The Project Gutenberg eBook of Wat eene moeder lijden kan This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. Title: Wat eene moeder lijden kan Author: Hendrik Conscience Release date: February 1, 2004 [eBook #11209] Most recently updated: December 25, 2020 Language: Dutch Credits: Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT EENE MOEDER LIJDEN KAN *** Produced by Joris Van Dael and PG Distributed Proofreaders HENDRIK CONSCIENCE WAT EENE MOEDER LIJDEN KAN I Het was uitermate koud in de laatste dagen der maand Januari 1841. De straten der stad Antwerpen hadden haar winterkleed aangenomen en glinsterden van zuivere witheid; de sneeuw viel echter niet bij zachte vlokken, noch verheugde het oog met hare duizend dooreenspelende pluimkens; integendeel, zij viel kletterend en als hagel tegen de vensterglazen der geslotene huizen,--en de bittere noorderwind joeg de meeste burgers, die zich op hunnen dorpel vertoonden, terug naar de gloeiënde kachel. Niettegenstaande de bitsigheid der koude, en alhoewel het slechts negen ure in den morgen was, zag men, mits den Vrijdag, vele personen voorbijgaan. De jonge lieden poogden zich door loopen te verwarmen, de goede burgers bliezen grimmend in de vingeren en de werklieden sloegen zich met geweld de armen om het lichaam. Op dit oogenblik ging er eene vrouw vrij langzaam door de Winkelstraat, welker inwoners zij wel moest kennen, daar zij uit en in de arme huizen ging, en deze telkens met eene uitdrukking van genoegen verliet. Een satijnen mantel, die gewis met watten gevuld was, bedekte hare fijne leden, een fluweelen hoed drukte haar zwierig hoofd en hare wangen, die een weinig door de zure lucht verpurperd waren; eene boa omslingerde haren hals, en hare handen verborgen zich in eene fraaie moffel. Deze juffer, die genoegzaam rijk scheen, bevond zich op den dorpel van een huis, in hetwelk zij gereed stond om binnen te treden, toen zij eensklaps in de verte eene andere juffer harer kennis zag aankomen; zij bleef bij de deur der arme woning staan, totdat hare vriendin haar nabij was; dan ging zij haar met eenen gullen lach te gemoet, en sprak haar aldus aan: "Eenen goeden dag, Adela. Hoe gaat het?" "Tamelijk wel, en met u?" "God zij dank, ik ben gezond en zoo verheugd dat ik het u niet zeggen kan" "Waarom? Het schijnt mij dat het weder zoo vermakelijk niet is?" "Ja, voor mij wel, Adela. Ik ben nog maar een uur uit het bed, en reeds heb ik twintig arme woningen bezocht. Maar ik heb armoede gezien, lieve Adela, armoede dat het hart er van breken zou. Honger, koude, ziekte, naaktheid,--het is onbegrijpelijk. Ho, ik acht mij gelukkig bemiddeld te zijn, want het is zoo verheugend goed te doen!" "Men zou zeggen, dat gij goesting hebt om te weenen, Annah! Ik zie water in uwe oogen blinken;--wees toch zoo gevoelig niet. De arme menschen zijn immers dezen Winter zoo niet te beklagen? Zie eens wat uitdeelingen er geschieden: kolen, brood, aardappelen, het wordt er alles in overvloed gegeven. Gisteren zelfs schreef ik nog in voor vijftig franken; en ik mag u wel zeggen, dat ik liever mijn geld laat uitdeelen dan zelf in al die vuile woningen te gaan." "Adela, gij kent geene arme menschen. Oordeel ze niet op die slordige bedelaars, die het rondhalen van aalmoezen als een goed ambacht aanzien, en hunne kleederen met inzicht vervuilen en scheuren, om den afschrik of het medelijden in te boezemen. Kom met mij, ik zal u werklieden toonen, wier kleederen niet gescheurd zijn, wier huishouden niet vuil is, en wier mond zich niet zal openen om te vragen, maar alleen om te danken en te zegenen. Gij zult den afgrijselijken honger op hunne wezenstrekken geschilderd zien,--het zwarte brood bevrozen tusschen de verstijfde vingeren der kinderen, de tranen der moeder, de sombere wanhoop des vaders.... Ho! sloegt gij een oog op dit stomme tafereel van smart en lijden, wat engelenblijdschap zoudt gij vinden in dit alles met een weinig gelds te veranderen.--Gij zoudt die arme kinderen zich dansend aan uwe kleederen zien hechten; de moeder met saamgevoegde handen u toelachen; den vader, door dankbaarheid verdwaald, uwe fijne hand in zijne beenige handen drukken en met brandende tranen besprengen!--En dan, dan zoudt gij ook tranen van zaligheid storten, Adela, en gij zoudt uwe handen aan de hunne, hoe ruw ook, niet onttrekken.... Zie, Adela, de gedachtenis van zulke stonden ontroert mij te zeer!" Terwijl Annah, met diep gevoel en met treffende stem, dit tafereel schetste, had hare vriendin niet gesproken; zelfs niet van die korte woorden of klanken welke de deelneming van den aanhoorder aanduiden. De ontroering harer vriendin was geheel in haar overgegaan, en toen Annah haar aanzag, was zij juist bezig met haren zakdoek uit hare moffel te halen, om twee tranen die op hare wangen gingen rollen, uit hare oogen te vegen. "Annah," sprak zij, "zie, ik ga met u de arme menschen bezoeken. Ik heb geld genoeg in mijne tasch. Laat ons dezen ganschen morgen besteden aan goede werken. Ho, wat ben ik blijde dat ik u ontmoet heb!" De goede Annah bezag hare vriendin met aandoening, en haar gelaat drukte genoeg uit, hoe gelukkig zij zich achtte eene weldoenster meer aan hare arme medeburgers te hebben bezorgd. Door Adela gevolgd, ging zij eenige stappen verder in een huis, waar zij wist dat ongelukkigen te vinden waren. Het huis op welks dorpel zij stond, toen zij hare vriendin zag aankomen, werd vergeten; dit was haar echter te vergeven, aangezien zij er nog nooit binnen geweest was, en alleenlijk er meende te gaan om te zien, of het misschien geene haar nog onbekende arme huisgezinnen ter woon verstrekte. * * * * * II In eene kamer van het huis, waarbij de weldadige juffrouw was blijven staan, woonde een ongelukkig huisgezin. Vier naakte muren waren hier de stomme en eenige getuigen van pijn en lijden, en het gezicht van het smartelijk schouwspel, dat zich daar vertoonde, vervulde het hart niet alleen met droefheid, maar ook met een zeker gevoel van haat tegen de samenleving. De lucht was er zoo koud als op de straat, en eene zekere vochtigheid drong door de kleederen van hen, die er zich bevonden; in den haard brandde een klein vuur, dat met stukken van gebrokene meubelen gevoed werd, en, als met moeite, van tijd tot tijd eenige schaarsche vlammen vertoonde. In een bed, dat in het midden der kamer stond, lag een ziek kindje, dat niet boven één jaar oud kon zijn; zijn geel aangezichtje, zijne magere armkens en zijne ingetrokkene oogskens deden met reden gissen, dat eene plaats op Stuivenberg [Footnote: Begraafplaats bij Antwerpen.] het onnoozel wicht weldra zou ontvangen. Op eenen zwaren steen, nevens het kind, zat eene nog jonge vrouw met de handen voor de oogen. Hare kleeding, alhoewel samengesteld uit stoffen, waarvan de kleuren door den tijd vergaan waren, droeg het kenteeken niet dier armoede, welke de hulp van het openbaar afsmeekt; integendeel kon men bemerken, aan hunne netheid en aan de menigvuldige doch bijna onzichtbare naden, met welke zorg zij gepoogd had hare noodwendigheid te verbergen. Van tijd tot tijd ging er een benepen zucht uit haren boezem op, en eenige druppelen waters leekten van de punten harer vingeren, waarmede zij zich het aangezicht bedekt hield. Nochtans, bij de minste beweging van het kranke kind, hief zij bevend het hoofd op, bezag snikkend en met afgrijzen zijne verdorde wangen, duwde het deksel wat nader bij zijne koude ledematen, en viel dan weder wanhopig en weenend ineen op den steen. De dienste stilte heerschte in dit rampverblijf; alleen de hagelsneeuw kletterde tegen de vensterglazen, de wind loeide in den schoorsteen. Reeds was de vrouw eenigen tijd, als slapend, op den steen blijven zitten; het kranke kindje had zich niet bewogen, en zij had het hoofd niet opgeheven; zelfs scheen zij niet meer te weenen, want er blonk geen water meer aan hare vingeren.--Het was er in de kamer als in een graf, door dooden bewoond, en dat zich nimmer ontsluiten moest. Eensklaps ging er eene zwakke stem uit den haard op: "Moeder! moeder-lief, ik heb honger!" Degene, die deze klacht had voortgebracht, was een jongen van vijf of zes jaren, die zich in den hoek van den haard bevond, en zoodanig bij het vuur ineengekropen was, dat men hem met moeite zou bespeurd hebben. Hij beefde en trilde alsof de koorts hem over het lichaam rees; en met meer aandacht kon men hooren, hoe zijne tanden van koude tegen elkander ratelden. Hetzij de vrouw zijne klacht niet gehoord had, of zich in de onmogelijkheid bevond om aan zijne vraag te voldoen, zij antwoordde hem niet en bleef zitten zonder zich te verroeren. Er volgde dan weder een oogenblik van doodsche stilte, doch weldra verhief de jongen zijne stem en riep: "Moeder-lief, ik heb honger. Och, geef mij een klein stuksken brood!" De vrouw hief ditmaal het hoofd op, want de stem van den jongen was doorsnijdend, en gewis was zij als een messteek door haar moederhart gegaan. Een somber vuur blonk in hare oogen; de vertwijfeling stond er in te lezen. Zij antwoordde met eenen tranenvloed: "Janneken-lief, zwijg toch, om Gods wil! Ik sterf zelf van honger, mijn arm kind,--en daar is niets meer in huis." "Och, moeder, ik heb zulke pijn in mijnen buik... een stuksken brood, och toe!" Het gelaat van het jongsken was op dit oogenblik zoo smeekend, de honger was er met zijne vale en gele kleur zoo diep op ingedrukt, dat de verdwaalde moeder opsprong, alsof zij eene wanhopige daad ging doen; zij stak met bevende drift hare hand onder het deksel van het bed, en trok er een klein halvestuiversbrood uit, waarmede zij tot den jongen ging: "Daar, Janneken," sprak zij, "dat heb ik nog bewaard om pap voor uw arm zusterken te koken; maar ik denk wel dat zij het toch niet meer zal noodig hebben, dat onnoozel schaapken!..." Hare stem brak, want haar moederbart liep over van pijn. Zoodra Janneken het brood, als eene gelukstar, voor zijne oogen zag blinken, begonnen de spieren zijner wangen zich bevend te bewegen en hij sprong op, met de twee handen te gelijk vooruit, grijpende het kleine brood als een wolf, die zijne prooi aanvat. De vrouw keerde terug naar het zieke kind, dat zij nog eens bestaarde, en viel dan weder als machteloos op den steen. Met gretigheid en met eene onbegrijpelijke blijdschap zette het jongsken zijne tanden aan het brood en beet er eenige malen driftig in, tot hij een weinig meer dan de helft er van gegeten had; dan hield hij eensklaps op, bezag het stuk meer dan eens met gulzigheid, bracht het meer dan eens aan zijnen mond, doch at er niet meer van. Eindelijk opstaande, ging hij langzaam tot bij de vrouw en, na haar bij den arm geschud te hebben, om haar op te beuren uit den slaap, waarin zij scheen verzonken te liggen, reikte hij het stuk brood tot haar en sprak met zoete stem: "Moederken-lief, dáár! ik heb een stuksken bewaard voor ons Mieken. Ik heb nog wel grooten honger en pijn in mijnen buik, maar als vader t'huis komt, dan zal ik immers eene boterham krijgen, moeder?" De ongelukkige vrouw sloeg hare beide armen om het goede kind, en drukte het met liefde tegen hare borst; een oogenblik daarna liet zij het ongevoelig van hare knieën glijden, en verviel in hare eerste neerslachtigheid. Janneken ging heel zachtjes tot bij zijn ziek zusterken, zoende het op hare magere wang, zeggende: "Blijf gij maar slapen, Mieken-lief",--en keerde terug bij het vuur, waar hij weder ineenkroop en stilzwijgend op den grond bleef zitten. Het was dan dat de weldadige juffer op den dorpel der arme woning stond en hare vriendin in de verte zag aankomen. Nog een gansch uur verliep er, zonder dat de rampzalige moeder uit hare bittere mijmering opstond. Zij ook had honger, zij ook voelde de stem des roependen lichaams, en pijnen doorgriefden haar ingewand.... Maar zij zat bij een akelig doodbed; zij verwachtte met angst dien schrikkelijken stond waarop zij, moeder, haar kind zou zien snakken en sterven.--Kon zij dan aan hare eigene pijnen denken? Neen! eene moeder is altijd moeder, gelukkig of rampzalig, rijk of arm, er is geen dieper gevoel, geene machtiger drift dan die welke eene vrouw aan haar kind hecht, en dat gevoel, die drift is inniger en grooter bij hen die weten wat zorg, wat angst en hoe veel zweet des aanschijns zij hunnen kinderen hebben toegewijd. Dit weten de arme menschen bovenal. Om tien ure werden de vrouw en de jongen gezamenlijk als door eene geheime aanraking getroffen. Zij sprong op van den steen, hij uit den haard, en beiden riepen te gelijk: "Ha, daar is vader, Janneken!" "Ha, moeder, daar is vader!" En een glimlach van blijdschap gaf eene nieuwe uitdrukking aan hun gelaat. Zij hadden het gerucht van een rijtuig aan de deur gehoord, en wilden dengenen, dien zij verwachtten, te gemoet loopen; doch een man drong de kamer in, eer zij de deur bereikt hadden. Terwijl hij de sneeuw van zijne schouders schudde, had Janneken zijne eene hand gevat en trok er aan, alsof hij zijnen vader dieper in de kamer wilde brengen. De man had de andere hand aan zijne vrouw gegeven: en bezag haar met diepe droefheid Eindelijk zuchtte hij: "Trees, wij zijn ongelukkig, vrouw! Nu sta ik van dezen morgen af met mijnen mosselbak aan den ijzerenweg, en nog niets gewonnen! Wat gaan wij doen! Zie, Trees, geloof mij of gij wilt of niet, maar ik wilde wel dood zijn!" Hoe ontoereikend de woorden des mans ook waren om eene nijpende smart uit te drukken, zijne pijnen waren daarom niet minder. Zijn hoofd hing moedeloos op zijnen schouder, zijne oogen waren met halsstarrigheid op den grond gevestigd, en men zag aan het wringen zijner vuisten, men hoorde wel aan het kraken zijner vingeren, dat de stuiptrekkingen der wanhoop zijn zenuwgestel ontroerden. De vrouw, die haar eigen wee vergat en begreep wat foltering haar man doorstond, sloeg haren arm om zijnen hals en antwoordde snikkend: "Och, Sus, zwijg maar, het zal toch altijd niet duren. Gij kunt er immers niet aan doen dat wij zoo ongelukkig zijn?" "Vader, vader," riep het jongsken, "ik heb honger; krijg ik nu eene boterham?" Deze woorden veroorzaakten in den man eene afgrijselijke beweging; al zijne leden trilden, zijne blikken vielen als met razernij op het klagende jongsken, en hij zag het eene poos zoodanig strak en wild aan, dat Janneken, verschrikt en huilend, in den haard vluchtte en van daar weenend tot zijnen vader riep: "Och, vaderken-lief, ik zal het niet meer doen!" Zonder van zijne geestes- en ledenspanning verlost te zijn, ging de man bij het bed en bezag met nog scherpere blikken het stervende wicht, dat zijne weifelende oogskens nog tot zijnen vader ophief. "Trees," riep hij, "zie, ik kan het niet meer uitstaan. Het is gedaan, het moest er dan toch eens van komen!" "Wat is het? Och God, wat hebt gij?" De man is wiens hart een groote strijd volvoerd was, bedaarde spoedig; en, gissende wat benauwdheid hij zijne goede vrouw door zijne uitroepingen had veroorzaakt, nam hij haar bij de hand en sprak met neerslachtigheid: "Trees, gij weet het, vrouw, sedert dat wij getrouwd zijn, heb ik altijd gewerkt; nooit heb ik eenen dag laten voorbijgaan zonder voor u en onze kinderen te zorgen. Zou ik dan, na tien jaren zuren arbeid, moeten gaan bedelen? Zou ik het brood, dat ik door mijn zweet altijd verdiend heb, nu van deur tot deur moeten gaan vragen? Trees, dat kan ik niet doen... al stierven wij altemaal van nood en gebrek. Zie, ik word rood van schaamte, als ik er aan denk. Bedelen? Neen, er blijft ons nog iets over dat ons voor eenigen tijd eten zal bezorgen. Het doet mij pijn, vrouw, maar ik ga onzen mosselbak op de Vrijdagsche markt doen verkoopen. Misschien zal ik werk hebben tegen den tijd dat dit weinig geld zal op zijn; en dan zullen wij sparen om eenen nieuwen bak te koopen. Wacht dan nog een half uurken, en dan zal ik u altemaal eten brengen." De mosselbak was het eenige werktuig, waarmede de brave werkman zijn brood verdienen moest; geen wonder dan dat hij met zooveel droefheid het besluit nam hem te verkoopen. De vrouw werd niet min dan hij mistroostig bij dit noodlottig voorstel; doch, daar haar moederhart met dwingende stem voor hare kinderen om hulp riep, keurde zij het voornemen haars mans goed en antwoordde: "Ja, ga maar naar de Vrijdagsche markt, en verkoop den mosselbak maar, want ons arm Janneken krimpt ineen van den honger. Ik kan zelve bijkans op mijne beenen niet meer staan; en dat onnoozel schaapken, dat daar ligt te snakken.... Och, waart gij al een engeltje in den hemel, lief kind!" Hier begonnen hare tranen weder uit hare oogen te rollen; eene beweging als die welke hij reeds gevoeld had, schokte het lichaam des mans, en zijne vuisten nepen zich weder krakend toe. Evenwel, hij bedwong zich en sprong wanhopig de deur uit. Men hoorde weldra het gerucht van een rijtuig, dat, met snelheid, voortgedreven werd. Het gerucht verging oogenblikkelijk. * * * * * III Op de Vrijdagsche markt, naar de zijde van het Valkenstraatje, stond, tusschen eenige andere voorwerpen, een kleine wagen met twee wielen, in vorm gelijk aan die handrijtuigen, welke men te Antwerpen mosselbakken noemt, omdat zij meest dienen om mosselen te vervoeren. Niet verre van daar bevond zich een man, die er ongemeen neêrslachtig uitzag; met de armen op de borst gekruist, wendde hij gedurig zijne vochtige oogen van den mosselbak tot den roeper, die een weinig verder bezig was met andere voorwerpen te verkoopen. Van tijd tot tijd stampte de mistroostige man met den voet tegen den grond, alsof pijnlijke gedachten hem bevochten; doch hij verviel telkens in eene wanhopige droefgeestigheid, wanneer hij het oog liet vallen op het voorwerp dat hem tot nu toe gediend had om, als eerlijk werkman, zijn dagelijksch brood te verdienen. Terwijl hij dus in wanhoop verzonken lag, kwamen twee juffrouwen met haastige stappen over de Vrijdagsche markt; eene van beiden moest de smartelijke uitdrukking op het gelaat des werkmans bespeurd hebben, want zij hield hare gezellin bij den hoek van het Valkenstraatje staan, en vroeg haar: "Hebt gij niet gezien, Adela, wat droefheid er op het aangezicht van dien mensch te lezen staat?" "Van welken mensch, lieve?" "Daar, zie hoe hij met den voet stampt, hoe hij zijne ellebogen tegen zijn lichaam wringt. Zeker, Adela, het is een ongelukkige." "Misschien, Annah; God weet of dit niet uit enkele gramschap geschiedt." "Neen, Adela, ik ken dit al te wel. De uitdrukking van het waar ongeluk draagt eenen onmiskenbaren stempel. Zij trekt de gevoelige harten tot zich en geeft eene zoete ontroering van medelijden; de boosheid en de gramschap integendeel stooten den aanschouwer terug. Ik heb mij niet bedrogen, lieve, die werkman is een slachtoffer van den langen Winter. Zie, zijne kleederen zijn niet slordig, niet gescheurd! Laat ons bij hem gaan; ik durf hem wel de oorzaak zijner smart vragen." De twee juffrouwen keerden terug naar den man; doch daar zij hem naderden, werd hij juist aangesproken, door eenen anderen persoon, die, als hij, tot de werkende klasse scheen te behoofen, en hem eenen slag op den schouder gaf, zeggende: "Sus, wat zegt gij van het weêrken? Koud, he? Kom, gaat ge mede? ik geef eenen druppel." De droeve werkman rukte zijnen schouder met geweld van onder de hand die hem geraakt had, maar antwoordde niet. De andere, daarover verwonderd, bezag hem in het aangezicht, en bemerkte hoe verwilderd hem de oogen in het hoofd stonden. "Wel Sus," riep hij, "wat hebt gij, vriend?" Het antwoord volgde nog niet onmiddellijk op de vraag. De twee juffrouwen hadden tijd om wat nader bij te komen en beter te hooren, wat degene, dien zij ongelukkig achtten, zou zeggen. Eene doffe stem, die onderbroken werd door lange ademhalingen, en eene diepe ontsteltenis te kennen gaf, zeide eindelijk: "Zie, Geert, gij spreekt mij van eenen druppel, he? Maar ik stierf nog liever dan jenever te drinken! Jongen, dat gij wist wat verdriet ik heb...." Die woorden waren met zulke diepe droefheid uitgesproken, dat Geert zich gansch ontroerd bevond en zijne losse taal verliet om ernstiger woorden te spreken: hij vatte de hand van zijnen ongelukkigen makker en vroeg bijna met tranen in de oogen: "Sus, mijn vriend, wat is het, jongen? Gij ziet er uit, alsof gij gingt sterven. Is Trees dood?" "Neen, neen, dat is het niet, Geert. Maar zie, aan u zal ik het zeggen, want gij zijt toch onze vriend. Gij weet het, niet waar, Geert? Ik ben nooit te lui geweest om mijn brood te zoeken, en ik heb het, God zij geloofd, tot hier toe kunnen verdienen; maar nu--nu is het gedaan.... Mijne Trees, de goede vrouw, och arme! zij heeft nog in geene twee dagen gegeten; ons Janneken krimpt ineen van den honger, en mijn klein kind, ons Mieken, dat zal misschien nu dood zijn.... de borsten van hare moeder zijn uitgedroogd van kou en gebrek. Zie, Geert, als ik er aan denk, zou ik mijn eigen kunnen verdoen. Zoudt gij kunnen gaan bedelen, Geert?" "Bedelen? Neen, zeker niet, ik heb nog handen aan mijn lijf." "Welnu, ik ook. Maar het is toch zoo ver gekomen, dat wij alles verkocht en verzet hebben, behalve onzen mosselbak, die daar staat. Wij hadden zóó gespaard, Geert, om hem te koopen, en zóó lang zuur brood er voor gegeten! Maar als het God dan toch wil hebben,--laat het dan zoo maar zijn. Dat de roeper nu maar gauw naar hier kwame, dat ik mijne vrouw en mijne kinderen wat brood kon dragen." "Daar is hij! Zeg mij eens, Sus, woont gij nog altijd in de Winkelstraat?" "Ja." De roeper kwam op dit oogenblik met zijnen stoel ter plaatse waar de ongelukkige werkman stond, en riep luidkeels: "Koopliên, komt bij! Koopliên van mosselbakken, komt bij!" Een glimlach rees over het gelaat des werkmans. De twee juffrouwen spraken met stille stem over iets, dat hun scheen te verblijden. De roeper hernam: "Dertig franken heb ik voor dien mosselbak! Dertig franken!--Vijf en twintig! hij is zoo goed als nieuw, 't is voor niets.--Twintig franken!" Eene der juffers deed een teeken met het hoofd, en de roeper ging voort: "Twintig franken, eenen koopman, twintig franken, niemand niet?" Andere burgers drongen ook naar het rijtuig, doch de juffer joeg den prijs gedurig op. De roeper wendde zich van den eenen naar den anderen, om op de teekens der bieders te letten: "Een en twintig franken!" "Twee en twintig." "Drie en twintig." "Vier en twintig." "Vijf en twintig." "Zeven en twintig.--Zeven en twintig franken. Niemand, niemand? Niemand meer? Geluk! Vaart er wel meê." De juffer, iets aan den knecht des roepers gezegd hebbende, wendde deze zich om naar zijne woning en riep uit al zijne kracht: "Het wordt betaald!" Reeds was de werkman in het huis van den roeper, en meende met het geld, dat men hem gegeven had, naar zijne woning te loopen, niet zonder nog eenen treurigen blik op den mosselbak te werpen, toen hij door eene der twee juffers aangesproken werd: "Goede man, wilt gij wat verdienen?" De werkman bedacht zich een oogenblik en vroeg: "Wat is er van uwe beliefte, juffrouw?" "Wij zouden dien mosselbak gaarne naar huis gevoerd hebben." "Het spijt mij, juffrouw, dat ik het niet doen kan. Ik heb eene haastige boodschap." Annah, die zeer menschlievend was, en daardoor ook beter dan hare vriendin de arme menschen verstond, zegde met haast tot den werkman, die gereed was om heen te gaan: "Het is in de Winkelstraat dat wij zijn moeten." "Dan zal ik het doen, juffrouw; want ik ga juist naar dien kant." Hij vatte dan den mosselbak, trok hem van tusschen al de voorwerpen, welke op den grond verspreid lagen, en volgde de twee juffers die zich met tamelijk snelle stappen voortspoedden. Een bitter hartzeer beklemde zijnen boezem, wanneer hij dacht dat hij nu zijn eigen rijtuig voor anderen moest voortstooten; maar de zekerheid dat hij nu ook welhaast, met het bekomen geld, de tranen zijner brave vrouw ging opdrogen, mengde eenen zoelen troost in zijne droefheid. Met spijt ontving hij van de twee juffrouwen het bevel om voor eenen winkel te blijven staan. Het duurde echter niet lang, of hij mocht zich weder op weg begeven, want de juffers waren slechts eenige oogenblikken in den winkel geweest, of men wierp op het wagentje eenen zak aardappelen, twee of drie groote brooden, eenige stukken houts, en Annah zelve plaatste eenen steenen pot met zorg tegen den zak. In de Winkelstraat gekomen zijnde, vroeg de man, waar de vrouwen den mosselbak hebben wilden. Annah antwoordde met inzicht: "Rijd maar door; het is verder." Ondanks dit bevel bleef hij staan voor eene kleine deur, welke Annah herkende, als zijnde dezelfde, waar zij des morgens meende in te gaan. De man nam zijne muts van het hoofd en sprak beleefdelijk: "Juffrouwen, gij moest mij, als het u belieft, hier eens laten ingaan?" Dit oorlof hem gegeven zijnde, stiet hij de deur open en ging binnen; maar de juffers volgden hem op de hielen en drongen met hem in de kamer. Eene koude siddering schokte Annah en hare vriendin. Het schouwspel, dat zich daar voor hunne oogen vertoonde, was afgrijselijk en doodsch. De jonge vrouw, die bij het bed gezeten was, lag zonder gevoel op den steen, hare wangen bleek, hare oogen gesloten, hare lippen blauw en haar hoofd hangende achterover op den kant van het bed, als het gevoellooze deel van een lijk. Het jongsken had den slappen arm zijner moeder gevat en riep, op het oogenblik dat de twee juffrouwen met den vader binnenkwamen: "Moederken-lief, ik heb honger--een stuksken brood!" De man, zonder op de tegenwoordigheid van Adela en hare vriendin te letten, sprong vooruit naar zijne vrouw, riep haar in zijne wanhoop, trok zich de haren uit het hoofd en bracht niet dan afgebrokene woorden voort: "Trees!" riep hij huilend. "Och, Trees-lief ... ongelukkige vrouw! God, Heer, is 't mogelijk! Dood ... dood van honger en kou!--Hadden wij dat verdiend op de wereld!" Bij deze uitroepingen sloeg hij zijne hand op de tafel en greep een mes; doch Annah, die deze beweging met eenen schreeuw van angst bemerkt had, sprong hem aan den hals en rukte hem het moorddadig werktuig uit de vuist. "Uwe goede vrouw is niet dood!" riep zij. "Daar, loop met haast, en haal wijn in den eenen of anderen winkel." Zij gaf hem een stuk geld en wees hem de deur. Hij vloog de kamer uit en verdween als een pijl. Annah nam de rampzalige moeder in haren arm. Haar satijnen mantel en fluweelen hoed verkrookten tegen de slechte kleederen der ongelukkige; maar de barmhartige juffer gaf daarop geene acht, en handelde alsof zij eene zuster verzorgde. En inderdaad, in hare menschlievendheid aanzag zij, volgens het gebod van den goddelijken Jezus, deze zieltogende vrouw als eene echte zuster. Eenen sinaasappel uit hare tasch gehaald hebbende, drukte zij het sap er uit op de blauwe lippen der vrouw, en wreef hare handen met vurigheid in de haren. Zij liet eenen schreeuw van blijdschap, toen zij de oogen der moeder zich ontsluiten zag. Gedurende dien tijd had Adela zich niet vergenoegd met op dit tafereel van honger en armoede te staren; daar zij de uitroeping van den kleinen jongen gehoord had, was zij met haast bij den mosselbak gegaan en had den steenen pot met een brood binnengebracht, terwijl zij den jongen eenige stukken houts op het vuur had doen werpen. Zoodra Janneken het brood gezien had, waren zijne oogen er niet meer van afgekeerd geweest, en hij had nog eens om eene boterham gebeden. Adela, die 's morgens nog zooveel afschrik van arme menschen getoond had, bevond zich dermate ontroerd op het gezicht van een zoo bitter lijden, dat zij zelve het mes van de tafel nam, en het brood tegen hare borst en fraaie kleederen plaatste om den jongen de boterham, waar hij naar snakte, voor te snijden. "Daar, mijn kind," sprak zij, "eet maar wel. Gij zult geenen honger meer lijden." Janneken vatte de boterham met blijdschap, kuste zijne hand ten teeken van dankbaarheid en zag Adela met zulke zoete blikken aan, dat zij zich omwenden moest om hare tranen van aandoening te verbergen. Terzelfdertijd had de moeder hare oogen geopend en, als met zaligheid op haar etend kind gevestigd. Misschien ging zij met woorden hare weldoenster bedanken; maar de komst van haren man belette haar dit. Hij, ziende zijne vrouw, tegen zijne verwachting, levend terug, plaatste met haast eene flesch op de tafel, sprong vooruit, vloog om haren hals met eenen vloed van blijde tranen, en zoende haar menigmaal als verdwaald! Hij hield haar in zijne armen gesloten alsof hij vreesde haar nog te kunnen verliezen, en riep gedurig: "Trees-lief, leeft gij nog, mijne goede vrouw?... dan is het niets. Ik heb geld van onzen mosselbak; nu zullen wij eten. Wees maar gerust. Och God, zie, in al mijn ongeluk ben ik nog zoo blij als een engel!... Ja, Trees-lief, want ik dacht zeker dat ik u nooit op de wereld meer zou gezien hebben!" Annah kwam bij met eene kom wijn, en hield ze aan de lippen der zwakke vrouw. Terwijl deze den versterkenden drank inzwolg, wierp de man blikken van verwondering op Annah en op hare vriendin, die een weinig verder met Janneken bij het vuur stond en zijne twee handjes vooruithield, zeggende: "Warm uwe pollekens maar, mijn manneken, en eet uwe boterham al gauw op; ik zal er u nog eene geven." De werkman scheen uit eenen droom te ontwaken; het was alsof hij nu eerst de tegenwoordigheid der twee juffers bemerkte. "Juffrouwen," sprak hij stamelend, "vergeeft het mij dat ik u nog niet bedankt heb voor de hulp die gij mijne arme vrouw hebt toegebracht. Gij zijt toch wel goed van in een armmenschenhuis te willen komen, en ik bedank u wel duizendmaal!" "Goede lieden," antwoordde Annah, hare stem verheffende, "wij weten wat honger en koude gij geleden hebt, en wat pijn het u zou aandoen indien gij uw brood moest gaan bedelen, vermits gij liever, als eerlijke werklieden, bij het zweet uws aanschijns den kost wilt winnen. Zulke gevoelens verdienen belooning. Gij zult geen gebrek meer lijden!" Zij wierp eene handvol gelds op de tafel en ging voort: "Daar is geld; aan uwe deur staan aardappelen, hout en brood. Dit alles hoort u toe. Wat den mosselbak betreft, die is niet verkocht geweest; gebruikt hem tot het winnen van uw dagelijksch brood, leeft altijd deugdzaam, bedelt niet; maar indien de honger en de koude u nogmaals kwamen aanvallen, op dit briefje staan mijn naam en woning, en ik zal altijd uwe beschermster en vriendinne zijn." Terwijl Annah sprak, hoorde men geen zucht in de kamer, zoo stil was alles; maar een tranenvloed stroomde uit de oogen des werkmans en uit die zijner vrouw. Hij kon geen woord meer voortbrengen, alleenlijk bezag hij de juffrouwen beurtelings met eene verbaasdheid, die genoeg toonde dat hij niet gelooven kon wat hij hoorde. Toen Annah gedaan had met spreken, liet de geschokte moeder zich van den steen op den grond zakken, en, weenend op hare knieën voortkruipende, vatte zij de hand van Annah in de hare en, tranen er op stortende, riep zij: "Och, juffrouwen, gij zult eenen zaligen dood sterven! God zal het u wel loonen dat gij in ons huis gekomen zijt gelijk engelbewaarders, en dat gij mij van den dood verlost hebt." "Zijt gij nu vergenoegd, moeder?" vroeg Annah. "Och, ja, goede juffrouw, nu zijn wij gelukkig.... Zie ons Janneken daar eens dansen bij het vuur, och arme! En zoo dat klein onnoozel schaapken, dat daar op sterven ligt, kon spreken, juffrouw, het zou u misschien ook zegenen en bedanken." Annah liep op deze woorden bij het zieke kind en, gissende dat het ook door gebrek zoo nabij het graf was, deed zij een teeken aan Adela om te vertrekken; deze, die vermaak nam in de vreugd van het jonsken, hief het op, kuste het op de wang en kwam dan bij hare vriendin. Annah, zich naar de deur gewend hebbende, zegde in het uitgaan: "Zijt gerust, goede lieden; binnen een half uur zal er een geneesheer bij het bed van uw kind staan; en ik twijfel niet, moeder, of gij zult het nog eene vrouw zien worden." Een glimlach van ware zaligheid blonk terzelfdertijd op de wezenstrekken der vrouw en des werkmans. Zij liepen beiden naar de deur, en eene reeks van zegeningen en dankbare spreuken rolde van hunne lippen, totdat zij de twee weldadige juffers niet meer zagen. Annah noch Adela hadden een woord gesproken, voordat zij op de Ossen-markt gekomen waren; hun gemoed was te vol, hunne zielen te zeer geschokt, om hun toe te laten hunne aandoeningen door de taal uit te drukken. "Welnu," sprak Annah eindelijk, "zeg mij, Adela, vindt gij die arme menschen vuil en walgelijk, zooals wij ze gewoonlijk achten?" "O, neen," antwoordde Adela, "ik ben zoo blijde dat ik u ontmoet heb! Nu schijnt het mij, dat iets heiligs mij verheven heeft, en ik voel eene zielsaandoening, die mij onbekend was. Ik schrik niet meer van noodwendigen; hebt gij niet gezien, dat ik dit jongsken op mijnen schoot genomen en gekust heb? Wat aardig en geestig kind! Ik bemin het reeds." "Arm Janneken! de tranen borsten uit zijne oogskens toen hij ons vertrekken zag.... Welnu, mijne lieve, zeg mij, is er op aarde een grooter geluk dan het onze?--Deze goede menschen stierven van honger, zij hieven hunne handen ten hemel en riepen den Heer om hulp. Wij zijn tot hen gekomen als afgezanten der goddelijke barmhartigheid; zij hebben voor ons geknield als voor engelen, die hun kwamen aankondigen dat hun gebed verhoord was, en zij hebben God in ons gezegend en gedankt! O, Adela, ons maatschappelijk leven moge los en ijdel zijn ... de blijde tranen dezer menschen zullen vele onzer zonden herkoopen!" "Zeg mij niets meer," viel Adela met ontsteltenis in, "ik heb het genoegzaam begrepen. O, nu wil ik alle dagen met u uitgaan, om arme menschen te bezoeken en om deel te hebben in uwe goede werken. Ja, want nu eerst ken ik een hemelsch vermaak en eene soort van zaligheid op de wereld.... Heilige weldadigheid! Ongelukkig zijn de rijken die u niet kennen. Wat blijde ontroering, wat zoet genot derven zij!".... * * * * * Op dit oogenblik draaiden zij de Hobokenstraat in en verdwenen achter den hoek. * * * * * End of Project Gutenberg's Wat eene moeder lijden kan, by Hendrik Conscience *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK WAT EENE MOEDER LIJDEN KAN *** Updated editions will replace the previous one—the old editions will be renamed. Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright law means that no one owns a United States copyright in these works, so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United States without permission and without paying copyright royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you charge for an eBook, except by following the terms of the trademark license, including paying royalties for use of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this eBook, complying with the trademark license is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark license, especially commercial redistribution. START: FULL LICENSE THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free distribution of electronic works, by using or distributing this work (or any other work associated in any way with the phrase “Project Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project Gutenberg™ License available with this file or online at www.gutenberg.org/license. Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works 1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept all the terms of this license and intellectual property (trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. 1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be used on or associated in any way with an electronic work by people who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works even without complying with the full terms of this agreement. See paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ electronic works. See paragraph 1.E below. 1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual works in the collection are in the public domain in the United States. If an individual work is unprotected by copyright law in the United States and you are located in the United States, we do not claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, displaying or creating derivative works based on the work as long as all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ works in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily comply with the terms of this agreement by keeping this work in the same format with its attached full Project Gutenberg™ License when you share it without charge with others. 1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in a constant state of change. If you are outside the United States, check the laws of your country in addition to the terms of this agreement before downloading, copying, displaying, performing, distributing or creating derivative works based on this work or any other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no representations concerning the copyright status of any work in any country other than the United States. 1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: 1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, copied or distributed: This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. 1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a notice indicating that it is posted with permission of the copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United States without paying any fees or charges. If you are redistributing or providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted with the permission of the copyright holder, your use and distribution must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works posted with the permission of the copyright holder found at the beginning of this work. 1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ License terms from this work, or any files containing a part of this work or any other work associated with Project Gutenberg™. 1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this electronic work, or any part of this electronic work, without prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with active links or immediate access to the full terms of the Project Gutenberg™ License. 1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any word processing or hypertext form. However, if you provide access to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official version posted on the official Project Gutenberg™ website (www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. 1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works provided that: • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has agreed to donate royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days following each date on which you prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.” • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You must require such a user to return or destroy all copies of the works possessed in a physical medium and discontinue all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ works. • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the electronic work is discovered and reported to you within 90 days of receipt of the work. • You comply with all other terms of this agreement for free distribution of Project Gutenberg™ works. 1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. 1.F. 1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by your equipment. 1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. 1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a written explanation to the person you received the work from. If you received the work on a physical medium, you must return the medium with your written explanation. The person or entity that provided you with the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a refund. If you received the work electronically, the person or entity providing it to you may choose to give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a refund in writing without further opportunities to fix the problem. 1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. 1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any provision of this agreement shall not void the remaining provisions. 1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in accordance with this agreement, and any volunteers associated with the production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly from any of the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any Defect you cause. Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of electronic works in formats readable by the widest variety of computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from people in all walks of life. Volunteers and financial support to provide volunteers with the assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will remain freely available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure and permanent future for Project Gutenberg™ and future generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit 501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S. federal laws and your state’s laws. The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up to date contact information can be found at the Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread public support and donations to carry out its mission of increasing the number of public domain and licensed works that can be freely distributed in machine-readable form accessible by the widest array of equipment including outdated equipment. Many small donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt status with the IRS. The Foundation is committed to complying with the laws regulating charities and charitable donations in all 50 states of the United States. Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these requirements. We do not solicit donations in locations where we have not received written confirmation of compliance. To SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state visit www.gutenberg.org/donate. While we cannot and do not solicit contributions from states where we have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition against accepting unsolicited donations from donors in such states who approach us with offers to donate. International donations are gratefully accepted, but we cannot make any statements concerning tax treatment of donations received from outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. Please check the Project Gutenberg web pages for current donation methods and addresses. Donations are accepted in a number of other ways including checks, online payments and credit card donations. To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate. Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be freely shared with anyone. For forty years, he produced and distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of volunteer support. Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper edition. Most people start at our website which has the main PG search facility: www.gutenberg.org. This website includes information about Project Gutenberg™, including how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.