Title: Het intieme leven der vogels
Author: Jac. P. Thijsse
Photographer: R. Tepe
Release date: May 2, 2026 [eBook #78580]
Language: Dutch
Original publication: Utrecht: H. Honig, 1913
Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78580
Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net for Project Gutenberg

HET INTIEME LEVEN DER VOGELS

Staartmees bij haar nest. (Aegithalos Caudatus europaeus.) (L.)
Duinen onder Zandvoort, 12 Mei 1905.

Van denzelfden schrijver is verschenen:
OMGANG MET PLANTEN
GEÏLLUSTREERD MET VIJFTIG REPRODUCTIES VAN NATUUROPNAMEN VAN
R. TEPE
Prijs ƒ 3.90—Gebonden ƒ 4.50
Wij weten van het intieme leven der vogels maar heel weinig. De doode vogel is vlijtig genoeg bestudeerd; zijn veertjes geteld, zijn beentjes gemeten. De inventaris van zijn nesten en eieren is in bijzonderheden opgemaakt en ook omtrent den datum van komen en gaan hebben wij in de meeste gevallen voldoende zekerheid.
Maar hoe de vogel zijn dag en zijn leven doorbrengt, hoe hij zich gedraagt in verschillende levensomstandigheden, hoe hij ertoe gekomen is, om zich zoo te gedragen en hoe dat gedrag zich nog steeds wijzigt, daarvan is nog weinig bekend en toch zou men kunnen beweren, dat de beantwoording van deze vragen juist de eigenlijke vogelkennis heeten mag.
Ik heb door het schrijven van dit boek getracht, de aandacht te vestigen op het leven van enkele onzer meest bekende vogels, in de verwachting, dat de vele vogelvrienden en vriendinnen, die ons kleine landje telt, zullen willen meewerken, om het ontbrekende of foutieve in mijn waarnemingen aan te vullen en te verbeteren.
De vogels hebben het noodig. De vraagstukken [VI]van vogelbescherming en vogelverdelging kunnen alleen op bevredigende wijze worden opgelost, wanneer we een volledig inzicht hebben in het leven der vogels en zoodoende klaar beseffen, wat het vogelleven te beteekenen heeft voor het menschelijk geluk.
Deze studie vereischt veel toewijding en geduld, maar is een onuitputtelijke bron van het reinste genot, heilzaam voor lichaam en geest. ’t Is een soort van veredelde jacht: de wapens zijn de verrekijker en de camera, notities en negatieven vormen den tastbaren buit.
Mijn weitasch is maar weinig gevuld: de daden der vogels zijn nog vluchtiger dan de vogels zelf. Mijn medejager is gelukkiger geweest, en zoo hoop ik dan, dat Tepe’s negatieven vergoeden mogen, wat er aan mijn notities ontbreekt.
Jac. P. Thijsse.
Bloemendaal, Nov. ’06. [VII]
Sedert het verschijnen van den eersten druk van dit werk zijn bijna acht jaren voorbij gegaan, belangrijke, gunstige jaren voor de vogelstudie en vogelbescherming in ons land.
Tot mijn groot genoegen heb ik dus heele passages van polemiek en verzuchtingen kunnen schrappen, waardoor ik meteen plaats kon vinden voor het vermelden van enkele nieuwe waarnemingen.
Jac. P. Thijsse.
Bloemendaal, Maart 1913. [1]
[3]
De oudste berichten omtrent den vogelrijkdom van Nederland danken wij aan Julius Caesar, die het van hooren zeggen had, dat de bewoners van ons Noordzeestrand zich geneerden van visch en vogeleieren. Ook oppert de bekende philoloog Karl Bartsch in zijn inleiding tot het Gudrun-lied het vermoeden, dat met het Irland uit het beroemde heldendicht niets meer of minder bedoeld zou zijn dan mijn dierbaar Eierland op Texel. Dat zou dus reeds in de twaalfde of dertiende eeuw zijn welverdiende reputatie hebben genoten.
Een ernstig zoöloog haalt natuurlijk zijn schouders op over dergelijke apocriefe gegevens. Julius Caesar heeft het met zijn natuurlijke historie van den eland voor goed verkorven en dichters en philologen staan met de plant- en dierkunde ook al op niet al te besten voet. Toch wil ik gaarne bekennen, dat de gedachte aan den grooten Romein en vooral de kleurige stoet uit het vriendelijke Noordzee-epos mij vaak gesteund en opgemonterd heeft bij het uren- en dagenlange nagaan van onze zee- en strandvogels, langs de stranden en in de polders van de Wadden-eilanden.
De vogelbevolking van Eierland is sedert de inpoldering [4]van 1835 sterk achteruitgegaan, een natuurlijk gevolg van de cultuur, maar op enkele plaatsen in de Texelsche polders zijn in den broedtijd de nesten en eieren nog zoo talrijk, dat een volksstam er drie maanden lang overvloed van gezond voedsel zou kunnen vinden, niet de veertigduizend ridders van Sigebant of Hagen, maar wel de vijftig of zestig kleihutbewoners, die in den ouden tijd een volk vormden.

Nest en eieren van de Dwerg-Zeezwaluw. (Sterna minuta minuta.) (L.)
Polder „Het Noorden” op Texel, 6 Juli 1905.
Het beste van deze terreinen lag vlak tegen het oude Eierland aan, het oostelijke gedeelte van den polder Het Noorden, bar bloot land, doorsneden door breede, ondiepe kreken. Zonder den hoogen zeedijk en den van verre zichtbaren molen zou men kunnen meenen, de slikken en banken te betreden, die nog voordat de duinen bestonden, de westelijke grens vormden van het haff, dat eenmaal Nederland zou worden. De bodem bestond hoofdzakelijk uit zand met schelpen, hier en daar bedekt met sliblagen van verschillende dikte. Slechts op enkele plaatsen lag het zand zoo hoog en droog, dat het stuiven kon; sommige plekken waren zonder den minsten plantengroei, op andere plaatsen stonden ijl de sappige stengeltjes van zeekraal, met schaarsche rozetjes van zeepostelein. Het Engelsch gras tintte sommige plekken met een liefelijk rozerood en langs de breedste kreek vormde het kweldergras met andere ingezaaide grassen een soort van groene strandweide, die echter door groot vertoon van biezen en addertong een weerbarstige houding aannam tegen de onwelkome ontginningsplannen. Versch gestoken, lange, rechte greppels verminderen den poëtischen indruk van eenzame woestheid: als ’t ware de eerste loopgraven, waarmee de mensch de vogels belaagt in deze eene der weinige vestingen, die hun nog restten. [5]
Deze strandvogels haten en vreezen den mensch meer dan eenig ander levend wezen. En dat is geen wonder, want sedert eeuwen staat voor hen de aanwezigheid van menschen gelijk met het rooven van honderden en honderden eieren. Nu nog, als in Caesar’s tijd, geschiedt dat om aan den kost te komen, om een lekkernij te bemachtigen, om geld te verdienen, maar ook verzamelwoede of baldadigheid richten groote verwoestingen aan. Men kan tegenwoordig gerust beweren, dat de strand- en weidevogels geen erger levenden vijand hebben dan den mensch en daarom vreezen ze hem dan ook meer dan de drieste kraai, het vinnig hermelijntje of de vieze rat.
Hoe lang zal het duren, eer zij een gunstiger oordeel over ons vellen? Er komen betere tijden. In de laatste tien jaren heb ik duizenden en duizenden eieren gezien zonder er een van mede te nemen. Wij hebben dagen lang met een vrij groot gezelschap in de vogelvesting vertoefd en geen enkel nest heeft schade geleden. Verscheiden natuurvrienden zijn wars van het verzamelen van eierdoppen, nesten en opgezette vogels en geven er de voorkeur aan, hun vrijen tijd door te brengen te midden van die heerlijke schepselen zelve, om te trachten, iets van hun wonderlijk leven gewaar te worden. Verrekijker en camera vervangen gaandeweg geweer en valstrik, die voortaan slechts geduld mogen worden in handen van hen, die zich bezig houden met echt, belangrijk, wetenschappelijk onderzoek. Onze huizen en tuinen worden al meer en meer vrijplaatsen voor klein gevogelte, terwijl de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten ernaar streeft, om overal in ’t land asylen voor vogels te verkrijgen.
Zoo komen langzamerhand betere tijden, maar lang nog zal ’t duren, eer ge de broedplaatsen van sterntjes en meeuwen betreden kunt, zonder van [6]alle kanten verwenscht en uitgekreten te worden.

Nest en eieren van de Noordsche of Zilvergrijze Zeezwaluw. (Sterna paradisaea Brünn.)
Polder „Het Noorden” op Texel, 5 Juli 1905.
Wij, die ons van al die beleedigingen niets behoeven aan te trekken, vinden dat evenwel meteen een mooie gelegenheid, om een overzicht te krijgen van de vogelbevolking van den polder.
Reeds voor we goed en wel de grenssloot zijn overgestoken, buitelt met schor geschreeuw een kieviet door de lucht en weldra wordt hij begeleid door een paar tureluurs, die, even druk, maar minder luidruchtig, om ons heen blijven hangen, nu eens vliegend met kleine schokjes, dan zwevend met spitse neerhangende vleugels en slepende roode pooten, dan weer stilstaand op een kluitje, op en neer wippend en onophoudelijk hun angstkreet „tuut-tuut-tuut” uitstootend. Zeer elegante, slanke, schuchtere vogeltjes.
Woest giert met luid gepiep een scholekster voorbij met veel vertoon van witte vleugelpennen in zwarte omlijsting, rood fonkelend oog en langen, zwaren vuurrooden snavel; een reclame-schreeuwer. Intusschen heeft zich in de lucht een linie gevormd van wondervreemde zwart- met witte vogels; veel hard wit met enkele sterke smalle gebogen zwarte lijnen; ook de vleugelpunten zijn zwart. De fijne kop, de slanke hals, de dunne, naar boven gekromde snavel, de enorme leigrauwe pooten en bovenal de ongewone houding onder ’t vliegen, maken dezen typischen bewoner der riviermonden en zeegaten, de kluit, tot een van onze merkwaardigste vogels. Zelden wordt hij gezien buiten deze weinige bezochte streken en zijn aanwezigheid hier maakt, dat wij een gevoel krijgen van in den vreemde te zijn op een ontdekkingsreis.
Van tijd tot tijd strijkt een kluit neer, met zonderlinge gebaren zich voortsleepend over den grond en dan blijken daar overal kleine vogeltjes rond te [7]loopen, pijlsnel, grijs als muisjes, soms voortvliegend langs den grond en dan komt er veel wit te zien; dat zijn de strandpleviertjes.
Zwijgend schiet een dozijn dikkoppige kemphanen voorbij, maar zij worden nauwelijks opgemerkt, want nu is de lucht vervuld met een wolk van krijschende sterntjes en meeuwen, alle even boos, en al naar de nesten, die we naderen, schiet er een op ons neer: een dwergsterntje, een gewone stern, een zilvergrijze stern, een groote stern of een zwartkopmeeuw, de een wat vinniger dan de ander, maar alle hunne vrees overwinnend door de zorg voor het broedsel.
De grond ligt hier vol met nesten en eieren, maar die liggen zoo stil en zijn hier zoo volkomen op hun plaats, dat een oppervlakkig wandelaar ze niet opmerkt en er in kan trappen, voor hij ze ziet. Over het algemeen lijken de eieren van op den grond broedende vogels veel op de omgeving van zandaanspoelsel, schelpen en grasgewas, maar toch lang zooveel niet, als iemand die ’t nooit gezien heeft, wel gelooven wil.
Er ontstaan in de literatuur langzamerhand allerlei merkwaardige mythen over „beschermingskleuren” en het is misschien niet overbodig, hier bij deze honderden van nesten even te constateeren, dat ten minste in dit geval van bescherming of verstoppertje spelen geen sprake is.
Ik geloof graag, dat een gewoon toerist, die nog nooit eieren gezocht heeft, door dat heele broedgebied kan wandelen, zonder één nest te bespeuren, maar daar staat tegenover dat een gewone Texelsche schooljongen er misschien niet één zal overslaan.
Zelf zie ik ze in den regel ook wel, wanneer ik er maar in slaag, mijn aandacht te concentreeren op [8]den bodem en aan niets anders te denken, dan aan eieren en nesten. Doch zoodra ik in beslag word genomen door een vraagal van een medewandelaar of wanneer ik verdiept raak in de een of andere gedachtenreeks, dan ontgaan ze mij bij dozijnen.

Jongen van de Dwerg-Zeezwaluw. (Sterna minuta minuta.) (L.)
Polder „Het Noorden” op Texel, 6 Juli 1905.
Wanneer nu een gewoon belangstellend stedeling een vogelbroedplaats bezoekt, dan leiden de nieuwe indrukken hem meestal zoo af, dat hij niet het vierde deel opmerkt, van wat er te zien valt.
Het is dan ook onmogelijk, om bij zoo’n eerste bezoek het oog af te wenden van het wonderlijk bewegen van al die honderden vogels van allerlei soort, niet te luisteren naar de velerlei geluiden van angst en toorn, die de lucht vervullen, niet te geraken tot overpeinzingen aangaande den rijkdom van het leven en de grootschheid der schepping.
Maar de eierverzamelaar van professie, hetzij mensch of dier, wordt door dergelijke preoccupaties niet belemmerd. Hij monstert den bodem met koelen blik; geen kuiltje, geen opeenhoping van schelpjes of gruis ontgaat zijn aandacht en zelfs de eieren van de dwergstern en van ’t strandpleviertje, die ’t meest in kleur en tint op den zandgrond gelijken, worden door hem zonder moeite opgemerkt.
Het ligt voor de hand, dat de befaamde eierroovers, zooals de kraai en de zilvermeeuw, maar al te gemakkelijk de nesten ontdekken en indien de sterntjes en zwartkoppen niet over andere verdedigingsmiddelen te beschikken hadden dan de door de schrijvers zoo vaak misbruikte beschermingskleur, dan waren zij al lang van den aardbodem verdwenen.
De grondkleur van het sterntjesei wisselt af van zandkleurig lichtgeel tot donkerblauw, met allerlei tusschentinten van grijs, bruin, groenachtig grijs, blauwgroen en soms heel mooi kopergroen. Een enkele maal zijn ze geheel en al ongevlekt, maar [9]meestal vertoonen ze een alweer sterk afwisselend aantal van duidelijke en minder duidelijke donkere vlekken, soms bijna tot zwart toe. Nu eens zijn de vlekken vrij gelijkmatig over de geheele schaal verspreid, dan weer vormen ze een dichten krans om het stompe gedeelte van het ei. In vorm en grootte loopen die vlekken weer zeer uiteen, terwijl streepen slechts zelden worden aangetroffen, ’t meest nog bij eieren van de groote stern.
Nu, al deze zoo uiteenloopende kleuren en teekeningen worden gevonden bij eieren op éénzelfde stuk grond, ja bij eieren in éénzelfde nest. Bij de gewone stern vormen drie eieren een voltallig legsel en niet zelden komt het voor, dat ze alle drie een geheel verschillend type van kleur en teekening vertoonen.
Men zou zelfs kunnen betwijfelen, of drie zoo verschillende eieren van een en denzelfden vogel afkomstig waren. Het is lang niet gemakkelijk, om hieromtrent zekerheid te verkrijgen, want de vogels nemen het vaak niet zoo nauw met het mijn en dijn en zien er evenmin tegen op, om een ei te leggen in een vreemd nest, als een vreemd jong groot te brengen of vreemde eieren uit te broeden.
Meestal broeden de sterns in groote gezelschappen bijeen, maar nog al dikwijls vinden we in de veenlandjes en in de duinen geheel afzonderlijke nesten en het is merkwaardig, dat in deze het drietal of tweetal eieren tamelijk wel gelijk zijn van kleur en teekening. In de laatste twee jaren heb ik op dezen regel slechts tweemaal een uitzondering gevonden.
Het grootste aantal legsels met in kleur verschillende eieren vond ik twee jaar achtereen op den Hoek van Holland, waar meer dan de helft der talrijke nesten het verschijnsel vertoonde. Ik neem mij voor, op de voornaamste broedterreinen hieromtrent [10]nauwkeurige tellingen te verrichten en ook op andere wijze te onderzoeken of het vermoeden juist is, dat de sterntjes en vooral de gewone stern, ’t zij uit domheid of onverschilligheid of met opzet en besef hun eieren deponeeren in een nest, zonder te weten, of het wel oorspronkelijk hun eigen is. Want die sterntjes hebben nesten, al zijn zij soms zeer primitief, en een wandeling door den polder leert alweer dadelijk, dat ook in dit opzicht deze interessante vogels een groote veelzijdigheid aan den dag leggen.
Maar laat ik eerst even iets vertellen van sterntjesnesten buiten den polder. Dat was aan den Hoek van Holland, den echten, het driehoekig eilandje, dat door het graven van den Nieuwen Rotterdamschen Waterweg van het vaste land is afgesneden. In hoofdzaak is het een stuk duin met een breed zandig strand, waarvan sommige gedeelten alleen bij hooge vloeden onderloopen.

Vischdiefjes op hun broedplaats. (Sterna Hirundo.) (L.)
Kerkwerve op Schouwen, 22 Juni 1905.
Voor zoover dit niet bedekt is met de schoone flora der strandweiden, ligt het zand er dicht en rul en daar hebben nu in den zomer honderden sterntjes hun nesten en wel de meest primitieve, die ik ooit aanschouwd heb, zoo zelfs, dat het bijna geen nesten genoemd kunnen worden.
Het zijn oorspronkelijk kleine kuiltjes in ’t zand. Blijft het lang droog weer, dan waaien die spoedig dicht, de eieren liggen dan in ’t zand, ja dikwijls geheel er onder. Zoolang ze niet te diep bedolven zijn, kan de vogel ze door zijn eigenaardige broedbewegingen—waarover straks meer—nog wel weer bloot krijgen. Doch dikwijls gebeurt het, dat bij aanhoudenden wind en vooral, wanneer dan door de een of andere oorzaak de vogels lang van hun nesten verwijderd blijven, de eieren een paar [11]centimeter onder den grond komen en dan zijn ze verloren. Want hoe heet het zand ook op zomerdagen wezen kan, in de diepere lagen en ’s nachts is het kil en dat is de dood voor de vogelkiem.
In het algemeen kan als regel gelden, dat de eieren gedurende de bebroeding de temperatuur moeten hebben van een vogellichaam, dus 40 à 42° C. Het kan geen kwaad, wanneer gedurende korten tijd de grens naar de eene of andere zijde wordt overschreden, maar dat mag niet te lang duren, vooral niet in ’t midden van de bebroedingsperiode.
Liggen nu de eieren in het droge zand, dan is op heldere zomerdagen de zonnewarmte al voldoende, om ze op de temperatuur te houden en het is zelfs de vraag, of op heel heldere en windstille dagen die temperatuur niet te hoog wordt. Op gewone warme dagen ziet men de sterntjes niet op de eieren zitten, op zeer warme echter wel en dat is dan niet een maatregel, om de eieren te verwarmen, maar juist, om ze voor te sterke verwarming te behoeden. Laat de vogel dat na, dan mislukt het broedsel.
Ook omtrent deze zaak, waar nog weinig op gelet is, zijn nauwkeurige waarnemingen zeer gewenscht. Het komt er op aan, op een rulle strandvlakte de sternnesten te observeeren, zonder de vogels te storen, aanteekening te houden van den tijd (uren en minuten), dat de eieren bebroed worden, van de temperatuur van de bovenste zandlaag, benevens de kracht en de richting van den wind.
Ik kan niet dikwijls genoeg herhalen, dat aan dergelijke studie nog veel te weinig gedaan is. Zelfs de beste vogelboeken geven in hoofdzaak niet anders dan ellenlange beschrijvingen van het lichaam of liever van de veeren, van de eieren en van het nest, maar van het leven zelf der dieren worden slechts enkele algemeenheden verteld. Waar nog al [12]eens wordt over uitgeweid, dat is hoe je het dier kunt vangen en in gevangen staat houden. Maar wat heb je nu aan een gevangen vogel? En wat is nu prettiger: een volière schoon te houden, of dagen lang met een verrekijker gewapend in ’t zonnige duin te liggen en te letten op alles, wat daar gebeurt?
De sterntjes in den polder hebben met minder moeilijkheden te kampen, dan de sterntjes op het strand. De grond is er minder zandig en een wijs polderbestuur zorgt er voor, dat de waterstand op het gewenschte peil blijft, zoodat in den regel de nesten niet te lijden hebben van verstuiving, noch van overstrooming. Alleen bij langdurig windstil regenachtig weer gaan in polders met windbemaling de velden blank staan en dan gaat er ontzettend veel vogelleven verloren. Gebeurt de ramp niet te laat in den broedtijd, dan maken de vogels nog wel een tweede broedsel, dat dan minder talrijk is dan het eerste.
Het nest krijgt een duidelijken komvorm, in overeenstemming met de grootte van den vogel. Op de kale vlakte is het kuiltje in ’t geheel niet bekleed, wel wat men noemt „versierd” met steentjes en schelpjes. Bevinden de nesten zich op een met gras begroeid gedeelte, dan zijn ze zelf ook opgebouwd uit dorre sprietjes en vezeltjes en zulk een sterntjesnest kan dan een vrij grooten omvang hebben.
Deze regels gelden in de eerste plaats voor het gewone sterntje en voor de zilvergrijze zeezwaluw, het dwergsterntje maakt zijn nest bijna uitsluitend op de kale vlakte en de groote stern maakt er heel weinig werk van.
Het versieren van de nesten komt zeer veel voor niet alleen bij de sterntjes, maar ook bij de pleviertjes. Het is al spraakgebruik geworden, om te spreken [13]van versierde nesten, maar of hierbij nu wel de schoonheidszin der vogels te pas komt, dat zou ik niet durven beweren. Wij zijn licht geneigd, om aan de dieren allerlei menschelijke drijfveeren toe te kennen en in dit geval kan het haast niet anders.
Die schelpjes liggen zoo aardig om en in het nestje, teekenen zoo geestig met kleurige stipjes het grauwe zand en brengen het nest zoo aardig te voorschijn uit den doffen achtergrond, dat wij niet anders kunnen denken, of dit artistiek effect is te danken aan den artistieken aanleg van de vogels zelve. Ook herinnert ge u de Australische priëelvogels, die met schelpen, schitterend gekleurde bloemen en vruchten, en slakkenhuisjes ware praalgebouwen oprichten met paradeplaatsen erbij, waar ze zich kunnen verlustigen in hun schoone gewrochten. Hun nesten zelf evenwel zijn zeer eenvoudig. Doch laat ons naar onze sterntjes terugkeeren.
Ook hier bestaat weer behoefte aan degelijk onderzoek. De versiering wordt alleen aangetroffen bij de nesten, die op de kale vlakte liggen. Missen de sterntjes, die in ’t groene gras nestelen, dus allen kunstzin? Dat weet ik niet, maar wel, dat ze geen versieringsmateriaal in den omtrek van hun nest vinden, of liever dat hun versiering bestaat in de dorre sprietjes en grasjes, die ’t nest zelve vormen.
Want ’t is mij duidelijk gebleken, dat de sterntjes en pleviertjes alleen versieren met materiaal, dat in de onmiddellijke omgeving van het nest wordt aangetroffen. In onzen polder Het Noorden had dezen zomer een dwergsterntje zijn nest nabij een partijtje baksteengruis en nu had het den rand en den bodem ervan mooi belegd met van die roode keibrokjes. Het spreekt vanzelf, dat daardoor dit nest—en dat is met al die versierde nesten het geval—veel beter in ’t oog viel, dus het dier deed zich, [14]naar ons oordeel, geen voordeel met die versiering.

Nest en eieren van het Vischdiefje. (Sterna hirundo.) (L.)
Inlagen te Kerkwerve op Schouwen, 22 Juni 1905.
Op schelprijke plaatsen waren de nesten versierd met schelpen, en wel van dezelfde soort, als die in den omtrek lagen, soms zoo sterk, dat de heele nestkom met een schelpenlaag bedekt was. Een enkel nest was zelfs een schelpenberg geworden, natuurlijk met een kuiltje in den top, waarin de eieren lagen. Dit nest was wel honderd meter ver te onderscheiden.
Zeer dikwijls heb ik den indruk gekregen, dat deze zoogenaamde versiering toch van direct voordeel voor de eieren is en wel dat ze erdoor behoed worden tegen de vochtigheid van den bodem, en bij langdurige droogte tegen te groote verhitting door de middagzon, want natuurlijk geeft zoo’n schelpen- en steentjeslaag een niet te versmaden gelegenheid voor ventilatie. Intusschen mag niet uit het oog verloren worden, dat een menigte van sterntjes het zonder die ventilatie weten te redden.
Mijn vriend Selous maakt een andere veronderstelling. Hij meent, dat de vogels bij het urenlange stilzitten op de eieren zich doodelijk vervelen of liever behoefte hebben aan eenige beweging en bezigheid, en dat ze als het ware vanzelf er toe komen om dan de verplaatsbare voorwerpen met den snavel te grijpen en weer neer te leggen. Zoodoende komt dan een kring van dergelijke voorwerpen om het nest te liggen en het is ook best mogelijk, dat ze hetzij bij ongeluk, hetzij met opzet in het nest zelf terecht komen.
Zeker is het—ik heb het dikwijls genoeg gezien—dat een broedende vogel, die zich veilig waant, niet volkomen stil zit. Wel, als hij in gevaar verkeert; dan zitten de meeste vogels als uit steen gehouwen, maar bij volkomen rust draaien ze met den kop, rekken den hals, geeuwen een beetje, happen eens [15]naar een voorbijvliegend insect of verschikken even vleugels en staart. Dan weer scharrelen ze even aan den nestrand, halen een sprietje door den snavel en dan maakt het bewegen van den kop, het heen en weer rukken van het strootje eer den indruk van spel of tijdverdrijf, dan van zorgvuldig repareeren van den nestrand. Al die bewegingen zijn te vergelijken met ons onbewust spelen met potlood of papiersnijder, het trommelen op de ruiten of op de tafel of het klassieke duimen-draaien. Ik wil graag erkennen dat ik voor Selous’ veronderstelling zeer veel gevoel en niet zal nalaten ook deze zaak nader en zelfs proefondervindelijk te onderzoeken.
Om een sterntje op het nest te zien zitten, moet men zelf goed verborgen zijn. In het Noorden maakten wij gebruik van het fort van Selous, een soort van plaggenkasteel, dat hij gebouwd had nabij een speelplaats van kemphanen. Het is een kuil van een meter in ’t vierkant, aan drie zijden omgeven door een wal van plaggen, zoowat een meter hoog en voorzien van kijkgaten. ’t Was een vrij primitieve gelegenheid, zeer voor verbetering vatbaar, maar toch uiterst geriefelijk. Wij hopen in de gelegenheid te zijn, dezen winter het fort wat bij te werken en uit te breiden en het zoo te maken, dat het in ’t landschap in ’t geheel niet afsteekt, zoodat de vogels er geen erg in hebben. Met een drietal dergelijke forten op een uitgestrektheid van dertig hektaren vogelland kunnen groote veroveringen op ornithologisch terrein worden bevochten. Natuurlijk klinkt er nooit een schot van de wallen, maar kijker en camera bestrijken de vlakte naar alle zijden.
Wij gingen nog met groote list te werk, door met ons vijven naar ’t fort te marcheeren. Ik kroop er [16]in en de vier anderen gingen heen, begeleid door het rumoerig gezelschap van sterntjes en meeuwen, kluiten en scholeksters. Nu meenen wij—op welken grond weet ik niet—dat de vogels niet kunnen tellen. Zij verkeerden derhalve waarschijnlijk in de meening, dat al hun vijanden aftrokken en toen de rustverstoorders ver genoeg van ’t gebied verwijderd waren, hervatten de vogels hun gewone bezigheden.
Welk een verschil! Achtereenvolgens daalden alle vogels neer en binnen weinig minuten zweefde er nog maar slechts een enkele door de lucht. Weldra leek de vlakte geheel uitgestorven. Enkele schapen en lammeren graasden in het ruige gras langs den waterkant. Heel in de verte liep een eenzame wandelaar op den hoogen zeedijk, waarachter een enkel rood dak en een smal scheepswimpeltje een aanduiding leverden van de menschenwereld. De polder zelf leek alleen te behooren aan mij, aan de schapen en den kouden voorjaarswind, die in den Pinkstertijd aan Paschen deed denken.
O, als ’t zonnetje had geschenen en ’t windje gewaaid had uit zuid-oost in plaats van noord-west, dan zou ’t een ander tooneel zijn geweest. Dan hadden de sterntjes vrijaf gehad, om te vliegen en te spelevaren in de blauwe lucht. Nu echter zaten ze op de eieren met een volharding en plichtbesef, het trouwe huishoen waardig. En een enkele, die opvloog, snelde bedrijvig in een rechte lijn over de vlakte naar weiland of strand, om voedsel te halen voor den broedenden genoot.
Intusschen was een troep kemphaantjes op hun speelplaats beland en daar begon het altijd even belangwekkende tournooi, half pantomime, half tweegevecht, vol beweging, in de diepste stilte, als een strijd van spoken.
Nu voorzichtig den verrekijker gehanteerd! Zoo’n [17]kijker lijkt soms een tooverstaf, want ieder plekje grond, dat hij bestrijkt, vertoont dadelijk teekenen van leven. Hier is het een gezelschap grutto’s en tureluurs, die staan te visschen in de slijkerige kreek, of scholeksters met hun lange roode bekken en een enkele kromsnavelige wulp. Kluiten stappen, met hun snavel maaiend, door ’t slib, en een groote witte plek wordt een rustende bergeend.
In ’t gras en op ’t zand worden alle witte plekken sterntjes; rechts achter het fort had ik een vijftal nesten genoteerd en nu vond ik ze ook behoorlijk bezet met de vogels, broedend met hun kop in den wind, allemaal zilvergrijze zeezwaluwen, Sterna macrura.
Dat zou nu zonder dien heerlijken verrekijker nooit uit te maken zijn, want de zilvergrijze zeezwaluw verschilt maar zeer weinig van de gewone stern, zoo weinig zelfs, dat een leek het belachelijk en overbodig vindt, om op zulke kleine verschillen twee vogelsoorten aan te nemen, ieder met haar eigen langen Latijnschen naam. Ook is het niet mogelijk, de eieren van beide soorten met zekerheid van elkander te onderscheiden.
Bij de zilvergrijze zeezwaluw is de snavel geheel rood, de gewone stern heeft een zwarte snavelpunt. Ook heeft de eerste kortere pooten; het loopbeen is ± 16 m.M., terwijl dat bij de gewone ± 20 m.M. lang is. In den regel reiken bij de zilvergrijze zeezwaluw in de rusthouding de staartpunten verder dan de vleugelspitsen, terwijl bij de gewone stern het omgekeerde het geval is. Eindelijk zijn bij de gewone stern de borstveeren spierwit met een vleugje van rozerood, terwijl ze bij de andere soort in ’t parelgrijs trekken. Meestal telt het volledig legsel van de zilvergrijze zeezwaluw slechts twee eieren. [18]
Ge ziet dat ’t onmogelijk is, om met deze gegevens uit een aantal rondvliegende sterntjes met eenige zekerheid de gewone van de zilvergrijze te onderscheiden. Het is dan ook pas eenige jaren geleden, dat men nog niet eens wist, dat de zilvergrijze zeezwaluw in groot aantal bij ons te lande broedt, maar nu weten wij, dat ze haast even algemeen voorkomt als het gewone sterntje. Naar het Noorden toe wordt het de overheerschende soort, waarom ze ook wel Noordsche zeezwaluw genoemd is. De Engelschen spreken ook altijd van The Arctic tern.

Broedkolonie van Noordsche of Zilvergrijze Zeezwaluwen. (Sterna paradisaea Brünn.)
Het paste dus heelemaal bij het gure noordpoolweer, dat ik daar deze sterntjes voor mij had. Door den verrekijker was het duidelijk te zien, dat zij alle volkomen roode snavels hadden. Ook het staartkenmerk bleek in de vijf gevallen steekhoudend, maar de zilvergrijsheid aan de borst bleef in ’t onzekere bij al de grijsheid van lucht en wolken.
Zooals ik reeds zeide, zaten ze alle met den kop in den wind, de beste houding voor stilzittende vogels. Een zat er finaal te slapen met zijn snavel in de schouderveeren, de andere waren min of meer wakker, maar ’t was niet altijd te zien, of ze de oogen open hadden. Ze bewogen weinig; nu eens schommelde er een wat heen en weer, een ander pikte zich even in de borst, maar van schelpjes zoeken of steentjes rapen kon ik niets gewaar worden.
Twee van de vijf hadden gezelschap. Hun mannetje of wijfje—ze lijken precies op elkaar—zat vlak naast het nest en heel aardig was ’t om te zien, hoe zoo’n paar wildebrassen daar nu innigjes stil bij elkander zaten. Af en toe draaiden ze den kop om, en beet de een den ander even in de veertjes; zoo iets, wat men in de romans een stillen handdruk noemt. [19]
Nu zitten ze weer stil bij elkander, maar twee nesten verder gebeurt weer iets anders. Daar gaat de bijzitter, de genoot, (hoe zal ik dat individu noemen, daar ik toch niet weet, of ’t het mannetje of ’t wijfje is?) heen en weer kruipen, de borst tegen den grond drukkend, nu zelfs ronddraaiend, alsof hij met de zachte veertjes een gat in den grond wil boren: een echte „broedsche” beweging. De ander kijkt stil toe, wordt dan langzamerhand onrustig, gaat ook draaien en wiebelen, staat eindelijk op en nu hebben ze in een ommezien de rollen verwisseld: de bijzitter van zooeven is snel op de eieren geschoven, de andere blijft even bij het nest zitten en vliegt dan laag langs den grond weg naar de kreek, waar ze allen voedsel in overvloed schijnen te vinden.
In de verte flikkert iets wits heen en weer. Snel den kijker erop gericht. Het vereischt een handigheid, vlugheid en vastheid, die wel herinneren aan het hanteeren van het geweer, om vlug en met zekerheid een voorwerp in ’t veld voor den kijker te krijgen. Sommige menschen sukkelen daar erg mee, maar met wat oefening kan men ook in dit opzicht een „nimmer falende juistheid” verkrijgen.
Nu, dat witte bewegende plekje was weer een sterntje, een sterntje in drift en angst. Het had zijn nest juist aan den rand van de strandwei en nu was een dom lam al grazende dicht bij de eieren gekomen. Met boos gekrijsch vloog het vogeltje telkens vlak langs den snoet van het wollig monster, dat eigenlijk van den aanval niets scheen te bespeuren en alleen even met den kop schudde, als de stern hem bijna raakte. Al sneller en sneller herhaalde de vogel zijn charges, totdat hij ten laatste als een slinger van een snelgaand klokje heen en weer zweefde voor de oogen van het schaap, dat nu eindelijk al dat bewegen onaangenaam ging vinden [20]en na een laatste kopschudden met een schokkig sprongetje rechtsomkeert maakte en toen bedaard in een andere richting ging grazen. Het was al een oudachtig lam.
Het nest was gered en daar behoorde nu eigenlijk een zegezang bij, maar zoo poëtisch zijn de sterntjes niet aangelegd. We zullen andere vogels ontmoeten, die daar wèl toe in staat zijn. Deze stern verliet zelfs het nest, dat zoo even in groot gevaar had verkeerd en ging naar de kreek, maar ik vermoed, dat hij onderweg en uit de verte toch nog wel een oogje in ’t zeil hield. Wat mij het meeste bij dit voorval interesseerde, was de verregaande onverschilligheid der overige sterntjes. Toen we zooeven het broedveld betraden, hadden wij de aanvallen te verduren van de heele armee, honderden sterk. Onze komst was een gevaar voor allen, elke vogel had reden, om beducht te wezen voor de veiligheid van zijn nest.
Natuurlijk hadden ze ook alle dat lam gezien. Maar ik houd het ervoor, dat ieder voor zich precies wist, wat daaraan vast zat, en dat die eene vogel best in staat zou zijn, om zijn eieren te verdedigen, evengoed als zij het hun eigen zouden doen, wanneer de viervoeter die te na kwam.
Een groot vel wit vloeipapier werd door den wind gegrepen en voortgewenteld over de vlakte. Dat was een nieuw verschijnsel, een ongekend gevaar, dat alle nesten bedreigde. Met groot geschreeuw kwamen de sterntjes van alle kanten opzetten, telkens neerflitsend op het groote ding, dat nu eens sneller, dan weer langzamer voortrolde over de vlakte en eindelijk aan den rand van den polder verdween, nog altijd omzwermd door de witte zeezwaluwen. Het kwam daar natuurlijk in het water terecht en verzonk. De sterntjes keerden bij troepjes terug, nog altijd wat [21]druk en opgewonden, net als menschen, die van een brand terugkomen.
Zoo wordt ieder ongewoon bewegend voorwerp onmiddellijk door deze vogels aangevallen, en dit instinct is bij hen dermate ontwikkeld, dat zij zelfs buiten den broeitijd er naar handelen. Zeer tot hun nadeel dikwijls, want de jager, die aangenomen heeft om tienduizend sterntjeshuiden te leveren aan de dames-hoeden-winkeliers, weet ze op deze manier in groot aantal onder schot te krijgen. Dit is nog in het jaar 1906 gebeurd in het Koninkrijk der Nederlanden.
Na het vloeipapier-incident bleef het geruimen tijd kalm. De kemphaantjes vochten en vertoonden houdingen, andere steltloopers van allerlei soort zochten voedsel in de kreek of stonden bij troepjes te dutten aan den oever, de sterntjes zaten op of naast hun nest en een leeuwerik, een gewone akkerleeuwerik, zat in de kou boven op een kluitenhoop zijn lied te zingen. Klein gedoe van piepertjes en pleviertjes maakten korte trippeltochtjes tusschen graspollen en over schelpplekjes. Maar iemand, die over den dijk liep, zou niet bespeurd hebben, dat er in den grooten polder geleefd en gestreden werd.
Wat mijzelf betreft, het was zoo goed, alsof ik niet bestond; geen enkele vogel nam notitie van het grijze hoopje in het fort en de lammeren kwamen grazen op de wallen. Wel snoven ze achterdochtig, maar toch toonden ze zoo weinig vrees, dat ik ten slotte bang werd, dat ze uit pure vertrouwelijkheid boven op mij zouden springen. Hun oogen trokken al in ’t goudgele; het waren oude lammeren. Dat zal zoo een kwartiertje geduurd hebben. Toen kwam er weer onrust in den oostelijken uithoek van het veld, ongeveer een halven kilometer van het fort af: [22]een uitbarsting van witte vogels. Door de groote afstand was er van gekrijsch en geschreeuw niet veel te hooren, maar aan ’t dwarrelen en zweven, rijzen en dalen van de witte vlokken viel duidelijk te zien, dat er rumor in casa was. En de kijker gaf dadelijk uitleg: zwartkopmeeuwen en sterns vervolgden een jonge zilvermeeuw.

Broedkolonie van Groote Zeezwaluwen. (Sterna sandvicensis sandvicensis Lath.)
Nu moet ge weten, dat in een broedkolonie van zwartkoppen nooit jonge meeuwen worden toegelaten en dat de zilvermeeuw een haast nog erger eierdief is dan een boerenjongen, dus hadden de kokmeeuwen een dubbele reden, om die zilvermeeuw aan te vallen. Het ging er heet toe en hoewel de groote roover met gemak elk afzonderlijk belager had kunnen vernielen, moest hij toch het veld ruimen. Hij verweerde zich niet, maar vloog langzaam en recht naar ’t Zuiden, twee honderd meter ver uitgeleid buiten de landpalen der meeuwen en grootsterns.
Ik was nu ook zoo koud en stijf en slaperig geworden, dat ik mijn positie in ’t fort moest opgeven, om door vlugge beweging het bloed weer in circulatie te brengen. Eerst maakten natuurlijk de lammeren van schrik een luchtsprong en onmiddellijk kreeg ik mijn escorte van sterntjes. Ik verbeeld mij, maar ge moet het zelf nog maar eens nader onderzoeken, dat de zilvergrijze zeezwaluwen vinniger en brutaler zijn dan de gewone vischdiefjes. Er waren er, die echt in de lucht stil hielden, biddend op de manier van torenvalken, om dan vlak langs mijn hoofd neer te stooten. Als ze zoo stonden te bidden, waren ze nog al gemakkelijk in ’t veld van den kijker te krijgen en dan zag ik telkens een roode snavelpunt. De gewone vischdiefjes vergenoegden zich met verontwaardigd rond te vliegen en sjirrt, sjirrt te roepen. [23]
Dwergsterntjes kwamen er ook bij en die waren al even vinnig als de zilvergrijze. Deze dwergsterntjes zijn wel de mooiste van al onze zwemvogels. Hun lichaam is veel mooier geproportionneerd dan dat van de andere sterns, de kop is betrekkelijk groot en de gele snavel iets langer: een zevende deel van de lichaamslengte, terwijl hij bij de gewone zilvergrijze slechts een tiende deel beslaat. De kop en snavel geven het kleine vogeltje meteen een bijzonder uiterlijk en daarbij komt nog, dat de zwarte schedelvlek zich niet uitstrekt tot den snavelwortel, maar aan het voorhoofd een sikkelvormige witte vlek openlaat, wat aan ’t gezicht van ’t diertje een uitdrukking van intelligentie geeft. Daarmee is nu natuurlijk in ’t geheel niet gezegd, dat de dwergstern een intelligent dier is. Wanneer wij zeggen, dat een vogel er intelligent, lief, trotsch of dom uitziet, dan beteekent dat eenvoudig, dat de lijnen en kleuren aan den kop, en de houding van den kop of de uitdrukking van het oog, ons herinneren aan intelligente, lieve, trotsche of domme menschen, die wij kennen, en het is zeer goed mogelijk, dat de vogel in kwestie dan juist tegenovergestelde kwaliteiten bezit. Jonge duiven geven den indruk van een duivelsche wreedheid en menige roofvogel krijgt—vooral op hoogen leeftijd—een zeer goedige uitdrukking op ’t gelaat.
Die dwergsterntjes dan zijn aardige, flinke, vinnige diertjes en ik ben graag in hun midden, omdat, waar zij wonen, de wereld ruim en rein en mooi is.
Nu komen nieuwe aanvallers en die konden wel eens raak stooten. Wij betreden nu ’t terrein, waar zooeven die zilvermeeuw kwam snuffelen en nu komen de zwartkopmeeuwen op ons af: witte vogels met zilvergrijzen rug, kleine zwarte vlekjes aan de vleugelpunten en kop en keel gehuld in een donker [24]kastanjebruine capuchon. De witte staart is niet, zooals bij de sterntjes, gevorkt, maar ongeveer gelijk recht afgesneden.

Nesten en eieren van de Groote Zeezwaluwen. (Sterna sandvicensis sandvicensis Lath.)
Er zijn er een stuk of twintig. Ze vormen in de lucht een dubbele linie, een meter of vijf schuin boven ons en nu en dan schiet er een vlak langs ons heen. Boven de meeuwen zweven witte vogels, even groot, maar met den hals wat slanker en met langere zwarte snavels en gevorkten staart; dat zijn de groote sterns, de vierde sternsoort, die hier dit jaar bij uitzondering in dezen polder broedt.
Is het opzet of toeval, dat zij hier broeden in gezelschap van de kokmeeuwen? Ze zijn later gekomen dan de meeuwen, want die hebben al jongen en zij nog maar alleen eieren. Ze profiteeren van hun buren, want deze zijn het, die met alle macht dit hoekje grond verdedigen tegen indringers. Ook nu doen de zwartkopmeeuwen al het werk, terwijl de sterns tamelijk kalm in de hoogte rondvliegen.
Dat is anders hun gewoonte niet. Waar zij in grooter aantal aanwezig zijn, zooals op Schouwen en Rottum, gaan ook zij de indringers behoorlijk te lijf. Maar ’t schijnt, alsof de leden van deze kolonie zich hier vreemd voelen en niet durven op te treden met de brutaliteit en onverschrokkenheid van, laat ik maar zeggen, werkelijk rechthebbenden. Hun groote, duidelijk zichtbare eieren, lichtgrijs met donkere vlekken, liggen vlak bij elkander in twee groepjes in het hooge gras, zonder eenige poging tot vermommen of verbergen. Elders worden ze ook wel op ’t barre zand gevonden tusschen schelpen en steengruis, en dan vallen ze natuurlijk weer minder in ’t oog.
Er is wel eens verteld en nog al door auteurs, die op zeer goede gronden het vertrouwen van het [25]publiek bezitten, dat de sterns, wanneer ze hun eieren in ’t gras leggen, daar eerst een voorraad steentjes en schelpen deponeeren om zoodoende, waar ’t ei van zelf niet harmonieert met de omgeving, de omgeving te doen harmonieeren met het ei.
Zoo iets is natuurlijk prachtig, om te vertellen op een nutsvoordracht of in de dierkundeles. En de menschen, die het lezen, hetzij in het boek zelf, hetzij in een of ander Zondagsblad, of op de laatste pagina van een tijdschrift, zetten groote oogen op en zeggen: wel heb ik van mijn leven, wat is de natuur toch schoon! Jammer maar, dat er geen letter van waar is en dat er geen enkele vogel bestaat, die tot dergelijke philosophische overwegingen en listige maatregelen in staat geacht kan worden.
In dezen tijd, nu er over het natuurleven zooveel gepraat en geschreven wordt, behoort ook het goedige publiek op zijn hoede te zijn, want daar is veel marktgeschreeuw en kwakzalverij bij. Wij, nuchtere Hollanders, houden ons nog tamelijk goed, maar Amerikanen, Engelschen en Duitschers zijn geducht aan ’t fantaseeren geweest en ik raad u aan, hun beweringen slechts met het noodige wantrouwen te aanvaarden. Ook moogt ge gerust die houding aannemen tegenover mijn geschrijf, dat ten slotte toch alleen de bedoeling heeft, om u op te wekken, zelf eens naar de vogels te gaan zien en vindt ge dan iets, dat met mijn mededeelingen in strijd is, dan zal niemand zich daar meer over verheugen dan ikzelf, want dan zijn we weer een stap nader tot de waarheid.
Vergeef mij die uitweiding, maar die steentjes en schelpen zaten mij dwars in de maag. Wij willen nu tot onze vogels terugkeeren.
Het gaat met deze groote sterns niet al te best. De wetenschap kent ze pas sedert honderd vijfentwintig [26]jaar, maar dit tijdperk is toch al lang genoeg geweest, om te constateeren, dat in ’t Noordzee-gebied deze stern in aantal afneemt.

Nest en jongen van de Groote Zeezwaluw. (Sterna sandvicensis sandvicensis Lath.)
Kerkwerve op Schouwen, 22 Juni 1905.
Op onze Noordzee-eilanden broedden zij vroeger bij millioenen. Op Texel droeg de vogel zelfs een bijzonderen naam: „kaugek”, maar een jaar of tien geleden was die naam voor de allermeeste Texelaars een onbekend woord en de vogel zagen zij zelden of nooit. Toch heeft dat woord fortuin gemaakt, want in de Faune des Vertébrés de la Suisse van Fatio komt het heel deftig voor als Zwitsersche volksnaam; hij spreekt van Sterna Cantiaca als Hirondelle de mer Caujek en Caujek tout court wordt opgegeven als de nom vulgaire te Genève. Het is voor ons Texelaars natuurlijk een groote voldoening, dat onze taal doordringt tot aan de oevers van de Rhône.
Maar met dat al waren wij onze vogels kwijt, totdat opeens in het voorjaar van 1906 eene kleine kolonie zich kwam vestigen in den polder Het Noorden. Een veertigtal paren namen bezit van een paar graspolletjes in een uithoek, waar ook zwartkopmeeuwen hun groote nesten hadden gebouwd. De mooie groote eieren lagen er dicht op elkaar, duidelijk te zien. Ze riepen als ’t ware om den eierzoeker.
Doch gelukkig wint het denkbeeld van vogelbescherming al meer en meer veld. Al wordt er van hooger hand nog zoo goed als niets aan gedaan, hier in den verlaten uithoek traden een paar vogelvrienden op; een schoolmeester en een boer sloegen bij de nesten een paar bordjes in den grond, waarop zij schreven: „Men wordt beleefd verzocht, deze nesten niet te verstoren en op deze plek niet te lang te vertoeven.”
Ik heb in mijn leven al voor heel wat borden [27]met „Verboden toegang” gestaan en min of meer respect gevoeld voor de dreigementen der wet, maar nooit met zooveel eerbied, sympathie en ontzag als hier voor deze eenvoudige plankjes, geplaatst door menschen, die niet eens er het recht toe hadden en in ieder geval de macht misten, om een overtreding te wraken.
Laat ik er bij voegen, dat geen menschenhand die nesten verstoord heeft. Maar een boer heeft ’t grasgewas van dat stuk polder gepacht, zijn koeien erop gejaagd en die hebben toen al de eieren van de groote sterns vertrapt.
Ze zijn in volgende jaren daar niet weer verschenen.
Meer dan de gewone en de zilvergrijze stern is de groote stern een echte zeevogel. Hij vischt meestal op zee. Zijn krachtige lichaamsbouw en lange, zwarte, geelgepunte snavel maken hem op grooten afstand reeds gemakkelijk kenbaar. Wanneer ze bij of op de nesten zitten, dan zijn ze te herkennen niet alleen aan ’t groote aantal dicht opeen, maar vooral aan ’t verwaaide uiterlijk van hun koppen.
De zwarte veeren van schedel en nek zijn lang en staan wat uit. Zij vormen niet een mooi glad afgerond schedelkapje en nekkleed, zooals bij de kleinere soorten, maar de veeren staan losuit, alsof een eeuwigdurende storm door den koptooi suist.
Gij weet, hoe pijnboomen groeien op het door den zeewind geteisterd duin. Zelfs bij zacht en windstil zomerweer zien ze er uit, alsof ze gebeukt worden door Novembervlagen. Zoo is het ook met de nekveeren van de groote stern: ze doen altijd denken aan Noord-Atlantisch stormweer.
De zwarte snavel en donkere pooten geven dezen vogel ook iets sombers en doen hem duidelijk verschillen van de andere sterntjes met hun vroolijk [28]rood of oranje aan snavel en pooten. Onze Texelsche groote sterns van 1906 waren nog al bedeesd in hun optreden; het was hun aan te zien, dat ze zich in de nieuwe vestiging nog lang niet te huis gevoelden en daar alleen waren bij de gratie van de zwartkopmeeuwen.

Nest en jongen van de Kokmeeuw. (Larus ridibundus.) (L.)
Inlagen te Kerkwerve op Schouwen, 22 Juni 1905.
Maar op de plaatsen, waar ze oudere rechten hebben, zooals op Rottum en op Schouwen, treden ze op met meer beslistheid en ontvangen zij de indringers met woest geschreeuw, met dreigende aanvallen en versmaden zij ook de werpwapens niet, die hier in ’t Noorden nog al eens met succes door de zilvergrijze zeezwaluwen worden gehanteerd.
De nesten van de zwartkopmeeuwen op ditzelfde schiereiland waren geheel gebouwd van dor gras, groote bouwsels, twee of drie decimeter hoog en met een middellijn van vier tot zes decimeter. In enkele lagen nog drie eieren, in andere evenwel een, twee, of drie jongen in bruingrijs, zwartgevlekt jeugddons. De meeste eieren bleken aangepikt en dat verklaarde het woest gedrag der ouden, die onophoudelijk schreeuwden en af en toe een woeste charge deden op onze hoofden. Wel is waar was het nimmer raak, maar ’t ziet er toch gevaarlijk genoeg uit, als zoo’n mooie sterke vogel in volle vaart op je af komt, de spitse snavel recht vooruit gericht en de pooten gereed om toe te slaan. Want een kokmeeuw verstaat de kunst, om met zijn pooten tikken uit te deelen.
In vijf, zes nesten waren de jongen bezig uit te komen. Dat uitkomen is voor de kleine kuikentjes de eerste, groote, ernstige levensbezigheid. Het is heusch geen kleinigheid en dat moet zonder hulp gebeuren, want de ouden stellen er wel veel belang in, maar denken er niet aan, om een handje te helpen [29]en de dikke eierschaal stuk te pikken. Soms ook gaan ze heel koelbloedig er van door, zonder zich om ’t worstelend jong te bekommeren en zoo heb ik het wel eens gezien, dat in een heel groote duinvallei een jong heel alleen bezig was, om zich uit zijn kalkkerker te bevrijden.
Wij zullen wel nooit precies weten, hoe dat jong er toe komt, om de schaal aan te pikken. Het is zijn eerste instinctmatige beweging. Naarmate het kuikentje zich ontwikkelt, vult het den heelen dop, het ligt ineengevouwen en saamgebogen op de wonderlijkste manier, maar toch zoo, dat de kop met den snavel net terechtkomen in de luchtruimte, die zich binnen in elk ei bevindt.
Op den top van den bovensnavel ontwikkelt zich een hard tandvormig uitsteeksel, dat juist de schaal raakt en wanneer nu het jong volwassen is en zich even beweegt, dan boort die eitand juist door de eierschaal heen: het ei is aangepikt. Onmiddellijk trekt het vogeltje den kop weer in, strekt daarna den hals en nu treft de eitand weer de schaal, maar nu een kleinigheidje van een millimeter hooger op, zoodat het gaatje iets, al is het nauw merkbaar, grooter wordt.
En nu blijft die instinctmatige beweging voortduren met de regelmatigheid van een machine, in een langzaam tempo met kleine schokbewegingen. Het ivoren bijltje gaat onophoudelijk heen en weer, het vogeltje begeleidt zijn werk met opgewonden gepiep, de oude schreeuwen hoog in de lucht, de scheur in de schaal wordt al wijder en wijder, een stukje brokkelt af, de schaal splijt en het jonge wezentje is op de wereld, nat en slordig en doodelijk vermoeid. Hijgend blijft het liggen tusschen de brokken eierdop.
Het is niet goed, nu bij het nest te blijven, want [30]meer dan ooit heeft thans het jong de zorg der ouden noodig. In dit opzicht verschillen de meeuwen en sterntjes weinig van de zangvogels, die nog hulpeloozer zijn, wanneer zij ter wereld komen, terwijl, zooals wij weten, bij sommige hoenderachtige vogels en steltloopers het jong al dadelijk vrijwel zelfstandig is.
Maar dit meeuwenjong moet door zijn ouders verwarmd en gedroogd worden. Het is of de oude vogel in den eersten tijd voor het jong nog meer zorg heeft, dan voor de eieren en nog dagen, weken later wordt het van tijd tot tijd onder de beschermende vleugels genomen. Zelfs wanneer het jonge dier reeds plompverloren van ’t nest is afgestapt en rondscharrelt over de vlakte, weet de bezorgde moeder het nog te vinden.
Niets is aardiger, dan zoo’n groote vlakte vol jonge sterntjes en meeuwen. Ze houden er niet van, om in ’t nest te blijven, dat doen ze hoogstens een dag of zes. Al heel spoedig gaan ze rondwandelen op hun loodkleurige of geelachtige zwempootjes, maar er is nog geen sprake van, dat zij in hun eigen onderhoud kunnen voorzien.
Den heelen dag vliegen dan ook over de vlakte volwassen sterntjes en meeuwen af en aan met voedsel—meest kleine vischjes—en zoodra ze nu maar een jong zien, dan leggen ze dat vischje bij hem neer of laten het naast hem neervallen. Ik geloof niet—maar gij behoeft mij niet te gelooven—dat de ouden dan wel weten, of ze hun eigen jong verzorgen.
En wanneer het guur of regenachtig weer is, dan ziet ge hier en daar een stern uit de lucht neervallen om een jong eventjes te verwarmen, soms een kwartier lang, soms maar eenige oogenblikken en onweerstaanbaar dringt zich daarbij de gedachte op, [31]dat die vogel zoo niet handelt uit medelijden met het jonge dier, maar om het genoegen van het bebroeden zelf, of zoo ge dat liever wilt, om te voldoen aan zijn bebroedingsinstinct.
Eens, dat was aan den Hoek van Holland, heb ik een gewoon sterntje zien zitten op een dood jong.
Het schijnt, dat de oude meeuwen en sterns liever zien, dat de jongen wat langer in of op het nest blijven. Ze probeeren ten minste de jongelui weer terug te brengen in de woning, maar geven dat na een gevecht van een halven dag in vredesnaam maar op.
De jonge meeuwen zijn nog het minst onhandelbaar en dat is maar goed ook, want die komen vaak ter wereld op plaatsen en onder omstandigheden, waar afdwalingen van den goeden weg hun niet anders dan zeer noodlottig zouden kunnen worden.
Er is namelijk geen een vogel, die op zoo velerlei manieren zijn nest bouwt, als de zwartkopmeeuw. Hier in den polder heeft hij vrij groote kussens van dor gras gebouwd op de groene graspollen in de slijkvlakte. Een andere, talrijker kolonie echter aan het Kil, een rietplas midden in Texel, had nesten van een halven meter hoog, opgestapeld en opgebouwd uit dorre rietstengels. Vlak daarbij had een excentrieke zwartkop zijn legsel gedeponeerd zonder eenige poging om een nest te maken, midden in het vochtige grasveld en de kroon op ’t werk gezet, door in plaats van drie eieren, er vier te leggen, zoodat zijn huishouding volkomen den indruk maakte van die van de kievit. In het Naardermeer vonden we een heel hoog nest, mooi opgeworpen tegen een reusachtigen waterscheerling op een slijk-eilandje, een ander formeel in een lagen elzenstronk en weer een paar andere klein, nietig en broos op drijvende massa’s van lischdodden en rietstengels, precies zooals de zwarte stern zijn nest maakt. [32]
Een veelzijdigheid, om de samenstellers van handboeken wanhopig te maken!
Trouwens in zijne geheele doen legt de zwartkopmeeuw een groote plooibaarheid aan den dag, en juist daardoor is hij een allerdankbaarst studie-object.
Dat hij zich voornamelijk met insecten voedt, meer een landvogel dan een watervogel en dan weer eerder zoetwaterdier dan zeedier is, wordt tegenwoordig al met zooveel nadruk in boeken en artikelen verteld, dat het alweer geen kwaad kan, om heel eventjes tegen overdrijving te waarschuwen. Ik heb hem tenminste nog al eens dikwijls op zee visschend aangetroffen: op Texel en Terschelling als getijvisscher, langs de Zuiderzee als stormvisscher.
Wandel maar eens met een stevigen Noordwestenwind langs den Zuiderzeedijk van Amsterdam naar Muiderberg, dan zult ge op verscheiden plaatsen heele kolommen van zwartkopmeeuwen aantreffen, staande met den kop in den wind en loerend op de kleine vischjes, die door het woelige water tegen den dijk worden gedreven. Dit is eigenlijk sterntjeswerk, maar soms zijn er in die troepen meer meeuwen dan sterntjes.
Ook zal ik nooit vergeten, hoe ik op het IJ een zwartkopmeeuw een paling zag vangen. Hij slikte hem al vliegende in, dat leek geen gemakkelijk werkje.
Op de getijstroomen en riviermonden, is hij dikwijls bezig aan den rand van draaikolken en ook langs het strand kunt ge, althans in den nazomer, de zwartkopmeeuwen dikwijls genoeg visschend en rondzwemmend aantreffen op en tusschen de zandbanken.
Maar het kan niet ontkend worden, dat in hoofdzaak deze meeuw thuis hoort op het land en dat er wellicht duizenden en duizenden nimmer de zee te zien krijgen, n.l. die nestelen aan de groote meren in Midden-Europa. [33]
Op het weiland en de akkers zijn de zwartkopmeeuwen volkomen de gelijken van roeken en kraaien. Ze stappen niet alleen achter den ploeg aan, maar bewerken den grond ook zonder de hulp van het kouter. In den regel gaan ze daarbij gezellig te werk, maar ik heb het ook wel eens gezien, dat een enkele eenzame meeuw een boonenveldje voor zijn rekening nam en daar dag aan dag tegen den avond een paar uur kwam werken. Wij hadden er plezier in, zoo geregeld als dat dier in zijn tuin verscheen. Hij duldde er volstrekt geen hulp van anderen en had groote altercaties met een jonge kievit, die ook een onverklaarbare voorkeur voor dat terreintje vertoonde.
In de weiden werken ze even hard als de spreeuwen, al loopen ze niet zoo bedrijvig met zooveel vertoon van organisatie en harden arbeid. Ge kent dat wel. Die spreeuwen werken een hoekje weiland af, en slieren dan opeens met heesch geschreeuw naar een andere plek, waar ze tien minuten rondpikken, om dan weer met hun stijve exerceerbewegingen naar een nieuwe plek te trekken.
Maar de meeuwtjes vervullen het heele weiland met hun liefelijke tegenwoordigheid. Hier trippelt er een, ginds nog een paar en overal in ’t groene gras komen de rein witte lijfjes te voorschijn. Soms vliegt er eentje met langzame vleugelslag laag over de bloemen een paar meter verder en als ze allen behoorlijk hun taak hebben verricht (hun honger gestild) dan komen ze schijnbaar onopzettelijk en heel langzamerhand bijeen op een plek midden in ’t land, waar ze nu uren lang blijven zitten, of liever staan op één poot. Ze dutten niet bepaald, neen, soms loopt er één vrij snel door de menigte, een paar anderen strijken elkaar de veertjes glad of heffen even hun witte vleugels omhoog, een ander [34]geeuwt even of krabt zich achter ’t oor en als de rust lang genoeg geduurd heeft, dan vliegen ze kalmpjes op. Eerst laag over de bloemen, dan hooger en hooger, langs spiraallijnen door elkaar kringend tot ze hoog genoeg zijn, om hun slaapplaats te zien: een van de wijde plassen, waaraan in Holland nog geen gebrek is.

Nest en eieren van de Kokmeeuw. (Larus ridibundus.) (L.)
Naardermeer, 25 Mei 1905.
Een ander tafereel. De wijkende zomer heeft voor het laatst van Augustus een paar van zijn mooiste dagen bewaard. Heet brandt de zon op de jonge roode blaadjes van het Sint Janslot der eiken, op gelende oude bladeren van de abeelen. Het is in den ruitijd, de vogels zijn stil, maar het leger der insecten ontwikkelt zijn grootste activiteit. Wespen gonzen bij dozijnen het nest in en uit; de roode bloempjes van het radijsboompje en de witte trossen van de late liguster zijn één gezoem van bijen en hommels.
Hoog in de lucht zweven opeens een twintigtal meeuwen. Die worden anders zelden gezien, midden in deze boschstreek. Ze vliegen hoog, nu eens in een rij achter elkander—als een eskader van witte oorlogsschepen—dan weer opeens in een ongeregelden troep, vol grillige verandering. Telkens daalt of rijst of keert er een met plotselingen schok, maar de heele bende blijft toch een geheel vormen en het resultaat van al hun beweeg is, dat zij langzaam, uiterst langzaam, in Noordwestelijke richting wegdrijven.
De verrekijker brengt nadere opheldering. Het is duidelijk, dat de meeuwen daar op jacht zijn; ze vervolgen een kleine vliegende prooi. Telkens happen de snelle snavels, de vleugels kleppen vlug of zijn strak uitgespreid, al naar de flauwe wind helpt, of zijn steun ontzegt. En ’t mooist van alles zijn de onvergelijkelijk gladde rem- en stuurbewegingen van [35]den witten waaierstaart of van de roode pooten.
Dat is een lust, om hoog in de lucht in ’t heldere zonlicht die meeuwen te zien sturen met hun pootjes. In ’t wit en blauw van vogel en lucht gloort opeens het helder rood van de zwemvliezen van één poot, rechter of linker, die uit zijn achterwaarts gestrekten stand omlaag wordt gestoken, om met een roeiriembeweging het blanke scheepje zijn draai te doen volvoeren. Ik kan den kijker niet van de dieren afwenden en wacht met steeds grooter wordend genoegen op elke nieuwe roode opflikkering.
En wat jagen ze nu? Er is een ijl, grauw wolkje, dat naar beneden toe smaller en duidelijker wordt, trechtervormig toeloopt en met veel lichtjes eindelijk terechtkomt in mijn eigen tuin, in ’t grasveld. Daar woelt en warrelt het in de grassprietjes, honderden en honderden gevleugelde mieren, dikke wijfjes en slanke mannetjes, komen uit den grond gekropen, klauteren tegen de grassprietjes op, lanceeren zich met zacht geruisch van hun lange zijdeachtige wieken in de lucht en stijgen omhoog, om bruiloft te vieren, of om een prooi te worden van de vogels. De meeuwen zijn op de mierenjacht!
Het droomerige zomerweer, de stille bewegingen van de miertjes, de hoogblauwe hemel en de gemakkelijke langzaamheid van de meeuwentroep geven aan dit moordtooneel heel geen schrikwekkend aanzien.
Maar anders was het op een Julimorgen bij Muiderberg. Daar maakten in de luwte van den zeedijk veel groote libellen jacht op vliegen en vlinders. Als blinkende kleurige schichten schoten ze bij twintigtallen door de lucht, met zonneglans op de strakke gaasvleugels en op de gemoireerde groote oogen. Stil kwamen zes zwartkopmeeuwen uit zee, flusjes over den zeedijk heen en die schoten nu met [36]nog woester vaart door de wilde libellenvlucht heen, zoodat ze naar alle kanten verschrikt uiteenstoven.
Maar iedere meeuw had zijn prooi beet. Wie ooit libellen gejaagd heeft, kan beseffen, tot welk een hooge trap van volmaaktheid die meeuwen het als insectenvangers gebracht hebben.
In beide gevallen, mierenjacht en libellen-aanval, waren het zwartkopmeeuwen met zwarte koppen en zwarten staartzoom, jonge, eenjarige vogels, die volgens den adat der kokmeeuwen nog geen gezin mogen stichten en dus den heelen zomer niets te doen hebben, dan in de wereld rond te zien. Ze zijn dan in hun leer- en zwerfjaar.
Ook de sterntjes zijn goede insectenvangers, daar heb ik veel aardige dingen van gezien.
Op een kouden Meiavond kort voor zonsondergang heb ik ze bezig gezien in een hooiland achter een elzebosch. Een zestal gewone vischdiefjes vlogen loerend rond, een meter of tien boven den grond, langzaam tegen den wind in. Soms stonden ze stil, met roerloos uitgespreide vleugels, maar meestal hielden ze zich op één plek door middel van snelle vleugelslagen, die mooie vliegbeweging, die men „bidden” noemt.
De fijne roode snavel wees loodrecht naar beneden, de bruine oogjes tuurden en tuurden en opeens schoot het witte dier neer in ’t gras, onmiddellijk weer opstijgend met een vrij groot insect in den bek: een grijzen sprinkhaan; daar wemelde het van in dat veldje.
In twee, drie happen was het dier verslonden en onmiddellijk begon de jacht opnieuw. In een half uur schoten ze drie-en-veertig maal neer en—zooals het beroemde signaalvers van de tirailleurs-afdeeling zegt—altijd was het raak. Nu weet ge, hoe nadeelig [37]sprinkhanen zijn voor het grasgewas en ik kan dus de gevolgtrekking ten gunste van de sterntjes gerust aan u overlaten.
Ze kunnen niet goed genoeg loopen, om op de manier van roeken en meeuwen te werken voor landbouw en houtteelt, maar toch worden ze vaak gezien bij ’t ploegen, niet stappend over de kluiten, doch zwevend in de lucht. En dan kunnen ze met verbazingwekkende juistheid neerschieten langs de versche voor, om de opgewoelde larven en wormen te bemachtigen. Ook heb ik een stern gezien, die zat op een hek in het land en schoot dan van tijd tot tijd neer om insecten te vangen, juist zooals een klauwier of een grauwe vliegenvanger zou doen. Dat ze uit de rusthouding ook visch vangen, kunt ge overal waarnemen, waar palen staan in vischrijk water.
In alle gevallen, dat ik sterntjes heb aangetroffen bij de insectenvangst, werd de prooi dadelijk verslonden en op de broedplaatsen heb ik niet kunnen constateeren, dat de jongen met insecten gevoed werden. Het nieuwerwetsche menu is dus waarschijnlijk alleen voor eigen gebruik.
De rol van insectenvanger schijnt voor de sterntjes betrekkelijk nieuw te zijn, althans in de meeste vogelboeken vindt men er geen gewag van gemaakt. Het is nogal van belang, dat een dier zijn gewoonten verandert; daar hangen weer allerlei kwesties van verstand, instinct en erfelijkheid mee samen. De sterntjes en meeuwen vertoonen groote veranderlijkheid in hun broedgewoonten en voeding en vormen daardoor een voor de wetenschap hoogst belangrijke vogelgroep.
De mierenvangende zwartkopmeeuwen waren alle éénjarige vrijgezellen, zieltjes zonder zorg, die overal [38]rondzwerven en in dat eene jaar misschien meer van de wereld zien dan gedurende de rest van hun lange meeuwenleven.
Hoe oud wordt een meeuw? Ik zou het niet met zekerheid kunnen zeggen, maar schat het tusschen de vijftien en twintig jaar. Alleen gedurende de eerste twee levensjaren kan met eenige nauwkeurigheid hun leeftijd worden vastgesteld, al wat er verder volgt behoort tot de „onzekere” jaren.
In de eerste dagen is het jong gehuld in zijn nestkleed, dat geheel uit donsveertjes bestaat. Het is dan een zacht ruig balletje, bruin geel met donkere vlekken, de onderzijde lichter van kleur. Al dat jonge goed lijkt wel veel op elkander; de meeuwtjes en sterntjes zijn van de overige jeugdige polderbewoners te onderscheiden aan hun tamelijk korte pooten, voorzien van zwemvliezen. De donsmeeuw is wat donkerder dan de donsstern, vooral aan voorhoofd en keel.
De eitand blijft zelden langer aanwezig dan tot den derden dag, op onze foto van jonge kokmeeuwen is hij nog aanwezig bij het linker vogeltje. Op de foto’s van ’t dwergsterntje en de groote stern is er niets meer van te zien.
Nu worden de donsveertjes van rug en schouders gaandeweg vervangen door echte dekveeren (zie de foto van dwergstern-jongen) tegelijk beginnen de slag- en stuurpennen te groeien en ongeveer vier weken na het uitkomen van ’t ei kan de jonge meeuw vliegen. Gedurende al dien tijd is hij door zijn ouders beschermd en gevoed.
Hij draagt nu zijn eerste jeugdkleed. Van ’t zuigelingenpak heeft hij nog eenige donsveertjes over gehouden, die pluizig boven den schedel uitsteken. De schedel zelf heeft geelachtig witte dekveeren, een zwarte vlek voor ’t oog, een zwarte vlek in de oorstreek [39]en een donkere streep dwars over den kop heen. De veertjes van den bovenrug, de vleugeldekveeren en de schouderveeren zijn bruin met roestgele randen; keel en zijden zijn vuil wit. Het prachtige meeuwenblauw en ’t reine wit, dat den volwassen vogel zal kenmerken, wordt in dit tijdperk alleen aangetroffen aan ’t onderste deel van den rug en aan ’t achterdeel van de buikzijde. De staart is wit met een zwarten zoom, maar buiten aan den zwarten zoom is weer een smal wit randje. De snavel is vleeschkleurig en de pooten roodachtig grijs.
Na een dag of veertien komt in dit kleed weer verandering doordat de donsveertjes aan den kop geheel verdwijnen en de bruin gevlekte veeren van bovenrug en schouders vervangen worden door meeuwenblauw. Maar de vleugeldekveeren blijven bruingevlekt. De onderzijde wordt zoo goed als wit en de snavel en pooten trekken beslist in ’t roodachtige.
Zoo blijven ze den heelen winter. De oudere meeuwen krijgen soms reeds in Januari zwarte of liever bruine koppen en met Maart zijn die allen gereed om naar de broedplaatsen te trekken. Die kleurverandering van den kokmeeuwkop werd langen tijd beschouwd een der meest raadselachtige voorvallen uit het vogelleven. Thans echter weten wij, dat het niets anders is dan een zeer langzame rui. Een voor een vallen de witte veertjes uit, om vervangen te worden door donkerbruine.
Bij de jonge meeuwen geschiedt deze kleurverandering pas in Juni of zelfs in Juli. De staart heeft nog den zwarten zoom en daaraan zijn ze dan in dit kleed te herkennen.
Ze mogen zich echter niet lang verheugen in hun chocola-bruinen hoofdtooi, want reeds in Augustus, een maand, voordat de ouden verkleuren, vallen de [40]bruine veertjes uit, om vervangen te worden door witte. Ook de met zwart omzoomde staartveeren worden door geheel witte vervangen en zoo heeft dan onze jonge vriend zijn eerste volkomen winterkleed gekregen. Alleen de donkere streep, die over den schedel heen de beide zwarte oorvlekken met elkander verbindt, kenmerkt hem nog als een melkmuil.
Ik houd er van, om in ’t laatst van Augustus of begin van September op een drukke meeuwenplek te staan aan de De Ruyterkade te Amsterdam en ben er dan tamelijk zeker van, kokmeeuwtjes te zien in allerlei kleedage. Ik zal even opsommen, zooals ik ze zag op 3 September 1906.
1o. Enkele jonge vogels, afkomstig van late broedsels, nog in het eerste jeugdkleed. (Onzuiver gekleurde kop en keel, snavel met zwarte punt, bruingevlekte rug en schouderveeren), waarschijnlijk geboren Juli 1906.
2o. Zeer veel jonge vogels in ’t tweede jeugdkleed (kop en keel wit, snavel met zwarte punt, rug en schouders blauwgrijs, vleugeldekveeren bruingevlekt, staart met zwarten zoom); geboren Juni 1906.
3o. Een enkele jonge vogel nog in ’t eerste zomerkleed (chocola-bruine kop, zwarten staartzoom) geboren 1905.
4o. Eenige oude vogels, nog in ’t volkomen zomerkleed (kop bruin, staart geheel wit) geboren 1904 of eerder.
5o. Jonge vogels, reeds in ’t eerste volwassen winterkleed (kop wit met donkeren achterhoofdsband, staart geheel wit) geboren 1904.
6o. Een enkele oude vogel in volkomen winterkleed, (als 5 maar de kop geheel zuiver wit, behalve natuurlijk de zwarte oorvlek).
Het is mij meer dan eens gelukt, om al deze vormen [41]in den loop van een enkele wandeling te ontmoeten. Het is in ’t najaar gemakkelijk genoeg, om de vogels van dichtbij te zien, want zoo driest en haatdragend ze in den broedtijd waren, zoo onverschillig zijn ze nu. Dezelfde vogels, die in het voorjaar door de aanwezigheid van den mensch geprikkeld werden tot de heftigste gemoedsuitingen, bewegen zich in het najaar en in den winter kalm te midden van het gedruisch eener wereldstad en komen zelfs onbevreesd voedsel aannemen uit de handen van hun aartsvijand.
De gewoonte van de kokmeeuwen, om te overwinteren in of nabij de groòte steden, is nog van jongen datum. Amsterdam bezoeken ze sinds betrekkelijk vrij langen tijd, want Schlegel maakt er reeds melding van in 1862. In Hamburg vertoonden zij zich eerst in 1891 in groot aantal, in Luzern en Genève daarentegen overwinteren zij sinds eeuwen.
De sterntjes trekken nog altijd in het najaar naar ’t zuiden, maar ’t schijnt, alsof zij den datum van hun vertrek al meer en meer verschuiven en alsof sommige stoute geesten onder hen ’t willen probeeren, den winter hier door te brengen. Ik heb tenminste sterntjes gezien tot in November.
De trek der sterntjes begint al in Juli. Dan verlaten de jonge vogels hun broedterrein en ze vereenigen zich aan het strand tot groote vluchten. Dan zitten sommige vogels nog te broeden, vooral in noordelijker en oostelijker streken. Op Terschelling vonden wij op 18 Augustus nog een sterntjesnest met 3 eieren.
Nu is het een regel, dat vreemde jonge vogels door hun broedende soortgenooten niet geduld worden. Vooral de meeuwen zijn daar zeer streng in. De jonge rondzwervende vogels worden dus als ’t ware vanzelf genoodzaakt, om naar ’t zuiden en [42]westen te trekken en zoo zien we dan ook gedurende de maanden Juli en Augustus groote troepen jonge sterntjes langs onze kust langzaam afzakken naar het Zuiden. Dat gaat zoo langzaam en geleidelijk, dat een liefhebber zich bij hen zou kunnen aansluiten.
Soms houden ze zich dagen lang op een plaats op en dan komen er steeds nieuwe bij, zoodat het leger aangroeit tot duizenden. In Augustus 1902 bezocht ik drie dagen achtereen de zuidelijkste uithoek van Texel, de groote vlakte aan De Hors bij Onrust. Het was daar een echt hoofdkwartier van sterntjes, die als een witte wolk in de lucht zweefden of als een wit laken het strand bedekten, rij aan rij, alle met den kop naar de zee.
Deze armee bestond uit verschillende afdeelingen, alle soorten waren vertegenwoordigd; groote, zilvergrijze, gewone, kleine en zelfs een weinig talrijke afdeeling van zwarte sterntjes. Tijdens de rusturen zaten ze soort bij soort. Den derden dag waren ze alle verdwenen, ongetwijfeld hadden ze den overtocht over het Marsdiep—een peulschilletje voor de stern—gewaagd en koersten ze nu langs de badplaatsen verder naar Frankrijk en Spanje en de keerkringsgewesten.
De trek der zwartkopmeeuwen is minder eenvoudig, maar juist daardoor de moeite van het bestudeeren overwaard. Het schijnbaar onoplosbaar probleem van den vogeltrek houdt reeds sedert eeuwen de menschheid bezig en vooral in den laatsten tijd zijn tal van theorieën opgesteld, die echter geen van alle een bevredigende algemeene oplossing geven.
Wij zijn eigenlijk ook nog veel te onwetend, om eenig oordeel te kunnen vormen omtrent den aard en oorsprong van een zoo complex verschijnsel als [43]het migratie-instinct. Wij weten nog bij lange na niet, wat de vogels uitvoeren bij dag en bij nacht, in hun zomer- en winterverblijven, op de aarde, in het water en in de lucht, en hoe daarbij hun gedrag bepaald wordt door de innerlijke aandrift of door wat er buiten hen geschiedt.
Gätke heeft vijftig jaar lang dag en nacht gewerkt op het zoo gunstig gelegen Helgoland en moest ten laatste erkennen, dat hij er geen raad mee weet. In ’t Britsche rijk en ook in Duitschland zijn op uitgebreide schaal stelselmatige waarnemingen gedaan vooral op vuurtorens en lichtschepen, maar ook deze hebben niets anders uitgewerkt, dan de reeds bestaande theorieën en aangenomen regelen te ondermijnen en omver te werpen.
En gaat ge nu al die uitgebreide rapporten nasnuffelen, dan blijken die in al hun veelheid nog maar zeer magere gegevens op te leveren, zoodat we gerust mogen zeggen, dat we nog maar heel in ’t begin zijn met de kennis van aard en wezen van den vogeltrek. Je moest eigenlijk duizend Gätke’s op verschillende punten van onze aarde ieder een halve eeuw aan ’t werk kunnen zetten.
Maar een millioen gewone beschaafde menschen kunnen ook wat uitrichten en zoo groot wordt over de geheele wereld langzamerhand de belangstelling in het leven der vogels, dat het niet lang zal duren, of wij kunnen in alle deelen van de wereld op goede waarnemers rekenen. En eindelijk zal er wel een geniaal man komen, die ten slotte den heelen berg van boeken en tijdschriften zal reduceeren tot het kleine boekje, dat de lang verbeide wijsheid bevatten zal.
Zeer belangrijke gegevens zijn in de laatste jaren verkregen door het „ringen” van vogels. Men brengt aan een poot van een vogel, (meestal neemt men daarvoor bijna vlugge jongen op de broedplaats) een [44]gemerkte aluminium-ring aan. Wordt dan de vogel later gevangen of gevonden, dan weet men tenminste de plek, waar eens zijn wiegje stond. Wie aan dit onderzoek wil meewerken, kan ringen aanvragen bij Dr. E. D. van Oort, Rijksmuseum Leiden.

Broedkolonie van Kokmeeuwen. (Larus ridibundus.) (L.)
Inlagen te Kerkwerve op Schouwen, 21 Juni 1905.
Ons land—ik heb het al meer gezegd—is even gunstig gelegen als Helgoland en veel rijker aan broedvogels, zoodat hier behalve het grootsche verschijnsel van de voorjaars- en najaarstrek ook waarnemingen kunnen worden gedaan omtrent het gedrag van oude en jonge vogels in en kort na den broedtijd in de nabijheid van de broedplaatsen. Ik voor mij geloof, dat deze laatste van het allergrootste gewicht zijn, en daar is tot nu toe weinig aan gedaan. Het stille water der ornithologie (de maanden Juli en Augustus) heeft diepe gronden.
Nu maakt de zwartkopmeeuw in ons land half den indruk van een standvogel, half die van een trekvogel en het is daarom ’t voorzichtigst, hem als zwerfvogel op te vatten.
De eenjarige zwartkopmeeuwen, die nog niet broeden, zijn natuurlijk vanzelf zwerfvogels. Let in den zomer op zwartkoppen met zwarten staartzoom. Ge ziet ze niet veel. Op de broedplaatsen worden ze niet geduld en nu zwerven ze rond over de heele wereld, zoodat ze nergens algemeen kunnen zijn.
Wanneer nu de jonge meeuwen van dit jaar vliegen kunnen en, na door de ouden verlaten te zijn, gaan rondzwerven in de buurt van hun geboorteplaats, dan kan het niet uitblijven, of zij ontmoeten zeer spoedig een klein troepje van die voorjarige jongelui en daar kunnen ze zich dan gemakkelijk bij aansluiten. Die kennen de wereld en weten den weg door heel Europa. Een heelen winter hebben zij rondgezworven in gezelschap van oudere, zelfs zeer oude soortgenooten en gedurende den broedtijd hebben [45]ze van de opgedane ervaring terdege geprofiteerd. En als de zomer op zijn eind loopt, dan zijn zij volkomen berekend voor hun taak van leiders der jeugd.
We moeten het met de leiding niet al te letterlijk opnemen. Meen niet, dat zoo’n Ulysses op een troep jonge meeuwen afgaat en zich opwerpt tot hun cicerone. Integendeel, de jonge vogels zoeken hen op, of liever voegen zich bij hen. Ze zien soortgenooten op jacht of rustend en sluiten zich dan doodeenvoudig bij hen aan.
In Juli of Augustus beginnen dergelijke gezelschappen zich te vertoonen in Amsterdam en andere steden, die met grachten gezegend zijn. Altijd bestaan die gezelschappen uit piepjonge vogels met een klein aantal eenjarige vrijwilligers. Heel oude vogels worden in dien tijd in de steden weinig gezien; op het land des te meer. Die worden in October gaandeweg talrijker op de grachten, zoodat ze hier en daar zelfs de meerderheid gaan vormen.
In ’t algemeen blijven de oude vogels ook gedurende den winter zich afzonderen van de jongen. De scheiding is niet zoo streng als in den broedtijd, maar sommige vakken van de Heerengracht en Keizersgracht bevatten bijna niet anders dan oude vogels, terwijl op andere plaatsen de bruingevlekte jongen in de meerderheid zijn.
Nu krijgen we den heelen winter in verband met wind en weer, een heen en weertrekken van de meeuwen naar de stad en naar het land. Als ’t vriest, komt alles naar de stad, maar bij dooiweer werken de meeuwen op de weiden en akkers. Ze zijn nu bijna altijd in gezelschap met de bonte kraaien, die met een zekere bonhomie de mooie blanke vogels naast zich dulden op mestvaalten en vuilnisbelten.
De stad is hun als winterverblijf al zoo dierbaar geworden, dat zij zelfs bij zeer strenge en langdurige [46]vorst er niet aan denken, om elders een goed heenkomen te zoeken. Uitgehongerd en afgemat vliegen ze over de dichtgevroren grachten, vechtend om een stukje afval, maar blijkbaar vol vertrouwen op den korten duur van onzen Hollandschen winter.
Soms vliegen ze dan hoog in de lucht, veel hooger dan den Westertoren alsof ze uitzien naar open water. Ze zien dan de bevroren Zuiderzee, waar niets te halen is en de groene Noordzee, waar ze niet gewoon zijn te werken. In een paar minuten kunnen ze naar het strand vliegen en binnen het uur kunnen ze de Wadden-eilanden of de groote riviermonden bereiken, waar altijd wat te halen is. Toch blijven ze rondzweven boven de hongerstad; slechts enkelen zoeken gunstiger streken op.
Eigenlijk kan dit alleen met zekerheid worden uitgemaakt door telling; we moeten gedurende den winter een meeuwencensus hebben in de steden en op sommigen plaatsen aan het strand en de zeegaten. Dit is lang niet ondoenlijk. Professor Forel heeft ’t uitgevoerd voor het meer van Genève, waarom zouden wij het niet kunnen voor de hoofdgrachten van Amsterdam of voor het Wierhoofd te Nieuwediep?
Forel maakte eenige malen in ’t jaar een rondreis om ’t heele meer en telde dan de „mouettes rieuses”. Hij vond er in April 645, in Mei 250, in Juní 150, in Juli 1580 en in September 2935. Gedurende den winter kon hij geen tellingen verrichten, omdat dan de booten niet varen. Ook verzuimde hij te letten op den leeftijd en daardoor zijn die gegevens niet van zooveel belang, als zij hadden kunnen zijn.
Toch blijkt uìt die getallen reeds, dat in April de laatste broedvogels vertrokken. Die 250 Mei- en de 150 Junigasten zijn waarschijnlijk eenjarige rondzwervers. In Juli komt de voorhoede van de wintergasten en nu had ik graag willen weten, of dat oude [47]of jonge vogels waren. Een van Gätke’s grondstellingen is, dat de jongen het eerst trekken, alleen met uitzondering van de koekoek, en dat ze niet geleid worden door oude vogels. Dat zou men nu voor de meeuwen op de Zwitsersche meren mooi kunnen nagaan.
In Amsterdam komen altijd de jongen het eerst aan, zoowel bij het begin van den herfst, als telkens gedurende den winter bij het invallen van de vorst. Zij zijn kleinzeeriger dan de ouden. [48]
Dit is de meest in ’t oog vallende vogel van Holland. De ijsvogel met zijn schittering van blauw en groen, de Vlaamsche gaai met zijn bonte wieken, de wielewaal in ’t rood en geel, ze maken geen van alle zoo’n diepen indruk als deze schreeuw-genius van stranden en moerassen. Het felle rood van den langen snavel, de als met bloed beloopen oogen, de dikke, roode pooten en het hagelwit met deftig zwart van gevederte geven een gewaarwording van schreeuwende bontheid.
Met verbazing constateert men, dat dit krachtig effect wordt bereikt met drie kleuren en twee tinten. Maar men mag niet vergeten, dat deze drie kleuren juist zoo zijn, dat ze steeds een contrast vormen met het groen van het weiland en het blauw van den hemel.
Een voorbeeld van de eindelooze veelzijdigheid der natuur. Waar zij het bijna onmogelijke bereikt heeft op het gebied van beschermingskleuren, wanneer de nachtzwaluw bedriegelijk lijkt op stukjes dor hout en schors, wanneer de griel en de wulp sprietje voor sprietje en vlekje voor vlekje den valen duingrond of heibodem nabootsen, om niet gezien te worden, daar schept zij dezen vogel, [49]die door schreeuwende kleuren en felle contrasten zich opdringt aan den minst oplettenden beschouwer. Hij wil gezien worden. Indien uw oog nog niet voldoende geprikkeld wordt door het git, het sneeuw en het koraal, dan zal hij uw oor treffen met zijn luiden alarmkreet, die, als ge hem van dichtbij hebt gehoord, blijft natuiten in uw droom. Maar ’t is geen droom, als ge in den zomernacht zijn kreet verneemt. Dan zwerft de rustelooze op zijn trillende zwart-met-witte wieken over duin en wei, dartelend met de even wakkere kieviten, wegscheerend over het logge vee. En als de kievitseieren-zoeker bij het grauwen van den dag het bedauwde veld betreedt, dan stormt met luid gejuich de Pruisisch gekleurde wachtvogel hem te gemoet.
Van alle vogelcharges, die ik heb mogen verduren, is die van de scholekster wel de meest bewonderenswaardige. Sterntjes, meeuwen, kieviten, kluiten, ze hebben alle hun bijzondere manieren van aan te vallen, maar altijd min of meer zijdelings, indirect of aarzelend.
De scholekster evenwel bedenkt zich nooit. Regelrecht, als een pijl uit den boog, komt hij reeds van verre, o, wel honderd meter ver, op u af, laag bij den grond, den langen, harden, rooden snavel precies op uw oog gericht. Zijn vleugels bewegen met een ongelooflijke snelheid en zonder rechts of links af te wijken, snelt hij toe. Alleen op het laatste oogenblik glijdt hij vlak langs u heen, u zijn duivelsch „tepìet” in de ooren gillend, haalt wijd uit en herhaalt onmiddellijk zijn aanval met dezelfde onstuimigheid.
Dat is mooi, o, dat is zoo mooi! Die andere vogels hebben bij al hun brutaliteit toch nog altijd iets angstigs over zich, en ze pauseeren even voor zij tot den aanval overgaan. De scholekster niet. Hij bedenkt [50]zich geen oogenblik, toont geen spoor van vrees en laat niet af, voor hij zijn doel bereikt heeft.

Broedende Scholekster. (Haematopus ostralegus ostralegus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 3 Juni 1905.
Welk doel? Natuurlijk het redden van zijn nest of jongen. Wanneer een scholekster zijn lansaanval doet, dan is het nest niet ver weg. In een kring van vijfentwintig meter radius vindt ge dan stellig de drie of vier groote geelbruine, donkergevlekte eieren, in een vlak kuiltje in ’t gras of in ’t zand. Meestal ligt het in de minst drasse stukken, dikwijls op dijkjes of slootwallen en zelfs op vrij hoog bouwland en hooge duinruggen.
De groote eieren zijn gemakkelijk te zien en de broedende vogel ook. Maar wanneer de waakzame steltlooper u afleidt met zijn aanvallen, zijn kleurgeschitter en bazuingeschal, dan blijft het nest licht onopgemerkt. In de boeken staat, dat het legsel in den regel niet meer dan drie eieren telt; op Texel vinden wij er nog al dikwijls vier in, ja, meestal zelfs vier.
Nu geloof ik, dat de scholekster op de Noordzee-eilanden zijn krachtigste ontwikkeling bereikt. Scholeksters komen voor over de heele oude wereld, maar de Noordzee-oevers van Schotland tot Jutland zijn hun hoofdgebied, en Texel heeft daarin een centrale situatie. Vandaar, dat zomer en winter onze stranden opgevroolijkt worden door de tegenwoordigheid van dezen monteren gast, den vogel met den snavel.
Hij heeft naar verhouding den langsten, duidelijksten en hardsten snavel van al onze vogels. De wulp en de grutto kunnen wat lengte betreft met hem concurreeren, maar die hebben toch eigenlijk niets anders dan weeke wroetwerktuigjes. De scholekstersnavel is tegelijkertijd een speer, een wig en een lepel. De punt is hard en scherp, schuin afgesneden en saamgenepen, de wortel is breed en massief, het middenstuk buigzaam en beweeglijk. [51]
Met groote behendigheid weet hij den smallen snavel tusschen de schalen van een mossel in te werken en de sluitspier door te snijden. De doos valt dan open en in een ommezien schept hij ’t weeke hapje uit de schelpen. Als de mosselbanken in de Waddenzee bij eb droogvallen, komen de scholeksters bij troepjes aanvliegen, om daar hun maaltijd te doen. Ook groote kinkhorens en wulken tast hij aan, en eens heb ik er een bezig gezien met een vrij groote krab.
Bij ’t begin van de eb trekt hij naar ’t strand en volgt de terugtrekkende zee. Ge weet, dat de zilte baren in een speelsche bui soms onverwacht weer een groot stuk van het verloren terrein kunnen heroveren, al is het maar voor enkele oogenblikken. Wandelende meisjes stuiven dan met luid gegil en natte voeten landwaarts in.
De scholekster laat dat echter gebeuren. Hij geeft er niet om, dat ’t zeewater een paar centimeter om zijn dikke beenen stijgt en ziet er ook niet tegen op, dat de golven zijn witte buikveeren raken. En als ’t nog erger wordt, dan laat hij zich tevreden met de golf optillen en zwemt een eindje mee. Ten slotte komt hij weer op zijn zes teenen te staan en dan gaat de koraalroode snavel rechts en links, om te bemachtigen wat door ’t terugstroomende water weerloos wordt medegevoerd.
De strandwormen, die in ’t zand huizen, weet hij te bemachtigen door met den harden, scherpen, steekbeitelachtigen snavel met groote snelheid in den grond te spitten. Het is geen boren, zooals de spreeuw en de roek doen, maar de roode snavel vlijmt den grond in en heeft den worm te pakken, eer die zich in ’t diepst van zijn schuilgang heeft kunnen terugtrekken.
In onzen polder Het Noorden hebben wij hem [52]betrapt op een zeer ernstig misdrijf. Een dwergsterntje schoot met veel misbaar door de lucht altijd heen en weer op dezelfde plaats. Daar stond een scholekster, blijkbaar ernstig bezig en zich in ’t geheel niet bekommerend om de aanvallen van het kleine vogeltje.

Jonge Scholeksters. (Haematopus ostralegus ostralegus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 19 Juni 1906.
Toen wij nader kwamen, keek hij op met zijn groote bloedroode oogen en vloog toen gillend weg. Het sterntje vervolgde hem een stuk weegs en viel toen ons aan, hoewel we geen kwaad in den zin hadden.
Doch het kwaad was reeds verricht, de mooie sterntjeseitjes waren middendoor gehakt door den rooden snavel, struif en doppen verontreinigden het kleine nest. De eitjes waren nog in ’t geheel niet bebroed, zoo schoon als zilver en wij verbaasden ons erover, hoe de scholekster, zoo wij hem niet gestoord hadden, met zijn langen, smallen snavel den vloeibaren inhoud verorberd zou hebben.
Nu weten wij dus, dat tenminste één scholekster zich schuldig maakt aan eierroof. Later hebben wij nog meer gevallen kunnen constateeren, onder andere ook in Artis, waar de in gevangenschap levende scholeksters de eieren vraten van de waterhoentjes, die met hen in dezelfde volière huizen.
Geen enkel ornithologisch werk noemt den scholekster als eierdief of vogelmoordenaar. Zou het een nieuw instinct zijn, dat zich bij de soort begint te ontwikkelen? Tot nog toe broedt hij ongestoord te midden van de andere steltloopers en zwemvogels, die door zijn waakzaamheid voordeel hebben van zijn gezelschap. Maar als hij nu een nestroover wordt, dan is hij de wolf in de schaapskooi.
Daarentegen hebben wij op Rottum gezien, dat daar de scholeksters de groote sterns helpen, om hun eieren te verdedigen tegen de zilvermeeuwen. [53]
Laat ons hopen, dat het bij dien eenen vogel blijft, dat de innovator geen volgelingen krijgt. Het is in ’t geheel niet noodig, dat de scholekster naar een nieuw voedingsmiddel uitziet. De zee, het strand, het slib en de weiden maken, dat hij altijd en overal aan den kost kan komen.
Hij vindt dan ook meestal zoo rijkelijk voedsel, dat na een half uurtje arbeid rust of verpoozing kunnen volgen. De verpoozing hangt af van ’t jaargetijde, de rust wordt genoten aan ’t strand, aan den oever van de kreek of in ’t gras van ’t hooiland.
Wie ’s zomers langs de zee wandelt, kan niet missen, den scholekster slapend aan te treffen, hetzij aan den voet van ’t duin, hetzij op een half-drooggeloopen zandbank. Het is noodig een honderd meter ver vooruit te zien, want zoo vast slaapt de vogel nooit, dat ge zeer dicht bij hem zoudt kunnen komen.
Maar hij slaapt formeel, het hoofd omgedraaid, den langen zwaren snavel uitgestrekt over den breeden rug. Dit ziende kunt ge eerst goed beseffen, hoe een dergelijke houding den vogel rust moet verschaffen. Het vordert geen geringe spierinspanning, om een kop met zoo’n langen snavel rechtuit te dragen en de scholekster heeft dan ook sterk ontwikkelde nekspieren met ferme uitsteeksels aan de halswervels als aanhechtingspunten. De oogen zijn maar zelden geheel gesloten, doorgaans echter geborgen achter ’t derde ooglid, het wenkvlies. Dat is met den kijker goed te zien. Toen ik de wacht hield in ’t fort van Selous, kwam een gezelschap van achttien scholeksters in de kreek staan en die gingen gezamenlijk den dut in, alle met dichtgehaalde wenkvliezen.
Dat is gemakkelijk te zien. Alles is aan den scholekster gemakkelijk te zien. Mocht ge vreezen, het oog niet spoedig genoeg te kunnen ontdekken, hij komt u te gemoet door een breede witte streep te [54]dragen onder het vuurroode ooglid. Meent ge dat op zoo’n grooten afstand het gemis van glans niet voldoende is, om de aanwezigheid van ’t wenkvlies te verklaren, dan behoeft hij maar even dat derde ooglid op zij te schuiven en een karmijnroode iris schittert u tegen. Merkwaardig is ’t, hoe die vogel in de kleine oogstreek de vier hoofdkleuren van zijn kleed, zwart, wit, vermiljoen en karmijn repeteert.
Wanneer scholeksters nog in Juni in troepen rondvliegen, dan bestaan deze uit ongepaarde individu’s, zwervers zonder nest. In den regel zijn dat, evenals bij de zwartkopmeeuwen, eenjarige vogels, die een zwervend leven leiden. Den heelen zomer dolen ze rond langs zeegaten en riviermonden, dikwijls in gezelschap van andere langbeenige kornuiten, als regenwulpen en rosse grutto’s. In de avond- en morgenuren worden die benden het meest gezien en wanneer ze zich zoo in V-vormige troepen aan den warmen zomerhemel vertoonen, dan lijkt dat een vermaning uit de verre poolgewesten—wat het natuurlijk heelemaal niet is.
Tegen het najaar groeien die troepen aan in talrijkheid. Gedurende de wintermaanden schijnen ze zich te verstrooien, maar toch heb ik aan de Westerschelde in December nog wel troepen van honderden gezien, die stonden te wachten op de eb. In Februari en Maart zijn de benden het talrijkst en tegelijk het woeligst, want dan hebben de ceremonies plaats, die leiden tot paring en nestbouw.
Bij duizenden verzamelen zij zich dan op de slikken en schorren van de Wadden en de Zeeuwsche en Zuid-Hollandsche stroomen. Rij aan rij staan ze geschaard in ontelbare massa’s, de roode snavels blinkend in de voorjaarszon. Nu eens staan ze minuten lang in doodsche stilte, dan weer ontstaan hier en daar in ’t groote vogelheer plaatselijke woelingen [55]van booskijkende individu’s die om elkaar heenloopen, tegen elkaar opspringen, elkaar in de vleugels bijten, om dan weer plotseling stil te staan, met den rooden snavel loodrecht naar den grond gericht en uit alle macht fluitend en schreeuwend.
Soms breiden de onrust-haarden zich uit en de heele armee wordt één tooneel van woestheid en wanorde, van vecht- en danspartijen, alles onder oorverdoovend geschreeuw. En een oogenblik later staan ze alle weer roerloos en doodstil, alsof ze opeens betooverd waren.
Het is niet gemakkelijk, om in zoo’n groot gezelschap het gedrag van afzonderlijke individu’s te bestudeeren en de mannenrollen van de vrouwenrollen te onderscheiden. Ook is er in kleur en vorm geen verschil tusschen mannetje en wijfje, alleen is zij een flink stuk grooter dan hij. En ik geloof ook wel, dat zij het heft in handen heeft.
Men is zoo licht tot generaliseeren geneigd en zoo is door de waarneming van hoenderachtige vogels de meening ontstaan, dan bij de vogels het mannetje almachtig is en de wijfjes altijd gereed zijn, om gedwee het mooiste en sterkste mannetje, den overwinnaar in ’t gevecht of in den zangwedstrijd te volgen. Niets is minder waar.
Zelfs bij de hoenders zit menige haan onder de plak en bij zeer vele vogelsoorten is het wijfje de krachtigste persoonlijkheid. Zij beslist, wat voor mannetje ze wil nemen en beschermt desnoods den eenmaal gekozene tegen aanrandingen van derden. Ook hieromtrent weten we lang niet genoeg, er is maar heel weinig op gelet. Wanneer het voorjaar komt en de vogels onze aandacht beginnen te trekken, dan zijn ze meestal reeds lang gepaard. Het vrijen en trouwen begint voor de meeste reeds gedurende de wintermaanden en in [56]het winterverblijf en wat wij gedurende lente en zomer te zien krijgen, is veelal niets meer dan de epiloog.

Jonge halfwassen Scholekster. (Haematopus ostralegus ostralegus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 9 Juli 1906.
Dit is zeker, wanneer de scholeksters eenmaal elkander gekregen hebben, dan zonderen ze zich af van den grooten troep en betrekken het terrein hunner keuze. Bij zoo’n afzonderlijk paar is al vrij spoedig na te gaan, wie van de twee het wijfje is, daar ’t verschil in grootte nu heel goed in ’t oog valt. En nu blijkt dadelijk, dat het mannetje niets liever doet, dan ’t wijfje te behagen.
Hij vliegt en trippelt om haar heen, blijft in extase stilstaan, knielt—zooals een vogel knielt: op zijn hielen—komt weer omhoog en gaat met neerwaarts gerichten snavel het scholeksterslied zingen. Dan weer springt hij de lucht in, vliegt met veel vertoon van witte veeren in ’t rond, al schreeuwend en fluitend. Met de vleugels zoo wijd mogelijk uitgestrekt scheert hij neer langs ’t groene gras, bereikt met de teenen den bodem, maar heeft nog zoo’n vaart, dat hij niet stil kan staan, maar klapwiekend loopt hij verder en als hij eindelijk erin geslaagd is, door krachtig remmen tot stilstand te komen, dan houdt hij nog eenige oogenblikken de vleugels loodrecht omhoog, zoodat de onderdekveeren al hun witheid vertoonen boven gras en bloemen.
Een andermaal bukt hij voorover, drukt de borst stijf tegen den grond en wiebelt het lichaam heen en weer, draait zelfs in een halven cirkel of een heelen cirkel in ’t rond. Deze broedsche beweging herhaalt hij verscheidene malen op verschillende plaatsen en ook het wijfje verlustigt zich erin. ’t Is de inleidende beweging voor het maken van het nest. Het maken van ’t nest is waarschijnlijk voor de vogels niet zooals wij wel eens meenen een moeitevolle arbeid, maar een genotrijke instinctvervulling. [57]
Het is een lust, in ’t vroege voorjaar de steltloopers in den polder dien nestendans te zien uitvoeren. Telkens boort een blanke borst in ’t zand of ’t gras, nu eens is ’t een scholekster, dan een kievit, een sterntje, een tureluur, een kluit, of een strandpleviertje, soms wordt de beweging slechts even aangeduid, de borstveeren raken nauwelijks den grond, ’t is meer een révérence dan de graafbeweging, maar een andermaal gebeurt het met groote energie en tolt het dartele vogeltje rond in zalige verrukking.
Zoodoende wordt het aantal nesten, of liever broedkuiltjes veel grooter dan de broedende paren, en vooral van onzen scholekster is het aantal speelnesten legio.
Dat neerzitten en de borst tegen den grond drukken is een emotie-uiting, die den vogel ook nog te pas komt, lang nadat het eigenlijke nest al kant en klaar is. Zoodra een gevaar dat nest bedreigt, vooral in de eerste dagen van het broeden, neemt de vogel die houding aan. De onervaren eierzoeker meent dan, dat het dier daar op zijn nest zit en stapt, na met zorg de plaats te hebben vastgesteld, erheen, om niets te vinden.
Men heeft hierom den scholekster wel een „listigen bedrieger” genoemd en die term is ook zeer geschikt om aan te duiden, welken indruk het gedrag van den vogel op ons menschen maakt. Maar daarmee is nog lang niet uitgemaakt, of hij op dat oogenblik werkelijk zelfbewust en met overleg handelt.
Hierboven heb ik reeds verteld, hoe de scholekster ook het gevaar met geweld weet te keeren en niet te versmaden aanvallen doet op menschen, kraaien of vee, die zijn bebroede eieren of jongen bedreigen.
Ook van rondzwervende vrijgezellen van zijn eigen soort heeft hij last. Maar dat loopt doorgaans, dank zij zijn pootige ega, nog al goed af. En heel dikwijls [58]draagt de intrusie het karakter van een vreedzaam en hoffelijk bezoek.

Nest en eieren van de Scholekster. (Haematopus ostralegus ostralegus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 3 Juni 1905.
Een mannetje staat voor zijn wijfje te fluiten. Daar komt een tweede mannetje aanvliegen, met de welbekende orkaan-vaart van scholeksters. Hij strijkt neer bij ’t wijfje, paradeert even met de vleugels, loopt driftig om het echtpaar heen, houdt opeens halt, maakt front voor ’t wijfje en steekt nu ook zijn compliment af. De wettige echtgenoot vindt hierin aanleiding tot meerdere stemverheffing en wordt daarin weer dapper nagevolgd door de visite. Gelukkig hebben ze een aangenaam orgaan, juist passend bij de onmetelijke ruimte, zoodat wij het getier altijd met groot genoegen hooren.
Het wijfje vindt de betooging ook niet al te onaangenaam en blijft soms een minuut rustig en bedeesd toeluisteren. Eindelijk maakt zij er een eind aan door of onverschillig weg te loopen, of even een paar trippelpasjes te maken in de richting van den indringer, die na een kort vaarwel bliksemsnel en nog aldoor tierend wegvliegt.
In deze conversaties hebben de scholeksters veel genoegen en reeds vroeg erlangen zij daarin een zekere vaardigheid. Het babbelinstinct is hun aangeboren en wordt in de jeugd gevierd als een spel. ’t Is een van de aardigste zomertafereelen; een scholeksterpaar, man en vrouw wakend over hun drie- of viertal jongen, die verdiept zijn in het dans- en conversatiespel.
De jonge vogels zijn even groot als de oude, ja zij lijken zelfs iets grooter. Maar ’t is direct te zien, dat ze nog kindertjes zijn, hun snavel mist den feilen gloed, de pooten zijn eer grijs dan rood, het gitzwart van de veeren is getemperd, doordat de uiterste randjes van elke veer een bruine franje bezitten en aan de keel vertoont zich een groote halvemaanvormige witte vlek. [59]
Trouw worden ze door de ouden bewaakt en gevoed, in ’t binnenduin en op de hooge weiden, meest met insecten en wormen. Opeens krijgt de moeder—hoe dat weet ik niet—den indruk, dat de eb is ingevallen en nu begeeft zich de heele familie met groot geschreeuw naar ’t strand, om in de terugloopende golfjes naar kwallen en schaal- en schelpdieren te visschen.
Hebben ze daar genoeg van, dan retireeren ze naar den duinvoet en daar hebben dan weer, onder leden van ’t zelfde gezin of onder vreemden, de allervermakelijkste begroetingen plaats. Er is nu in ’t najaar natuurlijk geen sprake van nestbouw en broedschheid, maar de gesprekken en bewegingen zijn toch zoo energiek, dat ik niet kan nalaten, de jongelui te verdenken van ’t maken van afspraakjes voor Maart-over-een-jaar. [60]
De kievit is voor ons, Hollanders, de vogel van de lekkere eieren. Niet, dat de Hollanders zooveel kievitseieren eten; de meesten weten niet eens, hoe een kievitsei er uitziet. Maar allen lezen ze omstreeks midden Maart in de krant, dat het eerste kievitsei gevonden is en dat het een daalder heeft opgebracht of een rijksdaalder, in alle geval een fabelachtig hooge som. En daar zit hem de kneep: het voordeeltje, het onverwachte voordeeltje, dat een wilde vogel, die niets kost van „onderhoud”, wel zoo vriendelijk is, om eieren te leggen, die hun gewicht aan zilver waard zijn.
Later daalt die prijs wel en brengen ze niet meer op dan een versch kippenei in den winter, maar daar houdt de volksverbeelding geen rekening mee en ze verkoopt haar kievitsei nooit voor minder dan „drie zesthalven”. En een feit is het, dat sommige polderperceeltjes in ons land meer opbrengen aan kievitseieren dan aan grasgewas.
„Il est fort malheureux, que dans certains pays, en Hollande surtout, on fasse si grand commerce de ses oeufs, assez insipides.”
Deze uitspraak van den grooten Zwitserschen ornitholoog Fatio geeft ons juist de meening weer van vele [61]beschaafde menschen over kievitseieren en kievitseieren rapen en verkoopen. Ze vinden de eieren niet zóó lekker, als de roep ervan gaat en zouden daarom gaarne zien, dat ’t eierrapen ophield.
Ik voor mij zou dat ook gaarne zien, want hoe rustiger de vogels zich kunnen ontwikkelen, des te beter kunnen we ze leeren kennen. Maar ge kunt het onmogelijke niet vergen. Het zoeken van kievitseieren is voor de plattelandsbevolking een gezonde uitspanning, levert aardig wat op en behoeft de vogels zelf niet direct te schaden.
Ik wil nog een stapje verder gaan en volhouden, dat onder de tegenwoordige omstandigheden de handel in kievitseieren voordeelig voor de kieviten is, en dat, indien die handel werd verboden, de kievit-bevolking met ondergang zou worden bedreigd. Eerst na een halve eeuw van zeer verbeterd onderwijs zou men aan ’t verbod van kievitseieren rapen kunnen denken.
Wie daar meer van weten wil, moet in ’t voorjaar de advertentie-kolommen van plaatselijke blaadjes in kievitrijke streken eens inzien. Telkens wordt er geadverteerd: Het is verboden eieren te rapen op het land van Dinges zonder schriftelijke toestemming van den eigenaar; of Dinges maakt het nog erger en verbiedt elk betreden van zijn terrein.
Doet hij dat als gevolg van het bijwonen van een winterlandbouwcursus, en omdat hij overtuigd is van het onberekenbare nut, dat de kieviten stichten in veld en wei? Nu, ik geloof wel, dat één op de tien boeren al zoo ver is, maar de negen anderen zijn alleen belust op de tantièmes, die ze genieten van de door hen geautoriseerde eierrapers. De veldwachter krijgt een extra fooi en zoo wordt dan met vereende krachten gezorgd voor een min of meer behoorlijke uitvoering van de wet, die het eierrapen [62]toestaat tot en met 28 April en het vervoeren en verkoopen tot en met 30 April of indien deze dag op Zondag valt tot en met 1 Mei.

Broedende Kievit. (Vanellus vanellus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 14 Juni 1905.
Maar wanneer nu de wet het eierrapen en den eierhandel ineens heelemaal verbood, dan kwam er van de heele zaak niets terecht. De eieren waren dan niets meer waard, de veldwachter kreeg geen premie, de boer geen tantièmes, de arbeider geen geld en dan zouden stroopers en kwajongens zoo goed als vrij spel hebben en ik verzeker u, dat ze de gelegenheid niet ongebruikt zouden laten. De veldwachter zou van niemand aanmoediging en steun ondervinden en daardoor vrij wel machteloos staan.
Tegenwoordig wordt ook in den verboden tijd, in Mei en Juni, nog al goed opgepast, omdat men de kip, die de gouden eieren legt, niet wil dooden, maar zoodra dat gewone eieren worden, bekommert men zich om de kip niet meer.
In den allerlaatsten tijd is dan ook in ons land het aantal kieviten niet zoo sterk verminderd, als men wel zou moeten vreezen, hoewel het overal veel geringer is dan honderd jaar geleden. Doch dat is een algemeen verschijnsel en ligt aan heel andere oorzaken.
Eén leelijk ding nog. Het dooden van kieviten is in ons land ten allen tijde ten strengste verboden en in streken, waar het zoeken van kievietseieren een winstgevend handelsbedrijf is, wordt daar ook terdege op gelet. Maar hier en daar in ons land, met name in Zuid-Holland tusschen Rijn en Maas, worden in den trektijd duizenden kieviten gevangen en gedood en als plevieren—wat ze ook zijn—naar het buitenland verzonden.
Dit is veel erger dan het rapen van eieren in April. In ’t bouwland raken die April-eieren bij de bewerking van den bodem toch verloren en elders [63]loopt zoo’n vroeg broedsel toch nog veel gevaar door ’t gure weer, en daarom is het misschien zelfs zeer goed, dat wij den kievit noodzaken zijn broedsel in Mei en Juni groot te brengen. Maar een doode kievit is dood, daar is niets meer aan te doen.
Ik heb omtrent dien Zuid-Hollandschen kievithandel geen volledige gegevens kunnen erlangen. Dat gaat in ons landje zoo. Er wordt wel nog al eens kwaad gesproken, maar een ferme, openbare beschuldiging wordt zelden vernomen. Ook zijn we te goedig, om een armen vent zijn wel is waar onwettige broodwinning zoo opeens te ontnemen en een zekere analogie tusschen kievitjagen en eierrapen valt ook niet geheel te ontkennen. Intusschen kan het niet uitblijven, dat we binnen korter of langer tijd in dit opzicht internationale verplichtingen krijgen en dan komt er natuurlijk een eind aan alle verkeerde lankmoedigheid.
En nu willen we eens naar den kievit zelf zien, den prachtvogel van onze weiden. Denk nu niet aan ’t verfomfaaid opgezet gedrocht, dat in April bij Saur en Van Laar de wacht houdt over een schaal met eieren, maar ga den polder in, kruip weg achter een dammetje. Of—en dat is in Februari gemakkelijker te doen, dan lang stil zitten—neem een onverschillig uiterlijk aan en loop den polder door alsof er geen kieviten op de wereld waren.
Ze zijn pas aangekomen en nog in troepen vereenigd. Maar lang zal dat niet duren, want reeds nu beginnen de mannetjes om de wijfjes heen te draaien en uit den stilstaanden troep verheft zich nu hier dan daar een zwart-wit-zwarten vogel in grillige vlucht. Hij gaat niet hoog, noch ver, tuimelt als het ware weer op zijn vroeger plaatsje neer.
Nu staat de heele troep weer stil, alle met den kop in den wind, die de lange kuiven golvend beweegt. [64]Wanneer in de verre toekomst de kievit niet meer de vogel met de lekkere eieren zal zijn, dan wordt hij de vogel met de kuif. Wij hebben meer vogels met kuiven, denk maar aan leeuwerik, gaai en lepelaar, doch niet een is er, bij wie dat sieraad zoo in ’t oog valt en die er zoo expressief mee werken kan, of het moest de hop wezen, maar die kent toch bijna niemand.
Die kievitkuif van bronsgroene veertjes strekt zich van schedel en achterhoofd uit tot op den rug. Als de vogel zijn kuif laat hangen, slieren bij de mannetjes de eindpunten tot tusschen de schouders. Maar hij laat zijn kuif niet gauw hangen. Integendeel, hij draagt hem zelfs in ’t voorjaar niet dikwijls horizontaal, maar steekt hem recht omhoog. Eigenlijk is ’t een dubbele kuif, een linker en een rechter en als die nu wordt opgetild, dan lijken het twee lange horens boven op den kop. Tegelijk gaat ook de breede, wit met zwarte wenkbrauw de hoogte in en als ge dan zoo den vogel met zijn verheugd, verbaasd, vertoornd gezicht voor u ziet staan, dan lijkt hij in ’t geheel niet op den traditioneelen kievit, noch op ’t monster uit de uitstalkast, noch op ’t gekleurde plaatje in ’t vogelboek.
Dit is de belooning, die het wandelen met zich brengt; ge ontdekt telkens een heel nieuwe wereld, het allerbekendste dier, de meest gewone bloem heeft altijd nog iets nieuws te vertoonen, iets dat niet geregistreerd was en zoo wacht ik dan ook nu op een portret van den kievit met hoog opgestoken kuif, op zijn teenen ronddansend in ’t korte gras van de voorjaarswei.
Want de kievit is een teenganger. Hij zet maar zelden den bal van den voet op den grond en versmaadt de hulp van ’t bindvliesje, dat hij tusschen midden- en buitenteen bezit, om volgens de boeken [65]niet in de modder te zakken. Dat gevaar is ook zoo heel groot niet, want een kievit is een lichte vogel, al lijkt hij nog al groot en hij loopt met groote snelheid. Dikwijls ook wordt hij gesteund, doordat hij de vleugels onder ’t loopen een weinigje uitsteekt.
Naarmate de paren zich vormen, worden de troepen kleiner en in gewone jaren zijn ze tegen het eind van Maart geheel weg. Daarentegen is nu de vlakte vol van paren, die elk hun bepaald terrein bezitten.
Hieruit volgt nu niet, dat dan alle kieviten gepaard zijn. Langs de Zuiderzee, op de Wadden en de Zeeuwsche stroomen worden het heele jaar door troepen van ongepaarde vogels aangetroffen. Daar hebben zij vrij spel, in ’t land worden ze door hun gelukkiger soortgenooten niet geduld.
Intusschen trekken nog steeds troepen van kieviten over. Dat duurt voort tot in de laatste weken van April. Het is een lust, op zonnige dagen hoog in de lucht de breede maar ondiepe colonnes te zien voortijlen, bij iedere vleugelheffing het zonlicht weerkaatsend met de witte buik- en okselvederen. Die gaan naar streken, waar ’t later lente is, dan bij ons, want de kievit nestelt tot bij den Poolcirkel.
Ook daar blijven veel vogels ongepaard en die komen in Juni weer zuidelijk afzakken. Al die vrijgezellen zoeken elkaar op, vogels, wier broedsel mislukt is, voegen zich dan bij hen en zoo krijgen we dan vroeg in den zomer alweer groote troepen van kieviten, bij wie de jongen zich kunnen aansluiten.
Maar zoover zijn wij nog niet. Eerst willen we het echtpaar eens begluren. Het mannetje is vol opgetogenheid en zijn luchtbuitelingen wel tienmaal hooger dan verleden week, toen de liefdesbetuigingen nog geheel en famille voorvielen. Hij slingert [66]zich als ’t ware de lucht in; het lijkt er niet op aan te komen, hoe hij vleugels of lichaam of staart beweegt, omhoog gaat hij toch, al is ’t ook langs de ongelooflijkste kronkelbanen. Dat heet „schermen.”

Nest en eieren van de Kievit. (Vanellus vanellus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 15 Juni 1905.
Hij schreeuwt nu niet eenvoudig „kiewiet,” maar laat een zegezang hooren van vele lettergrepen, vol heesch gekrijsch en rollend geroep en bij de stoutste bewegingen van zijn liefdesvlucht roffelt er uit de strak gehouden slagpennen een geluid als van een bromtol. Dit „zwoegen” zooals wij het vroeger altijd noemden, schijnt niet, zooals wij meenden, veroorzaakt te worden door de moeilijkheid van de vliegbeweging, maar doodeenvoudig een willekeurige vreugdeuiting te zijn, analoog met het blaten van snippen of het baltsen van hanen.
Dikwijls schermt de kievit zonder eenig geluid te maken. Dan wordt het een stille luchtdans vol gratie en meer dan ooit herinnert op zulke oogenblikken de vogel aan een grooten nachtvlinder, die wiegelend dartelt over de bloemen.
Ook op de terra firma weet hij zijn gemoed te luchten. Het wijfje staat stil. Zij is iets kleiner en doffer dan ’t mannetje en heeft een veel kortere kuif. Toch kunnen de kuiven van oude wijfjes langer zijn dan die van jonge mannetjes.
Nu gaat het mannetje om het wijfje heenloopen; vooruit, achteruit, omdraaien, kuif op, kuif neer en weldra volgt ook de ootmoedige buiging. Deze révérence wordt echter anders uitgevoerd dan door de scholekster. Hier worden geen verzenen gebogen. De pooten blijven langgestrekt maar ’t heele lichaam duikt voorover en de glimmende zwarte borst wordt tegen den grond gedrukt, heen en weer bewogen, alsof de vogel het broedkuiltje maakt.
Niet lang duurt het, of het heele gebied is vol met zulke kuiltjes en weldra verschijnen in één [67]ervan de vier gladde, doffe, groenachtige, bruingevlekte, priktolvormige eieren. In den regel liggen die met de spitse polen naar elkander toe.
De bekleeding van het nest is zeer verschillend. Soms ligt er niets in, een ander maal is er een volledige bodem van grassprietjes of stokjes. Het lijkt mij toe, dat op de allernatste en allerdroogste plaatsen de bekleeding het rijkst is, daartusschen ligt een optimum van vochtigheidstoestand, waarbij geen voering noodig is.
Bij ons nestelt de kievit zoowel laag in de polders als hoog op de duinen, op kaal, versch omgeploegd bouwland, zoowel als in de grazige weiden en ook de groene strandvlakten zijn niet zonder kievitsnesten.
Het bebroeden duurt omstreeks drie weken en wordt in hoofdzaak, althans overdag, door het wijfje verricht. De broedende vogel op onze foto is ook een wijfje, wat niet alleen te zien is aan de korte kuif, maar ook aan het vele wit aan den kop, de witte kin en de lichte plek aan de keel. Deze lichte plek is een overblijfsel van het winterkleed; eerst laat in Mei krijgen de wijfjes een geheel zwarte keel en borst.
Zij zit met de vleugels geheel vrij, dus eenigszins uitgeslagen, een houding, die voor op den grond broedende vogels met breede nesten wel de meest doelmatige is.
Het mannetje brengt den tijd door met stil te staan bij het nest, met het maken van danspasjes en met schermen en schreeuwen. Bovendien beschermt hij het nest. Alle groote voorwerpen, die zich bewegen in of over zijn broedgebied, worden onmiddellijk aangerand. Daarbij schermt en schreeuwt hij op een manier, die sterk herinnert aan zijn liefdesbetoogingen. Als ik niet zoo bang voor regels was, zou ik wel willen bekennen, te durven gelooven [68]aan dezen regel: De liefdesbetoogingen van de mannetjes bij de vogels zijn dikwijls niet anders dan bewegingen en geluiden, die nuttig zijn voor het behoud der soort en die ten aanzien van het wijfje worden verricht, zonder dat op dat oogenblik de noodzakelijkheid daartoe bestaat.
Het is alsof dat mannetje zeggen wil: Zoo kan ik vechten, schrik aanjagen, prooi vangen, voedsel zoeken, voederen, en wat wil je nog meer? We zullen ook bij andere vogels voorbeelden hiervan aantreffen.
Meen nu niet, dat de vogel werkelijk die redeneering maakt, als hij zijn kunsten vertoont. Ik geloof niet, dat de vogels redeneeren, wel, dat zij emoties ondervinden en dat op een voor hen onbewuste manier de emoties van den paringstijd aanleiding geven tot het speelsgewijze verrichten van bewegingen, die in de periode van het bebroeden der eieren en het groot brengen der jongen telkens noodzakelijk verricht moeten worden.
Dat verjagen van vreemde indringers is ten minste iets, waar de kievit den heelen dag handen vol werk aan heeft. Zoo gauw een kraai of meeuw zich vertoonen, randt hij ze aan, nog lang, voordat ze het nest of den broedenden vogel bespeurd hebben. Die broedende vogel gaat trouwens ook meteen het nest af.
En nu zou ik weer een regel willen stellen en wel een heel gevaarlijke, maar alleen voor de vogelwereld, nl.: wie zich het meest boos maakt, krijgt zijn zin. Een kievit is in geen enkel opzicht een te duchten aanvaller. Hij heeft weinig gewicht, dus kan met niet veel vaart aanvallen, zijn snavel is week en het eenige werkelijke wapen dat hij bezit is een familiewapen, dat alleen symbolisch en heelemaal niet gevaarlijk is. [69]
Hiermee bedoel ik het eeltplekje in de polsstreek, dat een flauwe herinnering is aan de spoor van de spoordragende kieviten uit tropische gewesten.
Toch gaan voor dezen ongevaarlijken vogel de meeste indringers op zij. Zij kunnen al de beweging en het gekrijsch niet verdragen en zoo kan men dikwijls zien, dat een kraai of een reiger honderden meters ver door de kieviten worden uitgeleid. De buren nemen het werk van elkander over.
Zoo beschermt hij zijn nest nog effectiever dan de scholekster en wordt zijn aanwezigheid meteen een bescherming voor andere weidevogels, zooals de kemphaan en tureluur, die minder driest en nagenoeg geheel weerloos zijn.
Intusschen wordt het broedsel en ook de broedende vogel zelf nog maar al te dikwijls het slachtoffer van sluipende viervoeters, zooals wezels, bunzings, hermelijnen, katten en ratten en door vereenigd optreden weten kraaien en kauwen ook hun deel te bemachtigen.
De jonge kievitjes loopen bijna onmiddellijk wanneer zij uit den dop komen, maar blijven soms toch nog vrij lang in het nest. Dan gaan zij ronddolen in de buurt, altijd opgepast door de ouden.
Het zijn de mooiste donsvogeltjes, die ik ken. Ze bewegen zich gemakkelijk, kijken glunder, hebben goed geproportionneerde bekjes en pootjes en een donsbekleeding, die in fijnheid van tinten: rossig bruin, zwart en zuiver wit alles overtreft, wat er op dit gebied te zien is. Het witte nekkraagje is hun distinctief; zooals de oude kievit de vogel is met de kuif, zoo is de jonge de vogel met het witte nekkraagje. Daaraan alleen is hij al te onderscheiden van al ’t andere klein gedoe van scholeksters, kluiten, tureluurs, kemphanen, sterntjes en pleviertjes, die [70]met hem in denzelfden polder hun eerste levensdagen slijten.

Jonge Kievitten. (Vanellus vanellus.) (L.)
Polder „Het Noorden” op Texel, 26 Mei 1906.
En wanneer er gevaar dreigt, dan is hun eerste werk: stilzitten en het witte kraagje verbergen. Ze duiken dicht ineen, liefst tegen een donker kluitje, of in een donker kuiltje en dan moet je heusch goed kijken, om het jonge dier te vinden. Komt het dreigend gevaar zeer nabij, b.v. als men de hand uitsteekt, om ze te grijpen, dan komt er beweging in ’t donsballetje. Het kopje gaat omhoog, het nekkraagje komt te voorschijn en op zijn stevige pootjes rent ’t dier er van door als een kleine struisvogel, meestal hevig piepend en in de lucht begeleid door zijn bezorgde ouders.
Die hebben heel wat te doen, om hun drietal of viertal bij elkaar te houden, en dat is is de eerste dagen toch dringend noodig, anders zouden de kleintjes stellig omkomen van honger en koude. De sterfte onder de kievitjes is werkelijk ook zeer groot, hun kleine cadavertjes zijn overal en vooral in greppels te vinden.
Wie de kwestie wil bestudeeren, of de vogels over middelen beschikken, om elkander gedachten mede te deelen, kan dat mooi doen door ’t gedrag van jonge vogels te observeeren, wanneer ze aan ’t dwalen zijn onder leiding van de ouden. Ze richten wel wat uit met hun geschreeuw, die oude vogels, en ten slotte krijgen ze hun volkje wel bij elkander, maar dat gaat zoo met moeielijkheden en omwegen, dat er van taal en bevelen geven geen sprake kan zijn. Meestal komt het erop neer, dat de oude vogel op een hoog punt gaat staan schreeuwen uit alle macht en daar sturen de kleintjes dan op los.
Wanneer ze pennen beginnen te krijgen, gaan ze hun ouden verlaten. Het kievitgezin blijft niet zoo lang vereenigd als de scholeksterfamilie en zoo komt [71]het, dat ge in Juni en Juli overal langs den zeekant heel veel alleenloopende kieviten kunt aantreffen. Ze gaan hoe langer hoe meer op de oude gelijken, maar ze hebben heel korte kuiven, de lichte plekken aan den kop zijn niet wit, maar zandkleurig en alle veertjes van de rugzijde hebben lichtbruine randjes. De kunst van zich dood te houden verstaan zij alleruitmuntendst.
Ten slotte voegen zij zich bij de rondzwervende troepen. In Augustus beginnen ook al de jonge kieviten uit den vreemde hierheen te komen. De ouden hebben weldra geruid en in September zijn alle weiden vol met de vlugge pierenzoekers.
Ze zien er nu anders uit, dan in ’t voorjaar. De rug glanst minder, aan de keel is een groote witte plek gekomen, de kuif is korter. Het is moeilijk, nu mannetjes en wijfjes en jongen te onderscheiden. Ze zijn nu veel minder schuw; een wei kan nu tegelijk kieviten, spreeuwen, roeken en meeuwen bevatten, zonder dat er één hard woord valt.
Alleen het feit, dat de kieviten nu in gezelschap leven van meeuwen, roeken en spreeuwen, toont aan, dat het uiterst nuttige vogels zijn en dat er van die nuttige soort nooit te veel kunnen komen. Duizend vogels vinden dag aan dag overvloed van voedsel op één stuk weiland. Ga nu eens na, wat er gebeuren zou, als die duizend vogels daar eens niet dag aan dag arbeidden.
Hoogstwaarschijnlijk kan niet één van deze vogelsoorten gemist worden en de kievit stellig niet, want hij is eigenlijk een nachtdier en verdelgt dus de larven en slakken, die ’s nachts te voorschijn komen en dat zijn er heel veel.
Diep graven kan een kievit niet, daarvoor is zijn bek te zacht en te kort, maar hij kan goed kijken, hard loopen en stevig trekken. Wanneer de October- [72]en Novemberregens plassen op de weiden hebben gebracht, dan staan de kieviten in dichte drommen daar rond omheen en alles wat aan de overstrooming tracht te ontsnappen, valt hun ten buit.
Ook kennen ze een bijzonder kunstje, om de wormen uit de grond te jagen. Ze drukken een poot tegen den grond en brengen dien dan in trilling en door die beweging komen dan de wormen te voorschijn, wellicht doordat ze den indruk krijgen, dat er een mol aan ’t werk is. De zwartkopmeeuwen doen iets dergelijks door snel op den grond te trappelen, maar als er kieviten in de buurt zijn, dan geven zij er meestal de voorkeur aan, om dien vogels hun zuur verworven buit af te stelen.
De kieviten werken ook op de manier van de lijster, door te luisteren. Op deze manier vangen zij stellig de zoo schadelijke ritnaalden, die dicht bij de oppervlakte van den grond aan de gras- en graanwortels knagen. Plantenvoedsel heb ik ze nooit zien eten; als ze tusschen de koolplanten zitten dan is het hun alleen om de koolrupsen te doen. O, wat kun je een massa goeds van die kieviten vertellen.
Hun nuttige arbeid op ’t veld duurt tot de eerste harde vorst, dus in den regel tot omstreeks Nieuwjaar. Als dan de bodem een paar dagen lang bevroren is, dan kunnen ze het niet uithouden en dan wijkt het grootste deel uit naar Engeland en Ierland. Maar er blijven er ook nog heel wat hangen aan de monden van de Maas en op de Ooster- en Wester-Schelde, zoodat we het heele jaar door kieviten bij ons hebben.
Het is gedurende de laatste maanden van het jaar, alsof zij zich gedurig gereed houden voor de heenreis. Troepen van honderden en duizenden azen gezamenlijk op de velden en ieder oogenblik wordt [73]er vliegoefening gehouden. In breede zwermen vliegen zij voort. Er zijn dagen, dat er elk oogenblik zoo’n kievitswolk in de lucht te zien is, en wanneer ze in ’t zonlicht vliegen tegen een donkere lucht, dan blinken hun witte veeren een half uur ver u tegen. [75]
[77]
Het had weinig gescheeld, of voor den lepelaar in Nederland was het woord van Ruskin bewaarheid, dat de natuurlijke historie van menigen vogel niet anders vermeldt, dan hoe en waar het dier voor ’t laatst gezien is en wie of wiens jachtopziener de laatste heeft geschoten.
Nu de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten het Naardermeer gekocht heeft, is er naar wij hopen voor zeer langen tijd een einde gekomen aan de lijdensgeschiedenis van deze prachtige en interessante dieren, tenminste wat ons land betreft. In de Rijndelta zijn ze nu voortaan veilig; in de Donaudelta, waar ze hun Europeesch hoofdkwartier hebben, schijnen de zaken minder goed te gaan en wordt hun aantal allengs geringer.
Voor zoover wij uit vroegere eeuwen betrouwbare berichten hebben, blijkt, dat niet alleen in ons land, maar ook in Engeland de lepelaar in groot aantal voorkwam. In ons land is aan historisch onderzoek aangaande onze Flora en Fauna nog niet veel gedaan. Mij dunkt, dat in gemeente-archieven en oude rekeningboeken wel belangrijke vondsten zouden gedaan kunnen worden, al waren het maar alleen [78]opgaven omtrent jachtdieren en zoogenaamd schadelijk gedierte.

Lepelaars met jongen op hun nest. (Platalea leucorodia leucorodia.) (L.)
Naardermeer, 26 Mei 1905.
De Engelsche zoölogische geschiedenis vermeldt reeds in 1300 de benoeming van een commissie om na te gaan, wie de lepelaarsnesten in Norfolk vernield heeft. In 1534 werd er een verbod uitgevaardigd tegen het uithalen van eieren van reigers, lepelaars, kraanvogels, roerdompen en trapganzen. Doordat echter het dooden van de oude vogels niet werd verboden, zijn al deze soorten behalve de reigers in Engeland thans uitgestorven. Nog omstreeks 1670 bezat Engeland een kolonie van broedende lepelaars bij Trimley in Suffolk.
Voor Frankrijk wordt door Belon vermeld, dat daar omstreeks 1550 lepelaars broedden in Bretagne en Poitou.
Wat ons land betreft, danken wij ook weer de oudste en volledigste berichten aan de Engelschen. John Ray vertelt in zijn „Observations made in a Journey through part of the low Countries” van een bezoek, dat hij bracht aan de moerassen in de nabijheid van Zevenhuizen. Daar broedden in groot aantal gekuifde aalscholvers, kwakken, reigers en lepelaars.
Het moeras behoorde aan den baron van Pelenberg te Leuven, die de jacht en het grasgewas verpachtte voor drieduizend gulden ’s jaars. Wanneer de jongen groot genoeg waren, dan werden zij door middel van lange stokken met ijzeren haken uit de nesten geschud, om verkocht te worden. Het schijnt dat men die beesten at.
Dan krijgen we in 1770 de beschrijving van het broeden van den lepelaar in de Wollefoppenpolder nabij Rotterdam door Nozeman. Hij vond ze broedende op een bijna ongenaakbare plaats in het moeras in de laagste takken van de elzen, en ook op den moerasbodem zelf. Tegelijk vertelt hij, dat ze [79]ook broedden in de omgeving van het Haarlemmermeer en in de Biesbosch.
Hoe het met de lepelaars ging van 1770 tot 1850, dat weten wij niet, maar dan verschijnt Schlegel’s boek, de Vogels van Nederland, en die vermeldt weer de Biesbosch, Nieuwerkerk a/d IJsel (dat is dezelfde plaats van Nozeman) en het eiland Rozenburg als broedplaatsen.
Omstreeks 1870 werden de polders bij Nieuwerkerk en Rotterdam drooggelegd en toen verstrooiden de lepelaars zich over ons land. De hoofdmacht sloeg haar tenten op in het Horstermeer, en hoogstwaarschijnlijk vestigden zich toen de kolonies aan het Zwanewater bij Callantsoog en op Texel. Daar wordt ten minste voor dien tijd nooit melding van gemaakt.
In het Horstermeer woonden ze tien jaar lang in druk en tegenspoed, als we tenminste de berichten kunnen vertrouwen. In 1877 nestelden er volgens Sclater en Forbes duizenden, in 1880 schatte Seebohm de troep op driehonderd stuks. Kort daarna werd het Horstermeer drooggemalen en nu trokken de lepelaars daarvandaan naar het Naardermeer ten getale van ongeveer tweehonderd.
Indien dat bericht van Sclater waarheid bevat, dan was het voor den lepelaar een groot geluk dat ’t Horstermeer is drooggemaakt, want ze waren daar veel te veel blootgesteld aan vervolging. Als in drie jaar tijds het aantal achteruitgaat van duizenden tot eenige honderden, dan beteekent dat natuurlijk volledigen ondergang.
In ’t Naardermeer bleef tenminste het aantal vrijwel stationnair. Soms was ’t meer, soms wat minder, enkele malen werden er jongen geroofd of door de jagers van ’t Meer zelf verkocht, maar over ’t algemeen kan men toch zeggen, dat zij er meer veiligheid [80]genoten dan ooit voor dien tijd in ons land. Wij zijn er nu natuurlijk zeer benieuwd naar, hoe het met de kolonie gaan zal onder de zeer gunstige levensvoorwaarden, die haar nu ten deel vallen.

Nest met eieren van den Lepelaar. (Platalea leucorodia leucorodia.) (L.)
Naardermeer, 27 Juni 1904.
De Texelsche lepelaars bouwden hun nesten in de uitgestrekte duinpannen in het zuidwesten van het eiland achter het dorp Den Hoorn. Deze pannen werden gedraineerd door het graven van de Moksloot en daardoor moesten de vogels verdwijnen. In 1890 kwam een enkel paar nog eens kijken en in 1904 is zelfs een paar bezig geweest een nest te bouwen in een duinplas benoorden het dorp De Koog, maar dat is verstoord.
De kolonie in ’t Zwanewater bij Callantsoog heeft zich ongestoord kunnen ontwikkelen en geniet nog voortdurend de noodige bescherming.
Het heden is voor de lepelaars dus beslist gunstiger dan ’t verleden, dat hun tot nu toe niets anders bracht, dan vervolging en vernieling.
En nu wordt het tijd, de natuurlijke historie der lepelaars te bestudeeren, niet in de boeken, maar in het Naardermeer zelf. Doordat onze twee kolonies de eenige zijn in West-Europa, kunnen wij met groote juistheid gegevens verzamelen omtrent het gaan en komen van deze vogels.
De sterntjes en meeuwen, kieviten en scholeksters bewonen een zoo uitgestrekt gebied en verplaatsen zich in ’t najaar zoo weinig of zoo geleidelijk, dat we van hen omtrent den eigenlijken grooten vogeltrek niet veel kunnen leeren. Maar van de lepelaars weten we, dat ze overwinteren in de Nijldelta en nu zou het uiterst interessant zijn, als we eens konden ontdekken, langs welke wegen en in hoeveel tijd ze hierheen komen.
Ze komen dikwijls reeds in ’t midden van Maart, als ’t jonge riet nog pas een decimeter boven ’t water [81]uitsteekt, of nog niet eens de oppervlakte heeft bereikt. Het meer is echter zoo groot en sommige gedeelten zijn zoo moeilijk te betreden, dat er nog heele plekken oud riet staan en daarin vinden de vogels dan een voorloopige schuilplaats. De heele troep komt niet in eens, het kan wel eenige weken duren, voor de kolonie voltallig is.
Wie het eerst komen, de mannetjes of de wijfjes, de ouden of de jongen, dat waag ik nog niet met zekerheid te zeggen, eigenlijk heb ik den indruk, dat er telkens een gemengd gezelschap komt, maar dat kunnen we over eenige jaren beter weten.
Het is niet zoo heel gemakkelijk, de mannetjes van de wijfjes te onderscheiden, want doodschieten, dat doen we om zoo’n kleinigheid niet en doode lepelaars hebben geen levensgeschiedenis meer. Op onze foto is duidelijk te zien, dat het mannetje grooter is dan het wijfje, maar daar heeft de perspectief ook schuld aan: in de werkelijkheid is het verschil niet zóó groot. De man heeft naar verhouding een langer kuif en de gele, soms oranjekleurige plek aan ’t begin van de borst is bij hem veel grooter.
Maar nu nemen we in plaats van een geweer een roeibootje, een warmen mantel, ruime schoenen, een trommel vol boterhammen en een verrekijker. Van ’t visschershuis tot de broedplaats van de lepelaars is ’t meer dan een uur roeiens, gelegenheid genoeg dus, om op dezen kouden Maartmorgen warm aan te komen op de onderzoekingsplek.
Het water is leeg, waterlelies, gentiaan, veenwortel, fonteinkruid sluimeren nog op den bodem of steken aarzelend bruine groeipiekjes omhoog in ’t heldere koude water. Waar ’t riet gemaaid is, ziet de vlakte groengrijs van de nieuwe toppen, daar achter verheft zich de grijze muur van het oude riet. Lisschen [82]en lischdodden steken groene puntjes boven ’t water en op enkele plaatsen komt uit een dicht pakket van frisch groene en glimmend bruine bladeren de eerste dotterbloem te voorschijn.
De elzen strooien mild hun stuifmeel en de waterwilg wuift zijn twijgen, met goudgele katjes bezet.
Alle heesters zijn bladerloos, alleen de kamperfoelie is uitgebot, maar zijne grijsgroene bladeren, schaars gestrengeld om groote donkere elzenstammen, geven eer een indruk van winter dan van lente. Rietgorzen vliegen rond met veel staartparade en zwermen sijsjes in de elzen doen denken aan meezen in den winter. Koeten en eenden zwemmen rond in de verte en ook de bruine kiekendief is op zijn rooverspost.
Toch lijkt ’t nog in ’t geheel geen plaats noch tijd voor de vogels uit het warme Zuiden. Wanneer deze, zooals zeer waarschijnlijk is, in één of twee dagen hierheen trekken, dan hebben ze een zeer groote verandering van temperatuur, klimaat, planten- en dierenwereld te verduren: Zondag aan de oevers van den Nijl, bij palmen en papyrus, Dinsdag aan ’t Naardermeer, waar de kikkers nog niet eens ontwaakt zijn.
Want ze zijn er. Ze staan in een grooten troep op hun verzamelplaats aan de Oostzijde van den grooten plas bezuiden de spoorlijn. Aan den anderen kant liggen de eigenlijke broedplaatsen, een terrein, dat wel wat overeenkomt met den grond, waarover Nozeman spreekt, alleen groeien hier geen elzen. ’t Is echt verveend meer, een veenhoekje, dat los op ’t water drijft en bijeen gehouden wordt door de stengels en wortelstokken van ’t riet. ’t Is niet raadzaam, het te betreden, dat gaat alleen, als we er een paar planken of roeiriemen op leggen, die dan den voet een wankelen steun verleenen. [83]
Maar dat is vandaag niet noodig. We drijven de boot tusschen ’t riet en gaan languit liggen onder onze mantels. Liggende wordt je niet zoo gauw koud als zittend. En nu den kijker voor ’t oog.
Daar staan misschien een honderd lepelaars. Een dertigtal bezet de droge plek, die het centrum vormt van het vergaderterrein, de andere staan verspreid door ’t lage riet er omheen.
Er is heel wat beweging in den troep; ’t is weer het oude liedje. Blijkbaar zijn de vogels reeds gepaard, het heele gezelschap lijkt in tweetallen of viertallen verdeeld; telkens groote en kleine. De groote zijn het drukst in beweging; niet een geeft er een kik, doch het is een buigen en stappen zonder eind. En ’t mooist zijn de kuifgebaren of liever de maanwuivingen.
Het voornaamste sieraad van de lepelaars is hun lange kuif, die van het achterhoofd langs den nek neerhangt als het naar achter gekamde haar van een jong meisje. ’t Zijn witte veeren, met een gelen tint overtogen, die bij de oude mannetjes het sterkst is.
Die kuif, daar komt het op aan. De lepelaar kan heel eventjes schreeuwen, en ook een beetje klepperen op zijn ooievaarsch, maar dat doet hij toch niet dikwijls. Hij drukt zijn emoties uit met de kuif. Elk veertje is beweeglijk en doordat het sieraad uit heel veel veeren bestaat, is het hem mogelijk ze zoo op te zetten, dat ze een omhuiving, een aureool vormen om het trotsche, breedgesnavelde aangezicht met de roode oogen. ’t Is een paar koude voeten en een stijven nek waard, om dat te zien.
Daar blijft het niet bij. Nu is de kuif omlaag, de vogel zet zich schrap op zijn stevige zwarte beenen en heft zijn snavel in de lucht, zoodat de oranje veeren aan de borst en vooral de groote oranje naakte plek aan kin en keel te zien komen. Hoe [84]ouder vogels, hoe dieper van tint die kale plek is en daar zijn ze heel grootsch op. Ik kan dat nooit zien, zonder een sterken indruk te krijgen van het Zuidelijk karakter van dezen vogel. Bij Noordelijker vogels komen uitgestrekte onbedekte huidvlekken slechts zelden voor.

Jonge Lepelaars, de bevolking van drie nesten. (Platalea leucorodia leucorodia.) (L.)
Naardermeer, 31 Mei 1904.
Het hofmaken van den lepelaar is dus heel en al parade en pronk. Van welsprekendheid of kunstigen zang is bij hem geen spoor. Misschien heeft hij een liefdevlucht; maar die is van een geheel anderen aard dan de buitelpartij van een dartele kievit. Soms gaat de heele troep zonder blijkbare oorzaak de lucht in, met vluggen vleugelslag en lang uitgerekten hals en pooten. Ze zweven door elkaar in wijde kringen, al hooger, en hooger, totdat het wit der veeren in ’t bleekblauw van den hemel wegsmelt. En tien minuten later daalt de troep weer statig neer op de vergaderplaats, waar ’t kuivenspel opnieuw een aanvang neemt.
Het duurt eenige weken, eer er een begin gemaakt wordt met den nestbouw. Soms worden nesten van ’t vorig jaar wat opgelapt, een ander maal wordt de bouwstof van ’t oude nest gebruikt voor het optrekken van een nieuw, maar even dikwijls wordt er een nieuw nest opgetrokken uit kersversche bouwstoffen.
Wanneer de lepelaar werkt, hetzij hij rondstapt, om de rietwortelstokken voor zijn nest bijeen te garen, of zijn voedsel zoekt, maakt hij altijd een heel anderen indruk dan de trippelende plevier of de deftig stappende of grappig hollende ooievaar. Bij hem is geen sprake van nuffigheid, noch van maniertjes, hij is een flinke stoere werker en anders niet.
Hij stapt op zijn lange, dikke, zwarte pooten rond als een grondwerker in een heiput. Dat gaat al dieper en dieper tot zijn staart langs ’t water sliert [85]en als hij ’t noodig vindt, om nog verder te gaan, dan zwemt hij er lustig op los.
De bewegingen van den snavel stemmen met die der pooten overeen. In stevige breede halen steekt hij door modder en water, grijpt wat hem lijkt en rukt het los met forsche nekbeweging. Zoo haalt hij zijn rietstengels uit de modderkanten en als hij een bekvol bij elkander heeft, dan draagt hij ze naar het uitverkoren plaatsje op de trilmodder.
De oude berichten gewagen ervan, dat de lepelaar vroeger hoog in de boomen bouwde, en in zijn Horstermeer-tijdperk deed hij het nog in lage wilgenstoven. In ’t Naardermeer evenwel worden de nesten gebouwd op de dunne veenkorst of den vasteren bodem heel diep in ’t rietbosch.
Hij bouwt langzaam maar con amore. Als het eerste onderlaagje zich boven het water verheft, dan wordt het gevierd met een bescheiden familiefeestje. Uren lang staan de echtgenooten op de fundamenten van hun paleis, elkander complimenteerend en nu gaan ze zelfs wel zoo ver, dat ze een paar rauwe kreten uitstooten en als de uiterste extase nadert, dan wordt niet alleen de breede snavel omhoog geheven, maar er weerklinkt zelfs een onzeker geklepper, een flauwe herinnering aan den ooievaarsratel.
De vergaderplaats aan den oostoever wordt nu minder bezocht; huiselijke vreugd vervangt de convivialiteit en achter het hooge dorre riet, waartusschen de jonge groene spruiten nu reeds een halven meter zijn opgeschoten, spelen zich de allerintiemste tooneeltjes af. Daarvan heb ik echter nog lang niet genoeg gezien, om er over te kunnen uitweiden.
Al hooger en hooger verrijst het nest uit het moeras, de onderste lagen bijna alleen opgebouwd uit de bontgevlekte taaie rietwortelstokken. Hoogerop [86]komen doode rietstengels en eindelijk komt daarboven een laagje van dorre rietgrasbladeren. Daarna wordt het eerste ei gelegd, een mooi, groot, welgevormd ei, soms zuiver wit, maar veelal met enkele bruinroode en groenachtige vlekken en stippen.
Nu is voortaan altijd minstens één der beide vogels op het nest aanwezig. Na eenige dagen komt het tweede ei, de vogels gaan broeden en dan kan het nog een heelen tijd duren eer het derde, of in zeldzame gevallen het vierde ei het legsel voltallig maakt. Deze lange tusschenpoozen hebben natuurlijk het gevolg, dat de jongen niet tegelijk uitkomen en het komt niet zelden voor, dat het derde ei wordt uitgebroed met behulp van de beide eerstgeboren jongen. Beide ouders kunnen dan het nest verlaten, zonder dat het ei gevaar van verkoeling loopt. Op onze foto is het middelste van de drie jongen ook duidelijk kleiner dan de beide andere.
Ze zijn bedekt met dicht vlokkig dons, de oogstreek is geheel kaal. De snavel is wel reeds breed, maar vertoont nog lang niet den karakteristieken lepelvorm. Bovendien is hij zeer buigzaam en ietwat gekromd, waardoor de jonge lepelaars een geheel ander type van gelaatsuitdrukking hebben dan de oude.
Het is niet goed, nu in den eersten tijd de nesten te verontrusten, want de jonge vogels zijn zeer vreesachtig en loopen bij het minst alarm van het nest af. Ik weet niet, of de ouden er dan wel altijd in slagen, ze in het rietbosch op te sporen en ze weer op het ouderlijke platform te brengen.
Wijd en zijd gaan nu de ouden voedsel zoeken, en langs de heele Zuiderzee, van Schellingwoude tot Harderwijk kunt gij ze nu aantreffen. Ze waden tot de enkels in ’t water en slaan dan links en rechts met de snavel door de modder. Iedereen ziet in, dat zij op deze manier hoofdzakelijk de [87]bodembewonende schaaldieren moeten bemachtigen en dat ’t heel moeilijk voor hen zou zijn, zoo al het vischbroed te vangen, dat hun in de boeken wordt voorgediend. Hun hoofdvoedsel zijn garnalen.
In ’t midden van Juli zijn de meeste jongen al vlug. Ze zijn heel gemakkelijk van de ouden te onderscheiden, doordat hun kuif zoo goed als niets te beduiden heeft, hun snavel is aan de bovenzijde glad en eenkleurig en de groote slagpennen hebben zwarte schaften en zwarte strepen, iets, dat aan vliegende vogels op een afstand van wel honderd meters heel goed is te zien.
Tegelijkertijd zijn er nog heel jonge vogels en zelfs nog wel een enkel ei, zoodat de Julimaand in zijn eerste helft de meest geschikte tijd is om zooveel mogelijk van de lepelaars te zien.
In Augustus worden de broedplaatsen verlaten en dan zwerven de lepelaars een korte poos door het heele land rond, hoogstwaarschijnlijk nog in gezinnen vereenigd. De Zwanenwaterkolonie vervroolijkt dan de heele Waddenstreek en de Naardermeerders vertoonen zich iederen dag in den modderdriehoek bij den Schellingwouder afsluitdijk. Wie een avond doorbrengt aan het strand bij Valkeveen mag er op rekenen een troep van deze vogels te zien voorbijtrekken in rustige vlucht. Ze vliegen niet hoog; misschien twintig meters boven ’t watervlak. De lange hals is recht uitgerekt, de snavel gaat eventjes schuin omhoog, de pooten zijn recht achterwaarts gestrekt en vormen een natuurlijke voortzetting van het slanke lichaam. Zoo vliegen ze in rechte lijn vlak achter elkander met zeer regelmatigen vleugelslag, veel vlugger en flinker dan reigers: je zoudt zeggen een goed getrainde bemanning van een tienriemsgiek. Langzamerhand versmelten hun witte gestalten in ’t nevelig verschiet. [88]
Dat zijn nu nog eens echte trekvogels. Al dat zorgeloos gedoe van grutto’s, tureluurs, scholeksters en wulpen maakt op de zoele zomeravonden ook wel groote vertooning van troepenformeering en trekmanoeuvres, maar ’t zou mij zeer verwonderen, als ze verder gingen dan de Wester-Schelde. De lepelaars echter vereenigen zich tot een grooten troep en rusten niet, voordat zij hun Nijldelta hebben bereikt. Meer nog dan de ooievaars verbinden zij Amsterdam met Alexandrië. [89]
Het zal niet lang duren, of ook dit vogeltje komt in het gedrang. Deze bewering moge wat pessimistisch lijken, vooral voor hen, die de zwarte stern kennen en weten, hoevele honderden er ’s zomers ons drassig land bewonen en hoe veelzijdig het diertje zelf is.
Maar met die drassigheid van ons land wordt het al minder en minder, stuk voor stuk worden door landbouw en veeteelt de verwaarloosde terreinen opgeëischt. De droogmaking van de Zuiderzee, de regulatie van de Vecht, de draineering van Friesland, ’t is alles slechts een kwestie van tijd. Het turfbaggeren geschiedt met groote activiteit en overal verandert het laagveenlandschap met zijn poelen en breede slikkige slooten in netjes verkavelde kleipolders met een zoo gering mogelijk wateroppervlak.
En als nu de zwarte stern niet bijtijds de huik naar den wind hangt, dan zal het hem hier gaan als in Engeland, waar hij, ook al tengevolge van draineering en intensieve cultuur, sedert een halve eeuw het broeden heeft moeten opgeven.
Ik moet eerlijk zeggen, dat het mij moeite kost, mij daarvan een voorstelling te maken: heel Engeland zonder zwart sterntje. ’t Is haast ongelooflijk. [90]Maar ’t staat in de boeken, en als die zoo iets erkennen, dan zijn ze wel te gelooven. En er staat bij, dat ieder jaar enkele paren zich langs de Oostkust vertoonen, om een broedgelegenheid te zoeken, maar die vallen meestal als slachtoffers van verzamelaars en rariteiten-jagers.

Zwarte Zeezwaluw hare jongen koesterend. (Hydrochelidon nigra nigra.) (L.)
Naardermeer, 30 Juni 1904.
Over het algemeen worden de menschen nog al eens tamelijk bezorgd, wanneer er cholera of pest in de buurt is. Nu hebben wij hier iets in de buurt, dat wel niet zoo onmiddellijk ons hachje raakt, maar toch heel onaangenaam aandoet: een land, dat slag op slag zijn broedvogels verliest, zonder dat er zich nieuwe soorten vestigen.
Ziehier het lijstje van de Engelsche verliezen in de laatste eeuwen: kraanvogel, trapgans, ooievaar, kwak, woudaapje, roerdomp, kluit, kemphaan, grutto, wielewaal, spotvogel, snor, wouw, buizerd, havik, bruine kiekendief, geoorde fuut, zwarte stern. En dan kunnen nog wel een tiental soorten genoemd worden, die er zoo goed als niet meer broedend voorkomen.
Ik heb mij vroeger wel eens vroolijk gemaakt over de naargeestige declamaties van al te ijverige vogelbeschermers—en ik houd nog altijd vol, dat ze rare dingen beweerd hebben—maar in den laatsten tijd is er bij mij den schrik ook ingekomen en heb ik wel eens medelijden met mijn achterkleinkinderen. Dat moet toch niet aardig zijn, als de mooie verscheidenheid van dieren- en plantenleven vermindert en de zoo levendig gestoffeerde vogellandschappen van tegenwoordig zullen verdwijnen. Die achterkleinkinderen zullen vechten om een roeibeurt in ’t Naardermeer.
Na de koeten is er niet een vogel, die ’t Meer zoo aardig stoffeert als ’t zwarte sterntje. Van zijn aankomst in ’t laatst van April tot zijn vertrek in September [91]zwerft hij rond over plassen en poelen, langs waterlanen en kreken, den heelen langen zomerdag, spiedend naar zijn veelvormig voedsel, zorgend voor zijn steeds hongerig kroost.
Hij lijkt nog meer op een zwaluw dan de andere sterntjes, zijn staart is iets korter, zijn vleugels langer en de nek niet zoo geprononceerd. Het gewone witte vischdiefje en vooral de groote stern vertoonen onder ’t vliegen een heel stuk nek, wat soms niet mooi is. Bij het zwarte sterntje is de aansluiting van kop en romp mooi gelijkmatig en daardoor wordt het mooie vogeltje een echte compacte vliegmachine.
Toch bestaat er een groot verschil tusschen zwaluwvlucht en sterntjesvlucht. Zwaluwen slaan hun vleugels uit in een veel sneller tempo, om telkens weer geruimen tijd op uitgespreide wieken te zweven. Nu zweven de zwarte sterntjes ook wel, maar nooit lang achtereen en hun vleugelslag is dikwijls zoo langzaam en bedaard, dat iedere beweging is na te gaan. Je kunt de slagen tellen en dat lukt bij de zwaluw nooit.
Door dien langzamen slag lijkt het sterntje zeer gemakkelijk te vliegen. ’t Is, alsof het hem in ’t geheel geen inspanning kost en alsof hij alleen uit speelschheid zijn loodkleurige wieken veerend op en neer slingert.
Dat zou ik zijn wandelvlucht willen noemen. Anders is het, wanneer hij druk werk heeft: kikkervischjes vangen, schrijvertjes en schaatsenloopers oppikken, muggenlarven en watertorren verschalken, visschen, vliegende insecten ophappen, wormen zoeken en wat al meer, want zoo’n sterntje doet van alles.
Kikkervischjes vangt hij aan den waterkant, net als een schooljongen, met dit onderscheid evenwel, dat hij niet aan den waterkant gaat zitten met een [92]schepnetje, maar klapwiekend in de lucht even stilstaat, tot hij zijn prooi goed in ’t zicht heeft, om dan bliksemsnel neer te schieten in ’t ondiepe water en den bullekop in zijn zwarten snavel te pakken. De mondhoeken zijn rood.

Nesten en eieren van de Zwarte Zeezwaluw. (Hydrochelidon nigra nigra.) (L.)
Naardermeer, 25 Mei 1905.
Hij heeft een zoo groote juistheid van blik en een zoo zekere vlucht, dat hij de schaatsenloopers, die op hun ranke pooten rondloopen op het wateroppervlak er afpikt, zonder dat hij ’t water zelf raakt: een verschilletje van een millimeter. En dat hij schrijvertjes kan vangen moet ieder met verbazing vervullen, die weet hoe snel deze wezentjes elk naderend gevaar bespeuren en op hoeveel manieren zij zich uit de voeten kunnen maken.
Het spreekt vanzelf, dat voor zoo’n vogel het vangen van watertorren, muggenlarven en kleine vischjes kinderspel is.
Hij is veel meer insectenvanger dan visscher en wordt dan ook op bouw- en weiland meer aangetroffen, dan eenig andere sterntjessoort. Evenals de zwaluwen vliegen ze meestal in gezelschap en al naar den aard en hoeveelheid van de prooi kunt ge ze dan in wolken zien dwarrelen of in rijen onstuimig zien voorwaarts schieten. Haften, schietmotten en elzenvliegen worden zonder moeite vermeesterd, maar de groote libellen, vlugge zweefvliegen of grillige vlinders vereischen veel zwenken, draaien en stilstaan, met veel vleugelgeklep en staartgesprei.
Sprinkhanen pakken ze heel netjes van den grond op, zelfs de veldkrekel is aan den ingang van zijn hol niet voor hem veilig. Heel dikwijls heb ik gezien, wat bij Naumann verteld wordt, nl. dat ze langs hoopen paardenmest of koevla heenvliegen, om de insecten op te schrikken en dan ineens rechtsomkeert maken om ze te vangen. Dat is eigenlijk kwikstaartjeswerk. [93]
Ofschoon het zwarte sterntje bij het bouwen van zijn nest een minder groote verscheidenheid vertoont dan het gewone vischdiefje, volgt hij toch ook niet een vast schema en zijn er zelfs in ’t Naardermeer drie verschillende typen op te merken, terwijl elders in ons land nog een vierde wordt aangetroffen.
Het meest traditioneel, maar niet ’t meest algemeen is het zwarte sterntjesnest op levende waterplanten. In het meer vinden we dan ook in één vaart de nesten op de dicht opeen groeiende rozetten van de water-aloe of krabbeschaar en op een andere plek rusten ze op een mooien effen vloer van waterleliebladeren. Het nest zelf bestaat dan uit weinige dorre stengels en bladeren, ligt zeer dicht op ’t water en gaat bij iederen golfslag op en neer. Dat is nu niet zoo heel erg, want de golfslag heeft in zulke dichtbegroeide slooten niet veel te beduiden.
Verreweg de meeste nesten worden gevonden op saamgewaaide hoopen van stengels en bladeren van oeverplanten, voornamelijk van riet, egelskop, kalmoes en lischdodden. Deze planten vermenigvuldigen zich door hun uitloopers zoo sterk, dat men genoodzaakt is telkens de kanten der vaarten af te steken, anders zou er in korten tijd geen doorkomen aan zijn. De afgesneden stengels laat men ronddrijven en die vormen dan in rustige en beschutte hoekjes uitgestrekte vlotten.
Hierop nestelden nu de zwarte sterntjes en we hebben gezien, dat ook de zwartkopmeeuw zijn voordeel er mee doet. Steenhuizen geeft hiervan in zijn stereoscoop-collectie een zeer mooi en uiterst leerzaam voorbeeld.
Niet minder belangrijk echter is de foto van Tepe, die het derde type bijzonder gelukkig illustreert. Dit is een zeer verlaten uithoek van het Meer, geheel [94]begroeid met egelskop, dat nu weer opnieuw zijn donkergroene stijve bladeren omhoog steekt. De planten ontwikkelen zich daar ongestoord, niemand komt het vergeten modderhoekje bezoeken en tegen den winter sterft alles af, zooals het stond.
De afgestorven bladeren en stengels blijven gedurende den winter staan, knikken bij hevigen wind door en vormen dan verwarde bundels, zooals in den linker-bovenhoek van de plaat, schuin boven het nest met de eieren heel mooi te zien is.
De sterntjes hebben nu niets anders te doen, dan die massa nog wat ineen te drukken, hier en daar een stengel of blad door te breken en dan hebben ze een onderlaag voor een nest, even ongenaakbaar als krabbeschaar of rommelvlot en veel steviger, want de oude stengels en bladeren zijn nog in verbinding met den modderbodem, terwijl nieuwe bladbundels door het nest heengroeien en het zoo op twee, drie plaatsen vaststeken.
Sommige individu’s zijn hiermee tevreden, andere sleepen nog een massa materiaal er bovenop, waardoor zoo’n nest van het derde type ook weer een zeer aanzienlijken omvang kan krijgen.
Een groot contrast met deze drie typen vormt een vierde, dat wij op Texel aantroffen. Daar nestelt het zwarte sterntje op natte hooilanden. Geen vlot, geen trilbodem, geen waterplanten: de eieren liggen op een klein bodempje van doode stengels en dorre grasjes vlak op den grond, haast net als kievitseieren. Toch is het altijd niet zonder eenige moeite te bereiken, daar het dier steeds de laagste plekken van het hooiland kiest, die altijd min of meer overstroomd zijn.
Het legsel bestaat in den regel uit drie eieren, dikwijls uit twee, een heel enkele maal uit vier. De eieren zijn betrekkelijk groot, meer peervormig [95]dan de andere sterntjeseieren en zeer donker van kleur: bruin met bijna zwarte vlekken.
Zoodra de zwarte stern eieren of jongen heeft, stormt hij als een kleine zwarte furie op alles los, wat hem te dicht naar zijn zin in de buurt van zijn nest komt. Er komt geen eind aan hun geschreeuw van „krie-ie, krie-ie” en ze chargeeren zonder ophouden. Ik geloof dan ook niet, dat de kraaien en bruine kiekendieven er dikwijls in slagen hun een ei te ontfutselen, vooral omdat ze elkander trouw bijstaan.
De jongen blijven niet heel lang op ’t nest. Ze kunnen, zoodra ze uit ’t ei komen al wel een beetje loopen, maar daar maken ze heel weinig gebruik van, als wisten ze, dat het niet goed met hen zou afloopen, als ze van hun vlotje rolden. Want al die meeuwen en sterntjes zijn een heel ander genre van zwemvogels dan eenden en ganzen. Deze kunnen dadelijk zwemmen, maar een sternjong of een meeuwenjong zou al heel gauw nat worden en verdrinken.
Wanneer nu de sterntjes en meeuwen nestelen op de weilanden of zandvlakten van den polder, dan is voor de jongen ’t gevaar van verdrinken niet zoo groot, maar in ’t Naardermeer hebben de ouden er steeds voor te zorgen, dat de jongelui niet van ’t nest afdwalen. Wie de broedplaatsen bezoekt, mag daar wel om denken, want die jonge vogels zijn zeer schuw en als ze worden opgeschrikt, loopen ze om een haverklap van ’t nest af.
Dan gaan de ouden allerjammerlijkst te keer en wij hebben wel gezien, dat ze zoo’n reislustig jong met stompen en duwen weer op het nest brachten.
Het liefst brengen ze hun jongen naar de plaatsen waar de waterlelies dicht opeen groeien. Daar kun je dan in Juli de jonge zwarte sterntjes bij troepen [96]op de groote groene plompeblaren zien zitten, wachtend op ’t voedsel dat de ouden hun brengen. Als ze wat vlugger worden, gaan ze met de ouden meevliegen, als die op jacht zijn, en dat ziet er dan wel naar uit, alsof ze onderricht genoten.
In Augustus zijn de jongen groot. Ze hebben dan een wit voorhoofd, witte wangen en ook veel wit aan de onderzijde van ’t lichaam. Nog eenige dagen blijven ze in ’t Meer rondzwerven, tot troepen vereenigd. Ze houden ervan, om in rijtjes stil te zitten op schuttingen en palen, en op den middag en ’s nachts slapen ze op de nu ongebruikte woonvlotten, die bij langdurig droog weer weldra wit zien van de uitwerpselen.
Als ze de groote reis gaan aanvaarden, dan verlaten ze hun geboorteplaats in het uur na zonsondergang. [97]
[99]
Er is voor den naspeurder van vogelgewoonten geen geriefelijker en rijker onderzoekingsterrein te bedenken, dan de duinen. Nergens kun je je zoo gemakkelijk verschuilen, nergens bestaat zoo goede gelegenheid om de „prooi” ongemerkt te naderen, en nergens kun je zoo gerust en met zoo weinig gevaar voor gezondheid of kleeding de horizontale positie aannemen.
Voor een liggend mensch zijn de vogels lang zoo bang niet als voor een zittend of loopend individu, en als men zich verbergt onder gras of struiken, dan hebben ze in ’t geheel geen erg. Dat komt, doordat de vogels geheel afgaan op het gezicht en het gehoor. Hun reukzintuig is zeer slecht ontwikkeld en daardoor is de vogeljacht heel wat gemakkelijker dan het besluipen van gemzen of herten.
Meen nu niet, dat het opeens zoo heel gemakkelijk gaat. De scherpte van het gezicht grenst bij de vogels aan het ongelooflijke: zij zien mijlen ver en de minste lichtflikkering in hun nabijheid wordt terstond opgemerkt. Menig aardig tooneeltje is mij ontgaan, doordat de vogels verontrust werden door de spiegeling van het objectief van den verrekijker en dat terwijl ik verscholen zat in ’t dichtste gebladerte. [100]
Bovendien zijn ze uiterst wantrouwig. Als ze je hebben zien binnengaan in een boschje of wegkruipen onder een struik, dan duurt het wel een half uur, voordat ze de zaak vertrouwen, en ge moet dan ook alles, wat ge gedurende dat eerste half uur kunt waarnemen, beschouwen als een meevallertje. Doch daarna kunnen ook de aardigste dingen gebeuren in uw onmiddellijke nabijheid.

Broedende Wulp. (Numenius arquata arquata.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 7 Mei 1906.
Maar dat kost dan ook uren: een uur om naar het terrein van waarneming te loopen, een halfuur wachten, eer het geschokt vertrouwen hersteld is, en dan nog een uur waarnemingen doen, dat is samen twee en een half uur. Daarom is het ’t best, de vogeljacht te beoefenen bij wijze van ontspanning, dan wordt het: een uur wandelen en anderhalf uur languit in ’t duin liggen, wat allebei bezigheden zijn, die op zich zelf reeds tot de alleraangenaamste mogen gerekend worden.
Zomer en winter is dat vol te houden. Zelfs bij vriezend weer kunt ge, mits behoorlijk gekleed, in de duinen op den loer liggen, altijd is er een luw plekje te vinden, al is het ook niet altijd dat summum van lekkerheid: uit den wind en in de zon. De dichte duindoorns, meidoorns, die langzaam gegroeid zijn, en vooral de fijn vertakte liguster, geven een uitmuntende bescherming tegen den wind, en het lange helmgras of struisriet levert ligstroo in overvloed. Natuurlijk moet je die nooit uittrekken, maar met een scherp mes afsnijden.
Zoo heb ik dan in het Bloemendaalsche duin mijn wachtkamers en schuilholen, waar ik gerust den nacht zou kunnen doorbrengen.
Wie nu geen zin heeft in dat stilliggen, kan ook zijn heil zoeken in actief optreden, en daar heb ik ook al mooie resultaten van gehad. De landwaartsche helling van de duinrichels is altijd steil: hellingen [101]van meer dan zestig graden zijn geen zeldzaamheid. En nu is het een uitstekende methode, om eerst door boschjes en struiken, desnoods op handen en voeten kruipend, ongezien den voet van zoo’n steile helling te bereiken en die dan voorzichtig te beklimmen of liever te bekruipen op een plek waar de richel het smalst is.
Dan heb je, zoodra je boven bent, ineens een overzicht over de heele volgende vallei, en ge kunt het treffen, de fazanten en patrijzen, wulpen, kieviten, boompiepers of tapuiten van heel nabij aan hun bezigheden te zien. Maar pas op, dat uw hoofd niet merkbaar over den richel uitsteekt. De laatste stijging moet o zoo langzaam geschieden; millimetersgewijze. En als dan op ’t laatste oogenblik zoo’n ongeluksdier van een konijn de lucht van je krijgt en verschrikt wegholt, dan is ook opeens alles bedorven: de fazanten, patrijzen verschuilen zich in ’t hout en de wulp springt met zijn lange beenen een el van den grond, slaat zijn wijde wieken uit en gaat in een grooten kring schreeuwend om je heen vliegen: „kloe-iet, kloe-iet”, lang uitgehaald en helder van toon galmt het over berg en dal en al naar zijn temperament en den toestand van zijn huisgezin, blijft hij u korter of langer begeleiden.
Hij komt niet dichtbij, maar ’t is zoo’n groote vogel, dat de gebogen snavel, het grijze lichaam en de lange pooten, die even buiten den staart uitsteken, duidelijk te zien zijn. Al heftiger wordt zijn geschreeuw, zijn onrust neemt toe, naarmate wij voortstappen en nu daalt hij zelfs neer met trillende, wijd uitgespreide vleugels. Op een duintop gaat hij staan, waar zijn prachtig silhouet mooi uitkomt tegen de lucht.
De snavel lijkt nu veel grooter dan in de vlucht. Stilstaan kan hij nu niet. Hij loopt met groote [102]stappen over ’t zand, beweegt den kop op en neer, zoodat de kromme snavel langs de wolken schermt en eindelijk springt hij op en begint opnieuw zijn kringvlucht en krijgsgeschreeuw.
Nu komt hij weer aan den anderen kant. Op eens klinkt uit de richting van zijn eerste standplaats een welluidend: „wie, wie, wie.” Daar is wulp nommer twee; ze hebben in de buurt een nest of jongen en nu kunnen we systematisch een paar uur gaan zoeken, of op een gunstig toeval vertrouwend de vallei snel doorkruisen om het nest te vinden.
Meestal lukt dat niet, doordat men te ongeduldig is of doordat men tijdig aan een spoorwegstation moet verschijnen. Wie echter een wulpennest wil vinden, moet zich met dergelijke wissewasjes niet ophouden.
Wat een voldoening, als je eindelijk voor het nest staat! De eieren behooren tot de grootste, die er in ons land te vinden zijn. In vorm en kleur hebben ze wel wat van kievitseieren maar de schaal is gladder en de tinten zijn veel fijner en warmer. Misschien vind ik ze wel zoo mooi, omdat de vondst van een wulpennest altijd een buitenkansje is, terwijl de kievitsnesten zoo maar voor het grijpen zijn.
Sommige menschen zijn verzot op wulpeieren en vinden ze veel lekkerder dan kievitseieren. In ieder geval zijn ze veel grooter, maar het dunkt mij toch verkeerd, die eieren te rapen. De wulp broedt tamelijk laat, de argumenten, die aangevoerd kunnen worden ten voordeele van het rapen van kievitseieren gaan hier dus in het geheel niet op. En er broeden veel te weinig wulpen in onze duinen. Ik zou willen, dat er in iedere vallei minstens één paar nestelde. Wat zou het dan vroolijk in de duinen toegaan!
Want de wulp is een vroolijke vogel. Hij schreeuwt [103]lang niet altijd uit angst of boosheid, maar dikwijls uit pure pret. Dan wordt zijn geroep een snelle opeenvolging van mooie metaalachtige fluittonen, vol en melodieus en evenals de zang van de merel goed en prettig binnen het bereik van ons gehoor.
De meeste vogels zingen ontzettend hoog; één of twee octaven hooger dan het zesde hulplijntje boven den balk, maar de wulp blijft zoowat in de vijfde positie op de e-snaar en dat is voor een vogel al een heel laag geluid. Hij beschikt over velerlei geluiden. Wanneer hij zijn lentelied gaat zingen, dan laat hij nog op den grond staande meestal een soort van introductie hooren, bijna binnensmonds: „truu, truu, truu,” ietwat herinnerend aan het gekrieuw van kippen, maar er zit meer klank in. Dan gaat hij vliegen en dan komt het welbekende „kloeiet, kloeiet” dat langzaam maar sterk wordt uitgeroepen, de eerste lettergreep gerekt, de tweede korter. Langzamerhand wordt het tempo sneller, de articulatie zwakker en er ontstaat een soort van gejodel, dat mij in de ooren klinkt als „keloeje, keloeje, keloeje.”
Aan deze geluiden heeft hij zijn Engelschen naam van „curlew” en de Fransche „courlis” of „louis” te danken. Het mannetje is veel luidruchtiger dan het wijfje, dat echter gerust kan meedoen en alleen in de lang uitgehaalde mooie tirades te kort schiet.
In April ga ik er altijd op uit, om den wulp te zien dansen en het spijt mij altijd, als er een jaar voorbij gaat, zonder dat ik het gezien heb. Als nu iedere duinvallei een verliefd wulpenpaar herbergde, dan zou dat veel makkelijker gaan.
De heele vertooning is nog al gevarieerd en doet denken aan de vertooningen van vele andere vogelsoorten. Het begint met een paar kraanvogelpassen; de wulp stapt in ’t rond met stijve beenbewegingen en herhaald opheffen en nederdalen van den langen [104]snavel. Dan staat hij opeens stil en roept eenige malen kloeiet, kloe-iet. Een zeer zonderlinge indruk maakt het, dat hij daarbij meestal zijn aangebedene in het geheel niet aankijkt, maar als het ware in een welsprekend terzijde den hemel en de heuvels ten getuige roept, bij wat hem in vervoering brengt.

Nest en eieren van den Wulp. (Numenius arquata arquata.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 6 Juni 1905.
En dan gaat hij uitpakken. Zijn voornaamste voortreffelijkheden, snavel, vleugels en pooten en ’t mooie geluid heeft hij reeds vertoond, maar er is nog iets in petto. Hij gaat nu rondloopen met hangende vleugels (kluitenmanier) en klept herhaaldelijk den waaiervormigen staart uit- en in.
Deze pauwenmanoeuvre is heel mooi, want die staart is werkelijk een verrassing. De wulp is nog al eenvoudig van kleur en teekening; donkerbruine veeren met lichtbruine randen en aan de bovenzijde en aan de borst en buik geelgrijze veeren met donkere vlekken en strepen; heel mooi en des te mooier naarmate je het beter beziet, maar in ’t geheel niet opzichtig. Integendeel, de kleuren zijn zoo, dat de broedende vogel haast niet kan worden opgemerkt.
Maar onder die schutkleuren zit de witte rug, versierd met zwarte strepen en aan ’t eind daarvan de staart. Die bestaat uit driemaal vier veeren; de middelste vier zijn aschgrauw met een tiental zeer donkere dwarsstrepen en de vier buitenste aan elken kant zijn spierwit met tien zwarte dwarsstrepen. Soms zijn er negen, maar dat doet er niet toe.
Wanneer nu die staart wordt uitgespreid, dan komt er een bonte dambordfiguur, die al van heel ver duidelijk te zien is. Dat is me een beweging, zooals nu die staart uit- en inklapt. De vogel wordt hoe langer hoe meer opgewonden, nek en snavel bewegen zich in overeenstemming met den staart en eindelijk buigt hij voorover, legt den kop langs den grond, steekt den pronkstaart in de lucht en [105]blijft zoo eenige seconden onbeweeglijk stilstaan.
Soms raakt het wijfje nu ook een beetje aan het dansen, maar meestal doet ze wat schuchter en wil ze liever de plaats verlaten. Dan gaat de man als een dolle om haar heen loopen, tot ze hem zijn zin geeft, of ze drijft haar zin door en vliegt weg, waarop hij dan onder klagelijk gehuil mistroostig een kilometer of zoo de lucht rondvliegt met zweeftoeren op en neer als de baan van een montagne russe.
Ik had gehoopt, dat ze vaste paradeplaatsen zouden hebben, maar dat schijnt zoo niet te zijn. Mannetje en wijfje vliegen in April zoowat den heelen dag en vrij zeker ook den heelen nacht in elkanders gezelschap rond en als het wijfje zich ergens neerzet, dan is het mannetje dadelijk klaar, om zijn kraanvogel-pauwendans te beginnen. Mij dunkt, ze moet dat op ’t laatst wel wat vervelend vinden.
Het einde van ’t liedje is intusschen, dat het wijfje ten slotte terecht komt op de vier groote eieren en dat het mannetje de wacht moet betrekken op de heuvelen. Het bouwen van het nest veroorzaakt weinig moeite; het nest op onze fotografie is een der best afgewerkte, die ik ooit van een wulp gezien heb. Er blijkt ook uit, dat de vogel gaarne gebruik maakt van een begroeiden ondergrond, in ons geval was er een dikke laag van rendiermos.
De broedende vogel zit met den nek ingetrokken, den snavel neergebogen, vaak rustend op den grond. In ’t eerst is hij erg schuw en bij het minste alarm sluipt hij weg van ’t nest, om een heel eind verder op te vliegen. Naarmate het broeden vordert, wordt de vrees overwonnen door de zorg en zoo kan het dan gebeuren, dat ge, mits rustig loopend en wakker uitziend, vlak bij een broedenden wulp kunt stilstaan, zonder dat hij wegvliegt.
Maar het groote oog is in angstige spanning op [106]u gericht, iedere zenuw is in werking, elke spier tot den arbeid gereed. Plotseling begeven alle remzenuwen het; met een sprong en een schreeuw, met de hevigheid van een ontploffing, gaat de vogel de lucht in. De vrees heeft overwonnen.
Wat nu nog onze foto betreft, zou ik wel willen weten, hoe dat konijnepilletje in het nest komt. Is het een onbescheidenheid van de konijntjes of een bewijs voor de hypothese van Selous?
Van de jonge wulpen weet ik zoo goed als niets. Wel, dat ze zeer kort na het uitkomen het nest verlaten en de kunst van schuilvinkje beter verstaan dan eenige andere steltlooper. Waren er wat meer broedende wulpen in onze duinen en op onze heiden, dan was de kans op een ontmoeting natuurlijk veel grooter.
Nu zie ik ze pas, als ze al lang vlug zijn en in de maanden Juli en Augustus met ander jong goed vliegen van het strand naar de weide, van de weide naar het strand. In de boeken staat, dat de wulpen onder elkaar zeer gezellig zijn, maar zich met andere vogels niet ophouden. Dit laatste is wat de jongen betreft, beslist onwaar. Iederen zomer kunt ge ze aantreffen in gezelschap van jonge grutto’s en jonge scholeksters op de hooge weiden in ’t midden van Texel, op het slijkerig strand bij Valkeveen in ’t Gooi, op ’t Friesche wad en aan de weinige duinplassen, die ons nog resten. Ze zijn als jonge vogels altijd dadelijk te kennen aan den vrij korten snavel, de tamelijk dikke pooten en aan den lichteren tint van het gevederte, dat in zijn lichte partijen bij hen wit, bij de ouden geelachtig is. Ook zijn ze aan staart en onderzijde minder gevlekt.
Doordat ze minder schuw, minder voorzichtig of minder waakzaam zijn, dan de ouden, is het nog al gemakkelijk, iets gewaar te worden van hun manieren [107]en gewoonten. Op de hoogvlakte is hun voornaamste bezigheid stilstaan, slapen en insecten vangen. Vogels zijn virtuosen in het stilstaan en stilzitten, vooral de zwemvogels en steltloopers. Meestal doen ze dat, omdat ze niets anders te doen hebben. Zoo ook deze jonge wulpen, ze staan letterlijk als beelden en heel dikwijls vierkant op twee pooten.
Soms geeuwt er een, maar er kan een kwartier voorbijgaan, voordat er een een vin verroert. Toch is dat stilstaan niet altijd niets doen, want nu strekt er een plotseling den nek, buigt den snavel naar den grond en hapt een insect op. Ook gaat soms een geopende snavel de hoogte in, klapt dicht, en de dikke vlieg of het mestkevertje is gevangen.
Bijna alle steltloopers vangen insecten op deze manier, niet als hoofdbezigheid, maar als meevallertje gedurende de siësta. Ik heb wel gezien, dat lepelaars zoo hapten naar libellen en dat was een heel geval, zooals die groote breede snavel door de lucht gezwaaid werd en de platte kaken samenklapten om het dunlijvig insect.
Als er wat veel sprinkhanen in een wei zijn, dan maken de wulpen er formeel jacht op. Ze stappen heen en weer door ’t gras en waar maar een sprinkhaan zich verschrikt uit de voeten maakt, wordt hij dra achterhaald door den snel vooruitgestoken krommen snavel. Soms ook raakt de heele wulp in een draf en als een heele troep in een weiland bezig is, dan wordt dat een heel aangename en tierige vertooning. Er wordt geen woord bij gesproken.
Opeens vliegen alle wulpen op. De grutto’s en tureluurs blijven op het weitje, maar de wulpen vliegen westwaarts; eerst in een troep, dan in een breede lijn en eindelijk in een V. Die verschikkingen gaan zoo geleidelijk en gewoon, dat ge vanzelf de overtuiging krijgt van hun noodzakelijkheid. Als ze in [108]den V-vorm vliegen, dan profiteeren ze ieder zooveel mogelijk van elkanders vleugelbewegingen.
Het is niet zoo heel gemakkelijk, zich een goede voorstelling hiervan te vormen. Meestal stelt men zich tevreden met te denken dat de V-vorm een vliegende troep beter in staat stelt, om de lucht te doorsnijden. Ik geloof niet, dat dit in de eerste plaats van belang is. Indien we de lucht rondom een vliegenden vogel eens zichtbaar konden maken, dan zou blijken, dat iedere vliegende vogel omringd wordt door een groot aantal luchtstroomingen, die hij zelf veroorzaakt met zijn vliegbeweging.
Elke vogel is zoodoende het middelpunt van een stormsysteem. Nu gaan de vogels zich zoo plaatsen, dat ze zooveel mogelijk voordeel hebben van elkanders luchtstroomingen. Een klein verschil in plaats, een kleine verandering in het tempo van de vleugelbeweging kan het voordeel doen verkeeren in nadeel Dit zou allemaal wiskundig kunnen worden aangetoond.
Men behoeft maar even aandachtig naar een troep vliegende ganzen of wulpen te zien, om de overtuiging te krijgen, dat de beweging van den heelen troep en elke beweging van de afzonderlijke individu’s aan bepaalde wetten gebonden is. Het geheel maakt een heerlijken indruk van harmonie. Let er vooral op, dat de bewegingen niet gelijktijdig gebeuren, maar bij iederen volgenden vogel een deeltje van een seconde later, dan bij de vorige, zoodat er een regelmatige bewegingsgolf door den heelen troep vaart.
Waar gaan onze sprinkhaanjagers nu zoo ineens naar toe? Wel naar de zee: het ebt, de slikken loopen droog en nu kunnen ze daar in zeer korten tijd een copieus maal verorberen.
Hoe weten ze zoo precies, dat juist nu zes kilometer [109]hier vandaan aan de andere zij van de hooge duinen krabbetjes en klein goed te verkrijgen is? Hoe wist heel Gallië in minder dan geen tijd elk belangrijk nieuws? Wel, de eene Galliër schreeuwde het more suo den andere toe en zoo verspreidde het nieuws zich met de snelheid van het geluid, dat is 333 M. per seconde.
Met de eb-tijding gaat het op dezelfde manier. De vogels dicht bij ’t strand zien, dat er wat te bikken valt en vliegen er heen. Anderen zien dit gebeuren en richten ook hun vlucht dien kant uit en zoo beweegt zich dan binnen weinige seconden de heele troep van meeuwen, scholeksters, wulpen en kraaien zeewaarts. Op een hoog duin in een drukke vogelbuurt kan men dit op de minuut af zien gebeuren. Aan de Zuiderzee met zijn gering verschil in waterstand gaat het niet zoo punctueel toe, hier regelen zich de bewegingen meestal naar den stand der zon.
Aan ’t strand gedragen de wulpen zich op velerlei manier. Ze pikken rond in het aanspoelsel, dat geheel op ’t droge ligt, in de terugtrekkende golf, en op de slikken visschen ze de slijkpoelen en kreeken af. Dat is eigenlijk hun hoofdbezigheid. Met wat een vuur en overtuiging steken ze den buigzamen snavel met de harde punt in de weeke modder. Hoe weten ze de kleine diertjes uit te zoeken en haastig naar binnen te werken?
Het water is hun niet licht te diep. Ze houden ervan, om tot over de hielen door ’t nat te plassen en als er een ondoorwaadbaar gedeelte komt, dan zwemmen ze rond met evenveel gemak als een kluit of een scholekster. Ze hebben dan ook vrij belangrijke zwemvliezen tusschen alle drie de voorteenen en hun veeren worden niet gauw nat.
In het najaar zijn de wulpen geduchte besseneters. [110]Het meerendeel van de kraaibessen van Bergen en de Noordzee-eilanden valt hun ten deel en zij dragen niet weinig bij tot de verspreiding van deze plant. Overal vindt ge daar in Augustus de blauwe uitwerpselen met de zaadjes er nog in en menige duinenvallei, die tien jaar geleden niet anders was dan eene kale vlakte, is nu aardig begroeid door de goede zorgen van onzen kromsnavel.
Op Terschelling komen zij ook hun deel eischen van de mooie roode bessen van de lepeltjeheide (Vaccinium macrocarpon) en alweer is het aan hun hulp te danken, dat deze fraaie en voordeelige plant zich thans heeft uitgebreid tot de meest westelijke valleien van Terschelling en zich ook reeds op Vlieland, op Texel en op het vasteland begint te vertoonen.
In ’t Oosten van ons land voedt hij zich met de andere Vaccinium-soorten, zoodat hij een bessenkweeker van den eersten rang mag heeten.
Hoogstwaarschijnlijk gaat het met de wulpen als met de jonge zwartkopmeeuwen en broeden zij niet voordat zij twee jaar of ouder zijn. Zoo komt het, dat er het heele jaar ongepaarde wulpen rondzwerven door duin en hei en langs het strand.
Er komt zelfs in ons land een wulpensoort voor, die hier nooit broedt, nl. de regenwulp, die van de gewone gemakkelijk te onderscheiden is door zijn geringere grootte en een lichten streep over het midden van den kop. Deze vogel heeft zijn broedplaatsen in ’t Noorden, maar de ongepaarde exemplaren blijven rondzwerven langs de heele Atlantische kust.
Met onzen grooten wulp gaat het net zoo. Hij nestelt nog in België, Frankrijk en Spanje, maar al deed hij dat niet, dan zouden daar in den zomer nog wel zwervelingen worden aangetroffen. Ja, wij kunnen aannemen, dat er in het najaar wulpenposten zijn [111]van Noordkijn tot Cap Verd en misschien wel tot aan de Tafelbaai.
Dit is voor den trek der vogels van de allergrootste beteekenis. De groote vraag: „hoe weten de vogels hun weg?” is voor de wulpen heel gemakkelijk te beantwoorden. Ze vinden hun weg, net als een fietser door Nederland, doordat er overal wegwijzers zijn.
Ze trekken zoowel bij dag als bij nacht, soms laag, soms zeer hoog, maar meestal met luid geroep. Het is voor den natuurvriend een van de heerlijkste gewaarwordingen, om hun wild „tloe-iet, tloe-iet” te hooren, ’t zij op den middag boven de drukte van de stad, hetzij in den stillen nacht. ’t Meest zijn ze te hooren in September en October na stormachtig weer.
O, ’t kan soms zoo ver en zoo fijn klinken. Maar hoe ver en fijn ook, altijd hooren andere wulpen het nog veel fijner en beter dan gij en die geven onmiddellijk antwoord. Zoo wordt de troep voortgeleid van strand tot strand en wanneer ze zich neerlaten, om te rusten of voedsel te zoeken, dan vinden ze dadelijk kameraden, die daar de kaart van het land kennen en bij wie ze zich kunnen aansluiten.
De terugtocht in de lente is weinig lastiger, want ook gedurende den winter blijft de postenketen bestaan, daar de meest geharde en sterkste individu’s het meestal met succes probeeren, om in de Noordelijke gewesten te blijven vertoeven.
Het gezelligheids-instinct komt hierbij onze wulpen dus heerlijk te pas en die enkele lokroep van „tloe-iet, tloe-iet” vervangt al onze reisboeken en atlassen. Daarom hoor ik hem zoo graag. [112]
Natuurlijk gelooft geen mensch het geitenmelkersprookje. Ook is het niet verzonnen door onze boeren, of door de Engelsche, Fransche of Duitsche, Hongaarsche, Zweedsche of Spaansche boeren, want die zijn daarvoor allemaal te slim of te onverschillig. De meeste plattelandsmenschen kennen den vogel heelemaal niet en het verhaal benevens den naam van geitenmelker is doodeenvoudig een gevolg van de omstandigheid, dat tot voor een paar eeuwen de natuurlijke historie der dieren altijd gebaseerd is op de werken van Aristoteles of Plinius.

Broedende Geitenmelker of Nachtzwaluw. (Caprimulgus europaeus europaeus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 4 Juli 1905.
Bij Plinius is dan ook het heele verhaal te vinden: „Caprimulgi appellantur grandiores merulae adspectu fures nocturni, interdiu enim visu carent. intrant pastorum stabula caprarumque uberibus advolant suctum propter lactis, qua iniuria uber emoritur caprisque caecitas quas ita mulsere oberitur.”
„Geitenmelkers noemt men tamelijk groote nachtroovers, die wel wat lijken op merels. Af en toe ontbreekt hun het gezichtsvermogen. Zij gaan in de stallen der herders en vliegen naar de uiers der geiten, om er de melk te zuigen. Door dit letsel sterft de uier af en de geiten, die aldus gemolken zijn, worden er blind door.” [113]
Dat is zoo van geslacht op geslacht naverteld door menschen, die nooit een nachtzwaluw gezien hadden. Maar zoodra iemand den vogel kent, dan spreekt hij ook onmiddellijk de mythe tegen en nu moesten we dien onplezierigen naam ook maar afschaffen. Ik wil dus voortaan alleen spreken van de nachtzwaluw.
Wel kan tegen dien naam worden ingebracht, dat onze vogel eigenlijk geen zwaluw is en geheel buiten de verwantschap van huis- en boerenzwaluwen staat, maar dat is overigens geen overwegend bezwaar. Een waterhoen is ook geen hoen. „Vliegende pad” zou in ieder geval nog veel erger zijn en „dagslaap” vind ik een leelijk en misleidend woord.
Vooreerst slaapt de vogel lang niet den geheelen dag en ten tweede wil ik een naam hebben, die hem mij teekent niet in zijn minst interessante rusturen, maar in al de gratie en activiteit van zijn nachtelijk bestaan. En daarom zal hij nachtzwaluw heeten.
Hoe heerlijk is het, den vooruitgang van de lente te gevoelen door de verandering van geluid in bosch en veld. Eerst komen de heldere, blijde jubelzangen van lijsters, leeuweriken, winterkoninkjes en vinken, dan ’t liefelijk gekweel van roodborstjes, fitisjes, roodstaartjes, dan de extase en hartstocht van nachtegaal en zwartkopje en eindelijk de bijzondere zomergeluiden van wielewaal en nachtzwaluw. De frischheid is nu zwoelte geworden, de teere knop heeft zich ontplooid tot een kleurige bloem, die bedwelmende geuren in ’t rond spreidt. Als de nachtzwaluw voor goed is aangekomen, dan bloeit de meidoorn, dan ontluikt de eerste bloem van den egelantier.
Het bestudeeren van de natuurlijke historie van [114]de nachtzwaluw behoort dan ook tot de aangenaamste en gemakkelijkste bezigheden van den ornitholoog en ’t is eigenlijk een groote schande, dat we omtrent enkele van zijn gewoonten nog in ’t onzekere verkeeren. Als verontschuldiging kan aangeroerd worden, dat de duisternis de waarnemingen bemoeilijkt en dat zelfs het volste vollemaanlicht in kracht verre bij het daglicht achterstaat.
Wij willen daarom met ’t daglicht beginnen. De nachtzwaluw heeft evenals de meeste vogels zijn lievelingsplekjes, zijn lievelingstak. Wat hem leidt bij de keus van zulk een plaats is moeilijk te zeggen, maar zeker is het, dat jaar in jaar uit deze vogels dezelfde plekjes bezoeken. Dat zijn dan soms dezelfde individu’s, maar het komt ook voor, dat wanneer de bewoners van 1905 om het leven zijn gekomen, een ander nachtzwaluwpaar hetzelfde verblijf weer betrekt.
Van deze omstandigheid maak ik altijd gebruik, om mijn vogels te bezien. Nu weet ik, dat in die of die vallei, onder den een of anderen boom een nachtzwaluw huist, dat hij er overdag uitrust, of dat hij er eieren of jongen heeft.
En nu is niets gemakkelijker, dan die plek te besluipen of stoutweg erheen te wandelen. Ik prefereer nog altijd de sluipmanier, want ik ben er nog altijd niet zeker van, of ik den vogel wel tijdig genoeg zal zien. Dikwijls heb ik hem opgejaagd, eer ik vermoedde, dat ik zoo vlak bij hem was.
Maar als je nu de plek besluipt en heel opmerkzaam iederen duim gronds monstert, steeds denkende aan den vogel en zijn wonderbare schutkleur, dan kunt ge het groote genoegen beleven van een langwerpig stuk boomschors of een plek in den grond te zien veranderen in een goed belijnden, mooi gevormden, zeer mooien levenden vogel. [115]
Dan is het een lust, om met den kijker veertje voor veertje na te gaan en dan krijg je ook wel trek, om die zachte veeren te betasten en te verschikken en de groote wieken te ontvouwen en weer toe te slaan. Wie daar nu erg naar verlangt, moet maar wachten, totdat hij bij gelegenheid eens een doode nachtzwaluw in handen krijgt.
Intusschen ben ik er ruim mee tevreden, als ik den vogel op tien meter afstand in ’t veld van een goeden kijker heb. Ieder veertje, ja ieder baardje is duidelijk te zien. Hoe prachtig sluiten de kleurplekken der afzonderlijke veertjes aan elkander, zoodat ze te zamen het stelsel van donkere en lichte lengtestrepen en fijne dwarsteekeningetjes opleveren, waardoor de eigenlijke lichaamslijnen te loor gaan, zoodat het dier ’t uiterlijk krijgt van een onbezield voorwerp.
Zeer mooi is op onze foto te zien, hoe de donkere omgeving van ’t oog juist aansluit bij een donkere rugvlek, hoe borst en keel en vleugeldekveeren een tweede donkere streep opleveren en hoe de grijze strook daartusschen volkomen harmonieert met den zandbodem, met het rendiermos en met de uitgebleekte grassprietjes van het vorig jaar.
Natuurlijk dringt zich telkens de vraag op: „Weet de vogel, dat hij door zijn kleur zoo goed beschermd is en kiest hij met voordacht plekjes uit, waar hij van zijn schutkleur profiteeren kan?”
Ik kende een mannetje, dat zat in ’t eind van Augustus altijd op zijn eentje te dutten in een klein valleitje, door grove dennen omringd. Hij was als mannetje te kennen aan de twee groote zijdelingsche vlekken aan den staart en witte vlekken op de vleugels. Het liefst zat hij aan den voet van een ouden den. Daar groeide een weinig slaapmos, wat rendiermos en er lagen ook brokken tak en schors [116]van den boom: een echte traditioneele nachtzwaluwrustplaats.

Eieren van den Geitenmelker of Nachtzwaluw. (Caprimulgus europaeus europaeus.) (L.)
Landgoed Naaldenveld onder Vogelenzang, 6 Juni 1903.
Toen ben ik begonnen met de brokken tak en schors op te rapen en daar gaf de vogel niets om; hij zat er ’s middags weer, alsof er niets gebeurd was en kwam ook terug, toen ik het mos had verwijderd. Maar nadat ik de heele plek met mijn schopje had omgewoeld, meed hij het witte zand en sloeg hij zijn tenten een meter of tien verder op onder een eikje, waar de grond weer een gevarieerd uiterlijk had.
Op onze foto is gelukkig ook te zien, dat de nachtzwaluw niet altijd slaapt: zijn oogen zijn open en hij heeft zijn kop niet in de rugveeren. Ik weet zeker, dat het broedende wijfje het grootste deel van den dag niet slaapt, maar wakker en wel op haar twee eieren zit. Soms knipoogt ze heel duidelijk en een enkelen keer heb ik haar zich zien verlustigen in een echte onverholen geeuw.
Dat is nog eens iets, een geeuw van een nachtzwaluw. Eerst hief ze den kop met het kleine snaveltje een eindje omhoog, toen ging de ondersnavel naar beneden en toen, ja toen leek het alsof de vogel in de lengte doormidden zou worden gescheurd. Ge ziet op onze foto onder het oog de duidelijke witte streep, die even voorbij het oog de breede lichtgrijze strook raakt. Welnu, die streep wordt gevormd door de witte veertjes langs de bovenkaak en de mondhoek is dus voorbij het oog. Stel u nu maar voor, dat het heele stuk lichaam, dat ge eerst voor keel en borst gehouden hebt, eigenlijk onderkaak is en nu naar beneden gaat, totdat de mondhoek een wijdte heeft van 90°.
Het is, om zoo te zeggen, onmetelijk. Het fijne snaveltje, dat juist geschikt lijkt, om nuffige kleine zaadjes van den grond te pikken, of bladluizen af [117]te lezen van de boomen, verandert op eens in een gapenden afgrond, groot genoeg, om de grootste van onze inlandsche kevers of vlinders te verzwelgen.
De binnenkant van dien muil is donker roodachtig paars; van een tong is weinig of niets te bespeuren; die is maar heel klein.
Met een klap slaan de kaken weer dicht en de geeuw is volbracht. Ik heb al veel vogels zien geeuwen: musschen, vinken, lijsters, vliegenvangers, sterntjes, meeuwen, scholeksters: die geeuwen, zooals vogels geeuwen, maar een nachtzwaluw geeuwt als een mensch.
Nu zit de vogel weer stil; wakend, maar onverschillig. Een hagedisje komt te voorschijn met geritsel van bladeren en loert op een groote groene vlieg, die zich warmt op den heeten zandgrond. Die loopt vlak langs de nachtzwaluw heen en ondergaat dan zijn noodlot. De vogel heeft geen veertje verroerd, niet eens geknipoogd.
Dit is een bewijs van groote inertie, want een vlieg is altijd welkom en vooral voor een broedende vogel een hoogst welkome tijdpasseering en versnapering.
Doordat we nu de ligging van de kaken kennen, zien we ook gemakkelijker de groote stijve haren, die uit de bovenkaak ontspringen. Het zijn zwarte glimmende borstels, die algemeen beschouwd worden als vangharen, maar ik zou ze toch liever tastharen willen noemen.
Wat eet de nachtzwaluw en hoe bemachtigt hij zijn prooi? Daar is al heel veel over geschreven, maar het rechte weten wij er nog niet van, zoodat ik u alweer moet verzoeken, ook in deze een beetje mee te helpen.
Meestal wordt de nachtzwaluw voorgesteld als [118]een soort van lucht-walvisch, die met wijd geopenden muil in duizelingwekkende vaart door de lucht schiet en dan, vooral met behulp van die vangharen, alles door zijn keelgat jaagt, wat hij op zijn baan kan inhalen. Nu heb ik jaren achtereen in de avondschemering zoowel als in den morgenstond met gewapend en ongewapend oog uren lang naar de vliegende nachtzwaluwen gekeken, en dat wel op plaatsen, waar er soms drie of vier, ja zes tegelijk rondvlogen, maar van die lucht-walvischmethode is mij nooit iets gebleken.
Ik geloof er dan ook in ’t geheel niet aan, want indien de vogel met wijd geopenden bek rondvloog, dan zou hij een onoverkomelijken weerstand ondervinden. Het vogellichaam is er juist op ingericht, om de lucht te doorklieven; naar voren toe wordt alles spits en smal en nu zou deze vogel gaan rondvliegen met een trechter van verscheidene vierkante centimeters groot voor voorsteven! Ik zou het moeten zien, om het te gelooven.
Wel heb ik gezien, dat ze Julikevers vingen; dat was heel mooi. Ieder Hollander kent natuurlijk het meertje van Caprera, ook wel genaamd het meertje van Berkhout, halfweg tusschen Bloemendaal en de ruïne van Brederode. Vlak achter dat meertje ligt een hooge duin, de laatste verheffing van de reeks, die bij Kijkduin begint en zich over het Kopje en het Koninginneduin tot zoover uitstrekt.
Het bovenste gedeelte van deze duinhelling is heel aardig begroeid met beuken, eiken en hazelaars en als we een Julikever-jaar hebben, dan snort en bromt het daar ’s avonds van die groote diklijvige bruin-met-witte torren. De zon gaat juist onder achter den vuurtoren van IJmuiden. Zandvoort, Haarlem, Amsterdam en de Zaanstreek steken hun lichtjes op, een lichte nevel zweeft over het weiland om [119]’t meertje en over het land langs Liede en Spaarne aan gene zijde van het Schapeduin, waar de zanglijsters hun avondlied galmen en de laatste nachtegalen fluiten. Een roodborstje zit te zingen in den hoogsten dorren eikentak van den duintop, het roode borstje gekeerd naar de roode ondergaande zon. Zacht ruischt de zee in de verte.
Wij zitten tusschen de duindoorns, geheel verscholen maar met een vrij uitzicht naar alle kanten. Er ritselt iets in ’t eikenloof, alsof er wat valt en nu dwarrelt daar heel langzaam een duistere gestalte omhoog, vierkant en groot, met breede, snel trillende vleugels en op den kop een dubbele pluim van tasters. ’t Is een mannetje van de Julikevers.
Dra volgen er meer, ook wijfjes, en dat dwarrelt en zwiert al door elkander langs den helderen avondhemel, een meter of vijf boven den duintop en de eikenkronen. Soms vallen ze bij paren neer in de toppen van het bosch, maar er komen er uit het donkere gebladerte steeds weer nieuwe te voorschijn, zoodat de lucht vervuld blijft van groote snorrende kevers.
Indien wij wilden, zouden we naar de eikjes kunnen gaan, om daar op de takken in koortsige drift de logge kevers met hoogopgerichte sprieten te zien ronddribbelen, nu eens op den tak, dan tuimelen ze om, maar met hun groote scherpe klauwen houden ze zich vast en klauteren ze er weer boven op. Het is niet eens gemakkelijk, ze van den tak los te maken en voortdurend protesteeren ze dan met snerpend gepiep.
Doch we blijven liever liggen; er is beters in ’t zicht. Een paar groote, breedvleugelige vleermuizen zijn uit de vallei komen opdagen, belust op vette prooi. En terwijl we die nazien in hun grillige vlucht, doorsnijden opeens een paar groote sikkelvormige [120]vleugels de lucht en een groote vogel zwaait geruischloos door de gonzende torren. Nog een komt er en weer een en nu liggen we hier in den lauwen zomeravond, boven op het duin met de lucht vol Julikevers, vleermuizen en nachtzwaluwen; een eerste-rangplaats bij een welverzorgd tooneel.
Nu komt het er op aan, om voet bij stuk te houden en niet geheel en al onder den indruk te raken van dit wonderlijk natuurtafereel, met al zijn passie en verschrikking. Vergeet niet, dat wij hier liggen, om uit te maken, hoe de nachtzwaluw zijn prooi grijpt en niet, om ons te verdiepen in de beteekenis van vernieling en dood. Dat komt later.
Al heel gauw vertelt de kijker, dat ’t met de walvischtheorie mis is, de nachtzwaluwen vliegen met gesloten bek. Wanneer ze bij een kever komen, dan is die opeens als met een tooverslag verdwenen en hoe dat nu precies gaat, is niet zoo gemakkelijk uit te maken. Ik krijg den indruk, dat ze, vlak bij den kever gekomen, die ineens ophappen.
Als de kevers pas uit de eiken opstijgen, dan is hun vlucht onzeker, vol afwisseling in snelheid en richting. Maar na een poosje krijgen ze hun vaart en dan gaat het in mooie vaste vlucht omhoog. Nu heb ik dikwijls gezien, dat de nachtzwaluw dit oogenblik afwachtte en klapwiekend bleef stilstaan in de lucht, totdat de kever goed stuur hield. En dan schoot hij er als een bliksemschicht op af en de brommer was verloren.
Soms gaat het vrij langzaam en vliegt de nachtzwaluw een poosje gelijk op met den kever. Opeens duikelt en zakt hij en de kever is weg. Hij heeft met zijn vlerk den kever geraakt, zoodat deze niet meer vliegen kon, en voor dat het vallend insect den grond kon bereiken, heeft de vogel hem gesnapt.
Op deze manier slaat hij ook insecten van de [121]boomen; dat heb ik hem in Zeddam zien doen met berken-bladwespen. Een groepje berken bij den tol aan den Terborgerweg zat vol met bladwespen, en nu kwamen ’s avonds de nachtzwaluwen uit het dennenbosch die wespen van de bladeren tikken.
Zelfs kunnen ze voedsel van den grond opnemen. Ze bidden dan eerst in de lucht, vallen neer naast hun prooi en happen die dan zittend op. Sterntjes doen dat ook.
Maar ’t mooist van alles, dat heb ik nog nooit gezien. Gilbert White vertelt al, dat de nachtzwaluw zijn prooi grijpt met zijn poot en J. A. Owen heeft dit in den jongsten tijd ook beweerd en het volgehouden, toen een der grootste ornithologen van onzen tijd, Lord Lilford, haar erover interpelleerde. Zij zegt, dat de vogel zijn buit rustig en netjes (deftly) greep met zijn poot en toen naar den mond bracht.
De klauw van den middenteen heeft naar binnen een hoornachtige verbreeding, die bij oudere vogels insnijdingen krijgt en zoo een soort van kam wordt. Deze kam zou dan het aangrijpen en vasthouden vergemakkelijken. Het spijt mij zeer, dat ik met zekerheid hier nog niets van kan zeggen, aan den anderen kant is het prettig, dat we aan dat vraagstuk nog eens een paar zomeravonden of zomermorgens kunnen besteden.
Ik raad u aan, de nachtzwaluw ook te bestudeeren in den morgenstond. Hij is dan even actief als ’s avonds en het helderder wordend morgenlicht maakt de waarneming gemakkelijker. Hij blijft nog wel eenigen tijd na zonsopgang aan het werk, langer dan men wel zou meenen. Ook begint hij in de eerste dagen van Juni reeds voor zonsondergang; hij is dan veel minder slaperig dan anders en raakt ook wel eens op klaarlichten middag in extase. [122]
De extase van de nachtzwaluw uit zich op velerlei manier. Voor zoo’n slaapkop pakt hij nog al heel aardig uit; hij evenaart met gemak al de vertooningen van kieviten, wulpen en scholeksters.
Alleen doet de zang van de nachtzwaluw ons veel rustiger aan en dat komt wel, doordat het geluid zoo zonderling en vreemd is en in ’t geheel niet herinnert aan menschelijke gemoedsuitingen.
Als ik den nachtegaal hoor, de boomleeuwerik of de fitis, dan zijn dat voor mij niet alleen vogelgeluiden, maar zeer duidelijk en diep te voelen vertolkingen van stemmingen, die ik als mensch heb doorgemaakt. Die passie, die innigheid, die weemoed zijn mij niet vreemd; ik heb menschen zoo hooren spreken of zingen, ik heb gewenscht, ook mijn gevoel zoo klaar en rein en sterk te mogen uiten. Hierdoor ontstaat een gevoel van sympathie, dat voor ons den vogel verheft tot mensch, of ons verheft tot de vogels.
Natuurlijk is dit een zuivere gevoelskwestie en de wetenschap der ornithologie wordt er weinig door gebaat, tenminste niet onmiddellijk.
Bij den zang van de nachtzwaluw echter kan ik zuiver objectief blijven: het rateltje wordt in ons orkest niet meer gebruikt. Dit geregeld gesnor is niets anders dan een natuurgeluid, evenals het verwijderd gedruisch der kikvorschen of het pas verstomde gesjirp der sprinkhanen, en wij nemen het waar, meer met nieuwsgierigheid dan met instemming.
’t Is een wonderlijk geluid: zacht en toch doordringend, want het is op grooten afstand te hooren, wel tweehonderd meter ver. Dichtbij is het bijzonder krachtig: de letter r twintig seconden lang volgehouden op eenzelfde toonhoogte, dan een paar seconden wat lager en dan weer zeer lang op de oorspronkelijke [123]toonhoogte. Het inzetten is meteen krachtig en beslist en aan het einde is ook geen sprake van decrescendo. ’t Is doodgewoon ineens bom-uit.
In ’t begin van Mei snorren wel vijf, zes vogels tegelijk in één klein duinvalleitje. Kom je daar dan den volgenden avond met vrienden, om die ook te laten genieten, dan blijft het dikwijls doodstil. Het waren vogels op den trek, die nu alweer verder zijn. Morgen komen er misschien weer andere.
In onze duinstreek is heel goed op te merken, dat de voorjaarstrek lang niet geschiedt met de snelheid en hartstocht, waar Gätke van gewaagt. Hij vertelt, dat de vogels linea recta langs den kortsten weg en met zoo weinig mogelijk oponthoud naar hun broedplaatsen trekken. Maar in onze Bloemendaalsche duinen vinden die trekkers het zoo plezierig, dat ze hier dikwijls een paar dagen vertoeven, zingend en spelend zonder eenigen kommer of overhaasting. Nu eens zijn ’t nachtzwaluwen, dan weer boomleeuweriken, zwartgrauwe vliegenvangertjes of tapuiten, om van sijsjes en goudhaantjes niet eens te spreken. Sommigen blijven een dag, andere wel een week, zoodat we al gaan uitzien naar hun nesten.
In het laatst van Mei houdt dat op. De nachtzwaluwen, die er dan zijn, blijven en dat zijn er dikwijls nog zooveel, dat één vallei twee of drie nachtzwaluwparen herbergt. Het is dan ook niet ongewoon, dat er bij de ruïne van Brederode een half dozijn tegelijk rondvliegen.
De wijfjes snorren net zoo goed als de mannetjes. Nog op klaarlichten dag heb ik er een zien ratelen op een grenspaal midden in ’t duin. Toen zij opvloog was daar duidelijk te zien, dat staart en vleugels geen witte plekken vertoonden.
Maar het mannetje kan meer. Vooreerst snort hij [124]langer en luider en mooier dan ’t wijfje, altijd zittend. Dat wisselt hij af met zeer mooie vliegtoeren, op en neer en zijwaarts, in razende vaart en dan op eens dat prachtige stilstaan in de lucht: het bidden. Een minuut lang blijft hij op dezelfde plaats, de lange vleugels gaan zoo snel op en neer, dat ze nauwelijks meer te zien zijn, een geweldig vertoon van kracht, maar zonder eenige suizing of geluid.

Jonge Geitenmelkers. (Caprimulgus europaeus europaeus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 15 Juli 1905.
Ik heb het wel gehad, dat hij dat vlak voor mij kwam doen, terwijl ik door de duinen liep en ik kan u verzekeren, dat het een zeer bijzondere gewaarwording is, zoo van nabij op den keper bezien te worden door een biddende nachtzwaluw. Flap! deden de vleugels, en meteen was hij ervan door.
Wat kunnen ze met de vleugels slaan! Vier, vijf keer achtereen, een echt houtig geklepper. De vleugels komen niet tegen elkander, ’t is meer een zweepgeluid dan een kleppergeluid; ik heb ook dikwijls genoeg gezien, dat het met horizontaal uitgespreide vleugels werd voortgebracht. In die kleppervlucht wordt ook het meest den roep: „koeiek, koeiek” gehoord.
Nu neemt de vogel opeens een zwaai, raakt den grond en gaat nu langs den effen bodem voort, dertig meter ver, half loopend, half springend en vliegend. De lange vleugels blijven voortdurend uitgespreid, slaan nu eens tegen den grond, dan weer in de lucht, altijd met veel geraas, terwijl de vogel ook nog afwisselend roept en snort. Dat is de hoogste opgetogenheid.
Het wijfje zit daarbij op den grond goedkeurend „tuk, tuk” te roepen en komt bij de laatste parade ook wel een paar stapjes tegemoet.
De eieren worden gelegd op den kalen zandgrond, nooit meer dan twee. Ze zijn van alle andere vogeleieren [125]direct te onderscheiden, doordat het haast zuivere ellipsoïden zijn: er is bijna geen onderscheid in kromming tusschen de beide polen. De schalen zijn dof, witachtig met groote waterverfachtige, grijze vlekken; in den regel verschillen ze in kleur en teekening.
Ze worden 17 of 18 dagen bebroed door het wijfje en ’t mannetje, natuurlijk door het wijfje ’t meest en overdag evengoed als ’s nachts. Wanneer de eene vogel overdag zit te broeden, rust de andere meestal een heel eind verder. Het zou voor de hand liggen, dat hij, daar hij toch niets anders te doen heeft, de broedende vogel gezelschap zou houden, doch dat heb ik maar eens gezien.
En toen begreep ik meteen, waarom ze dat zoo weinig doen: één nachtzwaluw blijft licht onopgemerkt, maar wanneer twee van die groote, precies op elkaar gelijkende vogels (altijd behoudens de witte vlekken) zoo vlak bij elkaar zitten, dan vallen ze meteen in het oog.
De jongen zijn in de eerste dagen bedekt met fijn dons, maar voordat ze een week oud zijn, beginnen zich reeds de eigenlijke veeren te vertoonen. In hun donskleed zien ze er nog al ruig en haveloos uit. Zoodra echter de dekveertjes en pennen zich gaan ontwikkelen, worden ze onbeschrijfelijk prachtvol en lijken het allerkeurigst uitgedoste dametjes.
Elk veertje is een kunststuk op zichzelf, met echt Oosterschen rijkdom van teekening, vol arabesken en meanders in de allerfijnste kleurschakeeringen. Ze zijn geschikt in pluimen en festoenen, op den kop een kuifje van streepjesveeren, een fijn manteltje over den rug en neerhangende veeren om de flanken. Onze foto geeft een zeer goed begrip van dat weelderig kostuum.
Het is niet gemakkelijk, die jonge vogeltjes te [126]vinden. Het beste is, bijtijds te zoeken naar de eieren—die zie je gemakkelijker dan jongen—en dan dag aan dag de lotgevallen van de familie na te gaan.

Griel bij haar nest. (Burhinus oedicnemus oedicnemus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 17 Mei 1906.
Ook dit is nog lastig genoeg, want als de kleintjes wat opgroeien, worden ze ’s avonds ook al beweeglijk en loopen zij hun ouders tegemoet, als die ze komen voeren en zoo bevinden ze zich dan ’s morgens op een heel andere plaats dan ’s avonds. Toch kunt ge er meestal op rekenen, ze binnen een kring van 25 meter weer te vinden.
Heel in den eersten tijd, als ze zelf nog niet mans genoeg zijn, om te gaan rondwandelen, worden ze wel door de ouden versjouwd. Dat heb ik eens gezien. De oude vogel kwam bij het jong zitten en gaf hem telkens een duwtje, terwijl hij onophoudelijk „tuk, tuk” zei. Het jong piepte wat tegen, maar moest toch toegeven en werd zoo door den ouden vogel langzamerhand anderhalven meter op zij geduwd naar een plekje, dat zeker meer veiligheid bood.
Toen pakte ik het jong op en zette het een meter of vijf verder neer. Dat was een paniek. De oude schoot heen en weer, vloog mij rakelings langs het hoofd, ging snorrende op den grond zitten, liep klapwiekend voort, meestal met een vleugel hoog in de lucht, daarbij telkens struikelend en duikelend.
En toen ik mij weer in ’t bosch verscholen had, bleef hij nog een poos snorren en liet het jong waar ik ’t gezet had. Daar zat het een uur later nog en daar werd het ook door de oude gevoerd.
Dat voeren gaat heel mooi. De oude vogel komt bij het jong zitten. Dit is al levendig geworden, zoodra het zijn moeder zag en loopt nu schommelend op de oude toe. Deze doet den bek open en nu steekt het jong zijn heele kop erin, om zijn voedsel te bemachtigen. Het lijkt dan heusch alsof de oude vogel zijn jong gaat verzwelgen. [127]
Zelfs als de jongen reeds lang kunnen vliegen, worden ze nog door de ouden gevoerd, maar altijd zittend. Nog nooit heb ik gezien, dat ze in de vlucht gevoerd werden, zooals dat bij de echte zwaluwen geschiedt.
Van het trekken der nachtzwaluwen heb ik weinig gezien, niets anders, dan dat in het laatst van September op een avond een gezelschap van zeven van deze vogels voor mijn voeten opvloog. Ze reizen ’s nachts, in kleine troepen. [128]
Wanneer ooit een vogel miskend of mishandeld is door taxidermisten en teekenaars, dan is het wel deze aardige steltlooper. Ze weten nu eenmaal, dat hij groote uilenachtige oogen heeft, een ranke gestalte en hooge, dikke pooten en daarom moet er dan maar meteen een karikatuur van gemaakt worden. Misschien hebben de literateurs onder de ornithologen wel een weinig overdreven, als zij uitweidden over de zonderlingheid van dezen vogel, met name Selous, die hem verwant verklaart aan Don Quichotte en den Markies van Bradwardine.
Nemen wij nu uit onze collectie photografieën van den vogel, bukkend bij zijn eieren, dan valt daar wel wat voor te zeggen, want dat dier heeft wel wat van een berooid edelman. Doch dat ligt in dit geval toch meer aan het onvolkomene van de foto en de minder gelukkige pose. Wanneer de Venus van Milo eens instantané gekiekt had kunnen worden op ’t oogenblik, dat ze juist beginnen zou, om over een sloot te springen, dan zou dat er ook gek genoeg hebben uitgezien.
Maar zie nu eens de foto van den broedenden vogel. Waar blijft nu Don Quichotte of de Hansworst uit de vogelcollectie? [129]
Welk een edele, rustige houding. Hoe heerlijk wordt het groote oog omgeven door de sierlijk gebogen oogleden. De schedel welft hoog over het oog heen, de hals ontspringt stevig uit den romp. De korte rechte snavel met de duidelijke neusopening is volkomen gebalanceerd en de wijde mondspleet, die evenals bij de nachtzwaluw tot onder de oogen doorloopt, wordt tegelijk aangeduid en verborgen door een rij van stijve veertjes.
Zie, wat mooie partijen gevormd worden door de veeren van den mantel en de dekveeren van de vleugels. Hun sobere kleuren, geelgrijs met bruin, worden heel even afgewisseld door de witte streep op de vleugels en het wit en zwart van den staart. Daardoor komt wat afwisseling in de grijze schutkleuren, ja, daardoor wordt de vogel des te beter beschut, want nu worden de eigenlijke omtreklijnen verbroken en vervormd, zoodat op eenigen afstand de gewone vogelcontour bijna niet is op te merken.
Een prachtige vogel is de griel; op zijn minst even mooi als een wulp, een scholekster of een kievit, en stellig beter geproportionneerd dan de twee eerstgenoemde langsnavels. En met de dikheid van de pooten of van de hielen is het lang zoo erg niet, als wel verteld wordt; die valt bij de jonge vogels het meest in ’t oog, maar er zijn wel meer jonge vogels met logge, dikke pooten.
Ik heb de foto van den broedenden griel vergeleken met de gekleurde platen in een paar van de beste vogelboeken en met zeer groote verbazing en consternatie gezien, dat die zeer sterk van de waarheid afwijken. Die gekleurde platen zijn meestal gemaakt naar opgezette vogels. In den regel zijn die voorbeelden niet goed opgezet. De artist weet dat en al naar zijn kennis van vogels „verbetert” hij dan in zijn schets het opgezette exemplaar en zoo [130]krijgen we dan de fantasie-afbeeldingen, die in hoofdzaak wel eenig idee geven van vorm en kleuren dier vogels, maar eigenlijk toch allerdiepst gewantrouwd moeten worden.
Ongetwijfeld zal de vogel-fotografie, zooals die thans in vele landen met vlijt en succes beoefend wordt, groote verbetering brengen in de illustratie van ornithologische werken en zullen naar ik hoop binnen een tiental jaren de paskwillen van thans vervangen zijn door goed werk.
Dat goede werk kan slechts gedaan worden door artisten die gebruik maken van de photografieën en van de methode der photografen. Vooral het laatste is van belang: niemand kan een vogel schilderen, die niet uren lang met den verrekijker voor het oog den vogel in zijn doen en laten heeft gadeslagen.
Het observeeren van grielen is gemakkelijk genoeg, als men maar eerst weet, waar ze zich ophouden. In ons land komen ze meest voor in de duinstreek tusschen Den Haag en Den Helder, vooral in de Schoorlsche en Berger duinen en in de duinen van Velzen en Bloemendaal. Ieder jaar hebben we hier eenige broedende paren; in 1903 heeft een grielenpaar zelfs een zekere beroemdheid verworven door te broeden in Aardenhout, vlak bij een drukke villabuurt met de electrische tram en al den aankleve van dien.
Er wordt in de boeken altijd hoog opgegeven van des grielen schuwheid. Hij is echter volstrekt niet schuwer dan een wulp of een kraai en dat hij door zoo weinig menschen gezien wordt, ligt hem alleen aan de zeldzaamheid van den vogel en aan de zeldzaamheid van de menschen, die er werkelijk eens een paar uur voor over hebben, om te probeeren, hem te zien te krijgen.
De griel is een nachtvogel. Dat is nu eigenlijk [131]niets bijzonders, want de meeste vogels zijn nachtvogels gedurende den voorzomer. Eigenlijk is het dan nooit nacht, theoretisch is de avondschemering niet eens geëindigd, wanneer de morgenschemering reeds begint. De steltloopers zijn den heelen nacht bezig in de weiden en aan de zee, en een groot aantal zangvogels blijven voortdurend monter of rusten alleen een uurtje vóór en na middernacht.
Het eenige verschil is, dat sommige vogels op den dag meer rusten of slapen dan andere, en in dit opzicht gedraagt de griel zich dan ongeveer zooals de uilen en de nachtzwaluw. Geen van deze vogels rust echter den geheelen dag, eigenlijk kunt ge ze op alle uren wakker en vliegend aantreffen.
De groote vogels van het duin komen alle van tijd tot tijd naar de vlakte, hetzij om voedsel te zoeken op de weilanden, hetzij om te baden en te drinken. Vroeger, toen de duinen waterrijk waren, geschiedde dat misschien in mindere mate, maar thans is het een onvermijdelijke noodzakelijkheid.
De voornaamste punten van aantrekking zijn het Brouwerskolkje, het meertje van Berkhout en de slooten en weteringen nabij de ruïne van Brederode. Langs vaste wegen begeven zich kneutjes, piepers, grasmusschen, lijsters, scholeksters, kieviten, wulpen, nachtzwaluwen en grielen naar deze drinkplaatsen en ik behoef maar een paar uren de wacht te betrekken in een bepaalden bergpas, om een overzicht te krijgen van de vogelbevolking van het duin. Wanneer de weinige drinkputten, die zich nu nog in sommige valleien bevinden, zijn uitgedroogd, wordt dat overzicht natuurlijk nog vollediger.
De griel gaat laat in den avond naar zijn drinkplaats en is dan in ’t voorbijgaan het best te herkennen aan zijn geschreeuw, dat wel wat heeft van het „tloei-iet” van den wulp, maar schriller en [132]scherper is. Smaken verschillen: de beroemde Engelsche ornitholoog Newton noemt den kreet van den griel veel zoeter en welluidender dan die van den wulp, maar in die meening staat hij vrijwel alleen.
Er is in de eerste lettergreep iets krassends, in de tweede stijgt de toon zoo hoog, dat het trommelvlies er dikwijls onaangenaam door wordt aangedaan. Soms is er heel goed „scharr-luup” uit te maken en ook wel „grie-iel”, want beide volksnamen van den vogel zijn nabootsingen van den roep.
Onder het vliegen ziet de griel er ook heel anders uit dan de wulp: zijn staart lijkt langer, de nek is ingetrokken, zoodat de kop met den korten snavel slechts weinig buiten de vleugellijn uitsteekt; op de vleugels is veel wit te zien van de dekveeren en van de kleine slagpennen, ook worden de vleugels veel sneller bewogen en vliegt de vogel laag bij den grond en in een rechte lijn. Wie op al deze dingen let, kan gemakkelijk op een helderen avond zijn vogel herkennen.
En dan een van de volgende dagen het duin in, om zijn woonplaats te ontdekken. Duin op, duin af, de valleien doorkruist in hun lengte en breedte of, als het marcheeren vermoeit, een uurtje rust genomen op een duintop met een wakend oog naar alle zijden. Niet te gauw den moed opgeven en dankbaar aanvaard, alles wat ongezocht zich aan de blikken vertoont.
Let vooral ook op de voetsporen in ’t zand. Wat is er op de open plekken veel te lezen! Hier hebben fazanten geloopen, ginds trippelde een leeuwerik, daar ging een hermelijn zijn kronkelweg of tobde een logge pad op tegen een hellinkje. Een kraai drukte hier zijn scherp geteekende voetballen in ’t zand, een mestkever maakte er een dubbele rij van [133]hoekige figuren. En hier is ook het grielenspoor. Drie teenen staan scherp afgeteekend in den grond, de middelste het grootst, de buitenste bijna de helft kleiner. De voetzool zelf is ook duidelijk afgedrukt, op rulle plekjes zelfs de verbindingsvliezen tusschen de teenen behoorlijk verantwoord.
Nu verdubbelt onze opmerkzaamheid en spoedig zien we den vogel voor ons opvliegen. Hij neemt nog al een langen aanloop en als hij eenmaal vliegt, duurt ’t nog een poosje, voordat hij de lange, groenachtig gele pooten behoorlijk opgetild en tegen den staart achterwaarts gestrekt heeft. Nu hij langs het groene berkenboschje vliegt, valt hij heel duidelijk in ’t oog met zijn warme bruingele kleur en het vele wit op de uitgespreide vleugels. Maar als hij neerstrijkt op het schaars met grauw mos begroeide zand, is hij moeilijk te onderscheiden van de omgeving en wanneer we hem niet hadden zien neerkomen, zou hij voor ons onzichtbaar zijn.
Hij staat een poosje stil, mooi rechtop, flink rondkijkend. Dan zakt hij langzaam ineen, zijn hielen knikken achterwaarts en nu zit hij vlak op den grond, juist zooals scholeksters zoo gaarne doen. Zoo blijft hij zitten, als wij de plek voorzichtig besluipen, en eerst als we dichtbij zijn, staat hij op en loopt weg met den hals vooruitgestrekt en den kop omlaag.
Blijven we nu stilstaan, dan gaat hij ook weer zitten of zelfs liggen, met hals en kop vlak tegen den grond. Dan is hij op den bleeken duinbodem weer bijna onzichtbaar.
Het best gelukken de waarnemingen in de nabijheid van het nest. Eigenlijk kan van een nest niet gesproken worden, want de eieren liggen zoo maar op ’t zand in een heel ondiep kuiltje, dat niet opzettelijk [134]wordt gemaakt, maar langzamerhand ontstaat door het neerzitten van den vogel.

Eieren van de Griel. (Burhinus oedicnemus oedicnemus.) (L.)
Landgoed „Naaldenveld” te Vogelenzang, 6 Juni 1903.
Zooals de eieren daar liggen, vallen ze heel goed in ’t oog. Ze lijken in ’t geheel niet op den bodem of op de voorwerpen in hun omgeving. In andere streken en andere landen bewoont de griel bij voorkeur steenachtige vlakten en het heet, dat zijn eieren daar precies gelijken op keisteenen. Dat is bij ons in ’t geheel niet het geval. De eieren worden op open plaatsen meteen opgemerkt, mijn eerste griel-eieren zag ik al liggen, toen ik er nog wel een vijf en twintig meter vandaan was.
Het is heel merkwaardig, dat bij de griel, evenals bij de nachtzwaluw, de beide eieren dikwijls verschillen in kleur en teekening. Op de foto met de staande griel is dat zeer duidelijk. Deze omstandigheid bemoeilijkt wel eenigszins het opsporen van de eieren, want natuurlijk zou men ze veel eerder opmerken, als ze allebei even licht, even donker en op dezelfde manier gevlekt en gestreept waren.
Wat is het toch dom, om die eieren op te rapen, mee te nemen, en dan al of niet uit te blazen en te bewaren. Met deze opmerking bedoel ik niets kwetsends voor de echte oölogen, die met veel vlijt en kennis een eiercollectie bijeenbrengen en door zorgvuldige bestudeering van vorm en kleur der eieren allerlei mooie wetenschappelijke ontdekkingen doen. Integendeel, hoe meer ik hen helpen kan, hoe liever.
Maar de gewone eierverzamelaar sticht weinig nut. Toch is hij nog altijd beter af, dan iemand die in ’t geheel niet om vogels, nesten of eieren geeft. Maar het zou toch veel beter zijn, als hij de eieren liet, waar ze waren en zich tevreden stelde met nauwkeurige notities van tijd en plaats en een beschrijving van de voorwerpen, liefst geïllustreerd met een foto. [135]
Ik ken al veel liefhebbers, die op deze manier werken en die zoodoende een verzameling van feiten krijgen, die heel wat meer waard is dan de traditioneele verzameling van leege doppen.
Deze algemeene beschouwingen vloeien mij uit de pen, nu ik mij herinner al het genoegen, dat ik beleefd heb, door een paar grieleneieren rustig op hun plaats te laten. Nu kon ik, zoo vaak mijn vrije tijd mij de gelegenheid er toe gaf, rustig langs bekende paden de plek besluipen en reeds van verre het nest in den kijker nemen.
’s Morgens bij zonsopgang zat altijd strijk en zet de vogel op de eieren; ook in den laten avond, en ik twijfel er niet aan, dat ze den ganschen nacht zonder ophouden bebroed worden. Tusschen achten en twaalven echter waren de eieren vaak onbedekt. Zonder noodzaak, zonder opgeschrikt te worden, verliet de vogel het nest, om rond te gaan loopen in de omgeving. Aardig was het om te zien, hoe hij, onmiddellijk na het verlaten van ’t nest even stilstond en dan één voor één de vleugels uitstrekte, zijwaarts en omlaag en heel wijd uit, juist zooals scholeksters doen. Er is heel veel overeenkomst in het gedrag van scholeksters en grielen.
Dan kwam ook nummer twee opdagen: buiging en begroeting en daarna gingen beide samen wandelen: zij aan zij, het mankeerde er nog maar aan, dat ze elkaar een arm gaven en de verleiding was sterk, om er een gesprek bij te fantaseeren. Dat mannetje en wijfje bij de vogels stilletjes en innigjes naast elkaar zitten, gebeurt dikwijls genoeg: let maar eens op meezen en duiven. Maar dat ze met elkander echt uit wandelen gaan, heb ik alleen bij de grielen gezien; bij de eenden lijkt het soms zoo, maar dat is eigenlijk toch weer anders.
Op ’t heetst van den dag werden de eieren weer [136]trouw bebroed en bij het dalen van de zon, tegen half vier, kwam er weer verpoozing; echter zonder gezellige wandeling; nummer twee deed zeker ergens een dutje. In den avond waren beide vogels weer present en dan wisselden ze elkander zeker niet af met broeden, want ik zag, dat de op het nest zittende vogel door den ander gevoerd werd.

Broedende Griel. (Burhinus oedicnemus oedicnemus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 17 Mei 1906.
Het was niet gemakkelijk, zeer dicht bij het nest te komen. Blijkbaar heeft de griel een verbazend fijn gehoor: ik kon hem nooit dichter naderen, dan tot op twaalf meter en dan nog wel door een boschje. Hij bleef dan stil zitten zonder eenige beweging tot op het laatste oogenblik. Andere vogels draaien in zulke gevallen met den kop, kijken rond of geven andere teekens van ongerustheid. De griel echter niet; die loopt ineens weg, zonder overhaasting maar toch zeer snel en zonder om te zien. Hij vliegt dan ook niet op, maar hij kruipt tegen den grond, zoodra hij meent buiten gevaar te zijn. En de twee eieren liggen dan open en bloot op den kalen zandgrond.
Eigenlijk deed hij veel verstandiger met stilletjes te blijven zitten, want in onze geel-grauwe duinen valt de vogel veel minder in ’t oog dan de eieren. Dat instinct van wegloopen heeft zich stellig ontwikkeld op de steenige vlakten, waar de eieren minder in ’t oog vallen. Wij mogen vooral niet vergeten, dat er al lang grielen op de wereld waren, voordat onze duinen bestonden en dat wij dus de gewoonten van den vogel niet mogen beoordeelen in verband met onze duinen, die door hem aanvaard zijn als een surrogaat voor steppen en woestijnen.
Op een morgen vond ik noch mijn griel, noch de eieren en ik begon reeds de verzamelaars, of de kraaien, of de hermelijnen te verwenschen. Maar toen ik naar het broedplekje stapte, om in somberen [137]weemoed nog eens de plaats aan te staren, waar ik zooveel liefs genoten had, vloog de griel een meter of tien van mij af schreeuwend weg—naar ik meende, geheel tegen zijn gewoonte—en toen zag ik voor mijn voeten, precies op de aloude nestplek twee jonge grieltjes liggen. De doppen waren verdwenen.
Geen wonder, dat ik ze eerst niet had opgemerkt. Dit zijn nog eens schuilkleuren! Daar haalt de nachtzwaluw niet eens bij, noch zijn jongen. Het dons van ’t jonge grieltje bootst precies den zandbodem na in al zijn korrelige fijnheid en met al zijn schaduwscheurtjes en streepjes. Onze foto is genomen bij helder zonlicht en daardoor geven de sterke slagschaduwen een duidelijk relief, maar bij een grijze lucht of bij een gewoon bewolkten hemel zijn ze zoo goed als onzichtbaar.
Alsof ze weten, dat de schaduw verraderlijk is, maken ze zich zoo plat mogelijk en drukken ze den kop met lang uitgerekte hals plat tegen den grond. Zoo liggen ze doodstil, de oogen dicht en ze laten zich zonder tegenspartelen opnemen en bekijken.
Van de eierdoppen was wijd en zijd geen spoor te bekennen. Die waren door de ouden zorgvuldig verwijderd. Het verwijderen van de doppen is een instinct, dat bij zeer veel vogels voorkomt, vooral bij steltloopers. Het spreekt van zelf, dat de groote eierschalen met hun lichten binnenkant dadelijk de aandacht zouden trekken en de ligging van het nest verraden, wat in de eerste dagen het leven der jongen in gevaar zou brengen. Later komt het er minder op aan, want dan loopen ze al vlug en ver rond.
Hoe de jongen door de ouden gevoed worden, weet ik nog niet zeker: ik meen gezien te hebben, dat ze hun voedsel nemen uit den bek der ouden, maar dat zijn allemaal werken der duisternis.
Evenals bij de scholeksters blijft het gezin nog al [138]lang bijeen, en de gelijkenis gaat zoover, dat ook hier de jongen in den herfst heel veel praats en beweging maken en dat nog wel in tegenwoordigheid hunner ouders. Ze maken allerlei danspassen en buitelingen en schreeuwen in den avond luidkeels en zonder ophouden. De eene familie lokt met zijn geschreeuw de andere, en zoo hebben wij hier in de duinen wel eens zes grielen bij elkaar gezien, wat voor Holland een nog al zeldzaam en bijzonder schouwspel mag heeten.
Ze blijven rondzwerven tot in October. Hun voedsel bestaat uit slakken, kevers, sprinkhanen en aardwormen. Het ligt voor de hand, dat ze door hun nachtelijke leefwijze vooral onder de laatste geweldig moeten huishouden en ik heb dan ook al vele zomeravonden eraan besteed, om ze te betrappen op de pierenjacht. Maar dat is mij niet mogen gelukken; er zijn pieren genoeg, maar weinig grielen, en ook weinig vrije zomeravonden.

Jonge Grielen. (Burhinus oedicnemus oedicnemus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 30 Mei 1905.
[139]
De nachtzwaluwen bewonen den binnenkant der duinen, de wulpen en grielen de groote valleien in ’t midden, de zilvermeeuwen betrekken de hooge toppen en hoogvlakten aan den zeekant. Daar liggen hun nesten tusschen het hooge helmgras, vandaar overzien zij hun arbeidsveld; de ondiepe randzee.
In vergelijking met de zwartkopmeeuwen is de zilvermeeuw al een echte zeevogel, hij begeeft zich ver op zee, tot boven het diepe water. Toch mogen we niet vergeten, dat hij waarschijnlijk nooit zoover komt, dat hij enkel lucht en water ziet: als hij zich drie- of vier honderd meter hoog in de lucht verheft, en dat schijnt hem weinig moeite te kosten, dan ziet hij altijd wel de Hollandsche of de Engelsche kust en misschien wel beide tegelijk.
Het diepe water heeft voor hem ook niet de allergrootste aantrekkingskracht, hij komt er alleen, wanneer de groote vischscholen zich bewegen langs de oppervlakte of wanneer de aanwezigheid van een visschersvloot hem rijkelijk afval verschaft.
Overigens geeft hij de voorkeur aan ondiep water; hij is zomer en winter algemeen op onze stranden en wie bij eb door de Wadden vaart, kan op elke ondiepe plaats troepen zilvermeeuwen, oude en [140]jonge, aantreffen, die daar op steltloopersmanier rondstappen, om jacht te maken op klein ongedierte.
Gezelschappen van zilvermeeuwen wisselen er af met scholeksters en wulpen en soms kunt ge dan de waadvogels zien zwemmen en de zwemvogels zien waden en gereedelijk legt ge u dan neer bij de beslissingen van de nieuwere systematiek, die uitgemaakt heeft, dat er een zeer nauwe verwantschap bestaat tusschen de families der snip- en plevierachtigen en der meeuwen.
Dit is een der aardigste ontdekkingen op het gebied van vogelkunde—zoo heel nieuw is ze trouwens niet—en wij kunnen daaruit leeren, dat we tot nu toe de levensgeschiedenis van de meeuw juist achterste voren gelezen hebben. Wanneer wij ze behandelen als visschers, die ook achter den ploeg aan den kost komen, dan is dat precies verkeerd; het zijn landbouwers, die van tijd tot tijd uit visschen gaan, de een wat meer, de ander wat minder. De zilvermeeuw nu cumuleert de beroepen van landbouwer en visscher nog met het edele jagersbedrijf.
We hebben hem al ontmoet in den nestenrijken polder, azend op eieren. Maar men kent hem daar en wanneer hij zich vertoont, dan wordt hij door zijn eigen geslachtgenooten, de kokmeeuwen en zijn familiegenooten, de sterntjes, benevens door zijn verre verwanten, de kieviten, scholeksters en kluiten aangeschreeuwd en aangevallen, zoodat hij het veld moet ruimen. Door een vluggen aanval op een uithoek van het broedgebied weet hij toch wel eens iets te bemachtigen.
Het ei of het jong wordt ter plaatse zelve verorberd. Hij jaagt alleen voor eigen gebruik, niet om wijfje of jongen te voeren en daardoor is hij dan minder schadelijk dan de kraaien en roeken, die de eieren [141]meesleepen naar hun nest. Ook zoeken de kraaiachtige vogels in struik en struweel naar nesten, maar dat doet de zilvermeeuw niet, die vergenoegt zich met wat hij op de vlakte vindt.
De sterntjes en pleviertjes hebben het meest van hem te lijden, ook de kieviten, tureluurs en scholeksters, vooral wanneer ze nesten hebben in de buitenste duinvalleien. Eens heb ik een zilvermeeuw verrast, terwijl hij bezig was een sterntje te verscheuren. Het vogeltje was nog warm, hij had het dier zeer waarschijnlijk zelf gedood en was dus opgetreden als een echte roofvogel. De buik was opengehakt en hij was bezig de ingewanden eruit te halen.
Jonge vogeltjes slikt hij in met huid en haar. Dat heb ik gezien op Texel. In de duinen benoorden de Groote Slufter zag ik een paar tureluurs angstig en met veel misbaar rondvliegen om een zilvermeeuw, die op den grond bezig was. Zonder eigenlijk goed te weten waarom, holde ik zoo hard ik kon erheen, (ik had geen verrekijker bij me) en ik had niet beter kunnen doen. De zilvermeeuw ging op de vlucht en nu vond ik in het nest een enkel pas uitgekomen jong tureluurtje. De andere waren opgegeten.
Dit zijn de eenige rooverijen, die ik heb bijgewoond. Ik geloof, dat bij ons de zilvermeeuw niet zoo’n erge nestroover is, als wel verteld wordt. Zijn slachtoffers weten zich veel te goed te verdedigen en hij kan overal en altijd voedsel genoeg vinden, zonder zijn toevlucht te nemen tot roof en moord.
Ongetwijfeld voeden bij ons de zilvermeeuwen zich het meest met strandproducten en wel voornamelijk met schelpdieren en schaaldieren. Een enkel bezoek aan de broedplaatsen in het Hollandsch duin of op de eilanden geeft hieromtrent voldoende zekerheid. [142]
Een dag in een zilvermeeuwenkolonie. Een heelen dag heb ik er nooit in doorgebracht en hoe het er ’s nachts uitziet, weet ik in ’t geheel niet. Ook heb ik het ontwaken er nog niet bijgewoond, maar wel heb ik er uren lang midden in gelegen, onopgemerkt, nadat de eerste consternatie bedaard was.

Nest en eieren van de Zilvermeeuw. (Larus argentatus argentatus.)
Staatsduinen te Haamstede op Schouwen, 16 Juni 1903.
Het eerste betreden van het broedgebied brengt een onbeschrijfelijke beweging teweeg. Nog lang, voordat we bij de nesten zijn, worden we reeds begeleid door een paar meeuwen, die hoog in de lucht patrouilleerden of boven op een duintop een wacht hadden betrokken. Schreeuwend vliegen ze mee en schreeuwend voegen zich andere bij hen, zoodat het tweetal ras is aangegroeid tot een half dozijn.
Hun geschreeuw varieert sterk. Nu eens zijn het helder uitgestooten kreten, langgerekt en met melodieuzen toonval, dan weer wordt het een kort en toornig: „Kuk, kuk, kuk”, of een soort gemurmel, dat doet denken aan binnensmondsche verwenschingen.
Van verwenschingen komt het tot dreigementen. De schaduwen der groote vogels kruisen ieder oogenblik ons pad, het suizen van de lucht, telkens als er een voorbijvliegt, wordt voortdurend duidelijker, en eindelijk komt er een zóó dichtbij, dat de toppen zijner vleugels haast ons hoofd raken.
Verder hebben ze het bij mij nooit gebracht, hoewel ik vlak bij de nesten heb gezeten, om de eieren en jongen te hanteeren. Het was dan een heele commotie: geschreeuw en schijnaanvallen zonder einde. Drie of vier vogels hielden tegelijk stil in de lucht, een meter of twintig hoog, namen hun richting en schoten dan langs een gebogen lijn op mij af, om rakelings langs mij heen te strijken, dan weer op te stijgen en den aanval te hervatten. [143]
De overigen, bij Bergen soms wel een kleine honderd, vliegen rond, sommigen stil en hoog, andere laag en luidruchtig en gereed om de rol van aanvaller over te nemen, wanneer de eerste zijn uitgeput. Hoeveel uur zoo iets wel zou kunnen duren, dat heb ik nooit geprobeerd, omdat ik er niet gaarne het leven der jonge diertjes aan waag, maar ik geloof, dat als je een heelen dag bij een nest bleef zitten, ook de aanval een heelen dag zou blijven voortduren.
Maar ik ga liever, nadat ik de ligging van een stuk of zes nesten heb vastgesteld, zelf liggen op een gunstige plek, die zoo ver mogelijk van de nesten verwijderd is, maar niet te ver, om met den kijker nog alles duidelijk te zien, wat er in de kolonie voorvalt. Eerst zwermen nu ook nog veel meeuwen om en over mij heen, maar na een groot half uur wordt het wat rustiger en als ik mij nu maar bedaard houd, dan gaat alles goed. Het is wel heerlijk, om naar de vogels te liggen kijken, maar je hebt wel eens moeite, om stil te blijven liggen en je kunt er soms afschuwelijk stijf van worden.
Toch is dit de eenige manier, om in het leven der vogels door te dringen. Op een wandeling kan men ook veel te zien krijgen, maar ge kunt er van op aan, dat het stel waarnemingen, aldus verkregen, altijd beperkt blijft tot de minder schuwe soorten en tot de meest gewone levensverrichtingen.
Doch wie in de gelegenheid is, uren achtereen te observeeren, krijgt andere dingen te zien en bovendien eenig begrip van het vogelleven zelf. Wat doen daar buiten de vogels den heelen dag en den heelen nacht? Hoe reageeren zij op wat er in hun omgeving geschiedt? Hebben zij plannen en herinneringen? Kennen zij leed en vreugd, vriendschap en zelfopoffering? [144]
Op dezen schoonen zomermorgen ziet het er in de kolonie prettig genoeg uit. De meeste nesten binnen mijn bereik worden niet bebroed, alleen op een, waarin reeds kleine jongen liggen, zit een vogel. De andere zweven hoog in de lucht of staan op de duintoppen, soms alleen, maar meestal bij paren.
Prachtige dieren. Groot en flink staan ze daar, den hagelwitten kop flink opgericht, den zilvergrijzen rug zacht blinkend in de blauwe lucht, de zwarte vleugeltoppen gekruist over den reinwitten staart. Ook borst en buik zijn zuiver wit, de geel-grijze pooten steken nauwelijks af op ’t duinzand. Aan den ondersnavel blinkt vooraan een vuurroode plek.
Elk paar bestaat uit een grootere en een kleinere vogel. Het ligt voor de hand, aan te nemen, dat ’t mannetje en wijfje zijn, en inderdaad zijn bij de zilvermeeuwen de mannetjes grooter dan de wijfjes. Maar tegelijk bestaat er bij mannetjes en wijfjes zelf een zeer groot verschil in afmetingen, zoodat de mogelijkheid niet uitgesloten is, dat bij een enkel paar het wijfje het grootst is.
Uren kunnen ze zoo naast elkander stilstaan, geruimen tijd zelfs zonder zich te verroeren. Doch van tijd tot tijd pikken ze elkaar eens in de veeren en nu eens wordt de een, dan de ander luidruchtig. Dan gaat de witte kop vooruit, de hals wordt gestrekt tot kop, nek en romp in een lijn liggen, dan gaat de wijde snavel open en dan weerklinkt een krachtig en herhaald geroep van „kliau, kliau, kliau” over duin en strand, en wel mogen wij dan denken, dat zulk een dier dan gelukkig is.
Hoog in de lucht antwoorden de meeuwen, die daar rondzweven op rustende vleugels. Lang en dikwijls heb ik ze in ’t veld van den verrekijker, die krachtig genoeg is, om zelfs op dien afstand de zwart-met-witte details der groote slagpennen zichtbaar [145]te maken. En nu is in die slagpennen, noch in den staart de minste beweging te bespeuren.
Indien er nu wind was, dan zou dat geen verbazing behoeven te wekken, want dan is er natuurlijk een stand van vleugels en staart, waarbij het gewicht van den vogel evenwicht maakt met de kracht van den wind. Doch op het oogenblik is het volkomen stil, zoo stil, dat de lange fijne helmhalmen hun spitsen niet bewegen langs den horizon.
Dit is nu het groote mysterie van de meeuwenvlucht. Men is zelfs zoover gegaan, om te beweren, dat deze en andere vogels de beschikking zouden hebben over een bijzondere stijgkracht, waardoor ze in staat zijn, zich zonder vleugelslag in de lucht te verheffen, op de manier van luchtballons. Ik wil u gaarne bekennen, dat ik daar niet aan geloof.
De groote moeielijkheid is deze, dat wij niet met zekerheid kunnen uitmaken, of het volkomen windstil is, vooral daar, waar de vogels rondzweven. Het is toch zeer goed mogelijk, dat zij door groote inspanning in het begin zulk een vaart krijgen, dat zij daardoor omhoog kunnen zweven tot in luchtlagen, waar wèl stroomingen bestaan.
Ook is het mogelijk, dat zelfs laag bij den grond op warme en windstille plaatsen verticale luchtstroomen ontstaan, zoo constant, dat ze geen wuivende beweging in de grashalmen teweeg brengen, maar toch krachtig genoeg, om den lichten vogel op zijn wijde wieken omhoog te heffen. Want wij mogen nooit vergeten, dat een vogel altijd oneindig veel lichter is, dan hij er uitziet, en dat de vleugels met betrekking tot het lichaam een zeer groot oppervlak hebben. Het gemiddeld gewicht van een zilvermeeuw is weinig meer dan een Kilogram; de uitersten zijn 875 G. en 1375 G.
Doch dit neemt niet weg, dat de meeuwenvlucht [146]een groot wonder blijft. En ge behoeft niet naar de duinen te gaan, om het te aanschouwen, want ieder jaar komen ze in groot aantal in April en Mei een paar weken in onze groote steden naar den zeekant zich vertoonen. ’t Is een zonderlinge gewoonte. De zwartkopmeeuwen zijn alle vertrokken naar hun broedplaatsen, de zomer is begonnen, de winterkwartieren worden verlaten en nu komen opeens een honderdtal van die groote, witkoppige zilvermeeuwen leven brengen in de stad. Ze zweven rond, niet alleen boven het IJ en de dokken, maar zelfs boven het Gebed zonder End en de Weteringdwarsstraat en ze komen uitrusten op het brakke water van den vreedzamen Amstel bij de Magere Brug.
Ze wiegelen in den blauwen hemel in hun reine witheid zoo hoog boven de stad, dat ge een duidelijk besef ervan krijgt, hoe voor hen de heele huizenzee met al de kerken en torens niet anders moet zijn dan een kleine ruigte in het groote stuk wereldoppervlak, dat zij van hun hooge standplaats kunnen overzien. En de stadslucht, waar wij het zoo druk over hebben, is voor hen van even luttel belang als voor ons een droppel water op den grond. Toch is die droppel water een zee voor de infusoriën, die er in wonen.
De zilvermeeuwen in de stad, dat is het mooiste tafereel uit de zoo interessante stadslente. Ze zweven rond in vreugde en opgetogenheid en telkens weergalmt hun lente-roep, die over de stad veel verder en reiner klinkt dan de beursbengel of de sirenen van de fabrieken.
Na een paar weken zijn ze verdwenen en nog altijd vraag ik mij af, wat ze hier eigenlijk komen uitvoeren. Want alles, wat ze hier vinden, dat voor hen van belang kan zijn, kunnen ze elders veel beter en overvloediger aantreffen. [147]
Doch laat ons terugkeeren naar het duin. Een kwartier lang is er niets veranderd, maar nu komt laag langs de toppen in rechte lijn een groote meeuw aanvliegen. Hij strijkt neer bij het wijfje, dat op de jongen zat en nu in eens het nest verlaat. Ze stapt eraf en blijft belangstellend toezien.
De ander strekt zijn nek, alsof hij wil gaan zingen, maar er komt wat anders uit zijn keel. Blinkende vischjes rollen in ’t nest. Na wat beweging zijn ze verdwenen, de jongen zijn gevoerd.
Wat later in den tijd, als in de meeste nesten de jongen zijn uitgekomen, dan wordt dat wekenlang de hoofdbezigheid. Wel is waar groeien de jongen zeer snel, maar er is toch heel wat tijd voor noodig, eer het kleine donsballetje aangegroeid is tot de groote, vlugge jonge zilvermeeuw.
Ze blijven niet al den tijd in ’t nest. Zoodra de donsveertjes vervangen worden door dekveeren en pennen, scharrelen de vogels op rozeroode pootjes weg van de plek, waar hun wieg eens stond en die nu door de vele uitwerpselen, de halfvergane stukken visch en de uitgebraakte graten in ’t geheel niet meer idyllisch mag heeten.
Daar komt weer een meeuw aanvliegen met voedsel. Zou er nog een nest met jongen in de buurt zijn? Neen, hij blijft staan op een duintop, legt zijn buit neer en gaat met vlijt aan ’t pikken. Hij heeft een groot wulkenhuis te pakken, zoo’n groote bruingele „horen”, die je overal op ’t strand vindt en daaruit trekt en scheurt hij nu den bewoner te voorschijn, die in dit geval niet de rechtmatige bezitter, wulk, maar een groote St. Bernardskreeft is.
De zilvermeeuw brengt dus, evenals de scholekster en de bonte kraaien, een massa schelpen het duin in: groote en kleine. Wanneer we nu even rondwandelen, vinden we allerwegen de bewijzen ervan: [148]hier groote buccinums en natica’s, ginds mosselen en overal kleine hoopjes gruis, waarin schelpbrokjes van mossel, kokkel, alikruik, tellina en mactra duidelijk te herkennen zijn.
Ziedaar nu de bewijzen van zijn sterke maag. Want die kleine schelpdieren slikt hij in hun geheel in, zonder ze stuk te pikken en dat wordt dan allemaal tusschen de harde maagwanden door sterke spiercontracties stuk geknepen. ’t Woord „kauwmaag” lijkt voor dit proces te zwak; een „brijzelmaag” zou het moeten wezen. De schelpbrokken doen niet den tocht door ’t heele darmkanaal, maar worden weer uitgebraakt.
De duinen liggen hier vol met schelpen en schervenhoopjes en ’t is haast niet te begrijpen, hoe die flegmatische vogels, die urenlang niets anders doen dan stilstaan en rondzweven, zoo overvloedige maaltijdrestanten hebben kunnen produceeren. Dat komt, doordat we ze nu aantreffen in hun rusturen, straks als ’t ebt, gaan ze aan hun werk.
In de Berger-duinen, op Texel en op Terschelling liggen op de rustplaatsen der meeuwen tusschen de schervenhoopjes en witte uitwerpselen ook nog groote blauwe, amethystkleurige vlekken. Die zijn afkomstig van het plantendieet der vogels, want evenals de wulpen zijn de zilvermeeuwen verzot op de bessen van de kraaiheide. Daar kunnen ze ontzettend gulzig van eten, en dat gaat dan dikwijls niet netjes en nuffig besje voor besje, maar als het een goed kraaiheidejaar is en de vruchtjes in dichte bundeltjes de takken bedekken, dan gaat alles tegelijk, met tak en blad naar binnen. Zoo komt het, dat er tusschen de schelpscherven ook kraaibestakjes te vinden zijn.
Ik heb er ook keverdekschilden tusschen gevonden en rupsenkoppen, zoodat we deze meeuw ook [149]weer gerust mogen rangschikken onder de alleseters.
De jonge zilvermeeuwen krijgen hoogstwaarschijnlijk in het begin niets anders dan visch en krabben en wanneer zij zelfstandig geworden zijn, vertoeven zij ook bij voorkeur aan den zeekant. In Augustus zijn ze al bij troepen op het strand te ontmoeten: groote, gevlekte vogels, die maar bitter weinig gelijken op de prachtige wit-met-zilveren dieren waarvan ze afstammen.
Alleen aan de keel en bovenop aan het begin van den staart hebben zij een weinig wit, overigens is het heele lichaam lichtbruin met donkerder vlekken. De slagpennen zijn ongevlekt, de snavel bijna zwart.
In hun tweede jaar wordt de snavel vuilgeel met zwarte punt, de slagpennen worden donkerder, maar krijgen lichtgrijze vlekken, terwijl de vlekken aan kop en hals minder duidelijk worden.
In het derde jaar trekken ze de kinderschoenen uit en beginnen ze wat meer op de ouden te gelijken. Toch bestaat er nog veel verschil. De dekveeren van de vleugels zijn nog gevlekt, hoewel de mantel reeds meeuwenblauw wordt. De snavel is nu bijna heelemaal geel, de staart wit met alleen nog veel donkere streepjes en slangetjes op de middelste stuurpennen. De groote slagpennen zijn zwart met witte vlekken.
Eerst in het vierde voorjaar worden ze geheel volwassen, dan krijgen ze den sneeuwwitten kop en staart, de oranje vlek aan den ondersnavel, de gele pooten, maar toch zijn al die kleuren nog mat in vergelijking met die van tien- of twaalfjarige vogels.
Maar hoe oud ze ook worden—en we weten met zekerheid dat ze meer dan een kwarteeuw kunnen leven—altijd wordt in den winter de kop en de hals weer overdekt met donkere lengtestrepen. [151]
[153]
Ik wilde wel, dat dit vogeltje een anderen naam had, een anderen naam en een andere traditie. Voor de meeste menschen is hij niet anders dan een zeer klein vogeltje, dat met steil opgerichten staart midden in den winter zit te zingen en indertijd fraude gepleegd heeft, toen de vogels een koning wilden hebben.
Dit is allemaal goed en wel, maar de winterkoning is toch nog veel meer en hij draagt zijn staart niet eens altijd rechtop. Hij is een klein vogeltje, begiftigd met een enorme vitaliteit, in de lente een der allerbeste zangers en nestenbouwers, in den zomer een vlijtig zanger en voorbeeldig opvoeder van zijn jongen, in den herfst een voorbarig zanger en veelzijdig acrobaat en in den winter een avontuurlijke zwerver.
’t Is een bosch- en tuinvogel bij uitnemendheid. Zijn donkere kleur, varieerend van kil aschgrauw tot warm roodbruin en afgewisseld met een paar lichte strepen boven ’t oog, een wit streepje op de vleugeldekveertjes en zwarte, bruine en lichte dwarse blokteekeningetjes op slagpennen, staartveeren en langs de flanken, maken, dat ’t kleine wezentje te midden van dorre bladeren en takkenrommel onmogelijk [154]kan worden opgemerkt, als hij maar geen geluid maakte. En, merkwaardig, wanneer hij wil opgemerkt worden en in ’t zonlicht gaat zitten op een takeinde of bovenop een houtmijt, dan gaat al het bruinrood in zijn veertjes gloeien en stralen, zoodat hij van verre te zien is.
Hij is overal thuis en ’s zomers tenminste overal te vinden: in den tuin, in ’t struweel van de parken en buitenplaatsen, aan den boschrand, in de duinboschjes vlak bij de zee, in de braamstruiken, in den grindput midden in de barre hei, in de wilgen van de grienden langs de groote rivieren, in de elzen van het peilloos moeras.
’s Winters schijnt hij zich meer te concentreeren rondom bewoonde plekken. Dan krijgen wij er om huis wel driemaal zooveel te zien als ’s zomers, maar daar zijn er stellig onder, die van verre komen uit vreemde landen. Er zijn dus twee oorzaken, waardoor het „groote publiek” den winterkoning ’s winters eer opmerkt dan ’s zomers: ten eerste zijn er dan minder andere vogels, die zingen, en ten tweede is het aantal winterkoningen veel grooter.
Hoe brengt de winterkoning den winterdag door? Hij wordt wakker een uur vóór zonsopgang of nog eerder, al naar het weer of naar den stand der maan. Bij volle maan worden de vogels altijd vroeger monter. Bij donker weer worden ze laat wakker en als ze in een donkere ruimte overnachten, waar ’t daglicht niet doordringt, dan komen ze zeer laat te voorschijn.
’s Winters komen de winterkoninkjes nog al eens slapen in de schuur achter de turven. Wij laten ’s avonds de schuurdeur altijd een poosje open en ze zorgen dan wel, dat ze binnen komen. ’s Morgens even voor zonsopgang als de andere winterkoningen al lang monter zijn, dan is het in de schuur [155]nog doodstil. Maar doen we de deur open, dan is het dadelijk: „tèk, tèk, tèk”, en de bruine balletjes gonzen naar buiten. En dan is het eerste, wat ze doen, een liedje te zingen.
Er is over vogelzang al veel getwist en geschreven. Het meest verspreid is de meening, dat de mannetjes zingen, om de wijfjes te behagen, eerst, om ze te veroveren en daarna zeker om ze te behouden of om ze er voor te bedanken, dat ze geaccepteerd zijn.
Dit is natuurlijk moeilijk uit te maken. Het beste van zulke kwesties is misschien ook wel, dat ze nooit uitgemaakt worden, maar dat ze steeds aanleiding geven tot interessante en genotrijke waarnemingen. Zoo ooit, dan bestaat hier het gevaar, dat onze dierkundige waarnemingen lijden onder menschelijke preoccupaties.
Het probleem van vrouwen te behagen neemt in de menschelijke samenleving en in onze kunst en literatuur een belangrijke plaats in, van een vogelkundig standpunt beschouwd, misschien een veel te groote. Bovendien zijn de beschouwingen omtrent deze beminnelijke omstandigheid ’t meest afkomstig van mannen en ’t zijn ook alweer mannen, die de wetenschap der ornithologie hebben gegrondvest. Ik vrees, dat wij daardoor wel wat al te dikwijls eenzijdige en bekrompen opvattingen hebben gekregen omtrent de levensuitingen van de vogels.
Een man maakt een loffelijke uitzondering en dat is—mirabile dictu—Goethe, als hij zegt:
Ich singe wie der Vogel singt
Der auf den Zweigen wohnet
Der Ton, der aus der Kehle dringt
Ist Lohn der reichlich lohnet.
[156]
Dus zoo iets als: l’Art pour l’art. En toch weer wat anders. Hoe meer ik de vogels bestudeer, des te sterker gevoel ik, dat zij een leven leiden, zoo intens en gelukkig, dat hun gewone levensuitingen zich telkens verheffen tot een volmaaktheid en harmonie in de uitvoering ervan, die op ons den indruk maken van kunst. Dan worden hun lokkreten tot een lied, hun vleugelbeweging tot een wonderbare luchtgymnastiek, hun zwemmen en duiken tot bewegingen van buitengewone kracht en gratie.

Winterkoninkje. (Troglodytes troglodytes troglodytes.) (L.) voeder aan zijne jongen brengend.
Jachtduin te Bloemendaal, 28 Juni 1905.
Dat ten slotte, als ’t noodig is, de wijfjes daardoor bekoord worden, spreekt vanzelf. Ook geloof ik wel, dat in bepaalde tijden van het jaar en wellicht vaker dan men meent, de tegenwoordigheid van wijfjes de mannetjes tot kunstvertoon prikkelt. Maar dat neemt niet weg, dat ze in zeer vele gevallen mooie dingen doen, zonder dat op ’t oogenblik de noodzakelijkheid ertoe bestaat en zonder dat er een lid van de andere sekse in de buurt is.
Het is zeer wenschelijk, dat dames-ornithologen eens gaan vertellen van hun waarnemingen. En ook is het van belang, dat wij wat meer gaan letten op het gedrag der wijfjesvogels. Het zou dan blijken, dat die lang niet altijd de passieve en kleurlooze rol spelen, die haar in de boeken wordt toebedeeld.
De winterkoninkjes zingen direct bij ’t ontwaken, juist zooals een gezond kind doet. Eerst komen een paar loktoontjes, maar al heel spoedig gaan die over in ’t welbekende onstuimige liedje. Dat duurt een half uurtje en dan komen de zorgen voor het ontbijt.
Dat gaat weer met de noodige drukte en opgewektheid. Takkenbossen worden doorsnuffeld, boomstronken afgezocht, en onder elk blad van kruip- of klimplanten schijnen verborgen schatten te liggen. En wanneer een gedeelte van de taak is afgewerkt, dan wordt daar melding van gemaakt door een paar [157]parmantige roepjes, „terrt, terrt”, die bij de minste aanleiding zich weer uitbreiden tot het welbekende ratelliedje.
Wat vindt hij daar? Zoo ge ’t weten wilt, dan moet ge zelf maar eens een boomstronk afzoeken, desnoods gewapend met een vergrootglas. Ge vindt natuurlijk niet het tiende deel van wat de vogel weet te ontdekken, maar toch genoeg, om u de zekerheid te verschaffen, dat het montere vogeltje zonder veel moeite aan den kost kan komen.
Daar zitten achter mooie webjes en gordijntjes in kleine zakjes van fijn spinsel, eitjes en larfjes van allerlei soort: rupsjes, spinnetjes en zelfs mooie blinkende volwassen kevertjes, heele plekken volgeplakt met vlindereieren en oranje urntjes vol met eitjes van spinnen. Als ’t niet al te guur weer is, zijn tusschen de dorre bladeren ook slakkeneieren te vinden en kleine mugjes, met mooie parelmoeren vlerkjes, die ze haast nooit gebruiken. Uit de halfvergane eikenbladgallen komen zwarte wespjes te voorschijn, die traag voortloopen en op de eikenknoppen gaan zitten, om er hun eieren te leggen.
Zoo is er den heelen winter genoeg te vinden, zelfs voor een insecteneter en geen wonder is het, dat onze winterkoning voor tienen al weer tijd en lust heeft, om door de sparretjes te huppelen, al roepend om gezelschap of schermutselend met zijn tijd- en plaatsgenooten, de meezen, goudhaantjes of boomkruipertjes. Merkwaardig is het, hoe hij geheel op boomkruipertjesmanier tegen de stammen kan opklauteren, echter altijd min of meer overdwars en op hooge pooten.
En hij slaat weer aan ’t zingen ook. Het is de moeite waard, hem nu van zeer nabij op te nemen. Als hij goeden zin heeft, dan laat hij u wel naderen [158]tot op twee meter, maar ’t makkelijkst is wel, den kijker erbij te halen.
Het komt er op aan, om te zien, of we te doen hebben met een jongen vogel of met een ouden. Wie nu voor ’t eerst naar winterkoninkjes uitkijkt, kan in dezen niet meespreken, want het onderscheid is nog al subtiel. Bij de oude vogels is de borst en keel minder, vleugels en staart daarentegen meer van dwarsstrepen voorzien. De jonge vogels zijn aan borst en keel rossig, soms echt roodbruin, de ouden aschgrauw. De vogel op onze foto is een oud mannetje.
Nu heb ik in de heerlijke Octobermaand 1906 heel veel winterkoninkjes hooren en zien zingen en ik kan u vertellen, dat bijna de helft (42%) jonge vogels waren, geboren in 1906, dus jongelui van een maand of vier oud. Ik kan zelfs aan ’t liedje wel hooren, of ’t een oude of een jonge is, de jongen zingen veel korter, veel zachter, geheel zonder snerpende fortissimo’s. Een enkelen keer vergis ik mij nog wel eens, maar in acht van de tien gevallen heb ik toch wel gelijk.
Heel veel jonge vogels zingen in den herfst, niet alleen de zoogenaamde standvogels, zooals roodborst, winterkoning en bastaardnachtegaal, maar ook trekkers, zooals de fitis, de tjiftjaf, het roodstaartje en zelfs nachtegaaltjes.
Ik heb een vermoeden, dat de wijfjes van de winterkoninkjes ook zingen. In Augustus van het vorig jaar trof ik in Beverwijk een heele winterkoninkjesfamilie aan, die in een verwaarloosd boomgaardje zoekend en etend rondscharrelden. Er waren vijf jongen en twee ouden en beide ouden zongen, de een luid en flink, de andere aarzelend en zachtjes, als aanhangsel van lok en angstkreten. Nu zou ik, om zekerheid te hebben, zoo’n vogeltje moeten [159]doodschieten en dan anatomisch het geslacht vaststellen, maar ge begrijpt, dat ik in zoo’n geval de waarschijnlijkheid verkies boven de zekerheid.
Intusschen is het een zaak, waarop gelet kan worden en wij mogen dan meteen de andere winterzangers, roodborstje en bastaardnachtegaal, ook in het onderzoek betrekken.
In den namiddag schijnen mijn winterkoninkjes even te dutten, niet langer dan een uur, want tegen de avondschemering beginnen ze weer overal te roepen en te zingen en dan gaan zij ter ruste. Ik loop ze wat na, om hun slaapplaatsen te vinden, want er is een aardig boekenverhaaltje, dat ik nog nooit bewaarheid heb gezien.
Er wordt namelijk beweerd, dat de winterkoninkjes bij guur weer een winterverblijf bouwen, eigenlijk niet anders dan een groot nest en dat ze dan daarin ten getale van zes of zelfs meer overnachten om van elkanders warmte te profiteeren. Dat is erg mooi en aandoenlijk en ik zou het dolgraag eens willen zien, maar het is me nog niet mogen gelukken, zoodat ik, onder ons gezegd, wel een weinig begin te twijfelen.
Ik geloof wel, dat de winterkoninkjes nesten bouwen in den winter, maar dat houd ik voor een uiting van het broedinstinct, dat zich bij dezen vogel onder andere zeer sterk uit in een zucht, om nesten te bouwen. Den heelen dag is het echtpaar bezig, mannetje zoowel als wijfje, het eene „speelnest” is nog niet klaar, of er wordt al aan een ander begonnen en dat alles onder onophoudelijk gelok en gezang.
Dat gezang is een echte weerklank van de groote activiteit, van het groote geluksgevoel van het vogeltje. Het klinkt wel eens zoo luid en duurt wel eens zoo lang als ’t herfst- en winterlied. Het begint met een aantal snelle staccato-toontjes, dan komt [160]een lange triller, dan wisselen telkens eenige staccato-tonen met korte trillertjes af, totdat een laatste onstuimige tonen-cascade het lied besluit. Het is beslist een origineel lied, geheel opgebouwd uit eigen geluiden en het valt niet moeilijk, er de gewone lok- en alarmkreten in te herkennen.
Er zingen in de lente zooveel winterkoninkjes en ze zingen zoo zonder ophouden van voor zonsondergang tot het invallen van de duisternis, dat een groot deel van het duizendstemmig vogelkoor op hun rekening moet worden gebracht. Liefst zingen ze op duidelijk zichtbare plaatsen en zeer dikwijls slingeren ze zich onder het zingen de lucht in, om al zingende een heel eind verder neer te dalen.
De korte vleugeltjes gaan zoo snel, dat ze niet te zien zijn en het valt inderdaad moeilijk, om in dat geraasmakend bruine dingetje een vogel te herkennen.
Veelal huizen winterkoninggezinnen in elkanders nabijheid en dan hebben de mannetjes er groot genoegen in, om met elkander een beurtzang te houden. De een wacht behoorlijk tot de ander zijn liedje uitheeft en begint dan het zijne. Een kwartier lang kunnen ze dat volhouden, de volmaakte afwisseling bewijst, dat ze naar elkander luisteren. In den herfst en winter doen ze dat ook wel en in de allermeeste gevallen is er dan niets te bespeuren van wedstrijd of afgunst.
Toch heb ik ook wel gezien, dat de zangers hoe langer hoe dichter bij elkander kwamen en dat zij ten slotte al zingende handgemeen raakten.
Wanneer het echte nest kant en klaar is met zijn buitenlaag van dor blad, zijn binnenmuur van mos, de binnenkleeding van haren en veertjes en ’t wijfje zit te broeden op het tiental roodgespikkelde eitjes, dan doolt het mannetje voortdurend rond in de [161]omgeving van het nest en zoodra er onraad dreigt, begint hij te ketsen. Het geluid, dat hij nu laat hooren, lijkt precies op het op elkaar ketsen van een paar kiezelsteentjes: „tèk, tèk, tèk.”
Een kat sluipt door het onderhout. „Tèk, tèk, tèk,” gaat onophoudelijk om hem heen en het waakzame vogeltje snort den ellendigen roover om de ooren.
Als wij tusschenbeide komen en de kat door een goedgemikten steen op de vlucht drijven, dan gaat de angst van ’t vogeltje in vreugde over en hij zingt zoo, waar hij zit, midden op den grond een daverend vreugdelied.
Het nest van een zoo expansief diertje is natuurlijk gemakkelijk te vinden. Het komt er maar op aan, hem een half uurtje na te gaan en te letten op alle dichte en donkere plekken in de lage heestertjes en klimplanten. Zelden ligt het nest hoog, heel dikwijls zelfs vlak bij den grond, maar in den regel is het goed verborgen door de dichtheid van de struiken, of doordat de buitenzijde gemaakt is van ’t zelfde materiaal als de omgeving.
Er gaat een verhaal, dat de winterkoning zijn nest voor goed verlaat, eieren of jongen in den steek latend, wanneer een mensch het aangeraakt heeft, of wanneer zijn adem erover is gegaan. Nu, hiervan is niets waar, ge kunt gerust winterkoningsnesten zoeken en bekijken, zooveel ge wilt.
En ligt het nest op een gevaarlijke plaats, waar katten of kwajongens het zouden kunnen verstoren, dan moogt ge het gerust naar een veiliger standplaats verleggen, of er een beschermend prikkeldraad om vlechten.
Mij is een geval bekend, dat een winterkoninkje een nest had gemaakt in een stuk boomstronk dat gebruikt moest worden voor de omheining van een [162]rustieke bank. Het ding moest in orde worden gemaakt. De stronk moest weggeruimd, de schoonmaaktijd kent geen mededoogen. Men pakte dus kort en goed het houtblok op en bracht het, waar het wezen moest, met nest en al een meter of tien verder. Natuurlijk gebeurde dit onder groot protest van de winterkoninkjes, maar toen ’t ding eenmaal stil lag, ging het wijfje het nest opzoeken, bebroedde de eieren even trouw als te voren en dat is toen nog een heel gelukkig winterkoningengezin geworden.
Een andermaal had een Junistorm een heel winterkoningennest met jongen en al uit zijn kruisbessenstruik gerukt en een meter of drie verder tegen den grond gesmakt. De oude vogels waren radeloos. Een medelijdende hand heeft toen ’t nest met jongen opgenomen, rafels en flarden erin gewerkt en het weer in den oorspronkelijken stand in den struik gezet. Ook na dit ongeval gingen de ouden gewoon voort met de verzorging.
De jongen worden gevoerd met kleine insecten en miereneieren, hoogstwaarschijnlijk wel met mieren zelf ook, want ik heb in mijn tuin een mierennest gehad, waar den heelen dag de winterkoninkjes kwamen schuimen. De poppenkamers lagen gewoonlijk vlak onder de graszoden, gemakkelijk voor het lange snaveltje te bereiken, maar bij droog weer en op den middag een paar centimeters dieper. Toch kwamen de koninkjes dan evengoed hun schatting halen. Het diertje op de foto heeft het achterlijf van een kleine kakkerlak in zijn bek.
De jongen worden niet heel lang in het nest gevoerd. Al heel gauw komen zij er uit en dan begint voor de oude vogels een tijd van veel onrust en spanning. Hun „tèk, tèk, tèk”, klinkt onophoudelijk den heelen dag, terwijl zij de jongen rondleiden door de lage struiken en het kreupelhout. Hoe [163]vlugger de jongen worden, des te moeilijker zijn ze bij elkander te houden. Alles moet tegelijk gebeuren: de bende bijeenroepen, uitkijken, om voedsel te vinden, voeren, uitkijken, of er gevaar dreigt, en zoo de nood aan den man komt, redden, wat er te redden valt.
Ze schijnen dag aan dag dezelfde tournée te maken. Ik had dezen zomer twee families in mijn tuin, de eene met zes jongen kwam ’s morgens, de andere met acht in den namiddag. Dat wil zeggen, er waren er zes en acht, toen de bezoeken begonnen, maar na een week was dat aantal al verminderd tot twee en vijf. Meer dan eens ben ik van mijn boek of mijn werk opgestaan, om ze te helpen tegen de groote erfvijanden van de jonge vogeltjes: de katten en de gaaien. De katten zijn niet anders van mij gewoon, maar de gaaien keken eerst raar op, toen ik hun met steenen naar het hoofd gooide. Daarover later. [164]
Als het waterhoentje eens niet zulk donkergekleurd en taai vleesch had, dan zouden onze vijvers en vaarten een bekoorlijkheid minder bezitten. Zooals de zaken nu staan, worden zij weinig of niet gevangen of geschoten en ook wordt er niet buitengewoon veel acht geslagen op hun eieren. Dit heeft het verblijdend gevolg, dat de waterhoentjes hoe langer hoe meer algemeen worden en op buitenplaatsen met waterpartijen van eenige beteekenis zelden ontbreken.

Broedend Waterhoentje. (Gallinula chloropus chloropus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 11 Mei 1906.
Ook in singels en oude vestinggrachten ontbreken ze niet, doode rivierarmen wemelen ervan, in ’t voorbijrijden telde ik er op 1 September 1906 in den dooden Rijnarm aan de Grebbe niet minder dan acht en twintig, oude en jonge. De plassen, die langs onze zee- en rivierdijken herinneren aan oude doorbraken, herbergen alle een of meer waterhoentjes-paren; ze zwemmen op alle vaarten en het is een groote schande voor Amsterdam, dat er op al de vijvers en in al de parken geen enkel waterhoentjes-paar huist.
Dan is het in de boschstreek langs den binnenkant der duinen anders! Het is het ware land voor waterhoentjes: weiland, water en geboomte. Geen wonder, dat ze hier ’s zomers bij honderden te zien [165]zijn en ’s winters in nog grooter aantal, want die uit Noordelijker en Oostelijker streken komen hier overwinteren. Het geeft zoo’n Spaansch of Egyptisch gevoel, als je ’s winters al de vogels ziet, voor wie hier het „warme Zuiden” is: bonte kraaien, koperwieken, zwarte zee-eenden, goudhaantjes, waterhoentjes, bastaardnachtegalen, boomleeuweriken en eigenlijk ook de meerderheid der kieviten, roodborstjes en winterkoninkjes. Dat zijn allemaal trekvogels, die van de bevroren Oostzeelanden hierheen komen en voor een groot deel onze eigen vogels vervangen, die weggetrokken zijn.
Voor de waterhoentjes is gemakkelijk uit te maken, hoe het eigenlijk met hun reizen en trekken gesteld is. Men behoeft slechts de bevolking van een bepaald waterhoentjes-terrein gedurende een heel jaar na te gaan. Vroeger was de omgeving van de ruïne van Brederode daarvoor bijzonder geschikt, maar die buurt is minder prettig geworden, sedert er veel stinkend rioolwater door wordt geleid. Er komen nog wel waterhoentjes voor, maar lang niet zooveel als vroeger en het is nu niet meer prettig, om daar op ze te letten.
Maar er is geen gebrek aan goede terreinen. We hebben hier een meertje, dat wel het waterhoentjes-paradijs mag heeten, want alle gelukzaligheden, die de meest levendige waterhoentjes-fantasie zich zou kunnen voortooveren, zijn daar vereenigd.
Het is een paar honderd meter lang en op zijn breedste gedeelte een veertig meter breed. Daar ligt ook een eilandje, begroeid met wilgen en elzen. De oevers vertoonen een groote verscheidenheid: langs den noordelijken oever ligt een mooie tuin, de westelijke oever is voor een deel een rietgrasmoeras, vol zeggeklompen en duistere waterkuilen, overschaduwd door donkere elzen, voor een ander deel rietkraag [166]en voor de rest weiland. Ook langs de andere oevers ligt weiland, maar de rand van ’t meertje zelf is begroeid met zeggen, eppe, zwanebloemen en dotterbloemen. Aan de zuidpunt mondt een beekje uit, dat in zijn bovenloop nimmer bevriest.
Het meertje is vischrijk, maar voor de waterhoentjes is het van meer belang, dat alle mooie waterplanten er groeien: waterlelies, kikkerbeet, waterpest, hoornblad, duizendblad en vooral niet te vergeten de waterranonkel, die in den zomer het water bedekt met bloesemsneeuw, waarvan de fijne geur wedijvert met die der linden.
Is aldus het meertje een lustoord voor de vogels; voor den waterhoentjesvriend kon het ook niet beter, want langs de heele westzijde is weide en meer omgeven door hakhout met een dichten rand van meidoorns, zoodat de achterdochtige steltloopertjes gemakkelijk genoeg te bespieden zijn.
Die waterhoentjes toch zijn bij ons nog altijd niet geheel en al aan den mensch gewend. Soms loopen ze over den weg en wijken ze nauwelijks uit voor een fiets, maar als ze merken, dat ze worden nagegaan, dan komt hun schuwe rallenaard boven en dan sluipen ze met veel gegluur en kopgeduik naar den meest nabijzijnden schuilhoek. Verrast ge ze, terwijl ze in ’t water rondzwemmen, dan zullen ze al naar omstandigheden kalmpjes wegzwemmen naar den verst verwijderden oever, opvliegen en een heel eind verder neerstrijken of, als ’t gevaar heel groot lijkt, neerduiken en schijnbaar nimmermeer boven komen.
Zij zijn dan een heel eind voortgezwommen onder water naar een begroeide plek, die ze in de gauwigheid even hebben uitgekozen en daar komen ze dan met den snavel even boven water terwijl ze zich met hun lange teenen aan stengels en bladeren vasthouden. [167]
Vliegen ze uit het water op, dan is de houding van ’t lichaam bijna verticaal; den kop omhoog, het achterlijf afhangend en de pooten nasleepend over het water. Naarmate ze meer vaart krijgen wordt de houding meer horizontaal, de pooten worden tegen den staart gedrukt, maar de kop blijft toch altijd het hoogst. Zoo kunnen ze vrij lang en vrij snel vliegen; ik heb ze wel stukken van driehonderd meter zien afleggen en twijfel er niet aan, of ze kunnen in den trektijd hun reis voor het grootste deel vliegend verrichten.
Ons meertje herbergde dezen zomer drie waterhoentjes-gezinnen: een op het eiland en twee in de zeggeklompen van het moeras. Ze konden elkander nog al goed verdragen, d. w. z. ze hebben alle drie een dubbel broedsel grootgebracht. Maar aan vechtpartijen heeft het niet ontbroken, vooral in den eersten tijd van het broeden.
Daar ze hun voedsel in de onmiddellijke omgeving hunner nesten zochten, op het water, op het weiland en in het bosch, kon het niet uitblijven, of ze moesten elkander telkens ontmoeten en iedere ontmoeting werd een gevecht of een demonstratie.
Neer ging de kop, omhoog de staart en met groote stappen draaiden ze om elkaar heen in hevige opwinding. Bij iederen stap wordt de opgetilde poot een poosje omhoog gehouden als wilde de vogel ermee dreigen of afweren. Maar dan spreidt hij toch de lange teenen uit en zet met een schokje het groene been neer. De staart wipt bij iederen stap op en neer en wanneer de vogel stilstaat, klapt hij de witte zijdelingsche onder-staartdekveeren uit, met een gebaar, dat wel wat herinnert aan de vertooning van den korhaan.
Ook wipt hij met de vleugels, zoodat de witte vleugelrand te zien komt en de halfwitte dekveeren [168]onder de vleugels worden ook even opgetild zoodat de witte partij veel grooter wordt. De broekveertjes trillen mee en maken, dat de rood met oranje hielbanden prachtig te zien komen. De tegenpartij blijft in zulk vertoon niet achter en ’t voornaamste is nog, dat ze elkander den puntigen snavel voorhouden, waarboven de groote roode voorhoofdsbles gloort.

Nest met aangepikte eieren van het Waterhoentje. (Gallinula chloropus chloropus.) (L.)
Naaldenveld te Vogelenzang, 6 Juni 1903.
Nu eens doet de een, dan de ander met dien snavel een vinnigen uitval, een zijdelingsche greep, maar ’t is altijd mis. Ten slotte rennen ze op elkander in met opengesperden snavel, springen tegen elkander op, al krabbend met de lange teenen. Dan vallen ze beide neer en maken als bij afspraak plotseling rechtsomkeerd met den rug hoog in de lucht en den achtersteven uitgespreid op zijn allerbreedst; een echt onbehouwen straatmeiden-gebaar van allerdiepste verachting.
En dan gaan ze doodgewoon, alsof er niets gebeurd is, heel braaf voedsel zoeken voor hun broedende ega. De storm is ineens en volkomen uitgeraasd, maar alleen, om een half uur later met vernieuwde woede op te steken.
Tijdens den broedtijd zoeken de waterhoentjes hun voedsel voornamelijk op het water, waarschijnlijk wel, omdat er dan ’t meest te vinden is. In de allereerste plaats hebben ze het dan op de muggen voorzien en daar kunnen wij hun niet dankbaar genoeg voor zijn.
De muggenlarven hangen met hun staarteind aan de oppervlakte van het water, den kop naar omlaag. In ondiep water, waarin veel rottend blad ligt, komen zij voor bij duizenden en duizenden en daaruit wordt dan later de muggenplaag geboren. Nu komen de waterhoentjes zwemmend of wadend die plekken afzoeken en met onbegrijpelijke vlugheid weten ze larf bij larf te pakken, nog eer deze het wateroppervlak [169]kunnen loslaten, om zich te redden door neer te zinken.
Nog mooier is het, wanneer het waterhoentje de muggen zelf vangt, wanneer zij over het water dansen, om er eieren te leggen. Er zijn verscheidene soorten van vliegjes en muggen, die hun eieren leggen in ’t water; dat gebeurt zeer veel op warme zomeravonden. Langs alle oevers en slooten en vijvers dansen de eierleggende diertjes, sommige leggen hier of daar een enkel eitje, andere leggen ze aan groepjes of snoeren.
En als dat nu in vollen gang is, dan komt het waterhoentje sierlijkjes aanzwemmen over het blinkende water, bij iedere roeibeweging knikkend met het kopje en wippend met de staart, langzaam, ordelijk en regelmatig. Maar zoodra hij aangekomen is bij de muggen, gaat het sierlijke scheepje wenden en draaien naar alle kanten en de vlugge snavel hapt rechts en links, omhoog, omlaag, totdat hij een heele prop muggen heeft bijeenverzameld. Die wordt gebracht naar de broedende ega en dan begint de uitval opnieuw.
Een andermaal geldt het de vlugge schaatsenloopers, die gaarne in troepen bijeen op ’t gladde water staan. Het waterhoentje blijft nagenoeg stationnair maar hapt naar alle zijden, naarmate de schaatsenloopers of de draaikevertjes binnen zijn radius komen. De groene larven van de kleinere libellensoorten haalt hij tusschen wier en kroos te voorschijn en als hij dit laatste zelf eet, dan is het misschien toch wel in de eerste plaats om al het gedierte, dat aan de kroosworteltjes leeft.
Nog vlijtiger werken ze, wanneer de jongen zijn uitgekomen. Die blijven de eerste uren nog in ’t nest, al naar de omstandigheid, of dat dicht bij het water ligt, of ver er van daan. [170]
Evenals de meeste vogels, die succes hebben, is het waterhoentje ook zeer veelzijdig in ’t bouwen van zijn nest. Het traditioneele nest wordt gebouwd in en van rietgrassen, in de onmiddellijke nabijheid van het water. Een van onze foto’s geeft een dergelijk nest te zien. Het andere is van riet en ligt in ’t water.
Maar er zijn vele andere mogelijkheden. Waar geen rietgras is, maar kreupelhout het water omgeeft, daar nestelen ze op de stoven der elzen, wilgen of esschen, maken een ruw nest van weinig stengels en takken en bevloeren dit met dorre bladeren. In zulke nesten is dikwijls geen grassprietje aanwezig. Het hindert niet, al zijn de stoven wat hoog en zoo kan het nest dan soms meters hoog terecht komen en ten slotte het karakter krijgen van een echt boomennest. Wij hebben er gevonden meer dan drie meter hoog in een beukenhaag en ook boven in een ouden meidoorn. En vlak daarbij had een excentriek waterhoentje een nest gemaakt onder de kruipende klimop, bijna geheel zonder eenige bekleeding.
Dat was op een oud buiten. Gelukkig, dat er nog oude buitens zijn met dicht kreupelhout, met vijvers waarin alle Hollandsche wilde waterplanten mogen groeien en vaarten, waarlangs eeuwenoude elzenstronken hun dikke takken omhoog zenden door dicht struweel van bramen, netels, koninginnekruid en biezen. Aardige bruggetjes en goed onderhouden paden verschaffen aangename gelegenheid tot gemakkelijke wandeling en een paar meter buiten het pad lokt de bekoorlijke wildernis een dichte vogelbevolking.
Op zulk een plaats konden wij dezen zomer het leven der waterhoentjes van nabij bestudeeren. De meesten hadden een bladernest op een elzenstoof. Dat was hun broednest, maar behalve dat hoofdkwartier [171]verrezen in den loop van den broedtijd nog allerlei kleinere bouwsels langs den oever; vloertjes van takken en bladeren, minder hoog boven het water dan het eigenlijke nest.
Evenals bij den winterkoning noemen we die nesten „speelnesten”. Zij hebben hun ontstaan te danken aan een sterk ontwikkelde nestbouwdrift. Toch bleven de meeste niet ongebruikt liggen, ze dienden na het uitkomen der jongen als zitplaatsen.
Het broednest lag in den regel zoo hoog boven het water en de kanten der elzenstoven zijn zoo steil of zelfs overhangend, dat de jonge waterhoentjes, wanneer ze eenmaal het nest verlaten hebben, er onmogelijk zelf weer in kunnen terugkeeren. De ouden hebben dan te kiezen tusschen de moeite van telkens de jongen in ’t nest te tillen of een nieuwe zitplaats te zoeken. Ze nemen daarvoor de speelnesten. Één huishouding gebruikt op die manier wel een half dozijn nesten. De jonge waterhoentjes zoeken die zelfs nog op, lang nadat ze door de ouden zijn verlaten.
Het aantal der jongen is zeer verschillend en wisselt af van twee tot twaalf. In de Levende Natuur heb ik de aandacht gevestigd op de waarneming van Selous, dat ’t oude waterhoentje moedwillig eenige van zijn eigen eieren zou vernietigen, om het aantal jongen te beperken. Hij zag tot driemaal toe, dat een zelfde waterhoen een ei uit zijn nest pakte, ermee wandelde naar diep water en het daar liet zinken.
Nu ken ik Selous persoonlijk van zeer nabij. Ik heb een paar dagen en nachten met hem gewerkt op Texel en weet, dat zijn waarnemingen en mededeelingen volkomen te vertrouwen zijn. Daarom heb ik mijn best gedaan, om bij onze Hollandsche waterhoentjes hieromtrent ook iets te weten te komen, maar ze hebben zich alle volkomen normaal gedragen. [172]
Wel vonden we veel nesten met vier of vijf eieren, doch nimmer was er een spoor te ontdekken, dat daar ooit meer in waren geweest. En alle eieren leverden jongen op, op een paar na, die bedorven in ’t nest bleven liggen.

Nest en eieren van het Waterhoentje. (Gallinula chloropus chloropus.) (L.)
Landgoed Elswoud bij Overveen, 24 Mei 1906.
Verscheidene malen woonden wij het uitkomen der jongen bij, al konden we ook lang niet altijd wachten, tot ze te voorschijn kwamen. Die jonge waterhoentjes hebben weinig haast om ter wereld te komen, of zoo ge liever wilt, ze beginnen al heel vroeg in den dop te piepen.
De eieren van ons rietgrasnest waren alle aangepikt, toen de foto genomen werd en de vogels piepten dat ’t een aard had, maar twee uur later was nog niet een der doppen gebroken. Ze piepten soms wel een heelen dag en zijn er den volgenden avond nog niet eens uit.
Als wij naar het uitkomen lagen te kijken, dan waren de ouden van ’t nest gevlucht. Heel zachtjes gleden ze te water en zwommen dan een heel eind ver weg; wel honderd meter. Maar ’t duurde niet lang, of ze waren, al sluipend en kruipend ongezien weer naderbij gekomen en dan zaten ze tusschen de biezen of onder de bramen, onophoudelijk „duk, duk—duk, duk” te roepen.
Het had er dan alles van, alsof de ouden hun kindertjes, die ze nog nooit gezien hadden en die hen zelf natuurlijk ook in ’t geheel niet kenden, wilden waarschuwen voor ’t gevaar. Er wordt dan ook wel beweerd, dat de jongen het wonderbaarlijk instinct bezitten, om op ’t hooren van die waarschuwingskreten dadelijk zoo stil als muisjes te zijn.
Onze jonge waterhoentjes evenwel misten blijkbaar dat instinct, want ze piepten er even lustig op los. Eens lag ik met mijn neus vlak op zoo’n nest toen een jong uit den dop kwam. Dat is altijd een [173]mooi moment. Ik slaagde erin geen spier te verroeren en toen bleef dat kleine beest nat en hijgend stilletjes liggen tusschen de doppen, terwijl de ouden zich heesch dukdukkerden tusschen het riet.
Maar toen ik even het hoofd ophief, werd het kleintje bevangen door een grooten schrik en scharrelde hij haastig naar den rand van ’t nest. Ik ging toen maar gauw weg, want ze mogen niet zoo gauw zonder hulp in ’t water.
Het is een aardig gezicht, dat jonge dier zwart en nat uit ’t ei te zien komen, zwart met een paar roode kale vleeschstreepjes op den schedel en—wonderlijk genoeg—den snavel ook al versierd met rood evenals bij de ouden. En vóór het rood zit de spierwitte eitand, die den volgenden dag reeds afvalt.
Dat roode biesje blijven de jongen een week of drie houden. Als zij grooter worden en veeren en pennen krijgen, dan verdwijnt het. De snavel wordt dan groenachtig met een heel smal voorhoofdplaatje. De veeren aan borst en buik zijn grijsachtig wit en al wat bij de ouden aan vleugels, flanken en staart spierwit is, wordt bij deze jonge vogels mooi heel licht bruingeel. De pooten zijn grijsachtig en kousebanden hebben ze in ’t geheel niet.
Nu moeten ze zelf zien, dat ze aan den kost komen, want de ouden gaan beginnen aan hun tweede broedsel. Ze zien naar hun eerste stel kinderen nu niet meer om en als die soms nog om hulp en raad komen vragen, dan kunnen ze een houw met den snavel oploopen. Toch blijven ze in de buurt en dikwijls staan ze zich eenzaam in de veeren te pikken in een speelnest.
Dezelfde schrijver, die dat vertelt heeft van het zwijginstinct der zich in den dop bevindende kleintjes, de auteur van The Naturalist in La Plata, W. H. Hudson, zegt ook, dat in de parken van Londen [174]de jongen van het eerste stel meehelpen, om het tweede legsel uit te broeden. Ook hierop heb ik veel gelet, doch tot nu toe altijd zonder resultaat; nooit heb ik een jongen vogel op eieren zien zitten.
Toch geloof ik Hudson wel, want hij is ook maar niet de eerste de beste, ofschoon ik wel vrees, dat bij hem de literateur den waarnemer wel eens verschalkt.
Dat na het uitkomen van het tweede broedsel de heele familie weer wordt hereenigd, is intusschen onbetwistbaar waar. Dat gaat natuurlijk doodgewoon zonder eenige scène of plechtigheid. De eerste jongen zijn in de buurt van ’t nest gebleven en nu de ouden met het tweede stel op de vlakte verschijnen, voegen ze zich natuurlijk en ongezocht bij ’t troepje.
Naumann geeft daar een nog al sterk gekleurd verhaal van en dat is in latere boeken natuurlijk „verbeterd en vermeerderd” naverteld. Daardoor is men langzamerhand de jongste waterhoentjes gaan beschouwen als bovenmatig vertroetelde Benjaminnetjes, terwijl de oude jongen gelden als voorbeelden van broedermin en zusterliefde. Dat is allemaal erg overdreven.
Ziehier, wat ik daarvan op 20 Augustus 1906 zag aan de Zanderijvaart onder Overveen. Twee oude waterhoentjes zwemmen rond en wandelen over de waterleliebladeren. Nu eens pikken ze in het water, dan in de lucht. Drie jonge vogeltjes, nog geheel in ’t zwarte dons en met rood op de snavels, zwemmen achter de ouden aan en pogen hun op zij te komen.
Dat gelukt gemakkelijk genoeg, want de ouden gaan in allerlei richtingen door de vaart, en eigenlijk zou het voor de jongen de verstandigste taktiek zijn, wanneer ze stil bleven liggen. Dat doen ze ook soms, [175]maar dan sturen ze toch weer opeens op het witte lokstaartje der ouden af.
Slagen ze erin, een oude opzij te komen, dan piepen ze even en dan stopt de oude vogel voedsel in het geopende snaveltje. Beurt wordt niet gehouden, wie het dichtste bij het vuur is, warmt zich het beste.
In een groene nis tusschen de oeverbiezen staat een jong van ’t eerste broedsel toilet te maken en een eindje verder zwemt er een vlak aan den kant. Een derde en een vierde zwemmen midden in de vaart. Eén van de drie kleine jongen komt in de buurt van deze laatste en piept om voedsel. Broer heeft blijkbaar niets bij zich, maar pikt even in ’t water en geeft dan iets aan de kleine. Ik kan niet nalaten te denken, dat dit een zuiver instinctmatige handeling is, en dat hij misschien niets geeft, alleen maar voerbeweging maakt.
De toiletmaker gaat nu ook te water en zoekt op zijn eentje voedsel voor zichzelf. Het eene kleine jong zwemt nu voortdurend tusschen de vier oude jongen heen en weer en doet nu stellig telkens wat op. De beide andere blijven bij de volwassen ouders, die nu wel vijf en twintig meter weg zijn. Later keeren ze terug en dan sluit het kleintje zich ook weer bij hen aan. Van de vier oude jongen staat er dan een te dutten op een driehoekig modderplekje onder den els, de anderen zitten heel ver weg tusschen de oevergrassen.
De Zanderijvaart bevatte op dien dag zeven volwassen waterhoentjes, elf oude jongen en negen jonge jongen. Er waren dus stellig kinderlooze ouden in ’t vaartje. Geen wonder trouwens, want snoeken en ratten houden geweldig huis onder de jongen.
In September komen er groote veranderingen in de waterhoentjes-wereld. Langzamerhand verdwijnen [176]de meeste jongen, niet, doordat ze opgegeten worden, maar ze reizen in den vreemde. Sommige ouden trekken ook weg, maar vele blijven hier; dat zijn dus echte standvogels. Het paar, dat den vijver van Duin en Daal bewoont, is nu—15 November—nog present en blijft den heelen winter. Op ’t meertje van Caprera zijn behalve de zes vogels van dezen zomer nog een twintigtal ouden verschenen. Bovendien zijn er zeven jongen, maar of die blijven weet ik niet. In de Zanderij zijn er nu eens meer, dan minder, dat is daar een soort van passantenhuis. Op de Liede en ’t Spaarne, in de kreken langs den IJdijk vertoonen ze zich in groot aantal. We hebben ’s winters in Holland een zeer sterke waterhoentjesbevolking.
Nu worden ze hoe langer hoe meer landvogels. Groote troepen loopen er in de weiden te pikken tusschen het gras en ik vind ze ook tusschen de esschen en berkjes van het kreupelbosch, waar ze op de manier van merels rondwoelen in de dorre bladeren.
Op allerlei ongewone plaatsen kunt ge gedurende zomer en voorjaar waterhoentjes ontmoeten. Niet licht zal ik vergeten, hoe ik op een Maartmorgen er een ontmoette bovenop de ruïne van Brederode. Die zat vlak bij den hoogsten trans te smullen in de klimopbessen. En toen ik naar beneden keek, zaten daar tusschen hemel en aarde op verschillende hoogte nog zes van die roodblessen, alle op dezelfde manier bezig. Ze klauterden met het grootste gemak langs den hoogen klimopmuur, zich met de lange groene teenen vastklemmend in de twijgen.
Toch blijft het water altijd hun hoofdverblijf en wanneer in de wintermaanden het insectenleven aan de oppervlakte minder rijk wordt, dan duiken zij vaak onder, om in de modder naar voedsel te [177]zoeken. Naarmate het voorjaar opschiet, worden ze hoe langer hoe luidruchtiger, vooral in den laten avond en in den vroegen morgen en lang, voordat de nachtegaal zich laat hooren, zijn de vechtpartijen tusschen de waterhoentjesmannen weer in vollen gang. [178]
In het laatst van October en het begin van November komen zeer veel merels op den trek door ons land. Wel verschijnen ze niet in zoo talrijke zwermen als de koperwieken of zanglijsters, maar troepen van twintig of dertig stuks zijn toch in ’t geheel niet zeldzaam. Het komt er slechts op aan, ze op de goede plaatsen te observeeren.
Nu is dat in ons land gemakkelijk genoeg, want de ontelbare legioenen van lijsterachtige vogels, die in ’t najaar zich westwaarts bewegen door de Midden-Europeesche laagvlakte, bereiken hier een belangrijk keerpunt. Een groote massa strijkt over naar Engeland, maar verreweg de meeste maken halt bij de Zuiderzee of bij de Noordzee en gaan dan van Texel of van Gaasterland zuidwaarts.
De honderdduizenden vogels, die op Texel en in Gaasterland in de strikken gevangen worden, zijn slechts een onnoemelijk klein deel van wat nog verder gaat. Op een mooien morgen in October heb ik in onze duinen gedurende een enkel uur niet minder dan dertigduizend lijsters van verschillende soorten zien voorbijtrekken.
Voor vele schijnt het keerpunt meteen eindpunt te zijn, of liever voor hen gaat hier het trekken over [179]in zwerven. Soms wemelt het een week lang in een bepaalde streek van merels en zanglijsters, dan is er een paar dagen lang geen enkele meer te zien en een poosje later komen weer nieuwe opdagen.
Op Texel is dat den heelen winter door met groot gemak te constateeren. Ook hebben waarnemingen over een tijdperk van vier jaren mij geleerd, dat in Bloemendaal van den straatweg tot de zee de lijsterbevolking van half October tot half Januari zeer veranderlijk is en dat van de lijsters, die hier broeden, of die hier uitgebroed zijn, geen enkele hier blijft overwinteren.
Voor de stad is het waarschijnlijk iets anders. Ik geloof werkelijk, dat de steden in de ornithologie een bijzondere plaats gaan innemen en dat we hoe langer hoe meer aandacht zullen moeten schenken aan de „stadsfauna”. ’s Winters neemt ook wel ’t aantal merels in Amsterdam toe; er is dus toevloed van trekvogels, maar ik heb toch ook de zekerheid, dat vele van de merels, die in de stad broeden, er ook den winter blijven doorbrengen.
Dat geeft te denken. Er zijn dus merels, die jaar in jaar uit niets anders te zien krijgen, dan een paar stadstuinen, omgeven door huizenblokken. Ik ken er een, die nu al drie jaar lang ontsnapt is aan de katten van het Werkhuis en overigens een vrij gemakkelijk leven leidt in een drietal tuinen, die met elkander kunnen bogen op wat appel- en pereboomen, een paar ahorns, wat iepen en kastanjes en verder allerhande kleingoed.
Voor een stadsvogel is dat lang zoo kwaad niet. Wormen zijn er in overvloed te vinden, slakken bij de vleet en als ’s winters de grond bevroren is, dan neemt hij zijn deel van het brood, dat voor de musschen wordt uitgestrooid. Gelegenheid tot drinken en baden vindt hij altijd in de plassen van den [180]Werkhuistuin en in het kunstmatig vijvertje van den kweekschooltuin.

Nest en eieren van de Merel of Zwarte Lijster. (Turdus merula merula.) (L.)
Landgoed „Caprera” te Bloemendaal, 26 Mei 1904.
Eigenlijk leeft zoo’n vogel in een soort van groote kooi. Van de mooie wereld daar buiten weet hij natuurlijk niets en het lijkt wel, alsof door den invloed van de gunstige condities, waaronder hij verkeert, het trekinstinct geheel bij hem is uitgedoofd.
Zijn zang is maar zoo zoo. Doch buiten zijn er ook merels, die slecht zingen. Ik twijfel er evenwel niet aan, of deze stadsvogels zullen in den loop der tijden alle anders gaan zingen en zich anders gaan gedragen, dan de vogels van het vrije veld. De stadsornithologen zullen hierover binnenkort interessante dingen te vertellen hebben.
De merels van het Vondelpark en zelfs die van Artis zijn al meer „buitenvogels” en doen dan ook behoorlijk mee in de wisseling der jaargetijden.
Buiten de steden houdt de merel zich ook veel op in de nabijheid van menschelijke woningen, maar dat neemt niet weg, dat hij toch een echte boschvogel is en zich midden op de Veluwe of in een duinvallei aan den zeekant volkomen gelukkig gevoelt.
Hij is de echte pierenvreter, om nu maar eens niet ineens te beginnen met zijn deftigheid. Er is geen vogel, wiens bemoeiingen zoo rechtstreeks gericht zijn op den aardworm, al moge de zanglijster hem zeer nabij komen. Deze laatste moet toch nog altijd afwachten, hij luistert, tot hij zijn worm hoort en gaat dan op ’t geluid af. Maar een merel gaat verder: die kent de natuurlijke historie van den aardworm op een prik, ziet aan den grond, waar de worm te verwachten is en slaat bladeren en aarde opzij, om zijn prooi te bereiken.
’t Is een echt herfsttafereel: de merel, stoer werkend in de afgevallen bladeren. Licht huppelt hij over [181]den grond, staat even stil op hooggestrekte zwarte pooten, bukt opeens en dan vliegen onder de krachtige slagen van den snavel de bladeren rechts en links. En eer de worm, die in zijn hol aan de bladeren zat te knagen, tijd gehad heeft, om zich diep genoeg terug te trekken, heeft de merel hem aan zijn kop te pakken en nu begint het worstelspel, dat in negen van de tien gevallen voor den worm slecht afloopt.
Meestal gaat de vogel, nadat hij zijn pièce de résistance verorberd heeft, nog eens nasnuffelen tusschen het omgekeerde blad. Dan pikt hij daar vlugjes de kleinere organismen uit en gaat dan verder. Over bebladerden grond, onder struikgewas, huppelt hij met fiksche sprongen, ook in de wei, als ’t gras er hoog is, maar wanneer hij over vlakken grond zich uit de voeten wil maken en geen gelegenheid vindt, om op te vliegen, dan rent hij zoo vlug als een kievit. Doordat hij bij het loopen meer het hielgewricht dan het kniegewricht gebruikt, ziet die renpartij er meestal nog al komiek uit. Ze doen ’t ook bijna altijd, wanneer ze van grasveld tot grasveld een pad moeten oversteken.
Soms zijn een dozijn van de vogels tegelijk bezig. In den voorherfst zijn dat meestal vogels van eenerlei geslacht en leeftijd: oude mannetjes, zwart met gelen snavel, oude wijfjes, dof donkerbruin met lichte keel en lichtgrijzen of gelen snavel, jonge vogels, zwart met donkeren snavel en soms nog met bruingevlekte veeren aan kop of onderkant.
Het zijn vooral de jonge vogels, die in den herfst zingen, niet het volle merellied, dat wijd klinkt over gaard en bosch, maar een zacht neuriën, waarin de accoorden en arpeggio’s van later reeds doorklinken. In ’t laatst van September hoor ik ’t het meest. [182]
Gedurende den winter zijn de merels ook nog luidruchtig genoeg. Ze hebben allerlei discussiën met koolmeezen, winterkoninkjes en bastaardnachtegalen en vinken, die ook in de bladeren onder het struikgewas hun zaken hebben. De vink en het heggemuschje leggen het gauw tegen hen af, maar koolmees en klein Jantje zijn niet op hun mondje gevallen en bestoken hem van alle kanten met „terrrt, terrrt, terrt” en „tjegge, tjegge, tjeggetjek.”
Hij antwoordt met „tjak, tjak, tjak” of, als hij niet nijdig is, met een binnensmonds gesproken, „koek”, „koek”, doet af en toe een aanval, maar moet het in den regel toch opgeven en vliegt dan weg onder het uitroepen van een lang uitgehaalde tirade beginnend met „tjak, tjak,” dan overgaand in helder „ting, tjing, tjing”, dat al sneller en sneller wordt en ten slotte den welbekenden hoogen alarmtriller vormt.
Het heldere „tjing, tjing” is ook zijn avondgeluid, de vaste begeleiding van het vallen van den winteravond. Zwart staan de kale stammen en takken tegen het avondrood, in ’t onderhout blinken nog een paar dorre bladeren rood en geel op uit de duisternis. ’t Is doodstil, geen twijgje verroert, alleen een roodborstje zit te zingen op een hoog uitstekenden tak, het mooie silhouet scherp afgeteekend tegen de avondlucht. Zijn liedje eindigt in liefelijk gemurmel en dan is de stilte volkomen.
Opeens klinkt in ’t lage hout een helder „tsjing, tsing” en van alle kanten komt antwoord. Als koperen bekkenslag klinkt het in ’t rond. De roodborst komt ook meedoen, nu niet met zijn welluidend gezang, maar met een krakend, ratelend roepje en de winterkoning gooit er zijn uitdagings-triller doorheen.
Dit is heel wat anders dan de avondzang in April of Mei, maar toch o, zoo mooi, helder, sterk en rein. [183]Ik hoor dat altijd met groote blijdschap: de taptoe van de stoere wintergasten.
Welke beteekenis die geluiden voor de vogels zelf hebben, weet ik niet. Misschien is het een tijdverdrijf. Het is te donker, om naar voedsel te zoeken en de dag is te kort geweest, om nu al dadelijk behoefte aan slaap te hebben. Wellicht ook zijn het verzamelkreten, want bij de meeste vogels bestaat een sterke neiging, om gezellig te overnachten. En misschien, maar dat is nog slechts een vaag vermoeden bij mij, misschien gaan ze dikwijls na dat geroep niet eens te rust, doch begeven ze zich op reis.
Ik hoor tenminste op November-avonden dikwijls lang na zonsondergang in de lucht een ander lijstergeluid, het „srie, srie” van den trek. Deze roep is met meer of minder wijziging aan alle lijsters eigen en wanneer ge dien hoort—overdag kan dat ook—zie dan omhoog even in ’t rond en ge zult ongetwijfeld de troepen der reizigers ontwaren. Soms zijn ’t er niet meer dan een stuk of zes, een andermaal zijn ’t duizenden.
Reeds in Januari kunnen wij wat te zien krijgen van ’t liefdeleven der merels; meest ’s morgens tusschen tienen en twaalven. Een mannetje zit in de grootste opgewondenheid te roepen. ’t Is onophoudelijk „tsjieng, tsjieng, tsjieng” afgewisseld met dol heen en weer vliegen onder ’t uiten van den langen alarmkreet.
Op den grond in ’t natte mos zijn twee wijfjes aan ’t vechten als straatmusschen. Ze vliegen en springen tegen elkander op, bijten elkaar in den nek en rollen soms over elkander heen. En ’t mannetje vliegt maar schreeuwend heen en weer, alsof hij de wijfjes aanhitst. De wijfjes zelf zijn ook niet stil, maar roepen telkens „tak, tak” en zelfs [184]klinkt daar wel eens een gezangtoon tusschen door.
Eindelijk vliegt het edele drietal schreeuwend weg.
Deze gevechten tusschen wijfjes duren eenige weken lang en bewijzen voldoende, dat zij niet geheel en al onverschillig blijven bij de stichting van het huishouden. Misschien hangt het met de groote energie samen, dat zij soms zingen, een enkelen keer zelfs zoo, dat ge meenen zoudt een mannetje voor u te hebben.
Een maand later is de beurt aan de mannetjes. Dat zijn prachtige vechtpartijen of liever stijlvolle duels. De wijfjes in Januari stellen zich onwaardig aan, verblind als ze waren door passie en jaloezie. Het schijnt, dat de mannetjes meer meester van zichzelf blijven: ze breken ten minste hun vechtpartij dikwijls af, door ieder in zijn eigen boom heerlijk en rustig te gaan zitten zingen.
De ontmoeting krijgt daardoor, zooals dat ook bij andere vogels het geval is, meer het karakter van een tournooi dan van een strijd. Niet zelden ook komen op drukke plaatsen veel merelparen bijeen en daar kan het dan zeer luidruchtig toegaan. Zoo iets heb ik gezien op 10 April 1898 in het lage Middachter bosch.
Het bouwen van het nest geschiedt in de morgenuren en bijna uitsluitend door het wijfje. Het mannetje zit dan te zingen of vliegt met zijn wijfje mee, stapt om haar heen en dan gebeurt het wel eens, dat hij een takje of een grassprietje van den grond raapt en haar dat aanbiedt. Ook oefent hij in den allereersten tijd eenigen invloed uit op de keuze eener nestplaats door bouwstoffen naar de plek zijner voorkeur te dragen.
Merels bouwen overal: van vlak op den grond tot tien meter hoog in de boomen. Er wordt wel eens beweerd, dat merels, die voor het eerst van hun [185]leven bouwen, altijd een nest op den grond maken en dat ze dan later, door schade en schande wijs geworden, het hoogerop gaan zoeken.
Dit is beslist onjuist. Het nest met eieren van onze foto lag aan den voet van een dikken den, nagenoeg op den grond: het zat bekneld tusschen het duinroosje en den dennenstam. De man, die bij het nest hoorde, had een snavel, oranje bij rood af. Dat was dus wel een heel oud mannetje, dat misschien wel zijn twaalfde huishouden groot bracht.
Ook is het nog zeer de vraag, of de grond een zoo onveilige plaats is voor een nest. Ik voor mij geloof, dat het een der veiligste nestgelegenheden is, en dat de nesten die een meter hoog boven den beganen grond liggen, in hagen of conifeertjes, in veel ongunstiger conditie zijn. Die mogen door wezels of katten niet worden opgemerkt, voor menschen, eksters en gaaien liggen ze als ’t ware voor ’t grijpen.
Nu zouden we de onderstelling kunnen wijzigen en zeggen: onervaren merels bouwen ter hoogte van een tot anderhalve meter en als ze ouder en wijzer worden, gaan ze hooger of lager, maar nu heb ik dezen zomer weer juist een heel oud en heel wijs wijfje leeren kennen, die haar nest precies op neushoogte had gebouwd in een houtmijt. Ze was zoo oud, dat ze een gelen snavel en een bijna witte borst had. Ook was ze ongewoon groot.
Het materiaal van ’t nest is zeer verschillend en regelt zich geheel naar de plaatselijke omstandigheden. De grondnesten zijn voornamelijk gevlochten van grassprietjes en mos, met een bodem van kleine takjes en verdorde stengels van voorjarige planten. Die zijn dan door klei of mest aan elkander verbonden, maar ook in den aard en hoeveelheid van dit bindmiddel bestaat groot verschil.
De binnenbekleeding bestaat uit fijne plantenvezels [186]en haren, maar kan een enkele maal bijna geheel ontbreken. Het nest in de houtmijt bestond bijna geheel uit takjes; in thuja’s en cypressen heb ik nesten gevonden, waarin de groene levende takjes van den heester als bouwmateriaal waren gebruikt.
De merels broeden altijd minstens tweemaal per jaar, dikwijls driemaal, een enkelen keer viermaal, zoodat jonge vogels in het eerste kleed (roodbruin met donkere vlekken) aangetroffen kunnen worden tot in October. In den regel wordt voor elk nieuw broedsel een nieuw nest gebouwd, echter komt het ook wel voor, dat een heel hecht nest tweemaal achtereen wordt gebruikt. Een dood enkele maal gebeurt het, dat een merelpaar een verlaten zanglijsternest in beslag neemt en er eieren in legt, zelfs zonder het binnenste op merelmanier te stoffeeren.
Het is te wenschen, dat men wat meer op deze dingen gaat letten, we behooren omtrent het gedrag van een zoo algemeenen en vertrouwelijken vogel niet in het onzekere te verkeeren.
Het broeden komt weer voornamelijk voor rekening van het wijfje, al onthoudt het mannetje zich niet geheel en al. De vogel begint al te zitten, wanneer er twee eieren in het nest zijn. In den regel wordt er iederen dag een ei bij gelegd, maar er wordt wel eens een dag overgeslagen. Dit alles heeft tengevolge, dat de eieren niet te gelijk uitkomen en dat de jongen van hetzelfde broedsel heel wat in ontwikkeling kunnen verschillen, zooals ook op onze foto duidelijk te zien is.
En nu krijgen mannetje en wijfje druk werk. De jongen moeten worden gevoed, gekoesterd, gekoeld, gereinigd. Het reinigen bestaat in het wegbrengen van de uitwerpselen. Ieder keer dat een oude vogel voedsel brengt, wacht hij tot een jong zijn darm leegt—’t is bijna een reflex op [187]’t eten—raapt het uitwerpsel op en verzwelgt het.
Het koesteren geschiedt ’s nachts geregeld en in den eersten tijd op donkere dagen dikwijls. Op heete dagen hebben de jongen het ontzettend warm. In het enge nest liggen die vier of vijf heete vogellijfjes vlak tegen elkander, hun vederkleed wordt ieder uur dichter. Geen wonder, dat ze als in doodsnood liggen te hijgen en de koppen aemechtig over den rand van het nest laten hangen.
Dan komt de oude vogel, naar mijn waarnemingen steeds het wijfje, voor het nest zitten en brengt met wijd gespreide holle vleugels de lucht in beweging, de mooiste punkah, die men kan bedenken. Dit is een wonderlijk mooi instinct, eigenlijk veel wonderlijker dan het broeden en koesteren.
Het voedsel, dat de ouden brengen, is, zooals dat bij de zangvogels regel mag heeten, voornamelijk dierlijk voedsel en wel in hoofdzaak rupsen, andere larven en bladluizen. Wormen worden niet dadelijk gevoerd.
Eens zag ik, dat een merel zijn jongen voerde met groote roodachtige brokken en ik kon maar niet uitmaken, wat dat voor groote sappige dieren waren. Het leken wel stukjes vleesch. Iedere minuut kwam een oude vogel met zoo’n brokje aandragen en ik zat al te bedenken, uit welke slagerij in de buurt die voorraad afkomstig kon zijn, toen ik zag, dat er bij ’t nest zoo’n brokje op den grond viel. Onmiddellijk snelde ik er heen tot grooten schrik van jong en oud. Het was een aardbeitje, stel u gerust: een wild aardbeitje.
Dol zijn de vogels op aardbeien. Ze groeien in onze duinen bij duizenden en duizenden, maar de wandelaar kan lang zoeken, eer hij er een handjevol van bijeenverzameld heeft. Alle vogels eten ervan en nu gaan de merels er ook al hun jongen mee voeren! [188]
Mij dunkt, het moet voor die diertjes wel heerlijk wezen, om op een heeten zomerdag getracteerd te worden op de heerlijke frissche vruchten, spijs en drank tegelijk. Dit brengt mij meteen tot de vraag: krijgen de jonge vogeltjes in ’t nest wel ooit te drinken?
De jongen, die meteen het nest kunnen verlaten, zooals de kievitten en waterhoentjes, drinken reeds in hun eerste levensuur. Ze hebben het instinct, om te pikken naar het bewegende water, naar de dauwdroppel aan een grassprietje, naar het water, waarin zij rondzwemmen. Maar hoe gaat dat nu bij winterkoning, koolmees en lijsters? Ik weet er niets van, alleen vermoed ik, dat ook nog wel andere vogels dan de merel hun jongen op fruit zullen onthalen.
Ieder aardbeienkweeker weet ook, dat de oude vogels hun jongen geleiden naar de aardbeibedden en dat ze daar zeer beslist het beste deel kiezen, dat ik ze gaarne gun. Maar de beroepskweeker denkt daar anders over.
Mereltje, mereltje, het ziet er slecht met je uit. Je eet aardbeien, kersen, aalbessen, druiven, peren, perziken, abrikozen en je bederft soms nog meer, dan je opeet. Het nut, dat je sticht, valt niet zoo onmiddellijk in het oog, want al het kleine goed heeft weinig naam. Het eten van wormen behoeft je niet als een verdienste te worden aangerekend, want de wormen zijn nuttige dieren en verrichten jaarlijks in de wereld voor ik weet niet hoeveel millioen gulden aan nuttigen veldarbeid. Ook haal je wel eens een vogelnest uit.
Er zijn dan ook menschen, die de lijstervangst in het najaar zoo al niet toejuichen, dan toch zonder het minste bezwaar tolereeren en wel op twee onomstootelijke gronden, waar niets op valt aan te merken nl. 1o er komen ondanks het wegvangen [189]toch hoe langer hoe meer merels en andere lijsters en 2o de merels richten schade aan als fruitdieven, misschien ook als knoppenvreters en nestverstoorders, terwijl hun hoofd voedsel bestaat uit de zoo nuttige wormen.
Nu kunnen we de zoo nuttige wormen gerust buiten rekening laten, want die vermenigvuldigen zich zoo snel en regenereeren zich zoo gemakkelijk, dat al de merels van de wereld het voordeel, dat wij van de wormen hebben, niet kunnen doen verminderen.
Alles met alles is het met de merel hoogstwaarschijnlijk als met zooveel andere vogels: hij is soms nuttig, soms schadelijk, zoodat het voor onze rechtstreeksche stoffelijke belangen misschien onverschillig is, of hij leeft of niet. Ik zeg „misschien” want ik geloof, dat ten slotte alle dieren nuttig zijn.
Bij een dergelijk onverschillig evenwicht geeft de minste aanraking den doorslag. Die wordt in dit geval gegeven door de omstandigheid, dat jongens plezier hebben in ’t lijstervangen en dat arme arbeiders er een kleine extra-verdienste mee kunnen verwerven.
Maar er is ook een doorslag mogelijk in een andere richting. De merel is een vogel vol gratie en activiteit, een sieraad van onze bosschen en velden. De merel is een zangvogel van buitengewone begaafdheid, een solist van den allereersten rang en een onmisbare steun in het groote vogelorkest.
Als je van zoo’n vogel nu nog vergt, dat hij op den koop toe ons nog tastbare voordeelen verschaft, dan staat dat ongeveer gelijk met den eisch, dat onze groote virtuozen onder de menschen den kost zouden moeten verdienen met kousen stoppen of schoenlappen. [190]
Over de merel als solist is al genoeg gezegd en geschreven, als lid van het orkest is hij nog weinig geroemd. Ga op een morgen in Mei een uur voor zonsopgang wandelen in een streek met veel bosch en water. Dan wordt er gezongen, zooals op geen ander oogenblik van nacht of dag: de groote algemeene morgenhymne.
Wie dat hoort en goed hoort, begrijpt dat de vogelzang toch nog iets anders is dan verliefd gekweel om wijfjesgunst. Alle vogels, die nu zingen, hebben reeds hun nesten kant en klaar, hebben hun rivaliteiten al lang uitgevochten. Doch iederen morgen tot ver in Juni en Juli en weer opnieuw in September, geraken de vogels in verrukking bij het wederkeeren van het daglicht.
Ze zijn zoo gezond en sterk, die dieren, zoo vol activiteit, met zooveel voorgevoel van al het goede, dat de dag kan brengen, dat zij het aanbreken ervan reeds meer dan een uur te voren begroeten met hun blijdsten jubel.
En nu hoort ge ze alle: de reine boomleeuwerik, de vurige nachtegaal, de woudduif, de koekoek, het roodborstje, roodstaart, winterkoning, fitis, vink, zanglijster en merel, ieder met zijn bijzondere strofe beurtelings de aandacht vergend. En achter al die muziek hoort ge een geluid, zoo groot en imposant als nooit en nergens anders te hooren is, noch in kerken noch in concertzalen. Het is krachtig, als de storm en als de zee, maar veel rijker van toon.
Wanneer ge er in slaagt, uw aandacht af te trekken van de solisten vlak bij, dan ontdekt ge, dat die grootsche achtergrond van geluid alleen afkomstig is van de merels.
Ge ziet nu, hoe onmogelijk het is, om zulke dieren een heelen nacht den doodsstrijd te doen ondergaan in een paardeharen strik, hoe kannibaalsch het is, [191]om ze te eten. De ornithologie of de tuinbouwbelangen hebben hiermede niets uit te staan, maar iets, dat veel beter en hooger is: ons gevoel voor de onbegrijpelijke en onnaspeurlijke grootheid en schoonheid van de schepping. [192]
De voorspoed van het lijstergeslacht in deze dagen uit zich ook in de omstandigheid, dat de groote lijster zich tegenwoordig niet alleen in groot aantal vertoont op den najaars- en voorjaarstrek, maar ook doordat zij al meer en meer bij ons gaat nestelen. Een jaar of tien geleden gold het nog als een ornithologisch buitenkansje, een nest van de groote lijster te vinden, thans worden ze, althans in de duinstreek, vrij talrijk aangetroffen.

Groote Lijster hare jongen koesterend. (Turdus viscivorus viscivorus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 6 Juni 1906.
Deze vogel heeft in de boeken alweer een reputatie van schuwheid en hij heet alleen te broeden op afgelegen plaatsen. Hier in Bloemendaal evenwel wordt hij al in de tuinen gezien en dezen zomer broedde een paar in de onmiddellijke nabijheid van een vogelvrienden-woning. Ik twijfel er niet aan, of wie er op let, vindt wel overal in boschachtige streken nesten van deze lijster. Doorgaans verwart men ’t nest met ’t nest van de merel en den vogel zelf met de zanglijster.
Voor deze verwarring bestaat geen enkele reden, want de groote lijster is van de zanglijster gemakkelijk te onderscheiden. Bij de zanglijster trekken alle kleuren in ’t goudgele, bij de groote lijster is aschgrauw de hoofdkleur. Schedel en rug zijn aschgrauw, [193]de vleugeldekveeren zijn wat donkerder bruin en hebben witte eindpunten en randen, die twee lichte strepen over den vleugel vormen, wat bij de zanglijsters in ’t geheel niet het geval is.
Ook de stuurpennen, behalve de middelste, hebben witte eindvlekken, maar alleen op de binnenvlag, zoodat bij den saamgevouwen staart niets van dat wit te zien is. Zoodra hij echter even wordt uitgespreid, komen vooral aan de buitenzijde de witte vlekken te voorschijn.
De onderzijde is evenals bij de zanglijster licht van kleur met donkere vlekken; de zanglijster is daar lichtgeel, de groote lijster bijna wit, wat in ’t zonlicht wel tien meter ver te onderscheiden is. Verder zijn de pooten bij de zanglijster heel licht van kleur, een zacht hoornachtig tintje, de groote lijster heeft gele pooten, ja ik heb er wel gezien, die oranje waren, bij rood af.
Het allerduidelijkst zijn de vogels te onderscheiden, wanneer ze vliegen. De zanglijster heeft de onderdekveeren van de vleugels mooi oranje, ook de okselveeren en de zijveeren van den romp vertoonen die kleur en dat is bij de groote lijster allemaal wit, zuiver wit, zoodat het schittert in de zon.
Het verschil in grootte is wel aanzienlijk, maar niet gemakkelijk te constateeren; de groote lijster is een kop grooter dan de zanglijster, een zesde deel van de lichaamslengte, maar het is heel moeilijk, om in de vrije natuur uit te maken, of een vogel groot of klein is; het oordeel wordt door allerlei bijomstandigheden onzuiver gemaakt. Bij mistig weer lijken spreeuwen zoo groot als kraaien en bij zeer heldere lucht zien alle vogels er weer veel kleiner uit, dan ze zijn.
Wie evenwel gewoon is, uit te kijken, behoeft zich niet lang te bedenken, als hij een groote lijster ontmoet. [194]In de laatste weken zijn er zeer vele doorgetrokken; de eerste vertoonde zich op 10 September. Ze waren zoo gelukkig en tevreden, als een groote lijster maar zijn kan en telkens zat er in een sparretop een te roepen.
Ze zitten dan nagenoeg loodrecht rechtop. Zanglijsters hebben ook een opgerichte houding, maar de lijn, die snavel met staart verbindt, heeft bij hen toch zelden een helling van meer dan vijftig graden. De groote lijster echter doet het niet minder dan tachtig graden; wanneer men hem van voren beziet, dan zijn keel en borst en buik in hun geheel duidelijk te zien met al hun vlekken.
Deze herfstroep lijkt zeer veel op een lied, vooral doordat de vogel tijdens het roepen stil blijft zitten en er geen enkele oorzaak tot ongerustheid bestaat. Luid en snel achtereenvolgens roept hij „trè, trè, trè,” als een kwajongen, die een trompet nadoet. Hij zit in den hoogsten top van een zilverspar, maar daardoor juist achter de breed uitstaande zijtakken verborgen. Als ik nu om den boom ga heendraaien, om een beter gezichtspunt te vinden, krijgt hij mij in ’t oog en na een laatste „trè” springt hij in de lucht, om bijna loodrecht langs den boom neer te dalen. Dan buigt hij weer omhoog en verdwijnt met den familieroep van „tjak, tjak” tusschen het hout.
Dat was een toevallige ontmoeting, maar ik weet ze in October en November ook wel met zekerheid te treffen. In het najaar staan langs de wegen der vogels de prachtigste wegwijzers voor den vogelvriend, dat zijn de heesters met hun kleurrijke vruchten.
Een van de allerbelangrijkste is het kardinaalsmutsje. In lange rijen groeit het, vooral in lange duinvalleien, die zich uitstrekken in de richting Noord-Zuid. Wanneer het herfst wordt, krijgen hun [195]millioenen en millioenen vruchten een heerlijk karmijnroode kleur, die prachtig afsteekt bij het donkergroen der bladeren. Later worden de bladeren zelf ook rood, of ze vallen af en dan gaan de roode vruchten openbarsten, zoodat de oranje zaden te voorschijn komen. Deze bungelen dan meest bij viertallen aan dunne spierwitte draden buiten de roode vrucht.
Het zijn de mooiste heesters van het duin, na de Geldersche roos of wilde sneeuwbal, die dichte trossen van glanzig roode bessen vertoont temidden van fraai gevormd purperrood gebladerte. Maar de vogels willen in October van die Geldersche roos nog niets weten, het kardinaalsmutsje lokt hen des te meer aan. De lijsterbessen zijn al zes weken geleden opgegeten door de inlandsche lijsters en de jonge spreeuwen, de duindoornbessen behooren aan de bonte kraaien.
Laat ons nu gaan zitten op een beschut plekje in ’t duin, niet te ver van de glorende kardinaalsmutsjes. Zie, een halven kilometer ver strekt de heesterrij zich uit, op enkele plaatsen zijn het dichte partijen, op andere vormen kleine heestertjes een dun rijtje, dat de grootere boschjes verbindt. Maar alle zitten vol vruchtjes.
„Srrie, srrie,” daar komt de lijsterzwerm uit het Noorden. Ze vliegen in een breede colonne, vijftig vogels breed, zes rijen hoog, acht of tien gelederen diep; dat is dus een sterkte van tusschen de twee- en drieduizend. Nauwelijks in de vallei aangekomen verdeelt de troep zich, benden van honderd stuks slieren op zij; een groote troep valt vlak bij ons neer in ’t boschje van Evonymus.
Dit is geen fantastisch vogelpraatje, maar echte reëele waarneming. Ieder jaar zie ik eenige malen die lijstertroepen. Wie zijn dagen doorbrengt in de [196]duinen, halfweg tusschen het strand en de weide, kan niet missen op Octobermorgens deze prachtige vluchten te zien. Ge moet maar geduldig zitten te wachten, bij Zuidoostenwind en helder weer is de kans, om iets te beleven, het grootst.

Nest en eieren van de Groote Lijster. (Turdus viscivorus viscivorus.) (L.)
Duin en Bosch „Tuschenwyk” te Wijk aan Zee en Duin, 23 Juni 1903.
Nu kunt ge ook zien, hoe het mogelijk is, dat zooveel lijsters in de strikken gevangen worden. Met onbegrijpelijke gulzigheid vallen ze op de oranje zaadjes aan. ’t Is een rukken en trekken zonder ophouden, vier, vijf vogels in een enkel heestertje, dat staat te trillen en te schudden onder de heftige bewegingen der forsche dieren.
De partij bestaat in hoofdzaak uit koperwieken, maar er zijn ook zanglijsters bij en een twintigtal groote lijsters. Nu komt het goed uit, dat ze veel grooter zijn; wanneer hun lichaam niet den typischen lijstervorm vertoonde, zoudt ge ze op een afstand kunnen aanzien voor gaaien of duiven, zoo groot zijn ze.
„Tjak, tjak, trè,” zegt er een, „tjak, tjak” roepen de anderen en weg sliert de heele troep. Ondanks het woest gevreet zitten de kardinaalsmutsjes nog vol zaden, maar de vele roode vruchthulsels op den grond toonen voldoende aan, hoe hier huisgehouden is. Eenige weken houden de heesters den aanval uit, maar dan zijn alle zaadjes verdwenen en alleen eenige roode vruchtdoozen verbleeken gedurende den winter aan de vierkante twijgen.
De groote lijster wordt ook wel mistellijster genoemd, omdat hij zich zou voeden met de witte bessen van de mistelplant, maretakken of vogellijm. In ons land gaat dat niet op, daar die plant alleen in Zuid-Limburg groeit, terwijl de groote lijstertrek hoofdzakelijk plaats heeft langs den zeekant.
Beslist moet voor de wintermaanden het kardinaalsmutsje hier gelden als voornaamste voederplant [197]voor de groote lijster, zoowel als voor koperwieken en roodborstjes. En geen wonder is het, dat die mooie heester langs den lijsterheerbaan in groote hoeveelheden opschiet uit het zaad, dat de lijsters zelve in hun uitwerpsels uitstrooien.
Ook zie ik in den winter de groote lijster veel op weilandjes en braakveldjes langs den binnenkant der duinen, en weer meer in den voormiddag dan tegen den avond. Het weiland van Duin en Daal is een der meest vruchtbare waarnemingsterreinen en nooit verzuim ik, daar gedurende de drie laatste maanden van het jaar minstens één morgenuur per week door te brengen.
In het dicht geboomte van een steile duinhelling van de Zuidzijde van de wei vinden de vogels altijd een veilige toevlucht; alleen loopen er een paar katten, maar die kunnen misschien nog wel afgeschaft worden. ’s Morgens is het daar doodstil en eenzaam en nu is het heerlijk, om te zien, hoe de vogels komen aanzetten uit het Noorden, dan neervallen in de boomen van Duinhoeve en Dennenhoek, om bij kleine partijtjes zich langzamerhand te verspreiden over het weiland.
De meezen en merels blijven aan den boomenrand, maar de zanglijsters, koperwieken, groote lijsters en later in ’t jaar de kramsvogels, bezetten tirailleursgewijze de wei. Alleraardigst is het, om te zien, hoe verschillend die lijstersoorten zich gedragen; de zanglijster altijd luisterend naar zijn worm en dan plotseling toeschietend, om hem te grijpen, de koperwiek bedrijvig rondstappend op de manier der spreeuwen en de groote lijster, groot, geweldig, in wijde sprongen zich bewegend om de versche molshoopen.
Met zijn sterken snavel woelt hij in den lossen grond. Het is echter wel zeker, dat hij daar niet zulke vette hapjes opdoet, als de zanglijster aan zijn [198]worm heeft. Al heel spoedig springt hij dan ook weer verder, overal zoekt en snuffelt hij, hier vindt hij een naakte slak, daar een laatste luie langpootmug of een larve, die zich te dicht aan de oppervlakte gewaagd heeft.

Nest met jongen van de Zwarte Lijster. (Turdus merula merula.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 6 Juni 1905.
Daar ratelt een slagersjongen voorbij op zijn fiets. Verschrikt vliegt de heele lijstertroep naar het beschermend houtgewas en de onderkant hunner vleugels weerkaatst het lage zonlicht rood, oranje of wit, al naardat het koperwieken, zanglijsters of groote lijsters zijn.
Het is in Januari altijd de vraag, wie het eerst zingen zal, de zanglijster of de groote lijster. De meeste menschen hooren de zanglijster het eerst, maar dat heeft zijn reden. Dikwijls wint de groote lijster het en heerlijk is het, om hem in ’t laatst van Januari te zien zingen boven in een sparretop in een hagelbui of een sneeuwstorm.
Je moet met dien vogel altijd oppassen, dat je hem geen eigenschappen toedicht, die hij niet bezit. Natuurlijk is het een gewone blijde vogel, die precies weet, wat goed voor hem is, en zijn vroolijkheid uit, wanneer hij zich prettig gevoelt en de zaken naar zijn zin gaan.
Maar nu heeft hij wel iets aparts, ook dat zingen in den regen en storm en dat maakt dan, dat je hem gaat houden voor een trotsche en overmoedige persoonlijkheid, die net anders wil, dan het gewone gros der vogels, die maling heeft aan zonneschijn en liefelijkheden en in het woeste, ongebaande, vermetele zijn hoogste voldoening vindt. En dat alles, omdat hij niet bang is voor een nat pak!
Wanneer ge nu wat meer op de vogels let, dan ziet ge, dat ze zoowat allemaal niets geven om een beetje regen of om wat storm. Alle leden van de lijsterfamilie vroolijken heelemaal op, wanneer het [199]gaat regenen: de booze wereld zegt, omdat ze dan een voorgevoel ervan hebben, dat de wormen uit den grond zullen komen. Wulpen, kieviten, scholeksters zijn dan ook veel drukker—ook wormeters.
Ik aarzel haast, om te bekennen, dat ook ik in ’t voorjaar bij regenachtig weer mij buitengewoon gelukkig gevoel en dat hagelslag en stormgeloei mij zeer opgewekt maken. Nu eet ik geen wormen en ik heb op zoo’n oogenblik ook geen voorgevoel ervan, dat de radijsjes gauw goedkoop zullen worden.
Maar het is dan een lust, na dagen van schralen Oostenwind de heerlijke vochtige lucht in te ademen en als de wind de boomen buigt en de hagelslag de ruiten dreigt te verbrijzelen, dan voel ik, dat ik desnoods ook nog wel wat zou kunnen uitrichten en dat maakt me dan zoo in mijn schik, dat ik met een nat pak kan loopen te fluiten.
En, let er eens op, alle menschen vinden zulk weer eigenlijk prettig. Ze komen kletsnat en vuurrood binnen en constateeren dat met een zeer vergenoegd gezicht, dat het een hondenweer is. Er komt nog wel eens een tijd, dat ze meer getrouw aan de waarheid zullen zeggen: „wat een prachtig weer, wat een heerlijke storm.” De vogels leeren ons dat.
Daarom moeten wij de groote lijsters dankbaar zijn, dat hij ons zoo brengt tot erkentenis der waarheid. Ook zingt hij dikwijls genoeg bij idyllisch mooi Februari-weer of op onvergelijkelijke April-dagen. Zijn lied houdt het midden tusschen het lied van merel en zanglijster, het heeft de lage fluittonen van de eerste en de herhalingen en onstuimigheid van de laatste.
Het nest lijkt zeer veel op dat van de merel, onze foto geeft er een voortreffelijk denkbeeld van. Vindt ge dus een grijze, aan de onderzijde duidelijk [200]gevlekte lijster bij een nest, dat gelijkt op een merelnest, dan hebt ge te doen met de groote lijster. De eieren zijn licht rossig, met roodbruine vlekken, de mereleieren daarentegen blauwachtig groen met vele, tamelijk onduidelijke vlekken. Op de foto kunt ge zien, dat de eieren van de groote lijster heel flink en duidelijk gevlekt zijn.
In de buitenlandsche literatuur wordt aan dezen vogel weer een list en overleg toegedicht, die ver gaat boven de verstandelijke vermogens der vogels. Ik zou daar niet over spreken, als niet het gevaar bestond, dat vroeg of laat het werk van den bedoelden schrijver in een min of meer goede vertaling zijn intree doet in ons land. Want ’t is een heel goed schrijver en er wordt in den laatsten tijd in ons land heel wat vertaald natuurgenot genoten.
Kay Robinson vertelt dan, dat de mistellijster zijn nest niet compleet vindt, wanneer er niet een lange vlok schaapswol aan sliert. Je zoudt meenen, zegt Kay, dat daardoor het nest juist in ’t oog zal vallen en dat is ook wel zoo. Maar die lange slordige wolsliert wekt bij den beschouwer het idee, dat het een heel oud verlaten nest is, waar de binnenbekleeding uitgewaaid is en dan ziet hij er niet verder naar om.
Ge ziet, dat ik er wel over had kunnen zwijgen, want alles is ongerijmd aan dat verhaal en ’t mooiste is, dat hier in onze duinen, waar de groote lijster bij dozijnen nestelt, voor geen geld of goede woorden een vlok schaapswol te krijgen zou zijn.
Geen enkel van al de groote-lijsternesten, die ik tot nu toe gezien heb, was dan ook van zulk een ornament voorzien. Nu wil ik volstrekt niet beweren, dat Kay Robinson ons wat op den mouw wil spelden, ik wil graag gelooven, dat hij nesten heeft gevonden met schaapswol, maar zijn „uitlegging”, daar wil ik heelemaal niets van weten. [201]
Hoe meer nesten men vindt, des te meer afwijkingen van den regel vallen te constateeren. De nesten op onze foto’s zijn beide gebouwd in den vork van een tamelijk zwaren eik. Ook heb ik nesten gezien in een laag berkje, in een spar, in een groven den aan ’t eind van een langen zijtak, in een meidoorn en één zoo goed als op den grond in een zeer ouden duindoorn.
De groote lijster bewaakt en verdedigt zijn nest met veel moed en trouw. Hij duldt geen enkelen vogel in de nabijheid, den ganschen dag kunt ge hem bezig zien met het verjagen van vijanden of voorbijgangers. Daarbij legt hij niet altijd veel onderscheidingsvermogen aan den dag en daarom heb ik hem dan ook geen „beleid” kunnen toekennen.
Ik heb gezien, dat een groote lijster een houtduif verjoeg en wel een kilometer ver hoog in de lucht het onschuldige dier bleef jakkeren en jagen. De duif repte zich wat zij kon, maar de dappere lijster bleef haar opzij en ik had het genoegen, tegen de blinkend witte onderdekveeren aan te kijken, terwijl ik eigenlijk boven op een duin bezig was aan de studie der graafwespen.
Een andermaal kwamen wij bij een nest met jongen. De vogel ging van het nest, eer wij hem konden zien en zat in het hout zoo te razen en te schreeuwen, dat wij eerst meenden met een gaai te doen te hebben. Hij durft het tegen een gaai gerust op te nemen, een ekster jaagt hij ook nog wel op de vlucht, zoodat er altijd kans genoeg is, dat zijn broedsels gelukken.
Bij ons broedt de groote lijster tweemaal; den eersten keer meestal op vijf, de tweede maal doorgaans op drie eieren. De foto uit Wijk aan Zee is een goed voorbeeld van een tweede broedsel. [202]
Hij heeft geen tijd om te zingen. Alleen in de eerste weken van Mei, den allerschoonsten tijd van het heele jaar, zingt hij vroeg in den morgen. Later dan half acht en half Mei heb ik hem nooit gehoord.
Ook heeft dat liedje niets bijzonders. Het is zilverrein, maar zonder timbre, tempo of toonval, herinnerend aan menschelijke muziek of menschenstemmen. De gewone wandelaars toch beoordeelen de vogelmuziek van hun menschelijk standpunt, zij „begrijpen” de hartstochtelijkheid van een nachtegaal, den „jubel” van den leeuwerik, het serene altgeluid van de merel, den levenslustigen roep van den vink.
Maar het fijne korte liedje van het stilzittende grijze vogeltje blijft onopgemerkt en alleen de geoefende waarnemer geniet van de zekerheid, dat ook deze kleine, eenvoudige, vlijtige arbeider zijn verrukkingsmomenten heeft. Hij zit meestal hoog in de boomen, wanneer hij zingt.
Al zingt hij weinig, toch gevoelen wij in voldoende mate zijn aanwezigheid. Waar ge ook in den zomer loopt, in tuinen, parken, bosschen en langs de wegen, overal zit de stille gezel, hier op een paal, daar op een telegraafdraad, op een hek, een boonenstaak of een dorren tak. [203]
De donkere vleugeltjes liggen saamgevouwen over den staart, ze zijn iets donkerder dan de grijze rug; keel, borst en buik zijn lichtgrijs met mooie bruine lengte-streepjes. Een eenvoudig, maar zeer mooi vogeltje met heel eventjes bedrukt-domme gelaatsuitdrukking, doordat snavellijn en schedellijn bijna onmerkbaar in elkander overgaan. Minutenlang zit hij doodstil.
Opeens springt hij op, slaat de vleugels uit, vliegt een paar meter ver en keert weer naar zijn standplaats terug: hij heeft een vlieg gevangen. Dat gaat met veel gratie en vlugheid, het opspringen, het rondfladderen, het terugzwieren, het is alles even bekoorlijk van beweging en uiterst mooi is het opvouwen en neerkleppen van de vleugels op het oogenblik dat hij weer zitten gaat.
Soms behoeft hij niet eens te vliegen, hij snapt ’t insect op in ’t voorbijgaan, juist zooals wij wulp en lepelaar hebben zien doen. Maar dat waren dilettanten, hier is de artist aan ’t werk. En zelf wordt hij dilettant, wanneer hij probeert een vlugge zweefvlieg of een snelvliegenden vlinder te verschalken. Dat kost hem veel inspanning en vertoon van vliegkunst; dat is dan ook zwaluwenwerk.
Deze vogel kan ons weer veel leeren. Er is geen klasse van dieren, die zooveel gegeten wordt, als de insecten, en daarmee staat in verband, dat hun voornaamste zorg is, om niet gegeten te worden. Sommige beschikken over geduchte verdedigingsmiddelen, zooals bijen en wespen, andere schijnen een afschuwelijken smaak te hebben, nog andere weten zich te redden door een grillige vlucht en weer andere vinden hun heil erin, dat zij gelijken op gevaarlijke of onsmakelijke klassegenooten, of op de omgeving, waarin zij verkeeren, zoodat zij als het ware onzichtbaar zijn. [204]
Hoe gedraagt zich nu de vliegenvanger? Durft hij bijen en wespen aanvallen, doorziet hij de vermomming van hommelvliegen, blinde bijen, wespvlinders en zweefvliegen? Lust hij Sint Jacobsvlinders of Sint Jansvlinders? Reageert hij op schrikkleuren?

Broedende Grauwe Vliegenvanger. (Muscicapa striata striata.) (Pall.)
Café „Klein Velserend” te Santpoort, 8 Juli 1904.
Ziehier een aantal vragen, die ik mij altijd stel, wanneer ik in de gelegenheid ben een vliegenvanger waar te nemen. Zijn handelingen vormen een doorloopende critiek op de beweringen der entomologen en wel een heel gunstige.
Slechts eens heb ik een vliegenvanger een wesp zien pakken en dat beviel hem heel slecht, want hij zat nog wel een kwartier lang zijn snavel af te vegen en dat is altijd een bewijs, dat het niet lekker was. Toen drie jaar geleden de Sint Jacobsvlinders hier vlogen bij duizenden, was er niet een vliegenvanger die er naar hapte, maar de groene motjes van den eikenbladroller verslonden ze bij honderden. Aan Mei- en Julikevers waagden ze zich niet, de kleine kortschildkevertjes en mestkevers waren een welkome buit. Doch het hoofdvoedsel bestond voortdurend in muggen en vliegen. Omtrent zweefvliegen heb ik nog geen enkele beslissende waarneming.
Men heeft van dezen vliegenvanger ook weer evenals van de nachtzwaluw verteld, dat hij op walvisschenmanier met wijdgeopenden bek zou rondvliegen. Er is weer niets van waar. Doordat hij dikwijls binnen een zeer kleine ruimte zijn prooi bemachtigt, is het zeer gemakkelijk, hem daarbij in het veld van een goeden kijker te houden en dan is duidelijk waar te nemen, wat trouwens met het ongewapend oog ook wel te zien is, dat hij rondvliegt met gesloten snavel en alleen op het laatste oogenblik bliksemsnel toehapt.
Hij verstaat een nog veel moeilijker kunst. Wanneer er jongen zijn, dan worden die voornamelijk [205]gevoed met kleine insecten, liefst muggen. Maar nu kun je als vliegenvanger niet voor elke mug de reis heen en weer naar het nest maken. De vogel vangt daarom een aantal muggen na elkander en nu lijkt het mij zeer moeilijk, om met den snavel een nieuwe mug te grijpen zonder de reeds gevangene te verliezen. Toch doet de vliegenvanger dit met de grootste zekerheid en ik geloof dat hij daarbij profiteert van de stijve borstelharen in de mondhoeken, die volgens de walvischtheorie dienen om zijn vangbek te vergrooten.
Dit kunststuk kan hij zelfs volbrengen in den schemeravond, want hij arbeidt nog na zonsondergang. Op kille en donkere dagen, wanneer er weinig in de lucht rondvliegt, zoekt hij zijn prooi in ’t grasveld en dan laat hij de musschen zien, hoe ze dat eigenlijk doen moeten. De musschen hebben daarin reeds een zekere ervaring verworven: ge kunt ze dikwijls als kleine valkjes boven het gras zien bidden en dan opeens neerschieten om hun prooi te pakken.
Dat is dan de helft van het aantal malen mis en met onverstoorbaar goed musschen-humeur beginnen ze dan weer van voren af aan. Zoodra de vliegenvanger zich op dat grasland vertoont, ziet ge, dat een meester aan ’t werk is. Zijn bidden duurt niet half zoo lang als dat van de musschen, maar in dien tijd heeft hij met onfeilbare juistheid zijn doel gemerkt en niets ontgaat hem.
Hij is bij dergelijk koud weer wel het meest op zijn kracht. Zie hem dan vliegen vangen langs een boomstam of een schutting. De vliegen zitten daar warmpjes buiten den wind te wachten op beter weer en nu komt het vogeltje in zwevende vlucht daarvoor. Loodrecht rijst en daalt hij, voortdurend biddend en hij slaagt er telkens in, iets te vermeesteren. [206]
Het oppikken van de prooi geschiedt dan meestal in de vlucht, maar ook klemt hij zich wel een enkel oogenblik aan de boomschors vast, zoodat men zou kunnen meenen dat daar een boomkruipertje aan ’t werk was. Hij heeft zoo naast zijn eigen manieren ook nog die der zwaluwen en spechten.
Een des te grooter wonder is het, dat hij niet meer tijd heeft. Dat ligt hoogstwaarschijnlijk wel aan de omstandigheid, dat hij loerend jaagt, het stilzitten doet het hem. Indien hij kort en goed geheel en al de methode der zwaluwen ging volgen, dan zat hij niet den heelen dag in angst en arbeid en dan zou ook bij hem het schoone kunstleven tot rijker bloei kunnen komen.
Doch laat ons niet vergeten, dat hij in den nestbouw mag gelden voor een echt virtuoos, en dat hij nog maar een kleine aanmoediging noodig heeft, om de vrees voor de menschen af te leggen, ook hierin zijn verwantschap toonend met de zwaluwen.
Onze foto van den broedenden vliegenvanger vertoont een nest, dat gebouwd was in het spalier van een klimroos tegen het café Klein Velserend onder Santpoort, een klein druk bier- en theehuisje op den weg van het station Santpoort naar de ruïne van Brederode.
Het wordt gehouden door een jager en oud-vinker en dezelfde man, die door zijn beroep genoodzaakt was, ieder jaar duizenden vogels om het leven te brengen, heeft de omgeving van zijn woning gemaakt tot een toevluchtsoord voor allerlei gevogelte, dat door zijn talrijke kinderen nimmer wordt geschonden.
De vliegenvanger in de klimroos heeft dan ook tweemaal een broedsel gelukkig grootgebracht. Het is de moeite waard, deze foto goed te bezien. Deze vogel heeft het nest gebouwd op een kruispunt in het spalier juist door het vorkpunt van twee dikke [207]takken en door nu zoo met mos en vezels te werken, dat de kleuren in het geheel niet afsteken, heeft hij weten te bereiken, dat het grauwe nestklompje daar volkomen op zijn plaats lijkt en geheel past in het systeem der lijnen van de omgeving.
Dit, laat ik maar zeggen, architectonisch en coloristisch talent is bij den vliegenvanger buitengewoon ontwikkeld en bij elk nest opnieuw op te merken.
Op Elswout staat een tuinhuisje, van buiten bekleed met boomschors. De voorgevel is van eenvoudig balkwerk, staande balken met een dwarsbalk die de kap draagt, er over heen.
Nu heeft dit jaar een vliegenvanger zijn nest gebouwd op den dwarsbalk en wel precies in het verlengde van den verticalen steunbalk en zoo in de kleur, dat het eenvoudig leek, alsof de staande balk even boven den dwarsbalk was voortgezet. Wij komen daar dikwijls, maar het nest had al eieren, eer wij het ontdekten.
Het zal u niet moeilijk vallen, ook in dit opzicht aardige vondsten te doen; ik houd mij altijd aanbevolen voor een foto; daar is steeds veel uit te leeren.
Op onze illustratie zijn nog een paar aardige dingen te zien. De bladeren van de klimroos vormen natuurlijk een belangrijk element in de omgeving. Dat behoorde ook in het nest vertegenwoordigd te worden. Daarom heeft onze vliegenvanger een rozenblad luchtigjes over zijn nest gehecht.
Had hij het botweg erin gevlochten, dan zou daardoor het nest meer in ’t oog vallen, maar nu heeft hij door een enkel draadje het blad over ’t nest heen gehaald. ’t Is op de reproductie niet zoo heel duidelijk te zien, maar op de foto zelf zeer goed en in de werkelijkheid was het frappant. Het draadje zit tusschen het eerste en tweede bladpaar van het samengestelde blad. [208]
Een feit als dit is van het allergrootste gewicht, want we staan hier weer voor de vraag: In hoeverre handelt de vogel bij deze gelegenheden met oordeel? In den laatsten tijd openbaart zich een sterke neiging, om de handelwijze der dieren te beschouwen als een uitvloeisel van oordeel en overleg en het is bijna een regel geworden, om te spreken van opvoeding en onderwijs van jonge vogeltjes.
Daar staat weer tegenover, dat anderen alles toeschrijven aan blind instinct en toeval. In dit geval kan men ook met zeer veel succes beweren, dat het rozenblad bij het invlechten van een draad toevallig in die gunstige positie is gekomen. De draad hing toevallig over het blad heen en toen heeft het ordelievend vogeltje het wapperend eind beetgepakt en in den nestwand gewerkt. Daardoor werd het blad dan vastgehecht.
Nu zouden we al een heelen stap verder zijn, wanneer we dat werkelijk gezien hadden. Het komt dus weer aan op het doen van waarnemingen, nog eens waarnemingen en weer waarnemingen, niet alleen letten op bijzonderheden, maar ook nota nemen van de meest gewone diertjes, de meest alledaagsche gebeurtenissen, want daarin schuilt veelal de meeste leering.
Langdurige waarnemingen aan jonge vogels en vooral aan graafwespen (die zijn veel gemakkelijker te bestudeeren) hebben bij mij het vermoeden gewekt, dat gedurende jeugd en lente bij de handelingen wel degelijk sprake kan zijn van overleg, gesteund door ervaring, maar dat zeer spoedig de routine het geheele gedrag gaat bepalen.
Nog even een blik op ons „huistype” eer we het „boomentype” van het vliegenvangersnest gaan bezien. Links van het aangenaaide rozenblad, ter plaatse waar het nest in een punt afloopt op den dwarsbalk, [209]ziet ge eenige lussen van wit garen. Dit ter verklaring van den naam „garendiefje”, die wel aan het vogeltje wordt gegeven.
Wij leeren daaruit, dat de vliegenvanger—en trouwens de meeste vogels—niet ver gaat, om bouwmateriaal te zoeken, zoodat aan een geïsoleerd nest al te zien is, uit wat voor buurt het afkomstig moet zijn. En waar ge een vogel bezig ziet met het verzamelen van bouwmateriaal, daar is ’t nest niet ver te zoeken.
Ook kunt ge de vogels tot bouwen aanmoedigen, door hun nestmateriaal ter beschikking te stellen: draden, veertjes, watten, vezels, linten. Ik heb daar al heel veel plezier van beleefd. Doch geef nooit te lange draden, want dan kunnen de vogels erin verward raken en verworgd stikken in uw weldaden.
Het boomennest, onze volgende illustratie, vertoont ook zeer duidelijk de toepassing van het beginsel: nestmateriaal uit de omgeving. De binnenbekleeding bestaat geheel uit wortelvezels en vaatbundels, de taaie overblijfsels van afgestorven planten van het vorige jaar, die den heelen winter op den grond hebben liggen te vergaan. Daaronder zijn draden van groote fijnheid, die de vergelijking met een vrouwenhaar met de allergrootste gerustheid kunnen doorstaan.
De buitenbekleeding is van korstmos en daardoor gaat dan in oude vruchtboomen het nest weer zoo op de omgeving gelijken, dat het onopgemerkt blijft. Hier in het jonge beukengroen is van gelijkenis echter geen sprake, alleen de algemeene indruk redt de positie.
In een stamroos vonden we een vliegenvangernest, dat bijna in ’t geheel geen korstmosbekleeding had, dat was dan ook in de keurig onderhouden rozengaarde nagenoeg niet voorhanden. Maar hier was de buitenbekleeding van fijne bladmossen, zooals [210]die tusschen het gras groeien en daardoor was het nest, dat zich in een onbebladerde vork bevond, minder opvallend, dan het geweest zou zijn, indien het bekleed was geweest met het witgrijze korstmos.
Dit nest werd uitgehaald. Een kind of een kinderachtig mensch had geen weerstand kunnen bieden aan de zucht, om de mooie, licht roodbruine eitjes met de donkere vlekken te bezitten. Een paar dagen later was ook het nest verdwenen, doch hierbij was geen baldadigheid in ’t spel. De beroofde vogels zelf hadden hun oude woning afgebroken en met hetzelfde materiaal in een veilige klimop een nieuw huis gebouwd.
De eitjes van den vliegenvanger varieeren sterk in kleur, de grondkleur gaat van lichtgroen tot bruinrood, de vlekken zijn bruin en zeer dikwijls, zooals ook op onze illustratie, in een krans om de breede pool. Ze zijn buikiger dan de grasmuscheieren, waar ze anders veel op gelijken.
De jongen zijn alleraardigste, drukke hongerlijders. Ze hebben een meelachtig bleeke grondkleur met veel vlekken en strepen en mooie blauwe oogjes. In de eerste dagen is hun voornaamste werk stilzitten, geeuwen, honger hebben en veeren krijgen, maar na een dag of tien vliegen ze uit en dan begint in de boomen en struiken de opvoeding der jonge vliegenvangers.
Alweer doet zich de vraag voor: in hoever handelt de oude hier met opzet en overleg. Ik geloof, dat hier het initiatief in hoofdzaak uitgaat van de jongen. De jongen worden niet uit het nest gejaagd of gelokt, maar op een mooien morgen voelt haantje de voorste dat hij sterk genoeg is, om zich vrij te maken uit het benauwde gedrang in het warme nest, waar voor een dik jong vogeltje geen plaats genoeg meer is te vinden en waar het krioelt van ongedierte. [211]
Al dikwijls is hij tot op den rand gescharreld en daar heeft hij ook wel zijn vleugels bewogen, dat was zoo lekker koel, maar hij had er nog altijd geen besef van, dat je nog ergens anders kunt wezen dan in zoo’n nest. Nu tuimelt hij over den rand en merkt dat hij vliegen kan.
De ouden hebben het zien aankomen en zitten opgewonden toe te zien. Ze vliegen heen en weer en roepen onophoudelijk „tak, tak, tak.” Ik geloof, dat ze dat doen uit ongerustheid, andere beweren dat ze de jongen aanmoedigen en voorlichten; wie zal ’t uitmaken?
Intusschen is de held aangekomen op een boomtak. De algemeene agitatie heeft zich nu ook uitgebreid in het nest en zelfs tot belangstellende buren. Het eene jong volgt nu ’t andere, maar er blijven er altijd nog een of zelfs twee, uren lang in ’t nest.
Dan hebben de ouden een druk leven: ze moeten voeren op den tak en voeren in ’t nest. De uitgevlogenen zijn ’t drukst, ’t talrijkst en schreeuwen het hardst, zoodat het jong in ’t nest hoe langer hoe minder krijgt en ten laatste uit puren honger op het hongergeschreeuw der anderen afgaat en zijn plaats inneemt in de rij.
En nu gaat het dag aan dag van boom tot boom. Zoo stil de ouden zijn, zoo luidruchtig gedragen zich de jongen, als ze voer zien naderen. ’t Is „tsie, tsie,” zonder ophouden, het hongergeluid der jonge vliegenvangers is een van de meest gewone Juli- en Augustusgeluiden.
Terwijl de ouden op jacht zijn, zitten ze stil op hun tak en nu begint hun eigenlijke opvoeding. Daar heb ik al wat dikwijls met genoegen naar liggen kijken en dat is haast net zoo aardig, alsof je een zuigeling voor ’t eerst ziet lachen.
Ze zitten in ’t eerst doodstil, op hun hielen neergezakt [212]en ze worden alleen actief, als de oude vogel voor hen komt fladderen met voedsel. Dan gaan de oogen en de bekken open en de brutaalste krijgt ’t meest.

Nest en eieren van de Grauwe Vliegenvanger. (Muscicapa striata striata.) (Pall.) (L.)
Leuvenumsche Bosschen bij Leuvenum (Gelderland), 6 Juni 1904.
Na een poosje kijken ze wat fermer en nu zie je het gebeuren, dat er een een voorbijvliegend insect nakijkt. Het snaveltje, dat tot nog toe vlak rechtuit wees, beschrijft een boog in de richting van het voorbijvliegend motje. Dat gebeurt al vaker en vaker en eindelijk beginnen ze—na de tweede of derde keer zelfs met succes—naar de insecten te happen.
Intusschen komen de ouden nog telkens met voer, dat steeds met ongeduld verbeid wordt en niet lang duurt het, of het sterkste jong vliegt de ouden tegemoet en krijgt in de lucht fladderend zijn voedsel. Nu gaat hij ook al heel gauw voorbijvliegende insecten tegemoet vliegen en dan is verder de heele zaak niets anders dan een kwestie van tijd en oefening.
Door bestudeering van ouderlooze vogels kunnen wij meer zekerheid krijgen. Daar is reeds aan gedaan, maar nog veel te weinig en niet altijd even zuiver.
Nu nog even een heel kleine idylle. Op een zeer heeten Augustusmiddag tegen één uur kwam ik terug van mijn graafwespenduin door de lindelaan van Lindenheuvel. Op een rechte zwarte lindetak zat een mooi grijs vliegenvangertje, een jong vliegenvangertje, die de paden der onafhankelijkheid bewandelde, want hij was heelemaal alleen. Ik stond natuurlijk dadelijk stil, want het was groote vacantie en ik had den tijd en als ik doorgeloopen had, dan was de vogel weggevlogen.
Op eens doet hij ’t zwarte snaveltje wijd open. Hij geeuwt van de warmte, dacht ik. Weer en weer ging de bek open, in heftige beweging. „Pang” zei ’t opeens en een klein zwart kogeltje kwam uit zijn [213]keel, ketste tegen een blad en viel neer in ’t mos.
Het was een dicht ineengedrongen massa van pooten en dekschilden, borststukken en koppen van torretjes, de harde onverteerbare deelen van ’t voedsel, die in dien vorm en op die manier het lichaam verlaten. [214]
Er heetten vroeger in ons land twee soorten van staartmeesjes voor te komen; de gewone zwartgevlekte staartmees en de witkopstaartmees, die in de boeken eenvoudig kortweg staartmees genoemd wordt. Beide soorten geleken in leefwijze volkomen op elkander, ik heb tenminste nooit eenig verschil kunnen waarnemen.

Het nest van de Staartmees. (Aegithalos caudatus europaeus.) (Herm.) (L.)
In de Duinen te Zandvoort, 4 Mei 1905.
De witkoppige zou iets grooter zijn dan de gewone gevlekte, deze laatste heeft aan weerszijden van den kop een breede roodbruine streep, bij de eerste is de kop geheel wit. Die wordt daarom ook wel doodskopje of ossekopje genoemd. De jongen zijn niet te onderscheiden, ze hebben bij beide soorten de donkere wangenstreep.
Toen men nu overal telkens broedende paren aantrof, gevormd door witkoppige individu’s, gepaard met zwartgestreepte is men teruggekeerd tot een nog andere meening, n.l. dat we slechts met één soort te doen hebben en dat de witkoppen eenvoudig oude vogels zijn. Ook bij enkele andere vogelsoorten komt het voor, dat exemplaren in ’t jeugdkleed reeds broeden. De troepen der staartmeezen, die ge in ’t winter halfjaar ontmoet, bevatten ook alle vormen door elkander. [215]
Wanneer een troep rondzwerft door het eiken kreupelhout, dan trekken ze in ’t allereerst de aandacht, niet zoozeer door hun sierlijke figuurtjes of den langen staart, dan wel door hun lokroep. Dat is een zeer bijzonder geluid, volmaakt karakteristiek voor de staartmeezen. Geen andere mees, geen andere vogel laat zulk een roep hooren: een trillend, weinig klinkend, vochtig geluid: „srrirrrt, srirrrt.”
Indien ge dit hoort op een windstillen middag in de kerstvacantie, luister dan nog even zonder op te zien. Dan hoort ge ook het kletteren van de kleine klauwtjes tegen de eiketwijgen, het snorren van de kleine vleugeltjes en telkens ook een geritsel in de dorre bladeren, ten teeken, dat deze meesjes ook op den grond rondhuppelen om voedsel.
Eensgezind gaat de troep door het hout. Van leiding of commando geen sprake. Nu eens is de een vooraan, dan de ander. Alleen wanneer er een enkele afgezonderd raakt, dan komt niet de troep tot hem, maar hij moet al roepend en naar antwoord luisterend den troep opzoeken.
’t Is een van de meest aandoenlijke herfst- en wintertooneeltjes: de vogel, die zijn gezelschap is kwijtgeraakt. Hoog in ’t hout gaat hij zitten, al roepend en rondziend, luider en luider worden zijn kreten. Telkens houdt hij even op, om naar antwoord te hooren en als hij dat niet verneemt, dan gaat hij na een laatste wanhoopskreet de lucht in, om een eind verder zijn jeremiade opnieuw te beginnen.
Zoo kan men ’s winters dikwijls een ongelukkig meesje vinden of een goudhaantje en dat kan dan zeer scherpe kreten uitstooten vol angst en verlangen. Vindt hij zijn eigen troep niet terug, dan sluit hij zich aan bij een andere en zoo ontstaan langzamerhand de gemengde gezelschappen van meezen, boomkruipertjes, [216]klevers, goudhaantjes, die gedurende den winter rondzwerven.
Het schijnt, dat de staartmeezen door hun typischen lokroep in staat zijn, om hun gezelschap beter bij elkander te houden, dan de andere meezen, want ze worden niet zoo heel dikwijls in gemengd gezelschap aangetroffen.
Zijn ze eenmaal in een buurt, waar ’t hun naar den zin is, dan blijven ze daar weken lang en dan houden ze altijd vaste ommegangen op bepaalde tijden. Het vorig jaar had ik een paar weken achtereen dag aan dag het genoegen, dat mijn morgenwandeling naar de tram samenviel met een staartmeezen-traject, wat een zeer mooi begin van den dag was.
Ik houd ervan, om ’s avonds met een troep mee te wandelen, want ik ben er altijd benieuwd naar, hoe en waar de dieren den nacht doorbrengen. In negen van de tien gevallen lukt het niet, de troep te vergezellen, want ze leiden je op allerlei onbegaanbaar en verboden terrein. Eens brachten ze me naar een sparrelaantje, waar ze hun nachtkwartier hadden, zoo wat ter halver hoogte tusschen den grond en de toppen, een andermaal naar een houtmijt, maar ik weet nog niet, of ze daar toen wel ingekropen zijn.
Al vroeg in ’t voorjaar wordt na de verzamelkreet ook het klokjesheldere vreugdelied gehoord. ’t Heeft wel wat van den tertsenroep van den koolmees, maar ’t is minder scherp en beslist, voor een mees haast droomerig langzaam. De paren zijn nu gevormd of bestendigd, maar doordat zoo’n staartmeezengezelschap nooit even stilzit, is daar weinig van te zien.
Nog eenige weken en de troep is ontbonden; elk paar heeft zijn lievelingsplekje gevonden. Nu worden de grondslagen gelegd voor een nest en ieder jaar kunt ge u tegelijk verbazen over de geslepenheid, [217]waarmee sommige gebruik weten te maken van verborgen hoekjes en over de verregaande domheid en zorgeloosheid, die andere aan den dag leggen, door hun nest op grijphoogte te bouwen tegen den kalen stam van een boom aan een drukbetreden wandelweg.
Het spreekt van zelf, dat zoo’n openbaar nest al heel spoedig verstoord wordt, zoodat ten slotte alleen de goed verborgen nesten overblijven.
Beide vogels werken den heelen dag. In ’t eerst vergenoegen ze zich met een zoo groot mogelijke hoeveelheid mos bijeen te brengen, groen bladmos, dat ze oppikken van den grond. Beurtelings komen ze aandragen, voor zang of spel schijnt geen tijd te wezen, ze kunnen in deze dagen niet anders doen dan bouwen. Het is ten slotte een mosklomp zoo groot als een vuist.
Nu gaat een van de twee daarop zitten draaien met de borst omlaag, de lange staart omhoog; een echte gymnastische beweging. Ook hierin wisselen ze elkander af, totdat er een duidelijk goed begrensd kuiltje is gevormd. Wanneer ze nu weer nieuw materiaal aanbrengen, dan wordt dat niet gewoon bij den hoop gevoegd, doch de brenger gaat in ’t kuiltje zitten en werkt het nieuwe mos in den rand.
Soms is hij daar nog mee bezig, als nummer twee met zijn vrachtje aankomt. Nu kunnen er drie verschillende dingen gebeuren: de eerste kan plaats maken voor de tweede, of hij kan eenvoudig het mosvrachtje overnemen—en gewoon voortwerken of nommer twee kan naast de eerste gaan zitten en dan werken ze allebei tegelijk.
Ik heb alle drie deze mogelijkheden in vervulling zien gaan en ik verzeker u, dat niets mooier is dan een jeugdig staartmeesjespaar eensgezind te zien [218]bouwen aan hun kunstige woning. De witte kopjes gaan op en neer, het korte gele snaveltje schuift en wringt de plantjes en de twee lange staartjes steken omhoog als een aanwijzing, hoever de muren nog moeten worden opgetrokken.
Toch is deze bekoorlijke samenwerking niet de meest gewenschte, want het nest zou daardoor veel te wijd worden. Al heel spoedig wordt dan ook de tweede werkwijze gevolgd: de eene vogel zit in ’t nest en neemt de aangedragen materialen in ontvangst. Voorloopig is dit nog altijd alleen bladmos.
Nog voordat het nest tot de volle hoogte is opgetrokken, komen ook de stukjes korstmos. Het maakt den indruk, dat de vogel bij het inzamelen van bladmos in het voorbijgaan een prachtig stuk korstmos ontdekte en gedacht heeft: „dat moest ik alvast maar meenemen, later zou ik moeite hebben, om zoo’n mooi brokje te ontdekken.”
De verwerker neemt het in ontvangst en plakt het alvast in aan den buitenrand. Zoo raakt langzamerhand het groen van ’t bladmos met grijs korstmos overdekt en zoo’n heel groote grijze korstmosklomp valt soms gemakkelijk in het oog.
Ten slotte komt het mooiste werk: de binnenbekleeding met veertjes. Honderden en honderden en honderden veertjes worden naar binnen gedragen. ’t Is haast niet te begrijpen, waar die allemaal vandaan komen. Leg bij de materialenpartij in ’t voorjaar eens een assortiment veertjes van allerlei kleur en probeer eens te zien, aan welke ze de voorkeur geven. Ik zou denken aan wit.
Nu gebeurt ook het staartwonder, dat in ’t geheel geen wonder is. Wat moet een staartmees in het nest aanvangen met den énormen langen staart? Ge ziet hem naar binnen vliegen en ge denkt, dat minstens de helft van de staart naar buiten moet blijven [219]steken, maar alles gaat gladjes naar binnen. Dikwijls keert de vogel zich in ’t nest geheel om, en dan kunt ge snavel en staart tegelijk in ’t vlieggat zien. Doch wanneer ge even bedenkt, dat de staartveeren verbonden zijn aan den laatsten staartwervel en dat de staartwervels ten opzichte van elkander zeer gemakkelijk kunnen bewegen, dan ziet ge in, dat ’t een staartmees hoegenaamd geen moeite behoeft te kosten, om zijn staart boven ’t hoofd te houden.
Het broeden gebeurt door beide vogels afwisselend; het mooiste, wat daarbij te pas komt, is wel het ventileeren. Dan staat het vogeltje in de lucht te klapwieken, eigenlijk te bidden als een klein valkje en dan maalt hij de warme lucht uit ’t nest, zoodat het tiental jongen weer frisscher kan ademen. Vleugels en staart zijn dan wijd uitgespreid en ge krijgt dan te zien een allerprachtigst figuur van bruin en zwart, rooskleurig en wit, de kleuren van dekveeren en pennen. [220]
De fitis zingt in de bloeiende boomen. Dat is nog eens een mooie tijd, de tijd van de bloeiende boomen. De eeuwenoude, ernstige boomen, diep geworteld in den grond, dichte kronen verheffend ten hemel, kronen, gevormd in den strijd tegen wind en weder, op stammen, gescheurd door vorst en bliksem, en door onze grootouders versierd met initialen, die nu nauwelijks herkenbaar zijn.

Nest en eieren van den Fitis. (Phylloscopus trochilus trochilus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 6 Juni 1905.
En nu gaan die eerbiedwaardige monumenten zich tooien met bloesems van allerlei aard. Alles wat aan hen strak en ernstig was, gaat verloren onder franjes en pluimen, kwasten en kaarsjes en sluiers van sneeuwwit en rozerood.
Ze volgen elkander na van half Maart tot ver in Juli: wilgen en populieren, pruim, larix, kers en vogelkers, berk, spar, beuk, eik, den, peer, appel, kastanje en ten slotte de welriekende linde. En in al die bloeiende boomen, die nu zoo jolig zijn en toch zooveel ervaren hebben, zingt de kleine gele fitis. Maar het meest houdt hij van berken en eiken.
Hij komt voor den nachtegaal en voor de zwaluw in ’t laatst van Maart of begin van April. Eerst komt als een boodschapper zijn dubbelganger, de Tjiftjaf, even klein, maar eerder bruingeel dan groengeel en [221]met een liedje, dat als een inleiding een groote bekoorlijkheid bezit, doch een belofte bevat, die niet in vervulling zou treden, wanneer de fitis niet volgde binnen veertien dagen.
Er gebeuren in de lente nog een menigte belangrijke dingen, die wij in ’t geheel niet, of slechts gedeeltelijk beseffen en in ’t geheel niet begrijpen. Er komen in ’t laatst van Maart of in ’t begin van April dagen, waarop de aarde, de boschgrond heerlijker geurt en zachter aanvoelt dan anders, waarop de regendroppels zachter neerdalen en—ik schaam mij voor ’t woord—olieachtig aanvoelen. De lucht maakt een anderen indruk op de huid van handen en gelaat en ook onze geluids- en gezichtsgewaarwordingen zijn, niet krachtiger, maar veel aangenamer dan ooit.
Men noemt het ensemble van die gewaarwordingen wel eens „lentegevoel”. De oorzaken ervan liggen in ’t duister, er komt meer bij te pas dan temperatuur en vochtigheidstoestand. De eene mensch gevoelt dat beter dan de andere; ik geloof, dat de dieren en vooral de vogels het veel eerder en veel sterker gevoelen dan wij, en dat wij misschien door een innigen omgang met hen er ook meer ontvankelijk voor worden.
Ik heb nu al zoovele voorjaren met de vogels bewust meegeleefd, dat ik ook de Aprilmaand min of meer op vogelmanier gevoelen kan en ik voel ’s morgens bij ’t ontwaken, welke vogels in den nacht aangekomen kunnen zijn.
Daar is natuurlijk veel zelfbedrog bij, maar ’t is toch wel aardig, om wanneer je juist de opmerking gemaakt hebt: „’t is net fitisweer vanmorgen,” in ’t eerste ’t beste eikje om den hoek den vogel werkelijk te zien en te hooren. Ik weet daar nu wel weer een heel nuchtere uitlegging voor, maar ik [222]heb nu eens geen zin, om die in verband met het fitisje ten beste te geven.
Als de fitis pas aankomt, is hij mooi groengeel op den rug, geel met wit langs de buikzij en heeft hij een heldergele streep over het oog. Al heel gauw verkleurt hij en dan wordt hij bruinachtig grijs, zoodat hij voor leeken gaat gelijken op de vele grijze vogeltjes, die zingen in de Meimaand.
Maar hij is klein, nauwelijks langer dan het winterkoninkje en veel slanker, het snaveltje is fijn en spits, de pootjes mooi bruin. En zijn voornaamste kenmerk is wel, dat hij onophoudelijk rondvliegt in de boomen en den heelen dag zijn wonderschoon liedje zingt.
Soms vraag ik mij af, of ik die vogelklanken niet verkeerd beoordeel en of ik in eenzijdige vooringenomenheid ze niet te veel prijs. Heel verstandige menschen hebben mij daar wel eens over onderhouden en gezegd, dat ze van al dat moois niets hooren. Dat drukt mij dan wel wat terneer, maar als ik merk, dat zij hun oordeel gevormd hebben in het reisseizoen, in Augustus, dan krijg ik weer wat meer moed.
Daar staat dan weer tegenover, dat ik ook weer anderen ontmoet, die graag door dik en dun, bij nacht en ontij er op uit willen, om iets te zien en te hooren te krijgen van het vogelleven en ondanks teleurstellingen en tegenspoeden daarin toch voldoening genoeg vinden, om iedere lente opnieuw te beginnen.
Voor zulke menschen krijgt ten slotte de eenvoudigste vogelloktoon een wonderschoone beteekenis, hij roept voor de verbeelding op: de schoone Meinacht, de zonsondergang, de morgenstond, de weide vol bloemen, het blinkende meer, den geurigen boschrand, de eindelooze wildernis van hei en duin en zee. [223]
Mijn geleerde vrienden zullen zeggen, dat dit geen ornithologie is. Dus geef ik u onmiddellijk gaarne toe, maar het is veel beter en ik verzeker u, dat er bij onze wandelingen toch ook nog genoeg echte ornithologie beoefend wordt. Doch ten slotte komt het er toch op aan, dat wij door onzen omgang met de vogels betere, gezonder, sterkere en fijner gevoelende menschen trachten te worden.
En daar nu het fitisje met zijn beminnelijke tegenwoordigheid en liefelijk geluid allerwegen de schoonste lentelandschappen opluistert, is hij voor ons geworden het symbool van de heerlijke lentewellust vol uitgelaten vreugd en diepen weemoed. Misschien is het een toeval, misschien hangt het samen met ons nog onbekende verschijnselen: zijn liedje bevat de duidelijke tegenstelling tusschen uitgelaten vreugd en onuitsprekelijk verdriet en eindigt in weemoedige berusting: een volledige levensphilosophie.
O, hij begint zoo blij en dapper met reine klokjesheldere slagtoontjes: een vroolijk handgeklap der boschelfen. Doch juist als de hoogste vreugd nabij schijnt, komt er een wending van zoo zielsroerende droefenis, dat ge luisterend den adem inhoudt, vol angst, wat nu verder zal volgen. Maar dan komt als een glimlach door tranen een decrescendo van zoete toonparen en dan is ’t uit. Ieder jaar voel ik dat dieper en dat is ook alweer geen ornithologie.
Wel, dat niet alle fitisjes even fijn zingen; er zijn stumpers en virtuosen onder. Ook gebeurt het, dat ze slechts de eene of andere helft van hun lied ten gehoore brengen en er schijnen er ook te zijn, die van weemoed niets willen weten en doodeenvoudig besluiten met een Tjiftjafliedje. Maar dat zijn dan toch ook geen echte fitisjes. [224]
Het fitisnest ligt op den grond, wonderveilig verscholen. Nog dezen zomer ontdekte ik er een, terwijl ik in het gras lag aan den waterkant. Ge zult zeggen, dat ik voor iemand van mijn jaren nog al dikwijls in ’t gras of in ’t zand lig. Ik kan ’t niet ontkennen, maar ik beleef er zooveel genoegen van, dat ik het in ’t vervolg eer meer dan minder zal doen, en ik raad u zelfs aan, mijn voorbeeld te volgen. Ook doe ik dat allemaal in mijn trouwens zeer beperkten vrijen tijd.

Fitis bij zijn nest. (Phylloscopus trochilus trochilus.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 5 Juni 1906.
Nu, ik lag dan in ’t gras aan den waterkant, dicht bij een bruggetje. Ik had al de zekerheid gekregen, dat er een roodstaartjesnest onder ’t bruggetje zat, een eindje verder had ik twee waterhoentjes gezien met vijf jongen, een ijsvogel was voorbij gevlogen met een vischje in den bek en een wielewaal had zitten roepen in een hoogen abeel aan den overkant. Dat was voor een half uurtje tijd al heel wat, maar er zou meer komen.
Een fitis had zitten zingen in een ahorn op mijn oever. Na een poosje kwam hij terug en bleef even zitten op den tak, waar hij zooeven gezongen had. Toen zwierde hij neer over het water, de zon scheen door zijn vleugeltjes heen, en daalde neer op een eikje, wipte van daar op een tweejarig zaailing-ahorntje en toen op den grond, waar nog meer ahorntjes stonden, alle met roode bladluisplekjes op de bladeren.
Ik dacht, „die gaat op de bladluizen af.” Na een poosje vloog hij er weer uit en nu kwam hij driemaal achtereen via ahorn—eik—ahorn weer naar hetzelfde plekje terug en toen wist ik natuurlijk, dat hij daar zijn nest had.
We zijn toen, om het fijne van de zaak te weten, met een schuitje er op los getogen en ofschoon ik precies wist, onder welk ahorntje de vogel telkens [225]verdwenen was, hadden we nog heel veel moeite, om het nest te ontdekken.
Het was heelemaal van dorre grassprietjes en plantenvezels gebouwd, dicht ineengevlochten, met een duidelijke overkapping en de toegang was bijna onzichtbaar. Op onze illustratie is de kap een weinig opgetild, om de mooie witte, bijna ronde, roodgevlekte eitjes te laten zien. De opening is daardoor zoowat tweemaal wijder dan gewoonlijk.
Over ’t algemeen is de fitis nog al gelukkig met zijn broedsels; ze worden niet zoo dikwijls verstoord, als die van andere vogels. Men zou verwachten, dat ze veel te lijden zouden hebben van wezels of hermelijnen, maar dat valt bijzonder mee. Dat komt, doordat deze roovers voornamelijk jagen op den reuk en nu laat de fitis nooit een spoor achter op den grond, om de doodeenvoudige reden, dat hij den grond niet betreedt.
Hij heeft, dat bleek ook bij mijn eschdoornfitis, een vasten, onveranderlijken weg, om bij zijn nest te komen. Dat gaat van boom tot struik, van tak tot tak en met den laatsten sprong is hij in ’t nest. Ik heb wel eens van die takken weggesneden en dan was het vogeltje altijd eventjes de kluts kwijt. Hij keerde terug naar zijn vorige zitplaats, probeerde de reis nog eens en koos dan ten lange laatste een ander steunpunt. Dat gaf verandering in de route.
Ik heb ’t nog nooit gewaagd, om ’t nest te verleggen, maar ik zou het toch wel durven doen, want van al de fitisnesten, die ik bekeken en natuurlijk ook aangeraakt heb, is er nog nooit een verongelukt. Hij is aan ons al evenzeer gewend, als de winterkoning.
Als de jongen uitgekomen zijn, dan circuleeren de ouden onophoudelijk op den toegangsweg naar het nest. Iedere minuut wordt er voedsel gebracht. [226]Maar nu blijkt, dat de fitis van edeler maaksel is dan de vliegenvanger, want zelfs in deze drukke tijden vindt hij nog gelegenheid tot zingen. Telkens, wanneer hij de kronen der boomen afzoekt naar rupsen, blijft hij even op den tak zitten en zingt zijn lied. Wel gaat ’t haastig en vliegt hij nog zingend op, om weer aan ’t werk te gaan, maar zoo hooren wij dan toch het heerlijke lied tot in Augustus.
De jongen zijn allerliefste vogeltjes, veel geler dan de ouden en in de eerste dagen na het uitvliegen zeer geneigd tot gezelligheid, zoodat ge het treffen kunt, ze bij halve dozijnen zij aan zij op de takken der boomen te zien zitten. Daar worden ze nog door de ouden gevoed, maar al na enkele dagen maken zij zelfstandige expedities in de groene boomkronen en veel eerder dan de jonge vliegenvangers kunnen ze in hun eigen onderhoud voorzien.
Toch bestaat er een soort van betrekking tusschen jonge vliegenvangers en jonge fitisjes. Wanneer ze hun ouders verlaten hebben, of wanneer hun ouders hen hebben verlaten, dan zoeken zij elkander op. In ’t laatst van Augustus ontmoet ik telkens gezelschappen van jonge fitissen en jonge vliegenvangers, die in sparrelaantjes en eiken kreupelhout heel luidruchtig met elkander spelen en er gezamenlijk op uitgaan, om aalbessen en vroege vlierbessen te eten.
Inmiddels gaan de ouden ruien. De zeer gehavende veertjes van het bruiloftskleed vallen uit en ze krijgen nu een mooi nieuw dof groengeel gewaad. En dan gaan ze weer zingen, alsof ze de bladeren, die ze in hun lentevreugd aan de boomen hebben zien komen, nu bij ’t vergelen een weemoedig vaarwel willen toeroepen. De laatste fitis, die ik dit [227]jaar gezien heb, zat te zingen in een ahorn met vergelend blad vol brandvlekken. En na elk liedje wipte hij even naar omlaag, om zich te goed te doen aan de mooie, groote, roode glimmende bessen van de wilde kamperfoelie. [228]
Het was op een mistigen morgen in Maart; nog al koud, want de krokusjes bleven gesloten. Maar het was toch al lang lente, de hazelaarkatjes hingen lang uit en de katjes van den els waren nog wel niet los, doch de dikke helmknoppen puilden reeds uit tusschen de purperen schubben. Het mos was in volle glorie, sappig en groen en vol urntjes en tonnetjes op roode steeltjes, die soms als een bouquet van vuurwerk met sierlijke bocht ontsprongen uit den top van een enkel plantje.

Nest en eieren van den Vlaamschen Gaai. (Garrulus glandarius glandarius.) (L.)
Buurtschap Oele bij Delden (O.), 29 Mei 1903.
De meezen riepen helder in het hout en het boomkruipertje draaide zijn dun liedje af. Waar was de zanglijster? Die vond het te koud, om uitgelaten in een boomtop te zitten galmen en zocht wormpjes in ’t gras. Maar toch was het lentegevoel hem te machtig, hij moest zingen, zooals hij daar stond in ’t groene mos en uit half geopenden bek klonken pianissimo zijn blijde tiraden.
Dat alleen maakte de morgenwandeling reeds loonend: een zachtjes zingende zanglijster. Maar er zou meer komen. Op een lagen beukentak, die zich lang uitstrekte over het gazon, zat een prachtige vogel en die zong net zoo mooi als de zanglijster.
Zijn borst was zeer mooi zacht wijnrood, deze [229]tint werd sterker in de harig fijne veeren van nek en mantel. Boven het blauwe oog welfde zich de schedel, versierd met een fraai zwart gestreepte kuif. In de vleugels blonken de mooiste kleuren van kobaltblauw, gitzwart, sneeuwwit en kastanjebruin, een lange zwarte staart voltooide den slanken vorm van het prachtige dier.
Houding, vorm en kleuren alles was even mooi en het groote wonder was wel, dat een zoo schitterend gekleurde vogel zoo fijn kon zingen. Ook hij opende den bek niet wijd, evenals die zanglijster en daardoor klonk zijn lied niet ver. ’t Was, of hij alleen voor zichzelf zong. Maar wat er van te hooren viel, was heel mooi, de meest melodieuze gedeelten werden telkens herhaald en telkens kwamen imitaties van andere geluiden te voorschijn, geluiden van wulp, kievit, koolmees en roodborst: juist zooals bij de zanglijster.
Een tuinknecht kwam met een kruiwagen, en met een woeste angstkreet ging de prachtige vogel op de vlucht. Bij ’t vliegen kwam op de uitgespreide vleugels nog meer blauw en wit en bruin te voorschijn en ook ’t einde van den rug blonk in schitterend sneeuwwit. Als een bonte vlinder verdween hij tusschen de donkere dennen.
Den volgenden morgen leerde ik de mysterieuse prachtvogel met den fluisterzang nog van een andere zijde kennen. Ik werd wakker vroeg in den morgen, een uur voor zonsopgang. Buiten was het helder licht, niet door de morgenschemering maar door de maan, die een paar dagen geleden vol was geweest. De roodborstjes en de winterkoning zaten al te zingen.
Opeens vertoont zich in ’t heldere maanlicht de prachtvogel. Met een mooien sprong komt hij neer op een tak van een klein eikje, vlak bij de geopende [230]balkondeuren. Hij zingt zijn fluisterlied. Nu komt een tweede vogel opdagen, een derde, vierde, vijfde en alle gaan ze zitten in het kleine eikje, druk zwatelend met ingehouden stemmen.
Ze zien elkaar niet aan, schijnen elk verdiept in hun zang, huppelen wat op en neer, kijken verschillende kanten uit. Noord, Oost, Zuid, West en gaan dan den hals rekken, kop buigen, kuif opsteken, wiegelen op de pooten en staarten spreiden en vleugelskleppen.
Om nu eens een oud ezeltje van stal te halen: ik wist niet, of ik waakte of droomde, zoo zonderling en vreemd was deze pantomime. Maar ik hoorde toch ook nog de roodborst en den winterkoning en mijn horloge ook, dus ’t was wel degelijk werkelijkheid.
Het tooneel duurde een minuut of drie, altijd met zacht gezang, totdat ze als bij afspraak een allerafgrijselijkst gekrijsch aanhieven en in volle vaart wegstoven.
Later heb ik nog zoo iets gezien, op klaarlichten dag in het bosch en vele malen zullen mijn lezers in ’t voorjaar het eind van de pantomime hebben bijgewoond: een zwerm gaaien, die met elkander krijschend opvliegen uit het hout. Ze hebben dan daar hun bijeenkomst gehad, hun lente-ontmoeting.
Nu weet ik dat pas een jaar en ’t spreekt van zelf, dat deze bijeenkomsten veel moeilijker te bespieden zijn dan de kemphaantjes-tournooien of de wulpenwals. Gij moet u dus niet erover verwonderen, dat ik met groote bezorgdheid de pogingen aanzie, die sommigen uwer in het werk stellen, om dezen prachtigen zangvogel, waarvan wij de natuurlijke historie nog bij lange na niet kennen, van het aardrijk te verdelgen.
Ik heb graag gaaien om mijn huis. Ook houd ik [231]veel van kleine zangvogeltjes; het eene is niet onvereenigbaar met het andere. Eeuwen aan eeuwen hebben de gaaien en de kleine zangvogeltjes zich zij aan zij vermenigvuldigd en ze zijn er geen van beiden minder op geworden.
Ja, in vroeger tijd hadden de kleine zangvogeltjes nog meer vijanden dan thans; toen was het aantal der roofvogels veel grooter. Thans zijn er in den zomer niet veel sperwers, valken of havikken, die ze bedreigen, de raven zijn in ons land haast uitgestorven en ook het klein viervoetig roofgedierte is sterk in aantal verminderd.
Er bestaat dus geen enkele noodzakelijkheid, om nu ineens zoo tegenover de gaaien van leer te trekken, en het zou zeer te betreuren zijn, wanneer men er in mocht slagen, hen uit te roeien, zooals in sommige streken al met den ekster het geval is.
Den heelen winter liggen voor het raam van mijn studeerkamer de eikels voor hem gereed op den grond in een klein boschje. Ik kan juist op de plek kijken, waar ze liggen en als de gaai van zijn werk opziet, dan kan hij mij bespeuren achter mijn werktafel. Het raam is overdag altijd open.
Ze gaan voor mij niet meer op de vlucht en ze krijschen me ook niet tegen, als ze me zien. Een gaai steekt het niet onder stoelen of banken, als hij het land heeft aan iemand. Mijn buurman schiet er wel eens op, omdat ze zijn doperwtjes opeten en hij krijgt dan ook een behoorlijke dosis verwenschingen naar zijn hoofd, als ze hem maar in de verte zien. Van jagers en geweren zijn ze ook voldoende op de hoogte.
Ook wanneer ze geen mensch zien, dan schijnen ze toch eenig besef te hebben van zijn wandaden. Ik wandelde eens in de vallei van de Trommel, een van de voorste valleien van onze duinen. Zij heeft [232]maar één onaangename eigenschap, nl. dat ze juist ligt in het verlengde van de schietbaan van het Haarlemsche garnizoen.
De Trommel ligt nu wel meer dan een halve kilometer buiten de roode vlag, maar dat belet niet, dat de kogels heel vroolijk langs de vlag heen door de vallei komen fluiten en dat maakt ’t wandelen in die vallei altijd tot een eenigszins martiale ontspanning. Onophoudelijk fluiten er kogels over je heen met een heel merkwaardig crescendo en decrescendo, gepaard aan glijdende rijzingen en dalingen van toon.
Ondanks de verzekering van deskundigen, dat die kogels veel te hoog vliegen, om te deren, ondervind ik toch altijd eenige bezorgdheid en ik zoek dan ook heel dapper de hellingen op, die een beetje aan de lijzij van den kogelregen liggen. Toch wil ik die vallei niet opgeven, want ’t is er veel te mooi.
Nu, ik was daar weer eens „en campagne” en toen sloegen de kogels werkelijk in de berkentoppen van een boschje, waar juist een aantal gaaien iets te doen hadden. Dat geschreeuw was toen de moeite waard, duidelijk waren er de hevigste anti-militairistische vitupiraties uit op te maken en zeer zeker brachten de vogels verband tusschen het knallen van de schoten en het afrukken van de takken.
Ja, er is geen enkele vogel, die in zijn stem en gebaren zooveel haat en verachting kan leggen; hij uit zich ook nog wel scherper dan de kat en de slang. Natuurlijk is er negen tienden angst bij, maar dat verandert niets aan de zaak. Ik kan mij heel goed voorstellen, dat iemand, die met recht zoo door de gaaien wordt uitgekreten, wel eenigszins tot weerwraak wordt geprikkeld.
Tegenover mij bewaren ze een beleefd stilzwijgen en ze eten mijn eikels met goeden appetijt.
Ze komen uit een bosch aan de overzijde van den [233]weg, steken den weg over, zitten even op ’t hek, vliegen dan in een hoog eikje en dalen trapsgewijze neer van tak tot tak, steeds rondziende en telkens met de kuif in de hoogte. Eindelijk is de grond bereikt, vinken, heggemuschjes, koolmeezen, winterkoninkjes, die er bezig zijn, gaan nauwelijks voor hem op zij.
Met een paar logge sprongen, ietwat herinnerend aan die van de groote lijsters, maar minder flink, bereikt hij den eikelhoop en pikt er de mooiste uit. Nu vliegt hij op, naar een tak, ongeveer twee meter hoog, neemt den eikel onder beide pooten en gaat hem schillen. Hij pikt een gat in de vruchthuid en trekt die bij enden eraf. Ten slotte wordt de blanke eikel bij stukjes opgepeuzeld.
Dat ziet er heel genoeglijk en eekhoornachtig uit. Nu haalt hij er nog een en daarmee gaat het op dezelfde manier, doch daarna is zijn honger gestild en nu begint de zorg voor den winter.
Weer staat hij bij den eikelhoop, maar nu wat wakkerder dan daareven. Snel achtereen verdwijnen een tiental eikels met schil en al door zijn keelgat, de krop zwelt merkbaar. Eindelijk heeft hij genoeg en topzwaar vliegt hij heen naar ’t boschje, waar hij zijn schuilhoeken heeft, en daar gaat hij zijn eikels begraven, in de hoop, dat hij ze later, als hij honger heeft, zal terugvinden.
Hij begraaft ze niet alle op één plek, maar hier een en daar een. Ik heb er eens een bezig gezien in een dennenbosch en dat leek net alsof er iemand bezig was, om aardappelen te poten. Hij stootte met zijn snavel een gat in den grond, stopte den eikel erin en woelde de dennennaalden er weer over heen. Dat ging zoo zes keer achter elkander.
Een andermaal zag ik boven op Duin en Daal een gaai heel nieuwsgierig doen. Hij was zoo vol [234]belangstelling voor wat er onder hem gebeurde, dat hij mij in ’t geheel niet opmerkte, of hij kende mij, althans hij bleef voortgaan met zijne bezigheden, alsof er geen wolkje aan de lucht was.
Ik kon mijn kijker voor den dag halen en wat was het nu? Een tweede gaai was ook weer tusschen dennetjes bezig met eikels poten en daar zat die eene, wellicht met zelfzuchtige bedoelingen naar te kijken: een en al aandacht.
Met dat begraafinstinct hangt samen dat zij, wanneer ze honger hebben, den grond gaan omwoelen. Ze zijn dan druk bezig op den boschbodem, gooien de stukken blad opzij op de manier van zwarte lijsters en plukken evenals de kraaien heele stukken mos uit den grond.
Zoo’n bosch kan er dan uitzien alsof er een regiment wieders aan den gang is geweest. Onder dat mos vinden ze dan niet alleen begraven vruchten, maar vooral veel insecten, poppen, eieren en volwassen insecten. Denk er om, dat zij op zoo’n oogenblik nuttig zijn. Het mos groeit wel weer aan, zelfs wordt ’t nog weliger dan voorheen en de insecten zijn opgeruimd.
Strijk en zet komen ze hier ook eten aan den voederbak en dan nemen ze bij voorkeur brood. Trouwens brood is een echt universeelvoeder. Alle vogels eten bij mij brood, merels en koolmeezen niet het minst en zoo is het dan volkomen waar, dat ge de vogels gedurende den winter volkomen kunt voeden met de kruimkens van uw tafel.
Merkwaardig is het, dat de vogels in den winter niet den minsten angst voor de gaai aan den dag leggen. Ze zien wel wat tegen hem op om zijn grootte en gaan voor hem uit den weg, als hij meenens met de zaak maakt, maar geen van allen laat de alarmkreten hooren, die het pad van de gaai [235]begeleiden gedurende den broedtijd. Hieruit zou men mogen afleiden, dat hij zich althans ’s winters niet vergrijpt aan volwassen vogels.
Zomer en winter komen ze baden in het heldere water in een groote roodaarden schotel in mijn grasperk. Er zat dezen zomer een nest van bruine mieren onder en dan gingen ze vaak voor of na het bad een klein mierenversnaperingetje gebruiken. Die mieren leveren voedsel aan alle vogels.
Eens, ’t was in Augustus, had een gaai geplast en geplast, alsof er geen eind aan zou komen. Een kauw of een merel zou het hem niet hebben kunnen verbeteren, maar nu was hij dan ook door en door druipnat. Toen huppelde hij naar een open plekje in ’t grasveld, heetgebakken door de zon en ging daar languit op zijn buik liggen met den staart en de vleugels zoo wijd mogelijk uitgespreid.
O, wat was dat mooi! Ik had op dezelfde plek merels ook wel zoo zien doen, en dat was ook de moeite waard, maar het haalde niet bij de pracht en schittering van deze gaai, met al zijn kleuren wijd uitgespreid in de felle zomerzon.
De vleugels waren zoo wijd uitgespreid, dat de bovendekveeren van de slagpennen in hun geheel te zien waren, zoodat bleek, dat de duimvleugelveertjes geheel en al de zwart met blauwe blokteekening vertoonen, terwijl de dekveertjes maar voor de helft zoo mooi zijn, de andere helft is zwart.
Dat blauw met zwart zit nog op andere plaatsen, de kleine slagpennen, die voor het grootste gedeelte wit zijn, hebben aan de buitenvlag ook de zwart met blauwe blokjes, bij sommige gaaien meer, bij andere minder. De mooie kastanjebruine veeren zitten aan den elleboog.
O, het is wel heerlijk, die mooie vogelveertjes te zien, en als ik een dooden vogel in handen kan [236]krijgen, al is het ook een gewone musch, dan kijk ik altijd met veel belangstelling naar de mooie kleuren en lijnen, die het vogelkleed vertoont. Ook heb ik een paar gaaienveeren in een doos met naphtaline van een vogel, wiens dood ik op mijn geweten heb.

Nest en jongen van den Vlaamschen Gaai. (Garrulus glandarius glandarius.) (L.)
Jachtduin te Bloemendaal, 17 Juni 1905.
Dat is zoo gegaan. Ik had in ’t boschje voor mijn studeerkamer een hoop takkenbossen gelegd als schuilplaats voor de wintervogeltjes. Daar voerde ik ook voornamelijk de winterkoninkjes, roodborstjes en heggemuschjes, die aan den grooten voederbak geen beurt konden krijgen. Ik strooide Sluis’ universeelvoer bij volle handen in ’t binnenste van de takkenbossen en ’t was een lust, hoe den heelen dag de kleine kruip- en sluipvogeltjes door de takken scharrelden.
In ’t voorjaar waren die takken al aardig vermolmd en ik besloot ze te laten liggen, in de hoop er een nest van winterkoning of heggemusch in te krijgen, en dan rekende ik erop, dat er zich in den loop van ’t jaar allerlei ongedierte in zou ontwikkelen, insecten meen ik.
Er kwam ook ongedierte, maar in plaats van insecten, vestigde zich daar een familie van de groote, vieze, moorddadige, bruine rat. Er zat niet anders op, dan de takkenbossen op te ruimen en de ratten dood te slaan, wat dan ook gebeurde, maar er ontsnapten twee kleine ratjes en die hebben ons den heelen zomer veel te doen gegeven.
We hebben ze achtervolgd op allerlei manieren en zoo heb ik dan ook eenige dagen achtereen een rattenval in mijn tuin gehad. Tot mijn zeer grooten spijt hebben we daarin een gaai gevangen. Die gaai was afgekomen op het brood in een tijd dat hij zich volgens de boeken uitsluitend en alleen moet voeden met jonge vogeltjes. Hij was morsdood en ik heb [237]toen van ’t cadaver zooveel mogelijk trachten te profiteeren en de mooie vleugels mee naar Amsterdam genomen, om aan mijn leerlingen te vertoonen.
Onmiddellijk ben ik toen begonnen met zomervoeding op groote schaal. Ik zag opeens in, dat niet alleen de gaai, maar de meeste vogels in den broedtijd misschien meer moeite hebben, om het noodige voedsel te krijgen dan in den winter. In den winter hebben zij alleen voor zichzelf te zorgen, maar ’s zomers zijn de jongen en het broedende wijfje er ook.
Nu is het misschien niet altijd mogelijk om geschikt voedsel voor de jongen te geven, maar wij kunnen in elk geval ervoor zorgen, dat de oude vogels snel en zonder moeite hun honger kunnen stillen. Wij hebben dan ook op groote schaal met brood gevoerd en hadden de voldoening dat gaaien, lijsters, vinken, meezen en roodstaartjes dankbaar van de geboden gelegenheid gebruik maakten.
Mijn gaaien hadden hun nest in laag eikenhout, niet ver van ons huis: een mooi nest van takjes en stengeltjes en van binnen heel mooi bekleed met worteltjes, meest boomworteltjes, die ze uit den grond plukten. Er waren vier grijze heel fijn bruin gespikkelde eieren in en wat een groot wonder is, de vier jongen zijn alle groot geworden. Dat kan niet gezegd worden van het hongerig vijftal van onze foto, want de jager van Jachtlust is verplicht, om iedere gaai te dooden, elk gaaiennest te vernielen.
Ze waren al op het punt, om uit te vliegen, de middelste gaper vertoont al duidelijk de mooie duimvleugel.
Zeer zeker worden de jonge gaaien voornamelijk gevoed met jonge vogeltjes. Iederen morgen strijk en zet kort voor zonsopgang was er groot alarm onder de musschen op mijn dak: de gaai kwam [238]zijn prooi halen. Wanneer hij zich nu maar wilde beperken tot musschen, dan was het nog zoo erg niet, dan zou zijn optreden wellicht met sympathie worden begroet.
Hij vraagt echter niet naar ons voordeel of onze voorkeur, maar neemt wat ’t makkelijkst te bereiken is, zoodat hij het schrikbeeld wordt van elken broedenden vogel. Zoodra hij zich vertoont, gaan allerwegen alarmkreten op en de oude vogels wagen het zelfs, om hem aan te vallen. De groote lijster vreest hem niet en ook de merel, of liever het merelpaar weet haar broedsel te verdedigen.
Maar aandoenlijk is het, om de kleine vogeltjes, de meesjes, roodborstjes, winterkoninkjes in angst en verslagenheid te zien. Nu eens lijken ze te schelden, dan te smeeken en altijd vliegen ze in de grootste opgewondenheid om den roover, die in onze lichte bosschen en goed onderhouden tuinen gemakkelijk zijn slag kan slaan.
Daarin zit het grootste gevaar. De woeste plekjes verdwijnen. Waar vindt men nog ondoordringbaar struweel van bramen en rozen, van dorens en kamperfoelie? De woeste boschranden, de breede hagen, alles wordt weggeruimd en opgeknapt en daardoor missen de kleine vogeltjes hun schuilplaatsen en toevluchtsoorden. In de duinen geeft de nooit volprezen duindoorn nog veiligheid aan duizenden vogels, maar daarbuiten is het treurig gesteld.
Het is te hopen, dat een welbegrepen vogelbescherming leiden moge tot het aanleggen van vogelschuilplaatsen. Die kunnen, uit een aesthetisch oogpunt beschouwd, ook zeer mooi zijn, eigenlijk vind ik een tuin zonder vogels in ’t geheel niet mooi, al groeien er de prachtigste en zeldzaamste gewassen.
Zeer stellig zal in dien vogeltuin ook een plaats [239]toekomen aan de Vlaamsche gaai en dan moeten wij hem er dankbaar voor zijn, wanneer hij naar behooren zijn wreede taak uitvoert: het beperken van de vogelsoorten, die zich te snel vermenigvuldigen.
EINDE.
[240]
| Pag. | |||
| I. | In den Polder | 1 | |
| Sterntjes en Meeuwen | 3 | ||
| De Scholekster | 48 | ||
| De Kievit | 60 | ||
| II. | In ’t Naardermeer | 75 | |
| De Lepelaar | 77 | ||
| De Zwarte Stern | 89 | ||
| III. | In de Duinen | 97 | |
| De Wulp | 99 | ||
| De Nachtzwaluw of Geitenmelker | 112 | ||
| De Griel | 128 | ||
| De Zilvermeeuw | 139 | ||
| IV. | In Bosschen en Tuinen | 151 | |
| De Winterkoning | 153 | ||
| Het Waterhoentje | 164 | ||
| De Merel | 178 | ||
| De groote Lijster | 192 | ||
| De Vliegenvanger | 202 | ||
| Het Staartmeesje | 214 | ||
| De Fitis | 220 | ||
| De Vlaamsche Gaai | 228 | ||


Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
De volgende 97 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering | Bewerkingsafstand |
|---|---|---|---|
| 4, 26 | het | Het | 1 |
| 7, 44, 93 | zwartkop-meeuw | zwartkopmeeuw | 1 |
| 18, 44 | Broedcolonie | Broedkolonie | 1 |
| 19, 100, 143, 169, 182, 182, 183 | [Niet in bron] | , | 1 |
| 19 | beweeg | bewegen | 2 |
| 25 | philosopische | philosophische | 1 |
| 33, 33, 34, 35, 36, 52, 55, 61, 102, 103, 125, 201, 232 | éen | één | 1 / 0 |
| 35 | grasspiertjes | grassprietjes | 2 |
| 35, 62, 66, 79, 95, 100, 107, 129, 136, 156, 169 | , | . | 1 |
| 35, 36, 42, 44, 54 | zwartkop-meeuwen | zwartkopmeeuwen | 1 |
| 38, 43 | word | wordt | 1 |
| 43 | [Niet in bron] | - | 1 |
| 58 | vind | vindt | 1 |
| 61 | zòo | zóó | 2 / 0 |
| 61 | zondere | zonder | 1 |
| 72 | trillling | trilling | 1 |
| 72 | zwartkop meeuwen | zwartkopmeeuwen | 1 |
| 72 | gezamelijk | gezamenlijk | 1 |
| 79 | vrij wel | vrijwel | 1 |
| 85 | [Niet in bron] | . | 1 |
| 88 | Alexandrie | Alexandrië | 1 / 0 |
| 100, 220 | [Niet in bron] | ) | 1 |
| 106 | [Niet in bron] | het | 4 |
| 108 | altemaal wiskunstig | allemaal wiskundig | 3 |
| 109 | ! | ? | 1 |
| 112, 182, 194, 194 | [Niet in bron] | ” | 1 |
| 125 | ellepsoïden | ellipsoïden | 1 |
| 126, 134, 136 | oedicinemus oedicinemus | oedicnemus oedicnemus | 2 |
| 131 | ruine | ruïne | 1 / 0 |
| 132 | vleuggellijn | vleugellijn | 1 |
| 139 | , | [Verwijderd] | 1 |
| 141 | duinvalleiën | duinvalleien | 1 / 0 |
| 156 | [Niet in bron] | ( | 1 |
| 156 | , | .) | 2 |
| 161 | Tek | Tèk | 1 / 0 |
| 165 | bastaard-nachtegalen | bastaardnachtegalen | 1 |
| 165 | paarhonderd | paar honderd | 1 |
| 168 | dood gewoon | doodgewoon | 1 |
| 169 | radins | radius | 1 |
| 170 | beukenlaag | beukenhaag | 1 |
| 172 | verweg | ver weg | 1 |
| 182, 194, 194 | [Niet in bron] | „ | 1 |
| 188 | en en | en | 3 |
| 196 | oranje-zaadjes | oranje zaadjes | 1 |
| 198 | Verschikt | Verschrikt | 1 |
| 204, 212, 214 | [Niet in bron] | .) | 2 |
| 206 | klein | Klein | 1 |
| 219 | gebeurd | gebeurt | 1 |
| 223 | opaan | op aan | 1 |
| 236 | takkebossen | takkenbossen | 1 |