The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0031: Vier vaders

This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0031: Vier vaders

Author: Kurt Matull

Theo von Blankensee

Release date: April 4, 2025 [eBook #75791]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Credits: Jeroen Hellingman and The Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg.

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0031: VIER VADERS ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[1]

[Inhoud]

☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜

UITGAVE VAN DEN „ROMAN-BOEKHANDEL VOORHEEN A. EICHLER”, SINGEL 236,—AMSTERDAM.

[Inhoud]
VIER VADERS.

VIER VADERS.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE BEIDE VREEMDELINGEN.

De portier van het grand hotel aan het Alexanderplein opende met groote voorkomendheid het portier van een juist voorgereden omnibus, nam zijn met goud omzoomde pet af en maakte een eerbiedige buiging voor twee elegante heeren, die uit het rijtuig stapten en die hij met geoefenden blik dadelijk herkende als Engelschen of Amerikanen.

En dit vermoeden werd bevestigd door de etiketten, welke op de koffers waren geplakt en waarop de naam Londen te lezen stond.

„Kan ik twee kamers krijgen?” vroeg de oudste, een rijzige, slankgebouwde man van ongeveer veertigjarigen leeftijd.

Yes, Sir”, antwoordde de portier, terwijl hij de heeren naar twee, op de eerste verdieping gelegen, deftig gemeubileerde vertrekken bracht.

De vreemdeling informeerde niet naar den prijs der kamers, maar nam er zijn intrek met het optreden van iemand, voor wien geld geen rol speelt in de wereld.

Voordat de kellner de gasten verliet, vroeg hij:

„Hoe lang denken de heeren te blijven?”

„Onbepaald,” antwoordde de oudste der twee, minstens echter drie dagen.”

Zoodra portier, kellner en huisknecht, die den pas aangekomenen logeergast in elk hotel als een zwerm vliegen omgeven, hun hielen hadden gelicht, ging de jongste der beide Engelschen naar het raam en keek naar buiten, naar het gewoel op het Alexanderplein.

De ander had den reiskoffer geopend en begon de kleeren en het linnengoed in de kasten te bergen.

„Wat is dat voor een groot gebouw aan de overzijde van het plein?” vroeg de zoon van Albion, die bij het venster stond.

Zijn reismakker kwam dichtbij hem staan, keek ook naar buiten en een spottend glimlachje vloog over zijn gelaat.

„Dat, my boy, dat is het Berlijnsche hoofdbureau van politie. Het is van veel meer beteekenis dan Scotland Yard in Londen. De beambten, die hier werken, zijn de wakkerste, de beste detectives, die ik ken. Zij hebben maar één gebrek..”

„En dat is?”

„Zij worden te slecht gesalarieerd.”

Nu lachte ook de jongste.

Na eenige oogenblikken vervolgde de oudste der twee vrienden:

„In verband met het bestaan van deze heeren ben ik niet graag lang in Berlijn, hoewel het, behalve Londen, de eenige stad is, waar ik mij op mijn gemak gevoel.

Men leeft hier bijzonder aangenaam, maar voor langeren tijd kan men zich hier niet, zooals in Londen, onopgemerkt ophouden.

Jij bent nu voor den eersten keer in je leven in de schoone keizerstad aan den oever van de Spree en je [2]kent de wijze voorzorgen en maatregelen der politie nog niet, waarmee elke burger en elke vreemdeling wordt lastig gevallen.

Langer dan drie dagen mag je niet in Berlijn vertoeven zonder je pas of andere legitimatiepapieren te vertoonen.

Bij ons in Londen interesseert het niemand, of wij Mr. Smith of John of Soundso heeten.

Hier echter moet iedereen bekend staan onder den naam, dien hij, niet of tegen zijn eigen wil, bij zijn geboorte heeft gekregen.”

„Ik begrijp uit je woorden,” antwoordde de jongste, „dat in Duitschland de politie iedereen onder voogdij stelt. Dat is hier dus evenals in Rusland.

Ik begrijp alleen niet, waarom je dezen keer niet naar Parijs, maar naar Berlijn bent gegaan.”

Zijn reismakker lachte opnieuw en, terwijl hij een sigarette aanstak, sprak hij:

„Ik moet steeds denken aan de lauweren, die de hoofdman van Köpenick heeft behaald. En ik durf beweren, dat een dergelijke grap als die, welke de geniale schoenmaker tot vermaak der geheele wereld hier heeft uitgehaald, nog gemakkelijker uit te voeren is in de uniform van een luitenant van politie.

Ik wed, dat een officier van politie nog veel meer gedaan kan krijgen dan een eenvoudige hoofdman.”

„Je hebt groote plannen! Mag ik weten welke?”

„Neen”, antwoordde de ander, „het is vroeg genoeg, als je die verneemt, wanneer ik ze ten uitvoer breng en ik denk dat reeds morgen te doen.

Ga nu met mij, want ik ga alles, wat ik voor de zaak noodig heb, aanschaffen.”

Samen verlieten zij het hotel en schijnbaar toevallig gingen zij de Alexanderstraat in.

De oudste der beide heeren keek met onderzoekende blikken langs de huizenrijen en bleef hier en daar naar een verhuurbordje staan kijken.

Na een poosje ging hij een huis binnen, waaraan een bordje was uitgehangen, dat vermeldde, dat daar kamers werden verhuurd voor dagen, weken of maanden.

Zonder te loven of te bieden huurde de onbekende in het pension een kamer, betaalde een week vooruit en liet zich de sleutels overhandigen van huis- en portaaldeur.

„In deze pensions”, sprak hij, toen zij zich weer op straat bevonden, „zijn wij zeer ongegeneerd. Niemand let op de huurders, als zij uitgaan of thuiskomen. Als men heeft betaald, kan men, zonder door iemand te worden opgemerkt, zijn kamer binnengaan, bewonen en verlaten.”

Zij gingen eenige straten verder en kwamen eindelijk in de Rozenstraat.

Hier wonen huis aan huis kooplieden, die handel drijven in oude uniformen en gedragen kleeren.

Een dergelijken winkel gingen zij binnen.

„Wij hebben een paar uniformen noodig, die van een luitenant van politie en van een wachtmeester. Wij willen namelijk het gecostumeerde feest van de roeivereeniging mee bijwonen. Kunt gij ons aan iets dergelijks helpen?” vroeg de onbekende aan den winkelier.

„Gij kunt bij mij zooveel uniformen krijgen als gij verkiest”, luidde het antwoord.

Het duurde dan ook niet lang, of hij had voor de beide vrienden de volledige uniformen, benevens sabels en verder toebehooren, klaargelegd.

Na eenig loven en bieden betaalden zij, lieten zich het gekochte inpakken en namen het pak mee.

Op hun gemak de straten doorslenterend, liepen zij in de richting van de Linden.

Bij den hoek van de Friedrichstrasse bleven zij staan en de oudste sprak:

„Hier zie je alle rangen van de Berlijnsche politie. Die daar in het midden, die met de beambten staat te praten, is luitenant van politie en die vóór hem staat, is wachtmeester.

De anderen zijn gewone agenten.

Kijk nu nauwkeurig, zooals ik het ook doe, naar de manieren en wijze van doen van deze lieden, opdat wij precies kunnen optreden, zooals zij dat gewend zijn te doen.”

Bijna een half uur lang stond het tweetal onder de Linden om naar het interessante stadsgewoel te kijken.

Inderdaad echter bestudeerden zij elke beweging der politiebeambten en begaven zich eindelijk haar het café, dat zich het dichtst bij bevond, op welks balkon zij plaats namen.

Van hun zitplaatsen keken zij nog eenige uren lang naar het doen en later der beambten van politie. Daarop reden zij naar de gehuurde kamer in het pension en legden daar het pak neer.

Zij begaven zich nu naar het hotel terug om uit te rusten en brachten den avond in een schouwburg door.

Reeds vroeg in den morgen verlieten zij den volgenden dag hun hotel, om de door hen gehuurde kamer op te zoeken. [3]

[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE BEDROGEN PANDJESBAZEN.

Samuel Löwenstein, de eigenaar van een groot pandjeshuis in de Frankfurterstraat, had weer, evenals elken dag, handenvol werk, toen een heer zijn winkel binnenkwam, die wenschte om hem zelf te spreken.

De koopman zag met een enkelen oogopslag, dat de vreemdeling zaken met hem had te verhandelen, die niet voor ooren van andere menschen waren bestemd.

Hij bracht hem derhalve in zijn klein kantoor en vroeg wat de bezoeker wenschte.

Als antwoord haalde de vreemdeling een leeren zakje te voorschijn, waaruit hij eenige kostbare diamanten nam, die hij op de schrijftafel van Samuel Löwenstein neerlegde.

De oogen van den pandjeshuishouder schitterden begeerig, toen hij de fonkelende steenen zag.

„Wat wilt gij ervoor hebben?” vroeg hij, nadenkend en vol aandacht de kostbaarheden onderzoekende.

De vreemdeling haalde de schouders op en antwoordde:

„Ik heb geld noodig!”

Samuel Löwenstein taxeerde de steenen op 10,000 Mark.

„Ik zal geven 2800 Mark”, sprak hij tot den onbekende.

„Ik heb 4000 noodig!”

„Kan ik er niet voor geven. De steenen hebben eenige gebreken en zijn niet meer waard.”

De vreemdeling mompelde: „Schurk!”, wat Samuel Löwenstein niet hoorde en sprak luid:

All right! Geef mij 3000.”

„Hebt gij legitimatiepapieren?”

De buitenlander wist blijkbaar niet, wat de pandhuishouder bedoelde.

Samuel Löwenstein maakte het hem duidelijk.

Nu haalde de vreemdeling een bijna onleesbaar, maar van een stempel voorzien document uit zijn zak te voorschijn. Het was blijkbaar door de Hongaarsche politie afgegeven.

Hij overhandigde het aan Samuel Löwenstein, die er een vluchtigen blik op wierp, met het hoofd knikte en, zoo goed en kwaad als het ging, den naam van den vreemdeling spelde.

Hij las er Katzenstein uit, Siegfried Katzenstein, en vroeg, of deze naam juist was.

De vreemde heer knikte bevestigend.

Samuel Löwenstein vulde het gebruikelijke lommerdbriefje in en betaalde de 3000 Mark.

De vreemdeling ging heen.

Nauwelijks had deze het huis verlaten, of de pandhuisbezitter begon een vreugdedans uit te voeren.

Hij riep zijn compagnon bij zich en schreeuwde opgewonden:

„Ik heb daar juist een schitterend zaakje gedaan. Heb je dien fijnen heer gezien, die daar wegging? Hij moet een groote gannef (gauwdief) zijn, want hij bracht mij uitgebroken steenen en ik heb een vierde betaald. Ze zijn onder broers 15,000 Mark waard.”

Vol innig genot bekeken de twee de juweelen, sloten ze in de brandkast weg en gingen weer terug naar hun winkel.

Een half uur later speelde zich in een pandjeshuis in de Friedrichstraat een dergelijk tooneel af. Dezelfde vreemdeling verpandde tegen een bespottelijk lagen prijs losgebroken diamanten aan den eigenaar der zaak.

De man scheen een heelen zak vol ervan te bezitten.

Want dien geheelen dag besteedde hij aan dat werk en toen het avond was geworden, had hij 15 pandjeshuizen bezocht. Eerst toen was hij voor dien dag gereed met zijn werk.

Terwijl hij met een pandhuishouder onderhandelde, liep een vriend van hem voor het huis, als om de wacht te houden, heen en weer.

„Ik begrijp er niets van”, sprak deze, toen de vreemdeling zich weer op straat bij hem voegde, „hoe is het mogelijk, dat je voor zulk een belachelijk klein bedrag die prachtige steenen van de hand doet?” [4]

Daarop gingen zij verder.

Het waren de twee Engelsche heeren, die eenige dagen geleden hun intrek hadden genomen in het Grand Hotel.

De oudste, die de steenen beleende, lachte en klopte eens op zijn portefeuille, die gevuld was met talrijke biljetten van duizend Mark.

„Ik doe reusachtige zaken, mijn beste jongen.”

„De duivel moge jou begrijpen”, antwoordde de jongste, „een zaak, waarbij men duizenden verliest, kan men toch met den besten wil van de wereld niet schitterend noemen.”

Toen bleef zijn metgezel staan, klopte hem op den schouder en antwoordde:

„Jij bent en blijft een groote domkop, mijn lieve Charly! Meen je werkelijk dat ik, de Groote Onbekende, John C. Raffles, voor wien de geheele Londensche politiemacht beeft en siddert, dat ik dien kerels ook maar een enkelen penning zal schenken?

Neen, mijn jongen, ik zal hen een aderlaten, zoodat hooren en zien hun vergaat.”


Op hetzelfde uur ongeveer als twee dagen geleden, trad een luitenant van politie den winkel van Samuel Löwenstein binnen, vergezeld door een wachtmeester, welke laatste een portefeuille met acten en een handkoffer droeg.

Met de meest onderdanige buiging begroette Samuel Löwenstein de beambten, die met een kort „goeden morgen” binnentraden.

De pandjeshuishouder voelde zich in het geheel niet op zijn gemak bij het zien binnenkomen van twee dienaren der gerechtigheid en met een zuurzoet glimlachje vroeg hij wat mijnheer de luitenant wenschte.

Deze viel hem echter in de rede met de op barschen toon uitgesproken woorden:

„Vraag mij niet, wat ik wensch, maar wacht, totdat ik u iets vraag!

Vertoon mij onmiddellijk uwe boeken. Ik heb geen tijd om mij lang bij u op te houden.

Gij staat onder verdenking van een oplichter, die gisteren in hechtenis is genomen, gestolen juweelen te hebben beleend, zonder voldoende legitimatiebewijzen van dien persoon te hebben gevorderd.”

Samuel Löwenstein verbleekte.

Hij sloeg de handen boven zijn hoofd te zamen en riep uit:

„God zal mij bewaren, mijnheer de luitenant, dat ik zulk een schande zou laden op mijn hoofd, dat in eer en deugd is vergrijsd.

God zal mij straffen, als dat waar is.

Ik kan mij in ’t geheel niet herinneren, dat ik zonder voldoende legitimatiebewijzen juweelen in pand zou hebben genomen.

Overtuig u zelf, heer luitenant.”

„Geef mij de akten aan!” beval de officier den wachtmeester.

„Tot uw dienst, luitenant”, antwoordde de wachtmeester, zijn hielen tegen elkaar slaand en het gewenschte te voorschijn halend.

De officier van politie nam ze aan en sprak:

„Katzenstein is de naam van den oplichter.

Heeft een zekere Katzenstein hier juweelen in onderpand gegeven?”

Samuel Löwenstein zette een nadenkend gezicht.

Hij legde zijn vinger, waaraan een nagel met breeden zwarten rand prijkte, in een der neusgaten en toen in den mond en alsof deze versnapering hem aan een goed antwoord had geholpen, sprak hij met gefronst voorhoofd:

„Katzenstein? Katzenstein? Die naam komt mij inderdaad bekend voor. Zou hij hier zijn geweest? Of zou hij niet hier zijn geweest? Hoe kan ik bij de ontelbare klanten, die ik heb, nog weten, of een zekere Katzenstein hier is geweest?”

„Sla uw boek op!” beval de politie-officier op korten toon.

„Ken jij Katzenstein?” riep de pandjesbaas tot zijn compagnon.

„Weet ik veel!” antwoordde deze, „jij bemoeit je met de diamanten en ik bemoei mij met de ouwe kleeren.”

Intusschen had de officier het boek naar zich toegetrokken en bladerde erin. Eenige oogenblikken later maakte hij een zacht fluitend geluid, vergeleek een lommerdbriefje, dat hij uit de portefeuille haalde, met hetgeen hij in het boek zag staan en sprak:

„Juist, dat klopt! Voor 3000 Mark, zooals het briefje ook vermeldt. Dat bedrag staat ook in uw boek genoteerd.

Ik leg beslag op de briljanten. Voor den dag met de steenen!”

Samuel Löwenstein wist, dat hem niets beters te doen stond dan te gehoorzamen.

Met bevende handen sloot hij de brandkast open, haalde de steenen te voorschijn en legde ze voor den luitenant van politie neer. [5]

Deze telde ze na, maakte er een pakje van, liet zich een kaars en lak geven, verzegelde het pakketje en zette met een gummi-stempel, dat het opschrift droeg: „In beslag genomen door de Koninklijke politie”, een kantteekening in het hoofdboek van Samuel Löwenstein.

„Gij zult wel nader bericht ontvangen”, sprak hij tot den pandjesbaas, waarna hij met zijn wachtmeester het huis verliet.

De beide compagnons staken onmiddellijk de hoofden bij elkaar en fluisterden nog geruimen tijd met geheimzinnige handgebaren en gefronste voorhoofden.

Een dergelijk bezoek werd door de beide beambten van politie in vijftien andere pandjeshuizen afgelegd.

Toen zij eindelijk in hun kamer waren teruggekeerd, sprak John Raffles tot zijn vriend en secretaris Charly Brand:

„Die visites waren de moeite wel waard. Ik heb vandaag ongeveer 60,000 Mark verdiend.

Nu zal ik morgen de andere inrichtingen van dien aard, welke zich hier in de hoofdstad van het schoone Duitsche Rijk bevinden, met een dergelijk bezoek vereeren.”

Twee dagen later had de Groote Onbekende weer een twaalftal pandjeshuizen bezocht en sprak hij tot Charly Brand:

„Die kerels verdienden allen, zonder een enkele uitzondering, achter slot en grendel te worden gezet.

In de allereerste plaats, omdat zij te dom zijn om op eigen beenen te staan en dan vooral om hun geslepenheid.

En nu ga jij naar Londen terug.

Ik zal nog eenigen tijd hier blijven. Ik hoop nog een paar kleine, maar interessante avonturen te wagen en jij zoudt mij daarbij maar tot last zijn.”

Hij gaf Charly Brand een deel van zijn geld, bracht hem naar het station en begaf zich daarna naar Café Bauer.

De dag liep ten einde en de avondbladen waren juist uitgekomen.

De Groote Onbekende nam het Berliner Tageblatt op om de laatste nieuwtjes te lezen.

Reeds de eerste regelen, waarop zijn oog viel, schenen hem te amuseeren.

Hij las het volgende:

Opzienbarende, ongekende bedriegerij gepleegd door een onbekend oplichter ten nadeele van de Berlijnsche pandhuizen.

Eenige dagen geleden verscheen een onbekende, blijkbaar een Hongaar, die een legitimatiebewijs bezat, ten name van een zekeren Katzenstein, in meer dan twintig pandhuizen en beleende daar diamanten.

Een dag later bracht hij aldaar een tweede bezoek, vermomd als politie-officier en in gezelschap van een als wachtmeester uitgedosten medeplichtige.

Hij wendde voor, dat hij op hoog bevel beslag kwam leggen op de diamanten, welke door een zekeren Katzenstein waren beleend.

Overal gelukte de truc en de pandhuishouders werden den door hem afgezet voor bedragen van 2000 tot 6000 Mark.

De tot dusverre onbekend gebleven bedrieger wist zich op deze wijze in het bezit te stellen van een bedrag van 80,000 Mark en dit in den tijd van een paar dagen.

Ondanks de nauwkeurige navorschingen, welke de Berlijnsche politie onmiddellijk in het werk stelde, is het tot heden nog niet mogen gelukken, den dader in handen te krijgen.

De geheele zaak doet sterk denken aan den Londenschen meester-dief John Raffles.

De bedrogen pandhuishouders hebben gezamenlijk besloten, om een bedrag van 1000 Mark uit te betalen aan dengeen, die zoodanige aanduidingen in deze zaak kan verschaffen, dat de dader in handen der politie valt.”

Raffles blies behaaglijk de blauwe rookwolkjes van zijn sigarette voor zich uit en een glimlach speelde om zijn fijnbesneden lippen.

Hij liet zich door den oberkellner van het café schrijfgereedschap brengen en schreef den volgenden brief:

Aan de Redactie van het
Berliner Tageblatt.

Met het grootste genoegen las ik zooeven in uw zeer geëerd blad het artikel over mijn rooftocht ten nadeele van de Berlijnsche pandjesbazen.

Gij kunt niet gelooven, hoe tevreden ik over mijzelf ben, nu deze truc mij zoo volkomen is gelukt.

Ik heb een gedeelte van het geld, dat ik dien woekeraars afhandig heb gemaakt, gebruikt om het, zooals dat mijn gewoonte is, aan de armen van Berlijn ten goede te doen komen.

En gij hebt niet ten onrechte beweerd, dat deze geschiedenis doet denken aan den beruchten John C. Raffles. [6]

Ik ben bij dezen zoo vrij om u mede te deelen, dat ik inderdaad niemand anders ben dan John C. Raffles en dat ik mij tijdelijk in Berlijn ophoud.

Opdat gij het voor de Berlijners gemakkelijker kunt maken, de uitgeloofde 1000 Mark te verdienen, die vastgesteld zijn als belooning voor dengene, die den dader in handen der politie levert, zend ik u hierbij mijn portret, dat gij kunt publiceeren, en ik hoop, dat het mij dan gemakkelijk zal vallen, mij nog ongegeneerder in Berlijn te bewegen dan tot dusverre.

Terwijl ik u nog mededeel, dat ik reeds jarenlang abonné ben van uw blad, blijf ik met de meeste hoogachting,

JOHN C. RAFFLES.”

Met een spottend lachje op het gelaat verliet de Groote Onbekende het Café Bauer, om zijn kamer in het pension weer op te zoeken.

Dien morgen had hij zijn vertrekken in het Grand Hotel verlaten en de bagage door hotelbedienden naar het station laten brengen, vanwaar die door Charly Brand meegenomen werd naar Londen.

Zoodoende kon zijn spoor van uit het hotel niet meer gevolgd worden. [7]

[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

TER WILLE VAN EEN LAUWERKRANS

Op een der volgende dagen slenterde John Raffles door de straten van Berlijn en keek vol belangstelling naar het stadsleven, dat daar zijn gewonen gang ging.

Onwillekeurig bleef hij staan bij een advertentiezuil, die door een troep menschen was omgeven. Hij deed moeite om over de schouders en hoofden der voor hem staanden te lezen, wat hier op zoo opvallende wijze de publieke aandacht trok.

Door zijn rijzige gestalte gelukte het hem al spoedig, te lezen wat deze opeenhooping van publiek had veroorzaakt en een guitig lachje gleed langs zijn aristocratische trekken.

In zijn schrandere oogen tintelde een met moeite bedwongen vreugde, toen hij de volgende aankondiging las:

Schouwburgzaal
Köpenickerstr. 68.


Zaterdag den 22 Mei 1909 en volgende dagen:

op werkdagen 8½ uur. Zondags 8 uur.

De groote Engelsche

sensatie—detective—comedie:

„Lord Lister”

genaamd Raffles de groote onbekende.

door Curt. Matul.


Plaatsbespreking van af heden.

„Alle drommels”, sprak hij glimlachend tot zichzelf, terwijl hij zijn horloge vergeleek met de klok van de naaste kiosk, „ik heb toevallig vanavond geen dringende bezigheden en ik ben inderdaad nieuwsgierig om mijn dubbelganger op de planken te zien.”

Hij wenkte een rijtuig en liet zich naar de Köpenickerstraat brengen, nam een logeplaats en amuseerde zich kostelijk om het uiterlijk en spel van zijn dubbelganger.

Maar nog meer genoegen deed het hem te zien, hoe het publiek bij zijn streken en trucs in luide bijvalskreten losbarstte.

Na afloop der voorstelling bleef Lord Lister nog in het restaurant van den schouwburg vertoeven.

Hij had een zoodanig plaatsje uitgezocht, dat hij dicht bij het tafeltje zat, waaraan de schrijver van het stuk met den schouwburgdirecteur hadden plaats genomen.

Na een poosje hoorde hij, dat de secretaris van het theater, die naast den directeur was komen staan, tot dezen sprak:

„Mijnheer, zooeven kwam een politie-officier met agenten het gebouw binnen. Hij zegt, bericht te hebben gekregen, dat Raffles in eigen persoon zich in den schouwburg bevindt.”

„Och kom”, antwoordde de directeur lachend, „ik hoop niet, dat onze acteur in verzekerde bewaring wordt gesteld.”

Lord Lister had aandachtig en scherp geluisterd en overlegde, op welke wijze hij zich uit zijn gevaarlijken toestand zou kunnen redden.

Hij had zich niet verkleed of vermomd, daarom kon een ontmoeting met de politie hachelijk voor hem worden.

Hij zag door de glazen deur, dat de uitgang van het gebouw door politieagenten was bezet.

Nu kwam de luitenant van politie met eenige agenten het lokaal binnen, van het eene tafeltje naar het andere loopend en de aanwezige gasten met scherpe blikken monsterend.

Raffles zat zoo, dat hij den schouder van den directeur met de hand kon aanraken. [8]

Haastig nam hij een visitekaartje, waarop hij met potlood schreef:

„Ik zou u gaarne eenige oogenblikken in uwe bureau willen spreken.”

Hij overhandigde het kaartje aan den directeur en amuseerde zich om het verbaasde gezicht van dien heer bij het lezen der door Raffles geschreven woorden.

Van het antwoord hing voor Raffles veel af.

Directeur Bitterfeld fluisterde den schrijver van het stuk eenige woorden in het oor, waarop deze als geëlectriseerd van zijn stoel wilde opspringen, zich echter wist te beheerschen en op kalmen toon sprak:

„Wees zoo goed, ons te volgen.”

Niemand lette op de heeren, toen zij door een zijdeur zich naar de eerste étage begaven.

Daar aangekomen, wierp de directeur nogmaals een blik op het hem door Raffles overhandigde visitekaartje, dat niet den naam van den beruchten Engelschman droeg, maar waarop John Hallborn te lezen stond.

Daaronder had de groote onbekende geschreven:

„Een vriend van John Raffles.”

„Wat wenscht gij van mij?” vroeg de schouwburgdirecteur vol belangstelling.

Raffles lachte hartelijk.

„U, evenals den geachten heer, die in uw gezelschap is, mijn dank betuigen voor de geniale wijze, waarop mijn persoon vanavond hier is weergegeven.”

Hij reikte beiden heeren de hand.

„Ik veronderstel, dat de uitgang der zijtrap niet bewaakt wordt door de politie?”

„Stellig niet!” antwoordde directeur Bitterfeld, „maar voor alle zekerheid zal ik u tot aan den uitgang vergezellen.”

Daar aangekomen, drukten zij elkaar nogmaals de hand en daarop verdween Raffles.

De beide heeren keerden terug naar de restauratiezaal, waar de politie nog steeds aanwezig was om naar den grooten onbekende te zoeken.

Ongeveer tien minuten later kwam een dienstman het lokaal binnen, naderde den politie-officier en overhandigde, dezen een briefje.

Deze opende het en las:

„Staak uw vruchtelooze pogingen om mij te vinden en wees zoo verstandig om op uw gemak een potje bier te gaan drinken. Ik heb het gebouw reeds verlaten.

Met hoogachting en beleefde groeten,
John C. Raffles.”

De luitenant, een flinke, joviale kerel, overhandigde het kaartje aan den schouwburgdirecteur, die dichtbij hem stond.

Beide heeren barstten uit in een hartelijken schaterlach en toen de inhoud van het briefje na een korte poos ook bij de verdere aanwezigen bekend was, heerschte algemeene vroolijkheid in het lokaal.

Menig glas werd geledigd op het welzijn van den genialen meester-dief.

Den volgenden dag werd den directeur, gedurende de avondvoorstelling een prachtige lauwerkrans overhandigd, nadat hij eerst voor het voetlicht was geroepen. Op het rood satijnen lint was in groote gouden letters gedrukt:

Als blijk van vriendschap aan u opgedragen door John C. Raffles, den Grooten Onbekende”.

Om dezen krans te bestellen, had Raffles zich in den middag naar een bloemenwinkel in de Friedrichstrasse begeven en toen hij weer naar buiten trad, merkte hij tot zijn groote verbazing, dat hij door een persoon gevolgd werd.

Toen hij den man met een scherpen blik monsterde, ontdekte de groote onbekende, dat het een van de pandjesbazen was, die door hem bij den neus was genomen.

In de ochtendbladen had een reproductie gestaan van het portret en den brief van John Raffles en daarom had hij zijn gelaat nu voorzien van een vollen bruinen baard.

Ondanks deze voorzorg moest de pandjesbaas hem herkend hebben.

John Raffles, die het zeer onaangenaam vond om achtervolgd te worden, nam een huurrijtuig en reed daarin verder.

Toen hij zijn hoofd buiten het portierraampje stak, bemerkte hij, dat zijn vervolger met een anderen man in druk gesprek was en dezen, met heftige gebaren in de richting van het zich verwijderende rijtuig, iets vertelde.

Nu kwam het er op aan, om zijn vervolgers vóór te blijven.

Lord Lister haalde eenige goudstukken uit zijn zak te voorschijn en sprak tot den koetsier:

„Hier hebt gij geld, koetsier, en rijd nu zoo hard als het paard kan loopen, men vervolgt mij.”

De koetsier, een echt Berlijnsch type, begreep dadelijk, waarom het te doen was. Hij ranselde het paard en het rijtuig vloog als een pijl uit den boog de straat langs.

Maar ook de vervolgers deden hetzelfde en toen zij zagen, dat het rijtuig, waarin Raffles zat, niet in te halen was, omdat hun paard niet zulk een flink draver was als dat van den vluchteling, verlieten zij hun [9]rijtuig bij de eerstvolgende gereedstaande auto, betaalden hun koetsier en namen plaats in den motorwagen.

De chauffeur riep wel op verontwaardigden toon: „Deze auto is bezet!”, maar de persoon, die den pandjesbaas vergezelde, hield den man een penning voor zijn verbaasde oogen, waaruit bleek dat hij beambte van politie was en sprak:

„Dienstzaak! Ik ben aansprakelijk voor de schade!”

„Nu, vooruit dan maar”, antwoordde de chauffeur, „waarheen?”

De politiebeambte wees den chauffeur het rijtuig, dat reeds in de verte verdween.

„Wij moeten het huurrijtuig, dat daar ginds rijdt, inhalen. Rijd snel, gij kunt een tienmarkstuk extra verdienen.”

„Dien sneltrein zullen wij in een oogenblik hebben achterhaald”, sprak de chauffeur en voort ging het met groote snelheid.

Als de bliksem zoo snel stoof de auto door de stille straat, waarin zich bijna geen enkele voetganger vertoonde en binnen eenige minuten was het rijtuig, waarin Raffles zat, ingehaald.

De politiebeambte, die Bender heette en een van de meest bekende vervolgers van Berlijnsche misdadigers was, schreeuwde, toen de auto, die niet snel genoeg tot stilstaan kon worden gebracht, tot den koetsier van het huurrijtuig, dat zij voorbijstoven:

„Blijf staan! In naam der wet!”

De koetsier, die wel inzag dat het een nuttelooze moeite zou zijn om niet te gehoorzamen, hield onmiddellijk de teugels van zijn paard in.

Op hetzelfde oogenblik sprong Raffles uit het rijtuig en verdween een seconde later in het eerste het beste huis.

Zoodoende had hij ongeveer twee minuten voor op zijn vervolgers, die eerst uit de auto moesten stappen, voordat zij hem konden nasnellen.

Raffles was langs de trap van het huis, dat vier verdiepingen telde, naar boven gevlogen en had met een kleinen looper de zolderdeur geopend.

Haastig sloot hij haar weer achter zich dicht en door een dakvenster klom hij naar buiten.

Hij snelde nu over de daken met evenveel gemak, alsof hij zich op den beganen grond voortbewoog.

De beambte van politie had zonder een oogenblik te aarzelen denzelfden weg genomen als de vluchteling.

Toen hij door het dakvenster naar buiten klom, zag hij, dat de Engelschman blijkbaar niet verder kon.

Met meesterlijke behendigheid snelde Bender langs den ongewonen weg, die over de daken leidde, voort, terwijl hij uitriep:

„Geef u over!”

Maar hij had moeten bedenken, dat Raffles tot dusverre nog door geen enkelen detective ter wereld gevangen genomen was.

De Groote Onbekende kwam naar den politiebeambte toe en Bender meende hieruit te mogen begrijpen, dat hij zich gewonnen gaf.

Maar voordat hij Raffles pols kon beetpakken, kreeg hij een vuistslag, die hem op het dak deed neertuimelen.

Bewusteloos bleef hij liggen.

Op dit oogenblik verscheen de pandhuishouder met eenige politie-agenten, die hij ter hulp had geroepen, eveneens op het dak.

Tevergeefs keek Lord Lister om zich heen, op welke manier hij zijn vlucht zou kunnen voortzetten.

Vóór hem ging de muur loodrecht naar beneden en had geen enkel steunpunt. Deze muur sloot aan een der zijden een binnenplaats af, die ongeveer tien meter breed kon zijn.

Op eenigen afstand hoorde hij reeds de stemmen van zijn nieuwe vervolgers.

Toen nam hij een overmoedig besluit.

Hij ging op zijn rug liggen en liet zich zoo langs het tamelijk steile dak aan den straatkant neerglijden tot in de dakgoot.

Voorzichtig kroop hij langs den rand, totdat hij aan de plek kwam, waar de waterpijp langs het huis naar beneden ging.

Eenige minuten bleef hij in geknielde houding in de goot liggen, daarop eerst liet hij zich langzaam afglijden langs den rand van het dak. Eindelijk hing hij geheel vrij, zich alleen met de handen aan de goot vasthoudend, boven de enorme diepte.

Om dit waagstuk uit te voeren, waren stalen zenuwen noodig.

Nu liet hij met de eene hand de dakgoot los en omklemde hiermede de naar beneden leidende looden waterbuis.

Op straat stonden eenige vrouwen naar de doldrieste klimpartij te kijken. Zij stieten luide kreten van ontzetting uit.

Intusschen was John Raffles ter hoogte van een balkon gekomen.

Maar tot zijn schrik bemerkte hij, dat het een onmogelijkheid [10]voor hem zou zijn, om dit te bereiken.

Het gemetselde balkon was op meer dan een meter afstands van hem verwijderd.

Hij durfde het ook niet te wagen met een zijner handen de goot los te laten, want hij had geen steunpunt voor zijn voeten en moest dus beide handen gebruiken om zich stevig vast te houden.

De Groote Onbekende doorleefde vreeselijke oogenblikken.

Zijn vingers weigerden bijna hun dienst tengevolge van het krampachtige vastgrijpen en reeds dacht hij niet anders te kunnen doen dan langs de pijp verder naar beneden te glijden, toen de deur van het balkon geopend werd.

Een man trad naar buiten, maar ging verschrikt achteruit, toen hij iemand boven zich zag hangen. (Zie het titelblad.)

Met een enkelen oogopslag begrijpend, in welken gevaarlijken toestand deze vermetele waaghals zich bevond, riep hij:

„Wacht een paar seconden, ik zal u helpen!”

Haastig snelde hij in de kamer terug, om dadelijk daarna met een waschlijn terug te komen.

Hij bevestigde het eene uiteinde aan het raamkozijn en bond zich toen het andere gedeelte om zijn lichaam.

Nu klom hij over den rand van het balkon, hield zich met de rechterhand vast en greep met de linker Raffles onder den arm beet.

„Laat u nu los!” riep hij.

De Groote Onbekende sprong, terwijl hij gebruik maakte van het hem aangeboden steunpunt, met een handigen zwaai op het balkon en eenige seconden later stonden de beide mannen tegenover elkaar in de kamer.

Lord Lister dronk haastig een glas water, om zijn zenuwen te sterken en sprak daarna, terwijl hij zijn redder de hand reikte:

„Gij hebt mij het leven gered, beste vriend, en ik ben ten allen tijde bereid, het mijne voor u te wagen.”

„Dat was een gevaarlijke toestand, waarin gij u zooeven bevondt! Wilt gij mij niet vertellen, hoe gij aan die waterpijp terecht zijt gekomen?

Uw waaghalzerij lijkt verduiveld veel op die van den dief en moordenaar Hennig.

Ik hoop niet, dat gij een dergelijk sujet zijt. Gij ziet er ten minste niet naar uit.”

„Zoudt gij mij geholpen hebben, als ik een dief-moordenaar ware geweest?” vroeg John Raffles.

„Wel ja, waarom niet. Het zou jammer zijn, als de rechters niets te doen hadden.”

„Nu, een moordenaar ben ik niet”, antwoordde Lord Lister, „ik ben Raffles!”

Met open mond en verbaasde oogen staarde de bewoner der balkonkamer den Grooten Onbekende aan. Daarop riep hij uit:

„Raffles? Zijt gij Raffles, de man, wien het gelukt is, de pandjesbazen te bedriegen?”

De ander knikte bevestigend.

Met uitgestoken hand vervolgde de hulpvaardige man:

„Laat mij u de hand drukken. Ik ben dubbel blij, dat gij het zijt geweest, dien ik ervoor heb kunnen bewaren om den nek te breken. Het zou meer dan jammer zijn, als gij op dit oogenblik daar beneden moest liggen met verbrijzelde hersenpan.

Maar ik begrijp nog steeds niet, hoe gij op die dakgoot zijt gekomen.”

„Heel eenvoudig, men achtervolgt mij,” antwoordde Raffles, „en er bleef mij geen andere keus over dan langs de goot en de waterpijp naar beneden te komen.

En ook hier zal ik niet veilig zijn.”

Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, toen op de gangdeur werd geklopt.

Beiden luisterden een oogenblik aandachtig.

„Daar zijn zij al!” fluisterde de groote onbekende.

De man, in wiens woning hij zich bevond, keek radeloos om zich heen.

„Gij zijt verloren. Ik weet geen enkel plekje, waar ik u voor de oogen der politie zou kunnen verbergen.

Wat zullen wij doen?

De beambten zullen de geheele woning doorzoeken.”

John Raffles keek aandachtig in de kamer rond en bemerkte, dat de keuken, waarvan de ramen op de binnenplaats uitkwamen, onmiddellijk aan het vertrek grensde.

De huisbewoner ging intusschen naar de deur en vroeg:

„Wie is daar?”

„In naam der wet, doe open!” klonk het op energischen toon.

„Een oogenblik, ik moet mij eerst even kleeden!” riep de bewoner van het huis, om tijd te winnen.

Opnieuw werd op de deur geklopt.

John Raffles had intusschen de waschlijn genomen en bevestigde deze aan het kozijn van het keukenvenster.

Nadat hij er zich van had overtuigd, dat niemand zich in de schemering op de binnenplaats bevond, sprak hij tot zijn redder: [11]

„Zoodra ik daar beneden ben aangekomen, moet gij het touw afsnijden. Kijk eens, mag ik u dit als schadevergoeding geven voor de onkosten van het touw?”

Hij wierp den man een banknoot van honderd mark toe en was in het volgende oogenblik verdwenen.

Het duurde slechts eenige seconden of reeds had de groote onbekende de binnenplaats bereikt en met een zucht van verlichting sneed zijn redder het touw los.

Lord Lister ving het op, rolde het haastig tot een kluwen en wierp dit in de vuilnisbak.

Daarop ging hij kalm en bedaard door de gang van het huis naar de straat, waar wel twintig menschen naar de ramen van het gebouw stonden te gapen.

Zij hadden hem daarboven zien hangen en wilden nu, met begrijpelijke nieuwsgierigheid, het verdere verloop van deze interessante zaak meemaken.

Zij waren het ook geweest, die tot den politiebeambte Bender, toen deze uit zijn bewusteloozen toestand was ontwaakt, van de straat hadden toegeroepen, langs welken weg de onbekende waaghals was gegaan.

Nu stonden zij nog steeds naar boven te kijken, hun halzen uitrekkend en in de vurige hoop, elk oogenblik te zullen vernemen, dat de vluchteling gegrepen was.

Zij letten in hun groote opgewondenheid niet op den man, die zich nu bij hen voegde en met even groote belangstelling als zijzelf het huis aankeek.

„Wat is daar boven gebeurd?” vroeg hij aan een vrouw, die vlak naast hem stond.

„Zij vervolgen een dief en moordenaar,” antwoordde het oudje, „het is een van de handlangers van Hennig. Langs de waterpijp heeft hij zich naar beneden laten glijden. Toen is hij een vreemde woning binnengedrongen. Nu, zij zullen hem wel gauw hebben.”

„Als hij maar niet schiet!” sprak een andere vrouw, die met de handen in de zij druk had staan redeneeren met een paar opgeschoten fabrieksmeiden, doch nu vond dat zij hier ook een duit in het zakje moest doen.

„Als hij maar niet schiet, want ik kan dat ellendige knallen niet verdragen!”

„Kom, kom, hij zal ons hier beneden niet raken,” stelde de oude vrouw haar buurtje gerust. „Denkt u ook niet,” wendde zij zich tot Raffles, „dat wij hier wel veilig staan?”

Deze antwoordde met eenige vriendelijke woorden en het oudje richtte den blik uit haar kleine, bruine oogjes weer naar boven.

Intusschen stonden de beambten van politie nog steeds voor de deur te wachten.

Maar de bewoner van het huis scheen het er op aan te laten komen, dat zij op gewelddadige wijze zich toegang verschaften.

En reeds stonden de dienaren der heilige Hermandad op het punt om de deur open te trekken, toen de man deze voor hen ontsloot.

„Waarom hebt gij niet eerder geopend?” vroeg Bender.

„Daarvan ben ik u in het geheel geen rekening en verantwoording schuldig! Dat gaat u niets aan, mijn waarde!” antwoordde de huisbewoner, die fabrieksarbeider was. „Vertoon mij, voordat gij hier verder zoo brutaal optreedt, eerst uw hondenpenning, opdat ik kan zien dat gij inderdaad het recht hebt op deze wijze mijn woning binnen te dringen.”

De beambte vertoonde zijn politiepenning, waarop de man hem liet binnenkomen.

„Bij u verbergt zich een misdadiger, dien ik vervolg.”

De fabrieksarbeider hield de hand aan zijn oor, alsof hij niet goed verstond wat de ander zei.

„Wat bedoelt gij? Misschien één van de wassen beelden, die uit het panopticum is weggeloopen?

Nu, ga uw gang dan maar, maar dat zeg ik u, dat gij elk meubelstuk weer precies zoo neerzet als gij het vindt!”

De agenten van politie doorzochten de geheele woning, terwijl de fabrieksarbeider met een spottend lachje naar hen keek.

„Zijt gij ook politie-agent?” vroeg hij den pandjesbaas, die in zenuwachtige onrust naast Bender stond.

De gevraagde keek den ander woedend aan.

„Probeer niet mij voor den gek te houden. Mijn naam is Löwenstein. Ik ben houder van een bank van leening.”

„Nee maar, die is goed! Die mijnheer voelt zich beleedigd, omdat ik hem aanzie voor een stillen agent van politie!

Neem hem maar dadelijk in hechtenis, heer wachtmeester, wegens beleediging van een beambte!”

Bender was zenuwachtig geworden.

Hij had de geheele woning doorgezocht, doch niets gevonden.

„Zijt gij nu haast klaar?” vroeg de fabrieksarbeider. „Misschien wilt gij de kraan van de waterleiding nog even opendraaien, daar kon hij wel eens uit te voorschijn komen, of misschien uit de kachel.”

„Ik heb met eigen oogen gezien en niet ik alleen, dat de misdadiger zich eerst op uw balkon en daarna in uw woning heeft begeven.” [12]

De fabrieksarbeider lachte.

„Welnu, dan moet hij ook nog hier zijn. Gij zult hem echter niet bij mij vinden.”

De beambte zag wel in, dat verder zoeken hier vruchteloos zou zijn en dat de vluchteling zich op de een of andere raadselachtige wijze uit de voeten had gemaakt.

„Ik wil u met genoegen een kleine aanwijzing geven,” vervolgde de fabrieksarbeider eindelijk, bij zichzelf overleggende, dat zijn beschermeling zich nu wel in veiligheid zou bevinden.

„Hebt gij in het Circus Busch wel eens den man gezien, die van een hoogte van veertig meter met het hoofd naar beneden naar omlaag springt?

Als gij dat nog niet hebt gezien, dan hadt gij dat genoegen een kwartier geleden bij mij kunnen hebben.

Het kereltje, dat gij zoekt, sprong als een aap, of liever als een vloo uit mijn keukenvenster, met een prachtigen zwaai precies in dien vuilnisbak daar beneden en weg was hij!”

Met een vloek verlieten de beambten de woning, terwijl zij op de trap nog het luide lachen van den fabrieksarbeider hoorden— —

Raffles had intusschen de schaar nieuwsgierigen verlaten en aan de eerste zijstraat een rijtuig genomen, waarmee hij zich naar de Linden liet brengen.

Bij den hoek der Wilhelmstraat betaalde hij den koetsier en te voet begaf hij zich naar een café, waar hij avondeten bestelde.

Toen hij op zijn gemak had gegeten, slenterde hij als een rondwandelend rentenier de Friedrichstraat langs naar zijn pension.

Hij lachte in stilte, als hij bedacht, welke gevaren hij had moeten trotseeren voor den lauwerkrans van den schouwburgdirecteur. [13]

[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

IN DE MISDADIGERSKROEG.

Het was reeds bijna elf uur in den avond en het gewone nachtleven van de Friedrichstraat had een aanvang genomen.

Op den hoek van de Schuttersstraat stond Lord Lister naar een kleinen volksoploop te kijken.

Toen hij er dichterbij kwam, zag hij, hoe een agent van politie een jong meisje bij den arm vasthield en haar wilde wegbrengen.

Eenige mannen met echte misdadigerstronies volgden den politiebeambte.

Toen deze zich op eenigen afstand van het samengeschoolde volk bevond, sprong plotseling een der mannen naar hem toe en sloeg hem met een looden stok den helm van het hoofd.

De agent liet het meisje los en wilde zijn wapen te voorschijn halen.

Voordat hij echter zoover kwam, had een ander der kerels, een groote, zwartharige man, die volgens zijn uiterlijk over reuzenkrachten moest beschikken, hem met een gummistok, dien hij uit zijn mouw te voorschijn haalde, een geweldigen slag op de hersens gegeven, zoodat de agent bewusteloos neerviel.

In het volgende oogenblik hadden de kerels het meisje beetgepakt en liepen met haar de Charlottenstraat door tot aan de Jonkerstraat.

John Raffles, die het interessant vond om eens het intieme leven der Berlijnsche misdadigers gade te slaan en te keren kennen, was hen gevolgd en zag, dat de mannen met het meisje in een kelderlokaal in de Jonkerstraat verdwenen.

Lord Lister begreep dadelijk, dat dit lokaal een misdadigerskroeg was.

Vol belangstelling daalde hij de donkere, smalle keldertrap af en keek eens rond in de vuile, verwaarloosde ruimte.

Aan ongedekte houten tafeltjes zaten jonge mannen met vrouwspersonen van verschillenden leeftijd; zij speelden kaart en dronken bier.

Van het jonge meisje en de drie mannen, die hij op straat had gezien, ontdekte Raffles echter niets.

Zij moesten zich in het andere vertrek bevinden, dat door een katoenen gordijn van het eerste was gescheiden.

De waard, die achter een toonbank, die zich dicht bij het katoenen gordijn bevond, glazen spoelde en bier tapte, nam Raffles met onderzoekende blikken op en wilde hem beletten, het achtervertrek binnen te gaan.

Maar een goed gekleed heer, die een cylinder op het goedverzorgde hoofd droeg, en die Raffles ook met een scherpen blik had opgenomen, wendde zich tot den waard en sprak, terwijl hij naar Raffles wees:

„Alles in orde!”

Dus begaf de Groote Onbekende zich naar het achterste vertrek.

De bezoekers, die zich daar bevonden, waren allen stamgasten van den boevenkelder, die hier geregeld bij elkaar kwamen.

Raffles zag, dat het meisje met de drie kerels in een hoek zat.

Schijnbaar toevallig ging hij ook naar die zijde van het vertrek, nam plaats op een der stoelen vlak bij het groepje en bestelde een flesch wijn bij den herbergier, die door zijn gasten nooit anders dan „Ratel-Max” werd genoemd, omdat hij altijd te veel sprak.

Alsof hij niet het minste belang stelde in hetgeen om hem heen voorviel, zoo begon Raffles zijn wijn te drinken.

Intusschen merkte hij op, dat de man met het zwarte haar, die het meisje uit de handen van den politieagent had gered, op driftigen toon tot haar sprak en blijkbaar iets van haar verlangde, waarmede zij het niet eens was.

De zwartharige, wiens kleeding betere dagen had gekend, maar toch van eenigen opschik getuigde, keek met zijn schuwe, fonkelende oogen woedend naar het meisje.

Plotseling sprong de jonge vrouw op en riep uit:

„Ik wil het niet langer doen. Ik heb je reeds twintig [14]keer gezegd, dat ik morgen een betrekking als dienstmeisje ga zoeken. Ik heb genoeg van het leven, elke hond heeft een beter bestaan dan ik.”

„Ik sla je alle ribben stuk! Is dat je dank, dat ik je uit de klauwen van dien politieploert heb gered?” klonk het brutale antwoord.

„Als jij me niet de straat op had gejaagd als een beest, om mij daar mijn schandelijk bedrijf te laten uitvoeren, zou ik niet in hechtenis zijn genomen.

Ik zeg je nu voor de laatste maal, laat mij met rust! Morgen verhuur ik mij als dienstmeisje.”

Bij het hooren van die woorden was de zwartharige kerel van zijn stoel opgesprongen.

„Je wilt dus niet meer werken voor je brood? Geen profijt trekken van je mooie snuitje? Ik zal je eens flink op je hersens trommelen, zoodat hooren en zien je vergaat.”

Het jonge meisje, dat een merkwaardig fijn en interessant kopje had, en in wier oogen een bijna kinderlijke naïeve uitdrukking lag, keek als om hulp zoekend om zich heen.

Maar aan alle kanten zag zij grijnzende hoonende tronies.

„Wil je doen, wat ik je beveel, of wil je dat niet?” brulde de zwartharige met gebalde vuist.

Met angstig afwerend gebaar hief het meisje, als om mededoogen smeekend, haar handen op en riep met een vastberadenheid, die Raffles niet bij haar had vermoed:

„Neen!”

Zij kroop weg voor de neerdalende vuist van den woesteling als een angstig vogeltje.

Maar voordat de vuistslag haar kon treffen, was een redder voor haar komen opdagen.

John Raffles was met een ruk van zijn stoel opgesprongen, had de vuist van den zwartharigen jongen man beetgepakt, zijn pols met een handige beweging omgedraaid en had den kerel tegen den muur gesmeten, waar hij met een harden plof neerviel.

Een woest geschreeuw weerklonk uit de monden der andere gasten van den boevenkelder.

Raffles had, onbevreesd voor alle dreigementen, die hem naar het hoofd werden geslingerd, het meisje bij den arm gegrepen en het naar zijn tafeltje gebracht.

„Vervloekte hond!” riep een van de makkers van den zwartharige, „dat zal je nog niet zoo glad zitten.”

De Groote Onbekende zag, dat de schreeuwer een scherp mes in de handen hield.

„Maak appelmoes van hem!” brulde een der anderen.

De zwartharige was weer opgesprongen.

Het witte schuim stond hem van woede op de lippen.

Maar hij had den moed niet, Raffles aan te vallen.

Hij had ontzag gekregen voor de kracht van dezen onbekende, die hem zooeven maar al te duidelijk was getoond.

Maar deze houding viel niet in den smaak der kroeggasten; zij begonnen hem voor den gek te houden.

„Wat!” schreeuwden zij, „de mooie Adolf durft den fijnen meneer niet aan! Wat een held!”

„Ik steek hem dood!” riep de zwartharige woedend en wilde zich met opgeheven mes op zijn vijand werpen.

John Raffles liet hem kalm naderbij komen. Hij hief niet eens zijn hand op om zich te verdedigen.

Alleen zijn ijskoude, scherpe blik scheen den ruwen kerel te willen doorboren.

Met een luiden gil wilde het jonge meisje haar beschermer behoeden voor een messteek van den misdadiger, maar Lord Lister weerde haar vriendelijk terug.

Brullend en schuimbekkend van woede hief de zwartharige den arm op om Raffles het mes in de borst te stooten, maar in het volgende oogenblik, nog voordat hij in staat was om zijn plan ten uitvoer te brengen, had Raffles hem een trap in de maagstreek gegeven, die hem als een bal door het lokaal deed rollen.

Deze nieuwe nederlaag van den makker maakte diens vriend bijna zinneloos van woede.

Als een krankzinnige stortte ook hij zich met opgeheven mes op Raffles, die nu een stoel opnam en met dezen zoo bliksemsnel om zijn hoofd rondzwaaide, dat het niemand mogelijk zou zijn geweest om hem te naderen.

Op dit oogenblik kwam de waard met den heer met den cylinder het lokaal binnen.

Eén der kerels, die toch nog de brutaliteit had, om op Raffles los te stormen, kreeg zulk een geweldigen slag met een stoelpoot, dat deze in splinters uit elkaar vloog en den aanvaller op den grond slingerde.

Dit was het teeken voor alle aanwezige gasten, om Raffles aan te vallen. Een waar oproer ontstond onder de aanwezigen.

Met stoelen en flesschen, bierglazen, messen en bordjes wilden de schavuiten den vreemdeling te lijf trekken. [15]

Op dit oogenblik kwam de waard tusschenbeide, hij plaatste zijn reusachtige, gespierde gestalte voor Raffles, haalde een revolver te voorschijn en schreeuwde:

„Als iemand van jelui lust heeft om een blauwe boon te krijgen, laat-ie dan maar opkomen!

Hier moet en zal rust heerschen!”

„Help dien spion naar de andere wereld! Sla den hond de hersens in!” klonk het als antwoord uit de menigte.

Als een bende wilde dieren, met de hoofden in de schouders, en oogen, die van wraaklust en bloeddorst fonkelden, stonden de kerels rondom Raffles en den waard.

„Gij vergist u,” riep de kastelein, „die man is geen speurhond of spion, hij is meer waard dan honderd van jelui met elkaar!”

„Hoe, ken je hem dan?” vroeg een roodharig jongmensch, „heb je soms met hem te zamen in de nor gezeten?”

„Dat juist niet,” antwoordde de waard, „maar als jelui vandaag het ochtendblad hadt gelezen, dat daarginds op tafel ligt, dan zou je zijn portret hebben gezien.

Die man is Raffles!”

Deze naam had een uitwerking, alsof olie op de woeste golven werd gegoten; de oogen, die zooeven nog schitterden van wraak en bloeddorstigheid, kregen een schuwe en nieuwsgierige uitdrukking.

De handen, die reeds voor den aanval waren opgeheven, zonken naar beneden en de wapens werden weggeborgen.

Nu vroeg Raffles op kalmen toon aan de aanwezigen:

„Wie van jelui nu lust heeft om mij te verraden, moet vlug naar den dichtstbijzijnden politiepost gaan, wie dat echter niet wil, dien noodig ik uit om een flesch wijn met mij te ledigen.”

De bende, die zooeven nog den grooten onbekende in stukken had willen scheuren, brak uit in een luid hoera.

Allen staken Raffles de hand toe en ieder van hen was er op gesteld een handdruk te krijgen van den beroemden en door hen allen zoozeer vereerden meesterdief.

Eenigen tijd daarna verliet Raffles het lokaal, nadat hij den waard honderd mark had gegeven als tegemoetkoming in de onkosten der gemaakte vertering.

Met zijn beschermelinge ging hij de Charlottenstrasse door. Daar het meisje netjes gekleed was, kon hij, zonder opzien te verwekken, een groot koffiehuis binnengaan.

Toen zij daar aan een tafeltje in een der hoeken hadden plaats genomen en het jonge meisje tijd had gehad om weer geheel op haar verhaal te komen, vroeg hij naar haar naam.

„Ik heet Elvira Manthé,” luidde het antwoord.

„Leven uw ouders nog?”

Een smartelijke trek vertoonde zich op het mooie gezichtje.

„Ik heb alleen een moeder gehad, maar zij is een jaar geleden gestorven. Wij voorzagen samen in ons onderhoud door het naaien van linnengoed.

Na den dood van moeder verloor ik mijn werk in het groote magazijn, omdat de chef meer van mij verlangde, dan ik hem als fatsoenlijk meisje kon toestaan.

Toen werd ik ziek en had geen werk meer.

Eenigen tijd later leerde ik een jongen man kennen, die mij door mooie woorden en bedreigingen maakte tot dat, wat ik nu ben.

Maar zooals gij zelf hebt gehoord, ik wil dit leven niet langer leiden. Ik wil trachten als dienstmeisje mijn brood te verdienen.”

Het was de gewone geschiedenis, zooals bijna al deze ongelukkige schepsels doormaken.

„En leeft uw vader nog?” vroeg Raffles.

„Zeer zeker,” antwoordde het jonge meisje, „en ik ben uit papieren, die mijn moeder heeft nagelaten, te weten gekomen, dat hij een der aanzienlijkste inwoners van Berlijn is en in een villa in het Grunewald woont.”

Raffles spitste de ooren.

Nu begon de zaak belangwekkend te worden.

„Hebt gij uw vader wel eens opgezocht?”

„Ja, kort na moeders dood!”

„En wat antwoordde hij u?”

„Hij wees mij de deur en zei, dat mijn moeder waarschijnlijk wel meer minnaars zou hebben gehad dan hem en dat het in ’t geheel niet vaststond, dat hij mijn vader was.

Ik zelf echter merkte, zoodra ik hem zag, dat wij zeer veel op elkaar gelijken.”

„Heeft deze beschuldiging eenigen grond?” vroeg Raffles. „Antwoord mij onomwonden. Gij kunt mij gerust uw volle vertrouwen schenken.”

Het jonge meisje bloosde.

Eerst zweeg zij eenige oogenblikken, maar toen haar blik viel op het nobele, eerlijke gelaat van den man, die zijn leven voor haar had gewaagd, antwoordde zij:

„Mijn moeder had destijds, zooals zij mij heeft verteld, [16]uit wanhoop getracht, iemand voorgoed aan zich te binden, opdat zij niet ongetrouwd zou blijven en haar kind een vader zou hebben.

Daarom had zij toen verschillende minnaars.”

De oogen van den Grooten Onbekende schitterden, wat altijd het geval was, als hij bliksemsnel een plan maakte voor een van zijn groote werken.

„Kent gij de adressen van die heeren?”

„Ja”, fluisterde het meisje, „ik ben in het bezit van brieven van hen allen, welke ik vond in de nalatenschap mijner moeder. Het zijn allen voorname lieden.

Er is een professor uit Charlottenburg bij, een advocaat, die in de Friedrichstrasse woont, een dokter, een bankier en een predikant en dan in Grunewald.…”

Raffles kon niet nalaten, in een hartelijk lachen uit te barsten.

„Maar kind,” riep hij uit, „dan hebt gij een zeer ingewikkeld vaderschap. U kan het nooit slecht gaan in de wereld. Een dokter, een bankier, een advocaat, een dominee, en een hooggeleerd professor. En wat is de heer die in het Grunewald woont?”

„Minister!”

„Dus ook nog een minister! Wel, wel, de voorzienigheid heeft het goed met u voor gehad, uw weg zal langs rozen gaan”.

Het jonge meisje begreep niet, waarom haar beschermer lachte. Zij meende, dat hij zich ten koste van haar amuseerde en eene bedroefde uitdrukking verscheen op haar bleek gelaat, toen zij sprak:

„Het is heel treurig voor mij, dat, waarom gij lacht.”

De groote onbekende streelde geruststellend haar hand en antwoordde:

„Neen mijn kind, het is in het geheel niet treurig voor u, maar integendeel voor u zoo voordeelig mogelijk. Er was alleen een mensch noodig zooals ik ben, om u de voor u gesloten geldbeurzen te openen, en dat zal ik doen zoo waar ik Raffles heet. Ik zal die zaak voor u in orde brengen.

Ik zie nu, dat ge vermoeid zijt, en daarom wil ik u een voorstel doen. Waar woont ge?”

De tengere gestalte van het jonge meisje beefde bij deze vraag.

„In de Invalidenstraat,” sprak zij. „Maar ik kan daarheen niet terugkeeren. Hij zou mij daar vinden en de kostjuffrouw, een oude hartelooze koppelaarster, is zijne vriendin. Ik zou dan onmiddellijk weer in zijn macht zijn.”

„Dat veronderstelde ik reeds,” antwoordde Raffles, „en daarom zal ik u onder dak brengen in een fatsoenlijk hotel.”

„Maar ik heb geen geld,” antwoordde het meisje.

„Ik echter wel,” antwoordde Lord Lister lachend, „gij zult mij zeker wel toestaan, mejuffrouw, dat ik voorloopig alles betaal totdat gij het mij terug kunt geven.

Kijk eens, neem alvast deze honderd Mark.”

Hij opende zijn beurs en drukte haar, zonder dat de andere aanwezigen het merkten, een biljet van honderd Mark in de hand.

Zij bloosde opnieuw.

„Ik kan dat geld niet aannemen, want ik weet niet, wanneer ik het u terug kan geven.”

Raffles lachte.

„Pijnig daarmee uwe hersens niet. Uwe vaders zullen u het geld verschaffen.

Maar laat ons nu gaan! Gij begrijpt zeker wel dat ik het goed met u meen. Ik verwacht dus van u, dat gij mij wel zult willen gehoorzamen.”

Hij betaalde, hielp haar haar mantel aantrekken, nam op straat een rijtuig en bracht haar naar een rustig, hotel aan het Potsdammer Plein.

Hij zelf huurde daar een eenvoudige kamer, nam afscheid van haar en beloofde, dat hij haar den volgenden dag tegen den middag zou komen opzoeken.

Raffles echter had zich naar zijn kamer in het pension begeven en dacht er lang over na, in welke vreemde omstandigheden het toeval hem had gebracht.

Voordat hij insliep had hij een plan vastgesteld, en toen hij daarover nadacht, moest hij weer hartelijk lachen, omdat de zaak hem bijzonder grappig voorkwam. [17]

[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE MINISTER.

Minister von Jensen, een vijftigjarig heer met verboemeld uiterlijk, zat in de studeerkamer van zijn weelderig ingerichte villa in het Grunewald, en was bezig brieven te schrijven.

Hij hoorde bijna niet het kloppen van zijn kamerdienaar, die binnentrad en hem een visitekaartje overhandigde.

Vluchtig las hij het kaartje, dat een wapen droeg en waarop gedrukt stond:

Graaf di Salvatore,
Pauselijk geheim kamerheer.

Dadelijk stond de minister op en sprak tot den bediende:

„Breng den graaf in het salon, ik kom onmiddellijk.”

Daar hij een zeer ijdel mensch was, bracht hij voor een spiegel zijn toilet en haar in orde, draaide zijn snor op en trad daarna het salon binnen.

Een buitengewoon voornaam gekleed heer, die misschien veertig jaar kon tellen, stond bij zijn binnenkomen op, maakte een korte buiging en mompelde zijn naam.

„Waarmee kan ik u van dienst zijn, heer graaf?” vroeg de minister, terwijl beide heeren op de met zware damastzijde overtrokken stoelen plaats namen.

De graaf bestudeerde met een gelegenheidsgezicht zijn onberispelijke parelgrijze handschoenen en antwoordde:

„Ik ben tijdelijk eerevoorzitter van de Internationale vereeniging ter verspreiding der zedelijkheid.

Wij hebben het plan om uwe Excellentie, in verband met uwe uitstekende reputatie, tot eerelid te benoemen, en wij hopen, dat gij het zegenrijke werk van onze vereeniging door uwe toetreding tot het eerelidmaatschap zult willen ondersteunen.

De eereleden van onze vereeniging worden telken jare aan verschillende Europeesche vorsten ter decoratie voorgedragen.”

De oogen van den minister schitterden toen hij deze openbaring hoorde.

Hij was, evenals veel menschen, welke hooge betrekkingen bekleeden, zeer eergierig, en inplaats van de aanvankelijke koele houding, die hij tegenover den graaf had aangenomen, riep hij nu een allerbeminnelijkst glimlachje op zijn gelaat te voorschijn en sprak:

„Ik ben u zeer dankbaar voor de eer, lid van uwe vereeniging te mogen worden, ik verzoek u beleefd de formaliteiten, die daaraan verbonden zijn te willen uitvoeren.”

De graaf maakte een buiging en haalde uit zijn borstzak een document te voorschijn, dat hij openvouwde en den minister voorlas.

Het was van den volgenden inhoud:

„Hiermede verklaar ik aan den graaf di Salvatore, eerevoorzitter van de Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het lidmaatschap erken.”

De minister dacht eenige oogenblikken na en vroeg:

„Brengt dit lidmaatschap bepaalde verplichtingen met zich mee?”

De graaf glimlachte.

„Alleen die plichten, welke ieder nobel denkend mensch uit eigen overtuiging heeft te vervullen.

Geldelijke opofferingen uwerzijds zijn niet noodzakelijk. De kas onzer Vereeniging wordt in stand gehouden door liefdadige inzamelingen en collecten.”

„Mag ik u vriendelijk verzoeken, mij naar mijn studeerkamer te willen volgen?”

De minister ging den graaf voor naar zijn werkkamer.

Toen zij daar binnenkwamen, had de bediende juist de laatst aangekomen post op de schrijftafel gelegd.

Bovenop den stapel brieven lag een enveloppe met een zegel, dat de graaf, zonder dat de minister het bemerkte, met scherpen blik bekeek. [18]

De graaf zag, dat het stuk afkomstig was van het Fransche departement van oorlog.

De minister nam aan zijn schrijftafel plaats, las het hem zooeven overhandigde document nogmaals door en onderteekende het.

Hierna babbelden beide heeren nog een poosje onder het genot van een fijne sigaar, toen geleidde de minister zijn voornamen bezoeker persoonlijk naar beneden tot aan den uitgang der villa, waar een auto stond te wachten.

Nogmaals drukten zij elkaar vriendschappelijk de hand, daarop reed de graaf heen.

Zoodra hij in zijn auto wegsnorde, lachte hij luidkeels.

Hij haalde het document te voorschijn, bekeek nogmaals de onderteekening en mompelde:

„Gij zijt leelijk in de val geloopen, Uwe Excellentie! Hier heb ik duidelijk en klaar uw onderteekening onder een document, waarin gij jegens mij, den vermeenden eerevoorzitter der Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid, het vaderschap over uw buitenechtelijke dochter erkent.

Binnen eenige uren zal het woord lidmaat, dat ik met mijn geheimen inkt heb geschreven, verdwenen zijn en in plaats daarvan met den inkt, waarmede ik de rest van het document schreef, het woord „vader” komen te staan.

Zoodoende luidt dan de inhoud van het stuk dat gij uw vaderschap erkent.

Ik heb ervoor gezorgd dat boven uw onderteekening plaats genoeg is open gebleven, om er nog een kleinigheid aan toe te voegen en wel den volgenden zin:

„Ik verplicht mij, mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira Manthé, voortaan volgens de eischen van mijn stand te onderhouden”.

En nu zal ik mijnheer den professor gaan opzoeken.”

Het was niemand anders dan Raffles, die den Minister op deze wijze de door hem opgestelde verklaring had laten onderteekenen.

Met den professor had hij een gansch ander plan.

Deze was een bejaard heer van ruim zestig jarigen leeftijd en, naar John Raffles vernam, zeer angstig van natuur.

Hij scheen bovendien, zooals Raffles op een informatiebureau te weten kwam, diep in de schulden te steken,

Hier viel dus niets te halen voor zijn beschermelinge, hoogstens een naam.

Maar toch wilde Raffles in elk geval van ieder der heeren in het belang van het jonge meisje zooveel mogelijk partij trekken.

Hij sprak tot den professor:

„Ik ben een Amerikaan en heb een zuster gehad, die hier woonde en in wier nalatenschap ik eenige brieven vond.

Hierin doet gij haar de schoonste en welsprekendste liefdesverklaringen, en ik neem dus aan, dat het u wel degelijk ernst is geweest, mijn zuster te trouwen.

Gij hebt dit echter niet gedaan. Wel! Mijn zuster liet een dochter achter en deze beweert, dat gij haar vader zijt. Wilt gij dit bekennen?”

Den professor stond het klamme zweet op het voorhoofd.

Hij beefde over al zijn leden en fluisterde:

„Spreek zacht, opdat mijn vrouw, die zich in de kamer hiernaast bevindt, niets hoort. Ik weet niet, welke dame gij bedoelt. Meent gij soms Marie?”

De oude heer zag er niet meer uit als een Adonis, maar hij scheen nog steeds den Don Juan te spelen.

John Raffles moest hartelijk lachen.

„Dat zal u wel hetzelfde zijn bij den grooten voorraad dameskennissen, welke gij bezit, heer professor.

Gij moet mij een briefje ter hand geven, waarin gij verklaart, de vader te zijn van mejuffrouw Elvira Manthé”.

„Is de juffrouw—ik bedoel, het kind—ik bedoel de jonge dame … al volwassen?”

„Ja zeker, heer professor. De jonge dame heeft den aanvalligen leeftijd van 22 jaar bereikt en verlangt niets liever dan den naam van haar vader te mogen aannemen.

En daartoe heb ik uw verklaring noodig.”

„Om Godswil,” zuchtte de professor, „als mijn vrouw dat eens te weten kwam! Ik heb zelf zes kinderen en moet nog voor verscheidene andere zorgen.”

„Gij zijt een bijzonder net heerschap! Maar enfin, dat is uw zaak. Maak u verder niet ongerust over geldelijke aangelegenheid, waar het mijn nicht betreft, op dat gebied zullen wij u nimmer lastig vallen.”

Bij het hooren van deze woorden klaarde het gelaat van den professor merkbaar op.

„Dan is het goed. Ik dacht, dat gij mij om geldelijken steun zoudt komen vragen. Maar ik bezweer u, dat ik tot over mijn ooren in de schulden zit en dat [19]ik nauwelijks weet, hoe ik al mijn verplichtingen na zal komen.”

„Hoe hoog is uw inkomen, als ik vragen mag?”

„Zesduizend Mark per jaar.”

„En hoeveel kinderen onderhoudt gij daarvan?”

„Zes kinderen, drie jongens en drie meisjes en bovendien nog, in vertrouwen gezegd, betaal ik voor drie andere.”

Raffles lachte.

Die man beviel hem wel. Hij was in elk geval openhartig en eerlijk.

„Ik twijfel geen oogenblik aan uw woorden, heer professor en om u te bewijzen, dat ik uw eerlijke principes huldig, dat ik uw fatsoenlijk optreden respecteer en eerbied voor u heb, omdat gij u zoo dapper heenslaat door de omstandigheden, die gij aan uzelf hebt te danken, ben ik zoo vrij om u uit naam van uw voor u onbekende dochter een bedrag van 5000 Mark te geven als bijdrage in de onkosten der opvoeding van haar zusters en broers.”

De professor wist niet of hij waakte of droomde.

Het kwam hem voor, alsof hij in een draaimolen zat.

Met wijd geopende oogen staarde hij naar het bankpapier, dat Raffles op de schrijftafel voor hem uittelde.

Opeens sprong de grappige oude heer op en voordat Raffles het kon beletten, omhelsde hij dezen, terwijl hij uitriep:

„Gij zijt de beste mensch, dien ik ooit heb leeren kennen. Ik heb altijd gezegd: hoe meer kinderen hoe meer zegen. Geef hier, ik zal het document onderteekenen, zooals gij het wenscht. Ik ben ten allen tijde, bereid om voor een dochter, die mij op zoo onbekrompen wijze ondersteunt, te doen, wat in mijn vermogen is.”

John Raffles maakte nu een eind aan het onderhoud en verliet, 5000 Mark armer, de woning van den professor.

Maar hij gevoelde, dat hij het geld niet aan onwaardige handen had toevertrouwd. De man zag er niet naar uit, alsof hij het op verkeerde wijze zou uitgeven.

Nu begaf hij zich naar den advocaat in de Friedrichstrasse.

Daar maakte hij kennis met een geheel ander soort mensch.

Ook deze was iemand van diep in de vijftig, maar hij had het type van een echten zwierbol.

Met ironischen blik monsterde hij den grooten onbekende door zijn monocle, toen deze hem vroeg, of hij zich zijn verhouding van twintig jaar geleden nog herinnerde met de moeder van mejuffrouw Elvira Manthé.

„Wel neen”, antwoordde hij op onverschilligen toon, „ik zou wel een hoofd als een ijzeren pot moeten hebben, als ik mij nog alle vrouwen herinnerde, met wie ik een relatie heb gehad.

Wat wil die dame van mij? Wil zij mij soms aansprakelijk stellen voor het een of ander?”

De advocaat maakte een beweging alsof hij geld uitbetaalde.

„Geenszins,” antwoordde de bezoeker, „integendeel, zij is overleden en heeft door een gelukkig toeval jaren geleden een hoofdprijs in de loterij gewonnen.

Het erfdeel, dat de dame heeft nagelaten—ik ben de uitvoerder van het testament—moet op zekere voorwaarde aan u worden ter hand gesteld.”

Nu liet de advocaat zijn monocle uit zijn oog vallen en met een blik vol hebzucht keek hij den spreker aan.

„Hoeveel bedraagt het?”

„250,000 Mark”.

„Drommels!” riep de oude boemelaar uit, „als die voorwaarde niemand het leven kan kosten, zal ik er aan voldoen.”

John Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen sprak hij:

„Ik heb naar u geïnformeerd, heer advocaat en vernomen, dat gij getrouwd zijt met een dame, die meerdere millioenen bezit en dat gij geen kinderen hebt.

Het verbaast mij, dat een voor u zoo gering bedrag u zoodanig interesseert.”

„Neem mij niet kwalijk, 250,000 Mark is geen kinderspel, die kan men altijd gebruiken.

Hoe luidt de voorwaarde? Ik ben bereid aan deze te voldoen.”

„Niet anders, dan dat gij de dochter van uw toenmalige geliefde als uw kind erkent en haar na uw dood als uw erfgename laat optreden.

Wilt gij hieraan voldoen?”

De advocaat klemde zijn monocle weer in zijn oogholte.

„Maar dat spreekt van zelf!

Een dochter, die iemand 250,000 Mark meebrengt, neemt men desnoods elken dag aan!

Als gij het wenscht, zal mijn compagnon, die [20]notaris is, deze overeenkomst onmiddellijk officieel opmaken.”

„Uitstekend”, antwoordde Raffles, „het is het beste om de aangelegenheid dadelijk in orde te maken”.

Een half uur later was aan de formaliteiten voldaan.

Toen Raffles met het document wilde vertrekken, vroeg de advocaat:

„Wanneer hoor ik nader over deze zaak?”

„Reeds over een paar dagen.”

„En wanneer wordt mij het geld uitbetaald?”

„Nadat gij aan uw verplichtingen jegens uw dochter hebt voldaan!”

Met verbaasde blikken vroeg de advocaat:

„Aan welke verplichtingen?”

„Gij zijt uw dochter de kosten verschuldigd voor haar levensonderhoud tot op haar 21e jaar. Gij weet zelf zeer goed, dat de wet dit voorschrijft!”

„Vervloekt!” riep de advocaat uit, „dat hadt gij mij wel eerder kunnen zeggen, aan die bijomstandigheid had ik niet gedacht.”

„Maar ik wel, mijnheer”, antwoordde Raffles, „en ik denk niet dat gij er goedkoop af komt.

Mijn tijd is heden beperkt en het verdere zal mijn advocaat u wel mededeelen.”

Toen Raffles de huisdeur achter zich hoorde dichtvallen, kwam een vroolijke lach op zijn gelaat;

„Mijnheer de advocaat zit in de klem!”

Nu begaf hij zich naar den bankier.

Ook deze was een oude zwierbol.

„Ik ben van plan, uw dochter te trouwen,” sprak Raffles tot hem.

„Wat zegt gij daar?” riep de bankier uit. „Mijn dochter? God moge mij straffen, als ik een dochter bezit. Zijt gij krankzinnig?”

„Ik hoop het niet”, antwoordde de bezoeker. „Ik ben, evenals gij, mijnheer, ook bankier, maar kom uit Engeland. Ik bezit Australische en Amerikaansche goudmijnen. Men schat mijn vermogen op twee millioen pond sterling.

Ik zou wel genegen zijn, uw zaak met de mijne te vereenigen, als gij, naar ik u zooeven zeide, mij uw dochter tot vrouw wilt geven.”

De bankier antwoordde lachend:

„Wilt gij mij voor ’t lapje houden? Ik zweer u, dat ik geen dochter heb. Het spijt mij intusschen zeer, een man als gij zijt, niet tot schoonzoon te kunnen krijgen. Maar gij moet u in het adres vergist hebben.”

„Ik vergis mij nooit en ik zou op het oogenblik niet bij u zijn, als gij niet inderdaad in het bezit waart van een dochter.

Herinnert gij u niet, dat gij twintig jaar geleden in een zekere verhouding hebt gestaan tot een juffrouw Manthé?”

„Een actrice?”

„Dat weet ik niet”, antwoordde Raffles.

De bankier dacht na en Raffles zag, dat hij zich plotseling iets herinnerde.

„Ja juist!” riep hij uit, „een mooi meisje. In een confectiezaak werkzaam. Maar hoe weet gij dat? Ik herinner het mij nauwelijks nog.”

„Uit de brieven, die gij haar hebt geschreven en van uwe dochter.”

Nu werd de bankier zenuwachtig.

„Ik verzeker u nogmaals, dat ik geen dochter heb. Of zou soms— — —”

„Ja”, antwoordde Raffles. „Zoo is het. Misschien begrijpt gij mij nu, als ik zeg, dat gij een dochter bezit. En die dochter heb ik leeren kennen, ik wensch haar te trouwen, op voorwaarde echter, dat gij het arme meisje eindelijk dat geeft, waarop zij recht heeft, uw naam!”

„Wilt gij haar inderdaad huwen?”

„Anders zou ik hier niet voor u staan.”

„En gij wilt uw zaak met de mijne associeeren?”

„Zeer zeker.”

„Prachtig!” lachte de bankier. „Ik zoek reeds lang naar goede relaties in Engeland. Ik ben bereid, het meisje als mijn dochter te erkennen. Hoe kan die zaak geregeld worden?”

„Bij een notaris. En daar ik morgen voor de verdere afwikkeling der aangelegenheid naar Londen moet, zou het het beste zijn, als wij er dadelijk werk van maakten.”

„Afgesproken”, sprak de bankier, zette zijn cylinder op en begaf zich met Raffles naar zijn notaris, waar de noodige papieren in orde werden gemaakt.

Ook met dit document in den zak ging hij nu zijn beschermelinge opzoeken en met een vroolijk lachje sprak hij tot haar:

„Nu hebt gij de keus, mijn lieve juffrouw, hoe gij wilt heeten. Gij kunt kiezen uit vier vaders.

Voor alles zullen wij ons door middel van een advocaat in verbinding stellen met den minister, dien ik inderdaad voor uw vader houd.”

Onderweg ging Raffles een telegraafkantoor binnen [21]en seinde zijn vriend Charly Brand, onmiddellijk naar Berlijn te komen.

Toen de notaris het document had gelezen, dat John Raffles reeds in den vereischten vorm had opgesteld, sprak hij:

„De minister zal ongetwijfeld het proces verliezen. Ik zal hem dadelijk schrijven en van hem eischen, zijn verplichtingen na te komen door aan mij een bedrag te zenden van 20.000 dollars, zijnde de tot dusverre verschuldigde kosten voor levensonderhoud der jonge dame.”

Het speet Raffles, dat hij het lange gezicht van den minister niet kon zien, als deze het schrijven zou ontvangen.

Het geschiedde, zooals Raffles dit had verwacht.

In een onbeleefden brief weigerde de minister iets te betalen voor een hem geheel vreemd en onbekend persoon, in dit geval de voorgewende onechte dochter.

Er bleef dus niets anders over, dan een proces tegen den man te beginnen.

Veertien dagen later had de eerste termijn plaats.

John Raffles, die zich vermomd had en den indruk maakte van een zestigjarig heer, was in de rechtszaal aanwezig, om zich te overtuigen van den indruk, dien het document zou maken.

De minister wilde reeds den eed afleggen, toen de pleitbezorger den rechter het document overhandigde met de woorden:

„Zijne Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben. Ik ontving dit document van den voorzitter der Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid. Herinnert gij u dien heer, Excellentie, of ontkent gij misschien hem te hebben ontmoet?”

„Welneen,” antwoordde deze, „ik ben er trotsch op kennis met hem te hebben gemaakt.”

„Zoo, zoo,” glimlachte de rechter. „Is dit uwe handteekening, mijnheer?”

De minister keek naar het papier en herkende het onmiddellijk.

„Zeker, dat is mijn handteekening, mijnheer de voorzitter.”

„Kan die onderteekening door niemand anders geschreven zijn?”

„Onmogelijk, ik zelf zette ze eenige weken geleden.”

„Dan begrijp ik niet,” sprak de rechter, „waarom gij nog blijft ontkennen.

Hier in dit document staat het volgende te lezen:

„Hiermede verklaar ik aan graaf di Salvatore, eerevoorzitter van de Vereeniging ter Bevordering der Zedelijkheid, dat ik het vaderschap erken.

Ik verplicht mij mijn buitenechtelijke dochter, mejuffrouw Elvira Manthé, voortaan volgens de eischen van mijn stand te onderhouden.”

Toen de rechter zweeg, gleed over de gezichten der aanwezigen, behalve dat van den minister een glimlach.

De beklaagde was eerst rood en daarna bleek geworden.

„Men heeft mij bedrogen!” riep hij uit, „ik zette mijn handteekening op een stuk, dat een anderen inhoud had.”

De rechter en de andere ambtenaren keken den beklaagde met spottende blikken aan.

„Het is toch niet aan te nemen,” sprak de rechter, „dat een man van uw positie iets zal onderteekenen, waarvan hij den inhoud niet eerst nauwkeurig heeft doorgelezen.

Of wilt gij misschien beweren, dat dit stuk vervalscht is?”

„Ja”, antwoordde de minister, „het moet vervalscht zijn.”

De rechter bekeek het document met alle aandacht, maar niet het geringste spoor was te ontdekken, niets wees op een vervalsching.

De rechter liet de beschermelinge van Raffles, de onechte dochter, voor zich komen.

Iedereen werd getroffen door de opvallende gelijkenis tusschen het jonge meisje en beklaagde.

De rechter nam deze omstandigheid te baat en op Elvira Manthé wijzend, sprak hij:

„Uwe Excellentie schijnt een slecht geheugen te hebben waar het documenten betreft, maar dit levende bewijs, dat hier voor u staat, en dat gij eveneens betwist, bewijst ons allen zeer duidelijk, dat het evengoed van den minister afkomstig is als het geschreven stuk.”

„Ik erken niets van dit alles!” riep de beklaagde opnieuw uit.

Met welwillenden blik keek de oude, ervaren rechter naar het jonge meisje.

Daarop sprak hij het vonnis uit: de eischeres werd in het gelijk gesteld en de minister veroordeeld, om aan zijn buitenechtelijke dochter een jaarlijksche toelage voor haar levensonderhoud uit te betalen ten bedrage van 3000 Mark.

Hiermede was het proces afgeloopen, en ziedend van woede stormde de man, die na zooveel jaren eindelijk [22]ter verantwoording was geroepen, de gerechtszaal uit.

Vervuld van innige dankbaarheid, wilde het jonge meisje, toen zij met Raffles in een rijtuig wegreed, hem de handen kussen.

Maar hij verhinderde haar dit en sprak:

„Het is de plicht van iederen mensch om zijn naaste behulpzaam te zijn zooveel hij kan.”

Reeds den volgenden dag ontving de advocaat van het meisje een brief van den minister, waarin deze hem een minnelijke schikking voorstelde en een bedrag ineens van 20,000 Mark aanbood.

John Raffles, die den advocaat dienzelfden avond in het consult-uur een bezoek bracht, zei, toen hij den inhoud van den brief had vernomen:

„Vraag 50,000 Mark en bovendien aanspraak op een gedeelte der nalatenschap; gij zult zien, dat de minister daarop ingaat.” [23]

[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

EEN INBRAAK.

Den volgenden avond kwam Charly Brand te Berlijn aan.

John Raffles haalde hem van het station, gekleed in de uniform van een zee-officier.

Het was reeds over negenen, toen Lord Lister het station bij den Dierentuin bereikte.

Charly Brand die, gehoorzaam het telegrafische bevel, dat Raffles hem had gezonden, daar uitstapte, liep zijn vriend achteloos voorbij en verschrikt keek hij om, toen men hem plotseling op den schouder klopte.

„Hallo! Charly! Waar ga je zoo haastig naar toe? Herken je je ouden vriend en leermeester niet eens meer?”

Met een verbaasd gelaat keek de jonge man den marine-officier aan.

Maar nu herkende hij hem en met een stevigen handdruk sprak hij:

„Heb je voor uitbreiding van de Duitsche zeemacht gezorgd?”

„Ja”, antwoordde Raffles lachend, „en ik verzeker je dat ik, als ik admiraal was, in een enkelen nacht de mooiste oorlogsschepen van Engeland uit de havens zou stelen.”

„Is er iets belangrijks voorgevallen, dat je mij uit Londen hebt teruggeroepen?”

„Ik heb verschillende dingen beleefd. Ik vond bijvoorbeeld een jong meisje, dat vijf vaders heeft en een minister, die heden werd veroordeeld om haar vader te zijn.

Ter wille van dien man heb ik je hierheen laten komen.”

Al pratende waren zij uit het stationsgebouw naar buiten gegaan en daar Charly Brand geen zware bagage bij zich had, alleen een klein handtaschje, gingen zij een café in de buurt binnen om daar hun gesprek voort te zetten.

„Bij dien minister,” vertelde Raffles, „heb ik een ontdekking gedaan, die mij verschillende dingen laat vermoeden, waarvan ik graag meer zou willen weten.”

„Wat heb je daar ontdekt?”

„Wij zullen er ons vannacht samen eens van gaan overtuigen. Maar eerst zullen wij in den omtrek van het station een paar kamers in een hotel huren, opdat jij rust kunt nemen en met mij aan den arbeid gaan.”

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Tegen twee uur verlieten zij het hotel.

Zij vertelden den portier, dat zij van het Berlijnsche nachtleven wilden profiteeren.

Deze glimlachte geheimzinnig en vond dat zeer begrijpelijk.

Hij verstrekte hun zelfs een paar adressen van dansgelegenheden, waar zij zich kostelijk zouden amuseeren.

John Raffles bedankte den man, nam dicht bij het hotel een auto en reed naar het Grunewald.

In de buurt van de Hagenstraat, waar zich de villa van den minister bevond, liet Raffles de auto stilhouden, hij stapte met Charly uit en beval den chauffeur, wien hij 40 Mark ter hand stelde, daar geduldig te wachten.

„Met alle genoegen”, sprak de motorbestuurder op vergenoegden toon.

Daarop ging het tweetal de stille, rustige villastraat in, waar zich op dat uur niemand op straat vertoonde.

Alle vensters van de villa van den minister waren donker.

Door zacht te fluiten overtuigde de Groote Onbekende zich ervan, dat er zich geen wachthond in of bij het huis bevond.

Een hoog ijzeren hek scheidde den voortuin der villa van de straat. Hier klommen zij over en samen begaven zij zich naar den achterkant van het gebouw.

Raffles, die een klein, bruin handtaschje droeg, opende dit en haalde er een kunstig bewerkte zijden [24]ladder uit te voorschijn, aan welks uiteinde een ijzeren haak was bevestigd.

Dat met ijzer bezwaarde eind slingerde hij nu met groote behendigheid naar een balkon op de eerste verdieping en werkelijk bleef de ijzeren haak in het hek van het balcon vastzitten.

Door meerdere malen eraan te trekken, beproefde hij, of de ladder stevig genoeg vast zat, waarna beiden als katten naar boven klommen en eenige oogenblikken later stonden de twee mannen op het balkon.

Een poosje bleven zij daar luisterend staan.

Maar alles bleef rustig in huis.

Niemand had eenig geluid vernomen.

Nu opende Raffles met behulp van een kleinen looper de balkondeur en zij traden het vertrek binnen.

Bij het licht van een kleine electrische zaklantaarn zagen zij, dat zij zich in de eetkamer van den minister bevonden,

„Volg mij”, fluisterde Raffles tot zijn vriend. Daar hij zich bij zijn eerste bezoek goed georiënteerd had, viel het hem niet moeilijk, den weg te vinden.

Nadat zij verscheiden kamers waren doorgeloopen, bevonden zij zich in de studeerkamer van den minister. Zijn slaapvertrek moest een verdieping hooger liggen en daardoor had de Groote Onbekende het voordeel, ongestoord te kunnen werken.

Met een smal breekijzer opende Raffles de schrijftafel, maar hij vond niets, dat voor hem eenige waarde kon hebben.

Daarop ging hij naar de kleine brandkast, die in een hoek der kamer stond.

Hij boorde rondom het slot gaten en kon zoodoende eindelijk met weinig moeite het slot indrukken.

Op dezelfde wijze brak hij ook de binnendeur open.

Charly Brand, die zijn vriend hielp, gaf dezen plotseling een waarschuwend teeken.

Dadelijk werd het licht der electrische zaklantaarn uitgedoofd en beiden luisterden aandachtig.

Duidelijk hoorden zij in de kamer, die aan het studeervertrek grensde, voetstappen.

„Maskers voor!” fluisterde Raffles, „wij moeten ons verbergen!”

Als een schaduw gleed hij achter de gordijnen, terwijl Charly Brand languit op het tapijt onder de schrijftafel ging liggen.

De deur der studeerkamer werd geopend en een heer in overjas en met een cylinder op, trad binnen, streek een lucifer aan en draaide de kraan eener gaslamp open.

Op het oogenblik, waarin hij den arm ophief om het licht te ontsteken, werd zijn arm gegrepen, naar achteren gedraaid, een slag kwam op zijn schedel neer en half bewusteloos viel de minister, want deze was het, die nu pas thuis was gekomen, op den vloer neer.

Als in een nevel zag hij twee mannen met zwarte maskers, die hem bonden en hem een samengevouwen doek in den mond stopten.

Hij kon geen enkele beweging maken, noch geluid geven.

Nu begaf John Raffles zich weer naar de brandkast, nam al de aanwezige contanten, die zich daarin bevonden en die eenige duizend Mark bedroegen, eruit en ging daarna een stapel papieren doorzoeken, die alle het stempel droegen van het Fransche ministerie van oorlog.

Toen Raffles deze stukken bij zich stak, deed de minister wanhopige pogingen om zich van zijn boeien te bevrijden en ondanks den prop, dien hij in den mond had, slaakte hij een kreet van woede.

Maar de groote onbekende ging kalm zijn gang.

Hij ging aan de schrijftafel zitten en begon de brieven door te lezen.

Charly Brand keek over zijn schouder naar den inhoud der papieren en bemerkte, dat zij hier een waardevolle en zeer belangrijke vondst hadden gedaan.

De brieven bewezen duidelijk, dat de minister een spion was in dienst van de Fransche regeering en reeds jarenlang zijn positie van vertrouwen misbruikte door schurkenstreken uit te halen.

Raffles keek met fonkelende oogen naar den man, die aan alle leden beefde en sprak:

„Het zou mij eigenlijk verwonderd hebben, als iemand, die zijn eigen vleesch en bloed verloochent en die als een hartelooze schurk handelt, in zijn zaken een man van eer zou blijken te zijn.

Gij zult nu wel weten, wat u te doen staat.

Gij hebt hedenavond een schrijven ontvangen van den advocaat van uw onwettige dochter, betreffende een afkoopsom van 50.000 Mark.

Ik zie in uw chèqueboek, dat gij op de Duitsche Bank een vermogen van bijna twee millioen Mark liggen hebt. Dat is veel te veel voor een man, die vrouw noch kinderen heeft.

Dit vermogen zult gij morgen laten verschrijven op naam van uw dochter.

Wanneer gij dat niet doet, of de een of andere list tracht te gebruiken, dan kunt gij er zeker van zijn, dat ik gebruik zal maken van de papieren, die ik hier heb [25]gevonden en dan zijn uw uren geteld. Neem hem nu den knevel uit den mond.”

Deze laatste woorden werden tot Charly Brand gesproken en deze deed wat Raffles wenschte, zoodat de minister weer kon spreken.

Het klamme angstzweet stond hem op het voorhoofd en liep in straaltjes langs zijn gelaat.

„Wie waarborgt mij, dat gij uw woord houdt?” mompelde hij met gesmoorde stem.

Bij het hooren van die woorden richtte Raffles zich vol trots op, nam zijn masker af en met een kreet herkende de minister zijn geheimzinnigen bezoeker van eenige weken geleden, den voorgewenden eerevoorzitter van de Vereeniging tot Bescherming der Zedelijkheid, den pauselijken geheimen kamerdienaar, graaf di Salvatore.

De Groote Onbekende amuseerde zich eenige oogenblikken over het verbaasde en ontstelde gelaat van den schurk en sprak toen:

„Ik houd ervan, mijn afspraken zwart op wit in den zak te dragen.

Ik zal daarom onze overeenkomst op dit stuk papier, dat hier op de schrijftafel ligt, neerschrijven. Gij zult het daarna onderteekenen. En opdat gij weet, met wien gij te doen hebt, ben ik zoo vrij, u tevens mijn werkelijken naam mede te deelen.

Ik heet Lord Lister, bijgenaamd Raffles, de Groote Onbekende.

Maak de boeien los!”

Charly Brand knoopte de touwen los en de minister staarde den genialen man, die hem in alle opzichten de baas was geweest, met wijdgeopende oogen aan.

Raffles ging aan de schrijftafel zitten, nam pen en papier en schreef.

Nauwelijks had hij een paar regels neergezet, of de minister bracht schijnbaar onwillekeurig zijn hand naar zijn zak, haalde een revolver te voorschijn en legde in het volgende oogenblik op Raffles aan.

Maar hij had niet op Charly Brand gerekend.

Voordat hij kon afdrukken, had deze zijn hand weggeslagen en hem met een flinken vuistslag neergeworpen.

„Vervloekte schurk!” siste de jonge man.

Raffles had slechts even opgekeken.

Koelbloedig, zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, schreef hij verder.

Toen hij gereed was, was de minister weer opgestaan en tandeknarste van woede.

„Gij zijt krankzinnig, man,” sprak Raffles. „Gij wilt uzelf waarschijnlijk aan de galg brengen.

Bedank mijn vriend, dat uw schot de bedienden niet wekte. Mijn dood zou uw schurkenstreken ongetwijfeld aan het licht hebben gebracht.

Wie weet, of gij mij wel doodelijk hadt gewond. Denkt gij, dat mijn vriend of ik gezwegen zouden hebben?

En luister nu naar wat ik hier heb neergeschreven:

„Bij dezen beken ik, dat ik jegens de Duitsche Regeering verraad heb gepleegd aan Frankrijk en Lord Edward Lister heeft het recht, de mij toebehoorende en in zijn bezit zijnde papieren aan de Duitsche Regeering kenbaar te maken, wanneer ik mijn belofte, om mijn vermogen te laten overschrijven op het hoofd van mijn buitenechtelijke dochter Elvira Manthé, niet nakom.

Onderteeken dit, Excellentie.”

Met bevende handen zette de schurk zijn naam onder het document.

John Raffles droogde het stuk.

„Gij zijt er goed afgekomen. Dit document is niet alleen millioenen, het is zelfs een menschenleven waard. En nu wensch ik u wel te rusten.”

Lord Lister maakte een buiging, alsof hij zich in een salon bevond en afscheid nam van een aangenaam gezelschap.

Charly volgde zijn voorbeeld en daarop verdween het tweetal langs denzelfden weg, waarlangs zij waren gekomen. [26]

[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

EEN ZELFMOORD.

Elvira Manthé had juist haar hotel verlaten en ging de Leipzigerstrasse in, om zich naar haar advocaat te begeven, toen bij den hoek van een zijstraat iemand haar arm greep en tot haar sprak:

„Eindelijk tref ik je zonder je nieuwen beschermer.”

Bleek van schrik bleef zij staan en keek bevend van angst in het hoonlachende gelaat van den zwartharigen jongen man.

„Kom eens mee om den hoek, dan kunnen wij rustig een woordje met elkaar spreken. Iedereen behoeft niet te hooren, wat wij met elkaar te behandelen hebben.”

Bijna willoos volgde het meisje den zwartharige en toen zij de stille zijstraat insloegen, floot de jonge man en uit een der portieken kwam een vriend van hem te voorschijn, die daar had staan wachten.

„Heb je haar eindelijk gesnapt?”

„Dat duifje heb ik en nu zullen wij met haar afrekenen. Laat eerst eens kijken, wat je aan geld bij je hebt.”

Met een ruwe beweging ontnam hij het jonge meisje het handtaschje, waarin zich verscheiden goudstukken bevonden.

„Ik zie, dat het je goed gaat,” lachte de zwarte spottend, terwijl hij het goudgeld in zijn zak liet glijden. „Maar dat is niet genoeg. Wie zoo’n kerel als Raffles tot minnaar heeft, kijkt niet op een paar duizend mark.”

„Beleedig een edel mensch niet!” riep het jonge meisje uit.

Beide mannen lachten luidkeels.

„Heb je zoo iets ooit meer gehoord?” riep de zwartharige tot zijn kameraad. „Nu vertelt ze waarachtig, dat Raffles, die gauwdief, een edel mensch is. Achter de tralies hoort hij voor minstens vijftien jaar en daarvoor kan jij zorgen.

Als hij mij vandaag niet duizend mark stuurt, zal ik er voor zorgen, dat de politie hem inpikt.

Je kunt hem zeggen, dat ik weet, waar hij uithangt. Een van onze lui heeft meer verstand in zijn kop dan die kerels op het Alexanderplein en verbeeld je vooral niet, dat je zoo gemakkelijk van mij afkomt.

Ik vind je steeds weer terug en als je niet doet, wat ik je zeg, zal ik de zedelijkheidspolitie inlichten, wat voor eentje jij er bent en dan—je weet het, dan laten ze je niet meer los.”

Het jonge meisje was te bevreesd voor de twee ruwe kerels dan dat zij kon beseffen, hoe ongegrond de bedreigingen waren, die hij tegen haar uitte.

„Vanmiddag om zes uur kom je hier terug op dezelfde plaats, waar wij nu staan en dan breng je mij het geld. Kom je niet, dan laat ik den edelen man om zeven uur gevangen nemen.

Ga nu maar heen en groet hem namens mij.”

Als een opgejaagd wild snelde het jonge meisje heen.

Zij wist niet, wat zij moest doen.

Radeloos liep zij de straten door en tegen vier uur kwam zij weer in het hotel terug.

De portier deelde haar mede, dat de heer Von Treuenfells—onder dien naam had Raffles zich in het hotel bekend gemaakt—om zes uur bij haar zou zijn.

Zij begaf zich naar haar kamer en schreef een brief.

Op haar zwerftocht door de straten van Berlijn had zij niet gemerkt, dat de zwartharige haar had achtervolgd.

In de buurt van het hotel bleef hij staan om te zien of zij het gebouw weer zou verlaten, of dat Raffles misschien zou verschijnen.

Even voor zes uur zag hij, dat zij uit het hotel naar buiten trad om het plein over te steken.

Een oogenblik later stond hij naast haar, hield haar tegen en sprak:

„Heb je het geld?”

Maar nu geschiedde iets, wat hij niet had verwacht.

Elke aarzeling en vrees was van het jonge meisje geweken. Met van toorn flikkerende oogen antwoordde zij:

„Waag het niet, mij nog eenmaal aan te raken, of ik lever u oogenblikkelijk over aan de politie.” [27]

Stom van verbazing keek hij het jonge meisje met groote oogen aan.

Voordat hij iets kon antwoorden, had zij hem den rug toegekeerd en was in het hotel teruggekeerd.

Hij zag niet, dat zij het gebouw door een anderen uitgang weer verliet.

Hij floot met een spottend lachje op het gelaat en in zijn oogen lichtte een gevaarlijke gloed.

„Wacht maar!” siste hij, „dat zal je den nek breken!”

Op dit oogenblik ontwaarde hij een auto, waaruit Raffles stapte, gevolgd door Charly Brand, welke laatste den zwartharige onbekend was.

Een oogenblik keek hij hen na; hij zag, hoe zij het hotel binnentraden en zoo snel als zijn beenen hem konden dragen, rende hij naar het politiebureau, dat zich in het stationsgebouw bevond.

John Raffles was intusschen naar den portier gegaan en vroeg deze, of juffrouw Manthé te spreken was.

„Het spijt mij, heer baron,” antwoordde de portier, „de juffrouw is een kwartier geleden uitgegaan en liet dezen brief voor u achter.”

De groote onbekende nam den brief en verliet met zijn vriend het hotel.

Zij staken samen het plein over en namen plaats aan een tafeltje in den tuin van een café.

Juist had Raffles den kellner een bestelling gedaan, toen hij zag, dat op eenigen afstand van het café eenige politie-agenten, voorafgegaan door den zwartharigen jongen man, naar het hotel snelden.

„Dat is om ons te doen,” fluisterde Raffles, terwijl hij Charly Brand de beambten wees.

„Wij zijn geen minuut te vroeg heengegaan. Als een muis zouden wij in de val hebben gezeten. De zwarte, dat is de kerel, uit wiens macht ik mijn beschermelinge heb gered, heeft haar verblijf ontdekt en moet hebben gezien, dat wij het hotel binnen gingen.

Kom, wij zullen dit plaatsje verlaten.”

Hij legde een geldstuk op tafel en toen de kellner, met het bestelde kwam, zag hij tot zijn verbazing, dat de beide gasten verdwenen waren.

Raffles had met Charly Brand in een auto plaats genomen en was weggereden.

Eerst nu nam hij den brief uit zijn zak om te lezen wat Elvira hem te vertellen had.

De brief luidde:

JOHN C. RAFFLES.

Ik heb elken dag den Hemel gedankt voor de groote diensten en de onbaatzuchtige vriendschap, die gij mij hebt bewezen, hoewel gij niet hebt kunnen weten of gij met uw edel hart misschien een onwaardige de behulpzame hand hadt geboden.

Ik heb heden ingezien, dat ik u als loon voor uw vriendschap slechts in groote moeilijkheden kan brengen en heb begrepen, dat iemand, die zoo diep is gezonken als ik, het recht niet heeft, met eerlijke, fatsoenlijke menschen om te gaan.

Ik smeek u daarom, mij te vergeten.

Ik heb ook niet de minste hoop, dat mijn leven ooit anders zou kunnen worden.

Leef wel! De Hemel zal u rijkelijk beloonen voor al het goede, dat gij over hebt voor de armen en ongelukkigen.

Vergeet een rampzalige, die niet anders kan handelen en wees niet boos op mij.

Mijn laatste gedachte zal een zegewensch voor u zijn.

ELVIRA MANTHÉ.

Toen Raffles den brief tot het einde gelezen had, zuchtte hij, streek meermalen met de hand over het voorhoofd, sloot zijn oogen en gaf den brief zwijgend aan Charly Brand. [28]

[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN DOOD MAN.

Den volgenden morgen, terwijl Raffles met Charly Brand aan de ontbijttafel zat, keek hij de brieven en documenten in, die hij den minister had afgenomen.

Verschillende der stukken waren in cijferschrift geschreven.

Raffles bestudeerde ze, om het schrift te ontcijferen. Dit gelukte hem ook; na een half uur had hij de oplossing gevonden en kon hij de brieven van het begin tot het eind lezen.

Het was juist zooals hij had vermoed.

De minister was inderdaad een schurk, die aan de Fransche Regeering allerlei geheimen betreffende vestingplannen had meegedeeld.

Geërgerd door den inhoud der documenten, sloot Raffles ze weg en nam een courant op.

Nauwelijks had hij deze eenige minuten ingezien, of hij sprong op en antwoordde op den vragenden blik van Charly Brand:

„Vraag nu niets! Maak je gereed, je moet dadelijk met mij mee naar het Ziekenhuis la Charité.”

Charly Brand had moeite, zich zoo snel te kleeden als zijn ongeduldige vriend dat wenschte.

Toen hij met Raffles in een auto zat en naar la Charité reed, gaf Raffles hem de courant, die hij nog steeds in de hand hield en sprak:

„Lees!”

Charly Brand las het volgende:

Stadsnieuws. Een zekere Elvira Manthé trachtte gisteravond om zes uur zelfmoord te plegen. Voorbijgangers zagen, hoe zij plotseling van de Wilhelmsbrug in het kanaal sprong. De reddingsboot, die dadelijk werd losgemaakt, nam het levensmoede jonge meisje, ondanks haar hevigen weerstand, op. Zij werd naar la Charité overgebracht.”

Dit bericht had Raffles tot zoo grooten spoed aangezet.

Toen zij in het ziekenhuis aankwamen en naar het jonge meisje informeerden, kregen zij ten antwoord, dat zij reeds hersteld was en de inrichting over een half uur zou verlaten.

Er bleef Raffles dus niets anders over dan voor de deur af te wachten totdat het jonge meisje zou verschijnen.

Het duurde bijna een half uur, voordat zij naar buiten trad.

Lord Lister gevoelde een diep medelijden in zich opkomen, toen zij met vermoeide, langzame schreden en met een bleek, droevig gelaat naar hem toekwam. Hij snelde haar tegemoet en geleidde haar naar de auto, daarop gaf hij den chauffeur het adres op van zijn pension en bracht haar daarheen.

Zij mocht nu niet alleen gelaten worden, want al haar wilskracht was gebroken.

Raffles hield zich met haar bezig, alsof zij een jongere zuster van hem was. Het duurde niet lang of hij vernam van haar, dat de bedreigingen van den zwartharige haar tot de wanhopige daad hadden gebracht.

„Hoe hebt gij zoo dwaas kunnen zijn!” sprak Raffles, „door eenige waarde te hechten aan de woorden van dien deugniet. Wees nu niet meer beangst, mijn kind, alles komt in orde.

Gij zult, vergezeld door een gezelschapsjuffrouw, een reis naar het zuiden maken om volkomen te herstellen. Uw vermogen zal op een soliede bank worden vastgezet en van de rente zult gij ruim kunnen leven.”

Zij wist niet, hoe zij hem kon danken.

De groote goedheid, die hij jegens haar aan den dag legde, overweldigde haar zoodanig, dat zij in een krampachtig snikken losbarstte.

Reeds dienzelfden avond kreeg John Raffles bericht van den advocaat, dat de minister het verlangde bedrag had uitbetaald en dat het geld op naam van het jonge meisje bij de Duitsche Bank was gedeponeerd.

Lord Lister wreef vergenoegd zijn handen.

Daarop begaf hij zich naar den advocaat en stelde [29]dezen in het bezit van een aanklacht tegen zijn collega.

„Ik zal dien lichtzinnigen heer,” sprak Raffles, „een flinke straf bezorgen.”

Hij zocht nog een anderen rechtsgeleerde op en droeg dezen het proces tegen den bankier op. Eenige dagen later konden de advocaten hem mededeelen, dat, wijl de omstandigheden bijzonder gunstig waren voor het jonge meisje, de heeren zich bereid verklaarden, haar een flinke schadeloosstelling uit te keeren.

De bankier zoowel als de advocaat betaalden ieder 20,000 Mark en waren blij, op deze wijze van de zaak af te zijn.

De groote onbekende deponeerde het geld bij het vermogen, dat de minister op de Duitsche Bank had vastgezet en zocht daarna voor zijn beschermelinge een ervaren reisgezellin van gepasseerden leeftijd.

Hij vond deze persoon en wel de weduwe van een Pruisisch officier van justitie, een dame, die in alle opzichten te vertrouwen was en die een goeden indruk op hem had gemaakt.

Met haar regelde hij alles, wat de toekomst van het jonge meisje betrof.

Zij zou in Zwitserland haar opvoeding voltooien en Raffles zou van tijd tot tijd iets van haar hooren.

Het verdere moest hij aan de toekomst overlaten.

Toen hij in den nacht naar huis terugkeerde en met Charly Brand door de Mohrenstraat ging, zag hij, dat voor zijn huis verscheiden personen stonden, waaronder hij den zwartharige ontdekte.

„Ik wil die kerels onschadelijk maken,” sprak Raffles. „Luister naar mijn plan:

Jij loopt langs hen heen, raakt een van hen met je arm aan, en roept hem ter verantwoording door hem te vragen, waarom hij je overlast aandoet. Zeer zeker zal dan een twist ontstaan en ik zal den politiepost in de Friedrichstrasse daarop opmerkzaam maken.

Ik hoop, dat de kerels gevangen genomen zullen worden.

Zij schijnen er achter te zijn gekomen waar ik woon. Ik ben echter volstrekt niet van plan om gedurende mijn kort verblijf te Berlijn in handen der politie te vallen.

Als het Mr. Baxter uit Londen was, zou het een feest voor mij zijn, maar met de Berlijnsche politie valt niet te spotten. Ik heb geen zin, het inwendige van een Pruisische gevangeniscel te leeren kennen.”

De groep mannen had hen niet zien aankomen.

Raffles ging met Charly Brand de Mohrenstraat door tot vlak bij de Friedrichstrasse, toen stak Charly Brand over naar den anderen kant en begaf zich in de richting der jonge kerels.

Lord Lister keek scherp toe en zag weldra, dat Charly Brand twist kreeg met de mannen, die aanleiding gaf tot een gevecht.

Raffles maakte den in de buurt staanden politieagent opmerkzaam op het straattooneel.

Dadelijk waarschuwde deze den politiepost, die dichtbij was en met versnelden pas stormden de agenten op de kerels los.

Met groote handigheid werden deze gevangen genomen en naar het politiebureau gebracht.

Charly Brand, die als getuige mee naar de wacht ging, had een sterk bloedende hoofdwonde gekregen en zocht na een kort verhoor, waarin hij meedeelde, dat hij door de kerels was aangevallen, een apotheek op om zich te laten verbinden.

Toen hij deze weer verliet, wachtte Raffles op hem en sprak:

„Mijn arme jongen! Zij hebben je leelijk getracteerd, die schurken!”

„Dat hindert niet,” antwoordde Charly Brand lachend, „het voornaamste is, dat wij ze kwijt zijn. Nu heb ik tenminste een aandenken aan mijn reis naar Berlijn.

Ik ben blij, als ik iets voor je kan doen, dat weet je wel.”

Hij nam den arm van zijn vriend en samen gingen zij naar huis.

Den volgenden morgen haalde Raffles zijn beschermelinge met haar reisgezellin uit een pensionaat in de Potsdammerstraat, waar hij ze had gebracht en maakte alles in orde, wat voor de reis van het jonge meisje noodig was.

Een vader kon niet beter voor alles zorgen dan hij.

Steeds opnieuw drukte zij dankbaar zijn hand. De edele man had in haar oogen bijna iets van een God.

Wie was deze man, die Raffles genoemd werd?

Tevergeefs dacht zij hierover na en toen zij op zachten toon de vraag tot hem richtte, aan welk adres zij haar brieven aan hem moest zenden, antwoordde hij:

„Mijn lieve, kind! Ik kan je geen adres opgeven, misschien ben ik den eersten tijd in Londen, maar het kan ook zijn, dat ik Yokohama of New-York ben.”

„Blijft gij dat ongeregelde leven altijd voeren?”

„Een ongeregeld leven? Voor mij is het hoogst interessant. Ik geloof, dat de meeste menschen, wanneer zij sterven, weinig van de wereld hebben gezien.

Ik daarentegen maak mij dezen tijd ten nutte, reis [30]de wereld door en bestudeer alles, wat ik op mijn weg ontmoet.”

„Zult gij mij af en toe eens schrijven?”

Een smeekende blik uit haar schoone oogen trof hem.

„Maar natuurlijk,” antwoordde Raffles.

„En hoe zult gij mijn adres dan weten?”

„Heel eenvoudig. Gij kunt elke maand met het opschrift „Raffles” een advertentie in de Londensche Times plaatsen, teneinde mij uw adres op te geven.

Ik zal u dan schrijven en gij kunt mij meedeelen, of gij mijn diensten ook voor het een of ander noodig hebt.”

Reeds den volgenden dag vertrokken de beide dames naar het zuiden.

Raffles en Charly Brand hadden haar naar het station en in den trein gebracht. De beide heeren bleven bij de coupé staan en toen de trein vertrok, keken zij deze na, zoolang het jonge meisje met haar zakdoek uit het raampje wuifde.

„Een ongelukkig mensch minder in de wereld,” sprak Raffles tot Charly Brand, toen zij het perron verlieten.

De gezelschapsdame van het jonge meisje had moeite om het aan haar zorgen toevertrouwde meisje te troosten en te doen bedaren. Nadat zij afscheid van Raffles had genomen, was Elvira in een krampachtig snikken uitgebarsten, omdat zij begreep, dat zij dezen trouwen vriend nimmer terug zou zien.

Maar toch verloor Raffles haar niet uit het oog en door een detectivebureau liet hij zich af en toe bericht omtrent haar zenden.

Toen hij het stationsgebouw verliet, bemerkte hij, dat een heer hem met scherpen blik opnam.

Onmiddellijk-vermoedde Lord Lister, dat het een zijner vrienden van de politie moest zijn.

Hij maakte Charly Brand opmerkzaam op den man, die hen langzaam volgde en bij de volgende halteplaats nam hij een auto, om den vervolger te ontkomen.

Raffles wendde zich tot den chauffeur en sprak:

„Rijd naar het Grunewald, Hagenstraat, nummer 13. Rijd zoo snel mogelijk, dan betaal ik dubbel.”

Nu begon een ware jacht.

De vervolger was niemand anders dan wachtmeester Bender.

Hij had Raffles op het perron gezien en herkend, maar wist niet zeker, of hij den goede voor had.

In razende vaart snorden de beide auto’s dicht achter elkaar naar het Grunewald.

De auto van Raffles bereikte twee minuten eerder de villa van den minister.

Terwijl Charly Brand den chauffeur betaalde en hem beval te wachten, liet Raffles zich bij den minister aandienen.

Met gefronste wenkbrauwen ontving deze den grooten onbekende, het was hem aan te zien, dat hij zijn bezoeker het liefst vermoord had.

Koelbloedig nam Raffles, zonder een begroeting af te wachten, naast de schrijftafel plaats en sprak:

„Ik wilde u mijn dank betuigen voordat ik weer vertrek, dat gij op zoo fatsoenlijke wijze de aangelegenheid met uw dochter hebt geregeld.”

De minister zette een gezicht als een boer, die kiespijn heeft.

„Ik merk wel,” sprak Raffles, toen de minister geen antwoord gaf, „dat het geen aangename zaak voor u is geweest. Maar het was in elk geval beter dan uw doen en laten tegenover de Fransche Regeering.”

De oogen van den minister fonkelden bij deze woorden.

Raffles begreep, wat er in den man omging. Het ging hem als alle schurken, wanneer zij ontmaskerd worden.

Op dit oogenblik trad de bediende van den minister binnen en meldde:

„Pardon, Excellentie, een heer die beweert tot de politie te behooren, wenscht u dringend te spreken.”

Het gelaat van den minister werd bleek als een lijk.

„Het is goed,” antwoordde hij den bediende, „laat mijnheer in het salon; ik ben nog bezig.”

De bediende boog en ging heen.

„Gij hebt mij verraden,” hijgde de minister.

„Dat is niet waar,” antwoordde Raffles, „het zal uw slecht geweten zijn, dat u zoo ongerust maakt.”

De minister stond op.

Zijn knieën knikten zoo, dat hij nauwelijks kon gaan.

„Ik geloof u niet,” mompelde hij, „gij wilt mij te gronde richten.”

„Bega geen domme dingen,” riep Raffles, „en geloof mij.”

Maar de minister hoorde deze woorden reeds niet meer, maar ontsloot de deur naar de studeerkamer.

Raffles dacht eenige oogenblikken na, toen zag hij dat een andere deur uit de kamer naar de gang voerde en zonder aarzelen verliet hij langs dezen weg het vertrek.

Toen hij de gang doorliep, hoorde hij in het salon [31]de stem van den wachtmeester, die tot den bediende sprak:

„Zeg tegen zijne Excellentie dat ik hem zeer dringend moet spreken.”

Maar ook de eigenaar der villa zelf hoorde deze woorden.

Luisterend stond hij bij de deur die toegang gaf tot het salon en met knikkende knieën sloop hij in zijn studeerkamer terug.

Hij geloofde vast en stellig dat hij, ten gevolge van het verraad van Raffles, nu gevangen werd genomen.

Toen de bediende de studeerkamer binnentrad, om hem mede te deelen, dat de wachtmeester hem zeer dringend moest spreken, had de minister op hetzelfde oogenblik een der laden van zijn schrijftafel geopend, een revolver te voorschijn gehaald en zich doodgeschoten.

Het schot bracht alles in huis in rep en roer.

Wachtmeester Bender was de eerste, die met den bediende het lijk van den minister naderde.

Niemand lette erop, dat Raffles, die het schot eveneens had gehoord, het huis had verlaten, in de auto plaats nam en met Charly Brand heenreed.

Des avonds bevatten de couranten het opzienbarende bericht omtrent den zelfmoord van den minister en alleen de beide Engelschen, die per nachttrein naar Vlissingen vertrokken, wisten, welke de oorzaak was van den dood van dezen staatsman.

Raffles gaf de courant aan Charly Brand, wees hem het bericht omtrent den dood van den minister en sprak:

„Het geweten van den mensch is zijn eigen rechter.”

[Inhoud]

Titel van het volgend deel (nummer 32) is:

„DE BLAUWE DOOD”. [32]

[33]

[Inhoud]

Belooning: 1000 pond sterling.

Wie kent hem?
Portret van Lord Lister.
Wie heeft hem gezien?
Dat vraagt men in Scotland Yard! Dat vraagt heel Londen!

Lord Lister genaamd John C. Raffles, de geniaalste aller dieven

brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters; ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt en behoeftigen ondersteunt.

Man van eer in alle opzichten

spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat:

Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren.

Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, Lord Lister, genaamd John C. Raffles, den geniaalsten aller dieven, te vatten!

[Inhoud]

WARRANT OF ARREST.

Vertaling:

Bevel tot aanhouding.

Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension of the man described as under:

Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt:

DESCRIPTION:

Name: Lord Edward Lister, alias John C. Raffles.
Age: 32 to 35 years.
Height: 5 feet nine inches.
Weight: 176 pounds.
Figure: Tall.
Complexion: Dark.
Hair: Black.
Beard: A slight moustache.
Eyes: Black.
Language: English, French, German, Russian, etc.

Beschrijving:

Naam: Lord Edward Lister, genaamd John C. Raffles.
Leeftijd: 32–35 jaar.
Lengte: ongeveer 1,76 meter.
Gewicht: 80 kilo.
Gestalte: slank.
Gelaatskleur: donker.
Haar: zwart.
Baardgroei: kleine snor.
Oogen: zwart.
Spreekt Engelsch, Fransch, Duitsch, Russisch enz. enz.

Special notes: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown.

Bijzondere kenteekenen: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam onbekend.

Charged with robbery.

A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man.

Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000 pond sterling.

Headquarters—Scotland Yard.

Police Inspector,
Horny.

Het Hoofdbureau van Politie Scotland Yard.

Inspecteur van Politie
(get.) Horny.

[Inhoud]

Roman-Boekhandel voorheen A. Eichler

Singel 236—Amsterdam.

Inhoudsopgave

I. DE BEIDE VREEMDELINGEN. 1
II. DE BEDROGEN PANDJESBAZEN. 3
III. TER WILLE VAN EEN LAUWERKRANS 7
IV. IN DE MISDADIGERSKROEG. 13
V. DE MINISTER. 17
VI. EEN INBRAAK. 23
VII. EEN ZELFMOORD. 26
VIII. EEN DOOD MAN. 28

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 128 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
Passim. [Niet in bron] 1
2, 9, 10, 10, 10, 10, 11, 24, 24 balcon balkon 1
3 Friedrichsstraat Friedrichstraat 1
8 ”. .” 2
10 balconkamer balkonkamer 1
11 Lowenstein Löwenstein 1 / 0
16 Grünewald Grunewald 1 / 0
16 lachtte lachte 1
16 bizonder bijzonder 1
19 Friedrichsstrasse Friedrichstrasse 1
21, 25 eere-voorzitter eerevoorzitter 1
23 telegraphische telegrafische 2
24 balcondeur balkondeur 1
24 chequeboek chèqueboek 1 / 0
25 gezelschapt gezelschap 1
27 ELVIRA MANTHé JOHN C. RAFFLES 13
29 zoch zocht 1
31 [Niet in bron] , 1
33 Sinclair Raffles 7
33 [Niet in bron] . 1
33 Scotland-Yard Scotland Yard 1
33 Oktober October 1
33 Inspekteur Inspecteur 1