The Project Gutenberg eBook of Lord Lister No. 0042: Ongewenschte wraak

This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.

Title: Lord Lister No. 0042: Ongewenschte wraak

Author: Kurt Matull

Theo von Blankensee


Release date: April 1, 2026 [eBook #78338]

Language: Dutch

Original publication: Amsterdam: Roman- Boek- en Kunsthandel, 1910

Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78338

Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg

*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK LORD LISTER NO. 0042: ONGEWENSCHTE WRAAK ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[1]

[Inhoud]

☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜

UITGAVE VAN DEN „ROMAN-BOEKHANDEL VOORHEEN A. EICHLER”, SINGEL 236,—AMSTERDAM.

[Inhoud]
ONGEWENSCHTE WRAAK

ONGEWENSCHTE WRAAK

EERSTE HOOFDSTUK.

Een edele daad van Lord Lister en een nieuwe truc van Raffles.

In het beroemde café Austria in de Regentstraat ging het tegen acht uur op een regenachtigen Octoberavond rumoerig toe.

Zooeven had een der in het wit gekleede Oostenrijksche kellners een kop koffie gebracht aan een eenigszins corpulent heer van middelbaren leeftijd, die in een der vensternissen op zijn gemak in de kussens van een divan leunde. Tegelijkertijd had de kellner de pas uitgekomen avondbladen op het marmeren tafeltje voor den heer neergelegd.

De corpulente heer stak een sigaret aan, proefde de koffie en verdiepte zich in de politieke mededeelingen in de Daily Telegraph.

Hij had nog niet lang gelezen, toen een jonge man van opvallend Amerikaansch uiterlijk op den drempel van de deur in de onmiddellijke nabijheid verscheen met een reusachtige reistasch in de rechterhand.

Hij keek met onderzoekenden blik rond en glimlachte, toen hij den dikken heer zoo dichtbij op den divan zag zitten. Hij liep dadelijk naar hem toe en zette zijn groote tasch, die leeg scheen te zijn, neer met een vroolijk:

„Goeden avond, waarde oom, daar ben ik!”

„Ah, zeer goed, Char … ik wou zeggen neef Bob!” antwoordde de welgedane Amerikaan en legde zijn courant neer. „Ben je daar al! Je hebt een waar monster van een tasch opgediept! Maar zij is uitstekend geschikt voor ons plan en zal voldoende zijn! Ga zitten! Kellner! Nog een koffie!”

Charly Brand, want hij was het, ontdeed zich van zijn overjas en nam plaats.

Toen de kellner de koffie had gebracht, legde Lord Lister, die in zijn Amerikaansche kleeding met het pneumatische buikkussen nauwelijks te herkennen was, zijn hand op Charly’s arm.

„Vandaag zullen wij eens iets gaan stelen, om den eigenaar een groot genoegen te doen.”

„Dat is eigenaardig, oom! Kan dat ook voorkomen?”

Charly keek zoo naïef en verbaasd, dat Lord Lister onwillekeurig glimlachte.

„Dat zal je heel gauw begrijpen! Ik zal je in het kort mijn plannen meedelen, want wij hebben geen tijd te verliezen!

Een bekwaam kunstenaar, hoogstaand als schilder en als etser, heeft er zich door tegenspoed en geldgebrek toe laten drijven om valsch papiergeld te maken, [2]dat zoo uitstekend is nagebootst, dat het nauwelijks van echt te onderscheiden is.

Hij heeft alleen een banknoot van vijftig pond uitgegeven en kreeg toen berouw. Men droeg hem op een portret te schilderen en hij begaf zich naar den heer, wien hij de valsche banknoot had gegeven, om hem te verzoeken, hem het bankbiljet van vijftig pond, tegen betaling van dat bedrag in klinkende munt, terug te geven.

Deze man, die de vervalsching ondanks alles onmiddellijk had opgemerkt, had het bankbiljet bewaard, om den kunstenaar in zijn macht te hebben

Hij weigerde beslist het terug te geven, als de ander hem niet een aantal valsche bankbiljetten tegen betaling van den halven prijs wilde geven.

Ik was toevallig getuige van het gesprek in een zijvertrek van de beroemde heerenspeelclub in Westend. Het was mij opgevallen, dat de beide heeren uit de speelzalen verdwenen, terwijl de artist er ongelukkig en bedroefd uitzag.

Ik ben er blij om, dat ik het tweetal volgde en hun gesprek afluisterde.

De smeekbeden, de oprechte smart van den niet meer onbekenden kunstenaar tegenover den harteloozen jongen schurk gingen mij aan het hart en ik besloot, hem te helpen!

Denzelfden avond had deze jonge man veel pech aan de speeltafel. Ik speelde eveneens en had het geluk, hem ook nog iets af te winnen. Ten slotte wierp hij, min of meer beschonken, een bankbiljet van vijftig pond op tafel, dat gelukkig in mijn handen viel.”

„Gelukkig voor den kunstenaar!” riep Charly Brand glimlachend uit.

„Zooals je het op wilt vatten!” antwoordde Lord Lister. „Ja, het was de valsche banknoot en daardoor is de schilder uit de klauwen van den booswicht gered.

Maar ik vergat nog je te vertellen, dat deze ook bedreigingen uitte tegen den ongelukkige. Ik vrees daarom, dat hij Scotland Yard heeft ingelicht en dat, zonder dat de artist vermoedt wat hem boven het hoofd hangt, huiszoeking bij hem zal worden gehouden.

Want de elegante jonge heer uitte deze dreigementen, toen hij den artist verliet en bij het heengaan langs mijn schuilhoek ging. Dus aan het werk, Charly, opdat wij Scotland Yard voor zijn!”

Lord Lister betaalde en trok met moeite, geholpen door den kellner, zijn overjas aan. Charly nam zijn reistasch op en beide heeren verlieten het café Austria.

Buiten stonden een massa huurrijtuigen en, na den koetsier een straat te hebben opgegeven, namen zij plaats in het eerste het beste gesloten rijtuig, dat met hen wegreed.

Zij hadden nog niet lang door de Londensche straten gereden, toen luid geschreeuw van courantenjongens Lord Lister naar buiten deed kijken.

„Nu luister eens!” riep Lister vol verbazing uit, „hoor je wat zij roepen, Charly? Een nieuwe streek van Raffles! Daar moeten wij toch ook iets van weten. Hola, koetsier! Halt houden!”

Het rijtuig bleef staan en op een wenk van zijn vriend en meester sprong Charly eruit, kocht een nummer van de Times en gaf dat aan Lister.

Het was een extra-nummer, dat in groote letters het opschrift droeg:

„Een nieuwe truc van Raffles.—Een gestolen millioen.—Een failliete reedersfirma.—Een afgeranselde medeplichtige.—Confrontatie van den misdadiger op Scotland Yard met den reeder.—Scotland Yard zoekt tevergeefs, enz.”

Ook den naam en het adres van den bestolen reeder waren opgegeven en de bijzonderheden van den diefstal bij den voornamen reeder, welke diefstal dien avond was gepleegd, onmiddellijk nadat de zaak was gesloten, waren door den bestolene zelf meegedeeld.

Lord Lister kon zijn oogen niet gelooven. Dat was sterk!

Een gemeene bedrieger had misbruik gemaakt van zijn naam om ongestraft een misdaad te begaan, die waarschijnlijk niets gemeen had met de praktijken van den meesterdief.

Daarbij was er een moord gepleegd, die in elk geval, al was het slachtoffer ook slechts een verloopen misdadiger, toch op rekening van Raffles kwam.

Deze had daarom besloten, zich onmiddellijk naar de plek des onheils te begeven om nauwkeurige inlichtingen in te winnen omtrent de op zijn naam gepleegde schurkenstreek.

Daarom liet hij het vol vertrouwen alleen aan Charly over, om de valsche banknoten heimelijk uit het atelier van den schilder weg te halen.

Hij gaf Charly een brief, dien hij daarvoor inplaats moest achterlaten. Hierin bevond zich, behalve een opdracht tot het schilderen van een portret, een aanzienlijk bedrag, echter niet in papiergeld, maar in goudgeld.

De onderteekening luidde:

„Een bewonderaar van uw kunst, dien gij spoedig zult leeren kennen.” [3]

Nadat Charly het adres had gekregen van den schilder Gower, reed hij weg, terwijl Lord Lister in een leeg rijtuig, dat juist passeerde, plaats nam om de plek van de misdaad te gaan opzoeken.

[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

Scotland Yard en de nieuwe Rafflesstreek.

Toen Lord Lister zich in de gedaante van den waardigen, oudachtigen Mr. Shaw door de menschenmenigte wilde dringen, welke de kantoorlokalen der firma Apsley en Co. omringde, wilde een agent van politie, gewapend met een gummistok, hem terugdringen.

„Hier is geen toegang, Sir!” sprak hij op barschen toon, „Scotland Yard is daar binnen bezig en het publiek kan bij die werkzaamheden slechts hinderlijk zijn!”

„Ik ben het volkomen met u eens, waarde inspecteur”, antwoordde Lord Lister met echt Yankee dialect. „Maar kunt gij mij misschien zeggen, of een van mijn kennissen, de wereldberoemde kapitein Baxter, of inspecteur Marholm daar binnen is?”

„Zij zijn daar beiden, Sir!” antwoordde de agent van politie reeds op veel beleefder toon.

De oude Amerikaan haalde bedaard en met veel omhaal een visitekaartje uit zijn notitieboekje, deed er een paar sigaren bij en gaf dit te zamen aan den beambte.

„Wilt gij zoo goed zijn, kapitein Baxter mijn kaartje te overhandigen? Ik stel mijn zwakke krachten gaarne te zijner beschikking!”

De politieagent verdween en kwam zeer snel weer terug. Hij verzocht den heer Harry Shaw met groote vriendelijkheid, binnen te komen en stelde het mopperende publiek tevreden met de mededeeling, dat die heer een Amerikaansch detective was.

Toen Lister in zijn goed gekozen vermomming nadertrad, kwam kapitein Baxter hem reeds in het eerste kantoorlokaal tegemoet en begroette hem met de grootst mogelijke beleefdheid.

„Wat zegt gij van deze nieuwe brutaliteit van den zoogenaamden meesterdief Raffles? Is het niet hemeltergend?

Evenals Mr. Apsley, de groote reeder, die nu zijn vermogen heeft verloren en totaal geruïneerd is, hebben ook wij in Scotland Yard telefonisch bericht gekregen, dat Raffles de brandkast der firma Apsley Co. zou leeghalen.

Zoo’n onbeschaamdheid.

Wij konden niet eerder hier zijn en kwamen te laat. Mr. Apsley heeft echter de dieven nog juist verrast en met de laatsten een harden strijd gehad.

Kom mee, kom mee, alles ligt nog precies zoo als wij het hebben gevonden. De door den heer Apsley gewurgde brandkastvernieler ligt op een paar stoelen, omdat de lijkschouwer dadelijk zal komen!”

„Hoe, door Mr. Apsley gewurgd?” vroeg Lister verbaasd. „Ik meende, doodgeschoten!”

Bij deze woorden waren beiden het derde kantoorlokaal, het particuliere kantoor van Mr. Apsley, binnengetreden.

Hier getuigde de groote wanorde, omver geworpen kantoorstoelen, een gebroken lessenaar, inktkokers en inkt op den vloer, papiersnippers en bovenal de gewelddadig geopende en droevig leege brandkast van de inbraak en het gevecht.

Terwijl de kortbeenige detective Marholm, bijgenaamd de vloo, juist de beschadiging van de brandkast aan een onderzoek onderwierp, bekeek detective Tijler met alle aandacht het op de binnenplaats uitziende, openstaande venster, waardoor de spitsboeven volgens de verklaring van Mr. Apsley, waren ontkomen. Door middel van een soort van lasso had hij den derden inbreker van dat venster teruggetrokken en bij dien stevigen ruk had hij hem tegen zijn wil gewurgd.

De arme reeder, een man, die, naar het scheen, in de vijftig was, zag er erbarmelijk uit. Zijn jas hing [4]aan flarden om hem heen, de kraag was er afgescheurd en zijn boord lag in onooglijken toestand op tafel.

Aan zijn hals waren roode plekken zichtbaar en als hij den derden spitsboef ten slotte gewurgd had, dan scheen hier de Voorzienigheid te hebben ingegrepen, want de misdadiger moest hem eerst behoorlijk bij de keel hebben gepakt.

Ook de grijsachtige pruik, die hij op den reeds tamelijk kalen schedel droeg, bewees door haar uiterlijk, dat zij blijkbaar een lijdelijke rol in het gevecht had gespeeld. Vermoedelijk waren er meerdere vuistslagen op neergedaald.

Toen Lord Lister, alias Mr. Shaw, naderbij kwam, kwam een eigenaardige uitdrukking op zijn gelaat.

Hij had naast den reeder, die hulpbehoevend en geheel terneergeslagen in zijn bureaustoel zat, een persoon opgemerkt, die hem bekend voorkwam.

Het was een zeer elegante, jonge man in zwarte gekleede jas en wiens onberispelijke hooge hoed op de schrijftafel stond. Hij boog zich juist liefdevol over den ouden heer en scheen bezig te zijn, dien te troosten.

„Wie is dat?” fluisterde Lister kapitein Baxter toe.

„De beide heeren Apsley, vader en zoon!” antwoordde de inspecteur.

Op dit oogenblik keerde de jongste der beide heeren zijn bleek, afgeleefd gelaat met klein snorretje naar den nieuwen bezoeker. Blijkbaar herkende hij Mr. Shaw niet, daar hij den vorigen dag, toen hij met dezen had gespeeld, reeds in vrij hooge mate dronken was geweest.

Lister echter had hem onmiddellijk herkend als den persoon, die onverbiddelijk was gebleven voor de smeekbeden van den artist. Hier echter, tegenover zijn vader, bij dit geweldige verlies, dat ook hem trof, maakte hij een zeer beminnelijken indruk.

Hij scheen zich met groote zelfbeheersching over het geldelijke verlies te kunnen heenzetten en zich alleen bezorgd te maken over zijn ontroostbaren, geheel terneergeslagen vader.

Met de wellevendheid van een man van de wereld stelde Lord Lister zich dadelijk aan de beide heeren voor als Mr. Shaw uit Chicago en betuigde hun zijn oprechte deelneming in hun groot verlies.

Hij stelde zichzelf in ieder opzicht ter beschikking, daar alle naties in den strijd tegen dergelijke gewetenlooze misdadigers zij aan zij moesten staan.

De beide heeren dankten natuurlijk hartelijk voor het vriendelijke aanbod en waren een en al beleefdheid.

„Ja”, sprak kapitein Baxter, „tot dusverre ontbreekt ons nog elke aanduiding, waarheen de spitsboeven zijn gevlucht en hoe het hun zoo gauw nadat de kantoren gesloten waren, mogelijk is geweest om de vuurvaste, sterke brandkast open te breken en leeg te halen.

De heer Apsley heeft ons zooeven de toedracht der zaak meegedeeld, in zooverre hij erin betrokken was!

Tot dusverre staat alleen vast, dat het weer die vervloekte Raffles was, die met behulp van twee beroepsinbrekers de misdaad heeft gepleegd!”

„Raffles, waarom?” vroeg Lord Lister, alsof hij van niets wist.

„Wel, weet gij dan niet”, vroeg kapitein Baxter, „dat die kerel, die steeds brutaler wordt, ons hedenavond heeft opgebeld?”

„Hoor eens, kapitein!” antwoordde Lister op beminnelijken toon, „telefoneeren kan iedereen! Hoe kunt gij bewijzen, dat het werkelijk en inderdaad Raffles is geweest?

Lister had bij die woorden de beide heeren Apsley met het onverschilligste gezicht van de wereld aangekeken, alsof hij wilde zeggen:

„Zijt gij het niet met mij eens, heeren?”

En het kwam hem voor, alsof de oudste heer Apsley zijn verlegenheid met moeite verborg; terwijl hij als wanhopig voor zich staarde en het vermeed, den spreker aan te zien.

Het gelaat van den jongen Apsley scheen nog bleeker te zijn geworden.

Hij wees naar de tafel en sprak:

„De brutale kerel heeft ook den treurigen moed gehad, ons te telegrafeeren! Daar ligt het telegram.”

Lister nam het telegram op en las:

„Mr. Apsley en Co. Ik zal hedenavond een bezoek brengen aan uw brandkast.

JOHN RAFFLES.”

„Dat is sterk!” riep de eerlijke Amerikaan in onvervalscht Yankee-dialect uit, „het verbaast mij, dat men op het telegraafkantoor deze depêche heeft aangenomen! Wanneer is het telegram afgezonden? Juist, om vijf uur! Hebt gij dan in het geheel geen maatregelen genomen, Mr. Apsley?”

De reeder haalde de schouders op.

„Wie kan gelooven, dat een misdadiger zijn plan van te voren aankondigt! Ik hield het voor een grap, voor de flauwe aardigheid van een kennis, die misschien geld wilde komen halen of voor de boosaardige grap van een mijner beambten, die mij bang wilde maken.

Hoewel ik er niet aan geloofde, veronderstelde ik, [5]zooals waarschijnlijk ieder in mijn plaats zou doen, dat, als er iets van aan was, de inbraak veel later zou plaats hebben en niet zoo onmiddellijk na het sluiten der kantoren, wanneer de straten nog vol menschen zijn.

Daarom besloot ik, hoewel ik ervan overtuigd was, dat er niets zou gebeuren, toch bij uitzondering thuis te blijven.

Ik ging daarom naar boven, naar de eerste verdieping, waar ik eenige kamers direct boven de kantoorlokalen heb. Ik heb niet veel vertrekken noodig, daar ik helaas weduwnaar ben. Daar moest ik ieder geluid beneden hooren.

Ik had juist een paar sandwiches, die ik in huis had, gebruikt, en mij een kop thee ingeschonken; ik kon nog geen half uur boven zijn geweest.

Hoe weinig waarde ik eigenlijk aan den inhoud van het telegram had gehecht, bewijst wel het beste de omstandigheid, dat ik mij niet eens de moeite had gegeven om mijn kast te openen, daar mijn revolver uit te nemen en die te laden.

Daar verneem ik plotseling beneden in de kantoorlokalen een geluid, dat mij bekend voorkomt.

„Wat is dat?” vraag ik mijzelf af.

Ik heb een gevoel, alsof men mij op mijn hersens slaat! Voor een oogenblik verlies ik mijn tegenwoordigheid van geest.—

Opeens voel ik een koude rilling langs mijn rug.

Drommels, dat is de brandkast!

Mijne heeren, de brandkast bevatte—ik ben failliet, ik ben geruïneerd!—de brandkast bevatte 50,000 pond sterling!

Ik had de laatste dagen groote betalingen gehad, de derde termijn voor onze groote stoomboot, enorme leveranties voor onze eigen scheepstimmerwerven—alleen de hoofdbedragen!

Wij zijn geruïneerd! Alles, alles heeft die vervloekte schurk, die op de een of andere wijze van het voorhanden zijn van dit bijzonder groote bedrag in onze kas heeft geweten, meegesleept.

Geen penny heeft hij achtergelaten.

Wat hebben wij aan brandkasten met gepantserde platen, als die virtuozen op het gebied der inbraakkunst in staat zijn, de beste fabrikaten geruischloos open te breken, of liever gezegd: open te smelten?

Want het is duidelijk, dat hier het slot met behulp van knalgas is losgesmolten.

Gij kunt de plaatsen op den vloer zien, waar het gloeiende metaal af is gedropen en waar het den vloer heeft verbrand!”

„Dat klopt!” riep detective Marholm uit, „maar wat deedt gij verder, Mr. Apsley, toen gij het knarsende geluid van de deur uwer brandkast hadt vernomen?”

„Ik keek om mij heen, zoekend naar het een of andere wapen.

Nu moet ik eerst vertellen, dat ik vroeger jarenlang in Amerika heb gewoond, onder anderen te San Francisco en in de Westelijke mijndistricten. Daar werkt men veel met de lasso.

Ik had dat ook geleerd.

Toevallig viel mijn blik op het eind sterk koord, dat ik voor mijn gordijnen had gebruikt.”

De vloo legde bij deze woorden van den reeder het bedoelde eind koord, dat men van den hals van den inbreker had losgemaakt, op tafel.

Het koord was veel dikker dan men het gewoonlijk voor het ophalen van gordijnen gebruikt. Het was van een groote lus voorzien en bijzonder geschikt om als lasso te worden gebruikt.

Lord Lister maakte deze opmerkingen in stilte, toen hij het eind koord bekeek.

„Ik neem dus het koord in de hand en maak er onwillekeurig een lus in, zonder er bij te denken, want mijn gedachten waren bij mijn brandkast. Ik snelde naar beneden en rukte de kantoordeur open.

Ik zie nog juist, hoe een persoon iets uit het venster naar de binnenplaats reikt en daarna er zelf uitspringt. Op hetzelfde oogenblik echter krijg ik een slag op het hoofd en grijpt men mij bij de keel.

Natuurlijk verdedig ik mij zoo goed ik kan, maar in een ommezien lig ik op den vloer.

De kerel laat mij los en wil naar het raam snellen. Juist toen ik bliksemsnel weer ben opgestaan, springt de misdadiger op de vensterbank, ik denk aan mijn lasso, slinger die in de hoogte en mik zoo goed, dat ik den schurk erin vang.

Ik trek uit al mijn macht, zonder precies te weten wat ik doe, geheel en al werktuigelijk en de kerel valt als een blok hout van de vensterbank in de kamer terug.

Ik houd de lasso nog steeds gespannen. Maar hij beweegt zich niet en naderbij komend zie ik, dat hij morsdood is!

Ik had hem, zonder het te willen, met mijn koord gewurgd!

Verder kan ik niets vertellen.

Ik telefoneerde onmiddellijk mijn zoon in zijn club, die dan ook heel spoedig per auto aankwam en wiens schrik en verbazing over hetgeen in zijn afwezigheid was voorgevallen, ge u kunt voorstellen! [6]

Het spijt mij, dat die geschiedenis met de lasso is gebeurd!”

„Kom, krijg daarover maar geen grijze haren, Mr. Apsley! Uw lasso was werkelijk een uitstekende inval!”

[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

Het gestolen ontwerp voor een onderzeesche boot.

Nauwelijks had kapitein Baxter deze woorden gesproken, of een jonge man snelde geheel buiten zichzelf van opgewondenheid het particuliere kantoor van den reeder binnen.

„Om ’s Hemelswil, Mr. Apsley!” riep hij tot dien heer, die schijnbaar in de diepste verslagenheid aan tafel zat, „tot mijn schrik hoor ik, dat men bij u heeft ingebroken! Men heeft uw brandkast geplunderd!

Ik wilde juist hierheen om u teruggaaf te verzoeken van het ontwerp, dat ik u eenige dagen geleden toevertrouwde. Gij weet wel, dat morgen de wedstrijd wordt geopend.

O, stel mij toch gerust, mijn beste heer! Nietwaar, ik kan mijn ontwerp toch heden terugkrijgen? De dieven zullen het toch niet hebben meegenomen? Het had voor hen immers niet de minste waarde!”

De oude reeder sloeg de handen boven het hoofd samen en drukte ze daarna voor zijn oogen.

„Mijn hemel, ook nog deze onoverkomelijke ramp!”

Hij stond weenend op; hij zag er in zijn verscheurde kleeren jammerlijk uit en omhelsde met vochtige oogen den jongen man.

„O, mijn kranige Mr. Burton! Gij ziet in mij den ongelukkigsten man van geheel Londen! Ik ben bestolen! Mijn geheele vermogen, ja, nog meer is gestolen! En toch—niets gaat mij zoo aan het hart als uw onherstelbaar verlies!

O, dwaas die ik ben, om mijn brandkast voor zoo veilig te houden! Het is, alsof men mij nu het tegendeel heeft willen bewijzen!

Mijn lieve, kranige Burton, ook uw heerlijk ontwerp, dat u stellig den eersten prijs zou hebben bezorgd, is gestolen!”

Mr. Apsley weende hartverscheurend en bracht telkens weer zijn zakdoek naar de oogen.

Lord Lister beschouwde den zoozeer door het ongeluk getroffen jongen man met innige deelneming.

Het fijnbesneden gelaat van den blonden artist, die ongeveer achter in de twintig moest zijn, drukte groote droefenis uit, toen hij uit den mond van den reeder zijn ongeluk vernam. Hij beefde en moest zich aan de tafel vasthouden. Blijkbaar was hij op het punt, in zwijm te vallen.

Lord Lister naderde hem en sloeg zijn arm om hem heen.

„Moed houden, moed houden, mijn jonge vriend!” sprak hij op meewarigen toon. „Wij zullen trachten de papieren terug te vinden! En wij zullen ze terugkrijgen, vooral daar zij geen waarde hebben voor de misdadigers.”

„Zou het mogelijk zijn, mijnheer—”

„Mr. Shaw uit Chicago!” stelde Lister zich voor.

„Edward Burton, chef-ingenieur der Apsley-werken in de Commercial Docks!—Maar dan is het te laat! Wanneer de ontwerpen morgenmiddag niet zijn ingeleverd bij de commissie, worden zij niet meer aangenomen door de jury en heeft men geen aanspraak meer op den prijs.

Ik heb iets geheel nieuws in elkaar gezet en ben ervan overtuigd, dat ik had gezegevierd over de weinige collega’s, die niets vermoeden van mijn uitvinding!”—

„O, Mr. Edward, gij verscheurt mij het hart!” weeklaagde de oude reeder. „Natuurlijk zoudt gij hebben gezegevierd en nu moet ik door mijn te groot vertrouwen ook u mee in het verderf storten! O, een ongeluk komt zelden alleen!” [7]

De oude Apsley was wanhopig.

Zijn zoon, die voortdurend had gezwegen, richtte zich nu, naar het scheen, zeer onder den indruk, tot den jammerenden ingenieur.

„Ziet gij dan niet, Mr. Burton, hoezeer gij mijn vader opwindt met uw verwijten en klachten? Hoe durft gij het wagen, uw klein ongeluk hier zoo uit te bazuinen op het oogenblik, waarop die vervloekte Raffles ons totaal heeft geruïneerd! Het ontwerp, dat gij toch zelf hebt gemaakt, zult gij toch wel gauw weer in elkaar kunnen zetten! Dat kleine uitstel zal u toch wel niet ongelukkig maken!”

„Maar Mr. Apsley, morgen wordt de wedstrijd immers reeds geopend! Morgenmiddag is de termijn afgeloopen! Ik moet de mooiste gelegenheid, die misschien nooit terugkomt, voorbij laten gaan! Mijn geheele toekomst is vernietigd, als ik het ontwerp niet volgens mijn opgaaf morgenmiddag kan inzenden!

Ik hoopte, dat het de grondslag zou zijn tot mijn levensgeluk. Mijn bruid, die zoo vast in mij gelooft—alle toekomstplannen vallen in duigen.”

„Het doet mij leed, Mr. Burton,” viel de jonge Apsley hem tamelijk ongevoelig in de rede. „Wat zullen wij doen? De spitsboeven hebben uw voortreffelijk ontwerp meegenomen, zonder te weten, wat het beteekent.

Hoe kunnen wij u helpen, nu wij totaal ten gronde zijn gericht, nu men ons tienduizenden ponden heeft ontstolen!—Draag uw verlies, dat immers hersteld kan worden, als een man, Burton! Wij moeten u, helaas, vanaf dit oogenblik uw ontslag geven. Onze firma is voor het oogenblik insolvent!”

De jonge ingenieur bedekte zijn oogen met de hand. Hij trachtte tevergeefs zich te beheerschen. Deze slag was voor hem te onverwacht gekomen.

„O, mijn hemel, wat zal Ellinor zeggen! Nu is het gedaan met mij!—En mijn betrekking ook verloren!”

Met deze woorden wendde hij zich af met een groetende handbeweging en verliet het vertrek.

Lord Lister zag hem vol medelijden na. Hij zou wel lust hebben gehad om hem te volgen. Maar wat had de jonge ingenieur hem nog kunnen meedeelen, dat hij niet reeds wist?

En misschien was het voor dezen nuttiger, wanneer hij zijn navorschingen naar den oorsprong van deze geheimzinnige misdaad op de plek zelf voortzette.

Daar Lister onwillekeurig achteruit was gegaan, om den wanhopigen ingenieur na te kijken en dicht bij de deur naar de andere kantoorlokalen stond, kon hij daar een dienstman zien, die hem een wenk gaf. De andere personen, die zich meer in het midden van het vertrek bevonden en beide heeren Apsley konden den dienstman niet zien.

Lord Lister herkende oogenblikkelijk Charly in een van zijn meest geliefkoosde verkleedingen. Zeer gevat wendde hij zich tot kapitein Baxter:

„Ik wil toch even met den armen, ongelukkigen jongen man meegaan om hem een paar troostwoorden toe te spreken. Hij zag er zoo wanhopig uit!”

„Ja”, sprak de reeder op huilenden toon, „doe dat, ik zal er u zeer dankbaar voor zijn!”

De „Yankee” was reeds naar buiten gegaan en sprak met Charly, die hem vertelde, dat alles in orde was en dat de banknoten in de villa verborgen waren. Lister fluisterde hem toe, dat hij nauwkeurig op moest letten, waarheen de oude en de jonge heer Apsley zich, na het sluiten der kantoorlokalen, zouden begeven. Hij moest hen in elk geval, maar voorzichtig en onopgemerkt volgen. Als zij elk een anderen weg namen, moest hij den ouden heer volgen.

Charly was vol vuur voor deze gewichtige opdracht, die zijn meester hem gaf en verdween om, zonder opgemerkt te worden, tusschen de menschenmassa, die zich nog steeds voor het reederskantoor bevond, zijn observatiepost in te nemen.

Schouderophalend kwam de dikke Amerikaan het kantoorlokaal weer binnen, waar Scotland Yard zich rondom de heeren Apsley had verzameld. Toen de oudste der beide heeren hem weer zag komen, kon hij een grimmig „vervloekt!” niet onderdrukken.

Daarop echter gaf hij zijn zoon een wenk en deze moest zijn vader onmiddellijk hebben begrepen, want hij wendde zich zeer beleefd tot kapitein Baxter en sprak:

„Hebt gij nog gewichtige vragen te stellen, kapitein? Gij ziet, hoe mijn vader onder den indruk is van het voorgevallene. Hij heeft nu dringend behoefte aan rust. Ik wil hem echter vannacht niet alleen laten met zijn verdriet en wanhoop. Gij zult dat begrijpen!

Wie weet, tot welke dingen hij na dit ontzettend verlies zou komen! Ik zal hem meenemen naar mijn woning in het Oosteinde, dicht bij onze werven, bij de Commercial Docks.

Ik maak mij ongerust over hem en ben dat dus verplicht.

Als wij u nog met inlichtingen van dienst kunnen zijn, zijn wij daartoe gaarne bereid!”

„Ik zou niet weten …”, antwoordde Baxter, zich achter de ooren krabbend. „Denk eens na, Mr. Apsley, [8]of gij nog het een of ander hebt vergeten mee te deelen. Uw berichten zijn duidelijk, maar zij wijzen ons den weg niet om deze geheimzinnige misdaad op te helderen”.

De beide heeren Apsley keken elkaar, zooals Lister zeer goed merkte, met een knipoogje aan.

„Welnu, waarde kapitein”, sprak de zoon, „als gij ons geen verdere vragen hebt te stellen, dan zouden wij ons nu gaarne, vooral in het belang van mijn vader, die zeer ontdaan is, terugtrekken! Mij vindt gij, zoo noodig, morgen op de werf.

Mijn vader zal wel hier moeten zijn om met zijn personeel de balans op te maken voor de insolventverklaring.

Natuurlijk zijn wij gaarne ten allen tijde tot uw beschikking!”

„Ik vind het uitstekend, dat gij u nu terugtrekt, heeren!” antwoordde kapitein Baxter zeer voorkomend.

„Gij hebt het protocol immers geteekend en verdere vragen heb ik u voor het oogenblik niet te stellen”.

Met een groet verliet de reeder, leunende op den arm van zijn zoon, de kantoorlokalen, terwijl de beambten van Scotland Yard hem met meewarige blikken volgden.

[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

Een moderne lijkenbezwering.

„Als nu Dr. Warrens hier was”, sprak Baxter, toen de beide heeren waren heengegaan, „konden wij aan ons ander werk gaan!”

„Gij hebt zeker nog veel te doen, vannacht?” vroeg Mr. Shaw met goed gespeelde belangstelling.

„Dat zou ik denken”, antwoordde de kapitein in het bewustzijn van zijn gewicht. „Eerstens zijn wij van plan een groote opruiming te houden onder het gepeupel, dat in Eastend weer de overhand krijgt en wij drieën kunnen daarbij, als hoofdpersonen, niet gemist worden”.

„Zeer begrijpelijk!” sprak Lister.

„Kapitein!” riep Marholm, verheugd naar de deur wijzende, „als men van den duivel spreekt … Daar komt de dokter juist!”

„Gij komt als geroepen, Dr. Warrens”, begroette Baxter den binnentredende, „daar achter ligt uw patiënt, die u wel niet veel werk zal geven. Hij is zoo dood als een pier!”

„Dood? Welk soort van dood?” vroeg de jonge dokter vol belangstelling.

„Mijn beste dokter, het is een prachtig geval, zooals gij dat waarschijnlijk noemt, al zegt gij het ook niet, van verwurging”.

„Wat? Verwurging? Wat gij zegt! Inderdaad, dat is prachtig! Een geluk, dat ik al het benoodigde bij mij heb! Waar is hij? Daar achter?”

„Die grappenmaker van een dokter!” riep Baxter vroolijk uit, „net zooals ik zei! En neem mij nu niet kwalijk! Wij hebben namelijk nog zeer veel elders te doen. Het is al laat en men zal op ons wachten.

Dus veel genoegen met uw interessant geval! Maar een ding verzoek ik u, maak dat gevaarlijke sujet, den meest beruchten inbreker van geheel Engeland, bijgenaamd „Sloten-Bob”, niet weer levend.

Dat zou u weleens slecht kunnen bekomen en Scotland Yard is blij van dien kerel bevrijd te zijn.

Hier is het protocol. En als gij nog verdere inlichtingen wenscht, dan is hier—gij blijft immers nog een poosje, Mr. Shaw? Misschien stelt gij er belang in, de lijkschouwing van Dr. Warrens bij te wonen?—dus Mr. Shaw, die alles heeft gehoord. Hij zal u zeer zeker eventueele vragen gaarne beantwoorden!”

„Zeer aangenaam, dokter”, sprak Lord Lister lachend, terwijl hij den dokter de hand reikte.

„Als gij een assistent noodig hebt, ben ik gaarne tot uw dienst! Gij weet, dat wij Amerikanen veel practischer zijn dan andere menschen!”

„Nu, Mr. Shaw, ik zou u misschien wel eens aan [9]uw woord kunnen houden”, antwoordde de jonge dokter.

„Ik wensch niet anders”, antwoordde Raffles vriendelijk.

Reeds wilden de detectives met een groet heengaan, toen bij de deur luid geschrei werd vernomen.

Marholm snelde vooruit en kwam terug met de mededeeling, dat de vrouw van „Sloten-Bob” met haar kind bij de deur stond en naar binnen wilde om haar man te zien. Of de agent haar wilde binnenlaten?

Nog voordat Baxter had kunnen antwoorden, riep de dokter:

„Ja zeker, dat komt prachtig uit. Laat haar maar binnenkomen. Ik wil namelijk een proef nemen en haar aanwezigheid daarbij is mij misschien van groot nut!”

„Nu, als u het goed vindt, dokter, mij is het onverschillig. Dus Marholm, zeg haar, dat zij mag binnenkomen!”

Een verloopen wijf met een uitdrukking van lafhartigheid op het magere, pokdalige gelaat, waar omheen grijze haarstrengen ongekamd fladderden, trad, in vuile lompen gehuld, met een ongeveer vijfjarig kind aan de hand, snikkend en weeklagend nader.

„Daar achter ligt je man, die fijne vechtersbaas, gesnapt bij den inbraak en bij het leeghalen van de brandkast. Maar wees gedwee, je hebt te doen, wat mijnheer de dokter je beveelt!

Dus vaarwel, heeren! en veel succes!”

Met die woorden verlieten de drie detectives de kantoorlokalen der firma Apsley en Co., waar een zoo geheimzinnige misdaad was gepleegd.

Intusschen was dokter Warrens met zijn koffer nader gekomen en Lord Lister was hem in gespannen verwachting gevolgd naar den doode.

Wat wilde de dokter nu doen?

Toen de vrouw, die hen schuw was nageslopen, haar man daar zoo stijf en onbeweeglijk zag liggen, begon zij te snikken en te weeklagen en ook het kind begon hartverscheurend te huilen.

„Goede vrouw”, zei de dokter, „ik begrijp uw verdriet en waardeer dat. Het strekt u tot eer en zelfs den doode daar! Maar ik kan mij nu niet laten storen, ik heb te werken! Maak u liever nuttig en kleed uw man uit.”

De vrouw begon dit met trillende vingers te doen.

De dokter ontdeed zich van zijn overjas en opende zijn koffer.

„Ieder oogenblik is kostbaar! Een dergelijk gelukje heb ik nog niet gehad. Bij lijken met schotwonden is niets uit te richten! Door de kogels worden verschillende deelen gekwetst, die niet weer te herstellen zijn.

Bij natuurlijke sterfgevallen of bij verwurging zijn nog alle organen, in den regel ten minste, onaangeroerd, zoodat de proef, die ik wensch te nemen, belooft te zullen slagen of in elk geval mogelijk is!”

De doode was nu met behulp van Lister en van den dokter door de vrouw ontkleed en de arts onderzocht de lichaamswarmte.

„Dat treft bijzonder”, mompelde hij, zelf ontdaan. „De warmte is nog zeer aanmerkelijk!”

Bij die woorden wierp hij een van de groote venstergordijnen over hem heen. Hij masseerde hem een weinig aan den hals en bracht daarna, nadat hij den mond had geopend, de door de verwurging naar voren gedrukte tong van den doode weder met groote handigheid op haar plaats.

Hierdoor was het uiterlijk van den doode minder griezelig geworden.

Nadat eenige gedeelten van den hals nogmaals gemasseerd waren, hadden de trekken de natuurlijke uitdrukking teruggekregen.

„Welke proef hebt gij op het oog, dokter? Zeg het mij! Ik zal u krachtdadig helpen!”

„Ziet gij, waarde heer Shaw. Mijn collega’s lachen erom en toch heb ik iets dergelijks al eenmaal bereikt.

Het is een feit, dat ik, al was het ook maar voor een paar seconden, iemand, die een paar uur geleden aan een ziekte was overleden, in het leven heb teruggeroepen. Ik verzamel hiervoor materiaal. Iemand, die gewurgd was, heb ik nog nooit machtig kunnen worden; van een dergelijk geval is nog meer succes te verwachten, omdat alle organen nog kort van te voren normaal waren.

Ik zal een schedelboring uitvoeren, aan de achterste oppervlakte van de bulbus, alsof ik een abces zou moeten verwijderen. Wij zullen hem sterk masseeren en verwarmen, ik giet hem deze druppels in, welke ik voor dit doel heb geprepareerd en ik voorspel u, dat hij bij drukking op den levensknoop der hersenen, al is het ook maar voor korten tijd, zal ontwaken!”

„Dat zou verbazend zijn!” riep Lister uit. „Maar denkt gij, dat hij zou kunnen spreken, als hij tot bewustzijn komt?”

„De mogelijkheid is niet uitgesloten, wanneer de indrukken, die op dit oogenblik op hem inwerken, sterk genoeg zijn om zich in hem vast te zetten en reactie op te wekken, d. w. z. een in zekeren zin onwillekeurige uitwerking te weeg brengen.”

Lister dacht een oogenblik na. [10]

Daarop legde hij zijn hand op den arm van den dokter.

„Mag ik een opmerking maken? Het zou van het grootste gewicht zijn voor de opheldering van deze geheimzinnige misdaad, als de doode kon spreken! Het komt mij voor, alsof alles in deze zaak niet geheel in den haak is!

Hoe zoudt gij het vinden, als wij den doode eerst terugbrachten in het privé kantoor van Mr. Apsley en hem zoo neerlegden, dat hij het allereerst de ledige brandkast ziet?”

„Ik maak u mijn compliment, Mr. Shaw. Gij hebt groot gelijk! Ik heb de wetenschappelijke quaestie nog niet beschouwd in verband met de rechtszaak, dit moet ik tot mijn schande bekennen. Maar natuurlijk, alleen het zien van de plek der misdaad zal hem tot spreken kunnen brengen.”

Zij begaven zich naar het vertrek, waar de brandkast stond, zetten daar eenige stoelen zoo neer, dat Sloten-Bob, als hij ontwaakte, de geopende brandkast vlak voor zich had.

Daarop legden zij het lijk in de gewenschte houding.

Mr. Shaw, of liever Lord Lister, ontstak een electrische gloeilamp, die zich dicht bij de brandkast bevond en doofde alle anderen uit. Hierna beval hij de arme vrouw om naast de brandkast te gaan staan en gaf haar een handvol goudstukken, waarnaar zij met begeerige blikken keek.

„Kijk nu niet naar het geld, vrouw, maar let op!” sprak Lord Lister op dringenden toon. „Lukt het ons, je man in het leven terug te roepen en aan het spreken te krijgen, dan zijn de goudstukken voor jou!

Let je echter niet op en verhinder je onze poging door je onachtzaamheid, dan krijg je geen cent!”

„O, ik zweer het u, Sir! Zeg mij maar, wat ik moet doen en wanneer ik moet beginnen.”

„Wat je te doen hebt, is niet moeilijk! Je moet hem alleen maar de glinsterende goudstukken in je linkerhand laten zien. Begrijp je? En verder moet je niets anders roepen dan: Bob—Bob!—Wie?—Bob—wie?”

„Uitstekend, Mr. Shaw!” sprak de dokter. „Ik wou, dat ik altijd zoo’n adsistent bij mij had! Gij hebt de zaak zoo eenvoudig gemaakt, dat hij het, als hij ook maar even tot bewustzijn komt, moet begrijpen. Nu heb ik alle hoop, dat de vermoorde ook zal spreken!”

De vrouw staarde intusschen met een rilling naar het doen en laten der beide mannen in de donkere kamer, waarin alleen een gloeilichtje brandde.

De dokter had intusschen uit zijn tasch een sleuteltje, chirurgische instrumenten en een rood fleschje genomen. Uit een andere flesch goot hij olie in een kom, welke hij naast zich plaatste. Daarop begon hij met de schedelboring, nadat hij het lijk voorover had gelegd. In deze houding hield Lord Lister den doode in zijn armen vast.

Nadat de operatie was afgeloopen, legde hij het lijk weer achterover en beide heeren, Lister en de dokter, doopten hun vingers in de olie en begonnen met koortsachtigen ijver te masseeren, terwijl zij de gemasseerde plaatsen steeds zorgvuldig bedekten.

Nu opende de dokter den mond van den doode en goot hem den inhoud van het roode fleschje in de keel. Daarop verzocht hij Lord Lister, snel en krachtig de armen van den gewurgde op en neer te bewegen. Nu ging Dr. Warrens achter den doode staan en riep:

„Zeg, vrouw, kijk niet aldoor naar het goud, maar hierheen! Let op, of hij ontwaakt!”

„Ja, ja, mijnheer de dokter, dat doe ik!”

Zij boog zich voorover en staarde angstig in de doffe oogen van haar man, wachtende op het oogenblik, waarop hij weer zou opleven. Met de linkerhand hield zij hem het goud voor en wees naar de leege brandkast.

De dokter richtte nu, met behulp van Lister, het hoofd van den doode op en wreef eenige minuten met kracht de slapen en de keel. Daarop drukte hij een oogenblik op den levensknoop der hersenen.

Al had de dokter het ook van te voren voorspeld, toch was het griezelig, wat er nu in dit donkere vertrek midden in den nacht gebeurde.

Men hoorde een benauwd gerochel, alsof met moeite de lucht in de ledige longen drong. De oogen van den gewurgden man openden zich al verder en verder met angstige uitdrukking en zelfs den onverschrokken Lord Lister liep een koude rilling over den rug.

„Bob, Bob!” riep de vrouw rillend en bevend. „Bob—Bob—wie—wie?—Bob, zeg mij wie?”

Vol geestdrift volgde de arts den gang der gebeurtenissen en vol spanning wachtte ook Lister op het antwoord van den gewurgde.

En waarlijk, bewogen de lippen zich niet, alsof zij wilden spreken? Maar de inspanning was nog te groot, er werd geen geluid vernomen.

En opnieuw riep de vrouw nog luider en vol ontzetting:

„Bob, Bob, hoor je mij?—Wie, zeg toch wie?” [11]

Weer wees zij naar de brandkast en het electrische licht deed de goudstukken in haar hand fonkelen.

En weer opende zich de mond van den vermoorde en zijn lippen trilden.

Nog eenmaal vernam men het afschuwelijke gerochel en hierop volgde, onduidelijk, als een kreet van schrik en ontzetting: „Zelf!”

Daarop keek hij met verbaasden blik om zich heen en vroeg:

„Waar ben ik?”

Een oogenblik later zakte hij weer in elkaar.

De dokter had zich over hem heengebogen en keek hem in de oogen.

„Het is voorbij!” sprak hij. „De oogen zijn reeds weer verglaasd, de mond is gesloten. De ademhaling heeft opgehouden. Alle andere moeite is nu tevergeefs! Maar de werking was zeer sterk, al heeft hij ook niet gesproken.”

„Ongetwijfeld!” antwoordde Lister peinzend.

Had hij zich vergist?

Was het alleen de emotie van het oogenblik geweest, die hem dat „zelf” had doen hooren, terwijl de ervaren geneesheer slechts een onverstaanbaar geluid had vernomen?

Als het echter werkelijk het woord „zelf” was geweest, op wien had het dan betrekking?

Bedoelde hij zichzelf? Hoogstwaarschijnlijk!

Misschien was op dit uiterste oogenblik in deze verdorven misdadigersziel een eigenaardige trots op de door hem volbrachte daad opgekomen.

Hij, de behendige dief en inbreker, die ook volgens Baxter’s beweren zijns gelijken tevergeefs zocht, was het geweest, die dezen rijken en vermoedelijk onbarmhartigen reeder alles had ontstolen.

Wie kon in de ziel lezen van zulk een misdadiger!

Of zou dat „zelf” op iemand anders slaan? Op een misdadiger, die het nog verder had gebracht in de kunst van stelen?— — —

Terwijl Lord Lister op deze wijze zijn hersens pijnigde over de beteekenis van dit eene woordje, dat hij uit den mond van den overledene meende te hebben gehoord, was de havelooze vrouw van den misdadiger, aan wier rok zich het verwaarloosde kleine meisje vastklemde, voor hem gaan staan, terwijl zij hem met schuwen blik de handvol goudstukken voorhield.

Zij durfde niets vragen, daar volgens haar meening niet aan de voorwaarde, door den rijken heer gesteld, was voldaan.

„Dus ook zij heeft niets gehoord! Zou ik mij dan toch vergist hebben? Was het misschien mijn groote verbeeldingskracht, die mij het sissende geluid als het woordje „zelf” deed verstaan?” dacht Lister.

„Als gij mij wilt beloven, dat gij u hiervoor het allereerst kleeren en voedsel zult koopen, moogt gij het geld behouden!”

„Al dit goud voor mij?” stamelde de arme vrouw met ongeloovigen en schuwen blik.

„O, men zal mij niet gelooven! Men zal mij in de gevangenis opsluiten, als men zooveel goud bij mij vindt en het kind zal van honger omkomen!”

„Zij heeft gelijk, Mr. Shaw”, sprak de geneesheer. „Geef haar liever zilver, goud kan haar slechts verdacht maken.

En het is ook veel te veel! Wat denkt gij, Mr. Shaw? Wij zijn hier niet in Amerika!”

„Nonsens!” antwoordde met echt Amerikaansche onverschilligheid de Yankee. „Geef niet alles tegelijk uit en spaar iets voor later.”

Daarop nam hij een visitekaartje uit zijn portefeuille en schreef er met zijn vulpen aan de achterzijde eenige regels op, vermeldende, dat Mrs. Cogwell, dit was de eigenlijke naam van den vermoorden Sloten-Bob, tien sovereigns eerlijk had verdiend.

Hij onderteekende het en ook de dokter zette er als getuige zijn naam onder.

„Hier, vrouw! Als iemand u wantrouwt en u wil ondervragen, toon dan dit kaartje. Bewaar het goed.

En als gij voor u en het kind eenvoudige, warme kleeren hebt gekocht, als gij gewasschen en gekamd zijt, kom dan aan het opgegeven adres aan mijn villa, in het Westeinde. Begrijpt gij?

Dan zullen wij verder zien”.

De arme vrouw staarde nog steeds ongeloovig naar al de goudstukken in haar handen en twee dikke tranen rolden langs haar magere wangen. Aarzelend deed zij het geld en het kaartje in haar zak, alsof zij een misdaad pleegde.

Daarop wilde zij Lister’s hand kussen. Maar Lister, die als vrije Engelschman dergelijke betuigingen van onderworpenheid haatte, duwde haar zacht weg en sprak:

„Goed, goed, vrouwtje. Als gij uw dankbaarheid wilt betuigen, doe dan wat ik u zeg. Geen sterken drank! Koopt er eten en drinken en kleeren en dekens voor! Daarna kunt gij u bij mij vervoegen!”

„Ja, ja, mylord, de Hemel zegene u! Gij meent het goed! Ik zal alles doen! Ach, dat mijn arme Bob dit nog had beleefd! Hij had zulk goed werk bij een rijk heer en nu is hij dood! [12]

Bob was niet slecht, mijnheer, naar hij kon helaas den borrel niet nalaten! Gij hebt gelijk mijnheer! De brandewijn is het verderf der armen!”

Bij die woorden maakte zij aanstalten om heen te gaan.

„Wacht eens even!” riep Lister. „Hij had werk bij een rijk heer, zegt gij? Heeft hij u ook verteld, hoe die heer heette?”

„Neen, mijnheer, dat weet ik niet! Bob zei alleen nog: het is eerlijk werk, Kate, en het wordt goed betaald. En toen vertelde hij mij nog—en hij was goed nuchter—dat de rijke heer hem werk voor altijd had beloofd, als hij zijn taak dezen keer goed volbracht.

Verder niets en o, ik was zoo blij!”

Lister schudde het hoofd.

Hierdoor kwam hij niet verder.

„Dus het blijft bij hetgeen wij hebben afgesproken. Ik merk wel, dat gij ook niets verder weet!”

De vrouw groette, nam haar kind bij de hand en ging heen.

[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

Charly’s ontdekking in een elegante heerenwoning.

Toen Lord Lister op vriendschappelijke wijze bij de deur van het reederskantoor afscheid had genomen van dr. Warrens, kwam tot zijn verbazing Charly op hem toe, nu in de vermomming van een Amerikaan.

„Hier staat onze auto, oom!” sprak hij gevat.

Nauwelijks hadden zij plaats genomen in de zachte kussens van het onmiddellijk wegsnellende voertuig, of Charly vertelde den uitslag van zijn navorschingen.

„Zonder de deur uit het oog te verliezen, heb ik deze auto genomen, en vanuit het raampje naar den ingang gekeken. Ik beloofde den chauffeur den dubbelen prijs en een groote fooi, als hij ongemerkt twee heeren zou volgen, die weldra uit het kantoor zouden komen, waar de inbraak had plaats gehad.

Daar ik als kruier was gekleed, betaalde ik de gewone vracht vooruit.

Wij letten dus nauwkeurig op en het duurde niet lang of de beide heeren kwamen uit de huisdeur naar buiten.

Ik had natuurlijk niet de voorste auto genomen, maar de derde. De beide heeren namen de eerste en reden weg.

Ik volgde in dolle vaart. In een der deftigste straten in het Westeinde lieten zij halt houden en stapten beiden uit.

Zij gingen een eind te voet, nadat zij hun auto hadden weggezonden en ik sloop hen na aan de andere zijde der straat.

Toen ik hen een deftig huis zag binnengaan, waarvan de deur door den jongen heer werd opengesloten, bleef ik voor een kunsthandel aan den overkant staan en wachtte of er iets te zien zou zijn, dan wel of zij er weer uit zouden komen.

Misschien wilde de oude heer gaan uitrusten of zich verkleeden. Ik stak juist mijn tabakspijp aan, toen ik zag, dat op de tweede verdieping plotseling twee vensters werden verlicht. Voordat de jalouzieën neergelaten werden, meende ik, den slanken jongen heer Apsley aan het raam te hebben herkend.

Het duurde echter niet lang of deze kwam er weer uit, riep een leeg rijtuig aan en noemde bij het instappen de Heerenclub.

Daar ik dit adres kende en veronderstelde, dat hij er vrij lang zou blijven, volgde ik hem niet, maar wachtte, of misschien de oude heer ook nog niet zou gaan.

„Uitstekend!” sprak de Lord. „En werd je geduld beloond?”

„Zeker! Er waren nauwelijks tien minuten verloopen, toen ik de deur weer open zag gaan en, met een zeer elegante overjas en cylinder, een fijne havanna in den mond, kwam de oude heer naar buiten. Hij zag er nu veel jonger en zeer vergenoegd uit.

Hij begaf zich met veerkrachtigen tred, als een jonge man, naar de Square, waar bij het kruispunt van [13]de Nelson en Campbellstreet een aantal auto’s van de Daimler-Company gestationeerd zijn. Maar ik hoorde helaas niet, welk adres hij zijn chauffeur opgaf.”

„En waarheen rijden wij nu?” vroeg Lister glimlachend.

„Nu, ik dacht, dat gij misschien de woning in de Campbellstreet, waarheen de heeren Apsley zich begaven, wel eens wildet zien.”

„Je hebt mijn bedoeling uitstekend geraden, lieve neef Robert. Maar ik word niet gedreven door gewone nieuwsgierigheid.

In de eerste plaats kost die inbraakgeschiedenis, die zoo ongehoord brutaal is, mij veel hoofdbreken. Ik kan er nog niet achter komen, wie hier de hand in het spel heeft.

Misschien vind ik in het logies van den reeder, die mij niet betrouwbaar voorkomt, de een of andere vingerwijzing, misschien ook niet!

Verder is een brave jonge man, de ingenieur der firma, die zijn chef gewichtige ontwerpen ter veilige bewaring in diens brandkast heeft toevertrouwd, bij deze zaak betrokken, misschien voor zijn verdere leven ongelukkig gemaakt.

Ik vermoed dat Mr. Apsley, die met zijn ervaring op het gebied der scheepbouwkunde, de genialiteit van dit ontwerp heeft ingezien, het stuk heeft verduisterd en dat deze inbraak hem in zooverre zeer gelegen kwam, omdat hem nu de mogelijkheid werd geopend, de verduistering van het ontwerp te maskeeren!”

„Zoo’n schurk!” riep Charly vol eerlijke verontwaardiging. „En ik had nogal zoo’n medelijden met hem wegens zijn groot verlies en verbaasde er mij daarom over, dat hij zoo welgemoed uit het huis kwam.”

„Nu, het is voorloopig ook alleen een vermoeden van mij. Ik kan mij vergissen en zou niet gaarne iemand onrecht willen aandoen.”

„Als het ontwerp ook juist nu is verdwenen, dan komt mij dat zeer verdacht voor. Je zult wel gelijk hebben met je veronderstelling. Dat was de reden van zijn goede luim!”

„Het zou prachtig zijn, als wij het ontwerp vonden. Morgen moeten de stukken namelijk zijn ingediend. Wat des middags om 12 uur niet aanwezig is, blijft buiten mededinging.

De hoop van den jongen man om een prijs te behalen, is niet zonder grond. Dit ontwerp moet geheel nieuwe ideeën bevatten.

Burton is verloofd en zou gelukkig worden als hij zegeviert, waaraan niet te twijfelen viel! Juist het verdwijnen van het ontwerp sterkt mij in mijn overtuiging, dat het een voortreffelijk stuk werk is.

Het is echter mogelijk, dat wij Mr. Apsley groot onrecht doen. Ik heb al gedacht, of hier niet een concurrent, die eveneens mededingt naar den prijs en die Burton’s genie vreest, op deze wijze Burton heeft buitengesloten.

Maar die zou zich niet vergrepen hebben aan het geld van de firma Apsley, al is het ook waar, dat de gelegenheid den dief maakt.

Ook kan het een concurreerende firma van Mr. Apsley zijn geweest, welke vreesde, dat de firma Apsley, als chef van den ingenieur Burton, wanneer deze laatste den prijs behaalde, ook in de eerste plaats in aanmerking zou komen om uitvoering te geven aan de plannen van den uitvinder.

Men kon het ontwerp laten verdwijnen en maakte meteen de firma tijdelijk onschadelijk, door de 50.000 pond te verduisteren.

Misschien komt Mr. Burton’s ontwerp weer te voorschijn als het werk van een ander. Ik zie de zaak nog niet duidelijk in. Er zijn hier veel verklaringen te geven!”

Onder het uiten van deze veronderstellingen waren de beide vrienden in de Campbellstreet aangekomen en lieten de auto stilhouden. Charly betaalde het overeengekomen bedrag en liet den chauffeur met het voertuig wegrijden, daar in de nabijheid wel weer een auto te krijgen was.

Charly had het huisnummer goed genoteerd en met den looper van den Grooten Onbekende opende deze geruischloos de zware huisdeur.

Zij klommen de met rijke loopers belegde, prachtige trappen op naar de tweede verdieping en Charly, die nauwkeurig had opgelet, wees op een hooge deur, die zich bevond tusschen de ingangen naar twee huurwoningen. Die deur gaf toegang naar de kamer met de beide vensters aan de voorzijde, die hij verlicht had gezien.

Met verbazing las Lister op een visitekaartje boven een brievenbus: „Mr. John Morris”.

„In elk geval zullen wij de kamer onderzoeken. De naam doet er eigenlijk niets toe!” meende Charly, terwijl hij aan het sleutelgat luisterde.

„Daar binnen is niemand”, sprak hij daarop.

„Laat ons dan beginnen”, vond Lister. Zijn steeksleutel paste ook hier en voorzichtig opende hij de deur.

Alles was donker. [14]

Charly streek waslucifers aan en ontdekte het draaiknopje van het electrische licht. Hij ontstak een der gloeilampjes aan de kroon en keek om zich heen.

Op hetzelfde oogenblik riep Lister met halfluide stem:

„Hoera! Het klopt! De naam Morris is slechts een aangenomen naam. Een der beide heeren Apsley, en wel naar ik vermoed de oudste, bedient zich van deze vrijgezellenkamer onder een valschen naam.

Daar ligt namelijk de vernielde jas op den stoel en op tafel het gescheurde boordje, de das en de slappe vilthoed, dien Mr. Apsley droeg, toen hij het kantoor verliet.”

Bij het doorsnuffelen van de jaszakken vielen Charly ten overvloede nog eenige brieven in handen aan het adres van Mr. Apsley Senior, zoodat nu geen twijfel meer mogelijk was.

In de elegante woonkamer werden alle laden en kasten, vooral de inhoud van het cylinderbureau, nauwkeurig onderzocht. Ook hierbij deed weer Lister’s overal passende sleutel uitstekend dienst.

Alle moeite was echter vergeefs.

Lister onderzocht zelfs de hooge rugleuning van de sofa, de muren en het buffet, maar geen geheime schuilplaats werd gevonden.

„Nu naar de slaapkamer”, sprak Lister, over den drempel stappend.

Ook hier werd een der electrische lampen opgedraaid en tegelijkertijd deed Charly het licht in de woonkamer uit.

Doch ook hier in de tamelijk leege kleerkast, in de laden van de waschtafel, zelfs in het nachtkastje, ja, onder de bedden en kussens werd niets gevonden.

Plotseling bleef hij voor een tafel met een toiletspiegel staan. Hij zette den spiegel eraf en voelde over de moiré-achtige, roode bekleeding, waarop zich op gelijke afstanden bladornamenten bevonden.

Hij had zich niet vergist.

Het blad, waarover zijn vinger onderzoekend was heengegleden, bevond zich op eenigen afstand van den vloer en was beweegbaar. Toen hij het op zij schoof, kwam een sleutelgat te voorschijn.

„Charly!” riep Lister met gesmoorde stem, „de schuilplaats!”

Charly kwam op de teenen toegesneld.

„Drommels, jij weet alles te vinden!” fluisterde hij vol bewondering.

Lister had zijn looper reeds in het sleutelgat gestoken en de zoo zorgvuldig verborgen deur van een muurkast bewoog zich geruischloos in haar scharnieren.

Toen de kast zich voor hun oogen had geopend, stonden Lister en Charly stom van verbazing!

Het was wel niet het ontwerp van den ingenieur dat zij voor zich zagen, maar voor hen lag de som geld, die door Raffles zou zijn gestolen, de 50,000 pond sterling, meer dan een half millioen aan Hollandsch geld, in zakken, rollen, banknoten en credietbrieven.

Zooals een nader onderzoek, dat Lord Lister later instelde, bewees, was het volle bedrag nog bij elkaar.

Raffles keek vol verbazing Charly aan, die sprakeloos naast hem stond. Daarop sprak Lister hoofdschuddend:

„Op deze toch zoo voor de hand liggende mogelijkheid was ik—waarschijnlijk uit achting voor het menschelijk karakter—niet gekomen!

Dwaas die ik ben, de gewurgde man heeft het mij, toen hij een oogenblik tot bewustzijn kwam, duidelijk gemaakt!

Hij bedoelde met het woordje „zelf”, dat zelfs de dokter niet, maar ik wel heb verstaan, niet zichzelf, maar hemzelf, den ouden reeder, zijn lastgever en—moordenaar!

De vijftigduizend pond waren hier reeds in veiligheid, toen de inbreker van beroep, om de zaak geloofwaardig te maken, de brandkast moest opensmelten met het moderne knalgas-blaastoestel.

Om den man onschadelijk te maken, misschien ook om den inbraak geloofwaardiger te doen schijnen, hebben de beide heeren Apsley te zamen den inbreker met het daartoe gereedliggende koord gewurgd.

De voorname, rijke heer, waarvan Bob heeft gesproken, was de reeder. Het eerlijke werk was de opdracht van den eigenaar, om de brandkast te openen. Wie weet, welke redenen men hem daarvoor had opgegeven.

Daarvoor had Apsley beloofd, hem doorloopend werk te geven. In zekeren zin, maar op afschuwelijke wijze, heeft hij die belofte ook gehouden!”

Lister rilde en Charly was bleek geworden, toen hem de groote verdorvenheid van dezen rijkaard uit Lister’s woorden duidelijk werd.

„Deze man, van wien men alles kan verwachten, heeft ook het ontwerp van den ingenieur in zijn bezit. Daaraan valt in ’t geheel niet te twijfelen. Maar hij draagt het, omdat het zoo kostbaar is, misschien bij zich!

En nu geloof ik stellig, dat die geheele gefingeerde inbraak, ja, zelfs de koelbloedige moord op dien beklagenswaardigen Bob, die juist bezig was, zich [15]weer aan eerlijken arbeid te wijden, enkel en alleen het middel was om het verdwijnen van het ontwerp voor het bouwen van een onderzeesche boot geloofwaardig te maken!

Wij moeten ook dat ontwerp nog vinden, al zou ik het dezen onmensch ook met geweld moeten afhandig maken!”

Lister knarste met de tanden en zijn oogen fonkelden van toorn en verontwaardiging.

„Ik wil hem straffen met de straf, die hem het hardst zal treffen.

De rijke man zal tot bedelaar worden! Ik wil zien, of hij het zal dragen met de kracht en waardigheid, waarmede mijn vader het droeg, waarmede ik het heb gedragen, toen verdorven bloedverwanten ons erfdeel roofden!

Ik, Raffles, veroordeel u, beide heeren Apsley, onwaardige schurken, om voortaan tot de bedelaars te behooren! Maar niet tot die, welke met een rein geweten en vroolijke blijmoedigheid hun eerlijke armoede dragen, neen, tot de bedelaars, die geen rust kunnen vinden, omdat hun hartstochten en hun geweten, omdat de gedachte aan alle schatten, die zij hebben verloren, hun geen rust gunt!

Bedelaars—bedelaars, opdat gij in al uw ellende en minderwaardigheid bekend zult worden!”

Lord Lister streek zich met een zucht over het bleeke gelaat, waarop diepe ontroering te lezen stond.

„Ik begrijp niet wat mij opeens zoo overweldigde! Maar deze slechtheid grenst ook aan het ongelooflijke.

En nu aan het werk, Charly! Luister naar hetgeen je moet doen! Neem een auto aan de Square, betaal drie- of vierdubbele vracht, maar vlieg, opdat je terug bent, voordat de schurken terug komen.

Rijd naar onze villa en haal in de tasch de valsche banknoten hier!

Zoo snel als je kunt! Ik blijf hier. Zij zullen niet zoo gauw komen!

De jonge Apsley kan niet zoo gauw afscheid nemen van het spel in de Club en als de oude onmensch komt, terwijl ik hier ben, dan zal hij een onaangenaam kwartiertje beleven!”

Charly nam vol geestdrift zijn bevelen in ontvangst en snelde heen.

Lord Lister nam op de sofa plaats, legde zijn kleine revolver voor zich op tafel en stak, om zichzelf eenigszins te kalmeeren, een sigaret aan.

In diepe gedachten zat hij daar en was zeer verbaasd, toen Charly reeds binnen zeer korten tijd met de groote tasch terug kwam.

Dezen keer echter was zij vol en zwaar, want zij bevatte alle banknoten, die den schilder waren ontnomen.

Lister stak zijn revolver in den zak en stond op.

„Je auto moet wel haast gevlogen hebben”, sprak hij.

„Dat geloof ik bij driedubbelen prijs!” antwoordde Charly.

Na een vluchtige schets te hebben gemaakt van de indeeling der kast, waarbij hij noteerde, welke geld- en bankpapiersoorten elk vak bevatte, nam nu Lister met behulp van Charly de valsche banknoten uit de reistasch en legde ze, naar de waarde verdeeld, op de toilettafel.

Daarop eerst nam hij de zakken en rollen goudstukken en de verschillende stapels bankpapier uit den schuilhoek en borg alles in de tasch: 50,000 pond sterling!

Nu verdeelde Lister de valsche bankbiljetten in de vakjes van de kast ongeveer zoo, als het echte geld daarin had gelegen.

Overal waar zooeven nog het geld had gelegen, bevonden zich nu de daarmee in waarde overeenkomende valsche banknoten.

Een nauwkeurig onderzoek kon deze verandering natuurlijk niet doorstaan, des te minder, omdat de zakken en rollen ontbraken, maar bij oppervlakkige beschouwing zou men de verwisseling van het geld in het geheel niet hebben waargenomen.

Hierna sloot Lister voorzichtig de kastdeur en schoof het blad weer voor het slot.

Ook den toiletspiegel zette hij precies weer op de oude plaats.

Hij draaide het electrische licht uit en beiden gingen de woonkamer binnen.

Alles was daar nog zooals zij het hadden aangetroffen en zij overtuigden zich ervan, dat zij niets hadden achter gelaten, wat hun aanwezigheid zou kunnen verraden.

Zij gingen nu zoo zacht mogelijk de kamer uit en begaven zich naar het trappenhuis. Daar heerschte duisternis en stilte.

Onhoorbaar sloot Lord Lister de deur achter zich af.

Hij had juist het handvat van de tasch mee beetgepakt, om Charly bij het dragen van het zware voorwerp behulpzaam te zijn, toen hij staan bleef. Zijn scherpe ooren hadden het geluid gehoord van een huissleutel, die in het slot werd gestoken.

„Halt, Charly,” fluisterde hij. „Het is mogelijk, dat de persoon, die daar komt, in een der andere woningen moet zijn.”

Maar de schreden naderden de trap en tegelijkertijd [16]werden ook twee stemmen vernomen, een zwaardere mannenstem en een vrouwelijke.

„Zij komen naar boven,” fluisterde Charly, die zich voorzichtig voorovergebogen had. „Hij strijkt een lucifer aan. Het is de oude Apsley!”

„Dan voorzichtig een trap hooger gegaan, Charly,” sprak Lister zacht en met groote kalmte.

Zij namen onhoorbaar de tasch op en slopen op de teenen naar de volgende trap. Een paar treden in de hoogte zetten zij de tasch neer en luisterden.

En zij hoorden het volgende stichtelijke gesprek:

„Hoeveel geef je mij, oudje, zeg eens?”

„Daar zullen wij binnen over spreken, bij sherry en gebak.”

„Nu, ook goed! Ik heb zoo’n afschuwelijken honger, oudje. Krijg ik een sovereign? Nietwaar? Je bent een nobele jongen, ik krijg er een?”

De reeder lachte.

„Als je je eischen niet hooger stelt, met genoegen! En als je heel lief bent, misschien zelfs wel twee!”

„O, mijn lieve ouwetje! Daarvoor heb ik je hartstochtelijk lief!”

Zij moest hem wel omhelsd en gekust hebben, want de heer Apsley sprak lachend:

„Mijn hemel, wat een liefdesvuur voor twee sovereigns! Laat mij ten minste de deur eerst opensluiten, vleistertje!”

En hij opende de deur, zoodat de weer dichtvallende deur den beiden luisteraars belette, nog iets van het gesprek te hooren. Zij hoorden alleen nog, hoe de respectabele oude heer zich met de straatdame, die hij ergens had opgepikt, in de kamer opsloot.

Toen Lister en Charly de straat hadden bereikt, namen zij op de dichtstbijzijnde standplaats een auto, waarin Charly met de tasch plaats nam, terwijl Raffles zich naar de Heerenclub liet rijden.

[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

Aangenaame verwachting en onaangename verrassing.

Toen de reeder zijn kamer met zijn gezellin was binnengegaan, draaide hij twee lichten der electrische kroon aan en sprak lachend:

„Nu, maak het je gemakkelijk, kleintje. Hoe heet je eigenlijk?”

„Ik ben je Claire, oudje! Maar drommels, hier is het piekfijn! Wat moet je rijk zijn! Ik mag je hier wel dikwijls bezoeken, nietwaar?”

Mr. Apsley lachte hartelijk.

„Een flinke vrouw ben je! Je neemt als een handig handelsreiziger elke gelegenheid te baat om vaste klanten te krijgen!”

Claire lachte mee en ontdeed zich om te beginnen van haar reusachtigen, modernen hoed, die van buiten grijs en van binnen rood was. Daarop trok zij ongegeneerd haar grijze blouse uit en ging met bloote armen in een hoek van de sofa zitten.

Ook de reeder maakte het zich gemakkelijk. Hij trok overjas, gekleede jas en gesteven vest uit en legde zijn gouden horloge met zwaren ketting op zijn schrijftafel.

Toen bracht hij zijn kleeren naar de slaapkamer en kwam eenige oogenblikken later in een gemakkelijk fluweelen huisjasje weer te voorschijn.

Ook de nette laarzen trok hij uit en deed fijne viltpantoffels aan.

„Zoo, mijn lief, blond poesje, nu is het veel behaaglijker!”

„Maar je hebt mij beloofd, mij wat te eten te zullen geven, oudje; ik heb zoo’n ontzettenden honger!”

„Zeer juist opgemerkt”, antwoordde de reeder. „Overal gaat de honger voor de liefde. Dat is een natuurwet, zoolang de wereld bestaat! Nu, wij zullen eens zien, wat er is!”

Apsley senior ging naar het buffet en opende de bovenste kast ervan.

„Wacht, daar is nog zalm!” sprak hij.

„Ach ja, zalm, heerlijk! heerlijk!” riep het meisje verrukt uit. [17]

De reeder zette een nog vrij groot stuk zalm, boter, wittebrood en gebak op tafel en nam uit een ander kastje van het buffet een pas aangebroken flesch sherry en twee glazen.

„Nu, eet en drink zooveel je lust, hongerig schepseltje! Zoo, wensch je ook een mes en vork?”

Hij opende een lade en gaf Claire het benoodigde. Daarop schonk hij de glazen vol en stiet met haar aan. Zij dronk gretig.

„Hè! Zoo iets lekkers heb ik in langen tijd niet gedronken!”

Daarop wijdde zij zich met alle aandacht aan de zalm en het brood en gaf tot groot vermaak van den reeder uiting aan haar aangename gewaarwordingen door onverstaanbare geluiden.

De oude Apsley, die waarschijnlijk ergens anders had gesoupeerd, stond haar gewillig het geheele stuk zalm af. Hij dronk zijn sherry en nam er een stuk taart bij.

Nadat de zalm en verschillende boterhammen waren verorberd, begon het jonge meisje met grooten ijver van het gebak te eten, dat als sneeuw voor de zon verdween.

Eindelijk scheen de honger gestild te zijn. Met een zucht van voldoening leunde zij in den stoel achterover.

„Ach, dat heeft goed gesmaakt! Zooiets goeds krijgt iemand van ons slag niet elken dag. O, ik zal altijd graag bij je komen! Ik zal je mijn adres geven en zoodra je mij schrijft, kom ik!”

„Dat kunnen wij doen!” vond de reeder met een vroolijk glimlachje. „Meisje, jij bevalt mij! Kom, geef mij een kus!”

„Voor zulk heerlijk eten en twee sovereigns zooveel als je wilt!”

Zij vlijde zich tegen den reeder aan, die intusschen naast haar op de sofa had plaats genomen en kuste hem vol vuur.

„Zoo, mijn beste! O, ik heb je zoo lief en je zult tevreden over mij zijn! Maar geef mij nu eerst de twee sovereigns, die je mij hebt beloofd. Daaraan wil ik zien, oudje, of je evenveel van mij houdt als ik van jou!”

Mr. Apsley lachte.

„Drommels! In jouw aderen vloeit het echte Engelsche handelsbloed. Jammer, dat je geen man bent! Met jouw handelsgeest zou het je als koopman goed zijn gegaan!

Zelfs in het vuur van de heetste liefde denk je aan geld! Dat is bewonderenswaardig!

Maar, stel je gerust, je hebt het dezen keer gelukkig getroffen! Ik ben in zulk een tevreden stemming, dat ik eens nobel wil zijn. Ik zal je, als je heel lief wilt zijn, een biljet van vijf pond geven.”

„Hoeveel?” vroeg het meisje aangenaam verrast. „Dat geloof ik niet, oudje! Zoo zullen de biljetten van vijf pond je wel niet op den rug groeien! Kom, geef dan hier, dan zal je mij morgen zelf moeten bekennen, dat je je nog nooit zoo goed geamuseerd hebt als met mij!”

„Mooi!” antwoordde Mr. Apsley en deed, alsof hij iets uit den zak van zijn fluweelen jasje wilde halen. Dit onnoozele meisje behoefde niet te weten, dat hij het biljet uit de muurkast ging halen.

„Ach ja”, sprak hij daarop, „het is waar, ik heb mijn kleeren in de kast gehangen! Wacht even.”

De reeder ging naar zijn slaapkamer, tastte in het donker naar het afsluitblad, haalde zijn sleutelbos te voorschijn uit den broekzak en opende de kast. Hij greep in het vak, waarin de banknoten van vijf pond lagen en nam daar een uit. Daarop sloot hij de kast weer en kwam in de woonkamer terug.

„Hier, ongeloovige Thomas, daar heb je het bankbiljet!”

Hij wierp een vluchtigen blik op het biljet en gaf het aan het meisje.

„Ben je nu tevreden, kind?”

Hij nam weer naast haar plaats en legde zijn arm om haar middel, in het bewustzijn, daar nu het volste recht op te hebben.

Maar zoo hij het meisje eenige oogenblikken wegens haar handelsgeest had bespot, hij zou nu gewaar worden, dat zij werkelijk een koopvrouw was.

Waarschijnlijk had zij in haar leven reeds minder aangename ervaringen opgedaan met valsch geld, in elk geval, zij stak het bankbiljet niet, zooals misschien zooveel vrouwen van haar soort gedaan zouden hebben, onmiddellijk in haar zak, maar zij onderzocht het biljet van vijf pond lang en nauwkeurig.

Apsley keek met een spotlachje naar haar.

„Alsof zij er verstand van had!” dacht hij.

Na eenige minuten echter gaf zij hem het biljet terug en sprak vol minachting:

„Nee, oudje, daar vlieg ik niet in. Voor zoo dom moet je mij niet aanzien! Dit biljet is valsch!”

De reeder lachte luidkeels.

„Waaraan zie je dat?”

Maar onwillekeurig bekeek ook hij het biljet met aandacht.

„Het is in elk geval fonkelnieuw en.….…. Mijn hemel! Maar het is werkelijk valsch! Het is het goede papier niet! Het watermerk ontbreekt!” [18]

Het gelaat van Mr. Apsley werd donkerrood, hij snelde letterlijk naar de slaapkamer, woedend, dat men hem een valsch bankbiljet in de handen had gestopt.

Snel draaide hij het electrische licht op en opende zijn geheime kast, want hij was bang, dat zich onder zijn geld nog meer onechte biljetten konden bevinden.

Hij keek in de kast en zijn knieën knikten.

Wat hem in donker zooeven niet was opgevallen, zag hij nu op den eersten blik.

De zakken en rollen met de goudstukken ontbraken. Hoe hij ook zocht en de pakketten papiergeld optilde en opzij zette, hij vond ze niet terug, zij waren verdwenen.

Nu maakte een onuitsprekelijke angst zich van hem meester en eerst nu kwam de gedachte in hem op, dat ook de andere biljetten weleens valsch konden zijn.

Hij moest zich aan de waschtafel en aan de deur van de kast vasthouden om niet neer te vallen.

Met sidderende hand onderzocht hij het eene biljet na het andere en wierp ze woedend in de vakjes, waaruit de goudstukken waren verdwenen.

Eindelijk bekeek hij de biljetten ter waarde van vijftig pond.

„Alles valsch! Alles valsch!” kermde hij. Zijn krachten begaven hem, zijn knieën knikten en machteloos zonk de reeder, die zooeven nog zoo levenslustig was geweest, op den grond neer.

Hij kon niet meer denken en drukte beide handen tegen zijn gloeiend voorhoofd.

Het meisje, dat op de sofa in de zitkamer nog steeds zat te wachten, begon eindelijk ongeduldig te worden.

Kom je, oude heer?” riep zij op luiden toon. „Kom, wees lief en breng een echt bankbiljet voor mij mee, of een handvol sovereigns, die heb ik nog liever!”

Maar de reeder had allen lust voor liefdesavonturen verloren.

„Loop naar den duivel, deerne!” riep hij woedend uit. „Wil je mij nog bespotten ook? O, ik ben op een vreeselijke manier bedrogen.”

En als een bliksemstraal schoot het plotseling door zijn hoofd:

„Raffles—Raffles—dit is de wraak van Raffles!”

Hij verloor het bewustzijn en zakte ineen.

Het meisje wachtte nog een tijd lang. Toen echter alles stil bleef na het geluid van den val, stond zij op en sloop onhoorbaar naar de openstaande deur der slaapkamer.

Hier zag zij Apsley roerloos op den grond liggen.

„Misschien heeft hij een beroerte gehad!” fluisterde zij. „Dat komt wel eens meer voor bij oude heeren.

Jammer voor hem, maar mij laat het koud! Wat kan mij zoo’n oude kerel schelen, als hij geen geld heeft!”

Maar ook in dit vreeselijke oogenblik liet haar koopmansgeest haar niet in den steek. Zij keek met onderzoekende blikken om zich heen, eigenlijk in hoofdzaak, om den huissleutel te zoeken.

Zij ontdekte dezen ook op den schrijftafel van den reeder en nam hem op. Toevallig echter lagen Apsley’s zwaar gouden horloge en de ketting er naast en misschien was het alleen uit behoefte aan orde en netheid, dat zij ook deze beide voorwerpen opnam en in haar zak stak.

In een ommezien had zij zich gekleed en haar rooden reuzenhoed opgezet. Nogmaals luisterde zij, of de oude heer rustig was. Toen zij geen geluid vernam, ontsloot zij zacht de kamerdeur, sloop naar buiten, deed de deur achter zich dicht en weldra was Miss Claire met de waardevolle eigendommen van Mr. Apsley in den donkeren nacht verdwenen.

Den huissleutel alleen nam zij niet mee, maar liet hem in het slot steken. [19]

[Inhoud]

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Onverwachte gebeurtenissen in de Heerenclub.

Toen Lord Lister in de vermomming van den welgedanen Amerikaan het marmeren salon van de Heerenclub was binnengegaan, waar achter gesloten deuren allerlei hazardspelen werden gehouden, keek hij overal rond.

Het beruchte hazardspel wordt, zooals bekend is, door een bankhouder gespeeld tegen een aantal pointeurs. Van een spel van 52 kaarten krijgt ieder er 13 stuks, van het aas tot de 2, waarvan hij een of meer kan bezitten.

De jonge Apsley hield de bank en hem zocht Lord Lister.

Hoewel natuurlijk, zooals bij de meeste hazardspelen, de bankier het voordeeligst af is, scheen Mr. James Apsley hedenavond nog niet veel geluk te hebben gehad.

Hij had slechts een matige winst gehad en wat hij moest uitbetalen, had de winst verre overtroffen.

Mr. James was nog bleeker dan gewoonlijk en het zweet stond op zijn voorhoofd.

Om zijn zenuwen te sterken, goot hij twee glazen cognac naar binnen, voordat hij zijn champagne, die de kellner juist voor hem had binnengebracht, begon te drinken.

Hierop wijdde hij weer alle aandacht aan het spel.

Zijn oogen openden zich wijd van verbazing, toen hij ook den dikken Amerikaan met onverschillig uiterlijk aan de speeltafel zag staan en deze zich door den kellner 13 kaarten liet geven.

Een lichte blos van verlegenheid kleurde het gelaat van den jongen Apsley, omdat de Amerikaan hem hier aan de speeltafel zag, onmiddellijk nadat deze heer van zijn vader had gehoord, dat bij de inbraak hun geheele vermogen verloren was gegaan.

Hij voelde zich gedrongen om den Amerikaan te groeten, wat deze doodbedaard met een beleefde buiging van het hoofd beantwoordde.

Lister had vijf kaarten bezet, ieder met 5 pond, zoodat de inzet dus 25 pond bedroeg.

Mr. James Apsley wierp nog een glas champagne naar binnen.

Daarop schudde hij zorgvuldig de kaarten, nam de twee bovenste er af, nadat hij de onderste kaart had laten zien, die geen winst geeft, doch den bankhouder ten goede komt.

Nadat de eerste keer was getrokken, had de Amerikaan het dubbele bedrag op zijn kaarten staan, namelijk 600 gulden, terwijl de heer Apsley Junior minstens evenveel had verloren, daar hij ook aan de andere spelers had moeten uitbetalen.

Zijn vingers trilden zichtbaar, toen hij opnieuw de kaarten schudde en door Mr. Shaw liet trekken.

Va tout!” (het gaat om den geheelen inzet) riep Lord Lister op kalmen toon.

„Drommels, wat is dat, Mr. Shaw?” vroeg hem een zijner kennissen, die ook meespeelde, „gij geeft den bankhouder immers alle voordeelen! Het zou al heel toevallig zijn, als gij dezelfde kaarten weer kreegt.”

„Nu, dat wil ik toch eens zien!” antwoordde de vermeende Yankee met onverstoorbare, echt Amerikaansche kalmte, „ik heb een voorgevoel, alsof Mr. Apsley, onze voortreffelijke bankhouder, vandaag niet erg gevaarlijk is. Het is voor de Apsleys een ongeluksdag!”

Mr. Apsley’s gelaat werd donkerrood.

„Wat wilt gij daarmee zeggen, Mr. Shaw? Mag ik u om opheldering van uw woorden verzoeken?”

„Als ik mijn inzet liet staan op dezen voor u zoo ongelukkigen dag, waarop uw firma door inbraak voor 50,000 pond is bestolen, dan deed ik dat, omdat ik u de kans wilde geven, voor u zelf of uw schuldeischers dit verlies ten minste voor een klein gedeelte te boven te komen!”

Mr. Apsley werd donkerrood.

„Ik bedank beleefd voor uw ongewenschte grootmoedigheid.

In de eerste plaats heb ik nog geld genoeg en in de tweede plaats zal ik met behulp van mijn vrienden in staat zijn elk verlies te dekken! [20]

„Daaraan twijfel ik evenzeer, Mr. Apsley, als uw vader. Gij herinnert u zeker wel, dat ik erbij stond, toen hij handenwringend verklaarde, dat de firma Apsley bankroet was.

Ik weet niet, of op zulk een dag de speelzaal van de heerenclub wel de rechte plaats is om die verliezen terug te krijgen! Gij kent toch zeker wel de bijbelspreuk, die van zooveel diepe wijsheid getuigt:

„Wie iets heeft, aan hem wordt gegeven en wie niets heeft, van hem wordt ook nog genomen, dat wat hij heeft!”

„Zijt gij misschien speciaal hier gekomen met het doel om uw goedkoope methodistenwijsheid aan den man te brengen?” schreeuwde Mr. Apsley, die reeds half dronken was.

Maar eenige leden der Club en goede kennissen kalmeerden hem.

In de zaal hadden zich groepjes gevormd, die de woorden van Mr. Shaw bespraken. Verscheiden heeren konden de waarheid der mededeelingen bevestigen en een van hen toonde zelfs het extra avondblad van de Times, waarin de inbraak—volgens opgaven van den reeder natuurlijk!—in alle bijzonderheden werd beschreven.

Ook de bestuursleden der Club stonden in een afzonderlijke groep bij elkaar in een der kleine zijzalen, waar aan marmeren tafeltjes gelegenheid tot soupeeren was.

Zij zetten bedenkelijke gezichten en schudden de hoofden.

Zij gaven Mr. Shaw volkomen gelijk en besloten, nauwkeurig te letten op het spel van James Apsley en hem niet meer toe te staan, speelschulden te maken, om hun andere leden voor verliezen te bewaren, als werkelijk de firma insolvent zou worden verklaard.

Intusschen had Mr. James nog een paar glazen cognac naar binnen gespoeld. Hij was echter zoo kort aangebonden en onvriendelijk tegen zijn vrienden, dat deze zich beleedigd terugtrokken.

„Nu, hoe is het? Wij wachten hier nog steeds! Ik wil, ondanks al uw onbeleefdheden, u deze kans nog geven. Va tout!

„Voor mijn part dan!” riep Apsley, bij voorbaat reeds genietend in het vooruitzicht van zijn overwinning. Maar de kaarten, die hem in vroegere dagen zoo dikwijls hadden gelokt, totdat hij reddeloos aan den speelduivel was vervallen, zij lieten hem op dit oogenblik in den steek.

Onophoudelijk won Lister en toen het spel uit was, had de Amerikaan honderd pond sterling op zijn kaarten staan.

Mr. James veegde zich het zweet van het voorhoofd. Hij had nu op dezen avond reeds de helft verspeeld van de 500 pond, die zijn vader hem had gegeven, toen de 50,000 pond waren overgebracht naar de geheime kast van de vrijgezellenkamers.

Maar hij dacht er niet aan om op te houden, want hij wist immers, dat in de kast van zijn vader zich een zeer groot bedrag bevond en dat hij dus dit verlies gemakkelijk zou kunnen betalen.

Ook twijfelde hij er niet aan, of zijn vader zou hem, al was het ook na eenige verwijten te hebben geuit, het verloren bedrag wel teruggeven.

Maar het hinderde hem, dat juist die Amerikaan alles had gewonnen en hij zwoer zichzelf, hem zijn winst weer afhandig te maken.

Hij keek echter verbaasd op, toen de Amerikaan zonder een spier van zijn gelaat te vertrekken, kalm sprak:

„Wilt gij uw geheele verlies met een enkelen slag terugwinnen? Hoeveel staat er in de bank?”

Apsley schrok, maar hij wilde dit niet laten merken. Een verraderlijke uitdrukking kwam in zijn oogen.

Zeker wilde deze dwaze Yankee nogmaals op dezelfde kaarten zetten! Dat beteekende voor den bankhouder een bijna zekere winst. Deze gelegenheid moest hij aangrijpen!

„Hier liggen 150 pond”, sprak hij na vlug geteld te hebben en hij haalde zijn laatste 100 pond uit den zak, welke hij erbij zette.

„Nu staan er 250 pond op de bank”, vervolgde hij.

„Apsley, zijt gij door den duivel bezeten?” riepen verscheiden stemmen.

„Hij heeft de beste kansen!” riepen anderen. „Gij verliest, Mr. Shaw, dat is zoo zeker als twee maal twee vier is.”

Va banque!” riep onder ademlooze stilte der aanwezigen, die zich nu om de speeltafel verdrongen, Lord Lister.

James trilde van opgewondenheid.

Hij nam een glas cognac en dronk dat in een enkelen teug leeg.

„Om ’s Hemels wil, Apsley!” vermaande hem een der bestuursleden, „drink toch niet meer! Gij maakt u steeds meer opgewonden!”

Maar de jonge man veegde zich het zweet van het voorhoofd.

„Waarom ben ik zoo zenuwachtig?” vroeg hij zichzelf af, ik heb toch de meeste kans.” Wat hinderde [21]hem in het ergste geval zulk een onbeduidend verlies?

Al meende de wereld ook, dat hun vermogen weg was, hij wist immers beter! Zijn vader moest toch voor hem betalen. Wat had hij dus te vreezen?

„Ik geef u nogmaals kans om te winnen!” sprak de Amerikaan op ijskouden toon. „Ik laat ook nu mijn inzet op dezelfde kaarten staan.”

Van alle kanten hoorde men uitroepen van verbazing, en werden zelfs weddenschappen aangegaan.

Niemand geloofde aan het geluk van den Amerikaan.

„Zooals gij wilt”, antwoordde Mr. James schouderophalend.

Alle aanwezigen hadden opgehouden mee te spelen en keken vol spanning naar den, zooals zij meenden, ongelijken strijd.

Opnieuw schudde de bankhouder de kaarten en trok.

Maar zijn aanvankelijke kalmte maakte plaats voor steeds grooter opgewondenheid. De eene kaart na de andere viel bij het trekken weer aan den kant van Lord Lister.

De handen van James Apsley beefden toen hij Mr. Shaw de gewonnen 250 pond toeschoof.

Hij zocht gejaagd in den borstzak van zijn deftige, gekleede jas. Hij haalde zijn portefeuille te voorschijn en opende die.

Maar het gaf niets. Zij was leeg. Hij zocht ook in den anderen zak en haalde er een groote enveloppe uit. Ook hierin bevond zich geen enkel bankbiljet.

Hij had alles verspeeld, de 500 pond waren naar den duivel.

Opgewonden en bevend stak hij het couvert, waarin zich alleen een manuscript op blauw papier bevond, weer bij zich.

„Mr. Darley”, sprak hij tot een zijner vrienden, met wien hij zeer intiem was, „ik zou nog een poging willen wagen, leen mij—!”

„Ga naar huis, Apsley! Dat zal het beste voor u zijn! Ik heb weinig bij mij!”

„Mr. North, zoudt gij misschien zoo goed willen zijn—”

„Het doet mij leed, Apsley, maar ik vind, dat gij heden, bij de geruchten, welke in omloop zijn, beter hadt gedaan, niet te spelen. Wat moeten uw schuldeischers daarvan denken!”

Overal weigeringen! Hij gaf het op, en toch, welk een voldoening om dezen Amerikaan toch nog weer te kunnen overwinnen!

Haastig dronk hij nog een glas cognac en riep:

„Mijn heeren, ik geef de bank over! Laat een ander zich in mijn plaats met Mr. Shaw meten!”

Lord Lister glimlachte.

„Zoudt gij nog tegen mij willen spelen, Mr. Apsley? Nu, ik bega misschien een domheid, maar ik wil u iets leenen. Misschien wint gij juist daarmee, zooals meermalen gebeurt.

Maar na hetgeen mijnheer uw vader heden vertelde, zult gij begrijpen, dat ik voor mijn geld eenig onderpand vraag”.

„Hel en duivel, Sir. Twijfelt gij misschien aan mijn eerewoord?”

„Dat niet, maar gij zoudt er morgen wel eens anders over kunnen denken dan heden”, antwoordde Lister met nadruk.

„Ja, ik zou alles weer van u willen terugwinnen, dat is mijn vurigste wensch!”

„Dat geloof ik! Mooi! Welk pand geeft gij?”

„Wat wenscht gij? Horloge en ketting? Mijn ringen?”

„Wat doe ik met dien rommel, als gij het geld niet teruggeeft? Neen, het moet iets zijn, dat mij uw komst waarborgt. Hebt gij niets dergelijks?”

„Jawel, ouwe Yankee, ik heb hier iets! Maar ik moet het morgen kunnen terughalen.”

„Breng mij morgenochtend het geld en gij krijgt uw onderpand terug. Wat is het?”

Apsley dronk een glas champagne, zijn oogen waren met bloed beloopen.

„Maar dat zeg ik je, Yankee, als ik je morgenochtend het geld breng en je weigert mij de teruggave, dan schiet ik je neer als een hond. Bedenk dat wel!”

De president der Club legde zijn hand op den schouder van James Apsley.

„Mr. Apsley, ik moet u verzoeken, u te matigen in uw uitdrukkingen en geen bedreigingen te uiten tegen gasten der Club. Uw positie als lid van deze Club is na alles, wat er is voorgevallen, niet al te zeker! Gij gedraagt u heden, zooals dat een onzer leden onwaardig is.”

„Als gij alle kletspraatjes gelooft! Ik onderhandel immers met Mr. Shaw. Wat wilt gij eigenlijk?”

„Hij is stomdronken! Men moet hem daarom iets vergeven bij zijn verlies van hedenavond”, sprak de president, Lord Readen, tot den kassier van de Club. „Maar neem de cognac weg, kellner!”

Maar Mr. James verlangde dien sterken drank juist. Hij zag de karaf wegbrengen en trok ze den kellner uit de hand.

„Wat ga je doen, domkop? De cognac blijft hier! Dat is het beste, wat er is!”

Hij schonk zich een glaasje vol en dronk het leeg. [22]

Hierop waggelde hij naar den Amerikaan toe, hij trok het manuscript op blauw papier uit zijn linkerborstzak en wierp het voor Mr. Shaw op de groene tafel neer.

„Wat is dat?” vroeg Lord Lister op ijskouden toon.

„Dat zal ik u zeggen. Gij zult er wel niets van begrijpen, het is een door mij gemaakt ontwerp voor het bouwen van een onderzeesche boot, dat ik morgen op het Admiraliteitsgebouw moet bezorgen.”

De aanwezigen spitsten de ooren. Dat had men niet gedacht van dezen speler en zwierbol.

Hij was wel scheepvaartkundig ingenieur, maar men had er niet veel respect voor.

Zou men zich zoo vergist hebben?

Lord Lister glimlachte: het groote moment was gekomen!

„En dit geniale ontwerp, dat van mij is en iets geheel nieuws brengt— —Wat wilde ik zeggen? O ja! Dat zal ons verlies door dien vervloekten Raffles spoedig weer vergoeden.

Wilt gij mij hierop 25 pond leenen?”

Lister sloeg het manuscript open, om zich van den inhoud te overtuigen.

Juist: teekeningen in witte lijnen op blauw papier en de technische beschrijving.

Hij stak het geniale ontwerp in zijn zak en wierp vijf biljetten van vijf pond voor James op de groene tafel.

„Morgen, of liever dezen ochtend, kunt gij het ontwerp terugkrijgen, als gij mij het geld terugbrengt.”

Lord Lister glimlachte.

Intusschen had Mr. James de rest der cognac in een glas geschonken en dit leeggedronken. Zijn oogen staarden zonder uitdrukking en het eerst zoo zorgvuldig gepomadeerde haar zat slordig en liet het begin van een kalen kop doorschemeren.

Dikke zweetdroppelen parelden op zijn voorhoofd en slapen en zijn trekken waren verwrongen.

„Apsley ziet er afschuwelijk uit”, sprak de voorzitter tot zijn vrienden, Mr. Darley en North. „Men moest hem beletten, door te spelen!”

„Dat ben ik volkomen met u eens, president!” sprak Darley ernstig. „Ik zal— —”

Maar reeds had Apsley de kaarten weer opgenomen en riep:

„Ik houd de bank nogmaals! Wie zet?”

Op een wenk van den president trokken zich de leden en geïntroduceerden terug. Alleen Lord Lister sprak met onverstoorbare kalmte:

„Als gij het inderdaad wenscht, Mr. Apsley, ben ik bereid, u revanche te geven!”

„Dat hoop ik, Mr. Shaw! Maar ik zie, dat gij nog maar alleen zijt. Waarom dan al die drukte? Zwart voor u, rood voor mij! Wat het eerst valt, wint!”

„Zooals gij wilt, Mr. Apsley! Voor mijn part verliest gij de 25 pond ook nog!”

De geheele Club drong zich om de groene tafel, om dit roekelooze spel gade te slaan.

Apsley schudde, liet Mr. Shaw afnemen en wierp de eerste kaart neer:

Hartenvrouw!

Apsley had gewonnen!

Onverschillig gaf Lister hem 5 biljetten en de belangstelling der toeschouwers werd steeds grooter.

„Datzelfde nogmaals!” riep de Amerikaan.

Va tout!

Bij die woorden legde hij tien biljetten van vijf pond voor zich neer.

Toen Apsley weer de eerste kaart trok, was het klaveraas. Apsley had alles verloren. Hij keek een oogenblik met zijn bloedbeloopen oogen naar de vierkante gestalte van den Amerikaan, die de hem toegeschoven biljetten kalm bij de zijne legde, als wilde hij zich op den Yankee werpen.

Zijn borst ging hijgend op en neer en hij moest zich aan de tafel vasthouden. Zijn gedachten waren verward.

„Hij mag niet zegevieren! Ik wil mij wreken! Ik wil hem geld en ontwerp weer af winnen! De kaarten kunnen toch niet betooverd zijn! De aanhouder wint!”

„Mr. Shaw!” riep hij op luiden toon.

Lister vroeg zich af, of hij nu niet heen zou gaan. Hij had het ontwerp in zijn bezit. Hij was er zeker van, dat dit het rechtmatige eigendom was van den ontwerper, Mr. Burton en dat Apsley het morgen niet zou kunnen inwisselen.

Mocht Apsley toch met het geld komen, dan kon hij altijd nog Scotland Yard waarschuwen.

„Mr. Shaw!” herhaalde de zoon van den reeder ongeduldig.

„Wat wenscht gij nog? Ik zou denken, dat het tijd voor u was om naar huis te gaan”, merkte Lister op.

„Ik heb er nog zin in”, antwoordde de beschonkene. „Ik wil nog spelen! Ik wil u uw geld weer afnemen en het manuscript ook!”

„Dat wil ik wel gelooven! Maar daar is geld voor noodig” antwoordde de Amerikaan koel.

„Dat zult gij mij geven! Kellner, whisky!”

„Ik zal mij wel in acht nemen, Mr. Apsley. Ik hoorde de verklaring van uw vader omtrent de insolventie met mijn eigen ooren”, luidde Listers antwoord. [23]

De kellner had de whiskyflesch op een tafeltje gezet en een glas ingeschonken. Apsley nam het met sidderende hand op en dronk het leeg.

„En gij zult mij toch geld geven, Mr. Shaw. Ik heb u mijn ontwerp voor een onderzeesche boot verpand! Maar dat heeft voor mij niets te beteekenen. Ik kan als uitvinder van dit plan elk oogenblik een geheel ander, nog meer volkomen in elkaar zetten!” sprak Mr. Apsley bluffend, terwijl hij, om op de been te blijven, nu eens voor- dan achteruit liep.

Hij verbeeldde zich misschien in zijn steeds duidelijker wordende dronkenschap, de rechtmatige eigenaar van het ontwerp te zijn.

„Wat geeft gij mij, als ik u het ontwerp verkoop?”

Dit was den meesten aanwezigen toch te sterk. Zelfs zij, die zich eerst hadden teruggetrokken om zijn lompe houding, kregen nu medelijden met den beschonkene.

„Apsley, zijt gij gek?” riep Mr. North.

„Gij moet het ontwerp morgen immers hebben, wees toch verstandig!” riep de voorzitter der Club.

„Morgenmiddag is de inzending gesloten!” sprak Mr. Darley bezorgd. „Latere inzending is onmogelijk.”

Al deze heeren hadden natuurlijk niet het minste vermoeden, dat het ontwerp van Mr. Burton was gestolen.

Maar Apsley wees de welmeenende vrienden met een energische handbeweging terug, hij hield zich aan de groene tafel vast en vroeg met zware tong:

„Wa—wat geeft gij mij voor het ontwerp, Mr. Shaw?”

„Neemt hem rechts en links onder den arm!” beval de president. „Wij mogen een dergelijke handelwijze niet dulden in onze Club.

Maar de beschonkene riep stotterend:

„Dat is mijn zaak! Ik wil spelen! Ik wil toch eens zien— —”

„Des menschen wil, des menschen leven!” citeerde Lord Lister koelbloedig. „Daar is niets aan te doen, heeren. Laat hem zijn zin volgen.”

Hij haalde zijn portefeuille te voorschijn en nam er 1000 pond aan bankpapier uit.

„Hier zijn 1000 pond, Mr. Apsley”, riep hij den beschonkene toe.

Hierop sprak Lister tot de leden der Club:

„Heeren, overtuigt er u van, dat het bedrag juist is! Bij den toestand, waarin zich mijn medespeler bevindt, is dat noodig!”

„Dus gij neemt de 1000 pond en daarvoor is het ontwerp mijn eigendom!” riep Lord Lister.

„Top!” schreeuwde Apsley, die de banknoten met onvaste hand voor zich neerlegde.

„Hoe zullen wij spelen?” vroeg hij op heeschen toon. „Ik wil u het ontwerp weer afwinnen en mijn geld erbij!”

„Dat gaat nooit goed. Hij verliest dit geld ook nog. Mr. Shaw, neem gij tenminste de bank. Hij kan de kaarten niet meer vasthouden.”

Zoo spraken de toeschouwers door elkaar.

„Als gij het wenscht, zal ik de bank nemen, Mr. Apsley. Het valt u moeilijk om te schudden, dat zie ik wel.

Ik doe u het voorstel, in vijf keer, telkens voor tweehonderd pond, het spel uit te maken. Ik heb er genoeg van, voortdurend met u alleen te spelen.”

„Dat vind ik goed. Dus gij neemt de bank.”

Apsley kwam waggelend van achter de groene tafel naar voren. Maar hij vergat niet, nog een glas whisky te nemen. De zoon van den reeder geloofde met het idee fixe van dronken menschen, dat het geluk hem toch nog toe zou lachen en dat het hem zou gelukken, alles terug te winnen.

De beide eerste keeren won hij. Trots eischte hij nu ook verdere revanche.

Na het eind van de zevende taille echter waren de 1000 pond weer in het bezit van Lord Lister, wien het blinde geluk den geheelen avond getrouw bleef.

Apsley staarde somber naar het bankpapier, dat Lord Lister met stoïcijnsche kalmte weer in zijn portefeuille borg.

Daarop haalde hij diep adem en mompelde, als versuft:

„Alles weg, alles verloren!”

Plotseling echter, bij het zien van de onverstoorbare kalmte van zijn tegenstander, werd hij woedend.

„Dat is niet eerlijk toegegaan! Er is hier een samenzwering tegen mij! Vervloekte Amerikaan, je hebt mij bestolen, uitgeplunderd tot op het hemd! Maar, schurk, ik zal je eens uit je onbeweeglijke kalmte opwekken!”

En nog voordat de verbaasde omstanders wisten, wat er gebeurde, had hij een blinkende revolver uit zijn zak genomen en schoot die op Lord Lister af.

Deze had echter iets dergelijks verwacht en trad bliksemsnel op zij. Doelloos kwam de kogel in den muur terecht.

Nu echter verhief zich een ware storm van verontwaardiging onder de leden en gasten der Club, die getuigen waren van dit tooneel. Niemand van hen had echter zin om den woesteling beet te pakken.

„Grijpt hem! Houdt hem vast!” riep de president. [24]

„Hij is totaal beschonken”, zuchtte Mr. North.

„Dat zoo iets in onze Heerenclub kan passeeren!” weeklaagde de voorzitter.

Lister wilde zich op Apsley werpen, maar reeds was deze met dreigend opgeheven revolver dwars door de zaal naar buiten gesneld.

„Terug, jelui honden, als je leven je lief is!” riep hij, toen Lister en andere heeren hem wilden volgen.

Nog twee keer knalde een schot, maar omdat hij te dronken was om goed te kunnen mikken vielen er geen dooden of gewonden in de speelzaal.

„Vervloekte gauwdieven! Schurken! Gij heeren? Wat? Zakkenrollers en dieven zijt gij!”

Nogmaals schoot hij, zonder iets anders dan een grooten spiegel te raken, vlak naast den voorzitter. Daarop opende hij de deur naar de gang en wierp deze met een ruk in het slot.

Een groote verwarring ontstond. Men riep om de politie en om Scotland Yard.

Slechts met moeite gelukte het Lord Lister, het woord te krijgen.

„Heeren”, sprak hij, „laat den misdadiger aan zijn noodlot over, dat hem spoedig genoeg zal treffen.

Gij hebt u heden misschien over mijn optreden en mijzelf verbaasd, maar ik kwam hier met de bedoeling, het gestolen ontwerp voor een onderzeesche boot te vinden en dit aan den ongelukkigen eigenaar en uitvinder terug te kunnen geven.

Zooals gij hebt gezien, is mij dat gelukt.”

Een algemeen bravo volgde. Allerlei vragen werden gedaan en men bestormde Mr. Shaw om een nadere verklaring.

„Ik kon al niet begrijpen, hoe dit lichtzinnige sujet een geniaal ontwerp had uitgevonden,” merkte Mr. Darley op.

Lister noemde den naam van Edward Burton als dien van den ontwerper en nam, om verdere vragen te ontloopen, op beminnelijke wijze afscheid van de heeren.

[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

Apsley Senior en Junior.

De oude Mr. Apsley was ondertusschen weer tot zichzelve gekomen. Hij was met moeite van den grond opgestaan en, na nog een wanhopigen blik op de nog open staande kast met valsche bankbiljetten in de slaapkamer te hebben geworpen, sloot hij de deur.

Daarna had hij zich, met een bang gevoel voor de plaats des ongeluks, naar de woonkamer gesleept, waar hij de verdwijning van zijn horloge en van het meisje bemerkte.

Hij nam hierop een flesch whisky uit het buffet, en schonk zich een wijnglas vol, dat hij leeg dronk.

Hierna begon hij zich beter te gevoelen.

Hij ging in den hoek der sofa zitten, steunde zijn hoofd op zijn hand en dacht na.

Het was wel een ramp, die mooie 50.000 pond; al zijn spaarpenningen en ontvangsten waren verdwenen. Iets van de geldswaardige papieren zou misschien nog te redden zijn!

„Maar per slot van rekening is het toch niet zoo erg; wij behouden toch altijd nog het prachtige ontwerp. Morgen heeft de wedstrijd plaats, en als mijn zoon of de firma Apsley & Co. den prijs wint, waaraan niet valt te twijfelen, en ook met den bouw zelf wordt belast, zullen we dit zware verlies spoedig genoeg weer te boven komen.”

Met deze gedachte en vooruitzichten begon de reeder langzamerhand weer moed te scheppen, en zijn werkkracht kwam opnieuw boven.

Hoe meer hij over deze plannen nadacht, des te beter werd zijn humeur.

Hij had de eerste neerslachtigheid al bijna geheel overwonnen, toen hij iemand met zwaren tred en veel lawaai de trap hoorde opkomen. [25]

„Die moet flink wat naar binnen hebben gewerkt”, dacht hij bij zichzelf, toen opeens de deur openging.

Het was zijn zoon James.

Maar hoe zag deze er uit!

Den eleganten hoogen hoed had hij achter op zijn hoofd, en zijn donker haar hing wild en verward op zijn voorhoofd. Zijn gelaat was krijtwit, alleen de oogen gloeiden op onnatuurlijke wijze.

Zijn dronkenschap scheen in de buitenlucht gedurende den tocht in de auto nog toegenomen te zijn. Hij kon zich nauwelijks staande houden en had moeite om zijn evenwicht te bewaren.

„James, ongelukkige, wat zie jij er uit! In wat voor toestand verkeer je? Och hemel, ook dat nog bij al het andere!”

„Het geld is op, vader! Alleen het geluk was tegen me, anders zou ik dien onbeschaamden Yankee toch nog gelegd hebben!

Kom, geef mij een whisky, vader, wees eens goed! En dan geld, nieuw geld, dat is de hoofdzaak!

Is dat niet whi—whisky? Natuurlijk is het dat! Kom, ik heb een afschuwelijken dorst, maar niet naar water.”

„Je bent volslagen beschonken! Geen druppel krijg je meer!”

Mr. Apsley nam gauw de flesch van tafel en sloot haar in het buffet. Hij nam er een flesch sodawater uit en schonk daarmee een waterglas vol.

„Daar, lichtzinnig individu! Vooruit, drink! Ik wil het hebben.”

James weerde eerst het onwelkome drankje af, doch toen zijn vader bleef aandringen, nam hij het aan en slikte het met allerlei vreeselijke grimassen naar binnen.

„Ge hebt nu gezien, dat ik uw wil doe, voldoe nu ook aan mijn verlangen! Geef mij geld, vader, veel geld! Ik verdwijn over den grooten vijver.”

„Onzin, James! Je hebt op ’t oogenblik je vijf zinnen niet bij elkaar. Daar is geen sprake van! Jij moet werken. Het luie leventje, dat je tot nu toe hebt geleid, moet thans ophouden.

In dit opzicht treft het nu bijzonder goed. Jij hebt het in je leven altijd veel te gemakkelijk gehad, en ik was altijd te toegevend en gaf je veel te veel geld, en altijd weer opnieuw. Dat was mijn fout, waarvan ik nu spijt heb.

Maar dat moet nu ophouden, mijn jongen! En daar het niet anders kan, zal het ook ophouden, en wel voor je eigen bestwil! We zullen allebei flink gaan werken, om de geleden schade weer in te halen en ik hoop, dat je me krachtig zult steunen en bijstaan en mij zult bewijzen, dat je, ondanks alle lichtzinnigheid, een kern van de gelijkheid in je hebt, en in waarheid mijn zoon bent.”

„Werk? Neen, dierbare vader, daarvoor ben ik niet in de wieg gelegd. En overigens moge de duivel mij halen, als ik ook maar een syllabe van uw opbouwende zedepreek—louter nonsens, met uw verlof—begrijp!

We hebben immers geld genoeg, kunnen de andere menschen, de armen, de hongerlijders, de dommen voor ons laten werken en zelf van het leven genieten.

Dat is juist de kunst in het leven.”

De reeder krabde zich bedenkelijk achter de ooren.

„Mijn hemel, hij weet immers nog van niets! Dat vergat ik heelemaal! Nu, dat zal een heele slag voor hem zijn, des te meer, nu hij van heden af aan moet werken! En bij dit alles is hij nog dronken ook!”

Hij slaagde er echter in, James de rest van het sodawater naar binnen te laten werken.

„Verduiveld!” zei James, wiens geest weer een beetje helder begon te worden, zoodat hij zich bewust werd, dat hij zijn benarde positie aan zichzelf had te wijten. „Ik moet weg! Ik moet geld hebben! Ik bezit geen rooden duit meer! Alles verspeeld aan dien hond van een Yankee!

Allo, vader, geef mij zooveel, dat ik zoodra mogelijk weg kan over den Atlantischen Oceaan, voordat het te laat is!”

„Hij is nog totaal dronken!” mompelde de reeder bezorgd. „James, wat praat je toch voor wartaal! Kom eens tot jezelf, mijn jongen! Ik vergeef je immers alles en wil ook niet met je twisten. Maar dat moet in de toekomst geheel ophouden. Van heden af aan. Beloof je me dat?

Kijk eens naar Mr. Edward, hoe die gewerkt heeft dag en nacht! Het doet mij bijna leed, dat hij door ons toedoen niet de vruchten zal plukken van zijn vlijt. Doch ieder is zichzelf het naast! Misschien kunnen we ons later met hem associeeren!—

Niet waar, ik kan erop vertrouwen, James, dat je mij in onzen nieuwen strijd om het bestaan trouw ter zijde zult staan?”

„Dat is louter onzin, vader, wat ge praat! Ik moet weg!”

Hij keek schuw naar de deur, of de menschen van Scotland Yard soms al achter hem stonden.

Het begon hem nu duidelijk te worden, dat hij in de Heerenclub een vreeselijke domheid had begaan, om het niet erger te noemen.

De reeder keek hem aandachtig aan, en haalde de [26]schouders op, daar hij zijn dwaas gepraat toeschreef aan dronkenschap.

Doch James werd nu door eene zenuwachtige onrust bevangen. Hij wilde zich in veiligheid brengen.

„Kom, vader, ik heb alles verspeeld! Ik moet geld hebben! Ik moet weg! Hoort gij niet? Geef mij toch zooveel, dat ik voldoende heb voor den overtocht, geef mij tienduizend uit de geheime bergplaats daar binnen! Verder zal ik geen aanspraak op iets maken.”

„Uit de kast, jawel!” lachte de reeder hoonend. „Leg je schuldeischers, als je ze hebt, maar op andere manier het zwijgen op. Geld kan ik je niet meer geven!—Het geld is weg—is verdwenen!”

De zoon barstte in een luid gelach los.

„Ik zal er niet invliegen! Neen, zoo dom is uw zoon niet, vader!

Tracht dat een ander wijs te maken. Natuurlijk, ge wilt mij niets geven, omdat ik dronken ben! Doch ik ben nu weer helder van geest! Ik weet alles! Ik moet het hebben! Heusch!

Ik heb een domme streek uitgehaald! Doch ik was woedend, omdat ze mij zoo leeggeplunderd hadden, en toen heb ik op den bankhouder, dien vervloekten Yankee, Mr. Shaw, geschoten, en ik geloof, dat ik hem zijn winst betaald gezet heb, en dat ik ook van de andere schurken een paar gebrandmerkt heb.”

Bij deze woorden wierp James zijn revolver op tafel, waarop zich nog twee of drie patronen bevonden.

„Die heeft mij op de schurkenbende gewroken! En het doet mij ook in ’t geheel geen leed voor de schelmen!

Maar ziet ge, ik moet weg, snel weg, als de fameuze kapitein Baxter en de gevaarlijke „vloo” me niet zullen pakken. Daarvoor echter heb ik geld noodig, vader, veel geld!”

De reeder sloeg de handen ineen over deze onthullingen.

„Waanzinnige”, weeklaagde hij, „jij bent niet te helpen! Vlucht in ’s hemelsnaam, als je iemand doodgeschoten hebt!”

„Ja, ik wensch niets liever dan dat. Maar daar heb ik juist geld voor noodig, hoe meer, hoe beter!”

„Als ik je toch zeg, dat ik geen geld heb”, jammerde de oude Apsley handenwringend.

„Och, wat, gij zoudt geen geld hebben! We hebben toch eerst vanavond de vijftigduizend pond hierheen in veiligheid gebracht!”

„Maar zij zijn weg”, antwoordde zijn vader hem. „Zij zijn er niet meer. Daar is niets meer aan te doen!”

„Maar, vader, waar hebt ge ze dan?” vroeg James ongeloovig en mompelde in zichzelf: „Hij wil het me maar niet zeggen.”

„Een ellendige geschiedenis”, sprak de reeder, die de zaak voor zichzelf gewikt en gewogen had. „James, James, wat haal jij voor dingen uit! Maar we zullen alles wel weer in het goede spoor brengen!

Ondertusschen moet jij je verborgen houden. We zullen wel overleggen. Al moeten we nu ook opnieuw beginnen, dat is niets, ik ben ertoe besloten. Ik laat mij niet ten onder brengen. Wij zullen de vijftigduizend pond terug zien te krijgen.”

„Alsof ze inderdaad weg waren!” viel James spottend in de rede.

„Ze zijn weg”, ging de reeder voort met een angstig gelaat. „Maar we hebben immers het geniale plan van Mr. Burton, en dat zal ons weer van deze schipbreuk redden. En spoedig zullen we er beter voorstaan dan ooit te voren.

Natuurlijk kan jij er onder deze omstandigheden niet aan denken, het ontwerp hedenvoormiddag persoonlijk in te leveren. Dat spreekt vanzelf! Geef mij dus het plan, ik zal het bezorgen! Hedenvoormiddag wordt de inschrijving voor den wedstrijd gesloten! En dan zullen we verder overleg plegen!— —

Onze geheele toekomst hangt nu af van het prachtige ontwerp!”

De jonge Apsley kreeg bij deze woorden van zijn vader toch een gevoel van verlegenheid en schaamte over zich. Hij ergerde zich nu zelf over zijn grenzenlooze lichtzinnigheid en dwaasheid.

Hij trachtte echter dit gevoel van zich af te schudden en verborg zijn schaamte achter een voorgewende driestheid.

„Ik heb het ontwerp niet meer”, zei hij ronduit.

De reeder keek hem sprakeloos aan. Hij kon het niet gelooven.

„Wat?” vroeg hij, „heb je het ontwerp niet meer? Dat is onmogelijk!”

James trad naderbij.

„Neen, het is helaas zoo! Maar laten we daar geen woorden over verspelen. Wat gebeurd is, is niet meer goed te maken. Ik heb het in mijn speelwoede verpand, verkocht en het geld—nu, dat is ook al naar den duivel.”

„Jij, schurk!” schreeuwde de reeder, door ontzetting aangegrepen.

„Is dat waar?”

Zijn borst ging zwaar op en neer en zijn hart klopte luid.

„Hahaha!” lachte zijn zoon boosaardig. „Kostelijk, [27]hij noemt mij schurk om het ontwerp, dat hij zelf stal!

Maar wees goed op me, vader, kom, geef mij het geld!—Ik zal bescheiden zijn. Geef mij een vijfde, tienduizend pond, en ik zal voor altijd bevredigd zijn.”

De reeder zuchtte diep en greep zijn hoofd met beide handen vast. Toen begon hij heesch te lachen.

„Nietswaardige, dat is het einde van alles!”

Met één greep richtte hij de op tafel blinkende revolver van zijn zoon op zichzelf.

Een schot knalde, en James Apsley’s vader stortte met bebloed gelaat voor zijn zoon op het tapijt neer.

James sprong in den eersten schrik een paar passen achteruit. Spoedig echter kreeg de zelfzucht de overhand.

„Die oude gek!” mompelde de liefdevolle zoon. „Hoe kon dat gestolen ontwerp hem toch tot zoo’n wanhopige daad voeren?

Enfin, des te beter! De heele vijftigduizend voor mij! Dadelijk—onmiddellijk zal ik verdwijnen. Misschien zoekt Scotland Yard mij al! Ik geloof weliswaar niet, dat ik iemand trof, doch wie weet! De duivel kan bij het schieten in het spel geweest zijn! Het was stom van me, dat is waar! Doch wie kan zich beheerschen, wanneer zelfs de laatste shilling in den wijden zak verdwijnt van dien vervloekten Yankee, die daarbij geen spiertje van zijn gelaat vertrekt.”

Met begeerigen blik en verwrongen gelaat snelde de nog sterk beschonkene met wankelende schreden naar de slaapkamer van zijn vader, waar hij wist, dat de vijftigduizend pond bewaard werden.

Met één draai ontstak hij het electrisch licht en ging naar het geheime kastje in den muur. De sleutelbos van zijn vader stak in het slot, hetgeen hem eenigszins verwonderde. Snel sloot hij de deur open.

„Nu, zei ik het niet”, lachte hij hoonend bij den aanblik van de pakjes bankbiljetten.

„Het is inderdaad zeer voorkomend van den oude mij zoo onverwacht in de aangename positie van den lachenden erfgenaam te verplaatsen.”

Hij haalde den koffer wat dichterbij, waarin zij beiden de vijftigduizend pond hadden meegenomen en nam het eerste pakje uit een der vakjes te voorschijn.

Zijn oogen werden echter onnatuurlijk groot. Hij ging met het bundeltje bij het electrisch licht, om beter te kunnen zien.

Zijn zoowel door de zaak als door hazardspel geoefend oog herkende, in weerwil van zijn dronkenschap, de vervalsching.

Hij bekeek het een na het ander alle papieren van het pakket en slingerde ze met kracht op den grond.

Daarop ging hij naar de kast en keek ook de overige pakketten door. Dikke zweetdruppels stonden hem op het voorhoofd.

„Alles valsch!—Wat beteekent dat?” fluisterde hij.

De dronkenschap scheen opeens verdwenen te zijn. In plaats van de rozenroode sluiers van de door den roes opdoemende droombeelden zag hij plotseling de naakte, grijze werkelijkheid.

Hij rilde ervan.—

Daarop snelde hij naar het woonvertrek.

„Alles—alles voorbij! En hij”, steunde hij met den blik op het met bloed bedekte lijk van zijn vader op het tapijt gericht, „hij—wist het!”

Met een gevoel van nijd in zich rukte hij uit de koude hand van den doode de nog een of twee kogels bevattende revolver.

Hij plaatste haar stevig tegen de slapen, en bij het knallen van het schot zonk, over het lijk van zijn vader heen, ook de zoon met verpletterden schedel op den grond. [28]

[Inhoud]

NEGENDE HOOFDSTUK.

De hoop van den kapitein van politie niet verwezenlijkt.

De kapitein van politie Baxter had het privé-kantoor der firma Apsley & Co., na de inbraak door Lord Lister, alias Mr. Shaw, verlaten, ten einde een razzia te houden in de Zuidoostelijke stadsgedeelten van Londen.

Hij had niet de zuivere, ten minste niet de geheele waarheid gesproken.

Zulk een razzia toch was reeds van de zijde van andere detectives van Scotland Yard in vollen gang. Hij zelf echter, met zijn speciale ondergeschikten Tyler en Marholm, was van plan, de aanwijzingen van den jongen Apsley te volgen en den vervalscher der bankbiljetten, den schilder Mr. Gower, te overvallen, mee te nemen en in hechtenis te brengen.


Mr. Gower liep in zijn atelier, met grootendeels onomlijste schilderijen en kopergravures versierd, onrustig op en neer en rookte een sigaret. Op een teekentafel lagen de voor het kopergraveeren benoodigde werktuigen, graveerstift, schaaf en polijststaal, benevens een begonnen plaat. Op een piedestal op den achtergrond schitterde de half-voltooide karakterkop van een apostel.

De kunstenaar echter, die slechts zelden bij electrisch licht werkte, had er dezen avond niet den minsten lust toe.

Steeds weer moest hij er aan terugdenken, dat hij door nood gedrongen, op een zwak oogenblik, aan zijn clubgenoot James Apsley een valsch bankbiljet te wisselen had gegeven, dat nog in diens handen was en dat deze de teruggave geweigerd had, ofschoon de kunstenaar hem het volle bedrag en zelfs meer had geboden.

De kunstenaar had een zijde van de bankbiljetten eenigen tijd geleden klaar gemaakt voor een Londensche firma, die de keerzijde wenschte te gebruiken om haar fabrikaten op humoristische wijze aan te prijzen.

De biljetten waren echter zoo volkomen gelijkend uitgevallen, dat de firma vreesde daardoor in conflict met de wet te komen en per slot van rekening haar geheele plan opgaf.

De schilder had nu de reeds gemaakte afdrukken voor zich liggen. Meer gedreven door nieuwsgierigheid dan door hebzucht of met het doel om te vervalschen, had hij de rugzijde ook nagestoken en achter op de gereed zijnde biljetten afgedrukt.

Hij was zelf verbaasd over de gelijkenis met de echte bankbiljetten, had echter de pakjes weggesloten en bijna vergeten, totdat een plotselinge geldnood hem eraan herinnerde.

James Apsley had hem in zijn atelier opgezocht, om een historisch schilderij van den kunstenaar te bezichtigen, voordat dit naar de .….….… expositie ging, waar het als „Messalina’s dood” veel van zich deed spreken.

Het was bij deze gelegenheid, dat Gower noodgedwongen het biljet van vijftig pond uit een ouden stoel bij het atelierraam op den achtergrond te voorschijn had gehaald en Mr. Apsley verzocht de banknoot voor hem te wisselen.

Hij had weliswaar gevreesd, dat de met alle geldsoorten goed bekende zoon van den reeder dadelijk de vervalsching zou bemerken, in welk geval hij hem zou vertellen, hoe hij tot dezen arbeid was gekomen en hoe hij erover dacht, kortom, dat hij zich slechts een grap had veroorloofd.

Toen evenwel Apsley, die de vervalsching dadelijk had ontdekt, zich niet in dien geest uitliet, doch zonder bedenking de banknoot wisselde, had hij in zijn benarde positie de zwakheid om te zwijgen en de som, hoewel zijn geweten hem erg knaagde, aan te nemen.

Reeds een paar dagen later was hij in het bezit van een beduidende som gelds, daar zijn schilderij „Messalina’s dood”, nauwelijks tentoongesteld, een kooper had gevonden.

Zijn eerste gang was naar Apsley geweest.

Daar hij hem niet thuis trof, had hij hem in de [29]Heerenclub opgezocht, alwaar de bespreking had plaats gehad, die Lord Lister had afgeluisterd.

Door de onthulling van het ware karakter van Apsley en het in hem opgewekte medegevoel voor den kunstenaar nam Lister het besluit tusschenbeide te komen.

Onrustig liep Mr. Gower zijn atelier op en neer. De weigering van James Apsley om hem het biljet terug te geven en de daaruit blijkende vijandelijke gezindheid en slechte bedoeling maakten hem zeer bezorgd.

Hij was beslist van plan om in de eerstvolgende dagen alle nagemaakte bankbiljetten aan het vuur prijs te geven.

Steeds weer stelde het hem eenigszins gerust, dat zelfs in het ergste geval wel niemand op de gedachte zou komen, dat zij in den ouden, uitgesneden stoel waren verborgen, die bovendien nog alleen door een moeilijk te vinden veer was open te krijgen.

Op dit oogenblik werd er geklopt en nadat de schilder „binnen!” had geroepen, trad eerst de kapitein van politie Baxter en achter hem de detectives Tyler en de „Vloo” binnen.

De kunstenaar verbleekte bij het zien van de hem bekende beambten van Scotland Yard.

„Wat verschaft mij de eer, meneer de kapitein van politie?” vroeg hij met voorgewende kalmte.

„Nu, Mr. Gower, wanneer ge dat nog niet weet, zult gij het spoedig hooren. Wij komen om uwe schilderijen te bekijken. Het is alleen nog maar de vraag, welke!”

De hoop, dat de detectives de schuilplaats niet zouden vinden, gaf den schilder kracht.

„Ik heb mij niets te verwijten! Hier moet een vergissing in het spel zijn, meneer de kapitein van politie”.

Baxter haalde de schouders op.

„Dat zegt iedereen natuurlijk. Maar de zeer juiste aanwijzingen, die ik heb, laten geen twijfel over.

Ik moet u verzoeken geen pogingen te doen om te ontvluchten, zoolang ons onderzoek nog niet is afgeloopen!

Het resultaat zal beslissend zijn!

Neemt u hier plaats en verroer u niet.

Tyler, gij blijft borg voor Mr. Gower!”

Als een gebroken man zonk de kunstenaar op den stoel neer voor zijn koperplaat en steunde zijn hoofd in zijn rechterhand.

Diep ongelukkig mompelde hij:

„O, wat een schande! O, wat een schande!”

Nog grooter werd zijn schrik, toen hij zag, dat de kapitein van politie en de vloo, zonder zich met eenig nader onderzoek bezig te houden, het piedestal met het apostel-beeld voorbij gingen en regelrecht op den stoel bij het achterste atelier-raam toe liepen.

„Dat daar is een gesneden stoel, kapitein!” zei de vloo. „Die zal het zijn! Nu zullen we eens zien, of we de veer kunnen vinden.

Het zou jammer zijn van het kostbare stuk, wanneer wij het moesten openbreken!”

„Kostbaar? Bah, dan heb ik wel eens wat kostbaarders gezien!”

„Waarom niet? Het is toch een echt antiek stuk, misschien wel zes- of zeven honderd jaar oud.”

„Och praat toch niet. In dien tijd kende men toch zeker nog geen geheime bergplaatsen!”

„Dat is nog de vraag”, gaf de vloo ten antwoord.

Dadelijk daarop riep hij triomfanteljk, zoodat het den schilder als een doodsoordeel in de ooren klonk:

„Ik heb de veer! Kijk, daar is de knop, het is snijwerk!”

Gower zou het liefst door den grond zijn gezonken van schaamte en ellende.

Door den druk van Marholm was de stoel opengesprongen en de beide detectives keken elkaar zeer verbaasd aan.

„Wel verduiveld, wat is dat nu? De stoel is immers leeg? Wat beteekent dat?” ging de kapitein van politie te keer.

De schilder dacht te hebben misverstaan. Een gevoel van geluk kwam in eens over hem.

„Hier, kapitein, heb ik een zwaar couvert aan het adres van Mr. Gower. Er schijnt geld in te zijn. Misschien geeft dat opheldering.

„Neen, dat klopt al niet! Volgens de ons verstrekte gegevens moest de stoel bijna geheel met valsche bankbiljetten gevuld zijn.

Wat kan zich nu in dat couvert bevinden? Het schijnt mij bovendien toe metaalgeld te zijn!”

Nadat de beide detectives den stoel nog zoo nauwkeurig mogelijk hadden onderzocht en zich hadden overtuigd, dat er behalve het couvert niets in was en in kon zijn, lieten ze hem weer dicht vallen en kwamen met den briefomslag naar Mr. Gower toe.

„Ik vraag u excuus, Mr. Gower. De ons gedane aanwijzingen zijn onjuist gebleken.

Het was echter onze plicht een onderzoek in te stellen. Hier is echter nog een aan u geadresseerd, gesloten couvert. Gij weet natuurlijk wat er in is?”

„Geen flauw vermoeden”, antwoordde de kunstenaar overeenkomstig de waarheid. [30]

„Dat is toch zonderling! Er is hard geld in”, sprak Baxter.

„Dan moet ik u toch verzoeken, het couvert in ons bijzijn open te maken”.

Mr. Gower werd opnieuw opgewonden. Hij dacht aan dat eene, door hem uitgegeven bankbiljet.

Toen hij echter het couvert had opengesneden, rolden er 25 goudstukken uit, terwijl hij een schrijven openvouwde, dat hij met blijde verbazing las.

Het luidde:

„Geachte Meester!

Vergeefs hier op u wachtend met het doel u een portretschildering op te dragen, ontdekte ik het geheim van den stoel en veroorloofde mij, hieraan bijgaand voorschot op het aanstaand meesterwerk van uw penseel toe te vertrouwen, zeer benieuwd, of en zoo ja, op welke wijze gij dezen brief, ontdekken zult.

Met verzoek de grap goed op te nemen,

Iemand, dien gij spoedig zult leeren kennen.”

Gower liet het couvert zien. Verder bevatte het niets.

De drie detectives stonden sprakeloos.

„Dat is heel aardig”, zei kapitein Baxter erg bedaard. „Ik wou, dat ik ook zulke onbekende vrienden had!”

„Nu en of”, ging de vloo verder, „vijf-en-twintig sovereigns is geen kinderspel, en dat heet nog maar een voorschot. Gij moet wel reusachtig veel verdienen!

Ik zou wel eens willen weten, hoe lang dat daar al in ligt”.

Mr. Gower haalde de schouders op.

„Een datum is in het beleefde briefje niet aangegeven. Dat kan er wel al lang in liggen”.

„Welnu, meneer Gower, neem ons niet kwalijk. Dergelijke onaangename plichten brengt ons beroep nu eenmaal mee.

In elk geval zijt gij volkomen in ’t gelijk gesteld. Met den aangever hebben we nog een appeltje te schillen.

Wil ons dus verontschuldigen en vaarwel.”

„Adieu, heeren!”

De drie detectives van Scotland Yard hadden geen gelukkigen dag.

Als drie natte poedels dropen ze af en aanvaardden den terugtocht.

Mr. Gower evenwel sloeg van blijdschap de handen ineen, nu de storm zoo kalm over zijn hoofd was heengegaan, en dacht ontroerd aan den onbekenden vriend, aan wien hij zijn redding had te danken.


Toen Lord Lister uit de club op zijn villa terugkwam, vond hij zijn trouwen Charly, in weerwil van het vergevorderd uur, nog bezig aan zijn aeronautischen arbeid.

De luchtschip-techniek was Charly’s stokpaardje en ze zou hem nog dikwijls te pas komen.

„Arme kerel”, sprak Lister vol medelijden, „hij heeft zijn hoofd niet durven neerleggen uit zorg voor onze schatten!

Dat is de vloek van het goud, Charly!

Men kan het draaien zooals men wil, het hebben of niet hebben baart den mensch veel zorgen!

Doch genoeg over levenswijsheid!

Wij kunnen helaas nog niet naar bed gaan, want je moet nog eenmaal op onderzoek uit!”

„Ik ben bereid, Edward.”

„Ik stel er namelijk veel belang in om te weten, of de verwisseling der bankbiljetten in de .…..street al ontdekt is!”

„In welke gedaante?”

„Als Mr. Shaw! Bedenk wel, dat de fameuze kapitein van politie een tamelijk scherp oog heeft; nog daargelaten de in dit opzicht zeer begaafde vloo.

Laat je nachtauto tegenover het garçonlogis van Apsley wachten, blijf erin, totdat Scotland Yard wegtrekt, of totdat er leven komt in het huis, en vraag naar het voorgevallene alsof je juist voorbij kwaamt!”

„Goed”, antwoordde Charly, die reeds voor den spiegel stond om zich een echt Amerikaansch aanzien te geven.

In korten tijd was hij weer de elegante, jonge Mr. Robert Benting-Shaw uit Chicago.

Hij drukte Lord Lister de hand en ging haastig weg.

Lister stak een sigaret op en liep peinzend heen en weer.

Daarop nam hij een deel van Shakespeare’s meesterwerken van de plank en verdiepte zich in zijn prachtige comedie „Cymbeline”.

Eindelijk kwam Charly opgewonden en ontdaan terug en deelde mede, dat zooeven, opgebeld door de bewoners van het huis, Scotland Yard was aangekomen en de lijken der beide heeren Apsley in de vrijgezellenwoning van den vader had gevonden.

„Blijf hier, Charly, en zorg voor koffie. Het is bijna morgen. Ik ga erheen en wil zelf hooren en zien, wat er gebeurd is. Ik zal niet lang wegblijven!”

De dikke Amerikaan werd op de plaats van het [31]ongeval door de beambten van Scotland Yard als een oude kennis met vreugde begroet. Vooral Baxter was niet weinig gevleid, dat de wereldberoemde milliardair zoo druk met hem omging.

De beide lijken lagen nog, zooals men ze had gevonden, vader en zoon over elkaar uitgestrekt.

Terwijl de beambten de slaapkamer doorzochten en bij de ontdekking van de kast in den muur luide uitroepen van verbazing en verontwaardiging slaakten, stond Lord Lister met over elkaar geslagen armen in de huiskamer en keek met ernstig gelaat naar het tweetal, dat zichzelf had gestraft.

Al waren het ook schurken en al hadden zij ook een moord op hun geweten genomen, om geen getuige tegen zich te hebben, hun dood had hij toch niet gewenscht.

Daar trad, blijkbaar zeer opgewonden, kapitein Baxter de kamer binnen.

„Wat is er, Mr. Baxter? Wat maakt u zoo nerveus? Hoe verklaart gij deze aangelegenheid, die mij zoo onbegrijpelijk mogelijk is? Wat een vreeselijk geval!”

„De verklaring is heel eenvoudig”, antwoordde Baxter met zelfvoldoening.

„Ik wil geheel in het midden laten, of hier een moord of een dubbele zelfmoord is gepleegd, daar de schoten uit dezelfde revolver kwamen.

Ik denk aan dubbelen zelfmoord.

De beide heeren Apsley zijn ontmaskerd als de uitgevers van de in omloop zijnde valsche bankbiljetten. Daar binnen, in de slaapkamer, bevindt zich een geheime muurkast, die geheel gevuld is met valsche biljetten van vijf, tien en vijftig pond. Tyler en Marholm zijn juist bezig het bedrag te tellen.”

„De beide heeren Apsley vervalschers van bankpapier? Maar waarom hebben zij elkaar dan om het leven gebracht?” vroeg Lord Lister.

„Valsch papiergeld tot zulk een hoog bedrag”, antwoordde Baxter met een gewichtig gelaat, „kan alleen bij hooge bedragen met echt papier mee gesmokkeld worden. En daar de heeren Apsley door de inbraak in hun kantoor hun geheele vermogen hebben verloren, zagen zij geen kans, het valsche papier ooit te kunnen uitgeven. Daar zij door den diefstal van Raffles alles kwijt waren, zochten zij te zamen den dood. Wat zegt gij van deze verklaring?”

„Die is zeer aannemelijk, kapitein. Wel, wel, wat hebt gij een gave om te combineeren! Bewonderenswaardig!”

„O, Mr. Shaw, gij maakt mij verlegen”, antwoordde Baxter gevleid. „Wat mij het meest ergert is, dat deze jonge schurk hier op den grond—die zichzelf nu heeft gestraft—den moed had om Scotland Yard leugenachtige mededeelingen te doen omtrent een eerlijk man, terwijl hij zelf de vervalscher was.”

Lister gaf hem gelijk, hoewel het hem moeite kostte niet te schaterlachen.— — —

Toen Lord Lister in de villa terugkeerde, had Charly intusschen heerlijke koffie gezet en de versche broodjes aangenomen van den bakkersjongen.

„Nu, mijn beste jongen”, sprak Lord Lister, een fijne sigaret aanstekend, „laat ons nu allereerst eens zorgen voor het geluk van een jong paar.

Neem het geniale plan van den ingenieur Burton en bezorg het, vermomd als boodschapsjongen, met een begeleidend briefje van mij aan Miss Betty Robertson, de bruid van den ingenieur.

Zij heeft nog tijd genoeg om het ontwerp aan haar verloofde ter hand te stellen, opdat hij aan den wedstrijd kan deelnemen.”— — —

Reeds vroeg in den morgen had ingenieur Burton zich naar het Admiraliteitsgebouw begeven, waar in twee zalen de wedstrijd om tien uur zou worden geopend.

Hij was in zijn verdriet eigenlijk alleen gegaan om te zien of zijn ontwerp niet door een ongerechtigde werd ingeleverd.

Maar hij had alle hoop reeds opgegeven.

Daar verschenen, bijna op het laatste oogenblik, twee dames in de deuropening en hij hoorde door een bekende stem zijn naam roepen.

Toen hij omkeek, zag hij naast een kennis zijn bruid staan, die een blauw papier in de hoogte hield.

Burton uitte een jubelkreet en vloog haar tegemoet. Het ontwerp was terug en hij kon het nog tijdig inleveren.

Daar er weinig ontwerpen ingekomen waren over dit zoo uiterst moeilijke onderwerp, werd reeds na anderhalf uur door de jury beslist, dat Burton’s plan als verreweg het beste met den prijs was bekroond en ter uitvoering was aangenomen, welke hem eveneens was opgedragen.

Toen de uitspraak bekend werd kwamen juist Lister en Charly nader om naar den stand der zaken te informeeren. De groote onbekende kocht, in zijn rol van den milliardair Shaw de nu stilstaande werken der firma Apsley en stelde deze ter beschikking van den jongen ingenieur. [32]

Hierop reed het gezelschap per auto naar den schilder Gower om verschillende bestellingen voor portretten te doen.

Mr. Gower drukte Lord Lister onophoudelijk vol dankbaarheid de handen, en toen het gezelschap zich in het atelier had verspreid, riep Lister den kunstenaar apart en toonde hem een biljet van vijftig pond, dat deze maar al te goed herkende.

Lister streek een lucifer aan en verbrandde het voor zijn oogen.

Mr. Gower kon van ontroering niet spreken, want eerst nu was hij weer gerust.

Het is waarschijnlijk, dat het door „Mr. Shaw” bestelde portret een meesterstuk zal worden, evenals het model voor een Engelsche onderzeesche boot van Mr. Burton.

[Inhoud]

De volgende aflevering (No. 43) bevat

Het luchtverschijnsel. [33]

[Inhoud]

Belooning: 1000 pond sterling.

Wie kent hem?
Portret van Lord Lister.
Wie heeft hem gezien?
Dat vraagt men in Scotland Yard! Dat vraagt heel Londen!

Lord Lister genaamd John C. Raffles, de geniaalste aller dieven

brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters; ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt en behoeftigen ondersteunt.

Man van eer in alle opzichten

spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat:

Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren.

Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, Lord Lister, genaamd John C. Raffles, den geniaalsten aller dieven, te vatten!

[Inhoud]

WARRANT OF ARREST.

Vertaling:

Bevel tot aanhouding.

Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension of the man described as under:

Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt:

DESCRIPTION:

Name: Lord Edward Lister, alias John C. Raffles.
Age: 32 to 35 years.
Height: 5 feet nine inches.
Weight: 176 pounds.
Figure: Tall.
Complexion: Dark.
Hair: Black.
Beard: A slight moustache.
Eyes: Black.
Language: English, French, German, Russian, etc.

Beschrijving:

Naam: Lord Edward Lister, genaamd John C. Raffles.
Leeftijd: 32–35 jaar.
Lengte: ongeveer 1,76 meter.
Gewicht: 80 kilo.
Gestalte: slank.
Gelaatskleur: donker.
Haar: zwart.
Baardgroei: kleine snor.
Oogen: zwart.
Spreekt Engelsch, Fransch, Duitsch, Russisch enz. enz.

Special notes: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown.

Bijzondere kenteekenen: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam onbekend.

Charged with robbery.

A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man.

Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000 pond sterling.

Headquarters—Scotland Yard.

Police Inspector,
Horny.

Het Hoofdbureau van Politie Scotland Yard.

Inspecteur van Politie
(get.) Horny.

[Inhoud]

Roman-Boekhandel voorheen A. Eichler

Singel 236—Amsterdam.

Inhoudsopgave

I. Een edele daad van Lord Lister en een nieuwe truc van Raffles. 1
II. Scotland Yard en de nieuwe Rafflesstreek. 3
III. Het gestolen ontwerp voor een onderzeesche boot. 6
IV. Een moderne lijkenbezwering. 8
V. Charly’s ontdekking in een elegante heerenwoning. 12
VI. Aangenaame verwachting en onaangename verrassing. 16
VII. Onverwachte gebeurtenissen in de Heerenclub. 19
VIII. Apsley Senior en Junior. 24
IX. De hoop van den kapitein van politie niet verwezenlijkt. 28

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 205 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
1, 4 lord Lord 1
1 naief naïef 1 / 0
Passim. [Niet in bron] 1
4 ! ? 1
6, 6, 7, 7, 7 mr. Mr. 1
7 antwoorde antwoordde 1
9 hun hen 1
10 sleutelje sleuteltje 1
11, 13, 20, 21 ”. .” 2
12 Charley’s Charly’s 2
12, 20, 23, 29 [Niet in bron] 1
13 Campbellstraat Campbellstreet 2
13 betrouwelijk betrouwbaar 5
14 en, , en 2
15, 33 [Niet in bron] . 1
16 cherry sherry 1
16 souvereign sovereign 1
16 elektrische electrische 1
18 Komt Kom 1
19, 27 Apley’s Apsley’s 2
19 1
22 kalmt kalmte 1
22, 23 whiskey whisky 1
23 whiskeyflesch whiskyflesch 1
23 Darly Darley 1
25 sylabe syllabe 1
29 e De 1
29 en de daaruit blijkende vijandelijke gezind- . 44
29 mis verstaan misverstaan 1
30 souvereinen sovereigns 4
30 fameuse fameuze 1
30 Cymbelin Cymbeline 1
33 Sinclair Raffles 7
33 Scotland-Yard Scotland Yard 1
33 Oktober October 1
33 Inspekteur Inspecteur 1