*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 *** OPA EN INEKE DOOR ANNA HUBERT VAN BEUSEKOM SCHRIJFSTER VAN: JANNEKE EN DE KLOK. MET PLATEN VAN NANS VAN LEEUWEN TWEEDE DRUK GOUDA—G. B. VAN GOOR ZONEN INHOUD. Blz. Opa en Ineke 5–64 Uit logeeren 67–80 OPA EN INEKE. „Ineke, Ineke, schei nu eens uit. ’t Is heusch bedtijd, hoor! Denk er aan, dat je morgen al zoo vroeg op moet. Kom, kind,” en mevrouw Van West boog zich over haar dochtertje, dat aan tafel zat te lezen en legde haar hand liefkoozend op Ineke’s blonde krullen. „Ja, Moes!” Ineke sloot met een lach en een zucht tegelijk „De Sprookjes van Andersen”, waarin ze zóó verdiept was geweest, dat ze alles om zich heen vergat. Niets had ze gehoord van de wilde kreten uit den tuin, waar Vader met Gijs en Duco aan ’t ravotten was, zóó leefde ze mee met de geschiedenis van „De kleine Zeemeermin”, die ze wel al lang kende, maar altijd weer met hetzelfde plezier overlas. Ze was in den afgeloopen winter ernstig ziek geweest, had daarna langen tijd moeten liggen en ’t eene verhaal vóór en ’t andere nà gelezen, telkens weer grijpend naar het boek, dat ze van Opa kreeg en waar niet alleen zulke mooie sprookjes, maar ook zulke beeldige plaatjes in stonden. Die goeie, lieve Opa! Wel vier maal was hij overgekomen om Ineke, z’n eenige kleindochter, op te zoeken en toen hij hoorde, dat de dokter de frissche buitenlucht het allerbeste geneesmiddel voor haar vond, had Opa onmiddellijk gezegd: „Weet je wat, Ineke, dan kom je maar zoo gauw mogelijk bij mij op „Eiken-rode” logeeren. Vacantie of géén vacantie, je komt maar. Misschien wil meester Hoogstra je dan wel een poosje op de dorpsschool nemen, dan gaat de geleerdheid niet achteruit en kan je waarschijnlijk toch wel overgaan naar de vijfde klasse.” Ineke had bij dit heerlijk vooruitzicht in haar handen geklapt en juichend uitgeroepen: „O ja! Dat zou heerlijk zijn, Opa! Nu zult u ’s zien, hoè gauw ik beter ben,” en van dien tijd af had ze moedig haar leelijk-bittere drankje geslikt en erg haar best gedaan met eten, zoodat de dokter iederen dag tevredener werd en al gauw verklaarde „dat ze nu maar de wei inmoest.” „Eiken-rode”, het gezellig-ouderwetsche buiten, waar Vader en de Ooms als kleine jongens gewoond hadden, was voor de kleinkinderen het heerlijkste plekje, dat er bestond en Gijs en Duco, Ineke’s oudere broertjes, zeiden dan ook telkens, hoewel ze ’t hun zusje, waarvan ze veel hielden, van harte gunden: „Nou maar Ien, jij treft ’t hoor!” Duco had zelfs beweerd, dat hij best ook ziek zou willen worden, als hij daarna bij Opa mocht gaan logeeren. Maar in de groote vacantie, zouden ze er met z’n allen een poosje gaan doorbrengen. Dan konden de jongens hun schade inhalen! Fietsen, visschen en zwemmen in de beek, in hun tuintjes werken, die Andries, tegen hun komst in orde maakte, en mee gaan hooien en koren halen op ’t land! Zàlig, boven op zoo’n hoogopgetaste, schommelende kar! En ’s Zondags, als Andries den tijd had, vliegers oplaten op de hei! Nergens ging dat zóó goed als dààr, waar je overal de vrije, wije ruimte om je heen hadt, zonder dat je één oogenblik bang behoefde te zijn, dat je vlieger ergens vast bleef zitten. Dien middag, terwijl Moes haar koffer pakte, had ’t Ineke geduizeld van al de boodschappen, die de broers haar opdroegen: vragen of Andries vooral zonnebloemen in hun tuintjes zou zetten; of hij ’t vischtuig wou nazien en er voor zorgen zou, dat de schommel en de ringen van nieuwe touwen werden voorzien en of hij er aan wou denken, dat ’t roeiboot je bij tijds in den vijver kwam te liggen, zoodat de naden goed dichttrokken en er geen water meer inliep. „’t Is geweldig, Ien, wat jij allemaal te onthouden krijgt. Ik zal ’t maar voor je opschrijven, anders vergeet je de helft,” en meneer Van West was zijn dochtertje lachend met papier en potlood te hulp gekomen en had een heele „boodschappenlijst” voor haar gemaakt, die Ineke had weggestoken in haar reismandje. Ze beloofde Andries, zoo gauw ze hem zag, ’t gewichtig papier te overhandigen en Moeder had op haar beurt ’t een en ander voor juffrouw Doortje, de huishoudster, die al jaren sinds Oma’s dood, de huishouding op „Eiken-rode” bestuurde, maar vond ’t bij nader inzien beter, haar maar zelf een brief te schrijven. Juf zou de zorg voor Ineke grootendeels op zich nemen en daarom had mevrouw Van West daarin precies verteld, hoe dikwijls per dag Ineke haar drankje nog nemen moest, hoe lang ze gewoon was te rusten en hoeveel melk ze op dokters-bevel dronk. Vooral aan ’t laatste moest streng de hand gehouden worden en Ineke beloofde dan ook, onder ’t naar boven gaan nog eens aan Moes, dat ze heusch de zes groote glazen drinken zou en dat ze haar uiterste best zou doen bij meester Hoogstra. Op school was Ineke volstrekt niet dom, maar ze las liever, dan dat ze huiswerk maakte en schreef haar thema’s en sommen dikwijls zóó slordig, dat ze ’t thuis over moest doen en slechte aanteekeningen kreeg. Ook dàcht ze wel eens, dat ze haar les kende en dan bleek deze er bij ’t overhooren nog heelemaal niet vast in te zitten. Gauw, gauw even ’t leerboek inkijken, of de sommen maken en dan lezen tot ze er bijna suf van werd. Dat was zoo Ineke’s manier van doen, en dat ’t geen goede manier was, kwam dan aan ’t einde der maand uit, als ze haar rapport mee naar huis bracht.... Door haar ziek-zijn was ze nu buiten haar schuld een heel eind achtergeraakt, maar de directrice had gezegd, dat ze wel geloofde, dat Ineke, als ze een poosje werd bijgewerkt, naar de vijfde klasse zou kunnen overgaan en omdat ze ’t zelf toch wel akelig vond te blijven zitten en niet meer met haar vriendinnetjes, Nancy en Margotje, in dezelfde klasse te zijn, nam ze zich voor, flink haar best te doen en ijverig te werken. Ze kende meester Hoogstra wel van aanzien. ’t Was een goedige, oude man met een grooten gouden bril op, steeds gewapend met een reusachtigen, rooden zakdoek, waarmee hij gewoon was zich telkens langs ’t gezicht te vegen. Hij was jong hulp-onderwijzer, toen Ineke’s vader als kleine jongen de dorpsschool bezocht, werd er later hoofd van en had met de grootste bereidwilligheid aan de directrice der meisjesschool geschreven om zich geheel op de hoogte te stellen, hoe ver Ineke zijn moest, om na de groote vacantie tot een hoogere klasse te worden toegelaten. Na eenig heen-en-weer-geschrijf was er toen besloten, dat Ineke in de morgenuren de dorpsschool bezoeken zou en daar in de zesde klasse geplaatst zou worden, die ongeveer met de vierde der stadsschool gelijk stond. Met een beetje extra-huiswerk kon ze dan ’s middags thuisblijven, om den verderen dag te rusten en zooveel mogelijk in de buitenlucht te zijn. Inplaats van schoonschrijven en handwerken wilde meester Hoogstra haar zelf Fransche les geven, want Fransch werd er op zijn school niet onderwezen, en elke drie weken zou haar rapport worden opgezonden, dan kon de directrice daaruit zien, of haar leerlinge voldoende vooruitging. Dit alles had meester Hoogstra breedvoerig met Ineke’s grootvader zitten bepraten en terwijl hij zich met zijn rooden zakdoek langs ’t voorhoofd streek, had meester Hoogstra gezegd: „En burgemeester, nou weet u niet hoe aardig ik ’t vind, om les te geven aan het dochtertje van uw zoon Willem, die indertijd een van mijn allereerste leerlingen was, toen ik als jong onderwijzer begon. Ik ken haar wel van aanzien, want in de vacanties komt zij nogal eens in ’t dorp. Ineke heet ze, nietwaar?” „Ja zeker. Ze heet naar mijn eenige dochter Ina, die op haar veertiende jaar gestorven is. Ineke is mijn eenige kleindochter en daarom begrijpt u zeker wel, dat ik alles wil doen, om ’t mijn kleine meid zoo goed en zoo prettig mogelijk te maken, als ze hier alleen bij me komt logeeren. Ze was dezen winter ernstig ziek. O, ik heb me dikwijls zoo angstig gemaakt; maar nu is ze gelukkig heelemaal beter, alleen wat slapjes nog, en hier in de gezonde buitenlucht zal ze wel gauw weer de oude worden, hoop ik.” „Natuurlijk, natuurlijk, burgemeester. Nu, wat mij betreft, ik zal mijn best doen, haar zoo weinig mogelijk huiswerk te geven. Als ze niet moeilijk leert, zal ’t met dat overgaan wel losloopen.” „O, Ineke is vlug genoeg. Ze kan heel goed als ze wil,” had meneer Van West gezegd, er maar niet bijvoegend, dat ’t werk van zijn kleindochter er nu niet altijd zóó netjes uitzag als ’t behoorde en dat de lessen er wel eens niet zoo héél vast inzaten. Hij hoopte en verwachtte stellig, dat Ineke op „Eiken-rode”, waar ze zooveel vrijheid genieten zou, haar uiterste best zou doen en Ineke zelf was dan ook niet anders van plan. Keurig had ze haar boeken gekaft en met Moes was ze den vorigen dag een paar nieuwe schriften gaan koopen, een doos pennen en een nieuwen penhouder, waar ze nu heusch eens niet op zou bijten, zoodat hij er na een paar dagen als een onooglijk, af gekloven houtje uitzag.... Het kussen met de kruisjessteken, dat ze voor Vaders verjaardag maakte, lag ook in den koffer. Daar kon ze op regendagen aan vorderen. Juf zou er haar wel mee terecht helpen als ze er eens niet alleen aan voort kon. „O, Moes, ik vind ’t toch zoo dól om te gaan. Ik hou zóóveel van Opa, dat ik ’t niet zeggen kan,” zei Ineke, toen ze er eindelijk inlag. „Dan hoef ik zeker niet te vragen, of je zult zorgen, dat Juf en meester Hoogstra geen klachten over je hebben?” „Nee, natuurlijk niet, Moes. Ik zal zóó goed oppassen, want ik zou ’t vreeselijk vinden Opa verdriet te doen. Ik wil u en Vader natuurlijk ook geen verdriet doen, maar voor Opa vind ik ’t nog.... nog zieliger. ’k Weet zelf niet goed waarom. Misschien wel omdat Opa al zoo oud is.” „Zóó oud is Opa nog niet. Drie en zestig is hij pas!” „Denkt u dan, dat Opa wel heel oud zal worden? Tachtig bijvoorbeeld?” „Lieve kind, hoe kan ik dat nu weten? Opa is flink en krachtig voor zijn leeftijd. We willen allemaal hopen van wel en nu niet tobben, maar gauw gaan slapen, hoor. Morgenochtend zal ik je nog wel even helpen met ’t laatste goed in te pakken,” en mevrouw Van West kuste haar dochtertje, dat ze intusschen lekker had ingestopt, goedennacht. ⁂ Dat was me een geschiedenis den volgenden ochtend! De familie Van West zat net aan ’t ontbijt, toen er een telegram bezorgd werd. Meneer Tielens, een vriend van Ineke’s vader, moest dezen dienzelfden morgen nog dringend spreken en rekende er op, hem tegen tien uur op zijn kantoor in de stad aan te treffen, als er geen tegenbericht kwam. En kwart over tien vertrok de trein, waarmee meneer Van West zijn dochtertje naar Opa brengen zou.... Daar mevrouw Van West juist twee van haar zusters, die buiten de stad woonden, op de koffie kreeg, kon zij ook niet van huis om Ineke weg te brengen, inplaats van haar man. Goede raad was duur. „Als we Opa dan maar eens telefoneerden, dat Ineke morgen komt, want die zaak van meneer Tielens is heel dringend. Er is geen questie van, dat ik nu uit de stad kan, en Moeder kan de tantes ook niet meer af-telegrafeeren,” begon meneer Van West. „Hè, Vàder!” Ineke’s lip trilde vervaarlijk en de tranen schoten haar in de oogen. „Maar poesje, is dàt nu zoo erg? Eén dagje later, want morgen breng ik je zéker!” „Ja, o ja, ik vind ’t zoo.... zoo vrééselijk jammer. En Opa natuurlijk ook. Ik h.... had er zoo vast op ge.... gerekend,” snikte Ineke in haar servetje, en Duco, die medelijden met zijn zusje kreeg, zei: „Kom, laat Ien dan alleen reizen. Ik ben verleden jaar Paschen, toen ik net zoo oud was als zij nou, immers ook alleen naar „Eiken-rode” gegaan.” „Als we ’r hier op den trein zetten en Opa haalt ’r ginds van ’t station, komt ze d’r immers best. Ze is toch al negen en een half en er is niks geen kunst aan. Als ze nou nog over moest stappen onderweg!” viel Gijs ook bij. „En wat zegt Moeder er van,” vroeg meneer Van West aan z’n vrouw. „Wel, als jij er niets tegen hebt, vind ik ’t goed, want net als de jongens zeggen: er is eigenlijk niets aan als ze gebracht en afgehaald wordt, en bovendien heeft ze dit reisje al zóó dikwijls met ons gedaan, dat ze ’t langzamerhand wel droomen kan.” „En wat vindt ons Ineke er zèlf van,” knipoogde haar vader, neerziende op de kleine snikkende en snuivende gedaante naast zich aan tafel. „O!” Ineke hief haar behuild gezichtje, nog nat van de tranen, ineens op uit haar servet en glimlachte: „O, als dàt mag!” „Nou, dan màg ’t. Maar pas op, als ik dan ook nog één traan zie! Zoo’n kleine huilebalk! En dàt wil alléén reizen,” plaagde meneer Van West, zijn dochtertje aan een van haar glanzende krullen trekkend. Maar de kleine huilebalk had haar tranen gauw gedroogd en voelde zich wat gewichtig in ’t vooruitzicht alleen te mogen reizen. Hoewel ze niet veel honger had, at ze toch moedig haar havermout op en toen Gijs en Duco naar school gingen, omhelsde ze haar broertjes, die ’t zoo aardig voor haar hadden opgenomen, hartelijk. Ze kusten elkaar anders niet dikwijls; alleen eigenlijk met verjaardagen, maar dit was toch óók een bizondere dag, vonden ze alle drie, nu Ien zoo lang weg ging en alléén reisde! Hoewel ze ’t voor geen geld ter wereld bekend zou hebben, leek ’t Ineke toch wel een heel klein beetje griezelig en haar hartje bonsde, toen om kwart over negen ’t rijtuig voorkwam, haar koffer werd opgeladen en vader en moeder met haar instapten. Maar vader, die dit nog net kon waarnemen voor hij op zijn kantoor meneer Tielens ontving, praatte zóó bedaard over ’t reisje, dat Ineke ’t per slot toch weer heel leuk en gewichtig ging vinden. Zelf mocht ze aan het loket haar kaartje nemen. Ze ging mee naar ’t hokje, waar de bagage werd ingeschreven en ’t bewijsje van haar koffer—’t reçu—stopte ze secuur weg, heelemaal onder in haar beursje. Ze wist wel, dat ze bij haar aankomst dit papiertje dadelijk aan Harmen, den besteller, moest geven. Dan zou deze haar koffer wel op „Eiken-rode” bezorgen. Ook moest ze beloven even naar huis te telegrafeeren. Hè, wat kwam er nog een boel kijken als je op reis ging. Maar ’t was toch wel prettig en heel goed om jezelf te leeren redden, al vond Ineke ’t een heele geruststelling, toen ze eindelijk met haar reismandje veilig en wel in de coupé zat, met een aardigen ouden heer en dame tegenover zich, die haar zóó vriendelijk toeknikten, of ze haar kenden. Vader en Moeder stonden op ’t perron en Vader kocht van een arm bloemen-verkoopstertje een mooie, roode roos, die Moeder nog gauw in ’t knoopsgat van Ineke’s grijze manteltje vaststak. Heerlijk rook die roos en zoo feestelijk stond het! „Ik zal ’m dadelijk in ’t water zetten, als ik op „Eiken-rode” kom. Dan blijft-ie een heele poos goed,” had Ineke nog net tijd om te zeggen. Toen werden de portieren gesloten en na een schril gefluit zette de trein zich in beweging. „Daar ga je, Ien!” „Goeie reis hoor!” riepen Vader en Moeder en Ineke, voor ’t raampje staande, wuifde met haar zakdoek, tot ze haar ouders niet meer zien kon. Toen zette ze zich in een hoekje en ging prettig zitten uitkijken. Helder scheen de jonge Mei-zon op de frissche, groene weilanden, vol bloemen. ’t Vee stond er op sommige plekken tot de knieën toe in te grazen. Jonge veulentjes dartelden elkaar achterna met de dolste sprongen. In een sloot stond een peinzende reiger doodstil, net of hij was opgezet, en op ’t dak van een boerenhofstede nestelden ooievaars. Later kwamen de dennebosschen en de hei aan de beurt, waar de bremstruiken vol goud-gele vlindertjes zaten. Zoo vroolijk stond dat! Ineke neuriede zachtjes voor zich heen, terwijl ze naar buiten keek. Af en toe praatte ze even met haar medereizigers, waarbij nog een dame met een klein kindje gekomen waren, en ze kreeg ulevellen en chocolade, waarvoor ze vriendelijk bedankte. De tijd schoot verbazend op, vond ze. Nog één stationnetje voorbij en dan zou ze er zijn. Ze trok haar reismandje vast naar zich toe en voelde naar haar beursje en kaartje in haar mantelzak. Ja hoor, alles in orde! Toen zette ze haar grooten stroohoed recht, deed haar handschoen aan en rook eens aan de roos, die er nog heel frisch uitzag en heerlijk geurde. Ze was zoo benieuwd Opa’s gezicht te zien, als ze daar parmantig alleen uit den trein stapte! Hij zou er eerst niets van begrijpen. Hij rekende er vast op, dat Vader haar brengen zou! Daar minderde de trein zijn vaart al. Kijk, daar had-je den dorpstoren en daar zag je in de verte tusschen de boomen „Eiken-rode” liggen. Gezellig, ouderwetsch huis toch met die witte muren en groene latjes-blinden! Ineke wendde zich snel om en knikte haar medereizigers goedendag, want de trein was ’t kleine station genaderd. Daar stond Opa al, vlak onder de klok! Hij zag haar dadelijk en Ineke zwaaide met haar mandje. Open ging ’t portier en met een juichkreetje sprong ze regelrecht in Opa’s armen. „Dag Ineke, dag m’n kleine meid! Hoe is ’t er mee? Niet te moe van de reis? En waar is Vader?” De oude heer Van West, die er niets van begreep, wierp snel een blik in de coupé, of zijn zoon er soms nog in was achtergebleven. Ineke verkneukelde zich en lachte: „Nee, nee, Opa, kijk maar niet! Vader kreeg vanmorgen ineens een telegram, Meneer Tielens moest hem noodzakelijk spreken en toen mocht ik alleen reizen!” „Jongens nog toe, Ineke! Ben je warempel al een jongedame geworden, die alleen reist? ’t Is niet te gelooven!” „’t Is toch heuschjes waar,” verzekerde Ineke, terwijl de trein zich weer in beweging zette. „Kijk, Opa, daar staat mijn koffer op ’t perron. Zal ik Harmen ’t reçu geven, dat hij hem thuisbezorgt?” „Ja kindje, dat is best, en dan moeten we toch zeker even naar huis telegrafeeren, hè?” „Ja, dat wilden Vader en Moeder wel graag,” zei Ineke, en nadat ze het telegram: „Goed aangekomen. Veel liefs van Opa en Ineke,” verzonden hadden, verlieten ze ’t station en sloegen den zonnigen landweg in, die regelrecht naar „Eiken-rode” voerde. Het was warm, maar er woei toch een zacht windje. De oude heer Van West nam al gauw zijn hoed af en liet den wind vrij door zijn grijze haren spelen en Ineke liet dadelijk op Opa’s voorbeeld haar hoed aan ’t wijde elastiek achterover op haar rug zakken. „Dan verbrand ik vast lekker van de zon,” zei ze, vroolijk naast hem voorthuppelend, en ze vervolgde: „O, Opa, hoe dòl om weer hier bij u te zijn. En dat ik zóó lang blijven mag! Als ’t op den duur maar niet te druk voor u is, zegt Moeder.” „Welnee. Ik vind ’t heerlijk mijn kleine meid weer eens bij me te hebben. Als je nu maar zorgt, dat je in September met dikke, roode wangen naar huis gaat, want je bent na je ziek-zijn wel lang en mager geworden. ’t Is niet heelemáál voor je pleizier, dat je hier komt logeeren, maar vooral om flink aan te sterken,” plaagde Opa. „O, maar bij u is àlles prettig,” lachte Ineke. „Dan zullen we maar hopen, dat ’t hier op de dorpsschool bij meester Hoogstra ook mee zal vallen, want nietwaar, je zult toch maken, dat je overgaat na de vacantie?” „O, maar natuurlijk! Als ik goed mijn best doe, haal ik de schade stellig in, heeft de directrice gezegd. Kijk ’s Opa,” en Ineke bleef midden op den weg stilstaan: „dit heele eind heeft Moes mijn jurk moeten verlengen! Zooveel ben ik gegroeid sinds verleden zomer,” en ze wees naar den rok van haar rose katoenen jurkje, waar een rand borduursel van wel een hand-breedte tusschen gezet was. „’t Is kolossaal,” lachte Opa, z’n kleindochter aan een van haar blonde krullen trekkend. „Je zult me nog heelemaal over ’t hoofd groeien, meiske!” Maar daar was Ineke niet bang voor. ’t Piepend knarsen van een kruiwagen deed hen allebei tegelijk omzien. Harmen, de besteller, kwam hun met den koffer achterop gereden. „Dag, burgemeester, dag jongejuffer! Doar kom ik al an met de pakkoazie! Werm weerke, hé?” De stralen gutsten den goeden man langs ’t voorhoofd. „Harmen, jongen, kalm aan maar. Zoo’n haast is er niet bij. Zeg maar aan Sien, dat ze je zoo-met-een een flinken kop koffie geeft.” „Asteblief, burgemeester,” en Harmen reed hun na een tikje aan zijn pet voorbij. „Kijk, daar heb je Bello en Fokkie! Zouden ze me nog herkennen? Dag jongens, dag brave honden!” riep Ineke tegen den taks en den kleinen fox-terrier, die den weg kwamen afgerend en toen als bezetenen om den baas en ’t kleine meisje heensprongen, blaffend, dat hooren en zien je verging. „Bedaard, bedaard toch! We zouden over jullie vallen. Foei, foei, wat een stof,” beknorde meneer Van West het tweetal, dat zich om strijd door Ineke liet aanhalen en toen ineens weer op ’t hek van „Eiken-rode” aanstoof, alsof ’t de komst van grootvader en kleindochter vast wilde aankondigen. Juffrouw Doortje, of Juf, zooals ze gewoonlijk genoemd werd, kwam tenminste dadelijk van achter de breede, groene voordeur te voorschijn en wuifde Ineke met den theedoek een vroolijk welkom toe. En Ineke zwaaide haar mandje en liep op een drafje naar haar toe: „Dag Juf, hoe gaat ’t met u? Wat zegt u er wel van: ik ben alleen naar hier gekomen!” „Wel, wel, en ik heb juist voor vier personen de koffietafel gedekt. Er is toch geen zwarigheid bij je thuis, dat Vader niet meekomt?” „O nee,” en Ineke legde gauw ’t geval uit, terwijl ze voorzichtig de roos uit haar knoopsgat nam en zich, geholpen door Juf, verder ontdeed van handschoenen, hoed en mantel in de koele, wit-marmeren vestibule. „Hè, wat is ’t hier lekker,” zei ze handenwasschend aan ’t fonteintje. Meneer Van West rekende intusschen met Harmen af, die, uitblazend op ’t keukenstoepje, zijn kom koffie zat te drinken. Een oogenblik later zetten ze zich aan tafel in de gezellige eetkamer, grenzende aan de serre vol bloeiende planten, waarvan de glazen deuren aan de tuinzijde wijd-open stonden. Een bouquet heerlijk-geurende lelietjes van dalen prijkte voor Ineke’s bord. Ze stak er de roos tusschen en rook aan de bloemen en Opa zei: „Die heeft Andries vanmorgen al voor je gebracht. Een paar er van zijn uit je eigen tuintje.” „O, hoe leuk! Heb ik er lelietjes in dit jaar?” juichte Ineke en een kleur van plezier overtoog haar bleek gezichtje. „’k Geloof, dat je eigenlijk wel een beetje moe bent, hè,” informeerde Juf en Ineke bekende: „’n Klein beetje wel, maar na de koffie moet ik rusten van den dokter. En als ik gerust heb, trek ik weer heelemaal bij, zegt Moes altijd,” en Ineke hapte dapper in haar boterham, want ze had toch honger, al voelde ze zich wat opgewonden en ze moest erg lachen om Bello en Fokkie, die niet bedelden, maar ieder op hun plaatsje aan weerszijden van ’t groote eikenhouten buffet, trillend van ongeduld zaten te wachten tot Sien hun uit de keuken hun eten bracht, waarop ze dadelijk gulzig aanvielen. „Ik wou, dat jij altijd zoo’n honger hadt,” zei Opa tot Ineke, maar ze liet zich niet onbetuigd! ’t Smaakte haar best na de reis en ze at vier dikke boterhammen en een ei en ledigde zonder zuchten haar grooten melkbeker, waar Juf een klein scheutje koffie door geroerd had. „En nu een, twee, drie mee naar boven. Ik zal je koffer wel uitpakken, dan ga jij maar vast op bed liggen. Ik heb ’t balkonkamertje voor je in orde gemaakt, dat vond Opa gezelliger voor je dan die groote logeerkamer,” zei Juffrouw Doortje, terwijl ze voor Ineke uit de trap opging. „Dit is nu, zoolang je hier bent, je eigen kamertje. Ik hoop dat je er netjes op zijn zult,” en Juf opende de deur van ’t vriendelijk-zonnige vertrekje met het lichte bloembehangsel, de rieten meubeltjes en ’t lage, Engelsche ledikant. Gijs had hier vroeger wel eens geslapen, maar Ineke nog nooit en ze nam zich dan ook voor, dat ’t er nooit rommelig uit zou zien. Op ’t balkonnetje, net groot genoeg om er met een stoel en tafeltje te kunnen zitten, bloeiden rose en witte geraniums in bakken en je hadt er een prachtig uitzicht over de korenvelden en de eerste schilderachtige, roodgelakte huisjes van het dorp. „Hè, wat is ’t hier toch heerlijk! U weet niet, Juf, hoe dòl ik ’t vind om hier te zijn,” zei Ineke, terwijl ze zich, na haar laarsjes te hebben uitgedaan, bovenop ’t bed liet ploffen, waarvan Juf eerst zorgvuldig de sprei had opgevouwen. „Dan zullen we maar hopen, dat je ’t hier aan ’t eind van de vacantie nog net zoo prettig vindt als nu,” en juffrouw Doortje bukte zich over den koffer en begon Ineke’s goed uit te pakken. „Kijk, Ien, je jurken zal ik in de muurkast ophangen en je ondergoed in ’t kastje onder de waschtafel leggen. Je naaidoosje en leesboeken moet je straks maar zelf op je tafeltje schikken en je schoolboeken en schriften leg ik hier zoolang op den stoel bij je bed. Die kan je dan zelf mee naar beneden nemen en in ’t kastje in ’t spreekkamertje opbergen. Dan heb je ze altijd bij de hand.” „Ja, Juf,” antwoordde Ineke flauwtjes, want ze werd opeens heel slaperig en juffrouw Doortje, die ’t merkte, zei maar niets meer, bewoog zich muisstil door ’t vertrekje tot alles was opgeborgen.... Nog voor ze naar beneden ging was Ineke vast in slaap en toen Opa om drie uur heel zachtjes naar haar ging kijken, sliep ze nog. Hij liet haar stil liggen en ging zoolang in de serre zitten lezen, tot ze na een half uurtje, heelemaal opgefrischt, uit zichzelf naar beneden kwam. „Zoo, braaf opgepast hoor,” prees Opa, toen Ineke met een vuurrood kleurtje en een schoone schort aan naast hem stond. „Drink nu maar gauw je melk, dan krijg je van Juf een koekje en dan gaan we saampjes voor ’t eten nog een beetje wandelen,” en Opa en Ineke togen er op uit. Even werd er een kort bezoek aan ’t tuinmanshuis gebracht, waar Aaltje, de vrouw van Andries, ijverig zat kousen te stoppen. Andries zelf was met zijn drie-jarig zoontje in den moestuin bezig. Keesje, een aardig, blond manneke met een blozend appelen-gezichtje en vervaarlijk kromme beenen, kroop eerst gauw achter zijn vader weg, maar werd toch al dadelijk vrijmoediger en Ineke moest van de jonge worteltjes en de aardbeien uit de bakken proeven en zien hoe mooi de bessen en frambozen stonden. En Andries vond ’t knap van haar, dat ze nog precies wist, hoe spinazie en postelein er uitzagen. „O Andries, nou heb ik de lijst met alles wat de jongens je te vragen hadden, boven op mijn kamertje laten liggen,” bedacht Ineke zich. „Da’s niks, kind, die krijg ik dan vanavond of morgen wel. ’k Heb ’t nou tòch te druk met den tuin, op ’t oogenblik. Ga liever effentjes mee na’ de kindertuintjes. ’t Jouwe is al heelemaal in orde,” en Andries rustte niet, voor meneer Van West en Ineke hem volgden heelemaal achter in den moestuin, waar vlak tegen de heg drie perkjes waren aangelegd. In het middelste, dat Ineke toebehoorde, bloeiden lelietjes, margrieten, primula’s en violen en het rozenstruikje in ’t midden droeg een menigte kleine knopjes. Bij Gijs en Duco was er nog niets bizonders te zien. Daar had Andries met opzet planten gezaaid, die pas later in den zomer zouden bloeien, juist als ze met de vacantie over waren. Ineke, opgetogen over haar tuintje, bedankte Andries hartelijk, plukte de mooiste viool af, die ze vinden kon, en stak die Opa in zijn knoopsgat en toen gingen ze samen op weg, achtervolgd door Bello en Fokkie, die zoo gauw ze den baas en Ineke ’t hek van „Eiken-rode” zagen uitgaan, hen luid-blaffend achterna stoven. De wandeling leidde naar ’t dorp, waar Opa even op ’t raadhuis wezen moest en dan zouden ze langs de mooie, nieuwe villa van dokter Wilminck naar huis terug wandelen. De familie Wilminck woonde nog niet lang in ’t dorp, maar Ineke wist toch, dat er een meisje en een jongen van haar leeftijd waren. Freda en Hans heetten ze, en mevrouw Wilminck had tegen meneer Van West gezegd, dat ze hoopte, dat hij eens met zijn kleindochtertje aan zou komen. Ineke zou misschien een goed vriendinnetje voor Freda zijn, die hier in ’t dorp tot haar groote spijt zoo weinig kennisjes van haar eigen leeftijd had. Wiesje van den dominé was wel drie jaar ouder en met Greta en Leentje van den notaris, die een klasse lager zaten bij haar op school, kon Freda niet al te best overweg. ’t Trof heel toevallig, dat Opa en Ineke, toen ze langs „De Merel”—zoo heette dokter Wilminck’s villa—kwamen, de doktersfamilie juist in den voor-tuin op ’t grasveld zagen zitten. Meneer Van West groette en ineens kwam er een meisje in een rood-katoenen jurk naar ’t hek hollen en een hoog, schel stemmetje riep: „Dàg! Zeg, ben jij op „Eiken-rode” gelogeerd? Hè toe, meneer, mag ze even meekomen, dan kunnen we vast kennismaken!” En nog voor dat Ineke goed en wel wist, wat er gebeurde, had ’t vreemde meisje met de groote, donkere oogen en ’t kortgeknipt zwarte haar, haar meegetroond naar de theedrinkende familie op ’t grasveld. Meneer Van West volgde glimlachend met Bello en Fokkie achter zich aan en mevrouw Wilminck liep haar onverwachte gasten tegemoet, duizend verontschuldigingen makend over het „ongepaste” optreden van haar dochtertje. „Maar ziet u, burgemeester, Freda was ook zoo verlangend met uw kleindochter kennis te maken, want meester Hoogstra heeft verteld, dat ze bij Freda in de klas komt te zitten. Wel, en hoe heet je?” vroeg mevrouw Wilminck, zich tot Ineke wendend. „Ina van West, mevrouw, maar ik wordt meestal Ineke genoemd,” zei Ineke, mevrouw een hand gevend en vervolgens handen schuddend met den dokter en met Hans, Freda’s jongere broertje, dat net zulke donkere oogen had. „En ik heet eigenlijk Frédérique, maar ze zeggen altijd Freda tegen me. Ik vind ’t leuk, dat je hier op ’t dorp gelogeerd bent. Den heelen middag heb ik al naar je zitten uitkijken,” en Freda trok Ineke naast zich op de witte tuinbank, terwijl de dokter voor meneer Van West een grooten rieten leunstoel aanschoof en Hans tusschen Bello en Fokkie in op ’t gras ging zitten, ’n arm om elken hond. „’t Spijt me, dat ik geen thee meer heb. Als u even geduld hebt, zet ik nieuwe,” bood mevrouw aan, maar meneer Van West beweerde slechts even tijd te hebben: „Dank u wel. ’t Is heel vriendelijk, maar Ineke en ik moeten om zes uur aan tafel zijn, anders krijgen we brommen van Juffrouw Doortje. We kunnen maar eventjes. Een ander maal héél graag.” „Hè, Ma, Mààtje! Toe, laten we dan ineens een dag afspreken, dat Ineke hier op visite komt,” smeekte Freda, terwijl mevrouw Ineke de koekjestrommel voorhield. „Hè ja, dan kunnen we roovertje spelen. Fijn!” viel Hans opgewonden bij, maar hun vader sprak bedarend: „Stil nu toch eens jullie allebei! Meneer Van West heeft me verteld, dat Ineke pas een heelen tijd ziek geweest is, ’s morgens alleen naar school gaat en ’s middags een paar uur moet rusten, omdat ze zich nog niet te veel mag vermoeien.” „Ja, ze is niet voor haar plezier bij me,” plaagde meneer Van West. „O, maar dan mag ze toch ’s middags wel komen als ze gerust heeft en bij ons blijven eten. Woensdagmiddag bijvoorbeeld. Wij zorgen er dan wel voor, dat ze niet te laat thuiskomt, of u komt hier ’s avonds als ’t mooi weer is theedrinken en neemt zelf u kleindochtertje weer mee,” stelde mevrouw voor. „Hè ja, hè ja,” juichten Freda en Hans en meneer Van West zei lachend: „Nu Ien, wat denk je er van? Zullen we dat dan maar aannemen?” „O, Opa, ik wil wàt graag!” Ineke kreeg een kleurtje van opgetogenheid, want ze had er dadelijk dolle lust in. Freda en Hans leken haar erg aardig en hun ouders waren zoo hartelijk en vriendelijk, dat Ineke zich al heelemaal op haar gemak voelde en toen ze een oogenblik later met Opa naar huis wandelde, nadat ze zich wel drie maal had omgekeerd om Freda en Hans, die bij ’t hek stonden, toe te knikken, zei ze tot meneer Van West: „’t Is net, of ik ze al veel langer ken!” „Ja, jullie waren dadelijk op dreef samen en dat doet me veel plezier, want zoo heelemaal zonder kennissen van je eigen leeftijd zou ’t op „Eiken-rode” een saaie partij voor je worden op den duur.” „O, nee, Opa! Dàt moet u niet zeggen. Ik heb u toch. U blijft toch altijd mijn beste kameraad,” en Ineke’s handje kroop gauw weg in Opa’s groote hand. ⁂ Het was half Juni en op een enkelen regendag na altijd mooi weer geweest, zoolang Ineke op „Eiken-rode” logeerde. Ze zag er dan ook zoo gezond uit, dat ’t een lust was. Heelemaal bruingebrand door de zon en daarbij at ze uitstekend, ondanks de zes groote glazen melk, die ze nog steeds drinken moest van dokter Wilminck. Maar ’t drankje was afgeschaft en ’t rusten na de koffie tot drie kwartier ingekrompen, tot Ineke’s groote vreugd. Vader, die den vorigen Zondag overkwam, beweerde zijn dochtertje bijna niet meer te herkennen, zóó goed zag ze er uit. „En hoe gaat ’t op school? Is meester Hoogstra tevreden en zou je overgaan?” was een van zijn eerste vragen. „O, ja, ’t gaat best. Eerst was ’t natuurlijk nog wat vreemd, maar nu ben ik heelemaal gewend. Met rekenen had ik in ’t begin wel moeite, maar met taal en aardrijkskunde was ik vóór en met Fransch ben ik nu heelemaal gelijk met mijn eigen school. Meester Hoogstra geeft heel prettig les,” vertelde Ineke en toen ze meester Hoogstra op de wandeling tegenkwamen had hij Ineke’s vader aangesproken en gezegd, dat zijn leerlingetje zoo haar best deed en er stellig komen zou, als ze zoo voortging. Vader vond ’t prettig, dat hij zulk goed nieuws mee naar huis kon nemen en als belooning zond Moeder een paar dagen later bij de nieuwe jurk, die ze met de huisnaaister gemaakt had, een groote doos pralines, die Ineke met Freda en Hans Wilminck in één enkelen middag soldaat maakte. Ze zag haar nieuwe vriendjes veel. ’s Woensdags en Zaterdags kwamen ze geregeld bij elkaar op „De Merel,” of op „Eiken-rode,” hoewel juffrouw Doortje wel eens zuur keek als de serre en de vestibule vol ingeloopen zand lagen, de stoelen schots en scheef door de beneden-kamers zwierden en er telkens glaasjes limonade of kopjes thee omvielen. Mevrouw Wilminck bleek in dit opzicht gemakkelijker en Ineke was er versteld van, zooveel vrijheid als Freda en Hans gewend waren. Die mochten nu letterlijk alles! Klom Freda bijvoorbeeld in een boom en scheurde ze haar jurk, dan kreeg ze niet eens een standje. „Je moet ’m tòch dragen,” zei haar moeder alleen en dan werd de scheur zoo goed mogelijk door de oude kindermeid gestopt en Freda liep weer vroolijk met haar verstelde jurk rond. ’t Kon haar niets schelen hoe ze er uitzag. Ze was een echte wildebras en soms vreeselijk ongehoorzaam, maar toch mochten de meeste menschen haar, omdat ze zoo eerlijk en goedhartig was. Hans, iets kalmer van aard, hield veel van lezen, net als Ineke, en kon uren met een boekje in een hoekje zitten. Freda daarentegen vond alle verhaaltjes en sprookjes „vervelende nonsens, waar je tòch niets aan hadt,” en maakte liever keukelkunsten aan rek en ringen. Heel lenig was ze en ze kon harder loopen dan alle jongens uit haar klasse en hoewel haar vader ’t volstrekt niet hebben wilde, fietste ze, als ze even haar kans schoon zag, als een bezetene op haar fiets den dorpsweg af en had een pret van belang, als iedereen verschrikt voor haar op zij stoof. Ze hield veel van bloemen en dieren en zat, als ze bij Ineke op visite kwam, geregeld met Fokkie en Bello op schoot, tot verontwaardiging van juffrouw Doortje, die er maar niets meer van zei, nadat ze Freda een paar maal gewaarschuwd en tot antwoord gekregen had: „O, ze mogen best. Mijn jurk kan gewasschen worden!” De keurige juffrouw Doortje had niet erg met Freda op en liet altijd duidelijk blijken, dat ze Hans veel aardiger vond, maar Ineke vond Freda „’t leukste kind, dat ze kende.” „Ik moet zoo vreeselijk om haar lachen, Opa, en ze is zóó goedig! Alles geeft ze weg en ze helpt me altijd met mijn sommen. Dat mág ze van meester Hoogstra. Kijk eens, deze grappige, glazen penhouder met dat vischje er in heb ik van haar gekregen. ’k Wou ’m eerst heelemaal niet hebben, maar ik mòest ’m aannemen. Ze zeurde net zoo lang, tot ik ’t deed en nu heb ik haar bloemen uit mijn tuintje gebracht,” vertelde Ineke op een avond aan meneer Van West, die ’t kleine, wilde meisje, met haar groote, donkere oogen graag lijden mocht en altijd partij voor haar trok, als Juf iets minder aardigs van haar zei. Freda, op haar beurt, was erg op meneer Van West gesteld, noemde hem soms voor de grap ook Opa, maar Juf vond ze „een ouwe zeur” en Ineke zat dikwijls in angst, dat Freda brutaal tegen haar zijn zou. Gelukkig was dat echter nog niet voorgekomen en beloofde Freda telkens: „O, wees maar gerust, ik zàl niks zeggen. ’t Heele mensch kan me niks schelen. ’t Is een spóók! Maar je grootvader wil ik geen verdriet doen als jij zegt, dat hij ’t naar vindt, als ik onaardig tegen haar ben. Jou Opa is een snoes van een man. Ik wou, dat ik ook zoo’n grootvader had.” En Ineke, die ’t altijd zoo heerlijk vond, als ze merkte, hoeveel de menschen van hem hielden, had beweerd: „Opa vind jou ook aardig, hoor, en hij is blij dat ik, nu ik jou hier heb, niet zooveel meer lees als vroeger. Hij zei altijd, dat ik er een ronden rug en een suf hoofd van kreeg.” „Natuurlijk,” lachte Freda, „al dat malle gelees over dingen, die toch nooit gebeurd zijn!” Maar daar was Ineke ’t niet mee eens. Ze vond lezen nu eenmaal heerlijk, doch de twee kleine meisjes, hoe verschillend van aard ook, waren toch een heele aanwinst voor elkaar. Meneer Van West zei wel eens, dat een paar zusjes niet beter met elkaar over weg zouden kunnen dan Ineke en Freda, want ze kibbelden zelden samen en hadden bijna altijd pret. Misschien wel een beetje te veel! Als Opa geweten had, dat ’t schoolwerk er onder begon te lijden en Ineke in de afgeloopen week twee maal een les niet kende en van de vijf sommen, die ze voor huiswerk opkreeg, er maar twee goed maakte, zou hij zijn kleindochter niet geprezen hebben. Gelukkig, dat hij de laatste dagen meester Hoogstra niet gesproken had, dacht Ineke, die eigenlijk heelemaal niet tegen een prijsje kon, want sinds de doos met pralines, die Moeder stuurde, had ze ’t er met ’t leeren maar zoo’n beetje op aan laten komen. ’t Ging immers goed en nu zou ’t vanzelf wel zoo blijven gaan. Maar, o, lieve help, wat viel dàt tegen! Zonder dat ze ’t zichzelf bekennen wilde, merkte ze wel, dat ze, als ze niet haar uiterste best deed, dadelijk achter raakte met die halve schooldagen. Ze maakte zichzelf echter wijs, dat ze een ongelukkige bui had gehad en dat die wel weer voorbij zou trekken. Iedereen kende wel eens z’n les niet en die sommen waren ook zoo lastig. Doch ze keek gauw voor zich, toen meester Hoogstra haar op een morgen over zijn bril heen aanzag en hoofdschuddend zei, terwijl hij haar sommenschrift teruggaf: „Ineke, Ineke, je werkt niet meer zoo goed als in ’t begin!” Nu, met de komende repetitie, zou ze haar schade inhalen, had ze zich vast voorgenomen. Dan bracht ze toch nog wel een tamelijk goede lijst mee aan ’t eind van de maand, want anders zou Opa er verdriet van hebben en Opa verdriet doen, dat wòu Ineke niet. Den heelen Woensdagmiddag ging ze hard op haar aardrijkskunde leeren en de moeilijke sommen nog eens overdoen. Dan zou ze er zich Donderdag wel goed doorheen slaan. Woensdagmiddag kwam en Ineke zat nog met Opa en Juf aan de koffie, toen Freda onverwachts binnenstapte: „Dag meneer, dag Juf, dag Ien! Zeg, ik kwam daarnet op den weg Andries tegen. Hij gaat hooi halen op ’t land en we mogen mee terug rijden op de volle kar, als Opa ’t goed vindt.” „We mogen wel, hé Opa? We zijn gauw weer terug!” „Ja, kinderen, gaan jullie je gang maar. Maar moet je niet eerst je aardbeien opeten, Ineke? Zoo gauw zal de kar niet opgetast zijn. Juf, geeft u Freda ook maar een portie,” zei meneer Van West met een knipoogje, en nadat ze ieder volop gesmuld hadden van de heerlijke vruchten, die dat jaar zoo overvloedig in den moestuin groeiden, toog het tweetal op weg, dwars de velden door naar de weide, waar Andries aan ’t hooien was. De kar stond nog maar half opgetast, zoodat ze een poosje in een groote hoop hooi midden in de wei gingen liggen tot ze geheel was opgeladen. Toen hielp Andries de beide meisjes vlug naar boven klimmen. „’t Lijkt wel een bed,” lachte Ineke, terwijl ze zich languit naast Freda uitstrekte, maar Andries zei: „Voorzichtig jullie! En je vasthouën an ’t touw, hoor, dat ik er over gespannen heb, anders zou je d’r wel ’s af kunnen schieten.” Maar zoo’n vaart liep ’t niet. ’t Oude paard kon de zware vracht slechts langzaam trekken, zoodat ’t niet veel harder dan stapvoets naar „Eiken-rode” terug ging. Toch was ’t heerlijk en zouden de vriendinnetjes er volstrekt geen bezwaar tegen gehad hebben, als de tocht wat langer geduurd had. Ineke, met de beste plannen voor de repetitie van den volgenden morgen bezield, stelde bij haar thuiskomst echter dadelijk voor: „Zeg, zullen we nu samen de plaatsen aan de groote rivieren repeteeren? ’k Heb mijn atlas in ’t spreekkamertje liggen.” Maar Freda schudde beslist haar donker hoofdje. „Kan je begrijpen! Nee, hoor, ’t is veel te warm om te leeren. ’k Zal ’t vanavond of morgenochtend voor ’t ontbijt nog wel ’s nakijken.” „En weet je de som van die Kilogrammen en Hectogrammen nog goed? Die vond ik laatst zoo moeilijk,” hield Ineke vol. „O, daar is niks an. Misschien krijgen we zoo’n soort som heelemaal wel niet. Zeur niet over die nare repetitie en laten we nu pret hebben. Dáár is je vrije Woensdagmiddag toch voor,” en ze vervolgde, met een arm om Ineke’s schouder: „Zeg, Ien, weet je wat we moesten doen?” „Nou, wat dan?” „Een leuk tochtje maken! Achter ’t weiland, waar de eikenboschjes beginnen, maakt de beek ’n groote bocht en een eind verderop weet ik een plek, die gewoon bláúw ziet van de vergeet-mij-nietjes. In de boschjes zelf wemelt ’t van de kamperfoelie, ’k heb er een paar dagen geleden al bossen vandaan gehaald met Hans. Laten we nu met ons beidjes een reuzenbouquet voor Opa gaan plukken. Hij houdt er dolveel van, want laatst, toen ik een takje gestoken had op ’t borduursel van m’n jurk, om eens echt te genieten van de lekkere lucht, zei Opa, dat hij ook geen enkele bloem wist, die zóó lekker ruikt als kamperfoelie!” „Maar ’t is al over tweeën en ik wou m’n repetitie graag goed maken,” aarzelde Ineke. „Dan kijk je vanavond je boel nog eens na. Heusch, zoo’n repetitie is zoo erg niet. ’t Is enkel rekenen en aardrijkskunde morgen. Je komt er best klaar mee, als je dadelijk na ’t eten begint en desnoods sta je morgen een half uur vroeger op, dan zit ’t er allemaal versch in. Dat doe ik ook altijd. Kom, ga nou mee!” En Ineke, die er toch eigenlijk erge lust in had, zwichtte en ging uit de vestibule haar grooten stroohoed halen. Ze hield er niet van lang achtereen blootshoofds door de brandende zon te loopen, zooals Freda, die alleen Zondags een hoed droeg. Juist kwam Juf met een stapel schoon servetgoed de trap af. „Zoo, zijn jullie terug? Was ’t prettig? Maar wat is dàt, ga je nu wéér uit, Ineke, en je hadt toch gezegd, dat je zooveel te leeren hebt voor morgen!” „O, dat doe ik vanavond wel,” zei Ineke zoo luchtig mogelijk. „’t Is pas overmorgen repetitie,” jokte Freda er gauw achter aan. „Je moet ’t zelf maar weten, maar geen minuut later dan kwart voor acht is ’t bedtijd vanavond hoor! Je hebt vanmiddag niet gerust na de koffie en gisteren en eergisteren ook niet. Als je daar ’t handje mee licht, moet je ’s avonds maar eerder naar bed,” zei juffrouw Doortje streng. Ineke mompelde iets onverstaanbaars. „Als je maar zorgt bij tijds thuis te zijn, want Sientje moet naar haar naaikrans en dan kan er niet later dan kwart voor zes gegeten worden. Goed begrepen?” „Ja, Juf,” en Ineke holde Freda achterna, die bij ’t hek op haar stond te wachten. De beide meisjes zetten er dadelijk flink den pas in, ondanks de groote warmte, want des te eerder waren ze op den breeden straatweg, waar ’t onder de hooge olmen veel koeler was. Toen ze dien voor een gedeelte gevolgd hadden, sloegen ze af naar de wei, waar heel aan ’t einde de beek haar bocht maakte. „Oef, wat is ’t warm, hier,” zuchtte Ineke, met haar hoed op haar neus. „Freda, hoe houd jij dàt uit, met je bloote hoofd in de zon!” „O, ’t is maar eventjes. ’k Kan er best tegen. Straks, als we bij de beek zijn, doen we onze schoenen en kousen uit en gaan lekkertjes door ’t water loopen. Zóó komen we ’t best bij de vergeet-mij-nieten. Hans en ik doen ’t dikwijls op warme dagen.” „Hè ja, net als in Scheveningen,” stemde Ineke grif toe, en zoo gauw ze aan de bocht kwamen, waar ’t beekje de wei verliet en midden tusschen de lage eiken-boschjes door stroomde, zetten ze zich in ’t gras om hun schoenen en kousen uit te trekken. „Zie je, ’t is hier ’t makkelijkste plekje om er in te komen. Verderop bij de boschjes zijn er zooveel braamstruiken en boomstronken, waar je je voeten aan bezeert. Leg je kousen en schoenen maar naast de mijne, dan doen we ze straks hier weer aan en hoeven er niet aldoor mee rond te sjouwen. Doe’t maar gerust, hoor, er komt toch geen mensch. Ziezoo, daar ga ik,” en Freda liet zich handig langs den tamelijk steilen oever in ’t water. „Zalig,” juichte ze, haar rokken hoog opsjorrend, „kom Ien, geef me maar ’n hand,” en ze hielp Ineke, die ’t toch wel een beetje ongewoon en griezelig vond, te water. „Ik zal wel voorop gaan! Ik weet hier precies alle plekjes. Hou daar aan ’t eind van de bocht je rokken goed hoog op, want daar gaan we er wel tot onze knieën in. Verderop is ’t weer heel ondiep. Toe, kijk niet zoo angstig! Je zult niet verdrinken,” plaagde Freda. „Maar ik bèn heelemaal niet bang. Ik vind ’t juist heerlijk,” verzekerde Ineke, die na de eerste stappen in de beek geheel op dreef raakte en vol vertrouwen waadde ze achter Freda aan, door de diepe plaatsen. ’t Was werkelijk een verrukkelijk tochtje, vooral verderop, waar in de lage boschjes aan den oever een paar nachtegalen hun hoogste lied zongen. De een antwoordde telkens den ander. „Je zult ze niet veel meer horen. Ze scheiden er nu gauw uit met zingen,” fluisterde Freda, en de beide meisjes bleven even staan om te luisteren. Vlugge waterspinnen huppelden vroolijk over de oppervlakte van ’t beekje en vluchtten ijlings naar de kanten als Freda en Ineke plonsend naderden, en een paar prachtige blauwe libellen dartelden voor hen uit. Ineens gaf Ineke een schreeuw van verrukking, toen ze tegen een der oeverkanten een plekje ontdekte, dat vol vergeet-mij-nieten stond. „Wat ’n boel!” jubelde ze, er met volle handen van plukkend, „en wat zijn ze groot! Kijk, deze hebben rose knopjes bovenaan.” „Verderop staan er nog veel meer. Kijk daar eens, daar bloeit kamperfoelie en daar wilde spirea en valeriaan. Valeriaan heeft ’n naar luchtje, maar ’t zijn zulke mooie bloemen. Ik doe er toch een paar in mijn bouquet. De kamperfoelie ruikt zoo sterk, dat je ’t vieze luchtje haast niet merkt,” beweerde Freda, maar Ineke wilde ze niet hebben. „Daar zijn genoeg andere bloemen,” zei ze, een paar witte doovenetels afplukkend, en meteen schrikte ze vreeselijk van een konijntje, dat uit de struiken boven haar hoofd wegsprong. Freda lachte dat ze schaterde, en Ineke lachte mee. „Dat zal nog wel ’s meer gebeuren,” plaagde Freda. „Er zijn hier een hóóp konijnen en laatst hebben Hans en ik hier in de buurt een egel gevangen. Hij rolde zich als een bal op en zette al zijn stekels overeind, toen Hans hem pakken wou, maar toen hebben we ’m heel voorzichtig in een zakdoek gerold, zoodat hij ons niet steken kon, en ’m zoo mee naar huis genomen. Vader zei, dat egels zooveel van melk houden en daarom gaven we ’t beest dadelijk een schoteltje vol, maar hij bleef als een bal liggen en taalde er niet naar, en den volgenden morgen, toen we ’t zij-hokje van ’t groote kippenhok opendeden, was meneer verdwenen en ’t schoteltje leeg! We denken, dat hij zich onder ’t hok doorgegraven heeft.” „Hè, hoe jammer; hadden jullie ’m niet graag willen houden?” vroeg Ineke, maar Freda beweerde er niet rouwig om te zijn. „Och, eigenlijk heb je toch niks aan zoo’n beest, dat alleen maar steken kan en muizen vangen. Misschien was hij op den duur wel tam geworden, maar buiten in de bosschen hebben ze toch een veel prettiger leven. Hè, ik wou, dat ik ook altijd in de bosschen kon zijn! Vroeger toen we nog in de stad woonden, had ik lang niet zoo’n schik in mijn leven als hier. Alleen had ik dáár vriendinnetjes, maar sinds jij hier bent, mis ik die niet meer,” en Freda, even stilstaande, schopte naar een groote spin, zoodat de fonkelende waterdruppels hoog opspatten. „Kind, je jurk drijft! Pas op, je maakt mij ook nat,” waarschuwde Ineke verschrikt en lachend tegelijk. „O, dat droogt in een wip, maar we zullen nu langzamerhand maar omkeeren, want we moeten dat heele eind nog terug, en eer jij goed en wel op „Eiken-rode” bent, zal ’t wel vijf uur zijn. Dan kan je je nog net verkleeden en een beetje leeren,” en met bloemen beladen zochten de beide meisjes de plaats weer op, waar ze hun kousen en schoenen hadden achtergelaten. „Ziezoo, nu leggen we onze bloemen tegen den kant, met de stelen in ’t water en gaan zelf in ’t gras zitten. Dan laten we de zon op onze beenen schijnen. Je zult eens zien hoe gauw we droog zijn,” zei Freda en ze scharrelde ’t water uit tegen den oever op, reikte Ineke een hand en trok haar op ’t droge. Toen strekten ze zich naast elkaar in ’t gras uit. „O, wat is ’t warm, nu we weer uit ’t water zijn,” zei Ineke, haar hoed over haar oogen trekkend, maar Freda vond ’t heerlijk en liet zich stoven. „Als je maar niks hoeft uit te voeren is ’t wàt lekker,” zuchtte ze lui. Plotseling klonk er een dof gerommel in de verte. „Hoor je dat; ’t gaat onweeren,” zei Ineke ongerust en ze kwam dadelijk overeind, maar Freda antwoordde: „Geeft niks! We zijn niet zoo ver van ons huis en de bui is nog ver af.” Maar toen ’t voor de tweede maal rommelde en kort daarop een felle bliksemstraal de lucht doorkliefde, haastte ze zich toch, evenals Ineke, om zoo spoedig mogelijk haar kousen en schoenen aan te krijgen en op een drafje holden ze met hun bloemen de wei door. Juist toen ze den straatweg bereikt hadden, vielen de eerste regendruppels. Het werd een stevige plasbui en hun dunne jurken waren in een oogenblik doorweekt. Freda’s korte haren hingen in druipende piekjes om haar hoofd en van Ineke’s hoed gutste het water in stralen omlaag. „We zien er uit als een paar verdronken katten,” lachte Freda, maar Ineke keek bedrukt, want ze zag wel op tegen ’t standje van Juf, dat ze zeker krijgen zou en dan.... de repetitie. „Ben je mal, je gaat natuurlijk met mij mee. We zijn nu vlak bij „De Merel” en vóór jij thuis bent, zie je d’r uit, of je heelemaal in ’t water gelegen hebt. Dan zal je die vervelende zeur van ’n Doortje ’s hooren,” waarschuwde Freda, toen haar vriendinnetje links inplaats van rechts wilde afslaan en zuchtend besloot Ineke daarop maar met Freda mee te gaan. ’t Was ook zóó’n weer. „Kijk, daar heb je onze vagebonden! Moeder, je mag ze wel dadelijk droog goed geven,” riep dokter Wilminck tegen zijn vrouw, toen hij van uit de serre het tweetal zag aankomen. „Kinderen, kinderen, wat zien jullie er uit! Maar wie had ook gedacht, dat ’t zóó zou gaan onweeren en regenen! Freda, kind, je lijkt wel een natte poedel,” lachte mevrouw Wilminck en ze joeg de beide druipende meisjes voor zich uit naar boven, waar ze op de badkamer ieder een schoon pak aankregen, na duchtig met ruige handdoeken te zijn drooggewreven. Toen ze beneden kwamen hadden dokter Wilminck en Hans juist gloeiend-heete thee ingeschonken en terwijl Freda en Ineke zich deze goed lieten smaken en de halve koekjestrommel leeg aten, moesten ze vertellen van hun tocht door de beek en werden Freda’s bloemen in een wijde Keulsche kan geschikt, die een eereplaats kreeg op de serretafel. „Die van Ineke heb ik apart in den gieter gezet. Kijk ze ’s opstijven,” wees Hans, die ’t jammer vond, dat hij den tocht ook niet had meegemaakt. „Hoe laat is ’t al, mevrouw,” informeerde Ineke na een oogenblik en ze keek bedenkelijk naar buiten, waar ’t nog steeds plasregende. „Kwart over vijf, kindje. Wat is er, wou je naar huis? Maar ’t is zoo’n weer! Daar kan je niet door. Weet je wat, je blijft hier eten en ik telefoneer zoo dadelijk even naar je Grootvader.” „’t Is erg vriendelijk van u en.... en ik zou ook heel graag blijven, maar, ziet u.... ik, ik moet mijn aardrijkskunde en een paar moeilijke sommen nog nazien voor de repetitie van morgen,” stotterde Ineke. „O, dat kan je hier ook wel doen. Freda heeft immers dezelfde boeken,” zei dokter Wilminck luchtig en Freda, die Ineke wel erg overdreven vond, maar zag hoe ze er over in zat, ging goedig haar tasch halen. „Hier kind, hier heb je alle geleerdheid bij mekaar, behalve mijn atlas, want die kan er niet in.” „Leer jij dan aardrijkskunde zónder atlas,” vroeg Ineke verwonderd. „O ja, haast altijd! Dan zoek ik op school, vóór de les begint nog wel gauw de voornaamste dingen op.” „Freda, Freda, dat is weer net iets voor jou. Hoe is ’t mogelijk!” Mevrouw schudde haar hoofd, maar Freda liep, lachend haar schouders ophalend, naar de telefoon, die juist belde. „’t Is meneer Van West. Hij vraagt of Ien hier is. Komt u even, Moeder,” vroeg ze en mevrouw Wilminck haastte zich naar ’t toestel. Meneer Van West was blij te hooren, dat zijn kleindochter veilig op „De Merel” zat en vond ’t uitstekend, dat ze daar bleef eten. Hij zou haar zelf tegen half acht komen halen, als ’t weer opklaarde en anders werd Ineke wel met de dokterssjees naar huis gebracht, ofschoon Vera—’t paard—dien dag nogal een grooten tocht achter den rug had. En zoo blééf Ineke dus, hoewel ze natuurlijk veel liever naar huis zou zijn gegaan, om daar op haar gemak te werken. Dadelijk na ’t eten, toen ’t weer opklaarde en Freda en Hans den tuin introkken, kroop ze met Freda’s boeken en schriften in een hoekje van de serre. Ze sloeg het aardrijkskundeboekje open, maar ’t wilde niet vlotten.... Zònder atlas kon zij geen aardrijkskunde leeren. Ze begreep niet hoe Freda dat deed. ’t Beste zou zijn morgenochtend vroeg op te staan, zonder dat Juf ’t merkte. Anders zou ’t uitkomen, dat ’t die dag repetitie was en niet pas de volgende, zooals Freda gejokt had, om haar vriendinnetje mee te krijgen.... Vervelend, dat alles zoo tegenliep. Ineke wou de schade zóó graag inhalen en met een niet àl te slechte lijst thuiskomen, aan ’t eind van de volgende week.... Dat nàre onweer ook! Als dat niet gekomen was, zat ze nu rustig op haar eigen balkon-kamertje. Dan kènde ze alles al bijna! Die aardrijkskunde was niet eens zoo moeilijk. Kom, nu maar aan de sommen! Maar Freda had ze zoo raar en slordig in haar schrift staan, dat ze er niet uit wijs kon, en er haar naar vragen wou Ineke niet. Freda was met Hans aan ’t stelten-loopen en dus heelemaal niet in een bui om sommen uit te leggen en Ineke, moe en knorrig op zichzelf, stopte zuchtend de boeken en schriften weer weg in de tasch en drentelde lusteloos den tuin in, verlangend naar Opa, die zich niet lang wachten liet gelukkig. Meneer Van West vond zijn kleindochtertje stil dien avond, vooral onder ’t naar huis gaan, en maakte zich heusch een weinig ongerust, dat het tochtje in de beek niet dienstig voor haar geweest was en toen Ineke eindelijk in bed lag, bleef ze tegen haar gewoonte lang liggen woelen en tobben en eindelijk ingeslapen, droomde ze heel vermoeiend en verward van meester Hoogstra, die door de beek wandelde, van akelig-groote konijnen, die gezichten tegen haar trokken en van een lei met sommen, die niet wilden uitkomen.... ⁂ Den volgenden ochtend werd ze pas bij zevenen wakker. IJlings vloog ze overeind en begon zich te wasschen en te kleeden. Haar haar was al uitgekamd toen Juf haar kwam roepen en ze kon „de plaatsen langs de groote rivieren in Nederland” gelukkig nog alle opzoeken en zich in ’t hoofd prenten.... maar de sommen schoten er bij in. Ze hoopte vurig, dat ze die moeilijke van de Kilo- en Hectogrammen niet zouden krijgen en dat ’t rekenen mee zou vallen. Dat kòn toch, trachtte Ineke zichzelf moed in te spreken, maar helaas, toen ze om tien minuten over twaalf uit school kwam, wist ze zèker, dat ze alles behalve gelukkig geweest was!..... Boven op haar kamertje, waar ze zich altijd ging opknappen voor ’t koffiedrinken, viel ze op een stoel neer en dacht na. De sommen gingen heelemaal mis.... Van de zes waren er twee goed en het laatste uur, toen ze voor de kaart moest komen, had ze zich vergist met de plaatsen aan de Boven- en Beneden-Merwede. Ook had ze Coevorden inplaats van Meppel aangewezen, maar gelukkig wist ze de plaatsen langs den Ouden Rijn zonder haperen te liggen. Daardoor was haar aardrijkskunde-cijfer voldoende geworden. Maar voor rekenen kreeg ze onvoldoende.... Dat stond als een paal boven water. Meester Hoogstra had ’t zelf gezegd. Ook vond hij haar taalwerk van de laatste weken zooveel minder en zoo slordig geschreven. Deze drie-wekelijksche lijst, hoewel met geen verdere „onvoldoendes” dan rekenen, zou er zéér, zéér magertjes uitzien.... Ineke durfde haast niet aan den komenden Zaterdag te denken, als Opa weten zou, hoe ze was achteruit gegaan. Wat zou hij er een verdriet van hebben en ze had hem juist een pleziertje willen doen met die bloemen, die frisch en geurig in een tinnen kan op zijn bureau prijkten. Opa had er haar zóó voor bedankt, maar Ineke wist heel goed, dat hij veel meer in zijn schik geweest zou zijn met een mooi rapport.... Trouwens, de bloemen waren volstrekt niet alleen de schuld van de slechte lijst. ’t Was den laatsten tijd alles maar: gauw, gauw gegaan om zooveel mogelijk met Freda te zijn. Zelfs ’t lezen was er de laatste weken bijna bij ingeschoten. Alleen Zondag toen ’t zoo regende, had ze den heelen middag verdiept gezeten in de sprookjes van Grimm en Andersen. O, als ze tenminste toen maar in plaats van te lezen, sommen gemaakt had, dan was die leelijke twee voor rekenen misschien nog een „min drie” of drie geworden. Doch nu was ’t te laat. Niets, niets viel er meer aan te doen en Zaterdag, als ze uit school kwam, zou ze Opa, die ’t in de verste verte niet vermoedde, die onaangename verrassing moeten bereiden.... Opa, die haar altijd plezier deed.... en thuis zouden ze ook zoo teleurgesteld zijn en o, als de directrice van haar school, aan wie de lijst altijd getoond werd, nu maar niet besloot haar nog een jaar in de vierde klasse te laten. Blijven zitten zou Ineke vrééselijk vinden.... De tranen sprongen haar in de oogen. Opa, en Vader en Moeder, alle drie zouden ze verdriet hebben door haar schuld! Nog één heelen dag hoefde niemand iets te weten. Morgen was ’t pas Vrijdag, bedacht Ineke en ze zuchtte even van verlichting, wischte de waterlanders weg en stond op, om haar handen te wasschen en een schoon schort aan te doen. Ze zou zich voorloopig nog maar heel gewoon houden en niets zeggen en toen de gong voor ’t koffie drinken door ’t huis klonk, liep ze op een holletje naar beneden en gedroeg zich, alsof er geen koudje aan de lucht was. „Ineke, kind, ik heb een verrassing voor je,” begon meneer Van West, zoo gauw ze aan tafel zat en hij zag zijn kleindochter lachend aan. Ineke bloosde tot achter haar ooren. „Een verrassing, Opa,” vroeg ze flauwtjes. „Ja, kind! Je wou immers zoo graag een poesje hebben? Nou, bij boer Staps op de Heikamp is een poes met zes allersnoeperigste kleintjes, zwarte, gevlekte en grijze. Zelden zag ik zoo’n mooi nest, maar natuurlijk kan Staps ze niet allemaal houden. Voor vier er van zoekt hij een baas en als je wilt, mag jij er een van hebben. Wat zou je zeggen, als we er vanmiddag, als je gerust hebt, eens samen op uitgingen en er een mee naar huis brachten,” en meneer Van West, niet anders denkend, dan Ineke, die al zoo lang naar een eigen poesje verlangde, een groot genoegen te doen, was hoogst verbaasd toen zijn kleindochter met een heel benepen stemmetje en neergeslagen oogen antwoordde: „Heel graag, Opa!” „Ineke, kind, wat is er? Scheelt er iets aan?” Juffrouw Doortje zag van achter ’t koffieblad nu ook met bevreemding naar Ineke, die zich ineens niet meer goed kon houden en in huilen uitbarstte. ’t Was te veel voor haar: Opa, die weer iets verzonnen had om haar plezier te doen, terwijl zij hem overmorgen door haar eigen schuld zóó zou moeten teleurstellen! Haar tranen stróómden, heesche snikken snoven door de kamer. Heelemaal over stuur raakte ze. „Kind, kindje toch! Toe, drink eens.” Juf ook al ongerust, was opgestaan om haar een glas water in te schenken en Opa’s goedig gezicht boog bezorgd over Ineke, die maar niet tot bedaren kon komen. „Kom, ga maar eens mee den tuin in. De lucht zal je goed doen,” en Opa troonde Ineke zacht mee naar buiten. Dáár, met kleine stapjes wandelend om ’t rozenperk naast Opa, die haar als een klein kindje bij de hand hield, bedaarde Ineke en begon, eerst nog snikkend, al vegend met Opa’s grooten zakdoek over haar behuild gezicht, maar van lieverlede toch wat kalmer, te vertellen van school en van de ongeluks-repetitie. Meneer Van West zei niets, maar luisterde oplettend naar Ineke’s verhaal, dat er met horten en stooten uitkwam, doch dat hij toch wel begreep. „Jongens, Ineke, wat spijt me dat! Wie had dàt nu kunnen denken! Had ’t me maar eerder verteld. Of zag je ’t eerst zelf niet zoo ernstig in,” vroeg Opa, toen Ineke zweeg. „Ik wist allang, dat dit rapport veel minder zou zijn, dan het vorige, maar.... maar ik had zóó gehoopt, dat ik tenminste voldoende voor alles zou krijgen.” Ineke’s roodbehuilde oogen zagen Opa smeekend aan en ze vervolgde: „Toe, Opa, verzin er iets op!” „Er iets op verzinnen? Als ik maar wist wàt! Ik kan helaas je slechte cijfers niet mooi maken. De eenige, die dat kan, ben jij zelf. Jij kunt zorgen, dat je rapport er de volgende maand beter uitziet! Maar weet je, wat ik doen kan? Ik zal vanmiddag naar meester Hoogstra gaan en eens met hem praten over de questie. We kunnen dan natuurlijk niet naar de Heikamp.” „Nee, en dat woù ik ook liever niet, Opa, want.... want ziet u, ik vind niet, dat ik het poesje verdiend heb. Ik.... ik moest er juist zoo om huilen, dat u altijd zoo lief voor mij bent.... en ik....” Ineke bleef steken en haar lippen begonnen op nieuw verraderlijk te trillen. „Kom, kindlief, nu niet wéér beginnen. Gauw je boterham opeten! ’t Is al kwart over een,” en Opa en Ineke traden door de openstaande serre de eetkamer weer binnen en Ineke, o zoo blij, dat ze nu niet meer met zoo’n bezwaard hart rond behoefde te loopen, at met smaak haar bord leeg en ging toen gedwee rusten. Dien middag tegen etenstijd keerde meneer Van West van zijn bezoek aan meester Hoogstra terug en Ineke, die met haar rekenboek en sommenschrift in de serre zat, vloog Opa tegemoet. „Ja, kindje, meneer Hoogstra was, net als jij me verteld hebt, heel ontevreden over je, maar ’t viel hem, geloof ik, nogal mee, dat je me alles eerlijk hebt opgebiecht. We hopen er nu iets op gevonden te hebben, waardoor je laatste rapport, dat je vijftien Juli met de vacantie meekrijgt, er weer goed uit zal zien, zoodat je op je eigen school zult kunnen overgaan. Je bent nu weer sterk en gezond en daarom vond meester Hoogstra ’t maar ’t best, dat je nu de laatste weken ook ’s middags op school komt. Hij zal je wat extra-huiswerk opgeven en ’s middags na schooltijd moet je dan maar je drie kwartier rusten. Van spelen met Freda zal er nu wel niet veel kunnen komen, maar Freda moet ook harder werken, zegt meester Hoogstra. In de vacantie kunnen jullie dan je schade inhalen. Wat zeg je van dit plan?” Nu, Ineke was ’t er heelemaal mee eens en wàt blij, dat de kans om alles in ’t eind nog goed te maken niet verkeken was. Opa zond een paar dagen later het slechte rapport met een brief, waarin hij alles uitlegde, aan Ineke’s ouders.... Heel veel antwoordden die er niet op, maar Ineke snapte toch wel uit de enkele zinnen, die zij er in hun brief-terug over schreven, dat ze zeer teleurgesteld waren en dat spoorde haar dubbel aan, op school haar uiterste best te doen. Ze ging er zelfs die laatste drie weken iets minder goed uitzien, maar den vijftienden Juli kwam ze stralend van opgetogenheid met een werkelijk bizonder mooie lijst bij Opa. Voor alle vakken had ze vieren en vijven en meester Hoogstra had er met duidelijke letters onder geschreven: „Ondergeteekende verklaart, dat zijn leerlinge Ina van West met vrucht het onderwijs op zijn school van den 10en Mei tot den 15en Juli gevolgd heeft, zoodat er zijns inziens geen enkel bezwaar bestaat, haar op haar eigen school tot een hoogere klasse te bevorderen. C. J. P. HOOGSTRA, Hoofd-onderwijzer.” „Mooi zoo, Ien! Nu is de schade ingehaald! Nu kan je met hart en ziel van je vacantie genieten, als morgen Vader en Moeder met de broers komen,” en Opa omhelsde zijn kleindochter hartelijk. „Ik ben zóó blij, zóó blij,” juichte Ineke, „vooral omdat Freda ook overgaat. Ze heeft alleen een taak voor aardrijkskunde, maar dat komt, omdat ze nooit een atlas gebruikt. Ik zal er haar wel mee terecht helpen,” en Ineke rende van louter plezier met Bello en Fokkie achter zich aan den tuin in, overgelukkig dat alles zoo goed was afgeloopen. Zelf mocht ze naar huis telefoneeren om ’t goede nieuws vast mee te deelen en nog dienzelfden middag gingen Opa en Ineke naar boer Staps op de Heikamp, om daar een poesje uit te zoeken, waarvoor juffrouw Doortje in alle stilte al een grappig, lichtblauw halsbandje met een belletje er aan gemaakt had. UIT LOGEEREN. Hè, wat was dat? Was ’t nou al morgen? Wiesje zat ineens rechtop in ’t vreemde bed, rekte zich al geeuwend uit, beide armen boven haar hoofdje. Helder scheen de zon door een kier van de gordijnen de kamer in en in een wip was Wiesje ’t bed uit, om op haar bloote voetjes voor ’t raam uit te kijken in den tuin, waar de duiven druk en vroolijk zaten te koeren op ’t lage, grijze muurtje. Kijk, daar vlogen er een paar weg, hoog hóóg de blauwe lucht in! Wiesje trok de gordijnen wijder open, schoof ’t raam wat meer op en ging er op haar knieën voor liggen. Een heerlijke geur van versch gemaaid gras stroomde de kamer in. O, kijk, daar kwam Cobus, de tuinmansjongen, aan met een mand vol koolblaren. Zeker voor de konijnen. Wat was ’t heerlijk hier buiten! Heel anders dan op ’t bovenhuis in ’t warme, drukke Amsterdam, waar Wiesje woonde. Twee weken zou ze nu hier mogen blijven bij Oom Willem en Tante Lida! Zalig! Gisteren toen Vader haar wegbracht, had ’t Wiesje wel lang geleken om veertien heele dagen en nachten van huis te zijn.... Ze was al een groote meid van tien jaar, maar nog nooit alleen uit logeeren geweest en toen ze van Moes en kleinen Broer afscheid nam, had ze wel even een raar, propperig gevoel in haar keel gehad, net of ze zou gaan huilen.... Maar in den trein was ze ’t gauw vergeten en toen Vader ’s avonds wegging, voelde Wiesje zich bij Oom en Tante en bij Suus en Dolf en Bert zóó thuis, dat ze er niet over dacht één traantje te storten. En ze had Vader bij zijn vertrek nog nageroepen: „Zeg maar aan Moes, dat ’t hier dól is en dat ik heusch zoet zal zijn.” En toen de kinderen kort daarop alle vier naar boven moesten—om acht uur sloeg onverbiddellijk ’t klokje van gehoorzaamheid—en Tante haar had toegedekt, was ze geen vijf minuten daarna rustig in slaap gevallen. Hoe verbazend gauw ging zoo’n nacht voorbij! ’t Was zeker nog heel vroeg, dacht Wies je. Je hoorde nog heelemaal geen leven in huis. Nee, mis hoor! Daar kwam Suus aan de kamerdeur: „Zeg, Wies, sta je op, ’t is zeven uur.” „’k Ben d’r al uit,” riep Wiesje vroolijk. Suus kwam binnen, ook in haar nachtjaponnetje en van louter plezier dansten ze toen de kamer door, tot ze allebei buiten adem op een stoel neerploften. „Zoo leuk... dat je... hier bent,” hijgde Suus en Wiesje knikte lachend, niet in staat een woord te zeggen. „De jongens zijn al bijna klaar. Laten wij ook voortmaken, dan kunnen we voor ’t ontbijt nog even naar buiten,” stelde Suus voor, zoo gauw ze wat bekomen waren. „Goed, wie ’t eerst klaar is,” en Wiesje sprong op, schonk vlug water in de waschkom en begon dapper te plassen. Een goed kwartiertje later waren ze beneden. Allebei tegelijk! In de tuinkamer was Tante Lida al bezig voor ’t ontbijt te zorgen. De glazen tuindeuren stonden wijd-open en de zon scheen vroolijk naar binnen en deed den koperen theeketel, die gezellig raasde, blinken of hij van goud was. Midden op tafel prijkte een vaasje met reseda en kleine, gele roosjes. „Die zijn van Dolf. Uit z’n eigen tuintje,” vertelde Tante toen Wiesje, die heel veel van bloemen hield, er haar wipneusje in begroef om diep den fijnen geur in te ademen. „Mogen we nog even den tuin in, Moeke,” vroeg Suus. „Ja, maar dadelijk komen als er gebeld wordt. Hier is wat oudbakken brood, strooi dat maar voor de vogels.” Suus nam ’t bordje met ’t in kleine stukjes gesneden brood aan en gearmd gingen zij en Wiesje naar buiten, waar de musschen luid sjilpend kwamen aanvliegen en zich flink te goed deden, totdat een paar hongerige duiven, die er ook wat van hebben wilden, ze uit elkander dreven. De beide meisjes hadden nog net tijd om even naar de konijnen te gaan kijken; toen luidde de bel voor ’t ontbijt. De anderen waren al binnen. „Ik heb zoo’n honger,” zei Bert, die vuurrood zag van ’t werken in zijn tuintje. „’t Onkruid is er allemaal uit. Nou zullen jullie ’s zien hoe mooi mijn reseda wordt! Moeke, over één weekje krijgt u net zulke mooie van mij, als u nu van Dolf hebt!” „Kun je begrijpen. Je hadt al veel eerder moeten wieden,” zei Dolf een beetje minachtend. „Jij laat alles altijd maar staan.” „Niet waar! Maandag heb ik er nog een hóóp uitgehaald en mijn violieren waren toch lekker veel mooier dan de jouwe.” „Och,” kwam Dolf weer, zijn schouders ophalend, maar Oom, die ineens van achter zijn courant opdook, maakte een eind aan de opkomende kibbelpartij door te zeggen: „Stil jongens! Wat moet Wies wel denken? Die is zulke kemphanen heelemaal niet gewend, of kibbel jij thuis wel eens met Broer, Wies?” „Nee,” lachte Wiesje. „Broer is nog veel te klein. Die kan nog niet eens praten.” „Nou maar, onze jongens kunnen mekaar geducht in de haren zitten. Ze meenen ’t wel niet zoo kwaad, maar ’t is toch niet heel aardig om aan te hooren. Dat zul je wel merken,” zei Oom met een plagend knipoogje naar Dolf en Bert, die groote happen van hun boterhammen namen en voor zich keken, want ze schaamden zich wel wat voor hun nichtje. Maar Wiesje lachte er om en na ’t ontbijt toen Oom zijn zieken ging bezoeken—hij was dokter op ’t dorp waar ze woonden—gingen ze met hun viertjes prettig buiten spelen. Ze schoten goed op samen. De jongens kibbelden wel eens af en toe—dat kónden ze nu eenmaal niet laten—maar ’t duurde nooit lang, of ze verzoenden zich weer met elkaar. De dag was om voor ze het wisten, en Wies schreef dien avond een langen brief naar huis, zoodat Vader en Moes den volgenden ochtend al met verheugde gezichten lazen van al de pret, die hun dochtertje daarginds had. En nu was ’t de avond van den vijfden dag, dien Wiesje bij Oom Willem en Tante Lida doorbracht. Meer dan een half uur geleden had Tante haar ingestopt en nóg kon Wiesje den slaap maar niet vatten. Telkens keerde ze zich om en om in ’t groote logeerbed.... Zelf wist ze maar al te goed wat er aan haperde.... Ze had iets heel leelijks gedaan, waar ze nu o, zoo’n spijt van had en ’t ergste was, dat Cobus de tuinmansjongen, er morgen waarschijnlijk de schuld van zou krijgen. Iedereen dacht dat hij ’t gedaan had. O, ’t was verschrikkelijk. Wiesje wist geen raad.... Zóó was ’t gebeurd. Ze speelden met hun vieren verstoppertje. Bert „was ’m” en omdat hij zoo gauw telde, waren Suus en Dolf en zij zoo hard ze konden ieder een anderen kant uitgehold. Wiesje, die ’t vlugst was, had zich verstopt achter in den tuin bij ’t schuurtje en Bert kón haar maar niet vinden. Die zocht alleen op plekjes dicht in de buurt en Wiesje had in zichzelf een pret van belang. Ze besloot nog een poosje rustig in haar schuilhoekje te blijven voor ze zich vertoonde, want hoe later je gevonden werd, hoe meer eer! Terwijl ze daar zoo stond, viel haar oog op den perzikboom, die tegen den muur van het schuurtje geleid was en waaraan een massa prachtige perziken zaten. De meeste waren nog niet heel rijp, maar juist onderaan hingen er een paar heerlijk in ’t zonnetje te stoven. Die zagen er net zoo rood en donzig uit als Wiesjes eigen wangen.... Ze ging er vlak bij staan, voelde er toen heel voorzichtig met één vinger aan.... Hè, die twee daar vlak tegen elkaar waren heelemaal warm van de zon.... Nog even voelen en Wiesje kwam er nog eens aan. Maar, o wee, daar ploften ze ineens allebei op den grond. Vlak voor Wiesjes voeten vielen ze in ’t gras. Haar hartje bonsde van schrik en haar wangen werden nog rooder dan de perziken. Zóó had ze ’t niet bedoeld, nee waarlijk niet! Wat zou ze doen? Ze stil in ’t gras laten liggen, of ze gauw naar Tante Lida brengen en eerlijk vertellen wat er gebeurd was? Ze raapte ze op, rook er eens aan.... Een had al een gekneusd plekje.... Het sap liep haar langs de vingers. Kom, er zaten nog zooveel perziken aan den boom. Ze kon deze eigenlijk best opeten. Een paar meer of minder gaf niks, niemand zou ’t merken.... Schuw keek ze om zich heen en ineens zette ze haar tanden in de overrijpe vruchten en at ze gulzig met schil en al op. De pitten, waarin ze zich bijna verslikte, wierp ze in ’t gras en haar mond en haar kleverige vingers veegde ze snel aan haar zakdoek af. Toen luidde de etensbel en ze holde naar huis op de verwonderde vragen: „Waar heb jij gezeten,” brutaalweg antwoordend: „Dat zeg ik nou ’s lekkertjes niet!” Maar aan tafel was ze stil geweest, had ze niet zoo flink gegeten als anders en de schrik sloeg haar om ’t hart, toen Oom tegen ’t theedrinken binnenkwam met twee perzikpitten in zijn hand. Je kon hem aanzien, dat hij heel ontstemd was. „Heeft iemand van jullie aan de perziken gezeten? Ik wou enkele mooie rijpe, die onderaan hingen en waar ik alle dagen een oogje op hield naar vrouw Bos brengen, die zoo ziek is, maar jawel, ze waren er af toen ik daarnet ging kijken en de pitten vond ik tusschen ’t gras. Er is dus iemand aan geweest. Een van jullie soms?” „Nee, Vader,” riepen de kinderen als uit één mond. „Nee Oom,” zei ook Wiesje. Ze kreeg een kleur als vuur en trilde op haar beenen, maar ’t begon al donker te worden en ze stond achter in de kamer. Niemand sloeg bizonder acht op haar. „’t Spijt me, dat ik zooiets denken moet, maar dan ben ik bang, dat Cobus ’t gedaan heeft. Hij deed den laatsten tijd zóó zijn best en ik vind ’t heel jammer, maar als hij niet van ’t fruit kan afblijven, zal ik genoodzaakt zijn ernstige maatregelen met hem te nemen.” „Hè,” zuchtte Tante, „’t zou wel heel ondeugend zijn van een jongen, die ’t zóó goed bij ons heeft.” „Nu, we zullen er niet verder op doorgaan voor ’t oogenblik. Cobus is al naar huis. Ik zal hem morgenochtend wel onder handen nemen,” zei Oom. „De kinderen wilden graag wat zingen, is ’t niet,” en Tante ging aan de piano zitten, terwijl Dolf met de muziek kwam aandragen. ’t Waren aardige, vroolijke liedjes en Wiesje kende er verscheidene van. Toch was ’t haar niet mogelijk mee te zingen; dan zou ze zeker zijn gaan huilen. Stil en lusteloos stond ze er bij. Ze dúrfde ’t niet zeggen, omdat ze zich zoo vreeselijk schaamde. Hoe ze zich den heelen avond had goedgehouden begreep ze zelf niet. Zelfs toen Tante Lida haar bij ’t toedekken vroeg: „Zeg, Wies, scheelt er iets aan? Je was zoo stil,” had ze geantwoord met haar hoofdje naar den muur gewend: „Nee, niks Tante, ik ben alleen erg moe.” Toen was Tante na haar een nachtzoen gegeven te hebben heengegaan, bij zichzelf denkend, dat ’t kind wel vreemd en stil geweest was den heelen avond en plotseling dacht ze met schrik aan die perziken.... Nee, dat kón niet zijn. Tot zoo iets was Wies niet in staat. Misschien verlangde ze naar huis. Ze was vroeger immers nooit alleen uit logeeren geweest. En toch.... Nu ze zou over een uurtje nog maar eens gaan kijken of Wiesje sliep en Tante Lida waschte den theeboel om en begon aan haar verstelwerk. Intusschen lag Wiesje boven te woelen in ’t groote bed. Van slapen kwam maar niets; hoe stijf ze haar oogen ook toekneep en hoe dikwijls ze tot zichzelf zei: „Nou wil ik er niet meer aan denken,” ze moest er aan denken, ze kón niet anders. Cobus zou de schuld krijgen van iets wat zij gedaan had. Misschien moest hij wel weg.... Cobus, die zoo aardig voor haar geweest was en haar bal tot tweemaal toe voor haar uit de sloot gevischt had, zelf gevaar loopend van er in te vallen. Ze zag Cobus’ verbaasde en bedroefde gezicht al, als Oom over de perziken zou beginnen. Oom zou hem toch niet kunnen gelooven als Cobus zei, dat hij ’t niet gedaan had.... O, ’t was vreeselijk! Ze huilde zachtjes met haar hoofd in ’t kussen, begon toen al harder, zoodat ’t bed schudde en haar sloop nat werd van al de tranen. Wat moest ze toch doen? O, was Moes maar bij haar. Aan Moes zou ze ’t wel durven zeggen, maar ze schaamde zich zoo voor Oom en Tante en voor Suus en de jongens, die ’t natuurlijk ook zouden weten. Nog nooit had ze zoo’n spijt, zoo’n verdriet gehad, als nu door haar eigen schuld. Langzamerhand werd ze toch wat kalmer. Ze zag duidelijk in, dat ze ’t moest gaan vertellen, al zag ze er nog zoo tegenop. Hoe eerder ze ging, hoe beter en net wou ze ’t dek wegslaan en uit bed komen, toen de deur geopend werd en Tante Lida zachtjes binnenkwam. Bevend zakte Wiesje achterover in ’t kussen, maar Tante sprak niet, ging alleen stil op den rand van ’t bed zitten, zei toen eindelijk heel zacht: „Wies, ik dacht, dat je me nóu misschien wel iets wilt zeggen.” En Wiesje, o zoo blij, dat Tante’s stem zoo vriendelijk klonk en dat ze nu zou kunnen uitspreken wat haar zoo bezwaarde, deed met een heesch stemmetje ’t heele verhaal. Tante liet haar vertellen, viel haar geen enkele maal in de rede. Ze vond ’t heel erg, maar had toch wel medelijden met Wiesje, omdat ’t kind zoo’n innig berouw toonde. „Gelukkig dat we ’t nu weten; anders had Oom Cobus morgenochtend onder handen genomen en hoe vreeselijk zou dat voor den armen jongen geweest zijn! Ga nu maar liggen, dan zal ik ’t wel vast voor je aan Oom zeggen. Morgen kan je er dan zelf met hem over praten,” zei Tante, Wiesjes verwarde haren gladstrijkend en Wiesje, moe van ’t huilen, liet zich gewillig instoppen en viel spoedig daarop vast in slaap. Den volgenden ochtend was ze al vroeg bij de hand, vóór de anderen nog gekleed waren en zoo gauw ze Oom naar beneden hoorde gaan, liep ze hem achterna, de studeerkamer in. „Oom,” begon ze bevend met neergeslagen oogen.... Oom nam Wiesjes gezicht tusschen zijn beide groote handen en zag haar ernstig, maar niet onvriendelijk aan, want hij begreep wel, dat ze heel veel verdriet had van hetgeen er was voorgevallen. Oplettend luisterde hij naar alles wat ze te vertellen had. Nee, Wiesje spaarde zichzelf niet. Ze zag wel in hoe groot haar schuld was en daarom zei hij maar niet veel en beloofde om ’t voor haar aan de kinderen te zeggen. Die moesten ’t natuurlijk weten, omdat ze er anders Cobus op aan zouden zien. ’t Was een moeilijk oogenblik voor Wies toen ze de tuinkamer instapte, terwijl de anderen, die ’t nu allemaal wisten, al aan tafel zaten. Onhoorbaar sloop ze naar haar plaats en niemand sprak een woord, totdat Dolf ruw-goedig ineens zei: „Wies, ’t was gemeen van je, maar je hebt ’t eerlijk bekend en dat vinden we flink,” en toen gaven ze haar alle drie een hand. Verder werd er niet meer over gesproken, maar vergeten kon Wies ’t natuurlijk niet. Enkele maanden later, ’t was op Sinterklaas-avond, kwam er een pakje voor Cobus, heelemaal uit Amsterdam. Er zat een keurig-gebreide bouffante in, waar hij dolblij mee was, maar hij is er nooit achter gekomen, wie hem die gestuurd heeft. *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78337 ***