verlies van de wereldlijke macht en vooral dat ongelukkig gekozen woord “nieuwe godsdienst”, dat alleen reeds voldoende geweest zou zijn, om de aanklagers te wapenen, gewekt hadden. Maar wat hem voornamelijk verbaasde en tot wanhoop bracht, dat was het ongehoorde, onbegrijpelijke feit, dat de brief van kardinaal Bergerot als een misdaad beschouwd, dat zijn boek aangeklaagd en veroordeeld werd om daardoor den eerwaardigen herder, dien men van voren niet durfde aanvallen, in zijn rug te treffen. Het was voor hem een bittere en pijnlijke gedachte, dat hij in zijn vurige naastenliefde de oorzaak geworden was van de nederlaag van dien man. Welk een wanhoop op den achtergrond van die twisten, waarin alleen de liefde voor den arme moest strijden, de [380]afschuwlijkste geldquaesties, de door razende zelfzucht ontketende hartstochten en begeerten te vinden!

Dan rees in Pierre een verzet tegen dien gehaten en belachelijken Index op. Hij ging de werking na van af de aanklacht tot aan het openlijk afkondigen der verboden boeken. Hij had nu den secretaris der congregatie gesproken, pater Dangelis, in wiens handen de aanklacht kwam en die van af dat oogenblik met den hartstocht van den autoritairen en geleerden monnik en vervuld met den droom de geesten en het geweten als in den heroïschen tijd der Inquisities te regeeren, het proces instrueerde en het dossier samenstelde. Van de adviseerende prelaten had hij er een bezocht, die belast was met het rapport over zijn boek, den zoo eerzuchtigen en zóó vriendelijken monsignor Fornaro, een spitsvondig theoloog, die er niet tegen op gezien zou hebben om aanvallen op het geloof te vinden in een verhandeling over algebra, wanneer de zorg om zijn geluk dat eischte.

Dan volgden de bijeenkomsten der kardinalen, die van tijd tot tijd stemden en in hun droef stemmende wanhoop niet alle boeken te kunnen treffen, er één onderdrukten. Ten slotte bekrachtigde de paus dan het besluit door zijn handteekening, een zuivere formaliteit—want waren niet alle boeken strafbaar? Maar welk een zeldzame en jammerlijke bastille uit het verleden was deze verouderde, bouwvallige, tot kindschheid vervallen Index geworden! Men voelde welk een vreeselijke macht hij eens geweest moest zijn, toen de boeken nog zeldzaam waren en de Kerk bloed- en vuurrechtbanken bezat, om haar vonnissen ten uitvoer te leggen. Daarna hadden de boeken zich zoo vermenigvuldigd, was de geschreven en gedrukte gedachte zoo’n diepe en zoo’n breede golf geworden, dat zij alles overstroomd, alles medegesleurd had. De ontaarde, met onmacht geslagen Index moest zich thans bepalen tot een ijdele demonstratie, om de reusachtige moderne productie en bloc te veroordeelen, kromp het veld van zijn werkzaamheden steeds meer in, hield zich alleen nog maar bezig met het onderzoek van werken van geestelijken. Maar zelfs in die rol was hij nog verdorven, bezoedeld door de laagste hartstochten, veranderd in een werktuig van intriges, haat en wraak. O, die treurige bekentenis van zwakken ouderdom, van toenemende verlamming te midden van de spottende onverschilligheid der volkeren! [381]

Het Katholicisme, de vroegere, roemrijke bemiddelaar der beschaving, had er toe moeten komen om de boeken in een hoop in het vuur van zijn hel te gooien! En welk een hoop was het! Bijna de geheele litteratuur, geschiedenis, philosophie en wetenschap der vorige eeuwen en der onze! Weinig boeken worden er thans gepubliceerd, die niet door de banbliksems der Kerk getroffen zouden worden. Dat zij haar oogen sluit is alleen het gevolg van het feit, om de onmogelijke taak alles te vervolgen en alles te vernietigen, uit den weg te gaan. Toch tracht zij hardnekkig den schijn van haar souverein gezag over de geesten te redden—als een zeer oude, van haar troon vervallen verklaarde koningin zonder rechters en beulen, die ondanks alles doorgaat ijdele vonnissen uit te spreken, welke slechts door een zeer kleine minderheid aanvaard worden.

Maar men stelle zich een oogenblik voor, dat zij overwinnend en door een wonder meesteresse over de geheele wereld was; men vrage zich af wat zij met rechtbanken om vonnissen uit te spreken en gendarmes om die uit te voeren, maken zou van de menschelijke gedachte; men denke zich eens in, dat de regels van den Index streng werden toegepast, een drukker niets zonder goedkeuring van den bisschop op de pers kon leggen, alle boeken bij de congregaties aangebracht, het verleden gezuiverd, het heden gekneveld, aan een geestelijke Terreur onderworpen zou worden; zou dat niet gelijkstaan met het sluiten der bibliotheken, de gevangenzetting van het erfdeel der geschreven gedachte, de barricadeering van de toekomst, het volkomen stopzetten van iederen vooruitgang of iedere verovering beteekenen? Een vreeselijk voorbeeld van dit rampzalige experiment levert het Rome van onze dagen met zijn verkilden bodem, zijn gestorven, door eeuwen van pauselijk bestuur gedood sap, Rome, dat zóó onvruchtbaar geworden is, dat na vijf-en-twintig jaar van herleving en vrijheid nog geen enkele man, nog geen enkel werk daarin is ontstaan. Maar wie zou dat aanvaarden—niet onder de revolutionnaire geesten, maar onder de vrome geesten van eenige beschaving en eenig breed inzicht? Alles zou in het kinderlijke en absurde instorten.

Er heerschte een diepe stilte, en Pierre, die door zijn overpeinzingen geheel van streek geraakt was, maakte een wanhopig gebaar, toen hij den zwijgenden don Vigilio voor zich zag zitten. Een oogenblik zwegen beiden in de onbeweeglijkheid [382]van den dood, die uit het oude, ingesluimerde paleis oprees, te midden van deze gesloten kamer, welke door de lamp zoo rustig verlicht werd. Dan boog don Vigilio met zijn van koorts schitterenden blik wat voorover en fluisterde in een rilling.

“Zij zitten altijd overal achter, altijd zij!”

Pierre, die het niet begreep, geraakte door dit als het ware verdwaalde woord, dat schijnbaar zonder eenigen overgang uitgesproken werd, in een eenigszins ongeruste verbazing.

“Wie zijn die zij?”

“De Jezuïeten.”

De magere, geel geworden priester had in dien kreet de opgehoopte woede van zijn nu losbrekenden hartstocht gelegd. Wat kwam het erop aan, of hij een nieuwe dwaasheid beging. Eindelijk was het woord eruit! Toch wierp hij een laatsten blik vol wanhopig wantrouwen door de kamer. Dan gaf hij zijn hart lucht in een langen woordenstroom, die des te onweerstaanbaarder was, omdat hij dien zoo lang in den grond van zijn hart teruggedrongen had.

“O, die Jezuïeten, die Jezuïeten!… U denkt ze te kennen, maar u hebt niet het flauwste besef van hun afschuwlijke daden of van hun onberekenbare macht. Overal zitten zij achter, zij en zij alleen. Zeg dat maar altijd tot u zelf, zoodra u niet meer begrijpen kunt en toch begrijpen wilt. Wanneer u een ramp overkomt, wanneer u lijdt, wanneer u weent, denk dan dadelijk: “Dat zijn zij, dat is hun werk!” Ik ben er niet zeker van, dat er niet een onder dit bed ligt, in die kast staat … O, die Jezuïeten, die Jezuïeten. Zij hebben mij opgegeten, eten me nog op; zij zullen niets meer van mijn vleesch of van mijn beenderen overlaten.”

Met zijn afgebroken stem vertelde hij zijn geschiedenis, zijn jeugd vol idealen. Hij behoorde tot den kleinen provincie-adel, bezat een vrij aardig inkomen en had een levendigen, soepelen, de toekomst toelachenden geest. Thans zou hij zeker prelaat en op den weg naar hooge waardigheden geweest zijn, indien hij niet de fout begaan had zijn afkeuring uit te spreken over de Jezuïeten en hen bij twee of drie gelegenheden tegen te werken. Vanaf dat oogenblik hadden zij, als men hem gelooven mocht, alle denkbare ongelukken op hem laten regenen: zijn vader en zijn moeder waren gestorven, zijn bankier was met de noorderzon vertrokken, de goede betrekkingen ontsnapten [383]hem, zoodra hij zich gereed maakte ze te bekleeden, de ergste tegenspoeden troffen hem en zijn heilig ambt, zoodat het niet veel gescheeld had, of men had hem geschorst. Hij had eerst wat rust gevonden, toen kardinaal Boccanera, door zijn ongeluk getroffen, hem in zijn persoonlijken dienst genomen had.

“Hier is mijn toevlucht, mijn asyl. Zij verwenschen Zijne Eminentie, die nooit op hun hand geweest is; maar zij hebben hem of zijn personeel nog niet durven aanvallen … O, ik maak mij volstrekt geen illusies, zij zullen mij toch wel te pakken krijgen. Misschien zullen ze ons gesprek van vanavond te weten komen en het mij leelijk betaald zetten, want het is verkeerd van me te spreken, maar ik spreek ondanks mezelf … Ze hebben me al mijn geluk ontstolen, zij hebben me alle mogelijke ongelukken bezorgd, alles, alles, hoort u!

Pierre begon zich hoe langer hoe minder op zijn gemak te voelen. Hij trachtte te schertsen:

“Kom, kom, de Jezuïeten hebben u toch die koorts niet gegeven!”

“Waarachtig wel,” verzekerde don Vigilio heftig. “Ik heb die gekregen aan den Tiber, op een avond, dat ik in mijn groot verdriet, omdat ik uit de kleine kerk, waar ik dienst deed, gejaagd werd, ben gaan huilen.”

Tot dusverre had Pierre niet geloofd aan de vreeselijke legende der Jezuïeten. Hij behoorde tot een generatie, die glimlachte over weerwolven, en die de kleinburgerlijke vrees voor deze beruchte zwarte mannen, welke zich in muren verborgen en families terroriseerden, een beetje dwaas vond. Voor hem waren dat door religieuse en politieke hartstochten overdreven bakerpraatjes. Hij keek dan ook don Vigilio verbaasd aan, terwijl hij bang begon te worden met een maniak te doen te hebben.

Toch riep hij zich de zoo belangwekkende geschiedenis der Jezuïeten voor den geest. Terwijl de Heilige Franciscus van Assisi en de Heilige Dominicus de ziel en de geest zelf, de meesters en de opvoeders der Middeleeuwen zijn, de eerste als de vertegenwoordiger van het vurige geloof der nederigen, de tweede als de verdediger van het dogma en vaststeller der leer voor intelligenten en machtigen, verschijnt Ignatius van Loyola op den drempel der moderne tijden, om de gevaar loopende erfenis te redden. Hij accomodeert den godsdienst aan de nieuwe maatschappijen en [384]geeft hem opnieuw de heerschappij over de wereld, die bezig is zich te vormen. Van af dat oogenblik scheen het experiment genomen te zijn: God zou in zijn intransigenten strijd met de zonde overwonnen worden, want het was thans vrijwel zeker, dat de vroegere bedoeling om de natuur te onderdrukken, om in den mensch den mensch zelf met zijn begeerten, zijn hartstochten, zijn hart en zijn bloed te dooden, slechts op een fatale nederlaag kon uitloopen, waarbij de Kerk geheel dreigde te niet te gaan; op dat kritieke oogenblik redden de Jezuïeten haar uit dat gevaar, gaven haar terug aan het veroveraarsleven, door te beslissen, dat zij de wereld tegemoet moet gaan, nu de wereld niet meer tot haar schijnt te komen. Daarin ligt het geheele geheim.

Zij beweren, dat er schikkingen te treffen zijn met den hemel; zij plooien zich naar de zeden, naar de vooroordeelen, naar de ondeugden zelfs; zij glimlachen, zijn vriendelijk, denken er niet aan streng te wezen, zijn diplomatiek, bereid om de ergste gruwelen zoo te draaien, dat zij tot de grootste eer van God gedaan schijnen te zijn. Dat is hun verzamelkreet, daaruit vloeit voort hun moraal—de moraal, die men hun zoo dikwijls voor de voeten geworpen heeft—dat alle middelen goed zijn om het doel te bereiken, wanneer dat doel is het koninkrijk Gods, vertegenwoordigd door dat der Kerk. Welk een reusachtig succes dan ook! Zij rijzen overal op, zij bedekken al heel spoedig de aarde, zijn al heel spoedig overal de onbetwiste heerschers. Zij nemen koningen de biecht af, zij vergaren ontzaglijke rijkdommen, zij vormen een zoo zegerijke macht, dat zij in geen land hun voet kunnen zetten, zonder het weldra geheel met zijn zielen, zijn lichamen, zijn invloed en zijn rijkdom, te bezitten. In de eerste plaats richten zij scholen op, zij zijn onvergelijkelijke hersenkneders, want zij hebben steeds begrepen, dat de macht altijd toebehoort aan het morgen, aan de opkomende geslachten, waarover men de baas blijven moet, indien men eeuwig wil heerschen.

Hun op de noodzakelijkheid van een transactie met de op zonde gebaseerde macht is zóó groot, dat zij onmiddellijk na het Concilie van Trente den geest van het Katholicisme wijzigen, het doordringen en met zichzelf identificeeren, de onontbeerlijke soldaten worden van het pausdom, dat van hen en voor hen leeft. Van af dat oogenblik behoort Rome hun—Rome, waar hun generaal zoo lang bevolen heeft, Rome, vanwaar zoo lang het wachtwoord is uitgegaan van [385]die geheime en geniale taktiek, die blindelings gevolgd werd door hun ontelbaar leger, welks handige organisatie de wereld bedekt met een ijzeren net onder de fluweelzachte handen, die zoo ervaren zijn in het leiden van de arme, lijdende menschheid.

Maar het allerwonderbaarlijkste van alles was nog de verrassende levenskracht van die onophoudelijk vervolgde, veroordeelde en verdreven Jezuïeten, die ondanks alles nog het hoofd omhoog houden. Zoodra hun macht gevestigd is, begint hun impopulariteit, die langzamerhand algemeen wordt. Een gejouw vol verwenschingen, afschuwlijke aanklachten, schandelijke processen verheffen zich tegen hen, waarin zij als misdadigers en verdervers ontmaskerd worden. Pascal geeft ze aan de openbare verachting prijs, parlementen doemen hun boeken ten vure, universiteiten verwerpen hun leer en hun moraal als gif. In ieder rijk verwekten zij zulke onlusten en troebelen, dat een vervolging tegen hen georganiseerd wordt en zij weldra overal verjaagd worden. Meer dan een eeuw lang zijn zij zwervende, worden verdreven, dan weer teruggeroepen, gaan over de grenzen en komen weer terug, verlaten een land onder hoongelach en haatgeschreeuw om het weer te betreden, zoodra de rust zich hersteld heeft. Eindelijk zijn zij, nadat een paus hun orde opgeheven had—hun grootste ramp—weer door een ander hersteld en worden sedert dien tijd zoo goed en zoo kwaad als het gaat, geduld. Maar ondanks hun diplomatiek op den achtergrond blijven, ondanks het vrijwillige donker, waarin zij zoo voorzichtig zijn te leven, blijven zij, rustig en zeker van de overwinning, triompheeren als soldaten, die de wereld voor goed veroverd hebben.

Pierre wist, dat zij thans, indien men alleen naar den uiterlijken schijn oordeelt, uit het bezit van Rome verdreven waren. Zij besturen de Jezuïetenkerk niet meer, hebben niet meer de leiding van het Collegium Romanum, waar zij zooveel zielen gemodelleerd hebben; zonder eigen huis en op gastvrijheid van vreemden aangewezen, hebben zij zich bescheiden in het Collegium Germanicum teruggetrokken, waarin zich een kleine kapel bevond. Daar predikten zij, namen zij nog de biecht af, maar zonder ophef, zonder de vrome pracht van de Il Gesù, zonder de roemrijke successen van het Collegium Romanum. Moet men dus gelooven, dat zij uit list, met opzet verdwijnen, om de geheime en almachtige meesters te blijven, de verborgen wil, die alles leidt. Men [386]zeide immers, dat het dogma der Onfeilbaarheid van den paus hun werk was, het wapen, waarmede zij zichzelf gewapend hadden, terwijl zij het lieten voorkomen, alsof zij het pausschap ermede wapenden voor de toekomstige, zware taak, die hun genie aan den vooravond van groote sociale omwentelingen voorzag. Bestond dus werkelijk die geheime oppermacht, waarvan don Vigilio zoo geheimzinnig vertelde, die beslaglegging op het bestuur der Kerk, die onbekende, maar volkomen macht op het Vaticaan?

Als gevolg van een plotselinge gedachtenassociatie vroeg Pierre plotseling:

“Is monsignor Nani dan een Jezuïet?”

Die naam scheen don Vigilio weer geheel van streek te brengen; zijn hand beefde van opwinding.

“Hij? O, hij is veel te slim en veel te handig, om in de orde te gaan. Maar hij is een leerling van dat Collegium Romanum, waarop zijn generatie zijn opleiding gekregen heeft, en heeft daar het genie der Jezuïeten, dat zoo goed bij zijn eigen genie paste, ingedronken. Maar ook al heeft hij begrepen, hoe gevaarlijk het is zich in een impopulair en hinderlijk kostuum te steken, wanneer men vrij wil zijn, daarom is hij niet minder Jezuïet, o, Jezuïet in merg en been! Hij is blijkbaar de meening toegedaan, dat de Kerk niet kan triompheeren dan door de menschelijke hartstochten te exploiteeren; daarbij heeft hij haar oprecht lief; hij is in den grond der zaak heel vroom, een zeer goed priester en dient God zonder zwakheid om de onbeperkte macht, die Hij aan Zijn dienaren geeft. Bovendien is hij zeer charmant, niet in staat tot een ruwheid of een misstap, wordt hij begunstigd door de reeks adellijke Venetianen, die hij achter zich heeft, bezit hij door zijn wereldkennis, die hij in de nuntiaturen te Weenen en Parijs verkregen heeft, een breeden blik, weet hij alles, kent hij alles, dank zij de delicate functies, die hij hier, als assessor van het Heilig College, sedert tien jaar bekleedt … O, hij is almachtig en niet als een heimelijke Jezuïet, wiens zwart kleed te midden van het algemeene wantrouwen voortglijdt, maar als aanvoerder zonder een bepaalde uniform, als het hoofd, als het brein!”

Deze woorden brachten Pierre tot ernstige overdenkingen, want het ging nu niet meer om mannen, die zich in muren verborgen, niet meer over donkere complotten van een romantische secte. Ook al kwam zijn scepticisme tegen dergelijke verhaaltjes in verzet, daarom kon hij toch zeer [387]goed aannemen, dat een opportunistische, uit de behoeften van den strijd om het bestaan geboren moraal, zooals die van de Jezuïeten, zich geoculeerd had op de geheele Kerk en daarin nu onbeperkt heerschte. De Jezuïeten zelf konden verdwijnen, hun geest zou hen overleven, omdat hij het strijdwapen, de hoop op de overwinning, de eenige taktiek was, die de volkeren onder de heerschappij van Rome zou kunnen terugbrengen. In werkelijkheid lag die strijd in deze poging tot aanpassing, die zich tusschen den godsdienst en de eeuw voltrok. Van nu af begreep hij, hoe mannen als monsignor Nani zoo’n belangrijke, beslissende rol konden spelen.

“O, als u het eens wist, als u het eens wist!” ging don Vigilio voort. “Hij is overal, heeft de hand in alles. Hier bij de Boccanera’s bijvoorbeeld is niets gebeurd, of ik heb hem achter de schermen gevonden, of hij verwarde of ontwarde, al naar het noodig was—wat hij alleen weet—de draden.”

En in de onuitputtelijke koorts van mededeelzaamheid, die hem geheel en al verteerde, vertelde hij, hoe monsignor Nani ongetwijfeld ook in de echtscheiding van Benedetta betrokken was. De Jezuïeten hebben ondanks hun verzoenlijken geest steeds een onverzoenlijke houding aangenomen ten opzichte van Italië, hetzij omdat zij niet aan de herovering van Rome twijfelen, hetzij omdat zij het oogenblik afwachten om met den werkelijken overwinnaar te onderhandelen. Nani, die sedert lang een vertrouwde van donna Serafina was, had haar dan ook geholpen om haar nicht weer bij zich te nemen en de breuk met Prada te bespoedigen, zoodra Benedetta haar moeder verloren had. Hij was het geweest, die, om abbé Pisoni, den patriotischen geestelijke en den biechtvader van het jonge meisje, wien men verweet, dat hij het huwlijk in de hand gewerkt had, te verdringen, Benedetta aangespoord denzelfden biechtvader te nemen als haar tante, den Jezuïetenpater Lorenza, een knappen man met heldere en vriendelijke oogen, wiens biechtstoel in de kapel van het Collegium Germanicum bestormd werd.

Het scheen vast te staan, dat deze manoeuvre over de heele quaestie beslist had: wat een pastoor voor Italië gedaan had, zou een pater tegen Italië weer ongedaan maken. Maar waarom scheen nu Nani, na eerst de breuk tot stand gebracht te hebben, een oogenblik zóó alle belangstelling in de zaak verloren te hebben, dat hij het verzoek om nietigverklaring [388]van het huwlijk gevaar liet loopen? En waarom bemoeide hij er zich thans weer mede, door monsignor Palma te laten koopen, door donna Serafina aan het werk te zetten, door zelf zijn invloed op de kardinalen van de Conciliecongregatie te laten gelden? Er waren duistere punten in deze zaak, zooals in alle zaken, waarin hij betrokken was, want hij was vóór alles een man van verreikende combinaties. Maar men kon aannemen, dat hij het huwlijk van Benedetta en Dario wilde bespoedigen, om een einde te maken aan de schandelijke lasterpraatjes der witte kringen, die den neef en de nicht beschuldigden, dat zij in het paleis slechts één bed hadden, waarvoor hun oom, de kardinaal, welwillend zijn oogen sloot. Misschien was echter ook deze ten koste van veel geld en onder den druk van zeer bekende invloeden verkregen echtscheiding een met opzet uitgelokt, eerst op de lange baan geschoven en thans verhaast schandaal, om den kardinaal zelf te benadeelen, van wien de Jezuïeten voor een in de naaste toekomst liggende omstandigheid gaarne bevrijd wilden zijn.

“Ik voor mij voel het meest voor deze laatste veronderstelling,” ging don Vigilio voort; “te meer daar ik vanavond gehoord heb, dat de paus lijdende is. Bij een man van vier-en-tachtig jaar is ieder oogenblik het ergste te vreezen; de paus kan niet meer verkouden zijn, of het heele Heilige College en alle prelaten geraken in beweging … Nu hebben de Jezuïeten altijd de candidatuur van kardinaal Boccanera bestreden. Eigenlijk moesten zij om zijn rang, om zijn intransigente houding ten opzichte van Italië voor hem zijn, maar het denkbeeld zichzelf een dergelijken meester te geven, maakt hen bang; zij vinden, dat hij een te onstuimig karakter, een te heftig geloof heeft, te weinig soepel is in deze tijden, waarin de Kerk een diplomaat zoo hoog noodig heeft … En het zou me geen oogenblik verwonderen, wanneer men trachten zou hem in discrediet te brengen, zijn candidatuur door de gemeenste en schandelijkste middelen onmogelijk te maken.”

Een lichte rilling van vrees doorhuiverde Pierre. De besmetting van het onbekende, van de in het donker opgezette intriges werkte te midden van de nachtelijke stilte in het paleis aan den Tiber, in dat van legendarische tragedies zoo volle Rome nog sterker. En plotseling tot zichzelf, tot zijn persoonlijk geval terugkeerend, vroeg hij: [389]

“Maar ik, wat heb ik met dat alles uitstaande? Waarom schijnt monsignor Nani zich voor mij te interesseeren? Wat heeft hij te maken met het proces, dat mijn boek aangedaan is?”

Don Vigilio maakte een groot gebaar.

“O, dat weet je nooit, dat weet je nooit precies!… Wat ik u met zekerheid zeggen kan, is, dat hij eerst van de zaak kennis gekregen heeft, toen de aanklachten der bisschoppen van Tarbes, Poitiers en Evreux zich al in handen bevonden van pater Dangelis, den secretaris der Indexcongregatie; eveneens heb ik gehoord, dat hij alle mogelijke moeite gedaan heeft om het proces tegen te houden, daar hij het blijkbaar onnoodig en onpolitiek vindt. Maar wanneer een zaak eenmaal bij de congregatie aanhangig gemaakt is, is het bijna onmogelijk den verderen loop tegen te houden, te meer daar hij in dit geval pater Dangelis tegenover zich had, die, als trouw Dominicaan, een hartstochtelijk tegenstander der Jezuïeten is. In dien stand van zaken heeft hij de contessina aan mijnheer de la Choue laten schrijven, die u zeggen moest, dat gij zelf in Rome uw boek verdedigen en gedurende uw verblijf alhier de gastvrijheid van dit paleis aannemen moest.”

Deze onthulling bracht Pierre in groote opwinding.

“Bent u daar zeker van?”

“O, beslist zeker, ik heb hem op een Maandagavond over u hooren spreken, en reeds heb ik u gezegd, dat hij zeer goed van u op de hoogte schijnt te zijn, alsof hij een nauwkeurig onderzoek naar u had ingesteld. Naar mijn meening had hij uw boek gelezen en was hij daardoor zeer gepreoccupeerd.”

“Gelooft u dus, dat hij het met mijn denkbeelden eens is? Dat hij oprecht is en dat hij zichzelf verdedigt, terwijl hij mij tracht te verdedigen?”

“O, neen, geen quaestie van … Hij vervloekt uw denkbeelden, uw boek en u zelf! U moest zijn minachting voor den zwakke, zijn haat tegen den arme, zijn liefde voor het gezag en de heerschappij eens kennen, die verborgen liggen onder zijn zoo beminnelijke vriendelijkheid. Lourdes zou hij u nog kunnen vergeven, hoewel dat een machtig wapen is. Maar nooit zal hij u vergeven, dat gij u aan de zijde der kleinen van deze wereld schaart en dat gij u tegen de wereldlijke macht verklaard hebt. Als u eens hoorde, met welk een aanminnig lijkende wreedheid hij zich vroolijk maakt [390]over mijnheer de la Choue, dien hij de weemoedige treurwilg van het Neo-Katholicisme noemt.”

Pierre greep met beide handen naar zijn slapen en drukte zijn hoofd in wanhoop.

“Maar waarom dan, waarom dan? Zeg het me, ik bezweer het u … Waarom liet hij mij hier komen, waarom wil hij mij in dit huis tot zijn beschikking hebben? Waarom laat hij mij nu maanden in Rome rondloopen, waarom laat hij mij allerlei hinderpalen ontmoeten, waarom wil hij mij moe maken, terwijl het hem in het geheel geen moeite kost mijn boek, als het hem hindert, op den Index te laten plaatsen? Zeker, het zou dan niet zoo kalm in zijn werk gegaan zijn, want ik was voornemens mij niet te onderwerpen, mijn nieuw geloof luid uit te bazuinen, zelfs tegen de beslissingen van Rome in.”

De zwarte oogen in het gele gelaat van don Vigilio fonkelden.

“Misschien heeft hij dat juist niet gewild. Hij weet, dat u heel intelligent en vol geestdrift bent, en ik heb hem dikwijls hooren zeggen, dat men intelligentie en geestdrift niet van voren moet aanvallen.”

Maar Pierre was opgestaan en luisterde zelfs niet meer; als door zijn verwarde gedachten opgejaagd, liep hij in de kamer heen en weer.

“Luister, ik moet alles weten en alles begrijpen, als ik den strijd wil voortzetten. U zult mij den dienst bewijzen mij tot in de kleinste bijzonderheden in te lichten, omtrent ieder van de personen, die met mijn proces te maken hebben … Jezuïeten, Jezuïeten overal! Lieve God, ik zie het in, u hebt misschien gelijk. Maar u moet mij de verschillende nuances geven … Die Fornaro bijvoorbeeld?”

“Monsignor Fornaro? O, die is alles wat men wil. Maar hij heeft eveneens zijn opleiding in het Collegium Romanum gehad. U kunt ervan overtuigd zijn, dat hij een Jezuïet is, een Jezuïet door opvoeding, door zijn positie, door zijn eerzucht. Hij brandt van verlangen om kardinaal te worden, en wanneer hij eenmaal kardinaal is, zal hij van verlangen branden om paus te zijn. Allemaal candidaten naar het pausschap, van het seminarie af.”

“En kardinaal Sanguinetti?”

“Jezuïet, Jezuïet!… Laten we elkaar goed begrijpen: hij is het geweest, toen is hij het niet meer geweest, en nu is hij het ongetwijfeld opnieuw. Sanguinetti heeft met alle [391]machten gecoquetteerd. Langen tijd heeft men gedacht, dat hij voor een verzoening tusschen den Heiligen Stoel en Italië was; daarna is de toestand in een ander stadium gekomen en heeft hij heftig partij gekozen tegen de overweldigers. Eveneens is hij dikwijls in onmin geweest met Leo XIII en heeft zich dan weer met hem verzoend, terwijl hij thans met het Vaticaan op diplomatiek gereserveerden voet staat. In één woord, hij heeft slechts één doel, de tiara, maar hij laat dat te veel blijken, wat voor een candidaat niet gewenscht is … Maar voor het oogenblik schijnt de strijd te gaan tusschen hem en kardinaal Boccanera. Daarom heeft hij zich met de Jezuïeten verzoend, exploiteert hij nu hun haat tegen zijn concurrent en rekent erop, dat zij in hun verlangen om dezen van den Heiligen Stoel verwijderd te houden, genoodzaakt zullen zijn hem te steunen. Maar ik voor mij twijfel daaraan, want ik weet, dat ze daarvoor veel te slim zijn, zij zullen zich wel tweemaal bedenken voor zij een candidaat, die zich al zoo gecompromitteerd heeft, hun steun zullen verleenen. Hij, een hartstochtelijk, hoogmoedig warhoofd, is er echter geen oogenblik bang voor, en daar hij, zooals u zegt, in Frascati is, ben ik ervan overtuigd, dat hij onmiddellijk na het bericht van het ziek worden van den paus om de een of andere reden van taktiek daarheen gegaan is, om zich op te sluiten.”

“En de paus, Leo XIII zelf?”

Don Vigilio aarzelde even en knipte met zijn oogleden.

“Leo XIII? Jezuïet, Jezuïet!… O, ik weet heel goed, dat men beweert, dat hij het met de Dominicanen houdt, en dat is in zeker opzicht waar, want hij gelooft door hun geest bezield te zijn, heeft den Heiligen Thomas van Aquino weer tot eer gebracht en de opleiding der geestelijkheid weer ingericht naar zijn leerstellingen … Maar men kan ook zonder het te willen of te weten Jezuïet zijn, en de tegenwoordige paus zal er het beroemde voorbeeld van zijn. Bestudeer zijn handelingen, geef u rekenschap van zijn politiek en u zult daarin de uitstrooming, de werkzaamheid zelf van de Jezuïetenziel zien. Dat komt, omdat hij daar onbewust van doordrenkt is, omdat alle invloeden, die, direct of indirect, op hem werken, uitgaan van dien haard … Waarom gelooft u mij niet? Ik zeg u nogmaals, dat zij alles hebben veroverd, alles hebben opgezogen, dat Rome hun toebehoort van af den nederigsten kapelaan tot aan Zijne Heiligheid zelf toe!”

Hij bleef iederen nieuwen naam, dien Pierre noemde, beantwoorden [392]met denzelfden hardnekkigen en bijna waanzinnigen uitroep: Jezuïet, Jezuïet! Het scheen, alsof men in de Kerk niets anders meer zijn kon, alsof de waarheid van die bewering bewezen werd door een geestelijkheid, die gedwongen was zich te richten naar de nieuwe wereld, als zij God wilde redden. Het heldentijdvak van het Katholicisme was afgesloten, het kon voortaan slechts leven door diplomatie en listen, door concessies en schikkingen.

“En die Paparelli—Jezuïet, Jezuïet!” ging don Vigilio, terwijl hij onwillekeurig begon te fluisteren, voort. “O, dat is de verschrikkelijke, kruiperige Jezuïet, de Jezuïet in zijn afschuwlijksten vorm als spion en verklikker! Ik zou er een eed op willen doen, dat men hem hier in het paleis gebracht heeft om Zijne Eminentie na te gaan, en u moet zien met welk een geniale handigheid en slimheid hij erin geslaagd is zijn taak te vervullen: zijn wil is almachtig, hij laat binnen wie hem lust, gebruikt zijn meester als iets, dat hem toebehoort, oefent vaak druk uit op ieder van zijn besluiten, heeft hem langzamerhand ieder uur meer in zijn macht gekregen … Ja, die zoo eenvoudige, geringe abbé, de sleepdrager, wiens werk het is als een trouwe hond aan de voeten van zijn meester te zitten, maar die in werkelijkheid over hem heerscht en hem drijft waarheen hij wil—dat is de overweldiging van den leeuw door het insect, dat is het oneindig kleine, dat beschikt over het oneindig groote … O, die Jezuïet, die Jezuïet! Neem u voor hem in acht, wanneer hij met zijn slap en gerimpeld gezicht als een oude vrouw in een zwarte rok geruischloos in zijn armzalige soutane langs u sluipt. Pas op, dat hij niet achter een deur of in een kast staat of onder een bed ligt. Ik zeg u, dat zij u zullen opeten, zooals zij mij opgegeten hebben, en dat zij u ook de koorts, de pest zullen geven, wanneer u u niet in acht neemt!”

Plotseling bleef Pierre voor den priester staan. Hij verloor terrein. Vrees en toorn hadden zich van hem meester gemaakt. Waarom zouden ten slotte al die vreemde verhalen niet waar zijn?

“Maar geef mij dan toch een raad!” riep hij uit. “Ik heb u juist gevraagd even bij mij te komen, omdat ik niet meer wist, wat ik doen moest en ik behoefte gevoelde weer op den goeden weg gebracht te worden.”

Hij hield op en begon, als door zijn hartstocht voortgedreven, weer gejaagd de kamer op en neer te loopen. [393]

“Of neen, zeg me toch maar niets. Het is uit, ik vertrek liever. Die gedachte is reeds eerder bij mij opgekomen, maar in een uur van lafheid, ik wilde toen verdwijnen, naar Parijs teruggaan, en in vrede in mijn eigen kring leven, terwijl ik, wanneer ik thans Rome verlaat, wegga als wreker, als rechter, om van Parijs uit te verkondigen, wat ik te Rome gezien, wat men er van het Christendom van Jezus gemaakt heeft—dat het Vaticaan op het punt staat ineen te storten, dat er reeds een lijkenlucht van uitgaat, dat het een belachelijke illusie is te hopen, eens uit dat graf, waarin de ontbinding van eeuwen slaapt, de moderne ziel herboren te zien opstaan … O, ik zal niet toegeven, ik zal mij niet onderwerpen, ik zal mijn boek door een nieuw boek verdedigen. En dat zal, daar sta ik u borg voor, in de wereld opzien baren, want het zal de doodsklok luiden over een stervenden godsdienst, dien men zoo spoedig mogelijk begraven moet, als men niet wil, dat zijn omhulsel de volkeren zal vergiftigen.”

Dit ging don Vigilio’s begrip te boven. De Italiaansche priester met zijn bekrompen geloof, zijn laffen angst voor nieuwe denkbeelden, werd weer in hem wakker. Hij vouwde zijn handen.

“Zwijg, zwijg, dat zijn godslasteringen … En bovendien u kunt niet zoo weggaan, zonder nog eenmaal getracht te hebben Zijne Heiligheid te spreken. Zij alleen is souverein. En ik weet wel, dat het u verbazen zal, maar pater Dangelis heeft, al schertsend, u nog den eenigen goeden raad gegeven: ga nogmaals naar monsignor Nani, hij alleen zal de deur van het Vaticaan voor u kunnen openen.”

Weer maakte een woede zich van Pierre meester.

“Wat, ik zou bij monsignor Nani begonnen zijn, om weer bij monsignor Nani te eindigen? Wat is dat voor een spel? Dacht u, dat ik me laat behandelen als een bal, die van den een naar den ander gekaatst wordt? Ze zouden me maar uitlachen!”

Uitgeput en wanhopig liet Pierre zich weer vallen op zijn stoel tegenover den abbé, die, met zijn door het lange opzitten vaalbleek gezicht en zijn altijd bevende handen, zich in het geheel niet bewoog. Er volgde een lange stilte. Dan kwam don Vigilio nog met een ander denkbeeld: hij kende den biechtvader van den paus, een zeer eenvoudigen Franciscaner monnik, en wilde Pierre bij dezen aanbevelen. Misschien zou die pater, ondanks zijn bescheiden op den achtergrond [394]blijven, kunnen helpen. Het was in ieder geval te probeeren. Dan begon het zwijgen weer, en Pierre, wiens oogen strak op den muur gericht waren, onderscheidde ten slotte de oude schilderij, die hem op den dag van zijn aankomst zoo getroffen had. Langzamerhand zag hij haar in het schemerachtige licht als het ware naar voren treden en levend worden als de belichaming van zijn eigen geval, van zijn nuttelooze wanhoop voor de ruw gesloten deur der waarheid en der gerechtigheid. O, hoe geleek deze verstooten, in haar liefde volhardende vrouw, wier gezicht men niet zien kon, die, snikkend in haar haren, van smart op de treden van dit paleis, voor de meedoogenloos gesloten deur neergevallen was, op hem! In haar eenvoudig linnen kleed rilde zij van de koude, zij verried haar geheim, ongeluk of eigen schuld, haar groot verdriet, zoo verstooten te zijn, niet. En hij gaf haar achter die tegen haar gelaat gedrukte handen zijn gezicht, zij werd zijn zuster, evenals alle andere armen zonder dak en bescherming, die weenen, omdat zij naakt en alleen zijn, die het vel van haar vuisten rukken bij haar pogingen, om de deur der menschen te forceeren. Hij kon nooit naar haar kijken zonder medelijden met haar te krijgen, en dien avond werd hij zóó ontroerd, nu hij haar nog altijd onbekend, zonder naam en zonder gezicht, nog altijd badende in haar tranen terugvond, dat hij plotseling aan don Vigilio vroeg:

“Weet u van wie die oude schilderij is? Zij ontroert mij tot in mijn ziel als een meesterwerk.”

Verbaasd over die onverwachte vraag, die zoo zonder eenigen overgang gedaan werd, keek de priester op; hij verwonderde zich nog meer, toen hij het zwart geworden, verwaarloosde doek en de armzalige lijst zag.

“Weet u, waar die schilderij vandaan komt?” vroeg Pierre nogmaals. “Waarom heeft men het doek naar deze kamer verbannen?”

“O!” zeide hij met een onverschillig gebaar, “dat is niets. Zulke oude, waardelooze schilderijen vindt je hier overal … Dit doek zal wel altijd hier gehangen hebben. Maar ik weet het niet, ik heb er vroeger nooit op gelet.”

Eindelijk stond hij voorzichtig op. Doch die enkele beweging gaf hem zoo’n rilling, dat hij nauwlijks iets zeggen kon. Zijn tanden klapperden van koorts.

“Neen, ga niet mee, laat de lamp in deze kamer … En om nog even op ons gesprek terug te komen: het zal nog maar het beste zijn u toe te vertrouwen aan monsignor [395]Nani, want dat is tenminste nog een hoogstaand iemand. Ik heb het bij uw komst hier al gezegd, of u wilt of niet, zult u ten slotte toch doen wat hij wil. Waartoe dient het dan eigenlijk nog te strijden?… En nooit één woord over ons gesprek van vannacht, dat zou mijn dood zijn!”

Hij opende de deuren geruischloos, keek wantrouwend rechts en links de donkere gang in, verdween en ging zoo zacht naar zijn eigen kamer terug, dat men zelfs te midden van de grafstilte van het oude paleis het schuifelen van zijn voet niet hoorde.

Den volgenden dag liet Pierre, die weer opnieuw door strijdlust bezield was en alles wilde probeeren, zich door don Vigilio een aanbeveling geven voor den biechtvader van den paus, den Franciscanerpater, dien de secretaris van den kardinaal kende. Maar deze monnik was een pijnlijk angstvallig man; blijkbaar had men een zeer bescheiden en eenvoudig iemand zonder eenigen invloed gekozen, die geen misbruik zou maken van zijn almachtige positie bij den paus. In de omstandigheid, dat deze slechts de deemoedigste orde, den vriend der armen, den heiligen bedelaar langs de wegen als biechtvader had willen hebben, lag ook een gehuichelde ootmoed. Toch stond deze pater bekend als een redenaar van groote geloofskracht; de paus zelf luisterde, volgens de etiquette achter een sluier verborgen, naar zijn preeken, want al kon de paus als onfeilbaar pontifex maximus van geen enkelen priester iets leeren, men erkende toch, dat hij, als mensch, voordeel kon trekken uit goede woorden. Afgezien van zijn natuurlijke welsprekendheid was deze goede monnik een eenvoudige bleeker van zielen, een biechtvader, die luistert en absolutie geeft, zonder zich de onreinheden, die hij in het water der boetedoening schoon wascht, te herinneren. Toen Pierre zag, dat hij werkelijk zoo onbeteekenend en zonder invloed was, drong hij niet aan op zijn bemiddeling, wat, zooals hij voelde, toch nutteloos zijn zou.

Dien dag vervolgde het beeld van den schuchteren minnaar der Armoede, van den verrukkelijken Franciscus, zooals Narcisse Habert hem noemde, Pierre tot den avond. Hij had zich dikwijls verwonderd over de komst van dezen nieuwen Jezus, die zoo zacht voor menschen, dieren en dingen was en wiens hart brandde van een zoo vurige liefde voor de armen, in dit zelfzuchtige en genotzuchtige Italië, waarin slechts de vreugde over de schoonheid koningin gebleven [396]is. Ongetwijfeld zijn de tijden veranderd, maar hoeveel liefdekracht moet er in die oude tijden, gedurende het groote lijden der Middeleeuwen, noodig geweest zijn dat een dergelijke uit den volksbodem opgeschoten trooster der nederigen de overgave van het eigen ik aan anderen, het afstand doen van rijkdom, den afschuw voor ruw geweld, de gelijkheid en gehoorzaamheid begon te preeken, die den wereldvrede verzekeren moest.

Hij ging, gekleed als de armsten, langs de wegen; een touw hield het grijze kleed om zijn lendenen vast, zijn naakte voeten staken in sandalen; beurs of stok had hij niet. Hij en zijn broeders spraken een trotsche, vrije taal, vol verheven, poëtische kracht, vol dapper uitgesproken waarheid. Overal traden zij op als rechters, vielen zij de rijken en machtigen aan, waagden zij het de slechte priesters, de ontuchtige, zich aan simonie schuldig makende, meineedige bisschoppen, aan te wijzen. Met een langen kreet van verlichting werden zij ontvangen; het volk volgde hen in dichte scharen, zij waren de vrienden, de bevrijders van alle kleinen, die lijden.

In den beginne maakte Rome zich dan ook niet weinig ongerust over dergelijke revolutionnairen; de pausen aarzelden lang vóórdat zij de orde erkenden; en toen zij ten slotte toegaven, geschiedde dat ongetwijfeld met de gedachte, deze nieuwe macht tot hun voordeel, tot de verovering van de lagere volksklassen, van de reusachtige, onbestemde massa te gebruiken, wier heimelijk dreigen door alle eeuwen heen, zelfs in de meest despotische tijden, gegromd en gebromd heeft.

Van dat oogenblik af bezat het pausdom in de zonen van den Heiligen Franciscus een steeds overwinnend leger, een zwervend leger, dat zich overal, op alle wegen, in alle dorpen en steden verspreidde, dat doordrong tot den huiselijken haard van werkman en boer en de harten der eenvoudigen voor zich won. Dat men zich de democratische macht van een dergelijke orde, die uit het volk zelf voortgesproten was, voorstelle! Vandaar zijn zoo spoedig gevolgde bloei; het aantal broeders vermeerdert zich in enkele jaren aanzienlijk, overal worden scholen opgericht; de Franciscaner-orde trekt de leeken-bevolking zoo tot zich aan, dat zij haar doordrenkt en opzuigt.

En dat men hier te doen heeft met een voortbrengsel van den bodem, met een krachtigen wasdom van den plebeïschen [397]stam, bewijst wel het feit, dat een nationale kunst eruit opbloeide: de voorloopers van de Renaissance in de schilderkunst, en Dante zelf, de ziel van het Italiaansche genie.

Sedert enkele dagen zag Pierre nu deze groote orde van vroeger en kwam met hen in het hedendaagsche Rome in aanraking. De Franciscanen en de Dominicanen, de door hetzelfde geloof bezielde mededingers, die zoo lang gemeenschappelijk voor de Kerk gestreden hadden, woonden nog altijd in hun groote, schijnbaar bloeiende kloosters tegenover elkaar. Maar het scheen, dat de Franciscanen op den langen duur door hun nederigheid op zijde gedrongen waren. Misschien kwam dat ook, omdat hun rol van volksvrienden en volksbevrijders uitgespeeld was, sedert het volk zich door zijn politieke en sociale veroveringen zelf bevrijdt.

In ieder geval ging de strijd alleen nog tusschen de Dominicanen en de Jezuïeten, de predikers en de opvoeders, die beiden de pretentie behouden hebben de wereld te kneden naar het beeld van hun geloof. Men hoorde de verschillende invloeden dof grommen; het was een strijd, die geen uur ophield en waarvan Rome, de oppermacht in het Vaticaan, de inzet was. Het was voor de eerste van weinig nut, dat de Heilige Thomas van Aquino aan hun zijde streed; zij voelden hoe hun oude dogmatische wetenschap instortte, zij moesten dagelijks wat meer terrein afstaan aan de tweeden, die met behulp van den geest der eeuw overwonnen. Verder waren er nog de Karthuizers in hun witte pijen, de heilige, reine, zwijgende en contemplatieve monniken, die zich uit de wereld terugtrekken in hun kloosters met de stille cellen, de wanhopigen en getroosten, wier aantal gering kan zijn, maar die eeuwig zullen leven, zooals smart en behoefte aan eenzaamheid eeuwig zijn.

Dan waren er de Benedictijnen, de kinderen van den Heiligen Benedictus, wiens bewonderenswaardige orderegel den arbeid geheiligd heeft, de hartstochtelijke letterkundige en wetenschappelijke werkers, die in hun tijd lang machtige werktuigen der beschaving waren en door hun reusachtigen historischen en kritischen arbeid zooveel bijgedragen hebben tot de algemeene ontwikkeling. Hen had Pierre lief, bij hen zou hij twee eeuwen vroeger zijn toevlucht en zijn troost gezocht hebben; maar toch verwonderde het hem ten zeerste, toen hij zag, dat zij op den Aventinus een groot huis voor zich bouwden, waarvoor Leo XIII reeds millioenen gegeven heeft, alsof de wetenschap van heden en morgen nog een [398]veld was, waarop zij zouden kunnen oogsten. Waartoe diende dat? De arbeiders waren toch veranderd, de dogma’s versperren toch den weg aan ieder, die ze eerbiedig moet voorbijgaan, zonder ze geheel tegen den grond te werpen.

Verder krioelde het er nog van honderden minder beteekenende orden: de Carmelieten, de Trappisten, de Minnebroeders, de Barnabieten, de Lazaristen, de Eudisten, de Missionarissen, de Recoletten, de Broeders van de orde der Christelijke leer, de Bernardijnen, de Augustijnen, de Theatijnen, de Observantijnen, de Celestijnen, de Capucijnen, ongerekend de correspondeerende vrouwenorden, de Clarissen, de ontelbare nonnen, zooals de zusters van Maria Boodschap en van Golgotha. Iedere orde had haar meer bescheiden of meer weelderig ingericht huis, sommige wijken van Rome bestonden slechts uit kloosters, en achter die zwijgende gevels gonsde en intrigeerde dit volk in een voortdurenden strijd van belangen en hartstochten. De vroegere sociale evolutie, die hen voortgebracht had, werkte sedert langen tijd niet meer; toch bleven zij, steeds nutteloozer en zwakker wordend en als voorbestemd voor dien langen doodsstrijd, aan het leven hangen—tot den dag, waarop aan de borst der nieuwe maatschappij lucht en bodem voor hen ontbreken zou.

Maar bij zijn stappen en bezoeken, die weer begonnen waren, kwam Pierre niet veel met die monniken in aanraking; hij had voornamelijk te maken met den wereldlijken clerus, den Romeinschen clerus, dien hij al heel spoedig leerde kennen. Een nog zeer strenge hiërarchie hield de klassen en rangen in stand. Op den top, om den paus, heerschte de pauselijke huishouding, de kardinalen en prelaten, die zeer trotsch, zeer verheven en ondanks hun schijnbaar vertrouwelijkheid zeer laatdunkend waren. Onder hen vormde de clerus der parochiën als het ware een waardige, verstandige en gematigde bourgeoisie, waarin patriotische geestelijken zelfs niet zeldzaam waren. De Italiaansche occupatie had, doordat zij een geheele wereld van zedelijk hoogstaande ambtenaren aangesteld had, na een kwart eeuw het merkwaardige resultaat gehad, dat zij loutering gebracht had in het huiselijk leven der Romeinsche priesters, waarin de vrouwen vroeger een zoo overwegende rol speelden, dat Rome in den letterlijken zin des woords een regeering van huishoudsters was, die troonden in de woningen van jonggezellen. [399]

Ten slotte kwam het plebs van den clerus, dat Pierre nauwkeurig bestudeerd had: een waar samenraapsel van ongelukkige, vuile, half naakte, als uitgehongerde dieren op een mis loerende priesters, die ten slotte met bedelaars en dieven in verdachte kroegen terecht kwamen. Maar nog meer interesseerde hem de menigte priesters, die uit de geheele Christenheid samengestroomd was, avonturiers, eerzuchtigen, geloovigen, krankzinnigen, die Rome aantrok, zooals ’s avonds een lamp de insecten uit het donker aantrekt. Alle nationaliteiten, alle standen, alle leeftijden zijn er vertegenwoordigd, galoppeeren onder de zweep van hun hartstochten, verdringen zich van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat om het Vaticaan, om te bijten in den buit, waarvoor zij gekomen zijn. Overal vond hij ze weer en hij zeide een weinig beschaamd tot zichzelf, dat hij een hunner was, dat hij door zijn persoon dat ongelooflijk aantal soutanen vermeerderde, die men in de straten aantrof. O, die voortdurende ebbe en vloed van zwartrokken, van pijen in allerlei kleuren in dat Rome.

De seminaries der verschillende naties met hun dikwijls uit wandelen gaande leerlingen zouden voldoende geweest zijn alle straten te pavoiseeren: de Franschen geheel in het zwart, de Zuid-Amerikanen in het zwart met een blauwe sjerp, de Noord-Amerikanen in het zwart met een roode sjerp; de Polen in het zwart met een groene sjerp, de Grieken in het blauw, de Duitschers in het rood, de Romeinen in het lila en al de anderen in op honderden manieren geborduurde en omzoomde soutanes. Verder waren er nog de broederschappen, de boetepriesters met witte, zwarte, blauwe, grijze pijen of mantels. Zoo scheen het pauselijke Rome nog dikwijls te herleven; men voelde, dat het nog levend en taai was, dat het streed om in het hedendaagsche kosmopolitische Rome niet te verdwijnen.

Maar hoe Pierre ook van den eenen prelaat naar den anderen liep, hoe hij omging met priesters en kerken bezocht, hij kon zich aan dezen eeredienst, aan deze Romeinsche vroomheid, die hem verwonderde, wanneer zij hem niet wondde in het diepst van zijn ziel, niet wennen. Toen hij op een regenachtige Zondagochtend de S. Maria Maggiore binnenging, meende hij zich in een wachtkamer te bevinden, weliswaar van een ongehoorden rijkdom met haar zuilen en zoldering als van een tempel, met den weelderigen baldakijn van haar pauselijk altaar, met het schitterend marmer van [400]zijn confessie en vooral met haar Borghesische kapel, waarin God echter niet scheen te wonen. In het middenschip was geen stoel of geen bank te zien; het was een voortdurend komen en gaan van geloovigen als in een station, terwijl zij met hun slijkschoenen den kostbaren mozaïekvloer nat maakten; mannen en vrouwen zaten vermoeid op de voetstukken van de zuilen, zooals men ze in het groote gedrang op perrons op de aankomst van treinen ziet wachten.

Voor deze in het voorbijgaan binnengekomen, rondloopende, voornamelijk uit kleine luiden bestaande menigte las een priester een stille mis, achter in een zijkapel, waarvoor zich een lange, smalle rij gevormd had, die denken deed aan de queue voor een schouwburgloket. Bij de elevatie bogen allen zich met een vroom gebaar, dan verstrooide zich de menigte, de mis was afgeloopen. Overal, zoowel in de S. Paolo als in de S. Giovanni di Laterano, zoowel in alle oude basilica’s als in de St. Pieter zelf was hetzelfde te zien: de menigte was gehaast, hield er niet van te zitten, bracht God, behalve op groote receptiedagen, slechts korte, familiare bezoeken. Slechts in de Jezuïetenkerk woonde hij op een anderen Zondagochtend een hoogmis bij, die hem denken deed aan de vrome menigten uit het Noorden: daar zag men banken en vrouwen, die zaten, daar heerschte een menschelijke warmte onder den luxe der met goud, beeldhouwwerk en schilderwerk overladen gewelven, die een wondermooi vaalrooden tint bezaten, sedert de tijd den barokken, al te fellen stijl wat verzacht had. Maar hoeveel ledige kerken waren er zelfs onder de oudste en eerwaardigste! In de S. Clemente, in de S. Agnese, in de S. Cuore di Gerusalemme zag men tijdens de godsdienstoefeningen slechts enkele menschen uit de buurt!

Vierhonderd kerken te vullen was zelfs voor Rome te veel; verscheidene waren er, die slechts op bepaalde feestdagen bezocht werden; vele openden haar deuren slechts éénmaal per jaar, op den naamdag van haar Heilige. Andere leefden van de gelukkige omstandigheid, dat zij een fetisch, een afgodsbeeld bezaten, dat het menschelijk lijden verzachtte: de Aracoeli had een kleinen wonderdoenden Jezus “Il Bambino”, die de zieke kinderen genas; de S. Agostino had een “Madonna del Parto”, de Maagd, die zwangeren gelukkig verloste. Andere waren beroemd om haar wijwater, de olie van haar lampen, de macht van een houten heilige of een marmeren madonna. Andere schenen verwaarloosd, [401]werden alleen bezocht door touristen, overgeleverd aan den kleinhandel van kosters, deden denken aan musea, die door doode goden bevolkt zijn. Nog andere waren storend, zooals de in het Pantheon ondergebrachte Santa Maria Rolanda, een ronde zaal, die op een circus gelijkt, en waarin de Heilige Maagd blijkbaar de huurster van den Olympus is.

Ook had Pierre zich geïnteresseerd voor de kerken in de volkswijken: de S. Onofrio, de S. Cecilia, de S. Maria in Trastevere, zonder daarin echter het verwachte levende geloof, de gehoopte groote menigte te vinden. Op een middag hoorde hij in deze laatste, volkomen ledige kerk de zangers met een luide stem te midden van deze woestijn een litanie zingen. Toen hij een andermaal de S. Crisogono binnentrad, vond hij de kerk, blijkbaar voor een den volgenden dag plaats hebbend feest, geheel bekleed: de zuilen met overtrekken van rood damast, de portieken met afwisselend gele en blauwe, witte en roode draperieën en gordijnen. Hij vluchtte voor deze afschuwelijke decoratie, die denken deed aan het klatergoud van kermissen. O, wat was hij ver verwijderd van de kathedralen, waarin hij in zijn jeugd geloofd en gebeden had! Overal vond hij dezelfde kerk terug, de oude, antieke basilica, die door Bernini en zijn leerlingen pasklaar gemaakt was voor den smaak van het Rome der achttiende eeuw.

In de S. Luigi de’ Francesi, die een helderen, elegant-soberen stijl heeft, werd hij slechts ontroerd door de groote dooden, de heiligen en helden, die in vreemde aarde onder de vloertegels sliepen. Daar hij Gotiek zocht, ging hij ten slotte naar de Santa Maria sopra Minerva, die, naar men hem verteld had, het eenige staal van Gotische kunst te Rome was. Maar deze met marmer overdekte halfzuilen, deze spitsbogen, die zich niet durfden opheffen, verstikt als zij werden in de zoldering, die zich rondende, tot de zware majesteit van een dom veroordeelde gewelven, vormden voor hem een laatste teleurstelling. Neen, neen! Het geloof, waarvan de warme asch hier nog lag, was niet meer hetzelfde, welks gloed de geheele Christenheid tot in de verste uithoeken had doen branden. Monsignor Fornaro, dien hij toevallig bij het verlaten van de S. Maria sopra Minerva zag, schold tegen de Gotiek, die hij zuivere haeresie noemde. De eerste Christelijke kerk was de uit den tempel ontstane basilica; het was een godslastering, wanneer men de werkelijke, Christelijke kerk zag in de Gotische kathedraal, want de [402]Gotiek was niets meer dan de vloekwaardige Angelsaksische geest, het oproerige genie van Luther.

Pierre wilde den prelaat een heftig antwoord geven; dan zweeg hij uit vrees te veel te zullen zeggen. Was het in werkelijkheid niet het beslissende bewijs, dat het Katholicisme de vrucht van den Romeinschen bodem zelf was, het door het Christendom gemetamorphoseerde heidendom? Elders heeft datzelfde Christendom zich in een geheel anderen geest ontwikkeld, zoodat het in opstand gekomen is en zich op den dag van het schisma tegen de moederstad gekeerd heeft. Die afscheiding nam steeds grootere uitbreiding aan en in de evolutie der nieuwe maatschappijen teekenen zich ondanks de wanhopige pogingen om eenheid te verkrijgen, de geschillen steeds duidelijker af, zoodat het schisma nogmaals onvermijdelijk en nabij schijnt. Pierre, het vroeger zoo vrome en sentimenteele kind, had nog een anderen wrok tegen de basilica’s: haar ontbraken de klokken, de mooie, groote klokken, die aan de nederigen zoo lief zijn. Voor klokken zijn klokkentorens noodig, en er zijn in Rome geen klokkentorens, slechts dommen. O, er viel niet aan te twijfelen, Rome was de luidklinkende en klokkenluidende stad van Jezus niet, waaruit het gebed in welluidende klankgolven tusschen de zwevende zwermen kraaien en zwaluwen hemelwaarts steeg.

Toch bleef Pierre, aangegrepen door een heimelijke geprikkeldheid, die hem in zijn verzet stijfde, zijn bezoeken voortzetten; hij hield de belofte, die hij bij zichzelf gedaan had, en ging, ondanks de wonden, die zijn ziel er door geslagen werden, naar alle kardinalen der Indexcongregatie. En langzamerhand kwam hij ook met andere congregaties in aanraking, met de ministeries van de vroegere pauselijke regeering, welke heden ten dage minder talrijk zijn, maar nog steeds een buitengewoon gecompliceerd raderwerk bezitten, die ieder een kardinaal tot voorzitter, kardinalen tot leden hebben, vergaderingen houden en een groote menigte ambtenaren in dienst hebben. Hij moest meermalen naar de Cancellaria gaan, waarin zich de Indexcongregatie bevindt, en verdwaalde daar in het reusachtige labyrinth van trappen, gangen en zalen; dadelijk bij de zuilengaanderij van het binnenplein greep hem de ijzige rilling der oude muren aan; hij kon dat paleis, het meesterwerk van Bramante, het zuivere type der Romeinsche Renaissance, dat een zoo kale en kille schoonheid bezat, niet liefhebben. [403]

De congregatie der Propaganda, waar kardinaal Sarno hem ontvangen had, kende hij reeds en op zijn talrijke bezoeken, op die jacht naar invloedrijke beschermers, waarbij hij van den een naar den ander gezonden werd, leerde hij ook de congregatie der bisschoppen en ordegeestelijken, de riten- en de Conciliecongregatie kennen. Zelfs zag hij vluchtig de consistoriecongregatie, de Dateria, het Heilige Boetgericht. Het was het reusachtige mechanisme van de administratie der Kerk. De geheele wereld moet beheerscht, de veroveringen uitgebreid, de zaken der veroverde landen bestuurd, de geloofs-, zeden- en personenquaesties beoordeeld, delicten onderzocht en gestraft, dispensaties verleend en gunsten verkocht worden. Men kan zich het reusachtige aantal zaken, die iederen ochtend op het Vaticaan inkomen, niet voorstellen. Het zijn de ernstigste, teerste, ingewikkeldste vragen, welker oplossing tot tallooze onderzoekingen en studies aanleiding geeft. De groote menigte van uit alle deelen der Christenheid saamgestroomde en Rome verstoppende bezoekers, al die verzoekschriften, al die dossiers, welker vloed zich in alle bureaux verspreidde en opstapelde, moesten natuurlijk beantwoord worden.

Wonderbaarlijk was de groote stilte, waarin dat reusachtige werk verricht werd; geen geluid drong tot de straat door; uit de gerechtshoven, de parlementen, de fabrieken, waarin men heiligen maakte, weerklonk zelfs niet het sidderen van het werk, het mechanisme was zóó goed geolied, dat het ondanks het roest der eeuwen, de groote en onherstelbare afslijting, functionneerde, zonder dat men vermoedde, dat het daar achter die muren aan het werk was.

Lag hierin niet de geheele politiek der Kerk? Zwijgen, zoo weinig mogelijk schrijven, afwachten! Maar hoe wonderbaarlijk was dit zoo oude en toch nog zoo machtige mechanisme! En hoe was Pierre zich bewust, dat hij te midden van die congregaties gevangen was in het ijzeren net van de meest onbeperkte macht, die men ooit georganiseerd heeft om de menschheid te beheerschen!

Hij kon scheuren en gaten en een hoogen ouderdom, die op een naderend einde wees, constateeren, dat nam niet weg, dat hij zichzelf niet meer toebehoorde, sedert hij er zich in gewaagd had: hij werd gegrepen, gekneusd, meegetrokken in dit onontwarbare net, in dit eindelooze labyrinth van invloeden en intriges, van ijdelheden en omkooperijen, van corruptie en eerzucht, van ellende en grootheid. Hoe [404]ver was hij van het Rome, dat hij gedroomd had! Welk een toorn maakte zich meermalen van hem meester in zijn moeheid en zijn begeerte om zich te verdedigen!

Plotseling ging voor Pierre een licht op omtrent de dingen, die hij tot nog toe nooit begrepen had. Op een dag, dat hij weer naar de Propaganda gegaan was, sprak kardinaal Sarno op een zoo koud-woedenden toon over de Vrijmetselarij, dat hij alles in een helder licht zag. Tot dusverre had hij moeten glimlachen om de Vrijmetselarij; hij geloofde er even weinig aan als aan de Jezuïeten, hij vond de belachelijke verhalen, die er de rondte over deden, kinderachtig, verwees die geheimzinnige mannen, die in het donker werkten en wier geheime, onberekenbare macht de wereld regeeren zou, naar het rijk der legenden. Vooral verwonderde hij zich over den blinden haat, die sommige menschen bijna krankzinnig maakte, zoodra het woord vrijmetselaar op hun lippen kwam; een prelaat, en dat nog wel een van de meest intelligenten en de meest ontwikkelden, had hem met den grootsten ernst verzekerd, dat iedere vrijmetselaarsloge minstens éénmaal per jaar gepresideerd werd door den duivel in hoogst eigen persoon. Een eenvoudig menschenverstand stond daarbij stil. Doch nu begreep hij de rivaliteit, den verwoeden strijd van de Roomsch-Katholieke Kerk tegen de andere, haar vijandige Kerk. De eerste mocht zich de overwinnaresse wanen, zij voelde toch in de andere een concurrente, een zeer oude vijandin, die zelfs beweerde nog ouder te zijn dan zij en wier overwinning altijd mogelijk bleef.

De botsing kwam voornamelijk voort uit het feit, dat de beide secten hetzelfde eerzuchtige streven naar de wereldheerschappij, dezelfde internationale organisatie, hetzelfde net, dat over de volkeren geworpen werd, mysteriën, dogma’s en riten bezaten. God tegen God, geloof tegen geloof, verovering tegen verovering. Op die wijze hinderden zij elkaar, zooals twee concurreerenden, aan beide kanten van een straat opgerichte magazijnen, en de een moest ten slotte de ander dooden. Maar al scheen het hem toe, alsof het Katholicisme wankelde en met ondergang bedreigd werd, toch bleef hij ook sceptisch gestemd ten opzichte van de macht der Vrijmetselarij. Hij had gevraagd en een onderzoek ingesteld, om zich rekenschap te geven van het werkelijk bestaan dezer macht in dit Rome, waar de beide hoogste machten tegenover elkander stonden, waar de grootmeester troonde tegenover den paus. [405]

Men had hem wel verteld, dat de laatste Romeinsche prinsen zich genoodzaakt voelden vrijmetselaars te worden, om hun leven niet al te zwaar te maken, hun toch al moeilijke positie niet te verergeren, de toekomst van hun zoons niet te bederven. Maar gaven zij daarbij niet alleen toe aan de onweerstaanbare macht der hedendaagsche sociale evolutie? Zou de Vrijmetselarij ook niet ondergaan in haar eigen triomf, den triomf der denkbeelden van gerechtigheid, waarheid en rede, die zij zoo lang te midden van de duisternis en de gewelddaden der geschiedenis verdedigd had? Het was een vaststaand feit, dat de zege van een idee de secte, die haar propageert, doodt en het apparaat, waarmede zij zich omgeven heeft, om de phantasie te treffen, nutteloos en eenigszins wonderlijk maakt. Het carbonarisme heeft de verovering der politieke vrijheden, die het eischte, niet kunnen overleven, en den dag, waarop de Katholieke Kerk, na haar beschavingswerk volbracht te hebben, ineenstort, zal óók de andere Kerk, de Vrijmetselaarskerk verdwijnen, daar haar bevrijdingstaak dan afgeloopen is. Thans zou de beroemde almacht der loges een armzalig, eveneens door tradities belemmerd, door een belachelijk ceremonieel bedorven veroveringswerktuig zijn, niets meer dan een band van onderlinge verstandhouding en hulpverleening, indien de sterke adem der wetenschap de volkeren niet wegrukte en medehielp aan de vernietiging van verouderde godsdiensten.

Uitgeput door zooveel bezoeken en noodelooze stappen, kreeg Pierre, niettegenstaande hij als de soldaat van een hoop, die niet aan de nederlaag gelooven wil, hardnekkig erbij bleef Rome niet te verlaten zonder tot het einde toe gestreden te hebben, weer angst. Hij had alle kardinalen bezocht, wier invloed hem van eenig nut kon zijn. Hij had den vicaris-generaal bezocht, die het diocees Rome bestuurde, een ontwikkeld man, die met hem over Horatius gesproken had, een politiek warhoofd, dat hem gevraagd had naar Frankrijk, naar de Republiek, naar de oorlogs- en marinebudgetten, zonder zich in het minst te bekommeren over het vervolgde boek. Hij had den groot-penitentiarius bezocht, den kardinaal, dien hij eenmaal vluchtig in den palazzo Boccanera gezien had, een mageren ouden man met een uitgeteerd ascetengezicht, van wien hij een lang verwijt en strenge woorden tegen de jonge priesters, die, door den geest der eeuw bedorven, vloekwaardige boeken schreven, [406]te hooren kreeg. Ten slotte had hij in het Vaticaan den kardinaal-secretaris bezocht, in zekeren zin den minister van Buitenlandsche Zaken van Zijne Heiligheid, de groote macht van den Heiligen Stoel, van wien men hem tot dusverre verwijderd gehouden had door hem bang te maken voor de gevolgen van een ongelukkig uitvallend bezoek.

Hij had zich verontschuldigd, dat hij zich nu eerst tot hem wendde, en den beminlijksten man tegenover zich gevonden, die door een diplomatieke welwillendheid zijn eenigszins ruw uiterlijk optreden verzachtte, hem verzocht te gaan zitten, hem belangstellend uitvroeg, naar hem luisterde, hem moed insprak zelfs. Maar toen hij weer op het Sint Pietersplein stond, had hij heel goed begrepen, dat zijn zaak geen stap verder was gekomen en dat, wanneer het hem nog eens gelukken zou de deur van den paus te forceeren, dit zeker niet door toedoen van den kardinaal-secretaris geschieden zou. Dien avond keerde hij overspannen en overprikkeld, gebroken door de vele bezoeken aan zooveel menschen, naar de Via Giulia terug, zóó wanhopig, dat hij zich langzamerhand heelemaal door die machine met haar honderden raderen meegesleept voelde worden, dat hij zich met schrik afvroeg, wat hij den volgenden dag moest doen, daar hem niets meer overbleef dan gek te worden.