☞ Elke aflevering bevat een volledig verhaal. ☜
UITGAVE VAN DEN ROMAN-, BOEK- EN KUNSTHANDEL—SINGEL 326,—AMSTERDAM.

Ofschoon het Londensche seizoen eigenlijk reeds teneinde was, en de meeste bewoners der wereldstad, die het konden betalen en er gelegenheid toe hadden, reeds de stad waren ontvlucht teneinde zich naar een of andere badplaats of hun villa in de bergen te begeven, was het groote Hypodrome-Theater aan het Piccadilly Circus gelegen zeer goed bezet.
Intusschen waren er heel wat vreemdelingen onder de bezoekers, die de duurdere rangen vulden.
De meeste heeren, tenminste voor zoover zij een dure plaats innamen, waren in rok gekleed, de dames in avondtoilet.
In een loge van den eersten rang zaten twee heeren, naar wie reeds menigeen den blik had gewend.
De eene had een lange, gespierde gestalte en een energiek gelaat, met scherp geteekende trekken, en doordringende staalgrijze oogen.
Van de Londenaren, die daar zaten, zou zeker een derde deel wel hebben kunnen zeggen wie dat was, Lord William Aberdeen, de bekende philantroop.
Naast hem was zijn secretaris, Charly Brand gezeten, die in alles van hem verschilde, hij was vrij wat kleiner, blond met een blozend, opgewekt gelaat, waarin twee groote, helder blauwe oogen schitterden.
Ook was hij zeer goed bekend bij de leden van de „Upper ten”, want hij vergezelde Lord Aberdeen bijna steeds en overal, en men wist, dat aan den jongen man de zware taak was opgedragen, het vermogen van zijn meester te beheeren, en de giften te regelen, welke Lord Aberdeen op geregelde tijden aan talrijke instellingen van liefdadigheid of van algemeen nut placht te schenken. Hij vergezelde hem steeds, als hij door de ellendige buurten van de reusachtige wereldstad trok, om daar onderzoek te doen naar personen die buiten hun schuld nooddruftig waren geworden. [2]
Ja, als Lord Aberdeen kende al deze deftig gekleede weldoorvoede rijken den man die daar achterover leunde in zijn gemakkelijke fauteuil en met afgetrokken blik naar het tooneel keek, waar juist twee excentrics bezig waren, hunne ledematen op de onmogelijkste wijze te verrekken en toch kenden zij niet de ware persoon, want onder het uiterlijk van den onbekenden philantroop verborg zich een persoon wiens naam alleen hen met schrik zou vervullen, John Raffles.
Inderdaad, daar zat de Gentleman-Inbreker, de langgezochte tegenstander van Scotland-Yard, op wiens hoofd nog altijd sinds lange jaren reeds een premie van duizend pond sterling was gesteld, zoo gerust en zoo op zijn gemak alsof hij nog nooit iets te maken had gehad met de speurhonden uit de Downingstreet, met den befaamden detective James Sullivan of met den hoofdinspecteur Phileas Baxter, die reeds niet kon slapen, als men driemaal achter elkaar den naam van den gevreesden inbreker in zijn tegenwoordigheid uitsprak.
Lord Aberdeen schonk ontegenzeggelijk groote bedragen weg, en toch zonken zij het in niet naast de reusachtige sommen, welke hij in het geheel onder een geheel anderen naam besteedde aan het lenigen van armoede en ellende, wanneer hem die slechts ter oore kwamen, aan het herstellen van gepleegd onrecht en aan het steunen van talentvolle maar onbemiddelde jongelieden.
Niet zonder moeite had Charly Brand dien avond zijn trouwen vriend overgehaald hem naar het Hypodrome-Theater te vergezellen, want Raffles bevond zich in een van die buien, waarin het hem walgde, zich onder het publiek te moeten begeven en hij veel liever naar zijn geliefkoosde viool greep, en aan het prachtige instrument klanken ontlokte, die diep ontroerden.
Maar eindelijk had hij toch toegegeven, de prachtige blauwgelakte limousine was komen voorrijden, en Henderson de chauffeur, die aan menig avontuur van den Grooten Onbekende een levendig aandeel had genomen, had hen naar het groote Variété-Gebouw gebracht.
Aanvankelijk had Raffles niet veel acht geslagen op hetgeen er op het tooneel gebeurde, en pas een paar werkelijk voortreffelijke kunststukken hadden een weinig zijn belangstelling weten te trekken.
Nu daalde het scherm, het publiek applaudiseerde, de beide excentrics kwamen nog eens buigen, en toen stond Raffles op, en zeide op zachten toon:
„Neem het mij niet kwalijk, Charly, maar voor van avond heb ik mijn portie al weder beet! Ik geloof niet dat ik den moed heb ook de nummers na de pauze nog te hooren of te zien. Er komt nog een goochelaar en ik ben zelf niet geheel en al onbedreven in de goochelkunst, dan komt er nog een heer, die op zijn handen loopt, hetgeen ik voor een redelijk wezen ontoelaatbaar acht. Dan komt er een dame met een basstem, zooals het programma aangeeft, en ik vrees dat zij daarenboven ook nog een baard zal hebben, hetgeen niet strookt met mijn opvatting betreffende de leer der ethica.”
„Maar wacht dan tenminste tot de pauze aanbreekt!” kwam Charly. „Er is nog maar één nummer.”
„Wat is het?” vroeg Raffles onwillig.
„Een danseres! Men spreekt buitengewoon veel over haar fraaie juweelen en over het legertje minnaars die elkander zonder ophouden in haar gunst opvolgen.”
„De stem en de minnares interesseeren mij niets, maar om de juweelen wil ik dan nog wel een kwartier blijven!” zeide Raffles zuchtend, terwijl hij zich weder in zijn fauteuil liet vallen en een versche sigaret opstak.
Juist zette de muziek een slepende wals in, de zaal werd donker gemaakt, het scherm rees, en, bestraald door twee schijnwerpers, kwam daar een nog zeer jonge vrouw op het tooneel, die allereerst de aandacht tot zich moest trekken omdat haar kleeding zich tot het volstrekt onmisbare beperkte.
Zij kon hoogstens twee en twintig jaar zijn, en zij had een fijnbesneden gezichtje waarin twee groote, donkere oogen schitterden.
Zij droeg een buitensporig kapsel, dat bestond in een gouden band, die haar hoofd omsloot, en bezet was met fraaie diamanten. Die band hield een groot aantal krachtige en zeer lange pauwenveeren bijeen, dicht naast elkander geplaatst.
Zij had een soort tunica aan van witte, dunne zijde, zeer diep uitgesneden, ver boven de dijen eindigend, en die om het middel werd bijeen gehouden door een gordel van gouden schakels.
Een prachtige paarlen collier was om den blanken hals gelegd, en de fraai gevormde armen waren omgeven door gouden braceletten. [3]
Dat was Marja Ivy, de nieuwe ster aan den Variété-hemel, die reeds veel opgang had gemaakt te Parijs, te Weenen, en te Rome, en welke algemeen beschouwd werd als de evenknie van de befaamde Gaby Deslys, de voormalige minnares van den ex-koning van Portugal, den jeugdigen Manuel.
Ook in dit opzicht streefde Marja Ivy de wereld vermaarde Variété-diva blijkbaar terzijde, want men fluisterde reeds nu heel wat namen van hooggeplaatste heeren, aan wie de pas ontdekte ster haar gunsten had geschonken.
Met den eersten blik had Charly gezien, dat de prestatie van Marja Ivy bijzonder weinig om het lijf had, zij trippelde wat over het tooneel heen en weder, zwaaide met haar beenen, liet haar pauwenveeren wuiven, en zong met een dun stemmetje een Fransch liedje, dat niemand begreep, hetgeen er trouwens voor den auteur zeer weinig op aan kwam.
De voornaamste attractie van de jonge vrouw moest blijkbaar gevonden worden in haar fraaie lichaamsvormen, welke zij zoo weinig verborg.
Want mooi was zij inderdaad, Marja Ivy.
Charly wierp een schuinschen blik naar Raffles, om te zien welk een indruk de Variété-danseres op hem maakte, en zag tot zijn verwondering, dat Raffles met ingespannen aandacht naar de jonge vrouw tuurde.
Dat was zeker niet de gewoonte van den Gentleman-Inbreker.
Maar nu liet Raffles het instrument zakken, en boog zich naar Charly over, om hem toe te fluisteren:
„Als ik schrijver was geloof ik dat ik hier een aardig onderwerp voor een feuilleton had gevonden.”
„Hoe zoo?”
„Wel ik herken dat lieve wezentje daarginds heel goed! Haar schoonheid frappeerde mij destijds, het is een dienstmeisje!”
„Wat vertel je me daar?” riep Charly bijna luidkeels uit, zoodat men in de aangrenzende loge hem verwijtende blikken toewierp.
„Die mooie jonge vrouw daar op het tooneel: met haar verblindend witte huid en haar fijn gezichtje zou een keukenmeisje zijn?”
„Pardon, laten wij elkander niet verkeerd verstaan, mijn waarde. Van een keukenmeisje heb ik niet gerept, ik sprak van een dienstmeisje, en dat is iets anders.”
„Keukenmeisje of dienstmeisje, houdt het mij ten goede, Edward, maar ik zou er een lief ding onder durven verwedden, dat je je vergist!”
„Ik vergis mij niet, Charly!” hernam Raffles kalm. „Je kunt nu toch wel weten dat mijn geheugen voor gezichten nog al sterk ontwikkeld is, en zeker voor gezichten als dat daar! Je zult zelf moeten toegeven, dat men het gezicht van de jonge vrouw niet zoo gemakkelijk zal vergeten, als men het eenmaal gezien heeft.”
„Dat erken ik, en toch.…..”
„Als je mij niet wilt gelooven, Charly, dan kun je het haar mijnentwege gaan vragen, ofschoon ik betwijfel, of zij het wel zou bekennen. Zij heet inderdaad Sonja Malakoff, zij is een Lithausche en zij was nog geen vol jaar geleden dienstmeisje bij een Poolsche familie welke ik te Moldau bezocht. Ik herinner mij nu zeer goed, dat er destijds ook lachend in den familiekring gesproken werd over de plannen van het bevallige kind, dat volstrekt het voorbeeld wilde volgen van Gaby Deslys, die naar je zult weten tot haar zestiende jaar eveneens dienstmeisje geweest is, en wier ouders nederige arbeiders waren.”
„Wanneer je het met zooveel stelligheid zegt, Edward, dan moet ik je natuurlijk gelooven,” zeide Charly. „Maar dan verbaast het mij toch sterk.”
„Waarom eigenlijk? Vergeet niet dat je niet met een Londensch dienstmeisje te doen hebt, maar met een Lithausche, dat wil zeggen met een zeer schoon ras. Vergeet ook niet wat schmink en poeder kunnen bewerkstelligen!”
„Maar de bewegingen, Edward, het geheele optreden, de wijze van loopen, kan men dat aanleeren?”
„Dat kan men zeker, maar bovendien iedere Lithausche vrouw is van nature gracieus en sierlijk in alles wat zij doet, en ik weet nog heel goed dat ik, alleen uit een kunstzinnig oogpunt, dat verzeker ik je, met bepaald welgevallen de sierlijke en ongedwongen bewegingen van dat mooie dienstmeisje heb gade geslagen.”
Charly antwoordde niet maar volgde nu met nog meer aandacht de bewegingen van de Variété-danseres, die met luchtige stapjes, het mooie lichaam een weinig voor overgebogen, het gelaat naar het publiek gewend, langs het voetlicht trippelde.
Toen mompelde hij voor zich heen: [4]
„Als jij het zegt, dan moet ik het natuurlijk wel gelooven, maar ik blijf het een wonder vinden! Dat zal echter zijn omdat ik het begrip „dienstmeisje” wat al te zeer vereenzelvig met het begrip van trappen dweilen, ramen zeemen, borden wasschen, en tegen de bakkersjongens gillen. De schoone Poolsche schijnt dus niets van dat alles te hebben gedaan, of, wanneer zij dat deed, dan deed zij het allerbevalligst, gracieus, en met gedistingeerde gebaren. Nu, mij is het wel, en ik moet toegeven, dat iemand in een jaar heel wat kan veranderen.”
Raffles had nog eenigen tijd naar de mooie, jonge vrouw gekeken, en wendde zich toen tot Charly met de vraag:
„Is dit de eerste avond van haar optreden?”
„Ja, en ik herinner mij nu ook, dat de bladen vol hebben gestaan met reclame artikelen, waaraan ik echter weinig aandacht heb gewijd, als ik dat wel gedaan had, dan zou ik nu weten, hoe zij bijvoorbeeld aan dien voorraad diamanten komt, die naar allen schijn echt zijn.”
„Geschenken, denk ik!” zeide Raffles droogjes. „Ik kan mij voorstellen dat een rijk en galant man voor een goedgunstigen blik uit die schoone oogen gaarne een snoer diamanten geeft. Apropos, als je de bladen nog hebt, waarin die reclameberichtjes hebben gestaan, zoek ze dan nog eens op, ik wil ze wel eens lezen.”
„Ik ben tot je dienst, Edward!” antwoordde Charly, en hij begreep, dat er reeds een of ander plan door het hoofd van zijn vriend spookte met betrekking tot het voormalige Lithauensche dienstmeisje.
Juist op dit oogenblik beëindigde Marja Ivy haar zang in een snerpenden kreet, die het gelaat van Raffles pijnlijk deed vertrekken.
Toen het applaus bedaard was, merkte hij op:
„Ik denk, dat wij die pauwenveer als een soort embleem moeten beschouwen, het mooie schepseltje wil er zeker mede te kennen geven, dat zij even schoon is en even erbarmelijk schreeuwt als een pauw.”
„Ben je niet wat wreed voor haar?” vroeg Charly lachend.
„Dat weet ik niet, maar ik geloof wel, dat ik rechtvaardig ben! Zij heeft—ik zie niet in, waarom ik er een geheim van zou maken—een stem als een gebarsten kindertrompetje, en ik geloof dat de indruk van haar verschijning nog grooter zou zijn als zij haar mond dichthield.”
„Waarom zingt ze eigenlijk in het Fransch?”
„Op die vraag kan ik je geen antwoord geven, maar het is zeker, dat ze voor 99 procent van de bezoekers evengoed in haar moedertaal kon zingen. Ik heb een paar malen het woord Amour hooren uitgillen en evenzoo vele malen het woord Douleur en dat is alles! Het vermoeden ligt dus voor de hand, dat het een minneliedje is geweest. Maar wie vraagt daar naar, als hij zulke schouders en zulke diamanten ziet?”
Raffles was opnieuw opgestaan, en Charly drong nu niet langer aan om te blijven, tot de pauze was aangebroken.
Reeds aan de plaatsing op het programma was het te zien, dat Marja Ivy, hoe kort zij ook aan het tooneel was, al vrij wat in de melk had te brokkelen, want ieder Variété-artist weet, dat het voorlaatste en het laatste nummer voor de pauze, en in wat mindere mate het eerste nummer daarna verreweg de beste van het programma zijn, wat betreft de stemming en de aandacht van het publiek. Maar het laatste nummer voor de pauze spant in ieder geval de kroon naar het oordeel van ervaren Variété-menschen.
„Wat zullen wij doen?” vroeg Charly, toen de beide mannen de vestiaire verlaten hadden, en de monumentale trap naar de vestibule afdaalden.
„Wij kunnen mijnentwege nog een uurtje naar de club gaan, en dan maar naar huis, ik moet een weinig nadenken.”
„Nadenken over wat?”
„Over de combinatie Lithauensch dienstmeisje en diamanten!” [5]
Den volgenden morgen wijdden de bladen tamelijk lange besprekingen aan het nieuwe programma in het Hypodrome-Theater en het leeuwendeel daarvan was geweest aan Marja Ivy, de pas ontdekte ster.
Maar Raffles was voldoende thuis in de wereld der journalistiek, om te weten, dat verreweg de meeste van deze ophemelende artikelen niets anders waren dan betaalde reclame, soms betaald in den vorm van groote en dure advertenties.
Naar het scheen had de bevallige Variété-diva reeds aan eenige reporters een interview toegestaan, en allen spraken vol bewondering en lof over haar „sympathieke verschijning”, haar „weergalooze gratie”, haar „teedere liefde voor haar ouders”, welke zij thans zoo gelukkig was te kunnen onderhouden, en „haar juweelen”.
Toen Raffles dit alles gelezen had, schudde hij het hoofd en bromde voor zich heen:
„Merkwaardig, een zeer zeldzaam verschijnsel. Die liefde voor haar ouders is werkelijk treffend, een jaar geleden was haar moeder al dood en haar vader was een dronkelap die haar ranselde, en wien zij met hetzelfde argument beantwoordde. Zij beklaagde zich steeds bitterder over den kerel, en peinsde dag en nacht op de beste methode om van den oorsprong van haar dagen af te komen, op een fatsoenlijke of een onfatsoenlijke manier.”
„Deksels, dan is dat lieve kind geen katje geweest om zonder handschoenen aan te pakken,” riep Charly uit, die deze opmerking te hooren kreeg, toen de beide vrienden tegenover elkander zaten in de kleine eetzaal van het fraaie huis hetwelk Lord Aberdeen bewoonde in de Regentstreet. „Zij vocht dus met haar vader?”
„O, men kan het geen vechten noemen,” zeide Raffles vergoelijkend. „Zij wierp hem slechts van tijd tot tijd een bijl naar het hoofd, waarmede zij gewend was hout te kloven, of spande een ijzerdraad op een voet hoogte tusschen de deurposten, tegen den tijd dat hij beschonken naar huis kwam wankelen.”
„Maar lieve hemel, dan was het een boosaardig schepsel,” riep Charly verschrikt uit.
„Toch niet, tenminste niet boosaardiger, dan iedere vrouw over het algemeen,” vervolgde Raffles kalm. „Vergeet niet, dat wij in Lithauen zijn, dat zij van hartstochtelijk Slavisch bloed is, en dat men daarginds een anderen maatstaf aan legt dan in ons land van mist en regen.”
„Maar hoe weet je dat dan toch allemaal?”
„Wel, omdat zij het zelf heel vaak als een goede grap kwam vertellen, terwijl zij bij het middagmaal bediende. Ik heb haar zelfs wel eens tranen zien lachen, toen zij verhaalde hoe zij haar vader met een bijl in zijn voet had geraakt, en daarbij ronddanste als een beer op de kermis, en dat deed zij dan heel plastisch na.”
„Nu, over de kinderliefde heerschen daar naar het schijnt nog al eigenaardige opvattingen,” zeide Charly schouderophalend. „In ieder geval schijnt het niet heel en al juist te zijn, wat de heeren reporters beweren betreffende die teedere liefde jegens hare ouders.”
„Neen, het strookt inderdaad niet geheel en al met de waarheid!” beaamde Raffles, met een ironisch [6]glimlachje. „Maar het staat goed, en het omgeeft de jonge vrouw met een aureool van sympathie. Denk eens aan, een gevierde, op de handen gedragen, Variété-artiste die iedere week een deel van de zuur verdiende penningen naar het ouderlijke huis stuurt, ver in het onherbergzame Polen. Ieder onbedorven hart moet zich daar door ten diepste geroerd gevoelen. Apropos, heb je die kranten nog gevonden, waar wij gisteren over gesproken hebben?”
„Zij liggen in je werkkamer op je schrijfbureau.”
„Merci. Dan ga ik ze dadelijk eens bestudeeren! Ik gevoel bepaald behoefte iets meer te weten omtrent het voormalige dienstmeisje. Zij boezemt mij om meer dan een reden groot belang in.”
En met deze woorden stond Raffles op en begaf zich naar zijn werkkamer op de eerste verdieping, een ruim, stemmig vertrek, dat als het ware tot ingespannen hersenarbeid uitnoodigde.
Een uur later verscheen hij in de bibliotheek, waar Charly zich onledig hield met het bijhouden van een lijvig register, volgepakt met krantenuitknipsels.
„Waar is het groote fotografie-toestel, Charly?” vroeg Raffles.
Charly keek eenigzins verbaasd op, en antwoordde:
„Dat moet in de donkere kamer staan, op zolder! Wij hebben het in langen tijd niet gebruikt, je vond het een weinig onhandelbaar. Wil ik het voor je halen?”
„Daarmee zul je mij een pleizier doen. Breng dan meteen den insteldoek en het statief mee, en doe eenige gevoelige platen in de cassettes.”
„Ga je naar buiten om wat te fotografeeren?”
„Ik ga fotografeeren, maar niet naar buiten, ik ga foto’s maken van Marja Ivy.”
„Maar mijn hemel, in iederen boekwinkel kun je er zooveel krijgen als je er hebben wilt voor een paar pence.”
Raffles haalde eenigzins ongeduldig de schouders op.
„Dat weet ik natuurlijk ook wel, maar daarom is het mij niet te doen. Ik wil haar fotografeeren, omdat ik eens wil zien hoe zij behuisd is, en hoe haar diamanten behuisd zijn.”
„Maar Edward, zou je het in ernst voorzien hebben op de juweelen van die jonge vrouw?”
„Je legt den nadruk op haar geslacht, Charly, alsof zij een onnoozel, onschuldig wicht is, een arm weesje onder den druk van een slechten voogd of iets dergelijks. Ik voor mij acht haar niet bijzonder veel zaaks, een hartelooze vrouw, wie het alleen te doen is om veel geld en veel kostbaarheden, en die van minnaar verandert, zoo als wij een schoonen zakdoek nemen.”
„Maar misschien moet zij met die steenen wel haar brood verdienen, Edward.”
„Goede hemel, neen, mijn waarde!” ging Raffles voort. „Houdt op met die sentimentaliteiten. Er is geen kwestie van brood verdienen. Zij treedt in een variété op, eenvoudig om des te beter en des te gemakkelijker de aandacht op zich te kunnen vestigen, zij heeft die steenen te danken aan haar blanke huid, haar fraaie beenen en het doorzichtige hemdje dat zij draagt, dat is de zuivere onopgesmukte waarheid. Denk je soms, dat een theaterdirecteur haar zou engageeren als zij er op stond in een ochtendjapon op te treden? Wel man, men zou haar vragen of zij niet goed bij haar verstand was, als zij maar even haar mond had open gedaan. Je zult toch niet durven volhouden, dat jij haar bijvoorbeeld om haar stem zou engageeren?”
„Ik moet erkennen.……” begon Charly stamelend.
„Je moet erkennen, dat haar liedjes klinken alsof er met een diamant over een ruit gekrast wordt, en dat je wel stapelgek zoudt zijn, als je haar ook maar een avond zoudt laten optreden, wanneer zij niet met haar pauwenveeren en haar korte tunica kon rondloopen. Maar hoe het ook zij, ik wil eerst eens nader onderzoek bij haar doen. Misschien verander ik nog wel van idee, misschien is zij beter dan haar faam. En nu dat toestel, als ik je verzoeken mag.”
Charly stond op, verliet het vertrek, en keerde eenige oogenblikken later terug met een notenhouten camera van groot formaat en een tasch van waterproof waarin een drietal plaathouders zaten, die ieder twee platen konden bevatten.
Ook had hij een drieledig, zwaar statief bij zich.
Raffles bekeek een en ander, en bromde tevreden:
„Het ziet er nog heel goed uit. Nu nog het stel lenzen, en dan ga ik als fotograaf voor een of ander tijdschrift er op uit.”
„Maar als ze weigert je te ontvangen?” [7]
„Dat zou ze misschien over een paar jaren doen, maar nu staat zij nog aan het begin van haar loopbaan en zij moet reporters en fotografen te vriend houden.”
„Maar je zult je toch hoop ik vermommen?”
„Ik zal mij herscheppen tot een artistiek man, Charly!” zeide Raffles hoogdravend.
Hij begaf zich naar zijn slaapkamer, opende de geheime kast waarin zich zijn talrijke kleederen en uniformen bevonden en begon daarna met groote zorgvuldigheid zijn gelaat onder handen te nemen.
Hij gebruikte daarbij geen gewone schmink, zooals acteurs en pas beginnende detectives aanwenden, en die voor ieder scherp oog reeds op een paar meters afstand te onderkennen is, maar kleurmiddeltjes van zijn eigen vinding, die de huid niet aantasten, en er toch een geheel andere kleur aangeven.
Tenslotte zette hij een pruik met lang haar op, zoo voortreffelijk nagemaakt, dat zelfs voor het meest geoefende oog het bedrog niet te ontdekken viel en schoot een bruin fluweelen jasje aan.
Een slappe hoed voltooide zijn costuum en aldus vermomd, begaf hij zich naar de bibliotheek waar Charly hem met een lachenden uitroep van verbazing ontving.
„Bevalt mijn uiterlijk je?” vroeg Raffles lachend.
„Ik zou geen enkele aanmerking kunnen maken, Edward. Als je mij vreemd was, en je stelde mij de vraag, welk beroep je uitoefende, dan zou ik zonder aarzelen uitroepen: „Photograaf”. Zelfs je handen wijzen er op, die rouwrandjes aan de nagels, die ruwe vingertoppen en die bruine vlekken van den ontwikkelaar. Ik moet zeggen, het is prachtig.”
„Ik dank je voor het compliment, Charly, en ik ga er nu maar aanstonds op uit.”
„Maar het is nog geen elf uur, je kunt haar nu onmogelijk bezoeken, Edward.”
„Ik ga er ook niet regelrecht naar toe, ik wil eerst eens wat in den omtrek neuzen, en het hotel Cecil, waar zij logeert, een weinig in het oog houden.”
„Ik zal dan niet op je behoeven te wachten met de lunch?”
„Neen, ik zal daar in de buurt wel wat eten.”
Raffles drukte Charly de hand ten afscheid, hing de tasch met platen over den schouder, nam het zware toestel en den driepoot op, en stak het etui met lenzenstel in zijn zak en verliet het vertrek.
Hij ging het huis nu echter niet uit door de voordeur, maar stak den tuin over, aan alle zijden door dicht struikgewas en hooge boomen omgeven, en verliet hem weder door een kleine tuinpoort, die in een zijstraat uitkwam, waar zich maar hoogst zelden iemand vertoonde.
Hij liep deze straat teneinde, en wachtte tot er een onbezette huurauto zou passeeren.
Eenige minuten later was hij onderweg naar het Strand.
Daar in het duurste en weelderigste hotel van Londen, logeerde Marja Ivy en reeds hadden de bladen weten te vertellen, dat zij voor de drie kamers welke zij bewoonde, 15 pond sterling per dag moest betalen, wel te verstaan zonder ontbijt of eenig ander voedsel.
Raffles slofte met zijn zwaar toestel naar een klein restaurant, tegenover het beroemde hotel gelegen, en legde zich daar als het ware in hinderlaag.
Veel bijzonders zag hij echter niet, maar er werden drie ruikers gebracht en twee groote bloemstukken maar die konden natuurlijk evengoed voor een andere bewoonster van het hotel zijn.
Van Marja Ivy zelve zag hij niets, en hij leidde daar uit af, dat zij nog wel in het hotel zou zijn en haar kamers nog niet verlaten had.
Tegen twee uur stond hij op en verliet het restaurant.
Hij ging het deftige hotel binnen maar werd bijna aanstonds tegengehouden door den zwaarlijvigen portier, in een groen livrei gestoken die hem tamelijk barsch vroeg, wat hij kwam doen.
Raffles trok een beleedigd en een boos gezicht en antwoordde:
„Sedert wanneer is het gewoonte, dat men den fotograaf van „The Scotch” vraagt wat hij komt doen? Natuurlijk kom ik iemand fotografeeren! Is mejuffrouw Marja Ivy nog op haar kamer?”
„Dat is zij wel, maar ik denk niet, dat zij u zoo maar zal ontvangen! Er zijn al meer fotografen geweest!”
Raffles haalde minachtend de schouders op.
„Er zijn fotografen en fotografen, goede man!” zeide hij hooghartig. „Je zult mij toch zeker niet met de lieden van niemendal willen vergelijken? Bovendien, ik word verwacht!”
„Dan is het wat anders!” hernam de portier. [8]
„Tweede verdieping, eerste gang rechts, nummers 87 en 88!”
„Dank je, vriend, dank je!” zeide Raffles. „Ik zal het nu wel vinden!”
En met zijn toestel beladen besteeg hij de trappen en klopte toen aan op de deur, die het nummer 87 droeg.
Een koket kamermeisje deed de deur open op een kier slechts, als moest zij reeds bij voorbaat het indringen van ongewenschte personen beletten.
„De mise-en-scène is prachtig!” mompelde Raffles voor zich heen. „Men zou zweren, dat men bij Sarah Bernard of bij Zijne Majesteit in persoon op audientie komt!”
En luid vervolgde hij, zich tot het kamerkatje wendende:
„Schoon kind, ik ben fotograaf, en ik vraag om de gunst, uw meesteres te mogen fotografeeren, echter niet zooals Jan en Alleman het gewoonlijk doet, neen, ik wil er iets bijzonders van maken, ik wil madame kieken in haar dagelijksche omgeving, met haar katjes en haar hondjes, haar todjes en haar vodjes, haar strikjes en haar kwikjes!”
Het lieve kind achter de deur had met niet geringe verbazing naar deze korte toespraak geluisterd en zeide nu, met een sterk buitenlandsch accent en in het miserabelste Engelsch dat men zich kan denken:
„Ik zal het aan madame gaan vragen, u lijkt mij wel een grappenmaker!”
„O, schoon meisje, je vleit mij,” riep Raffles uit, en met moeite, wegens het zware toestel en het statief, streek hij het kamermeisje onder de poezele kin. „Zeg aan madame, dat hier iemand staat, die haar een portret zal leveren waarbij vergeleken al het andere prulleboel uit een kermistentje is!”
Proestend verwijderde het jonge ding zich, maar Raffles behoefde niet lang te wachten.
Eenige oogenblikken later keerde zij weder terug en hield de gangdeur voor Raffles open.
„Madame verwacht u!” zeide zij opgeruimd. „Ik heb gezegd, dat u zeker wel iets goeds zoudt maken!”
„Dat is buitengewoon vriendelijk van je, schoone maagd!” zeide Raffles, terwijl hij binnentrad, en achter het meisje naar een fraai gemeubeld vertrek ging, waar Marja Ivy zich bevond.
De variété-danseres droeg nog een morgengewaad, zeer ruim, en van soepele zijde vervaardigd, en Raffles moest erkennen, dat zij er in de hoogste mate verleidelijk en bekoorlijk uitzag.
Zij zat op een rustbank, en naast haar lagen twee prachtige Pekineesjes, die Raffles met hun ronde oogen en van onder het lange haar nieuwsgierig aangluurden.
Op het haardkleedje lag een schoone Angora-kat te slapen, en voor een der ramen stond een standaard met een groote koperen kooi, waarin een kakelbonte papegaai heen en weder sprong, die nu en dan een origineelen Franschen vloek liet hooren.
Marja stond tamelijk onverschillig op, en legde het dagblad weg, waarin zij had zitten lezen, toen het bezoek werd aangekondigd.
„U wenscht mij te fotografeeren, mijnheer?” vroeg zij, thans in het Fransch, maar met een onmiskenbaar Slavisch accent.
„Ik verzoek om die eer, madame!” antwoordde Raffles.
„Voor welk blad is het?”
„Ik werk niet speciaal voor een blad, madame! Ik bind mij niet! Die er het geld voor kan en wil missen, om de producten van mijne buitengewone vaardigheid te koopen, die krijgt mijn foto’s, de anderen publiceeren voddengoed!”
Een glimlach plooide zich om de roode lippen van de jonge vrouw bij dezen uitval, en daarop hernam zij:
„Gij wildet mij in deze kamer, in mijn eigen omgeving fotografeeren, zooals mijn dienstmeisje mij zegt?”
„Ja, Madame!”
„Geen kwaad denkbeeld, maar haast u dan wat; want ik ontvang zoo aanstonds bezoek!”
„Ik beloof u, dat ik mijn best zal doen, madame!” zeide Raffles.
Hij begon ijverig zijn tasschen te ontpakken, schroefde het toestel op den driepoot, bevestigde er een der objectieven op, maar liet ondertusschen zijn spiedende blikken aandachtig door het vertrek dwalen.
Van de juweelen zag hij niets, die waren op dit oogenblik zeker veilig opgeborgen.
De jonge vrouw droeg alleen eenige ringen van groote waarde, en een gouden armband om een van haar tengere polsen. [9]
Heur haar was bijzonder hoog opgemaakt en kroonde als een helm het fijn gevormde hoofd.
Maar de groote oogen hadden een harden, onaangenamen glans, die Raffles niet aanstond, en die volgens hem de uitdrukking van het schoone gezicht niet weinig benadeelde.
Met het geoefende oog van den kunstenaar had Raffles spoedig een bevallige groep weten samen te stellen, de jonge vrouw half uitgestrekt op den divan, een tijdschrift in de hand van den slap neerhangenden arm, een der rashondjes in haar anderen gekromden arm, het tweede aan haar voeten, de Angora op haar schoot.
Raffles stelde in, kroop daarbij onder den insteldoek, en maakte vervolgens een paar opnamen.
„Denkt gij, dat de foto’s goed geslaagd zijn, mijnheer?” vroeg de danseres, terwijl Raffles begon zijn toestel weer in te pakken.
„Daar ben ik zeker van, madame!” antwoordde Raffles. „Hoe zou het ook anders kunnen met zulk een dankbaar onderwerp.”
Juist had hij dit compliment geuit, toen er op de deur werd geklopt, en het dienstmeisje haastig ging zien wie er was.
Even later trad er een flatterig heerschap binnen, ongeveer veertig jaar oud, reeds bijna geheel kaal, met een groote monocle in het oog geklemd, en naar den laatsten smaak gekleed.
Hij torste een geweldigen ruiker, en bleef even op den drempel in de deur staan, blijkbaar onaangenaam verrast bij het zien van den fotograaf.
„Kom toch binnen, graaf!” noodigde de jonge vrouw den bezoeker uit. „Wat blijf gij daar staan, alsof gij geen tien kunt tellen.”
Buigend en zijn keel schrapend trad de graaf binnen.
Hij legde zijn hoed op een klein tafeltje, en trad toen met den ruiker op Marja toe.
„Mag ik u deze bloemen aanbieden als een bewijs van mijn geringe hoogachting— — —als een gering bewijs van mijn hoogachting!” verbeterde hij haastig en met een rauw keelgeschraap.
Marja barstte in lachen uit en zeide:
„Leg het bewijs van uw geringe hoogachting maar op dien stoel, graaf! Ik dank u!”
De bezoeker had Raffles zien glimlachen en trad nu met een grimmig gezicht op hem toe.
„Zijt gij spoedig gereed, mijnheer?” vroeg hij op onbeschaamden toon. „Dan is uw aanwezigheid hier niet langer gewenscht!”
Raffles liet langzaam de tasch zakken, die hij had opgenomen, en keek den graaf en vervolgens de jonge Lithausche vragend aan.
Daarop zeide hij bedaard:
„Het spijt mij, mijnheer, maar ik ben niet gewend, mij te overhaasten!”
„Dan zult gij zoo goed zijn, het bij deze gelegenheid te doen!” snauwde de bezoeker. „Uw taak is nu verricht zou ik denken, en wij kunnen u nu wel missen!”
„Wij?” herhaalde Raffles rustig. „Spreekt gij ook voor madame? Hoe weet gij zoo zeker, dat zij mij weg wil hebben? Het is best mogelijk, dat zij iedere minuut, die ik langer blijf, in haar hart zegent!”
„Maar bij Jove, de kerel wordt brutaal!” schreeuwde de graaf, die zijn ooren niet scheen te kunnen gelooven. „Pak u nu aanstonds weg als gij niet wilt, dat ik mijn rotting op u laat neerdalen!”
Tot groote verbazing van Marja Ivy, en misschien wel tot haar inwendig vermaak, zette Raffles zijn tasch op den grond, en kwam langzaam naar den graaf toe.
Vlak voor hem stond hij stil en toen klonk het rustig van zijn lippen:
„Nog voor gij uw rotting zoudt hebben opgeheven, mijnheer, zou ik u in het gezicht hebben geslagen! Denkt gij soms, dat een fotograaf maar alles van u lieden verdraagt? Dan hebt gij het mis! Gij zijt een onbeschaamde vlegel, als gij dan bepaald mijn oordeel over u vernemen wilt!”
Krijtwit was de graaf achteruit getreden.
De wandelstok ging de hoogte in, maar voor hij nog kon nederdalen, was de vlakke hand van den gewaanden fotograaf met zulk een kracht op de bleeke wang van den ander nedergedaald, dat de klap zeker eenige kamers verder te hooren was, en de wang als bij tooverslag veel dikker werd dan zij oorspronkelijk was geweest!
„Dat … dat …” stotterde de geslagene, die nauwelijks besefte, wat hem overkomen was, „dat zal u berouwen! O, als gij slechts van mijn stand waart, ik zou u onmiddellijk uitdagen!”
„Maar kunt gij dan niet voor eenige oogenblikken [10]doen, alsof ik inderdaad van uw stand was, mijnheer de graaf?” vroeg Raffles zonder de minste stemverheffing. „Ik ben dan gaarne tot uw dienst!”
„Wat? Den degen kruisen met een … fotograaf?” riep de bezoeker op schellen toon uit. „Ik zou mij voor altijd blameeren. Neen, mijnheer, ik kan niet met u vechten, maar ik tref u met mijn minachting!”
„Nu, dat is tenminste al vast iets!” hernam Raffles koeltjes. „Daarmee zal ik dan genoegen moeten nemen, voorloopig, want, mijnheer de graaf,” Raffles trad bij deze woorden nog dichter op den ander toe, „want misschien komt er wel een tijd, dat gij met mij kunt vechten, zonder u al te zeer te encanailleeren!”
Raffles had zijn platen dadelijk ontwikkeld, nadat hij was terug gekeerd van den tocht, die zoo eigenaardig geëindigd was, en tot zijn voldoening waren zij voortreffelijk uitgevallen.
Als hij werkelijk fotograaf was, zou hij geen oogenblik behoeven te vreezen, dat hij deze uitstekende opnamen niet dadelijk zou verkoopen aan de beste geïllustreerde tijdschriften.
Nu vergenoegde hij er zich mede, er een paar afdrukken van te maken, en daar mede naar het Hotel Cecil te gaan, waar Marja Ivy hem reeds met eenig ongeduld scheen te wachten, waaruit overduidelijk bleek, dat zij nog pas aan den aanvang van haar schitterende loopbaan stond.
De jonge vrouw toonde zich zeer ingenomen met de foto’s en bestelde er dadelijk een dozijn van, tegen een half pond per stuk.
Geld scheen er voor haar in het geheel niet op aan te komen, wanneer het gold, reclame voor haar eigen dierbaar persoontje te maken.
Twee en zeventig pond rijker verliet Raffles het hotel weder.
Een oogenblik had hij er over gedacht, reeds nu zijn slag te slaan, maar verschillende redenen verzetten zich daartegen.
Ten eerste was er een voortdurend komen en gaan op de verdieping, waar zich de weelderige vertrekken van Marja Ivy bevonden, ten tweede verliet het dienstmeisje geen oogenblik het neven-vertrek, ten derde wist Raffles in het geheel niet waar de jonge vrouw haar fraaie diamanten bewaarde, en ten slotte wilde hij eerst iets meer van haar weten, van haar inborst en van de wijze waarop zij omsprong met het blijkbaar zeer gemakkelijk verdiende geld.
Toen hij na veel plichtplegingen vertrekken wilde, hield het bekoorlijke dienstmeisje hem staande in het voorvertrek.
Zij keek omzichtig om zich heen, ten einde zich te vergewissen, dat zij niet beluisterd werd, en vroeg toen op zacht gefluisterden toon:
„Gij zijt zeker goed bekend in uw vaderstad, mijnheer de fotograaf?”
„Dat zou ik meenen, schoon meisje!” antwoordde Raffles, wel een weinig verbaasd over deze vraag.
Maar de volgende zou hem nog heel wat meer verrassen!
Het kamerkatje ging op haar teenen staan, teneinde haar mond zoo dicht mogelijk bij het oor van den gewaanden fotograaf te kunnen brengen, en vroeg toen:
„Weet gij ook, of de Prins van Wales een minnares heeft?” [11]
Raffles verwonderde zich niet spoedig ergens over, daarvoor behoedde hem een leven vol van de vreemdste ervaringen, maar deze vraag deed hem toch even verbluft staan, vooral omdat zij zoo onverwacht kwam.
Toen kwam zijn antwoord:
„Heel precies zou ik het u niet kunnen zeggen, lief kind, maar ik geloof het haast niet! Zoo iets is geen gewoonte in ons land!”
De soubrette haalde minachtend de schouders op en fluisterde:
„Hij is toch jong en knap!”
„Zeker, maar wij zijn hier niet in Spanje of in Portugal, of in een ander land, waar dergelijke dingen nog al eens schijnen voor te komen!”
„O, die puriteinen!” kwam het kamerkatje verachtelijk! „Nu, ik hoop, dat madame daar een eind aan zal maken, dat is alles!”
„Madame?” herhaalde Raffles verwonderd. „Wat heeft die er mede te maken?”
Het kamermeisje trok een gezicht als iemand die zich een weinig versproken heeft.
„Och, ik zeg maar zoo …” stamelde zij. „Madame heeft zoo’n voorliefde voor heel hooge heeren, ziet gij?”
Er ging Raffles een licht op.
Marja Ivy scheen bijzonder gesteld te zijn op „hooge heeren”, zooals het bevallige kamerkatje zich uitdrukte, en zeer waarschijnlijk had zij nu het oog laten vallen op niemand minder dan den Engelschen troonopvolger, vandaar de indiscrete vraag van het meisje!
Raffles kon ternauwernood een glimlach weerhouden, het denkbeeld, dat aan het strenge, stijf deftig Engelsche hof zooiets als een publieke minnarij van den troonopvolger zou worden geduld, die nog nauwelijks den kinderschoenen was ontwassen kon alleen opkomen in het hoofdje van een volslagen vreemdelinge in Jeruzalem!
Maar reeds bracht het kamermeisje opnieuw haar mondje dicht bij het oor van den fotograaf, en nu klonk haar vleiend stemmetje:
„Er zijn morgen belangrijke wedrennen, nietwaar?”
„Inderdaad, Miss!” antwoordde Raffles, die lont begon te ruiken. „Te Hendon.”
„Komt de troonopvolger wel eens op dergelijke sportbijeenkomsten?”
„O ja! Hij is een echt sportsman in hart en nieren! Hij slaat geen enkelen wedren van eenige beteekenis over!”
„Zoo? Nu, dat valt mij nogal van hem mee, maar het andere, neen hoor, als ik zoo jong en zoo knap was dan …”
Wat zij dan zou doen, kwam Raffles niet te weten, want op dat oogenblik klonk de scherpe stem van Marja Ivy, die haar riep.
Maar voor zij kon heen vluchten, had Raffles haar snel gevraagd:
„De naam van dien graaf, dien ik gisteren geoorveegd heb?”
„Graaf Douglas Carwood! Hij is gek op madame, en zij houdt hem voor de mal!”
En met deze belangwekkende mededeeling snelde zij weg.
In gedachten verzonken aanvaardde Raffles den terugweg naar zijn woning.
Marja Ivy reikte wel hoog.
Dat was dus haar ideaal, den Engelschen troonopvolger tot minnaar te hebben!
Aldus wilde zij zeker Gaby Deslys overvleugelen, die het maar met een koning van een klein land had moeten stellen, een koning, die niet eens zijn troon had weten te behouden!
Weer moest Raffles glimlachen.
Zooiets was ondenkbaar aan het hof te Londen.
Zeker, vroegere kroonprinsen hadden minnaressen gehad en wijlen Edward VII. was verre van een puritein geweest, maar dat alles geschiedde in groote stilte en men werd algemeen geacht van dergelijke dingen volkomen onkundig te zijn!
Maar het denkbeeld, dat kroonprins Albert op een renbaan, ten aanschouwe van een duizendkoppige menigte zich zou afficheeren met een variété-ster, die nog maar in haar opkomst was, dat was te dwaas om er een oogenblik bij te kunnen stilstaan.
Toch nam Raffles zich voor, den volgenden dag naar Hendon te gaan, en daar eens te zien hoe de zaken zich zouden ontwikkelen.
Haast had hij volstrekt niet, want Marja Ivy zou op zijn minst veertien dagen in het Hypodrome-Theater blijven optreden en het was zeer waarschijnlijk dat zij op het programma zou worden geprolongeerd, te oordeelen naar het succes, hetwelk zij bij haar eerste optreden had geoogst. [12]
Hij vond Charly in de biljartkamer, bezig met het oefenen van een moeilijken massé-stoot.
De jonge man zette evenwel zijn queue spoedig weg en vroeg:
„Heb je een goede opdracht gekregen?”
„Ik heb al mijn afdrukken meteen verkocht! Waarachtig, ik geloof dat het baantje van fotograaf, vooral als men in de gelegenheid komt, mooie variété-soubrettes te kieken, nog zoo slecht niet is!”
„Was die gevaarlijke graaf van gisteren er weer?”
„Ik heb den gek niet meer gezien! Misschien zal het uitgaan hem in den eersten tijd wel wat moeilijk zijn vanwege zijn dikke wang!”
„Maar ben je niet wat heel erg uit je rol gevallen, Edward?” riep Charly lachend uit.
„Ik geef toe, dat mijn optreden voor een fotograaf voor geïllustreerde bladen wel een weinig brutaal en vreemd was, maar de graaf scheen dat in zijn woede in het geheel niet te bemerken!”
„En Marja?”
„O, die lachte maar achter haar krant! Zeg eens, hebben wij plaatsen voor de wedrennen van morgen, te Hendon?”
„Dat spreekt van zelf; ik heb twee plaatsen voor het paddock, zoodat we kunnen gaan en staan waar wij willen.
„Uitstekend, dan zullen wij de komedie niet verzuimen. Ik ben werkelijk benieuwd, of Marja daar zal verschijnen, maar vooral of zij inderdaad een poging zal doen om in aanraking te komen met Prins Albert.”
„Maar luister eens, Edward, het is toch wel eens meer voorgekomen, dat een Variété-ster werd voorgesteld aan een prins van den bloede!”
„Ongetwijfeld, al is het niet vaak geschied. Maar zij is nog geen ster, zij staat nauwelijks aan het ondereinde van de ladder naar den roem, of naar de befaamdheid, zooals je het noemen wilt. En dan, op een renbaan, denk eens aan! Die Slavische dames schijnen alles maar voor mogelijk te achten. Nu, wij zullen het morgen wel zien!”
Den volgenden dag om elf uur in den morgen kwam de groote toerwagen voorrijden, bestuurd door Henderson, die de beide vrienden naar Hendon zoude brengen, waar dien dag belangrijke wedrennen plaats hadden.
Het was een heerlijke dag, en zeer warm.
Reeds op dat vroege uur was de breede straatweg naar het plaatsje bedekt met talrijke voertuigen en wandelaars, die zich op het middenterrein der renbaan van een goed plaatsje wilden verzekeren.
Een uur later hadden Raffles en Charly de plaats van bestemming bereikt, en stapten uit voor het grootste restaurant, waar zij de lunch gebruikten.
En zij zaten daar nog, onder het groote afdak van de veranda, toen er een sierlijke landauer voorbijreed, bespannen met twee fraaie Isabella’s, waarin Marja Ivy in al den glans van haar jeugd en haar schoonheid gezeten was.
Zij was in het wit gekleed en zij zag er waarlijk allerbekoorlijkst uit, zooals zij daar bevallig achterover leunde en haar gelaat tegen de brandende zonnestralen beschermde met een sierlijke parasol.
Charly keek haar een oogenblik na en zeide toen op zachten toon:
„Het is eigenlijk zonde en jammer, dat bekoorlijke schepseltje te bestelen.”
Raffles haalde de schouders op, en gaf ten antwoord:
„Ik heb mij tot beginsel gesteld, mij bij mijn ondernemingen nooit te laten beïnvloeden door het uiterlijk van mijn slachtoffers, en ik geloof dat het een goed beginsel is! Inderdaad, waar zou het heen moeten als ik alleen oude besjes en leelijke mannen zou mogen bestelen. Mijn terrein van werkzaamheden zou wel beperkt worden, en dat zonder eenige grondige reden. Als de vrouw die daar voorbijreed met harden arbeid haar geld verdiend had, en een andere inborst had, dan zou ik mij zeer waarschijnlijk nog wel eens bedenken, maar nu zal ik denkelijk van gewetenswroeging weinig last hebben, wanneer ik haar beurs wat verlicht. Zij kan het gemakkelijk missen, omdat zij het gemakkelijk kan krijgen. Heb je al eens naar de omstandigheden van die Marja Ivy geïnformeerd, zooals ik je verzocht heb?”
„Ik heb er een aanvang mede gemaakt, en zij moet inderdaad Sonja Malakoff heeten, zooals je inderdaad vermoedde. En dat haar moeder dood is en haar vader een dronkenlap komt ook uit. Zij heeft nog zusjes en broers, maar daaraan laat zij zich al heel weinig gelegen liggen. Zij moet zich al eens uitgelaten hebben dat zij liever zelf in een armenhuis ging, dan ooit een penny aan haar vader te sturen, die het geld toch dadelijk door zijn keel zou jagen. En voor de rest, heeft ze zoo jong als ze is [13]reeds een tiental aanbidders gehad, die zij allen behoorlijk geplukt heeft.”
„Nu, heel veel zaaks schijnt onze Marja dus niet te zijn,” hernam Raffles onverschillig. „En laten wij nu maar gaan, want ik geloof dat het vol zal loopen.”
De beide mannen stonden op en verlieten het restaurant om weder in de auto te stappen, die hen tot op de renbaan bracht en zich vervolgens ging voegen bij de honderden automobielen, die reeds op de daartoe bestemde plek verzameld waren.
De toegangsbewijzen van de beide vrienden gaven hun het recht om zich overal te bewegen en zij konden plaats nemen op de groote tribune tegen over den eindpaal of voor het hek, dat de renbaan afscheidde van het terrein.
Het was reeds zeer vol, want het was een der eerste rendagen van het seizoen, en het weder werkte mede.
Raffles wierp een blik op de koninklijke loge, zij was op dit oogenblik nog leeg.
De groote tribune echter was bijna geheel bezet, en men zag daar keur van lichte en fraaie toiletten, gedragen door de bloem van de vrouwelijke aristocratie.
De heeren waren allen in grijs jacket gestoken, en met den grijzen hoogen hoed zooals dat op de Engelsche renbanen bijna een traditie is geworden.
Verder droegen zij de onvermijdelijke witte slobkousen en het even onmisbare rottinkje.
Raffles en Charly hadden nog geen honderd stappen gedaan, of daar kwam Marja Ivy aanwandelen, in gezelschap van graaf Douglas Carwood.
De beide vrienden liepen kalm door, want zij wisten wel, dat zij geen gevaar liepen om te worden herkend, Raffles zag er nu heel wat anders uit dan toen hij de rol van den fotograaf vervulde. Hij was eenvoudig Lord William Aberdeen en als zoodanig groetten hem ook de leden van de Windsor Club, die hun Vice-President herkenden.
Graaf Carwood stapte trotsch als een pauw aan de zijde van de schoone, jonge vrouw voort, overtuigd, dat hij het voorwerp was van veler nijd en afgunst.
Wat Marja betreft, zij wierp herhaaldelijk een schuinschen blik naar de koninklijke loge, en scheen geen aandacht te hebben voor hetgeen haar metgezel haar zeide.
Toen zij voorbij waren kwam Charly glimlachend:
„Misschien rekent zij wel op Carwood, om haar aan den kroonprins voor te stellen. Je weet immers dat hij vrij goed bekend is met Prins Albert?”
„Ja, zij hebben in hetzelfde regiment gediend,” antwoordde Raffles. „Toen prins Albert kolonel was van de Queens Own Cameron Highlanders, toen was onze graaf eerste luitenant bij dat regiment.”
„Zou hij werkelijk zoo gek zijn om een poging te doen haar onverhoeds aan den kroonprins voor te stellen?”
„Daaraan valt immers niet te denken,” antwoordde Raffles. „Hij zou zich voor goed onmogelijk maken aan het hof.”
„Maar wacht eens, graaf Douglas Carwood, dat is dus de man, met wien je gisteren die kleine uiteenzetting hebt gehad in de kleine logeerkamer van Marja Ivy.”
„Ja Charly, dat is hij! En ik moet je eerlijk zeggen, dat ik een zonderlinge kriebeling in mijn handpalm voelde, toen ik het heerschap voorbij liep.”
Juist had Raffles dit gezegd, toen er buiten de renbaan een luid gejuich opging, en een oogenblik later draaide met een stouten zwaai een geweldig groote auto het hek binnen, die stil hield voor de groote tribune.
Uit den wagen stapten kroonprins Albert en zijn persoonlijke adjudant graaf Herbert Lodge.
Met vlugge stappen, nu en dan zijn hoed afnemend voor het gejuich dat hem begroette, beklom prins Albert de trappen, die naar zijn loge voerden, en zoodra hij gezeten was, en zijn adjudant hem met een buiging een programma had ter hand gesteld, nam de ren een aanvang.
Raffles en Charly hadden hun positie gekozen ongeveer halverwege de breede trap, die terzijde van de groote tribune naar boven loopt, en konden van daar zoowel de koninklijke loge als het paddock goed overzien.
En zoo bemerkten zij, dat Marja Ivy nog altijd heen en weer liep, steeds in gezelschap van graaf Carwood.
Maar de paarden schenen haar volstrekt niet te interesseeren, zij hield den blik van haar groote, violetzwarte oogen bijna aanhoudend gevestigd op de loge van prins Albert, die vol belangstelling door zijn kijker de races volgde.
Toen brak de pauze aan, en volgens zijn gewoonte, daalde de prins de treden af en mengde zich ongegeneerd [14]onder het deftige publiek, maar steeds vergezeld van zijn adjudant.
„Zij is een goede stratege,” zeide Raffles vol bewondering, toen hij zag, dat Marja Ivy zoodanig manoeuvreerde dat zij schijnbaar onbemerkt tot vlak in de nabijheid van prins Albert kwam.
Een paar oogenblikken later stootte zij den troonopvolger schijnbaar bij ongeluk aan, zoodat deze zijn kijker liet vallen.
„Knap gedaan!” zeide Charly vol bewondering. „Heel handig gedaan!”
„Toegestemd, maar het resultaat is belabberd!” voegde Raffles er aan toe.
Inderdaad, Marja Ivy had heel weinig succes van haar goed gevonden trucje. Zij had zich snel naar den kijker gebukt om hem op te rapen, en aan den kroonprins ter hand te stellen, maar de adjudant was haar reeds voor geweest en had het voorwerp opgeraapt.
Toen richtte de jonge vrouw, blijkbaar om zich te excuseeren, een paar woorden tot den kroonprins en tenslotte maakte zij een diepe buiging waarvan zij meende te kunnen vermoeden dat de prins haar met welgevallen zou gade slaan.
Maar toen zij zich weder uit haar diepgebogen houding oprichtte, moest zij tot haar teleurstelling en woede ervaren, dat de prins alweder minstens tien passen verder en op dit oogenblik al weer in gesprek was met een verbazend zwaarlijvigen generaal, blinkend van gouden versierselen.
Zijn adjudant scheen hem zeer haastig een paar woorden te hebben toegefluisterd en keek nu met ijskoude blikken naar de beklagenswaardige Variété-danseres, die zich op de lippen beet, woedend de kleine vuisten balde, den graaf onder den arm nam en hem zoo haastig met zich meevoerde, dat er van de correcte houding van haar tegenwoordigen minnaar zoo goed als niets meer overbleef.
Spoedig waren zijn fladderende jaspanden en zijn hooge grijze hoed onder het publiek verdwenen, dat het paar, voor zoover het getuige van het kleine tooneeltje was geweest, met spottende blikken vol leedvermaak nakeek. [15]
Slechts weinige bladen bevatten den volgenden morgen eenige stekeligen opmerkingen naar aanleiding van het gebeurde op de renbaan aan het adres van de onbescheidene Variété-Diva, maar verreweg de meeste bladen hadden het incident zelfs niet vermeld, en dat bracht de jonge vrouw misschien nog meer in woede dan al het andere.
Veel liever had zij gehad, dat men haar de huid had volgescholden, dan was tenminste de aandacht op haar gevestigd.
Zij begreep nu echter wel, dat zij iedere poging om indruk te maken op prins Albert gerust kon laten varen, en zij gaf uiting aan haar teleurstelling en gekwetste ijdelheid door den jongen kroonprins een geheele reeks uitgezochte scheldwoorden in haar moedertaal naar het hoofd te werpen, terwijl zij gezeten was voor haar kaptafel en het kamermeisje met vaardige hand heur haar kapte.
„Een stokvisch, een ijsblok, een ongelikte beer, een man zonder een grijn tactgevoel!” riep zij maar. „Een houten klaas, de dood van Pierlala, en dat is zeven en twintig jaar! Hemeltje lief, wat beleven wij toch een vreemden tijd!”
„Misschien trekt hij nog wel bakzeil, madam,” gaf het kamerkatje wijsgeerig te kennen.
„Dat denk ik niet, Mirza,” zeide Marja hoofdschuddend. „Ik vergis mij niet spoedig in de houding van de heeren der schepping. Hij behandelde mij alsof ik lucht voor hem was, dat hij op zijn weg tegen kwam.”
Zij trappelde ongeduldig met haar hooggehakte pantoffeltjes op het dikke vloerkleed, en wilde wederom een nieuwe reeks krachttermen aan het adres van den troonopvolger lanceeren toen er op de deur werd geklopt van de voorkamer.
„Ga eens zien, wie daar is, Mirza,” beval Marja humeurig. „Als het die vervelende Carwood is, stuur je hem maar weer weg. Ik kan hem op het oogenblik niet verdragen. Die man werkt op mijn zenuwen.”
Mirza ging door de voorkamer naar de gangdeur, opende die en vond daar een etagekellner die haar een visitekaartje ter hand stelde.
Het meisje wierp er een vluggen blik op en las den naam van „Graaf James Colebrooke”.
„Wat wil de graaf?” vroeg het meisje.
„Wel, je meesteres een bezoek brengen denk ik,” antwoordde de kellner.
„Om twaalf uur in den morgen? Waarom niet liever in het holste van den nacht,” riep Mirza verontwaardigd uit.
„Hij zegt, dat hij om een zaak van belang komt.”
Het kamermeisje haalde de schouders op en ging met het visitekaartje naar haar meesteres.
Na eenig geparlementeer kreeg de graaf toestemming om binnen te komen.
Marja dacht er evenwel niet aan haar bezigheden te staken, maar liet haar kamermeisje doorgaan met het opmaken van haar prachtig haar.
Binnen trad nu een man in de kracht van zijn leven, maar met reeds gebogen rug, een groote kale plek op het hoofd, een verlepte kleur en slappe gelaatstrekken, knipperende oogen die hij steeds half dicht kneep daar hij blijkbaar zeer bijziende was, en onberispelijk gekleed.
Met een krakende stem, terwijl hij op den drempel van de deur bleef staan, zeide hij:
„Duidt het mij niet kwalijk, madame, als ik u nog voor de lunch een bezoek breng. Ik weet echter wel, dat artisten het niet zoo nauw plegen te nemen zelfs wanneer zij zoo hoog in aanzien zijn als gij.”
De diva had zich half op haar stoel omgewend, en keek nieuwsgierig naar de dorre schrale figuur, die wel uit hout gesneden leek te zijn, het vale gezicht en de rood omrande oogen. [16]
Toen vroeg zij half spottend:
„Is u een graaf?”
„Een authentieke madam. Ik erken echter, dat ik misschien een weinig te haastig geleefd heb, en misschien wel wat te veel geld heb uitgegeven, maar dat komt meer voor in onze kringen. Wilt gij mij toestaan terzake te komen?”
„Ga uw gang, graaf, maar maak het kort, wat ik u verzoeken mag!”
En toen de bezoeker een schuinschen blik wierp op Mirza, die nog altijd ijverig het glanzende zwarte haar borstelde, vervolgde zij:
„Voor mijn kamermeisje heb ik geen geheimen, gij kunt vrijuit spreken.”
„Nu als dat het geval is, dan zal ik van die vrijheid gebruik maken, madame.”
Op een uitnoodigend gebaar van de schoone jonge vrouw nam graaf Colebrooke plaats, schraapte zijn keel eens, en begon met zijn krakende, heesche stem:
„Ik was gisteren op de renbaan te Hendon, hm! Goede sport, mooie vrouwen, beste paarden, enzoovoort, hm! Ik had ook het genoegen u daar te zien, ik herkende u natuurlijk dadelijk, kon niet missen, bekoorlijke trekken, zeer sierlijk costuumpje, enzoovoort, hm! Was ook willekeurig getuige van het kleine intermezzo met den kijker, moest dadelijk getuigen, kranig gevonden, zeer adrem, kolossaal handig, enzoovoort, hm!”
De diva zat een oogenblik in beraad of zij zich driftig zou maken, maar er was iets in de stem van den bezoeker, dat haar deed zwijgen, en met belangstelling op de rest wachten.
Graaf Colebrooke bekeek zijn vingertoppen met een uitdrukking op zijn gelaat alsof hij voor het eerst van zijn leven iets bijzonders merkwaardigs onder de oogen kreeg, en vervolgde toen:
„U duidt mij mijn openhartigheid niet euvel, daarvan ben ik overtuigd, hm! Met eerlijkheid bereikt men op deze wereld nog het meest, onder sommige omstandigheden, hm! Eerlijkheid duurt het langst, nu en dan. Ik kom nu ter zake. Ik meen te hebben opgemerkt, madame, dat gij, hoe zal ik het zeggen, eenige belangstelling koestert voor den jeugdigen troonopvolger, hm! Ik zie aan uw gelaat, dat ik goed geraden heb! Maar, uwe pogingen zullen waarschijnlijk ijdel zijn, madame! Vreemde jongen, onze kroonprins, hm! Koud als ijs, onverschillig, denkt alleen aan paarden en honden, staatszaken en andere nonsens. Lijkt wel afkeerig van het schoone geslacht te zijn, voor zoo verre het geen gravenkroontje draagt, hm! Uiterst merkwaardige jongen, zal het ongetwijfeld ver brengen in de wereld, bij wijze van spreken natuurlijk, want verder dan koning, nietwaar, kan men het al haast niet brengen.”
Graaf Colebrooke vond dit waarschijnlijk een uitstekend geslaagde grap, want hij liet een lachje hooren, dat precies klonk als het afloopen van een wekker, waarvan plotseling een der radertjes gebroken is.
„Vergun mij de opmerking, graaf, dat ik nog steeds niet weet, waar dit alles op moet uitdraaien,” kwam Marja Ivy een weinig ongeduldig.
Zij was nu geheel gekapt, en Mirza was bezig met het opvouwen van eenige kleedingstukken.
„Gij zult aanstonds tevreden worden gesteld, madame,” hernam graaf Colebrooke. „Het spijt mij, wanneer ik u ophoud, maar ik ben gaarne zoo duidelijk mogelijk, ik ga altijd op den man af, hm. In dit geval natuurlijk op de vrouw, hm. Wij komen dan terug op het kleine, en zoo voortreffelijk geënsceneerde incident op de renbaan, hm. Ik neem dus uw belangstelling voor den kroonprins als vast staande aan, en ik constateer, dat die niet tot het gewenschte doel heeft geleid. Maar, men kan ook wel dansen, al is het niet met de bruid, zooals een oud en beroemd spreekwoord in ons land luidt!”
Marja keek den bezoeker met groote oogen aan, en vroeg:
„Waar wilt u eigenlijk heen, graaf?”
„Dat zal ik u zeggen, madame, en nu ga ik een teeder punt aanroeren, hm. Het spreekwoord dat ik zooeven noemde, zou ik als volgt willen uitleggen:
„Bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien. Men moet roeien met de riemen die men heeft, en ik ben vast overtuigd, dat de riemen, welke ik u kan verschaffen, zeer wel in uw smaak zullen vallen, bij wijze van begin, hm!”
„Wat wilt gij zeggen, graaf?”
„Ik wil zeggen, madame, dat er nog wel andere prinsen zijn te krijgen, al zijn het geen kroonprinsen, hm! Gij zijt een vreemdelinge, en daarom uit den aard der zaak niet geheel op de hoogte van de samenstelling van het koninklijke gezin. Laat mij u dan mededeelen, dat Koning George vijf zoons [17]heeft, en een dochter. De zoons zijn Prins Edward Albert, George, Andrew, Patrick David, geboren op 23. Juni 1894. Hij is de kroonprins. Daarop volgt prins Albert, Frederic, Arthur, George, geboren 14. December 1895. Daarop volgt de prinses, voor ons van geen belang. Dan komt Prins Henry, William, Frederic, Albert, in 1900 geboren op 31. Maart. Vervolgens.…”
„Maar lieve hemel, graaf. Wat kan mij die opsomming schelen!” viel Marja hem ongeduldig in de reden. „Als gij nog langer doorgaat, zult gij ook nog de zuigelingen opnoemen.…”
„Zooals gij wilt, madame, dan zal ik u de beide manlijke telgen, die in 1905 en 1902 geboren zijn besparen, hm. Bepalen wij ons dus bij prins Albert Frederic, den tweeden zoon, gemeenlijk prins George genoemd. Hij is op dit oogenblik 25 jaar, hm! En ik meen te weten dat hij niet bepaald afkeerig is van het vrouwelijk geslacht, voor zooverre het een zekere bevalligheid ten toon spreidt.”
„Ah! Nu begin ik het te begrijpen!” riep Marja lachend uit. „Maar, dat plan is nog niet eens zoo kwaad!” voegde zij er peinzend aan toe. „En, nu zult gij mij zeker wel eens willen zeggen, met welk doel en in welke hoedanigheid gij mij dit komt mededeelen?”
De graaf wierp nogmaals een schichtigen blik op Mirza, die zachtjes neuriënd haar werk deed, en liet zijn krassende stem zooveel mogelijk dalen, toen hij hernam:
„Ik wil er geen geheim van maken, madame, dat ik bij vroegere gelegenheden een weinig de rol van Postillon d’Amour heb gespeeld, ten behoeve van prins George. Ik wil voorts ook niet verzwijgen, dat ik, min of meer, hoe zal men zeggen, op zwart zaad ben geraakt, en dat mijn geldmiddelen niet zoo zijn, als ik wel wenschte, hm! Misschien bestaat er eenig meeningsverschil aangaande de wijze, waarop ik tracht, die geldmiddelen te herstellen, maar ik heb niet veel keus, en met handenarbeid kan een graaf Colebrooke natuurlijk niet zijn stand ophouden.”
„Wel, wel, wel, dus een koppelaar!” riep Marja Ivy uit, terwijl zij zich zachtjes in haar stoel heen en weder wiegde.
„O, foei, wat een uitdrukking!” riep graaf Colebrooke, vol verontwaardiging uit. „Men kan dat toch anders zeggen, men kan zeggen dat ik mijn gewaardeerde diensten verleen als prins George den wensch te kennen geeft, zijn warm gemoed uit te storten aan den boezem eener sympathieke vrouw.”
„Het kan mij volstrekt niet schelen, hoe gij het noemt, graaf,” riep Marja lachend uit. „De hoofdzaak is dat gij kans ziet, mij in kennis te brengen met prins George en dat gij voor uw bemiddeling behoorlijk gehonoreerd wilt worden, hetgeen ook niet meer dan billijk is. Wij zullen niet over een paar woorden vallen! Ik heb het immers bij het juiste eind?”
„Zoo is het, madame!”
„Welnu, ik wil ook van mijn hart geen moordkuil maken, nu mijn kennismaking met den kroonprins zoo jammerlijk mislukt is, wil ik mij ook wel met minder tevreden stellen, en als gij er in staagt, mij in kennis te brengen met prins George dan zal ik mij niet ondankbaar toonen. Maar laat mij u tenminste mogen zeggen, dat gij op zonderlinge wijze aan den kost komt.”
„Ieder vogeltje zingt, zooals hij gebekt is, madame,” riep graaf Colebrooke uit, terwijl hij opstond, en zich blijkbaar gereedmaakte, om te vertrekken.
Maar Marja Ivy was een doortastende vrouw, zij was gewend, het ijzer te smeden als het heet was.
„Wanneer zoudt gij een samenkomst tusschen mij en den prins tot stand kunnen brengen?” vroeg zij op den man af.
„Zoo spoedig gij wilt, madame!”
„Dan morgen reeds! Ik ben verlangend mij op den kroonprins te wreken, en dat kan ik niet beter doen, door hem te toonen, dat zijn broeder minder afkeerig is van mij dan hij zelf. Zoudt gij kans zien, prins George over te halen, mij morgen hier in deze vertrekken een bezoek te brengen?”
De graaf trok een bedenkelijk gezicht, en scheen even na te denken. Toen antwoordde hij:
„Gij vraagt heel wat, madame, maar ik zal mijn best doen, hm! Als het gaat, dan zal ik u nog hedenavond schrijven, of u morgen een boodschap zenden.”
Marja klapte vroolijk in de handen en riep opgewonden uit:
„Als dat lukt dan heb ik er heel wat voor over!”
„Dat hoop ik, madame, dat hoop ik!” zeide graaf Colebrooke handenwrijvend. „Er zullen wellicht kosten aan verbonden zijn, en, het is niet meer dan billijk, dat mij die vergoed worden, niet waar? [18]Ik zou u echter willen aanraden, hm, aan de zaak voorloopig zoo weinig mogelijk ruchtbaarheid te geven, prins George houdt daar in het geheel niet van! Later kunt gij natuurlijk uw schade dubbel en dwars inhalen, maar in den aanvang moeten wij hem niet afschrikken!”
„Ik beloof het u, graaf!” riep Marja uit. „Gij kent den prins natuurlijk persoonlijk zeer goed?”
„Ik ben zeer intiem met hem bevriend, madame! Om zoo te zeggen frère et compagnon! Maar juist daarom zult gij wel begrijpen, dat dit alles tusschen ons moet blijven. Ik zou mij zelf zeer benadeelen, als het later bleek, hm, dat ik hier de rol van bemiddelaar had gespeeld!”
„Wees daaromtrent gerust, graaf! Gij zult er buiten blijven, dat verzeker ik u op mijn woord! A propos, is de prins nog al vrijgevig, dat gij weet?”
„Gij zult u niet te beklagen hebben, als gij in den smaak van zijne hoogheid valt, dat is alles wat ik u zeggen kan, madame!” antwoordde de graaf. „De prins staat er voor bekend, dat hij niet op eenige duizenden ponden ziet, als het zijn vrienden betreft, en dat geldt in nog meerdere mate voor zijn vriendinnen! Het blijft dus afgesproken, ik zal u bijtijds waarschuwen!”
„Dat is waar ook, ik moet natuurlijk morgenavond optreden, zou de prins daarmede rekening kunnen houden?”
„Dat spreekt vanzelf! Als ik het goed onthouden heb, treedt gij omstreeks tien uur op, ik zal er zorg voor dragen, dat de prins hier dadelijk na het diner komt!”
„Heerlijk, heerlijk, en, dat is waar, als hij soms naar mijn voorkeur vraagt op het gebied van juweelen, ik ben dol op rose diamanten!”
„Ik zal niet mankeeren, madame, hm, om er zijne hoogheid opmerkzaam op te maken,” zeide de graaf met een diepe buiging.
En daarop bracht hij de kleine hand van de Variété-diva even aan de lippen, en trippelde heen.
Hij daalde de trappen af, de groote hal door, en stapte, buitengekomen, in de groote auto die hem wachtte, na den chauffeur een adres te hebben opgegeven.
De fraaie wagen reed naar de Victoria Street en stond stil voor een hoekhuis.
De graaf stapte uit, liep de zijstraat in, en ging het huis binnen, waarvan hij de zijdeur opende met een sleutel, dien hij bij zich droeg.
Hij liep haastig een trap op, en opende de deur van een kamer op de eerste verdieping.
En daar vond hij Charly Brand, die zich den tijd met lezen verdreven had, en nu haastig opsprong, om hem tegemoet te gaan.
De zoogenaamde graaf was John Raffles in eigen persoon! [19]
„Is alles goedgegaan, Edward?” was de eerste vraag van den jongen man, toen Raffles had plaats genomen.
„Zij liep er hals over kop in! Het kon niet mooier! Die jonge dame is een ware haai, gulzig en vraatzuchtig als het op geld en juweelen aankomt!”
„Maar slikte zij het goedmoedig, dat er des avonds, in een hotel nog wel, een prins van den bloede bij haar op bezoek zou komen?”
„O, zij is immers in het geheel niet op de hoogte van onze toestanden en acht dit blijkbaar heel gewoon! Zij herinnert zich, dat de Russische grootvorsten minnaressen bij dozijnen hadden onder de dames artisten, en zij denkt dat zooiets hier natuurlijk ook wel het geval zal zijn. En natuurlijk neemt zij den prins maar als noodhulp! Door hem denkt zij denkelijk den kroonprins in haar netten te lokken! Ja, onze lieve schoone heeft bepaald eergevoel. Zij stelt haar eischen hoog, dat is zeker!”
„En, je blijft er bij, dat ik de gevaarlijke rol van den prins zal spelen?”
„Natuurlijk! Je bent er als het ware voor geknipt! Alleen ben je iets minder lang dan de prins, maar je hebt zijn bruine oogen, zijn blond haar, dat je op dezelfde wijze draagt, zijn gave, witte tanden, en de rest kunnen wij wel genoegzaam veranderen. Vergeet ook niet, dat zij den prins natuurlijk niet kent, of hoogstens van een paar onbeduidende kieken in de bladen! Wanneer je nu maar wat hooghartig doet, en mij met genadige minzaamheid aanspreekt, dan zal zij alles voor zoete koek slikken.”
„En wien stel jij nu eigenlijk voor, of is die graaf Colebrooke louter fantasie?”
„Om den drommel niet! De man bestaat en is inderdaad een vertrouwd vriend van den prins! Alleen betwijfel ik, of hij zich in werkelijkheid wel zou leenen tot de rol van „koppelaar”, zooals de schoone Marja mij noemde!”
„En wanneer moet dat alles gebeuren?”
„Morgen reeds. Zij brandt letterlijk van ongeduld, om den armen prins zoo gedecideerd mogelijk leeg te plunderen! Je mag tenminste wel wat diamanten in je vestzakje steken, bij wijze van introductie!”
„Dat is nu alles goed en wel, maar je laat mij nu een rol spelen, die mij eigenlijk maar half aanstaat! Om den teederen minnaar uit te hangen, dat bevalt mij maar half!”
„Je behoeft bij dien eersten keer volstrekt niet zoo teeder te zijn, tenzij Marja zelve haast achter de zaak zet! Je gedraagt je dus aanvankelijk een weinig op een afstand, dat zou de echte prins natuurlijk ook gedaan hebben, verondersteld, dat hij de jonge vrouw inderdaad op deze wijze zou bezoeken!”
„Maar je blijft toch hoop ik, bij mij?” vroeg Charly op benauwden toon.
„Mijn waarde, je vraagt dat op een toon, alsof ik je noodzaak, met een tooverkol het spel van liefde en hartstocht te spelen! Was jij zelf niet de eerste, die mij opmerkzaam maakte op haar groote schoonheid, en zelfs verontwaardigd was, dat ik niet dadelijk je geestdrift deelde?”
„Oho! Dat is iets anders, dan maar aanstonds in gloeiende liefde ontbranden!”
„Dat raakt mij trouwens niet! Als je maar doet, alsof je vuur en vlam voor haar bent! Trouwens, ik denk, dat er na de eerste zitting geen tweede noodig zal zijn. En ga nu mede, want wij hebben nog tamelijk veel te doen, voor alles gereed is!”
De beide mannen verlieten het huis weder, hetwelk Raffles reeds jaren geleden gekocht het teneinde hem te dienen als plaats waar zij zich gemakkelijk [20]en onbespied verkleeden konden, en namen in de auto plaats, maar niet, dan nadat Raffles snel weder zijn vermomming afgelegd had.
Het was immers niet geheel en al onmogelijk, dat men in dit gedeelte van Londen den echten graaf Colebrooke zou tegenkomen, met zeer onaangename gevolgen voor den nagemaakten, wanneer deze zich niet ten snelste uit de voeten maakte.
De rest van den dag en de helft van den volgenden dag ging voorbij met het maken van de noodige toebereidselen.
Om één uur zond Raffles een kruier naar Marja Ivy, met een zoogenaamd door graaf Colebrooke geschreven briefje, waarin hij haar mededeelde, dat de prins dienzelfden avond het genoegen hoopte te smaken, haar in het hotel een visite te komen maken.
Hij zou precies om acht uur zijn intrede doen, daar hij wel wist, dat de diva uiterlijk om negen uur het hotel zou moeten verlaten teneinde zich naar den schouwburg te begeven.
Om zes uur begon Charly zich met groote zorg te grimeeren, daarbij eenigen der beste portretten van prins George tot model nemend.
Ook Raffles legde opnieuw zijn voortreffelijke vermomming als graaf Colebrooke aan.
Dit geschiedde weder in het huis aan de Victoria-Street, en daar zouden de beide mannen ook het eenvoudige middagmaal nuttigen, door Charly bereid, die sterk ontwikkelde cullinairische talenten bezat.
Om half acht kwam Henderson met de groote auto voorrijden, en juist om acht uur stapten beide vrienden de groote hal van het hotel binnen.
Onmiddellijk bleek het hun, hoe voortreffelijk hun vermomming geslaagd was, want de gerant kwam dadelijk verbluft en onderdanig toeloopen, buigend en handen wrijvend.
Charly nam hem terstond terzijde en zeide op zachten toon, met een in de perfectie nagebootste stem:
„Luister eens, mijn waarde gerant, geen ruchtbaarheid als ik u verzoeken mag, ik kom eenvoudig een uwer gasten een kort bezoek brengen, maar incognito. In streng incognito, denk er om!”
„Uwe Hoogheid natuurlijk, dat spreekt vanzelf!” stamelde de gerant. „Alles zal geschieden zoo als Uwe Hoogheid het wenscht! Mag ik, u begrijpt, dat het geen nieuwsgierigheid is, mag ik den naam weten van den gast, opdat wij dien kunnen waarschuwen, en gij geen seconde behoeft te wachten?”
„Het is geen mannelijke gast, mijn waarde!” antwoordde de gewaande prins glimlachend, „het is een dame!”
De gerant trok dadelijk een plechtig gezicht, en keek tegelijkertijd snel om zich heen, teneinde zich te vergewissen, dat niemand de woorden van den prins gehoord had.
Hij liet zijn stem dalen en zeide eerbiedig:
„Wij zullen zorg dragen, dat uw bezoek onopgemerkt blijft!”
„Dat hoop ik, en dat verwacht ik ook! Wees zoo goed, mij de kamers aan te wijzen, maar dat is waar ook, gij kent de ligging, waarde graaf!” zoo wendde hij zich tot Raffles, die met uitgestreken gelaat op den achtergrond was gebleven en er uitzag, alsof hij deze escapade van zijn hoogen meester maar half goed keurde.
Nu trad hij haastig naar voren en zeide:
„Ik, hm, ben inderdaad op de hoogte, Uwe Hoogheid! Als ik u dan maar zal voorgaan, maar ik zal de dame in kwestie toch even waarschuwen!”
„Volstrekt niet noodig, mijn waarde!” hernam de prins vroolijk. „Laat het een verrassing blijven, dan kan ik het beste zien, welken indruk ik maak!”
De gewaande prins knikte den buigenden gerant genadig toe, en ging daarop met zijn adjudant de breede trappen op.
Daar het diner in de groote zaal nog niet geheel beëindigd was, waren slechts enkele gasten getuige geweest van het korte tooneeltje, en bovendien had niemand kunnen verstaan wat er gesproken was.
Dat de prins hier in dat deftige hotel een bezoek kwam brengen, werd op zich zelf niets bijzonders gevonden, zoo iets kwam herhaaldelijk voor.
De Engelsche prinsen waren zoo vrij als vogeltjes in de lucht, natuurlijk binnen zekere grenzen.
Raffles geleidde Charly naar de deur, terwijl een kellner in de voorhoede ging, die nog snel door de gerant was vooruit gezonden.
De man klopte aan, het kamerkatje opende de deur, en verdween snel weder, om het hooge bezoek aan te kondigen.
Een oogenblik later traden de beide mannen binnen. [21]
Raffles had nog juist gelegenheid gehad, op zachten toon tot Charly te zeggen:
„Zij zal mij natuurlijk dadelijk wegzenden! Wat er ook gebeure, laat haar niet gaan, voor ik weder binnentreed, zoogenaamd om je er aan te herinneren, dat je elders verwacht wordt!”
Het moet gezegd worden, dat Marja Ivy alle zeilen had bijgezet, om een zoo gunstig mogelijken indruk op den man te maken, dien zij in haar netten wilde vangen.
Zij zag er uit als de zonde zelve, in haar laag uitgesneden vuurroode japon, de armen geheel naakt, een donkerroode roos in het weelderige haar, thans à la page opgemaakt.
Haar oogen schitterden als van strijdlust, en het was als of zij de zegepraal reeds bij voorbaat genoot.
Zij was ook volstrekt niet verlegen, maar zich blijkbaar zeer goed bewust van haar verleidelijkheid.
Met een paar luchtige stappen was zij bij den prins, en stak hem een klein, wit handje toe, dat volstrekt niet meer herinnerde aan het voormalige beroep van de schoone vrouw.
Charly bracht dat handje galant aan zijn lippen, en drukte er een kus op.
Maar de adjudant was dadelijk ter plaatse, om voor het decorum te zorgen.
„Sta mij toe, Uwe Hoogheid, u voor te stellen aan mademoiselle Marja Ivy, de even schoone als befaamde Variété-diva!”
Maar Marja duwde hem eenvoudig op zijde en riep lachend uit:
„Houdt op met die dwaasheid, graaf! Alsof de prins mij niet zou kennen! Gij komt toch zeker ook wel eens in het Hypodrome-Theater, niet waar, prins?”
„Men zegt: Uwe Hoogheid, madame!” kwam de adjudant deftig tusschenbeide.
„Het kan mij niet schelen, wat „men” zegt,” kwam de diva humeurig. „Ik zeg „prins” en dat zal ook wel goed zijn!”
„Het is uitstekend, madame!” kwam Charly met een glimlach. „Ik zou het u bepaald kwalijk nemen, wanneer gij mij anders aanspraakt! Wellicht komt er wel een tijd, dat ik u ook met een anderen titel mag aanspreken, dan met het stijve „Madame!””
Een por van Raffles in zijn zijde was hem een waarschuwing, dat hij niet te hard van stal moest loopen, en daarop namen allen plaats.
Het kamerkatje bracht thee binnen en een karaf cognac, en toen dat gedaan was, wierp Marja den gewaanden graaf een blik toe, die aan duidelijkheid niets te wenschen overliet.
Raffles las daar in de zwarte oogen zoo duidelijk als in een boek:
„Uw tegenwoordigheid is hier niet meer gewenscht, gij zijt te veel!”
Maar hij scheen niet van zins te zijn, den prins alleen in gezelschap met de schoone artiste te laten, en daarom zeide Marja eenigzins ongeduldig:
„Graaf Colebrooke, in mijn kamer hiernaast heb ik zeer amusante tijdschriften, die u zeker wel zullen interesseeren. Zij handelen over sport, paarden, honden, en zoo meer! Laat ik u vooral niet ophouden, als gij soms kennis zoudt willen nemen van den inhoud!”
Dat was niet mis te verstaan, al was het dan niet zeer ladylike!
Hij werd dus eenvoudig weggestuurd!
De adjudant keek den prins even met een schuwen blik aan, maar daar deze niets zeide, en alleen oogen voor de mooie artiste scheen te hebben, stond hij zuchtend op, en zeide op zachten toon:
„Mag ik er Uwe Hoogheid aan herinneren, dat hij over een uur een zeer belangrijke vergadering moet presideeren?”
„Ik zal het niet vergeten, graaf, tenminste dat hoop ik!” antwoordde de prins ongeduldig. „Gij herinnert mij op de meest ongelegen tijdstippen aan onaangename dingen!”
„Ik doe slechts mijn plicht, Uwe Hoogheid,” hernam de adjudant, in zijn wiek geschoten.
„Het is goed, ik dank u!” kwam de prins kortaf.
En met die woorden van ongenade in zijn ooren kon de arme adjudant zich verwijderen.
Hij ging het naast gelegen vertrek binnen, het boudoir van de variété-diva.
„Het verwondert mij, dat zij hem maar niet dadelijk hier heeft ontvangen!” bromde Raffles voor zich heen. „Ik moet zeggen, dat de jonge dame zeer voortvarend is, en niet bepaald terughoudend! Ik voorzie een tijd voor dien besten Charly waarop hij later niet dan met genoegen zal terug zien! Maar laat ons niet onzen eigen tijd gaan verknoeien en eens zien, hoe het hier staat met de fondsen van onze dame! Maar eerst de deuren! Het zou niet aangenaam zijn, wanneer dat jolige kamerkatje eensklaps [22]binnentrad en mij verraste bij mijn belangwekkende onderzoekingen!”
Raffles ging op zijn teenen naar de gangdeur en sloot die.
Nu was er nog een deur, die met de slaapkamer in verbinding stond, aan de andere zijde van het boudoir, en welke Raffles eveneens afsloot, en vervolgens de deur naar de ontvangkamer, waar zich nu Marja met haar hoogen gast bevond.
Raffles bleef even luisterend staan, en begon toen met een vlugheid, slechts te verkrijgen door een langdurige oefening, alle laden en kasten, alle kistjes en doozen te onderzoeken.
En daarbij bleek het hem al spoedig, dat Madame Marja er een eigenaardige manier op na hield, om haar eigendommen op te bergen!
Hij vond een paarlencollier in een ledige bonbondoos, een diamanten oorknop in een sigarettendoosje, een armband in een zijden muiltje, dat op de kaptafel stond, een paar kostbare ringen in een sierlijk naaidoosje.
Maar het geld bleek beter verborgen te zijn.
Raffles had tenminste vol tien minuten noodig, voor hij op den bodem van een kast vol kostbare kleedingstukken een ijzeren kistje vond, met een heel gewoon slot, dat hij in een ommezien had opengebroken.
Boven in lag het contract van de schoone diva met de directie van het Hypodrome-Theater.
Raffles vouwde het open en wierp er een nieuwsgierigen blik in.
Hij floot zachtjes even tusschen de lippen en bromde voor zich heen:
„Madame Marja kan zich niet beklagen over de vrekkigheid van de Londensche directie! Duizend pond voor veertien dagen leelijk zingen, het is de moeite waard! Nu, de directie weet ook wel wat zij doet, zij weet, dat het publiek zeer waarschijnlijk niet komt om de stem, maar wel om de mooie oogen en de fraaie beenen van onze Lithauensche! En nu eens verder zien!”
Het kistje bleek, behalve een massa bankbiljetten, ook nog een aantal losse diamanten te bevatten en eenige groote paarlen van hooge waarde, waarschijnlijk geschenken van schatrijke aanbidders.
Zonder zich een oogenblik te bedenken liet Raffles den geheelen inhoud van het kistje in zijn zak glijden, op het contract na.
Daarop sloot hij het kistje weder en zette het op zijn vorige plaats, waarna hij ook de kleerenkast dichtdeed, en den sleutel verborg.
Alle andere juweelen gingen denzelfden weg op, dat wil zeggen, dat zij met verwonderlijke snelheid in de zakken van den gewaanden adjudant van Zijne Hoogheid verdwenen.
Dit alles had ternauwernood een kwartier geduurd.
Raffles kuchte eens een paar malen, hetgeen blijkbaar een waarschuwing moest verbeelden, en sloop toen naar de verbindingsdeur.
Hij luisterde ingespannen en zijn gelaat had een ironische uitdrukking, toen hij voor zich heen fluisterde:
„Als ik er ook nog maar een grein verstand van heb, dan zijn de jongelui op dit oogenblik bezig, elkander te kussen! Die goede Charly! Ik gun hem dit avontuurtje van harte, maar ik betwijfel, of het wel van langen duur zal zijn!”
Eensklaps bukte hij zich neder en bracht zijn oor tegen het sleutelgat.
Hij had gemeend een vreemde stem te hooren.
Of liever gezegd de stem was hem niet vreemd, want hij had haar al eens vroeger onder andere omstandigheden gehoord, hoewel in hetzelfde vertrek, maar het was in ieder geval niet de stem van Charly Brand.
Neen, het was de nasale stem van graaf Douglas Carwood!
En nu klonk ook de hooge stem van Marja Ivy, die blijkbaar zeer uit haar humeur was.
„Ik geloof, dat het oogenblik is aangekomen, om hier even tusschen beide te komen, anders kon het wel eens niet goed afloopen!” bromde Raffles voor zich heen.
Hij legde dus resoluut de hand op de kruk van de deur, en bemerkte dat zij aan den anderen kant was afgesloten!
„Die vrouw boezemt mij hoe langer hoe meer belang in!” mompelde Raffles bij zich zelf. „Zij neemt haar maatregelen goed, men kan het niet loochenen!”
Maar daar binnen scheen men het draaien aan den knop te hebben gemerkt.
De deur ging tenminste open, Charly stond op den drempel.
Zijn gelaat vertoonde alle mogelijke uitdrukkingen, schrik, vroolijkheid, ongeduld, en … teleurstelling!
Dicht bij de deur stond graaf Carwood met een [23]reusachtigen ruiker in de hand, als de ridder van de droevige figuur.
Zijn gelaat was vertrokken van nijd en afgunst, maar hij stond daar in een volmaakt correcte houding, zijn medeminnaar was niet de eerste de beste.
Maar nauwelijks had hij den adjudant gezien, of hij maakte een verstolen gebaar van woede.
„Wat is er eigenlijk, graaf?” vroeg Charly. „Waarom draait gij aan den deurknop. Waarom komt gij niet behoorlijk binnen?”
„Ik, hm, de zaak is.…” stamelde de adjudant. „Ik meende dat de deur op slot was, maar ik zal mij natuurlijk vergist hebben! Ik wilde er Uwe Hoogheid slechts even aan herinneren, dat het bijna negen uur is!”
„Welnu, wat zou dat?” vroeg de prins toornig. „Is dat een reden om mij te storen in een hoogst belangwekkend onderhoud met Madame Marja?”
„De vergadering.…” stotterde de adjudant.
„De vergadering kan naar den duivel loopen!” viel de prins ruw uit.
„Bravo!” riep Marja met schitterende oogen.
Zij had blijkbaar een beslissende overwinning op den prins bevochten.…
Deze nam haar met een galante buiging terzijde, en van dit oogenblik maakte graaf Carwood gebruik, om snel op Raffles toe te treden, en hem toe te bijten:
„Dat is uw werk, graaf!”
„Mijn werk? Wat bedoelt gij?”
„Houdt u niet van de domme! Gij zijt als koppelaar opgetreden! Gij hebt deze samenkomst geënsceneerd!”
„Welnu, en als het zoo was, wat gaat het u dan nog aan?”
„Wat het mij aangaat? Wist gij soms niet, dat Marja Ivy mij toebehoort?”
„Wat? Gij verbaast mij! Ik dacht, dat het tijdperk der slavernij reeds lang achter den rug was! En voor het overige, ik zou u aanraden, een toontje lager te zingen! Ik duld niet, dat gij zoo tegen mij spreekt!”
„Ik zal spreken zoo als ik verkies! En als u dat niet bevalt, dan hebt gij het maar te zeggen!”
„Dan zeg ik het op deze klinkende wijze, graaf!”
En op hetzelfde oogenblik daalde een schallende oorveeg neder op de wang van den graaf, het was de wang, die nog gaaf was.
Marja, die met den prins was blijven praten, uitte een kreet van schrik, en riep uit:
„Wat is dat nu? Maar heeren, schaamt gij u niet? In mijn tegenwoordigheid!”
„Vergeef het mij, madame, hm!” zeide Raffles. „Die oorveeg duldde werkelijk geen uitstel!”
„Gij zult mij rekenschap geven, graaf,” brulde de beklagenswaardige afgewezen minnaar, terwijl hij zijn opgezette wang wreef.
„Waar en wanneer gij maar verkiest, graaf!” gaf de adjudant koeltjes te kennen. „Ik zal zoo vrij zijn, u nog hedenavond mijn getuigen te zenden, gij zult wel zoo goed zijn, voor hen thuis te blijven!” [24]
Graaf Carwood, ziedend van drift, en nauwelijks beseffend, dat hij zich in tegenwoordigheid van den prins bevond, had het vertrek verlaten, na met geweld zijn ruiker tegen den grond te hebben gekwakt.
De prins, die van het geheele tooneeltje getuige was geweest, kwam nu op zijn adjudant toe en zeide op koelen toon:
„Ik hoop, graaf, dat dergelijke voorvallen mij voortaan bespaard zullen blijven! Als gij twist zoekt met andere heeren, mij wel, maar wacht daar dan mede, tot gij alleen met hem zijt! Wat uw duel betreft, ik behoef u zeker niet te zeggen, dat ik dat in geen geval zal toelaten!”
„Maar Uwe Hoogheid, de graaf heeft mij diep beleedigd!” riep de adjudant op klagenden toon.
„Dat is wel mogelijk, maar wij zijn hier niet in Frankrijk!”
Maar Marja dacht hier heel anders over!
In een duel zag zij een reclame, zooals zij er geen betere kon wenschen!
Wat zou er niet over haar gepraat worden, als het bekend werd, dat twee graven met elkander geduelleerd hadden, die in haar vertrek twist hadden gekregen, en nog wel in bijzijn van den prins!
Dat was bijna nog beter, dan de erkende minnares van prins George te zijn!
En daarom trad zij vleiend op den prins toe, legde aanhalig haar arm om zijn hals en zeide: „Kom prinsje, zoo erg zal het toch wel niet zijn! Die tweegevechten hebben hier toch immers ook niets te beteekenen!”
„Ik mag het niet toelaten, madame!” zeide de prins.
„Ook niet om mijnentwille? Kom, de heeren zouden elkander zoo graag een klein prikje geven, waarom zoudt gij hun dat genoegen niet gunnen? Dan doet gij maar net, of gij van niets weet! Mijnheer de graaf zal ook wel weten te zwijgen, nietwaar?” zoo wendde zij zich tot Raffles, die bedremmeld bij de deur was blijven staan.
„Wat mij betreft, madame, graaf Carwood heeft mij bloedig beleedigd en desnoods zou ik met hem naar Frankrijk trekken, om daar voldoening van hem te eischen! Maar natuurlijk zou ik zwijgen, de zaak behoeft niet ruchtbaar te worden!”
Dat was nu weder in het geheel niet naar den zin van de Variété-danseres, want juist in de ruchtbaarheid lag voor haar de reclame!
Maar zij overwoog, dat zij volstrekt niet de verplichting op zich had genomen, te zwijgen, en als het duel eenmaal had plaats gehad, zou zij wel zorgen, dat alle bladen er den volgenden dag van onderricht werden!
De prins had reeds zijn hoogen hoed gegrepen, en wendde zich nu tot Marja met de woorden:
„Het spijt mij meer, dan ik u zeggen kan, madame, dat ik u nu reeds moet verlaten! Maar een dringende vergadering vraagt mijn aandacht, en gij zult u ook wel naar den schouwburg moeten begeven!”
„Ik wil u niet langer terug houden, prins, maar ik hoop toch, dat dit niet ons laatste onderhoud zal zijn geweest!” zeide Marja, terwijl zij den prins een vurigen blik uit haar violet-zwarte oogen toewierp.
„Wees verzekerd, dat ik niets liever verlang, dan u herhaaldelijk te bezoeken,” antwoordde Charly galant. [25]
Hij kuste het kleine handje, dat hem werd toegestoken, en wendde zich toen tot zijn adjudant:
„Mijn auto, graaf!”
„Aanstonds Uwe Hoogheid!” zeide Raffles volijverig.
Hij maakte een diepe buiging voor de schoone vrouw, en verliet haastig het vertrek, na Charly een vluggen wenk te hebben gegeven.
Zijn scherp oor had buiten de luchtige schreden opgevangen van de kamenier, en om velerlei redenen was het gewenscht, dat de beiden het hotel zouden hebben verlaten, alvorens het lieve kind binnentrad.
Charly treuzelde dan ook niet, maar haastte zich, op zijn beurt afscheid te nemen, met de belofte, dat hij zoo spoedig mogelijk terug zou komen.
En Marja bleef achter, met een gevoel van volkomen zegepraal.
Zij had niet durven hopen, dat de prins zoo spoedig bezweken zou zijn voor haar bekoorlijkheden, en vol trots bekeek zij zich in den grooten spiegel, een vroolijk wijsje neuriënd.
Maar toen bedacht zij met schrik, dat het hoog tijd was, om zich naar den schouwburg te begeven.
Juist ging de gangdeur open, en het kamermeisje trad binnen.
„Mirza, snel mijn mantel en hoed!” beval de schoone jongevrouw. „En mijn auto. Het is al laat! Breng meteen mijn ringen mee, ik weet niet waar zij zijn, ik geloof in mijn handschoenendoos!”
Het meisje verdween in de zijkamer.
Maar zij was er nog geen volle minuut of Marja werd opgeschrikt door een luiden gil.
Zij ijlde naar het boudoir en vroeg toornig:
„Ben je gek geworden, Mirza? Waarom schreeuw je zoo? Je maakt mij aan het schrikken!”
„U zoudt ook zijn geschrokken, madame!” riep Mirza, die met bleek gelaat en een doos in de handen bij de tafel stond. „Al uw juweelen zijn weg!”
Nu slaakte de diva zelve een gil, die in niets onderdeed voor den kreet van het kamermeisje en met koortsachtige haast begon zij alle doozen en kistjes te doorzoeken, terwijl zij ondertusschen afgebroken zinnen liet hooren.
„In dit doosje, ik weet het zeker, mijn ringen, en in dat kistje, ik wil er wel een eed op doen, mijn armband! En die doos, ook leeg, en die lade, ook niets meer in! Bestolen, bedrogen, en mijn geldkistje.…”
Zij snelde naar de kleerenkast en nam er het ijzeren kistje uit.
Zij kon het deksel open klappen zonder den sleutel noodig te hebben.
In het kistje lag niets meer dan haar contract.…
De jonge vrouw gaf een schreeuw als een gewonde leeuwin, en snelde naar de electrische schel.
Zij drukte er op, alsof zij den knop wilde verbrijzelen en liet zich toen met bleek gelaat in een stoel vallen.
Maar eensklaps sprong zij weder op, en krijschte schor van drift:
„Dat moet die graaf geweest zijn, het kan niet anders, vijf minuten voor hij en de prins kwamen, was alles er nog, daarop durf ik zweren. En hij is ruim een kwartier hier alleen in de kamer geweest! O, die schelm, die bandiet! En dat is een Engelsche graaf! Maar dat gaat zoo niet! Wacht maar, ik zal je wel vinden, graaf Colebrooke!”
Er werd op de deur geklopt en een etagekellner trad binnen.
„U heeft gebeld, madame?” vroeg hij.
„Ja, haal de politie!”
„De politie, madame?” herhaalde de kellner verbluft.
„Versta je geen Engelsch? Ja, de politie! En dadelijk! Ik ben bestolen! Voor een waarde van minstens zevenduizend pond sterling aan geld en juweelen! En misschien wel tienduizend!”
De kellner trok een ontsteld gelaat en zeide:
„Ik zal dadelijk den gerant waarschuwen, madame!”
„De gerant kan mij niet schelen!” schreeuwde Marja Ivy. „Ik wil de politie! Ik weet wie de dief is geweest! Graaf Colebrooke is het geweest! Sta mij niet als een idioot aan te staren, man, maar loop, loop!”
De kellner vloog weg, en een oogenblik later was de gerant van het feit in kennis gesteld.
Hij snelde de trappen op, en trad buiten adem het vertrek van de variété-danseres binnen.
„Is het waar, madame, wat de kellner mij daar vertelt?” vroeg hij opgewonden. „Ik denk toch wel, dat gij u vergist! Graaf Colebrooke! Het is immers onmogelijk!”
„Hij en niemand anders, zeg ik u!” snerpte de jonge vrouw. „Hij is in die kamer geweest terwijl ik bezoek ontving van prins George, een kwartier lang, en hij moet mijn geld en mijn juweelen hebben [26]gestolen! Alles was er nog, toen hij binnentrad, dat wil ik voor alle rechtbanken van Londen bezweren!”
„Onze naam! Onze goede naam!” kermde de gerant. „Ik bezweer u, madame! Zwijg over dit alles, tot wij volkomen zekerheid hebben!”
„Zwijgen?” herhaalde Marja Ivy met krijschende stem. „Zwijgen? Van de daken zal ik het schreeuwen! Ik zal het aan de groote klok hangen! Politie! Dadelijk!”
Marja Ivy was een practische vrouw.
Zij had een zeer groot verlies geleden, maar zij begreep ook aanstonds, dat hierin weder een kostbaar element van de beste reclame school, welke zij zich maar kon wenschen.
Dat was nog iets anders dan de gefingeerde diefstallen, waarvan de beroemdheden als Emma Nevada, Sigrid Arnoldson, Sarah Bernard, en anderen het slachtoffer heetten te zijn geworden!
Neen, zwijgen zou zij zeker niet, dat nam zij zich stellig voor!
Een echte graaf, die een dief bleek te zijn, en die haar had bestolen, zulk een gelegenheid bood zich zeker nooit weer aan!
En daarom herhaalde zij stampvoetend, telkens opnieuw:
„De politie! De politie! De politie!”
De gerant maakte een wanhopend gebaar.
Er stond een schandaal voor de deur, zooals men er in Londen in langen tijd geen had bijgewoond.
Dat prins George bij een variété-ster op bezoek kwam, dat kon er desnoods nog mee door, ofschoon hij het stellig niet wereldkundig zou hebben gemaakt, maar dat zijn adjudant, een graaf, zich aan een diefstal schuldig maakt, tijdens dat bezoek, dat was ongehoord, dat zou maanden lang stof tot praatjes geven!
Er moest hier vlug en doortastend gehandeld worden!
Hij wendde zich weder tot Marja Ivy en vroeg op gedempten toon:
„Hoe groot taxeert gij de waarde van de u ontstolen juweelen en het geld?”
„Op minstens twaalf duizend pond sterling!” antwoordde de jonge vrouw, die van oordeel was, dat zij de gestolen kostbaarheden eer te hoog dan te laag kon aanslaan.
Dat was een heele som, en de gerant verschrok dan ook merkbaar.
Hij beet zich op de lippen, en scheen een oogenblik in beraad te staan.
Toen hernam hij:
„Luister eens, madame, misschien kunnen wij het wel op een accoordje gooien. Ik ben er bijna zeker van, dat de directie u het geleden verlies wel zal willen vergoeden, als gij zwijgt! Men zou het ook aan den prins kunnen mededeelen, en daar hij er, neem mij niet kwalijk, dat ik u het zeg, daar hij zelf belang heeft dat er zoo weinig mogelijk over het bezoek ten uwent gesproken wordt, zoo zal hij ook wel in den zak willen tasten!”
Maar dat strookte alweder niet met de belangen van de egoïstische artiste!
Wat! Men zou het bezoek van den prins in den doofpot willen stoppen, even als den diefstal. Neen, dat zou niet gaan! Zij was nu eenmaal bestolen en zij zou er alle reclame uitslaan, die er in zat, dat nam zij zich vast voor.
En dus hernam zij op koelen toon:
„De diamanten en paarlen zijn niet met geld alleen te vergoeden, mijnheer! Ik wil ze terug hebben en daarom verzoek ik u voor de laatste maal, of gij de politie wilt halen, anders ga ik er zelf heen, of telefoneer!”
De gerant zag wel in, dat de artiste niet tot andere gedachten was te brengen.
Hij maakte dus een wanhopig gebaar, hij gaf den strijd op.
Alleen bleef hem nu nog de hoop, dat madame zich toch nog zou blijken vergist te hebben en dat de graaf niets met de geheele zaak uitstaande had.
Met deze gedachte bezield, verliet hij met gebogen hoofd het vertrek, en telefoneerde om een detective naar Scotland Yard.
Er verliep een half uur, en toen trad er een vierkant gebouwd man met groote doordringende grijze oogen en een energiek geteekend gelaat het vertrek van de diva binnen, vergezeld van een jong meisje, met een bevallig maar krachtig gelaat.
De man was James Sullivan, een der beste speurneuzen van Scotland Yard, en het jonge meisje was Dorrit Evans, een zijner meest belovende leerlingen.
Beiden werden aangediend door den etagekellner, die zich vervolgens terug trok.
Marja Ivy, die al dien tijd vruchteloos al haar kistjes en kastjes had onderzocht, trad Sullivan haastig tegemoet, en vroeg: [27]
„Gij zijt van de politie?”
„Ja, Madame! Mijn naam is Sullivan, deze jongedame is een collega, Miss Evans.”
Marja knikte eenige malen zenuwachtig met het zwartgelokte hoofd, en zeide toen:
„Ik ben blij, dat gij gekomen zijt, mijnheer! Ik moet u zeggen, dat de gerant getracht heeft, de zaak te sussen, maar daarvoor ben ik niet te vinden! Ik wil mijn juweelen terug!”
„Zoudt gij ons de zaak niet eens in het kort en zonder noodeloozen omhaal willen mededeelen, madame?” vroeg Sullivan bedaard. „Ik heb immers het genoegen, te spreken met madame Marja Ivy, de bekende variété-artiste?”
„Die ben ik, mijnheer!” antwoordde Marja. „Die zaak heeft zich als volgt toegedragen. Ik ontving hedenavond bezoek van prins George. Hij was in gezelschap van zijn adjudant, graaf Colebrooke. Een paar minuten voor de heeren kwamen, dat was om negen uur, waren mijn juweelen er nog, en ook het geld was nog in het ijzeren kistje. Wat ik zoo goed weet, omdat ik juist iets had moeten betalen, en het dus had geopend. Toen de prins en de graaf er waren, verzocht ik den laatste, in mijn boudoir te wachten, ik had met den prins zaken te bespreken, waarbij hij volkomen overbodig was. Ik was ongeveer een kwartier, hoogstens twintig minuten met den prins samengeweest, toen graaf Carwood binnentrad. Ik behoef er geen geheim van te maken, dat er tusschen den graaf en mij zekere vriendschapsbanden bestaan. Hij had dus een zeker recht, bij mij binnen te treden. Maar de aanwezigheid van den prins scheen hem onaangenaam te treffen, en hij maakte nogal brutaal een opmerking daar over. Toen trad graaf Colebrooke op zijn beurt weder binnen, komende uit het boudoir, en achtereenvolgens gingen graaf Carwood, graaf Colebrooke, en de prins heen. En toen mijn kamermeisje nauwelijks een minuut later het boudoir binnentrad, waren al mijn juweelen en mijn geld verdwenen.”
Sullivan had met gespannen aandacht toegeluisterd en zeide nu:
„Uwe uiteenzetting is even kort als duidelijk, madame! Nu een paar vragen. Gij kendet den prins niet voor hedenavond?”
„Neen, ik kende hem alleen van gezicht.”
„Hoe kwam hij zoo eensklaps hier?”
„Het was niet eensklaps! Zijn adjudant had het bezoek voorbereid.”
„Gij kendet dus graaf Colebrooke?”
„Hij is gisteren hier geweest, voor de eerste maal. Hij deed mij toen het voorstel, mij met den prins in kennis te stellen.”
Sullivan keek verrast op, en wisselde toen een blik met Dorrit Evans.
Toen vroeg hij deze op zachten toon:
„Wat zegt gij daar wel van?”
„Ik vind het zeer merkwaardig!” antwoordde het jonge meisje. „Ik heb zoo iets nooit achter den prins gezocht!”
„En ik niet achter den graaf, dien ik toevallig persoonlijk ken!” zeide Sullivan hoofdschuddend.
Hij dacht even na en vervolgde toen:
„Wat deed de graaf, nadat hij uit het boudoir was binnengetreden?”
„Hij sloeg graaf Carwood om de ooren!”
„Wat zegt gij daar?” riep Sullivan in de grootste verwondering uit. „Deed hij dat in het bijzijn van den prins?”
„Ja! En de arme stakker had den dag te voren al een oorveeg op de andere wang gekregen van een fotograaf, die opnamen kwam maken!”
„Dat is kras!” mompelde Sullivan half luid voor zich heen. „Dat is bepaald niet geheel en al in den haak!”
Hij verviel in gepeins en nu vroeg Miss Evans:
„Vond Zijne Hoogheid dat maar goed, dat in zijn tegenwoordigheid de eene graaf den ander oorveegde?”
„O neen, graaf Colebrooke kreeg een leelijken uitbrander!” antwoordde Marja Ivy.
„Hoe kwam het eigenlijk?”
„Graaf Carwood had graaf Colebrooke beleedigd!”
„Waardoor?”
„Hij had hem voor de voeten geworpen, dat hij deze samenkomst had bewerkt!”
„En bleef het daarbij?”
„Neen, de geslagene daagde graaf Colebrooke uit!”
„En nam die het aan?”
„Op slag!”
„Kras!” mompelde nu ook Miss Evans. „De oude man kan ternauwernood zijn wandelstok vasthouden!”
„Nu, ik verzeker u, dat de slag aankwam!” riep [28]Marja uit. „De vloer dreunde er van! Als die oude heer even goed schermt als hij muilperen uitdeelt, dan staan graaf Carwood eenige onaangename oogenblikken te wachten!”
„Nu, het schijnt hier eigenaardig te zijn toegegaan, dat is zeker,” hernam Sullivan, die uit zijn gepeins ontwaakt was. „En ik zeg u nog eens, hier is iets niet in den haak!”
De detective was het boudoir binnengetreden en bekeek nu zorgvuldig alle deuren achtereenvolgens na.
„Waren de deuren dicht, toen het hooge bezoek kwam?” vroeg hij.
„Neen, ik weet heel zeker van niet!” antwoordde Mirza, het kamermeisje.
„Dan heeft de graaf ze dus op slot gedaan,” zeide Sullivan. „Dat is van belang, Miss Dorrit.”
„Ja, er blijkt in ieder geval duidelijk uit, dat de deuren van binnen gesloten zijn door iemand, die de vertrekken door de ontvangkamer van madame Ivy weder heeft verlaten, op de gewone manier. Dat zou er dus voor pleiten, dat de graaf inderdaad de dief is geweest!”
„Goed geredeneerd!” riep Sullivan uit. „Zoo is het! De sleutels zitten alle aan de binnenzijde. Alleen de deur naar het ontvangvertrek is open.”
De detective liep langzaam door het vertrek, en bekeek nauwkeurig de verschillende doozen.
„Hield gij er geen bepaald juweelenkistje op na, madame?” zoo wendde hij zich opnieuw tot de diva, die zenuwachtig zijn gangen volgde.
„Ik heb er wel een, maar ik ben wat slordig uitgevallen, ik leg altijd alles door elkaar! De juweelen lagen hier en daar, overal!”
„En het geldkistje?”
„Dat was goed gesloten en stond in die kast, op den grond, ik vond het geopend terug. En nu wilde ik u wel vragen, of gij het zonder mij kunt stellen, mijnheer, ik ben over mijn tijd vrees ik, en de directie zal misschien niet als verontschuldiging laten gelden, dat ik bestolen ben, en een hooge boete eischen!”
„Nog slechts en enkele vraag, madame, en dan zal ik de rest wel met uw kamermeisje bespreken.
„Welke taal sprak de prins met u?”
„Wel Fransch! En hij sprak het uitstekend!”
„Dan heeft hij het in enkele dagen geleerd, madame!” zeide Sullivan ironisch, „want tot op eergisteren verstond hij geen woord Fransch zoo groot als een huis!”
„Wat, wat wilt gij zeggen,” stamelde de diva, terwijl zij verbleekte en zich aan een tafel moest vasthouden. [29]
„Ik wil zeggen, dat ik sterk vermoed, dat uw prins een heel gewone, of liever een buitengewone bedrieger is geweest, evenals zijn zoogenaamde adjudant. Prins George kent geen Fransch, hoogstens een paar beleefdheidsformules! Maar wij kunnen ons spoedig genoeg overtuigen!”
Hij ging het ontvangvertrek weder binnen, nam de telefoon van den haak, en stelde zich in verbinding met het koninklijk paleis.
Deze verbinding werd, zooals bij alle groote hotels bewerkstelligd door de Hotel Centrale, die door een zestal jonge meisjes werd bediend.
Aan het andere einde van de lijn stond een kamerbediende van den prins hem te woord.
De detective sprak gedurende eenige minuten, en hing toen met een uitdrukking van de grootste verbazing het toestel weder op.
„Dat is het merkwaardigste, wat ik nog ooit beleefd heb, madame!” zeide hij, terwijl hij het boudoir weder binnentrad. „De kamerdienaar van den prins zegt mij zooeven, dat Zijne Hoogheid inderdaad is uitgegaan tegen negen uur, om hier een bezoek aan u te brengen! En die man is in alle intieme geheimen van zijn meester! Ik sta hier voor een raadsel, tenzij.…”
Hij voltooide den zin niet, maar hernam:
„Ik wil u niet langer van uw werk afhouden, madame! Het overige verneem ik wel van het personeel. Ik hoop echter, dat gij dadelijk nadat uw nummer afgeloopen is, hier weder terug keert!”
„Daar kunt gij op rekenen, mijnheer!” zeide Marja, die reeds haar mantel had aangetrokken en haar hoed had opgezet. „Al zou ik er den geheelen nacht voor moeten opblijven, mijn juweelen moeten en zullen mij teruggegeven worden!”
En met die woorden ruischte zij het vertrek uit.
Sullivan keek haar met een half spottend, half medelijdend lachje op zijn schrander gezicht na, en wendde zich toen tot Dorrit Evans met de opmerking:
„Ik geloof dat madame Ivy zich dat een weinig al te gemakkelijk voorstelt! Wij hebben hier blijkbaar met een uiterst handigen bedrieger te doen, of zij en het kamermeisje moeten zich vergissen, en graaf Colebrooke had niets met het geval te doen. Maar dan blijft het raadsel van de Fransche taal! De prins is echter hier geweest, dat staat nu wel vast! Hij schijnt dus binnen korten tijd de Fransche taal machtig te zijn geworden, of hij heeft zijn kennis van de taal van Voltaire altijd geheim gehouden! Hoe het ook zij, zijn aanwezigheid hier staat vast. Blijft over de graaf. Is hij de authentieke graaf Colebrooke geweest? Als hij de man was, die de juweelen stal, dan is dat zoo goed als buiten gesloten, tenzij hij eensklaps cleptomaan is geworden, en zooiets zullen wij nu maar niet aannemen! De graaf is schatrijk, een der rijkste mannen van Londen, misschien wel van geheel Engeland!”
„Dat kan niet waar zijn, mijnheer!” liet nu eensklaps de stem van Mirza zich hooren. „Pas gisteren verklaarde de graaf, dat hij op zwart zaad zat, en dat hij er daarom werk van maakte, den prins aan een of ander avontuurtje te helpen!”
Vol verbazing staarden Sullivan en Miss Evans elkander aan.
Toen barstte de detective uit:
„Dan is die man stellig een bedrieger geweest! Hoe hij zich bij den prins heeft weten in te dringen, is mij een raadsel, maar ik acht in geheel Londen maar een enkelen man in staat, zooiets te wagen! Zijn naam behoef ik u zeker niet te noemen, Miss Dorrit!”
„Neen, die is bekend genoeg!” zeide het jonge meisje met opeengeklemde tanden. „Dus, hij zou hier weer achter zitten, denkt gij?”
„Dat zou mij althans in het minst niet verwonderen! Het is juist iets voor Raffles!”
„Maar telefoneer dan even naar het huis van graaf Colebrooke! Misschien kan hij zelf of zijn kamerbediende inlichtingen geven!”
„Gij hebt gelijk, Miss Dorrit!” riep Sullivan uit.
Hij snelde het andere vertrek weder binnen, en liet zich door de hotelcentrale verbinden met het prachtige woonhuis van graaf Colebrooke aan de Mall gelegen.
Tien minuten later trad hij weder binnen.
Zijn gelaat stond strak en nog nimmer had zijn leerlinge er zulk een grenzelooze verwondering op afgeteekend gezien.
„Wat is er?” vroeg zij nieuwsgierig.
„Wat er is? Wel, de graaf is hier geweest, met den prins, zegt zijn kamerbediende mij!”
„Daar houdt alles bij op!” kreet Dorrit Evans. „Dat is toch bijna onmogelijk! Was de graaf zelf niet thuis?”
„Neen, hij was om half negen uitgegaan. Dat [30]klopt dus. Maar het klopt niet, dat een man als hij bij een variété-mamsel diamanten steelt! Voor den drommel, wat heeft dat alles te beteekenen?”
Hij stond lang in gedachten en haalde toen de schouders op.
„Wij zullen het later wel uitvinden,” zeide hij. „Misschien is de graaf totaal onschuldig en moeten wij de daders heel ergens anders zoeken, onder het hotelpersoneel bijvoorbeeld. Kom, laten wij maar dadelijk eens op onderzoek uitgaan!”
En nu begon de detective met een van die stelselmatig gevoerde onderzoekingen, waardoor hij zich zulk een grooten naam bij Scotland-Yard had weten te verwerven.
Maar na anderhalf uur moest hij bekennen, dat hij nog even ver was als bij het begin, het was zoo goed als ondenkbaar, dat iemand van het personeel den diefstal had kunnen plegen, daar alle gangdeuren immers goed gesloten werden gevonden!
Juist toen Sullivan en Miss Evans weder in het boudoir terug waren gekeerd, trad Marja weder binnen.
Of beter gezegd, zij viel, zij struikelde de kamer in, en liet zich, woedend met de voeten trappelend, op een sofa vallen, na haar hoed met een woest gebaar van het hoofd te hebben gerukt!
„Bedrogen! Voor den gek gehouden door een paar ellendelingen!” kreet zij eindelijk.
„Zoudt gij ons niet eens willen zeggen, wat er eigenlijk gebeurd is, madame?” vroeg Sullivan, die begreep, dat er iets ernstigs moest zijn voorgevallen.
Marja was met een ruk overeind en schreeuwde, terwijl haar zwarte oogen vlamden:
„Prins George en graaf Colebrooke waren in het Hypodrome-Theater.”
„Wat!” riepen Sullivan en Evans tegelijk, die hun ooren niet geloofden. „Allebei?”
„Allebei, en sedert acht uur! De Prins zat in zijn loge! Gij kunt u begrijpen, wat er in mij omging, toen ik het hoorde! Ik weet nog niet, hoe ik er in geslaagd ben, mijn liedjes teneinde te zingen! Ik stuurde iemand met een beleefd briefje naar hem toe, om hem te vragen, of hij werkelijk den geheelen avond in den schouwburg was geweest, omdat het voor mij van groot belang was, dit te weten, en toen kwam graaf Colebrooke zelf achter, een stijve, houten Klaas, die mij zeide, dat de prins en hij inderdaad den geheelen avond in hun loge hadden gezeten! Dus, die beide mannen zijn bedriegers geweest! O, ik zal mij wreken!”
„Maar dan.… de telefoon!” schreeuwde Sullivan woedend.
„Zij hebben voorzien, dat er navraag zou worden gedaan,” zeide Dorrit schouderophalend, „en op het dak van een van Raffles’ huizen, waarover de draden van hier naar de telefooncentrale loopen, hebben zij den draad afgetapt en u zelf antwoord gegeven!”
„Drie dubbele ezel die ik ben,” schreeuwde Sullivan, bijna stikkend van woede, „ja, zoo moet het gegaan zijn! Ik had het moeten weten! Maar nog is alles niet verloren!”
Hij wendde zich tot Mirza, die nog altijd bleek en bevend bij haar meesteres stond en vervolgde haastig:
„Hebt gij mij niet gesproken over een duel, zooeven?”
„Ja, mijnheer, graaf Colebrooke wilde met graaf Carwood duelleeren!”
„Spraken de heeren niet over de plek, waar zij zouden vechten?”
„Neen, daarvan heb ik niets gehoord!”
Sullivan uitte een gesmoorden vloek, en gromde tusschen de tanden:
„Dat is dus ook al mis! Anders had ik hem op de plek der samenkomst laten arresteeren! Hij is in staat, inderdaad den graaf een kleinen prik te geven!”
Maar nu riep Dorrit Evans opeens uit:
„Als wij eens naar graaf Carwood gingen! Hij kan ons immers zeggen, waar het tweegevecht zal plaats hebben?”
„Miss Dorrit, gij hebt alweder gelijk, en ik geloof, dat de woede mijn denkvermogen benevelt!” riep Sullivan vol geestdrift. „Het is reeds zeer laat, maar dat doet er niet toe, laten wij dadelijk naar het huis van den graaf gaan! Gij weet zeker zijn adres?” zoo wendde hij zich tot de variété-danseres, die er over zat na te denken, hoe zij ondanks alles nog de reclametrom zou kunnen roeren.
„Grosvenor Road 76!” antwoordde de jonge vrouw toonloos.
„Dat is een heel eind van hier,” zeide Sullivan. „Maar wij mogen niet aarzelen! Kom mede, Miss Dorrit! Wij hebben hier voorloopig niets meer te doen! Wij gaan op jacht naar de dieven!”
„Als gij mijn juweelen maar terug brengt!” riep [31]Marja uit. „De dieven boezemen mij minder belang in!”
„Dan verschillen wij daaromtrent van meening, madame!” gaf Sullivan ten antwoord. „Het beste zou echter zijn, wanneer wij én de juweelen én de dieven konden vangen!”
Een haastige buiging voor de artiste en de beide detectives verlieten snel het vertrek.
Voor het breede trottoir stond nog de politieauto te wachten, die hen hier had gebracht.
Het was toen half een in den nacht.
Sullivan gaf den chauffeur het adres van graaf Carwood op, en de auto stelde zich in beweging.
Na een rit van een half uur hield de auto stil voor een fraai huis, dat geheel in duisternis gedompeld was.
Sullivan moest herhaalde malen bellen, eer de deur werd geopend door een slaperigen bediende, die hem alles behalve vriendelijk ontving.
Sullivan maakte zijn kwaliteit bekend en gaf het verlangen te kennen, dadelijk bij den graaf te worden toegelaten!
„Maar de graaf slaapt reeds en hij is onwel!” riep de bediende uit.
„Wij zullen hem slechts enkele minuten ophouden!” drong Dorrit aan. „Het betreft een zaak van het grootste gewicht!”
De bediende haalde de schouders op, maar hij ging toch de bezoekers voor, de breede trap op, en langs een groot portaal, tot hij stil stond voor een deur, waarop hij eenige malen luid klopte.
Eindelijk klonk daarbinnen een zwakke stem, die op klagenden toon riep:
„Wat is er toch? Wat wilt gij? Ik wil met rust worden gelaten!”
„Politie!” riep Sullivan met luide stem. „Een dringende zaak! Ik verzoek u vriendelijk, mij dadelijk even te willen ontvangen.”
„Maar wat is er dan toch aan de hand?” hernam de vragende stem. „Ik ben werkelijk niet in een toestand om mij te vertoonen!”
„Wij zullen u niet lang ophouden, graaf!” riep nu Dorrit Evans.
„Mijn hemel, zijn er dames ook nog?” klonk de stem aan den anderen kant van de deur verschrikt. „Die moeten dadelijk vertrekken!”
„Ik ga al, graaf!” hernam de jonge detective lachend.
Pas toen het gerucht van haar voetstappen was weggestorven, werd de deur van de slaapkamer heel langzaam op een kier geopend en daar verscheen graaf Carwood, in een zijden pyjama.
Dat hij het was, kon men echter slechts vermoeden, want zijn gezicht was bijna geheel in een verband gehuld en uit den vorm daarvan bleek duidelijk, dat allebei zijn wangen deerlijk waren opgezet.
Ondanks den toestand kon Sullivan een glimlach niet weerhouden.
De graaf zag er dan ook uit als een figuur uit een kluchtspel, zooals hij daar stond in zijn pyjama, het tipje van zijn neus en een klein gedeelte van zijn mond even zichtbaar, bibberend en bleek.
„Neem me niet kwalijk als ik aanstonds met de deur in het huis val, graaf,” begon Sullivan. „Ik weet van uw tweegevecht af, ik kom u slechts vragen, waar en wanneer het plaats heeft! De zoogenaamde prins George, zoowel als graaf Colebrooke waren bedriegers en ik wil hen arresteeren!”
„Dat heb ik al voor u geweten, meneer de detective!” jammerde graaf Carwood op hartverscheurenden toon. „Dat is juist mijn ongeluk geworden! Luister, dan zal ik het u mededeelen.”
Hij wenkte Sullivan om binnen te komen, liet zich in een gemakkelijken stoel vallen en begon toen met haperende stem:
„Als gij van het tweegevecht afweet, dan moet gij ook weten, op welk een schandelijke wijze ik gisteren behandeld ben door een fotograaf, dien ik bij Marja Ivy, de danseres aantrof! Die kerel had de onbeschaamdheid mij een muilpeer te geven, meneer! Een muilpeer aan mij, de spruit van een geslacht, dat zijn oorsprong tot in het begin van de veertiende eeuw kan nawijzen! Gij zoudt het niet gelooven, maar hedenavond kreeg ik in die zelfde kamer op de andere wang een tweede oorveeg, ditmaal van graaf Colebrooke! Ik ging heen in een toestand, dien gij u wel kunt voorstellen, en met de verklaring, dat ik nog hedenavond zijn getuigen zou wachten. Maar denk u in mijn toestand, toen ik mij naar het Hypodrome-Theater liet rijden, waar ik Marja hoopte te spreken, om vrede met haar te sluiten, en daar prins George en graaf Colebrooke in hun loge zag zitten! Ik vertrouwde mijn oogen niet, vervoegde mij dadelijk bij Zijne Hoogheid en vernam daar den samenhang van het geheele treurspel. Ik moest het slachtoffer zijn geworden van een laaghartig bedrog en ik liet mij dadelijk [32]weder naar huis brengen om de schuldigen te ontmaskeren! Helaas, helaas, had ik er maar aan gedacht om een paar stevige politieagenten mede te brengen!”
De graaf wiegde eenige malen in zijn gemakkelijken stoel heen en weder als een gewonde ijsbeer en vervolgde toen:
„Ik was nauwelijks thuis, of de getuigen kwamen opdagen, en ik wist nu natuurlijk, dat zij de handlangers waren van een paar bedriegers! Ik zeide hun dat er onder deze omstandigheden van dit tweegevecht niets kon komen, want dat ik natuurlijk niet met Jan Rap en zijn maat kon vechten, en weet gij, wat zij toen deden?”
„Ik ben er benieuwd naar, graaf!” zeide Sullivan, die zich weliswaar zeer teleurgesteld gevoelde over de mislukking van zijn plan, maar toch een glimlach onmogelijk kon bedwingen.
„Zij betreurden het, dat er van het duel niets kon komen, zeiden zij en daarop gaven zij mij ieder een muilpeer, meneer, de eene op de linker, de ander op de rechterwang! Zoodat ik van dit alles het slachtoffer ben!”
En ineens uitte de ongelukkige graaf een jammerklacht, was in een wip overeind, ijlde met de vlugheid van een haas op zijn bed toe, en dook met onbegrijpelijke vlugheid onder de dekens.
En zoo eindigde voor hem het avontuur met de Poolsche Variété-diva.
De volgende aflevering (No. 349) bevat:
De dochter van den Spekslager.
| I. | Marja Ivy. | 1 |
| II. | Het web wordt gesponnen. | 5 |
| III. | Het ideaal van Marja Ivy. | 10 |
| IV. | Bij gebrek aan brood.…. | 15 |
| V. | De prins wordt in genade aangenomen. | 19 |
| VI. | Rumor in casa. | 24 |
| VII. | Liefde en reclame. | 28 |
Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.
De volgende 60 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:
| Bladzijde | Bron | Verbetering | Bewerkingsafstand |
|---|---|---|---|
| 1 | [Niet in bron] | , | 1 |
| 1 | derwereld stad | der wereldstad | 2 |
| 1, 2, 21, 22, 30, 31 | Hypodroom-Theater | Hypodrome-Theater | 2 |
| 1 | circus | Circus | 1 |
| 1 | nooddurftig | nooddruftig | 2 |
| 2, 4, 4, 5 | pogramma | programma | 1 |
| 3, 5 | Variétédiva | Variété-diva | 1 |
| 3 | Malakof | Malakoff | 1 |
| 4 | schijnt | schijn | 1 |
| 4 | Variétéartist | Variété-artist | 1 |
| 5 | Hypodrome-theater | Hypodrome-Theater | 1 |
| 6, 16, 28 | [Niet in bron] | „ | 1 |
| 6 | Variétéartiste | Variété-artiste | 1 |
| 6 | vondt | vond | 1 |
| 11 | Hypodroom Theater | Hypodrome-Theater | 3 |
| 12 | kunnen | willen | 4 |
| 12 | Variétéster | Variété-ster | 1 |
| 12 | gebruikte | gebruikten | 1 |
| 12 | daaran | daaraan | 1 |
| 16, 16 | en zoovoort | enzoovoort | 1 |
| 16 | als | al | 1 |
| 17 | , | . | 1 |
| 17 | zachtje | zachtjes | 1 |
| 18 | Een | En | 1 |
| 18 | brachte | bracht | 1 |
| 21, 21 | [Niet in bron] | ” | 1 |
| 21 | Colebroke | Colebrooke | 1 |
| 21 | ladylijke | ladylike | 1 |
| 21 | zij | hij | 1 |
| 22 | *rdquo; | [Verwijderd] | 7 |
| 22 | kuchtte | kuchte | 1 |
| 22 | [Niet in bron] | . | 1 |
| 24 | Variété danseres | Variété-danseres | 1 |
| 25 | onsteld | ontsteld | 1 |
| 26 | variété-star | variété-ster | 1 |
| 26 | werdt | wordt | 1 |
| 26 | egoistische | egoïstische | 1 / 0 |
| 27 | miss | Miss | 1 |
| 29 | [Niet in bron] | is | 3 |
| 29 | Mirja | Marja | 1 |
| 29 | autenthieke | authentieke | 2 |
| 29 | eens klaps | eensklaps | 1 |
| 30 | , „ | 2 | |
| 31, 31 | pyama | pyjama | 1 |
| 31 | neerhouden | weerhouden | 1 |
| 32 | ontmaskeeren | ontmaskeren | 1 |