*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78819 *** LORD LISTER GENAAMD RAFFLES DE GROOTE ONBEKENDE. NO. 51 DE VEERTIG DIEVEN. DE VEERTIG DIEVEN. EERSTE HOOFDSTUK. DE ZEE-ADELAAR. In de haven van San Diego lag dichtbij het Mexicaansche fort de trotsche, Amerikaansche kruiser „Florida”, commandant kapitein Dalton. Het schip lag pas vier-en-twintig uur in de haven en de matrozen hielden zich bezig met het dek te schrobben en alle sporen van de lange zeereis uit te wisschen, die den zeeman even erg hinderen als een vlekje in het linnengoed de nette huisvrouw. Op het dek, achter de commandobrug, zat de commandant, kapitein Dalton. Een jonge man, die naast hem in een gemakkelijk Japansch stoeltje zat, was Charly Brand in tropenkleeding en op eenigen afstand van hen zaten mevrouw Delma en haar dochter. Af en toe namen zij hun verrekijkers op, om aan den horizont naar schepen te zoeken. „Binnen twee uur kan, volgens mijn berekening, de „Zee-adelaar”, hoewel het het beste en snelste jacht is dat ooit de Atlantische Zee heeft bevaren, niet hier zijn!” sprak commandant Dalton. „Gij moet uw ongeduld bedwingen, dames!” „Gij kunt niet gelooven, commandant,” antwoordde madame Delma, „hoe ik er naar verlang Lord Lister terug te zien, om hem te danken voor alle avonturen waarin hij zich voor ons heeft begeven. „Deze man komt mij voor als een der helden uit de middeleeuwen, een van die ridders, die zonder vrees of blaam den kamp met een draak wagen, om onschuldigen tegen de woede van een dergelijk monster te beschermen.” „Gij hebt gelijk,” antwoordde de commandant. „Lord Lister is een van de merkwaardigste naturen, die misschien sinds eeuwen op deze wereld hebben bestaan. Ik tel mij zelf tot zijn grootste bewonderaars. „Ik moet eerlijk bekennen, hoewel ik zelf niet bang ben voor den duivel, dat ik niet begrijp, waar Lord Lister den moed vandaan haalt om al zijn waagstukken te ondernemen.” „Het zijn niet eens allemaal waagstukken te noemen,” vervolgde mevrouw Delma. „Ik geloof, dat wij er een beter woord voor kunnen gebruiken: het zijn heldendaden!” „Ik geef u gelijk,” sprak de commandant, „ik zelf heb oneindig veel aan zijn heldenmoed te danken, dat wil zeggen, eigenlijk niet ik, maar mijn moeder.” De dames en Charly Brand keken vol aandacht naar den spreker. „Mogen wij weten, wat voor een heldendaad het is geweest, waarvoor gij Lord Lister dank verschuldigd zijt?” „Het is verscheiden jaren geleden,” begon de commandant te vertellen, „en ik lag met mijn schip in Boulogne-sur-Mer. Ik verwachtte mijn moeder uit Londen en was tamelijk ongerust, daar een zeer hevige storm op het Kanaal woedde. „Het is veel veiliger om het Kanaal te passeeren in een mijner booten, dan op zulk een oud, niet zeewaardig Fransch stoomschip. „Kort en goed, als gij de haven Boulogne-sur-Mer kent, zult gij weten, dat het voor stoombooten onmogelijk is daar binnen te loopen en dat zij de passagiers per roeiboot aan wal moeten brengen. „Met mijn stoomsloep voer ik naar den stoomer en kwam er juist op het oogenblik, toen de kleine havenstoomboot, overladen met passagiers, zich gereed maakte het stoomschip te verlaten, om naar de haven te varen. „Mijn moeder, die mij had gezien, wenkte mij met haar zakdoek. „Op dit oogenblik werd het schip door een golf opzij geworpen...... „Een luid geschreeuw weerklonk uit veler mond—en juist daar, waar mijn moeder had gestaan, had de golf verscheiden personen in de branding geworpen. „Met veel moeite verhinderden mijn dekofficieren en matrozen mij om in het water te springen. „Het stond gelijk met zelfmoord, om zonder zwemgordel, zich alleen verlatende op zijn lichaamskracht, den strijd met de golven te durven aanvaarden. „Van boord der stoomboot werden reddingsgordels en kurken vesten naar de drenkelingen geworpen, maar voordat zij deze konden bereiken, waren de ongelukkigen door de sterke golven ver van het schip gedreven en worstelden zij wanhopig met den dood. „Daar zag ik plotseling tot mijn verbazing, hoe een man, met een kurken vest in de hand, van de verschansing sprong. „Een nieuwe kreet van ontzetting weerklonk.... „Met een stoomsloep trachtte ik de ongelukkigen te naderen en het gelukte mij ook twee jonge mannen, even voordat zij zouden zinken, aan de golven te ontrukken. „Mijn moeder echter kon ik niet ontdekken. „Zij was waarschijnlijk door den stroom reeds van het land weggedreven. „Radeloos van smart trachtte ik nog eens mij in het water te storten. „Tevergeefs. „Mijn brave jongens hielden mij stevig vast en weigerden voor het eerst in mijn leven om mij te gehoorzamen. „Ja, een van hen, mijn oude bootsman, hief zelfs zijn vuist op en schreeuwde: „„Kapitein, voordat gij in het water springt en u nutteloos opoffert, geef ik u een slag op den schedel, dat gij minstens een uur lang in uw kajuit voor anker moet liggen. Voor mijn part laat gij mij daarna aan een ketting leggen!” „En weer klonk een kreet van boord van de stoomboot. „Een van mijn officieren riep plotseling: „„Hij heeft haar gegrepen!” „En daarop telephoneerde hij naar de machinekamer: „Volle stoom!” en den stuurman beval hij: „Koers Noordoosten, naar het havenhoofd!” „Wat in de volgende seconden gebeurde, kan ik niet zeggen. Ik werd als in schroeven vastgehouden door de stevige vuisten mijner matrozen, en daarna— — — „Als in een droom zag ik uit de ziedende golven mijn moeder opduiken en vlak naast haar de gestalte van een man. „Een oogenblik later hadden mijn matrozen het tweetal, dat om hun leven vocht, gegrepen en weldra waren zij gered van den dood. „Mijn moeder lag bewusteloos in mijn kajuit en ik deed mijn best om haar levensgeesten weer op te wekken. „Een kurken vest was om haar lichaam gedaan en had haar belet te zinken. „Eindelijk werd al onze moeite beloond. Mijn moeder opende de oogen en wij omhelsden elkaar, vreugdetranen stortend. „Ikzelf noch mijne officieren hadden erop gelet, dat zich als zwijgend toeschouwer nog iemand in de kajuit bevond, die nu, nu de drenkelinge weer bijgekomen was, even kuchte en sprak: „„Pardon, commandant, maar ik zou u vriendelijk willen verzoeken, mij aan droge kleeren te helpen. Ik druip, alsof ik pas uit het water was gekomen.” „Ik ben in mijn geheele leven nog nooit zoo geschrokken als op dat oogenblik. „Ik staarde naar den gentleman, die inderdaad zoo nat was, dat het water nog steeds uit zijn kleeren stroomde. „Eerst nu begreep ik, dat ik aan dezen man de redding mijner moeder te danken had. „En toen ik nu opstond en, waarschijnlijk ten gevolge van den schrik, slechts in staat was om eenige verlegen dankbetuigingen te uiten, maakte hij een buiging en sprak op een toon, alsof hij tegenover mij in een balzaal stond: „„Sta mij toe, dat ik mij aan u voorstel: Lord Edward Lister.” „Ik geloof, dat ik een zeer verbaasd gezicht heb gezet, toen ik dezen naam hoorde. „Uit de kranten had ik herhaaldelijk den naam van den Lord gehoord, in verband met vermetele avonturen en mij een voorstelling van hem gemaakt als van een Rinaldo Rinaldini. „Ik was zoo verbluft, dat ik niet in staat was, mijn naam te noemen, maar weer de een of andere domheid mompelde. „Kort en goed, vier-en-twintig uur later zat ik met Lord Lister en mijn moeder samen in Parijs en voelde mij zeer aan hem verplicht, niet alleen omdat hij de redder van mijn moeder was geworden, maar ook omdat hij voor mij de meest sympathieke persoon was, dien ik ooit had aangetroffen. „Sinds dien tijd zijn Lord Lister en ik door de innigste vriendschap verbonden en daarom heb ik mij, toen ik zijn brief had ontvangen, toestemming verschaft van het ministerie van marine in Washington om een oefeningsvaart in de Mexicaansche wateren te doen, ten einde onder den dekmantel van deze zee-expeditie u en uwe belangen te kunnen dienen.” „Ik begrijp alleen niet”, mengde zich Charly Brand nu in het gesprek, „hoe Lord Lister aan den „Zee-adelaar” is gekomen, waarvan gij vertelt, commandant, dat het het snelste jacht is, dat er op het oogenblik bestaat.” „Heel eenvoudig”, glimlachte commandant Dalton, „ik kreeg een telegram van hem in New-York, waarin hij mij verzocht, hem door mijn tusschenkomst een goed zeiljacht, dat te koop was, te bezorgen. „Toevalligerwijze heeft een van mijn vrienden, de zoon van den katoenkoning May, genoeg van de zeilsport en zoodoende was het zeiljacht te koop. „Door een telegram kreeg ik toestemming om te beschikken over het zeiljacht, dat eerst kort geleden was teruggekomen van een reis naar Indië en nu in de haven van New-York lag. „Ik liet door een agent manschappen aanwerven en zond die, zooals Lord Lister dat wenschte, naar Vera Cruz. „Ik deelde hem mee, dat wij de haven niet konden binnenloopen, zooals het oorspronkelijke plan was, en dat het voor hem en voor ons beter zou zijn, elkaar hier in San Diego aan de Pacific-kust te ontmoeten.” „Hoe weet gij, commandant, dat het jacht binnen twee uur hier moet zijn?” „Doodeenvoudig”, antwoordde de commandant lachend, „dat kan ik naar de snelheid der beide schepen nauwkeurig berekenen. Mijn kruiser maakt 14 knoop per uur en de „Zee-adelaar” zelfs 16, met volle zeilen. „Bereken ik nu zijn snelheid evenals die van mijn kruiser, tegenwind en dergelijke bij omstandigheden in aanmerking genomen, dan verkrijg ik na aftrek der 24 uur, die wij als voorsprong hadden, het resultaat, dat hij in den loop der volgende twee uur de haven van San Diego moet bereiken.” „Ik heb nog nooit gehoord”, sprak Madame Delma, „dat een zeiljacht een grootere snelheid kan hebben dan een stoomboot.” „Natuurlijk”, antwoordde de commandant, „maar het is ook een uitzondering. Deze „Zee-adelaar” echter is van het beste mahoniehout gebouwd, is een tweemaster en heeft een constructie van zeilen, zooals men die niet vernuftiger uit zou kunnen denken. „In Amerikaansche vakkringen noemen wij het jacht gewoonlijk „de Vliegende Zwaan”. „Gij zult zelden weer zulk een dergelijk vaartuig te zien krijgen als de „Zee-adelaar”.” Nu sprak Charly Brand: „Daar Lord Lister een hartstochtelijk sportsman is en jaren lang zelf een zeiljacht heeft bezeten, zal hij ongetwijfeld zelf de leiding op zich hebben genomen.” „Zeker”, antwoordde de commandant, „ik ken van eenige zeilwedstrijden Lord Lister als een omzichtig en ervaren zeiler. „Dat is hem als Engelschman aangeboren. Een zijner voorvaderen van moederszijde was, naar ik hoorde, admiraal Nelson.” Op dit oogenblik dreunde van de zijde der buitenhaven een schot, als teeken, dat een schip de haven naderde. „Let eens op, dames”, riep commandant Dalton uit en hij stond op om zich naar de commandobrug te begeven, „dat zal onze vriend zijn.” Daar de havenmond van de plek waar zij lagen, niet te zien was, moesten zij nog even geduld hebben, totdat plotseling, als een reusachtige witte vogel, met glinsterend witte zeilen, de „Zee-adelaar” inderdaad de haven binnenkwam. De verschijning van het schip wekte de levendige bewondering op van de havenarbeiders en zeelieden. Ieder legde het werk neer en bewonderde de sierlijkheid en de prachtvolle manoeuvres, die het schip uitvoerde, toen het vlak bij den Amerikaanschen kruiser voor anker ging liggen. De wolken van wit linnen, die den „Zee-adelaar” omhulden en hem bijna het uiterlijk gaven van een boven het water zwevenden luchtballon, verdwenen en werden door de matrozen aan de ra’s bevestigd. „Nu, dames,” sprak commandant Dalton, „heb ik u te veel van het schip verteld?” „Neen!” antwoordde madame Delma. „Ik heb nog nooit zulk een prachtig zeiljacht gezien. Dat is werkelijk een vliegende zwaan en gij ziet, dat alle zeelui, evenals ik; vol bewondering zijn voor het jacht.” Op dit oogenblik werd een boot aan boord van het jacht losgemaakt en duidelijk zagen commandant Dalton en zijn passagiers, hoe Lord Lister met verscheiden matrozen in de boot sprong, om naar den kruiser te roeien. Na eenige minuten klauterde Lord Lister langs de valreep van den kruiser naar boven en schudde den commandant vol vreugde de handen. „Een voorspoedige reis gehad?” vroeg hij, „een wonderlijk schip, ik heb bijna voortdurend vijftien knoopen gemaakt.” Daarop wendde hij zich tot de dames en sprak: „Wel, madame Delma, het doet mij genoegen u in Mexico te zien. Laat ons hopen, dat het mij gelukt om nu dat te bereiken wat gij wenscht.” Zij drukten elkaar de hand en mevrouw Delma sprak: „Ik zegen dezen dag, die u bij mij heeft teruggebracht, mijn dappere, trouwe ridder. Een anderen naam kan ik u niet geven.” Nu kwam Charly Brand naar voren en vroeg: „Ben je alleen op het jacht?” Een sombere trek vertoonde zich op het gelaat van Raffles en hij antwoordde: „Ik ben alleen!” „En waar is Carmen Marquez, je verloofde?” „In Vera Cruz,” antwoordde Raffles. „Gaat het haar goed?” vroeg nu madame Delma vol werkelijke belangstelling, hoewel het de zuster van haar doodsvijand betrof. „Ja,” antwoordde Raffles, „het gaat haar beter dan ons allen! „De ontberingen en gruwelen der verre reis, die wij tot Vera Cruz moesten maken, en een aanval van de gele koorts, hebben mijn zon, die op zoo zeldzame wijze mijn levenspad was komen bestralen, vernietigd. Carmen Marquez is vandaag vóór drie weken gestorven.” Een angstige stilte maakte zich van de aanwezigen meester. De machtige dood deed hun de hoofden buigen. Na eenige oogenblikken echter trad madame Delma naar Raffles toe, greep zijn handen en sprak op warmen, hartelijken toon: „Gij arme, arme man!” Maar Raffles wierp fier het hoofd in den nek, als wilde hij het onverbiddelijke noodlot het hoofd bieden, en antwoordde met een harde uitdrukking op het gelaat: „Gij vergist u, madame, men moet van het leven niet meer verlangen dan het kan geven. Ik ben zeer dankbaar, want ik heb aan de zijde van Carmen Marquez de gelukkigste en onvergetelijkste dagen van mijn leven genoten. „De herinnering daaraan zal voor mij altijd het beste blijven wat de wereld mij kon geven. „Zoo, en nu verzoek ik u, niet meer van de dooden te spreken. Een levende, uw echtgenoot, heeft onze hulp noodig! „Laat ons samen overleggen, op welke wijze wij hem kunnen helpen.” „Vóór alles,” vroeg commandant Dalton, „zijn uw scheepspapieren in orde? De Mexicanen, die zelf schurken van de allerergste soort zijn, vermoeden in elk vreemd schip een spion of smokkelaar.” „Ik voorzag dit,” sprak Raffles, „en heb daarom voor mijn afreis scheepspapieren van het Custom-House genomen, om langs de Pacific-kust te mogen visschen en kruisen. Bovendien heb ik den naam van de boot veranderd en noem deze „Carmenrita”. „Ik deed dit, opdat Marquez of zijn vriend in Guaymas, gouverneur Matteo, wanneer zij van den een of anderen spion inlichtingen omtrent mij mochten verkrijgen, niets omtrent mijzelf of de boot te weten zouden komen. „Denk er dus aan, dat mijn boot voortaan heet „Carmenrita”. „Ik denk, dat wij reeds vandaag de haven verlaten om naar Guaymas te varen. Eerst daar kunnen wij met onze Mexicaansche operaties beginnen.” „Allright,” antwoordde commandant Dalton, „en nu moet gij mij het genoegen doen om mij mee te nemen aan boord van uw jacht, opdat ik kennis kan maken met uw bemanning.” Eenige minuten later riep de stuurwacht aan boord van het jacht in zijn scheepsroeper: „Boat coming from the men-o-war!” (oorlogsschip) en de zeilmeester Tylar met stuurman en matrozen sprongen op dek en stelden zich in rij en gelid. Commandant Dalton monsterde met echten zeemansblik de manschappen en toen hij met John Raffles in diens hut zat, sprak hij: „Geen goed volk, dat gij aan boord hebt.” „Dat weet ik, maar ik houd ze met ijzeren tucht in bedwang. Het is een moeilijke tijd voor ons, zeilers”, vervolgde Raffles, „fatsoenlijke lui willen geen dienst meer doen op een zeilschip, zij gaan op stoomschepen.” „Wel”, sprak commandant Dalton, „houd die jongens vooral in de gaten, ik denk, dat gij nog last er mee krijgt. „Zoodra de vloed opkomt, zal ik met mijn kruiser de haven verlaten, om direct koers te nemen naar Kaap Lucas.” „Ik zal u binnen eenige uren volgen.” „Pardon”, antwoordde commandant Dalton, „het zou beter zijn, als gij eerst eenige dagen in de haven bleeft om eerst dan naar Guaymas te zeilen.” Daarop verlieten beiden het jacht weer en begaven zich aan boord van den kruiser, waar commandant Dalton een souper voor Raffles en zijn officieren gaf. Terwijl Raffles zich aan boord van den kruiser bevond, stond Tylar op dek met een Zweed, Jurgens genaamd, een blauwoogig, breedgeschouderd gezel. Zij rookten hun pijpje en de Zweed mompelde: „Weet je, Charly, als je flink bent, dan stoor je je eindelijk eens aan mij. „Dit schip, waarop wij ons bevinden, is het eenige, dat een vaart zou kunnen doen om opium te smokkelen. Ik verzeker je, Charly, de gelegenheid zal zich niet zoo gauw weer aan ons voordoen en Wou-Wang betaalt ons voor dit schip wel minstens 50,000 dollar contant, behalve het geld, dat wij met meerdere opium reizen kunnen verdienen. „Wij zullen als rijke lui naar huis terugkeeren.” En Tylar, een Ier van geboorte, spuwde het bruine tabakssap in het water en sprak: „Ik durf best! Maar de duivel hale ons, als de zaak niet gelukt! Dan zijn wij voor altijd onze scheepspapieren kwijt en worden wij misschien aan den mast van een Engelsch of Fransch schip ter versiering opgehangen. Het is een gemeene streek, die wij van plan zijn uit te halen.” „Jij bent een lafaard”, antwoordde Jurgens, „ieder van onze bootslui heeft meer moed dan jij! Maar wij kunnen er nog wel eens weer over spreken. Eerst zullen wij eens ziens, wat voor zaken onze baas hier in Mexico te verhandelen heeft. „Dat hij hier rondkruist om visschen te vangen, dat geloof ik niet! Wie weet, wat voor visschen dat zijn.” „Mij komt het er naar voor”, sprak Tylar, „alsof de Amerikaan de een of andere afspraak heeft met onzen baas. Misschien moet er hier in Mexico nog wel gevochten worden.” Jurgens spuwde weer in het water en sprak: „Des te beter voor ons. Ik ben er altijd bij als er wat te vechten valt.” - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - Eenige dagen later dreef het prachtige jacht als een vogel de haven van Guaymas binnen, waarin ook de Amerikaansche kruiser lag. Het was avond en de lichten schenen uit de geopende scheepsluiken. John Raffles, die zich aan boord van zijn jacht bevond, keek vol belangstelling naar de prachtige haven. Daar lag dus alles voor hem. De gestolen goudmijnen, de paarlenbanken, waarvoor hij dezen avontuurlijken tocht had ondernomen. Hij had de armen over de borst gekruist en keek met gefronst voorhoofd naar de kust. Zou het hem gelukken, den buit te ontrukken aan den geopenden muil van den Mexicaanschen leeuw? Het was werkelijk een moeilijker arbeid dan de brandkasten van de Engelsche Bank te openen. Daar lag de oude, historische stad, omgeven door woeste bergen, voor hem. Hier had eenmaal Fernando Cortez van gouden rotsen gedroomd, hier was eenmaal de hoofdstad van Montezuma geweest! Naar het Noorden verhieven zich hoog in de lucht de Tetas di Cabra en hun blauwe, wazige toppen schenen met den hemel samen te vloeien. Naar het Zuiden lag als een geweldig, reusachtig ondier Kaap Haro en beschutte de haven tegen den woesten Oceaan. Achter die kaap lag het land der Yaquis en de geroofde goudmijnen. Dat wil zeggen, geroofd, zonder dat de bezitter er eenig voordeel van kon hebben. En ergens in dat groote, rotsachtige amphitheater bevond zich de fabelachtige, groote schat aan goud, die door Delma uit de mijnen was gehaald en op een geheime plek voor zijn doodsvijand was verborgen. De ankers van het jacht werden neergelaten en de snelle oceaanvogel moest gehoorzaam blijven liggen. Terwijl Raffles naar het fiere, oude fort keek, in welks casematten de ongelukkige Delma smachtte, riep de schildwacht: „Een boot komt van de haven!” en aan dek kwam de havenofficier, om met Raffles te spreken over de plaatsen van herkomst en bestemming van het schip. Binnen een half uur had hij de scheepspapieren gevisiteerd en waren de formaliteiten afgeloopen. Raffles begaf zich nu in zijn hut, om zich gereed te maken, daar hij het schip wilde verlaten. Toen hij weer op dek kwam, riep hij Tylar en beval dezen: „Laat de boot in gereedheid brengen en zorg ervoor, dat geen uwer aan land gaat, voordat ik het toesta!” „Wel, kapitein!” antwoordde Tylar, „twee van mijn manschappen dachten, omdat zij niets meer te doen hadden, dat zij aan land mochten gaan en zijn met de boot van den havenofficier meegevaren.” „Zeg hun, dat zij hun gage van mij kunnen halen en niet meer aan boord mogen komen!” Tylar zette een verlegen gezicht, maar antwoordde: „Allright, kapitein!” „Wie zijn de beide lieden?” vroeg Raffles verder. „Diego en Tolkins.” „Goed,” antwoordde Raffles, „gij weet, wat gij te doen hebt. Let er op, dat de ankers goed vast moeten liggen, want hier is dikwijls onbetrouwbare wind.” Daarop begaf hij zich naar commandant Dalton. Terwijl hij daar met de beide dames en Dalton hun verdere plannen besprak, zat Diego, een Spaansche matroos, in het bureau van den havencommandant en had een glas madeira voor zich staan. Hij sprak tot den officier: „De duivel moge mij halen, oude kameraad, als ik iets begrijp van dat jacht en zijn vaart. „Zoover ik gemerkt heb, wil de kapitein noch revolutie, noch spionnage, noch zaken drijven! „Maar—al die Yankees zijn vervloekte dieven en men moet oppassen! „De gouverneur wenscht in elk geval eenige opheldering omtrent het zonderlinge bezoek van den Amerikaanschen kruiser en nu weer van het Amerikaansche jacht. „Daar steekt iets achter! „Jij moet mij dus, als je ook maar het minste opmerkt, onmiddellijk bericht daarvan geven. „Voorloopig betaalt de gouverneur Matteo je tien dollars voor je diensten!” De officier wierp den matroos tien dollars toe, welke deze met een grijnslach in zijn zak liet glijden. Daarop verliet hij het bureau, om zich weer aan boord te begeven. Een half uur later trad hij met een luiden vloek weer naar den havenofficier toe en sprak: „De duivel moge mij halen, ik heb mijn ontslag gekregen en mag niet weer aan boord terugkomen. Mijn kameraad Tolkins is het precies zoo gegaan.” De havenofficier reikte hem de hand en sprak: „Trek je er niets van aan, Diego. Uit het feit, dat je niet meer aan boord moogt terugkomen, is het mij nog duidelijker geworden, dat de Amerikaan hier den een of anderen streek wil uithalen. „Ik zal moeite voor je doen bij den gouverneur.” Een uur later, nadat de havenofficier bij den gouverneur was geweest, kregen de geheele havenwacht en de soldaten het bevel om dubbel scherp dan zij tot dusverre hadden gedaan, acht te geven op de beide schepen. TWEEDE HOOFDSTUK. IN DE CITADEL. Het was laat in den avond van den tweeden dag, toen John Raffles in de nabijheid van het fort, dat van de stad was gescheiden door velden van maïs, boonen en tarwe en groote tabaksvelden, op de dames wachtte, om met haar te zamen den ouden bisschop van Guaymas, den vriend van hun echtgenoot en vader, op te zoeken. De tropennacht was reeds neergedaald en boeren in wit linnen pakken, in shawls gehulde vrouwen, ruiters op zwaarbeladen muilezels, wier zilverheldere bellen door de stille lucht klonken, gingen langzaam Raffles voorbij en verdwenen in de stad. Van den kerktoren weerklonk het Ave-Maria en daarna maakte zich een diepe rust meester van de oude, romantische stad, waar eens de Spanjaarden in woeste rooftochten naar goud waren komen zoeken. John Raffles dacht aan de wilde avonturiers onder Fernando Cortez en plotseling kwam het hem voor, alsof hij zelf een van die dolle waaghalzen was, alsof hij hier aan de kust stond om den Roodhuiden hun gouden schatten af te nemen. Terwijl hij nog in gedachten verdiept naar de velden keek onder den met sterren bezaaiden nachtelijken hemel, doken plotseling twee zwaar gesluierde gedaanten uit de duisternis op en groetten hem zacht. Het was lady Delma, die heden voor het eerst na een jarenlange afwezigheid den bodem van haar vaderland betrad. Zij had zich geheel in shawls en sluiers gehuld, opdat geen der spionnen van den gouverneur haar zou ontdekken. Zwijgend begaven zij zich naar de stad, terwijl Madame Delma, die alle straten en pleinen nauwkeurig kende, als gids diende. Naast de oude, deftige poort lag het vroegere klooster der dominicanen, waarin de bisschop van Guaymas resideerde. Zacht liet Madame Delma den koperen klopper op de deur vallen, een luikje werd geopend en het gelaat van een ouden man verscheen, die vroeg, wat zij wenschten. Madame Delma ging naar de deur en op fluisterenden toon sprak zij: „Goeden avond, Alverade. Herkent gij mij?” Een half gesmoorde kreet van verrassing weerklonk uit den mond van den slotvoogd. Daarop sloot hij het luikje weer en opende zoo gauw hij kon de zware deur, nadat hij in groote haast de grendels had weggeschoven. Zij traden nu binnen en nauwelijks bevonden zij zich in de hal, die door een olielamp was verlicht, of de slotvoogd sloot even haastig de deur weer. Daarop wendde hij zich tot madame Delma. „Waar komt gij in ’s Hemelsnaam vandaan? Weet gij, dat dat u het leven kan kosten?” „Dat weet ik,” antwoordde madame Delma, „maar ik ben aan boord van den Amerikaanschen kruiser gekomen en sta onder zijn bescherming. „Ik zou niet bang zijn om onder het bereik der Amerikaansche kanonnen openlijk de stad te betreden, wanneer ik op die manier mijn plannen niet onmogelijk zou maken. „Ik wensch namelijk mijn echtgenoot te bevrijden.” „Ik dacht het reeds”, antwoordde Alverade. „Is de bisschop thuis?” „Helaas neen!” sprak de slotvoogd. „Hij is tijdelijk afwezig en komt eerst over twee dagen terug van zijn inspectiereis, die hij in het land maakt. „Maar als ik u van dienst kan zijn, Señora, hebt gij slechts over mij te gebieden.” „Goed, Alverade, hier is een trouw vriend van mij, die reeds in San Antonio zijn leven heeft gewaagd om mijn echtgenoot en mij te helpen. „Ik verzoek u, naar zijn wenschen te luisteren en dan te willen zeggen, hoe gij erover denkt.” De slootvoogd opende de deur naar zijn kamer en liet hen het ouderwetsch ingerichte vertrek binnengaan. Hij haalde uit een kast in den muur een flesch ouden, Californischen wijn, een schaal met gebak, glazen en prachtige trossen druiven. De gastvrijheid, die steeds in het klooster werd betracht, gaf hem geen rust, voordat hij zijn gasten een glas wijn had ingeschonken en met hen gedronken had. Eerst toen wendde hij zich tot Raffles en sprak: „Ik ben tot uw dienst, señor.” De slotvoogd was John Raffles in elk opzicht sympathiek; hij had een openhartig, eerlijk gelaat en Raffles begon daarom zonder aarzelen hem zijn plannen mee te deelen. „Ik wil,” sprak Raffles, „morgenmiddag den gouverneur, onder een geleide en vermomd als priester, bezoeken. „Mij dunkt, dat dit zonder eenig gevaar uit te voeren is.” De slotvoogd knikte nadenkend en antwoordde: „Dat kan zonder gevaar gebeuren, en wat denkt gij verder te doen, señor?” „Dat weet ik voorloopig zelf nog niet. Ik kan dat eerst zeggen, nadat ik het fort heb leeren kennen en persoonlijk met de gevangenen heb gesproken.” „Kom morgenmiddag om 2 uur bij mij,” sprak de slotvoogd, „ik zal u helpen zooveel in mijn macht is.” Eerst nu sprak mevrouw Delma met den slotvoogd over het bevinden van den gevangene. De slotvoogd antwoordde: „Sinds de laatste weken is uw echtgenoot ongesteld. „Wanneer de bisschop door zijn invloed als geestelijke den gouverneur niet van een moord had teruggehouden, leefde de gevangene nu niet meer. „Het is goed, dat gij zijt gekomen. „Want ik geloof niet, dat zelfs de bisschop de terechtstelling van den ter dood veroordeelde nog lang zou kunnen doen uitstellen. „Het is hoog tijd, dat er redding voor den ongelukkige komt opdagen.” Het kostte Raffles moeite om de lady, die zich bij het hooren van dit bericht zeer opwond, te kalmeeren en na een uur verliet hij met haar, nadat zij zich ervan hadden overtuigd, dat er niemand op straat was, het huis van den bisschop. In de haven lag een boot van den Amerikaanschen kruiser op hen te wachten. Op eenigen afstand daarvan stonden een paar Mexicaansche havensoldaten naar hen te kijken. „Sakramenta!” vloekte een havenofficier, een spion van den gouverneur, die bij de soldaten stond, „ik zou weleens willen weten, wat die vervloekte Amerikanen des nachts in de stad te zoeken hebben.” De ontslagen Diego, die dichtbij hem stond, mompelde: „Zij hebben een plan, maar welk, dat mag de duivel weten!”— — — — Het was den volgenden dag tegen den bepaalden tijd, toen de slotvoogd met een priester zich naar de poort van het fort begaf. De wachthebbende soldaten groetten het tweetal vol eerbied. Het kerkelijke gewaad was hier nog altijd machtiger dan de met goud versierde uniformen der tyrannen. Eenige minuten later trad Raffles het van zware ijzeren kettingen voorziene verblijf van den gevangene binnen en keek vol belangstelling naar den grijzen gebogen man, die, zonder op hem te letten, door de traliën naar buiten keek. Een stroomatras en een oude stoel waren de eenige meubelen in de cel. Raffles stond reeds verscheiden seconden op den drempel, voordat de gevangene zich naar hem toewendde en hem aankeek met oogen, wier uitdrukking deed denken aan een gevangen roofdier. „Wat wenscht gij, priester?” vroeg hij kortaf. „Is het alweer tijd om te bidden? of wilt gij mij mijn laatsten gang gemakkelijk maken door uw gebed? „Ik ken u niet! Sinds wanneer zendt de bisschop mij vreemde priesters?” De slotvoogd had de deur der cel achter Raffles gesloten. Nu trad Raffles tot vlak bij den gevangene en sprak: „Ik ben een vriend van u en kom om u te redden.” Op het volgende oogenblik sprong de gevangene naar den stoel, greep dezen, alsof hij hem als wapen wilde gebruiken en riep: „Vervloekte leugenaars! Sinds wanneer zenden mijn vijanden, de gouverneurs Marquez en Matteo, hun spionnen in priestergewaad? „Is u zelfs het kleed van de dienaren Gods niet meer heilig om uw duivelsch plan ten uitvoer te brengen?” Raffles haalde van onder zijn soutane een gladden gouden ring te voorschijn, welken hij, zonder een woord te zeggen, den gevangene voorhield. „Wat moet die ring?” vroeg Delma opnieuw. „Lees de inscriptie, die er in gegraveerd is.” Haastig las de gevangene, wat in den ring stond en hij zag nu, dat het de trouwring zijner vrouw was, welken deze Raffles had meegegeven om het vertrouwen van den gevangen Delma te winnen. Maar nog steeds was diens wantrouwen niet overwonnen. Plotseling lachte hij hoonend, schudde de vuisten en riep: „Hebt gij, honden, mijn vrouw misschien vermoord? Is zij mij reeds voorgegaan op den weg, dien ik weldra zal volgen?” Nu trad Raffles naar het venster en sprak: „Wij hebben erop gerekend, dat gij mij wellicht zoudt wantrouwen en daarom heb ik met uw echtgenoote, welke zich daar op den Amerikaanschen kruiser bevindt, dien gij van hier kunt zien, een teeken afgesproken. „Daar op dek staat uw echtgenoote naar dit venster te kijken. „Op het oogenblik, waarop wij een witten doek eenige keeren door de tralies laten wapperen, zal men aan boord van het oorlogsschip een signaalschot als antwoord geven. „Is u dat voldoende om te gelooven, dat ik werkelijk door uw vrouw ben gezonden?” „Zeker,” antwoordde Delma, „dat zal mij voldoende zijn. Zijt gij werkelijk een vriend, die mij uit dezen vreeselijken toestand wil bevrijden? En bevindt mijn echtgenoote zich daar?” John Raffles had zijn zakdoek te voorschijn gehaald en de gevangene zag, hoe hij er meerdere malen mee voor de tralies heen en weer zwaaide. Daarop trok hij den zakdoek snel terug. Na een korte pauze weerklonk daarbuiten in de haven het doffe geluid van een signaalschot. Nauwelijks was het geluid verstomd, of de gevangene snelde naar Raffles toe, reikte hem beide handen en riep uit: „Vergeef mij mijn wantrouwen, señor, maar gij zult dat in mijn toestand begrijpelijk vinden.” Daarop kuste hij met trillende lippen den trouwring zijner vrouw en fluisterde: „Mijn arme vrouw! Mijn lief, goed kind! O, was ik toch bij haar!” Hij zonk op den stoel neer en snikte hartstochtelijk. Raffles trad zacht naar hem toe, legde hem de hand op den schouder en sprak: „Houd goeden moed, mijn arme vriend. De redding is nabij! Stel vertrouwen in mij!” Delma sprong naar de tralies en wees naar het plein vóór het fort. „Daar!” riep hij uit, „daar heeft Marquez mijn beste vrienden doodgeschoten. „Ik zelf moest toeschouwer zijn. „De handen, waarmee ik mijn oogen bedekte, om het afschuwelijke niet te zien, trok men weg. „Nu nog hoor ik in mijn droomen de geweersalvo’s en de doodskreten mijner arme vrienden. „Elken dag verwachtte ik, als laatste slachtoffer van dezen tyran, op het plein te worden gebracht om, zonder mijn vrouw en dochter ooit te hebben weergezien, ter dood te worden gebracht.” „Wees kalm!” verzocht Raffles hem. „Toon, dat ge een man zijt!” Een straal van hoop gleed over het ingevallen, asch-vale gelaat van den gevangene, zijn oogen kregen een blijden glans en nieuwe hoop drong zijn hart binnen. „Laat ons snel een besluit nemen!” sprak Raffles. „Een kleine tegenslag kan het geheele plan doen mislukken. Dit is onze eenige gelegenheid om het plan voor uw bevrijding te smeden. „Wij vreemdelingen worden op de hielen gevolgd door de spionnen van den gouverneur!” De gevangene bukte zich naar zijn stroozak, tilde hem op en haalde een vreemd amulet te voorschijn, zoo groot als een hand en den vorm hebbende van een dier. „Neem in de eerste plaats dit!” sprak hij tot Raffles. „Wie in het bezit is van dit teeken, is heer der Yaquis. Bewaar het als een schat. „Dit teeken is mijn verdrag met het opperhoofd der Yaquis en is hun zoo heilig als de altaren hunner goden. „Alle opperhoofden zwoeren mij onder dit teeken hun heiligsten eed. Bisschop Pasquiras heeft het sinds mijn gevangenneming voor mij bewaard. Ik bezwoer hem, dat ik het hier uit mijn venster in den stroom zou werpen, voordat ik naar het plein zou worden gevoerd om gefusilleerd te worden. „Met dit teeken kunt gij alles van de Yaquis gedaan krijgen. „Wie het hen vertoont, geldt als mijn erfgenaam en is eigenaar der groote goudmijnen, koper- en zilverbergwerken, wier ligging in de binnenlanden alleen de Yaquis kennen. „Mijn vader kreeg het van het voornaamste opperhoofd der Yaquis, met wien hij, voordat de Mexicaansche vlag hier woei, als met een broeder leefde. „Mijn moeder was een dochter van het voornaamste opperhoofd van dezen stam. „Dat is het geheim, hoe ik in het bezit ben gekomen van de fabelachtige goudmijnen van het Yaquiland. „Geef dit teeken aan mijn echtgenoote, als mijn redding mislukt en ik gestorven ben. Alle opperhoofden der Yaquis en hun priesters zullen haar helpen, haar eigendom terug te krijgen. „Zweer mij bij uw moeder, dat gij het recht, dat hieraan verbonden is, heilig zult houden voor mijn echtgenoote en dochter!” „Ik zweer het u!” antwoordde Raffles op plechtigen toon. „En het zal u zeker geruststellen, te weten, dat ik de wereld heb doorgereisd om u ter hulp te komen.” De gevangene sloeg zijn armen om den hals van Raffles en keek hem met zijn diepliggende oogen aan, kuste hem op het voorhoofd en sprak: „De hemel moge u vergelden, wat gij voor de mijnen en mij doet. Doch laat mij nu vóór alles een brief aan mijn vrouw en dochter schrijven.” Hij haalde uit zijn stroozak papier en potlood te voorschijn en begon met bevende vingers bladzijde na bladzijde te vullen. Nadat hij hiermee gereed was, sprak Raffles: „En neem nu dit, Señor Delma, daarmee moet gij, als de hemel het wil, uzelf helpen, want het is onmogelijk u door de sterke wacht, die dit fort bezet, naar buiten te brengen.” Hij sloeg de soutane open en begon een om zijn lichaam gewonden, twaalf meter lange lasso te voorschijn te halen. Met verbazing keek Delma naar het touw en volgde snel het bevel van Raffles, om het onder den stroozak te verbergen. Nadat dit gebeurd was, nam de Groote Onbekende uit een der zakken van zijn priesterkleed een fleschje met olie en verschillende goed bewerkte vijlen. „Zoo”, sprak hij, „de vijlen zijn van zulk solied Manchesterstaal gemaakt, dat gij binnen een half uur de oude stangen van het ijzeren traliewerk kunt hebben doorgevijld. „Opdat het geruischloos kan geschieden, doet gij verstandig, de vijlen eerst in olie te dompelen. „Reeds hedennacht moet gij uzelf bevrijden. „Let erop, uw bevrijdingswerk te beginnen, als gij aan boord van den Amerikaanschen kruiser een rood licht ziet opvlammen. „Ik zal dan dadelijk met een boot naar een havendam van het fort varen en daar op u wachten.” Op dit oogenblik opende de slotvoogd de deur weer, ten teeken dat de tijd van het bezoek verstreken was. Nog eenmaal reikten zij elkaar de handen, een laatste blik werd gewisseld en Raffles verliet de cel. De deur werd weer in het bijzijn van den gevangenbewaarder gesloten en de jonge priester verliet met den slotvoogd het fort. Geen enkele der spionnen van den gouverneur vermoedde, welke een gevaarlijk bezoeker in de gevangenis was geweest. DERDE HOOFDSTUK. HET GEHEIM VAN DE ZEE. John Raffles zat met commandant Dalton in diens kajuit en wachtte den nacht af. Zij hadden niemand in het vertrouwen genomen en zelfs madame Delma en haar dochter wisten niets van hetgeen er zou gebeuren. Zij wilden de dames de vele uren van spanning besparen en dus vermoedden de beide dames niet, toen zij zich om 10 uur ter ruste begaven, welke gewichtige gebeurtenis haar te wachten stond. Nauwelijks was alles op het schip in rust, of commandant Dalton begaf zich met Raffles naar de commandobrug en gaf den signaal-officier bevel, met drie tusschenpoozen rood licht te laten schijnen. Eenige oogenblikken later bracht de officier dat bevel ten uitvoer en het gloeiend roode schijnsel verlichtte het schip, de haven en de stad. De officier wist niet, wat dit signaal beteekende, maar hij keek even gespannen in de nu weer heerschende duisternis als zijn commandant en Raffles. Nu begaf Raffles zich met een boot aan boord van het zeiljacht en weldra volgden hem van den kruiser twee booten, door commandant Dalton bezet met gewapende matrozen. Alleen Raffles en Dalton wisten, welk doel deze nachtelijke expeditie had. Zacht, elk geluid vermijdend, lieten Raffles en commandant Dalton de booten naar het havenhoofd varen, welke daar in de schaduw der dammen bleven liggen wachten. Dalton en Raffles zelf echter verlieten de booten en gingen op de havenhoofden heen en weer wandelen. Bijna een half uur werd hun geduld op de proef gesteld, totdat plotseling dicht bij hen, uit een groep palmboomen, de donkere gestalte van een man opdook, die eerst een oogenblik met spiedenden blik naar hen keek en daarop naar hen toesnelde. In het volgende oogenblik had Raffles Delma herkend en zonder veel woorden te wisselen, brachten hij en Dalton hem naar de vaartuigen. Nadat de vluchteling aan boord was gekomen, voeren de booten even geruischloos als zij gekomen waren weer naar de haven terug. Nauwelijks was Dalton met Delma aan boord van den kruiser, of hij liet, om den spionnen van den gouverneur zand in de oogen te strooien, door fluitsignalen alle man voor een nachtelijke manoeuvre op dek roepen. Met daghelderen schijn vlamden de zoeklichten van den kruiser over het water, terwijl de matrozen de booten bemanden en een landingsmanoeuvre uitvoerden. Na eenige uren waren de booten weer ingehaald, daar de eb intrad. Gedurende dien tijd had Delma in de kajuit van Dalton dezen het geheim verteld van zijn schatten aan de kust. „Het is het beste,” sprak hij, „dat wij reeds hedennacht, zoodra het eb is, naar het hol in de rotsen varen om de gouden staven en dollars, welke ik daar met mijn vrienden verborg voordat men mij gevangen nam, in veiligheid te brengen. „Het zal voor u bijna onmogelijk zijn om dezen schat zonder mijn hulp te vinden.” Opnieuw werden de booten in gereedheid gebracht en nu hadden de bewoners van het land wel kunnen gelooven, dat er een landingsmanoeuvre werd uitgevoerd aan de steile, rotsige kust van de Noordelijke haven. Aan het Noordelijk deel van de kust stak een groote rots in zee vooruit. Naar deze rotsklip liet Delma de booten varen en hij sprong het eerste op de glibberige steenen, terwijl Dalton en Raffles met eenige matrozen, die ladders en touwen droegen, volgden. Het was 2 uur in den nacht: duidelijk hoorden zij de scheepsklok van den kruiser over het water opklinken. De zee was kalm en zonder eenige beweging. Nieuwsgierig volgden de matrozen den hun onbekenden Delma, die over de rotsblokken voortsnelde, totdat hij voor een in de diepte voerende kloof bleef staan. „Wij zijn er!” riep Delma en hij sprong in de grot, waarin hij bijna geheel verdween. „Volgt mij met lantarens, ladders en touwen, en weest voorzichtig, want de grond is glibberig en eenige meters beneden de oppervlakte van de grot zijn allerlei kleinere holen, die naar een bodemlooze diepte voeren.” Voorzichtig, hand aan hand en met de lantarens de vochtige gewelven belichtend, liepen zij voorwaarts. Kapitein Dalton en Raffles waren even nieuwsgierig als de matrozen. Nadat zij allen onder den grond waren verdwenen, bevonden zij zich in rotsgangen, die niet hooger waren dan dat een man er in gebukte houding kan staan. Alleen wanneer het eb was, was deze grot te betreden, want bij vloed stond het water er eenige meters in. Voorzichtig tastend gingen zij langzaam vooruit, af en toe door groote waterplassen wadend, door de zee achtergelaten. Steeds dieper ging het in de grot. Hier en daar bevonden zich aan de kanten, als de muilen van zwarte reuzenbeesten, de ingangen naar zijholen en wee hem, die, zonder den weg te kennen, in dit labyrinth zou verdwalen! Ook Delma moest soms met zijn lantaarn de wanden belichten om den weg te herkennen aan geheimzinnige teekens, welke alleen hij kende. Delma en Raffles droegen magnesiumfakkels, welke zij eerst, wanneer Delma het teeken ertoe gaf, in het inwendige van de grot zouden aansteken. Plotseling werd de smalle rotsgang breeder en een groote ruimte vertoonde zich voor hen. „Steekt de fakkels aan!” riep Delma, „wij zijn aan het doel!” Op het volgende oogenblik siste de magnesiumfakkel, welke Delma vasthield, met een helderen schijn aan en verlichtte de ruime grot, wier wanden bedekt waren met grillige figuren. In het midden van het hol bevond zich, als een reusachtig donker gat, een zwarte draaikolk en plotseling weerklonk een gil uit den mond van Delma. Vol ontzetting sprong hij achteruit naar de plek, waar Dalton en Raffles stonden. En nu zagen zij, dat zich middenin het water een groote zwarte kop vertoonde, waarvan zich meterslange, afschuwelijke grijparmen uitstrekten, welke hen trachten beet te pakken. Met van schrik verwrongen trekken keken ook de matrozen naar het ondier der zee, in welks rijk zij waren binnen gedrongen. „Wij moeten handelen!” riep Raffles, die het eerst zijn koele tegenwoordigheid van geest terug kreeg en hij trok een der matrozen de enterbijl uit den gordel. Nu sprong hij naar voren en sloeg den naar hem grijpenden vangarm van het monster met één houw van de scherpe bijl af. Als een alles vernietigende maalstroom bewoog het ondier zich nu met zijn tallooze armen voor de ontstelde oogen der matrozen. „Neemt de houweelen!” beval Raffles. „Wij moeten de armen vasthouden en een voor een afslaan!” Verscheiden matrozen en ook Dalton snelden hem te hulp. Terwijl zij met hun enterhaken de armen van het monster grepen, sloeg Raffles op hetzelfde oogenblik den eenen vangarm na den anderen af. Bijna een uur lang duurde het gevecht tusschen de menschen en den zwarten duivel der diepte, zooals het volk den octopus noemt. Toen hadden zij het zeemonster eindelijk onschadelijk gemaakt. „Het zou het beste zijn geweest”, sprak Dalton, „als wij het beest met een stukje dynamiet naar de andere wereld hadden geholpen”. „In geen geval!” riep Raffles uit, „de ontploffing zou misschien de geheele grot in elkaar hebben doen storten”. Nadat zij nu de draaikolk van zeewater, waarin de afgehakte ledematen van het monster rondtolden, waren voorbijgegaan, kwamen zij aan de plek, waar een zestal metalen kisten en meer dan een dozijn geteerde zaken onder een vooruitspringend rotsblok verborgen waren. „Dat is de schat!” riep Delma uit. „En nu aangepakt, jongens, het zal je geen schade aanbrengen!” Zij sloegen de touwen om de kisten en trokken ze door de gangen naar boven. Hetzelfde deden zij met de zakken en al de drie booten, die de nachtelijke expeditie meemaakten, werden gevuld met de kostbare lading. Drie uur, nadat zij den kruiser hadden verlaten, sprongen zij weer aan boord en brachten den schat in de kajuit van den commandant. „Zoo”, sprak Dalton tot Delma, „nu bevindt gij en uw schat u in veiligheid achter de kanonnen van dit oorlogsschip en behoeft niet meer te vreezen voor de verdere laagheden der Mexicaansche tijgers.” „Vóór alles verzoek ik u om een der zakken samen te openen, opdat wij den inhoud kunnen verdeelen onder de geheele bemanning. De blauwe jongens hebben zich braaf en dapper gehouden”, sprak Delma. Met van vreugde stralende gezichten kregen alle manschappen van den kruiser een geldgeschenk van 50 dollar van den geredden Delma. Daarvoor moesten zij den commandant beloven, over de geheele zaak het stilzwijgen te bewaren, zoolang zij zich in een Mexicaansche haven bevonden. Nog steeds wisten Madame Delma en haar dochter niet, dat haar echtgenoot en vader zich reeds weer sinds eenige uren aan boord van den kruiser bevond en dat het grootste deel van haar vermogen was gered. Eerst des morgens, toen zij aan het ontbijt verschenen, begonnen Raffles en Dalton haar voorzichtig te vertellen van de avonturen van den afgeloopen nacht en eindelijk kwam, op een afgesproken teeken, de geredde binnen. Dalton en Raffles verlieten zwijgend en ongemerkt de eetzaal en lieten het drietal alleen in de plechtige en gelukkige oogenblikken van het weerzien. Terwijl zij langzaam op het dek heen en weer wandelden, weerklonken plotseling alarmschoten van het havenfort. „Ha!” riep Dalton, „zij hebben de ontsnapping van den gevangene bemerkt. „Let eens op, Sir, nu begint het tweede gedeelte van de geschiedenis. „Ik ben nieuwsgierig, hoe zij zich zullen gedragen”. Het duurde een half uur, toen verscheidene booten van het land kwamen en Dalton en Raffles zagen, dat zij gevuld waren met soldaten. Een der booten begaf zich naar het zeiljacht, terwijl het andere den weg nam naar den kruiser. „Halt, gentlemen!” riep Dalton, toen de boot aan bakboordzijde aanlegde, „wat wenscht gij?” „Wij verzoeken toestemming om op uw kruiser te zoeken naar een vluchteling, die gisternacht uit het fort is uitgebroken”. „Ik denk, dat gij schertst”, lachte Dalton. „Aan boord van een Amerikaansch oorlogsschip zijn geen vluchtelingen van vreemde naties. „Iedereen, die zich achter de kanonnen van mijn kruiser bevindt, is even veilig als op Amerikaanschen bodem en gij moet dus uw verzoek om uitlevering van dezen persoon richten aan mijn regeering te Washington.” De commandeerende officier der boot stiet een vloek uit en antwoordde: „Ik zal het strengste bevel uitlokken van gouverneur Matteo, om den vluchteling, wanneer hij zich aan boord van uw schip bevindt, weer aan land te brengen. „Ik maak er u opmerkzaam op, dat het verborgen houden van dezen vluchteling aan boord van uw oorlogsschip verwikkelingen zou kunnen geven tusschen Mexico en de Vereenigde Staten!” Dalton lachte luidkeels: „Vertel uw gouverneur uit mijn naam, dat de Vereenigde Staten nog nooit verwikkelingen met Mexico hebben gevreesd!” Zonder verder notitie te nemen van den Mexicaanschen officier, keek hij met scherpen blik naar het zeiljacht, haalde plotseling een signaalfluit te voorschijn, zette die aan den mond en gaf het signaal: „Booten gereed houden voor het gevecht!” Onmiddellijk weerklonk het fluitsignaal en de bemanning haastte zich uit hun hutten en van het dek in de booten, zoodat in minder dan vijf minuten de stoomsloepen benevens acht booten klaar voor het gevecht in het water gereed lagen. Dalton sprong met Raffles in de stoomsloep en gaf bevel: „Vooruit naar het zeiljacht! Daar aan boord bevinden zich Mexicaansche soldaten, die het eigendomsrecht der Vereenigde Staten aanranden!” Pijlsnel vlogen de stoomsloepen en booten naar het zeiljacht, dat door de Mexicaansche soldaten geënterd was. Zij wachtten niet eerst de komst der Amerikaansche mannen af. Haastig, als een sprinkhanenzwerm, verlieten zij het zeiljacht, voordat de booten aankwamen en roeiden met snelle slagen naar de haven. Een luid hoera klonk hun na uit de monden van Uncle Sam’s teerjakken. Daarop keerden de booten naar den kruiser terug, terwijl Raffles zich aan boord van zijn jacht begaf. Hij zag, dat zijn matrozen mismoedig keken en zijn bevelen blijkbaar met onwil opvolgden. Dadelijk riep hij de geheele bemanning aan dek, liet het anker lichten en het jacht de zeilen bijzetten. Langzaam kruiste hij nu met zijn jacht in de buurt van het oorlogsschip en na twee uur verliet een boot het oorlogsschip, waarin zich behalve de matrozen, commandant Dalton en Delma bevonden. „Ik ben van plan”, sprak Delma tot Raffles, toen hij zich met Dalton op het zeiljacht bevond, „met u een expeditie te ondernemen naar de Yaqui-rivier en daar mijn vriend, het opperhoofd, mijn redding mede te deelen, om verder met hem een overeenkomst te treffen, aangaande het afstaan hunner kolenmijnen aan de Vereenigde Staten”. „De regeering te Washington,” sprak Dalton, „zal u voor het edelmoedige geschenk bijzonder dankbaar zijn. Wij hebben tot heden hier aan de Pacific-kust geen enkel kolenstation.” „Gij zult er voortaan een hebben!” sprak Delma, „en deze kolenmijnen zullen mijn geschenk zijn aan de Amerikaansche regeering, voor de hulp die gij mij hebt verleend.” „Ik zal,” sprak Dalton, „nog twee dagen na uw aankomst in de haven blijven liggen, om te zien, of gij soms van hier uit vervolgd wordt. „Dan zal ook ik naar de Yaqui-rivier komen, daar de verdragen met de opperhoofden namens mijn regeering onderteekenen en daarbij samen met u naar San Francisco reizen.” Terwijl zij nog op dek stonden, bliksemde plotseling een roode gloed uit de monden der kanonnen op het fort; het doffe gebrom van het geschut weerklonk en verscheiden granaten kwamen dicht bij het zeiljacht terecht. „Goddam!” riep Dalton, „de kerels durven een Amerikaansch schip beschieten! Nu blijft mij niets anders over, dan met gelijke munt te betalen.” Haastig nam hij afscheid van Raffles en Delma, wenschte hun goede reis, en terwijl de havenbatterijen voor den tweeden keer hun granaten afzonden, voer hij door het opspuitende water naar zijn kruiser terug. John Raffles liet de zeilen bijzetten en als een trotsche zwaan gleed het prachtvolle jacht uit de Mexicaansche haven. Toen zij den havenmond bereikten, hoorden zij uit de haven het doffe geluid van het geschut van den Amerikaanschen kruiser. Dalton had woord gehouden en, nadat hij een half uur lang de havenforten had beschoten, den vijand tot zwijgen gebracht. „De gouverneur van Guaymas moet krankzinnig zijn geworden,” sprak Dalton tot zijn officieren, „wij zouden nu het grootste recht hebben om daar met onze troepen te landen en van Guaymas een Amerikaansche haven te maken!” Op dit oogenblik stiet een groote barkas van land, een witte vlag in top voerend. „Aha,” riep Dalton, „zij komen om te onderhandelen en hebben ingezien, welke fout zij hebben begaan.” Te midden der gouden uniformen van de officieren, zat in de barkas de gouverneur. Na eenige minuten beklom hij de valreeptrap en stond tegenover Dalton. „Wat wenscht gij van mij,” riep Dalton op een alles behalve beminnelijken toon. „Komt gij misschien om mijne regeering uw verontschuldigingen aan te bieden voor uw onverantwoordelijk optreden? „Ik zal binnen eenige minuten mijn booten in Guaymas laten landen. „Ik zal de Amerikaansche vlag op uw regeeringsgebouw hijschen in plaats van den Mexicaanschen Adelaar.” De gouverneur Matteo stond met bleek gelaat voor Dalton, uit zijn kleine, fonkelende oogen straalde een doodelijke haat. Een blik was den commandant voldoende om diepen haat te lezen in de oogen van den gouverneur. „Gij moet mij verontschuldigen, commandant,” sprak de gouverneur, „ik was niet in de stad, maar bevond mij op mijn landgoed. „Nauwelijks hoorde ik er van, of ik kwam zoo gauw mogelijk hier, om verder onheil te voorkomen.” „Gij zijt een leugenaar!” riep Dalton uit. „Als commandant van de stad en als gouverneur van Guaymas zijt gij verantwoordelijk voor hetgeen uwe troepen uitvoeren. „Gij kunt uw verdere verontschuldigingen voor u houden en u tot mijn regeering wenden. „Hoe uwe regeering, de president van Mexico, hierover denkt, zult gij zelf wel het beste weten! „De havenbatterijen zijn door mij tot zwijgen gebracht. „Het doet mij leed, dat gij en het gespuis, dat in uw dienst is, niet tegelijkertijd met de kanonnen voorgoed onschadelijk zijt gemaakt.” De Mexicaan mompelde een half gesmoorden vloek en zijn vuist omklemde krampachtig het gevest van zijn degen. Hij wierp fier het hoofd in den nek en, zonder nog een woord tegen Dalton te spreken, verliet hij den Amerikaanschen kruiser. Zoodra hij zich aan land bevond, zond hij een telegram aan Marquez en zijn vrienden in Mexico, wien hij het gebeurde mededeelde en tevens verzocht, ervoor te zorgen, dat het eenige oorlogsschip, dat Mexico bezat, dadelijk naar de Yaqui-rivier vertrok, omdat hij veronderstelde, dat de ontvluchte Delma zich daarheen had begeven. Twee dagen later zette de Amerikaansche kruiser stoom en terwijl de matrozen de „Yankee Doodle” speelden, verliet hij de haven. VIERDE HOOFDSTUK. HET GEVECHT AAN DE YAQUI-RIVIER. Gouverneur Marquez stond aan boord van de „Democrata” naast Matteo en andere officieren en keek met scherpen blik langs de kust. Hij, zoowel als zijn officieren, bespiedden met verrekijkers het land en hoopten elk oogenblik de masten van het geheimzinnige zeiljacht, dat den vluchteling Delma uit de haven van Guaymas had gebracht, te zien. Maar geen spoor ervan was te ontdekken. Hij was een week te laat gekomen en terwijl hij de geheele kust afzocht, bevonden zij zich in Honolulu en maakten zich gereed voor de terugreis. Delma was met den kruiser, vergezeld door zijn dames, naar San Francisco gevaren en hij, zijn dames, Charly Brand en commandant Dalton hadden met Raffles afgesproken, elkaar in New-York terug te zullen zien. Raffles moest het zeiljacht onder zijn persoonlijke leiding weer naar zijn plaats van herkomst terugbrengen. Dat was een zaak van eer voor hem. Terwijl hij na de afvaart van den kruiser in Honolulu lag, had hij zijn manschappen de volle gage uitbetaald en hun drie dagen verlof gegeven. Hij bevond zich nu geheel alleen met zijn zeelui. Terwijl hij bij het prachtige weer op het dek van ’t jacht van zijn rust genoot, smeedden Tylar, Jurgens en de andere matrozen snoode plannen. Den vierden dag keerde de bemanning aan dek terug, maakte het schip gereed en keek de zeilen na. Des avonds, toen de zon als een schitterend gouden bal in zee verdween, heesch het jacht alle zeilen en verliet de haven. Geheimzinnig als een reusachtige witte zeevogel, verdween het op den onmetelijken oceaan. Raffles bevond zich op de commandobrug. Geen zeil was in zicht, hoe ver hij ook met zijn kijker den horizon bespiedde. Het was tegen 10 uur toen hij zich ter ruste wilde begeven. Hij gaf nog eenige laatste bevelen voor den nacht aan den bootsman, toen hij plotseling van achteren aangegrepen werd en een slag kreeg met een hard voorwerp. Het werd duister voor zijn oogen en hij zonk bewusteloos neer. „Is hij gewond?” vroeg Jurgens. „In ’t geheel niet”, antwoordde bootsman Tylar. Toen Raffles ontwaakte, was hij geboeid en omringd door al zijn matrozen. „Vervloekte verraders!” riep hij den bootsman toe, „wat beteekent dit? Zijt gij gek geworden?” „Dat niet”, antwoordde Tylar, met een breeden, vertrouwelijken grijns op zijn pokdalig gelaat, „het beteekent alleen, dat gij nu eens een zeiltochtje met ons zult maken inplaats van wij met u. „Wij zijn zoo raar rondgetrokken met u. Wij weten ook, wie gij zijt en het zou een kleine moeite voor ons zijn, om u in de eerstvolgende haven in handen te leveren van een Engelschen consul, die er dan voor zou zorgen, dat gij op staatskosten, in kettingen geklonken, naar uw vaderland terug werd gezonden. „Maar wees onbezorgd! „Wij zijn niet van plan, u persoonlijk iets te doen, noch om dit jacht te stelen... maar... „Als gij pogingen doet om u te bevrijden of u met mijn zaken te bemoeien..... dan..... „Dan gaat gij over boord! „Gehoorzaam nu mijn bevelen! Wij zullen zooveel mogelijk ervoor zorgen, dat gij het naar uw genoegen bij ons hebt”. Bootsman Tylar verliet nu als kapitein den geboeiden Raffles. Deze zag, hoe al zijn manschappen gewapend waren met revolvers en messen. Tevergeefs brak hij zich het hoofd met de vraag, wat deze daad van geweld van zijn lieden te beteekenen had. Het geheele geval leek veel op een zeerooverstruc... Terwijl hij op deze wijze als gevangene op zijn eigen zeiljacht naar een onbekende plaats werd gebracht, werden van den Mexicaanschen kruiser paarden en soldaten, geschut en munitie aan de Yaqui-kust aan land gebracht en Marquez en zijn vriend besloten om dat, wat hun door de vlucht van Delma was ontnomen, weer terug te krijgen door geweld van wapenen. 150 man, een troep avonturiers, waren aan de kust geland en begaven zich in lange linie, den stroom volgend, in de richting van het voornaamste kamp der Yaquis. Aan den mond der rivier lag de Mexicaansche kruiser gereed, met zijn kanonnen de troepen te beschermen. Zwijgend en zooveel mogelijk elk geluid vermijdend, bewoog de expeditie zich voorwaarts. Plotseling weerklonk van de spits een kreet: „Wie daar?” In het volgende oogenblik gleed het naakte lichaam van een Indiaan als een stuk vluchtend wild door de struiken. Schoten knalden, want het was duidelijk, dat een spion der Indianen de aankomst der Mexicanen had ontdekt. Marquez was van oordeel, dat Delma zich bij de Yaquis moest bevinden. „Zij achten hem als een koning,” sprak hij gedurende den rit tot Matteo, „maar ik zal dien rooden honden toonen, hoe wij den schurk bij zijn voeten aan een boom ophangen en voor hun oogen doodschieten. „Tegen den morgen zullen wij hun grootste kamp bereikt hebben.” Vijftig ruiters vormden de spits van het detachement. De weg opzij werd smaller en smaller, onbegaanbare oerwouden, moerassen en steile rotsen wisselden met elkaar af. Toen de morgen daagde, bevonden de Mexicaansche troepen zich in een nauwen bergpas, waardoor zij in het dal der Yaquis konden komen. Zij zagen niet, dat in het dichte oerwoud zich honderden Yaquikrijgers als slangen verborgen hielden. Plotseling weerklonken wilde kreten, kano’s, bezet met gewapende Yaquis, kwamen van de andere zijde der rivier, schoten kraakten in het oerwoud en een verwoed gevecht begon. Steeds meer krijgslieden der Yaquis kwamen uit de wildernis te voorschijn. Als een onmetelijke golf van menschenlichamen werden de Mexicanen meer en meer teruggedreven en tegen den middag was er van den geheelen troep nog slechts een erbarmelijk restje over, dat zich in gesloten gelederen telkens weer verdedigde tegen de woeste aanvallen der Yaquis. Het werd avond. De avonturiers schoten hun laatste patronen af en snelden daarop in razende vlucht naar den oever, waar zij beschut waren door de kanonnen van den kruiser. Slechts weinigen gelukte het, aan boord van den kruiser te komen. Marquez en Matteo waren niet onder hen. Zij waren, aangelokt door den rijkdom der goudmijnen, in de speeren der Yaquis geloopen en terwijl de kruiser met zijn granaten tevergeefs de oevers, die met struikgewas waren begroeid, beschoot, vlamden in den nacht reusachtige houtvuren op in het kamp der Yaquis. Dat waren hun overwinningsvuren! In de wildernis der Yaquis echter lagen vele avonturiers, en onder hen ook Marquez en Matteo. - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - Toen Raffles den volgenden morgen ontwaakte, keek hij eerst verbaasd om zich heen. Hij lag geboeid in de vroegere kajuit van den bootsman, terwijl deze als kapitein zijn intrek had genomen in de hut van Raffles. Het was donker om hem heen, omdat de vensters gesloten en met zeildoek behangen waren. Aan de beweging van het schip bemerkte hij, dat dit in volle vaart was. Hij stond op van zijn bed, ging naar de deur en sloeg er met den elleboog tegen, daar hij dorst had en iets wenschte te drinken. Eenige oogenblikken later trad de bootsman bij hem binnen, vergezeld door een Chinees, dien Raffles nog niet aan boord had gezien. „Hallo!” riep de bootsman, „gij hebt verscheidene dagen en nachten geslapen, zoodat wij al dachten dat gij niet meer zoudt ontwaken.” „Verscheiden dagen en nachten?” vroeg Raffles en plotseling begreep hij, daar hij een fijne opiumlucht gewaar werd, dat de diepe bewusteloosheid, waarin hij had gelegen, het gevolg was geweest van een kunstmatig verdoovingsmiddel. „Geef mij iets te drinken!” sprak hij tot Tylar. „Allright!” antwoordde de voormalige bootsman. „Deze Chinaman dien ik aan boord heb genomen, zal u gedurende de reis alles bezorgen, wat gij wenscht. „Ik waarschuw u nog eenmaal, spaar uzelf en ons onnoodige moeite en houd u rustig!” „Gij moet zelf weten, wat gij hebt gedaan”, antwoordde Raffles, „volgens de scheepswetten hebt gij u schuldig gemaakt aan muiterij en gij zult daarvoor door de bemanning van het eerste Engelsche oorlogsschip, dat u ontdekt, aan een ra worden opgehangen. „Gij hebt een fout begaan, Tylar, als dit schip niet in New-York aankomt en mijn vrienden tevergeefs op mij wachten, wordt het signalement van het schip aan alle havens getelegrafeerd, en krijgen alle schepen bericht van mijn verdwijnen. „Wees ervan verzekerd, dat gij binnen korteren of langeren tijd uw straf zult krijgen voor deze muiterij.” „Daarop ben ik voorbereid, Lord Lister”, antwoordde de bootsman. „Gij schijnt te hebben vergeten, dat door een toeval, doordat ik een gesprek afluisterde tusschen u en uw vriend Charly Brand, ik te weten kwam, wie gij eigenlijk zijt. „Mocht gij ons verraden, dan begrijpt gij zeker wel, wat dat voor u beteekent. „Maar stel u gerust, mijn vrienden, voor wie ik werkzaam ben, en in wier dienst het jacht deze reis maakt, en ik, wij hebben onze eigen signalen voor elke haven van Yokohama tot San Diego en San Francisco.” Raffles dacht eenige oogenblikken na en hij zag in, dat zijn gewezen bootsman en zijn matrozen een zaakje wilden uithalen, waarvoor zij dit jacht noodig hadden. Het zou een kleinigheid voor hen zijn geweest, wanneer zij het jacht geheel in hun bezit wilden hebben, om hem over boord te werpen. „Luister eens, Tylar”, begon Raffles, „nog is het misschien tijd, dat wij het eens kunnen worden. Gij en de bemanning zult u er niet over kunnen beklagen, door mij hard of onrechtvaardig te zijn behandeld.” „Neen, dat niet”, antwoordde de bootsman, „wij waren allen over de behandeling tevreden en zijn door u ook zoo goed betaald, als nog nooit in ons leven, daarom willen wij dan ook het plan, dat wij met de boot hebben, slechts in zooverre uitvoeren, dat gij noch het schip er schade bij hebt. „Alles, wat het u zal kosten, is zes weken tijd en gedurende dien tijd uw vrijheid. „Na zes weken kunt gij met vreemde manschappen naar New-York varen om het schip, dat uzelf immers ook niet toebehoort, den eigenaar terug te brengen”. „Voor mij zijn zes weken een groot stuk van mijn leven, Tylar”, sprak Raffles, „en ik doe u een laatste voorstel. Ik wil niets weten van de dingen, die gij van plan zijt te doen met mijn boot en wil doen, alsof er niets was gebeurd. „Daarvoor betaal ik u en uw manschappen in de volgende haven zes maanden loon en teeken uw papieren met mijn handteekening als kapitein van dit schip. „Gij weet, dat gij zonder mijn handteekening op uw papieren niet gemakkelijk opnieuw kunt aanmonsteren”. „Laat dat aan ons over, Lord Lister! Gij kunt ons niet dat betalen, wat wij met deze vaart verdienen. „In vertrouwen gesproken, ik handel volgens strenge bevelen en onderhandel nu verder met Ah-Sam. Ik heb drukke bezigheden!” Hij verliet de hut en de Chinees begon, met een boosaardig lachje om de smalle lippen, het vertrek in orde te brengen. Met welbehagen ademde Raffles door de nu geopende vensters de frissche zeelucht in. Hij overlegde, op welk gedeelte van de zee zij zich konden bevinden, en begreep uit de aanwezigheid van den Chinees, dat de boot zich op weg moest bevinden naar Chineesche wateren. Naar Zuid- of Noord-Amerika kon hij zich met den besten wil geen zaken van eenig belang denken, waarbij zijn muitende manschappen iets zouden kunnen verdienen. Het werd hem ook duidelijk, dat het plan door zijn bemanning in Honolulu moest zijn vastgelegd. En daar in Honolulu veel Chineezen werkzaam zijn, als reeders en kooplui, moesten deze daarbij hun hand in het spel hebben. Het jacht doorkliefde intusschen met groote snelheid de groene golven van den Oceaan met koers naar het Westen, de uren werden dagen en Raffles kon niets anders doen dan werkeloos in zijn hut wachten, totdat men een haven zou hebben bereikt. Wat zou hij doen? Hij stond alleen tegenover een paar dozijn gewapende matrozen. Op een middag kwam Tylar voor de tweede keer in zijn hut en bracht hem eenige boeken, welke hij in de kajuit had gevonden, om te lezen. Hij lachte, toen hij de boeken voor Raffles op tafel legde en sprak: „Wel, Lord Lister, over twee dagen hoop ik klaar te zijn. „Ik denk, dat gij u zult vervelen en daarom breng ik u deze boeken”. Raffles keek den muiter met trotschen blik aan en sprak: „Tylar, denk eens na over hetgeen ik u zei. Ik verhoog uw loon van zes maanden op twaalf en vaar met u mee naar New-York”. „No, Sir”, antwoordde Tylar, „ik houd evenveel van geld als gij en daarom kan ik niet op uw voorstel ingaan. „Gij kunt mij niet zooveel betalen als ik op deze vaart verdien. „Het zou ook onzin zijn, gij kunt uw geld sparen, want, nietwaar Lord Lister, dat gele goedje is het beste wat er op de wereld bestaat! „Het is het eenige geneesmiddel voor alle zorgen, het bezorgt zelfs zoo’n leelijken, gelen schurk de mooiste blanke vrouwen. „Geld is de beste vriend van ons allen, en vooral van een eenzamen man zooals ik er een ben. En daarom wil ik mijn geldbuidel op deze vaart zoo goed vullen dat hij mijn gansche leven lang niet meer leeg wordt. „Dit is mijn laatste antwoord in deze aangelegenheid.” Hij stond dien dag voor het eerst toe dat Raffles op dek kwam. Met op den rug gebonden handen lag hij dichtbij de commandobrug en verbaasde er zich over, dat de zorgen van zijn voormaligen bootsman zich zoover uitstrekten, dat deze hem een zonnescherm had bezorgd voor de brandende zonnestralen. Aan boord heerschte een voorbeeldige discipline, hoewel de matrozen de bondgenooten waren van Tylar en Jurgens. Terwijl Raffles onder het zonnescherm lag en naar den horizon keek waaraan kleine witte wolkjes als rookpluimen hingen, trad de muiter naar hem toe en sprak: „Ik weet, dat gij een goed zeeman zijt, Lord Lister. Wat denkt gij van het weer en van de kleine wolkjes, die daar opduiken?” „Hoe staat de barometer?” vroeg Raffles. „Dertig!” „Dan komt er storm”, antwoordde Raffles, „wilt gij mij zeggen, waar wij ons bevinden?” „Volgens de kaart in de Gele Zee!” „Hoeveel mijlen van land?” De muiter zweeg een oogenblik, toen sprak hij: „Ongeveer tweehonderd Engelsche mijlen van de kust af.” „Wij moeten dichter bij land zijn. Ziet gij die kleine zwermen vogels, die voor ons schip vliegen, dat zijn landvogels, die niet meer dan honderd mijlen in zee gaan.” Op dit oogenblik werd de muiter weggeroepen door den Zweed. Het eten stond klaar in de kajuit. Drukkende stilte heerschte in de lucht en in het water. Een eigenaardige, verschroeiende hitte, die het zweet bij de geringste beweging uit alle poriën perst. Slap hingen de zeilen neer. Raffles, die dit alles waarnam, fluisterde: „De gekke kerels gaan zitten eten, terwijl het meer dan tijd is om het schip op den storm voor te bereiden!” „Hé, Ah-Sam!” De Chinees, die als wacht vlak bij hem zat, kwam nader. „Roep onmiddellijk Mr. Tylar. Er is gevaar!” Daar de kajuit dichtbij was, verliet de Chinees hem en eenige oogenblikken later stond de muiter voor hem. „Wat is er?” riep de bootsman. „Drommels, kerel!” riep Raffles op den toon, dien hij altijd als kapitein had gebezigd, „roep de bemanning aan dek! Elke seconde komt het gevaar nader, pas op, of de duivel haalt u en het geheele schip!” Een dof gerommel, als het geluid van ver geschut, dreunde nu van den horizont. Het water zag er zwartgroen en onheilspellend uit, een plotselinge windvlaag blies de zeilen van het jacht op en wierp het op zijde en nu haalde Tylar zijn signaalfluit uit zijn zak om de bemanning op dek te roepen. Het was meer dan tijd, en terwijl zij de zeilen inhaalden, vulde de hemel zich met laaghangende, donkergrijze wolken, wier randen zwavelgeel van kleur waren. De zee begon steeds woester te worden en nog was het laatste zeil niet ingehaald, toen het door een orkaan met luid gefluit en gehuil aan flarden werd gescheurd. Het kraakte los als een kanonschot, toen het zeil scheurde. De Chinees echter greep Raffles beet, trok hem in de kajuit, waarvan hij de deur stevig achter zich sloot en schreeuwde: „Taifun zal komen, groote storm!—Water als de hel! Schip en alles verdrinken!” Het gelaat van den Grooten Onbekende was als uit brons gegoten. Het leek, of een reuzenvuist het schip had aangegrepen en het in den kokenden maalstroom wierp. „Nu zullen wij eens zien, wat voor een kapitein mijn bootsman is,” mompelde hij met een bitter lachje. Met luid gekraak, alsof het jacht aan splinters zou vliegen, sloegen de golven tegen de planken. De koning der golven, Taifun, had er met geweld bezit van genomen. Onophoudelijk woedde en donderde het van alle kanten, breede bliksemstralen doorkliefden de wolken en het scheen alsof het laatste uur was gekomen. Als geweldige rotsen kwamen de golven naar het schip toegerold en dreigden het te vernietigen. Menschelijke kracht kon hier niet helpen.... Raffles had een sigaret opgestoken en dacht aan de laatste uren van zijn samenzijn met Carmen Marquez, de laatste schoone herinnering, die hij van het leven had behouden. Hij was ervan overtuigd, dat het jacht niet bestand was tegen de woedende elementen. Hij vond het verschrikkelijk om in de kajuit vastgebonden te zitten en niet als een man voor zijn leven te mogen strijden. Het jacht vloog als een bal door de opgezweepte watermassa. Elk oogenblik verwachtte hij, dat een der masten over boord zou gaan en het schip door Taifun tot een wrak geslagen zou worden. Raffles had zijn tweede sigaret opgerookt, toen de bootsman de deur opende en sidderend, met knikkende knieën, binnentrad. „Ik heb alles gedaan wat mogelijk was,” mompelde hij, zich het zeewater van het gelaat vegend. „Het jacht is sterk als een leeuw! Maar toch weet ik niet meer, wat ik zou kunnen doen. Wij worden gedurende eenige minuten als in een cirkel rondgedraaid! „Ik heb geprobeerd de boegspriet tegen den storm te houden en heb mij met Jurgens aan het stuurrad vastgebonden. „Alles tevergeefs! Wilt gij ons helpen?” Zonder het antwoord van Raffles af te wachten, sneed hij met een mes de boeien van zijn gevangene door en de Groote Onbekende begaf zich, zonder te antwoorden, met hem naar het dek. „Waar is Jurgens?” riep Raffles. „Hij ligt beneden met een gebroken rib!” Nu betrad Raffles het overstroomde dek. Het was hem bijna onmogelijk zich een weg te banen naar de commandobrug, terwijl hij zich vasthield aan een touw, dat over het dek gespannen was. De razende storm scheen hem te zullen wegvegen van het dek. Toen hij op de commandobrug stond, riep hij, om zich verstaanbaar te kunnen maken, tot Tylar: „Waar zijn de booten?” „Naar de weerlicht!” „Kurkvesten en reddingsgordels?” „Alles, wat op dek was, naar de hel!” „Dan zullen wij allemaal ook naar de hel gaan,” sprak Raffles, „behalve wanneer gij mij zegt waar wij ons bevinden.” „In de buurt van Nagasaki,” riep Tylar en gebruikte zijn handen als een trompet. Met alle kracht moest Raffles zich aan de ijzeren leuning der commandobrug vasthouden, om niet weggespoeld te worden. „Alle man aan dek!” beval hij. Toen de matrozen bij de commandobrug waren samengekomen, schreeuwde hij door den scheepsroeper: „Stuurboord en bakboord, met ankers, alle kettingen die aan boord zijn, in zee!” De matrozen, blij dat zij eindelijk voor hun leven mochten vechten en weer een leider hadden, voerden ondanks de zware zee in eenige minuten de ankermanoeuvre uit en dadelijk begon het lichte jacht minder te draaien en danste het weer over de geweldige golven. De kettingen en ankers hielden het als een ballon vast. Zoodra de bemanning het resultaat zag, gevoelde zij zich verlicht. „Een kranige kerel!” mompelden zij en zij waren vol bewondering voor de handigheid van Raffles. „Brengt de olievaten op dek, die beneden liggen als ballast! Brengt de scheepspomp in verbinding met olie en geeft olie naar stuurboord en naar bakboord!” De olietonnen werden de een na den ander door de matrozen, die daarbij hun leven telkens waagden, op dek gebracht en met de scheepshandpomp verbonden. Dat was de laatste kans om het jacht uit het ontzettende terrein van God Taifun weg te krijgen. De woeste zee werd kalmer onder de olie en de reusachtige golven, die het schip dreigden te verpletteren, werden weer normaal. Een gefluit en gehuil klonk plotseling over het schip door de lucht en het scheen, alsof een demonische macht het vaartuig in den afgrond van den Oceaan wilde drukken. Met starren blik keek Raffles naar het woeden der elementen. Eenige meters verder en het jacht zou onherroepelijk verloren zijn. Geen enkel schip, noch de fierste pantserkruiser, noch de grootste passagiersboot, zou uit dit geweldige, op een cycloon gelijkend geraas en gekook der golven, uit het middelpunt van het gebied van den Taifun, weer te voorschijn zijn gekomen. Plotseling kwam er een eind aan het vreeselijke geloei en gehuil. Raffles wendde zich tot Tylar, die bij den barometer stond en schreeuwde: „Hoe staat het glas?” En de bootsman riep terug: „Glas beter. Negen-en-twintig nu— —zooeven zes-en-twintig— —stijgt tot dertig. Wij zijn er door!” Toen het maanlicht met helderen glans op de waterheuvelen scheen, was het gevaar voor het mooie schip geweken. Tylar keek Raffles aan met een eigenaardige uitdrukking in zijn blik. Deze stond als uit marmer gehouwen aan het stuurrad en stuurde het schip. Nu wendde hij zich tot Tylar. „Neem nu het roer over, Tylar, en leid het schip verder! Ik heb hier niet meer te doen! De boot is gered!” Hij gaf den bootsman het roer en begaf zich, zonder zich verder om dezen te bekommeren, naar zijn kajuit, waar hij zich uitgeput op zijn bed wierp. „Dat is de malste tocht”, mompelde hij, voordat hij ging slapen, „dien ik ooit in mijn leven heb gedaan. Ik ben alleen maar nieuwsgierig, wat zij met het schip voor hebben.” Den volgenden morgen was de storm gaan liggen en Raffles, die zich op dek bevond, zag aan den horizont een blauwachtige, onbekende kust. „Dat was een zware storm, Lord Lister!” riep Tylar, „sinds vanmorgen vroeg zijn wij meer dan twintig wrakken voorbij gekomen. Genoeg schepen voor een geheele vloot. De taifun zal honderden van menschen het leven hebben gekost.” Raffles antwoordde niet, maar keek er naar, hoe de matrozen het schip langzaam weer in orde brachten en vergewiste zich ervan, dat het jacht werkelijk geen schade had geleden. Steeds meer naderde het vaartuig de kust en Raffles, die weer naast zijn bootsman stond, sprak: „Wilt gij mij zeggen, naar welke haven gij uw koers neemt?” „Ja, Sir, wij varen naar Nagasaki!” Raffles antwoordde niets. Den volgenden morgen bemerkte hij in zijn kajuit, hoe een anker neergelaten werd en het schip stil ging liggen. Haastig kleedde hij zich en ging op dek. Het schip lag in een wonderschoone baai. Tylar en verscheiden matrozen begaven zich juist aan land. Het was eigenlijk geen haven te noemen, waarin zij zich nu bevonden. Slechts eenige pleizierjachten, wier witte zeilen in het zonlicht schitterden, lagen op het blauwe water en behoorden waarschijnlijk aan de eigenaren der villa’s, die tusschen de boomen lagen aan de baai. Alleen rechts, aan den zeekant, bevond zich, als een zwerm zeevogels, een groote vloot Japansche visschersvaartuigen. Groote stoombooten voeren af en toe om de landtong heen en duidden aan, dat de kleine baai, waarin zij ankerden, in de onmiddellijke nabijheid van een havenplaats moest zijn. Dikke, purperkleurige rook, die in breede streepen boven de landtong naar boven steeg, verried de aanwezigheid van een groote havenplaats. Raffles haalde zijn verrekijker en zag, dat de boot van Tylar met de matrozen bij de trap van een groote villa aanlegde en dat zij in het huis verdwenen. Welk geheim zouden de matrozen daar hebben?! VIJFDE HOOFDSTUK. DE HANDELAAR IN OPIUM. Tylar zat aan een weelderig gedekte tafel in de Chineesche villa, die Raffles van af het dek had gezien. Zijn gastheer was een nogal gezet koopman van middelbaren leeftijd, wiens gelaatstrekken buitengewone sluwheid en geslepenheid verrieden. Terwijl het tweetal daar zat, bevonden de matrozen zich op een veranda achter een formeelen berg van flesschen met allerlei wijn en likeuren. Het vertrek was half Europeesch, half Chineesch ingericht. Wou-Wang rookte een sigaret en nam den etenden gast op als een vos zijn buit. Wou-Wang stond aan het hoofd van de bende der veertig dieven, waartoe ook de door de Yaquis vermoorde Mexicaansche gouverneurs Marquez en Matteo hadden behoord. De Chinees had reeds uit telegrammen van zijn agent in Mexico van de verongelukte expeditie en den dood der beide gouverneurs gehoord. Twintig jaar geleden was hij op een bank begonnen als eenvoudig inpakker van Mexicaansche dollars. Door zijn uitstekende talenkennis werd hij echter weldra in een hoogere positie geplaatst, waardoor hij in contact kwam met allerlei agenten en kooplieden der geheele wereld. Zoo werd hij de stichter van een bond van zeeroovers en smokkelaars, aan welks hoofd mannen stonden uit de aanzienlijkste klassen van alle landen. Hij had zijn draden gespannen van Japan naar de Sandwich-eilanden, naar Alaska, Britsch-Columbia, Californië en bezat overal agentschappen, die door blanke of bruine dieven waren bezet. Rijk en machtig was Wou-Wang en meester in zijn vak, en jaar in, jaar uit gelukte het hem de belastingambtenaren der verschillende staten voor steeds grootere sommen te bedriegen. Hij wisselde met zijn agenten bijzondere cijfertelegrammen, en deze gaven bijna aan iedere stoomboot, die den Oceaan kruiste, geheime brieven mee. En bij zijn reusachtige ondernemingen, zijde- en opium-smokkelarijen, had Wou-Wang de hulp van honderden handen. Zijn hoofdkwartieren vormden Hongkong, Honolulu, Nagasaki en San Francisco. Hij was eigenaar van het beroemde Chineesche restaurant in San Francisco, en mede-eigenaar van verschillende andere hotels in China en Japan. Bovendien bezat hij een vloot van stoombooten. Toen zijn agenten hem berichtten over het opduiken van het zeiljacht in de Mexicaansche wateren en van zijn enorme snelheid, had hij hun direct opgedragen het schip tot elken prijs te bemachtigen. Daardoor was het gekomen, dat een der agenten van den Chinees in Honolulu met Tylar en zijn manschappen het plan bespraken, het jacht in plaats van naar New-York naar Japan te brengen en vandaar een groote lading opium naar China te vervoeren. „We hebben nog nimmer een meer waardevolle lading op een schip gehad dan die, met welke gij naar China zult gaan,” zei Wou-Wang tot Tylar. „De hoofdzaak is, dat ik mijn tweeduizend dollars verdien. De boot is zoo goed, dat geen der Engelsche kruisers haar kan inhalen.” „Wat hebt ge met den gevangen kapitein gedaan?” vroeg Wou-Wang. „Hij is nog aan boord,” antwoordde Tylar. „Wat!” riep Wou-Wang uit. „Leeft die hond nog? Hebt gij hem niet den hals afgesneden en over boord geworpen?” „No, sir,” gaf Tylar ten antwoord, „en ik ben blij, dat wij het niet hebben gedaan, want dan zat ik beslist, zoo zeker als tweemaal twee vier is, niet bij u en het schip zou hier niet voor anker liggen. „De taifun, die wij moesten doormaken, was een der verschrikkelijkste, die ik ooit heb beleefd. „Bovendien behoeven we hem niet te vreezen. Hij is in Engeland datgene, wat gij hier in China zijt!” „Allright!” sprak de Chinees, „gij moet maar weten wat ge doet. Gij moet vannacht dit water alweer verlaten en naar China varen. Doch vóór alles, hebt ge wapens aan boord?” Tylar begon te lachen. „Een heele lading geweren en revolvers, die wij vóór onze Mexicaansche expeditie aan boord hebben genomen. Waarom vraagt ge dat?” „Heel eenvoudig,” hernam Wou-Wang, „voordat ge de Straat van Simoneseki zijt gepasseerd, zijt ge niet veilig. Het wemelt hier van zeeroovers en die hebben al heel wat koopvaardijschepen ingepikt. „Ik zal je aan boord twintig à dertig van mijn manschappen meegeven, die ge van wapens kunt voorzien. „Zij kunnen je helpen bij het laden en je kunt hen op de plaats van bestemming, Shanghai, achterlaten. „Vandaar kunnen zij met mijn eigen boot terugkeeren. „Kijk goed uit op de Gele Zee. Gij hebt voor eenige millioenen dollars aan opium aan boord. „Ik zal nu order geven, dat mijn manschappen de lading aan boord brengen.” Een uur later lichtten de volgeladen booten het anker en koersten achter het jacht aan. In een der eerste booten zaten Wou-Wang en Tylar. Toen hij aan boord van het schip was, bekeek en bewonderde de koelbloedige Chinees ieder plekje van het prachtige schip, dat den vreeselijken taifun zoo schitterend had doorstaan. „Wanneer uw logboek niet liegt, Mr. Tylar, dan is dit jacht een oceaanwonder!” lachte de Chinees. „Gij kunt het aan boord van dezen zeevogel opnemen tegen alle kruisers der wereld.” Raffles was in zijn kajuit gebleven, daar hij niet in aanraking wilde komen met de Chineezen, die groote kisten op het jacht brachten. Binnen eenige uren was de lading aan boord en Wou-Wang reikte Tylar zijn met diamant beladen vingers met de woorden: „Wel, kapitein, hijsch de zeilen, ik zal dadelijk een cijfertelegram naar Shanghai zenden, dat gij vertrekt, en ook mijn agenten aan de kust opdragen dat zij zoo veel mogelijk een oogje in het zeil houden. „Houd uw oogen open voor zeeroovers, belastingambtenaren en Engelsche kanonneerbooten. „Ik geef u Ah-Kee mee. Dat is een loods en stuurman, die elke haven van hier tot Hokodate kent. „Bovendien, wanneer ge wordt aangevallen is hij een duivel in den strijd. Alleen moet ge oppassen, dat ge hem niet in een opium-roes vindt. „Mocht dat het geval zijn, dan giet je hem twintig liter koud water op zijn hoofd en dient hem vijftig slagen toe, doch met het beste uiteinde van het touw. Heb je verstaan, Kee?” De breedgeschouderde Mongool grijnslachte en liet zijn door opium zwart geworden tanden zien. Het was de grijnslach van een hongerigen tijger. „Als hij geen opium heeft gerookt, is hij de meest bruikbare mensch,” ging Wou-Wang voort, „ik redde hem van een zeeroovers-expeditie. Ik kocht hem af door een bevriend mandarijn, anders zou hij nu, als de laatste zijner vijf-en-twintig makkers, in het zand bijten! „Je herinnert je toch nog wel, hoe ge in twee rijen, de handen op den rug gebonden, voor den beul moest knielen en deze met een zwaard het eene hoofd na het andere afsloeg? „Wel? Ik redde Kee op het oogenblik, dat het hoofd van zijn laatsten kameraad in het zand rolde. „Ik hoop, dat je dat niet zult vergeten, Kee! „Bovendien zal mijn klerk meegaan. Hij heeft de brieven voor mijn handelsvrienden in Shanghai. „Ik hoop, dat ge een gelukkige reis moogt hebben!” Het volgende oogenblik riep de kapitein: „Het anker lichten.” En met het eigenaardige sing-sang der zeelieden, trokken de matrozen het anker op. De Chineesche loods ging aan het stuurrad staan en liet het rad door zijn handen glijden, terwijl de overige matrozen de zeilen richtten. Wou-Wang echter sloeg vanaf zijn boot de zeilmanoeuvres gade en keek met zijn verrekijker het jacht na, totdat het van de reede van Nagasaki was verdwenen zonder een douaneboot te kruisen. Toen Raffles den volgenden morgen op het dek kwam, zag hij de zwarte kust van Tung-chow, waarlangs het jacht voer met een snelheid van twaalf knoopen. Arbeiders vulden het dek en zaten pratend onder een zonnezeil. Den volgenden nacht dook de Koreaansche kust op, waarover Raffles zich verbaasde. Het jacht moest, sinds het Tung-chow had verlaten, al minstens een dozijn malen van koers veranderd zijn. De wind was gaan liggen en het was gloeiend heet geworden. Het jacht kon slechts langzaam vooruit komen. Tevergeefs brak Raffles zich het hoofd, wat voor een lading aan boord van het jacht was gekomen. Plotseling dook van de kust een dozijn merkwaardig gevormde booten op met geelroode wimpels, die regelrecht op het jacht af kwamen. „Alle hens aan dek! Zeeroovers!” klonk de roep van den Chineeschen stuurman tot Tylar, en als een troep mieren begon de bemanning af en aan te loopen en met hun geweren en revolvers het vuur te openen op de langzaam naderende booten. De zeeroovers hadden het schip omsingeld en beantwoordden het vuur. Voor het eerst sedert het begin der reis nam Raffles zijn revolver ter hand, onderzocht ze en moest lachen, toen hij zag, dat er geen patronen op waren. De muitende bemanning had ze heel wijselijk leeg gehaald. Toen hij aan dek kwam, was alles daar in het heetst van het gevecht. Met pieken, geweren en revolvers stonden de matrozen naast de Chineesche werklieden aan alle kanten van het schip en hadden moeite de gele duivels het beklimmen van het schip te beletten. Bij de voorplecht woedde de strijd het hevigst. De Chineesche zeeroovers hadden hun beruchte stinkpotten aan boord geslingerd, en de verdedigers werden door de ontzettend bijtende lucht, die hun het ademhalen belette, bemoeilijkt. Het volgend oogenblik sprongen eenige dozijnen mannen aan boord en wierpen zich met revolvers en messen op de matrozen. Van weerszijden gaf men niets toe. Raffles zag, hoe de stuurman Lee plotseling met een mes den niets vermoedenden Tylar wilde aanvallen. Hij pakte Tylar in den nek, wierp hem op den grond en wilde hem zijn mes in de borst stooten, toen Raffles den kapitein te hulp kwam, de enterbijl van een gevallen matroos greep, toesprong en den langstaartigen verrader neersloeg. „Goddam!” schreeuwde de gewezen bootsman, toen hij weer overeind kwam, „dat zal ik nooit vergeten, Sir!” Raffles nam een revolver, die in den gordel van den gedooden Chinees stak en vuurde op de naderdringende langstaarten. Daarop greep hij een met ijzer beslagen harpoen en stortte zich, gevolgd door Tylar, op de zeeroovers. Deze vluchtten voor den blanken duivel, zooals zij hem noemden en Raffles wierp hun de stinkpotten achterna. Maar de strijd was nog niet geëindigd. De Chineesche arbeiders, die aan boord waren gekomen, en die door den bootsman van wapens waren voorzien, maakten plotseling gemeene zaak met de zeeroovers en vielen de matrozen aan. „Nu ziet gij”, riep Raffles tot zijn gewezen bootsman, „hoe dom gij zijt geweest, om die valsche langstaarten onze goede wapens te geven. „Nu moeten wij ons naar twee kanten begeven. „Alle man hierheen!” De matrozen werden door het bevel van Raffles met nieuwen moed bezield. Zij weerden hun aanvallers af en schaarden zich om de commandobrug. Besluiteloos verzamelden zich daarentegen de Chineesche werklui op het achterdek van het schip terwijl de zeeroovers opnieuw de onbeschermde zijwanden van het schip beklommen. Vlak onder de commandobrug bevond zich de munitiekamer. Raffles liet deze openen en verscheiden geopende munitiekisten op de commandobrug zetten. De brug was het hoogste punt van het schip en er konden gemakkelijk zes man staan. Op eenigen afstand daarvan bevond zich een dek der kajuit en daarop zoowel als op de kajuit zelf verdeelde Raffles de matrozen. „Eén man schiet en één man voorziet hem van munitie... „Snelvuur;” commandeerde Raffles. En nu begonnen zij te vuren op de dicht bij elkaar staande zeeroovers en arbeiders. Huilend en schreeuwend trachtten deze zich te verdedigen. Maar als een onbluschbare vuurregen vloog het van de commandobrug en het dek der kajuit en wierp hen neer. Hoopen dooden lagen in hun bloed te baden en elk salvo eischte nieuwe offers. De munitie der Chineesche arbeiders en zeeroovers was verschoten en zij moesten zich dus met handwapenen verdedigen. Het duurde niet langer dan een kwartier, of het dek was van aanvallers gezuiverd en slechts dooden en gewonden lagen in het rond. De wind was gaan liggen en nu beval Raffles, terwijl hij overal op het schip posten uitzette, dat de rest van de bemanning de zeilen moest hijschen. In eenige minuten was dit geschied. Als een meeuw vloog het zeiljacht heen en liet de aanvallers als donkere stipjes op de kust achter. Nu droegen de matrozen hun gewonde kameraden in het scheepsruim om hen daar te verbinden. Meer dan de helft van hen was zwaar gewond en verscheiden waren dood. Ook de bootsman had een schampschot aan het hoofd gekregen en eenige steken in den linkerarm. Met de gewonde Chineezen en zeeroovers maakten de matrozen een kort proces. Zij wierpen hen eenvoudig als ballast in zee. Van de Chineesche arbeiders was geen enkele aan boord gebleven. Toen het schip weer in orde was gebracht, kwamen verschillende der matrozen naar Raffles toe, bleven in deemoedige houding voor hem staan en een van hen, een zekere Tom Back, zei: „Wel, kapitein, wij hebben niets anders te zeggen, dan dat mijn kameraden en ik ons schamen, dat wij ons in Honolulu hebben laten omkoopen om te muiten. „Wij zijn bereid, u opnieuw gehoorzaamheid te zweren en willen, dat gij het schip naar de naaste haven brengt. „Daar kunt gij ons dan, als gij het wenscht, door de overheid laten straffen.” „Ik dank u ervoor”, antwoordde Raffles, „dat gij eindelijk verstandig zijt geworden en ik ben blij, dat gij dit prachtige schip eindelijk weer in een haven terug wilt brengen. „Ik wensch u niet te laten straffen, integendeel! „Gij ziet, in welke gevaren en avonturen uw domheid u heeft gebracht en ik geloof, dat gij zonder mijn hulp reeds tweemaal het leven er bij had ingeschoten. „Nu doe ik u een voorstel! „Gij zult van nu af het schip met de lading aan mij toevertrouwen. Ik betaal u, zoodra gij het schip in een bevriende haven hebt, zes maanden loon en gij kunt uw eigen gang gaan. „Zijt gij het daarmee eens?” Met verheugde gezichten beloofden de teerjakken Raffles dit en volgden nu blindelings zijn aanwijzingen. In den mast wapperde weer lustig de Amerikaansche vlag en Raffles, die persoonlijk het stuur in handen had, liet dit nu aan den tweeden stuurman over en begaf zich naar de kajuit, waar de gewonde Tylar lag. Kermend lag deze op zijn bed. „Ik weet niet”, sprak hij tot Tylar, „of gij hebt gehoord, dat uw kameraden u afvallig zijn geworden en dat ik weer meester van het schip ben.” „De duivel hale u!” vloekte de bootsman. „De duivel had jou bijna gehaald!” antwoordde Raffles. „Als je niet verstandig bent, zal ik je door mijn manschappen in ijzer later klinken en een anderen toon tegen je aanslaan!” „De duivel hale je!” vloekte Tylar nog eens. „Ik was gek, dat ik niet naar Wou-Wang luisterde, die mij raadde je met een messnede in de keel in zee te werpen.” „Je bent een nette kerel”, antwoordde Raffles, „is dat de dank ervoor, dat ik je voor den messteek van den Chinees behoedde? „Wel, je wordt, totdat wij een haven hebben bereikt, als gevangene beschouwd en ik verzeker je, bij de geringste weerspannigheid, die je toont of wanneer ik van de bemanning hoor, dat je weer verraad wilt plegen, krijg je van mij een kogel en ga denzelfden weg, dien alle verraders moeten gaan. „Dit is het laatste woord, dat ik met je spreek.” Het was twee dagen later, toen een Engelsche kanonneerboot in zicht kwam. De Engelschman gaf Raffles bevel, stil te houden en hem te antwoorden, wie hij was.— — Maar de Groote Onbekende was niet van plan, het bevel van het Engelsche oorlogsschip te volgen en, daar er een behoorlijke bries waaide, liet hij alle zeilen bijzetten en met volle snelheid vloog het jacht weg. Een schot, waarop nog verscheiden andere volgden, werd hun nagezonden.— Raffles zag, hoe uit den schoorsteen van den kruiser dikke rookwolken opstegen en wist, dat deze stoom zette om hen te vervolgen. „Voorwaarts, jongens!” riep hij zijn matrozen toe. „Wij moeten den Engelschman toonen, dat wij, Amerikanen, tegen hem zijn opgewassen. „Gij kent het schip, en weet wat het vermag. Wij moeten den Engelschman achter ons laten!” De Engelsche pantserkruiser deed wanhopige pogingen om het zeiljacht in te halen. Maar het hielp hem niets. Steeds grooter werd de afstand en eindelijk was van het jacht niet meer dan een witte plek, zoo groot als een meeuw, te zien. Toen viel de duisternis en het jacht was geheel en al verdwenen. Den volgenden morgen dook aan de Chineesche kust Shanghai op. Doch in een groote bocht vermeed Raffles de kust van Shanghai en het scheen, alsof hij de haven niet wilde binnenloopen. In de buitenhaven wemelde het van vaartuigen van alle naties. Douanebooten vlogen heen en weer en maakten aanstalten om het zeiljacht op te zoeken. Hij had in de kajuit, in den borstzak van den gedooden Chineeschen klerk, de brieven gevonden, die Wou-Wang aan zijn vriend in Shanghai had gericht. Op eenige mijlen afstands liet Raffles de boot in een stille bocht varen en begaf zich den volgenden dag op een klein bootje, dat zij in Nagasaki van Wou-Wang hadden gekregen, aan land. Hij wilde probeeren, een der Chineesche kooplieden, wier adressen hij uit de brieven kende, in Shanghai op te zoeken. Dicht bij het strand bevond zich een klein visschersdorp. Onder de visschers vond hij een, die zooveel Engelsch sprak, dat hij zich tegenover hem verstaanbaar kon maken en dezen nam hij als gids mee naar Shanghai. Het was na middernacht toen hij voor het huis van den koopman aankwam en dezen door een bediende liet wekken. Sam-Li, een oude Chinees, verscheen ontstemd in de voorhal van zijn huis en vroeg Raffles naar diens verlangen. Hij sprak vloeiend Engelsch. Het viel Raffles dus niet moeilijk, met hem te praten. „Ik kom van Wou-Wang” begon de Groote Onbekende, „en ben kapitein van het zeiljacht „Carmenrita.”” Nauwelijks had de Chinees deze woorden gehoord, of hij vertrok zijn gelaat tot een vriendelijken lach en noodigde Raffles, diens matrozen en gids uit, binnen te komen. Binnen een half uur was Raffles het met hem eens en de Chinees verklaarde zich bereid het bedrag voor de zending aan hem uit te betalen. Een uur later vertrok een karavaan muildieren en arbeiders om nog in den nacht de kostbare lading te gaan halen. De Chineesche tolbeambten schenen dien nacht te slapen.— Zonder eenig beletsel werd de opiumlading aan land gebracht. De Chineesche koopman overhandigde Raffles daarvoor 8 zakken, die met goud gevuld waren en het bedrag van 1½ millioen dollars vertegenwoordigden. Tegen den morgen reeds lichtte het jacht zijn ankers en voer nu met volle zeilen de haven van Shanghai binnen. Ook hier wekte het de algemeene bewondering op. Nauwelijks waren de ankers uitgeworpen, of een Amerikaansche consulaatsboot naderde en de Amerikaansche consul Brown kwam aan boord. „Mr. Lister”, riep hij, toen hij voor Raffles stond. „Yes, Sir, wat wenscht gij van mij?” De consul haalde een telegram te voorschijn en sprak: „Ik heb van mijn regeering een telegram gekregen, waarin mij wordt bevolen, acht te geven op een zeiljacht, waarvan gij de kapitein zijt en dat sinds eenige weken is verdwenen. „Zijt gij dat werkelijk?” „Ja, Sir”, antwoordde Raffles weer. „Wij waren in een taifun en konden ons slechts met moeite redden.” „Ontvang dan mijn gelukwenschen met den goeden afloop.” Nu verliet de consul het jacht en de Chineesche douanebeambten kwamen aan boord zonder iets te vinden. Den volgenden dag ontsloeg Raffles zijn matrozen, nadat hij hen goed had beloond en liet zich door een agent nieuwe manschappen bezorgen. Maar een enkelen ontsloeg hij niet en dat was Tylar, dien hij in zijn hut gevangen hield. Nadat hij vier dagen in de haven had gelegen en al het ontbrekende voor het schip had gekocht, nam hij zijn koers naar het Westen. Charly Brand echter ontving op dien tijd een telegram in New-York van den volgenden inhoud: „Mr. Brand, Usterhotel, New-York. Vaar heden van Shanghai naar Londen. Hoop, dat pruik succes heeft gehad. Beste groeten aan de dames Delma en aan Señor Delma. J. C. R......” Toen Charly Brand dit telegram ontving, viel hem een pak van het hart. Reeds sinds eenige weken hadden hij en de familie Delma alle hoop opgegeven, Raffles terug te zullen zien.— Groote vreugde heerschte onder hen, toen zij het telegram ontvingen. Maar tevergeefs vroegen zij zich af, hoe Raffles met zijn jacht naar China was gekomen. Alleen Charly Brand begreep, wat zijn vriend met de pruik bedoelde. Bijna had hij het zelf vergeten, hoe hij maanden geleden, voordat hij zich voor Mevrouw Delma in Mexicaansche avonturen waagde, aan het Strand in Londen een pruik had gekocht, om daardoor eindelijk een vrouw te vinden. Zijn kalen knikker was hij nu kwijt, maar een vrouw had hij nog niet gevonden. Toen hij op zekeren dag bescheiden toespelingen maakte tegen Alma Delma over een ongelukkige liefde, zag zij hem vol medelijden aan en antwoordde: „O, mijn vriend, het doet mij innig leed, dat gij een ongelukkige liefde hebt; tracht toch, een gelukkige te vinden.” Hij begreep haar woorden niet en meende, dat het een blauwtje voor hem beteekende. Nu, na ontvangst van het telegram, kreeg hij eindelijk moed zich tegenover het beminde meisje uit te spreken. Toen hij zweeg, keek zij hem trouwhartig in de oogen en zei: „Gij spreekt weer van uw liefde, Mr. Brand. Ik ben heusch nieuwsgierig om te vernemen, wie uw uitverkorene is.” En Charly Brand durfde weer niet te zeggen, dat zij zelf dat was! Dienzelfden avond besloten zij, met de eerste boot naar Londen te varen, om daar Raffles te ontmoeten. ZESDE HOOFDSTUK. BAXTER WEER IN ACTIE. De inspecteur van politie van Scotland Yard was gedurende de afwezigheid van Raffles uit Londen geheel op zijn verhaal gekomen. De Vloo, zooals secretaris Marholm werd genoemd, had dezen morgen weer lust om zijn chef te ergeren. „Waarachtig, inspecteur”, sprak hij tot Baxter, „gij ziet er uit, alsof gij maandenlang verlof hadt gehad. Ik geloof, dat gij in den laatsten tijd wel dertig pond zijt aangekomen.” Baxter antwoordde, zonder te begrijpen, dat Marholm schertste: „Ja, mijn lieve Marholm, het wordt tijd, dat ik verlof neem om weer eens naar Mariënbad te gaan. Ik wordt te vet.” „Geen slechte gedachte”, antwoordde de Vloo, „Mariënbad zou u stellig goed doen, maar gij kunt de reiskosten sparen, als Raffles gauw weer in Londen terugkomt.” Nauwelijks had de Vloo dezen naam genoemd, of de inspecteur fronste het voorhoofd en sprak: „Ik heb het u eens voor al verboden, den naam van dezen schurk buiten dienst tegen mij te noemen. Wees blij, dat die man eindelijk van den aardbodem verdwenen is.” „Het is zeer vermetel van u, dat zoo beslist te beweren”, antwoordde de Vloo. De inspecteur wierp hem een woedenden blik toe en riep: „Ik weet, dat hij uw vriend is, Marholm, en gij zoudt het prettig vinden, als dat sujet hier weer opdook om mij bespottelijk te maken. „Maar ik zeg u dat, mocht ik Raffles in dit leven nog eens ontmoeten—wee hem! „Ik heb een cursus in Jiu-jitsu gevolgd en heb bovendien op de universiteit te Oxford nieuwe studiën gemaakt van de crimineele wetenschap.” „Zeg eens, inspecteur”, vroeg de Vloo met een boosaardig lachje, „heeft die professor u ook verteld, hoe men misdadigers moet vangen, die men nooit heeft kunnen krijgen?” „Professor Smithson in Oxford beweert, na lange wetenschappelijke studiën, dat er geen enkele misdadiger is, dien men niet zou kunnen krijgen!” „Oho!” lachte de Vloo, „zeker door hun zout op den staart te strooien?” „Houd uw flauwe grappen voor u!” riep Baxter woedend uit. „U schijnt zelfs professor Smithson van Oxford niet heilig te zijn.” „Neen”, antwoordde de Vloo met een breeden grijns, „ik geloof er niets van. Gij moet dien professor eens verzoeken, Raffles naar Scotland Yard te zenden. Het resultaat zou zeker schitterend zijn!” „Zwijg, Marholm! Houd u met uw werk bezig! Gij zijt den laatsten tijd toch al niet zeer vlijtig.” „Wat mij zeer koud laat”, dacht de Vloo bij zichzelf, zijn neus vol plichtsgevoel in de acten en papieren stekend. „Een telegram, inspecteur”, meldde op dit oogenblik de telegrambesteller en overhandigde den inspecteur van politie het roode couvert, waarop hij het bureau weer verliet. Baxter, die juist zijn middagslaapje wilde doen, gaf het telegram, zonder het te lezen, aan de Vloo met de woorden: „Lees het maar, Marholm, de inhoud zal wel van geen belang zijn.” Nauwelijks had de Vloo een blik geworpen op het telegram, of hij riep den inspecteur van politie na: „Blijf hier, het is een zeer gewichtig telegram betreffende onzen vriend Raffles!” Baxter maakte verbaasd rechtsomkeert bij de deur en stamelde: „Van— — — —van— — — —van— — — —Raffles?” „Hoor maar eens!” riep Marholm. „Een telegram van consul Hasper uit Shanghai.” „Vijf weken geleden kwam hier in de haven het zeiljacht Carmenrita binnen met een lading opium ter waarde van 2 millioen dollars. „Deze lading opium was het eigendom van den Chineeschen groothandelaar Wou-Wang en was bestemd voor Sam-Li, koopman te Shanghai. „Zooals is gebleken is de lading opium door Raffles gestolen en hij met het geld, 1½ millioen dollar, waarschijnlijk op weg naar Londen. Wacht hem daar op.” Baxter stond nog steeds met open mond Marholm aan te kijken, die op zijn beurt met een vriendelijk glimlachje Baxter ironisch toeknikte. „Nu, nu, daar heb je het alweer!” brulde Baxter. „Als je van den duivel spreekt, dan is hij er.” „Ja, ik zei u dadelijk al, dat we met Raffles nog niet hebben afgedaan.” „Hoe komt die man er in ’s hemels naam toe een scheepslading opium te stelen?” „Waarschijnlijk,” lachte de vloo, „wilde hij daarmee het hoofdbureau van politie een genoegen doen. Wij slapen nog niet genoeg.” „Zwijg,” riep Baxter, „en word toch eindelijk eens verstandig; 1½ millioen heeft die kerel weer gestolen.— — —” „Jawel, 1½ millioen dollar!” „Wat zullen we doen?” „Heel eenvoudig,” antwoordde de vloo. „Begeef u op de politieboot en vaar Raffles op de Theems tegemoet.” Baxter hield zijn buik met twee handen vast en riep: „Alleen de gedachte hieraan maakt me al zeeziek. Ik kan er niet tegen, op die boot te varen.” „Dan moet gij u door professor Smithson uit Oxford een middel tegen zeeziekte laten geven, anders is dit een beletsel den grooten Raffles te vangen.” „Ik zou den hemel danken, als die Raffles voor goed in China was gebleven.” „Wees toch blij,” lachte de vloo, „dat ge nu de kuur in Mariënbad uitspaart. „Over een paar dagen zult ge al verscheiden pond afgenomen zijn, en binnen vier weken weer op een normaal standpunt zijn gekomen, zooals vóór het vertrek van Raffles.” „Stel u in verbinding met den loods Omyr en vraag eens, of er al een zeiljacht Carmenrita de Theems is opgevaren.” Marholm ging naar de telefoon en vernam toen, dat daags tevoren een zeiljacht, Carmenrita genaamd, op de Theems was aangekomen en bij de Towerbridge voor anker lag. Nauwelijks vernam Baxter deze mededeeling of hij gaf bevel, alle beschikbare detectives en politie-agenten mobiel te maken om met hem Raffles gevangen te nemen. „Gelooft ge dan waarlijk, dat Raffles zich nog aan boord van het jacht bevindt?” „Zwijg,” donderde Baxter, „en stoor mij niet in mijn ambtsbezigheden.” Op dit oogenblik trad een loopjongen binnen en vroeg beleefd naar den inspecteur van politie Baxter. De vloo wees den jongen met de hand naar den inspecteur, waarna de loopjongen hem een brief ter hand stelde.— — „Van wien komt die brief?” vroeg Baxter den jongen. „Dat weet ik niet, Sir,” antwoordde de jongen. „Een meneer gaf mij den brief aan den oever van de Theems met de opbracht hem bij u te bezorgen.” „Het is goed.” De loopjongen ging weg en Baxter opende den brief. Zijn oogen werden hoe langer hoe grooter, toen hij het bekende handschrift van Raffles zag. „Mijn lieve inspecteur van politie,” zoo begon de brief. „Wat een brutaliteit van dien schurk, om mij altijd „mijn lieve inspecteur van politie” te noemen!” vloekte Baxter hard op. „Waarom?” vroeg de vloo. „Ik vind dat in het geheel niet brutaal, maar beleefd en netjes.” „Ik ben zijn vriend niet!” riep Baxter en ging voort met lezen. „Ik haast mij, u mede te deelen, dat ik van mijn maandenlange reis weer naar Londen ben teruggekeerd en ik hoop, u bij de eerstkomende gelegenheid mijn opwachting te maken.” Baxter hield op met lezen, keek de vloo aan en sprak: „Ik geloof werkelijk, dat die man zoo brutaal zal zijn om mij te komen bezoeken.” „Waarom ook niet! Daaraan twijfel ik geen oogenblik!” sprak de vloo, „maar lees toch verder. Ik ben benieuwd naar hetgeen Raffles ons nog heeft te vertellen.” Baxter nam den brief weer op en vervolgde: „Opdat gij ziet, hoezeer ik u hoogacht, heb ik u een interessant souvenir van mijn reis meegebracht. Geef u geen moeite om mij na ontvangst van dezen brief weer op uw gewone manier te vervolgen, want ik bevind mij op een plaats, die gij niet gemakkelijk zult ontdekken. Met beleefde groeten en de meeste hoogachting, Uw John C. Raffles.” „Ha!” riep Baxter uit, nadat hij den brief ten einde toe had gelezen, „nu zit hij in de val. „Hij vermoedt niet, dat ik dit telegram heb gekregen van den consul van Shanghai en dat ik weet, dat hij zich op zijn jacht Carmenrita bevindt! „Vooruit, Marholm! van het jacht kan hij ons niet ontsnappen, er liggen geen balken onder het water! Dit is nu eens een plekje, vanwaar hij ons niet kan ontsnappen!” „Nu, nu!” mompelde de vloo vol twijfel. „Zoo geheel zeker ben ik daar niet van, voordat Raffles zich inderdaad hier in Scotland Yard bevindt.” Een kwartier later vertrokken een half dozijn met politieagenten en detectives bezette automobielen naar de Theems. Vanuit talrijke booten, welke de politie-inspecteur liet aanrukken, begon hij het jacht, dat midden op de rivier lag, van alle kanten te omsingelen. Het leek wel, alsof het Chineesche booten van Korea waren, die nogmaals een aanval op het schip wilden doen. „Voorzichtig, mannen!” riep Baxter, toen hij met de revolver in de hand zich aan boord begaf. „Sluit het schip nauw in! Zoodra hij over boord springt, moet gij hem grijpen en vast houden!” Daarop begon hij het schip nauwkeurig te doorzoeken. Maar niets werd gevonden, zelfs geen enkele rat. „Hier!” riep de vloo. Haastig gaf Baxter zijn mannen een teeken en fluisterde: „Wij hebben hem, jongens, en als ik mij niet heel erg vergis dan slaapt hij. Hij is al te vermetel geworden! Hij voelt zich wel veilig in zijn schuilhoek!” Hij beval, dat verscheiden detectives, met revolvers gewapend, hem moesten volgen en opende daarna moedig de deur. Op een bed zagen zij de gedaante van een man. Zonder hem nauwkeuriger te bekijken, wierpen drie detectives zich onder leiding van Baxter op den slapende en boeiden hem. (Zie het titelblad.) Verbaasd keek de gevangene, die zich tevergeefs tegen de ijzeren vuisten der politiebeambten trachtte te verdedigen, om zich heen. „Wat wilt gij van mij?” schreeuwde hij tot Baxter. „Houd u niet zoo dom, Raffles!” antwoordde Baxter, „deze keer zijt gij ons niet ontkomen!” „De duivel moge mij halen, als dat Raffles is,” mengde zich nu de vloo in het gesprek. „Ik ben Raffles niet!” riep de gevangene, „ik ben de bootsman van dit schip.” „Dat kan iedereen wel zeggen,” antwoordde Baxter, „maar als gij ons niet wijst, waar John Raffles zich bevindt, geloof ik niet, dat gij het niet zijt. „Ik weet maar al te goed, Mr. Raffles, dat gij de kunst van u te vermommen uitstekend verstaat. „Voorwaarts! Naar het hoofdbureau van politie!” Reeds dien avond vermeldden de nieuwsbladen de eerste sensatieberichten omtrent de eindelijke gevangenname van den veelgezochten meesterdief. Tegelijkertijd wisten zij te vertellen, dat hij bij zijn laatste truc voor 1½ millioen dollar aan opium had gestolen. Dit bericht hadden zij te danken aan de mededeelzaamheid van de vloo. Hoe schrok Baxter, toen hij, juist toen hij den vermeenden Raffles een verhoor afnam, weer een brief ontving door bemiddeling van een loopjongen. En met onzekere blikken las hij het volgende: „Mijn lieve inspecteur van politie!” Naar ik verneem, hebt gij in plaats van mijn persoon van mijn schip het souvenir weggehaald, dat ik voor u had meegebracht uit Mexico en China. De man, dien gij hebt gevangen genomen, is mijn bootsman Tylar, die zich aan boord van mijn schip aan ernstige muiterij heeft schuldig gemaakt. Ik verzoek u, hem deswege flink te straffen. Ik groet u en ben met de meeste hoogachting, John C. Raffles.” „Goddam!” schreeuwde Baxter. „Had Smithson gelijk of ik?” vroeg de vloo. „Smithson is een ezel!” antwoordde Baxter woedend. „Zijn theorieën kloppen niet! En nu komt nog het gekste van alles, dat wij namelijk voor Raffles een proces moeten voeren tegen een muitenden bootsman.” „Nu, dat is tenminste iets,” troostte de vloo. „Men moet den hemel voor alle goede gaven dankbaar zijn!” „Als de kranten maar niet bestonden!” jammerde Baxter, „nu zullen zij weer den spot drijven met ons en vooral met mij!” Wat de inspecteur had gevreesd, gebeurde. In kolommenlange artikelen schilderden de kranten overal den aanval van Baxter op het jacht en de gevangenname van den onechten Raffles. De geïllustreerde spotbladen teekenden hem zelfs uit, zooals hij in een boot als Engelsch admiraal den aanval leidde. En deze bladen kregen Señor Delma en zijn dames, evenals Charly Brand op den morgen van hun aankomst in Londen onder oogen en zij vernamen daaruit voor het eerst, wie hun dappere redder uit zoovele gevaren was geweest. „Als het mij vergund was,” sprak Señor Delma tot Charly Brand, „om een standbeeld op te richten ter eere van uw vriend, dan zou ik het doen!” Daar kwam de hotelbediende een heer aandienen, die hen wenschte te spreken. Eenige oogenblikken later werd de deur geopend en Raffles trad binnen. Hij begroette Señor Delma alsof deze zijn broeder was, maar toen deze meende, dat het voor Raffles misschien beter zou zijn om voor altijd in Mexico te blijven en daar een behaaglijk en rustig leven te leiden, antwoordde deze: „Mijn lieve Señor Delma! Ik zou zeer zeker uit heimwee naar mijn geliefd Londen doodziek worden. Neen, ik houd van deze stad en ben blij, dat ik mij weer op Engelschen bodem bevind. „Bovendien ben ik voor mijn vaderland zeer nuttig. „Er zijn maar al te veel schurken op de wereld, waartegen onze wetten en inspecteur Baxter onmachtig zijn en met wie men alleen iets kan uitrichten vanaf het standpunt van misdadiger. „Ter wille van die schurken blijf ik in Londen totdat ik sterf!” Señor Delma wist hierop niets te antwoorden. Hij gaf Raffles de hand en sprak: „Ik kan niet anders dan u als een held bewonderen.” Nu zag Raffles, dat Charly Brand zonder pruik was. „Zeg eens, Charly!” riep hij uit, „sinds wanneer heb je weer een kalen knikker?” „Sinds ik heb ingezien, dat ik niet geschikt ben voor het huwelijk. Een pruik op het hoofd is te warm en ik kan zoo’n ding onmogelijk mijn levenlang dragen. Ik doe het daarom liever zonder vrouw en blijf jouw vriend en jonggezel!” „En Alma Delma?” vroeg Raffles zoo zacht, dat haar vader het niet kon hooren. „Is jong en mooi en zal als rijke erfgename zooveel mannen kunnen krijgen als zij maar wil.”— Een vroolijk souper was het slot van den avontuurlijken tocht van Lord Lister naar Mexico en toen Señor Delma opstond om met tranen in de oogen Raffles te danken voor alles, wat deze voor hen had gedaan, stemden allen na den toast in met den uitroep: „Lang moge Raffles voor ons allen gespaard blijven. Leve onze Raffles! Hoera! Hoera! Hoera!” *** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78819 ***