The Project Gutenberg eBook of Regen en zonneschijn This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. Title: Regen en zonneschijn Drie verhalen Author: Tine van Berken Release date: June 28, 2026 [eBook #78971] Language: Dutch Original publication: Amsterdam: H. J. W. Becht, 1898 Other information and formats: www.gutenberg.org/ebooks/78971 Credits: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg *** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REGEN EN ZONNESCHIJN *** REGEN EN ZONNESCHIJN DRIE VERHALEN DOOR TINE VAN BERKEN MET ZES GEKLEURDE PLAATJES AMSTERDAM H. J. W. BECHT LACHEBEKJE. I. OM EEN AAPJE. Lachebekje stond in den hoek en—lachte. Wat had ze anders moeten doen? Huilen?—Kom!—Ja, het was vervelend om in den hoek te moeten staan, ’t was eigenlijk een schande, ze had niet graag gewild, dat haar Pa of Moe het geweten hadden, en voor sommige andere meisjes was het een bittere straf, een pijnlijke vernedering. Nu, zoo erg kon Lachebekje het niet vinden. Het was niet prettig, natuurlijk. Maar om van te huilen was het nu ook niet. Lachebekje vond het heel dom, om te huilen, zoolang er nog iets was, waarom je lachen kon. En er was altijd wel iets, waarom je lachen moest. Als ze alleen maar dacht aan wat er zooeven gebeurd was, dan moest ze het al uitschateren. Verbeeld je, Lizette Lubbers—wat een belachelijke naam, hè?—de meisjes noemden haar ook altijd Lijsje—Lijsje had een peluchen aapje mee naar school gebracht, een koddig klein dingetje, rood, met een oranje krulstaartje, blauwe kralenoogjes en vier grappige, lange armen, waarin ijzerdraadjes zaten, zoodat je ze net zoo zetten kon als je ze hebben wou. Alleen door het idee had Lachebekje al niet stil kunnen zitten van plezier. Den heelen morgen had ze naar Lijsje zitten kijken, maar die hield zich doodstil, en liet het aapje rustig in haar zak. Maar het tweede uur, onder het rekenen, terwijl Lachebekje het aapje heelemaal vergeten was, en diepzinnig zat te peinzen over een moeilijke som, die ze bezig was uit te rekenen,—daar had ze, in gedachten opkijkend, opeens het aapje over Lijsje’s zwarte lei zien dansen. Lijsje had de lei zoo’n beetje opgewipt, zoodat de onderwijzeres er niets van zien kon. Lachebekje had Dora Beyma aangestooten, en ze hadden met haar beitjes een pret gehad van belang. Lijsje deed ook zoo grappig met dien aap. Dán zat hij in de plooien van haar wijde mouw, soms op het randje van haar kastje, eens geheel vrij op den inktpot, zoodat het een wonder was, dat de juffrouw het niet merkte; maar het aardigst van alles was geweest, toen Lijsje den aap met een vlugge beweging op het haar van Rika Obbes had geplaatst. Die stijve Rika Obbes, die daar zoo onschuldig zat te cijferen, en haar hoofd soms bewoog zonder eenig vermoeden van de kunsten, die het roode aapje bij de geringste hoofdbuiging maakte. Als een klit hing hij Rika in de zwarte, stijve krullen. Soms dook hij heelemaal in de golvingen weg. Het was om je dood te lachen. En toen kwam het mooiste van alles, toen Rika, die haar sommen af scheen te hebben, zich met een flinken schok rechtop in haar bank zette en haar haren schudde als een paard zijn manen. Op dat oogenblik had Lachebekje het niet meer kunnen uithouden, maar was in een hoog gillend lachen uitgebarsten. Verschrikt had Lijsje zich gauw weer van het aapje meester gemaakt en het in de diepe duisternis van haar zak weggestopt. „Wat is er te lachen?” had de onderwijzeres gevraagd. „Hi, hi, ho, ho, ho!” Lachebekje had er niet uit kunnen komen. Vóór alles wou ze Lijsje niet verklappen. „Hi, hi, ha, ha.... die— —die haren!” De onderwijzeres werd boos en ongeduldig. Er was niets te zien aan de haren van Rika Obbes, waarop Lachebekje in haar verlegenheid wees; Rika Obbes was er heelemaal het meisje niet naar om grapjes uit te halen of een ander aan het lachen te maken. Zoo kwam het, dat Lachebekje in den hoek werd gezet. Heel veel kon het haar niet schelen. Er was toch prettigs genoeg altijd. Als ze dat aapje maar in den geest voor zich zag, sprongen de tranen haar al in de oogen van het lachen. Met zijn oranje—ha, ha!—met zijn omgekruld oranje staartje had hij ten slotte heelemaal aan den ondersten dunnen krul van Rika’s haar geslingerd. Lachebekje was er zeker van, dat zijn neus in den inktpot gehangen had. En niet denkend aan den hoek, waarin ze stond voor straf, noch aan de onderwijzeres, noch aan de mogelijkheid, dat ze zich een zwaarder straf op den hals kon halen, barstte ze opnieuw in lachen uit. Die aap!! De juffrouw voor de klasse schudde het hoofd; dat was toch waarlijk al te erg. En Lachebekje kreeg een uur schoolblijven op den koop toe. II. TOEN EVELINE DOROTHEA MARGARETA WILDEVANK NOG EEN KLEIN MEISJE WAS. De baker had gezegd, toen Eveline Dorothea Margareta Wildevank tien dagen oud was, dat ze een klein, lekker, vroolijk lachebekje was. Andere kinderen lachten eerst veel later, die deden in het begin bijna niet anders dan schreien. Maar Evi lag met klare, blauwe, open oogjes in haar wieg met een gezichtje, of ze het erg prettig vond, daar zoo te liggen op het zachte veeren kussen onder de warme wollen dekens. Haar kleine knuistjes grepen naar de stofjes, die als goud glansden in den zonneschijn, en ze lachte. „Wat is de wereld vol prettige mooie dingetjes,” scheen ze te denken, „ik ben blij, dat ik er ben.” Toen ze drie jaar was, scheen niemand zich meer te herinneren, dat ze drie lange deftige namen had, want iedereen noemde haar Lachebekje, sommigen zeiden enkel Bekje, dat klonk zoo vroolijk en prettig, dat Lachebekje altijd blij opkeek, als haar naam genoemd werd. Op school was het natuurlijk dwaas om te zeggen: „Ik heet Lachebekje of Bekje,” toen werden de lange, plechtige namen weer voor den dag gehaald en gerepeteerd, dat Lachebekje zich niet vergissen zou. En toen ze den eersten morgen al lachend het grappige, hooge gebouw instapte en de vele aardige kindertjes zag, stapte ze naar de eerste de beste juffrouw die ze zag, stak de armpjes op om haar goedendag te kussen en zei: „Ik heet Eveline Dorothea Margareta Wildevank, maar eigenlijk heet ik Lachebekje.” Toen ze thuis kwam, wat had ze toen niet te vertellen! De school was zoo raar en aardig. Daar waren allemaal banken, net als in het Vondelpark, maar kleiner, en daar mocht je met zijn tweeën op zitten. ’t Was heel prettig. Maar je mocht nooit eens van je plaats afloopen om naar een ander kindje te gaan. En praten mocht je ook niet. Je mondje moest heelemaal dicht zijn: zóó. En je handjes moest je zóó houden. Ze had erg moeten lachen om het spelletje. Maar de juffrouw had gezegd dat het geen spelletje was. Het was om te leeren; als je zóó zat, dan kon je mooi leeren, alles wat je wou. Lachen mocht je ook niet, dan kón je niet leeren, had de juffrouw gezegd. „Maar ik moest tóch lachen, Moe,” had Lachebekje haar verhaal besloten, „ik moest wat hard lachen, ik kon het heusch niet helpen. En toen zei de juffrouw: „Je moet niet lachen, Eva; als je lacht zou je school moeten blijven, zou je dat graag willen?”. En toen zei ik: „Ja juffrouw, alsjeblieft,” want ik vond het wel prettig in de school; maar toen zag ik, dat de juffrouw niet goed op me was, en ik héb niet mogen schoolblijven.” Het duurde niet lang, dat Lachebekje dat zeggen kon. Ze mócht al heel gauw nablijven; en toen ze het eenmaal gedaan had, en het lang zoo prettig niet gevonden had, als ze zich had voorgesteld, moest ze het later toch weer en nog heel dikwijls. Want ze vond het zoo vreemd, ze kon het nooit onthouden, dat ze niets zeggen mocht tegen haar buurmeisje, waarvan ze zooveel hield; ze mocht niet eens stilletjes fluisteren, al hinderde het de juffrouw ook heelemaal niet, al kon die het bijna niet hooren. Toch hield ze van de juffrouw, ze kon zoo mooi vertellen, en ze was niet naar, alleen maar streng; en de juffrouw hield van Evelientje Wildevank ook, al was ze ook nog zoo’n ongedurige kleine pretmaakster. III. TRANEN. Toen Lachebekje ruim een uur later dan gewoonlijk thuis kwam, lachte ze. ’t Was ook aardig, ’t sneeuwde voor het eerst. Ze had een sneeuwbal net langs haar neus gekregen. Vroolijk schudde ze haar bonten mutsje op het portaal uit, zoodat de losse sneeuw er afviel. Haar manteltje klopte ze ook uit, de grond werd er heelemaal nat van. Ze veegde nog eens goed haar voeten, voor ze de kamer intrad. „Dag Pa, dag Moes,” zei ze opgewekt, „wat heerlijk, dat het sneeuwt!” „Dag kind,” zei haar moeder, „wat ben je laat.” „Dag Eva,” zei haar vader ernstig; „kom je nog thuis vandaag?” Lachebekje was nooit erg op haar gemak als haar vader haar zoo deftig Eva noemde. „Ja, Pa,” zei ze deemoedig. „Zeker weer school moeten blijven, hè?” „Ja, Pa.” Lachebekje zuchtte. Het speet haar, dat haar vader zoo’n uurtje blijven zoo ernstig opnam. „En waarom?” Lachebekje antwoordde eerst niet. Opeens viel het haar in, dat ze nog geen week geleden haar vader plechtig beloofd had, dat ze niet meer zooveel pret zou maken op school, dat ze haar best zou doen om zich als een flink en degelijk meisje te gedragen, en niet om elke kinderachtigheid te lachen. „Nu, waarom?” „Ik heb gelachen, Pa,” zei Lachebekje met een gezicht, dat nu in het geheel niet vroolijk stond. „Ik moest zoo lachen, Lijsje had een aapje, en....” Verschrikt hield ze op, mijnheer Wildevank sloeg met de hand op de tafel. „Maar kindje, hoe is het mogelijk, hoe is het nu mogelijk, dat je je door iedereen en door alles laat afleiden. Moest je naar dat aapje kijken? Hadt je niets anders te doen? Bemoei je er niet mee als een ander speelt. Denk toch aan je werk! Ik denk, dat je gedragboekje weer alles behalve mooi zal zijn.” Evi kreeg een kleur. Ze voelde altijd een vreemde beklemdheid, als ze aan haar gedragboekje dacht. Och, waarom waren er toch scholen, en waarom moest je toch altijd leeren in de wereld, waarom kon je maar niet altijd lachen en blij en vroolijk zijn? „We moesten nu maar beginnen met eten,” zei mevrouw Wildevank zacht; „probeer het nu toch eens, kind, om ernstig te worden. Je bent niet op school om te spelen. Je moet er goed leeren, zoodat je later wat worden kan.” Evi had erge spijt. Ze dacht er nu niet meer aan, dat er in de wereld altijd wel iets was, waar je om lachen moest. Ze kon het eten niet door haar keel krijgen. Ze had heelemaal geen trek. Een groote traan viel neer op den witten rand van haar bord. „Weest u maar weer goed op me!” snikte ze. Mevrouw Wildevank zag haar man aan, maar Mijnheer haalde ontevreden zijn schouders op. „’t Is lachen of huilen,” zei hij, „maar van ernstig zijn en leeren en je best doen komt nooit iets!” Als haar vader zóó sprak, was het Evi of haar hartje brak. „’k Zal nu heusch mijn best doen,” beloofde ze, terwijl haar borst schokte van het heftige snikken. „Nu, kom dan maar hier en geef me er een zoen op,” zei haar vader. Evi kon het nog niet eens doen; ze ging op zijn knie zitten en verborg het gezicht tegen zijn schouder. Maar langzamerhand bedaarde ze, ze pakte haar vader, gaf hem een paar flinke, klinkende zoenen, kuste haar moeder ook, en nam zich voor in het vervolg altijd ernstig en flink te zijn en niet zoo kinderachtig. Het eten smaakte haar; toen haar voor den tweeden keer werd opgeschept, lachte ze alweer. Wat was de bloemkool heerlijk en wat was de jus lekker bruin.—Pa moest eens kijken of het nog sneeuwde. Ze hoopte maar dat het den heelen avond en nacht zou blijven sneeuwen. Het was zoo prettig om elkaar met ballen te gooien. De wereld lachte Evi weer toe, en Evi lachte ook. IV. IN SPANNING. Het was de dag, die de groote vacantie voorafging. Een heerlijke dag—aan één kant.—’t Was ook de dag van de verhooging. ’t Kon dus een dubbel prettige dag zijn,—áls je verhoogd werd. Maar voor wie zitten bleef, zou hij alles behalve pleizierig zijn. Lachebekje had dat ook al overdacht. O, als ze eens verhoogd werd! Als ze eens het gróóte geluk had, over te gaan naar de zesde klas, de hoogste! Wat zou dat heerlijk zijn, bijna te heerlijk! Zenuwachtig trok ze haar hagelwit schortje recht. Ze zat flink rechtop in haar bank met den rug tegen de leuning. De les was al begonnen, nog twee uur en dan zouden ze den uitslag vernemen. Twee uur! ’t Leek haar een eeuwigheid. Ze hadden lezen, anders een prettige les. Ze kreeg graag een beurt, ze had een aardig helder stemmetje, en las vrij goed. Er werd een stukje behandeld, dat ze al eens meer gehad hadden. Lachebekje kon er haar gedachten niet bijhouden. „Zou ik verhoogd worden, zou er nog kans zijn?” Haar hart klopte blij, als ze aan de heerlijke mogelijkheid dacht. Als het groote geluk haar te beurt viel, dan zou alles mooi en heerlijk zijn. Pa en Moe zouden zoo blij zijn. Pa was zoo trotsch op zijn dochtertje, als ze flink leerde. Hád ze flink geleerd?—Een diepe zucht steeg op uit Lachebekje’s geprangd hart. Was het maar waar, dan zou ze nu niet zoo in angst zitten. Al de uren, die ze verspeeld had met het les- of rekenboek vóór zich—en dat waren er vele—kwamen haar nu voor den geest. Hoe was het toch mogelijk, dat ze zoo zorgeloos en onnadenkend had kunnen zijn! Ze had het toch geweten, dat slecht gekende lessen ook slechte cijfers geven op het rapport, en dat slechte rapporten verhooging onmogelijk maken. „Eva!” klonk het opeens. Evi zag verschrikt op. Het duurde een oogenblik voor ze begreep, dat het haar beurt was. Gelukkig moest ze met een nieuw stukje, een versje, beginnen, anders had ze ook nog niet geweten, waar de les was. Ze las, maar haar stem klonk een beetje heesch en vreemd, en ze hakkelde een paar maal, zoodat ze het coupletje over moest lezen. Ze begon opnieuw maar verslikte zich al in den eersten regel. „Nog niet mooi,” zei de juffrouw, toen Eva’s beurt voorbij was, „veel te haastig gelezen, je kunt het beter.—Maar er is zoo veel, dat Eva beter kan, en dat ze toch niet doet.” Met groote, verschrikte oogen zag Lachebekje op. Zei de juffrouw dat, omdat ze niet verhoogd zou worden? Was het haar vonnis?— Maar de onderwijzeres lette niet meer op Eva, ze was weer geheel bezig met de les, en Lachebekje kon niets op haar gezicht lezen. Het volgende uur was er schrijven. De schriften en pennenhouders werden uitgedeeld. „Zorgt vooral, dat het laatste schrift, dat je in deze klas maakt, goed wordt,” zei de juffrouw. Een nieuwe zucht ontglipte Eva’s borst. Zou het werkelijk het laatste schrift zijn, dat ze in die klas maakte, of zou ze nog een jaarlang dezelfde schrijfvoorbeelden moeten volgen? Ze deed haar uiterste best. Ze schreef altijd wel aardig, maar vaak te gauw. Ze behoorde tot die meisjes, die steeds het eerst den regel afhebben. Het was zoo gezellig, vond ze, om dan nog eens stil te zitten en anderen te zien werken. Het spreekt vanzelf, dat er dan ook bijna altijd wát aan haar werk mankeerde. Ze vergat de punt op een i of den streep door de t’s of een letter uit een woord, zorgeloosheden, die Evi zelf al heel licht telde, maar die haar meestal een laag cijfer voor haar schrift bezorgden. Nu was ze niet het eerst met haar regel klaar. Integendeel, ze schreef met pijnlijke langzaamheid en angstige nauwgezetheid. Ze teekende de letters één voor één, maakte de neerhalen dik, de ophalen dun. Haar hand beefde van de inspanning, aan enkele letters was het duidelijk te zien, die schenen zelf te trillen als je er lang naar keek. Toen ze aan den derden regel was, en de juffrouw eens langs kwam, tikte ze Evi bemoedigend op den schouder. „Keurig,” zei ze, „dat gaat goed zoo.” Evi kleurde en zuchtte van plezier, en opeens kwam de hoop weer met kracht terug. Ze keek door het raam. Enkel zonneschijn was het buiten. Zou het ook straks voor haar enkel zonneschijn zijn? Toen ze den vierden regel af had, en die nog beter geslaagd was dan de vorige, lachten haar oogen weer. Als ze verhoogd werd, dan zou ze veertien dagen naar tante Wolfers in Den Haag gaan, om bij Coba en Hanna, haar nichtjes, te logeeren. Ze verlangde zoo naar Den Haag. Ze was er al eens geweest, en het was er zoo heerlijk, in het Bosch, en dan Scheveningen en de mooie, blauwe, wijde zee, en de heerlijke frissche zeelucht. Ze hoorde niet eens, dat ze aan den vijfden regel beginnen moest. Ze was met haar gedachten aan het strand, het blonde duin met het lichtgroene helm lag achter haar. Hanna en zij waren er juist komen afrennen, en haar bloote voetjes waren heet geworden door het zand, dat in den zonneschijn stoofde. Het deerde haar weinig. Rrsch! Daar kwamen met een vaart de koele golfjes aanruischen, spoelden over haar voeten heen, opspattend tegen haar beenen; en weg gleden ze weer, om een oogenblik later terug te komen. Het was of ze een aanloop namen.... „Schrijf jij niet, Eva?” Lachebekje doopte haastig den pennenhouder in den inktpot. Ze had gedroomd. Het is altijd pijnlijk om uit een prettigen droom te ontwaken.—Ze liep niet aan het strand, maar zat op school. Zou ze wel eens naar Den Haag gaan?— Een inktmop viel op haar schrift. Al haar mooie werk was nu bedorven, en haar hoop was ook vervlogen, heelemaal. V. VERHOOGING. Een modelklas. Doodsche stilte. Vóór de klas, statig, de hoofdonderwijzeres, een groot, opengeslagen boek in de hand. Twintig gezichtjes zien in spanning naar haar op. Rika Obbes snuit haar neus, wat haar door de anderen bijna kwalijk genomen wordt. Dat geluid is storend, het is oneerbiedig, het maakt, dat juffrouw Van Looveren, de hoofdonderwijzeres, met spreken wacht; maar Rika kan het niet helpen, ze is verkouden. Nog eens niest ze, het is schandelijk. Eindelijk begint juffrouw Van Looveren te spreken: „Het doet me genoegen,” zegt ze, „dat in deze klas zeventien meisjes met goed gevolg den cursus hebben doorloopen. Ik zal de namen opnoemen.—Je hebt allen je lei en je tasch en je eigen boeltje bij je?” Gretig knikken allen; ze verlangen niets anders dan haar have en goed mee te nemen en er mee naar de zesde klas te wandelen. „De boeken, die in deze klas hooren, laat jelui op de bank liggen. Wie haar naam hoort noemen, gaat op de teenen naar de zesde klas—en vraagt daar aan juffrouw Zandheuvel een plaatsje.” Weer knikken allen. En nu begint—„eindelijk,” vinden de meisjes—de opsomming der gelukkigen. Rika Obbes is nummer een, die verhoogd wordt. Al niezend verlaat ze de klas, nageoogd door de negentien anderen, die niets liever willen, dan haar volgen. Nummer twee, drie en vier zijn ook al genoemd. Dan volgt Saartje Willems, Evi’s buurmeisje. Lachebekje knikt haar vriendelijk toe, als Saartje haar blij verrast aanziet. Ze is blij voor Saartje. Dan komt Lizette Lubbers. Dan nummer zes, zeven, acht, tot dertien toe, dan veertien, vijftien en zestien.... Lachebekje wordt bleek tot de lippen toe. Al haar hoop is verdwenen. Ze kan nauwelijks luisteren naar den naam van nummer zeventien. Die wordt niet dadelijk genoemd. „Nummer zeventien staat zóó zóó,” zegt juffrouw Van Looveren. „Ze heeft meer gespeeld en gelachen met haar buurmeisje dan goed voor haar was.” Lachebekje is nu vuurrood geworden. Het hart klopt haar wild in de keel. Zou ze dan toch.... „Kom eens hier, Dora Beyma,” gaat de hoofdonderwijzeres voort, „zou je denken, dat je in de volgende klas wat meer je best zult doen?” Lachebekje hoorde niet meer Dora’s haastige belofte. Met treurige oogen keek ze rond in het bijna geheel ledige lokaal, waar ze overbleef met de twee domsten, toen schoten haar oogen vol tranen en, met het hoofdje op de tafel, barstte ze in snikken uit.— Ada Blommers en Nette Waldstra hadden niet anders verwacht, dan dat ze zouden blijven zitten; ze waren lui en dom én onverschillig geweest. Ze huilden niet eens. Ze bogen alleen het hoofd onder de vermaning, die juffrouw Van Looveren haar gaf. „Met jou moet ik eens een woordje spreken,” zei de hoofdonderwijzeres, met iets dat naar medelijden zweemde neerziend op het krullige blonde hoofdje vóór haar op de bank. Lachebekje hief zich met moeite op, over haar vuurroode, natte wangetjes stroomden heete tranen. Ze zag er heelemaal niet als een lachebekje uit. „Zou je graag nog een kans hebben om in de hoogste klas te komen, Evi?” klonk het niet onvriendelijk. Zenuwachtig lachte Evi, terwijl een trillende zucht uit haar borst opsteeg. De zonnetjes in haar blauwe oogen braken door, ze glinsterden door haar tranen heen. „Of denk je,” ging juffrouw Van Looveren nu weer ernstig voort, „dat het toch niet helpen zal? Dat je, zoodra je eenmaal verhoogd bent, weer den ouden weg zult opgaan, en lachen en spelen en zorgeloos je werk af roffelen?” Heel ernstig schudde Evi het hoofd; áls ze verhoogd werd, zou ze zéker haar best doen. „Ik weet niet, of ik goed op je belofte aan kan; heb je je niet al dikwijls voorgenomen je best te doen, en wat is er dan van gekomen?” Lachebekje had beschaamd het hoofd gebogen. „Enfin, ik wil het eens drie maanden met je probeeren. Blijkt het, dat je een flink meisje kunt zijn, dat begrijpt, dat ze leeren moet,—dan kan je er blijven en dan zal het je ook zeker niet moeilijk vallen met de anderen gelijk op te leeren, want dom ben je niet. Maar doe je niet uitstekend je best, ga je met een luchtig hartje je ouden gang,—dan wordt je onvoorwaardelijk verlaagd.—Geef me nu een hand, Evi, en beloof me, dat je een ferme meid zult zijn.” Lachebekje gaf de juffrouw een hand, ze had haar wel een kus willen geven, zoo blij was ze, dat ze nog kans had! VI. „IK GEEF NIETS OM DIE KANS.” Haar vader was niet zoo blij. „Ik geef niets om die kans,” zei hij. „Dan moest je een ander meisje zijn. Ik geloof er niets van, dat je nu je best zult doen. Het zal natuurlijk gaan als altijd. Eerst heel mooi beginnen, een halven dag, een dag lang misschien. Dan denk je: Gelukkig, ik heb me zoo ingespannen, ik hoef me nu niet langer zoo uit te sloven. En je gaat lachend je ouden weg. „Neen, voor mij is het precies hetzelfde, alsof je niet verhoogd was. Ik hecht niemendal aan die kans, want je maakt er toch geen gebruik van. Het is over drie maanden een teleurstelling te meer.” Evi dorst niets te zeggen; ze zat aan tafel met een bleek gezichtje. Ze vond het vreeselijk, dat haar vader geen geloof meer in haar had. Ze meende het zoo ernstig, dat ze haar best zou doen. Haar moeder pleitte voor haar. „Kom,” zei ze goedig, „ik geloof, dat Evi het nu wel meent.” „Ze heeft het altijd gemeend, als ze iets beloofde, en toch heeft ze haar woord niet gehouden. Ze méént het, ja, voor een oogenblik; morgen is ze het weer vergeten. „Hebben we niet jaar aan jaar dezelfde geschiedenis gehad, was haar rapport ooit zoo goed als het wezen kon?—Ze is vroeger overgegaan, maar hoe? Altijd was het bij het kantje af.—Heb ik haar niet gewaarschuwd van het jaar? Heb ik niet herhaaldelijk gezegd, dat het verkeerd ging, dat het zoo spaak moest loopen?—Hoeveel tranen heeft ze om het laatste rapport niet geschreid, hoeveel goede plannen had ze toen niet voor de laatste twee maanden! Ze zou zich beteren en ijverig zijn en ernstig. En wat is het slot ervan? Dat haar cijfers nog verminderd zijn.” Het was alles zoo waar, wat haar vader zei. Evi liet het hoofd nog dieper zinken, om de tranen te verbergen, die haar vader nog meer zouden hinderen. Ze moest hem gelijk geven; het scheen waarlijk, dat ze onverbeterlijk was. „Alle hoop is toch nog niet verloren,” zei mevrouw Wildevank zacht. „Misschien is dit nu voor altijd een les voor haar. Als ze eenmaal geleerd heeft met ernst te werken, zal het haar later makkelijk vallen. Ze moet nu maar eens niets beloven, dezen keer, en ons door daden toonen, dat ze het ernstig meent. Ze is er toe in de gelegenheid, want de juffrouw van haar klas heeft haar heel wat huiswerk opgegeven om zich te oefenen, en het achterstallige zooveel mogelijk in te halen.” Lachebekje knikte, ze zag haar moeder dankbaar aan. „Jij moet het weten, of je nog vertrouwen in haar wilt stellen,” klonk het koeltjes terug. „Het is mij onverschillig. Ze kan voor mijn part naar Den Haag gaan en met Hanna spelen zooveel als ze wil. Ze zal haar verdriet gauw vergeten. „Het beste zal zijn, dat we ons plan maar opgeven om haar onderwijzeres te laten worden. Haar verstand is goed genoeg, maar dat alleen is niet voldoende. Daar moet goede wil en standvastigheid bijkomen. „Nu, maak het samen maar uit, mij is alles hetzelfde.” Mijnheer Wildevank vertrok diep teleurgesteld. Evi stond voor het raam en zag hem na. Hij keek niet zooals anders nog eens naar boven, toen hij aan den overkant was, hij liep voort met een ernstig, misnoegd gezicht, zijn stap lang niet zoo opgewekt en veerkrachtig als gewoonlijk. Zooveel leed had Lachebekje in haar leven nog niet gekend. Haar vader vertrouwde niet meer op haar, hij geloofde haar niet langer! Toen hij den hoek was omgeslagen zonder nog eens, als was het ook maar even, naar haar op te zien, om haar goedendag te knikken, had ze een gevoel of alle vreugd voor altijd voor haar verloren was. Ze huilde niet. Stil sloop ze naar boven naar haar klein kamertje. Met een hart, zwaar van droefheid zette ze zich aan haar werktafeltje neer. Ze begon het pakje boeken los te maken, dat ze van school had meegebracht. Vijf en twintig sommen moest ze in de vacantie uitrekenen. Maar daaraan kon ze niet beginnen. Haar hoofd voelde zoo leeg en raar. Ze had ook nog thema’s te maken, die zouden beter gaan, als ze het langzaam aan deed, en telkens als ze twijfelde, de spraakkunstregels opsloeg. Ze zuchtte van zenuwachtigheid. Ze wou haar vader dan toch toonen, dat ze niet enkel een speelsch, onbeduidend ding was, dat ze niet altijd even klein en kinderachtig bleef. Ze had het thema opgeslagen en ze las: „De schuldigen zijn veroordeeld tot gevangenisstraf.” Ze vertaalde meteen: „Les coupables ont été...” de woorden „veroordeeld” en „gevangenisstraf” moest ze beide opzoeken. Ze vond opzoeken iets vreeselijks. Meestal liet ze de woorden, die ze niet wist, oningevuld. Ze ging dan stilletjes met haar schrift naar Saartje Willems, die een verdieping hooger woonde, en bij haar schreef ze de woorden even bij. Nu bladerde ze haastig in de dikke dictionnaire en zocht en vond ze. Toen begon ze aan den tweeden zin, waarvan ze het eerste woord het beste al niet kende. Langzaam tobbend, worstelend met de moeilijkheden, die ze vroeger vermeden of veronachtzaamd had, vorderde ze zin voor zin. Ze hield niet op met werken, toen het mooie orgel voor de deur stilhield, met de dansende poppen, dat ze anders zoo graag zag; ze keek zelfs niet op, toen de hardlooper voorbij kwam draven en den hoogen zijden hoed op zijn neus liet balanceeren. Ze was dof in het hoofd en haar oogen voelden moe. ’t Kwam doordat ze zoo verdrietig was, omdat ze haar vader leed had gedaan. Na een half uur kwam mevrouw Wildevank eens kijken, wat Evi deed. Met een bleek gezichtje zat Lachebekje ingespannen te werken. Mevrouw Wildevank knikte: „Juist, zoo is het goed, kind. Blijf nu ijverig je best doen, dat je toch verhoogd wordt, hè? Wat zal Pa dan blij zijn.” „Ik wou—dat Pa weer van me ging houden,” snikte Lachebekje opeens, terwijl ze in haar droefheid de pen uit de hand liet vallen, die een groote klad op haar werk maakte. Arm Lachebekje! Dat de wereld ook zoo hard is, en de onderwijzeressen zoo streng zijn! VII. UIT LOGEEREN. „Ga je ook niet mee?” vroeg Lachebekje, „kijk daar heb je het zonnetje alweer.” „Welja, ga mee, Koos,” drong mijnheer Wolfers ook. „Neen, Pa, heusch niet, ik blijf werkelijk liever thuis. Daar drijven zulke vrééselijk donkere wolken.” „Die drijven voorbij, Coba; ’t wordt zeker nog mooi weer.” „Hè, neen, Ma,” klonk het bijna huilend, „ik zou toch met mijn oude jurk ook niet willen gaan, dan heb ik er echt geen aardigheid in, en op mijn nieuwe zou ik niet graag een bui hebben.” „Nou, zeur maar niet langer,” klonk opeens een jongensstem, „’t is best, hoor!” „’k Zou voor jou toch ook niet meegegaan zijn,” klonk het onvriendelijk terug. Hanna luisterde niet eens meer naar haar zuster, maar draafde achter Lachebekje aan, de trappen af. „Hola, Hans!” riep haar vader haar terug, „als het weer goed blijft, ga dan naar Scheveningen, hier heb je wat voor de tram en een kleine vertering.” „Dank u, Pa!” zei Hanna salueerend, toen sprong ze uitgelaten naar beneden. „Naar de tram, voorwaarts, marsch!” riep ze, zoodra ze op straat stond. „Kijk die lucht eens!” zei Lachebekje opgetogen, „zoo blauw als— —” „Een vergeet-mij-nietje,” zei Hanna, gemaakt haar grooten mond wringend tot een heel kleinen. „Maar het is een heerlijk meevallertje, ik had het vanmorgen niet gedacht, hoor!” „Wat een prachtige laan is dit toch,” zei Lachebekje toen ze boven op de tram zaten, „net een groene poort, als je in de verte kijkt.—Zie nu het zonnetje eens, heelemaal doorgebroken. Wat jammer toch voor Coba, dat ze niet is meegegaan.” „Och, Coba is altijd mal,” zei Hanna norsch. Evi lachte. „Jelui bent niet erg vriendelijk tegen elkaar,” zei ze. „Als ze ook altijd zoo gek is! Altijd heeft ze wat bijzonders. Hoe vondt je het vanmorgen, toen mijn strengel haar weer niet mooi genoeg was?” „Nu, héél mooi zat hij niet,” zei Lachebekje zacht, „er staken veel sprieten uit.” „Maar de drukte, die ze toen maakte, toen ik mijn haar even in de kamer losmaakte.” Lachebekje begon opeens te schateren, niet om Coba’s „drukte”, maar omdat ze aan de woeste manier terugdacht, waarop Hanna in eens, roef-roef, haar strengel losgemaakt, en haar hoofd met een ruk heen en weer gezwaaid had, zoodat de haren gefladderd hadden, als de manen van een paard, dat zijn kop in den nek gooit. „Coba is liefst een dametje,” zei Hanna, „heb je wel gemerkt, dat ze het altijd heel naar vindt, als Pa haar Koos noemt? Ik doe het ook wel eens om haar te plagen,—en ik ben liefst een jongen. Ik zou graag echt Hans heeten.—Meisjes geven altijd om zulke flauwe dingen. Wat maal ik er om of mijn scheiding recht of scheef zit, of ik een roode jurk aanheb met een hoed met blauw lint, of mijn rok te kort is, of dat mijn kousen eens afzakken. Ik bind ze eenvoudig weer op, dat is al. Coba wil niet met me loopen, alleen omdat ze zegt, dat mijn kousen me altijd op de hielen hangen. En ik trek ze wel honderdmaal op een dag op, en doe den band zoo stijf, dat het me altijd pijn doet; ik kan mijn beenen toch niet afbinden voor haar plezier!” Evi lachte om de inspanning, waarmee Hanna op datzelfde oogenblik bezig was het riempje om haar kous vaster aan te halen. Vijf minuten later stonden ze op het strand en was Hanna alle grieven, die ze tegen Koos had, vergeten. Hè, wat was het daar heerlijk! Evi genoot. Ze begonnen met een flinke wandeling te doen, zóó dicht langs de kust, dat het water meer dan eens over haar lage schoentjes spoelde. „We moesten maar dadelijk een glas limonade nemen, hè?” zei Hanna. Evi vond het uitstekend. „Of als we terugkomen?” vroeg ze. „Ik mocht het geld eens verliezen,” zei Hanna voorzichtig. „Ik heb hier aan het strand al zooveel verloren, een portemonnaie, een mesje, een nécessairetje, een armband—enfin, dat is mijn eigen schuld, zulke dingen moest ik dan ook maar niet aandoen.” „Hoe is het mogelijk!” riep Lachebekje, terwijl ze haastig naar haar zak tastte, waarin haar beursje gelukkig nog aanwezig was. „Ik begrijp het zelf niet,” zei Hanna, „maar toch is het zoo. Een mooi bloedkoralen halssnoer ben ik ook kwijtgeraakt, en hoopen haarlinten—maar die verlies ik overal,—eens zelfs een pelerine van een splinternieuwe jurk. Die had ik nogal afgedaan om ze te sparen. ’t Was een beeldige, met zij gevoerd. Uren heb ik er naar loopen zoeken, maar mis, hoor! en Pa’s reistasch, een splinternieuwe, zoo’n bruinleeren city-bag, die ik mee had genomen en die vol was gepropt met broodjes met vleesch en krentenbroodjes. Een pond kersen zat er ook in, en zelfs een bibliotheekboek. We zouden met een paar schoolmeisjes een heelen dag in Scheveningen doorbrengen. Maar er kwam niets van in. We moesten naar huis, de honger joeg ons.—Op een gegeven oogenblik, daar was de heele tasch weg. Verdwenen, spoorloos! Al ons zoeken vergeefs. Heele duinen hebben we omgegraven. „Wat ik daarover heb moeten hooren! Er moest een nieuw bibliotheekboek worden gekocht. Pa schoot het voor, één gulden vijf en twintig kostte het. Maar ik heb er weken lang mijn stuiver zakgeld voor gemist.—Wat een geluk nog, dat het geen boek in twee of drie deelen was, hè?” Hanna en Evi namen op de stoeltjes bij de limonadetent plaats en verkwikten zich aan een kwast, die ze bij kleine teugen uit rietjes opzogen. Het was zoo’n heerlijk koel drinken, een flink stuk helder ijs dreef er in. „Je hebt er lekker lang aan, met zoo’n rietje, hè!” zei Hanna tusschen twee trekjes in. „O, ja!” Maar Lachebekje was afgetrokken. Oude, bijna vergeten sprookjes kwamen haar voor den geest. Hoe kwam het toch, dat Hanna aan het strand zooveel verloren had? Waarden er duingeesten rond, of doken de meerminnen, voor stervelingen onzichtbaar, uit de golven op om de menschenkinderen te berooven?—Ze had wel eens van drijfzand gehoord, maar daarin verdwenen de menschen en geheel en al, en niet alleen hun kostbaarheden. Al haar spookachtige gedachten gingen op de vlucht bij het zien van de grimmassen, die Hanna maakte toen ze het stuk ijs in haar mond had. Evi moest er zóó om lachen, dat de limonade links en rechts over haar glas heenspatte. „Je hadt niet dwazer kunnen kijken als je een kokend heeten aardappel in je mond gehad hadt,” zei ze. „’t Was ook net of ik me brandde van de kou,” zei Hanna, haar tong zoo ver mogelijk uitstekend, om het laatste spoor te kunnen zien van het wegsmeltend stukje ijs. „Je kunt je wel branden van de kou,” zei ze met een gezicht of Eva haar had tegengesproken. „Heb je nooit gehoord van zeelui, die zich bij fellen vorst branden bij de aanraking van metalen voorwerpen? Heb je nooit gehoord, dat wielrijders in een strengen winter zoo moeten oppassen, dat ze niet met de bloote hand den stalen stuurstang omvatten?” Evi was overbluft. „O, zoo!” zei Hanna op de manier van een straatjongen, die een ander „getroefd” heeft. Toen blies ze met kracht het rietje ver voor zich uit, keerde haar glas om, zoodat de laatste druppels in het zand verzonken, met een beweging, die ze wel eens gezien had van een koetsier, vóór hij zijn bierglas aan den kellner teruggeeft,—en betaalde. Lachebekje had erg veel schik in Hanna’s kwajongensgrappen. Ze was vooraf een beetje bang geweest voor al te hoofsche manieren. Ze had gedacht, dat alle Hagenaarstertjes verfijnde nuffen waren. En ze had vooral gevreesd, dat ze erg bij Hanna zou afsteken, omdat die van haar leeftijd was, en het verschil in vormen dus des te meer zou uitkomen. „We moeten eerst nog maar een goed eind loopen,” stelde Hanna voor, „dat we een beetje uit de menschen komen.” Lachebekje vond het best, het was zoo aardig om ver van de anderen met je tweeën te staan op het strand, en de groote zee te zien. Het leek dan net of de zon en de zee, alleen voor je beitjes waren. „We konden net zoo goed draven, als loopen,” zei Hanna, „er zijn zoo akelig veel menschen, we komen hun anders nooit voorbij.” Lachebekje gaf alleen antwoord, door Hanna hard voorbij te hollen. Ze kon loopen als een kievit, en toch zoo netjes, dat niemand aan haar zien kon, hoe ze draafde. Hanna, met haar lange beenen en te korte rokken, die op school den naam had van de steltloopster, en bijna alle meisjes van haar klas bij een wedloop achter zich liet, was er verbaasd over. En het prikkelde haar tegelijk. Zoo’n klein ding! Daar wou ze zich toch niet den loef door laten afsteken. Ze deed haar uiterste best om Evi in te halen, en liep met zoo’n vaart, dat de hielen haar van achteren tegen de rokken sloegen. Aan Hanna was het des te meer te zien, dat ze rende. Het waren niet alleen haar beenen, waarmee ze, zooals Coba zei „maaide”, maar alles aan haar scheen mee te rennen. Haar armen zwaaide ze als molenwieken, haar vuurrood gezicht stak vooruit als de kop van een vogel in zijn vlucht, het krullende haar waaide om haar slapen heen, de hoed danste haar in den nek, de vlecht, waarvan ze dadelijk lint en band verloren had, zwiepte als een vlossen paardestaart op haar rug en speelde hopsa-janneke bij iederen stap. Ze hijgde, lachte, riep, veranderde eindelijk van koers en liet zich amechtig neervallen, tegen de zachte helling van een duin. Lachebekje had zich ook omgekeerd en zette zich een oogenblik later naast haar neer. „Je bent moe, hè, Han?” zei ze. „Jij niet, hè?” zei Hanna met een tikje spot. „Niet erg,” zei Evi naar waarheid; ze zag er niet eens heel warm uit. „Ik ben doodaf,” zuchtte Hanna, „maar jij loopt ook als de wind, ik kón je niet krijgen en ik verzeker je, dat ik in den letterlijken zin poot-an heb gespeeld.” Lachebekje zette haar hoedje af en schaterde het opeens uit. „Maar jij loopt ook met je heele lichaam,” zei ze, „ik heb eens omgekeken, en ik zag je aankomen, net een....” „Net een....?” vroeg Hanna. „Spreek je hartje maar uit, kind, ik houd wel van beeldspraak en bloemrijke taal.” „Net een groote glazenmaker met zes pooten, die alle zes tegelijk in beweging zijn!” Het was de muziek van Evi’s helderen schaterlach, die Hanna mee deed lachen, en tegelijk haar vermoeidheid scheen weg te blazen, want ze sprong op, snelde naar den top van het duin, waartegen ze gerust had, en liet zich, met een waarschuwend: „Van onderen!”, naar beneden rollen. Evi sprong opzij, om niet bestoven te worden door het opgewoelde zand. Het was een bespottelijk gezicht, een gefladder van rokken en haren, een lawine van zand. Hanna’s gezicht met de dichtgeknepen oogen, was als een roode kool, haar lichaam met de gestrekte armen, een stijve, onbeweeglijke massa, een zuil, rollend naar omlaag met steeds grooter snelheid, verdringend en meesleepend het zand, dat haar in den weg lag. Toen ze aan den voet gekomen was, stond Hanna op; ze was zwaar van het zand; als blonde beekjes stroomde het haar aan alle kanten uit de kleeren, het kriebelde haar in den nek en in het haar. „Je moest mijn rug eens voelen,” zei ze, „daar zit een half duin in, en mijn hoofd, ik voel me als een tol, alles draait om me heen, ik zie de zon net als een groot vuurwerk, waaruit duizenden vonken spatten; maar het is heerlijk om zoo te rollen, het is zoo’n eenig, wonderlijk gevoel, ’s nachts droom ik er nog dikwijls van.” „Ik geloof graag, dat het een wonderlijk gevoel is,” zei Evi, „maar ik denk niet, dat ik het erg prettig zou vinden.” Ze zag op de helft van het duin een klein rood puntje uitsteken, en ging eens kijken wat het wezen mocht. Zegevierend kwam ze een paar tellen later bij Hanna terug, in de ééne hand Hanna’s rood zijden strik, in de andere haar zakdoek. „Die hadt je in den val verloren,” zei ze, „ik begrijp nu ook best, wie de duingeesten zijn, die jou van je sieraden en bezittingen berooven.” Hanna sprong op, haar duizeligheid was voorbij; met een gezicht, dat straalde van blijde verrassing begroette ze haar verloren schatten. „O, wat ben jij een engel, om dat voor me te vinden.—’t Is de mooiste strik, dien ik heb,—het elastieken lusje is er nu van gebroken,—en mijn zakdoek ook, een geborduurde nog wel! Je moet weten, dat ik altijd na een wandeling gefouilleerd word, en wee mij, als er wat aan den inventaris ontbreekt!” „Hoe is het mogelijk, hè,” zei Hanna nog eens, terwijl ze lint en zakdoek met teedere bezorgdheid in den zak stak, die zwaar van zand was, „wat zou je toch gauw iets kunnen kwijt zijn.” „Zullen we nu eens een voetbad gaan nemen?” vroeg Evi. „Mijn beenen zijn gestoofd.” „En de mijne,” riep Hanna, haar lage schoentjes uitschoppend, die met zand gevuld waren; het was verwonderlijk, hoe er, behalve voor Hanna’s voeten, in die schoentjes plaats was geweest voor zóóveel zand. „Dat is het allerprettigst,” zei Evi, met de rose mollige voetjes dapper het water wegtrappend, zoodat het hoog opspatte tegen haar beenen. Ja, dat wás het prettigst. Onder de groote zonnehoeden liepen de meisjes, de kustlijn volgend, naar Scheveningen terug, steeds plassend in het heerlijke frissche water. De aanrollende golven klotsten haar stoeiend tegen de beenen en wierpen haar een regen van druppels tegen de knieën. Hanna had een zeer vernuftige manier uitgedacht om kousen en schoenen mee te voeren zonder er last van te hebben. De kousen had ze namelijk aan elkaar om het middel gebonden, en de schoentjes er met de veters aan vastgemaakt, zoodat die haar op den rug bungelden. Het was prettig, dat ze zoo de handen vrij hadden. „Wat heerlijk is het hier, hè?” riep Lachebekje, omziend met een stralend gezichtje. Als stadskindje genoot ze dubbel van al het natuurschoon. Het kwam haar voor, of ze de zon nog nooit zoo mooi gezien had, een gouden oog in den wijden blauwen hemel; en de woelige zee, dat levende water met zijn duizenden tinten, wisselend van diep hemelsblauw tot smaragdgroen en zilver; enkel vloeiend, schitterend zilver, waar de zon er zich in spiegelde. De vroolijke golfjes met hun eindeloos gespeel, die met een blijden lach kwamen aanruischen, en dan weer hard wegliepen als dartelende kinderen, deden Lachebekje schateren van plezier. ’s Avonds in bed hoorde ze nog vaak den eentonigen zang van de zee, als ’t geluid van den wind, die ritselt door breede boomkruinen heel in de verte. En dan kwamen haar ook voor den geest brokstukken van wat ze gezien had: zacht glooiend blank duin, wit in den zonneschijn, hier en daar begroeid met glanzige helmsprieten, en boven de golvende duinenlijn, mooi blauw de klare lucht, waarin ijle zilveren wolkjes zweven als ragfijne sluiers. Dan zag ze de kinderen aan het strand, met hun bloote voetjes, rozerood als de zeeschelpjes, en hun door de zon gebruinde armen. Ze hoorde hen joelen en lachen, hun stemmetjes schenen weg te waaien, de wind nam ze mee. Hun blonde krullen fladderden, terwijl ze zich bukten om kanalen en grachten te graven, kleine kabouters met gezonde wangen, rood van inspanning, frisch van de koele zeelucht.— Of ze lag weer heerlijk lui tegen het duin, in een bed van zand, blozend, warm, het zonlicht nog voelend door de dichte oogleden heen, en liet zich in slaap zingen door het wiegelied der deinende golven. VIII. HERINNERINGEN. ’t Was met een hart vol dankbaarheid, dat Lachebekje op een zonnigen Zaterdagmiddag weer in den trein stapte om naar Amsterdam terug te keeren. Ze werd weggebracht, door Tante, Coba en Hanna. „’t Spijt me erg, dat je weggaat,” zei Hanna hartelijk. „Mij ook,” zei Coba, die Lachebekje graag lijden mocht en in die eene week al wat van haar nuffigheid had afgelegd, omdat die zoo dwaas afstak bij Evi’s natuurlijkheid. Het voorbeeld van Hanna, die met haar woestheid weer aan den anderen kant overdreef, hielp haar nooit, ze werd er juist nog damesachtiger en gemaakter door. Ook op Hanna had Lachebekje een gunstigen invloed gehad, omdat Evi zonder een „verwaand, ijdel, neuswijs spook” te zijn, toch meisjesachtig was, zoodat Hanna zich in haar tegenwoordigheid, zooals ze zelf zei, een „linkschen, slungelachtigen boerenjongen” voelde. Mevrouw Wolfers zag Evi ook ongaarne vertrekken; ze had heel goed opgemerkt, dat de tegenwoordigheid van het vroolijke logéetje op haar beide meisjes een uitstekende uitwerking had. „Dag tante, ik dank u nog eens hartelijk voor alles,” zei Lachebekje, de hand uit het portier stekend, „dag Coba, dag Han’! Tot Kersttijd, hoor, vergeet niet, dat je dan allebei eens bij ons komt.” Met een schok zette de trein zich in beweging, Lachebekje knikte nog wel tienmaal heel vriendelijk, wuivend met haar zakdoek; toen, nadat ze zelfs de groote ronde schijf van Hanna’s breeden zonnehoed niet meer zien kon, zette ze zich in haar prettige hoekplaats neer, en tuurde met een blij gezichtje het raampje uit. Ze lette niet op de dingen, die ze voorbijstoomde, ze zat maar rustig al het prettigs te overdenken, dat er in de laatste weken gebeurd was. Ze had niet gedacht, dat haar na de eerste donkere vacantiedagen, zoo’n gelukkige tijd wachtte. Ja, die eerste week, wat was die treurig en somber geweest. Lachebekje zuchtte weer, als ze er aan terugdacht. Ze had gemeend, dat haar vader voor altijd boos op haar bleef. Of neen, boos niet, dat was het juist. Als hij werkelijk kwaad geweest was, zou de ijver, dien ze in den eersten tijd aan den dag legde, hem wel zachter gestemd hebben. Hij was alleen nooit meer aardig of vriendelijk tegen haar. Hij scheen niet te kunnen gelooven, dat die ijver duren zou. Elken avond, als ze hem goedennacht kwam zeggen, nadat ze den heelen dag flink gewerkt had, was hij zoo koel tegen haar. Zoo, alsof hij dacht: „Je hebt je vandaag eens uitgesloofd, maar ik zal je er niet voor prijzen, want ik weet, dat het morgen toch weer mis is, en één dag hard werken kan de schade van een heel jaar niet goedmaken.” Als Lachebekje dan in bed lag, nadat haar vader haar koeltjes een nachtzoen had gegeven, had ze dikwijls gesnikt van verdriet. Ze meende het zoo goed, het was zoo in ernst haar bedoeling, haar uiterste best te doen, en het kostte haar zooveel moeite,—waarom geloofde haar vader dan niet, dat ze zich inspande, dat ze alles doen wou, om maar weer te maken, dat hij van haar hield? Ze vond de nachten zoo lang en donker, dikwijls kon ze niet in slaap komen van verdriet. Ze had het haar vader zoo graag willen zeggen: „Wees u toch weer goed op me, vertrouw me weer, alstublieft, ik wil vooruitkomen, ik zal zorgen dat al mijn huiswerk in orde is, en dat ik in de hoogste klas kan blijven, als ik er eenmaal in ben.” Maar ze zweeg; haar vader zou die praatjes maar kinderachtig gevonden hebben; haar moeder had wel gelijk: door daden moest ze toonen, dat haar bedoeling goed was. Maar het is zoo moeilijk om vol te houden, als je niet eens aangemoedigd wordt door een vriendelijk woord. De sommen waren lastig, ze had er zich vroeger zoo veel „eventjes” door Saartje Willems laten uitleggen en bij de taalstukjes moest ze telkens weer de regels opzoeken en die eerst leeren. Vroeger had ze er maar wat naar geraden. Op een avond, dat Lachebekje met een kleur van het werken van haar schrift opkeek, had haar moeder haar toegeknikt en vriendelijk gezegd: „Ze doet nu flink haar best, als ze nu zoo maar blijft voortgaan, dan komt alles nog wel terecht.” Mijnheer Wildevank had niet opgekeken van de krant waarin hij zat te lezen. „Ja, als ze zoo voortgaat,” had hij geantwoord,—„vleugjes van ijver hebben we genoeg gezien, maar het heeft nooit lang geduurd.” Lachebekje had bijna niet voort kunnen gaan met schrijven, haar hand beefde en er was een floers voor haar oogen gekomen. Stilletjes had ze de tranen weggewischt, en ze had eens geslikt, want het was of haar iets in de keel zat. Ze wou niet huilen, flink wou ze zijn, en haar werk heelemaal afmaken. Zou haar vader dan niet weer goed op haar zijn? Toen de eerste vacantieweek om was, was Lachebekje met alles klaar geweest. Het was een pak van haar hart, en het deed haar plezier, dat haar moeder zoo blij was, maar gerust was ze niet.—Zou haar vader nu weer vertrouwen in haar stellen, of nóg niet? Zou hij zeggen: „Het valt me mee, dat je het een heele week hebt volgehouden, maar een week is nog niets in vergelijking van drie maanden.” O, als hij dat eens zei. Hij zou gelijk hebben. Drie maanden is een lange proeftijd, en Lachebekje kende zichzelf niet genoeg, om te weten of ze de proef zou kunnen doorstaan.—Maar als haar vader geen geloof in haar had, dan zou ze het zeker niet uithouden.... Zenuwachtig had ze gewacht, den heelen middag. Het had haar bijna gespeten, dat ze klaar was, dat ze nu niets meer doen kon om haar ijver te toonen. Ze had het werk nog eens nagelezen, hier en daar een verbetering gemaakt en een slordige bladzij overgeschreven. Heel op het eind had ze ontdekt, dat twee sommen totaal fout waren, en ze had ze overgerekend zoo gauw ze kon; zou ze nu toch niet klaar zijn, als haar vader kwam? Ze had door het werken zijn stap op de trap niet gehoord. Opeens had ze haar vader in haar kamertje zien komen, vroolijk, opgewekt zooals hij altijd was, vroeger. „Lachebekje,” zei hij, terwijl hij zich over haar heen bukte om haar een hartelijken zoen te geven, „je bent een beste meid. Ik vind het kranig van je, hoor, dat je deze week zoo goed hebt aangepakt. Nu ben ik niet bang meer. Je zult de proef doorstaan.” Die domme Lachebekje, ze was gaan huilen! Maar mijnheer Wildevank had de tranen weggewischt met zijn grooten zakdoek, een beetje onhandig, want Evi’s verdriet bracht hem in de war. „Dwaze meid,” zei hij, „moet je nú huilen? Kijk liever eens wat ik voor je heb meegebracht.” Met vingers, die nog een beetje beefden, maakte Lachebekje het pakje open. Wat moest het anders zijn, dan een boek, dacht ze, maar ze dorst het bijna niet te denken, dat het een boek zou zijn. Het was er een, een in een beeldig reseda-kleurig bandje. „Alles komt terecht” stond er in mooie gouden letters op. Sprakeloos van vreugd had Evi naar haar vader opgezien. Mijnheer Wildevank had gelachen. „Zorg jij maar, dat alles terechtkomt, hoor, Lachebekje.” Binnenin op het schutblad had haar vader geschreven: „Aan mijn Evi bij haar verhooging.” Ja, haar vader had het vertrouwen in zijn dochtertje herwonnen; zóó zeker scheen hij er van, dat ze den proeftijd met goed gevolg zou doormaken, dat het Evi eer beangstigde. Als ze nu eens niet slaagde?—„Wie wil, die kan,” had mijnheer Wildevank ernstig gezegd, „voorloopig moet je nu niet meer aan werken denken. Geniet nu maar van je vacantie. Deze week moet je maar met Saartje doorbrengen, en de laatste twee weken ben je bij tante Wolfers, ik heb haar vanmiddag geschreven, dat je van haar vriendelijke uitnoodiging gebruik mag maken.” Zoo was na die eene week van ernstig werken, de eene heerlijkheid de andere opgevolgd. Evi zat dat alles in den trein te overdenken. Een gelukkigen tijd had ze gehad, en ze kwam terug, verfrischt naar lichaam en geest, met roode wangen en koffiebruine handjes. De koele zeelucht had haar goedgedaan, de geur der bosschen bracht ze in haar kleeren mee naar huis. Haar kleine reistasch was, zoover de ruimte het toeliet, gevuld met beuke- en hazelnootjes, met mos en boomschors, met rose en lichtgekleurde schelpen, met zeehoorntjes waarin je de zee kon hooren ruischen, als je ze voor de ooren hieldt. Haar hoofd was vol prettige herinneringen en mooie voorstellingen van al wat ze gezien had; en haar goed, vroolijk hartje was vol dankbaarheid voor alles, wat ze in die heerlijke vacantie had genoten. IX. EEN SAMENZWERING TEGEN LIJSJE LUBBERS. Het wás gemeen van Lijsje Lubbers, daar was iedereen het over eens. Maar wat was er aan te doen? Lachebekje had de straf al beet. „Wat er aan te doen is?” Sara Willems bruine oogen fonkelden. „Een heeleboel is er aan te doen, de juffrouw moet het weten.” „Vertel jij het dan,” zei Rika Obbes, „je hebt gelijk, het is onbillijk.” „Klikken doe ik niet,” riep Sara, „dank je wel.” „Maar hoe zal de juffrouw het dán te weten komen, als niemand klikt,” vroeg Doortje Beyma nu ook, „want jij wil het niet zeggen, maar een ander ook niet.” „Eén moet het zeggen!” zei Sara beslist. „Moeten we er om loten?” vroeg Rika. Sara schudde het hoofd. „Lizette zelf moet het vertellen,” zei ze, „háár plicht is het.” „Lijsje Lubbers!” Er ontstond een verward gemompel. Lijsje! Die zou niet willen. Ze zou er nooit toe te bewegen zijn. „Ze moet er toe bewogen worden,” klonk Sara’s stem, „wij moeten er haar toe dwingen.” Er volgde een korte stilte. De meisjes dachten na. Sara kon wel eens wat erg vurig zijn. Het gebeurde meer, dat ze in geestdrift was voor een of ander plan, dat later onuitvoerbaar bleek.—Maar ditmaal sloeg het aan. Rika, de bezadigde, was er voor gewonnen. „Ja,” zei ze met meer klem, dan waarmee ze gewoonlijk sprak, „zoo moet het gaan. Wij moeten met Lijsje spreken en ze moet zichzelf aanbrengen.” „Als wij er geen werk van maakten, zou het ónze schuld zijn, als Lachebekje weer verlaagd werd.” zei Saartje weer. „Verlaagd zal ze toch niet worden,” dacht Dora. „Ja zeker, natuurlijk. Wat had het anders te beduiden, dat juffrouw Zandheuvel zei: „Dat zal je spijten, Eva Wildevank. De drie maanden zijn nog niet om! Kinderen die zonder reden onophoudelijk zitten te lachen, kunnen we hier niet gebruiken.” „Evi werd heelemaal wit,” zei Rika medelijdend. Saartje Willems knikte. Zij zag vuurrood, zoo had ze zich opgewonden om Lachebekje te verdedigen. „Maar hoe kunnen wij Lizette dwingen?” vroeg Anna. „Het zal haar niet kunnen schelen, wat wij er van zeggen.” „Als ze het niet doet, moet niemand van ons meer een woord tegen haar spreken,” zei Rika. „Ons heelemaal niet met haar bemoeien!” riep Saartje. „Waar is Lijsje?” vroeg Dora, die met een donkeren blik om zich heen zag, als daagde ze Lizette al uit. „Als ze me goedendag zegt, steek ik mijn tong tegen haar uit!” Sara deed het nu al, alsof ze zich oefenen wou. „Matig je,” zei Rika lachend, „het is immers niet gezegd, dat ze het niet doen wil.” „Ik zou niet graag in haar plaats zijn,” zei Dora huiverend, „verbeeld je, dat je naar de juffrouw gaat en zegt: „Juffrouw, ik zou u even willen spreken.” En juffrouw Zandheuvel, stijf: „Wel?” En dan: „Juffrouw, ik kom u even zeggen, dat Eva Wildevank om mij gelachen heeft. Ik had u uitgeteekend met een grooten puntkraag om, een bril op den neus, een pennenhouder achter het oor en een groote liniaal in de hand; en uit uw mond kwam een wolk en daarin heb ik geschreven: „Stilte, meisjes!”—En door uw hoofd heb ik een draadje gehaald, en zoo liet ik u dansen, en daarom moest Eva Wildevank nu aldoor zoo lachen.”” Dora Beyma zweeg, geheel ademloos door het lange verhaal. „Ja, ’t is wel vreeselijk om zulke dingen te moeten zeggen,” zei een van de meisjes met een ernstig gezicht en op een toon van beklag. Sara Willems kwam gauw tusschenbeide: „Nog véél vreeselijker is het om zulke dingen te doen,” zei ze, „en het ergst van alles is, dat ze er altijd een ander laat inloopen. Hoe dikwijls hebben wij voor haar niet al straf gehad! Ik tenminste. Maar Evi nog meer, die lacht altijd zoo. Ze kan zich nooit goedhouden.” „Ja, wat lachte ze,” zei een van het groepje, „ik zat naast haar, ik hield mijn hart vast van angst dat ik ook mee zou moeten lachen. Ze kón zich niet inhouden. Eerst werd ze vuurrood, bijna paars, ik was bang, dat ze stikken zou, en toen, opeens, proestte ze het uit, de bank schudde er van.” „Eerst moest ik ook lachen,” zei Dora, „maar zoodra ik Evi hoorde, verstomde ik.” „Ik werd er ook naar van,” en Sara trok een diepen rimpel in haar voorhoofd, „en het was des te pijnlijker, omdat de juffrouw in den beginne zoo geduldig was. Ze was heelemaal niet boos en wachtte tot Evi had uitgelachen, maar nauwelijks was ze weer bedaard met lessen voortgegaan, of daar begon het lachen weer.” „En als de juffrouw tenminste nog maar geweten had waaróm ze lachte,” zei Rika, „ik zou het verteld hebben in haar plaats.” „En ik!” riep Sara, met een levendigen knik. Een paar meisjes maakten zich uit het groepje los om naar huis te gaan, ze hadden al zoo lang voor de school staan praten. „Vanmiddag vroeg komen,” riep Sara haar toe, „en dan allemaal tegelijk op Lijsje af.” „Ze zal denken, dat we haar willen verslinden,” lachte Dora, „neen, we moeten een van ons afvaardigen.” „Rika Obbes!” riep Sara. Dat werd goedgevonden; Rika zelf had er niets tegen. Zij zou het Lizette kalm aan het verstand brengen. „Natuurlijk hoeft ze niet in bijzonderheden te treden,” zei Rika, „als ze maar zegt, dat zij Evi aan het lachen gemaakt heeft, dan is het voldoende.” Saartje knikte weer; dan zal de juffrouw haar zelf wel verder uithooren, dacht ze, en het speet haar niets, dat Lizette hoogst waarschijnlijk een flinke straf te wachten had. X. OVERBLIJVEN. Ondertusschen zat Lachebekje op school, bitter bedroefd. Ze moest overblijven. Het was vreeselijk; ze had nog nooit over hoeven te blijven, zoolang ze op school was. En nu, in haar proeftijd, gebeurde het. Wat zouden haar vader en moeder wel van haar denken, haar vader vooral! Het was niet voor het eerst, dat ze straf kreeg in die drie maanden, de vierde keer was het al. Evi zuchtte, en nu was de straf zoo streng. Haar vader had niets gezegd, toen ze drie weken geleden eerst om vijf uur was thuis gekomen. Hij had alleen gevraagd: „Heb je school moeten blijven?” En ze had „ja” moeten zeggen; hoe vernederend was dat geweest! „Het zal nooit weer gebeuren,” dat had ze zich zoo stellig voorgenomen; maar jawel, twee dagen later was het alweer zoo. Toen had ze, de les geheel vergetend, een heelen tijd met een lint van haar jurk zitten spelen, telkens en telkens had ze het weer overgestrikt, tot ze, opeens opziend, de oogen van juffrouw Zandheuvel ontmoet had. „Herhaal jij die berekening eens?” had de juffrouw gevraagd, maar Evi had niet eens geweten, welke som er bedoeld werd. Den derden keer had ze moeten blijven, twee dagen geleden, omdat ze half dansend van pret uit de gymnastiek terug was gekomen. Toen was ze er met een kwartiertje afgekomen. Maar nu! Lachebekje zuchtte diep. Ze keek eens op. Ze zat heel alleen in het lokaal, mét juffrouw Zandheuvel, die een stapel schriften corrigeerde. Evi had niets te doen, niets dan „uit te lachen”, zooals de juffrouw gezegd had. Maar Lachebekje lachte niet. Ze was heelemaal „uitgelachen”. Haar groote, blauwe oogen staarden droevig naar de bank vóór haar, of richtten zich naar de vensters met een verlangenden blik. Arm gevangen vogeltje! Ze had weg willen vliegen. Het weer was zoo mooi. Honger bad ze ook. Eerst om halftwee zou Sara Willems komen met haar boterham. Evi geeuwde. Juffrouw Zandheuvel had haar broodjes al op en schonk zich uit een blikken kannetje nog een glas melk in. Evi deed haar best er niet naar te kijken, omdat haar trek er nog maar te grooter door werd. Maar het was niet alleen, omdat ze haar vrijheid miste en omdat ze honger had, dat Lachebekje zoo triestig was. Het meest griefde haar de gedachte aan huis. Wat zou haar vader wel zeggen? Ze zag telkens voor zich het mooie reseda boek met den gulden titel: Alles komt terecht, en het inschrift: „Aan mijn Evi, bij haar verhooging.” Het was of die woorden haar brandden. Ze voelde, dat ze het vertrouwen van haar vader, waarnaar ze zoozeer verlangd had, beschaamd had gemaakt. Bij haar verhooging!—Het zag er werkelijk niet naar uit, dat ze verhoogd zou worden! Wat was ze toch zwak en kinderachtig. Waarom kon ze zich niet tot ernst dwingen? Waarom had ze ook naar dat poppetje gekeken, dat Lijsje geteekend had; flauw kind, dat ze was! Het hielp niet meer, dat ze zichzelf nu beschuldigde, ze had de straf moeten voorkomen. Of ze zich nu al voornam in het vervolg haar best te doen,—wat zou het baten? Wat was het leven toch treurig. Of liever, wat máákte ze het zichzelve toch tot een last. Ze was zoo gedrukt, zoo terneergeslagen. Hoe naar ze het ook vond een heelen dag achtereen op school te zitten, ze verlangde er volstrekt niet naar, naar huis te gaan. Het bezwaarde haar, dat ze thuis zou moeten komen, en het dan vertellen, dat ze weer zoo dwaas gelachen had. Twee tranen gleden langs Lachebekje’s bedrukt gezichtje. Och, had ze dat boek toch maar niet gekregen, ze verdiende het immers niet. Haar vader had gelijk gehad. Het zou beter geweest zijn, als ze maar dadelijk was blijven zitten.... „Kom eens bij me, Eva,” klonk juffrouw Zandheuvel’s stem. Lachebekje schrikte op uit haar gedroom; op de teenen, omdat haar stappen zoo hol klonken in het leege lokaal, ging ze naar het podium. „Ik heb hier juist je werk nagezien,” begon de onderwijzeres, „het is uitstekend. Er mankeert niets aan. Je bent, wat je werk betreft, flink vooruitgegaan den laatsten tijd. Waarom ben je dan zoo kinderachtig, om telkens te spelen en om niemendal te lachen?—Vertel me nu eens, waarom lachte je toch vanmorgen?” Lachebekje kon geen antwoord geven. Ze had een kleur gekregen van blijde verrassing, toen de juffrouw haar werk prees. Maar ze was verlegen. Wát moest ze nu zeggen? Zou ze toch Lijsje Lubbers verklappen?—Klikken was zoo laag en verachtelijk. Evi zuchtte, en keek naar den grond. De juffrouw moest wel denken, dat ze naar uitvluchten zocht. Dát maakte het Evi des te lastiger om te zwijgen, dat juffrouw Zandheuvel zoo goed en gemoedelijk was. Evi wenschte bijna, dat zijzelf een grap had gemaakt, zeker zou ze het dan zeggen en om vergeving vragen. „Nu, Eva, kun je het me niet zeggen, waarom je lachte, of wil je niet?” Het plafond, waarnaar Lachebekje de oogen in wanhoop opsloeg, bracht haar geen raad, en haar witte schortje evenmin. „Ga dan maar weer naar je plaats, als je niets te zeggen hebt,” klonk het ongeduldig en gemelijk. Lachebekje ging, de afstand leek haar groot van het podium naar haar bank. „Zal ik het nog zeggen?” dacht ze onder het loopen, „wat moet Lijsje me ook telkens aan het lachen maken?” Maar ze zei toch niets, en troosteloos zette ze zich weer neer in de vale bank. Ze keek nog eens op naar de onderwijzeres, doch die nam geen notitie meer van haar. Ze hoorde, hoe er aan de voordeur gescheld werd, ’t zou Sara zijn met haar boterham. Evi gaf er niet om, haar trek was over. ’t Was Sara, met hoed en mantel kwam ze de klas in. „Juffrouw, hier is een boterham voor Evi Wildevank. Mag ik haar die even geven?” Juffrouw Zandheuvel knikte. Sara had nog iets op het hart. „Lizette Lubbers is er ook,” zei ze met schitterende oogen, „ze wou u graag wat zeggen.” „Laat haar maar binnenkomen,” zei de onderwijzeres. Lachebekje kon haar oogen niet gelooven, toen ze Lizette daar zag aankomen met een kleur van verlegenheid. „Ik heb Eva aan het lachen gemaakt,” stamelde Lijsje, „’k had een poppetje geteekend en dat liet ik dansen.” Ze zei er maar niet bij, dat het poppetje juffrouw Zandheuvel zelf moest voorstellen. XI. ALLES IS TERECHTGEKOMEN! Evi Wildevank gaat naar huis, meer springend dan loopend. Ze lacht, de blauwe oogen stralen, de witte tanden lachen vroolijk tusschen het heldere rood van haar lippen. Het blonde krullende haar danst haar op den rug. Ze loopt gearmd met Saartje, die ze af en toe in den arm knijpt van plezier. Voor een winkel blijven ze staan. Maar ze kijken niet naar de met zorg uitgestalde stoffen. Lachebekje heeft haar rapport geopend om nog eens weer met Sara de mooie cijfers na te gaan. „Ik kan haast niet gelooven, dat het mijn boekje is,” zegt Lachebekje, „’k heb nog nooit zoo’n goede gedraglijst gehad. En wat heerlijk, hè, dat ik nu mag blijven in de klas, ’k had het nooit gedacht, jij?” „Zeker wel,” zegt Sara, „in den laatsten tijd wel.” ’t Lijkt Lachebekje toe, dat de heele wereld vol geluk is. De kou, de hard bevroren straten, de rosse lichten achter de winkelramen, alles is even prettig. En ’t is zoo heerlijk, dat Sara Willems ook zoo blij is. Lachebekje drukt Saartje’s arm nog steviger. „Zullen we niet een klein beetje aanloopen?” vraagt ze. Ze verlangt zoo naar huis. Ze kan het haast niet begrijpen, dat haar vader het groote nieuws nog niet weet. En haar Moe zal ook zoo blij zijn. „We draven al,” zegt Saartje buiten adem, maar ze versnelt toch nog haar pas. „’k Hoop, dat er maar ijs komt,” zegt ze na een oogenblik, „een Kerstvacantie zonder ijs is niet prettig.” Evi lacht. „Het zal wel blijven vriezen! Kijk, de bloemen staan op de ruiten.” Evi is in een stemming om van alles het beste te hopen. Ze is ook zoo gelukkig. Ze heeft Kerstvacantie, Hanna en Sara komen beiden bij haar logeeren. Ze zullen uitgaan, schaatsenrijden misschien. Maar wat haar hartje het meest verblijdt, wat haar doet huppelen van plezier, dat is haar goede rapport en de zekerheid, dat ze in de hoogste klas kan blijven. Ze voelt zich als een veertje zoo licht, als ze de trappen opspringt. Ze vergeet te groeten, als ze de kamer inkomt. Met een gezichtje, dat door zijn warmen gloed haar blijdschap verraadt, geeft ze haar vader het rapport over. Haar oogen stralen als zonnetjes. Ze is weer het oude vroolijke Lachebekje,—„mijn flink meisje,” zegt haar vader, terwijl hij haar een zoen geeft op de warme wangetjes. ONS TROEPJE. I. OVER KOORDDANSEN EN KUNSTEN MAKEN. We vormden een jolig, gezellig troepje toen we nog kinderen waren. Nu zijn we groot, we hebben ieder ons eigen werk, we gaan ieder onzen eigen weg, en kleine Emmie, de jongste, is aan influenza gestorven, even voor haar twaalfde jaar. Maar toen was het anders. We waren na schooltijd haast altijd bij elkaar, meestal in dezelfde kamer, en maakten zooveel pret als ons huiswerk, Moe’s zenuwen en de buren het toelieten. Wij hadden heelemaal geen „zenuwen”; het kon me niemendal schelen, als Jaapje tot in het oneindige zijn trompet liet schallen, als we kermisje speelden, of als Toon, die clown was, met een ouden trommelstok op een ijzeren potdeksel sloeg, dat hij een cimbaal noemde; als ik dan ook maar het recht had, met fladderende haren in mijn gebreid rood wollen onderrokje al zingende rond te dansen, met een oude, afgedankte voile in de hand en een ouderwetsche tafelschel om mijn hals gebonden, die bij de minste beweging vroolijk en luid rinkelde. Ik kwam mezelf dan voor als een bovenaardsch bekoorlijk wezen, een toovergodin uit een sprookje of een balletdanseres, en ik verzuimde nooit bij zoo’n gelegenheid een hemelsch lichtblauw satijnen lint om mijn krullende, blonde haren te binden, of de vier snoeren bonte kraaltjes, die Emmie voor me geregen had, om mijn hals te winden. Zulke spelletjes deden we in den regel even voor we naar bed gingen, als Toon en Jaapje hun witte hansoppen aanhadden, die hen altijd veel te groot waren, omdat Moe ze op den groei had gemaakt. Het spreekwoord zegt: de kleeren maken den man, en in dit geval ging het heelemaal op, want die hansoppen maakten de jongens iederen avond weer tot dartele clowns vol onuitputtelijke grappen. Ze begonnen meestal met gymnastische toeren. Jaapje dacht, dat hij gelukkig zijn zou, als hij driemaal achter elkaar, zonder tusschenpoozen, over zijn hoofd kon duikelen, zooals Toon hem dat zoo meesterlijk voordeed. Daarom oefende hij zich elken avond in die kunst. Maar, of het kwam, doordat hij te dik en te zwaar was, het mocht hem nooit gelukken zelfs maar één keer zooals hij het noemde: koppeltje te duikelen. Hij viel telkens schuin neer naar rechts of naar links en bleef dan liggen, ineengerold, terwijl zijn voeten zijn hoofd bijna raakten, als een dikke worst, waarvan de uiteinden bijeen zijn gebonden. Ik voelde me, als mijn jurk en bovenrokken uit waren, zoo vrij en luchtig en licht, dat ik altijd dansen moest, en het me wel eens verwonderde, dat ik niet opsteeg als een luchtballon, of zweven kon als een bloemblad, gedragen door den wind. Op zekeren dag heeft me dat bedrieglijk gevoel van onstoffelijk te zijn en vederlicht, nog eens leelijke parten gespeeld. Moe had het druk, ze was in de keuken en stond met gloeiende wangen in de onmiddellijke nabijheid van het fornuis mijn witte jurk te strijken. Die jurk—ik ging naar een partij—was van fijn neteldoek, vol beeldige plooisels en mooie kant. Ze moest met de meeste zorg behandeld worden, en Moe vertrouwde ze het dienstmeisje niet toe, en streek ze dus zelf op een avond, dat Katrien uit was. Pa was uit en Moe had ons op het hart gedrukt, vooral ordelijk te zijn, want ze had geen tijd telkens van haar werk af te loopen om naar ons te zien. Nu, we wáren ordelijk. Huiswerk had ik niet dien avond, maar wel een prachtig boek, dat een vriendinnetje me geleend had; de sprookjes van Grimm, met mooie gekleurde platen. Den heelen avond had Moe geen last van me. Ik wil er me niet op laten voorstaan, want het lag eer aan Grimm dan aan mij, dat ik zoo stil en zoet lezen bleef, maar het was toch zoo. Om acht uur stak Moe haar warm hoofd door de deur: „Jelui moet vroeg naar bed gaan, vanavond,” zei ze, „morgenavond ga je uit, dus dan wordt het héél laat. Gaat maar gauw naar je mandje.” Ik had nog maar vier regels te lezen voor het verhaal, waaraan ik bezig was, uit was. Ik las ze dus gauw door, en sloeg toen het boek dicht zonder zelfs te letten op den naam van het volgende sprookje. Het mocht me eens door den titel verlokken het tóch te lezen, en ik wou vóór alles gehoorzaam zijn. De moeite, die Moe zich voor mijn jurk getroostte, stemde me zeer dankbaar, en het vooruitzicht van de partij maakte me gelukkig. Ik ontkleedde me dus in de opgewektste stemming—anders was naar bed gaan altijd een straf voor me, waarvoor ik zoolang mogelijk uitstel zocht—en hoorde Toon en Jaapje in de alkoof naast me hetzelfde doen. Emmie lag al in bed en sliep als een roos. Ik was juist aan mijn roode rokje toe—het kostte me altijd verbazend veel om daarvan te scheiden—toen ik Toon en Jaap gehansopt weer in de kamer zag komen. Jaapje begon zich weer zwijgend te oefenen in het duikelen. Uit voorzorg had hij het trijpen deurkleedje midden op den grond neergelegd, het moest dienen als matras en om het geluid te temperen. Ernstig kwam ik tusschenbeide, Jaapje vermanend dien avond geen leven te maken, Moe had het immers zoo druk, en we hadden beloofd haar niet te hinderen. Jaap liet zich gezeggen, en schoof met zijn voeten het deurkleedje terecht. We maakten dus geen leven, maar bleven heel stil nog even praten. Ongelukkig was het onderwerp van ons gesprek slecht gekozen. Toon vertelde een „waar” verhaal van een zekeren koorddanser, Blondin. Die had geloopen over een koord, dat over de Niagara gespannen was. Toon kon prachtig vertellen, als zijn hart van iets vervuld was, en hij beschreef den toestand in kleuren en geuren. Op het vele meters lange, dunne koord Blondin, middenop, den balanceerstok in de hand, ver verwijderd van den vasten grond. Onder hem de woest bruisende stroom, de waterval, die zich met duizelingwekkende snelheid naar omlaag stortte met heftig geklater. Eén aarzeling, één misstap, één ondeelbaar oogenblik van onbedachtzaamheid, één onwillekeurige beweging, en hij verloor zijn evenwicht, wankelde—en stortte met steeds sneller vaart naar beneden,—meegesleurd door de reuzenkracht van het water, dat hem verminkte, verbrijzelde. „Maar hij is toch niet verpletterd, wel?” vroeg ik, na ademloos geluisterd te hebben. Toon schudde verachtelijk het hoofd; welneen, hij niet. Hij verstond de kunst, vele keeren heeft hij den tocht gemaakt, eens zelfs met een ander op zijn rug. Een grenzenlooze eerbied voor zooveel vaardigheid en stoutmoedigheid vervulde onze ziel. Koorddanser of koorddanseres te zijn, leek me een verheven beroep, en ik verlangde niets liever, dan me er voor te bekwamen. „We moesten ook ergens een touw kunnen spannen, waarop we het konden leeren,” zei Toon. Ik bedacht me. „Op den zolder hangen drooglijnen,” zei ik, maar terwijl ik dat zei, voelde ik mijn lust al verflauwen. Toon, die toen negen was, een jaar ouder dan ik, was gelukkig verstandiger. „Dat zou heelemaal niet gaan,” zei hij, „ten eerste zijn de touwen veel te hoog, en dan zijn ze ook te dun. Ze zouden ons niet kunnen dragen.—Neen, we moesten een flink, stevig koord hebben, en dat spannen, laag bij den grond, een half el er van af ongeveer, zoo hoog, als de boegsprieten op de gymnastiek zoowat. Op die manier zouden we het kunnen leeren. En dan telkens natuurlijk het touw weer wat hooger spannen.” Toen Toon het woord boegspriet gebruikte, herinnerde ik me met schrik, hoe moeilijk ik het vond, zelfs op dien vrij breeden balk het evenwicht niet te verliezen. Maar dat bracht me niet van de wijs. Het zou best kunnen, dat een touw veel makkelijker bleek in het gebruik. Het was net zooals Toon zei, zoo’n touw ging mee, daar zat beweging in, dat zette zich naar je voet. Omdat we wel begrepen, dat Moe er iets tegen zou hebben, dat we dien avond nog met koorddansen begonnen, spraken we af, dat we het tot den dag van de partij zouden uitstellen. Toon kon dan op zijn gemak op den zolder zoeken naar een stevig touw en krammen, Pa’s bamboesrotting zou een uitnemende balanceerstok zijn. Ik had ook wat moois op dat gebied te vertellen. Ik had eens een kunstenmaakster gezien, die stond met haar grooten teen op een vergulden bol. Terwijl de muziek speelde—het was op Koninginnedag op het Museumterrein, dat ik het wonder had zien gebeuren—keerde de danseres zich langzaam en sierlijk om en om, in dezelfde mooie houding staan blijvend, terwijl de gouden bol onder haar voeten voortrolde. Ik raakte zóó in vuur door mijn verhaal, dat ik onwillekeurig zelf die mooie houding aangenomen had, één arm over het hoofd gebogen, en met den anderen losjes wuivende. Maar dat was me nog niet genoeg, ik had behoefte nóg aanschouwelijker te zijn. Ik was niet meer Christien Koevoorden, maar „Prinses Liliane, de bekoorlijke elfe, eerste danseres aan het Specialiteitentheater”. Ik zag rond of ook ergens een gouden bol in de nabijheid was. Ik vond alleen den doofpot, die met zijn glimmend koperen deksel een uitstekende plaatsvervanger was. Hij stond op zijn drie blinkende koperen voetjes ook oneindig vaster dan een bol. Op het balletje, dat tot knop diende, zou mijn groote teen bevallig rusten. Ik begrijp nu niet, hoe ik ooit in staat was, zulke dwaze dingen te doen. Het moet zeker dat roode rokje geweest zijn, dat me betooverd heeft. Ik trok den doofpot naar het midden van de kamer, plaatste de punt van mijn pantoffeltje op den knop, zette me met de hand aan den rand van de tafel een weinig af, en verhief me voor een oogenblik in mijn volle lengte. Voor één luttel oogenblik maar—te kort, vrees ik, om een blijvende herinnering na te laten bij Toon en Jaap, die me vol verwachting aanstaarden—toen viel ik, en, naar het me eerst toescheen, de heele wereld, met me. Ik lag op den grond, naar mijn gevoel te oordeelen zwaar gekneusd. Ik weet dat ik in mijn groote ontsteltenis niets deed dan angstig gillen, ik moest verwond, gebroken zijn, voor altijd ongelukkig waarschijnlijk. Ik voelde dat mijn hoofd in een plas lag,—wat kon het anders zijn dan bloed? Bloed stroomde ook uit mijn kin, en het verwonderde me nog, dat niet alle tanden mij uit den mond vielen, toen ik dien opende, zooveel pijn deden nu mijn kaken. Toen de eerste verschrikkelijke verwarring voorbij was, en ik, doodsbleek nog, met verbonden kin in den leunstoel zat en beschaamd en bedroefd luisterde naar Moe’s verwijtende stem, kreeg ik een flauw idee van wat er gebeurd was. Ik was dadelijk, nog vóór ik recht stond misschien, omgevallen, en de doofpot met mij; die lag daar nog, gedeukt en misvormd. In mijn poging, me aan de tafel vast te klemmen, had ik er het kleed afgetrokken en een kopje lauwe thee op mijn hoofd gekregen. Die thee was het bloed geweest, waarin ik waande te baden. Waaraan ik mijn kin zoo bezeerd heb, ben ik nooit te weten gekomen, evenmin hoe mijn linkerheup zoo stijf kwam, dat ik drie dagen niet loopen kon, terwijl ik mij toch verbeeldde op mijn rechterzij te zijn neergekomen; maar dat weet ik wel, dat ik een paar dagen lang op vele plaatsen een zeer pijnlijk gevoel had, dat ik de kinderpartij, waarvan ik me zooveel had voorgesteld, niet heb kunnen bijwonen, en dien heelen avond, terwijl de jongens uit waren en genoten, op een ruststoel heb gelegen, heete tranen schreiend van spijt en berouw. Van onze plannen om op den zolder een koord te spannen, is nooit iets gekomen. Toon sprak er gelukkig niet van, en ik begon er ook maar niet over toen ik weer beter was. II. ONZE MARKT. Niet altijd, gelukkig, waren onze spelen van zulk een gevaarlijken aard; maar voor Moe waren ze heel dikwijls lastig, hoewel we het niet kwaad meenden, en ons altijd voornamen goed op te passen. Ik herinner me nog een middag, dat we ook eens „goed zouden oppassen” en geen wilde spelen doen. Het was een regenachtige Woensdagmiddag, zoodat we niet uit konden gaan. Moe moest een visite maken bij tante Annie, die jarig was, de liefste tante die we hadden, en we gaven allen onze beste wenschen mee. Katrien was in de keuken aan het wasschen en wij waren aan onszelf overgelaten. Moe had ons, voor ze heenging, allerlei wenken en vermaningen gegeven. We mochten niet naar de voorkamer gaan, onder geen voorwendsel het huis verlaten, geen leven maken (om de buren), niet aan de kachel komen, en geen wilde of gevaarlijke spelletjes doen. „Speelt vader-en-moedertje of schooltje,” zei Moe, „maar denkt er aan, dat onderwijzers niet slaan.” Dit zei Moe met het oog op Toon, die, toen hij eens meester was, Jaapje een flinken klap om zijn oor had gegeven. Mij heeft hij ook wel eens bij zoo’n gelegenheid hard geduwd, hoewel ik er nooit over gesproken heb. We beloofden alles, bezield met het ernstige voornemen, Moe ditmaal nu eens niet teleur te stellen; en Moe vertrok, schijnbaar gerust. Nu schijnt het iets wonderlijks, maar het was toch bijna altijd zoo: we hadden nooit zin in een spel, dat een ander—al was die ander ook Pa of Moe—voor ons bedacht had. Toen Moe dan ook weg was en Toon vroeg: „Nu, wat zullen we spelen: vader-en-moeder of schooltje?” kreeg hij geen antwoord. „Zullen we zakloopen?” vroeg Jaapje, die juist met een grauwen aardappelzak uit de keuken kwam. „Neen zeker niet,” zei ik beslist en met waardigheid, „dat zou juist iets zijn om een ongeluk te krijgen.” Katrien kwam Jaap al achterna, om den zak terug te halen, het bleek dat er al heel wat gedroogde klei en zand uit den zak op het vloerkleed gevallen was. Katrien veegde het gauw op en vertrok met den zak, de deur achter zich sluitend, wat harder dan noodig was. Er was ook altijd wát met die kinderen! „Nu, wat zullen we dan gaan doen?” vroeg Toon met een gezicht, dat van lust en genoegen glansde. Ik geloof dat hij het liefst zevenmaal zeven keer over zijn hoofd gebuiteld was. Emmie kwam aanloopen met haar monsterachtige poppen. Ze had een mooie, maar die was zóó mooi, dat ze alleen op Zon- en feestdagen en bij heel plechtige gelegenheden werd gehaald uit de doos waarin ze geborgen was en die achter slot in de linnenkast stond. De andere leken wel havelooze, gebrekkige kinderen, zóó zagen ze er uit, want Emmie had een manier om met haar poppen om te gaan, die ver van moederlijk of liefderijk was. „Dokter spelen,” riep ze, „drankje ingieten, kiezen trekken.” Emmie’s poppen hadden het ongeluk altijd in de pottenbank te zijn. Voortdurend moesten ze bittere medicijnen gebruiken, die door Jaap bereid werden van thee en inkt of van azijn waarin een stukje roode verf uit zijn verfdoos geweekt was. Heel dikwijls werd ook de heelmeester bij haar kleintjes geroepen. Soms moest er een been aangenaaid, dan een oog rechtgezet, tweemaal moest er een speld uit het lichaam van een harer lievelingen gehaald worden. „Wat mankeert je, kindje?” vroeg Toon, den stijven steenen arm van een der poppen beetnemend om den pols te voelen. „Ze is altijd koud,” klaagde Emmie, het ijzige poppewangetje tegen het hare drukkend. „Ze heeft altijd koude voeten en koorts en rheumatiek. En kribbig is ze!” „Zoo,” zei Toon, „is ze kribbig ook? Dat moet uit zijn! Eerst een koud voetbad en dan naar bed, geen een deken meer dan anders, niets geen snoeperijen, vooral geen chocolaad, en haar maar laten liggen. Geen notitie nemen van haar schreeuwen. Stil laten uithuilen, dan zal ze dat dwingen wel afleeren.” Terwijl Emmie de porseleinen voetjes van haar pop een bad gaf in het zeepbakje van de waschtafel, maar half tevreden dat er geen operatie noodig was, had Jaapje zich achter de poppetafel neergezet en riep: „Och wat benne ze dik en fijn! „Voor bokkings mot je bij Japie zijn.” Dat was een idee; marktje spelen! Daar moesten stalletjes gemaakt, tenten opgeslagen, waren uitgestald worden! De groote vierkante middentafel was als vanzelf een tent. Ze werd alleen naar een hoek verplaatst, zoodat de twee wanden van de kamer de muren vormden. Als derde wand deed het tafelkleed dienst, dat naar beneden afhing, van boven vastgehouden door een paar zware boeken. Van voren was de tent open. Emmie moest er op een stoof in plaats nemen. Zij zou met eenig beleid haar hoofd niet stooten. Ze kreeg haar kapertje op, en moest haar wantjes aantrekken. Alles wat aan planten en bloemen, echte of gemaakte, in de kamer was, werd in de tent geschoven, zoodat ze er zelf niet meer uit kon. Haar kindertjes mocht ze allemaal bij zich hebben, behalve de zieke, want de wieg kon niet meer in de tent, die bleef dus midden op de markt staan. Emmie had er erg veel pleizier in, wat wel wonder was, want ze zat ver van gemakkelijk met het blad van de tafel vlak boven haar hoofd, en de waaierpalm vlak voor haar, waarvan de bladen haar bij de minste beweging in het gezicht kriebelden. Maar ze was gelukkig en lette dus niet op die kleinigheden. Ze vermaakte zich met de bladen van haar planten één voor één af te sponsen, met de spons van Jaaps lei en het badwater van pops voetjes. Toon, Jaap en ik deden verder ons best de kamer zooveel mogelijk het aanzien van een markt te geven. Ik had de gordijnen zóó hoog opgehaald, dat ze bijna niet meer te zien waren. Terwijl Katrien naar beneden was gegaan om open te doen, had Jaap de groote strijkplank uit de keukenkast gehaald, een heerlijke plank op schragen, die, met wat uitgespreide kranten er overheen, een prachtig stalletje vormde. Dat was Toon’s afdeeling. Hij stapelde het vol boeken, oude en nieuwe. Het speet ons, dat Pa zijn boekenkast niet had opengelaten, want we hadden de boeken zoo heerlijk kunnen gebruiken, en we pasten er wel op, dat er niets aankwam. Het waren meest schoolboeken, die Toon op zijn stalletje had. Eén opengeslagen atlas was er onder, die een prachtig effect maakte. „Ze zijn eigenlijk veel te net,” zei hij, „ik moest meer een rommelzooitje hebben.” „En ik ben een oud-roestman,” zei Jaap; hij had de deurkleedjes omgekeerd naast elkaar neergelegd en daarop uitgestald een pook, een tang, een asschop, den doofpot met het gedeukte deksel los er naast, een paar oude sponsedoozen, een lucifersstandertje; maar ook zijn tentoonstelling was nog niet zoo volledig of schilderachtig, als hij wel wenschte. „Ik ga naar den zolder,” zei Toon opeens, „daar zijn oude boeken genoeg.” Jaaps oogen schitterden: „Neen, naar de vliering moet je gaan,” zei hij, „daar zijn de echte.” Ze sprongen beiden de kamer uit en de trap op. Eerst wou ik ook meegaan, maar ik was bezig mijn eigen stalletje zoo smaakvol mogelijk te garneeren. Het theetafeltje had ik leeggemaakt en er de artikelen uit Moe’s naaidoos en werkmandje op neergelegd. Ik had nog een collectie afgedankte haarlinten en oude strikjes, die zeer fleurig stonden tusschen de garenklossen en kluwen haakkatoen. Ik verkocht wol, haarnaalden en spelden, zeep ook (gebruikte), en borstels (ook gebruikte). Alle antimacassars en kleedjes, die in ons huis te vinden waren, lagen op mijn tafeltje te koop. De stoelen hadden we alle uit de kamer gebracht en in de alkoof gezet. Ik zat op een omgekeerde theestoof, wat wel zoo natuurlijk was. De jongens kwamen beneden, met buit beladen. Toon had een mangelbak vol vuile, gescheurde, stoffige boeken meegebracht, en Jaap een emmer vol antiquiteiten. Nu werd het eerst goed! De oud-roestbaas zat nu midden in den rommel; roestige spijkers, een trommeltje zonder deksel, een ketel zonder tuit, een stuk gebarsten spiegelglas, een halve soeplepel, een bijna bodemlooze strijkpan, enkele dekseltjes, die nergens op pasten, een gieter zonder oor en een paar rollen oud behangselpapier moesten voorzien in alle behoeften van redelijke koopers. „We moeten zorgen, dat vóór Moe thuis komt, alles weer is opgeborgen,” zei ik met een bezorgden blik op de verschillende rariteiten. Jaapje trok een lipje, zijn lach maakte heel gauw plaats voor een traan, maar tot huilen kwam het gelukkig niet. Toon, die juist bezig was op een vernuftige wijze aan de strijkplank een uitgespannen paraplu te bevestigen, hield midden in zijn werk op. „Neen,” zei hij, en zijn groote oogen zagen me verwijtend aan, „we moeten het juist zoo laten, Moe zal er om lachen. Het is zoo’n aardig gezicht voor iemand die binnenkomt!” III. EEN VERRASSING. Moe kwam later thuis, dan we gedacht hadden. Bijna was ons het spelletje gaan vervelen. Emmie had opeens uit haar tent gewild. „Neen, dat kan niet,” had Toon gezegd, „alle planten staan er voor, dat is te lastig.” Maar Emmie had aangedrongen: „Ik ben zoo warm en heet, laat me er alsjeblieft uit.” Toon kreeg medelijden met haar. Hij hief het tafelkleed op, en liet haar vrij. Om halfvijf ging de schel. „Daar heb je Moe,” riep Toon, en hij keek eens in het rond of onze markt wel geheel in orde was. „Allemaal schreeuwen, als Moe binnenkomt!” riep ik in zenuwachtige haast terug. Jaap zat met een verkleurd rood parasolletje boven zijn hoofd, in elkaar gedoken op den grond, en zong voortdurend op een eentonig deuntje: „Och, wat is alles fijn! „Je moet maar bij Japie zijn!” Toon schreeuwde met een gemaakt heesche stem: „Nou kan je lezen, menschen! Gaat hier niet voorbij!” Kleine Emmie deed niets dan dansen en lachen. Ik zat met een rood-en-zwart tafelkleedje over mijn hoofd op de omgekeerde theestoof en riep: „Kom nou, kom nou, neem wat van de koopvrouw!” De deur ging open, en—tante Suzanna kwam binnen, gevolgd door Moe, die zeer rood zag, en ons verlegen en boos aankeek. Tante Suzanna! In mijn eerste ontroering deed ik vergeefsche pogingen, me van het tafelkleed te ontdoen, maar ik had het zoo stevig met veiligheidsspelden bevestigd, dat het mijn zenuwachtigen vingers niet gelukte het los te krijgen. Ik had mijn stalletje wel weg willen kijken. We waren allen in ons hart bang voor tante Suzanna, hoewel ze het toch goed met ons meende. Ze was een oude, waardige dame, die zelf geen kinderen had, en alleen die kinderen lijden mocht, die zoet en ordentelijk waren. Tante Suzanna! We wisten, hoe Moe ons altijd dubbel aanspoorde om zoet en ordelijk te zijn als tante Suzanna er was. Ons speelgoed mocht dán vooral nooit slingeren. Fluitjes, trompetten, trommels, glazen piano’s en alle levenmakende instrumenten werden dan weggesloten. Ik kreeg tweemaal op een dag een schoon boezelaartje voor, moest viermaal mijn haar overmaken, en minstens tienmaal mijn handen wasschen. Katrien kreeg ook bijzondere vermaningen tegen dat tante Suzanna verwacht werd. Want tante woonde geheel alleen en was alles zoo keurig en in de puntjes gewend, dat een druk huishouden als het onze haar toch altijd onordelijk en ongeregeld moest lijken. Maar nu! Wat moest tante nu wel zeggen! Ik zag, dat Jaap zijn parasolletje had dichtgedaan, en stilletjes weg wou sluipen achter tante om. Maar tante Suzanna hield hem met haar paraplu terug. „Je wou me zeker goedendag komen zeggen, hè?” vroeg ze. „Neen, tante,” zei Jaap, „ik—ik—wou eventjes op gaan ruimen.” Eventjes! Emmie was de eenige, die eenvoudig naar tante toe was gegaan, om haar een kus te geven. „Ik vind het heel leelijk,” begon Moe, en haar stem klonk zeer ernstig, „ik vind het heel leelijk, dat jelui zoo slecht je woord houdt.—Ik had gedacht, dat ik beter op mijn kinderen vertrouwen kon.” Ik kreeg een kleur en vouwde beschaamd het tafelkleed op. Toon verdedigde zich: „We hebben geen leven gemaakt, Moe, heusch niet.” Tante hief haar oogen met een veelzeggende uitdrukking ten hemel. „Niet voor u kwam,” zei Toon verward, „we deden het alleen, toen we u hoorden aankomen, om u te—te verrassen.” „Een lieve verrassing,” zei tante Suzanna droog. „Waar zit jij op, Tine?” vroeg Moe, met een blik op mijn zetel. Ik stond verschrikt op. Tante Suzanna gaf in mijn plaats antwoord. „Op de theestoof, Marie, die ik je met je trouwen gegeven heb.—Die zal je wel gedeukt hebben, hè meisje?” Gelukkig bleek dit niet het geval te zijn. Toon kwam uit de alkoof aandragen met twee stoelen, die we op elkaar gezet hadden. „Als ’t u blieft, tante,” zei hij, terwijl hij er een voor haar bij de kachel schoof. „Niet bij de kachel, ik ben niet verkleumd,” merkte tante aan, terwijl ze stokstijf staan bleef. Toen Toon den stoel verzet had, nam ze plaats met veel waardigheid. „Als je zoo goed wilt zijn, even te blijven zitten,” zei Moe, „zal ik in de voorkamer wat vuur laten aanleggen.” „Dank je, Marie, ’t was me maar te doen om uit te rusten en de bui af te wachten. Ik geloof, dat het droog is. Dan neem ik meteen de paraplu mee, die ik gisteren bij je heb laten staan.” Ik ging naar het raam en keek naar buiten, vurig hopend, dat het kurkdroog zou zijn, maar het gietregende. We trachtten ondertusschen zoo goed we konden de kamer weer op orde te brengen, wat geen gemakkelijk werkje was. We hadden zooveel tijd besteed aan het in elkaar zetten van den boel, dat het maar niet in een tooverslag weer te veranderen was. Wat me vooral hinderde, waren tante’s oogen, die ons voortdurend op de handen zagen. Ik liet de gordijnen neer en Moe stak de lamp aan. Och, wat zagen toen onze halfafgetakelde kraampjes en stalletjes er uit! Toon, die de boeken in aller ijl op den mangelbak gestapeld had en dezen, om er van af te zijn, zoolang in de gang had neergezet, beijverde zich nu om de planten en bloemen onder de tafel vandaan te halen, en alles op zijn plaats te zetten. „Is dat het mooie haarlint, dat je Moe je pas gegeven heeft?” vroeg tante, toen ik bezig was, een gekreukeld lint in elkaar gefrommeld in een doosje te bergen, om maar gauw klaar te zijn. Uit den hoek van het bloemententje klonk op dat oogenblik een luid gerinkel, dat me gelukkig het antwoord bespaarde. „Daar gaat je beste waaierpalm!” zei tante Suzanna hoofdschuddend. Werkelijk kwam Toon met een vuurrood gezicht onder de tafel uit, de mooie waaierpalm in de hand; maar die was gelukkig geheel ongeschonden gebleven. Het was het zeepbakje—de poppebadkuip—dat onder zijn voet geraakt en gebroken was. Kleine Emmie hielp ook mee zooveel ze kon, ze bracht een bloemenmandje te voorschijn vol gele, rose en roode rozen. „Tante gemaakt!” zei ze met een blij gezichtje. Werkelijk had tante Suzanna die bloemen gemaakt en ze in het vergulde mandje geschikt. „Tante gemaakt,” zei Emmie weer, toen de oude dame geen acht op haar sloeg, „ikke afgesponst.” Nu werd Tante Suzanna opmerkzaam. „Kom eens hier, liefje,” zei ze. Emmie kwam, en nu bleek het, dat over de gele rozen roode tinten liepen, en dat de roode geheel verbleekt waren. Emmie had, natuur- en kunstplanten over één kam scherend, ze alle met haar sponsje gereinigd. Tante Suzanna zei niets; ze zuchtte alleen. „Het is droog, tante,” zei Jaapje, die het gordijn had opgelicht om naar buiten te zien. Moe kreeg een kleur. „Raap die roestige spijkers op, Jaapje,” zei ze. En toen tegen tante: „Wat wil je gebruiken, Suzanna; mag ik wat voor je klaarmaken?” „Ik drink niets,” zei tante, „je weet, dat ik bij Annie ook niets gebruikt heb.” „Laat me je een kop chocolaad geven, je eet toch zoo laat,” drong Moe nog aan. Maar tante was al opgestaan. „Dan zal ik je paraplu even halen,” zei Moe, naar de gang loopend om in den stander te kijken. „Doe geen moeite,” zei tante Suzanna, „Toon heeft haar daar op zijn stalletje.” Het was vreeselijk, dat alles ons zóó tegenliep. Ik had bepaald medelijden met Moe, want ik kon heel goed zien, hoe de zaak haar verdroot. Ik deed al mijn best, Toon te helpen de paraplu los te maken, maar die was met zooveel vernuft bevestigd, dat het bijna onmogelijk was, ze weer vrij te krijgen. Eerst was ze met koorden en touwtjes aan een wandelstok gebonden, en die was weer vastgemaakt aan de schraag van de strijkplank. Eindelijk, toen ook Moe er bij kwam, om ons te helpen, gelukte het, haar te bevrijden. „Tot ziens,” zei Moe, toen tante heenging, „het spijt me, dat je het zoo getroffen hebt; ik hoop, dat ik je een volgenden keer beter ontvangen kan.” Toen tante weg was, nadat ze eerst over den mangelbak met boeken, die in de gang stond, gestruikeld was,—wat Toon een nieuwe berisping op den hals haalde,—zagen we elkaar aan, ver van opgeruimd. Wat zou Moe wel zeggen? Hoe hadden we ons woord gehouden! Maar Moe zei niets; ze was alleen stil. Dien avond namen we ons vast en stellig voor, Moe in het vervolg geen aanleiding tot ontevredenheid meer te geven. En, de eerste week, hielden we trouw ons woord. We hebben later nooit meer marktje gespeeld, maar er wel nog dikwijls om gelachen, want het bleek, dat Moe, toen tante Suzanna een kwartiertje weg was, de zaak toch niet zoo heel erg vond. Maar we mochten het toch niet weer doen. IV. JAAPJE WIL GEEN TWEEDE BORDJE! Ziekte hebben we in ons kinderleven bijna niet gekend. Emmie was voortdurend wat zwakjes, maar ze sukkelde niet. Ik heb nooit andere pijn gehad dan van builen of schrammen, als ik me door woestheid gestooten of gekrabd had. Eéns ben ik—omdat ik de slechte gewoonte had, als ik op school een boek uit de bibliotheek kreeg, daaraan op straat alvast te beginnen—met mijn hoofd tegen een lantarenpaal geloopen, wat me een dikken blauwen bult midden op het voorhoofd bezorgde. Ik trof het niet, want ik moest dien middag juist bij een vriendinnetje op visite; maar een ongeluk komt nooit alleen, dus ik kon niet anders verwachten. Toon was altijd gezond; ik geloof zelfs, dat builen of schrammen hem niet deerden. En Jaapje was alleen ziek als hij te veel gegeten had, wat, dank zij Moe’s waakzaamheid, gelukkig niet dikwijls gebeurde. Toch is er ook in ons huis op zekeren tijd een ziekte binnengeslopen, die bijna geen huis, waar kinderen zijn, spaart,—de mazelen. Aanvankelijk waren wij er niet erg door verschrikt, we vonden het alleen vervelend. Toch had die overigens vrij onschadelijke ziekte, door mijn onvoorzichtigheid, wel eens heel leelijke gevolgen kunnen hebben. Ik herinner me nog goed het heele verloop. Het was op een Vrijdag—ongelukken gebeuren altijd op een Vrijdag, zei onze oude naaister—dat met Jaapje de ziekte binnenkwam. We hadden rijstebrij gegeten, rijstebrij met suiker en kaneel, omdat Moe het zoo druk had, maar Jaapje had na het tweede bordje bedankt. Dat was het eerste ziekteverschijnsel geweest. Want Jaapje hield dol van alle mogelijke eten, en van rijstebrij zou hij „wel twintig borden” op kunnen, meende hij, als Moe er hem toe in de gelegenheid stelde; maar dat had ze, zoolang hem heugde, nog nooit gedaan. Geen wonder dat ieder er over inzat. „Wat, eet je niet meer?” „Jaapje, een lekker bordje rijstebrij, probeer maar eens. Het mondje is een schalkje, het zal er wel ingaan.” Moe had nog gelokt en gevraagd; maar Pa zei, dat, als Jaap zelf meende genoeg te hebben, het zeker wel zoo zijn zou. Daar moest Moe maar niet over tobben. Na het eten had Jaapje geklaagd, dat hij zoo dik was. Hij wou niet meespelen met Toon, die hem inviteerde om paard te zijn. Hij wou zelfs niet eens mee kruiwagentje doen, dat is op de handen voortloopen, terwijl Toon zijn beenen vasthield. En toen Moe een zuren appel voor den dag haalde, dien ze van de groentevrouw gekregen had—zoo’n lekkere bellefleur met roode wangetjes—bleef Jaapje uiterst kalm bij de verdeeling. Hij nam zijn stukje wel aan, maar na er zóó lang mee gezeurd te hebben, dat het roodbruine vlekjes had gekregen en er erg onsmakelijk uitzag, gaf hij het terug. „Voor de musschen,” zei hij. Nu was het uitgemaakt, dat Jaapje ziek was. „Kom eens hier, ventje,” zei Pa. En Jaapje kwam bij Pa staan en liet zich tegen zijn knie aanleunen. „Wat scheelt er aan, kereltje, heb je hoofdpijn?” Jaapje bedacht zich. „Ja, Pa.” „Hij is van dat hij thuis kwam af al hangerig en landerig geweest,” zei Moe toen, „maar ik dacht, dat hij honger had, en dat het met eten wel over zou gaan.” „Je hebt toch geen snoepgoed gehad?” zette Pa het onderzoek voort. „Een onrijpen appel of zoo?” „Neen, Pa.” „Bedenk je eens goed, Jaapje. Heb je niets gehad van het jongetje, dat naast je zit?” „Die is niet school geweest, Pa, omdat hij zoo erg de roode mazelen heeft. Gisteren had hij ze al, hij zag heelemaal rood, en toen is hij door den meester naar huis gestuurd. Ik had nog een griffel voor een knikker met hem gedaan. Hij zou hem voor mij meebrengen, en nu is hij geen eens school geweest.” Jaapje leunde nog sterker tegen Pa aan, legde het hoofdje op zijn knie en gaapte. „Roode mazelen.” Pa had Moe eens aangezien, en Moe had erg verschrikt gekeken. Pa had Jaaps mouwtjes opgestroopt en zijn polsen bekeken; Moe had hem uitgekleed, maar vóór ze hem te bed bracht, onderzocht Pa zijn borstje even, en wreef er op, of er ook roode vlekjes op kwamen. Toen legde Moe hem in zijn bed, waar hij, als een echt ziek kindje, het zware hoofdje diep in het kussen drukte en de oogen onmiddellijk sloot. „Je kunt er nog niets van zeggen,” troostte Pa, toen Moe binnenkwam. „Ik zou me maar niet al te ongerust maken; als hij morgen niet beter is, zullen we den dokter halen.” „Het zal toch wel mazelen worden. Wat kan het anders zijn? Het kind is nooit ziek,” en met een zucht stak Moe een draad in de naald, om Jaapje’s broekje te gaan verstellen, waarmee hij, bij het overklimmen van een hekje, in de ijzeren pinnen was blijven haken. „In allen gevalle,” zei Pa weer, „is het geen gevaarlijke ziekte, als je het jong krijgt ten minste. Ik heb het als kind drie keer gehad, maar ik ben er nooit ziek van geweest. Het is zoo iets als tanden krijgen; ieder kind moet er doorheen.” Toon en ik, we maakten ons werk en zeiden niet veel. Het was zoo iets bijzonders, als er bij ons thuis iemand ziek was. Toon zat te leeren, de graven van Holland: Dirk I, Dirk II, Arnout, Dirk III, enz. Telkens van voren af aan op een dreuntje. Ik maakte sommen. Tien moeilijke vraagstukken had ik opgekregen; in een half uur tijds had ik er drie van af. De andere kende ik niet. Ik las ze over, één voor één, zonder te begrijpen, lusteloos, slaperig. Emmie zat op een stoof aan Moe’s knie in een geïllustreerde prijscourant te bladeren. „Wat is dit?” vroeg ze, „en ditte, en dat?” En ze wees, ze wees ze aan, met haar vingertjes, in het oneindige vragende, zonder naar het antwoord te luisteren. En Moe legde uit, fluisterend, met gedempte stem, om ons niet te storen. Emmie werd naar bed gebracht. In Pa en Moe’s bed mocht ze slapen. Toon zou in het hare gaan, omdat Jaapje alleen moest liggen. „Hoe vindt je dat?” vroeg Moe. „Lekker,” zei ze, en ze klakte met haar tongetje. Moe droeg haar op haar arm rond, en we gaven haar allen een nachtzoen op haar slaperig, rozig snoetje. Toen werd het nog stiller. Moe ging eens naar de andere alkoof—we hadden er twee vlak naast elkaar, of eigenlijk één, die in het midden door een schot in tweeën was verdeeld. Jaapje sliep; hij haalde wat zwaar adem, vond Moe, maar hij sliep toch rustig. Moe nam het broekje weer op. Pa schreef voor kantoor. Toon leerde nog uitentreuren. Ik verveelde me. De sommen vlotten niet. Ik probeerde ze van achteren naar voren—want ik had een lijstje met antwoorden—maar ook dat ging niet. Ik zou vast school moeten blijven, den volgenden dag. Ik had het land. Moe kon er zelf niets van, en ik hield er niet van het aan Pa te vragen. Ten eerste omdat hij me voor een bijzonder schrander meisje hield, op wie hij altijd trotsch was geweest, en dan—hij werkte ze altijd op een andere manier uit, dan wij op school gewoon waren. Later heb ik het erg natuurlijk gevonden, dat hij niet zoo precies op de hoogte was van onze manier, maar toen speet het me toch. Van hulp kon dus geen sprake zijn. Met een wanhopig gevoel begon ik voor den zooveelsten keer een som op een nieuw blaadje. Daar schoot me opeens iets door het hoofd. Als Jaapje mazelen kreeg, zouden Toon en ik morgen thuis moeten blijven. Als Jaapje toch ziek wordt, dacht ik toen, hoop ik maar, dat het de mazelen zijn. Het is immers volstrekt niet gevaarlijk, had Pa gezegd. Later heb ik nog dikwijls met schaamte aan dien wensch teruggedacht. V. MAZELEN. Den volgenden morgen kwam Pa ons roepen. Of we ons vooral zacht wilden aankleeden, want Jaapje was erger. Hij had den heelen nacht slecht geslapen en erg gehoest en geniesd; zijn keeltje was een beetje ontstoken. Misschien waren het mazelen. Pa wist het nog niet. Straks zou de dokter komen; we moesten maar heel stil zijn en mochten volstrekt niet bij hem. „We mogen toch wel naar school?” vroeg Toon. Dat vond ik gemeen van hem. Wat een aanstellerij! Omdat hij nu bij toeval zijn les had geleerd,—dat gebeurde hem ook niet alle dagen! „Neen, in geen geval; je zoudt de besmetting kunnen overbrengen.” „O, neen, Pa?” vroeg ik toen ook, en ik hoopte, dat het teleurgesteld klinken mocht, maar ik was er wel bang voor. Toon en ik werden na het ontbijt naar het kamertje verbannen, waar we bij een petroleumkacheltje gingen dammen. Emmie stond bij ons voor het raam en greep met de kleine handjes naar de sneeuwvlokken, die langzaam neerdaalden. Soms sloeg ze zich de vingertjes zeer tegen de ruiten, als er een heel dicht langs gleed, om die te pakken. Om tien uur kwam de dokter. Hij vond Jaapje bezig een boterhammetje met suiker, in dobbelsteentjes gesneden, smakelijk op te peuzelen. „Hoe is het, mannetje?” had de dokter gevraagd. En Jaapje had zich den tijd niet gegund met eten op te houden. Eindelijk, tusschen twee hapjes in, toen zijn mondje leeg was, had hij, vol medelijden met zichzelf, geantwoord: „Ik heb zoo’n ergen honger, mijnheer,” en toen verteld, dat zijn buik heelemaal leeg was, want dat hij gisteren maar twee bordjes rijstebrij had gegeten. „Het zal wel gaan met onzen patiënt,” meende de dokter. „Maar goed warm houden, dat de mazelen flink uitkomen.” „Dus toch mazelen?” „Ja, ja,—kijkt u maar eens bij het licht. Het begint al; zijn oogen staan flets, en hij hoest een beetje. Maar hij is tierig en opgewekt. Het zal best gaan, als hij maar warm blijft; vooral geen tocht.” „Ik zal er voor zorgen, dokter. En de anderen?” „Hoe bedoelt u?” „Moet ik de andere kinderen van hem vandaan houden?” „Hebben ze het nog niet?” „Neen,” had Moe verwonderd gezegd. „Nog niet gehad ook?” „Neen, dokter.” „Nu, dan kunt u doen zooals u wilt;—ze zullen het toch wel krijgen.” Het was een dwaas zeggen voor een dokter, vond Moe, en ze hield ons buiten Jaapje’s alkoof. Maar we kregen het toch, de een na den ander, behalve Emmie; die bleef het langst gespaard. Binnen een week lagen we alle drie te bed. Op en top een hospitaal. Moe had het druk, maar we waren geen lastige zieken, ten minste niet in den gewonen zin van het woord. We waren bijna geen zieken, maar we waren wel druk en maakten spektakel, ten minste de jongens. Dát was mijn groot verdriet, dat we niet bij elkaar lagen. Het prettigst van alles zou ik een groot ledikant hebben gevonden, waar we met zijn drietjes in konden. Maar op zijn minst had ik toch in hun alkoof willen slapen. Maar dat ging niet. Daar lagen de jongens samen in één bed, en hadden een pleizier voor zes,—en ik lag troosteloos in mijn eentje in de andere alkoof en verveelde me.— Toen ik pas ongesteld werd, vond ik het geraden, me voor niet minder ziek uit te geven dan ik was. Ik antwoordde met flauwe, matte stem en halfdichte oogen, bedankte voor een sneetje brood, maar liet me een stukje pudding, een partje sinaasappel en nu en dan een kop bouillon opdringen. Toen de dokter kwam, om naar me te zien, toonde ik me lijdend. Maar toen ik vier, vijf keer achtereen mijn mond wijd open moest doen en a-a-a zeggen, dat hij mijn keel zou kunnen zien, moest ik zóó lachen om de malle manoeuvres, die ik zelf met mijn tong maakte, dat het hem volslagen onmogelijk was iets te zien, zoodat hij wel merkte hoe het met mijn ziekte stond. Mijn keel was een beetje ontstoken en moest dagelijks met een penseel gesmeerd worden, wat vreeselijk prikkelde en kriebelde en mij telkens als een mager varken deed schreeuwen. Een en ander maakte, dat ik er erger aan toe meende te zijn dan de jongens. Ik bleef dus stil in bed liggen, telde de bloemen van het behangsel, wreef mijn handen wit en liet ze dan weer langs het ledikant naar beneden afhangen, zoodat ze als vuur zoo rood werden,—ik maakte schaduwbeelden met mijn vingers, wat ook heel prettig is,—tooverde poppetjes van mijn zakdoek, en probeerde uit te rekenen hoeveel strafregels ik wel iederen dag zou kunnen schrijven, als ik in bed de pen hanteeren kon,—en of het aantal voldoende zou zijn voor mijn volgend schoolleven. Op een mooien dag bracht Pa voor mij een boek mee: Twintig duizend mijlen onder zee, van Jules Verne. Het was eigenlijk een jongensboek, maar Pa wist wel, dat ik die het liefste las, dikwijls kreeg ik ook de boeken van Toon; dat was nog het eenige, dat ik van hem gebruiken kon. De jongens waren al dien tijd tot stilzijn aangemaand, omdat Moe dacht, dat ik veel erger was. Maar zoodra ik het boek had, scheen mijn ziekte genezen; ik las en las en dacht niet aan klagen; het speet me alleen maar, dat het zoo vroeg donker werd, en bij lamplicht kon ik niet lang zien, dan gingen mijn oogen pijn doen. Overdag stonden de voorkamerdeuren open, maar de deuren van de huiskamer, waar Emmie was, bleven altijd dicht. Emmie tikte dagelijks aan de deur. „Hoe gaat het nogal, Tine?” „Dank je, Emmie, vrij goed.” „Lufflouw Lora vraagt ook hoe het nogal gaat.” Lufflouw Lora was de pop, die Emmie van een zekere juffrouw Flora gekregen had. „Wilt u Lufflouw Lora wel bedanken; het gaat heel best.” „Zijn de roode mazeltjes er nog?” „Ja, Emmie.” „Mag ik ze eens zien?” „Neen, ze zijn wat leelijk; ze doen zeer.” „Bijten ze?” „Ja.” „Mag ik ze asjeblieft niet even zien?” „Neen, Emmie, dat kan niet.” „Lufflouw Lora ook niet?” „Neen.” „O!”—Het klonk altijd teleurgesteld. Emmie stelde zich de mazelen, geloof ik, voor als kleine, roode insecten, die door de alkoof vlogen. Dikwijls dreigde ze er de pop mee; ze zou ze roepen. Als Lufflouw Lora niet heel zoet was, dan zou ze—in eens—de deur van de alkoof opendoen—en dan sprongen de mazeltjes er uit, pang! in Lufflouw Lora’s gezicht en op haar armpjes en in haar halsje. Een anderen keer smeekte ze weer, door het sleutelgat, om één mazeltje te zien, ééntje maar—tot het beet. Maar het mocht niet. VI. MIJN ONVOORZICHTIGHEID. Toen mijn boek uit was en de maalstroom de luitjes veilig en wel op een der Loffoden-eilanden geworpen en zoodoende een einde gemaakt had aan hun belangwekkende onderzeesche reis—zocht ik verstrooiing. Op een goeden morgen hief ik van mijn bed uit een lied aan, weinig toepasselijk wel is waar, maar zeker uit volle borst gezongen—en bijzonder gloedrijk. „O, hoe schoon is mij deez’ avond, mij deez’ avond, mij deez’ avond!” klonk het, verheugd en blij, en een oogenblik later jubelden ze mee uit de andere alkoof—in zooverre min of meer heesche mazelenkelen jubelen kunnen. En een heerlijke canon klonk hoog op, een luidruchtige, driestemmige beurtzang, die zoo lang aanhield, tot Moe kwam, om het schreeuwen te verbieden, en Emmie door het sleutelgat informeerde of de mazeltjes waren weggevlogen. Het zingen had me heelemaal opgevroolijkt; ik voelde me zoo opgewekt en verfrischt en zoo vol leven, dat ik met een ruk de dekens van me afgooide tot het voeteneind, de kussens flink hoog opschudde, mij er in liet zakken, en dat spelletje telkens weer deed,—opschudden, inzakken,—opschudden, inzakken, tot ik moe en afgemat voorgoed neerviel, de dekens weer over me heentrok en juist netjes lag, toen Moe met een kop thee en een beschuitje de alkoof inkwam. Ik dronk mijn thee, genietend met kleine teugjes, en at het beschuitje met smaak; toen ging ik weer wat rusten, met een prettig gevoel van weelde, dat ik bediend en verzorgd werd. Maar niets maakt je zoo loom en moe op den duur als rust. Ik was ook veel te ongedurig om stil te blijven liggen; ik verzon een heerlijk werkje, dat ik dadelijk ten uitvoer bracht. Ik ging de kussens aan het voeteneinde leggen en stopte de dekens aan het hoofdeinde in; nu kon ik prettig liggen kijken naar de vallende sneeuwvlokken voor het raam van de voorkamer. Dat was aardig. Dat leefde ten minste. Ik had plezier. Maar het hield op met sneeuwen, en ik verveelde me weer. Toen dacht ik aan het muizengaatje onder in het schot, dat de alkoven scheidde. In een wip was ik uit bed en stond ik op het zeil. Had ik nu maar iets! Wacht, daar lag de kous, waar Moe gisteren voor mijn bed aan had zitten breien. Een pen trok ik er uit; die zou ik er straks wel weer indoen. Geprobeerd! Ja, zij kon door het gaatje. Prik! Prik! De jongens zagen het niet. Nog eens. Tik, tik! op den grond. Ze merkten het. Dat was aardig. Dat was een kostelijk verzinsel. Daar moesten we plezier van hebben. Stil, daar kwam Moe aan; wip, in bed. Ik was koud geworden, erg koud, en kroop recht behaaglijk onder dek. ’s Avonds, als Emmie sliep, mochten we opstaan. Dan gloeide de kachel lekker, dan trokken we kousen en slofjes aan, dan sloeg Moe ons een deken om, den jongens een wollen en mij een reisdeken,—en dan zaten we met zijn drietjes op de canapé, potsierlijk en wel, net of we bij den barbier waren en geschoren moesten worden. Eerst konden we niet goed tegen het licht; het was zoo schel en zoo rood,—maar Moe maakte een kap aan de lamp, en toen ging het. Wat hadden we een pret met zijn drietjes! Pa vertelde dan meest en Moe maakte de bedden in orde. En als de bedden klaar waren, heerlijk geschud en frisch, zoodat het weer een plezier was er in te gaan liggen, en we er weer in konden zakken, en ons wenden en keeren naar hartelust, zonder bang te zijn voor prikkelende beschuitkruimels,—dan kregen we ieder een lepel van het lauw-flauwe drankje, en dan werden we weer naar onze slaapplaatsen gebracht. Waggelend als dronken ijsbeertjes in onze wollen dekens, liepen we nog even in de kamer rond, alleen maar voor de grap en om het belachelijke gezicht. We konden wel niet goed meer loopen, door het vele in bed liggen,—maar we overdreven ook een beetje. Anders dan om verbed te worden, mochten we nooit opstaan, en dan was alles met veel zorg verwarmd. Maar ik bekommerde er me niet veel om, en toen Moe weg was, schreef ik met potlood een klein briefje: „Lieve Toon! Hoe maak je het? Begin je al te vervellen? Liggen er veel beschuitkrummels in je bed? Schrijf me eens wat jullie aan het doen bent. Ik heb mijn bed zóó overgemaakt, dat ik net in de voorkamer kan zien. Je liefhebbende Zuster Christien.” Toen het af was, rolde ik het papier heel fijn op en schoof het door het gaatje heen. Een oogenblik later hoorde ik een bons—Toon, die uit bed sprong—en een dof plakkend geluid van bloote voeten op het zeil. Naar mijn idee duurde het heel lang voor ik een kreukelig, in elkaar gewrongen rolletje door het gaatje zag te voorschijn komen. Als een haas sprong ik uit bed, ontvouwde het papier, streek het zooveel mogelijk glad en las: „Waarde Zuster! Daar wij tot het edele ras der Roodhuiden behooren, kan ik uw onbeduidende vraag omtrent de beschuitkrummels niet beantwoorden. Jaap Vuurhart, de gevreesde Eetwolf, scherpt zijn twintig tanden op een pijp drop, die onze kleine blanke zuster Emma hem heeft gezonden. Ik zegen het knaagdier, dat ons den tunnel heeft gegraven tot middel van gemeenschap. Die zinspeling op het vervellen begrijp ik niet. Ik hoop, als volbloed Indiaan, mijn huid, rood als het zonnegoud, te bewaren. Hebt ge nog een flikje over voor Uwen broeder Koperrood?” Ik had er erg veel schik in en haastte mij een tweeden brief in denzelfden geest te vervaardigen. Ik dacht er over om het gaatje wat dieper uit te graven, maar daar was geen beginnen aan. Toen stond ik op, tegen Moe’s verbod in, en liep door de voorkamer naar de alkoof van de jongens, om ze een paar flikjes te brengen. Het was lekker weer geworden; het zonnetje blonk en schitterde op de sneeuw. Voor was het prettig en licht. Op straat speelde een orgel „De Maliebaan”. Ik vond het een verrukkelijke wijs en begon voor het bed van de jongens op de onzinnigste manier in mijn ponnetje rond te dansen met dwaze armbewegingen: „Wij zijn gegaan,” enz., met gedempte stem, uitgelaten vroolijk van het deuntje en het licht; de jongens schudden in hun bed van het lachen. Opeens kreeg ik een inval. In een wip was ik bij het raam en schoof het op—even, heel even maar, en streek met de hand eensklaps de sneeuw uit de vensterbank in een hoopje bij elkaar. Een koude wind kwam me te gemoet. Ik rilde. Het raam viel dicht,—ik zou den jongens de ooren eens wasschen. Toen ik me omkeerde, stond Moe in de deur, hoog opgericht. Het gezicht ernstig, strak, bleek, de oogen wijd open,—zonder te spreken. Daar kwam de kleur terug, opeens. Donkerrood werd ze van drift; haar lippen beefden. „Kind, ben je dwaas? Ben je dwaas? Naar bed, gauw! Ben je doof,—naar bed, zeg ik!” Ik lag er al in, het gezicht naar den muur, zoo ver mogelijk in den hoek—de knieën opgetrokken, den rug wat gekromd, in elkaar gedoken—of ik bang was, geslagen te worden. Nooit, nooit van mijn leven had ik Moe zóó gezien, zoo driftig, zoo ontsteld. Ik voelde mij toestoppen in mijn hals, in mijn lenden, ruw, met een harde hand, die ik niet kende. Nog meer dek kreeg ik,—plof! zwaar boven op me. Toch rilde ik onder den drukkenden last van dekens, nog eens en nog eens, of ik de koorts had, dat het bed er van schudde. Daar hoorde ik Moe snikken, nokkend, woest, hartstochtelijk.—Ik schrok er van en keerde mij om. „Moe, Moeke!” „Stil, blijf liggen, blijf onder dek. Neen, geef me geen zoen. Tine, Tine, hoe kón je het doen?” Moe ging heen en deed de deur halfdicht. ’t Werd donker in de alkoof, somber en stil. „Moe, Moe!” riep ik, tot mijn keel zeer deed. Maar Moe hoorde het niet. Ik had er zoo’n spijt van, en ik was zoo koud. Ik klappertandde en rilde, telkens, telkens weer. „Moe, Moe!” huilde ik, zacht, als een klein, dwingend kind, terwijl mijn oogleden brandden en pijn deden van de tranen. Toen opeens was ik stil en luisterde, maar ik hoorde niets. Eindelijk kwam Moe. Ze had een glaasje warmen, rooden wijn met citroen voor me meegebracht; dat moest ik opdrinken. „Is u nog boos, Moeke?” En ik keek naar Moe op en zocht in haar oogen het antwoord. Zij zag me aan met een langen, onderzoekenden, angstigen blik. Haar oogen schenen grooter te worden, haar neusvleugels trilden. „Tine, kind!” klonk het eindelijk, zoo bang en geprangd, dat ik er van ontstelde. De mazelen waren naar binnen geslagen. De dokter deed wat hij kon om me beter te maken. Warme thee, omslagen aan de voeten, groote hitte, flanellen kleeren en wollen dekens, herhaalde aanleggingen van zuurdeeg op verschillende plaatsen, brachten de teruggetreden mazelen in betrekkelijk korten tijd te voorschijn. Een paar maanden behield ik nog een drogen, pijnlijken kramphoest en wat heeschheid in de keel. Toen de dokter me voor hersteld verklaarde, werd het geheele huis ontsmet. Op een goeden morgen mocht kleine Emmie de lang verboden terreinen weer betreden. Vlug wipte ze de alkoof binnen en bekeek alles terdege van alle kanten. De mazelen waren weg, zei ze, met een teleurgesteld gezichtje; maar—terwijl ze de carbolgeuren opsnoof, met een glimpje van plezier en voldoening in haar oogen—ze kon ze toch nog wel ruiken! VII. OVER KIBBELARIJEN EN PRETJES. Veel ruzie hebben we gelukkig nooit met elkaar gehad. En daar ben ik maar blij om ook, want als we eens ernstig boos op elkaar waren, voelden we ons zelf ook ver van gelukkig. En later scheen ons de reden, waarom we zoo verschrikkelijk kwaad geworden waren, meestal erg onbeduidend. Al was de vrede ook gauw weer geteekend, kibbelen deden we dikwijls. Twee grieven had ik tegen Toon, die me erg hinderden, die ik eerst veel later te boven ben gekomen, en waaraan hij—na alles—héélemaal geen schuld had: ten eerste, dat hij ongeveer een jaar vóór mij op de wereld had durven komen, en ten tweede, dat hij een jongen was. Ik had zelf graag een jongen willen zijn en liefst de oudste. Waarom had Toon die twee voorrechten boven mij? Ik vond het heel onbillijk. Ik herinner me nog, dat dit me al tegen hem verbitterde, toen ik vier jaar was; hij was toen toevallig ook nog vier. Ik was jarig, en mijn grootste blijdschap bestond hierin, dat ik nu even oud was als Toon, dat ik hem ingehaald had. „Nu ben ik ook de oudste!” riep ik triomfantelijk. Maar Toon was niet van plan een koning naast zich te dulden. „Niet waar!” riep hij. En ik: „Wél waar, vraag het maar aan Moe.” „Het is toch niet waar,” riep Toon terug, „nog tien dagen, en dan ben ik vijf. Ik blijf altijd ouder dan jij, altijd, altijd! Maar jij bent ook al oud, hoor Tine!” Dat laatste zei hij met oog op mijn onderlip, die geheel omgekruld was van verdriet; hij wou me op mijn verjaardag niet aan het huilen maken. Maar zelfs de erkenning dat ik „ook al oud” was, kon me niet meer troosten, en ik barstte uit in een droevig snikken, zoo hevig, dat de zes flikjes, die Pa me in iedere hand stopte, nog niet voldoende waren om mijn tranen te drogen. Pa had medelijden met mijn ongeluk, waarvoor geen genezing bestond, en legde nog een taartje voor me neer, een taartje met room en amandelen, dat me heerlijk smaakte, maar toch mijn verdriet niet geheel verdreef. Het verschil in leeftijd tusschen Toon en mij ben ik nooit te boven gekomen. Altijd moest ik het verdragen, dat Toon op school een klas hooger zat dan ik, dat hij aan tafel zich het eerst bedienen mocht; hij was het, die een jaar vóór mij naar dansles ging, die het eerst van ons allen eens mee mocht naar den schouwburg. Hij wist alles beter dan ik. Toen ik aan het Fransch begon, verbaasde hij de tantes al door er versjes in op te zeggen. Als ik aan de decimalen begin, is hij al aan de repeteerende breuken. Hij kreeg een jaar eer een horloge dan ik. Ik verbeeld me, dat ik altijd mijn best gedaan heb, niet jaloersch op hem te zijn, maar ik geloof niet, dat ik er altijd in geslaagd ben. Was ik tenminste nog maar een jongen geweest! Dan—zoo dacht ik toen—had ik mijn eerste grief gemakkelijk overwonnen. Dan was ik ook vrij geweest om te springen en te draven, als ik er lust in had. Dan had ik mee kunnen doen, als hij met zijn makkers voetbal ging spelen op het veld achter het Rijksmuseum; zelfs Jaapje, die zooveel jonger was, mocht wel mee, al was het ook maar om te kijken. Dan had ik ook mee mogen doen aan de wedloopen, die ze onder elkaar hielden, dan had ik misschien tegen hem op gekund, als we samen worstelden—want dat deden we wel eens, alleen om ons te oefenen.—Ik geloof dat veel van onze kibbelarijen alleen ontstonden doordat ik jaloersch op hem was. Bijvoorbeeld. Ik kom thuis uit school. Ik heb voor het eerst les in natuurkunde gehad, en ik verbeeld me, dat het iets bijzonders is, een wetenschap, die alleen aan onze onderwijzeres bekend is. Ik ben dus trotsch en vertel het thuis; ik weet wat ondoordringbaarheid beteekent, en dat Toon niet op dezelfde plaats kan staan, die ik inneem. Het schijnt me, dat ik die algemeene eigenschap der lichamen nooit recht gekend heb. Nu weet ik eerst terdege, hoe het komt, dat ik het gewaar word, als ik in het donker tegen de kachel aanloop. De kachel neemt een zekere ruimte in, waarover ik niet te gelijker tijd beschikken kan. Het is me of mijn oogen voor veel zaken zijn geopend, die me vroeger ontgingen. Ik voel me wijzer geworden. Het moet aan me te zien zijn, als ik thuis kom, want Moe zegt dadelijk: „Is er wat bijzonders?” En ik: „Ja, Moe, we hebben natuurkunde gehad,” en ik kijk Toon aan, om te zien of hij zich nu eindelijk getroffen voelt, of hij nu eindelijk eens respect voor me zal krijgen. Maar Toons gelaat blijft volkomen rustig. Dat kan ik niet goed velen. „Heb jij ook wel eens natuurkunde gehad?” vraag ik. Hij knikte. „Beginnen jullie daar nú pas mee?” vraagt hij, „bij ons op school leerden we het al een klas eerder.” Natuurlijk, ’t zou wel wonder zijn, als op zijn school niet alles veel beter was dan op de mijne! Nog één kans blijft me over om hem te overbluffen; als hij al twee jaar geleden aan dat vak begon, zal hij nu de eerste lessen weer vergeten zijn. „Weet jij wat ondoordringbaarheid is?” vraag ik. „Natuurlijk,” klinkt het droog. „Niets natuurlijk!” ik lach een beetje schamper. „Geef dan eens antwoord, als het zoo natuurlijk is!” „Dank je!” zegt Toon terug op hooghartigen toon. Maar ik doorzie hem. „Omdat je het niet weet, daarom doe je of je het niet zeggen wil!” roep ik sarrend. „Neen, jij alleen hebt alle wijsheid in pacht!” Toon keert me den rug toe. „Zeg het dan, als je het weet!” Ik wil het laatste woord hebben. Toon mompelt iets, dat veel heeft van: „Loop naar de maan,” wat me nog boozer maakt. Dan spreken we niet meer tegen elkaar. Het duurt een halven avond, voor ik inzie, dat Toon het mogelijk toch geweten heeft, en dat hij geprikkeld is geworden door mijn twijfel, en eindelijk woedend om mijn plagen. De andere helft van den avond verloopt voor ik er toe komen kan, iets te zeggen waaruit blijkt, dat het wezen kán, dat ik óók schuld heb. Eerst als we op het punt zijn naar bed te gaan, roep ik, terwijl ik in mijn eigen alkoof ben, door het schot heen: „Ik geloof wel, dat jij het ook wist, van de ondoordringbaarheid, hoor!” „Goed zoo!” zegt Toon alleen, en de vrede is geteekend. Ik ben blij, dat Emmie zoo’n goed en zacht hartje had, zoodat het bepaald moeilijk was met haar te kibbelen. Het zou me zoo gespeten hebben, vooral omdat ze gestorven is, als ik ooit lang boos op haar geweest was, of haar slecht behandeld had. Ik heb toch spijt van de enkele keeren, dat ik driftig tegen haar geworden ben, te meer omdat het heelemaal mijn eigen schuld is geweest. Van één keer weet ik het nog goed. Ik stond op het punt uit te gaan naar een partijtje, dat de dansmeester gaf. Ik was dertien jaar, oud genoeg om mooi te willen zijn als ik uitging; of er aan mijn daagsche jurk een knoop mankeerde, of dat mijn haar op school vaak slordig zat, of mijn vingers met inkt, kon me minder schelen. Ik kreeg een stijf gestreken rose katoenen jurk aan, die ik prachtig vond. Ze hing over den stoel naast de waschtafel, en ik moest er telkens naar kijken, terwijl ik bezig was mij te wasschen. De kaarsen langs den spiegel brandden, Moe maakte mijn haar op. Met een friseertang, die boven een spirituslichtje was heet gemaakt, deed Moe het hier en daar nog wat meer krullen. Ik zat, vol ongeduld, op mijn stoel te wachten, dol verlangend om te weten, hoe het werd. Ik was niet groot genoeg om zittend in den spiegel te kunnen zien. Emmie stond tegenover me, met een gezichtje vol bewondering, Moe’s werk gade te slaan. Op bed lagen mijn witte zijden handschoenen klaar. Ze liep er naar toe om ze te bekijken. Ik kon haar niet volgen met de oogen, omdat ik recht moest blijven zitten, wou ik niet gebrand worden, maar ik was erg bang, dat ze er vuile vingertjes aan zou maken, en ik riep: „Afblijven, hoor Emmie.” Emmie ging weer op haar oud plaatsje staan, op de teenen, om het doosje te zien waarin mijn bleek bloedkoralen halssnoer en armbandje lagen. Voorzichtig nam ze het doosje op. „Toe, blijf er nu af, Emmie!” riep ik ongeduldig. Ik was zoo prikkelbaar, dat ik zelfs niet velen kon, dat ze aan den zakdoek rook, die voor me klaargelegd was, en waarop ik overvloedig eau-de-cologne, en een klein tikje boschviooltjes gedaan had. Toen ik haar weer verboden had, liep ze achteruit terug, net tegen den stoel aan waarover mijn mooie rose jurk hing. De stoel viel om en de jurk op den grond. Ik was opgesprongen; ik kon me niet langer inhouden, mijn prachtige jurk zou heelemaal bedorven zijn, ik wist, dat ik met wasschen erg gespat had, mijn jurk zou heelemaal nat en vuil zijn. „Vervelend kind!” riep ik, buiten mijzelve van drift, „kun je dan nergens afblijven!” Ik geloof, dat ik haar had kunnen slaan; ik ben maar blij, dat ik het niet gedaan heb. Toen ik de jurk had opgeraapt, bleek het, dat ze geheel ongeschonden was. Ik had dadelijk spijt van mijn drift, en gaf Emmie eau-de-cologne en boschviooltjes. Emmie bleef niet lang huilen, maar ze was toch een beetje bang voor me, en toen ik gekleed en gereed stond, het haar gekapt, de witte handschoenen aan, frisch en fleurig in de rose jurk, was ze zoo schuw van al mijn moois, dat ze me haast niet goedendag dorst kussen. Een anderen keer heb ik haar echt door elkaar geschud, omdat ze het dekseltje van mijn nieuwste naaidoosje zoo hard dicht had laten vallen, dat het spiegelglas, dat er binnen inzat, er door brak. Arme kleine Emmie, ik heb nu spijt van het minste leed, dat ik je gedaan heb. Ik begrijp niet, dat ik tegen zoo’n lieve kleine prul, als jij was, ooit onaardig of hard heb kunnen zijn. Ik ben blij, dat we ondanks onze kleine kibbelarijen toch altijd van elkaar gehouden hebben. We klikten nooit en trokken tegenover vreemden altijd partij voor elkaar. Ik weet nog hoe dankbaar ik Toon was voor het pak slaag, dat hij een straatjongen toediende, omdat die mij gegooid had met een sneeuwbal, waarin een steentje zat. Hij „kreeg” zelf ook, zóó, dat zijn oor bloedde, en ik voelde mijn eigen pijn niet meer, zoo ging me de zijne aan het hart. Want het mooiste van het heele geval was, dat Toon nogal boos op me was één oogenblik vóór de bal aankwam. Behalve bij kleine verdrietjes of bij werkelijke smart (want bij Emmie’s ziekbed bleek het eerst recht hoeveel we van elkaar hielden), voelden we ook den band, die ons allen vereenigde, bij pretjes of feestelijkheden. Moe moest maar eens jarig zijn of Pa! Dan waren we allen één van ziel en zin om dien dag tot een heel plezierigen te maken! We legden het geld bijeen, dat we opgespaard hadden, en beraadslaagden in alle stilte, hoe we het het best gebruiken zouden. Toon en ik gingen er samen op uit om de cadeaux te koopen, Jaapje en Emmie moesten de versjes opzeggen, die wij hun van te voren in het geheim geleerd hadden. Toen op een keer Toon alleen eens geld had en ik toch ook zoo graag wat geven wou, vond hij het heel goed, dat ik voor zijn geld een theekleedje kocht, hoewel hijzelf Moe liever met een bloempot verrast had. Maar ik was blij, dat ik het merken kon, en zoo tenminste ook mijn goeden wil kon toonen. Verjaardagen waren altijd heerlijke feestdagen voor ons allemaal, maar ze beteekenden toch nog niets in vergelijking met dien éénen avond, die boven alle de kroon spande—den Sint-Nicolaasavond. Dan kwam er geen visite, dan waren we heelemaal onder elkaar. Allemaal stralende, vroolijke gezichten zaten er dan om de tafel. De schel klingelde bijna voortdurend, zoo vroolijk en vol goede beloften, dat ons hart er sneller van kloppen ging. Beurtelings hadden we in de keuken of op den zolder geheimzinnige apartjes met Katrien. Ik weet nu bijna niet, wát prettiger was, als we zelf een pakje kregen, of als het pakje werd binnengebracht en geopend, dat we voor anderen hadden klaargemaakt. Het onnoozele en van-niets-wetende gezicht, dat we dan trachtten te zetten, en dat ons juist dadelijk als den Sinterklaas verried! En dan de aandoeningen als Sinterklaas binnenkwam, de echte! Of liever niet de echte, want Toon en ik wisten wel, dat het niemand anders was dan Pa, maar Jaapje twijfelde, en was wel degelijk angstig, geloof ik, als hij aan sommige appels dacht, die hij zonder te vragen, uit de mand in de keuken had weggenomen.—Emmie zou ons zelfs niet geloofd hebben, als we het haar verteld hadden, dat Pa voor Sinterklaas speelde. We vonden het veel te aardig, de schuchtere manier te zien, waarop ze Sinterklaas haar klein wit handje gaf, tóch vertrouwelijk ondanks haar schuwheid. Op zulke avonden zullen de arme buren wat van ons te lijden hebben gehad, want het komt me nu voor, dat we dan niet anders deden dan zingen en springen en ravotten en over den grond buitelen van plezier.—’t Is me, nu ik er aan denk, of ik nog Toons flinke stem hoor, waarmee hij boven ons allen uitzong.—Ik zie Jaapje nog, den kleinen dikkerd, zooals hij, met een gezicht, rood van inspanning, „koppeltje” trachtte te duikelen over den vloer, om Sinterklaas een goed idee van zijn spierkracht en behendigheid te geven; ik zie onze kleine Emmie nog, terwijl ze met een snoetje, blozend van angst, de lipjes drukte op het baardige gezicht van den goeden ouden Sint. Ja, we hebben echt prettige, blijde dagen gehad in onze jeugd, en we vormden een recht gezellig troepje! LAURA’S OPSTEL. I. BIJ HET UITGAAN DER SCHOOL. Betsy Hove, Annetje Leffelaar, Mariëtta Albeni en Nelly Gerling liepen gearmd, de tasschen in de hand. Ze vormden een rij, die bijna de geheele breedte van het grachtje in beslag nam. Ze hadden pret, zooals bijna alle kinderen, die, na een langen dag zitten, uit school komen. Annetje Leffelaar, die een dwaas, hoog stemmetje had, dat vaak oversloeg, vertelde, hoe ze in angst had gezeten onder de aardrijkskundeles. „Ik werd immers aan het bord geroepen, ik wist totaal niet waarom. Ik moest iets aanwijzen, de Lek of de Linge of een dorp of een stad, ik had het heelemaal niet gehoord. En ik dorst het niet te zeggen ook, dat ik de vraag niet verstaan had.—Wat had ik een gevoel, toen ik voor ’t bord kwam! Ik nam den stok, en ik wees maar op goed geluk. Ik keek voortdurend naar Lautje op, die me met de oogen beduidde, waar ik wezen moest.” Annetje schaterde het opeens uit. „Het was net een spelletje,” zei ze. „Als ik er dicht bij was, knikte Lautje, en als ik den verkeerden kant opging, trok ze de wenkbrauwen hoog op. Vroeger speelden we wel eens zoo iets, dan moest de een wat zoeken, en de ander „heet!” of „koud!” roepen, naarmate wie zocht er dicht bij, of ver er van af was. Als Lautje de wenkbrauwen fronste”—Annetje stikte bijna in haar woorden van het lachen—„dan was het me of ze riep: „IJskoud, je bevriest,” en als ze zóó knikte, dan leek het of ze zei: „Heet, heet, je brandt je!”—Eindelijk, toen mijn stok bij een dikke, witte punt kwam, knikte Laura zoo geweldig, dat ik begreep: „Nu ben je terecht,” en de juffrouw zei: „Heel goed Annetje, daar ligt Vianen, ga maar naar je plaats.”—Ik begrijp nog niet, dat ik geen straf kreeg, en dat de juffrouw niets van mijn scharrelen gemerkt heeft!” „Dat is nogal duidelijk,” zei Betsy Hove, een beetje droog, „de juffrouw zat aldoor naar Lautje Dorper te kijken, en die heeft toen ook straf gekregen.” „Waar blijft Laura toch?” vroeg Nelly opeens, terwijl ze staan bleef en omkeek, „we hebben heel niet op haar gewacht.” Mariëtta Albeni trok even haar fijne neusje op. „Laat dat kind toch loopen,” zei ze, „we zijn toch al met ons vieren, de rij is groot genoeg.” „Ze zal het zoo naar vinden,” pleitte Nelly goedig. Annetje Leffelaar keek naar Mariëtta. Ze zag de mooie donkere oogen ongeduldig flikkeren. En Annetje, prat op Mariëtta’s gunst, zei: „We moeten nú toch maar niet langer wachten; waarom zorgt Laura dan niet, dat ze op tijd klaar is? Ze moet zeker weer zoeken naar een of ander boek.” Betsy Hove, die geen vriendin van Laura was, omdat ze—zelf een heel net meisje—Laura een echt slonsje vond, koos toch haar partij. „Jij moest Laura Dorper niet afvallen, Annetje,” zei ze. „Nog geen kwartier geleden heeft ze, door jou te helpen, straf opgeloopen!” Annetje kleurde, ze ontweek den blik van Betsy’s koele grijze oogen. Ze voelde zich heel verlegen, omdat haar zoo zonder erbarmen de waarheid gezegd werd. „Ik heb haar toch niet gevraagd me voor te zeggen,” zei ze, maar zacht en onwillig, want zelf zag ze wel in hoe flauw en kinderachtig die verdediging was. „Daar komt Lautje!” riep Nelly opeens. Ze stonden nu allen stil en zagen naar de donkere figuur, die in de verte kwam aandraven, met open mantel, waarvan de slippen wijd uitwoeien, als uitgespreide vleugels. Mariëtta Albeni trok bijna onmerkbaar haar neusvleugels op. „Kijk ze er weer eens uitzien,” zei ze, „wie loopt er nu zóó weg met lossen mantel en zonder handschoenen, en haar tasch bengelt aan een hengsel, en—neen, maar dat is te sterk—de strook van haar jurk is afgetrapt!—Ik ga door, hoor, ik loop niet met haar!” Mariëtta keerde zich om met een snelle beweging, Annetje Leffelaar volgde haar dadelijk. Betsy Hove bleef nog even wachten, omdat Lautje zoo vlak bij was. „Je strook is afgetrapt,” zei ze, „die mag je wel opspelden, wij gaan vooruit, we hebben al zoo lang gewacht.” Met een paar vlugge passen voegde ze zich bij Mariëtta en Annetje, het aan Nelly Gerling overlatend, Laura te helpen. „Waarom loopen de anderen door?” vroeg Laura, zoodra ze in zoover van het harde loopen bekomen was, dat ze geluid kon geven. Nelly bukte zich, om met een paar spelden de strook aan den rok te hechten. „Ik weet het niet,” zei ze, te goedig om de waarheid te zeggen. „’t Is vreeselijk flauw”—op Laura’s gezichtje kwam een ontevreden uitdrukking—„’t is erg kinderachtig om niet even op me te wachten!” „Wat moest je dan nog doen?” vroeg Nelly, die als een moedertje Laura’s zwarte krullige vlecht, die geheel onder den mantel verborgen was, over het kraagje heen optrok, met groote voorzichtigheid, om Laura niet te bezeeren. Zelfs het bovenste haakje van den mantel maakte ze dicht. „Och, allerlei,” zei Lautje, de schouders optrekkend, „mijn boeltje pakken. Eerst was de sponsedoos weg, toen kon ik mijn potlood niet vinden, je weet wel, dat nieuwe in het nikkelen houdertje,—’t is trouwens nóg zoek. Ik hoop maar, dat Moe er niet naar vraagt, want dan ben ik verloren.” „Heb je aan je rekenboekje gedacht?” vroeg Nelly. Laura lachte. „Mijn sommen heb ik al af,” zei ze, „die liggen thuis klaar. Ik moet alleen nog het opstel.” Nelly zuchtte: „Ik ook,” zei ze, „maar dat vind ik afschuwelijk. Wat moet je nu schrijven?” „Och, het is wel een prettig onderwerp,” zei Laura als verontschuldigend. Nelly Gerling zag er niet uit of zij het onderwerp ook prettig vond. „Ik ben er al aan begonnen,” zei ze, „ik heb een paar zinnen op klad, maar meer weet ik ook niet. Ik heb er bijna een heelen avond over gedaan. Ik zal je het kladje eens laten zien!” ’t Was ver in den herfst en het begon op straat al donker te worden, maar Laura kon het klad nog heel goed lezen, het zag er ook volstrekt niet als kladwerk uit, maar scheen eer geteekend, zooveel zorg was er aan besteed. Lautje had moeite niet even te lachen, toen ze het volgende onder de oogen kreeg: „De Lente. „De lente is het eerste jaargetijde van het jaar. „Er zijn vier jaargetijden, namelijk: de lente, de zomer, de herfst en de winter. „De lente begint den een-en-twintigsten Maart en duurt tot en met den twintigsten Mei. De lente is een mooi jaargetijde, maar de lente kan ook wel guur zijn. „In de lente begint alles te groeien en te bloeien. „In de lente komen de zwaluwen en de andere trekvogels weer in ons land....” Laura moest tóch lachen; ze kon het niet helpen. Nelly kreeg een kleur, ze had er spijt van, dat ze Laura het kladje had laten lezen. „Is het fout?” vroeg ze nederig, wel wetend, dat ze zelf dom was, en dat Laura bij de knappen behoorde. Laura werd getroffen door Nelly’s grooten eenvoud. „Welneen, fout is het niet, het is heelemaal goed; maar je moet niet zoo dikwijls achter elkaar zeggen: „De lente” en „In de lente,” dat klinkt niet aardig, hè?” „Wat moet ik dan schrijven?” klonk het naïef, „het is toch een opstel over de lente. Kun je me niet een beetje helpen?” Het is makkelijker iets af te keuren, dan te verbeteren, dat ondervond Lautje ook. Maar ze deed toch haar best en gaf Nelly een paar wenken. „Je kunt beginnen met te vertellen, hoe het in den winter is,” zei ze, een beetje in de war, door het ongewone schooljuffrouw-spelen, „en dan kun je zeggen, hoe alles in de lente verandert.” Ze gaf er nog een paar treffende voorbeelden bij, die Nelly verstomd deden staan. „Wat zul jij een mooi opstel maken,” zei ze met een bewondering in haar groote oogen, die Laura streelde, al wou ze het niet laten merken. „Kom!” zei ze, staan blijvend, omdat ze Nelly’s huis bereikt hadden, „dat denk je maar.” Ze groette Nelly en stapte met flinke passen voort, in blijde stemming. Het lachte haar toe, dat opstel. Het was juist een werkje, waarmee ze ophad. Haar hoofdje was vol vage plannen, vol heerlijke zinnetjes en brokken van zinnen, die ze mooi vond en trachtte te onthouden. Enkele beelden, die ze, ze wist zelf niet meer in welk boek, gelezen had, speelden haar voor den geest. Die zou ze gebruiken. Den westenwind zou ze noemen „den heraut van het voorjaar”. Ze moest in zichzelf lachen, toen ze bedacht, hoe Nelly zou ophooren, als ze dat las. Nelly zou waarschijnlijk niet eens weten wat een heraut was! Laura verdiepte zich hoe langer hoe meer in het opstel. Ze zou de aarde in den winter voorstellen als een kind, dat ligt te slapen onder een witte sprei (de sneeuw), overhuifd door een donker wiegekleed (de wolken). Maar in de lente, dan kwam moeder (de zon), die schoof het wolkenkleed weg, die lichtte de sprei op en lachte tegen het kind, eerst eventjes, dan met een blijden, gullen lach, die het kind deed wakker worden. Dan zou de zon de aarde koesteren, de boomen zouden knoppen krijgen, de bloemetjes ontluiken, en kleine vogels zouden blijde liedjes zingen, terwijl ze zich behaaglijk wiegden op ranke rijzen van zilveren berken, waaraan het jonge groen begon te schemeren.... Zóó wond Laura zich op bij de gedachte aan de mooie dingen, die ze zou schrijven, dat ze in het geheel niet lette op de vuile straten. Ze stapte door dik en dun, langs rijtuigen, die de modder hoog op deden spatten. Ze merkte het ook niet, dat de spelden weer hadden losgelaten, en dat de strook van haar barège rokje haar achternasleepte. Ze kwam thuis, vervuld van heerlijke gedachten. Als het opstel goed uitviel, zou de onderwijzeres weer een beter idee van haar krijgen. En dat zou haar zelf moed geven, om ook in andere dingen haar best te gaan doen. Lachend en vergenoegd liep ze de trappen op, Leentje had opengedaan. II. EEN ONGELUK. Ze was nog niet halverwegen, toen een ontevreden stem van boven riep: „Kijk, nou heb je weer je voeten niet geveegd, jongejuffrouw. En de straten zijn nogal zoo vuil en de trappen heb ik pas gedaan.” „Och, Leentje, ik heb er heel niet aan gedacht!” Laura sloeg niet heel veel acht op het mopperen van de oude meid. „’t Zou wel wonder wezen, als die weer niet wat had aan te merken,” dacht ze; maar het speet haar toch, toen ze, even omziend, morsige afdrukken van haar schoenen op het heldere zeil van den looper zag. Het was nog een geluk, dat ze omkijkend, ook de losse strook ontdekte, die ze nu gauw nog even aanspeldde, voor ze haar moeder onder de oogen kwam. Ze hoefde niet te vragen, of het kamerdag geweest was, de geur van was kwam haar tegemoet en alles blonk haar tegen. Met een gevoel van eerbied bijna bleef ze even staan aan den ingang van de kamer. Ze kon zich best begrijpen, dat Leentje met een gezicht als een inktlap (van het potlooden) en een stofdoekenmandje en een waspotje de kamer uit kwam stuiven, om haar vooral op het hart te drukken, eerst de laarzen uit te doen. Alles was ook zóó keurig, zoo echt „gedaan”. Het zeil blonk als een spiegel en zag er zoo glad en glanzig uit als een gewreven parketvloer, en het nieuwe karpet met zijn roode en groene strepen leek wel een land met tulpenbedden en frischgroene graszoden. De lamp was al op; zij spiegelde zich welgevallig in het groene meer van het tafelzeiltje en deed de kleine vlammetjes in den mahoniehouten rand grappig opflikkeren. De kachel, die pas was aangemaakt, glom ook van plezier; nu en dan vielen er kleine lichtende vonkjes in den leegen bak, met een knettering van leven. Even bleven ze nog branden, als kleine vreugdevuurtjes, dan doofden ze uit, maar er kwamen altoos weer nieuwe. Laura deed haar natte laarzen uit en verwisselde ze voor lekker warme vilten pantoffeltjes, die haast bij iederen stap uitgleden op het zeil. Wat hingen die overgordijnen netjes, en wat glommen de stoelen, en wat rook alles lekker en frisch naar terpentijn! Lautje kreeg ook een net gevoel over zich, ze streek de haren glad achter de ooren, nam de natte tasch, die scheef op een stoel lag, en hing ze op in de kleerkast. Toevallig zag ze zichzelf in den spiegel, een slordig schoolkind, den bovensten knoop van haar mantel, de haren woest en verwaaid, en vochtig van den regen, en hier en daar, waar het weggestreken was, op het hoofd geplakt. Het lintje hing heel onderaan aan het puntje van de vlecht; het was een wonder, dat ze het niet al lang verloren had. Groote pieken haar sproten als wilde grassen aan alle kanten uit den strengel. Er was niets aan te doen; ze ging naar de alkoof, om het over te maken. Ze waschte zich frisch en pijnigde zichzelf, door het haar zoo strak en stijf te vlechten als een touwtje. Ze keerde haar boezelaar om, met den nog schoonen kant naar buiten, en begon tot haar moeders groote verwondering uit eigen beweging de tafel te dekken. Jan en Henk waren ook thuis gekomen. In een oogenblik hadden ze hun laarzen uit—ze konden het makkelijk doen, want ze hadden van die heerlijke, met stiftjes—en waren naar binnen gegaan. Wat maakten ze een spektakel! Het leek wel, of ze den boel af braken. Hoe was het mogelijk, terwijl alles zoo netjes was! Met het gevoel van een kleinen Farizeër, nam Laura den stapel borden en ging naar binnen. Welja, daar speelden ze „prikje” en sulden met het deurkleedje over het zeil. „Je moest je wel schamen,” zei ze, „zoo’n rommel te maken, als de boel pas gedaan is. Houdt er dadelijk mee op!” Met een smak zette ze den messenbak op tafel, dat het rinkinkelde, wat haar veel plezier deed, want ze vond, dat het een ongemeene kracht aan haar woorden bijzette. „Asjeblieft!” riep Jan en prikte voort met verdubbelde woede, zich telkens met een ruk afzettend op de palm van de hand. Henk keek naar Jan en sulde op een matje achter hem aan. Laura werd warm, maar wou toch kalm blijven. Ze had dikwijls ruzie met de jongens. Ze was de oudste en moederde graag; Jan en Hendrik vond ze kinderen, waarover zij den baas wou spelen. Ze spande zichzelf in en dacht na. De borden stonden, de vorken en lepels lagen op de tafel, drie om op te scheppen in het midden, een mes voor Pa, voor Moe, voor Leentje en voor haar—de jongens waren nog te klein—en de juslepel naast Moe’s bord. Nu nog het olie- en azijnstelletje; ze zou het gaan halen. Ze hield zich of ze de jongens niet zag; misschien hielden ze wel op als ze weg was; dat gebeurde wel meer. Toen Laura weer binnenkwam, was het kleed aan drie kanten omgeslagen en voeren Jan en Henk lustig op de ruime baan. Ze voelde het bloed naar het hoofd stijgen. Ze had het ongeluk over het omgeslagen kleed te struikelen, zoodat ze vrij hard tegen de tafel aanviel en haar arm schaafde. Zout en peper stoven over het tafelkleed. Woedend keerde ze zich om. „Zùl je het laten?” „Voor jou, zeker voor jou, hè!” „Ja, net voor mij, net voor mij!” en pats, pats, daar had hij twee klappen om zijn ooren. Ze had nog juist den tijd te zien, hoe Henk als een haas met zijn matje naar de deur scharrelde en in aller ijl het kleed begon goed te leggen. Ze werd naar beneden getrokken, op den grond, aan haar rokken, aan haar boezelaar, dat scheurde. „Valscherd, valscherd! Je zult me niet slaan; ik wil het niet, ik wil het niet!” Laura lag onder, op den grond, met Jans heet gezicht, rood van drift, vlak op haar en zijn vingers om haar bovenarm geklemd. „En jij zult doen wat ik zeg, hoor je, hoor je!” Vergeefs probeerde ze zich op te richten; telkens viel ze weer terug, het hoofd op den grond. Jan lachte. „Zie maar, dat je opkomt, als je kunt. Maar dat kan je niet, dat kan je niet!” Laura beet zich in de wang van machtelooze woede, en lachte even, dom, onzinnig. Daar voelde ze iets hards aan haar voeten,—de kachel. Ze zette zich af met kracht. Op zou ze, óp wou ze,—de palmen van de hand op den grond, nu één forschen ruk,—ze wás op. Maar Jan lag achterover, met het hoofd tegen de kachel, doodsbleek. En het bloed gudste uit zijn achterhoofd. Half verwezen zag Laura de kamer rond, als in een droom. Het tafelkleed hing haast op den grond; de borden stonden op het kantje. Zout en peper vormden grauwachtige plekken op het witte laken. De stoelen stonden dooreen; het kleed lag nog omgeslagen. Henk schreeuwde uit alle macht. En voor haar op den grond lag Jan, het blonde haar geplakt van bloed. Groote druppels vielen langzaam op de geschuurde plaat, als roode bolletjes, die samenvloeiden, traag, heel traag, tot een klein, helrood meertje. Opeens kwam ze tot bezinning. Leentje stoof de kamer binnen, met het deksel van den ijzeren pot in de hand, waarvan de wasem als een dichte damp afsloeg. „Moe, Moe!” gilde het meisje wanhopig, en werktuiglijk drukte ze haar losgerukt boezelaar tegen de wond. „Uw Moe is boven op zolder,” en Leentje liep weg om Mevrouw te halen. Mevrouw Dorper kwam, en de buren kwamen, en er was een geloop en gedraaf, en een sterke lucht van azijn, en een druk gevraag: „Hoe kwam dat? Wie deed het? Hoe is het gekomen? Heb jij het gedaan, jij?” En Laura schudde van ja, twee-, driemaal. Ja, ja, ja! „Ik, ik, ik!” „Gegooid?”—En weer knikte ze ja, sterk en welsprekend, en het verwonderde haar niet, dat de juffrouw van boven het hoofd schudde. Ze huilde niet eens; ze zag maar toe, hoe haar moeder Jan te bed bracht. De dokter kwam, er moest licht zijn in de alkoof, en de brander werd uit den hanger genomen. En de menschen liepen om watten en carbol, en de dokter naaide de wond. Het duurde zoo lang, zoo lang, en ze hoorde Jan gillen, en Henk zat ook te huilen in zijn hoekje bij de kachel, en hij keek haar aan met een paar groote, verschrikte oogen, of hij bang voor haar was. Mijnheer Dorper kwam thuis, en de dikke juffrouw van boven lichtte hem in, wijdloopig, fluisterend, en ze wees naar Laura. Het meisje stond maar naar haar te kijken, naar haar dwaze gebaren, naar haar dikken wijsvinger. Mijnheer luisterde niet; hij gooide zijn jas op een stoel en liep de alkoof in. Even ging de deur open, maar Laura zag niets dan een hel licht en een gewarrel van menschen; toen werd alles weer donker. De dikke juffrouw kwam naar haar toe. Laura hoorde het; ze zag de groote, logge gedaante vlak voor zich. Ze liep achteruit, dicht, dicht tegen het raam aan. De juffrouw boog zich over haar heen: „Als het kind doodgaat, is het jou schuld.” En weg ging ze, naar boven. Ze kon hier niet aldoor blijven; ze moest naar haar aardappelen zien. III. HOE HET AFLIEP. Laura was bang geworden, o, zoo bang. Ze begreep niet, dat er geen menschen kwamen, om haar naar de gevangenis te brengen, in een heel donker hok. Dat zou wel gebeuren, dacht ze, straks of morgen, en het maakte haar gerust. Ze hoopte maar, dat het erg donker zijn zou, en dat ze er heel, heel alleen zou zitten. En dat er nooit menschen zouden komen, niet de juffrouw van boven en niet de anderen, niemand.—Misschien zou ze er ook wel gauw doodgaan. Ze zou nooit iets eten, geen brood, niets. En als ze dan heel erg ziek was,—heel erg, als ze zeker wist, dat ze dood moest gaan, dan zou ze vragen om haar vader en moeder nog eenmaal te zien. Menschen, die opgehangen worden of doodgaan in de gevangenis, mogen immers altijd één vraag doen, die vervuld wordt! En dan zou haar vader komen, en hij zou er bleek en droevig uitzien. Hij zou een rouwband hebben om zijn hoed, en haar moeder zou heelemaal in het zwart zijn, met een gezicht zoo wit als een lelie en oogen moe van het huilen. Henk zou niet mee willen komen en in den deurpost blijven staan. En ze zou stil liggen op het stroo en alleen vragen of het weer over was. Pa zou haar zoenen en Moe ook; zij zouden medelijden hebben met haar berouw. En Henk zou haar eindelijk ook vergeven, dat ze altijd zoo naar was geweest en dat ze zijn broertje vermoord had. En dan zou ze doodgaan.— — — — Daar werd het weer licht, alles licht en leven. Haar vader lachte en zette den brander in de hanglamp, en de dokter lachte ook, en zijn heele gezicht lachte, en zijn kaal hoofd met den krans van grijze krulletjes in den nek glom en lachte ook. Hij hield den hoed in de hand, een hoogen zijden, die ook al glom en glansde en lachte in het licht met vroolijke plekken. „Een ferm kereltje,—heeft zich goed gehouden, uitstekend, uitstekend!” „Nietwaar, ’t is een flinke vent.” Mevrouw liep af en aan van de alkoof naar de keuken. „Kijk Laura eens wit zien,” zei Mijnheer opeens. „Zij zal ook geschrikt zijn. Hoe is het, moet de dokter jou ook onderhanden nemen?” Hoe was het mogelijk, dat Pa nog tegen haar lachte! Zeker wist hij het niet. Zou ze het niet zeggen? Och, het moest immers toch uitkomen! Allen moed bijeenschrapend, kwam ze naderbij. „Ik heb hem gegooid, Pa.” „Ja, ik weet het. Jan heeft het gezegd. Je hebt gevochten. Ik wist niet, dat ik zulke vechtersbazen in mijn huis had. Zorg maar, dat het gauw weer goed wordt tusschen jullie beiden.” Jan lag met het gezicht naar den muur; Laura zag alleen den witten doek om het achterhoofd. „Jan,—Jantje!” Ze durfde niet opzien. Jan keerde zich om. Hij zag nog bleek, alleen een heel flauw, teer kleurtje midden op de wang. „Ben je nog boos op me?” „Nee, Lautje. Je kon het niet helpen, dat weet ik wel. Maar,—je moet me niet meer slaan. Dat—dat is niet prettig—voor een jongen, begrijp je.—Niet omdat het zeer deed—want je slaat flink, dat het tintelt—maar dat is niets. Al was het nog zoo zacht, dat blijft hetzelfde.” Ja, Laura begreep het. „Maar het is mijn schuld,—ik had je niet moeten treiteren, ik heb je gesard.” Lautje haalde ruimer adem: „Ben je nu weer goed, Jan,—als ik je nooit, nooit van mijn leven weer slaan zal?” „Och, ik ben in het geheel niet kwaad; dan had ik je immers maar niet moeten treiteren.”—Lautje gaf haar broer een kus, en toen was alles weer goed. Jan ging stil liggen. Het duurde niet lang, of hij was ingeslapen. Pa en Moe, ze waren allebei goed op Laura, en Henk ook, ze speelden na den eten samen moedertje, maar heel zachtjes, dat Jan niet wakker werd. IV. MOE EN MOEDELOOS. Laura verwonderde er zich over, dat één dag soms zoo lang kon duren. Ze had ten pleziere van Henk een tijdje met hem gespeeld, en was toen aan haar opstel begonnen. „Heb ik het goed gezien, Lautje, is de strook van je jurk los?” vroeg haar moeder opeens. O ja, dat was waar ook, en er was ook een knoop van haar mantel. „Heb je veel huiswerk?” vroeg mevrouw Dorper. „Een opstel, Moe.” Van de drie werkwoorden „voorzeggen” sprak ze maar niet. „Doe dan een andere jurk aan, dan zal ik de strook voor dezen keer wel naaien,” klonk het goedig. Dat beviel Laura, ze liep vlug naar den zolder om zich in haar koud slaapkamertje te verkleeden. „Alstublieft, Moe,” zei ze, de jurk over haar moeders stoel hangend; ze had ook den mantel meegebracht in de stille hoop, dat de ontbrekende knoop er wel meteen zou worden aangezet. Ze was weer gaan zitten, het potlood in de hand, gereed om aan het kladje voort te gaan. Opeens klonk de stem van haar moeder verontwaardigd: „Maar, kind, wat is dat nu! Kijk die jurk eens, een en al modder, kletsnat nog!” Laura bezag met schaamte de strook van haar mooie barège jurk; grauw van slijk was ze, en werkelijk nog nat ook. Beschaamd opziend, ontmoette ze den blik van haar vader, die ernstig het hoofd schudde. Laura zuchtte, het eene kwam bij het andere, haar vader had wel reden tot misnoegdheid, er was ook altijd wat met haar. „De jurk kan ik zoo niet naaien, ze moet eerst goed droog zijn, morgen moet je je oude grijze maar aandoen.” Laura knikte. Ze vond de „oude grijze”, waarin ze zulke lange armen en beenen had, afschuwelijk, maar er was niets aan te veranderen, ze zou wel verplicht zijn te doen wat haar moeder zei. „Wat moet er aan dien mantel gebeuren?” vroeg mevrouw Dorper. „Er is een knoop af, Moe,” zei Lautje, blij, dat die er tenminste zou worden aangezet. „Waar is die knoop?” klonk het tamelijk droog. Laura schrikte. Ja, waar was die? Verloren natuurlijk! Ze gaf geen antwoord, ze kreeg alleen een kleur en herinnerde zich ontsteld, hoe ze den knoop ’s middags op school aan de losgeraakte draadjes had zien bengelen. „Ik begrijp je niet,” zei haar moeder, „je weet, dat het zulke mooie, dure knoopen zijn, je moet het toch zien, als er een losgaat, kun je dien dan niet bij je steken?—Breng er morgen als je uit school komt een mee, dan zal ik nu den ondersten bovenaan zetten.” Met een knikje bukte Laura zich weer over haar opstel. Ze voelde wel, dat het zoo toch niet vlotten zou. Haar hoofd was vol van het gebeurde. Af en toe stond ze op, om eens naar de alkoof te gaan, en te zien, hoe Jan het maakte. Hij sliep, en hoewel hij volmaakt rustig ademhaalde, vertrouwde Laura het niet recht. „Ik zal blij zijn als hij wakker wordt,” dacht ze, „dan kan hij zeggen of hij nog pijn heeft.—Als hij maar geen wondkoorts krijgt.” Ze zette zich weer aan tafel, schreef een paar zinnen aan haar opstel, maar legde toen het potlood neer. Haar gedachten waren er niet bij. Ze zou den volgenden morgen vroeg opstaan, en nu maar de werkwoorden maken. Eigenlijk vond ze het wel naar, waar haar vader en moeder bij waren, aan haar strafwerk te beginnen, maar het kon niet anders. Ze dacht aan Mariëtta Albeni, die een eigen kamertje had waarin ze ’s avonds altijd zat te werken; ze benijdde haar. Wat moest dat heerlijk zijn! Ze keek eens over de tafel naar vader en moeder. Moeder naaide, van haar vader kon ze alleen een lok haar zien, die boven de krant uitkwam. Ze stelde zich verdekt op achter de openstaande naaidoos en een pakje boeken, zocht toen een blaadje los papier en begon te vervoegen. Maar toen ze aan den voltooid verleden toekomenden tijd van de aantoonende wijs begon en neerschreef: „Ik zou voorgezegd hebben, hij....” tikte haar vader haar losjes op den schouder. Mijnheer Dorper had geen andere bedoeling, dan Laura om de lucifers te vragen, maar haar onthutst gezichtje en haar plotselinge blos gaven hem een kwaad vermoeden. „Wat ben je aan het doen?” vroeg hij, zelf opstaand om het verlangde te krijgen, daar Laura hem heel niet verstaan had. Zwijgend liet Lautje hem haar werk zien. „Dom kind!” zei mijnheer Dorper, zijn meisje over het kroezige kopje strijkend, „hoe dikwijls ben je met strafwerk bezig? Het is zoo nutteloos, waarom voorkom je het niet?” Die woorden, met goedheid en ernst uitgesproken, deden opeens heete tranen in Lautje’s oogen opwellen. Haar vader had gelijk, waarom voorkwam ze al dat onaangenaams niet? Zoo vaak kreeg ze straf op school, en was het niet meestal haar eigen schuld? En thuis, daar waren ook dikwijls klachten over haar. Een eigen kamertje om in te leeren had ze niet, maar wel een slaapkamertje op zolder. Daar hingen achter een groen gordijn haar jurken en boezelaars, daar lagen in een afgedankt penantkastje al haar kostbaarheden, haar boeken en schoolschriften. Wat was me dat soms een boeltje! Ze herinnerde zich hoe ze zich eens voor Mariëtta geschaamd had, toen die een oud cahier met aanteekeningen van haar kwam leenen. Zonder aan haar rommeltje te denken, had Laura Mariëtta boven gebracht, en onder haar oogen begon ze naar het schrift te zoeken. Wat had ze een spijt, zoodra ze de kastdeuren opende! Het scheen, dat ze zelf toen pas goed de wanorde zag. Ze haalde er achtereenvolgens een oude pop met een warpruik, een leeg dropfleschje, een begonnen handwerkje, een doosje met haarlinten (die in bonte slingers uit de doos neerhingen), De Kleine Lord in prachtband, een schoteltje van een oud serviesje, een paar kladcahiers, een los deksel van een naaidoosje, een pakje boeken, en haar naaidoosje zelf uit. Toen ze met dat alles in den schoot op de hurken zat, was het haar opeens ingevallen, dat het gezochte cahier een paar weken te voren door haarzelf verscheurd was, nadat ze er het nachtlampje met patentolie over had laten vallen. Mariëtta was alles behalve in haar schik geweest, en heengegaan met het vaste voornemen nooit meer bij Laura aan te kloppen om iets te leenen. Toen Laura dien avond slapen ging, had ze een gevoel van groote moeheid. ’t Scheen haar toe, dat er dagen verloopen waren sinds dien morgen. Wat was er ook veel gebeurd!—Het speet haar, dat Jan nog niet wakker was geworden. Ze had nog altijd een geheimen angst, dat het ergste nog niet geleden was. Haar moeder had haar beloofd, haar vroeg te roepen. De werkwoorden had Laura afgemaakt, maar aan het opstel moest ze nog beginnen. Waar waren al de mooie zinnen, die ze uit school komend vooruit bedacht had? Weg, allemaal weg. Ze wist niets meer van de lente, ze had geen enkel ideetje meer. Ze wist alleen dit, dat ze, behalve de gewone gebreken van de meeste meisjes, nog deze twee in hooge mate bezat: wildheid en slordigheid. En ze twijfelde er aan of ze die wel ooit zou kunnen afleggen. V. HET OPSTEL. Met een gloeienden blos kwam Laura op school, ten hoogste verbaasd, dat er nog zoo weinig meisjes waren; zelfs de onderwijzeres, die anders iedereen vóór was, was nog niet aanwezig. „Hoe kom je zoo vroeg?” was Nelly Gerling’s eerste woord, zoodra ze Laura zag. Nelly behoorde tot die meisjes, die vóór het opengaan der schooldeur al bedaard heen en weer stappen. Van Laura was ze gewend, dat ze altijd op het laatste oogenblik kwam, of zelfs nóg later, als de les al begonnen was. „Ik weet het niet,” zei Laura schouderophalend; het klonk bijna als een verontschuldiging, dat ze voor ditmaal van haar gewoonte afweek. „Vanmorgen moest ik mijn opstel nog maken, je begrijpt dus wel, hoe gejaagd ik was, en in dezelfde stemming ben ik naar school gedraafd.” „O, dat opstel!” zei Nelly, die zich met schaamte het hare herinnerde. „Ja, wat heb jullie er van gemaakt?” vroeg Mariëtta, die haar schooltasch aan het uitpakken was. „Ik kon niet meer bij elkaar verzinnen dan anderhalve bladzij. Hoe lang is dat van jou, Laura?” Laura, die zich met het oog op haar te korte grijze jurk op den achtergrond had gehouden, en stilletjes in haar bank was gaan zitten, zei: „Ik heb vier zijtjes, nogal veel, hè?” Vier zijtjes! Hoe was dat mogelijk! Nelly Gerling deed den mond open, alsof ze naar iets hapte, en sloot hem toen weer plotseling, verstomd van verbazing. Mariëtta zei: „Dat is veel!” maar in stilte dacht ze: „’t Kan er naar zijn, beter anderhalve bladzij goed dan vier slecht.” „Hè, laat eens lezen, je werk,” zei Betsy Hove, die ook naderbij kwam, „mijn opstel is zoo droog als gort.” Nu was er al, heel diep in Laura’s hartje, van het begin af aan de wensch geweest, dat toch een van allen haar opstel ter lezing zou vragen. Ze was er van overtuigd, dat het, trots alle haast, die ze gemaakt had, vrij goed geslaagd was. Maar natuurlijk wou ze er niet mee te koop loopen. Zelfs nu de gelegenheid zich voordeed, maakte ze er niet dadelijk gebruik van. „Het is zoo slecht geschreven,” verontschuldigde ze zich, „ik heb het vanmorgen nog opgekrabbeld, je zult het niet eens kunnen lezen.” „Laat je nu niet bidden,” zei Mariëtta. Ze was naderbij gekomen en stak de hand naar het schrift uit. Laura liet haar begaan; maar ze voelde zich weinig op haar gemak, toen ze de gezichten van Betsy en Mariëtta over haar werk gebogen zag. Hoe zouden ze haar opstel vinden? Ze had het zoo haastig gemaakt. Opeens kwam het haar voor, dat het een en al onzin moest zijn. Ze kon zich hoegenaamd niet meer herinneren wat ze geschreven had. Ze had ’s morgens maar wat samengeflanst van hetgeen haar bijgebleven was van den vorigen dag. Ze had nu spijt, dat ze haar werk liet lezen. Bijna met angst in haar oogen keek ze naar Betsy en Mariëtta. Het griefde haar, toen Mariëtta van het werk opzag, om een binnentredende te begroeten. En ze werd in ernst ongeduldig, toen Mariëtta doodbedaard met Annetje Leffelaar een praatje ging maken. Kon ze tenminste niet wachten tot ze het opstel gelezen had? Wat er ook in Lautje Dorper omging, ze liet niets blijken en wachtte schijnbaar kalm. Betsy Hove was nog niet aan de vierde bladzij begonnen, toen ze, zonder de lezing te staken, zei: „Ik vind het heel mooi.” Lautje Dorper kon er niets aan doen, dat ze een kleur kreeg. Ze hechtte aan Betsy’s oordeel. De rustige toon van waardeering deed haar goed. Het wachten viel haar nu licht. De laatste bladzij zou gauw gelezen zijn, en, Laura wist het: die was niet de minste. „O, Laura, wat kun jij mooie opstellen maken! Jullie moet het lezen, het is prachtig!” Gloeiend rood nu van verlegenheid zag Lautje naar Mariëtta op met een gevoel van dankbaarheid en toegenegenheid. Mariëtta was een van die meisjes, die lief en beminnelijk kunnen zijn, zoodra ze maar willen, en wien het maar weinig kost de harten voor zich in te nemen. Zooals ze nu Lautje prees in alle oprechtheid, met glinsterende oogen en een blos van opwinding, moest iedereen wel van haar houden. „Zeg, mogen ze je opstel lezen?” vroeg Mariëtta een beetje vleiend, met een vriendelijk, zonnig lachje. „O, natuurlijk,” zei Laura, „maar het is de moeite niet waard.” Ze deed haar best er zoo onverschillig mogelijk uit te zien, maar in haar hart jubelde ze. „Zeg jij het nu eens, Betsy,” zei Mariëtta, die geen tegenspraak kon dulden, „is het mooi of niet, jij bent zoo bezadigd, jou moeten ze gelooven!” „Ik vind het heel mooi,” zei Betsy tot Mariëtta’s blijdschap. Alle veinzerijen, waarover Lautje beschikken kon, vermochten niet den gelukkigen glans te verbergen, die haar gezichtje van dat oogenblik af aan verhelderde. „Ik begrijp niet, dat de juffrouw er nog niet is,” zei Annetje Leffelaar, „het moet bij negenen zijn.” „Ik wou, dat ze altijd zoo laat kwam,” zei Nelly Gerling, „we kunnen zoo prettig met elkaar staan babbelen.” „Ik wou, dat Dikkerdje vandaag heelemaal niet kwam,” zei Mariëtta, „want ik heb mijn rekenschrift vergeten, en ik heb heelemaal geen zin om met dit mooie weer een uur school te blijven.” Drie meisjes hadden zich intusschen van Lautje’s schrift meester gemaakt, en een vierde trachtte tevergeefs haar hoofd tusschen die der anderen te steken en mee te lezen. Het was nog een wonder, dat het schrift heel bleef. „Zeg,” riep opeens Annetje Leffelaar, die nieuwsgierig geworden was, „laat een het voorlezen, dan hebben we er allemaal wat aan.” „Doe jij het, Laura,” zei Betsy Hove, maar Laura bedankte in allen ernst. „Vraag het aan Lucie Froger, daar is ze net!” Nelly Gerling had de woorden nauwelijks uitgesproken, of een lang, mager meisje kwam met groote stappen op haar af. „Wat is er, wat wil je van Lucie Froger?” zei ze met zoo iets scherps in haar toon, en zoo iets vijandigs in de manier waarop ze op Nelly af stoof, dat het meisje onwillekeurig achteruitdeinsde, tot groote pret van Lucie, die het juist aardig vond, dat ieder bang voor haar was. „Zeg, Lau,” vroeg ze opeens heel verbaasd, „ben jij hier al? Sinds wanneer heb je opgehouden tot de orde der laatkomers te behooren?—En zeg me een van allen: waar is Dikkerdje?” De meisjes hadden geen geduld Lucie’s vragen te beantwoorden. Ze vertelden haar heel gauw, dat de juffrouw—die door de meisjes om gegronde redenen Dikkerdje werd genoemd—er nog niet was, dat Laura zoo’n mooi opstel had gemaakt, en dat zij, Lucie, het voor moest lezen. Lucie boog gelaten het hoofd. Want hoewel ze door haar spierkracht en haar jongensachtigheid een zeker gezag onder haar zwakkere zusters had, was ze toch, gelijk ze zichzelve noemde, „aller nederige en gehoorzame dienares”, vooral wanneer het er op aankwam een grap uit te halen, of iets te doen, dat tegen de regels van de school was. Ze nam dan ook zonder aarzelen het cahier, sloeg het dicht, schoof het onder den arm en begaf zich met kleine, waardige passen naar het podium, een verhooging waarop de onderwijzeres haar stoel en tafeltje had. Ieder begreep wat Lucie in den zin had. Ze was niet langer Lucie Froger, ze was juffrouw Bodengrave, de onderwijzeres. Ze was Dikkerdje! Allen lachten, toen Lucie tweemaal bescheiden kuchte, met de hand voor den mond, uit het laatje van de tafel vóór zich een zeer lang potlood nam, en met het boveneind er van, als in gedachten, tweemaal langs haar neus streek. Een luid gejubel steeg op. Dikkerdje! Op en top Dikkerdje’s manieren, Dikkerdje’s gebaren, en dat—wat juist het grappigst was—met de magere talhouten armen van Lucie Froger! Lucie’s gezicht werd zeer ernstig, terwijl ze met het potlood driemaal met waardigheid op de tafel tikte: „Allen klaar?” Lucie stoorde zich niet aan het lachen van de meisjes. Even trok ze de wenkbrauwen op, op de manier van juffrouw Bodengrave, toen begon ze zonder aarzelen te lezen. De meisjes hoorden Lucie graag voorlezen; als ze las, was ze een ander, had ze een andere stem, was haar jongensachtigheid weg. VI. HOE HET OPSTEL ONDER DEN VOET RAAKTE. De eerste alinea was nog niet ten einde, of allen luisterden met aandacht, Lautje Dorper met een rood en verlegen gezichtje; over het geheel vond ze het pijnlijk haar eigen geschrijf te hooren, toch was ze gestreeld, als ze af en toe een blik van bewondering opving. Lucie sloeg juist een bladzij om, en schepte even adem om met een frissche, opgewekte stem voort te gaan, toen de deur geopend werd.... Wat er toen gebeurde, scheen niemand recht goed te weten. Lucie Froger sprong op, met zoo’n woestheid, dat de stoel achteroversloeg, wat ze niet merkte. In de haast om op haar plaats te komen, liep ze den verkeerden kant uit, zoodat het tafeltje verschoof, een poot buiten het podium raakte en haar jurk scheurde aan de punt van het tafelblad. De meisjes stoven ook naar haar plaatsen, ze hadden maar een beetje in clubjes bij elkaar gezeten en op en over elkaar heengehangen in schilderachtige wanorde. Ze dorsten bijna niet opzien, toen ze eindelijk gezeten waren; Lautje’s hart klopte bang. Waar was haar schrift? Wat had Lucie met haar opstel uitgevoerd? Plotseling zag ze het op haar tafeltje neervallen, de meisjes hadden het doorgegeven, en ten slotte was het Mariëtta Albeni, die vóór haar zat en het over den rug van haar stoel heen had laten glijden op Laura’s bank. Lautje had nog niet durven opzien. Ze verwachtte half, dat haar schrift door de hoofdonderwijzeres—want niemand anders kon de binnentredende zijn—zou worden opgevorderd. Opeens voelde ze een duw in de zij, het was Annetje Leffelaar, die haar den vriendschappelijken stoot had gegeven, en haar nu in het oor fluisterde: „Kijk toch, daar heb je juffrouw Wijbrand, de kweekeling!” Dat was een verademing! Dat viel den meisjes mee, die op een strenge berisping hadden gerekend. Lautje zag niets dan lachende gezichten, toen ze om zich heen keek. Lucie, die al over haar schrik heen was, toonde haar de scheur in haar jurk; Nelly Gerling, die vooraan zat, zette het tafeltje recht. Mariëtta keerde zich naar Laura om en zei: „Wat heerlijk; het doet er nu niet toe, dat ik mijn rekenschrift vergeten heb.” Maar dat was toch een vergissing, want juffrouw Wijbrand’s eerste werk was, de cahiers op te halen. Juffrouw Bodengrave, die met een verstuikten voet thuis lag, zou ze daar wel nazien. „We moeten pret maken,” zei Annetje Leffelaar, „durf jij hi-ha te zeggen, hardop?” Annetje Leffelaar’s streven was het altijd, anderen er in te laten loopen. Juffrouw Wijbrand had een vraagstuk opgegeven, dat de meisjes uit het hoofd moesten uitrekenen. Laura deed haar best, ze was niet heel sterk in rekenen; ze beging altijd vergissingen. Als ze geen last had met de oplossing, maakte ze toch meest fouten in de becijfering. „Wat zeg je?” fluisterde ze zacht terug. „Durf jij hi-ha zeggen?” vroeg Annetje weer. Laura trok de schouders op, ze had Annetje nog niet verstaan. „Wat is jou antwoord, Laura Dorper, of heb jij de som nog niet uitgerekend?” klonk opeens de stem van juffrouw Wijbrand. Lautje keek verward vóór zich; het scheen haar toe, dat Annetje Leffelaar haar wou voorzeggen; ze nijgde dus het hoofd naar dien kant en luisterde. Ze dacht er niet aan, dat Annetje nog slechter was in rekenen dan zijzelf. Gretig leende ze het oor, gereed om Annetje’s woorden te herhalen. „Nu?” zei juffrouw Wijbrand weer, „wat is de uitkomst?” Met een gebaar van hulpeloosheid, wendde Laura zich tot haar buurmeisje. Ja, ze had wel goed gezien, Annetje’s lippen bewogen zich. Wat zeiden ze? „Hi-ha, hi-ha!” Lautje kon het niet helpen, dat ze in lachen uitbarstte. Het geduld van juffrouw Wijbrand was uitgeput. „Laura Dorper, ga voor het bord staan en luister goed. Na schooltijd moet je de sommen maken, die we nu behandelen, en thuis schrijf je honderdmaal: „Ik ben op school om te leeren en niet om te lachen.”” Toen Lautje boos en beschaamd van haar bank opstond en met trage schreden naar voren trad, zag ze Annetje Leffelaar, die zich achter Lucie Froger’s breeden rug verborgen had. Ze voelde zich blijkbaar heel veilig, want haar oogen lachten en haar mond maakte nog dezelfde beweging: „Hi-ha, hi-ha!” „’t Is een valsch nest,” dacht Laura bij zichzelf. Toen ze voor het bord stond met den rug naar de klas, waren er rimpels in haar voorhoofd en haar lippen waren toegeknepen. „’t Is een valsch nest en ik zal me nooit meer met haar bemoeien!” Er waren tranen in haar oogen gekomen, ze zag noch hoorde iets, van wat er om haar heen gebeurde. „Nu heb ik weer straf, en ik kan het niet helpen,” dacht ze, „maar Pa en Moe zullen denken, dat het wel mijn schuld is,” en dat maakte haar heel verdrietig. Het rekenuur was afgeloopen. De meisjes gingen naar beneden, naar het gymnastieklokaal, Laura mocht ook mee. Bij de gymnastiek fleurde ze weer een beetje op. Ze was sterk en flink; ze hield van oefeningen aan de werktuigen; ze was bijna zoo krachtig als Lucie Froger, maar vlugger en kwieker. Na zoo lang te hebben stilgestaan, was het haar een genot zich weer eens te kunnen bewegen. Ze klauterde in de klimstokken naar boven als een jonge aap en vergat al haar verdriet, toen ze, al lachend, van haar hoog standpunt op de hoofden der anderen neerzag. Het was haar ook een troost, dat Annetje Leffelaar niet bij haar was. Annetje deed nooit mee aan de gymnastieklessen, omdat ze een jaar geleden op het ijs haar been had gebroken en zich nog altijd ontzien moest. En alle meisjes waren op Laura’s hand. Ze vonden het min van Annetje, dat ze altijd anderen liet boeten voor haar grappen. Laura herkreeg geheel haar goed humeur. Af en toe dacht ze ook in stilte aan haar opstel. Lucie Froger had er haar nog pas een complimentje over gemaakt. Zou juffrouw Wijbrand het nazien, of zou ze die schriften ook ophalen voor juffrouw Bodengrave? Lautje was benieuwd, wat die er van zeggen zou. Ze twijfelde nu niet meer aan haar werk, zooals ze ’s morgens gedaan had. Als de heele klas het mooi vond, moest het immers wel goed zijn?—Het deed haar zoo’n plezier. Ze was in zooveel vakken zwak op school, in sommige slecht. Het kwam haar dus te pas, dat ze voor taal tenminste een goed cijfer kreeg. Iedere week, had de juffrouw gezegd, zouden ze in het vervolg een opstel opkrijgen. Lautje jubelde in haar hart, als ze er aan dacht.... Boven, alleen in het lokaal, zat Annetje Leffelaar, die niet mee mocht doen aan de gymnastieklessen. Ze vond het heerlijk, dat juffrouw Wijbrand heengegaan was, juffrouw Bodengrave bleef altijd bij haar en dan moest ze helpen om boeken of schriften te kaften, of inktkokers vullen. Als er niets te doen was, hielp de juffrouw haar soms met rekenen, omdat Annetje daar zoo achterlijk in was, maar dat vond het meisje nog naarder. Ze was blij en dacht van haar vrijheid te genieten, maar toch was ze niet zoo blij, als ze zichzelf wel trachtte te verbeelden. Ze moest er telkens aan denken, dat Laura Dorper opzettelijk vermeden had haar aan te zien, toen ze met een meisje de klas uitging en dat ze gedaan had, of ze haar niet hoorde, toen Annetje haar had aangesproken. Wat flauw van dat kind om een grapje zoo hoog op te nemen! En Lucie Froger had haar ook met minachting behandeld,—neen, Annetje was eigenlijk lang niet in haar schik. Ze trok een lipje en nam, om wat te doen te hebben, Laura Dorper’s opstellenschrift uit het kastje. Ze wou het eens lezen, ze had er nog maar één bladzij van gehoord. „Wat ziet dat schrift er uit!” dacht ze, „je kan wel zien, dat het van een slordig kind is!” De manier waarop Annetje het cahier beetpakte bij één punt, was zeker niet geschikt, om het uiterlijk er van te verbeteren, of de kreukels er uit te maken, die er door het vele hanteeren waren ingekomen. Annetje sloeg het open. „En wat slordig is het geschreven; ze krijgt bepaald een twee voor het schrift, als het geen één is. En daar staat een fout ook, en daar nog een. Juni zonder hoofdletter, en heraut met ou, en hier staat van bloemen hun geuren en het moet hare zijn, en er staat bijna geen enkel teeken in het heele opstel, alleen punten, alle komma’s zijn vergeten.” Het viel Annetje Leffelaar niet in, ook maar één der fouten te verbeteren. Toen ze het opstel had uitgelezen, telde ze het aantal fouten en vergissingen. Zeventien had ze er gevonden, en misschien waren er nog wel meer. Haar lichtblauwe oogjes straalden van plezier en welgemoed wilde ze het schrift wegbergen; ze hoorde de klasse alweer terugkomen, ze moest zich nog haasten, in Laura’s kastje lag zooveel rommel, ze kon het er bijna niet inkrijgen. Toen het halverwegen was, trok ze haar hand terug en wachtte met een onschuldig gezichtje de komst der anderen af. Het cahier gleed het kastje weer uit, het viel en bleef op de voetenplank liggen. Annetje Leffelaar hield zich, of ze het niet zag; zelfs toen Laura, die in de bank kwam zitten, er met haar laars bovenop trad, bemoeide ze er zich niet mee. Wat kon haar het schrift van dat slordige kind schelen? VII. BESPREKING DER OPSTELLEN. Het is een week later. Juffrouw Bodengrave’s voet is genezen. Ze is weer terug op school en heeft de gecorrigeerde schriften meegebracht. De meisjes zijn allen min of meer in spanning. Ze verlangen er naar, haar cijfers voor het opstel te hooren oplezen. Het is haar eerste opstel, niemand weet eigenlijk wat haar werk waard is. Over één ding zijn ze het echter allen eens, Lautje Dorper heeft het mooiste opstel. Dat zal zeker worden voorgelezen. Het hart van Lautje klopt met snelle slagen. Zij ook vindt haar opstel goed, maar gerust is ze toch niet. Juffrouw Wijbrand schijnt bij juffrouw Bodengrave over haar te hebben geklaagd, juffrouw Bodengrave wist tenminste, dat ze strafwerk gehad had en ze was ver van vriendelijk tegen haar geweest. De onderwijzeres zat voor de klas, den stapel schriften vóór haar op het tafeltje, een lang potlood in de hand. „Voor ik tot het bespreken van de opstellen overga, wil ik jelui dit in het algemeen zeggen: het werk is me, op een enkele uitzondering na, erg tegengevallen.” Juffrouw Bodengrave zweeg even, ze opende de lijst en bleef hoofdschuddend op de cijfers staren. Lautje Dorper verschikte zich eens in haar bank en deed haar best een heel nederig gezicht te zetten; ook probeerde ze, zich geen illusies te maken. Maar het baatte niet. In stilte bleef ze hopen, dat zij tot die enkele gunstige uitzonderingen zou behooren. Ze schrikte opeens uit haar gemijmer op, door de stem van de onderwijzeres, die vervolgde: „’t Is over het geheel onnauwkeurig gemaakt, slordig gesteld en veel te haastig opgeschreven. De meeste schriften wemelen van fouten; fouten, die ik zeker weet, dat jelui in een dictee of taalstukje niet zoudt gemaakt hebben. Over de opstellen wil ik nog niet eens veel zeggen, het is voor het eerst, dat jelui er een maakt; daar zijn er uit de heele klas maar vier of vijf, die blijken geven behoorlijk vooruit overdacht te zijn, de andere zijn maar neergeschreven, onordelijk het eene idee aan het andere geregen, zonder verband.” Deze voorrede werkte al een beetje als een stortbad; ieder die nogal verwachting van haar opstel gehad had, liet minstens de helft varen. Lautje had het zichzelf niet durven bekennen, welk cijfer ze hoopte te krijgen. Een vijf was het hoogste, dat behaald kon worden. Nu, ze had dien nacht gedroomd, dat ze een vijf voor haar opstel had. Een vijf! Nog nooit had ze één vijf op haar rapport gehad. Lautje wist het: droomen zijn bedrog. Maar—een vier.... dat was wat anders. Daarop had ze wel durven rekenen,—tot het oogenblik, waarop de juffrouw over het werk begon te spreken. „’t Zal wel een drietje worden,” dacht Laura met een zucht,—een drie, dat beteekende redelijk; redelijk, en Lautje had gehoopt, dat het goed zou zijn! „Hier,” zei juffrouw Bodengrave, „hier heb ik het werk van Annetje Leffelaar. Het is knap geschreven en het heeft één deugd: het is bijna zonder taalfouten. Blijkbaar is het met zorg nagezien. Maar waarom is het ook niet met zorg overdacht? Annetje schrijft: „De lente is een zeer schoon jaargetijde. Alles bloeit en groeit. De lammeren huppelen op de hei. De vogelen zingen”.... Best. Tot zoover is het heel goed. Annetje wil ons vertellen, hoe het er buiten in de lente uitziet. Maar dan gaat ze voort: „Het ijs uit de grachten smelt en de sneeuw in de straten is ontdooit.” Maar Annetje, is dat nu een overgang? Eerst spreek je over de hei, over de natuur buiten, dan over grachten en straten. Eerst zeg je: „alles groeit en bloeit, de lammeren huppelen,” dan ga je voort: „het ijs smelt, de sneeuw ontdooit.”—Gebeurt dat zoo, begint alles eerst te groeien en te bloeien, komen éérst de schapen buiten, en gaat dán pas het ijs ontdooien? Dus is het al lang lente en gaat dan pas de winter heen?—Als je een oogenblik hadt nagedacht voor je begon te schrijven, hadt je me zulke dingen niet onder de oogen gebracht.” De heele klas was min of meer onder den indruk geraakt. Ieder zocht zich haar eigen opstel voor den geest te halen en probeerde na te gaan of daarin ook dergelijke fouten schuilden. Maar ze werden wakker geschud uit haar overpeinzingen, want een ander cahier werd onder handen genomen. Lautje keek of het haar schrift was, ze vreesde en hoopte tegelijk, maar het was haar een teleurstelling toen het bleek, dat ze nog niet aan de beurt was. „Het werk van Lucie Froger,” zoo begon juffrouw Bodengrave, „schikt vrij wel,—tot de helft van de derde bladzijde.—Lucie begint te vertellen hoe de aarde er ’s winters uitziet en wat de invloed is van de lentezon. Dan gaat ze voort, geleidelijk. „De sneeuw is weg, de beekjes zwellen. De lucht wordt zoel. De boomen zetten knoppen. Teere grassprietjes schieten uit den grond.”—Alles uitstekend, alleen bestaan er geen gras-prietjes, het woord heeft twee s, zooals Lucie ook heel wel weet.—Dan gaat ze voort: „De boomen krijgen bloesems, de trekvogels komen terug, de stedelingen gaan eens een dagje naar buiten om te genieten van de mooie natuur.” Dat alles is goed en geregeld beschreven. Maar dan opeens schijnt Lucie te merken, dat ze al twee en een halve bladzij heeft, dus voldoende. Toch wil ze nog een paar dingen zeggen. Dat doet ze ook en ze vertelt, dat de boeren het druk hebben in de lente, dat de huisvrouwen, als in de natuur alles mooi en nieuw wordt, haar huis ook gaan schoonmaken en opknappen. Een heel aardig idee, maar slordig neergeschreven. En dan begint Lucie er nog iets bij te flansen van de grillen van April, en hoe onvoorzichtig het is, vroeg de winterkleeren uit te laten. En ze eindigt met de mededeeling, dat in de lente de dagen langer worden en dat de winteravond-spelletjes plaats maken voor hoepels, springtouwen en tollen.” Lucie Froger keek naar het plafond en toen naar den vloer. Ze vond haar toestand allesbehalve benijdenswaard. Ze had weg willen zijn, op straat, in den regen, maar er was geen ontkomen aan, ze moest blijven en luisteren—en de juffrouw gelijk geven op den koop toe! „Het slot,” zei juffrouw Bodengrave, „bederft alles. Zooals het hier is, maakt het opstel den indruk van een doosje dominosteenen, door een klein kind netjes ingepakt. De steenen liggen naar volgorde op rijtjes gestapeld. Maar enkele steenen, een stuk of zes, zijn vergeten. Het kind wordt boos, het heeft geen lust alles over te pakken, het neemt de steenen, werpt ze boven op de andere, en zet dan het doosje weg,—het is ingepakt.” Op dit oogenblik kwam er uit een lagere klasse een klein meisje het schoollokaal binnen om juffrouw Bodengrave wat te vragen. De onderwijzeres stond op, ging naar de kast en haalde er een groote zwarte inktflesch uit. „Voorzichtig, kleintje, voorzichtig,” zei ze. Het meisje knikte, pakte de flesch in de beide mollige handjes; en, de oogen stijf op haar last gericht, stapte ze met kleine passen weg. Het potlood tikte weer op de tafel, de juffrouw vroeg aandacht. Sommige blikken werden met moeite van het kindje afgetrokken. Opeens klonk een rinkelende slag, als van veel brekend glas, gevolgd door een wild, angstig schreien. Het kleine meisje, geheel oog voor de flesch, had het podium niet gezien, was misgestapt en gestruikeld. Doodsbleek, bang, dat ze zich gekwetst had, tilde de juffrouw het gillende meisje op, en er was een zachte klank in haar stem, toen ze bezorgd vroeg: „Heb je je zeer gedaan?” Het kindje schudde het hoofd, en bij die beweging vielen twee groote tranen haar over de ronde wangetjes, op haar door inkt overstroomd schortje. „Ga jij eens met haar mee, Betsy Hove. Doe haar boezelaartje af, breng haar naar beneden en vertel wat er gebeurd is. Zeg dat zij het niet helpen kan,” voegde de juffrouw er bij, met een bemoedigenden blik naar het meisje, dat met angstige oogen de straf voor haar vergrijp stond af te wachten. Zoodra was niet de deur achter de meisjes dicht, of de stemming van de onderwijzeres veranderde. Met samengetrokken wenkbrauwen beschouwde ze het breede zwarte inktmeer, waaruit langs de vloernaden kanaaltjes wegstroomden en waarin de scherven dreven als wrakken van schepen. En juffrouw Bodengrave was nogal zoo gesteld op een netten vloer! Wee degene in wier nabijheid gebroken pennen, draadjes of papiersnippers gevonden werden, maar driemaal wee het kind, dat roekeloos inkt gespat had op den grond! En nu daar zoo’n plas! Jaren zouden er moeten verloopen voor de moet door veelvuldig schuren was verdwenen. Geen wonder dat de stemming van juffrouw Bodengrave er niet op verbeterd was. Twee meisjes werden aangewezen om met oude lappen den inkt op te nemen en de scherven te verwijderen. Ondertusschen vervolgde de onderwijzeres met lessen, scherp toeziend, dat niemand zich verder liet afleiden. Het schrift van Lucie Froger werd met een ernstige vermaning teruggegeven. Gelukkig was nu de beurt aan Betsy Hove. Háár opstel was goed, flink en degelijk, ’t was het eerste, dat geroemd werd. Dat van Mariëtta Albeni was weer veel minder; dat van Nelly Gerling, waarvan niemand eenige verwachting had, was bevredigend. De onderwijzeres bleef er nog even bij stilstaan om het te prijzen. Het was eenvoudig, maar met zorg gemaakt, ordelijk gedacht, zonder taalfouten en tot het laatste woord keurig geschreven. Nelly Gerling’s werk bewees, dat er volstrekt geen bijzondere gave noodig was om een redelijk opstel te maken. Nelly Gerling was blij. Met een dankbaren blos zag ze even terzij naar Laura Dorper, die haar geholpen had. Lautje glimlachte bijna onmerkbaar en knipte met de oogen ten teeken, dat ze haar begreep, zij was ook blij. Ze kreeg weer moed opeens. Het was of een vogeltje in haar hart begon te zingen. Als Nelly’s opstel goed was, waaraan zij haar geholpen had, moest dan het hare niet nog beter zijn? Ze ging flink rechtop in haar bank zitten en wachtte van dat oogenblik af aan, zonder ongerustheid, tot de beurt aan haar was. Ze moest lang wachten, want haar opstel was het allerlaatste. VIII. TROOST. Jan en Henk waren alleen thuis. Ze waren al een kwartier uit school en hadden honger. Henk ging nog eens naar de keuken om te hooren wat de beschikkingen waren, die zijn moeder gemaakt had. „Je Moe komt vooreerst niet thuis,” zei Leentje, „en ik kan de keuken niet uit met mijn potloodhanden. Je Moe heeft gezegd, dat Laura wel brood zal snijden, de koffie is gezet.” Teleurgesteld liep Henk de kamer weer in. De koffieboel stond al klaar, het brood lag op de broodplank, het mes er naast. „Zullen wij maar brood snijden?” vroeg hij; maar Jan, de oudste, hield zich groot. „We kunnen wel even wachten,” zei hij, „Laura zal dadelijk komen, ’t is al halfeen.” „Laura zal juist niet komen, ze moet vast schoolblijven,” voorspelde Henk somber, „ze moet zoo dikwijls schoolblijven en wij moeten er maar voor lijden.” Jan lachte, hoewel ook zijn maag jeukte. „Gelukkig, dat Moe maar eens in de week naar het ziekenhuis gaat,” zei hij. „’k Wou, dat tante Marie weer beter was,” klaagde Henk. Maar hij hield toch op met zeuren. Hij vergenoegde zich met de wijzers van de klok te bespieden, af en toe monden vol lucht te happen en die met een slikkend geluid te verzwelgen. Jan had een boek genomen en zat, met zijn maag tegen de tafel geleund, te lezen. Kwart voor eenen was het, toen Henk de oogen naar het plafond opsloeg en met de hand op de maag verklaarde dat hij uitgehongerd was. Jan, wien de kwellingen van zijn broer, zonderling genoeg, een beetje moed schenen te geven, zei kalm niet te hopen, dat Laura honderd regels had opgekregen. In doffe wanhoop wierp Henk zich neer op den grond en bleef eenigen tijd roerloos liggen op de buik, de beide voeten met de handen boven den rug vasthoudend. Deze houding, die hij „het zwaantje” noemde, scheen hem goed te doen, in elk geval hij gaf geen kik. Jan was de eerste die begon te spreken. „De honger woelt in de ingewanden, De leden trillen, de oogen branden” reciteerde hij, maar nog bleef Henk zwijgen, in stilte lijdend. Maar toen de klok één geslagen had, en de galm plechtig had uitgetrild, verhief zich opeens een geschreeuw als van wilde beesten, een krijschend gehuil van uitgehongerde wolven, van tot riffen vermagerde hyena’s! Het was met het zwartselpotje nog in de hand, dat Leentje, bleek van schrik, de kamer binnenstormde. „Wat gebeurt hier?” vroeg ze met bevende lippen. Doodsche stilte. Jan zag op uit zijn boek. „Niets,” klonk het kalm, „Henk zei, geloof ik, dat hij zoo’n honger had.” Leentje liep boos heen, maar nog voor ze de kamer uit was, barstten Jan en Henk uit in zoo’n hartelijken lach, dat ze wel mee moest doen, of ze wilde of niet. „Maar nu zonder gekheid,” zei Jan met een ernstigen blik naar den grooten wijzer, die op twee minuten over eenen wees, „ik hoop, dat Laura gauw komt, we kunnen toch onze gezondheid niet opofferen aan onze beleefdheid.” Leentje was bijna opnieuw geschrikt, want op woeste wijs luidde de bel. Ze behoefde niet de moeite te doen om open te maken, want Jan en Henk waren haar voor. Ze waren naar het portaal gestoven en trokken om strijd aan het deurtouw. In stilte waren ze nu maar blij, dat ze gewacht hadden, want daar was waarlijk Laura. De jongens bleven haar niet in staatsie opwachten, maar haastten zich weer naar binnen, waar ze op hun plaatsen achter de tafel gingen zitten en van de leege bordjes vóór hen tuurden naar het brood en de kaas, met een smachtend en blik. Laura scheen zich niet te haasten. Ze bleef naar het oordeel van Henk „uren” met haar mantel bezig. „Kom je gauw?” riep Jan. „Wat ben je laat,” zei Henk, met een klank van verwijt in zijn stem. „Zoo,” zei Lautje droog. „We hebben haast een uur gewacht,” begon Jan. Laura gaf geen antwoord, ze keek niet eens naar de klok, zooals ze anders gedaan zou hebben, om te zien of er op dat „uur” niet nog een paar minuten af te dingen waren. „Moe is naar het ziekenhuis,” zei Jan, „Moe heeft gevraagd of jij brood wou snijden.” Laura zei nog niets. Ze ging alleen naar de alkoof, waar ze water in de kom schonk om haar handen te wasschen. Henk zag Jan aan met een veelbeteekenenden blik: Laura had gehuild: ze hadden het beiden gezien aan haar roode, gezwollen oogen. Jan schudde met het hoofd, Henk moest maar doen of hij niets zag, wat Henk ook beloofde met een welsprekend gebaar. Toen Laura weer in de kamer kwam met gewasschen handen—het was duidelijk te zien, dat ze ook haar oogen en wangen had opgefrischt, wat Henk haar kwalijk nam om het oponthoud—begon ze, nog altijd sprakeloos, te snijden. Henk zuchtte hoorbaar, toen de eerste boterham, gesmeerd en wel, op zijn bordje werd gelegd. „Leentje heeft haar boterham al op,” zei Jan, „die heeft met Moe vooraf koffie gedronken.” „O,” klonk het, toen kliefde weer het mes met forschen zwaai het brood, en Jan had al berekend, dat het een flinke, dikke boterham zou worden,—tot opeens het mes halverwegen steken bleef, en Laura hardop snikkend de kamer uitliep, de deur achter zich dichttrekkend. Henk werd nu echt moedeloos, het scheen dus wel, dat ze nooit aan het eten toe zouden komen. Jan ging na een oogenblik eens kijken. Voorzichtig opende hij de deur van Lautje’s kamer. Hij zag zijn zusje zitten met den rug naar hem toe, maar die rug schokte verraderlijk. „Lautje....” zei hij. Het duurde een poosje, eer Laura met een verwonderd gezicht omkeek en met goed geveinsde opgewektheid, maar helaas met een heesche, door tranen verstikte stem zei: „Roep je me? O, ja, ik kom dadelijk, ga jullie maar vast eten.” „’t Zal alleen zijn, omdat ze school heeft moeten blijven,” dacht Jan, die het eigenlijk een beetje kinderachtig vond, dat zijn oudere zuster zich dat zoo aantrok. Hij ging dus maar weer naar beneden, sneed er nog een goede hoeveelheid boterhammen bij, en na vijf minuten was het hem gelukt zijn eersten honger te stillen. Toen ze geheel verzadigd waren, groeide in hun harten weer het medelijden met Laura. „Ze heeft nog niets gegeten,” zei Henk meewarig. Jan ging weer eens zien, maar voor hij de trap op was, riep Laura hem al te gemoet: „Ik kom dadelijk, hoor!” zoo vroolijk, dat het Jan geheel geruststelde. Maar toen Jan weg was, ging Lautje weer zitten op den stoel, ze zag er heelemaal niet vroolijk uit. Langzaam sloeg ze het ongeluksschrift, dat ze in de handen had, open. Daar stonden de cijfers: één, één. Een één voor het opstel en een één voor het schrift. En vol dikke roode onderstrepingen was het, het gloeide er van. Laura leken ze vurige vlammen, al die streepjes onder de fouten. Och, wat had ze er veel gemaakt! Bijna alle waren onoplettendheden, vergissingen, ontstaan door achteloosheid. Haar lippen begonnen weer te trillen, en haar bevende vingers verknoeiden de punten der gecorrigeerde bladzijden. Wat was ze doorgehaald door de juffrouw! Eerst om het schrijfboek zelf, dat er zoo schandelijk slordig uitzag, toen om de taalfouten, die ze alle had kunnen vermijden, en eindelijk om het schrift. Woord voor woord kwam haar de verontwaardigde toespraak van de onderwijzeres weer in de gedachte. Een kleur van schaamte brandde op haar gezicht. Over het opstel zelf was niet gesproken. Juffrouw Bodengrave had het niet willen lezen. Alleen op de eerste bladzijde waren de fouten ook maar aangestreept. „Je opstel,” had de juffrouw gezegd, „is als een kind, dat je ongewasschen en met een hoofd als een ragebol naar me toestuurt. Ik wil er zoo niets van weten....” Weer druppelden heete tranen Lautje over de wangen. „Kindje, wat is er?” klonk het opeens achter haar. Ditmaal was het mevrouw Dorper, die haar dochter zoeken kwam. „Ik kom beneden, Moe,” zei Laura, maar ze kon zich niet goedhouden. Snikkend vertelde ze heel het verhaal. Dat ze half en half gehoopt had, dat haar opstel goed zou zijn, dat de meisjes het allen mooi hadden gevonden, en dat ze er nu een één voor had. „De meisjes zeggen.... dat het valsch is,” eindigde ze. „En zeg jij dat ook?” vroeg haar moeder. Met afgewend hoofd keek Laura het raam uit. Zeker, ze vond haar werk ook slordig geschreven, maar... Zonder te zien, merkte ze toch, hoe haar moeder het opstel ter hand nam, en in gedachte zag ze weer de vele, domme fouten met de felle roode strepen er onder. En nu gaf ze het ook toe in haar hart: ze had niet meer verdiend dan een één. ’t Was of dit haar nog bedroefder maakte. Zij kon ook nooit iets goed doen; wat ze anders nog zou kunnen, bedierf ze door haar slordigheid. „Hoe heb je zóó je werk kunnen maken?” vroeg haar moeder met zacht verwijt. Laura vertelde nu, dat ze het den morgen na dien noodlottigen Vrijdag in dolle haast had opgekrabbeld. En opeens, onder het spreken, werd het haar duidelijk, dat alles, van het begin tot het eind, haar eigen schuld was. Door haar woestheid had ze Jan een ongeluk bezorgd, zoodat ze dien avond niet aan het opstel had kunnen werken, toen had ze het ’s morgens gejaagd opgeschreven, terwijl ze toch feitelijk tijd genoeg had gehad, en het best eens had kunnen overlezen. „Lautje,” zei mevrouw Dorper, terwijl ze met een troostende beweging haar dochtertje over het hoofd streek, „als je je fout inziet en je wil goed is, kan er nog veel veranderen. Geef den moed niet op, kind. Doe in het vervolg je best, en besteed zorg aan je werk. Ik zal je helpen.—Ik zal je een nieuw schrift geven, schrijf daarin je opstel over, en zorg, dat het nu met nette kleertjes en wél opgemaakte haren voor den dag komt.—Geef me een zoen, meid. En begin van voren af aan.” Lautje kuste haar moeder met tranen in de oogen, het vuile schrift gleed van haar schoot; ze scheen eerst van plan het maar te laten liggen op den grond, maar met een verschrikt gebaar raapte ze het op. Ze wilde tenminste beginnen haar moeders raad op te volgen en ordelijk en netjes te zijn. Het deed haar goed, dat ze straks op een schoon blaadje kon beginnen! *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK REGEN EN ZONNESCHIJN *** Updated editions will replace the previous one—the old editions will be renamed. Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright law means that no one owns a United States copyright in these works, so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United States without permission and without paying copyright royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to copying and distributing Project Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you charge for an eBook, except by following the terms of the trademark license, including paying royalties for use of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for copies of this eBook, complying with the trademark license is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation of derivative works, reports, performances and research. Project Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away—you may do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark license, especially commercial redistribution. START: FULL LICENSE THE FULL PROJECT GUTENBERG™ LICENSE PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free distribution of electronic works, by using or distributing this work (or any other work associated in any way with the phrase “Project Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full Project Gutenberg License available with this file or online at www.gutenberg.org/license. Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg electronic works 1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to and accept all the terms of this license and intellectual property (trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy all copies of Project Gutenberg electronic works in your possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project Gutenberg electronic work and you do not agree to be bound by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. 1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be used on or associated in any way with an electronic work by people who agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few things that you can do with most Project Gutenberg electronic works even without complying with the full terms of this agreement. See paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project Gutenberg electronic works if you follow the terms of this agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg electronic works. See paragraph 1.E below. 1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project Gutenberg electronic works. Nearly all the individual works in the collection are in the public domain in the United States. If an individual work is unprotected by copyright law in the United States and you are located in the United States, we do not claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, displaying or creating derivative works based on the work as long as all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope that you will support the Project Gutenberg mission of promoting free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg works in compliance with the terms of this agreement for keeping the Project Gutenberg name associated with the work. You can easily comply with the terms of this agreement by keeping this work in the same format with its attached full Project Gutenberg License when you share it without charge with others. 1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in a constant state of change. If you are outside the United States, check the laws of your country in addition to the terms of this agreement before downloading, copying, displaying, performing, distributing or creating derivative works based on this work or any other Project Gutenberg work. The Foundation makes no representations concerning the copyright status of any work in any country other than the United States. 1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: 1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate access to, the full Project Gutenberg License must appear prominently whenever any copy of a Project Gutenberg work (any work on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, copied or distributed: This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg™ License included with this eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook. 1.E.2. If an individual Project Gutenberg electronic work is derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not contain a notice indicating that it is posted with permission of the copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in the United States without paying any fees or charges. If you are redistributing or providing access to a work with the phrase “Project Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.3. If an individual Project Gutenberg electronic work is posted with the permission of the copyright holder, your use and distribution must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked to the Project Gutenberg License for all works posted with the permission of the copyright holder found at the beginning of this work. 1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg License terms from this work, or any files containing a part of this work or any other work associated with Project Gutenberg. 1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this electronic work, or any part of this electronic work, without prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with active links or immediate access to the full terms of the Project Gutenberg License. 1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any word processing or hypertext form. However, if you provide access to or distribute copies of a Project Gutenberg work in a format other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official version posted on the official Project Gutenberg website (www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg License as specified in paragraph 1.E.1. 1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, performing, copying or distributing any Project Gutenberg works unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. 1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing access to or distributing Project Gutenberg electronic works provided that: • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from the use of Project Gutenberg works calculated using the method you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed to the owner of the Project Gutenberg trademark, but he has agreed to donate royalties under this paragraph to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid within 60 days following each date on which you prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty payments should be clearly marked as such and sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation.” • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ License. You must require such a user to return or destroy all copies of the works possessed in a physical medium and discontinue all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ works. • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the electronic work is discovered and reported to you within 90 days of receipt of the work. • You comply with all other terms of this agreement for free distribution of Project Gutenberg™ works. 1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set forth in Section 3 below. 1.F. 1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread works not protected by U.S. copyright law in creating the Project Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ electronic works, and the medium on which they may be stored, may contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by your equipment. 1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all liability to you for damages, costs and expenses, including legal fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. 1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a written explanation to the person you received the work from. If you received the work on a physical medium, you must return the medium with your written explanation. The person or entity that provided you with the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a refund. If you received the work electronically, the person or entity providing it to you may choose to give you a second opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy is also defective, you may demand a refund in writing without further opportunities to fix the problem. 1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. 1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any provision of this agreement shall not void the remaining provisions. 1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in accordance with this agreement, and any volunteers associated with the production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, that arise directly or indirectly from any of the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any Project Gutenberg work, and (c) any Defect you cause. Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg Project Gutenberg is synonymous with the free distribution of electronic works in formats readable by the widest variety of computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from people in all walks of life. Volunteers and financial support to provide volunteers with the assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg’s goals and ensuring that the Project Gutenberg collection will remain freely available for generations to come. In 2001, the Project Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure and permanent future for Project Gutenberg and future generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit 501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by U.S. federal laws and your state’s laws. The Foundation’s business office is located at 41 Watchung Plaza #516, Montclair NJ 07042, USA, +1 (862) 621-9288. Email contact links and up to date contact information can be found at the Foundation’s website and official page at www.gutenberg.org/contact Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread public support and donations to carry out its mission of increasing the number of public domain and licensed works that can be freely distributed in machine-readable form accessible by the widest array of equipment including outdated equipment. Many small donations ($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt status with the IRS. The Foundation is committed to complying with the laws regulating charities and charitable donations in all 50 states of the United States. Compliance requirements are not uniform and it takes a considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up with these requirements. We do not solicit donations in locations where we have not received written confirmation of compliance. To SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state visit www.gutenberg.org/donate. While we cannot and do not solicit contributions from states where we have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition against accepting unsolicited donations from donors in such states who approach us with offers to donate. International donations are gratefully accepted, but we cannot make any statements concerning tax treatment of donations received from outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. Please check the Project Gutenberg web pages for current donation methods and addresses. Donations are accepted in a number of other ways including checks, online payments and credit card donations. To donate, please visit: www.gutenberg.org/donate. Section 5. General Information About Project Gutenberg electronic works Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg concept of a library of electronic works that could be freely shared with anyone. For forty years, he produced and distributed Project Gutenberg eBooks with only a loose network of volunteer support. Project Gutenberg eBooks are often created from several printed editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper edition. Most people start at our website which has the main PG search facility: www.gutenberg.org. This website includes information about Project Gutenberg, including how to make donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.