*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78680 *** LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE. NO. 46 VEREENIGING TER BEVORDERING DER GOEDE ZEDEN. VEREENIGING TER BEVORDERING DER GOEDE ZEDEN EERSTE HOOFDSTUK. BAXTER WORDT PRESIDENT. De inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, de almachtige chef van de Londensche recherche, was zeer ontstemd op zijn bureau gekomen en ergerde zich, omdat zijn secretaris Marholm, of zooals de Londensche misdadigers hem noemden, de Vloo, niet aanwezig was. Zelfs het genot van zijn pijpje kon hem niet in de goede stemming terugbrengen. Onmiddellijk drukte Baxter op het knopje van de electrische bel op zijn schrijftafel, waarop uit het aangrenzende vertrek een der dienstdoende agenten binnentrad. „Waar is secretaris Marholm?” snauwde Baxter hem toe. Het antwoord luidde: „Secretaris Marholm heeft een brief gezonden, die op de schrijftafel van den inspecteur ligt”. Terwijl de politieagent nog wachtte, opende Baxter den brief en las: „Waarde inspecteur! De vorige week zijt gij drie dagen ziek geweest en ik moest toen uw dienst alleen waarnemen. Daar het vandaag ook zulk prachtig weer is, neem ik de vrijheid, eveneens ziek te zijn en verzoek u mijn werk er bij te willen doen. Met beste groeten. Marholm.” Een oogenblik staarde Baxter onafgewend naar den brief. Daarop barstte hij los: „Een dergelijke onbeschaamdheid heb ik nog nooit beleefd. Deze brutaliteit overtreft alles! Daarenboven ligt er hier een hoop werk voor hem. Dat zou hij wel willen, dat ik ging zitten om zijn werk te doen! „De duivel hale dien kerel, ik zou graag een anderen secretaris willen hebben, maar helaas — —” Hij zuchtte woedend. „Ik kan onder die domme beambten geen enkelen vinden, die in staat is een acte te schrijven, die leesbaar is en zonder taalfouten.” „Met woest rollende oogen wendde hij zich tot den bij de deur staanden politieagent: „Zend onmiddellijk mijn secretaris naar het bureau!” „Tot uw dienst, inspecteur!” klonk het terug. Baxter ging nu aan zijn schrijftafel zitten en begon de ingekomen stukken te lezen. De tweede brief, dien hij opende, droeg het gedrukte opschrift: „Vereeniging ter bevordering der goede zeden. Geachte heer! Ondergeteekende, president Sir Edwin Harper, heeft de eer u te verzoeken, tweede voorzitter te worden van de Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland. Zooals u waarschijnlijk bekend is, staat onze Vereeniging onder bescherming van Z. K. H. den hertog van Norfolk. Onder zijn voorzitterschap heeft aanstaanden Donderdag een feestmaal plaats ter viering van het tienjarig bestaan, in hotel Cecilia. De president is zoo vrij, u tot dezen feestmaaltijd uit te noodigen en verzoekt u op de bijeenkomst den hertog van Norfolk te willen mededeelen, dat gij het tweede voorzitterschap aanvaardt. Een eeretoelage van 500 pond sterling per jaar is aan deze betrekking verbonden, ten einde de onkosten te dekken, welke de werkzaamheden medebrengen. Op voorstel van verschillende onzer leden is de keus op u gevallen voor het vervullen van deze betrekking en het zou ons verheugen, een toestemmende beslissing te mogen vernemen. De president Edwin Harper.” De misnoegde uitdrukking was van het gelaat van den inspecteur verdwenen. Zijn ijdelheid was door dit aanbod in de hoogste mate gestreeld en zacht mompelde hij: „Natuurlijk neem ik dat aan! Ik zou wel dwaas zijn, als ik het afsloeg! Men moet altijd trachten, relaties te krijgen met menschen, die hooger staan dan wijzelf en de hertog van Norfolk is, voor zoover ik weet, een intiem vriend van den koning. Ik zal den president onmiddellijk antwoorden. — — „Marholm!” Hij keek paar de ledige plaats van zijn secretaris en had geheel vergeten, dat deze niet aanwezig was! Hij keek weer ontstemd en vloekte: „Het is eenvoudig ongelooflijk. Altijd als men dien man noodig heeft, is hij er niet. „De duivel moge hem halen! „Er zal mij niets anders overblijven dan den president zelf te schrijven.” Hij nam een vel papier, doopte zijn pen in en dacht na. Na eenige minuten begon hij: „Hooggeachte heer president!” Verder kwam hij niet. „Als ik nu maar wist, of de president dit kan lezen. Het is echter mijn schuld niet, maar die van mijn leeraren, die het mij niet beter hebben geleerd. „Ik betwijfel werkelijk, of iemand het zal kunnen lezen,” mompelde hij nadenkend. „Ik zal het nog eens probeeren!” Hij nam een ander velletje en begon opnieuw, zorgvuldig de pen hanteerend: „Hooggeachte heer president!” Daarop vergeleek hij de beide stukken met elkaar en bekeek ze op eenigen afstand. Geen der twee vond hij goed genoeg en beide zoo onleesbaar, dat alleen hij, die het had geschreven, het lezen kon. Het waren merkwaardig onduidelijke letters, die hem toegrijnsden. Opnieuw begon hij op Marholm te vloeken, daarop nam hij, om zijn woede te luchten, de beide velletjes papier, kneep ze in elkaar en slingerde ze in de papiermand. Op dit oogenblik werd de deur geopend en de vurig verlangde Marholm trad met een glimlach op het gelaat de kamer binnen. „Goeden morgen, inspecteur”, riep hij, „wat is er aan de hand?” „Voor den duivel, Sir!” schreeuwde Baxter, „wat bezielt je eigenlijk? Ik ben verbaasd over zooveel brutaliteit, hoe durf je het wagen?” „Ik ben ziek,” antwoordde de Vloo, steeds vroolijk glimlachend. „Ziek? Zijt gij ziek? Gij straalt van gezondheid en lacht zoo vroolijk, alsof gij van het een of andere prettige feestje kwaamt. Welke ziekte hebt gij? Wilt gij mij dat eens opgeven?” „Jawel,” antwoordde Marholm lachend, „ik heb rheumatiek!” „Rheumatiek?” vroeg Baxter. „Al hadt gij dat, dan zou dat nog geen reden zijn om uit het bureau weg te blijven.” „Natuurlijk,” antwoordde de secretaris, „ik ben niet in staat om dienst te doen.” „Hoor eens,” schreeuwde de inspecteur, „als alle menschen, die rheumatiek hebben, zoo flink op hun beenen staan als gij, dan zou ik die kwaal wel willen hebben.” „Wie zegt u, dat mijn knieën niet knikken?” vroeg de Vloo. „Waar hebt u pijn?” „In den arm!” „In welken? Toch niet in den rechter?” „Ik had nooit gedacht, dat gij zoo goed zoudt kunnen raden,” lachte Marholm. Baxter sloeg met zijn vuist op de schrijftafel. „Gij wilt mij zenuwachtig maken, man, gij liegt natuurlijk!” „Volstrekt niet,” klonk het op drogen toon. „Ik kan geen pen vasthouden. Ik kan mijn eigen naam niet eens zetten!” „Een mooie toestand!” kermde Baxter, „maar—” zijn gelaat helderde plotseling op— — Hij ging naar Marholm toe en hield hem, zooals hij dat gewend was, bij een van zijn jasknoopen vast. „Luister eens, Marholm,” sprak hij, terwijl hij den knoop begon rond te draaien. „Ja, ik luister,” antwoordde de Vloo, „maar ik verzoek u vriendelijk, mijn knoop te laten zitten!” „Gij zijt een slecht mensch,” sprak Baxter, „ik heb u op bedrog betrapt!” „Nonsens!” riep de secretaris uit. „Ik zal er niet invliegen. Gij wilt zeker probeeren, mij beet te nemen.” „En toch is het waar?” De Vloo keek ongeloovig en haalde de schouders op. „Wilt gij mij eens verklaren,” vervolgde de inspecteur, „als gij rheumatiek in den rechterarm hebt en geen pen kunt hanteeren, wie dan hedenmorgen dien brief voor u heeft geschreven?” „Wel, ikzelf natuurlijk,” antwoordde de secretaris. „Allright,” knikte Baxter, „en gij wilt mij wijsmaken, dat gij rheumatiek in den rechterarm hebt? Neen, mijn waarde heer! Wie zulke brieven kan schrijven, lijdt daar niet aan. Neem nu aan de schrijftafel plaats en schrijf, wat ik u zal dicteeren.” „Onmogelijk,” antwoordde de secretaris hoofdschuddend. „Toen ik den brief schreef, had ik nog geen rheumatiek, maar een zeker geprikkel in de vingertoppen voorspelde mij, dat ik het zou krijgen en dat is uitgekomen ook!” „Gij zijt onverbeterlijk!” Deze woorden warden met groote zelfbeheersching uitgesproken want de chef van Scotland Yard spande zich in om niet woedend te worden, omdat hij brandde van verlangen om den brief aan den president te dicteeren. „Maar,” vervolgde hij. „Misschien staat uw ziekte u toe, een klein briefje voor mij te beantwoorden. Lees eens, welk schrijven ik ontving.” Hij overhandigde Marholm den brief en terwijl deze las, stak hij een sigaar op. Zoodoende kon hij het vroolijke lachje niet zien, dat bij het lezen van den brief om den mond van de Vloo speelde. Marholm legde den brief neer en trok zijn overjas uit. Toen Baxter dat zag, kwam een zucht van verlichting over zijn lippen. „Als gij werkelijk rheumatiek hebt, mijn beste Marholm,” sprak hij op vaderlijk bezorgden toon, „dan verzoek ik je om, nadat je dezen brief hebt geschreven, weer naar huis te gaan. Gij kunt dan morgen wel inhalen, wat er vandaag te doen was. „Ik weet uit eigen ervaring, hoe men onder die ziekte kan lijden. „Dus, zooals afgesproken, gij zult den brief voor mij schrijven, nietwaar?” „Als gij het wilt aannemen, ben ik er gaarne toe bereid.” Marholm sprak op een eigenaardigen, ironischen toon, maar Baxter merkte het niet. Hij zette zijn borst vooruit en begon te dicteeren: „Hooggeachte heer president! Uw aanbod om het tweede voorzitterschap der Vereeniging ter bevordering der goede zeden aan te nemen, is mij een buitengewone eer. Ik ben gaarne bereid erop in te gaan. Niet alleen ter wille van het aangename gezelschap en de relatie met mannen uit de hoogste kringen, welke deze positie meebrengt, maar vóór alles, omdat ik zelf sinds jaren een ijverig voorstander ben van deugd en zedelijkheid.” — —„Au!”— —riep Marholm op luiden toon, zoodat zijn chef verbaasd opkeek. „Wat is er?” vroeg Baxter verschrikt. „Mijn rheumatiek werd veel erger, inspecteur en ik heb op deugd en zedelijkheid een groote inktvlek laten vallen. Nu moet ik den brief nog eens schrijven!” „Wees toch voorzichtig,” sprak de inspecteur. „Gooi geen vlekken op deugd en zedelijkheid. Hebt gij nog zoo’n pijn, wacht dan liever even— —Maar—waarom lacht gij eigenlijk?” „Dat doe ik om mijn pijn te verbijten,” antwoordde Marholm. „Wacht dus een oogenblik, inspecteur, totdat ik den brief overgeschreven heb.” Na eenige minuten, terwijl Baxter nieuwsgierig toekeek, of de brief niet weer door inktvlekken bezoedeld werd, had de secretaris den laatsten zin geschreven, waarna hij op het verdere wachtte. Zijn chef kuchte en begon verder te dicteeren: „Met alle kracht doe ik mijn best om de onzedelijkheid in Londen uit te roeien!”— — — „Ha, ha, ha, ha, ha,” klonk het van Marholms lippen, zoodat Baxter verbaasd uitriep: „Mijn hemel, wat hebt gij toch!” „Ha, ha, ha, ha”, lachte Marholm, „o, inspecteur, die vervloekte rheumatiek......” „Maak mij toch niet zoo verschrikt! Roep dan liever: Au!” „Dat gaat niet!” antwoordde de Vloo. „Als ik „au!” roep, dan maak ik weer kladden!” „Nu—verder!” sprak Baxter, hoofdschuddend. „Ik zal Donderdag gedurende het diner in hotel Cecilia de eer hebben, persoonlijk met u kennis te maken en verblijf hoogachtend Baxter, Inspecteur van politie, chef van het hoofdbureau Scotland Yard.” Met een tevreden glimlach nam Baxter nu den brief van de schrijftafel, las hem nog eens door, sloot hem in een couvert en sprak: „Schrijf nu het adres.” „Ja, mijnheer de voorzitter,” knikte de Vloo. „Wat?” vroeg Baxter. „Hoe noemt gij mij?” „Wel, gij zijt nu immers: Voorzitter der Vereeniging voor deugd en zedelijkheid?” „Zeer zeker,” antwoordde Baxter, „maar nog buiten dienst!” „Juist!” lachte de Vloo, „dat had ik bijna vergeten! Met den dienst hebben deugd en zedelijkheid niets te maken!” „Gij kunt wel heengaan!” Met deze woorden draaide Baxter hem den rug toe en met een vlugheid, die volstrekt geen rheumatiek deed vermoeden, nam Marholm zijn jas van den kapstok en ging heen. Eenigen tijd later verliet ook de tweede voorzitter der Vereeniging ter bevordering der goede zeden het hoofdbureau van politie, om den brief persoonlijk op de post te bezorgen. TWEEDE HOOFDSTUK. EEN FEESTAVOND. In hotel Cecilia was in een der zalen de tafel gedekt voor de leden van de Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland en de gasten zaten in feestgewaad met witte, driekantige mutsen op het hoofd, witte schorten, waarop in gouden letters „deugd” was geborduurd en witzijden, breede linten over de borst, waarop in roode zijde het woord „zedelijkheid” was aangebracht, rondom de tafel, aan wier hoofd het eerelid de hertog van Norfolk, presideerde. Aan zijn rechterzijde zat de voorzitter, Sir Edward Harper en daarnaast de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard. Om de vergadering te openen nam de voorzitter het woord en hield, onder diep stilzwijgen der aanwezigen, de volgende rede: „Hooggeachte leden van onze Vereeniging! „Ik heet u allen welkom en ben verheugd, dat gij in zoo grooten getale zijt verschenen om door trouwen arbeid ons werk voort te zetten.” Een algemeen handgeklap volgde op deze woorden. Daarop vervolgde hij: „Gij ziet hier aan mijn zijde den hooggeachten inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, op wien onze keus is gevallen voor de functie van tweeden voorzitter onzer Vereeniging.” Wederom weerklonk luid en langdurig applaus, waarop Baxter gevleid boog. De president veegde met zijn servet het zweet van zijn vet gezicht en keek met een vriendelijk lachje, zoodat zijn wangen nog dikker schenen, naar Baxter, terwijl hij sprak: „Ja, hooggeachte heeren leden! Onze keus is een uitstekende geweest, want Sir Baxter heeft, hoewel hij niet behoorde tot onze Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland, reeds oneindig veel goeds gedaan. „Gij weet, dat hij onze theaterstukken heeft te beoordeelen, dat de censuur bij hem berust, dat hij moet beslissen, of een dergelijk stuk zedig en niet van verderfelijken invloed is. „Wij danken onzen hooggeachten inspecteur Baxter de betere handhaving der censuur in Engeland en wij hebben het steeds vol vreugde aangezien, wanneer wederom een van de vele stukken, die voedsel geven aan de wellust en de echtbreuk in de hand werken, of wel een loflied zingen voor de ondeugd, verboden werd.” „Bravo! Bravo!” klonk het van alle kanten en Baxter maakte weer een diepe buiging. „Het is te hopen,” vervolgde de president, „dat wij onder de leiding van inspecteur Baxter nog strenger en energieker onzen veldtocht tegen de onzedelijkheid zullen kunnen houden. „In de eerste plaats moet op krachtige wijze gestreden worden tegen de vergiftiging van onze jeugd, van politiewege moet toezicht worden gehouden op de lectuur voor onze jongens en meisjes. „Hoeveel kwaad wordt hierdoor berokkend? „Een geheel leger misdadigers wordt telken jare op deze wijze aangekweekt. „Inspecteur Baxter zal dit wel met ons eens zijn en zijn ervaringen in Scotland Yard zullen het bewijs leveren— — — „Niet waar, inspecteur?” Baxter had slechts met een half oor naar de laatste woorden geluisterd en antwoordde met een vriendelijk lachje: „Gij hebt gelijk, mijnheer de voorzitter. Bij mij in Scotland Yard worden dergelijke boeken ook gelezen”. Doodelijke stilte volgde. Het gelaat van den president geleek op dat van zijn Chineesch afgodsbeeld, toen hij vroeg: „Hoe, mijnheer de inspecteur! versta ik u goed? Men leest ze bij u in Scotland Yard?” Eerst nu bemerkte Baxter, dat hij zich op glad ijs had begeven. „Ja!” knikte hij en vervolgde: „Helaas! Men leest ze!” „O, wat een schande!” zuchtte de president en de geheele vergadering zuchtte. Daarop vroeg Sir Harper: „En de misdadigers, die gij gevangen neemt...?” De Vloo zou gezegd hebben: „Eerst moeten wij ze te pakken kunnen krijgen.” Maar Baxter antwoordde: „De misdadigers worden allemaal achter slot en grendel gebracht!” „Neen, neen,” sprak de president, „ik bedoel of die misdadigers ook dergelijke boeken lezen?” „Welneen, dat is onmogelijk,” antwoordde Baxter, „ik kan u bezweren, mijne heeren, dat zij dergelijke boeken niet te lezen krijgen. Zulke lectuur is in de gevangenisbibliotheek niet voorhanden.” „Gij begrijpt mij verkeerd,” riep de president uit. „Ik wensch te weten, of de gevangenen niet vóór hun arrestatie die boeken hebben gelezen en daardoor op het slechte pad zijn gekomen. In de laatste verhandelingen van de politiebladen gaven de misdadigers het lezen van dergelijke boeken steeds op als verontschuldiging voor hun daden.” „Dan liegen die kerels,” sprak Baxter, „want nog pas eenige dagen geleden vertelde mijn secretaris mij, dat hij tot zijn groote ergernis die boeken altijd moest koopen. Geen enkele van de schurken, die opgebracht werden, had er een bij zich. „Ik moet bovendien den geachten voorzitter op dit punt tegenspreken! „Mijn beambten zijn ontegenzeggelijk nette menschen en lezen toch, zooals ik nogmaals moet constateeren, bij voorkeur spannende verhalen. In alle bureaux van Scotland Yard vind ik ze.” „Dat is merkwaardig. Daarvan wisten wij niets,” merkte Sir Harper verbaasd op. „Die misstand moet onmiddellijk worden opgeheven, inspecteur! Uw beambten moet leerzame en hoogstaande lectuur worden verstrekt. Wij zullen u morgen uit onze bibliotheek een groot aantal van zulke boeken doen toekomen! „En om nu op een ander onderwerp over te gaan: door Zijne Hoogheid den hertog van Norfolk is de volgende wensch geuit: „De hertog beveelt om het dorp Sandram in Schotland onder streng politietoezicht te stellen, opdat er een eind kome aan de daar heerschende ontucht.” „Wat is daar dan voorgevallen?” vroeg een der leden, die aan het ondereind van de tafel zat, waarna alle aanwezigen in een luid gelach losbarstten. „Sir,” antwoordde de president, „weet gij niet, dat uit het dorp Sandram alle minnen voor het geheele koninkrijk komen? Hebt gij nog nooit een min noodig gehad?” „Neen, het spijt mij, maar ik ben ongehuwd,” antwoordde het lid der Vereeniging. „Dus,” vervolgde de voorzitter, „het kweeken van minnen, of liever de ontucht moet eindigen in dat dorp.” „Ja, maar,” opperde een der leden, „wat moet men dan doen, als men er een noodig heeft in zijn familie?” Nu stond de hertog op, klemde zijn monocle in de holte van zijn rechteroog en sprak langzaam en op plechtigen toon: „Sir, dan behelpt men zich zonder min. Er zijn, zooveel middelen, welke dagelijks worden geannonceerd, dat het ten eenemale overbodig is, een kind door een min te laten grootbrengen. Ik verzoek nogmaals de geachte vergadering om mijn wensch, de minnen uit te roeien, te willen vervullen.” „Laten wij het voorstel van Zijne Hoogheid in stemming brengen,” sprak de voorzitter. Voor dit doel moesten de leden, die er vóór waren, van hun zetels opstaan. Allen verhieven zich.— Ook de ongehuwden. Zijne Hoogheid knikte met een tevreden glimlachje en de voorzitter sprak: „Het voorstel van Zijne Hoogheid is met algemeene stemmen aangenomen. „Als verder onderdeel onzer besprekingen komen de advertenties in de kranten aan de orde en moeten wij een wet in het leven zien te roepen om hieraan een einde te maken. „Geheele pagina’s onzer dagbladen zijn gevuld met afschuwelijke onzedelijkheid. „In de eerste plaats zijn het de advertenties van onze gummifabrikanten, verder die betreffende geneesmiddelen voor allerlei geheime ziekten, gevolgen van jeugdzonden en dergelijke, in de derde plaats de advertenties, waarin men onze dames een schoonen boezem wil bezorgen. „Ik bid u, mijne heeren, werkt niet reeds het woord boezem onzedelijke voorstellingen op? „Men kan gerust aannemen, dat dergelijke aankondigingen verderfelijk op onze jeugd werken en aanleiding geven tot allerlei ondeugden. „Er moest dus voor gezorgd worden, dat door de een of andere wet deze advertenties worden verboden en dat de kranten, die ze toch publiceeren, met een hooge geldboete of met de gevangenis worden gestraft. Ik verzoek u, dit voorstel in stemming te willen nemen”. Weer stonden alle aanwezigen op. De president vervolgde: „Zeer zeker zijn de kranten—uitgezonderd de berichten omtrent het hof en de politiek—het verderf van onzen tijd. Alle soorten misdaden, ik noem bijvoorbeeld de vergoding van John Raffles— — —” „Zeer juist!” riep Baxter uit. De president zag zich genoodzaakt om te herhalen: „De vergoding van John Raffles. Het beschrijven van allerlei wandaden is gevaarlijker dan alle mogelijke sensatieromans, want bij deze laatste twijfelt men er aan, of dat, wat men leest, tot de mogelijkheden behoort, maar wat in de kranten staat, is helaas werkelijkheid. „Ik bid u, mijne heeren, welken invloed moet het hebben op het karakter van een jong meisje van tien jaar, wanneer het des morgens in de kranten leest over een vergrijp tegen de goede zeden of op een jeugdigen knaap, die op de hoogte wordt gesteld van de intimiteiten uit het particuliere leven van de een of andere hooggeplaatste persoonlijkheid! Is het niet waar, mijne heeren, dat is een groot schandaal, het is publieke onzedelijkheid, welke voor iedereen te lezen staat. „Aan dit alles moet een einde worden gemaakt en daarover wenschte ik te beraadslagen.” De hertog stond op en allen luisterden vol eerbied. „De oplossing van dit vraagstuk zou heel eenvoudig zijn”, sprak hij, „wanneer er geen misdaden meer gepleegd werden.” „Bravo! bravo!” riepen de aanwezigen, terwijl de spreker weer plaats nam. „Heeft nog iemand zijn oordeel hierover uit te spreken?” vroeg de voorzitter en daar niemand het waagde, na den hertog nog iets in het midden te brengen, verklaarde de voorzitter het zakelijke gedeelte voor afgedaan en gaf tot algemeene vreugde het teeken om te gaan eten. Met een honger als wolven wierpen allen zich op de voorgediende spijzen. Na korten tijd stond de hertog op en verliet het gezelschap. Eerst nog had hij Baxter, als hooge onderscheiding, een handdruk gegeven en deze voelde zich hierdoor zoo vereerd, dat hij vol diep respect naar zijn hand keek. Nadat de hertog was vertrokken, begon volgens Engelsch gebruik een zwelgpartij. Het was reeds na middernacht, toen Baxter, arm in arm met den president, het hotel verliet om zich op straat te begeven. „Gaat gij al naar huis?” vroeg Sir Harper den inspecteur. „Ik ben gewend”, antwoordde deze, „bijtijds te gaan slapen. Mijn dienst is inspannend!” „Kom!”, lachte de president, „dan maakt gij heden een uitzondering. Ik ken hier in de buurt een klein Fransch restaurant, waar uitstekende champagne wordt geschonken en waar men zich kostelijk amuseert. Gij moet dat leeren kennen.” „Natuurlijk!” antwoordde de chef van Scotland Yard, „als gij erop gesteld zijt, dat ik u vergezel. Ik ben geen spelbreker.” Zij behoefden niet ver te loopen en gingen van het Strand een kleine zijstraat in. Zij bleven staan voor een huis, waaraan in geen enkel opzicht te zien was, dat er nog leven in heerschte. Aan de deur bevond zich een ouderwetsche klopper, dien zij meermalen in beweging moesten zetten. Na eenig wachten werd de deur geopend en een oude man, die er uitzag als een kamerdienaar, maakte een buiging en sprak in het Fransch: „Goeden avond, heeren!” Daarop gingen zij binnen, terwijl de bediende de deur geruischloos achter hen sloot. Beide heeren ontdeden zich in de deftig ingerichte, met zware tapijten belegde voorkamer van hun overjassen en Baxter hoorde het gedempte lachen van vrouwenstemmen, het klinken van wijnglazen en de zachte, welluidende tonen van een Zigeunerkapel. Baxter keek verbaasd om zich heen, wat de president zag. „Ja, ziet gij, mijn waarde”, sprak deze, terwijl hij voor een der spiegels zijn haar in orde maakte, dat zich uiterst spaarzaam op zijn spiegelgladden schedel vertoonde, „telkens na zulk een vermoeiende vergadering voel ik er behoefte aan, mij een kleine afleiding te gunnen. Ik verzeker u, dat gij u heerlijk zult amuseeren in dezen kleinen tempel.” Hij nam Baxters arm, de kamerdienaar, die eerbiedig bij een met Perzische gordijnen versierde deur stond, sloeg de portières terug, opende een kleine vleugeldeur en beide heeren traden een salon binnen. Daar wachtte een andere bediende, die ook een buiging maakte en hun tegelijkertijd een zilveren blad voorhield. „O, drommels”, mompelde Baxter, „ik heb geen visitekaartje bij mij.” De president lachte. „Een visitekaartje? Neen, mijn waarde, dat is ook niet noodig, maar een bankbiljet van een pond. Mocht gij er geen bij u hebben, dan ben ik bereid, u er aan te helpen.” Terwijl de inspecteur zijn portefeuille te voorschijn haalde om het verlangde geld op het blad te leggen, fluisterde hij: „Tot welk doel betaalt men hier?” „Dat zult gij dadelijk in de zaal wel zien. Ik verzeker u, mijn beste heer, dat het er heerlijk is.” Hij trok Baxter met zich mee. De portière van een tweede deur werd weggeslagen, een vleugeldeur geopend en beide heeren traden een schitterend verlichte zaal binnen, waar bij de muziek van een kleine kapel verscheiden paren dansten, terwijl rondom aan de muren uit een menigte nissen het vroolijke lachen en schertsen van dames en heeren weerklonk. Overal brandden roode lampen en stonden rijk bekleede fauteuils. Eenige der intiemste plekjes waren door blauw fluweelen gordijnen aan de blikken der gasten onttrokken, andere waren half of gedeeltelijk geopend en Baxter zag daarin alleenzittende dames, die hem met haar waaier wenkten en hem allerliefst toelachten. De president scheen hier een bekende persoonlijkheid te zijn. „Er moeten hier een paar nieuwelingen zijn”, fluisterde hij den inspecteur toe. „Luister naar mijn raad en neem niet een der oudjes. Ziet gij daarginds dat kleine zwartje, dat is een nieuwe. Hoe vindt gij haar? Of houdt gij meer van blondines met rijpere vormen?” Baxter wist van verbazing niet wat hij zou antwoorden. Zonder dat hem verder iets werd gevraagd, schoof de president hem naar een dame en sprak: „Lady, het zal dezen heer een genoegen zijn, met u te soupeeren.” Hij zelf verdween in een der nissen. Toen de inspecteur vele uren later in een cab naar huis reed, had hij zooveel champagne gedronken, dat hij in de beste stemming zachtjes zong en eerst toen hij thuis was, herinnerde hij zich, dat hij om 6 uur des morgens dienst had en dat het nu tien minuten vóór 5 was. Zoo goed als het hem mogelijk was, trok hij zijn frack uit en kleedde zich in zijn dienstjas. In hetzelfde rijtuig, dat hem naar huis had gebracht, liet hij zich naar het hoofdbureau van politie brengen. De Vloo had juist een kopje morgenkoffie voor zich staan en een pijpje gestopt, toen Baxter binnentrad. Hij had moeite, op de been te blijven en liep waggelend naar zijn schrijftafel. „Wel, inspecteur”, riep de Vloo lachend, „waar komt gij vandaan?” „Gij moet mij vervangen”, stotterde zijn chef met moeite. „Gij weet immers, dat ik vergadering had van de Vereeniging voor ontucht van minnen en gummi-artikelen—en—en—en— — —” Marholm lachte luidkeels, maar antwoordde niet. „Ik zal u later alles vertellen...... voorloopig moet ik slapen, mijn lieve Marholm.” Hij liet zich door de Vloo naar de kleine kamer naast het bureau brengen, waar een lederen sofa stond en nauwelijks lag hij, of hij sliep ook al. Marholm echter sprak tot zichzelf: „Jammer, dat John Raffles den inspecteur van politie niet heeft gezien; wat zou hij een pret hebben gehad!” DERDE HOOFDSTUK. HET KLAVERBLAD VAN VIER. Lord Edward Lister, of, zooals hij zichzelf noemde, John C. Raffles, was juist met zijn vriend Charly Brand, die reeds verscheiden jaren zijn assistent was en den Grooten Onbekende als zijn meester beschouwde, van een Europeesche reis naar Londen teruggekeerd. De deftige kleine villa in Hydepark, welke hij onder den naam van baron Walkerfield had gehuurd en volgens zijn smaak op voorname manier ingericht, was door den kamerdienaar, den ouden Joe, op voorbeeldige wijze onderhouden. Met een verheugden glimlach had hij zijn heer ontvangen, die zich gedurende verscheiden weken in Parijs had opgehouden. „Nu zijn wij weer thuis, mijn jongen”, sprak John Raffles tot Charly Brand. „Ik moet je eerlijk bekennen, dat ik altijd, als ik eenige maanden uit Londen weg ben geweest, heimwee naar onze stad krijg met haar rustelooze menschenmassa.” Charly Brand zette een nadenkend en zeer ontevreden gezicht. „Ik moet zeggen”, sprak hij, een sigaret aanstekende, „dat ik altijd verlang naar den dag, waarop je mij mededeelt, dat wij Londen gaan verlaten. Ik sidder op dezen bodem, die altijd gevaar voor jou oplevert.” John Raffles lachte vroolijk. „Je bent toch niet bang voor inspecteur Baxter?” Hij nam zijn sigarettenkoker en stak er ook een aan. „Mijn beste jongen, die krenkt mij geen haar. Hij is blij, dat ik hem niets doe.” „Wie weet”, antwoordde Charly, „misschien heeft hij je met opzet jarenlang van een zekere veiligheid laten genieten om er zich op een goeden dag, als hij ze gevangen heeft genomen, op te kunnen beroemen, dat het alleen hem, den alom gevreesden inspecteur Baxter van Scotland Yard, is gelukt, om jou den genialen amateur-roofridder, eindelijk onschadelijk te maken.” „Geloof je dat werkelijk, mijn beste, jongen?” vroeg zijn vriend. „Ik verzeker je, zoolang als ik op kalme wijze mijn eigenaardige sport blijf uitoefenen, is mijn beroep absoluut ongevaarlijk. Alleen dan wordt het een halsbrekend bedrijf, als ik lichtzinnig ga handelen. „Dan gebeurt mij precies hetzelfde als dat elken zakenman of burger passeert: ik ga over den kop!”— — John Raffles nam, nadat hij deze woorden had gezegd, aan de groote empire-schrijftafel plaats en begon een mededeeling te schrijven aan zijn club, waarvan hij lid was, eveneens onder dien naam van baron Walkerfield, dat hij weer van zijn reis was teruggekeerd. Charly Brand had zich intusschen met de kranten bezig gehouden, welke juist door den kamerdienaar waren gebracht en las de nieuwstijdingen. Toen zijn vriend den brief af had, belde hij en gaf een kamerdienaar den brief ter bezorging. Daarop nam ook hij de kranten en vroeg of Charly iets interessants had gevonden. „Steeds hetzelfde,” antwoordde deze, „dezelfde misdaden, dezelfde ongelukken, dezelfde sportberichten. Alleen de namen der persoonen veranderen. Er is niet veel nieuws onder de zon.” „Stop!” riep Raffles. „Jij bent nog een onervaren jongmensch, mijn lieve Charly. Er is een groote massa nieuws, waarvan wij soms niet het flauwste vermoeden hebben.” Hij bladerde daarna de kranten door en sprak daarop, met een blik op het blad, dat Charly in de hand hield: „Je hebt daar zeker het blad, waarin de nieuwtjes staan uit de Londensche hoogere kringen. Geef het mij eens.” Charly Brand blies met aandacht den rook van zijn sigaret in de lucht, nadat hij zijn vriend het nieuwsblad had gegeven, en sprak: „Je bent een eigenaardig mensch, lieve Edward; ieder ander leest eerst het werkelijk interessante, wat er in de wereld voorvalt: politiek—eventueele oorlogsberichten en dergelijke. Jij daarentegen— —” „Wees maar gerust”, viel John Raffles hem in de rede. „Je jeugd speelt je alweer parten. Ik verzeker je, mijn jongen, deze schijnbaar droge berichtjes, die mij vertellen, dat lord X met de dochter van den Amerikaanschen beurskoning Smith uit Chicago is getrouwd, of dat mevrouw v. Z. een eisch tot echtscheiding heeft ingediend tegen haar echtgenoot, of dat de eigendommen van den Schotsen baron Y. zijn verkocht—al die berichten zijn voor mij veel interessanter dan wat de kranten verder op uitvoerige wijze hun lezers vertellen. Dat, wat jij daar leest is voor de alledaagsche groote massa. „Maar deze klein gedrukte mededeelingen zijn de werkelijk groote treurspelen, welke in het geheim worden opgevoerd. „Toe, stoor mij nu eens een oogenblik niet.” Hij nam de krant en begon te lezen. Nauwelijks had hij een paar seconden lang de berichten doorgekeken, of hij liet plotseling het blad vallen en brak los in een luid gelach. Charly Brand sprong verschrikt op en liet zijn sigaret vallen. „Wat is er, Edward? Je doet mij werkelijk schrikken!” „Neen maar, het is kostelijk, lieve Charly!” riep John Raffles uit. „O, wat ik hier heb gelezen— —Je moet dit bericht uitknippen.” „Allright!” sprak Charly Brand. Hij hield namelijk reeds jarenlang als secretaris van zijn vriend een archief bij, waarin hij alle berichten uit de kranten verzamelde, evenals alle mogelijke mededeelingen en opmerkingen, welke op eenigerlei wijze betrekking hadden op Raffles en welke hij alle zorgvuldig registreerde. John Raffles had het bericht nogmaals gelezen en lachte opnieuw. „Zou je mij niet willen vertellen,” vroeg Charly Brand, „waarom je zoo vroolijk bent? Je schijnt buitengewoon veel plezier te hebben.” „Zeker,” lachte John Raffles. „Alleen de Engelsche natie bezit zulke grappenmakers, zulke komieke lui, onze Falstaffs, zooals Shakespeare ze heeft geteekend. „Een type daarvan is onze politie-inspecteur Baxter! „Luister eens, wat hier staat: De Vereeniging ter bevordering der goede zeden in Engeland vierde eergisteren in hotel Cecilia haar tienjarig bestaan— —mooi, he?” Charly Brand antwoordde glimlachend: „Ik heb nog nooit iets gehoord van het bestaan eene dergelijke vereeniging.” „Ik ook niet,” antwoordde Raffles, „en ik had ook nu misschien nog niets erover gelezen, wanneer een naam mijn aandacht niet had getrokken. „Deze naam is het grappige van de geschiedenis. „Luister naar hetgeen hier verder staat: „Op den feestavond, waaraan ook werd deelgenomen door den beschermheer der Vereeniging, den hertog van Norfolk, werd door den president Sir Edwin Harper, den nieuwen tweeden voorzitter der Vereeniging geïnstalleerd: den inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard— — —” Nu barstte ook Charly Brand in een luid gelach uit, waar zijn vriend opnieuw mee instemde. Daarop riep deze uit: „Dat is een mop, zooals men geen betere kan uithalen in de Vereenigde Koninkrijken! Men moet Baxter zoo goed kennen als wij, om de geestigheid, die in deze keus ligt opgesloten, te snappen. „Deze drinker, om niet te zeggen zuiper, deze Don Juan, deze man, voor wien deugd eenvoudig niet bestaat— — —die troont nu als president aan het hoofd van een vereeniging ter bevordering van deugd en zedelijkheid. „Mijn hemel, wat een prachtige geschiedenis! Laat ons verder lezen! „Luister: „De Vereeniging nam voor het nieuwe jaar de volgende werkzaamheden op zich: „Het indienen van een wetsvoorstel betreffende afschaffing der onzedelijke advertenties, verscherping der theatercensuur en— — —” John Raffles moest plotseling naar lucht happen en riep, terwijl dikke tranen van het lachen over zijn wangen rolden: „Charly, Charly, de minnen zullen worden afgeschaft! De minnen zijn onzedelijk! Heb je ooit dergelijken nonsens gehoord? Deze mop is bijna even goed als die, om Baxter te benoemen tot president der Vereeniging— — —” „Hoe kan het mogelijk zijn geweest, dat men hem voor een dergelijke functie uitkoos?” vroeg Charly Brand. Raffles dacht even na en sprak: „O, ik geloof, dat die oplossing heel eenvoudig is! Baxter is immer onze theater-censor en zorgt er, in die hoedanigheid, al sinds jaren voor, dat wij op het tooneel zoo weinig mogelijk gemeenheden te hooren en te zien krijgen.” „Och,” antwoordde Charly Brand, „daar mankeerde het anders niet aan. Ik herinner mij nog, een paar maanden geleden in een onzer schouwburgen dingen gezien en gehoord te hebben, die iemand een blos van schaamte op de kaken tooveren.” „Nu ja,” antwoordde Raffles, „de directeuren zullen wel over de brug zijn gekomen om toestemming te krijgen, hun stukken op te voeren.—Ja, ik herinner mij zelfs, dat de inspecteur een liaison had met een dame, die verbonden was aan een onzer voornaamste variété-theaters. „Maar dit heeft natuurlijk niets met zedelijkheid of deugd te maken. „Doch nu genoeg. „Kleed je aan en laat ons een wandeling in ons geliefde Londen gaan maken. Ik verheug er mij op, door de straten te flaneeren!” „Het is nog een beetje vroeg,” sprak Charly Brand. „Je hebt gelijk!” knikte zijn vriend. „Wij kunnen nog wachten totdat het tijd wordt voor de schouwburgen. Ik stel je voor om den avond door te brengen in het Lyceum-theater en daarna op echt Engelsche wijze ergens te gaan eten.” Voordat Raffles zijn woning verliet, voorzag hij zich, daar sinds zijn laatste zaakje zijn uiterlijk bekend was geworden, van een baard. Tot dat doel begaf hij zich naar een cabinet naast zijn slaapkamer, waarin een groote drie dubbele spiegel stond, welke van den vloer tot aan het plafond van de kamer reikte. Daarvoor waren electrische lichten aangebracht, zoodat de Groote Onbekende, als hij voor den spiegel stond, elke lijn van zijn gelaat kon onderscheiden. Aan den eenen kant van de kamer stond een groote kast, die uit verschillende deelen bestond en waarin costuums werden bewaard. Als deze geopend was, meende men, een theatergarderobe voor zich te zien. Aan den anderen muur bevonden zich langwerpige kasten, waarin allerlei soorten schmink en gummimaskers lagen. Verder bevonden zich daarin allerlei baarden. De Groote Onbekende overlegde een tijdlang, voordat hij besloot, welke verkleeding hij zou kiezen. Daarop ging hij naar de kast en nam het costuum van een voornaam Chinees eruit. Dit had hij met veel andere zaken van zijn laatste reis meegebracht en er viel niet aan de echtheid te twijfelen. Zelfs de naphtalinelucht, die gewoonlijk aan dergelijke kleeren hangt, ontbrak niet. Met de uiterste zorgvuldigheid trok Lord Lister het costuum aan en vergat zelfs de daarbij behoorende onderkleeren niet. Daarop trok hij de vilten schoenen aan, die er bij pasten en begon zich te schminken. Daar zijn huid van nature bruin was en door de laatste zeereis nog donkerder dan gewoonlijk was geworden, had hij in het geheel geen schmink noodig, maar maakte alleen met een zwarte kleurstof zijn wenkbrauwen iets langer, zoodat hierdoor de stand der oogen schijnbaar een andere werd. Daarop nam hij een in goud gevatten bril, die aan zijn gelaat het uiterlijk gaf van een Chineesch geleerde. Ten slotte zette hij het in China gebruikelijke zwartzijden mutsje op, waaraan een zwarte staart was bevestigd. Daarop stak hij aan zijn vingers eenige ringen, nam een waaier in de hand en verliet door een zijdeur het cabinet. Langs een kleine trap kon hij in de gang van het huis komen, zonder de studeerkamer, waarin Charly Brand zich bevond, door te gaan. Toen de Groote Onbekende in de gang stond, opende hij zacht de deur en belde. Er verliep eenige tijd, daarop werd hem door den ouden kamerdienaar Joe opengedaan. John Raffles amuseerde zich over het verbaasde gezicht, waarmee de trouwe bediende hem aankeek. Nauwkeurig het neusgeluid van een voornamen Chinees nabootsend, sprak Lord Lister: „Ik zij een goed vriend van uw heer baron Walkerfield. Mijn naam is Su-Ki-Bit-Wou-Wang. Hier mijn kaartje.” De bediende nam het kaartje, dat de Chinees hem overhandigde en antwoordde: „Ik kan niet zeggen, Mr. Su-ki Bat Bung”— — „Su-Ki-Bit-Wou-Wang”, verbeterde Raffles op nasalen toon. De oude, welopgevoede man sprak: „Pardon, Sir, de naam is wel een beetje lang en tamelijk moeilijk voor mij.” „O,” sprak Raffles, „wij hebben in China nog veel langere namen. Dit is maar een heel kleine.” „Ik zal eens hooren,” antwoordde de kamerdienaar met een buiging, „of mijnheer de baron u kan ontvangen.” „O,” zei Raffles, „hij zijn een goed vriend— —ik met u mee ga. Hij zeer blij zal zijn, wanneer hij mij ziet.” Joe wist niet, wat hij moest doen. Maar daar het bezoek zeker geen onaangenaamheden voor zijn heer kon hebben, stond hij toe, dat de Chinees hem vergezelde. Charly Brand sprong verschrikt uit zijn fauteuil op, toen de kamerdienaar met den Chinees binnentrad. „Pardon, Mr. Brand,” sprak de bediende, „deze gentleman zegt, dat hij een goed vriend van mijnheer den baron is en dat mijnheer zeer verheugd zal zijn hem te zien.” „Ja,” bevestigde Raffles met onuitstaanbaar neusgeluid en met een vreeselijk accent, „hij heel blij zal zijn, mij te zien. Wij veel te zamen beleefd hebben in Peking.” De kamerdienaar ging heen en de secretaris maakte een beleefde buiging voor den Chinees en sprak: „Mijn naam is Brand. Ik ben de vriend en vertrouwde van baron Walkerfield!” „O, ik dat weten!” antwoordde de Chinees. „Heeft dikwijls de baron verteld van zijn vriend.” „Zeer vleiend voor mij,” sprak Charly. „Mag ik vragen met wien ik de eer heb?” „Zeer goed,” antwoordde de Chinees, „men mij noemen Su-Ki-Bit-Wou-Wang”. Charly Brand maakte weer een buiging. Hij had al het andere verstaan, alleen den naam van den vermeenden bezoeker niet. Hij wees met zijn hand naar een fauteuil en verzocht: „Wees zoo goed, plaats te nemen, Sir, totdat mijn vriend komt. Ik verwacht hem oogenblikkelijk.” „Ik zal wachten,” antwoordde de Chinees, terwijl hij plaats nam. Charly Brand zag, dat de vreemdeling oplettend in de kamer rondkeek. Na eenige minuten van het diepste stilzwijgen sprak de Chinees: „Gij wonen zeer mooi hier in Londen. Ik had niet gedacht in China, dat men hier zooveel als bij ons bij elkaar kon stelen.” Pats!— — — De stoel, waarop Charly Brand zat, werd minstens een halven meter achteruitgeschoven. Met groote oogen staarde Charly Brand den zoon van het Hemelsche Rijk aan. Was de kerel gek of wat bezielde hem? Waarschijnlijk kende hij niet genoeg Engelsch en bedoelde hij een ander woord voor „stelen”. „Gij staat mij zeker toe, Sir, dat ik u verbeter. De meubelen zijn niet gestolen, maar gekocht.” „Ik weten alles,” glimlachte de Chinees. „De meubelen gekocht zijn, maar het geld, dat ervoor noodig, zijn gestolen.” „Sir!” stoof Charly Brand op, „gij bevindt u in het huis van een gentleman, van een baron!” De Mongool glimlachte geheimzinnig en sprak door zijn neus: „Ik weten alles! Ik zelf dief ben en gij klein diefje zijn. Gij nog niet geslepen genoeg zijn!” De jonge man wist niet of de grond links of rechts onder hem draaide. Hij begreep niets van dien geheimzinnigen bezoeker en wist niet, wat hij moest doen. Zenuwachtig keek hij naar den Chinees, die was opgestaan en uit een sigarettenétui, dat Raffles had laten liggen, een sigaret nam. Op zijn gemak begon hij te rooken en bekeek onderwijl het kostbare, met diamanten en robijnen bezette étui. Charly Brand werd bleek van schrik, toen de Chinees met zijn vervelend geluid sprak: „Zeer schoon étui, ik zulk werk mooi vinden en meenemen.” Op hetzelfde oogenblik had hij het étui in een der zakken van zijn wijd bruinzijden overkleed laten glijden. Nu werd het den secretaris al te erg. Hij ging naar den Chinees toe, legde zijn hand op diens arm en sprak: „Ik hoop, Sir, dat gij schertst. Het étui moogt gij u niet toeëigenen.” „O, waarom niet?” vroeg de Chinees op kalmen, onverschilligen toon. „Uw vriend, Mr. Raffles, kunnen zich immers een nieuw stelen.” De jonge man greep den arm van den Chinees met ijzeren vuist beet en trachtte hem het étui met de vrijgebleven hand weer uit den zak te halen. „Laat mij los!” klonk het dreigend terug, „of gij kunnen vliegen als een elastieken bal in den hoek.” „Vervloekt!” schreeuwde Charly Brand, „een dergelijke brutaliteit heb ik nog nooit beleefd. Geef het étui terug of ik neem het met geweld.” In het volgende oogenblik echter vloog hij als een voetbal midden door de kamer en viel in een hoek op het tapijt neer. Maar als een kat sprong hij weer op, haalde een Browningpistool uit zijn zak te voorschijn en hield dat den Chinees dreigend voor. „Geef het ding terug of ik schiet!” „Gij zijt weinig beleefd,” sprak de Mongool, kalm doorrookend. „Hoe komt gij ertoe om mij nog te sarren, nu gij u eerst op een manier hebt gedragen, die u werkelijk het recht beneemt, een ander te critiseeren? Gij steelt het étui van mijn vriend, gij gooit mij als een elastieken bal in den hoek en zegt dan nog tegen mij, dat ik niet beleefd genoeg ben tegenover u.” Daar barstte de Chinees plotseling in een luid gelach uit. Charly Brand keek verbaasd op, want dit lachen kwam hem buitengewoon bekend voor. En nu klonk, inplaats van het neusgeluid van den bezoeker de welbekende stem van zijn vriend, die uitriep: „Steek die proppenschieter weer in je zak, mijn beste jongen. Ik heb maar eens willen zien, of mijn vermomming onberispelijk is. Ik zie, dat het in orde is en dat jij noch Joe mij hebben herkend!” „Ben je het werkelijk?” vroeg Charly Brand en liep aarzelend, nog steeds het wapen in de hand houdend, naar Raffles toe. „Ja, ik ben het werkelijk!” herhaalde deze, „en ik ben blij, dat ik zulk een schitterend succes had als Su-Ki-Bit-Wou-Wang.” „Ongelooflijk!” sprak Charly, „wat zou jij een groot tooneelspeler zijn geworden, Edward!” „Mijn lieve Charly, om een groot tooneelspeler te zijn, is het noodzakelijk, dat men op de planken staat en beschilderde coulissen van linnen als milieu heeft. Ik ben van meening, dat men in het werkelijke leven een veel grooter acteur moet zijn, als men succes wil hebben. „Doch maak je nu gereed en steek je in de uniform van een gardeluitenant, dan gaan wij—” Een half uur later verliet het tweetal in een cab de woning van Lord Lister om zich naar den schouwburg te begeven. De Londenaren, die gewend zijn, vreemdelingen te zien, keken gedurende de voorstelling toch vol belangstelling naar den Chinees, die naast een gardeluitenant in een loge dichtbij het tooneel zat. John Raffles interesseerde zich intusschen het meest voor een zijloge, waarin een zwartharige dame zat met fonkelende oogen, die blijkbaar in de beste stemming den naast haar zittenden gentleman pikante dingen in het oor fluisterde, waarover deze, zonder op zijn omgeving te letten, luidkeels lachte. „Wie is die dame? Ken je haar?” vroeg Charly Brand op zachten toon. „Ja!” sprak de Chinees door zijn neus. „Het is een der sterren van ons Drury Lane theater, Miss Martha Raabe.” „En wie is de heer, die naast haar zit?” „Ik heb haar den naam een paar keer hooren noemen. Dat is de beroemde Edwin Harper, de voorzitter der Vereeniging ter bevordering der goede zeden. Daar ontbreekt Mr. Baxter nog maar aan om een waardig klaverblad te vormen.” „Het zou ook een klaverblad van vieren kunnen worden,” sprak Charly Brand, „als Baxter ook met een dame kwam!” Op dit oogenblik ging de deur open en—politie-inspecteur Baxter trad binnen in smoking, met een roode anjer in het knoopsgat, terwijl aan zijn arm zweefde een slanke sylphide met eigenaardige roodblonde krulletjes, een brutaal wipneusje en met zulke slanke vormen, dat zij veel overeenkomst vertoonde met een Engelsche rijzweep. Ook zij was buitengewoon vroolijk, klopte den inspecteur voortdurend op den schouder en noemde hem „mijn dikkertje”, terwijl hij haar teeder met „schatje” aansprak. Mr. Harper begroette haar met een vertrouwelijk lachje en hij sprak met zijn dikke stem: „Goeden avond, Miss Hansch.” Daarop wendde hij zich tot Baxter, dien hij reeds met jij en jou aansprak: „Zeg eens, doe mij het genoegen, hier naast mij te komen zitten, opdat Martha niet meer naar die loge daar kan kijken, waar die vervloekte Chinees zit. Zij stelt, geloof ik, veel te veel belang in de slangenoogen van dien kerel.” „Allright,” antwoordde de inspecteur en nam op den aangewezen stoel plaats, zoodat zijn arm dien van Raffles bijna aanraakte. De tooneelspeelster met de zwarte schitteroogen sprak op eenigszins beleedigden toon: „Je maakt je belachelijk, Edwin, denk je heusch, dat ik verliefd zal worden op een Chinees?” De slanke Miss Hansch lachte spottend en sprak: „Nu, hoor eens, jij doet precies alsof Mr. Harper knapper was dan de Chinees. Ik denk, dat wij het eerst verliefd worden op den persoon, die het meeste geld heeft.” De gentleman wierp haar een woedenden blik toe, dien zij met een brutaal lachje beantwoordde. Daarop sprak hij: „Wel, als het op het meeste geld aankomt, dan denk ik mij wel met den Chinees te kunnen meten. Ik heb Miss Martha vandaag 1000 pond sterling gegeven.” De oogen van Miss Hansch fonkelden van hebzucht, toen zij die hooge som hoorde noemen. „Is dat waar, Martha?” vroeg zij op spijtigen toon. „Natuurlijk,” antwoordde deze, „waarvoor is hij anders bankier?” Daarop wendde Miss Hansch zich tot Baxter met de woorden: „Heb je gehoord, hoe netjes je vriend zich tegenover mijn vriendin heeft gedragen?” De inspecteur knikte toestemmend en sprak: „Zeker, mijn kind, hij is bankier en heeft het geld er voor!” „Och kom,” lachte het meisje spottend, „met de bankiers is het lang niet altijd zuiver spel. Ik heb al verscheiden van hen uit Londen zien verdwijnen, nadat zij den armen menschen hier hun geld afhandig hadden gemaakt. „Ik moet ook zoo eentje zien te vinden. „Jij bent gierig. Welk beroep heb je eigenlijk?” De inspecteur van politie, die de kleine actrice pas sinds een paar dagen kende, durfde haar zijn werkelijke betrekking niet noemen en daar hij niet wist, wat hij zou antwoorden, sprak hij: „Ik ben president!” Beide dames keken hem met scherpe blikken aan, daarop sprak Miss Hansch: „Wat voor een soort van president?” „Dat komt er niet op aan,” antwoordde Baxter. „Ja,” lachte Harper, „als je dat zoudt hooren, zou je vreeselijk schrikken en misschien hard wegloopen.” „Zoo?” lachten zij beiden, „is hij misschien president van de rechtbank?” „Och, vraag toch niet verder,” weerde Baxter af, „kijkt nu naar de voorstelling en dan gaan wij soupeeren.” „Zeg”, vroeg Miss Raabe haar vriendin, „heb jij wel eens een verhouding gehad met een Chinees?” „Neen,” antwoordde de andere, „jij?” „Ik zou het graag eens willen,” antwoordde Miss Raabe. „Als men dan valsch haar noodig heeft, neemt men er doodeenvoudig de vlecht van den Chinees bij! die zou verrukkelijk bij mijn haar passen.” „Houdt op met die flauwe aardigheden!” riep Harper uit, „jelui bent niet erg beleefd. Sinds ik je vandaag dat geld heb gegeven, schijn je te denken, dat je mijn vriendschap niet meer noodig hebt.” Miss Raabe lachte. „Wat is 1000 pond!” sprak zij. „Ik had verleden jaar een vereerder, met wien ik in Monte Carlo en Nizza ben geweest, die heeft mij zijn geheele vermogen vermaakt.” „En wat is er van dien man geworden?” vroeg Baxter. „Hetzelfde, wat ik met het geld deed. Beide gingen aan den rol. Hij is nu ergens in Amerika als glazenwasscher. „Maar dezen keer ben ik verstandiger. Ik laat het geld niet weer door mijn vingers gaan en als ik 10.000 pond bij elkaar heb, ga ik stil leven als een voorname dame.” „Wel”, knikte de bankier, „die 10,000 pond zal je wel gauw bij elkaar hebben. Van mij alleen heb je tot dusverre 7000 gehad.” „7000 pond? Drommels, dat is veel geld!” „Hij heeft het er immers voor,” lachte het meisje, „hij is immers bankier!” Bij die woorden maakte zij de beweging van iemand, die geld wegneemt, zoodat de drie anderen lachten. „Een net klaverblad,” fluisterde Charly Brand, wien geen woord van het gevoerde gesprek was ontgaan. Zijn vriend knikte toestemmend. Toen John Raffles den schouwburg verliet, sprak hij tot Charly Brand: „Mijn beste jongen, wil je wel gelooven, dat men Londen werkelijk een dienst bewees, wanneer men die Vereeniging ter bevordering der zedelijkheid eens ging ontleden? „Die Vereeniging moet ontbonden worden, men moet de leden ontmaskeren. „Men walgt letterlijk, als men bedenkt, dat dit de mannen zijn, die zedepreeken houden voor het volk. Met deze beide broeders moet ik mij nader bezighouden.” Daarop gingen zij soupeeren en reden al vroeg naar huis terug. Voordat de Groote Onbekende zich ter ruste begaf, sprak hij: „Ik heb een schitterend plan gemaakt en zal voorloopig als Chinees in Londen leven. „Onthoud goed mijn naam: Su-Ki-Bit-Wou-Wang!” VIERDE HOOFDSTUK. SU-KI-BIT-WOU-WANG IN DE KAST. Het was den volgenden morgen tegen tien uur, toen bij bankier Harper, die een kleine zaak had in de Regentstreet, de boekhouder een kaartje afgaf, dat de bankier eenige seconden bekeek. Eindelijk spelde hij: Su-Ki-Bit-Wou-Wang. Een vage voorstelling van een Chinees, die den vorigen avond in een loge naast hem had gezeten, vloog door zijn hoofd. Tegelijkertijd kwam een gevoel van jaloerschheid in hem op, daar zijn geliefde, Miss Raabe, te veel belang in den Mongool had gesteld. Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij den man zou ontvangen of niet en besloot toen tot het eerste. „Su-Ki-Bit-Wou-Wang!” stelde de Chinees zich voor in zijn nasaal Engelsch, toen hij tegenover Harper stond. „Ik komen uit Peking.” De bankier fronste de wenkbrauwen en wierp den bezoeker een niet zeer vriendelijken blik toe. Het was werkelijk de man, aan wien hij zich in den schouwburg had moeten ergeren. „Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij op korten toon. „Het is beurstijd en ik heb het zeer druk.” „O, dat niets hindert,” sprak de Chinees. „Bij ons in Peking wij doen alle zaken gedurende de beurs. Wij daar hebben veel tijd!” „Dat is best mogelijk,” antwoordde Harper. „Wij in Londen hebben zeer weinig tijd. Zeg mij in korte woorden wat gij wenscht!” De zoon van het Hemelsche Rijk maakte een buiging en sprak: „Ik vernemen, dat gij president van de schoone Vereeniging der bevorderde zedelijkheid en deugd. Ik zou willen verzoeken, als vreemdeling, in de Vereeniging te worden opgenomen.” „Dan moet gij u tot den tweeden voorzitter wenden,” antwoordde Harper onvriendelijk. „Hij moet voor dergelijke dingen zorgen.” „Hoe heeten de tweede president?” „Politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard.” „Ik dank u zeer, maar ik niet weten de adres van dezen man. Ik u verzoeken, mij eenige regels voor dien man mee te geven.” Harper, die blij was, dat hij den onwelkomen bezoeker zoo gauw mogelijk weer kwijt raakte, nam een blad papier, schreef het adres en een paar woorden erop, met verzoek aan Baxter om den Chinees voor het volgende diner der Vereeniging, dat weer op Donderdag in hotel Cecilia gehouden zou worden, een uitnoodigingskaart te verstrekken. Met veel buigingen ging de Chinees heen en Harper begaf zich naar de beurs. Hij speculeerde den laatsten tijd op zeer twijfelachtige wijze om te trachten zijn inkomsten te vermeerderen, daar, ten gevolge van zijn levenswandel, zijn kas zeer gedund was. De Chinees was intusschen naar het hoofdbureau van politie gegaan en verwekte daar groot opzien bij de beambten. Baxter was juist in het bureau gekomen en daar hij zware hoofdpijn had wegens te weinig slaap, trachtte hij zijn slechte bui te koelen op zijn secretaris Marholm. Deze luisterde doodkalm naar de scheldwoorden van zijn chef en stopte zijn kort pijpje, alsof hij niets van al het gevloek van Baxter hoorde. „Wat is er voor nieuws?” vroeg hij de Vloo op barschen toon. „Dat wilde ik u juist vragen,” antwoordde Marholm. „Gij ziet eruit, alsof gij heel wat te vertellen hebt.” „Houdt uw b....!” brulde Baxter. „Ik heb geen zin om flauwe aardigheden aan te hooren.” „Dat is ook niet noodig, inspecteur,” antwoordde de secretaris. „Gij schijnt flink katterig te zijn!” „Wat gaat u dat aan?” „Met uw verlof, heel veel! Gij schijnt mij als een soort zondebok te beschouwen. Raas en tier tegen iemand anders, alstublieft. Uw gevloek maakt op mij geen indruk!” „Wilt gij mij de les lezen?” vroeg Baxter op scherpen toon. „De hemel beware mij! Ik denk er niet aan,” antwoordde de Vloo. „Dat zou vergeefsche moeite zijn.” „Sir!” stoof Baxter weer op, zijn oogen woest latende rollen. Als antwoord blies de Vloo hem een dikke rookwolk in het gezicht. Daar trad een politie-agent binnen en meldde: „Een Chinees wenscht inspecteur Baxter te spreken.” Vol verbazing keek Baxter den agent aan. „Een Chinees? Wat moet die hier doen?” De agent haalde de schouders op en Marholm mompelde iets. „Breng den Chinaman hier!” beval de chef. Eenige oogenblikken later trad de Chinees het bureau binnen, neeg driemaal en sprak in de bloemrijke taal van zijn land: „Ik zie de zon opgaan en voel mij gelukkig, den hoogen politiemandarijn van Londen, de geweldige vuist van het Engelsche Rijk, voor mij te zien. O, ik mij voelen zeer gelukkig!” „Wat is dat voor gekkentaal?” sprak de Vloo en keek den vreemdeling vol belangstelling aan, die op iemand, dien hij kende, scheen te gelijken. Tevergeefs bedacht hij echter, wie het kon zijn. Ook Baxter kwam de Chinees bekend voor. De vele champagne van den vorigen nacht had alle herinnering van het theater bij hem uitgewischt. Maar hij sprak: „Ik moet u reeds meer hebben gezien, Mister—” „Su-Ki-Bit-Wou-Wang uit Peking!” „Juist, Sir Stucki-Kit-Sting-Stang,” antwoordde Baxter. „No, no,” verbeterde de Chinees, „Su-Ki-Bit-Wou-Wang! Geen mensch hier in Londen mijn naam kan uitspreken.” „Ja,” lachte de Vloo, „daar is ook groote vaardigheid voor noodig.” Baxter stelde voor om den naam af te korten en eenvoudig Mister Wang te zeggen. Nu overhandigde de Chinees hem den brief van Sir Harper. „Allright!” antwoordde Baxter, nadat hij hem had gelezen. „Hier hebt gij een kaart, het zal ons een groote eer zijn, u als onze gast bij ons te zien.” De Chinees glimlachte gevleid en antwoordde: „O, ik hopen, dat daar nog meer zijn zulke schoone dames.”— — „Dames?” Baxter kreeg een schrik. Nu herinnerde hij zich plotseling, dat hij den zoon van het Hemelsche Rijk in den schouwburg had gezien. „Ja, dames,” knikte de Chinees. „Ik u immers gisteravond zag met dames, met zeer schoone dames in den schouwburg.” Baxter werd rood. Hij had den Mongool graag een oorvijg gegeven. „Gij vergist u, dat waren onze dames niet,” antwoordde hij, om zijn figuur tegenover de Vloo te redden. „O, ik begrijpen,” glimlachte de Chinees, „dat waren gekochte dames, niet echtgenooten. O, ik zoo graag weten wilde, hoe duur zulke dames zijn!” „Juist,” sprak Baxter, die begreep, dat Marholm vol inwendig genoegen zat te luisteren, „nu herinner ik mij eerst, wat gij bedoelt. Het was mijn zuster en de echtgenoote van een mijner vrienden, die met ons in de loge zat.” „Zeer schoone zuster, zeer schoone vrouw! Nu, ik wil niet verder storen, ik gaarne weerkomen aanstaanden Donderdag. Tot weerziens!” „Tot weerziens!” sprak Baxter en herademde, toen de onaangename bezoeker eindelijk het bureau verliet. Nauwelijks was de deur achter hem gesloten, of de Vloo vertrok zijn gelaat tot den breedsten glimlach, dien hij te voorschijn kon brengen. „Waarom grijnst gij zoo?” vroeg zijn chef, die dit lachen kende. „Waarom zou ik niet grijnzen?” antwoordde Marholm, „ik amuseer mij!” „Hopelijk niet over mij!” barstte Baxter los. „Ik bedank daarvoor.” „Gij moet u niet alles dadelijk zoo aantrekken,” sprak de Vloo, „ik had nooit gedacht, dat gij zoo aantrekkelijk waart!” De chef rolde met zijn oogen en daar Marholm kalm en behaaglijk bleef glimlachen, sloeg hij met de vuist op tafel en schreeuwde: „Wilt gij nu eindelijk eens ernstig kijken?” „Ik denk er niet aan,” antwoordde de Vloo, „in de dienstvoorschriften staat nergens, wat voor een gezicht men moet zetten!” „Vervloekte kerel!” riep Baxter uit en toen hij Marholm nog steeds vroolijk zag lachen, sprong hij van zijn stoel op en sprak: „Als gij nu nog doorgaat met uw gegrijns, gooi ik u de deur uit!” „Gelukkig!” zuchtte de Vloo, „ik verlang onuitsprekelijk naar frissche lucht! Gij riekt namelijk naar—” „Wat zegt gij, ik riek?” schreeuwde Baxter, hem in de rede vallend. „Ja, zeker,” bevestigde de secretaris. „Gij schijnt flink katterig te zijn! De Chinees schijnt u gisteravond goed opgenomen te hebben. Gelooft gij zelf iets van die vrouw en zuster?” „Wat? Of ik daaraan geloof? Gij hoordet immers, dat ik het zelf vertelde!” „Dat is immers juist het grappige”, lachte Marholm. „Gelooft gij, wat gij zelf hebt verteld?” „Ik geloof altijd, wat ik zelf vertel”, riep de inspecteur vol trots uit. Inplaats van te antwoorden, vertrok Marholm weer zijn gelaat tot dien breeden grijns, die Baxter woedend maakte. Weer barstte hij los en verbood Marholm te lachen. Daar de Vloo echter geen aanstalten maakte, om ernstig te kijken, kon Baxter zich niet meer bedwingen en schreeuwde: „Ik ontsla u zoolang uit den dienst, totdat gij weer een ernstig gelaat vertoont. „Er uit!” De inspecteur had nauwelijks het laatste woord gesproken, of Marholm sprong zoo vlug mogelijk van zijn stoel op, greep zijn hoed en snelde naar de deur. Daar keerde hij zich nog eens om en vertoonde, voordat hij het bureau verliet, den chef van politie zijn breedlachenden mond en met een knipoogje, dat veelbeteekenend was, nam hij afscheid van Baxter. De deur viel achter hem in het slot en—dat was geen oogenblik te vroeg, want Baxter had een inktpot opgenomen en hem dien nagegooid. Ook John Raffles had met een veelzeggend glimlachje het hoofdbureau van politie verlaten. Hij nam een cab en reed naar het Drury Lane theater. Nadat hij den portier een fooi had gegeven, vernam hij van dezen het adres der actrice Miss Raabe. Hij gaf den koetsier den naam der straat en het nummer op en bevond zich een kwartier later voor het kleine huis met één verdieping, waar een voorname rust heerschte. Lord Lister behoefde niet lang te wachten. Een aardig kamermeisje vroeg hem, wat hij wenschte en glimlachte vroolijk bij het zien van den Chinees. John Raffles gaf ook haar zijn Chineesch visitekaartje, waarmee zij verdween. Reeds de vestibule, waarin Raffles zich bevond, getuigde ervan, dat de bewoonster van het huis een uitstekenden smaak moest hebben, gepaard gaande aan grooten rijkdom, of wel, en Raffles wist, dat dit laatste het geval was, dat zij schatrijke aanbidders had. Terwijl hij de meubelen en curiositeiten bewonderde, die de vestibule versierden, kwam het kamermeisje terug en sprak: „Miss Raabe verzoekt u, binnen te komen.” Zij geleidde den bezoeker langs een trap naar boven en liet hem binnen in een boudoir, waaraan een grooten muzieksalon grensde. Hier heerschte buitengewone weelde, die bijna iets parvenuachtigs had. Nauwelijks was de Chinees het boudoir binnengegaan, of hij hoorde het ruischen van een zijden sleep in het muzieksalon en een oogenblik later trad Miss Raabe in een met kanten bezet ochtendkleed binnen, dat haar lichaam als een glinsterende elastieke slangenhuid gaf. Onmiddellijk herkende zij den Chinees uit het Lyceumtheater van den vorigen avond en, terwijl zij glimlachend haar sneeuwwitte goed verzorgde tanden liet zien, riep zij uit: „O, dat is charmant, Mr. Jucki-Bit! Ach kom! Die naam is prachtig, ik zal u eenvoudig Mr. Jucki noemen— —Mijn lieve Mr. Jucki, ik ben zeer, zeer verheugd, kennis met u te maken en ik hoop, dat gij voldoende Engelsch verstaat, om elkaar te kunnen begrijpen.” „O, zeer zeker, wij elkaar zullen begrijpen,” antwoordde Raffles, „en als gij niet mijn Engelsch verstaat, zult gij mijn Chineesch wel begrijpen. In de liefde Engelsch en Chineesch volkomen gelijk zijn. Ik ben zeer vol geestdrift voor uw schoon gelaat!” „Zoo?” glimlachte Miss Raabe gevleid, „maar gij hebt gelijk! Mr. Harper, een goed vriend van mij, zei onlangs, dat mijn gelaat een ongeschreven gedicht was.” „Nu, dat betwijfelen ik moet. Men ziet lijnen, waarop een gedicht te schrijven men zou kunnen!” „Foei, hoe hatelijk!” riep Miss Raabe uit met een koket lachje. „Ik weet, dat ik ben hatelijk, maar daarvoor is mijn geld zeer goed,” antwoordde de Chinees. „Men houden daarom van mij veel en zeggen, dat ik een zeer net mensen zijn. Gij zult dat ook nog van mij zeggen.” Miss Raabe keek hem met een smachtenden blik aan en lispelde: „Als gij heel lief voor mij wilt zijn! Maar gij moet mij niet te lang laten wachten, anders zeg ik het tegendeel. Voor alles, mijnheer, ben ik dol op brillanten.” „Daarmee kan ik van dienst zijn!” antwoordde Raffles, „ik niets ken van brillanten, maar ik goede cheques heb en daarvoor mijn vriendinnen brillanten kunnen koopen. Dan kunnen zij mij niet verwijten, wanneer zij door Engelsche koopmannen bedrogen worden.” „Gij hebt gelijk.” knikte de schoone. „Hebt gij misschien toevallig zoo’n cheque bij u?” „Ik die dragen altijd bij mij. Zouden gij gaarne een willen hebben?” Miss Raabe antwoordde zuchtend. „Ja, mijnheer, ik verlang er naar. Maar gij schertst zeker?” „O neen,” verzekerde de Chinees, „ik schertsen niet over zulke onderwerpen,” en met de onverschilligheid van iemand, die over millioenen beschikt, haalde hij zijn chequeboek uit zijn zak en vroeg: „Hoe groot wenschen gij, vriendin van mijn hart, een cheque?” Miss Raabe keek haar bezoeker verbaasd aan. Een dergelijke edelmoedigheid was haar vreemd. Zij wist niet, wat zij zou antwoorden. Maar de Chinees kwam haar te hulp en sprak: „Ik denken, dat een net brillanten sieraad zullen kosten 1000 pond sterling?” De hebzucht ontwaakte in Miss Raabe. Iemand, die haar zonder slag of stoot 1000 pond sterling wilde geven, zou ook meer voor haar over hebben. „Ik merk wel, dat gij nog geen brillanten sieraden hebt gekocht, Mr. Jucki, anders moest gij weten, dat men voor een dergelijk bedrag geen mooie steenen koopt.” „Gij gelijk hebben,” sprak de Chinaman, „ik werkelijk in mijn leven nog nooit brillanten gekocht hebben.” Met deze woorden sprak de Groote Onbekende de waarheid, want alle brillanten, die hij tot dusverre had bezeten, had hij den eigenaar afgenomen. „Mooi”, sprak hij, „zeg dan, hoeveel geld men noodig voor brillanten.” Miss Raabe was dicht naast den Chinees gaan zitten en zijn hand streelende, sprak zij: „Mijn lieve, bruine Jucki— —nietwaar, gij zijt immers mijn lieve, bruine Jucki? Reeds gisteren in den schouwburg stelde ik belang in u en bewonderde uw mooie zwarte vlecht.” Zij streek met haar zachte hand over den gitzwarten glanzenden haartooi van haar nieuwen vriend. „Ik wilde weten, hoeveel kosten brillanten!” „Ja, ziet gij, mijn lieve Jucki, ik weet niet, of gij genoeg van mij houdt. Ik heb een aanbidder, die mij 10,000 pond sterling heeft beloofd, als ik hem mijn liefde wilde schenken!” „Beloofd!” riep Raffles uit, „ik niet beloven, maar geven!” „Hij heeft mij al 7000 pond gegeven, lieve Jucki!” Zij liet reeds het woordje „Mister” weg, wat de Groote Onbekende met genoegen opmerkte. „O, ik u ook kan geven zooveel en nog meer. Ik u geven wil een cheque op de Bank van Peking van 10,000 pond sterling, als de schoone miss mij wil schenken haar liefde.” Zij reikte hem haar hand, die schitterde van de juweelen en sprak: „Geef mij uw cheque en ik zal zooveel van u houden, dat gij niet naar China wenscht terug te keeren.” „Allright, Miss Raabe,” sprak de Chinees, „hier is mijn cheque.” Hij vulde een formulier in en gaf het haar. Nauwkeurig las zij het en vroeg: „Moet ik de cheque naar de Bank van Peking zenden?” „Gij hem niet moeten zenden. Gij kunnen cheque geven aan Engelsche Bank en na vier weken geld laten uitbetalen. De Bank zullen zich het geld van Peking laten komen.” „Dat is lang,” antwoordde Miss Raabe, „vier weken! dan moet gij ook nog vier weken wachten voordat ik u mijn liefde schenk.” „Ik gaarne wachten,” sprak de Chinees, „ik echter hoop, u te mogen bezoeken.” „O ja,” lachte Miss Raabe, „dat moogt gij. Ik sta u zelfs toe, mij naar den schouwburg te vergezellen, soupers voor mij te bestellen, gij moogt met mij gaan wandelen en kleine rekeningen, die ik hier en daar in winkels heb, voor mij betalen.” „Ik met grootste genoegen dat doen zullen”, antwoordde John Raffles. Op dit oogenblik hoorde men het getoeter van een auto voor het huis en Miss Raabe snelde naar het raam. Nauwelijks had zij een blik naar buiten geworpen, of zij sprak zeer ontsteld: „O mijn hemel, wat moet ik nu doen! Daar komt mijn vriend Mr. Harper en wanneer hij u en mij hier samenvindt, zou hij u uit jaloezie misschien doodschieten.” De Chinees sprong verschrikt op en riep: „O neen, laat mij niet doodschieten! Ik zeer bang zijn daarvoor!” Men hoorde reeds de huisdeur open- en dichtgaan en er was niet veel tijd te verliezen. Gejaagd sprak Miss Raabe: „Kom gauw mee, gij moet u verbergen in mijn kleerkast. Ik heb daar een schuilplaats laten aanbrengen, waar niemand u kan vinden.” Zij voerde hem door het salon, waaraan haar slaapkamer grensde en hierdoor naar een kleedkamer, waarin aan den muur een groote kleerkast met drie deuren stond. Zij opende echter geen dezer deuren, maar drukte aan een der zijkanten op een lijst en geruischloos opende zich een smalle deur, die echter juist breed genoeg was om een mensen van gewonen omvang door te laten. Daarachter bevond zich een geheel afgescheiden ruimte, waarin zelfs een zitplaats was aangebracht. „Hier moet gij wachten, mijn lieve Jucki, totdat ik er u weer uitlaat.” „De zaak er gevaarlijk uitzien”, meende de Chinees; „maar ik hopen, dat gij mij niet te lang zullen laten wachten. Is Mr. Harper werkelijk zoo gevaarlijk een man?” „Zeer gevaarlijk, mijn lieve Jucki! Haast u nu, ik hoor hem al in het salon.” In het volgende oogenblik bevond Raffles zich in de kast en nauwelijks was de deur achter hem gesloten, of hij hoorde door de dunne houten deur de woedende stem van Harper: „Waar zit je eigenlijk?” „In mijn kleedkamer”, antwoordde Miss Raabe. „Waarom schreeuw je zoo? Je gedraagt je sinds eenigen tijd niet zeer „gentlemanlike”.” De bankier was binnengekomen en keek met wantrouwende blikken om zich heen. „Ben je alleen?” vroeg hij. „Natuurlijk! Wat beteekent die gekke vraag?” „Omdat ik weet, dat je bezoek hadt!” „Bezoek?” vroeg zij, zacht lachend. „Ik geloof, dat je spoken ziet!” „Spoken? Dan zeker van vleesch en bloed! Waar is de man, die je heeft bezocht?” „Houd nu toch op! Als ik je zeg, dat er niemand bij mij is, dan is dat zoo!” John Raffles hoorde, hoe Harper naar de kleerkast ging en die opende. „Wat zoek je onder mijn kleeren?” vroeg de schoone. „Interesseeren mijn rokken je? of wil je je er persoonlijk van overtuigen, dat mijn toiletten, zooals ik je reeds herhaaldelijk vertelde, noodig moeten worden verbeterd? Je moest mij een paar nieuwe koopen bij Peter Robinson! Ik heb iedere japon al gedragen en zou graag weer eens nieuwe costuums willen hebben.” Harper had de kleeren op zij geschoven en ging nu naar het met zware zijden damastgordijnen behangen bed, dat hij eveneens doorzocht. Zij lachte opnieuw hoonend en met een woedende stem sprak hij: „Ik heb in je salon het bewijs gevonden, dat er iemand bij je is, wil je nog ontkennen?” „Bah!” antwoordde zij en haalde minachtend de schouders op. „Ik ben zeer nieuwsgierig, wat je gevonden hebt.” „Kijk,” sprak hij en hield haar het visitekaartje van den Chinees voor de oogen, „ken je dit kaartje?” „Ach— —dat— — —” antwoordde zij langzaam, „natuurlijk ken ik dat kaartje. Die malle Chinees kwam vanmorgen, maakte mij zijn opwachting en ik was blij, toen ik hem weer kwijt was. Je ziet dus, dat ik op nog meer mannen indruk maak dan op jou!” „Tart mij niet!” schreeuwde hij woedend, „of ik zou mijzelf kunnen vergeten. Is het werkelijk waar, dat de Chinees niet meer bij je is?” Weer antwoordde zij minachtend: „Bah!” en vervolgde: „Ik zou niet weten, waarom ik de aanwezigheid van dien heer, als hij nog hier was, zou verzwijgen. Ik ben je daarover toch geen rekenschap verschuldigd!” „Zoo?” sprak hij. „Is het kapitaal, dat ik tot heden aan je heb opgeofferd, niet de moeite waard?” „Je hebt niets aan mij opgeofferd, want het geld behoort aan je vrouw,” sprak zij op ijskouden toon. „Bewijs mij eerst, dat je inderdaad een offer voor mij kunt brengen.” Hij drukte haar arm zoo hartstochtelijk tegen zich aan, dat zij een kreet van pijn gaf. Daarop haalde hij een pakket uit zijn borstzak, dat 1000 pond aan bankpapier bevatte en riep uit: „Zottin, geloof je werkelijk, dat ik geen offer voor je zou kunnen brengen? Hier, neem dit geld! Je verlangdet 10,000 pond van mij. 7000 heb ik je al gegeven en wel, zooals je weet, het geld van mijn vrouw. „De rest hoopte ik te winnen door beursspeculaties, maar dat is mislukt. „Om echter aan je wenschen te voldoen, heb ik de gelden van mijn cliënten uit mijn brandkast genomen en voor je meegebracht. Je ziet dus...” Zij vlijde zich nu tegen hem aan als een groote witte kat en, liefkoozend fluisterend, sprak zij: „Ik wist het wel, dat je liefde grenzeloos is. Nu zal je vanavond de belooning ervoor krijgen. Ik zal je zoo lief hebben als nog geen enkele vrouw het heeft gedaan. „Kom, laat ons nu gaan soupeeren! „Ik zal al je zorgen verdrijven en het geld, dat je je cliënten hebt onteigend, zal je wel gauw terug verdienen.” Zij trok Harper, die nog eens met onderzoekende blikken rondkeek, in het salon en begaf zich met hem naar een kleine eetkamer aan de achterzijde van het huis. Nauwelijks had het tweetal de kamer verlaten, of Raffles opende de kast van binnen en trad er uit te voorschijn. Zacht sloop hij door de slaapkamer rond en ontdekte naast het bed een kleine ijzeren geldkist, die geopend was en waarin brillanten van groote waarde lagen. Daarin lag ook, in kleine pakjes verdeeld, een bedrag van bijna 10,000 pond, die Miss Raabe zelf bewaarde, daar zij een hekel aan Banken had. Later vernam Raffles, dat zij zoo slecht schreef, dat zij zich geneerde om haar naam onder een cheque te plaatsen en om die reden het geld thuis bewaarde. Met onderzoekende blikken bekeek Raffles dit alles en mompelde: „Het is de moeite waard, met deze kleine een liefdesgeschiedenis te beginnen; een dergelijke gevaarlijke slang moet onschadelijk worden gemaakt.” Een geluid in de eetkamer deed hem haastig in de kast terugkeeren. Toen hij er weer in zat, ontdekte hij, dat een roset van het houtsnijwerk verschoven kon worden, zoodat men in de kamer kon kijken. Harper en zijn geliefde kwamen weer binnen en hij kon duidelijk zien, hoe de schoone het geld in het kistje borg. Daarop verlieten zij de kamer weer. De Groote Onbekende hoorde Harper zeggen: „Ik zal dus precies om zeven uur bij je zijn en verzoek je, mij niet lang te laten wachten. Wij zullen naar het Criterium-Theater gaan. En dan moet ik in elk geval tegen 10 uur een uurtje naar de vergadering.” „Ach ja,” antwoordde zij, „ik heb er mij al op verheugd. Er moet een mooie klucht worden gegeven. Ik blijf natuurlijk in den schouwburg!” Zij glimlachte spottend, wat hij niet opmerkte. Hierna verlieten zij de kamer en Raffles wachtte geduldig op de dingen, die zouden komen. Ongeveer tien minuten later werd de geheime deur door de geliefde van den bankier geopend. Zij keek hem schalksch aan met haar zwarte oogen en met een overmoedig lachje riep zij: „Ik heb den ouden gek naar huis gestuurd. Hij had geen honger en nu moet gij met mij soupeeren, mijn lieve Jucki”. Zij sloeg haar arm om Raffles’ hals en trok hem met zich mee. „Zeer schoone hand, zeer schoone arm,” fluisterde de Chinees, schijnbaar vol verrukking. „Ik houden van schoone vrouwenarmen.” „Allright!” lachte zij, „als je heel lief bent, laat ik je na het souper mijn geheelen arm zien.” „Zeer groote kostbaarheid voor mij zal dat zijn!” „Je bent een vleier,” antwoordde zij, „maar kom nu. Ik heb honger. Nu zullen wij ongestoord zijn!” Terwijl zij den bouillon dronk, die door het kamermeisje was gebracht, sprak zij: „Hij is namelijk getrouwd, mijn vriend, dien ik wegstuurde. Hij heeft een oude, gierige vrouw en als hij niet stipt om 2 uur aan tafel verschijnt, maakt zij hem het leven tot een hel. „Ben jij ook getrouwd, lieve Jucki? Ik vind getrouwde vrouwen afschuwelijk!” „Ik ook,” antwoordde de Chinees. „Ik vinden een vrouw heel akelig. Wij in China meer vrouwen hebben.” „Zoo,” antwoordde zij op scherpen toon, „maar als je mijn vriend wilt worden, mag je geen tweede vrouw hebben. Ik wil je alleen liefhebben, ik verzeker je, dat jij de eenige man bent, dien ik liefheb!” „Gij mij maken zeer gelukkig,” fluisterde de Chinees. „Maar gij zijn een kleine slang. Alle vrouwen kleine slangen zijn, zoolang men ze niet opsluit. Wij in China onze vrouwen opgesloten houden.” „Hier in Londen bestaat dat niet,” legde zij hem uit, waarop hij antwoordde: „Zeer dom is dat!” Nadat zij hadden gesoupeerd, sprak zij: „Lieve Jucki, nu moet je gaan. Morgenochtend tusschen 11 en 1 kun je terugkomen. Dan is „hij” altijd naar de beurs en zoodra ik het geld heb van de Bank mag je bij mij komen wonen. Ik bekommer mij dan niet meer om den ouden kaffer.” „Allright, Lady,” antwoordde hij opstaande, „ik nu zal gaan en terugkomen.” Zij gaf hem glimlachend een hand ten afscheid, die hij voorzichtig kuste. Ter verontschuldiging sprak hij: „Wij Chineezen het kussen niet verstaan.” „Ik zal het je leeren!” sprak zij, terwijl zij hem tot de voordeur vergezelde— — — Zeer voldaan over zijn bezoek keerde John Raffles naar huis terug en sprak tot Charly Brand, die hem vroeg, waar hij was geweest: „Ik heb de Vereeniging ter bevordering van ondeugd en onzedelijkheid bestudeerd. „Ik was op het hoofdbureau van politie en heb bij een demi-mondaine gesoupeerd. „Ik verzeker je, mijn lieve Charly, het wordt een prachtig zaakje, dat ik op touw heb gezet! Daaruit zou een uitstekend comediestuk te maken zijn!” VIJFDE HOOFDSTUK. DE MOORDENAAR. Mr. Harper bezat in het westen van Londen een eenvoudige, bescheiden woning. Mrs. Harper, een magere slanke vrouw, met verwelkte trekken, zat met haar twee kinderen, een jongen en een meisje van 6 en 8 jaren, aan de eenvoudig gedekte tafel en wachtte tot de bankier thuis kwam. Misschien reeds voor den tienden keer vermaande zij de kinderen: „Weest heel bedaard, als papa komt, hij zal wel vermoeid zijn.” Zij vermoedde niets van het slechte leven van haar man en meende, dat zijn voortdurende vermoeidheid het gevolg was van hard werken. Een half uur later verscheen Harper en nam met een boos gezicht en nauwelijks groetend aan tafel plaats. Hij zag niet de bezorgde blikken van zijn vrouw, die naar zijn vermoeid uiterlijk keek. De kinderen zaten stil op hun plaats en durfden hun bord bijna niet aanraken, omdat hun vader dat geluid niet kon verdragen. Niets smaakte hem. Hoewel het eten uitstekend was klaargemaakt, had hij overal iets op aan te merken, en stond eindelijk van tafel op en begaf zich naar zijn studeerkamer om daar op den divan te gaan slapen. Een uur later belde hij om koffie. Zijn vrouw bracht hem die zelf en toen zij het kopje neerzette, riep hij uit: „Waarom stuur je het dienstmeisje niet? Ik ben blij, als ik je gelaat, dat er altijd bleek en huilerig uitziet, niet voor mij heb.” „Ik kan mijn gezicht niet veranderen,” antwoordde zij op bescheiden toon. „Als ik mij niet zoo bezorgd maakte om jou, zou ik er beter uitzien.” „Maak je bezorgd om wien je wilt, alleen niet om mij. Ik wensch je medelijden niet.” Zij wilde bescheiden de kamer verlaten, maar bleef bij de deur aarzelend staan. „Wat wil je nog?” beet hij haar toe. „Ik heb wat huishoudgeld noodig,” antwoordde zij op zachten toon, „wees zoo vriendelijk, mij een paar pond te geven.” „Wat?” schreeuwde hij, „alweer geld? Eergisteren heb ik je pas 5 pond gegeven. Zijn die alweer op? Je schijnt aardig huis te houden!” „Ik moest onzen jongen broekjes en kousen koopen”, antwoordde zij, „en Erna, ons dochtertje, had eenige schoolboeken noodig.” „Laat mij met rust,” bromde hij, „de zaken worden met den dag slechter, de duivel mag weten, hoe dat moet eindigen. Denk je, dat ik geld kan maken? Kijk zelf maar, hoe je aan geld komt”. „Daar zie ik geen kans toe. Mijn ouders zijn dood en alles, wat ik bezat, heb ik jou gegeven.” „Wil je mij verwijten maken?” „Dat niet, maar het zou mij aangenaam zijn, als je werkelijk zoo het land aan mij hebt, dat je mij het geld terug gaaft, opdat ik daarvan voor de kinderen en mijzelf kon zorgen.” „Dat zou je wel willen”, lachte hij hoonend, „neen, mijn lieve, dat kan ik beter gebruiken. Gelukkig, dat ik zoo verstandig ben geweest om het in mijn zaak te steken. „En stoor mij nu niet langer, want ik moet brieven schrijven.” „Je bent hard,” sprak zij. „Ik weet niet, waarvan ik het avondeten voor de kinderen en mij moet koopen.” „Ik ook niet,” antwoordde hij kortaf. Plotseling kleurde een blos de bleeke wangen der vrouw, de zachte uitdrukking verdween van haar gelaat en met gebalde vuisten riep zij uit: „Nu is het genoeg! Ik heb nu lang genoeg gezwegen en mij door jou erger dan een slavin laten behandelen. Voor mij komt het er niet op aan, dat ik niets te eten krijg, maar de kinderen mogen geen honger lijden en ik zeg je dit—ik verlaat deze woning en ga onderdak zoeken met de kinderen bij onze vroegere keukenmeid. „Al het verdere tusschen ons zal mijn advocaat regelen. „Binnen de 24 uur zal ik je door de wet laten dwingen, mij het mij toekomende vermogen, dat ik je in bewaring heb gegeven, en waarvan ik gelukkig een quitantie bezit, terug te betalen. „Het doet mij leed, dat ik den kinderen hun vader moet ontnemen, maar beter geen vader dan zulk een ruw, harteloos mensch als jij bent!” Gedurende de lange jaren van haar huwelijk had de vrouw nooit tegengesproken. Als stom van verbazing keek hij haar aan, totdat plotseling een zinnelooze woede zich van hem meester maakte. „Wat?” riep hij uit, „jij durft mij trotseeren, mij dreigen? Je wilt je verzetten tegen mij, je echtgenoot? Doodslaan zal ik je!” Hij was opgesprongen en had een zwaren, metalen kandelaar gegrepen, waarmee hij haar een slag op het hoofd wilde geven. Maar hij had zijn vrouw onderschat. Hoewel hij een breede, forsche man was en zij maar klein en mager te noemen was, sprong zij als een kleine, lenige kat naar hem toe, sloeg hem met haar vuist in het gelaat en stiet hem zoo hevig voor de borst, dat hij terug wankelde. „Als mijn kinderen er niet waren,” sprak zij, „zou ik mij kalm door je dood laten slaan, maar voor mijn kinderen moet ik leven. Mijn zoon zal mij eenmaal wreken! Ik zal het in de kranten laten publiceeren, wat voor een karakter de president van de Vereeniging ter bevordering der goede zeden heeft!” Op het volgende oogenblik vloog de zware ijzeren kandelaar door de kamer. Hoewel zij zich bukte, trof hij haar toch aan het hoofd. Een oogenblik dreigde zij neer te vallen, maar daarop maakte oneindige woede zich meester van de kleine vrouw. „Je durft het wagen, de moeder van je kinderen zoo te behandelen?” riep zij uit. Zij trok de kast open, waarvoor zij stond en nam er eenige boeken uit. „Daar!” riep zij, terwijl zij de boeken naar hem toeslingerde. „Daar zijn je huichelachtige, leugenachtige boeken over deugd en zedelijkheid, waarmee je de wereld bedriegt! „De menschen moesten je schrijftafel eens zien, die gevuld is met gemeene, onzedelijke prullen! „Foei, jij slechte kerel! „Maar dit is het allerlaatste! Je zult mij niet terugzien!” (Zie het titelblad.) Terwijl zij deze woorden sprak, had zij tientallen van vrome, stichtelijke boeken, sommige zoo dik als een bijbel, naar zijn hoofd geslingerd en zoo snel, dat hij zich niet kon verdedigen. Met een slag vloog de deur achter haar toe en als een overwonnene stond de president der Vereeniging ter bevordering der goede zeden te midden van een hoop verscheurde vrome geschriften en werken en knarste op de tanden van woede. Hij liep naar zijn schrijftafel en haalde uit een der laden een geladen revolver. Met een duivelschen grijns mompelde hij: „De heks zal eraan gelooven en de kinderen ook. Het is nu toch uit met mij. Mijn zaken zijn geheel en al in de war, het restant van de gelden mijner cliënten heb ik Miss Raabe gegeven. Een paar duizend pond heb ik nog in mijn zak en met dat geld zal ik naar Amerika gaan, na hier eerst schoon schip te hebben gemaakt. Daar ginds kunnen zij mannen, als mij, gebruiken.” Hij verliet het vertrek en begaf zich naar de eetkamer. Toen hij deze leeg vond, sloop hij zacht, als een roofdier, naar de slaapkamer en bleef een oogenblik luisterend staan. Hij hoorde zijn vrouw zacht snikken en de knaap, die tot haar zei: „Schrei niet, mama, wij zullen gauw weggaan. Ik wil geen vader hebben, die mijn moeder slaat. Als ik groot ben, zal ik hem terugslaan! En als wij niets te eten hebben, lief moedertje, zal ik, zooals andere jongens, kranten verkoopen en laarzen poetsen— — —” „En ik zal wel dienstmeisje worden en dan zullen wij samen zorgen, dat u brood hebt,” sprak het zusje. Nu trok Harper de deur open, zijn revolver in zijn broekzak gereedhoudende. Met een kreet van schrik keken de kinderen hem aan. „Wat wil je nog?” vroeg zijn vrouw, die onheil vermoedde. „Wat ik wil? Dat zal je dadelijk zien! Een mooie opvoeding geef jij je kinderen!” Nu kwam de kleine jongen met gebalde vuisten voor hem staan en riep: „Pas op, als u mijn moeder slaat, zal ik u ook slaan!” Een duivelsche lach als van een krankzinnige kwam van de lippen van den ellendeling, hij haalde de revolver te voorschijn en hield die tegen het voorhoofd van den knaap. „Ik zal je leeren, wat slaan beteekent. Jij zult de eerste zijn, die op reis naar de eeuwigheid gaat.” Als verlamd, doodsbleek, staarde zijn vrouw naar dit ontzettende tooneel. Van schrik kon zij geen geluid geven en zich niet verroeren, zij kon geen hand uitsteken om haar jongen te redden. Een gil kwam over de lippen van den knaap, een tweede en derde volgden en aarzelend liet de ellendeling het wapen zinken. Nu schreeuwde ook het meisje om hulp en bliksemsnel sprong de knaap als een hond naar zijn vader toe en beet hem met zijn scherpe tandjes in de hand, zoodat deze woedend van pijn het wapen liet vallen. Maar een oogenblik later kreeg de kleine held een vuistslag en viel bewusteloos neer. De moordenaar wilde zich nu bukken om het wapen op te nemen, maar er was nu beweging gekomen in de moeder. Zij was vlugger dan haar echtgenoot, greep het wapen, richtte het op haar man en riep: „Ik tel tot drie en als je dan de kamer niet hebt verlaten, schiet ik!—Er uit!” Tandeknarsend en met een blik vol woede en haat wendde Harper zich naar de deur en mompelde: „Wacht maar, heks, daarvoor zal je boeten!” Het volgend oogenblik had hij de kamer verlaten en de deur achter zich dichtgetrokken. Zijn vrouw schoof de grendel er voor, snelde naar de waschtafel en legde een koudwatercompres op het hoofd van haar lieveling. Na eenige minuten kreeg het kind zijn bewustzijn terug en herinnerde zich onmiddellijk het voorgevallene. Hij keek om zich heen en toen hij zag, dat zijn vader de kamer had verlaten, lachte de kleine held en sprak: „Ziet u, mama, dat heb ik goed gedaan, nietwaar?” „Je bent een held, mijn jongen,” antwoordde de moeder met tranen in de oogen en kuste hem. „En nu, lieve kinderen, zullen wij ons kleeden en naar de oude Marie gaan. Zij zal ons wel een paar dagen bij zich willen houden.” Zij sloot den koffer, waarin zij linnengoed en kleeren voor zichzelf en de kinderen had gepakt, belde en gaf het dienstmeisje bevel, een rijtuig te bestellen. Verbaasd keek het dienstmeisje naar de koffer en vroeg: „Gaat mevrouw op reis?” „Ja, voor eenige dagen.” Eenige minuten later kwam een rijtuig voor en de koetsier bracht den koffer op zijn schouders naar beneden. De vrouw van den bankier nam haar kinderen bij de hand en volgde hem. Voordat zij het huis verliet, gaf zij de revolver, die zij in een doek had gepakt, aan het dienstmeisje en sprak: „Geef dit pakje aan mijnheer, hij wil het misschien als aandenken bewaren.” Het meisje schudde verbaasd het hoofd en keek het wegrollende rijtuig na, zoolang zij het kon zien. Toen zij de kamer van Mr. Harper binnentrad, zag zij daar een ontzettende wanorde. De heer des huizes keek ontstemd op, toen het meisje hem kwam storen en nam zwijgend het pakje uit haar handen. Met een hoonlach pakte hij de revolver uit en stak deze toen in een der zakken van zijn jas. ZESDE HOOFDSTUK. EEN DETECTIVE-TRUC. Het was slechts een kleine bestuursvergadering, die dezen avond plaats had in de Vereeniging ter bevordering der goede zeden. Meneer Harper verscheen even over tienen en vond de heeren al voltallig bij elkaar. Zijn gelaat straalde van zelfvoldoening en van het geluk, dat hij de laatste paar uren aan de zijde der bekoorlijke Miss Raabe had genoten. Terwijl hij de vergadering leidde, wachtte zij beneden in de leeszaal van het hotel. Om de verveling te verdrijven, bladerde zij de daar neergelegde couranten door. Plotseling zag ze midden door de zaal Su-Ki-Bit-Wou-Wang aankomen. „Hallo!” riep zij, „Mr. Jucki, waar wilt ge naar toe?” De Chinees deed eerst erg verlegen, doch sprak toen, zijn gelaat plooiend tot een beminnelijk glimlachje: „O, ik zijn zeer verheugd, u te zien, mooie Miss Raabe, ik wil gaan naar de „bevordering der goede zeden” „Och zoo,” lachte zij, „gij bedoelt die Vereeniging!” Hij knikte: „Yes, naar die Vereeniging!” Zij klopte hem op de schouders en zei: „Weet wel, lieve Jucki, dat ge daar niet veel wijzer zult worden. Ze bevorderen daar alleen de zeden van anderen, aan zichzelf denken ze niet.” „Dat hindert niets!” antwoordde de Chinees, „ik moet kennen leeren, of hier bij u in Engeland ook zulke onzedelijkheden als in China. Ik geloof, wij zijn even fatsoenlijke menschen!” „Veel fatsoenlijker,” lachte Miss Raabe, „geloof me, ik heb er ondervinding van. Ik ken de Londensche mannen.” „Ik niet daaraan twijfel en weet u, ik ook veel liever in uw gezelschap was dan in dat zedelijk gezelschap.” „Ik heb een idee,” hernam Miss Raabe, „blijf gij bij mij en laten we den avond ergens gaan doorbrengen. Ik verveel mij dood in gezelschap van Harper.” „O, hij is een zeer nette mensch, niet waar?” „Gij bedoelt, omdat hij mij verveelt?” „O ja, ik dat bedoel.” „Dan vergist gij u,” lachte de schoone, „hij is het absolute tegendeel van netheid. Gij begrijpt, dat men ook wel graag eens wat anders hoort, en ik zou blij zijn, in fatsoenlijk gezelschap te verkeeren. Daarom zou ik u willen verzoeken, den avond met elkaar door te brengen.” „Allright,” knikte Su-Ki-Bit-Wou-Wang. „Ik gaarne bereid ben daartoe. Maar wij wat doen?” „Ik weet wat. Vis-a-vis het hotel is een oestersalon. Net rechts tegenover het Strand. Daar zal ik op u wachten, als de vergadering is afgeloopen.” „Allright,” zei de Chinees. Het tweetal reikte elkaar de hand, waarna hij zich naar de aan het eind der gang gelegen kleine zaal begaf, waarin de vergadering plaats had. Bij zijn binnentreden keken alle aanwezigen hem nieuwsgierig aan. Baxter had de aanwezigen al meegedeeld, dat hij zou komen, en allen wachten in spanning zijn komst af. Een vroolijk lachje kwam op het gelaat der heeren, toen de Chinees volgens landsgebruik zijn vilten schoenen uittrok, driemaal op zijn knieën sloeg en eenige grappige buigingen maakte. „Dat is zijn begroeting”, fluisterden de Engelschen tot elkaar, stonden daarna op en maakten een stijve buiging. De Chinees trad naderbij, schudde ieder de hand en noemde zijn naam: Su-Ki-Bit-Wou-Wang. Toen hij bij Baxter en Harper was gekomen, wilde hij met hen volgens Chineesch gebruik gaan neus wrijven, hetwelk deze echter op hoffelijke wijze afweerden door hem te verklaren, dat zij van zijn toegenegenheid waren overtuigd, ook al gaf hij hun slechts volgens gebruik de hand. Men bood daarop Su-Ki-Bit-Wou-Wang een stoel aan en de vergadering werd voortgezet— — Gedurende een kleine pauze vroeg de naast den Chinees zittende Engelschman, hoe het hem in hunne vergadering beviel. „O”, zei Su-Ki-Bit-Wou-Wang, „als straks komen de kleine meisjes, zal het zeer aardig worden!” De Engelschman, een predikant van streng rechtzinnige beginselen, week ontsteld achteruit en kon zijn ooren bijna niet gelooven. Doch eenige andere leden hadden de nogal luid gesproken woorden eveneens verstaan en, als echte Engelschen, wel van een grapje houdend, vroegen zij: „Wat voor kleine meisjes bedoelt u, Mr. Wang?” „O,” gaf de Chinees ten antwoord, „ik bedoel de kleine meisjes, bij wie ik mijne vrienden, de heeren presidenten, in den schouwburg zag zitten!” Opeens werd het ijzig stil als in een kerk. Harper en Baxter zaten als aan den grond genageld. Alle aanwezigen keken hen aan met een verwijtenden blik, die hen als het ware doorboorde. Vooral de predikant zette een gezicht, alsof hij de heilige aartsengel in eigen persoon was, die Gods oordeel verkondigde. Hij was dan ook de eerste, die het stilzwijgen verbrak en aan Mr. Harper vroeg: „Wat hebt gij op de merkwaardige woorden van dezen geachten gast te antwoorden, meneer de president?” Harper was zoo rood als een kreeft van opgewondenheid. Het zweet druppelde in dikke parelen van zijn voorhoofd. Hij stond op, want hij begreep, dat hij wat antwoorden moest. „Mijne heeren,” aldus begon hij, „Mr. Wang heeft gelijk, wanneer hij zegt, dat hij de presidenten van de Vereeniging ter bevordering der goede zeden in gezelschap heeft aangetroffen van twee meisjes, die helaas tot de verworpelingen van de maatschappij zijn te rekenen.” Een luid „Foei” klonk rondom de tafel, hetwelk Harper met een handbeweging bezwoer, waarna hij vervolgde: „Gij vergist u, mijne heeren, wanneer ge meent u over de houding van uwe presidenten ongerust te moeten maken; wij waren slechts in onze hoedanigheid van trouwe strijders voor de goede zeden in gezelschap van die dames. „We hebben beproefd haar van haar slechten levenswandel terug te brengen en haar weer het pad des deugd en zedelijkheid te doen betreden. „En het is mij gelukt een der zondaressen in een christelijk Tehuis onder dak te brengen. Zij zal voor liefdezuster worden opgeleid.” Nu weerklonk een luid „Bravo!”, terwijl de predikant sprak: „Ik verzoek u uit naam van mijn vrienden aan deze tafel om vergiffenis. De hemel moge uwen verderen strijd met zegen kronen.” De president boog en met tranen van ontroering in de oogen ging hij weer zitten om Baxter onder de tafel ongemerkt de hand te drukken. Men zou nu gaan confereeren over het verbod van de verkoop van sommige humoristische bladen. De predikant had het voorstel gedaan een der schendbladen voor ondeugd en onzedelijkheid van den Engelschen bodem te verbannen. Opeens stond Su-Ki-Bit-Wou-Wang op. „Pardon, heeren,” zei hij, „doch ik vinden deze vergadering zonder kleine meisjes te oninteressant! Ik zal weer vertrekken. Bij ons in China zorgen altijd kleine meisjes voor conversatie in heerengezelschap.” Opnieuw klonk een onrustbarend luid „Foei!” door de zaal. Toen greep Harper, die eindelijk gelegenheid vond zich op zijn aanvaller te wreken, den presidentshamer, gebood daarmee stilte en riep, op Su-Ki-Bit-Wou-Wang wijzend: „Eruit gij, immoreel en onzedelijk wezen! Waag het niet u ooit weer in ons midden te vertoonen. Gij zijt een liederlijk mensch!” „Liederlijk mensch!” riepen alle Engelschen tegelijk en spuwden op Engelsche wijze naar Su-Ki-Bit-Wou-Wang op den grond. Toen hij de zaal had verlaten, zei de predikant met ten hemel gerichte oogen: „Laten we opstaan van onze zitplaatsen, beste vrienden, en den hemel danken, dat hij den duivel, die in de gedaante van dien vuilen Chinees tot ons kwam, te rechter tijd uit onzen edelen deugdzamen kring heeft verdreven.” Allen stonden op, sloegen met den predikant de oogen op en gingen daarna weer zitten. Nadat men het er, na een kort debat, over eens was geworden, dat het bedoelde tijdschrift een schendblad van het ergste allooi was, dat stelselmatig, niet alleen de jeugd, doch ook de ouderen ten verderve voerde, en daarom moest verboden worden, verklaarde Mr. Harper de zitting voor gesloten, en, zakelijke bezigheid voorwendend, verliet hij de vergadering. Toen hij in de leeszaal kwam, om zijn geliefde af te halen, keek hij vergeefs rond. Een voorgevoel zei hem, dat zij misschien dien vervloekten Chinees had ontmoet en met hem het hotel had verlaten. Als een woedende stier snelde hij naar haar huis en toen hem niet werd opengedaan, liep hij voortdurend daarvoor op en neer.— — Miss Raabe zoowel als Su-Ki-Bit-Wou-Wang hadden ondertusschen samen gesoupeerd. Tegen twee uur ’s nachts verklaarde zij gaarne naar huis te willen gaan. „Ik ben bang,” zei zij, „lieve Jucki!” (Ze waren nu al zeer intiem.) „Geloof mij, die jaloersche man, Mr. Harper, zal bepaald voor mijn huis staan om mij op te wachten. Ik ben bang, direct naar huis te gaan.” „Ik zal dien man wel weg werken,” antwoordde Raffles. Hij liet zich door den kellner papier en enveloppe brengen en schreef een paar bladzijden. Daarna liet hij door den kellner een nacht-kruier ontbieden. Dezen overhandigde hij den brief, nadat hij op geheimzinnige wijze verscheiden minuten met hem had gesproken. Na verloop van een kwartier zei de Groote Onbekende: „Ik zal u nu naar huis brengen, Miss Raabe, ge kunt volkomen gerust zijn.” „Is Harper er niet meer? Dat is mij een raadsel!” meende zij, „ik weet niet, hoe ge dat hebt klaar gespeeld.” Su-Ki-Bit-Wou-Wang glimlachte slechts, doch gaf geen antwoord. Terzelfder tijd trad een nacht-kruier op den bankier toe, die nog steeds voor het huis op en neer wandelde, en, zijn pet afnemend, zei hij: „Is u Mr. Harper?” „Jawel”, antwoordde deze, „dat ben ik. Wat wenscht ge van mij?” „Ik moet u een brief overhandigen.” Hij gaf Mr. Harper het schrijven. „Van wien komt die brief?” vroeg hij. „Van den inspecteur van politie Baxter,” antwoordde de kruier. Zonder verder antwoord af te wachten, verliet hij den bankier en verdween in het nachtelijk duister. Harper echter snelde naar een straatlantaarn, scheurde den brief open en las: „Dear Sir! Ik ontving juist een alarmeerend bericht. Een van mijn detectives deelde mij mede, dat men ontdekt had, dat gij de deposito’s van uw klanten hebt verduisterd. Neem u in acht!” De brief was niet onderteekend. De straat begon opeens te draaien voor Harpers oogen. Hij viel bijna neer als een dronken man en moest zich aan een straatlantaarn vasthouden. Daarna frommelde hij het blad papier ineen, stak het in zijn zak en snelde weg. Zijn slecht geweten begon geweldig te knagen. Hij voelde zich als door den duivel bezeten. Als een schaduw vluchtte hij weg in de duisternis— — Terzelfder tijd hield een rijtuig voor het huis stil. De Chinees stapte uit en hielp Miss Raabe uit het rijtuig. „Gij moet mij in mijn woning begeleiden,” zei zij, „ik ben vreeselijk bang. Mogelijk loert die man daar op mij.” „Ik zijn zeer moe,” antwoordde de Chinees, „ik hier zal wachten, totdat gij woning doorzoekt en dan naar huis rijden. Ik graag in gevaar met jonge dames mag samen zijn.” Daar zij om den Chinees persoonlijk weinig gaf, doch slechts op zijn geld aasde, zei zij hem vluchtig goeden nacht, sloot het huis open en trad naar binnen. Raffles wachtte nog een paar minuten, daarna werd op de eerste etage een raam geopend, Miss Raabe verscheen, wenkte hem met haar zakdoek en riep: „Hier is niemand, ik dank u, lieve Jucki, goeden nacht!” De Chinees sprak door zijn neus een onwelluidend „Goeden nacht”, stapte in zijn rijtuig en reed weg. Den volgenden morgen had Raffles het tot Charly Brands verbazing merkwaardig druk. Door middel van een advertentie in de courant had hij een stenographe in dienst genomen en begon deze een comediespel te dicteeren. Onvermoeid was hij daarmee bezig en rustte niet, voordat hij den éénacter in twee dagen klaar had. „Wil je mij het stuk niet voorlezen?” vroeg Charly Brand, die nieuwsgierig was naar den inhoud. „Dat is onnoodig, jongen, je zult het gauw genoeg op de planken zien.” John Raffles kende door zijn club den directeur van den Garrick-Schouwburg en bracht hem een bezoek. „Er is me zeer veel aan gelegen,” wendde hij zich tot den directeur, „dat ge dezen éénacter al over een paar dagen op de planken laat spelen. „Ik ben bereid alle aan de uitvoering verbonden kosten voor mijn rekening te nemen. Het geldt hier een privé-genoegen voor mij persoonlijk, en om te zien, of ik werkelijk de gave bezit, succesvolle theaterstukken te schrijven.” De directeur kende Lord Lister onder den naam Baron von Walkerfield. Hij bladerde het stuk door, en nadat hij het in een goed kwartier vluchtig had gelezen, verklaarde hij zich bereid, het stuk door zijn tooneelspelers in drie dagen te laten instudeeren en de première reeds over vier dagen te doen plaats hebben. Eén moeilijkheid was aan de zaak verbonden, en dat was de censuur der politie. „Hoe kunnen we dat klaarspelen?” vroeg Raffles. „Heel eenvoudig, beste baron”, antwoordde de schouwburgdirecteur, „ik zal een vriendelijk briefje schrijven aan den censor en er voorzichtig een biljet van 100 pond bij insluiten.” „Fameus,” lachte Raffles, „dan zijn we klaar, nietwaar?” „Jawel,” gaf de directeur ten antwoord, „ik heb echter nog één vraag, namelijk wie zal de rol van den Chinees Su-Ki-Bit-Wou-Wang spelen in het stuk?” John Raffles begon opnieuw te lachen en sprak: „Bijna had ik het voornaamste nog vergeten; die rol speel ik zelf.” „Gij zelf? Hebt gij den moed als tooneelspeler op te treden?” „Wel natuurlijk,” knikte de Groote Onbekende. „Ik speel in het gewone leven nog meer comedie dan op de planken noodig is. „Ik verzeker u, mijn beste directeur, nog afgezien van het feit, dat ik de kosten der opvoering betaal, zult ge schitterende zaken maken met het kleine tooneelspel. „Ik zou durven wedden, dat geheel Londen hierheen komt om het stuk te zien.” „Dat ware te wenschen,” lachte de directeur, „ik heb op ’t oogenblik juist geen goed stuk. Laten we dus het beste hopen.” John Raffles nam afscheid en reeds den volgenden morgen begon de directeur met de voorbereidingen. Hij verklaarde den baron, dat deze hierbij zijn medewerking moest verleenen. Eenige uren later ontving Baxter, die, zooals vermeld, het ambt van censor voor tooneelspelen in Londen uitoefende, d.w.z. hij moest nagaan of de stukken ook gevaar opleverden voor de goede zeden, een brief van den directeur van den Garrick-schouwburg, benevens een blauwe portefeuille, waarin zich het tooneelstuk bevond. Baxter scheurde den brief open en las: Beste Inspecteur! Hierbij een stuk voor de censuur, waarbij zeer veel haast is. Met vriendelijke groeten, Uw GARRICK. Tegelijkertijd had de inspecteur het bankbiljet van honderd pond gevonden en stak dit met een inwendig lachje in zijn vestjeszak. Hij kon het juist goed gebruiken, daar hij door zijne verhouding tot de vriendin van Miss Raabe, de kleine Trude Hansch, veel geld had uitgegeven. Hij nam het voorgeschreven politiestempel, dat het verlof tot de opvoering bekrachtigde, sloeg de klep der portefeuille op en drukte het zegel op den omslag van het tooneelstuk, zonder er verder naar om te zien. Daarna schelde hij een bode en liet het toegelaten stuk naar den directeur van den Garrick-schouwburg brengen. De Vloo had stilzwijgend toegezien en zei nu: „Weet ge, inspecteur, als ik me niet vergis, hebt ge daar juist weer toestemming verleend tot het opvoeren van een tooneelstuk, dat ge heelemaal niet kent. Ge zult u op een goeden keer nog eens gevoelig de vingers branden.” Baxter keek zijn secretaris woedend aan en sprak: „Veroorloof u geen kritiek op mijn handelingen. Daar hebt gij niet het recht toe. Overigens vergist gij u. Ik ken het tooneelstuk al. Het was dus niet noodig het nog eens door te zien. Ik zou dus gaarne verschoond blijven van uwe opmerkingen.” De Vloo boog zijn hoofd over de voor hem liggende acte en ging verder met zijn werk, terwijl Baxter een courant nam en begon te lezen. Midden in zijn lectuur werd hij gestoord. Een detective-sergeant trad binnen, bleef bij de deur staan en salueerde. „Wat wenscht gij?” vroeg Baxter. „Heb een gebeurtenis te melden, meneer de inspecteur,” rapporteerde de beambte. „De zaak van den bankier Harper is sedert gisteren gesloten, en heeft groote opgewondenheid te weeg gebracht onder de klanten van den bankier.” Baxter schrok hevig. Wat was er met Harper gebeurd? Zou hem iets overkomen zijn? „Is bankier Harper niet te vinden?” vroeg hij. „Neen, meneer de inspecteur,” antwoordde de sergeant. „We hebben in zijn woning en bij verscheiden bekenden al een onderzoek ingesteld. Het laatst is de bankier twee dagen geleden in hotel Cecilia gezien. ’s Avonds 10 uur.” „Dat klopt,” zei Baxter, „ik was er persoonlijk met hem.” „Ook aan zijn woning vernamen wij van het dienstmeisje, dat de bankier sedert twee nachten niet thuis was gekomen en ook mevrouw en de kinderen het huis sedert eenige dagen hadden verlaten. „De klanten van den bankier eischen, dat de zaak van politiewege wordt geopend en de deposito’s teruggegeven.” Baxter dacht een paar seconden na. Vergeefs brak hij zich het hoofd, wat er wel met Harper kon gebeurd zijn. Daarna wendde hij zich tot Marholm: „Neem een cab en rijd naar Lyttonstreet 16. Daar woont een tooneelspeelster, Miss Raabe. Vraag aan die dame, of zij iets weet omtrent het verblijf van den bankier Harper. Maak vlug voort, want voordat gij met haar antwoord hier zijt, kan ik niets beginnen.” Zonder een woord te antwoorden, verliet de Vloo de kamer, terwijl de detective-sergeant in het voorvertrek wachtte. Baxter echter liep onrustig heen en weer. De affaire scheen hem vreemd toe. Hij had een onbepaald voorgevoel, dat er iets gebeurd zou zijn, waar hij ook in betrokken zou worden. Tevergeefs probeerde hij zich te kalmeeren, door het rooken van een sigaar. Ten slotte begon hij weer te lezen. Er kon ongeveer een half uur verloopen zijn, toen Marholm, die zich zeer gehaast had, daar hij eveneens iets bijzonders vermoedde, terugkwam met de mededeeling, dat de bankier sedert verscheiden dagen niet in het huis der tooneelspeelster was geweest. Nu bleef Baxter niets anders over dan zijn recherche-afdeeling mobiel te maken en met de beambten naar de zaak van den bankier te rijden, deze te openen en te doorzoeken. De ijzeren luiken van het kleine kantoor waren stevig gesloten, toen Baxter met zijn beambten aankwam. De portier, dien Baxter liet roepen, beduidde hem, dat de meegebrachte slotenmaker een deur van de gang naar de zaak gemakkelijker zou kunnen open maken dan de ijzeren roljalousiën. In korten tijd was de deur open, en de portier, die in de zaak bekend was, draaide het electrische licht op. Nauwelijks was de ruimte helder verlicht of de portier liet een kreet van schrik hooren en lokte alle beambten naar zich toe. „Wat is er, wat gebeurt er!” riep de inspecteur en trok zijn revolver. Doch hij behoefde geen antwoord meer op zijn vraag. Midden in het vertrek, voor de geopende brandkast lag de gezochte bankier Harper op den grond en staarde met verglaasde oogen naar de zoldering. Geronnen bloed uit zijn slapen bedekte de eene helft van zijn hoofd en den grond. De rechterhand hield nog krampachtig de revolver omklemd, waarmee de ellendeling zich had doodgeschoten. Een oogenblik stonden de beambten zwijgend om den doode, doch daarna zei Baxter tot de Vloo: „Ga zitten en maak het proces-verbaal op. Waar is de lijkschouwer?” Deze was juist aangekomen en drong naar voren. „Is hij dood?” vroeg Baxter, waarop de dokter antwoordde: „Dat zou ik meenen.” En Marholm voegde er aan toe: „Die wordt door geen moraal weer levend gemaakt.” De gebruikelijke wettelijke formaliteiten werden door de beambten verricht, waarna Baxter zich met zijn beambten overtuigde, dat, behalve een paar duizend pond sterling, die de zelfmoordenaar in zijn zak droeg, zich geen enkel deposito in de brandkast bevond. Deze bevinding deelde hij aan de voor de deur wachtende klanten van den bankier mee. Vloeken en verwenschingen werden geuit, toen het lichaam van den doode in een ontboden lijkwagen der politie werd weggebracht. Des avonds stond in de Londensche couranten „De zelfmoord van den bankier!” kalmweg verteld. Slechts de korte bijvoeging, dat den volgenden dag verdere ophelderingen zouden volgen, hield de nieuwsgierigheid der lezers gespannen. Baxter wenschte liever waar ook dan in Londen te wonen, en deze opinie werd gedeeld door de andere leden van de Vereeniging ter bevordering der goede zeden. Het was een zware slag voor de Vereeniging, door den dood van haar president veroorzaakt. Alleen Su-Ki-Bit-Wou-Wang was over het verloop zeer tevreden, en toen hij bij Miss Raabe kwam, veroorloofde deze zich zelfs grove scherts. Wel beschouwd had zij tenminste eenige bedroefdheid over den dood van haren vereerder moeten voorwenden. Ze zag niet den blik vol afschuw, dien de Chinees haar toewierp. Reeds den volgenden dag begonnen de couranten op ironischen en spottenden toon de verhouding van Harper tot de Vereeniging ter bevordering der goede zeden te critiseeren. Ook de hertog van Norfolk en de inspecteur van politie kregen hun aandeel. Baxter wond zich zoodanig op, dat hij niet op het bureau verscheen en de Vloo weer eens alleen de zaken moest afdoen. Hij heeft weer moreele Katzenjammer, lachte Marholm vergenoegd in zichzelf en rookte de eene pijp na de andere.— — Eerst op den avond van den dag, waarop de courantenstorm was bedaard, verscheen Baxter weer op het bureau. Hij vond verscheiden brieven, waaronder de mededeeling van den directeur van den Garrick-schouwburg, dat over twee dagen de première zou plaats hebben van den éénacter „Bevordering der goede zeden”. De uitdrukking „goede zeden” werkte thans op Baxter als een rood doek. „Goddam,” vloekte hij in zichzelf, doch zoo luid, dat de Vloo het hoorde, „als ik dat geweten had, zou ik dat stuk niet hebben toegelaten.” „Ziet ge wel,” zei de Vloo, „waarom hebt ge niet naar mij geluisterd. Als het kalf verdronken is, dempt gij den put. Ge hadt liever met uw vingers van die goede zeden moeten afblijven.” „Ja, ge hebt gelijk,” zuchtte Baxter, „daaruit komt niets anders voort dan een reusachtige katterigheid. Men dorscht daar het leege stroo en praat over dingen die niet bestaan.” ZEVENDE HOOFDSTUK. DE INBRAAK. Miss Raabe wachtte Su-Ki-Bit-Wou-Wang tamelijk onverschillig op. Tevergeefs keek zij ieder oogenblik door de ruiten op straat om te zien of hij ook kwam, nu eerst herinnerde zij zich, dat zij nog nooit in zijn woning was geweest. Zij besloot vanavond de schade in te halen, en ontwierp een plan om den Chinees verder in haar netten te vangen, want na den dood van Harper had zij een nieuwen geldschieter noodig. Su-Ki-Bit-Wou-Wang kwam ’s avonds echter niet. Tegen middernacht besloot zij het wachten op te geven en trok zich terug in haar slaapkamer. Zooals gewoonlijk nam zij ook nu een slaapmiddel in en sliep weldra vast. De schemerlamp wierp haar getemperd licht op de kostbare, zijde dekens, waaronder de tooneelspeelster rustte, toen opeens de geheime deur der kleerkast open ging en de donkere gestalte van een man te voorschijn trad. Hij schreed de slaapkamer binnen tot aan het bed der slaapster. Het gelaat van den man was met een zijden masker bedekt, waaruit alleen twee donkere oogen fonkelden. De gemaskerde sloop naar het ijzeren kistje, dicht bij het bed en had weldra van een sleutelbos den passenden sleutel gevonden, waarmede hij het kistje openmaakte. Daarin bevonden zich diamanten, edelgesteenten en ringen, alsook meer dan 10,000 pond in bankpapier. De kostbaarheden en bankbiljetten waren spoedig in een leeren taschje gepakt en na zijn visitekaartje in het kistje te hebben gelegd, verliet de gemaskerde even stil als hij gekomen was de kamer.— — Den volgenden morgen tegen 11 uur vloog de tooneelspeelster Miss Raabe als een krankzinnige bij Baxter het bureau binnen met den uitroep: „Ik ben door Raffles bestolen, heeren!” Verschrikt sprong Baxter op en riep: „Wat schreeuwt ge toch, Madam, door wien zijt ge bestolen?” „Door Raffles!” schreeuwde de miss opnieuw opgewonden. „Meer dan 10,000 pond aan bankbiljetten en evenveel waarde aan diamanten. Lieve inspecteur, help mij toch uit vriendschap.” „Pardon,” sprak Baxter, „gij zijt hier in het bureau van den inspecteur van politie! Laat mijn persoon er dus buiten.” Hij wilde voor de Vloo zijne betrekkingen tot de wereld verbergen. „Waar hebt ge Raffles leeren kennen?” vroeg hij aan Miss Raabe. „Ik heb hem nog nooit gezien,” antwoordde deze schouderophalend. „Maar hij moest toch weten, dat gij uw geld en sieraden thuis bewaart. De Groote Onbekende zal geen inbraak plegen zonder zich te oriënteeren.” „Misschien is hij onder een anderen naam bij u geweest,” viel de Vloo in de rede. „Ik ontvang geen heeren,” antwoordde de tooneelspeelster, „en heb trouwens maar één vriend, een buitenlander, die in het geheel niet in aanmerking komt.” „Een buitenlander is zeer verdacht. Wilt gij ons zijn naam noemen?” vroeg Baxter. „Dat heeft geen doel, heeren,” antwoordde de bestolene, „doch wanneer gij er bijzonder op staat en u zelf wilt overtuigen, het is een Chinees en hij heet Su-Ki-Bit-Wou-Wang”. „Zoo, zoo!” meende de Vloo, „als die Chinees Raffles maar niet is.” „Gij zijt en blijft een idioot, Marholm,” stoof de inspecteur op, en zich daarna tot Miss Raabe wendend: „Hoe weet ge, dat het Raffles was, die de inbraak pleegde?” „Hier is zijn visitekaartje, dat in het kistje lag,” antwoordde zij. Op dit oogenblik belde de telephoon en Baxter riep: „Hallo, wie daar?” „Spreek ik met inspecteur Baxter?” „Ja, wat wenscht u?” „Is Miss Raabe ook bij u?” „Ja, de Lady is hier op het bureau.” „Wel, groet haar dan van mij.” „Wie zijt ge dan?” Toen klonk langzaam en duidelijk door de telephoon: „John C. Raffles!” „De duivel hale u!” schreeuwde Baxter, waarop het lachend terugklonk: „Dat zal gebeuren!” De telephoon ophangend riep Baxter: „Dat is weer echt zijn brutaliteit. De kerel belt me op en drijft den spot met ons. Kon ik hem toch eindelijk eens pakken.” „Is die man dan werkelijk niet te pakken?” vroeg Miss Raabe. Baxter haalde de schouders op, doch de Vloo verklaarde: „Door ons niet, dat is zeker.” ACHTSTE HOOFDSTUK. DE TOONEELVOORSTELLING. Het publiek, dat de première ging bijwonen in den Garrick-schouwburg, amuseerde zich vóór de voorstelling met het berichtje in de avondbladen betreffende de inbraak bij de tooneelspeelster. Daarna las men het programma van de voorstelling. Hoe meer men tuurde op de rollen, die in het nieuwe stuk voorkwamen, hoe meer het stuk hun verdacht voorkwam, temeer, daar de titel hen al herinnerde aan de jongste gebeurtenissen en de rollen van bankier, hertog en inspecteur van politie sterke gelijkenis toonden met de personen der zedelijkheidsvereeniging. Verder trof men onder de rollen die van een Chinees, Su-Ki-Bit-Wou-Wang, verder een tooneelspeelster, een danseres, en ten laatste als clou, als buitengewone sensatie, stond vermeld de naam: Raffles. De tooneelkijkers werden nieuwsgierig naar de loge gericht, waarin de inspecteur van politie Baxter met eenige andere politiebeambten zat. Deze had geen vermoeden, dat hij het middelpunt der belangstelling van het publiek was geworden. Zenuwachtig wachtten de ongeduldigen tot het belletje klonk, het gordijn omhoog ging en men een nauwkeurige copie van een der zalen uit hotel Cecilia op het tooneel zag. De redevoeringen der zoogenaamde bevorderaars der goede zeden wekten den algemeenen lachlust op, behalve bij Baxter, die zich nauwkeurig nagebootst op de planken zag, en zijne verbazing bereikte het toppunt, toen de bekende Su-Ki-Bit-Wou-Wang ten tooneele verscheen. Deze speelde zijn rol meesterlijk en het publiek genoot volop, toen hij uit de vergadering der zedelijke heeren werd verwijderd. Nu veranderde het tooneel. Dames der demi-monde traden binnen, en men kreeg tooneeltjes te aanschouwen, die in de Vereeniging ter bevordering der goede zeden allesbehalve thuis behoorden. Zoo werd achtereenvolgens al het gebeurde met Harper, Miss Raabe en den Chinees voor het voetlicht gebracht, tot zelfs de inbraak bij de tooneelspeelster en de vermakelijke scène op het bureau van den inspecteur Baxter. Het publiek riep enthusiast om den schrijver, waarna plotseling het gordijn vaneen ging, de Chinees verscheen en boog. Allen stonden verbluft. Baxter had den schouwburg allang verlaten met zijn beambten. Toen werd er van de galerij geroepen: „Masker af! We willen zien hoe gij er uitziet!” De Chinees gebood met een handgebaar stilte en sprak: „Ik ben zeer blij, dat het stuk u is bevallen, en voldoe gaarne aan uw wensch, mij zonder masker te zien. De inspecteur Baxter is toch niet meer in de zaal! Een oogenblik slechts!” Even later keerde hij terug als volmaakte heer, met gladgeschoren gelaat, monocle in het oog en in eleganten rok gekleed. „Raffles! Raffles!” klonk het van alle kanten. „En sta mij nu toe, dat ik mij aan u voorstel. Gij zult het begrijpelijk vinden, dat ik dadelijk daarna vertrek. Mijn naam is...... John C. Raffles......” Het publiek stormde op het tooneel toe, doch Raffles was al verdwenen. Het gebeurde ging als een loopend vuurtje door Londen en niet het minst van allen was Baxter verbaasd, toen hij vernam, hoe de afloop was geweest na zijn vertrek uit den schouwburg, en dat Raffles had aangekondigd, dat het einde van het stuk morgen in de couranten te lezen zou zijn. En werkelijk bevatten de middagbladen van den volgenden dag in vet gedrukte letters op de eerste bladzijde het volgende artikel: „De schuldige aan den moord van den bankier Harper. Raffles’ inbraak uit medelijden. Raffles een weldoener. De weduwe van den bankier Harper, die zich voor een paar dagen van het leven beroofde wegens verliezen op de beurs, ontving heden van Raffles 7000 pond sterling met de mededeeling, dat hij dit ontstolen had aan een tooneelspeelster, die de beminde van den bankier was geweest. De bankier zou dit geld aan zijn beminde hebben cadeau gegeven— — Tegelijkertijd ontving het kantongerecht te Hampton Road 3000 pond sterling, zijnde de verduisterde deposito’s, welke door Raffles werden ter beschikking gesteld. De weduwe, die met haar twee kinderen in armoede verkeerde, is door deze daad tegen hongerlijden en ellende beschermd. Wij koesteren de hoop, dat Raffles onze stad nog dikwijls moge zegenen met dergelijke inbraken.” „Hij heeft alweer een standbeeld verdiend”, zei de Vloo, toen hij het artikel las. Baxter echter was het een pak van het hart en hij dacht: „Raffles is toch een fatsoenlijk mensch.” „Ik ben blij, dat eindelijk van u te hooren”, sprak de Vloo. Daarna vroeg hij: „Blijft gij voorzitter van de Vereeniging ter bevordering der goede zeden?” „Ik heb maling aan de goede zeden”, schreeuwde Baxter, „de duivel moge ze halen!” „Hoerah!” riep de Vloo, „ik geloof, dat gij verstandig wordt en dat hebt gij alleen aan Raffles te danken.” *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78680 ***