*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 ***
[Inhoud]

Oorspronkelijke voorkant.

[Inhoud]

HET ONDERWIJZERESJE.

[Inhoud]

Boekdrukkerij Firma P. Kluitman, Alkmaar.

[Inhoud]

„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw?”

„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw?”

(Bladz. 103)

[Inhoud]

Oorspronkelijke titelpagina.

HET
ONDERWIJZERESJE

ALKMAAR—P. KLUITMAN.
1908.

[5]

[Inhoud]
Eerste Hoofdstuk.

Eerste Hoofdstuk.

Het examen.

M

ijnheer van Welderen lag op zijn rustbank in de huiskamer. Zoo lag hij daar nu al jaren dagelijks, nadat hij, door een noodlottigen val van zijn paard, zijn rug bezeerd had, welk ongeval een eind gemaakt had aan zijn carrière als officier. Hij was toen nog jong, nog geen vijf en veertig jaar, hij stond goed aangeschreven bij zijn superieuren, had naar alle waarschijnlijkheid een mooie loopbaan voor zich .… en ineens maakte die val een eind aan alle verwachtingen.

Nu was hij een invalide, een gebrekkig mensch, dat veel pijn leed en niet dan met de grootste moeite eenige stappen loopen kon.

En dan de zorgen, die als gevolg van dat ongeval hun intrede in zijn huis gedaan hadden, de geldzorgen vooral. [6]

Hij was getrouwd, had vijf kinderen, waarvan de oudste toen veertien, de jongste twee jaar was. Die moesten allen nog een opvoeding hebben en buiten zijn pensioen had hij niet veel. Toen hij in zooverre hersteld was, als dit, na dien noodlottigen val mogelijk was en hij zijne dagen weer in den kring der zijnen kon doorbrengen, zij het ook steeds liggend op zijn rustbank, had hij getracht door het schrijven van militaire schetsen en door vertalen er iets bij te verdienen, maar heel dikwijls werd hij gekweld door pijn, die hem het werken belette, zoodat hij ook daarmee zijne inkomsten maar weinig vermeerderen kon. Toch was hij niet bepaald ongelukkig. Hij had een moedig, onversaagd karakter en dat stelde hem in staat tot dulden en verdragen, en hij voelde, dat daar dikwijls meer moed toe noodig is, dan tot handelen.

Zijn vrouw stond hem dapper ter zijde. Ze was een flinke vrouw, die de handen uit de mouwen kon steken en haar opgewekt humeur hielp hen beiden hun lot te dragen.

En dan zijne kinderen!

Wel gaven die hem natuurlijk de grootste zorg, met een klein inkomen vijf kinderen op te voeden is niet gemakkelijk, maar hij zou ze geen van allen willen missen, ze maakten immers het geluk en de gezelligheid van het huis uit.

En het waren zulke goede kinderen. Mathea, zijn oudste, was nu negentien jaar, een klein, blond ding, een mooi, vroolijk meisje, als geschapen om het echte [7]jonge meisjesleven te leiden, om onbezorgd te genieten van haar jeugd. En wat had ze niet gewerkt om maar zoo spoedig mogelijk haar examen als onderwijzeres te kunnen doen, zijn dapper meisje, haar doel was zoo spoedig mogelijk geld te verdienen om zijne zorgen te kunnen verlichten. Ze was geslaagd, in April had ze haar hulpakte gehaald en nu, nog geen vijf maanden later, wilde ze reeds trachten haar akte Engelsch te halen, waar ze al voor gestudeerd had, toen ze nog voor haar akte lager onderwijs werkte.

Vandaag was de groote dag, ieder oogenblik kon ze thuiskomen met goed of slecht nieuws en in lang had zijn hulpbehoevendheid hem niet zoo gekweld, als juist heden. Hij was te rusteloos, om zich met iets bezig te houden, hij trachtte te lezen, maar begreep niet, wat er stond, werken ging ook niet, hij kon er zijn hoofd niet bij houden. Margerita, zijn tweede dochter, had wel geen school vanmiddag, maar was haar zuster gaan afhalen, de dertienjarige Jan maakte van zijn halven vrijen dag gebruik, om buiten met zijne kameraden te spelen en had de kleine Nico meegenomen en de tienjarige Bets had op Donderdagmiddag school.

Zoo lag hij daar dan alleen en voelde zich hoe langer hoe ongeduriger worden.

Gelukkig, daar hoorde hij zijn vrouw aankomen, hij hoopte, dat zij een oogenblikje bij hem kon blijven.

„Ben je daar, beste,” riep hij.

De deur werd geopend en zijn vrouw trad binnen.

„Riep je, Johan?” [8]

„Ja vrouwtje, toe, blijf even bij me. Vin’ je niet, dat ze laat komt, het is al half drie.”

Zijn vrouw zette zich naast hem neer.

„Neen,” zei ze, „ik geloof niet, dat ze vóór drie uur hier kan zijn. Valt de tijd je zoo lang?”

„Ja, jou niet?”

„Ik had nog zooveel te doen, dan gaat de tijd onwillekeurig gauw voorbij. Ik heb advocaat gemaakt, wat zeg je daarvan?

„Heerlijk, maar kind, als ze nu eens niet geslaagd is.”

„O, dat zal wel niet, ze heeft zoo hard gewerkt.”

„Het kan toch mis zijn, er zakken er wel meer, die eigenlijk wel bekwaam genoeg zijn. Ik ben er niet zoo gerust op.”

In haar hart was zijn vrouw dat evenmin, maar ze trachtte opgewekt te kijken en verzekerde hem, dat ze overtuigd was, van het welslagen van Thea.

„Het zal zoo heerlijk zijn, als ze er door is,” zei ze vroolijk, „de lieveling moet dan eens een poosje niets uitvoeren. Ze zag er smalletjes uit in den laatsten tijd.”

Haar man zuchtte.

„Ja, ze heeft wel een rustig tijdje verdiend. Daarna zal ik blij zijn, als ze zich weer eens met Nico bemoeien kan, ik ben niet geschikt om zulke jonge kinderen les te geven, ik weet de methoden niet en daarenboven, als ik pijn heb, ben ik niet geduldig genoeg. Het is miserabel, zoo tot niets geschikt te zijn.”

Zijn vrouw boog zich over hem heen en kuste hem.

„Tob daar toch niet over, beste man, je doet immers, [9]wat je kunt. Dat je met Nico niet goed kunt opschieten, ligt er aan, dat je te knap bent, om aan zoo’n kleinen jongen les te geven. Thea heeft gezegd, het dadelijk weer van je te zullen overnemen.”

„Nu ja, zoo dadelijk hoeft dat niet. Laat ze eerst maar eens wat voor haar genoegen leven.”

„Dat ben ik met je eens. Ze wil hem voorthelpen, totdat ze een betrekking heeft en dan wil ze van hare verdiensten zijn schoolgeld betalen. Je ziet, alles komt wel terecht.”

Weer zuchtte mijnheer van Welderen.

„Ze is een beste meid, een ware troost voor haar armen vader. Maar de gedachte dat zoo’n kind het schoolgeld voor haar broertje moet verdienen, terwijl ik hier nutteloos neerlig! Als je eens wist, hoe me dat kwelt.”

Zijn vrouw stond op en streek met haar hand over zijn voorhoofd.

„Weg met die rimpels, vandaag vieren we feest. Ik wou dat ze kwam,” voegde ze er bij, naar het raam gaande. „Ik begin heusch ook ongeduldig te worden. Daar komen Jan en Nico aanrennen, zou ze in zicht zijn?”

„Je moet er niet zoo vast op rekenen, dat ze er komt,” mompelde haar man, maar ze viel hem in de rede:

„Dat doe ik wel, valt het tegen, dan is het nog tijd genoeg om te treuren. Ik ga de jongens even opendoen.”

Een oogenblik later werd de deur opengegooid en stormden Jan en Nico naar binnen.

„Dag Vader, ze is er nog niet, hè? We dachten al, [10]dat we te laat waren,” en Jan veegde met een niet al te schoonen zakdoek zijn bezweet voorhoofd af.

Zijn vader schudde glimlachend het hoofd.

„Wildebras,” zei hij en toen Nico naar zich toehalend, streek hij hem zijne krullen uit zijn gezichtje.

„Weet je nu goed, wat je tegen Thea zeggen moet, als ze er door is en je haar die rozen geeft?”

Nico knikte van ja.

„Wat dan?”

„Dat ik haar feliciteer en dat die bloemen voor haar zijn. Krijg ik nou weer van Thea les?”

„Ja, vin’ je dat niet prettig?”

„Neen Vader, ik wou liever geen les meer van haar hebben, ik wou veel liever naar school. Wie heeft er nu les van zijn zus, ajakkes.”

Zijn vader zweeg een oogenblik. Hij wilde het kind niet zeggen, dat het hem moeilijk viel, het schoolgeld te betalen, omdat de andere kinderen hem al zooveel kostten.

Toen hervatte hij:

„Later mag je ook naar school, voorloopig krijg je nog les van Thea en je zult lief zijn en je best doen, niet waar?”

Het kind trok een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat dit niet naar zijn zin was, maar voor hij iets kon antwoorden, kwam zijn moeder binnen en ziende, hoe vuil hij zich op straat gemaakt had, nam ze hem mee, om hem eens flink te wasschen.

Jan zat voor het raam en tuurde naar buiten.

„Zie je nog niets?” vroeg zijn vader. [11]

Jan schudde ontkennend.

Mijnheer van Welderen bewoog zich onrustig.

„Jan,” zei hij weer.

Maar Jan antwoordde niet, met gespannen aandacht keek hij naar twee gedaanten, die in de verte aankwamen. Het waren twee meisjes, zouden het de zusjes zijn?

„Jan,” zei nog eens zijn vader.

Doch Jan keek niet om.

„Ja Vader, wacht even,” zei hij en drukte zijn neus plat tegen de ruiten, om beter in het spionnetje te kunnen zien. Toen schreeuwde hij:

„Ze is het, hoor, ze komen aanvliegen, ze zwaait met een wit papier, hoezee, ze is er door!” en niet op zijn vader lettend, die zich zenuwachtig had opgericht, vloog hij de gang in, naar de voordeur, roepend:

„Moes, Moes, daar is ze, ik geloof zeker, dat ze er door is!”

Mevrouw van Welderen liet Nico met een nat gezichtje staan en vloog ook naar voren. Toen ze de voordeur opende, waren de meisjes nog maar een paar huizen ver, kleine, blonde Thea zwaaide vroolijk met een wit papier, zeker haar akte en de lange, zestienjarige Ita danste letterlijk naast haar, er zich niet aan storend, dat de menschen naar haar keken, noch, dat haar vlecht los was gegaan.

Mevrouw van Welderen trok hen in de gang en sloot haastig de deur.

„Goddank,” zei ze, Thea kussend, „goddank, ga gauw naar Vader,” en de deur der huiskamer openend, [12]duwde ze haar naar binnen. Daar lag haar vader en stak zijne armen naar haar uit. Zijne oogen waren gevuld met tranen en de manier, waarop hij tegen haar lachte, bewees, hoe gespannen zijn zenuwen waren.

Thea vloog in zijne armen en vader en dochter omhelsden elkander hartelijk.

„Mijn lieveling,” fluisterde hij, „mijn flink, knap meisje, hartelijk geluk gewenscht, het is haast al te heerlijk.”

Nog een kus en Thea richtte zich op.

„Is het niet zalig!” riep ze opgewonden, „is het niet meer dan verrukkelijk” en ze vloog weer naar haar moeder en pakte haar eens flink.

Toen kreeg Jan een beurt en daarna kwam kleine Nico op haar af, met een mooien bouquet rozen, dien hij haar toestak, terwijl hij zijn snoetje oprichtte, om gekust te worden.

„En zeg je nu niets?” vroeg zijn vader.

„Wel gefeliciteerd,” zei het kind.

„Dank je hartelijk, vent, ik ben er heel blij mee, ze zijn prachtig.”

Daarna begon Thea druk te vertellen van haar examen, wat ze haar gevraagd hadden, en hoe aardig de examinator geweest was.

„Het ging heerlijk,” zei ze, „eerst was ik wat zenuwachtig, maar later niets meer, ik voelde, dat ze tevreden waren. O, ’t is zalig om door je examen te komen,” en in verrukking sloeg ze haar handen in elkaar.

Moeder had intusschen even de kamer verlaten en [13]kwam weldra terug met een blad, waarop een karaf advocaat stond, omringd van glazen, benevens een schaaltje met bisquits.

„Nu gaan we op den goeden uitslag drinken,” zei ze vroolijk.

„Wat een verrassing, Moesje,” riep Thea en Ita maakte van louter vreugde zoo’n luchtsprong, dat de vaas met bloemen bijna omver viel.

„Maar Ita, pas toch op, niet zoo woest,” waarschuwde haar vader. Tot antwoord vloog Ita op hem aan en omhelsde hem zoo onstuimig, dat haar moeder angstig riep: „Ita, Ita, denk er toch aan, dat je niet zoo wild met Vader moet zijn.”

Haar man lachte en trok zijn woest dochtertje aan haar vlecht.

„Vandaag kan Vader tegen alles, zelfs tegen een omhelzing van zijn wildeman,” zei hij en toen het glas opnemend, dat zijn vrouw voor hem had neergezet, stootte hij met Thea aan.

„Op het verdere succes van onze geleerde en dat we nog menigmaal zoo’n feestje vieren mogen!”

Het was een geklink en een gejuich zonder einde en niemand hoorde, dat er gebeld werd. Het dagmeisje was al naar huis, en Bets, ongeduldig, klom tegen den bel op en gaf er nog eens een flinken ruk aan. Ze brandde van verlangen om te weten, hoe het examen was afgeloopen.

„Hemel, wat een bel,” riep Jan, „’t lijkt wel of er brand is.” [14]

„’t Zal Bets zijn,” zei zijn moeder, „doe haar maar gauw open, ze moet er ook bij zijn.”

Jan vloog naar de deur en riep al, voor hij het slot had opengemaakt: „ze is er door.”

„Lekker,” zei Bets, binnenkomend, „nou krijg ik advocaat. Moes heeft ’t me verteld voor ik naar school ging.”

Ze stapte de kamer binnen en keek een beetje verslagen naar de reeds geleegde glazen.

„Ben jullie al begonnen?” vroeg ze.

Haar vader schoot in een lach, om haar verslagen gezicht.

„Zou je Thea niet liever eens feliciteeren,” zei hij, „Jan heeft je toch zeker het goede nieuws verteld?”

„O ja,” en Thea een kus gevend, verklaarde ze, dat ze het wel geweten had, Thea was immers zoo knap.

Met een tevreden gezichtje zette ze zich met haar glas in een hoekje.

„Ik vind ’t toch wel leuk,” merkte ze op, „je moet weten, ik had het op school al verteld en ook, dat we advocaat kregen. Als je gezakt was, was het toch erg gek geweest, hè, dan had ik het morgen weer moeten tegenspreken en dat was toch vervelend geweest. Nou hoor, ik ben blij, dat het niet hoeft,” en met een verrukt smakken, lepelde ze haar glaasje leeg.

[15]

[Inhoud]
Tweede Hoofdstuk.

Tweede Hoofdstuk.

Een kloek besluit.

T

hea zat met de hand onder haar hoofd te peinzen.

Het was een gure Octoberdag, somber, vochtig en kil, een van die dagen, die den mensch zijn opgewektheid doen verliezen en kleine bezwaren en moeielijkheden, die men op een zonnigen dag als bagatellen zou beschouwd hebben, tot een drukkenden last maken.

Zooals Thea daar zat, zag ze er dan ook alles behalve opgewekt uit, hare meestal lachende oogen hadden een melancolieke uitdrukking en de rimpels, op haar voorhoofd zichtbaar, waren in tegenspraak met haar jong gezichtje.

Naast haar zat Nico, schijnbaar bezig een optelsom te maken, die zijn zuster hem had opgegeven, maar inderdaad niets uitvoerend, dan wat krabbels op zijn lei [16]teekenen, die een of ander produkt uit het dierenrijk moesten voorstellen.

Van tijd tot tijd keek hij eens van terzijde naar zijn zuster, blij, dat ze niet op hem lette, want hij had een hekel aan sommen maken en teekende veel liever een beetje.

Thea dacht er over, dat het niet zoo gemakkelijk ging, een gesalarieerde betrekking te krijgen, als ze gedacht had. Ze had gehoopt, dat ze met haar twee akten wel spoedig slagen zou, doch nu was ze bijna twee maanden aan het solliciteeren en tot nog toe was het haar niet gelukt, een plaats als onderwijzeres machtig te worden.

En toch was het zoo noodig, dat ze geld verdiende!

De winter was op komst, dan was er altijd meer noodig dan zomers, ze zag, dat hare ouders gedrukt gingen onder de geldzorgen, vaders toestand was minder goed, dan van den zomer, hij was zoo zenuwachtig en dat verergerde zijn pijn en Moeder, ach, Moedertje liet den moed nooit zakken, ze bleef schijnbaar opgewekt, maar wie haar goed kende, zag toch wel, wat het haar kostte en hoe ook zij onder zware zorgen gebukt ging.

Eensklaps schrikte ze op door het dichtslaan van de deur en opziende, zag ze, dat Nico verdwenen was.

Foei, wat had ze zitten suffen, door het tobben over de toekomst en het nadenken, over wat ze zou willen doen, vergat ze den plicht, die het naast lag en inplaats van haar broertje bij zijn werk te houden, liet ze hem maar aan zich zelf over en nu was hij weggeloopen. [17]

Waar zou hij zijn?

Haastig stond ze op en liep de gang in, hopend hem daar te vinden. Ze zag hem niet, maar hoorde zijn stem in de huiskamer, die zei: Thea slaapt, ze merkte er niets van, dat ik wegliep, ziet u wel, dat u me naar school moet laten gaan, zoo leer ik niks.”

Met een kloppend hart stond Thea voor de deur der huiskamer. Hare wangen gloeiden van den schrik, wat zou Vader wel van haar denken.

Daar hoorde ze Vaders stem, die antwoordde:

„Wat vertel je nu voor onzin, Nico, dat Thea zit te slapen? Ik geloof er niets van, je bent zeker weer stout geweest en van de les weggeloopen.”

Toen Nico’s stem:

„Heusch niet, ik zat zoet te rekenen, maar toen zag ik, dat Thea heelemaal niet op me lette, als ze niet sliep, dan zat ze te suffen, ze heeft er echt niks van gemerkt, dat ik wegliep. Mag ik nou naar school?”

Daarna weer haar vader:

„Je mocht in geen geval wegloopen. Hoe dikwijls heb ik je al gezegd, dat je naar Thea luisteren moet en haar net zoo gehoorzaam zijn, als Moeder en mij. Ga nu dadelijk naar haar terug en vanavond ga je een uur vroeger naar bed. Begrepen?”

Nico begon te huilen.

„Maar Vader, ik heb niks gedaan, ik kan het toch niet helpen, dat Thea niet op me let, ik wil niet vroeg naar bed vanavond.”

„Ben je nog niet weg? Hoe is het, wil je soms liever [18]dadelijk naar bed? Niet? Ga dan oogenblikkelijk naar Thea en vraag haar excuus, omdat je weggeloopen bent.”

Thea hoorde aan haar vaders stem, dat hij zenuwachtig was, hij had zeker weer pijn en door haar schuld werd hij lastig gevallen.

Nico had eigenlijk gelijk, hij kon het niet helpen, dat ze zoo weinig op hem gelet had, hij had dus geen straf verdiend.

Terwijl hare wangen zich nog rooder kleurden, draaide ze den deurknop om en trad binnen.

Bij het openen der deur, keerde haar vader zich om. „Ben jij het, Thea? Is Nico weer ondeugend geweest? Ik heb hem gezegd, dat hij vanavond vroeg naar bed moet.”

Verlegen trad Thea nader en legde haar hand op haar broertjes schouder.

„U moet niet boos op Nico zijn,” zei ze, „hij is eigenlijk niet stout geweest, hij had wel niet mogen weg loopen, maar.…”

Haar vader keek haar aan en zag hoe ze aarzelde, om door te gaan.

„Nico,” zei hij, „ga je werk afmaken, ik moet met Thea iets bespreken.”

Nico, blij, dat hij weg kon, holde de gang in, de deur wijd achter zich open latend.

Een pijnlijke trek vloog over zijn vaders gezicht.

Hij beet zich op zijne lippen, als om een hevigen pijn te onderdrukken en bezorgd boog Thea zich over hem heen. [19]

„Heeft u weer pijn?” vroeg ze angstig.

„Bijna altijd in de laatste dagen, let er maar niet op. Kom nu eens bij me zitten en vertel me, wat er gebeurd is.”

Thea zette zich op het voeteinde van de rustbank en zei zacht:

„Nico heeft de waarheid gezegd, mijne gedachten waren werkelijk zoo afgedwaald, dat ik pas merkte, dat hij weggeloopen was, door het dichtslaan der deur.”

Een oogenblik keek haar vader haar zwijgend aan, toen vroeg hij:

„Hoe kwam dat zoo?”

Thea wist niet dadelijk, wat te antwoorden, ze wilde niet zeggen, dat ze over de toekomst aan het tobben was geweest, het heele gezin toonde zich altijd zoo opgewekt mogelijk voor Vader, die al zoo veel te dragen had. Toen knielde ze naast hem neer en met haar hoofd tegen zijn schouder, zei ze:

„Ik dwaalde af, het lesgeven aan zoo’n kleinen jongen is zoo eentonig, maar het is natuurlijk verkeerd van me. Het zal niet meer gebeuren, dat beloof ik u.”

Haar vader streelde hare gloeiende wangen en glimlachte. Hij wist nog zoo goed, hoe blij hij zelf was geweest, van die lessen af te zijn. Dat hij ze zoo vervelend gevonden had, was natuurlijk een bewijs, dat hij geen goed onderwijzer was en hij had gehoopt, dat Thea dat wel zou blijken te zijn.

„Ik begrijp het wel,” zei hij, „ik weet, dat het moeielijk is een jongen van dien leeftijd bij zijn werk te houden, maar [20]dat is des te meer reden om je gedachten niet te laten afdwalen. Ik dacht, dat een gediplomeerde onderwijzeres wel in staat zou zijn om aan een kleinen jongen les te geven. Op die manier leert hij werkelijk niet veel en ofschoon ik het sterk in hem afkeur, dat hij op die wijze van je afdwalen gebruik maakt, om mij te overtuigen, dat hij naar school moet, geheel ongelijk heeft hij niet.”

De gevoelige Thea werd getroffen door het verwijt, dat in deze woorden lag opgesloten. Hare oogen vulden zich met tranen.

„U heeft gelijk, maar Vader, u weet niet, hoe lastig het is, je eigen broertje les te geven. Vreemde kinderen zouden meer respect voor mij hebben en dan zou het vanzelf beter gaan.”

Haar vader keek ernstig, hij was altijd een man van strenge plichtsbetrachting geweest en hij vond, dat Thea in haar plicht te kort was geschoten, door haar leerling zoo aan zijn lot over te laten, al was die leerling haar broertje.

„Misschien,” zei hij, „maar je zult nog wel veel moeten leeren, voordat je een goed onderwijzeres bent.”

Thea begon te schreien.

„Maar kindje, daar moet je nu niet om huilen. Kom, droog die tranen af en doe je best maar, dan zal het wel losloopen, je moet niet vergeten, dat je door ondervinding veel leeren zult. Ik zou nu maar eens naar Nico gaan kijken, wie weet, wat hij uitvoert.”

Thea veegde hare oogen af, gaf haar vader een kus en begaf zich naar het kamertje, waar ze ’s morgens haar broertje les gaf. [21]

Ze vond hem bezig, papierpropjes over de tafel te schieten, de grond lag er al mee bezaaid.

„Wat is dat nu weer,” zei ze streng, „wat een rommel heb je gemaakt. Is je som af?”

Nico keek zijn zuster eens aan, die poogde een strenge uitdrukking aan haar nog zoo kinderlijk gezichtje te geven. Hij zag dadelijk, dat ze gehuild had.

„Je hebt zeker een lekker standje van Vader gehad, hè? Net goed, dan moet je maar niet zitten suffen.”

Nu keek zijn zuster werkelijk boos.

„Hou je mond,” zei ze, „en maak die som af, of ik vraag aan Vader, je oogenblikkelijk naar bed te sturen.”

Nico zag, dat ze werkelijk boos was en vond het beter, nu maar aan het werk te gaan, hij wilde Vader er liever niet verder ingehaald zien. Toch kon hij niet nalaten nog even binnensmonds te mompelen:

„Je hebt toch een lekker standje gehad!”

Thea hoorde wel, wat hij zeide, maar deed maar, alsof zij er niets van merkte.

„Geef nu zoo’n jongen eens les,” dacht ze, „hoe is dat nu mogelijk. Vader heeft gemakkelijk praten, als hij zegt, dat een leerling, een leerling is, broertje of niet, een vreemd kind zou toch zoo niet durven spreken.” Een poosje had Nico ijverig doorgewerkt, toen toonde hij triomphant zijn som aan Thea.

„Al af,” zei hij.

„Je mag wel zeggen, al, ik heb je haar een uur geleden opgegeven.”

„Nou ja.…. maar nu had ik haar toch gauw af. [22]Zeg Thea, als ik nu verder goed werk, zou ik dan toch vroeg naar bed moeten vanavond?”

„Ik denk het niet, ik heb Vader gezegd, dat het mijn schuld was, daar straks.”

Nico vloog op en klom op haar schoot. Zijne armen om haar hals slaande, zei hij tusschen twee kussen door:

„Heb je dat echt gezegd? Lieverd, je bent een lekkere zus, ik zal nooit meer wegloopen, al let je heelemaal niet op me, hoor.”

Lachend zette Thea haar onstuimig leerlingetje weer op zijn stoel.

„Goed,” zei ze, „maar ik zal voortaan wel beter oppassen, daar kun je van op aan. Doe toch je best, jongen, je moet nu eenmaal bij mij leeren en als het niet gaat, doe je Vader zoo’n verdriet.”

De ochtend ging verder kalm voorbij. Nico scheen zijn onaardig gedrag goed te willen maken en daar hij een vlug hoofd had en heel goed leeren kon, als hij maar wilde, ging het nu heel goed en kon Thea niet nalaten te zeggen, toen de les was afgeloopen:

„Hè Nico, als je nu eens altijd zoo was.”

„Dat zou je wel willen!” riep haar broertje, terwijl hij lachend wegholde.

Thea keek hem hoofdschuddend na.

„Als hij maar een beetje respect voor me had,” zuchtte ze, zijne boeken en zijn lei wegbergend.

Toen Thea dien middag op haar kamertje zat te studeeren, voor haar Fransche akte, kwam het dienstmeisje zeggen, dat mijnheer gevraagd had, of de juffrouw [23]eens even bij hem wilde komen, hij moest haar over iets spreken. Verwonderd keek Thea op. Zou Vader nog terugkomen, op hetgeen er dien morgen gebeurd was? „Ik kom,” zei ze tegen het meisje en haar boek sluitend, stond ze op en ging naar de huiskamer. Daar vond ze Vader en Moeder in druk gesprek, doch zij zwegen, toen ze binnentrad.

Haar vader had een open brief voor zich op tafel liggen en vroeg haar, eens kalm bij hem te gaan zitten.

„Thea,” zei hij, den brief opnemend, „daar heb ik een schrijven ontvangen, dat vooral voor jou van belang is.”

„Voor mij, Vader?”

„Ja, kind, want in dien brief wordt je een betrekking aangeboden als gouvernante.”

„Is ’t echt?”

Thea had een kleur gekregen van verrassing.

„Er is een goed salaris aan verbonden. Een oud vriend van me, dien ik onlangs eens over je geschreven had, heeft je gerecommandeerd bij kennissen van hem en nu vraagt hij, of je er lust in zoudt hebben.”

Thea bloosde alweer.

„Natuurlijk, als er een goed salaris aan verbonden is, dat zei u immers?”

Toen eensklaps haar vader angstig aanziende:

„Het is toch extern, niet waar?”

Nu nam haar moeder het woord.

„Neen, kindje, dat is het juist. Anders zou ik er heel blij mee zijn, maar je zoudt van ons af moeten, het is een interne betrekking.” [24]

„Maar dan toch hier in de stad?”

„Dat ook niet. De familie, waar je komen zoudt, woont in Brussel. Het is een Hollandsche familie, die daarom graag een gouvernante uit haar eigen land bij de kinderen wil hebben. Zou je het aandurven?”

Hier viel haar vader in:

„Er zijn vier kinderen, maar de beide oudste meisjes zijn volwassen, die zouden dus geen les meer van je krijgen. Je zoudt tot leerlingen hebben, een meisje van tien en een jongen van acht jaar. Het lijkt mij wel goed, je zoudt, behalve de gewone verpleging, driehonderd gulden salaris krijgen.”

Thea keek verbaasd.

„Kost en inwoning en driehonderd gulden salaris, dat is mooi,” zei ze.

„Dat dachten we ook. Wij vinden het natuurlijk ook prettig, dat die familie aan mijn vriend bekend is en wij je dus gerust kunnen laten gaan. En dan is er nog een voordeel aan verbonden, denk eens hoe goed het voor je Fransch zal zijn, als je naar Brussel gaat.”

Thea was stil geworden.

Vader had gelijk, het was een mooi aanbod, het zou dwaas van haar zijn, die gelegenheid tot werken en geldverdienen niet aan te grijpen, maar toch.…

Moet ik gaan?” vroeg ze met een benauwde stem.

Haar vader schudde zijn hoofd.

„Wij zullen je niet dwingen, wat Moeder en mij betreft, wij geven wel onze toestemming, maar je moet zelf beslissen.” [25]

Weer zat Thea stil voor zich uit te kijken.

Haar moeder trok haar naar zich toe.

„Zou je er zoo erg tegen opzien, om het huis uit te gaan, beste?” vroeg ze zacht.

Thea sloeg hare armen om haar moeders hals en verborg haar gezicht aan haar borst.

„Vreeselijk,” zuchtte ze.

„Wij zouden je natuurlijk ook erg missen, lieveling, heel erg, maar toch moeten we geen overijld besluit nemen, het is werkelijk een mooi aanbod. Denk er eens kalm over na.”

„Dat vind ik ook,” zei haar vader, „zoo iets behoeft niet in eens beslist te worden. Vanavond moet ik antwoorden, tot zoolang kun je er over nadenken.”

„Ja Vader,” en Thea stond langzaam op om de kamer te verlaten.

Het was zoo’n klein, terneergeslagen persoontje, dat daar naar de deur liep, dat haar vader haar terugriep.

„Kom nog eens even bij me, kind, ik moet je nog wat zeggen.”

Langzaam keerde Thea zich om, doch het gezicht van haar vader ziende, waarop liefde en medegevoel zoo duidelijk te lezen stonden, wierp ze zich eensklaps in zijne armen en snikte het uit.

„Kindje,” suste hij, haar hoofd streelend, „kindje, als je het zoo vreeselijk vindt, hoef je niet te gaan. Ik dacht, dat het voor ons aller bestwil zou zijn, maar je moet het niet doen, als je er zoo tegen opziet. Ik houd natuurlijk mijn oudste meisje liever bij me.” [26]

Thea glimlachte door hare tranen heen.

„Maar Moes vindt beter, dat ik ga.”

Haar moeder maakte een ontkennende beweging.

„Neen kind, je begrijpt me verkeerd. Ik vind het niet verstandig, je zoo door je gevoel te laten overheerschen. Het lijkt me een goede betrekking, je hebt al ondervonden, dat die niet opgeschept liggen en dus vind ik, dat we er wel eens over denken mogen, vóór we zoo’n aanbod afslaan.”

Thea droogde hare oogen af en richtte zich op.

„U heeft gelijk, ik ben nog een echt flauw kind, ik huil dadelijk, let er maar niet op. Nu ben ik al weer verstandig, ik was er van geschrokken, denk ik. Nu zal ik er eens kalm over nadenken en u straks zeggen, wat ik het liefste wil. Is dat goed?”

Ze schreide nu niet meer, ze trachtte zelfs te glimlachen, maar ach, het was zoo’n droevig lachje. Toen ze de kamer verlaten had, veegde ook haar moeder zich de oogen af en haar vader zuchtte: „Arm kind.”

Thea liep regelrecht naar haar kamertje. Ze lette er niet op, dat Nico haar tegen het lijf liep en haar beschreid gezichtje ziende, mompelde: „Heeft ze nu al weer een standje gehad.” Ze sloot haastig de deur achter zich en wierp zich voorover op het bed. Daar liet ze haar tranen den vrijen loop.

Ze moest van huis, weg van Vader en Moeder en de zusjes en broertjes. Ze had altijd gehoopt, ja er zeker op gerekend zelfs, dat ze een betrekking in de stad harer inwoning zou vinden. Ze had wel begrepen, daar [27]alle begin moeielijk is, dat het haar ook niet dadelijk gemakkelijk zou vallen, les te geven en de orde te bewaren op een school, of bij leerlingen aan huis, maar ze had zich getroost met de gedachte, dat na gedanen arbeid haar een vriendelijk thuis wachtte en harten, die haar begrepen.

En nu?

Ze moest alleen naar een vreemde stad, onder menschen, die ze niet kende, waar zelfs een taal gesproken werd, die ze niet goed machtig was.

En ze voelde zich zoo gauw verlegen, ze was heelemaal geen meisje, dat durfde, zooals er tegenwoordig zooveel zijn.

Ze rilde bij de gedachte, weg te gaan, alleen onder vreemden en toch moest het. Ze voelde hoe langer, hoe duidelijker, dat ze niet weigeren mocht, niet weigeren kon, zonder laf te zijn en ontrouw aan wat ze als haar eersten plicht beschouwde, te trachten de drukkende zorgen van hare ouders te verlichten.

Ze mocht dus niet weigeren, ze moest gaan.

Het snikken was nu bedaard.

Thea stond van het bed op en waschte zich de brandende oogen. Toen kamde ze haar kuif wat op en besloot ineens door den zuren appel heen te bijten. Ze wilde dadelijk haar besluit aan hare ouders mededeelen, dan kon ze niet meer terug. Ze zou Vader vragen direct te schrijven, ze wilde de brug achter zich afbreken en het verder met zichzelven uitvechten. Vader moest het er voor houden, dat ze geheel met het plan verzoend [28]was, die goede Vader was in staat zich zelf te verwijten, dat zij haar eigen brood moest verdienen. Dat mocht niet.

En dan kon Nico naar school. Dat was ook beter, ze was niet tegen hem opgewassen, met vreemde kinderen zou het gemakkelijker gaan. Ze zou dadelijk heel streng zijn en laten merken, dat er niet met haar te spotten viel. Toen keek ze toevallig in den spiegel en moest lachen om het kleine meisje, dat haar daaruit aankeek en dat zich voornam een strenge onderwijzeres te worden.

Toen dacht ze, dat ze misschien zou kunnen maken, dat de kinderen heel veel van haar hielden en dat ze daardoor dan veel invloed op hen zou kunnen uitoefenen.

Maar Nico hield ook veel van haar en toch.…

Enfin, dat was van later zorg, nu maar eerst naar beneden gaan en haar besluit mededeelen.

Haar moeder kuste haar en zei, dat ze wel geweten had, dat ze verstandig zou zijn, maar haar vader keek haar bezorgd aan en vroeg:

„Weet je wel zeker, dat dit besluit je niet berouwen zal. Als je eenmaal je woord gegeven hebt, kun je niet meer terug, kind, bedenk dat goed.”

Maar Thea antwoordde, dat ze vast besloten was, ze zou gaan, ze zou haar best doen en alles zou goed terecht komen, moest goed terecht komen.

Haar vader greep haar hand.

„Dan zal ik vanavond schrijven, dat je graag wilt,” zei hij.

„Doe het liever straks nog,” verzocht ze. [29]

Daarna begon ze druk met haar moeder te bepraten, hoe ze nog alles in orde zouden krijgen voor haar wintertoilet, want, hoewel er niet geschreven was, wanneer men haar precies noodig had, kon men toch uit den brief opmaken, dat men haar al spoedig verwachten zou.

[31]

[Inhoud]
Derde Hoofdstuk.

Derde Hoofdstuk.

Afscheid.

W

at een drukke tijd was dat, die vooraf ging aan Thea’s vertrek naar Brussel. Er moest nog zooveel in orde gemaakt worden, wilde ze met een behoorlijk uitzet het ouderlijk huis verlaten. De zusjes en broertjes hadden er niet weinig van opgekeken, toen hun verteld werd, dat Thea een plaats als gouvernante in Brussel had aangenomen.

Hun oordeel over dit belangrijke feit was zeer verschillend.

Ita vond het heel interessant voor haar zuster, naar Brussel te gaan en deed alsof ze haar benijdde, maar in haar hart was ze heel blij, dat haar dat geluk niet te beurt viel, ze bleef veel liever rustig thuis. Maar Thea mocht dat niet weten, liet die maar denken dat ze graag in haar plaats zou zijn, dan kreeg ze er zelf misschien ook pleizier in. [32]

Want Ita geloofde er niets van, dat Thea graag ging, al zei deze dat ook nog zoo dikwijls, ze waren immers zulke malle huismuschjes.

Jan vond het allemachtig leuk voor Thea, ze bofte, hoor, en Bets voelde in eens, dat ze respect voor haar had, een dame, die in Brussel ging wonen, nou, ze blufte er niet weinig op tegen hare vriendinnetjes.

Wat Nico betreft, die was innig gelukkig, omdat hij nu naar school mocht.

„Vin’ je het heelemaal niet naar, geen les meer van me te krijgen?” vroeg Thea.

„Heelemaal niet.”

Thea wendde het hoofd af, ze voelde, dat hare oogen zich met tranen vulden. Ze was zoo bespottelijk gevoelig in de laatste dagen, dat kwam zeker, doordat ze er aldoor aan denken moest, dat ze wegging en allen, die ze liefhad, moest achterlaten.

Het was maar goed, dat er nog zooveel te doen was, dan had men geen tijd tot veel nadenken.

Maar één was er, die door zijn toestand buiten deze drukte stond, één, die meer dan anders aan zichzelven overgelaten, ruim den tijd tot nadenken had.

Hoe hij haar missen zou!

Was ze niet jarenlang zijn klein troosteresje geweest, dat, niettegenstaande ze studeeren moest voor hare examens, toch steeds tijd gevonden had, even bij hem te komen, om hem met een vroolijk grapje op te wekken. Alleen haar lief gezichtje te zien, was hem al een troost geweest. [33]

En nu moest ze hem verlaten! Zeker, hij hield nog veel bij zich, zijn goede vrouw, flink en opgewekt, doch door den harden levensstrijd zoo heel praktisch geworden. Het was goed, dat ze zoo was, ware ze anders geweest, dan was er van het huishouden niet veel terecht gekomen, maar het vele alleenzijn en het lezen en nadenken, waarmee hij zich den tijd verdreef, hadden zijn geest een richting gegeven, waar ze hem niet altijd volgen kon. Zijn kleine Thea, jong als ze was, begreep hem veel beter, hun vele gesprekken hadden haar in zijne denkbeelden opgevoed.

Dan had hij nog de kinderen, maar die waren nog zoo jong. Ita een lieve meid, maar een echte robbedoes, Jan, een beste jongen, maar die niet gemakkelijk leerde en hem daardoor veel zorg gaf, Bets en Nico, een paar aardige kinderen, maar waaraan hij natuurlijk nog geen gezelschap had. Ze waren vroolijk en wild en speelden veel liever in een andere kamer, of buiten, waar ze zooveel leven mochten maken, als ze maar wilden en waar geen Vader lag, wiens zwakke gezondheid hen noodzaakte, zich in te houden.

Neen, geen van allen kon hem het gemis van zijn lief meisje vergoeden, maar dat mocht ze niet weten. Voor haar hield hij zich goed, hij wilde de laatste gezellige uurtjes, die ze samen konden doorbrengen, niet bederven. Ze scheen er zich nog al in te kunnen schikken, dat ze hem verlaten moest, ze kon tenminste heel opgewekt met hem praten en scheen niet erg tegen haar nieuwe betrekking op te zien. [34]

Zoo speelden ze comedie voor elkander.

Dat Thea dikwijls moeite had, zich goed te houden, als ze zoo bij hem zat, dat wist hij niet en evenmin hoe ze tegen de heele verandering opzag.

Dat mocht trouwens niemand weten. Thea vond zichzelve laf, andere meisjes waren zoo niet, ze wist, zeker, dat er vele waren, die in haar plaats zouden willen zijn. Ze kende er, die dolgraag eens uit huis zouden willen en blij zouden zijn, als hun de gelegenheid geboden werd eens iets anders te zien, dan de stad, waar ze nu al zoovele jaren gewoond hadden. Ze deed haar best, er ook zoo over te denken, maar ze kon niet. Werkelijk ze kon niet. Ze was zoo innig gehecht aan haar thuis, misschien was ze overdreven, ze voelde er zich bezwaard mee, dat ze zoo weinig flink was, maar ze was nu eenmaal zoo.

Moeder scheen het heel goed te vinden, dat ze ging. Zou Moes haar niet missen?

Och, ze kon niet in het hart van haar moeder lezen, ze wist niet, hoe ook deze tegen haar vertrek opzag, maar het haar niet wilde laten merken, omdat ze haar niet wilde sterken in haar wat al te gevoelige natuur.

Zoo was de laatste dag van haar thuiszijn aangebroken. ’s Morgens had ze met behulp van Moeder de laatste hand aan hare koffers gelegd en nu was er niets meer te doen en kon ze ’s middags bij Vader blijven, terwijl Moes het druk had in de keuken, waar ze de lievelingskostjes van Thea klaarmaakte.

Haar vader nam haar hand en keek haar ernstig aan. [35]

„Nu zal het er van komen, kleintje, en daar we vanavond wel niet meer alleen samen zullen zijn, wilde ik graag een woordje met je spreken.”

Thea’s oogen vulden zich met tranen, vandaag was het haar niet mogelijk, ze terug te houden. Haar vader zag het wel en trok haar naar zich toe, om haar een kus te geven.

„Niet schreien, beste, wij moeten ons goed houden. Het is eigenlijk te gek, zoo sentimenteel als we zijn,” poogde hij te schertsen, „zou men niet denken, dat je voor minstens eenige jaren wegging en na een maand of wat kom je al weer eens thuis.”

„Zes maanden, Vadertje, het is juist zoo vreeselijk, dat ik met de Kerstdagen niet thuis mag komen, waarom kunnen ze dan zelf niet eens op die kinderen passen.”

„Ja, het is jammer, dat die voorwaarde er aan verbonden was, maar mevrouw schijnt juist in die feestdagen een vertrouwd persoon bij hare kinderen te willen hebben, omdat de familie dan veel uit is, of zelf feesten geeft. Zooals je weet, stond ze er nadrukkelijk op, dat je de wintermaanden niet naar huis zoudt gaan.”

„Ja,” zuchtte Thea, „ik vind het vreeselijk egoïst.”

Haar vader streelde haar hand.

„Dat is al naar je het neemt, kindje, je kunt het ook zoo beschouwen, dat het van jou kant egoïst zou zijn, naar huis te gaan, als je daar noodig bent.”

Thea liet zich op haar knieën zakken en legde haar hoofd naast dat van haar vader.

„Hier ben ik ook noodig,” fluisterde ze. [36]

Haar vader streelde haar zachtjes over het blonde haar.

„God alleen weet, hoe noodig,” dacht hij, maar zijn stem een opgewekten klank gevend, zei hij:

„Eén ding moet je niet vergeten, lieveling, juist doordat je in betrekking gaat en geld verdienen zult, doe je, wat voor ons het best is. Je kunt altijd troost putten uit de gedachte, dat je nu onze zorgen helpt verlichten. Je weet trouwens wel, kindje, hoe ik er over denk, dat ik zelf niet in staat ben, geheel voor jullie te zorgen.”

Thea keek hem aan. Trilde zijn stem, had hij tranen in zijne oogen?

Laf schepsel, dat ze was, hem zoo te doen denken, aan hetgeen hem het meest verdriet deed in zijn leven.

Ze kuste hem en sprong op.

„U heeft gelijk, ik ben ondankbaar, ik moet heel blij zijn, dat ik in staat gesteld word, wat te verdienen. Het zal best gaan, laten we nu verder vroolijk zijn en van dezen middag genieten. Zal ik u wat moois voorlezen?

„Graag, kindje.”

Thea nam een boek, dat bij hem lag en begon te lezen.

Na een poosje zei haar vader: „Ik kan het vandaag niet goed volgen, laten we liever nog wat praten. Er is nog iets, dat ik je zeggen wilde.”

Thea legde haar boek neer en ging op het voeteinde der rustbank zitten.

„Ja, Vader.”

„Kijk eens, beste, zooals je weet is de familie, waar je komt, heel rijk. Er zijn daar ook twee jonge meisjes, [37]die als dochters des huizes natuurlijk een heel ander leven zullen hebben, dan jij, die daar als ondergeschikte komt.”

„Als ondergeschikte, ik ben van even goede familie,” mompelde Thea.

Haar vader glimlachte, Thea hield haar hoofd opgericht, alsof ze een prinsesje was.

„Dat ben je ook, maar dat neemt niet weg, dat anderen je toch zullen beschouwen als de gouvernante, in tegenstelling met de dochters des huizes.”

Thea’s mondje had nog altijd een trotsche uitdrukking.

„Waarom zegt u dat?” vroeg ze.

„Om je te waarschuwen en je voor te bereiden op dingen, die je misschien niet prettig zult vinden. Ik wilde je er op wijzen, omdat je dan op kunt passen, dat geen jaloezie in je hart sluipt, je bent natuurlijk aan veel meer verleiding tot leelijke gedachten blootgesteld dan thuis. Juist omdat ik je ken en weet, dat je het hart nogal hoog draagt, maak ik me ongerust, dat het verschil van omstandigheden en levenswijzen tusschen die meisjes en jou, je karakter een leelijke plooi zal geven.”

Thea keek somber voor zich uit.

„Ik ben te trotsch, om jaloersch te zijn, zei ze.

„Best, dan ben ik gerust. Zoolang je te fier bent, om lage gedachten toegang te geven tot je hart, zoolang mag je het hoofd zoo hoog houden als je wilt.”

„Dat wil ik, Vader.”

Weer glimlachte haar vader. Zijn klein, dapper meisje, ze wist nog zoo weinig van de wereld af, ze [38]dacht nog, dat het maar zoo gemakkelijk en zonder strijd ging, zich rein te houden van booze invloeden, die van alle kanten wilden inwerken.

Thea keek hem aan, zag de uitdrukking zijner oogen en eensklaps haar hoofd buigend, zei ze zacht:

„Ik zal mijn best doen, Vader.”

Weer trok hij haar naar zich toe, om haar een kus te geven.

Daar vloog de deur open en Ita kwam lachend naar binnen.

„Zijn Vader en Theetje een beetje aan het vrijen?” zei ze.

Thea richtte zich op en lachte ook, hoewel flauwtjes.

„Je doet me schrikken, is het al zoo laat? Dan mag ik wel eens gaan dekken.”

„We smullen vanmiddag,” zei Ita, zich vergenoegd de handen wrijvend. „Ik zal je even helpen.”

Niet lang daarna zat de familie aan tafel en dank zij Moeders pogingen om een opgewekt gesprek te voeren, waren allen weldra vroolijk, ja zelfs opgewonden. Het was tevens Nico’s eerste schooldag geweest, hij had heel wat te vertellen en vond, dat hij eigenlijk de held van het feest was en niet Thea, die vandaag niets bijzonders gedaan had. Na het eten speelde men wat spelletjes met de kinderen en toen die naar bed waren, zaten Vader, Moeder, Thea en Ita nog een poosje gezellig bij elkaar. Ze trachtten even opgewekt te blijven, als ze het met de kinderen geweest waren, maar het lukte niet erg meer, een schaduw had zich over hun [39]vroolijkheid gelegd en niet lang daarna stelde Moeder voor naar bed te gaan, morgen was het weer vroeg dag. Thea zou met den trein van omstreeks half tien vertrekken, dan was ze tegen één uur in Brussel.

Op hun gemeenschappelijke kamer gekomen, sloeg Thea hare armen om den hals van haar zuster.

„Zul je lief zijn voor Vader?” vroeg ze.

Ita schudde haar lachend van zich af.

„Natuurlijk, word nu niet sentimenteel. Vertrouw maar op je ouwe Griet.”

Maar Thea liet zich zoo niet afwijzen.

„Zul je me altijd alles schrijven, niets voor me geheim houden? Ik weet zeker, dat Vader en Moes alleen vroolijke brieven zullen schrijven, maar ik wil alles weten, wat hier in huis voorvalt, alles, ook het minder goede. Beloof je me, niets voor me geheim te houden?”

Ita wreef met een bedenkelijk gezicht haar wijsvinger over haar neus.

„Als ik het beloof, moet ik het doen ook hè? Laat me dan als je ’t belieft geen belofte afleggen. Stel je voor, alles te moeten schrijven, wat er hier in huis voorvalt! Hoe Nico zijn zakdoek kwijt is en Bets haar schort scheurt, hoe Jan altijd met zijn ellebogen op tafel zit en onze dienstbare dwerg een bord breekt. En dan moet je nog leerling van de H. B. S. zijn. Neen hoor, bij mijn naam van Griet, dat beloof ik niet.”

Ze zag er zoo komisch uit, dat Thea hartelijk begon te lachen. [40]

„Zoo mag ik het zien,” riep Ita, „nu vlug in bed, ik zal je instoppen en dan ga je lekker slapen.”

Thea hoopte, dat haar zusje gelijk had, ze was juist zoo bang, niet te kunnen slapen. Maar gelukkig, haar vrees werd niet bewaarheid en weldra hoorde men niet anders dan de rustige ademhaling van de beide zusjes.

[41]

[Inhoud]
Vierde Hoofdstuk.

Vierde Hoofdstuk.

Van huis.

N

og een laatste wuiven, nog een laatste knikken en de trein stoomde onder de kap van het station uit.

Thea stak haar hoofd uit het raampje en trachtte nog de gestalte van haar moeder te onderscheiden, maar het ging niet meer en met een niet te onderdrukken zucht, trok ze haar hoofd terug en zette zich in haar hoekje neer.

Daar waren ze nu voor langen tijd gescheiden, Moeder en zij, daar gingen ze nu verschillende richtingen uit, Moeder naar huis, naar Vader en de kinderen en zij naar een vreemde stad, naar een haar onbekende familie. De tranen, die zij den geheelen morgen zoo dapper bedwongen had, wilden zich nu niet langer laten terughouden en druppelden hardnekkig langs hare wangen, [42]hoe vlug ook afgeveegd. Ze keerde haar gezicht naar het raampje en alsof daar iets heel bijzonders te zien was, tuurde ze naar buiten, van tijd tot tijd de lastige tranen afvegend. Deze vloeiden evenwel hoe langer hoe vlugger langs hare wangen en eindelijk gaf ze den strijd op en in haar hoekje gedrukt, met haar zakdoek voor haar gezicht, gaf ze zich aan haar verdriet over.

Tegenover haar zat een dikke, Indische dame met een lief, echt moederlijk gezicht. Ze keek naar het schreiende meisje en voelde een innig medelijden met haar. Arm klein ding, wat had ze een verdriet, kassian toch, zoo’n jong meisje nog! Die dame, die haar weggebracht had, was zeker haar moeder, die keek ook al zoo bedroefd, kassian.

Het kind moest zeker naar een kostschool in Brussel, ouder dan een jaar of zeventien gaf ze haar niet.

Waarom hielden ze zoo’n meisje niet thuis, als ze het zoo naar vond om weg te moeten, het ellendig mondjevol Fransch en de nuffige manieren, die je op zoo’n kostschool leerde, wogen niet op tegen het verdriet, dat het schepseltje er van had.

Ze zou graag wat vriendelijks tegen haar zeggen, maar het kind zat maar met haar zakdoek voor haar gezichtje en keek niet op. Gelukkig, dat er geen andere reizigers waren in deze coupé, ze moest maar eens uithuilen, vóór ze in Rotterdam waren, dan kwamen er zeker weer passagiers bij. Ze zou haar nog een oogenblikje laten uitschreien en dan eens iets tegen haar zeggen, want ze zouden in Rotterdam zijn, voor ze het wisten. [43]

Na een paar minuten raakte ze zachtjes Thea’s knie aan.

Thea keek verschrikt op, haar zakdoek nog voor haar mond gedrukt.

„Vin’ je het zoo erg van huis te gaan?” vroeg vriendelijk de dikke dame tegenover haar.

De toon was zoo gemoedelijk en welwillend, de oogen, die haar aankeken, zoo vriendelijk en Thea voelde zich zoo eenzaam en had zoo’n behoefte aan een medevoelend hart, dat ze zonder aarzelen antwoordde:

„O, vreeselijk.”

Toen bedacht ze zich opeens, hoe die dame kon weten, dat ze van huis moest en ze vroeg, terwijl ze de laatste tranen afdroogde:

„Hoe weet u, dat ik van huis ga, mevrouw?”

De dame begon te lachen.

„Nu, dat kan ik wel raden, als een jong meisje zoo alleen naar Brussel reist en daarenboven nog zoo verdrietig is, dan is het niet heel moeielijk om te begrijpen, dat ze naar een kostschool gaat.”

Thea keek haar verbaasd aan.

„Denk u dus, dat ik naar kostschool ga? vroeg ze.

„Ja, waar anders naar toe. Als je gewoon uit logeeren ging, zou je zoo bedroefd niet zijn.”

Thea begon te lachen.

Dat die dame haar voor een schoolmeisje aanzag, deed haar een oogenblik haar verdriet vergeten. Hoe grappig, ze was op weg, zelf kinderen les te gaan geven en nu dacht haar buurvrouw, dat ze nog naar school moest. [44]

Deze klopte haar eens vriendschappelijk op haar knie en zei:

„Zoo mag ik het zien, lachen past bij de jeugd. Ze zullen wel zoo bar niet zijn op die school.”

Thea had pret in ’t geval.

Ze wist wel, dat ze er nog heel jong uitzag, ze was ook nog geen twintig, maar ze had toch niet gedacht, dat ze voor een schoolmeisje zou worden aangezien.

„Hoe oud denkt u, dat ik ben?” vroeg ze.

„Een jaar of zestien, zeventien misschien.”

„Zoo jong!” en Thea lachte weer vroolijk, „neen, ik ben een beetje ouder.”

„Achttien dus?”

„Neen, negentien.”

Haar buurvrouw schudde verwonderd het hoofd.

„Al negentien, daar zie je er heelemaal niet naar uit. Maar moet je dan nu nog naar kostschool?”

„Neen mevrouw, ik ga niet naar kostschool.”

„Niet? Dan toch uit logeeren? Maar waarom dan die tranen?”

„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.”

„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.”

„Ik ga ook niet uit logeeren, ik ga als gouvernante naar Brussel.”

(Bladz. 44)

Haar buurvrouw keek haar aan met oogen, rond van verbazing.

„Als gouvernante, kind, neen maar, dat is gewoon bespottelijk!”

Thea voelde zich beleedigd, ze zou wel eens willen weten, wat daar voor bespottelijks aan was.

„Vindt u dat zoo gek?” vroeg ze, een beetje stijf. [45]

De dame merkte, dat hare woorden geen aangenamen indruk gemaakt hadden.

„Neem me niet kwalijk,” zei ze goedig, „maar je ziet er nog zoo erg jong uit, veel meer als een meisje, dat zelf nog leeren moet, dan als een vrouw, die voor de opvoeding van kinderen moet gaan zorgen. Maar daarom kan je er toch wel heel geschikt voor zijn, iemand kan wel anders zijn, dan hij er uitziet.”

Toen haar nogmaals hoofdschuddend aanziende: „Kassian.”

Thea keek stil voor zich.

Haar opgewektheid van daareven was alweer verdwenen, ze voelde zich nu dubbel bezwaard. Als ze er nog jonger uitzag, dan ze al was, hoe zouden die kinderen dan respect voor haar kunnen hebben!

Ze zag heel erg tegen hare toekomstige verplichtingen op!

Haar gezichtje stond weer zoo bedroefd, dat haar goedhartige buurvrouw er verdrietig onder werd. Juist wilde ze haar nog een vriendelijk woordje toevoegen, toen de trein te Rotterdam stopte. Nu kwamen er eenige nieuwe reizigers binnen, waaronder een jong mensch, dat zich naast Thea neerzette.

Toen de trein weer in beweging was, greep het Indisch mevrouwtje Thea’s hand en fluisterde:

„Binnen twee maanden is het alweer Kerstmis, kind.”

Ze dacht natuurlijk Thea te troosten, met er haar aan te herinneren, dat de feestdagen zoo spoedig in aantocht waren, maar de uitwerking van hare woorden was [46]heel anders, dan ze verwachtte. Thea’s lippen begonnen te beven en hoewel ze haar zakdoek krampachtig tegen haar mond drukte, ontsnapte haar toch een snik.

Het jongemensch naast haar keek haar eens van terzijde aan.

Daarna haalde hij een fleschje met eau de cologne uit zijn vestzak en bood het haar aan.

Verlegen bedankte Thea, ze was doodconfuus zoo de aandacht op zich gevestigd te zien, wat niet verminderde, toen haar overbuur met een goedgemeend: Kassian, hare medereizigers meewarig aankeek, terwijl ze haar hoofd schudde.

Al die medelijdende en nieuwsgierige oogen, gaven Thea opeens haar tegenwoordigheid van geest terug. Ze onderdrukte met kracht hare tranen, hield hare snikken in, veegde hare oogen af en deed haar uiterste best onverschillig te kijken.

„Voelt u zich wat beter?” informeerde het jongemensch.

„O ja, dank u,” antwoordde Thea, wie het bloed naar de wangen steeg. Dat ellendige blozen, het overviel haar dadelijk, ze kon er niets aan doen, maar wat moest die mijnheer nu wel van haar denken.

Ze draaide haar gezicht zooveel mogelijk naar het raampje en ging schijnbaar ijverig het landschap bestudeeren, maar voelde de blikken, die op haar gericht waren, ze zag ze, als ’t ware.

Er ontspon zich een fluisterend gesprek tusschen de dame tegenover haar en haar buurvrouw. Ze spraken heel zacht en Thea kon niet veel verstaan, maar ze [47]hoorde toch zoo iets van: zoo’n mooi jong meisje, en van: zoo’n arm schepseltje, dat nu al haar eigen brood verdienen moest en de gedachte, dat het jongemensch naast haar die woorden evengoed zou verstaan, maakte haar boos en verlegen.

Men naderde de grens.

Eensklaps wendde het jongemensch zich tot haar.

„Als ik u straks bij de douanen soms van dienst kan zijn, zal het mij een genoegen zijn,” zei hij.

Thea wist niet goed, wat te antwoorden, ze was nog nooit over de grenzen geweest, en wist heelemaal niet, hoe ze handelen moest bij de douanen, maar kon ze van een haar geheel onbekend jongmensch wel hulp aannemen?

Terwijl ze even aarzelde, wat te antwoorden, viel haar buurvrouw in:

„Ik heb de juffrouw beloofd, haar behulpzaam te zijn, u wordt dus bedankt voor uw beleefdheid.”

Thea keek haar verbaasd aan, ze herinnerde zich niets van die belofte, maar was blij nu zelf geen beslissing te moeten nemen, omtrent het al of niet aannemen van zijn hulp.

Het dikke mevrouwtje knipoogde eens tegen haar en Thea glimlachte terug.

Het was toch aardig van die dame, dat ze zich harer zoo aantrok, ze was nog zoo weinig bereisd en wist nog niet altijd, hoe ze zich houden moest.

Bij het douanenstation gekomen nam deze haar mee, hielp haar met haar koffer en toen men weer [48]in de coupé plaats nam, ging ze naast Thea zitten, in plaats van tegenover haar.

Toen het jongemensch terug kwam en zijn plaats bezet vond, keek hij wat verwonderd, maar ging zwijgend op een andere plaats zitten.

„U neemt me niet kwalijk, niet waar mijnheer,” zei nu Thea’s beschermster, „maar ik wilde liever vooruit rijden.”

„Zeker niet, mevrouw,” was het antwoord.

Daarna zich tot zijn buurman overbuigend, fluisterde hij: „vis-à vis faut mieux qu’ à côté.

Men naderde Brussel en de reizigers begonnen hun bagage bij elkaar te zoeken.

Het jongemensch bood nu zijn hulp niet meer aan, maar verliet de coupé toch niet, voordat hij Thea een specialen groet geschonken had.

Nadat ze afscheid genomen had van haar beschermster, die door familie afgehaald werd, keek Thea een oogenblik verbijsterd rond. Mevrouw van Gendringen had haar geschreven, dat ze iemand aan het station zou vinden, bij haar aankomst, maar ze zag niemand, die uitkeek naar een verwachte reizigster. Ja toch, daar stond een livreiknecht, zou die soms haar komen halen? Een oogenblik keken beiden elkander aan, de knecht scheen te aarzelen, hij keek nog eens rond, of hij niemand anders zag, die meer aan zijn voorstelling van een gouvernante voldeed en kwam toen op haar af.

„Mademoiselle van Welderen?” vroeg hij, zijn hoed afnemend. [49]

Op het bevestigend antwoord van Thea vroeg hij haar hem te volgen. Mocht hij haar bagagebiljet hebben, dan zou hij voor haar koffer zorgen. Hij bracht haar naar een net coupétje, Thea steeg in en weldra reed ze door Brussel’s straten.

Wat zou ze onder andere omstandigheden genoten hebben van dat ritje, ze zat zoo heerlijk in de zachte kussens van het weelderig coupétje en de straten, die ze doorreed waren zoo breed en zoo druk en vroolijk. Maar Thea was te veel onder den indruk van de dingen, die komen zouden, om pleizier in dit alles te kunnen hebben.

Het rijtuig hield stil voor een mooi huis in de Avenue Louise. Hoe voornaam was hier alles, de ruime marmeren vestibule en de statige bediende, die de deur geopend had en haar nu verzocht hem te volgen, mevrouw had bevolen, de juffrouw dadelijk bij haar te brengen.

Thea voelde een rilling door hare leden gaan.

De vestibule was goed verwarmd, maar toch had ze het koud, zeker van zenuwachtigheid, als op dat oogenblik een goede fee haar een wensch had toegestaan, dan zou ze plotseling overgeplaatst zijn in de nauwe gang van haar ouders’ woning en zou ze het volgend oogenblik bij Vader en Moeder in de gezellige huiskamer geweest zijn, in plaats van in de deftige salon van mevrouw van Gendringen.

De statige knecht keek eens over zijn schouder, of ze wel volgde, zijn gladgeschoren gezicht veranderde niet in het minst van uitdrukking, hij was gewend zijn [50]trekken de strakheid van een masker te geven, maar daarom werkten zijne gedachten toch wel.

En toen hij nu omkeek en het aardige, kleine meisje zag, dat hem volgde, kwam de gedachte bij hem op, dat ze een grappig uiterlijk had voor een gouvernante, ze leek nog wel een kind.

„Arm ding,” dacht hij, „wat kijkt ze benauwd, ik ben benieuwd, hoe mevrouw zal kijken, als ik haar binnenlaat. De vorige juffrouw had veel van een grenadier en nu zoo’n pop.”

Maar zijn gezicht verried niets van dit alles, terwijl hij voor haar uitging, de lange vestibule door en de breede trap op.

Daar hield hij stil, klopte aan een deur, deed deze wijd open en op zij gaand, om haar te laten passeeren, zei hij:

„Mademoiselle van Welderen.”

Thea trad binnen en de deur werd achter haar gesloten.

In een hoek van het prachtig gemeubileerde vertrek rees een gestalte op, groot en statig.

Thea trad eenige passen nader en maakte een buiging. Ze had een gevoel, alsof ze aan het hof was en aan de koningin werd voorgesteld, ze veronderstelde, dat ze zich dan even weinig op haar gemak zou gevoeld hebben. Met een nauw merkbaar optrekken der wenkbrauwen keek mevrouw van Gendringen haar aan, onder een stilzwijgen, dat Thea erg benauwend vond.

Toen met een handgebaar naar een der stoelen: [51]

Neemt u plaats.”

Thea ging zitten, ze handelde als in een droom, zoo drukte haar alles, de deftige omgeving, de statige gestalte met het mooie, koude gezicht en de stilte rondom haar en als in een droom hoorde ze vragen:

„Heeft u een goede reis gehad?”

Ze moest antwoorden en het was haar, als kon ze geen geluid geven.

„Heel goed, dank u,” zei ze zacht, zonder op te kijken en haar stem klonk haar als die van een vreemde in de ooren.

„U is mij zeer aanbevolen door vrienden,” ging de stem voort, „zeer aanbevolen, daarom heb ik u durven engageeren, zonder u vooraf gezien en gesproken te hebben.”

De stem zweeg, Thea voelde, dat scherpe oogen haar nauwkeurig opnamen.

Zou ze iets moeten antwoorden? Het scheen wel zoo, want mevrouw van Gendringen bleef zwijgen, haar steeds aankijkend.

„Ja mevrouw,” zei ze dus zachtjes.

„Hoe oud is u eigenlijk? Mijne vrienden zeiden, dat u bijna twintig jaar was, dat is u immers?”

Weer werden die oogen strak op haar gezicht en Thea kreeg een gevoel, alsof ze inkromp, ze was zich nog nooit zoo bewust geweest, een klein tenger persoontje te zijn, als nu.

„Zeker mevrouw,” antwoordde ze, kleurend.

„U ziet er bijzonder jong uit, jonger nog, dan u is. [52]Ik vond negentien al zeer jong, maar ik heb graag, dat de gouvernante van mijne kinderen van fatsoendelijke afkomst is en daarom besloot ik het maar met u te wagen.”

Thea voelde, dat het bloed haar naar de wangen steeg.

Van fatsoendelijke afkomst, nu nog mooier, ze was van even goede familie, als haar toekomstige meesteres.

Ze sloeg hare oogen op en keek voor het eerst mevrouw van Gendringen recht aan.

Deze keek een beetje verwonderd naar het blozende gezichtje. Wat een mooi kopje, dat was haar niet opgevallen, toen ze straks zoo schuchter en bleek binnenkwam. Het was een intelligent gezichtje ook, misschien zou het beter gaan, dan ze dacht. Ze was eerst werkelijk geschrokken van het bespottelijk jonge uiterlijk van de toekomstige gouvernante harer kinderen.

„Nu juffrouw,” zei ze een beetje vriendelijker, „we willen er het beste van hopen. Zooals u weet, zijn uwe leerlingetjes tien en acht jaar, Constance, de oudste, is nog al een lastig kind, maar Armand, mijn zoon, is allerliefst. Mijne beide oudste dochters zijn de leerkamer ontwassen, ze zijn achttien en twintig jaar. De vorige gouvernante heeft freule Isabella nog tot leerling gehad, maar ze is achttien jaar, zooals ik al zeide en wordt dus dezen winter gepresenteerd.”

Thea zat vol belangstelling te luisteren, ze voelde zich nu niet zoo verlegen meer en vond het werkelijk interessant iets naders omtrent de kinderen te hooren, die voortaan aan haar leiding zouden zijn toevertrouwd. [53]„Nu zal ik eens om de kinderen bellen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dan kan ik ze aan u voorstellen en daarna wilt u zich zeker wel even verfrisschen voor het diner.”

Ze schelde en gaf den binnentredenden huisknecht bevel, de kinderen bij haar te brengen.

„Armand is zoo’n lief ventje,” zei ze nog tot Thea, „u zult zeker ook wel met hem ingenomen zijn. Hij is mijn eenige zoon,” voegde ze er trotsch bij.

Daar ging de deur open en de kinderen kwamen binnen.

Eerst een flinke jongen, met een zeer mooi gezichtje, omringd van blonde krullen, een echt cherubijnen kopje, Thea begreep dadelijk volkomen, dat zijn moeder trotsch op hem was.

Achter hem aan kwam een, voor haar leeftijd lang, meisje, blijkbaar te veel uit hare krachten gegroeid. Ze was niet mooi, haar mager gezichtje had een norsche uitdrukking en hare oogen keken van terzijde uit eenigszins schuw naar de nieuwe juffrouw.

„Kom hier, kinderen,” zei hun moeder, „geef de juffrouw een hand. Constance, houd je hoofd recht, hoe dikwijls moet je dat nog gezegd worden. U zult zeker wel streng op haar houding letten, nietwaar juffrouw, dat is hoog noodig, zooals u ziet.”

Thea keek naar het kind en kreeg eensklaps een gevoel van medelijden met haar.

Ze stak haar hand uit en trok het schuchtere meisje naar zich toe. [54]

„Constance zal wel rechtloopen, als ze er maar aan denkt, niet waar?” zei ze vriendelijk.

Weer dat bijna onmerkbaar optrekken der wenkbrauwen bij mevrouw van Gendringen.

„Constance moet er aan denken en als ze het vergeet, hoop ik, dat u er haar voor straffen zult,” zei ze koel.

Toen Armand’s hand nemend, voerde ze hem naar Thea en zei op een toon, dien deze nog niet van haar gehoord had, een toon vol teederheid en liefde:

„En dit is nu mijn zoon, met hem zult u het zeker best kunnen vinden. Niet waar lieveling, hij zal lief zijn en goed leeren bij de juffrouw.”

Armand gaf haar dadelijk een hand en beloofde met een lief stemmetje, goed op te passen.

Daarna ging hij naar zijn moeder en drukte zich vleiend tegen haar aan.

„Wat een mooi, aanvallig kind,” dacht Thea.

„Zie zoo,” zei daarop hun moeder, „nu is de kennis gemaakt. De juffrouw gaat zich nu wat verfrisschen en dan ziet je elkander aan het diner weer. U eet met de kinderen om twee uur.”

Ze schelde en gaf den knecht de opdracht, Thea naar haar kamer te brengen.

„U kunt boven blijven, tot de eerste gong gaat,” zei ze nog en zich daarna tot haar zoontje wendend, begon ze met hem te praten en Thea verliet de kamer, na nog eens vriendelijk tegen Constance geknikt te hebben, die haar verwonderd aankeek en niet terugknikte. [55]

[Inhoud]
Vijfde Hoofdstuk.

Vijfde Hoofdstuk.

Kennismaking.

T

hea knapte zich haastig wat op. Ze wilde nog graag hare japonnen uit den koffer halen, hoe langer die er in zaten, hoe meer ze kreukelden. Verder zou ze maar niet gaan, ze wilde het overige graag eens op haar gemak uitpakken, als ze er meer tijd voor had, bijvoorbeeld vanavond, als de kinderen naar bed waren. Toen ze hare japonnetjes in de daarvoor bestemde kast had opgehangen en zich wat verfrischt had, keek ze eens, hoe laat het was. Al tien minuten vóór half drie? En ze zouden om twee uur eten. Wacht, daar schoot haar te binnen, dat men in Brussel rekende naar den greenwichtijd, dus was het hier nu net twee uur.

Daar ging de gong, zoo zou het dus wel zijn.

Thea verliet haar kamer en ging een trap af.

Waar zou ze moeten wezen? [56]

Ze wist nog geen heg of steg in dit huis. Eigenlijk griezelig, zou ze er ooit wennen?

Gelukkig, daar zag ze een bediende.

„Hierheen, als ’t u belieft,” zei deze beleefd, de deur voor haar openend.

Ze trad een ruime, frissche kamer binnen, klaarblijkelijk de leerkamer, ze zag ten minste dadelijk, dat er een boekenkast en een globe stond. In het midden der kamer was de tafel gedekt, drie stoelen stonden er rond, maar van kinderen zag ze geen spoor.

Daar ging de deur open en Armand stapte naar binnen, gevolgd door Constance.

Ze keken beiden verlegen naar de nieuwe juffrouw, die al even weinig op haar gemak scheen te zijn, als zij.

Thea, haar verlegenheid overwinnend, zei vriendelijk:

„Laten we aan tafel gaan, kinderen.”

Armand ging dadelijk zitten en vroeg de juffrouw zijn servetje vast te binden. Constance zette zich ook neer, zwijgend de gouvernante van ter zijde opnemend.

Weer dacht Thea, wat een verschil van kinderen, Armand met zijn mooi, vroolijk gezichtje en Constance met haar onverschilligen mond en onvriendelijke oogen. Toch voelde Thea ook nu weer een soort medelijden met haar, dat kind was niet gelukkig.

De knecht had het eten binnen gebracht en zich toen verwijderd.

Er heerschte een drukkende stilte, Armand begon smakelijk te eten, zonder iets te zeggen en keek van tijd tot tijd de juffrouw nieuwsgierig aan. [57]

Constance zat wat met haar eten te knoeien en at bijna niet.

Thea begreep, dat het aan haar was, om het gesprek te openen en om iets te zeggen, vroeg ze aan Constance:

„Eten jullie altijd om twee uur? Dat is zeker Belgisch gebruik, bij ons eten we om half zes.”

Voor zijn zusje tijd had te antwoorden, zei Armand:

„Bij ons eten de kinderen en de juf vroeg. Ma en de zusters eten om half zeven.”

Om het gesprek te vervolgen, hoewel ze het antwoord vooruit wist, vroeg Thea:

„Je hebt nog twee zusters, niet waar?”

„Ja, twee, Gerardine en Bella. Gerardine is al oud, al twintig, weet u en Bella is nu achttien, die hoeft ook niet meer te leeren, lekker, hè?”

Thea begon te lachen.

„Lijkt je dat zoo heerlijk? Kom, daar meen je niets van, je leert wel graag.”

Armand keek haar eens aan.

„We hoeven bij u niet veel te leeren, wel?” zei hij.

„Hoe kom je daarbij, jongen, of je leeren moet.”

Het mooie kindergezichtje betrok.

„Ajakkes, ik dacht, dat u ook meer van spelen, dan van leeren zou houden, zoo zag u er net uit.”

Thea beet zich op hare lippen, om niet te lachen en deed haar best heel ernstig te kijken.

„Dan heb je je vergist.”

Armand keek haar ongeloovig aan en zei: „Kom!”

Thea wist niet zoo dadelijk wat te antwoorden, wat [58]een grappig familiaar kind was dat. Om zich een houding te geven, wendde ze zich tot Constance.

„Wat eet je weinig, kind. Heb je geen honger?”

Constance antwoordde onverschillig: „Neen.”

„Kom probeer het eens, anders blijf je altijd zoo mager en wordt je nooit een flink meisje. Als je een beetje rechter zat, zou het misschien beter gaan,” en Thea trachtte met haar hand onder de kin van het meisje, haar hoofd wat op te lichten.

Ruw duwde Constance die hand terug.

Thea kreeg een kleur.

„Maar Constance,” was alles, wat ze op verwijtenden toon zei.

Constance werd ook rood. Toen sloeg ze haar oogen op en keek Thea uitdagend aan.

„Nou ja, maar u is ook al tegen me opgestookt, wat moest Mama u dadelijk zeggen, streng tegen me te zijn. Maar ik geef er niets om, u kunt zoo streng tegen me zijn, als u wilt, het kan me niets schelen, heelemaal niets.”

Armand zat dit tooneeltje met onverholen genoegen aan te zien.

„Zoo is ze nou altijd,” zei hij, „u weet niet hoe brutaal ze is, bij de vorige juffrouw had ze altijd straf en ze gaf er niets om.”

Constance was alweer tot haar gewone onverschilligheid teruggekeerd, maar Thea keek niet heel vriendelijk naar het ventje, dat met zoo’n blijkbaar genoegen, zijn zusje aanklaagde. [59]

„Hoor eens Armand,” zei ze, „je behoeft me niets te vertellen, ik zal zelf wel zien, hoe ze is.”

Armand keek een beetje verlegen, hij was misschien niet gewoon, zoo toegesproken te worden.

Constance sloeg even hare oogen met belangstelling op, maar keek dadelijk weer voor zich.

Het ventje scheen het niet te kunnen velen, dat de juffrouw niet aardig over hem dacht, ten minste, hij deed een poging, om zijn woorden van straks te verklaren.

„Weet u, hoe het komt, juf, Constance is bedorven door Papa, dat zegt Mama altijd. Paatje is dood, weet u, al lang, al twee jaar, geloof ik.”

Nu kwam er leven in het meisje, ze richtte zich op en snauwde haar broertje toe:

„Zwijg over Papa.”

Maar Armand liet zich het zwijgen niet opleggen.

„Papa is mijn Papa, zoo goed als de jouwe en ik mag net zoo goed van hem vertellen, als jij. Maar Maatje is van mij alleen, dat weet je ook wel.”

Thea zat verbaasd te luisteren, wat praatte dat kind toch. Haar nieuwsgierigheid deed haar vragen:

„Wat bedoel je toch, Armand?”

„Dat Maatje van mij alleen is en van Gerardine en Bella, maar niet van Stans.”

„Och kom, je praat onzin, kind.”

„Neen juf, heusch niet. Mama had twee kindertjes, Dina en Bella en die hadden geen Paatje meer en Papa had een klein kindje, en dat kindje had geen Ma meer en toen trouwden Maatje en Paatje en toen kochten ze [60]samen mij. Ziet u nu wel dat Ma niet van Stans en wel van mij is.”

Weer voelde Thea een innig medelijden met haar leerlingetje. Arm kind, nooit een eigen moeder gekend en nu ook haar vader verloren. Stiefmoeders kunnen soms innig lief en goed zijn, maar zooveel had Thea al opgemerkt, dat ze wist, dat mevrouw van Gendringen haar eigen zoontje bepaald voortrok boven haar stiefdochtertje. Ze had graag iets vriendelijks tegen haar gezegd, haar eens geliefkoosd, maar vreemd, het was of ze niet durfde, het kind had zoo iets ongenaakbaars over zich.

Ondertusschen drong Armand op een antwoord aan.

„Heb ik nu geen gelijk?” vroeg hij nog eens.

„Neen,” zei Thea, „je hebt geen gelijk. Toen je pa en ma samen trouwden, werd jou mama de moeder van Constance.”

Weer kwam er leven in het onverschillige meisjesgezicht.

„Neen juffrouw, dat is niet zoo, want dan zou Mama evenveel van mij houden als van Armand.”

„Dat zal ze zeker ook wel. Je verbeeldt je maar, dat het anders is.”

Maar nu schudde ook Armand sterk ontkennend het hoofd.

„Neen juf, wat Stans zegt is waar, Mama houdt veel meer van mij.”

Toen eensklaps van het onderwerp afstappend:

„U leest toch geen boeken onder het eten, wel?” [61]

„Lezen onder het eten, kind, natuurlijk niet.”

„Dan zal u wel mogen blijven, de vorige juffrouw las altijd onder het eten en lette heelemaal niet op ons en toen vertelde ik het aan Mama en toen moest ze lekker weg, ze was niks aardig, weet u.”

Tevreden keek Armand rond. Hij vond blijkbaar, dat hij daar een heldendaad verteld had.

Thea keek naar hem en dacht, wat een vreemd kind hij was, zoo innemend, maar zoo met zich zelf ingenomen, dat hij heelemaal niet inzag, dat hij dingen zei en deed, die alles behalve lief waren.

Ze zuchtte eens.

Ze wist nu al, dat haar hier geen gemakkelijke taak wachtte, beide kinderen zouden moeielijk te leiden zijn, dat voelde ze en ze had nog zoo weinig ervaring.

„Mogen we opstaan?” vroeg Armand.

Thea gaf haar toestemming en dacht: wat nu.

„Nu gaan we wandelen,” zei Armand, alsof hij haar gedachte raadde.

„Doe je dat altijd na het eten?” vroeg Thea.

„Altijd. Zal ik me nu klaar laten maken?”

Thea aarzelde.

„Je mama heeft er niets van gezegd,” zei ze.

„We doen het altijd,” hield Armand vol, maar Constance zei, dat het beter was, af te wachten, ze kon met de nieuwe juffrouw de dagverdeeling wel eens veranderd hebben, je was er nooit zeker van, wat Mama in haar hoofd kreeg. [62]

„Constance,” zei Thea.

„Wat is er, juffrouw?”

„Wat een nare toon, zoo moet je niet over je mama spreken.”

„’k Zie niet in, waarom niet,” bromde het kind, „dan.….” maar eensklaps hield ze op, de deur was geopend en mevrouw van Gendringen trad binnen, gevolgd door hare dochters.

Gerardine leek op haar moeder, hetzelfde mooie, maar koude en trotsche gezicht, maar Isabella, hoewel minder mooi, was veel sympathieker van uiterlijk. Ze had vroolijke bruine oogen en een lachend mondje met mooie, witte tanden.

„Mag ik u even aan mijne dochters voorstellen, juffrouw van Welderen,” zei Mevrouw.

Thea boog.

Zouden die jonge meisjes haar geen hand geven?

Gerardine maakte er geen mine van, Isabella stak eerst haar hand uit, maar trok die haastig terug, met een blik op haar moeder.

Constance had dit ook opgemerkt en mompelde:

„Bella is ook bang voor Mama.”

„Ik wilde u ook even zeggen,” ging mevrouw van Gendringen voort, „dat u dagelijks na het diner een uur of anderhalf met de kinderen moet wandelen in het Bois de la Cambre, ze zullen u den weg wel wijzen. Niet waar Armand, beste, je weet den weg wel?”

„Natuurlijk Maatje, maar mag ik niet met u mee? Waar gaat u naar toe?” [63]

„Visites maken, ventje, ik kan je dus niet meenemen.”

„Met de zusters? Vin’ je het niet dol, Bella, dat je nu ook mee mag?”

Bella trok een komisch gezichtje.

„Dol om mee visites te gaan maken? O zalig, je hebt maar werk, dat je wakker blijft en.…” Opeens zweeg ze, ze had haar moeder aangekeken en de even opgetrokken wenkbrauwen schenen haar te waarschuwen, niet door te gaan.

„Soms vrees ik, Bella, dat je nog in de leerkamer thuis hoort, niettegenstaande je achttien jaar. De juffrouw zal wel een aardigen indruk van je krijgen.”

Had Thea gedurfd, dan had ze dit ten volle beaamd, ze vond Bella een snoesje en Gerardine een trotsch nest. Maar natuurlijk hield ze deze meening voor zich.

„Nu juffrouw,” hervatte mevrouw van Gendringen, „u gaat dus met de kinderen wandelen. Vóór half vijf is u weer thuis, dan laat u Constance een half uur handwerken, terwijl Armand viool studeert. Daarna moet Constance een uur piano studeeren en mag Armand doen, wat hij graag wil. Om zes uur gebruikt u met de kinderen het een en ander. Daarna wilt u ze zeker wel bezighouden tot half acht en dan gaan beiden naar bed.”

„Beiden te gelijk, mevrouw?”

„Ja, dat is hier het gebruik, vindt u er iets tegen?”

„Och, ik dacht, omdat Constance ouder is.…”

„Ze gaan beiden te gelijk naar bed,” herhaalde mevrouw van Gendringen beslist. „Daarna kunt u den avond besteden, zooals u wilt, hier in huis natuurlijk. De [64]slaapkamers der kinderen zijn naast de uwe, u zult me dus verplichten den avond verder op uw kamer door te brengen, dan is u in hun nabijheid, als ze u eens noodig mochten hebben. Ik zal u vóór morgen een rooster der lesuren zenden, daar wilt u zich dan wel aan houden,” en na gegroet te hebben en Armand teeder gekust, verliet ze de kamer, gevolgd door hare dochters, waarbij Bella, achter haar moeders rug een knipoogje aan Constance gaf en haar een kushand toezond.

Nu zag Thea het kind voor het eerst lachen, terwijl ze haar zuster een kushand terug gaf.

Hoe veranderd was nu dat gezichtje! Ze zag er werkelijk lief uit.

Thea boog zich over haar heen en gaf haar een kus.

Verwonderd keek het kind haar aan. Toen met haar hand voor hare oogen, begon ze te schreien.

„Maar kindje,” zei Thea zacht, haar over het hoofd strijkend.

Dat begon Armand te vervelen, hij werd liever zelf aangehaald. Hij keek haar boos aan en zei:

„Waarom kust u Stans en mij niet?”

Lachend trok Thea hem naar zich toe en gaf hem ook een kus.

„Ben je jaloersch?” plaagde ze.

Maar de kleine jongen richtte zich op en om zijn mond kwam een minachtend trekje.

„Jaloersch van Stans, nou nog mooier, jaloersch van Stans!”

Weer wist Thea niet goed, wat te zeggen, ze voelde [65]dat ze hem beknorren moest, hem onder het oog brengen, dat hij zoo niet spreken mocht, maar hoe dat aan te leggen, hij had inderdaad geen reden om jaloersch op zijn zusje te zijn. Ze besloot er maar niets van te zeggen, ze had eigenlijk ook al te lang gewacht en zei dus maar, dat zij zich klaar moesten maken voor de wandeling.

Deze verliep nog al genoegelijk, Thea genoot van de voor haar vreemde omgeving en de kinderen praatten aardig, zelfs Stans kwam nu en dan los.

Zoo ging de dag verder voorbij en hoewel alles vrij goed ging, was het toch met een zucht van verlichting, dat Thea dien avond naar haar kamer ging, na de kinderen goeden nacht gezegd te hebben.

Ze ging een oogenblik in een gemakkelijk stoeltje zitten en dacht na over alles, wat ze dien dag beleefd had. Natuurlijk dacht ze daarbij aan haar thuis en aan al de dierbaren, die ze daar had achtergelaten.

Een hevig verlangen naar hen allen overviel haar en voor ze er zich van bewust was, lag ze met haar hoofd op de tafel te snikken.

Daar ging zachtjes een deur open en een bleek gezichtje met donkere oogen keek door de reet.

Een oogenblik van aarzeling, toen kwam een kleine, witte gedaante naar Thea toe, een handje raakte haar aan en een zacht stemmetje vroeg:

„Heeft u ook verdriet, juf?”

Thea keek op en hare betraande oogen ontmoetten een paar andere kijkers, die ook vochtig waren. [66]

Ze trok het kind op schoot en kuste het.

„Ja liefje, ik heb verdriet, maar dat zal wel weer overgaan.”

„Huilt u, omdat u van huis bent?”

„Ja.”

„Heeft u een pa en een ma thuis?”

„Ja, beste, een lieve, lieve pa en ma en zusjes en broertjes.”

Het kind streelde zachtjes haar hand. „Arme juffie.”

Thea antwoordde niet, ze drukte het kind tegen zich aan, het deed haar goed een levend wezentje bij zich te hebben, dat met haar meevoelde.

Zoo zaten zij een poosje stil samen, tot het kind opeens zei:

„U hoeft niet zoo bedroefd te zijn, u kunt na een poosje weer naar uw pa terug gaan, mijn paatje komt nooit weerom.”

Thea’s hart kromp ineen bij den toon, waarop deze woorden werden uitgesproken.

„En dan zegt men nog, dat kinderen niet diep voelen en gauw vergeten,” dacht ze.

Ze wilde trachten het kind van die gedachten af te leiden.

„Wil ik je nu weer naar je bedje brengen en je dan eens lekker instoppen, dan ga je rustig slapen.”

„Mag ik nog niet een beetje bij u blijven, ik kan toch niet slapen. Ma en de zusters zijn uit dineeren,” voegde ze er bij.

Thea begreep, dat ze daarmee meende, dat ze niet [67]overvallen konden worden en voelde, dat ze eigenlijk niet toe mocht geven, daar ze zoodoende Constance zou stijven in de gewoonte, achter haar moeders rug anders te handelen, dan in haar gezicht, maar toch kon ze het niet over haar hart verkrijgen, haar zoo weg te sturen.

„Ik ga mijn koffer uitpakken,” zei ze, „blijf dan nog maar een oogenblikje in dat stoeltje zitten. Heb je het niet koud? Wacht, ik zal het naast den haard zetten. Zit je zoo lekker?”

„Heerlijk,” en Thea’s hand grijpend, gaf Constance er een kus op.

Thea begon haar koffer uit te pakken. Het eerste wat haar in handen kwam, was een trommeltje, gevuld met chocolade, haar lievelingskostje.

„O, dat heeft Moedertje er stil ingestopt,” zei ze, het openend, „kijk eens Constance, hoe heerlijk, wil je een stukje?”

„Als ’t u blieft. Dank u wel.”

Thea ging voort met het uitpakken van haar koffer, niet zonder van tijd tot tijd een zucht te loozen, bij de gedachte aan wat ze had moeten verlaten.

Toch gaf de aanwezigheid van het kind haar een gevoel van gezelligheid.

Na een half uurtje echter, zag ze, dat de oogen van haar pupilletje, slaperig begonnen te staan.

„Kom poes,” zei ze, „nu moet je weer naar bed.”

Gewillig stond het kind op en greep haar hand.

„Stopt u me dan eens lekker in?” [68]

„Zeker, ik zal je er heelemaal onderstoppen, zoodat er niets dan een puntje van je neus te zien is. Ga maar gauw mee.”

Toen Constance goed en wel in bed lag, trok ze Thea naar zich toe.

„Wat is u lief! Wilt u Conny tegen me zeggen? Zoo noemde Paatje mij altijd.”

[69]

[Inhoud]
Zesde Hoofdstuk.

Zesde Hoofdstuk.

Uit Thea’s dagboek.

O

p raad van Vader wil ik een dagboek aanleggen.

Vadertje, wetend, hoe ik behoefte heb, mijn hart nu en dan eens uit te storten, zei tegen me, een der laatste dagen dat ik thuis was: „Thea, laat ik je een goeden raad geven, leg een dagboek aan. Je hebt in Brussel niemand, met wie je zoo eens echt vertrouwelijk praten kunt en ik weet, dat mijn meisje daar zoo’n behoefte aan heeft.”

„Dat zal ik doen in mijne brieven naar huis,” antwoordde ik. Maar Vader kent me, hij weet heel goed, dat ik zooveel mogelijk mijne bezwaren voor mij zal houden, om hen geen verdriet te doen en het ontvangen van mijne brieven tot een genoegen voor hen te maken. Hij trok mij dus naar zich toe en toen ik naast zijn rustbank neergeknield was, zei hij met zijn lieve stem: [70]

„Ik ben er zeker van, dat mijn meisje mij niet alles schrijven zal, wat in haar omgaat. Heb ik geen gelijk?”

Ik kuste hem en moest bekennen, dat ik me voorgenomen had, alleen opgewekte brieven te schrijven.

„Dat wist ik wel,” zei Vader, „daarom lieveling, volg mijn raad en begin een dagboek, waarin je alles, alles, wat je ondervindt en voelt kunt neerschrijven. Je zult eens zien, dat de dingen, wanneer je ze in een bepaalden vorm moet gieten en je er je dus meer rekenschap van geven moet, dikwijls van aanzien veranderen. Je behoeft dat boek nooit aan iemand te laten lezen, als je niet wilt.”

Ik beloofde Vader aan zijne woorden te zullen denken, als ik behoefte gevoelde, mijn hart uit te storten en nu, nadat ik een paar weken hier ben, weet ik, dat Vader gelijk heeft gehad. Ik heb behoefte, mijne indrukken weer te geven en misschien zal ik Vader later alles laten lezen, als ik weer bij hem ben.

Mijn vader, als hij eens wist, hoe ik naar hem verlang, hoe ik dikwijls ’s nachts niet kan slapen van heimwee naar allen thuis, maar vooral naar hem, mijn besten vriend, mijn trouwen raadsman, die mij zoo geheel begrijpt. O, wat verlang ik naar zijn lief gezicht, waarop zooveel lichaamslijden zijn stempel gedrukt heeft, naar zijne oogen, waaruit zijn niet te onderdrukken geest straalt. En dan zijn stem, die me troostte, als ik verdriet had, die me opwekte, als ik terneergeslagen was, die me sterkte als ik zwak was en met me juichte, als ik blij was.

Wat Vader, vooral in den laatsten tijd voor mij geweest is, weet niemand, dan ik alleen, een held, dien ik [71]bewonder om zijn geduld in lijden, tegen wien ik op zie en dien ik toch zoo innig liefheb.

Zou ik meer van Vader dan van Moes houden?

Och neen, alleen maar anders.

Moeder is zoo goed voor ons allen, ze zorgt zoo flink voor het huishouden, zonder haar zouden wij het veel slechter gehad hebben, neen, ik houd evenveel van Moeder, maar, zooals ik zei, anders. Met Moes kan ik niet zoo over alles praten, ze begrijpt me niet zoo goed als Vader. Ze is zoo praktisch, ze beschouwt het leven meer van den materieelen kant. Ze is tevreden, als je je dagelijksch werk goed doet, opgewekt bent en de goede stemming niet verstoort, terwijl Vader heel andere eischen stelt. Vader heeft graag dat je tracht, je geest te verrijken, door het lezen en bespreken van mooie, ernstige boeken, door goede muziek te hooren. Vader wil, dat je je boven de beslommeringen van het dagelijksch leven stelt, dat je naar hoogere dingen streeft en toch daarbij je dagelijksche plichten stipt vervult. Vader kent geen genade voor alles, wat laag is, als ik het goed naga, is Vader eigenlijk strenger dan Moeder en toch.… als ik iets gedaan had, dat niet goed was, zou ik het gemakkelijker aan Vader, dan aan Moeder kunnen bekennen.

Ik heb Moedertje wel eens een beetje hard gevonden, maar als ik haar vergelijk bij de moeder, waarmee ik hier dagelijks in aanraking kom, dan kom ik daar geheel van terug, dan zie ik, dat Moes alleen maar praktisch was en niet hard. Neen, sedert ik mevrouw van Gendringen heb leeren kennen, weet ik pas, wat een harde vrouw is. [72]

Ik geloof niet, dat er iemand in huis is, die niet bang voor haar is, Armand misschien uitgezonderd. Ze regeert met ijzeren hand. Allen, van hare kinderen tot hare bedienden, vliegen op haar wenken, ik geloof niet, dat iemand haar ongehoorzaam zou durven zijn.

Dat zou nu op zichzelf geen kwaad zijn en als ze zich tevens bemind wist te maken, dan zou ik haar bewonderen, juist om de kracht, die van haar uitgaat. Maar als ik eerlijk moet zijn, geloof ik, dat niemand veel van haar houdt, daarvoor zijn we allen te bang voor haar. Armand zonder ik natuurlijk alweer uit, maar hij is ook de eenige, dien zij oprecht liefheeft. Ze zal ook wel van hare beide oudste dochters houden, tenminste, dat veronderstel ik, maar toonen doet ze het niet, die moeten net zoo goed naar hare pijpen dansen, als de andere huisgenooten.

Wat de arme Conny betreft, ik vrees dat ze daar geen greintje liefde voor gevoelt. En het arme kind heeft zoo’n behoefte aan liefde!

Dat is een reden, waarom ik soms blij ben, dat ik hier ben, ik voel, dat ik haar goed kan doen, een beetje zonneschijn brengen in haar treurig kinderleven. Veel kan ik ook al niet voor haar doen, want mevrouw van Gendringen behoort niet tot die dames, die hare kinderen maar aan de gouvernante overlaten, ze bemoeit zich met alles en ze heeft me al eens te kennen gegeven, dat ik Constance bederf.

Nu, zij mag wel van bederven spreken, als men nagaat, hoe zij haar zoontje behandelt. Wat dat kind [73]doet, is goed gedaan, zij ziet in hem een ideaal, een engel in kindergedaante, en ik zie in hem.… een zeer bedorven, ondeugend jongentje, ja, wat erger is, een onoprecht ventje, dat misbruik weet te maken van de afgodische liefde, die zijn moeder hem toedraagt. Wat heb ik mij bij den eersten aanblik in dat kind bedrogen.

Hij ziet er zoo lief uit, met zijn mooi gezichtje en heeft zulke aardige maniertjes. Maar hij valt bitter tegen, als men hem beter leert kennen, hij is meestal lief tegen mij en tamelijk gehoorzaam, maar ik vrees, dat hij eigenlijk een klein spionnetje is, steeds er op uit, of hij ook iets ontdekken kan, dat Mama niet goed zou keuren en dat hij haar dan vertellen kan.

En daarin stijft zijn moeder hem!

Stel je zoo iets voor, inplaats van zoo’n leelijken karaktertrek met hand en tand tegen te gaan, vindt ze het goed, dat hij haar alles vertelt, zoodoende blijft ze op de hoogte van de kleinste zaken, die er in de leerkamer voorvallen.

Men kan zich denken, wat een aangenaam gevoel mij dat geeft, te meer, daar ik al gemerkt heb, dat hij het niet al te nauw met de waarheid neemt. In navolging van zijne moeder, houdt hij niet van Conny en plaagt haar, waar hij kan.

En altijd krijgt mijn arm meisje ongelijk!

Maar vandaag heb ik haar toch van straf weten te vrijwaren. Armand had met ballen een ruit gebroken en beweerde toen, dat Conny het gedaan had. Toevallig had ik gezien, dat hij de schuldige was en toen dan ook [74]Conny schreiend bij mij kwam, om te vertellen, dat Mama haar naar bed stuurde, omdat ze zoo wild was geweest en dat Armand toch heusch de ruit gebroken had, kon ik haar niet onschuldig laten straffen en raapte ik al mijn moed samen, om naar de gevreesde meesteres des huizes te gaan en haar op de hoogte te brengen van de zaak.

Toen ik mij bij mevrouw van Gendringen had laten aandienen, ontving ze me heel beleefd, maar als altijd op een afstand.

„Heeft u me iets te vragen, juffrouw?”

Ik antwoordde, dat ik gehoord had, dat ze Constance gestraft had voor het breken van die ruit, maar dat ik zeker wist, dat zij het niet gedaan had.

Haar gelaatsuitdrukking werd nog koeler.

„Ik vrees, dat u zich vergist,” zeide ze op een toon, waarin duidelijk haar misnoegen te hooren was, dat ik mij met eene zaak, waarin zij beslist had, durfde bemoeien.

„Ik vergis mij niet,” waagde ik vol te houden, het bedroefde gezichtje van Conny, dat voor mijn geestesoog verscheen, gaf me moed.

Ze keek eenigszins verbaasd, zeker, omdat ik nog durfde tegenspreken.

„Wat blieft u?” zei ze en keek me aan met een paar oogen, die mij bijna den moed benamen. Maar eensklaps dacht ik er aan, hoe laf Vader mij zou vinden, als ik het kind onschuldig liet straffen en met vaster stem dan daareven herhaalde ik: „Ik vergis me werkelijk [75]niet, mevrouw, ik zag de ruit breken en Constance deed het niet.”

Een oogenblik van stilte volgde. Mijn hart klopte, ik schaamde me over mijn lafheid, maar ik was heusch bang voor haar, ze stond daar zoo groot, zoo imposant, zoo koud, en ik zoo klein en nietig. Toen zei ze:

„Ik zal u op uw woord gelooven, maar wil natuurlijk van u hooren, wie dan wel de schuldige is.”

Ik zag aan de uitdrukking van haar gezicht, dat ze vreesde, dat ik Armand zou noemen en las er duidelijk een bedreiging in, indien ik dat waagde.

Ik kleurde en zei zacht:

„Het was Armand.”

Ze keek me aan, alsof ik daar als schuldige stond, in plaats van als aanklaagster.

„U moet verkeerd gezien hebben,” zei ze koud, „u kunt gaan.”

Wat moest ik doen? Weggaan en Conny haar straf laten ondergaan, terwijl Armand vrij rondliep, schuldig, aan iets veel ergers, dan het breken van een ruit, aan leugen en bedrog. Weer dacht ik aan Vader en hoe die zich over mij schamen zou, als ik mijn plicht zoo verzaakte. Ik voelde, dat ik niet alleen Conny tegenover onrechtvaardigheid beschermen moest, maar ook aan Armand verplicht was, dat ik zijn moeder van zijn onoprechtheid op de hoogte bracht.

Ik vatte dus al mijn moed samen en in plaats van heen te gaan, bleef ik staan en hield vol.

„Ik verzeker u, dat Armand de ruit gebroken heeft, [76]ik zag hem den bal er door gooien, ik moet er op aandringen, dat u de zaak nog eens onderzoekt.”

Mevrouw van Gendringen ging zitten.

„Natuurlijk is Armand onschuldig,” zei ze, „hij heeft zelf gezien, dat Constance de ruit gebroken heeft, maar daar ik niet wil, dat u denkt, dat hij het gedaan heeft en opdat u in zult zien, dat u zich vergist moet hebben, zal ik hem hier laten komen, dan kunt u uit zijn eigen mond hooren, dat Constance de schuldige is.”

Ze schelde en beval Armand bij haar te brengen.

Deze kwam vroolijk binnenloopen. Hij huppelde naar zijn moeder toe met een lachend gezichtje, dat echter eensklaps betrok, toen hij mij zag staan.

„Armand,” zei zijn moeder, hem naar zich toetrekkend en hem kussend, „lieveling, vertel nog eens, wie de ruit in de gang gebroken heeft.”

Kreeg het kind een kleur, of verbeeldde ik me dat.

Hij aarzelde even en zei toen: „Stans.”

Ik was hevig verontwaardigd en kon niet nalaten te zeggen:

„Maar Armand, hoe durf je zoo te jokken, ik zag het je zelf doen.”

Armand kreeg het blijkbaar benauwd, hij was gewoon, dat zijn leugentjes grif geloofd werden, en nu hij merkte dat hij gezien was, werd hij verlegen.

„Stans deed het toch,” herhaalde hij koppig.

„U hoort het,” zei zijn moeder.

Maar ik wilde het niet opgeven.

„Heb jij dat gezien?” vroeg ik. [77]

„Ja.”

„Je bekent dus, dat je toen ook in de gang was.”

„U heeft me immers gezien, zegt u. Ik speelde er ook.”

„Met je bal?”

„Ja.”

„En gooide Stans toen de ruit stuk met haar eigen bal?”

„Ja natuurlijk, en toen dacht u zeker, dat ik het met mijn bal deed.”

Ik ademde verlicht, nu kon ik zijn leugen bewijzen.

„Mag ik u er even aan herinneren, mevrouw, dat u Constance al twee dagen geleden haar bal hebt afgenomen, omdat ze er u bij ongeluk mee raakte, toen u door de gang liep en dat u hem weggesloten hebt.”

Dat kon mevrouw niet ontkennen.

„Hoe zit dat nu, mijn jongen?” vroeg ze, „ik begrijp er niets meer van.”

Armand voelde zich betrapt, hij zag geen uitweg, werd eerst rood van verlegenheid, daarna veranderde zijn verlegenheid in drift, hij gooide zich schreeuwend op me en begon me met zijne kleine vuisten te slaan.

„Valsch mensch, je hebt geklikt om je lieve Stans te helpen, valsch mensch!”

Ik weerde hem af en zijn moeder trok hem naar zich toe.

„Maar Armandje,” suste ze, „stel je toch zoo niet aan.”

Toen wierp hij zich snikkend in hare armen en zij zocht hem te bedaren en te troosten. [78]

„Is u overtuigd, mevrouw?” vroeg ik.

Met een trotschen, boozen blik, die voor mij niet veel goeds voorspelde, zei ze:

„U kunt Constance gaan zeggen, dat haar straf is opgeheven.”

Daarmee had ik tevreden moeten zijn, maar wat me bezielde, weet ik niet, hoe ik durfde evenmin, maar mijn hand naar Armand uitstekend, zei ik:

„Zal ik hem meenemen? Ik zal er voor zorgen, dat hij dadelijk naar bed gaat, of wilt u hem strenger straffen, nu hij nog gejokt heeft ook.”

Mevrouw van Gendringen stond eensklaps op en zette Armand op den grond.

Vernietigend keek ze me aan en beet me toe:

„Bemoei u zich met uw eigen zaken, als ’t u blieft, ik weet zelf wel, hoe ik mijne kinderen moet opvoeden.”

Toen keerde ze me den rug toe en ik kon het vertrek verlaten, blij, dat ik Conny de goede tijding kon gaan mededeelen, maar toch niet geheel voldaan.

Ik heb Armand vandaag niet teruggezien, voordat hij vanavond naar bed ging, zijn moeder heeft hem verder bij zich gehouden.

Of ze hem zijn leugen heelemaal niet onder het oog gebracht heeft? Ik denk, dat ze er toch wel iets van gezegd zal hebben, tenminste het kind heeft mij mijn inmenging niet vergeven. Toen ik hem vanavond, zooals ik gewoon ben, nog eens kwam instoppen, weerde hij me af met de woorden: Gaat u maar naar Stans. [79]

[Inhoud]
Zevende Hoofdstuk.

Zevende Hoofdstuk.

Een moeielijke taak.

D

en volgenden morgen werd Thea al vroeg gewekt door leven in de kinderkamer. Ze hoorde gestommel en geschreeuw, als van vechtende kinderen en uit bed springend, schoot ze haastig hare pantoffels aan en liep naar de kamer van Stans, waar ze haar beide leerlingetjes over den grond zag rollen, elkander met hunne vuisten duchtig bewerkend.

„Kinderen,” riep ze, „wat mankeert je, wil je wel eens dadelijk uitscheiden met vechten.”

Een gil van Stans was het antwoord. Armand had haar vlecht te pakken en trok er uit alle macht aan.

Thea kwam tusschenbeiden, greep het stevige vuistje van het driftige kind en poogde het haar van zijn zusje er tusschen uit te krijgen.

„Laat los,” gebood ze. [80]

„Neen,” schreeuwde Armand, „ik laat niet los, ze is een valsch kind, ze plaagt me.”

Weer gilde Stans en angstig, dat het leven hun moeder zou wakker maken, keek Thea naar de deur.

Opeens liet Armand met een harden gil los. Stans had hare nagels in zijn bloot been geslagen en de hevige pijn deed hem loslaten. Thea maakte van de gelegenheid gebruik om hen te scheiden.

Op hetzelfde oogenblik werd er geklopt en kwam de kamenier van mevrouw van Gendringen vragen, wat er toch gebeurde, haar meesteres was door het spectakel, dat de kinderen maakten, wakker geworden en zond haar nu om te onderzoeken, wat er de oorzaak van was.

Zenuwachtig verklaarde Thea, dat het niets te beduiden had, de kinderen waren aan het kibbelen geraakt en dat was in vechten geëindigd.

De kamenier vertrok en Thea trachtte de huilende kinderen te doen bedaren.

„Schaam jullie je niet, zoo vroeg in den morgen al te vechten. Het is nog erger, of je twee straatjongens bent.”

„Ze heeft mijn been aan bloed geknepen,” snikte Armand, „dat akelige, valsche kind, maar ik zal het aan Mama vertellen en dan zal ze eens wat zien.”

„Hij trok me mijne haren uit het hoofd,” schreide Constance, „die gemeene jongen, hij wou niet loslaten.”

Met veel moeite gelukte het eindelijk Thea hen een beetje te kalmeeren.

„Vertel me nu eerst eens, waarom jullie zoo aan [81]het vechten bent gegaan,” zei ze, toen de beide kinderen geëindigd hadden, met elkander te beschuldigen.

„Stans is begonnen,” zei Armand, „ze zei, dat Mama nu toch eens lekker wist, dat ik jokte en ze zei het treiterig, dat valsche kind.”

Thea keek Constance ernstig aan.

„Waarom zei je dat?” vroeg ze.

Stans kreeg een kleur, nu haar geliefde gouvernante haar zoo streng aankeek en stotterde:

„Omdat ik het meende. Ik was gisteren nog veel blijder, dat de leugen van Armand uitgekomen was, dan omdat ik niet naar bed hoefde.”

Thea zei eerst niets. Het was zeker niet mooi van het kind, zoo blij te zijn, omdat haar broertje ontmaskerd was, maar in de gegeven omstandigheden was het zoo heel natuurlijk.

„Is ze nou niet valsch!” riep Armand.

Even aarzelde Thea, ze gaf Conny niet graag ongelijk tegenover Armand en toch moest ze haar weten te beduiden, dat ze geen pleizier mocht hebben in een andermans leed.

„Je valt me tegen, Conny,” zei ze, „ik dacht niet, dat je zoo onedelmoedig was. Men moet een verslagen vijand niet plagen, dat is niet mooi.”

Constance begon te huilen.

„Het was ook zoo prettig, dat hij nu eens aan de kaak gesteld was, ik kreeg anders altijd de schuld.”

„Ja maar, kind, dat neemt niet weg, dat het niet lief van je is, Armand te verwijten, wat er gisteren gebeurd [82]is. Jij bent gerechtvaardigd en dat moet je genoeg zijn.”

„Armand heeft niet eens straf gehad,” mokte Constance.

„Ik denk, dat het al straf genoeg voor Armand is, dat je mama, die hem voor zoo oprecht hield, nu weet, dat hij dat niet altijd is. Dat is al erg genoeg voor hem, laat hem nu verder met rust.”

Dat was voor den verwenden jongen te veel.

Hij werd nog rooder en zei stampvoetend:

„Dat wou u wel, nare juf, maar het kan Maatje niks schelen hoor, niks, Ma houdt nog net evenveel van me, Maatje vindt me nog net even lief,” en huilende wierp hij zich op den grond, driftig van zich af schoppend en aldoor roepend, dat het zijn moeder niets schelen kon en dat ze hem nog even lief vond. Maar dat was het juist, wat hij heel goed voelde, zijn moeder had zich zijn jokkentje wel aangetrokken, hij was niet meer zoo volmaakt in hare oogen, als hij geweest was. Zij had het hem wel dadelijk vergeven, maar toch gezegd, dat het haar veel verdriet gedaan had.

Thea vond het beste, hem maar te laten uitrazen en schelde het meisje, dat de kinderen altijd hielp met aankleeden, waarop ze naar haar kamer ging, om haar eigen toilet te maken.

Het ontbijt ging heel stil voorbij. De kinderen zeiden niets en zij zelve had ook geen behoefte aan praten. Daarenboven vond ze het ook beter, zich wat teruggetrokken te houden, de kinderen moesten merken, dat ze de scène van dien ochtend nog niet vergeten was. [83]

Ook onder de les heerschte buitengewone rust. Armand deed met een knorrig gezicht zijn werk, van tijd tot tijd boos naar Thea kijkend, wat zijn kindergezichtje zoo grappig stond, dat deze moeite had niet te lachen. Ze hield zich echter goed en deed alsof ze niets merkte van de ongenade, waarin ze blijkbaar bij hem gevallen was.

Constance was ook stil, maar zag er niet boos, maar verdrietig uit. Dat haar lieve juf zoo koel en teruggetrokken was, vond ze vreeselijk, ze had graag een poging tot verzoening gedaan, maar durfde niet goed, bang, afgewezen te worden en dat zou meer zijn, dan ze op het oogenblik verdragen kon.

Tegen elf uur kwam de kamenier van mevrouw en zei, dat haar meesteres de juffrouw liet zeggen, dat ze haar in haar boudoir wachtte, zij zelve moest zoo lang bij de kinderen blijven.

Thea stond dadelijk op.

Hoe vervelend, dat het bloed haar zoo naar het hoofd steeg, ze keek naar de kinderen, of die haar zagen kleuren en ontmoette de spottende oogen van Armand.

Ze haastte zich, de kamer te verlaten. Op het portaal stond ze een oogenblik stil.

Wat klopte haar hart!

Ze sloot hare oogen en slikte eens.

Mevrouw wilde haar zeker onderhouden over de scène van dien morgen, natuurlijk zou de schuld op haar gegooid worden, mevrouw zou zeggen, dat ze de orde op de kinderkamer niet wist te bewaren en toch, wat had ze er aan kunnen doen. [84]

Kom, ze moest gaan. Wat was ze toch overdreven gevoelig, om daar nu zoo tegen op te zien.

Ze had precies hetzelfde gevoel, dat ze gehad had als schoolmeisje, wanneer ze bij de directrice ontboden was en wist een flink standje te krijgen.

Hetzelfde gevoel en toch anders. Als schoolmeisje wist ze, dat ze het standje verdiend had en dat de directrice recht had, haar onder handen te nemen.

En nu wist ze niet, of ze anders had kunnen handelen, dan ze gedaan had en daarenboven, als mevrouw van Gendringen aanmerking op haar maakte, had ze altijd een gevoel, alsof haar dat vernederde.

Na nog even geaarzeld te hebben, klopte ze aan de deur van het boudoir.

„Binnen.”

Thea opende zacht de deur en een oogenblik later bevond ze zich in tegenwoordigheid van de meesteres des huizes.

Met haar gewoon, trotsch gebaar wees ze Thea een stoel.

Deze ging zitten en wenschte, dat ze mijlen ver was.

Na een oogenblik van pijnlijke stilte, een stilte, die mevrouw van Gendringen meestal aan hare berispingen deed vooraf gaan, om meer indruk te maken, zei ze:

„U begrijpt zeker wel, waarover ik u wensch te spreken.”

Thea was te oprecht, om dat te ontkennen en zei dus, dat ze veronderstelde, dat het kibbelen der kinderen mevrouw dien morgen gehinderd had. [85]

Mevrouw van Gendringen glimlachte minachtend.

„U noemt dat kibbelen, ik geloof dat vechten een beter woord is. Ik ben hevig geschrokken van de rauwe gillen, die uit de kinderkamer tot mij doordrongen en mijn kamenier vertelde mij, dat ze de kinderen over den grond had zien rollen, vechtend, als een paar straatjongens. Was dat de waarheid of niet?”

Thea moest beamen, dat de kinderen werkelijk handgemeen waren geworden. Ze voelde ook wel, dat zooiets niet gebeuren moest, maar wat had zij er aan kunnen doen, ze waren immers al aan den gang, toen ze bij hen kwam.

Mevrouw van Gendringen keek haar steeds aan met die koude, strenge oogen, ze had wel onder den grond willen kruipen.

„En u stond daarbij en zag toe?”

„Maar, mevrouw, wat had ik anders moeten doen? Ik ben ook van hun schreeuwen wakker geschrokken en toen dadelijk gaan kijken, wat er was. Toen ik bij hen kwam, lag Armand boven op Constance en rukte aan haar vlecht. Ik trachtte zijn hand te openen, maar hij wilde niet loslaten.”

„Een eenvoudig bevel van u had voldoende moeten zijn, om hen te doen ophouden, nietwaar?”

Thea’s wangen gloeiden, wat keek die vrouw sarkastisch!

En ze had gelijk, ze had geen invloed genoeg op de kinderen.

„Nu, is u dat niet met me eens?”

Het huilen stond Thea nader dan het lachen. Met [86]lippen, die ze tevergeefs vastheid trachtte te geven, zei ze:

„Jawel mevrouw, maar ik ben nog zoo kort bij hen en Armand is zoo driftig, als hij eenmaal aan den gang is, is het niet mogelijk hem rede te doen verstaan.”

„O, is het Armand weer,” merkte mevrouw van Gendringen koel op. „Constance was zeker heelemaal zonder schuld.”

„Neen mevrouw, niet heelemaal, maar.…”

„Maar Armand is nu eenmaal uw wrijfpaal en Constance kan in uw oogen geen kwaad doen. Ik moet u zeggen, dat ik het geen bewijs vind, van uw goeden blik op het kinderkarakter, dat u zoo denkt. Armand is een goed kind, zijn gebreken liggen aan de oppervlakte, terwijl Constance een ondeugenden aard heeft en een zeer slecht humeur, dat niet streng genoeg kan worden tegengegaan.”

„U vergist zich werkelijk.…”

„Ik vergis me nooit, onthoud dat, als ’t u blieft. Maar om op ons onderwerp van gesprek terug te komen, ik wilde er u dus opmerkzaam op maken, dat u vanmorgen in uw plichten is te kort geschoten en dat ik hoop, dat het niet meer gebeuren zal. Ofschoon u heel jong is, heb ik u, omdat ik zulke goede recommendaties van u kreeg, de opvoeding van mijn kinderen toevertrouwd en ik verwacht, dat u zich dat vertrouwen waardig zult maken. Ik wil voor dezen keer uw fout door de vingers zien, maar laat zoo iets niet meer gebeuren, dan zou ik het niet meer kunnen vergeven.”

Ze zweeg en Thea begreep, dat ze gaan kon. Met [87]gebogen hoofd en knikkende knieën stond ze op en verliet het boudoir.

Op het portaal gekomen, liep ze naar het raam, dat op den tuin uitzag en leunde tegen de omlijsting.

Haar hart klopte onstuimig en ze beet hare lippen bijna tot bloed om het niet uit te snikken, ze deed haar uiterste best, zichzelve meester te worden.

O, die toon, die vreeselijke, vernederende toon, waarop mevrouw van Gendringen gesproken had! Zoo uit de hoogte, zoo zonder genade.

En dan dat bedekte dreigement van weggezonden te worden!

Ze voelde zich zoo ellendig vernederd.

Zou het maar niet beter zijn, als ze de eer aan zich hield en zei, dat ze liever wegging?

Maar neen, dat kon niet, ze mocht het niet zoo gauw opgeven, wat zouden ze daar thuis wel van zeggen?

Vader zou zoo in haar teleurgesteld zijn en Moeder bepaald boos, ze had nog zooveel nieuws moeten hebben, vóór haar vertrek naar Brussel, dat moest ze nog terug betalen uit hare verdiensten en Nico, voor wiens schoolgeld ze beloofd had te zorgen!

Neen, ze kon niet zelf zeggen, dat ze weg wilde, stuurde men haar weg, dan zou ze het moeten dragen, maar uit zichzelf kon ze haar betrekking niet opgeven. En ze zou haar best doen beter aan mevrouws verwachtingen te beantwoorden. Een beetje had mevrouw wel gelijk, alleen behoefde ze het haar niet op zoo’n toon te zeggen. [88]

Ze had niet veel overwicht op de kinderen, maar het waren ook zulke moeielijke karakters, en Armand voelde zich sterk tegenover haar door de protectie van zijn moeder.

Maar komaan, ze gaf den moed niet op!

Ze veegde hare betraande oogen af, loosde een diepen zucht en wilde zich weer naar de kinderen begeven, toen ze Isabella op zich zag afkomen.

„O juffie, wat kijkt u benauwd. Zeker een standje gehad van Mama. Dat ken ik, dat is bij mij dagelijksche kost, trek u er zich maar niets van aan, Armand is een ondeugende rakker. Om dien te kunnen regeeren is een dragonder noodig, zooals de vorige gouvernante en niet zoo’n aardig popje, als u is. De vorige juffrouw was hem wel de baas, maar dat beviel mijnheer natuurlijk niet en toen heeft hij wel wat weten te vinden, waardoor ze weg moest. ’t Is een ondeugende aap!” en lachend verwijderde Isabella zich en Thea ging, een beetje getroost, weer naar de leerkamer.

Ze zou nu eens toonen, dat ze wel streng kon zijn, mevrouw zou haar dat niet voor niets gezegd hebben.

In de leerkamer gekomen merkte ze dadelijk, dat de kinderen haar nieuwsgierig opnamen.

Armand grinnikte, maar Conny keek bepaald medelijdend naar haar. Het een, noch het ander kon ze op het oogenblik verdragen.

„Laat eens zien, Conny, wat je ondertusschen gedaan hebt.”

Constance reikte, een beetje verlegen, haar schrift [89]aan, waarin ze maar één regel geschreven had van het taaloefeningetje, dat Thea haar had opgegeven.

Thea keek boos.

„Is dat alles?” vroeg ze.

„Ja juffrouw.”

„Ik had je gezegd, die oefening te maken, terwijl ik weg was. Je schijnt liever gespeeld te hebben, goed, dan maak je die oefening vanavond in je speeltijd. Berg dat schrift op, we gaan nu rekenen.”

Constance keek Thea aan, alsof ze niet goed wist, hoe ze het had. Was dat haar lieve jufje?

Met een kleur voldeed ze aan het bevel en kwam met een bedrukt gezicht weer naast Thea zitten. Deze had ondertusschen het schrift genomen van Armand, waarin hij een som had moeten uitrekenen, in plaats waarvan hij poppetjes geteekend had.

Thea keek van het schrift naar Armand, die trachtte haar aan het lachen te maken, door het zelf uit te schateren.

Thea lachte niet en vroeg, waar zijn som was.

„Die heb ik niet gemaakt, ik dacht, dat het niet hoefde, nu u er toch niet was.”

Thea keek hem strak aan.

„Jok maar niet kind, je wist wel beter. Ook jij maakt vanavond die som in je vrijen tijd. Nu ga ik met Constance rekenen en moet jij dit versje van buiten leeren. Pas op, als je het straks niet kent.”

Armand keek haar verbaasd aan. Wat was juf kortaf, anders was ze nooit zoo.

Met een onverschillig gezicht trok hij zijne schouders [90]op en zei toen tegen zijn zusje, quasi fluisterend, maar zoo hard, dat Thea het best hooren kon:

„Je behoeft ook niet te vragen, of ze een standje van Mama gehad heeft.”

„Armand, hou je toch stil,” en Stans keek van terzijde uit naar Thea, of die gehoord had, wat haar broertje zei.

Thea had het heel goed gehoord en aarzelde een oogenblik, wat te doen. Armand had die woorden natuurlijk zoo hard gefluisterd, opdat zij ze hooren zou. Zou het nu beter zijn, ze toch maar quasi niet verstaan te hebben, of moest ze er op terug komen en Armand de ongepastheid er van onder het oog brengen? Maar dan had hij zijn zin, dan begreep hij, dat ze haar gehinderd hadden.

Neen, ze zou maar liever zwijgen, dat was verstandiger. Ze was daarenboven zoo moe, zoo geestelijk afgemat, dat ze voor het oogenblik niet in staat was, een woordenstrijd met het kind te beginnen.

En den geheelen dag moest ze de kinderen nog bezighouden, ze zou geen oogenblikje hebben, om eens even uit te rusten, alles van zich af te zetten, vóór de kinderen naar bed waren.

Het scheen dat hare leerlingetjes toch wel onder den indruk waren van haar strenger optreden. Vooral Constance trok het zich aan, dat haar lieve jufje boos op haar was. Daar gaf Armand minder om, maar hij was toch niet zoo druk als anders.

Aan tafel trachtte Stans zich weer met Thea te [91]verzoenen. Ze was opvallend vriendelijk en deed blijkbaar haar best het gebeurde van dien dag goed te maken. Armand zag er meer uit, alsof hij de beleedigde was, hij sprak geen woord en keek van tijd tot tijd Thea alles behalve vriendelijk aan.

Thea, die vond, dat ze nu lang genoeg haar ongenoegen getoond had en van oordeel was, dat men bij kinderen niet te lang boos moet zijn, werd weer vriendelijk, tot groote vreugde van Stans, die herhaaldelijk haar hand greep, om die te zoenen.

„Wat heeft u toch een prachtigen armband aan,” zei ze, „van wie heeft u dien gekregen?”

Thea wreef het antieke braceletje, dat ze om haar pols had, met haar servet wat op en antwoordde:

„Van mijn vader. Ik ben erg aan dat armbandje gehecht, want het is een familiestuk. De oudste dochter krijgt het altijd bij haar aanneming. Ze moet het dan later weer aan haar oudste dochter geven, begrijp je? Nu had Vader enkel jongere broers, zoodat er geen oudste dochter was, en dus kreeg hij het, om het later weer aan zijn oudste meisje te geven, indien hij dat had. Zoo kreeg ik het bij mijn aanneming. Dat is de reden, waarom ik het altijd draag.”

Constance vond het erg interessant, zoo’n armband, die al zoo lang in dezelfde familie was.

Armand had gretig zitten toeluisteren, maar toen zijn zusje hem vroeg, of hij het geen beeldig armbandje vond, antwoordde hij onverschillig:

„’t Zal wel, ik kijk niet naar die dingen.” [92]

Wat was Thea dien dag blij, toen ze eindelijk alleen in haar kamer was en ze hare gedachten verzamelen kon. Het was de dag, waarop ze gewoon was, naar huis te schrijven, maar ze had er niets geen lust in, ze was bang, dat men haar gedrukte stemming uit haar brief zou kunnen lezen. Maar als ze niet schreef, zouden ze thuis ongerust zijn en dat mocht heelemaal niet. Ze zou het dus toch maar probeeren, een klein briefje, met verontschuldiging, omdat ze het te druk had met studeeren voor haar Fransch examen. Dat was trouwens geen onwaarheid.

Ze schreef:

Liefste Moeder en Vader,

Dezen keer moet u met een klein briefje tevreden zijn, daar ik vanavond nog Fransch werk moet maken. Zooals u weet, heb ik hier met toestemming van mevrouw van Gendringen een leeraar gezocht, om mij met mijn Fransch voort te helpen, één uur in de week en nu moet ik natuurlijk ’s avonds nog al veel werken, om van die les te kunnen profiteeren. Ik maak het best en kan met de kinderen wel opschieten. Natuurlijk doen zich nog wel moeielijkheden voor zoo nu en dan, maar dat is niets, moeielijkheden zijn er, om overwonnen te worden, zou Vadertje zeggen. Ik ben hier nu bijna twee maanden, nog een groote maand dus en ik kan mijn eerste zelfverdiende [93]geld naar huis sturen. Wat zal dat heerlijk zijn! Geld verzoet den arbeid en als ik het eens wat moeielijk vind mijn werk te doen, dan wekt de gedachte aan mijn honorarium mij wel op. Kijk nu maar niet zoo ernstig, Vadertje, ik doe ook heusch wel mijn best uit behoefte mijn plicht te doen, maar of ik hier zou blijven, alleen uit lust tot mijn werk? Neen, dan vloog ik dadelijk naar huis, stel je voor, dat ik vanavond nog bij u allen kon zijn, wat een zalige gedachte!

Maar dat kan niet en ik heb het hier heusch heel goed. Alleen zie ik wat op tegen de komende feestdagen, Kerstmis, Oud- en Nieuwjaar. Maar dan krijg ik heerlijke brieven, niet waar, lange, lange brieven van allemaal, met ieder klein bijzonderheidje over u allen en het huishouden er in verteld, hè, ik verlang er al naar.

Nu beste lievelingen moet ik uitscheiden, de tijd gaat zoo gauw voorbij en ik moet gaan studeeren.

Vele, vele kussen voor allen van

Uwe Thea.

Nu ik mijn brief overlees, vind ik hem een beetje saai, u denkt nu misschien, dat ik het hier niet naar mijn zin heb, omdat ik zoo over verlangen naar huis schrijf, maar u moet er maar niet op letten, ik ben wat moe vanavond en het weer is zoo slecht, de wind giert om het huis en de regen [94]klettert tegen de ramen. Dat heeft wel invloed op je stemming vindt u niet? Morgen ben ik weer heel opgewekt, dat weet ik zeker, ’s avonds ben ik natuurlijk wat moe, maar ’s morgens heb ik geen tijd tot schrijven. Enfin, u zult wel begrijpen, hoe ik het meen. Dag schatten.

Toen Thea dezen brief sloot, stroomden de tranen langs hare wangen. Den geheelen dag had ze haar heimwee naar huis opgekropt, nu kon ze niet meer.

Ze voelde zich zoo innig eenzaam en verlaten.

Zoo schreide ze een poosje en dat deed haar goed. Ze voelde zich weer minder gedrukt en besloot morgen met nieuwen moed te beginnen.

Maar nu was ze doodop.

Van werken kon vanavond niets meer komen, ze zat te knikkebollen over hare boeken. Ze zou maar naar bed gaan, morgen hoopte ze weer flink genoeg te zijn, om hare taak te hervatten.

[95]

[Inhoud]
Achtste Hoofdstuk.

Achtste Hoofdstuk.

De verdwenen armband.

H

oe vermoeid Thea ook was, toch duurde het een heel poosje, voor zij den slaap kon vatten, maar toen sliep ze ook heel vast. Zoodoende merkte ze niet, dat omstreeks zeven uur in den morgen een kleine gedaante de kamer binnensloop, na zich eerst overtuigd te hebben, dat zijn zusje nog gerust sliep. Hij ging voorzichtig op zijne teenen loopend naar Thea’s bed en keek goed, of deze ook nog in slaap was.

Toen Armand daarvan zekerheid had, sloop hij zachtjes naar de tafel, waarop Thea ’s avonds haar armband, horloge en broche neerlegde en greep, angstig naar het slapende meisje omkijkend, naar den armband. Hierbij stootte hij tegen de tafel, schrok en liet den bracelet vallen.

Thea bewoog zich en Armand wilde zich vlug uit [96]de voeten maken met het in de steek laten van den gevallen armband, maar nog even schuw naar Thea kijkend, zag hij, dat ze zich alleen bewogen had, en rustig doorsliep. Toen raapte hij hem op en sloop weg met zijn buit.

Weer in bed klopte zijn hartje zoo hevig, als hij het nog nooit gevoeld had. Hij was ook zóó geschrokken, als juf eens wakker geworden was en hem gezien had, wat had hij dan moeten zeggen.

Heerlijk, hij had den armband, nu zou hij dien goed wegstoppen, dan dacht juf, dat ze hem verloren had en dan had ze verdriet. Dat was het, wat hij wilde; hij had een hekel aan haar, omdat ze hem bij zijn moeder had willen zwartmaken en blijkbaar meer van die nare Stans hield, dan van hem. De vorige juffrouw was ook niet aardig geweest, maar die was tenminste ook leelijk tegen Stans, terwijl deze altijd vriendelijk tegen zijn zusje was en haar vreeselijk voortrok in zijn oogen.

Maar nu zou hij haar eens lekker plagen!

Waar zou hij het braceletje laten?

Het beste zou zijn, onder in een groote doos met speelgoed. Daar kwam niemand aan, dan hij en als hij er niet mee speelde, bleef ze maanden lang vergeten in de kast staan.

Maar dan moest hij het nu dadelijk doen, terwijl juf en Stans nog sliepen.

Voorzichtig kroop hij weer uit bed, keek nog eens door de verbindingsdeur naar Stans, luisterde, of hij ook iets hoorde in de kamer van juf en kroop daarna op [97]handen en voeten naar de speelgoedkast, die gelukkig niet in het slot was en stopte het armbandje in een doos met speelgoed, die hij zich voornam in den loop van den dag, wat dieper in de kast te bergen. Daarna sprong hij vlug weer in bed en trok de dekens hoog over zich heen. Hij was innig koud geworden en voelde zich niets pleizierig. Hij wilde blij zijn, omdat hij het plannetje, dat sinds gisterenmiddag in zijn hoofdje rondspookte, had kunnen uitvoeren en in plaats daarvan voelde hij zich angstig en heel niet op zijn gemak.

Als het eens uitkwam!

Een oogenblik dacht hij er over, het armbandje weer op zijn plaats terug te leggen, misschien had hij daar nog net tijd voor, hij had nu eigenlijk spijt, dat hij het gedaan had, en reeds stak hij een been uit bed, om aan zijn voornemen gevolg te geven, toen hij juf hoorde opstaan, en zijn been dus haastig weer terug trok.

Het was te laat, hij kon niet meer terug, maar hij troostte zich met de gedachte, dat het wel nooit uit zou komen, dat hij het gedaan had.

Eenige oogenblikken later verscheen het kindermeisje, om de kinderen te helpen met aankleeden. Stans had geen lust om op te staan en snauwde het meisje af, dat de hulp van Thea kwam inroepen, om de jongejuffrouw te bewegen, uit bed te komen. Schertsend dreigde Thea haar met een natte spons, om haar wakker te maken en na een klein stoeipartijtje stond Constance gewillig op, weer heelemaal in haar humeur.

Ook Armand was bijzonder gezeggelijk dien ochtend, [98]zoodat ze aan het ontbijt bepaald pret samen hadden en Thea niet begrijpen kon, waarom ze gisterenavond alles zoo bezwaarlijk had ingezien.

Opeens greep Thea naar haar pols.

„Och Conny”, zei ze, „wees eens lief en ga even naar mijn kamer, ik heb mijn armband vergeten aan te doen, hij ligt op de tafel.”

Dadelijk voldeed Constance aan dit verzoek en Thea schelde om de ontbijttafel af te nemen en zocht vast de benoodigde schoolboeken bij elkaar.

Armand was in de vensterbank gekropen en scheen buiten iets heel interessants te zien, ten minste hij had geen oog van de straat af.

Na een poosje kwam Constance terug en zei, geen armband te kunnen vinden.

„Kom, je hebt zeker niet goed gezocht,” antwoordde Thea, „hij ligt op de tafel, dat weet ik zeker.”

„Heusch niet, juf, ook niet op den grond. Annette was al bezig met de kamer op te ruimen en toen dacht ik, dat ze hem soms van de tafel geslierd had, maar hij ligt niet op den grond, hij is echt nergens.”

Thea lachte om het ernstige gezichtje, waarmee Stans deze verklaring deed en zei, zelf wel even te zullen gaan kijken, ze moest bepaald niet verder gezocht hebben, dan haar neusje lang was.

„Leg de boeken en schriften vast op tafel, Conny,” voegde ze er bij, „ik ben dadelijk terug.”

Maar ook zij scheen den armband niet te kunnen vinden, tenminste ze bleef een heel poosje weg en [99]Conny, die juf had willen verrassen door netjes aan de tafel te gaan zitten en tot haar groote verbazing Armand daar ook toe overgehaald had, werd ongeduldig en was bang, dat deze weg zou loopen. Maar hij was vanmorgen bijzonder tam en zoo stil, dat Stans vroeg, of hij misschien ziek was.

„Neen, waarom?” vroeg het kind, kleurend.

„Omdat je zoo stil bent. O, daar komt juf eindelijk!”

Het was werkelijk Thea, die binnen kwam, maar met een verschrikt gezicht.

„Ik kan hem niet vinden,” zei ze geagiteerd, „ik begrijp er niets van. Jullie weet er toch geen van beiden iets van?”

„Wij?” vroeg Stans zoo verbaasd, dat Thea begreep, dat ze eigenlijk een gekke vraag deed en zenuwachtig verklaarde ze nog eens, er niets van te begrijpen, ze kon hem onmogelijk verloren hebben, ze had hem gisterenavond nog afgelegd.

„Weet u dat zeker?” vroeg Stans.

„Ja zeker.…. ten minste, ik geloof, dat ik het zeker weet.”

Het was Thea opeens niet duidelijk, of ze den armband gisterenavond afgedaan had. Ze deed dat alle avonden, zoodat het een machinale handeling geworden was en gisteren was ze zoo vervuld geweest van haar verdriet, dat ze zich werkelijk niet goed herinneren kon, of ze bij het uitkleeden den armband nog bezeten had.

Het viel haar niet op, dat Armand, die anders niet [100]gewoon was te zwijgen, zich zoo stil hield, ze werd te veel bezig gehouden door de gedachte, waar ze den armband verloren kon hebben, want dat was toch eigenlijk de eenige mogelijkheid.

Een oogenblik schoot haar door het hoofd, of Annette hem niet hebben kon, maar dat denkbeeld wierp ze dadelijk van zich, dat kon ze niet gelooven. Annette was een eerlijk meisje en een gouden armband stelen is geen kleinigheid.

Ze moest nu met de lessen beginnen, het was al een half uur over den tijd en het onderwijs der kinderen mocht er niet onder lijden.

Ze deed haar best, hare gedachten bij de lessen te bepalen, maar het lukte haar niet erg. Gelukkig waren de kinderen bijzonder gezeggelijk en als ze niet zoo telkens afgedwaald was, moest het haar bepaald opgevallen zijn, dat Armand zoo gehoorzaam was, maar nu dacht ze daar niet over na.

Haar hoofd was vervuld van de gedachte, wat ze doen zou, om den armband terug te krijgen. Mevrouw met haar verlies in kennis stellen, een advertentie zetten, een belooning uitloven. Ze zou er alles voor over hebben, als ze hem maar terug kreeg. Haar hart kromp ineen bij de gedachte, dat hij voor goed weg kon zijn. Ze zou het Vader en Moeder niet durven zeggen, wat moesten zij wel van haar denken, nu ze zoo nonchalant was, zoo’n kostbaar familiestuk te verliezen.

Stans viel de houding van Armand wel op en ze vond het lief van hem, dat hij het verdriet van de [101]juffrouw niet verergerde door lastig en ondeugend te zijn. Ze voelde voor het eerst in langen tijd, dat ze toch wel van hem hield en ze nam zich voor, niet altijd met hem te kibbelen.

Zoodra de lessen waren afgeloopen, doorzocht Thea nog eens haar kamer, ondervroeg Annette, die verklaarde ook goed gezocht te hebben, maar niets gevonden en vroeg daarna bij mevrouw van Gendringen belet, om haar van haar verlies op de hoogte te brengen en haar te vragen, in welke bladen ze adverteeren zou.

Mevrouw van Gendringen zei het onaangenaam te vinden, dat ze niet wist, wanneer die armband het laatst in haar bezit was geweest. Hoe was dat nu mogelijk, om zich niet te herinneren, of men ’s avonds zijn armband afdeed, of niet.

Had ze soms verdenking op de bedienden?

Maar Thea verklaarde, dat er niemand in haar kamer was geweest, dan Annette en dat ze niet gelooven kon, dat het meisje oneerlijk was.

„Dat geloof ik ook niet,” verklaarde mevrouw van Gendringen, „maar daar ze in uw kamer geweest is, vóór u den armband miste, wil ik haar toch in uw bijzijn ondervragen.”

Ze schelde en beval Annette te roepen.

Eenige oogenblikken later verscheen het meisje, blijkbaar zenuwachtig, daar ze wel begreep, waarom ze geroepen werd.

„Annette,” zei haar meesteres, „je weet al, dat juffrouw van Welderen een kostbaren armband mist. Ze beweert [102]die gisterenavond afgedaan en op tafel gelegd te hebben.”

„Maar dat weet ik niet zeker, mevrouw.”

„U gelooft het toch. Wilt u er aan denken, dat ik op het oogenblik met Annette spreek.”

Thea voelde, hoe het bloed naar haar hoofd steeg. Hoe taktloos, haar zoo op haar plaats te zetten, waar het meisje bij was.

Kalm ging mevrouw van Gendringen voort:

„Weet je iets van dien armband af, Annette?”

Het meisje begon te schreien.

„Zeg u liever maar ineens, dat ik den armband gestolen heb,” snikte ze, „als mijn moeder dat wist, dat haar kind van diefstal beschuldigd werd, dan zou …”

„Laat je moeder er maar buiten, en stel je niet zoo aan. Niemand beschuldigt je van diefstal”.

„En u zegt het.”

„Je moet beter luisteren, als ik tot je spreek. Ik vraag je alleen, weet je iets van dien armband af, ja of neen.”

„Als ik nou toch.….”

„Ja of neen.”

„Mijn moeder zou.….”

„Ja of neen, Annette.”

In eens voelde Thea, dat ze lachen moest, ze kon het niet nalaten. Ze vergat, dat ze zelf het slachtoffer was en dacht een oogenblik alleen aan het komische tafereel, dat zich voor hare oogen afspeelde: mevrouw van Gendringen, rechtop, kalm, streng een volmaakt rechter van instructie en Annette zenuwachtig huilend, [103]met haar schort voor hare oogen, telkens er haar moeder bij halend en dan de harde stem van den rechter van instructie, met zijn kort: ja of neen.

Het was haar te machtig, zij lachte even, heel even, maar mevrouw van Gendringen had het toch opgemerkt.

Nu richtten de rechterlijke blikken zich op haar.

„Wat vindt u in deze zaak om te lachen, juffrouw? U schijnt zich het verlies van dien armband niet heel erg aan te trekken. Ik begrijp niet, waarom u er dan zoo’n drukte over maakt.”

Zich toen tot Annette keerend, herhaalde ze:

„Ja of neen, Annette.”

Annette was door de speech tegen de juffrouw wat tot bedaren gekomen en antwoordde nu:

„Natuurlijk niet, mevrouw, dat weet u zelf best, ik ben een eerlijk meisje en.…”

„Dus neen, goed, je kunt gaan.”

„Ja maar, dat gaat zoo niet, als de juffrouw me van diefstaf beschuldigt.…”

„Maar dat doe ik niet, Annette,” viel Thea in.

„Je kunt gaan, Annette,” herhaalde mevrouw van Gendringen en het meisje verliet de kamer, met haar schort hare nog vochtige oogen afvegend.

Mevrouw van Gendringen wendde zich nu tot Thea.

„Wilt u de zaak nog verder onderzocht hebben bij de bedienden, juffrouw?”

„Och neen, mevrouw, ik vind het vreeselijk, iemand van zoo iets te beschuldigen, wanneer het niet waar is. Er is trouwens niemand in mijn kamer geweest dan Annette. [104]

„En die houdt u voor onschuldig?”

„Ja, ik kan onmogelijk denken, dat zij het gedaan heeft.”

„Nu, ik ook niet en daar u zelf de mogelijkheid niet uitsluit, uw armband verloren te hebben, zal het, dunkt me, het best zijn, eerst in die richting te werken. Ik zal een paar advertenties voor u plaatsen in de meest gelezen bladen.”

„Als ’t u blieft,” zei Thea dankbaar.

„Moet ik een belooning uitloven?”

„Zou dat niet het best zijn, mevrouw?”

„Misschien wel. Wij zullen ons best doen, u te helpen, weer in het bezit van uw armbandje te komen, maar dan wilt u zeker wel trachten, de zaak voorloopig uit uw hoofd te zetten, daar anders het onderwijs der kinderen er onder lijden zou. Ik zal een dezer dagen eens een les komen bijwonen. Overmorgen, denk ik, dat is 24 December, daarna behoeven de kinderen, zooals u weet, tot en met 1 Januari geen les te hebben, alleen moeten ze voor hun muziek studeeren. Ik ben gewoon vóór zoo’n vacantietje mij van hun vorderingen te komen overtuigen. Reken er dus op, overmorgen.”

Thea verliet de kamer, tot haar eigen verbazing niet vervuld met de gedachte aan haar verlies, maar aan den dag van overmorgen, wanneer Mevrouw de les zou komen bijwonen en, daarvan was ze overtuigd, onbarmhartig kritiseeren. [105]

[Inhoud]
Negende Hoofdstuk.

Negende Hoofdstuk.

Uit Thea’s dagboek.

Oudejaarsavond.

V

anavond wil ik wat in mijn dagboek schrijven, misschien voel ik me dan minder eenzaam en verlaten.

Zoo’n laatste avond van het jaar geeft me altijd een bijzonder gevoel, dan is het mij, alsof er iets plechtigs in de lucht is, iets, dat me ernstig stemt, maar tevens een ontzaglijke behoefte aan gezelligheid bij mij opwekt.

En ik zit hier alleen op mijn kamer, met geen ander gezelschap dan mijn dagboek en de portretten van Vader, Moeder, zusjes en broertjes, die ik alle voor mij op tafel gezet heb. Zoodoende zie ik ten minste al die lieve gezichten en dat maakt, dat ik me niet zoo eenzaam voel, want, wanneer ik naar hen kijk, weet ik, dat er toch wezens op de wereld zijn, die ook aan mij denken op dezen avond, die naar mij verlangen, zooals ik naar hen [106]en die gedachte doet me goed. Hoe ik hier zoo alleen zit?

Allen zijn naar een feest, door intieme vrienden van mevrouw van Gendringen gegeven, zelfs Conny en Armand zijn meegevraagd, omdat daar ook kinderen van dien leeftijd zijn. Ze worden echter om een uur of tien thuis gebracht, terwijl mevrouw en hare volwassen dochters oudejaar blijven vieren. Wat waren de kinderen opgewonden, omdat ze mee mochten. Nu, ik gun hun graag dat pretje, vooral aan Stans, die zoo zelden iets heeft. Het lieve kind had medelijden met mij, omdat ik thuis moest blijven, ze had zoo graag gewild, dat ik mee gevraagd was, tot groote verbazing van Armand, die meer oprecht dan beminnelijk vroeg, wat ik daar zou moeten doen, de juf werd immers nooit mee gevraagd.

Het is kleinzielig van me, maar zoo iets hindert me altijd. Ik weet wel, dat ik er niets minder om ben, al word ik hier beschouwd als een wezen van een ander soort, dan mevrouw en hare dochters, maar ik heb nog niet geleerd, mij daarboven te stellen. Zoo’n gezegde doet me pijn, al komt het uit een kindermond, want het bewijst, hoe men mij hier in huis beschouwt.

Ik ben alleen maar goed om mijn werk te doen, zoo stipt mogelijk, de minste afwijking van mijn plicht haalt me een berisping op den hals, waardoor ik me vernederd voel en die ik dus tracht te voorkomen. Ik doe mijn best te voldoen, aan wat er van mij verwacht wordt, dat is trouwens de eenige manier, waarop ik, zonder mijn gevoel van eigenwaarde te kwetsen, hier in betrekking blijven kan. Want ronduit gesproken, ik heb [107]een hekel aan mevrouw van Gendringen en ik zou de gedachte niet kunnen verdragen, dat ik verplichting aan haar had. Ik wil dus mijn honorarium verdienen, dan zijn wij quitte, zij betaalt dan de diensten, die ik naar mijn beste weten aan haar bewijs.

Als mevrouw van Gendringen me maar wat sympathieker was, zou ik me niet zoo ongelukkig gevoelen, want ik heb me al aan de kinderen gehecht en ik weet, dat ik in Conny’s leventje een beetje zonneschijn gebracht heb. Het kind hangt me aan en ik houd ook van haar. Niet, dat ze altijd lief is, ze heeft een slecht humeur, maar och, ze ondervindt zoo weinig liefde hier in huis. Mevrouw beweert, dat ik haar bederf, misschien ben ik wel wat toegevend voor haar, maar ik heb medelijden met haar en kan niet nalaten haar een beetje te vertroetelen.

Wat Armand betreft, soms houd ik wel van hem, hij kan heel lief en innemend zijn, maar ik ben zoo bang, dat hij niet oprecht is. Ik heb hem al meer dan eens op een leugentje denken te betrappen, maar hij weet er zich altijd uit te redden en voelt zich sterk tegenover mij, door zijn moeders bescherming. Zij kan geen kwaad van hem gelooven, haar overdreven liefde maakt haar blind.

Neen, een gemakkelijke taak heb ik hier niet, soms denk ik, dat ik werkelijk te jong ben en te weinig ervaring heb, om twee zulke moeielijke karakters te helpen vormen. Ik doe mijn best, maar ben wel eens bang, dat het werk hier te veel voor mij is. Ik zie er niet meer zoo goed uit, als toen ik hier kwam en voel me soms zoo vreeselijk moe, lichamelijk en geestelijk. Ik schrijf [108]zoo iets nooit naar huis, maar Vader schijnt het bij intuïtie te voelen, hij vroeg mij tenminste in zijn laatsten brief, hem toch vooral de waarheid omtrent mij zelve te schrijven.

Arm Vadertje, hij zegt, mij zoo te missen. En Moes ook, ze schrijven steeds zoo hartelijk, tot zelfs kleine Nico met zijn krabbelpootje zendt mij van tijd tot tijd briefjes.

Hoe zouden ze het nu vanavond thuis hebben?

Heerlijk zeker, ik kan me zoo voorstellen, hoe ze nu allen aan de ronde tafel in de huiskamer zitten, Vaders rustbank aangeschoven, Moedertje met een rood gloeiend gezicht van het bakken der oliebollen, Ita vol grappen, Jan, Bets en Nico uitgelaten, omdat ze op mogen blijven en spelletjes doen.

Midden op de tafel een groote schaal met Moeders gebak en allen bezig met smullen. Misschien staat tusschen de bordjes en glazen, die de tafel vullen, wel mijn portret, zooals ik de hunne voor mij gezet heb en zeker denken allen wel eens even aan hun Thea. Ik weet zeker, dat ze hopen, dat ik ook een prettigen avond zal hebben en dat is goed, want als ze mij hier alleen konden zien zitten, zou het hun pleizier maar vergallen.

Als het dan wat later wordt, vallen Nico’s oogen toe en ook bij Bets krijgt de slaap niet lang daarna de overhand. Moes helpt ze naar bed en als ze weer terug komt, is er iets ernstigs gekomen in de gesprekken, het middernachtuur nadert, de joligheid van straks heeft plaats gemaakt voor een afwachten en luisteren, want ieder wil [109]graag de eerste zijn, die de groote klok in de gang het middernachtuur hoort verkondigen.

Daar klinkt de eerste slag, Moeder buigt zich over Vader en wenscht hem met tranen in hare oogen een gelukkig jaar toe, daarna volgen de kinderen en allen voelen meer dan ooit, hoe lief zij elkander hebben en in ieders hart is het voornemen, het volgend jaar zijn best te doen in alle opzichten. O, ik zie dat alles voor me en ik smacht er bij te kunnen zijn, ik ben overweldigd van verlangen naar huis, nog nooit heb ik een oudejaarsavond buiten mijn familiekring doorgebracht.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Wat was ik daar straks bedroefd, ik kon niet meer doorschrijven en ben in tranen losgebarsten. Zoo vonden mij de kinderen, toen ze thuiskwamen en ontsteld vroeg Conny me, of ik ziek was. Ik stelde haar gerust, ik verzekerde haar, dat het niets was en trachtte vroolijk te informeeren, of ze pleizier gehad hadden. Armand deed dadelijk een opgewonden verhaal van al de pret, die hij gehad had, maar Conny was stil en keek mij van tijd tot tijd ongerust aan. Ik trachtte geruststellend tegen haar te glimlachen, maar had moeite mij goed te houden, ik was zenuwachtig geworden door de eenzaamheid en de gedachten, die ze bij me opgewekt had.

Nu liggen de kinderen in bed en het geeft mij een gevoel van gezelligheid te denken, dat hunne kamertjes naast de mijne liggen en dat ze dus dicht bij me zijn. Ik ben nu veel kalmer en ga straks naar bed. Waarom zou ik nog langer opblijven? [110]

Toch moet me nog één ding van het hart.

Vader, weet u nog, dat u mij gewaarschuwd heeft niet jaloersch te worden op de meisjes hier?

Nu, ik ben jaloersch op hen geweest, benijdde hen, om hun zorgelooze jeugd, ik vond het onrechtvaardig, dat zij zulk een vroolijk, onbezorgd leventje leidden, terwijl ik, die even jong ben, hier werken moest voor mijn brood, hard werken zelfs.

Het verbitterde mij, als Bella, niets kwaads meenend, mij vroeg haar te helpen met haar toilet, omdat ik meer smaak had, dan haar kamenier en ik haar dan moest helpen optooien voor een of ander feestje en daarna in mijn schooljaponnetje naar de leerkamer terugkeeren en de kinderen bezighouden.

Ik zou ook zoo dol graag eens uitgaan, ik bedoel naar feestjes, dinertjes en bals, vroolijk zijn met andere jongelui, eens jong meisje zijn en niet enkel onderwijzeres. Ik zou mezelve zoo dol graag eens zien in een licht zijden japonnetje, me dunkt, dat zou me ook wel goed staan, zoo’n beeldig roze toiletje, als Bella vandaag aan had. Zou het erg ijdel van me zijn, dat ik zoo denk?

Maar ik kan het niet helpen, ik ben nu eenmaal zoo. Als ik thuis was, zou ik dat ook niet hebben, natuurlijk niet, evenmin als er sprake zou zijn van bals en diners, maar dan had ik dat alles niet zoo in mijn nabijheid, dan hoorde ik er niet over praten en was geen getuige van de triomphen van andere meisjes. Want Bella heeft de gewoonte, mij zoo van tijd tot tijd eens te komen vertellen, hoe ze gevierd wordt op die feestjes, de mooie [111]Gerardine natuurlijk ook, maar die houdt zich niet op, met tegen mij te praten. Bella is veel liever en eenvoudiger en denkt me zeker genoegen te doen, met mij zoo het een en ander te vertellen, ze weet ook niet, dat ik kleingeestig genoeg ben, om jaloersch op haar te zijn.

Maar nu, op den laatsten avond van het jaar, neem ik mij vast voor, dat gevoel te onderdrukken, want het heeft geen reden van bestaan. Want als ik me afvraag, zou ik Bella’s leven willen leiden, maar ook Bella’s moeder hebben, in plaats van mijne lieve ouders, dan moet ik immers dadelijk bekennen, dat ik dat niet zou willen.

Welnu dan, zeg ik tot mezelve, waarom dan jaloersch zijn, terwijl ik niet eens met haar zou willen ruilen!

En toch, ik schaam me om het te moeten bekennen.…. heelemaal vrij van jaloezie ben ik nog niet.

[113]

[Inhoud]
Tiende Hoofdstuk.

Tiende Hoofdstuk.

De ontdekking.

T

wee maanden waren voorbij gegaan en Thea begon de dagen te tellen, die haar nog van de paaschvacantie scheidden. Nog zes weken ongeveer en ze zou naar huis gaan. Hoe verlangde ze er naar, allen terug te zien!

Maar één ding was er, dat haar verlangen naar dien tijd temperde en haar bij tijden zelfs deed opzien tegen dat zoo lang verbeide terugzien.

Ze had namelijk nooit iets van het verloren armbandje naar huis geschreven, ze had niet gedurfd, wat zouden ze er wel van zeggen, dat ze dat kostbare familiestuk verloren had. Ze had steeds gehoopt, dat ze het vóór de vacantie op een of andere wijze terug zou krijgen en hoewel die hoop nu nog maar zeer gering was, ja [114]eigenlijk niet meer bestond, kon ze er toch niet toe komen, haar verlies te bekennen. En toch, het zelf te moeten vertellen was nog erger. Het zou haar thuiskomst vergallen, dat zou ellendig zijn, haar thuiskomst, waarop ze zich verheugd had, al van den eersten dag af aan, dat ze in Brussel was.

Neen, dat mocht niet, beter dan maar eerst er over schrijven, maar toch wilde ze wachten tot een paar weken voor Paaschen, dat was tijd genoeg en men kon toch nooit weten, ze wilde alle hoop nog niet opgeven.

Intusschen werd er nooit meer over het verdwenen sieraad gesproken, een ieder beschouwde het, als op straat verloren en geen der huisgenooten dacht er meer aan, zelfs Armand vergat, dat hij zich voorgenomen had, het armbandje na een poosje weer terug te leggen, waar hij het gevonden had, of het ergens in te stoppen, zoodat Thea het moest opmerken.

Op zekeren dag schoot hem plotseling door het hoofd, dat het braceletje nog altijd onder in die doos met speelgoed moest liggen en hij besloot, als de gelegenheid zich voordeed, eens te onderzoeken, of het daar nog veilig opgeborgen was. Hij zou het nu wel willen terug geven, juf had verdriet genoeg over het verlies gehad, maar nu het er op aan kwam, wist hij niet goed, hoe te handelen.

Als hij het stil op tafel neerlegde, zou er toch zeker onderzocht worden, hoe het daar kwam en men kon nooit weten, hoe het dan uit zou kunnen komen, dat hij [115]de schuldige was. In lang had hij niet aan de zaak gedacht, maar nu begon zijn geweten hem eensklaps te plagen en kreeg hij angst voor ontdekking. Als er geen gevaar voor hem zelf aan verbonden was geweest, had hij juf het prul, zooals hij het armbandje minachtend noemde, wel terug willen geven, maar hij geloofde, dat het voor hemzelf veiliger was, het te laten, waar het was en zijn egoïst hartje liet hem meestal doen, wat hem zelf het aangenaamste leek. Toch wilde hij graag weten, of het braceletje nog op zijn plaats lag en op een middag, dat juf bij het pianostudeeren van Constance zat en hij doen mocht, wat hij wilde, sloop hij naar zijn kamertje en de doos uit de verborgen plaats halend, waar hij haar gezet had, begon hij haar uit te pakken en naar het armbandje te zoeken.

Daar lag het nog net als hij het verstopt had.

Hij nam het er uit en bekeek het met aandacht. Het was van een zeer eigenaardig maaksel, met een mooi bewerkt familiewapen als slot en Armand raakte zoo in de beschouwing verdiept, dat hij niet merkte, dat Thea, die Armand nergens ziende, hem was komen zoeken, eensklaps achter hem stond.

„Armand!”

Verschrikt keek het kind op, nog steeds met het braceletje in zijn hand.

En Thea stond daar en keek van het kind naar het armbandje en dan weer naar het kind en wist niet, wat ze er van denken moest.

Een groote vreugde kwam over haar, daar was de [116]verloren gewaande schat, haar armbandje, dat ze had gedacht nooit terug te zullen zien.

Ze rukte het Armand uit de hand en keek er naar, terwijl ze zenuwachtig begon te lachen.

Ze had het terug, maar hoe kwam het kind er aan?

Waar had hij het gevonden?

Ze wilde het hem vragen, maar zich naar hem keerend, zag ze, hoe vreemd hij er uitzag. Er lag iets angstigs in zijne oogen, hij zat ineengedoken op den grond, geheel het uiterlijk van een kind, dat iets heel ondeugends gedaan heeft en nu op heeterdaad betrapt wordt.

In eens vloog het bloed naar hare wangen, een gedachte ging haar door het hoofd, die haar met schrik en afschuw vervulde. Zou het kind indertijd het armbandje hebben weggenomen en verstopt, zou dat mogelijk zijn? Maar waarom?

Een kind van goeden huize steelt geen gouden armband, dat was immers onzin.

Misschien had hij het weggenomen om haar te plagen, hij hield niet veel van haar, dat wist ze, hij kon nooit goed verdragen, dat ze Conny tegenover hem verdedigde.

Maar dat zou schandelijk zijn, te erg haast om te denken.

Ze voelde, dat ze driftig werd, ze moest trachten zichzelve meester te blijven en hoewel inwendig trillend van opgewondenheid, vroeg ze schijnbaar bedaard:

„Hoe kom je aan mijn armbandje, Armand?” [117]

Het kind antwoordde niet, maar keek haar van terzijde schuw aan.

„Hoe is het, kun je niet meer praten,” vroeg Thea driftiger.

Nog zweeg Armand, hij wist zoo gauw niet, wat te antwoorden en dacht er over na, hoe zich uit die moeielijkheid te redden.

Thea schudde hem bij zijn schouder, ze werd hoe langer hoe driftiger.

„Spreek, kind, hoe kom je aan mijn armband?”

Dat schudden scheen meer, dan Armand wilde verdragen.

Hij keek Thea boos aan en zei:

„Blijf van me af, wat kan het u schelen, hoe ik er aan kom, u heeft het immers terug.”

Dat antwoord overtuigde Thea, dat hij, hoe dan ook, in het geheimzinnig verdwijnen van haar armband betrokken moest zijn geweest. Als hij geen schuld had, had hij haar immers eenvoudig geantwoord, waar hij het gevonden had.

Ze voelde, dat ze haar drift bijna niet meer meester was.

„Zul je zeggen, hoe je er aan komt?”

Intusschen was Stans op het leven komen aanloopen en stond ontsteld toe te kijken.

Armand duwde de hand, die hem nog steeds vasthield, van zich af en gilde:

„Ik heb het niet weggenomen, dat is niet waar!”

„Dat heb ik ook niet gezegd, maar ik wil weten, hoe je er aan komt.”

Na een oogenblik aarzelen zei het kind: [118]

„Ik heb het gevonden.”

„Waar?”

„In de kast.”

„Zoo maar in de kast? Dat kan niet, want ik zelf heb verleden week die kast opgeruimd.”

„In een doos.”

„In een doos? In welke?”

„In die.”

„In die doos met speelgoed, hadt je het daar ingestopt, Armand?”

De jongen begon te huilen.

„Ik heb het er niet in gestopt, dat hebt u zelf gedaan, leelijke juf, om tegen Maatje te kunnen zeggen, dat ik het gedaan heb, maar Maatje gelooft er toch niets van!”

Dat was te erg.

Thea ziedde van drift.

Ze kon zich niet langer bedwingen, ze deed iets, dat ze kalm zijnde nooit gedaan zou hebben: ze gaf Armand een paar gevoelige oorvijgen.

Armand bukte zich onder de klappen en begon vreeselijk te huilen.

Stans huilde mee van de weeromstuit en Thea stond ontsteld de uitwerking van haar drift gade te slaan. De kinderen maakten een leven als een oordeel en wonder was het niet, dat hun moeder, die juist thuisgekomen was, zich naar de kamer haastte, waar ze de kinderen zoo hoorden aangaan.

Nauwelijks was ze in de deur verschenen, of Armand [119]vloog op haar af en hevig snikkend vertelde hij, dat de juffrouw hem zoo geslagen had.

„Heeft de juffrouw je geslagen? Is dat waar, juffrouw?”

Thea stond daar en wist geen raad. Ze schaamde zich. Zij, aangesteld om kinderen op te voeden, was zichzelve geen meester geweest en had zich door haar drift laten beheerschen.

„Nu juffrouw, is dat waar?”

Thea boog het hoofd en zei:

„Helaas ja, ik was driftig, maar als u weet, dat ik ontdekte, dat Armand mijn armband gestolen had, dan.…

„Juffrouw!”

„’t Is niet waar, Maatje,” gilde Armand, „ze jokt!”

„Stil jongen, stil. Constance, als je niet op kunt houden met huilen, ga dan de kamer uit. Heeft de juffrouw jou ook geslagen?”

„Neen, en ’t was Armand zijn eigen schuld, hij.…

Met een gebiedend gebaar wees mevrouw van Gendringen naar de deur.

„Dan heb je er verder niets mee te maken, ga naar de leerkamer.”

Met een ongerusten blik op haar lieve juf verliet Constance de kamer.

„En nu juffrouw, zult u uwe woorden van daareven nader moeten motiveeren. U heeft mijn zoon van niets minder dan van diefstal beschuldigd.”

„Ik vond hem spelend met den armband.”

„Dat bewijst niets, hij kan dien gevonden hebben. Hoe kwam je er aan, Armand?” [120]

Ze was ondertusschen gaan zitten en had haar zoontje op haar schoot genomen. Ze streelde zachtjes zijne gloeiende wangen en ooren.

„Ik vond hem in de kast,” fluisterde Armand.

„Daareven zei hij, dat hij hem in een doos met speelgoed vond,” waagde Thea te zeggen.

„Ik ben nu met Armand bezig, juffrouw, laat hem uitspreken, als ’t u blieft. Vondt je hem zoo maar los in de kast, ventje?”

„Ja.”

„Maar mevrouw.…”

„Wanneer Armand?”

„Vanmorgen.”

„En gaf je hem toen aan de juffrouw terug?”

„Ik bekeek hem en toen kwam juf. U gelooft niet, dat ik hem heb weggenomen, wel Maatje?”

Mevrouw van Gendringen keek hem teeder aan.

„Neen mijn jongen, dat geloof ik niet van je, gelukkig niet. Je begrijpt wel, dat het mij een vreeselijk verdriet zou doen, zoo iets van je te moeten denken.”

Armand verborg zijn gezicht tegen zijn moeders japon en begon te huilen.

„Maar ventje, waarom huil je nu? Je hebt het immers niet gedaan?”

Het kind huilde door.

Zijn moeder keek Thea boos en verwijtend aan.

„U ziet, hoe zenuwachtig u hem gemaakt hebt door uw gebrek aan takt en zelfbeheersching. Hoe durft u het kind van zoo iets beschuldigen, die armband is [121]natuurlijk op den grond gerold indertijd en op de een of andere manier in de kast terecht gekomen, waar hij onopgemerkt is blijven liggen.”

„Dat is niet mogelijk, mevrouw, ik heb de kast een week geleden opgeruimd en Armand heeft gezegd, dat hij hem onder in een doos gevonden heeft, al wil hij dat nu niet bekennen. In die doos kan hij niet vanzelf gerold zijn.”

„Ja, dat weet ik dan niet, maar ik geloof geen oogenblik, dat hij tot zooiets in staat zou zijn. Huil maar niet zoo, mijn jongen, Mama kent je en gelooft je.”

„Dus gelooft u mij niet?”

„U is bevooroordeeld tegenover Armand. Als het Constance geweest was, zou u zoo iets niet gedacht, veel minder gezegd hebben. Over het algemeen genomen is uw optreden tegenover de kinderen taktloos. U bederft Constance, die tegenwoordig veel te veel durft, overtuigd van uw bescherming.”

Ze zette Armand van haar schoot en hem nogmaals kussend, zei ze hem, nu wat te gaan spelen, zij wilde nog wat met de juffrouw bespreken.

Thea kreeg het benauwd, ze begreep, dat ze nu onder handen genomen zou worden, omtrent het voorgevallene.

„Juffrouw,” zei mevrouw van Gendringen op haar gewonen, kalmen toon, maar met een booze flikkering in hare oogen, „ik wil van deze gelegenheid gebruik maken, om u te zeggen, dat u werkelijk ongeschikt is, de opvoeding van mijne kinderen verder te leiden. U is [122]te jong, te onervaren, te taktloos. U bederft het eene kind, dat juist streng aangepakt moet worden en u is onrechtvaardig tegenover het andere, dat een lief, gemakkelijk te leiden karakter heeft.”

Ze hield even op en Thea had een gevoel, alsof de grond onder haar wegzonk: ze werd haar betrekking opgezegd.

Mevrouw van Gendringen vervolgde:

„Al lang dacht ik, of het wel verstandig van mij was, u als gouvernante bij mijne kinderen te houden, maar wat er vandaag is voorgevallen, geeft den doorslag. U heeft mijn zoontje geslagen en voor dief uitgemaakt. Dat is meer, dan ik dulden kan en mag. U kunt zich met Paaschen van uwe verplichtingen hier ontslagen achten. Tot zoolang zal ik uw honorarium uitbetalen, maar ik zou graag willen, dat u zoo spoedig mogelijk vertrok, daar ik u mijn jongen niet meer kan toevertrouwen, ik wil niet hebben, dat hij mishandeld wordt.”

„Maar mevrouw,” was alles wat Thea stamelen kon.

„Het spijt me, juffrouw van Welderen, dat het zoo geloopen is, maar het kan niet anders. U kunt uw verblijf hier natuurlijk nog een paar dagen rekken, totdat u uwe ouders van uw terugkomst heeft kunnen verwittigen, maar Armand zal ik zoolang onder mijn persoonlijke leiding houden. Constance is wat anders, die zal u niet slaan. Ik ben van plan haar naar een kostschool te sturen, waar de verkeerde invloed, dien u op haar gehad heeft, wel weer vernietigd zal worden.”

In een oogenblik voelde Thea zich in opstand komen. [123]Haar invloed op Conny was goed geweest, daarvan was ze overtuigd. En daarenboven was zij de bestolene, die maanden lang verdriet had gehad door het verdwijnen van den armband en inplaats, dat ze hier als beschuldigster stond, werd ze smadelijk weggezonden.

Het bloed steeg haar naar het hoofd.

„Maar mevrouw,” zei ze nogmaals, maar voor ze meer had kunnen zeggen, was haar meesteres opgestaan en verliet de kamer, zonder verder naar haar om te zien.

Thea liet zich op een stoel vallen, gebroken door wat ze zooeven gehoord had.

Ze moest weg.… had door eigen schuld haar betrekking verloren, die nu wel niet zoo heel prettig was, maar goed gesalarieerd werd.

Nu zou ze niet alleen weer tot last van hare ouders komen, maar ze zou hen ook niet verder kunnen helpen. Wat was ze gelukkig geweest, toen ze voor het eerst haar bijdrage in de opvoeding der kinderen naar huis had kunnen zenden en wat een heerlijke, dankbare brieven had ze toen van hare ouders gekregen.

Nu zou ze moeten schrijven, dat ze gewogen was en te licht bevonden, dat ze zich had laten meesleepen door haar drift, die drift, waar moeder haar zoo dikwijls voor gewaarschuwd had, en dat ze afgedankt was.

Tot Paaschen zou ze haar honorarium krijgen, maar mocht ze dat wel aannemen, kon ze dat wel accepteeren van mevrouw van Gendringen, die, hoe men het ook nam, haar toch allesbehalve mooi behandeld had. [124]

Ze moest er nog eens over denken.

Ach, hoe had ze naar huis verlangd en nu?

Nu zou ze de thuisreis met een bezwaard hart aanvaarden, als iemand, die te kort was gekomen in zijn plicht.

Ze zat met haar gezicht in hare handen verborgen en schrok eenigszins, toen ze eensklaps twee armen om haar hals voelde en Stans hoorde zeggen:

„Lieve jufje, wees niet bedroefd. Is Mama zoo boos geweest? Maar dat is nu al weer voorbij.”

„Voorbij, kind? Ik moet weg.”

Van schrik liet Stans haar los.

„Weg, moet u weg? Och neen!”

„Ja, ik moet zoo spoedig mogelijk van hier.”

„Voor goed?”

„Ja, voor goed.”

„Maar dat wil ik niet,” en Stans begon te huilen.

Het verdriet van het kind deed Thea goed, het bewees, dat ze zich tenminste bij iemand bemind had weten te maken.

Ze boog zich over Stans heen en haar eigen verdriet opzij zettend, begon ze het kind te troosten.

Maar Stans was ontroostbaar.

„Als u weggaat, wou ik, dat ik dood ging.”

„Maar Connylief, zeg zulke dwaze dingen niet. Wie weet, wat een prettig leventje je nog eens krijgt.”

Stans schudde mistroostig haar hoofdje, de toekomst leek haar heelemaal niet rooskleurig.

„Zult u me veel schrijven? Lange brieven? Dan doe ik het ook,” zei ze. [125]

Thea beloofde het.

Wat ging het haar aan het hart van dit kind weg te moeten.

„We zullen die laatste daagjes eens prettig samen doorbrengen,” zei ze, „we zijn dan met ons beidjes, Armand komt niet meer bij ons.”

Constance liet zich langzamerhand troosten, het vooruitzicht eenige dagen alleen met haar jufje te kunnen zijn, vergoedde veel. Maar Thea ging dien avond met een bezwaard hart naar bed.

Wat zou de toekomst brengen?

[127]

[Inhoud]
Elfde Hoofdstuk.

Elfde Hoofdstuk.

Naar huis.

A

cht dagen later zat Thea in den trein, die haar huiswaarts brengen zou en ze dacht aan den laatsten keer, dat ze ditzelfde traject had afgelegd, maar in omgekeerde richting.

Toen had ze Moeder op het perron achter gelaten en nu hoopte ze haar weldra weer te kunnen omhelzen.

En Vader, Ita, Bets en de jongens!

Over eenige uren zou ze bij allen zijn, hunne lieve gezichten zien, hunne stemmen hooren.… ze zou thuis zijn.

Weer thuis, wat een heerlijke gedachte!

En toch zag ze een beetje op tegen dat weerzien, eenige maanden geleden zou ze dat niet mogelijk geacht hebben, maar nu.… werkelijk, haar vreugde over haar wederkeeren naar haar familie was niet onvermengd. Er was een bitter droppeltje in, een niet weg te cijferen [128]feit: ze verliet haar betrekking niet vrijwillig, ze was niettegenstaande alle moeilijkheden liever gebleven, maar mevrouw van Gendringen wilde haar niet langer houden.

Hoe zouden Vader en Moeder daarover denken?

Ze was niet bang, dat ze haar niet hartelijk ontvangen zouden, maar ze was hun toch misschien wel tegengevallen, Vader vooral, die altijd zoo goed over haar dacht.

Had ze dit kunnen voorkomen?

En voor de zooveelste maal haalde ze zich de scène met Armand voor oogen en had ze berouw, dat ze zich door haar drift had laten meesleepen. Ze had hem niet mogen slaan en hem ook niet een dief mogen noemen. Het kind had niet willen stelen, enkel haar plagen, ze had moeten begrijpen, dat hij wel heel ondeugend was geweest, maar toch geen dief, want hij had het armbandje niet willen houden, maar het weggenomen met het voornemen, het haar eens terug te geven.

Toch scheen mevrouw van Gendringen door dit voorval tot de overtuiging te zijn gekomen, dat Armand niet het goede kind was, waarvoor ze hem altijd gehouden had, tenminste, Bella had haar gister bij het afscheidnemen verteld, dat ook Armand naar kostschool zou gaan.

„Mama zegt, dat Armand zoo ondeugend geworden is, door de verkeerde opvoeding, die de verschillende gouvernantes hem gegeven hebben,” had ze er lachend bijgevoegd, „en ze wil het nu niet meer met een nieuwe gouvernante wagen. Wonder boven wonder, oordeelt Mama het beter voor hem, dat hij eens meer met andere jongens in aanraking komt.” [129]

„Waarom gaat hij dan niet naar een gewone school?” had Thea gevraagd, waarop Bella geantwoord had: „Och ziet u, dan zou er toch een juffrouw moeten komen, om zich buiten de schooluren met hem te bemoeien. Op den duur kan Mama dat niet doen; ik geloof, dat het haar die laatste week al mooi begon te vervelen, voortdurend op hem te moeten letten. Ook geloof ik, dat Mama die armbandquestie veel erger vindt dan ze bekennen wil en dat ze begint in te zien, dat ze in haar te groote liefde voor haar eenig zoontje, hem te veel bederft. Mama is voor ons altijd zoo streng geweest, dat ik nooit begrepen heb, hoe ze voor hem zoo verblind kon zijn.”

Het had Thea’s gevoel voor rechtvaardigheid goed gedaan, dat mevrouw van Gendringen blijkbaar inzag, dat Armand een strengere leiding noodig had en dus erkende, dat het kind leelijke fouten had. Wat Conny betrof, die zou het op kostschool allicht aangenamer hebben, dan thuis, en voor haar zou de omgang met andere meisjes uitstekend zijn.

Zoo zou alles ten beste gekeerd zijn, als ze maar een andere betrekking had. Ze zou dadelijk weer beginnen met solliciteeren en haar best doen, iets in de stad van haar inwoning te krijgen. Als haar dat eens lukte, wat zou dat heerlijk zijn!

Ze naderde Rotterdam al, nog een halfuurtje en dan was ze thuis.

Hoe zou Vadertje er uitzien? Ze hoopte maar, dat ze niet aan hem verloren zou hebben. [130]

Daar stoomde ze het zoo bekende station binnen; ze keek uit, of ze ook iemand zag.

Ja, daar stond Ita, haar lieve zus, ze zag haar ook, wat wuifde ze hartelijk.

Ita haastte zich naar den wagon, waar ze Thea voor het raampje had gezien en een oogenblik later kusten de zusjes elkaar, zooals ze misschien nog nooit gedaan hadden.

„Alles goed, thuis?” vroeg Thea, toen de eerste verwelkoming voorbij was.

„Best, Vader heeft weinig pijn in den laatsten tijd, Moes is frisch als altijd en de kinderen maken het uitstekend.”

„En jij?”

„O, ik, ik ben altijd zoo gezond als een visch, dat weet je.”

„Ik vind niet, dat je er nu juist blozend uitziet.”

„Je moet ook geen onmogelijkheden eischen, een paar bruine, leeren wangen, kunnen niet met een rozenblosje prijken, je weet, ik munt uit door afwezigheid van kleur en verdere schoonheid.”

Lachend keek Thea naar haar zusje, dat werkelijk niets moois had, dan hare oprechte, donkergrijze oogen met de lange oogharen en de fijne donkere wenkbrauwen er boven. Ze scheen nog gegroeid te zijn en nog magerder geworden, in den tijd, dat ze haar niet gezien had.

Toen ze in de tram zaten, zei Ita:

„Zeg Theetje, je bent er ook niet dikker op geworden, hoor. Kreeg je daar niet genoeg te eten?” [131]

Thea lachte en verzekerde, dat ze het materieel heel goed had gehad.

Toen fluisterde ze:

„Wat zeggen Vader en Moes er wel van, dat ik zoo terugkom?”

„Ze zitten met verlangen op je te wachten, daar kun je van op aan.”

„Ja, maar ik bedoel, dat ik mijn betrekking kwijt ben.”

Ita deed kwasi onverschillig.

„O, Moes vond het wel jammer, maar Vader had nooit verwacht, dat je er lang blijven zou.”

„Niet?” vroeg Thea verrast, „waarom niet?”

„Nou, hij dacht het zoo in je brieven te lezen.”

„In mijne brieven, en ik heb altijd mijn best gedaan, opgewekt te schrijven.”

„Dat vonden Moes en ik ook, maar Vader zei telkens, ze vindt het er niet prettig, dat voel ik.”

„Die lieve vader, wat kent hij me, om dat tusschen de regels door te lezen. O, Iet, als je eens wist, hoe ik soms naar jullie allen verlangd heb,” en Thea’s oogen vulden zich met tranen.

Verschrikt keek haar zusje haar aan. Zou ze hier in de tram gaan huilen?

„Pas toch op, daar komt Marie van Leeuwen binnen,” zei ze.

Thea snoot haar neus en veegde ondertusschen hare vochtige oogen af.

Marie van Leeuwen, een vroeger schoolkennisje van [132]haar, ging tegenover haar zitten en haar aanziende, zei ze verbaasd:

„Jij al hier, Thea, heb je nu al vacantie?”

Verlegen keek Thea haar aan. Marie wist, dat ze in Brussel in een betrekking was geweest, ze had haar nog niet lang geleden geschreven, dat ze met Paschen thuis hoopte te komen voor de vacantie. Natuurlijk was die verwonderd, haar nu al in den Haag terug te zien.

„Ja, zie je”, zei ze, „er is verandering in de plannen gekomen, ik kom weer thuis.”

„Weer thuis? voor goed?”

„Ja.”

„Waarom? Ik dacht, dat je het in Brussel zoo prettig had.”

Thea wist zoo gauw niet, wat te antwoorden; Marie was geen intieme van haar, ofschoon ze haar met Nieuwjaar geschreven en zij dien brief beantwoord had. Ze had geen lust, haar een uitleg van de zaak te geven en wist niet goed, wat nu te zeggen.

Ita kwam haar te hulp.

„Thea is in den laatsten tijd niet zoo heel lekker,” zei ze, „en het was een drukke betrekking. Daarom was het beter, dat ze maar weer een poosje thuis kwam.”

Thea glimlachte, wat redde die Iet er haar netjes uit en dat zonder jokken, want ze was niet goed in den laatsten tijd en ze had het vreeselijk druk gehad. Ze gaf haar een verstolen kneepje in de hand, bij wijze van bedankje en begon naar Marie’s ouders te informeeren, waardoor het gesprek een andere wending kreeg. [133]

Daar waren ze, waar ze wezen moesten; ze verlieten de tram, na een handdruk met Marie gewisseld te hebben en een paar minuten later waren ze in de Columbusstraat.

Drie kinderen renden hen te gemoet, zoodra ze den hoek der straat omsloegen.

Bets bereikte hen het eerst en zich aan Thea vastklemmend, stak ze haar snoetje omhoog, om gekust te worden. Toen volgde Nico, die ook gepakt wilde worden, daarna wat langzamer Jan, die het met een stevigen handdruk afdeed.

„Allemachtig leuk, dat je weer thuis komt,” zei hij hartelijk.

Nico had zich intusschen van Thea’s reistaschje meester gemaakt en overwoog druk met Bets, of er ook iets voor hen in zou zitten.

Daar stond Moeder aan de deur en Thea, zich niet storend aan haar negentien jaren, vloog naar haar toe.

„Moesje!”

„Mijn beste, hoe gaat het? Kom gauw mee naar Vader, hij verlangt zoo naar je.”

Binnen strekte Vader zijne armen naar haar uit en daar lag ze als vanouds naast de rustbank geknield en kuste hem en werd gekust en voelde zich voor het eerst na vele maanden recht gelukkig.

„Ik heb je zoo gemist, mijn meisje,” zei Vader.

„En ik u dan! O, ik wist soms niet, hoe ik het langer uithield, zoo ver weg.”

„Dat wist ik wel, dat las ik tusschen de regels door. Ik heb zelfs op het punt gestaan, je te schrijven, maar [134]liever terug te komen, maar Moeder was verstandiger en vond, dat we het aan jezelf moesten overlaten.”

„Lieveling,” en Thea kuste zijn hand. Toen in eens week de vroolijkheid uit hare oogen en zacht zei ze:

„Bent u niet erg in mij teleurgesteld?”

„Neen kindje, dat niet.”

„Maar u vindt toch, dat ik beter mijn best had moeten doen.”

„Daar kan ik niet over oordeelen. Daar spreken wij nog wel eens samen over.”

„Ik was zoo bang, dat u zoudt vinden, dat ik mijn plicht niet gedaan had.”

„Je moet er me nog eens alles van vertellen. In elk geval is het goed, dat je maar weer bij ons bent. Je ziet er maar smalletjes uit.”

„Dat vind ik ook,” zei zijn vrouw, „we zullen haar een beetje moeten opknappen. Zeg nu even de kinderen goeden dag, Thea, ze moeten naar school, dan drinken wij gezellig met ons drietjes koffie, we hebben op je gewacht.”

De kinderen kwamen goeden dag zeggen en Nico kon niet nalaten met een teleurgesteld gezicht op te merken:

„Heb je nou heelemaal niks voor ons meegebracht?”

„Foei Nico,” riep Ita, „schaam je toch!”

Maar Thea trok hem naar zich toe en fluisterde hem wat in het oor. Het kind maakte een luchtsprong.

„’t Zit in den grooten koffer, Bets, we krijgen wel wat, lekker!” [135]

„Hè ja,” beaamde Bets, „dolletjes, ik vertel dan vast aan de meisjes, dat ik wat uit Brussel krijg, leuk hoor!” en weg holde het tweetal, verheugd door het vooruitzicht, wat uit die vreemde stad te zullen krijgen.

Daarna namen ook Ita en Jan afscheid en trachtte Moeder, Thea wat te doen gebruiken, maar ze was zoo opgewonden en zenuwachtig, dat ze haast niets naar binnen kon krijgen.

„Kom, kindlief,” zei haar moeder, „drink dan ten minste die melk uit. Waarom eet je niet wat meer, ik heb nog al voor rookvleesch gezorgd, omdat je daar veel van houdt.”

Opeens barstte Thea in tranen uit. Die vriendelijke, bezorgde ontvangst was meer, dan ze verdragen kon, zenuwachtig en overspannen, als ze in den laatsten tijd geweest was.

„Maar Thea, wat scheelt er nu aan?” vroeg haar moeder bezorgd.

„Ik was nog al bang, dat u boos op me zijn zoudt,” snikte ze.

„Boos?”

„Ja, omdat ik zoo slecht opgepast heb. Boos of verdrietig, dat is even erg.”

Haar vader greep haar hand en trok haar naar zich toe. Hij veegde een beetje onhandig hare oogen af met haar zakdoekje en zei sussend:

„Bedaar nu eerst eens, niemand is boos of verdrietig. Moeder en ik begrijpen wel, dat die taak misschien wat zwaar voor je was, een volgend maal beter, eerst [136]struikelen en vallen en daarna stevig blijven staan.”

„Maar u kunt het geldelijk voordeel er van niet missen.”

„Och kom,” viel haar moeder in, die zag dat haar man een pijnlijken trek niet onderdrukken kon en die wist, wat het verdriet van zijn leven was, „dat komt terecht. Vooreerst heb je nog je honorarium, dat je pas gekregen hebt en dan vindt je wel weer wat. Moed verloren, al verloren, je zult zien, alles komt best terecht.”

Thea sloeg haar armen om haar heen en drukte zich tegen haar aan.

„Zoo’n flinke moes en zoo’n flauwe dochter,” zei ze glimlachend door haar tranen, „maar u heeft gelijk, treuren helpt niets, opnieuw beginnen en dan trachten het er beter af te brengen.”

„Bravo, dat is als ons dapper meisje gesproken; kom nu eens bij ons zitten en vertel ons eens alles uitgebreid,” verzocht Vader.

Thea voldeed aan dit verzoek en haar vader had meer medelijden met Armand, dan met Constance.

„Hè Vader, waarom?”

„Met Constance zal het wel schikken, vooral daar ze nu onder andere meisjes komt, maar die kleine Armand zal nog menig hard nootje te kraken hebben, voor hij is, zooals hij worden moet. Het is heel verstandig van mevrouw van Gendringen hem ook maar het huis uit te sturen, als ze zich zelf bewust is, dat ze hem bederft.”

„Ja, dat viel me ook in haar mee, ik geloof, dat ze zelf geschrokken is van die geschiedenis met mijn armbandje,” antwoordde Thea. [137]

Toen met één hand haar vaders, met de andere haar moeders hand grijpend, zei ze met een zucht van voldoening:

„Wat zitten we hier in-gezellig, hoe zalig, weer thuis te zijn.”

[139]

[Inhoud]
Twaalfde Hoofdstuk.

Twaalfde Hoofdstuk.

Jan’s rapport.

D

e volgende dagen hervatte het leven van Thea zijn ouden gang; het was haar soms, alsof ze niet weg geweest was. Het verschil bestond alleen daarin, dat ze Nico geen les behoefde te geven en dus meer tijd had, om zich aan haar vader te wijden en voor haar Fransch te studeeren. Ook hielp ze haar moeder zoo nu en dan een handje, zoodat de tijd vlug genoeg voorbij ging en ze een veertien dagen thuis was, voor ze het wist.

’s Avonds keek ze geregeld de courant na, of er niet een betrekking aangeboden werd, die geschikt voor haar zou zijn. Een enkele maal had ze op een advertentie geschreven, ook had ze zelf geadverteerd, maar beide zonder resultaat, geen enkele brief was er op gekomen.

Zoo naderde de Paaschtijd en met hem de vacantie der kinderen. [140]

Op een der laatste dagen voor de vacantie zouden ze de rapporten van school krijgen en dat was een gebeurtenis, die niet zonder zorg werd te gemoet gezien. Vader hechtte zoo heel veel aan die rapporten; zijn dikwijls gedwongen werkeloosheid bracht mee, dat hij wat tobberig van aard was, vooral, wanneer het de opvoeding der kinderen betrof. Hij wist, dat hij hen zoo goed als niets kon nalaten en dat ze dus zelf hun weg door het leven zouden moeten vinden en zijn voortdurende angst was, dat hij hun ontvallen zou, vóór ze in staat zouden zijn, voor zichzelf te zorgen. Ieder jaar was er dus één en de gedachte dat de kinderen op school zouden blijven zitten en zoodoende een jaar achter komen, maakte hem zenuwachtig en angstig.

Voor Ita was hij niet bang, die leerde gemakkelijk en zou haar weg wel vinden, maar Jan gaf hem groote zorg. Het Kerstrapport was maar zoo zoo geweest; twee onvoldoenden, hij was er van geschrokken, maar Ita had hem gerust gesteld door te zeggen, dat dit eerste rapport niet zoo heel veel gewicht in de schaal legde, het Paaschrapport, daar kwam het op aan. Hij had Jan geen privaatles kunnen laten nemen, dat ging zijn financiën te boven, maar hij had hem zooveel mogelijk zelf geholpen, ’s avonds. Maar juist door dat samenwerken had hij gemerkt, dat Jan niet heel gemakkelijk leerde, het was, alsof hij zijn aandacht niet bij de dingen houden kon.

En toch, soms verraste hij hem door een snugger antwoord, of een oplossing, die wel degelijk blijk gaf [141]van goede hersenen. Jan was overigens zoo’n goede eenvoudige jongen, maar speelsch in de hoogste mate. Hij was bijna veertien jaar, was met moeite op de Hoogere Burgerschool gekomen en in plaats van nu alle krachten in te spannen om den cursus te kunnen volgen, was hij altijd vol gekheid, een zeer geliefd kameraad en een gezellig huisgenoot, maar een goed leerling was hij niet.

Als zijn vader hem naar de verkregen cijfers vroeg, was hij nooit goed op de hoogte, zoodat deze vreesde, dat ze niet al te best waren, enfin, het Paaschrapport zou het uitmaken.

Op een morgen was Jan stiller dan anders en at bijna niet en toen Thea hem vroeg, wat er aan scheelde, antwoordde Ita lachend in zijn plaats:

„Het rapport zit hem in zijn maag. Dat krijgt hij vandaag, niet waar Jan?”

„Best mogelijk,” bromde Jan.

„Neen zeker, ik weet het van je vriend Willem, die jongen zei gisteren, dat zijne haren ten berge rezen, als hij aan het rapport dacht, dat hij vandaag krijgen zou. Zijn vader was zoo driftig en hij verwachtte niet veel goeds. Wij krijgen ons rapport morgen.”

Ita stond op en begon hare boeken bij elkaar te zoeken, maar Thea keek naar Jan en zag, dat hij niet op zijn gemak leek te zijn. Gelukkig dat Vader niet met hen samen ontbeet en Moeder juist niet binnen was, als Jan’s rapport slecht was, zouden ze het altijd nog bijtijds hooren. [142]

„Zeg Jan,” zei Thea, haar arm om zijne schouders leggend, „zou je rapport nog al goed zijn? Of ben je er bang voor, zooals Ita zegt?

Jan duwde haar ruw weg.

„Leg nou niet te zaniken,” bromde hij.

„Als die voetzoekergeschiedenis je maar niet opbreekt, Janneman,” zei Ita.

„Een voetzoekergeschiedenis, wat is dat dan, Iet?” vroeg Thea.

„Hou je mond, Ita,” verzocht Jan.

„Kom, dat mag Thea toch wel weten. Je kent mijnheer van Bergen, den leeraar in de wiskunde? Nu, daar hebben de jongens in het algemeen een hekel aan en toen wilden ze hem een poets bakken. Je weet, hij is dik en heeft de gewoonte, altijd dadelijk te gaan zitten. Nu hebben een paar jongens knallers onder de pooten van zijn stoel gelegd en toen hij er zich op liet neervallen, knalden ze los. Je begrijpt, toen was Leiden in last en de jongens, die dat ondeugende stukje uitgevoerd hadden, voor goed in ongenade.”

Thea kon niet nalaten te lachen, bij de gedachte aan het knaleffect en het verschrikte gezicht van den dikken leeraar, maar toen zei ze:

„’t Was brutaal, hoor, wie hadden dat gedaan?”

„Jan en Willem.”

„Maar Jan, hoe durfde je! Ik moest er wel even om lachen, maar mooi vind ik die soort grappen toch niet.”

„’t Is een lamme vent,” bromde Jan.

„Jawel,” lachte Ita, „dat vinden Willem en jij, omdat [143]jullie niet al te vlug van begrip bent, in de wiskundige vakken en hij er jullie nog al eens van langs geeft, maar er zijn ook jongens, die hem graag mogen.”

„Hij is altijd sarkastisch, dat is het beroerde, laat hij je een standje geven, maar je niet voor den gek houden.”

„En is het ontdekt, wie het gedaan had?” vroeg Thea.

„Natuurlijk, ik heb het zelf gezegd.”

„Dat vind ik nu weer flink van je.”

„’k Kon het niet laten, die arme duivel van een George kreeg er de schuld van, daar heeft hij ook zoo den pik op en omdat die er heelemaal niet aan meegedaan had, moest ik wel zeggen, dat ik het was.”

„En Willem?”

„Nou, die zei het toen ook.”

„En toen?”

„We moesten vier vrije middagen terug komen, het was lollig, hoor.”

„En weet Vader daarvan?”

„Wel neen, waarom zou ik het hem verteld hebben, hij zou er maar het land over gehad hebben. Ik had den streek uitgevoerd en de straf er voor gekregen, uit was het.”

„Maar heeft Vader dan niet gemerkt, die je die middagen niet thuis was?”

„’t Was gelukkig altijd mooi weer, hij dacht, dat ik wandelen ging.”

Thea zette een bedenkelijk gezicht.

„Nu, ik weet het niet,” zei ze, „ik ben er altijd voor [144]Vader zooveel mogelijk te sparen, maar of het wel goed en oprecht was, die heele geschiedenis voor hem te verzwijgen, daar ben ik nog zoo zeker niet van.”

Jan bromde zoo iets, van onnoodige drukte maken en greep naar zijn pet.

„Bonjour, ik ga, vooruit Nico,” en het kind een duw gevend, dreef hij hem de kamer uit. Ze gingen denzelfden weg naar school en dus nam hij Nico altijd zoover mee.

Toen de jongens de kamer verlaten hadden, zette ook Ita haar hoed op en haar mantel aantrekkend, zei ze:

„Ik vrees, dat het rapport van Jan nog een boel vervelends met zich zal brengen. Jan keek erg benauwd en je kent Vader, niets is er, dat hem zoo zenuwachtig maakt, als een slecht rapport van Jan.”

„’t Is naar, waarom moet dat nu weer slecht zijn. Hou je Jan voor dom?”

„Niet bepaald, maar hij heeft geen grein energie. Adieu, ik moet weg.”

Thea begon de ontbijttafel op te ruimen en niet lang daarna kwam Moeder terug, die ondertusschen haar man had helpen opstaan.

De morgen ging voorbij als gewoonlijk, Vader was zelfs heel opgewekt en Thea waagde het niet, over het dien dag te verwachte rapport te beginnen. Vader scheen niet te weten, dat Jan het juist vandaag kreeg, Moes ook niet en ze kon het niet over haar hart verkrijgen, hun opgewektheid te verstoren. Als Jan er mee thuis [145]kwam, zou het tijd genoeg zijn tot treuren, misschien viel het ook wel mee.

Het werd twaalf uur en Thea voelde, dat ze zenuwachtig werd, als Jan maar niet al te slecht had opgepast. Een kwartiertje later kwam Ita thuis en vroeg dadelijk, of Jan er al was.

„Nog niet,” zei haar moeder, „waarom vraag je dat zoo?”

„Och zoo maar. Daar zal je ze hebben!”

Thea ging zelf open doen en Nico stoof naar binnen.

„Is Jan niet bij je?”

„Neen, ik zag hem niet en toen ben ik maar naar huis gekomen.”

„Dat mag je eigenlijk niet, je weet, Moes is zoo bang voor de tram. Ga maar naar binnen, ik kom dadelijk,” en Thea keek de straat eens af, of ze Jan ook zag aankomen. Eerst zag ze niemand in de heele straat, dan een vruchtenkoopman, maar plotseling zag ze hem den hoek omslaan en met zijne handen in zijne zakken komen aanslenteren. Hij zag er heel bedrukt uit, het rapport was zeker erg slecht, want Jan vloog gewoonlijk meer dan hij liep en nu kwam hij aankruipen, alsof hij er tegenop zag, thuis te komen.

Hij was al dicht bij huis, toen hij Thea zag en hij knikte haar quasi onverschillig toe.

Thea maakte een gebaar van ongeduld.

„Loop toch wat vlugger,” riep ze hem toe.

„Waarom,” zei Jan, naderkomend.

Thea liet hem binnen en vroeg dadelijk: [146]

„Is het slecht?”

„Ellendig,” zei Jan, met zijn rug tegen den gangmuur leunend.

„Hoeveel onvoldoenden?”

„Vijf.”

„Maar Jan!”

Haar broertje antwoordde niet, hij beet zich op zijn bovenlip en trapte ongeduldig op den grond.

Thea zuchtte diep en zei:

„Ga nu maar naar binnen.”

Een oogenblik aarzelde Jan, toen duwde hij haar een papier in de hand, zeggend:

„Geef jij het maar,” waarna hij rechtstreeks naar zijn kamertje liep, Thea in niet geringe verlegenheid achterlatend.

Ze bekeek de enveloppe, waarin het rapport gesloten was van voren en van achteren en vond het een koopje, dat Jan het aan haar overliet, met die slechte tijding naar binnen te gaan.

„Waar blijf je toch, Thea,” hoorde ze Moeders stem, „kom je geen koffiedrinken? Is Jan nog niet thuis?”

Thea begreep dat ze hier niet kon blijven staan en met loome schreden ging ze naar de huiskamer. Daar zaten allen aan de koffietafel, behalve Bets, die overbleef op school en Jan.

„Waar heb je toch gezeten, kind?” vroeg Moeder nog eens en Vader informeerde, waar Jan bleef, was die nog niet thuis?

Thea ging op haar plaats zitten en antwoordde: [147]

„Jawel Vader, hij is thuis.”

„Waarom komt hij dan geen koffiedrinken?”

„Hij is naar zijn kamertje geloopen, ik denk dat hij liever niet binnenkomt. Hier is zijn rapport.”

„Zijn rapport?” en Vader richtte zich op en stak zijn hand uit naar de enveloppe, die Thea nog steeds vasthield.

„Is hij naar zijn kamer geloopen, dan is het zeker slecht,” zei Moeder en boog zich over haar man, om met hem samen het rapport te lezen.

Deze vouwde het open en werd bleek.

„’t Is schande,” zei hij dof. „Vijf onvoldoenden en dan nog die aanmerking van den directeur onderaan.”

„Ja, het is te erg,” beaamde zijn vrouw.

„Een aanmerking?” vroeg Thea, „wat staat er dan?”

Haar vader las voor:

„Deze leerling geeft groote reden tot ontevredenheid door zijn gedrag en zijn onoplettendheid. Ik geef u in overweging, of zijn omgang met Willem Meyer wel goed voor hem is.”

Thea luisterde zwijgend toe en Ita keek ontsteld naar haar zuster. Daar hadt je het al, die streek van de klappers had het hem gedaan.

Nu verhief zich Nico’s stem.

„Hij heeft den rekenmeneer in de lucht laten springen.”

„St,” zei Ita boos, maar haar vader wilde weten, wat Nico bedoelde. Deze vond het interessant, dat hij wat kon vertellen, dat Vader niet wist.

„Hij heeft den rekenmeneer op een stoel gezet en [148]toen vuurwerk er onder gelegd en toen is die in de lucht gevlogen.”

Niettegenstaande haar schrik, dat Nico alles van Jan vertellen zou, moest Ita lachen.

„U hoort, wat een onzin hij praat, Vader, luister toch niet naar hem.”

Maar haar vader was in geen stemming tot gekscheren.

„Hij praat onzin, maar jij zult me beter kunnen inlichten. Als je blieft, wat weet je er van.”

Ita zweeg; ze wilde liever niet vertellen, wat Jan haar in vertrouwen had medegedeeld. Het was al erg genoeg, dat ze er vanochtend niet op gelet had, dat Nico in de kamer was, toen ze Thea die geschiedenis vertelde.

„Vraag u het liever aan Jan zelf, ik vertel niet graag iets van de kinderen, Vader.”

Deze fronste zijne wenkbrauwen, maar zei, dat het goed was, hij zou Jan zelf wel spreken, ze moest hem maar halen.

Ita had er niet veel lust in.

„Toe, ga jij, Thea,” zei ze.

„Waarom ik?”

„Hoe is het?” vroeg Vader ongeduldig, „gaat er haast iemand. Als ik maar niet aan die bank gebonden was, dan zou ik hem zelf wel gauw beneden hebben.”

Thea werd angstig, Vader wond zich zoo op en dat was zoo slecht voor hem.

„Ik zal wel even gaan,” zei Moeder, maar Thea liep [149]al naar de deur, bang, dat Vader zich driftig zou maken.

Boven gekomen, vond ze de deur van Jan’s kamertje gesloten. Ze rammelde aan den knop.

„Doe open, Jan.”

Geen antwoord.

„Toe Jan dan, laat me binnen, ik ben het, Thea.”

Ze hoorde voetstappen in de richting van de deur en daarna het slot omdraaien.

Thea trad binnen.

Jan stond met den rug naar haar toe en mompelde:

„Wat zeggen ze er van?”

Thea sloeg haar arm om zijne schouders.

„Natuurlijk zijn Vader en Moes geschrokken van al die onvoldoenden en dan die aanmerking van den directeur! Hoe kon je toch zoo slecht oppassen, Jan?

Haar broer haalde zijne schouders op.

„Dat weet ik zelf zoo niet, je maakt pret en denkt verder niet veel na.”

„’t Is jammer, ga nu mee naar beneden, Vader wou je spreken.”

„Laat me maar liever hier.”

„Maar dat kan immers niet. Ga nu gauw mee, Vader is zenuwachtig en geagiteerd en je weet, hoe slecht dat voor hem is. Je krijgt natuurlijk een standje, maar dat heb je verdiend, hè?”

„Als ’t maar enkel een standje was.”

„Kom, je mag Vader niet laten wachten, dan voelt hij meer dan ooit zijn ziekte. Je hebt hem al verdriet genoeg gedaan.” [150]

Jan liet zich de kamer uitduwen en ging toen schoorvoetend naar beneden.

Hij voelde zich ellendig.

Hij schaamde zich nu werkelijk, dat hij niet beter opgepast had, hij wist, hoe Vader zich de schoolzaken aantrok, maar Willem verzon altijd leuke dingen en dan was het hem te machtig, dan moest hij meedoen. Willem leerde gemakkelijker dan hij en hij hoefde daarom minder voor zich zelf te werken, om geen al te slecht rapport te hebben. Maar hij wist heel goed, dat hij zich flink moest inspannen om er te komen en toch vergat hij dat telkens weer, lette niet op en maakte pret.

Thea opende de deur der huiskamer en Jan ging naar binnen.

Hij stond daar met gebogen hoofd en zweeg.

„Kom wat dichter bij, Jan,” zei zijn vader.

Jan ging een paar passen vooruit.

„Hoe vin’ je dat rapport?”

„Hoe vin’ je dat rapport?”

„Hoe vin’ je dat rapport?”

(Bladz. 150)

Jan zweeg.

„Antwoord me.”

„Slecht.”

„Zoo, zie je dat tenminste in. Zeg maar gerust, heel slecht. Dat is geen rapport om mee over te gaan, wel?”

Jan trok zijn schouders op.

„Met vijf onvoldoenden zal er wel geen sprake zijn van overgaan. Jan, Jan, wat geef je me een moeite en zorgen, wat doe je Moeder en mij een verdriet.”

Jan boog nog dieper het hoofd. Dien toon kon hij heelemaal niet verdragen. Willem’s vader was driftig, die [151]gaf hem misschien een flink pak slaag, maar dan was het ook uit, terwijl Jan zeker wist, dat Vader er weken over tobben zou en het hem misschien achteruit zou zetten.

Hij beet zich op de lippen, om zijne tranen in te houden, een jongen van zijn leeftijd mocht niet staan huilen, als een klein kind, maar hij had er veel voor over gehad, hier niet zoo te moeten staan.

„Ik kan het nog wel inhalen,” zei hij met bevende lippen.

„Ik weet niet of dat mogelijk is. Dit rapport is misschien van overwegenden invloed.”

„Neen Vader,” viel Ita in, „als hij op het laatste rapport geen, of een enkele onvoldoende heeft, gaat hij nog wel over.”

„Dan moeten we ons uiterste best doen, dat hem dat lukt. Ongelukkig kan ik hem geen privaatles laten geven, dat is te kostbaar.”

„Ik zal hem wel eens helpen,” beloofde Ita, „en u kunt hem met wiskunde voorthelpen. Tob er maar niet over, wij zullen er hem nog wel brengen.”

Haar vader drukte haar hand.

„Je bent een beste meid. Zou jou rapport goed zijn? Wanneer komt het?”

„Morgen, ik geloof, dat ik geen onvoldoenden heb. Maar u moet niet vergeten, dat ik gemakkelijker leer, dan Jan.”

Haar vader keek haar aan en dacht, wat een lief meisje ze toch was, zoo’n echt goed kind.

Zich toen weer tot Jan wendend, zei hij: [152]

„Dus Jan, we zullen alles doen, wat we kunnen, om je noch te redden van de schande van te blijven zitten. Beloof je me, te doen, wat je kunt?”

Jan beloofde het.

Zijn vader keek hem hoofdschuddend aan.

„Den vorigen keer heb je dat ook beloofd en wat is er van die belofte geworden.”

Jan kreeg een kleur.

„Ik geef u mijn woord, dat ik beter op zal passen, Vader.”

„Goed, dat neem ik aan. Je zult dus alles doen, wat ik noodig oordeel, nietwaar? Dan eisch ik in de eerste plaats, dat je voorloopig je omgang met Willem Meijer afbreekt.”

Jan keek ontsteld op.

„Met Willem?” riep hij uit, „neen, dat kan ik niet, dat doe ik niet.”

„St, hou je bedaard, dat zal toch wel moeten, ik wil het zoo. Vergeet niet, dat je me je woord gegeven hebt. Tot de groote vacantie laat je Willem loopen.”

Jan werd driftig. Hij balde zijne handen tot vuisten en drukte de nagels diep in zijne handpalmen, om zich goed te houden.

„Ik heb u mijn woord gegeven, beter op te passen en dat zal ik ook, maar dit mag u niet van me vergen. Willem is mijn beste vriend, wij gaan altijd samen naar school, ik kan niet zonder hem, werkelijk niet, Vader, ik laat hem niet loopen, ik doe het niet.”

„En als ik dat nu bepaald wil?” [153]

Mijnheer van Welderen had zich wat opgericht en zag er zeer opgewonden uit. Zijne oogen ontmoetten die van zijn zoon en deze sloeg de zijne neer.

„Eisch dat niet, Vader, hoe kan dat nu, we zitten in dezelfde klasse, zelfs in één afdeeling, we zien elkaar dus toch dagelijks.”

„Het zal toch wel moeilijk voor hem zijn, man,” viel mevrouw van Welderen in, terwijl Ita medelijdend naar Jan keek en Thea Nico trachtte te bedaren, die bitter huilde, omdat iedereen zoo boos was, zooals hij zei.

„Dan zal ik den directeur vragen, hem in de andere afdeeling te plaatsen. Hij waarschuwt me zelf voor Jan’s omgang met Willem.”

Zich toen weer tot Jan wendend:

„Beloof me, dat je tot de groote vacantie geen omgang met Willem zult hebben, geef me je woord, dat je me zult gehoorzamen.”

Een oogenblik stond Jan bewegingloos, toen keerde hij zich om en rende de kamer uit, naar boven naar zijn kamertje, waar hij eenige oogenblikken met zijne opkomende tranen stond te worstelen, slikkend en met zijne oogen knippend.

„Ik beloof het niet,” dacht hij, „ik doe het niet.”

Daar kwam zijn moeder binnen, die hem gevolgd was.

„Jan,” zei ze zacht en trok hem naar zich toe.

„Ik beloof het niet, Moes, geef u maar geen moeite, ik doe het niet.”

„Jan,” zei ze nog eens, hem in de oogen kijkend, „denk aan Vader.” [154]

Nu barstte Jan los.

„Dat is het ellendige, je moet je altijd onderwerpen, alles maar goed vinden, omdat Vader geen gewoon man is en omdat je altijd gevaar loopt, hem zieker te maken. Als Vader een gewone, sterke man was, dan kon je zooiets volhouden, maar nu zal ik wel weer moeten toegeven, omdat ik hem anders erger maak. En ik kan het niet beloven, het is afschuwelijk.”

Zijn moeder duwde hem op een stoel en ging bij hem zitten.

„Wat je daar zegt, Jan, is niet waar. Al was Vader de gezondste man van de wereld, dan moest je hem nog gehoorzamen, omdat hij je vader is. Dat weet je zelf ook wel.”

„Ja maar Moes, als Vader sterk was, en tegen een schok kon, dan zou ik er niet over denken, Willem te laten loopen.”

„In dat geval zou Vader je daar wel toe kunnen dwingen.”

„’t Kan zijn, maar het zou toch iets heel anders wezen. Voelt u dat niet, Moes?”

Zijn moeder glimlachte. Ze begreep wel, wat hij bedoelde en zag ook in, dat hij nog te veel kind was, om in te zien, dat het juist mooi was, dat hij uit liefde en bezorgdheid voor zijn vader zijn verzet brak, in plaats van uit vrees. Dat hij dit echter instinctmatig zoo voelde, bewees, dat hij een goeden aard had.

„Dus beloof je Vaders wil te doen, jongen?”

Nog aarzelde Jan. Het was een vreeselijke belofte, [155]die van hem gevraagd werd. Beloofde hij te gehoorzamen, dan moest hij dat ook doen, het kwam niet in hem op, zijne ouders achter hun rug te bedriegen, maar zou hij het kunnen volhouden?

„Als ik maar kan, Moes.”

„Je kunt het, beschouw het, als je wilt als een straf, je hebt toch ook wel wat verdiend, vin’ je niet? Je zult toch moeten bekennen, dat je heel slecht hebt opgepast.”

„Nou ja, natuurlijk. Maar denk eens, hoe gek het tegenover de jongens zal zijn, Willem zal me zeker uitlachen.”

Zijn moeder schudde haar hoofd. Dat was het, wat hem terughield te doen, wat zijn vader wilde, hij gevoelde valsche schaamte tegenover de andere jongens.

„Laat Willem eens bij me komen,” zei ze, „dan spreek ik zelf eens met hem en dan zal hij best begrijpen, dat je niet anders handelen kunt. Als hij je dan nog uitlacht, is hij niet waard, je vriend te zijn. Maar hij zal wel inzien, dat het beter zoo is, het is ook maar tot de groote vacantie.”

„Zou ik hem Zondags ook niet mogen spreken?”

„Ik denk, dat Vader daar het oordeel van den directeur over vragen zal. Ga nu mee naar beneden en zeg Vader, dat je gehoorzamen zult.”

Jan stond op en volgde zijn moeder. Zijn hart was bezwaard, maar hij voelde, dat hij niet anders handelen mocht, dan zijn vader zijn belofte brengen.

„Ik beloof u te doen, zooals u wilt, omtrent Willem.”

Zijn vader drukte hem stevig de hand. [156]

„Dank je vent, voor die belofte. We zullen ons best doen, alles nog terecht te brengen.”

Ita ging naar Jan toe en gaf hem een flinken klap op zijn schouder.

„Mooi zoo, jongen, je bent een goede kerel, hoor,” en Thea gaf hem een kus.

Nico keek een beetje verbaasd.

„Ik dacht, dat Jan een slecht rapport had en nu wordt hij gekust,” zei hij, met zijn hoog stemmetje.

Toen begonnen ze allen te lachen, Jan in zijn zenuwachtige overspanning het hardst van allemaal en Nico, die er nu niets meer van begreep, lachte maar mee, ofschoon hij niet wist waarom.

[157]

[Inhoud]
Dertiende Hoofdstuk.

Dertiende Hoofdstuk.

Thea krijgt een nieuwe betrekking.

D

ien middag aan tafel vertelde Bets, dat de juffrouw uit de zesde klasse ziek was geworden en dat de meisjes uit die klasse toen vrij af hadden gehad.

„Lekker hè, zoo’n extra vrijen middag,” zei Bets, zoo vergenoegd kijkend dat men zou denken, dat haar zelf dat buitenkansje te beurt was gevallen.

„Bets kijkt al glunder, enkel bij het idee van een vrijen middag,” zei Ita lachend.

„Zoo’n kleine luilak,” plaagde Thea.

„Daarvan is ze zoo dik,” merkte Vader schertsend op.

Maar Moes nam Bets’ partij.

„Ze is niet lui, dat mag je niet zeggen, Thea, ze doet goed haar best op school, haar rapport is wat goed dezen keer.” [158]

Bets, die niet goed tegen plagen kon en die al lust had gehad, uit haar humeur te geraken, keek weer vroolijk.

„Bets lijkt op die prent van Jantje huilt en Jantje lacht,” merkte Nico op.

Dit was zoo waar, het ronde kindergezichtje van Bets veranderde soms zoo plotseling van vroolijkheid tot huilen, dat de heele familie om Nico’s gezegde lachen moest.

Bets werd verlegen.

Ze gaf Nico, die naast haar zat, een stomp, dat de vork hem uit de hand vloog.

Nico stompte dadelijk terug.

„Wat is dat?” zei Vader, „wat krijgen jullie nu in je hoofd, vechten aan tafel?”

Bets kreeg een kleur.

„Nico is ook zoo flauw,” mompelde ze.

„Maar Bets stompte mij het eerst,” viel Nico ijverig in.

„Nu stil,” beval Moeder, „wie verder lastig is, gaat van tafel.”

Bets keek naar Moeder en zag, dat ze het meende. Ze had dolgraag Nico nog even gestompt, maar durfde niet. Ze wilde niet graag van tafel gestuurd worden, dus zat er niets anders op, dan zich stil te houden.

„Wat eet je weinig, Jan,” zei Vader.

Jan, die anders een echten schooljongenshonger had, zat maar zoo wat met zijn eten te knoeien, hij zag er neerslachtig uit.

„Kom jongen, nu niet langer getreurd. Neem je voor [159]voortaan goed je best te doen en laat het verleden voorbij zijn.”

„Maar kijk van tijd tot tijd eens naar je rapport, als je speelzucht je te groot wordt en denk, dat je er over eenige maanden weer een krijgt en dat het dan beter moet zijn,” raadde Moeder, die bang was, dat hij het gebeurde wel wat al te gauw vergeten zou. Ze kende dat van Jan, eerst maar pret maken en niet werken, dan hevig verdriet over de resultaten daarvan. Na eenige dagen er niet meer aan denken en het oude leventje weer aanvangen en na een paar maanden dezelfde uitslag.

Thea had al dien tijd over iets zitten nadenken.

„Zeg Bets,” zei ze eensklaps, „is dat niet dezelfde juffrouw, die altijd zoo met haar keel sukkelt?”

„Ja, ’t is juffrouw Jansen, ze zeggen dat ze haar stem heelemaal kwijt is en dat ze misschien wel nooit meer voor een klasse mag staan. Ik hoorde het van onze juffrouw.”

Weer verzonk Thea in gepeins.

„Ik ga er eens heen,” zei ze toen.

„Waarheen?” vroeg Vader.

„Naar juffrouw Lettinga. Ik ken haar nog van vroeger, toen ik zelf bij haar op school was en nu ga ik eens vragen, of ze een nieuwe onderwijzeres noodig heeft, als juffrouw Jansen na de vacantie niet terug kan komen.”

Moeder knikte haar vriendelijk toe.

„Dat is een goed idee, Thea, die juffrouw Jansen zal wel niet in zoo’n korten tijd herstellen en al nam ze [160]je maar voor een poosje, dan was dat toch al iets.”

Ook Vader vond het een goed denkbeeld en Ita had al pret bij de gedachte, dat Thea in hetzelfde lokaal als onderwijzeres zou staan, waar ze eens leerling geweest was.

Bets had met groote oogen zitten luisteren naar dit gesprek.

„Wou jij bij ons op school komen?” vroeg ze nu op verbaasden toon.

„Ja, vin’ je het soms niet goed?”

„Ik vind het bespottelijk, och neen dat kan immers niet, stel je voor, je eigen zuster, juffrouw op je eigen school!”

Thea moest lachen om de verontwaardiging, die haar denkbeeld bij Bets had opgewekt.

„Maar ik kom immers niet in jou klasse, Bets,” troostte ze.

„Neen, gelukkig niet, dat zou nog veel gekker zijn, dan zou ik heelemaal niet weten, wat ik doen moest.”

„Ik zou het juist leuk vinden,” beweerde Nico, „ik zou alles durven, stel je voor je eigen zus voor de klasse, wat eenig!”

Nico danste op en neer van pleizier en Moeder redde nog juist bij tijds zijn bord met eten, dat op zijn servetje stond en groote kans had, van den tafel getrokken te worden.

Bets keek bedenkelijk.

„’k Weet niet, hoor,” zei ze, „ik zou bij Thea wel durven, maar dan vertelde ze misschien alles thuis en kreeg ik van Vader en Moes, ik zou je danken.” [161]

Haar vader, die stil naar het gebabbel der kinderen had zitten luisteren, nam nu het woord.

„Je ziet de zaak goed in, Bets, en toch ook weer niet goed. Je hebt gelijk, dat als Thea ons vertelde, dat je ondeugend bij haar was op school, Moeder en ik daar heel boos over zouden zijn, maar je zoudt niet stout durven zijn en ook niet willen, als Thea je onderwijzeres was. Op school zou ze heelemaal vergeten, dat ze je zuster was, en je net eender behandelen, als de andere meisjes en als je soms denkt, dat je veel bij Thea zoudt kunnen uitvoeren, dan ken je haar niet,” en Vader gaf Thea een knipoogje.

Deze lachte eens tegen hem. Die goede vader, hij zorgde nu al, dat ze haar toekomstig prestige op school niet verloor en ze was er nog niet eens en zou er misschien nooit komen.

Nico keek naar Thea en dacht er blijkbaar over, of Vaders woorden waar zouden zijn.

„Bij onzen meneer mag je ook niks doen, die is zoo streng, hij kijkt je maar aan en dan durf je niks,” zei hij.

„Maar hij is toch wel leuk,” ging hij voort, „laatst praatte Frits en toen zei meneer, toe Frits, laat ons ook eens hooren, wat je te vertellen hebt. Frits wou het natuurlijk niet zeggen en toen zei meneer, kom jij eens hier voor de klasse staan en vertel dan, wat voor aardigs je daar zei, dat Piet zoo lachen moest. We willen ook wel eens pret hebben. Frits kon het niet zeggen, want het was een gekheidje over meneer en toen moest hij het heele uur vóór de klasse blijven staan.” [162]

„Wel, wel,” zei Vader, „ik zie wel dat meneer niet met zich spotten laat. Willen we nu maar eens opstaan?”

„Zou ik vanavond nog even gaan?” vroeg Thea, „misschien vind ik juffrouw Lettinga dan wel thuis.”

„Goed, kind, dat deed ik maar,” zei Moeder, „beter te vroeg, dan te laat.”

Thea maakte zich dus klaar en vertrok.

Ze zag er al weer vreeselijk tegen op, maar daarom juist wilde ze liefst dadelijk gaan. Als ze het tot morgen uitstelde, zou ze er den heelen avond aan moeten denken en er misschien niet van kunnen slapen, ze kende zichzelf. Wat was ze toch flauw, wat was er nu aan, om eens met juffrouw Lettinga te gaan spreken en toch klopte haar hart onstuimig van zenuwachtigheid, toen ze op stoep stond en aanbelde.

„Is juffrouw Lettinga thuis?” vroeg ze aan het dienstmeisje, dat de deur opende.

Op haar toestemmend antwoord ging ze naar binnen en weldra bevond ze zich in gezelschap van het hoofd der meisjesschool, die ze tot haar twaalfde jaar bezocht had.

„Dag Thea,” zei de juffrouw, „hoe gaat het? Ben je weer thuis? Ik dacht, dat je in Brussel in betrekking was.”

Thea kreeg het benauwd. Daar hadt je het al, nu moest ze zeker dadelijk vertellen, waarom ze niet meer in Brussel was en dan liep ze groote kans, dat juffrouw Lettinga haar niet zou willen hebben. [163]

Voor ze echter nog antwoorden kon, ging de juffrouw voort:

„Waaraan heb ik het genoegen van je bezoek te danken? Is er iets met Bets niet in orde?”

„Neen juffrouw, dat niet, ik kom niet voor Bets, maar voor mezelve.”

„Voor jezelve?”

„Ja juffrouw.”

Zou juffrouw Lettinga nu heelemaal niet begrijpen, waar ze heen wilde, ze wist toch, dat ze een paar examens gedaan had en les gaf.

„Wel?” zei juffrouw Lettinga, vragend.

Thea raapte haar moed samen.

„Ja ziet u, ik hoorde vanmiddag van Bets, dat juffrouw Jansen ziek is.”

„Dat is zoo. En?”

„Nu dacht ik, als ze soms na de vacantie nog niet beter was en u misschien tijdelijk iemand noodig had.… of voor vast.… u mij misschien zou kunnen gebruiken.”

Oef, het was er uit.

Juffrouw Lettinga keek haar eens goed aan, door de glazen van haar bril.

„Zoo, zoo,” was al, wat ze zei.

Een oogenblik van stilte volgde, Thea vond, dat het nu aan de juffrouw was, om iets te zeggen, of te vragen.

Deze scheen haar genoeg te hebben opgenomen.

„Hoe oud ben je?” vroeg ze. [164]

„Bijna twintig.”

„Hum, dat is nog wel jong en je hebt niet veel uiterlijk.”

En weer verwenschte Thea haar lief figuurtje en fijn gezichtje. Zag ze er toch maar uit als een grenadier uit den tijd van den grooten Frits, dan zou ze veel gemakkelijker een betrekking vinden.

„Ik heb twee akten,” zei ze daarop, „lager onderwijs en Engelsch en ik studeer voor Fransch.”

„Zoo. Je spreekt zeker wel gemakkelijk Fransch, je bent immers een tijd in Brussel geweest?”

Thea antwoordde maar toestemmend. Ze was eenige maanden in Brussel geweest, dat was waar, maar veel gelegenheid tot Fransch spreken, had ze daar niet gehad. Enfin, ze had er in ieder geval wel wat geleerd.

„Waarom ben je niet in Brussel gebleven?”

Daar hadt je het. Wat moest ze nu antwoorden?

„Het was een zeer drukke betrekking,” zei ze, „en de kinderen hadden moeielijke karakters.”

„Dus het was te zwaar voor je. Was je er op een school?”

„Neen, gouvernante.”

„O, dus privaatonderwijs. Heb je nooit op een school les gegeven?”

Thea moest bekennen van niet.

Juffrouw Lettinga zat in gedachten. Het was heel goed mogelijk, zeer waarschijnlijk zelfs, dat juffrouw Jansen in langen tijd geen onderwijs zou mogen geven, maar ze wilde haar, over wie ze altijd tevreden was [165]geweest, toch niet haar ontslag geven, zoolang er nog kans was, dat ze haar betrekking weer zou kunnen waarnemen. Ze zou dus zeker een tijdelijke onderwijzeres noodig hebben en dat wel dadelijk na de Paaschvacantie.

Thea had zoo goed als drie akten, want Fransch dacht ze ook spoedig te doen, ze had haar altijd een lief meisje gevonden en een flinke leerling. Ze geloofde wel, dat ze een energiek persoontje was, maar haar uiterlijk had ze tegen. In de klasse, waar ze les zou moeten geven, waren de meisjes van twaalf tot veertien jaar en daarbij waren er grooter dan zij zelf.

„Ik zou het zoo graag willen probeeren,” brak Thea hare overpeinzingen af, „zoo heel graag. Ik zal zoo mijn best doen, het is zoo noodig, dat ik geld verdien,” voegde ze er kleurend bij.

Ja, juffrouw Lettinga wist wel, hoe het zoowat met de familie van Welderen gesteld was, na dat ongeluk met den vader. Ze moest het maar met haar wagen, misschien viel het mee, ze zou haar wel wat steunen in den eersten tijd. Als ze haar nam, was ze voorloopig geholpen en deed ze meteen een goed werk.

„Hoor eens Thea,” zei ze, „ik wil het dan wel eens met je probeeren. Het is misschien maar voor een maand, hoewel ik denk dat het voor langer zal zijn, zoo’n keelquestie geneest zoo gauw niet, te meer daar juffrouw Jansen haar verwaarloosd heeft en de zaak daardoor veel verergerd is.”

Thea’s hart klopte wild van vreugde. [166]

„Als ’t u blieft,” zei ze, „ik zal mijn uiterste best doen.”

„Daar reken ik op. Je krijgt nog al een drukke klasse, een beetje verwaarloosd in den laatsten tijd door de ziekte van juffrouw Jansen, die zich te onlekker voelde, om flink op te treden. Ik dacht er een oogenblik over, je een lagere klasse te geven en de onderwijzeres daarvan naar de zesde te sturen, maar ik houd daar niet van, zoo iets stoort toch altijd den gang van het onderwijs.

„Ik kan wel streng zijn,” verzekerde Thea.

Juffrouw Lettinga onderdrukte een glimlach.

„Dat hoop ik, want dat is wel noodig in de zesde. Over het algemeen zijn het goede kinderen, maar er zitten er een paar in, waarvoor je moet oppassen. Je weet, het salaris is zeshonderd gulden, omdat je een taalakte hebt, dus vijftig gulden in de maand.”

Weer kleurde Thea, nu van verrassing. Zooveel had ze niet gedacht, dat het was.

Juffrouw Lettinga zag haar kleuren en weer glimlachte ze.

„Vin’ je het niet genoeg?” vroeg ze.

„O ja juffrouw, zeker wel, ik vind het een prachtig salaris. Als juffrouw Jansen soms niet terug mocht kunnen komen, zou u me dan voor vast nemen, als ik u beviel?”

„Als je me bevalt, natuurlijk, ik heb een hekel aan dikwijls veranderen van onderwijzerspersoneel. Het komt er maar op aan, of je voldoen kunt.” [167]

Thea stond op.

„Ik zal mijn best doen,” zei ze nog eens, juffrouw Lettinga’s hand grijpend, „ik dank u, dat u het met mij probeeren wil, het zal wel gaan, het moet gaan.”

Lachend schudde de juffrouw haar hand.

„Laten we er het beste van hopen, de wil is goed, dat zie ik wel. Je moet in de vacantie nog maar eens aankomen, dan vertel ik je het een en ander, ik ga alleen de feestdagen uit de stad. Dat is dus afgesproken, groet je ouders van me en tot ziens.”

Toen de voordeur achter Thea dichtgeslagen was, vloog ze naar huis. Ze rende letterlijk en rustte niet, vóór ze haar woning bereikt had.

Ze rukte aan de bel en vloog Ita, die opendeed, om den hals.

„Aangenomen,” riep ze, „wat zeg je daarvan, aangenomen!”

„Heusch,” juichte Ita, een luchtsprong makend, „Theetje, Theetje, wat ben je toch een gelukskind.”

Thea ging nu haastig naar binnen, waar ze haar ouders het goede nieuws mededeelde.

„Het is voorloopig maar voor tijdelijk, voor één maand vast, maar de juffrouw dacht wel voor langer en misschien wel voor altijd, als juffrouw Jansen niet terug kan komen.”

Haar vader lachte om haar enthousiasme.

„Kindje, kindje, wat ben je opgewonden, stel je dat nu weer niet te vast in je hoofd, want dan eindigt het maar in een teleurstelling. Daarenboven is het voor het [168]meisje zelf te hopen, dat ze terug kan komen, nietwaar, daar mag je ook wel eens aan denken.”

„O, maar in ieder geval is het een goede aanbeveling, als je les gegeven hebt bij juffrouw Lettinga, dan krijg je veel gemakkelijker wat anders. Stel je voor, zeshonderd gulden te verdienen en bij u thuis te kunnen blijven, het zou te heerlijk zijn.”

„Reken er daarom niet al te vast op, kind,” zei Moeder nu. „Je kunt ook niet vooruit weten, of je wel tegen zoo’n taak opgewassen bent, juffrouw Lettinga zei zelf, dat het een lastige klasse was, je zult het dus niet heel gemakkelijk hebben.”

„Dat is niets,” beweerde Thea, die op het oogenblik alles door een rooskleurigen bril zag, „moeielijkheden zijn er om overwonnen te worden, niet waar Vader?”

Deze trok haar naar zich toe en kuste haar.

„Zoo is het, beste, begin maar met te denken, dat alles goed moet gaan, dan slaag je ook wel. Nu maar geen bezwaren voor den tijd, vrouwtje.”

Jan had tot nog toe niets gezegd, nu kwam hij eensklaps uit den hoek.

„Nou Thea, ik moet zeggen, je bent een kranige meid, hoor, je doet waarachtig, of het een lolletje is, een troep brutale meisjes te moeten regeeren.”

Thea lachte maar.

„Waarom moeten ze nu juist brutaal zijn, de juffrouw zei, dat er lieve meisjes bij waren.”

„’t Kan zijn,” zei Jan bedenkelijk, „maar ik voor mij geloof, dat meisjes haast nog erger zijn dan jongens. [169]Je mag wel beginnen met ze dadelijk op haar kop te tikken, als ze gaan opspelen.

„Ik beloof het je, en als ik niet weet wat te doen, vraag ik jou om raad, is dat goed?” en lachend kuste ze hem op zijn haar, wat Jan een scheef gezicht deed trekken.

[171]

[Inhoud]
Veertiende Hoofdstuk.

Veertiende Hoofdstuk.

Een vacantiedag.

O

p een morgen in de Paaschvacantie vond Moeder een brief op de ontbijttafel, waarin een vriendin, die ze in jaren niet gesproken had, haar vroeg, dien dag bij haar in Rotterdam te komen, waar ze op een doorreis naar het Noorden van het land, één dag dacht te vertoeven, om enkele zaken te regelen. Ze woonde in de laatste jaren in Frankrijk en was al dien tijd niet in haar vaderland geweest, zoodat ze haar vriendin nooit had kunnen bezoeken. Ook nu kon ze door omstandigheden onmogelijk langer dan één dag van haar reis afnemen en zou dus geen tijd vinden voor een uitstapje naar den Haag.

Mevrouw van Welderen las en herlas den brief, zuchtte eens en zei: [172]

„Neen, dat gaat niet.”

„Wat is er, Moedertje?” vroeg haar man, „bezwaren?”

Mevrouw van Welderen reikte hem den brief over.

„Hier, lees maar eens; ik zou het dolgraag doen, maar het zal niet gaan.”

Nieuwsgierig keek Thea naar haar ouders, wat was er gaande?

Ita, Jan, Bets en Nico hadden reeds ontbeten en stoeiden in den gang, hunne vroolijke stemmen drongen door in de huiskamer.

Mijnheer van Welderen gaf zijn vrouw den brief terug en zei:

„Ik zou niet weten, waarom het niet gaan zou. Moeder kan toch wel een dagje van huis, niet waar Thea, nu jij en Ita thuis zijn?”

Thea keek verwonderd op, Moes ging nooit een dag uit, maar ze antwoordde dadelijk:

„Natuurlijk, laat Moes gerust gaan, maar waar moet ze naar toe?”

„Lees maar eens,” zei haar moeder en op haar beurt keek Thea den brief door.

„U moet het doen, Moesje, vast hoor, het zal zoo aardig voor u zijn, die goede vriendin van vroeger terug te zien. Waarom zou u niet?”

„Och, ik ga zoo nooit van huis, Vader alleen met jullie vijven te laten, ik durf het niet goed.”

Thea keek een beetje beleedigd.

„Gut, dat is nu ook wat, ik ben toch geen kind meer en Iet is ook al een heel mensch.” [173]

„Ja, maar de kinderen zijn nu net thuis moet je denken, als Jan de kleintjes plaagt en er gekibbel komt, dan is er niemand om hen te scheiden en daarenboven zullen ze veel te druk zijn voor Vader.”

Haar man greep haar hand en zei lachend:

„Zoo’n sukkel ben ik nu nog niet, dat ik niet tegen een beetje drukte kan en me dunkt, al ben je thuis, dan maken ze nog leven genoeg, hoor ze maar eens.”

Inderdaad klonken hooge gillen in de gang en een oogenblik later stormde Bets naar binnen, gevolgd door Nico, die haar stevig bij haar schort vasthield.

„Niet klikken,” riep hij, haar schort bijna scheurend, „dat is valsch.”

Bets was van onder tot boven met water bespat en hapte naar adem van het harde loopen.

„Het kraantje staat open en hij wil het niet dichtdoen,” hijgde ze.

„Welk kraantje?”

„In de gang.”

Thea was al gaan kijken en kwam met een boos gezicht terug.

„Is me dat een boel, dien ze gemaakt hebben, de halve gang is ondergeloopen.”

Moeder was ondertusschen ook gaan kijken.

„De halve gang nu wel niet, maar ze hebben toch vreeselijk geknoeid.”

Ze vatte Bets bij een arm en schudde haar niet heel zacht. [174]

„Wat zie je er uit, wat heb je uitgevoerd. Waarom was dat kraantje in de gang open?”

Bets begon te huilen.

„Ik heb het niet gedaan, ik wilde het juist dichtdoen en toen sloeg Nico met zijn hand tegen het water, zoodat ik kletsnat werd, als ik er bij kwam en het dus niet dicht kon doen. Ik kwam het juist vertellen en nu bent u boos op mij.”

Moeder begreep, dat ze in haar eerste opwelling de verkeerde beschuldigd had en wendde zich nu tot Nico.

„Heb jij dat kraantje geopend?”

„Ja,” knikte Nico.

„Waarom?” vroeg zijn vader.

„Zoo maar.”

„Wou je de gang eens laten onderloopen?”

De jongen begon te lachen.

„Ik weet het niet, ik had in eens zoo’n trek, het kraantje open te draaien en toen wou Bets het sluiten en toen zijn we gaan kibbelen.”

Vader moest eigenlijk lachen, Nico zag er zoo guitig uit, maar hij slaagde er in, zijn ernst te bewaren en zei:

„Ga daar maar in dien hoek staan met je gezicht naar den muur en denk er eens over na, wat de gevolgen geweest zouden zijn, als het kraantje nog langer open had gestaan.”

Nico deed met een bedrukt gezicht, wat zijn vader zei.

Moeder had ondertusschen Bets haar natte schort afgedaan. [175]

„Wat zie je er uit, je jurk is ook nat.”

Zich toen tot haar man wendend:

„Je ziet nu toch ook wel, dat ik niet weg kan.”

Deze laatste lachte eens witjes.

„Je was nog niet weg, vrouwtje, toen dit gebeurde.”

Nu begon mevrouw van Welderen ook te lachen.

„Neen, dat is waar, ik kan ook niet alles voorkomen. Maar waar zijn Ita en Jan, waren die niet bij jullie?” vroeg ze toen aan Bets.

„Neen, Moes, die waren samen naar Jan’s kamertje geloopen, waarom weet ik niet.”

„Kom Moeder, neem een kloek besluit en ga je kleeden. Zet de zorgen nu maar eens op zij.”

„Ik zou wel willen, maar ik heb de wasch ook te doen, vandaag.”

„Die doe je dan morgen. Je zult me een pleizier doen, als je gaat, je mag wel eens een afleidinkje hebben. Thea en ik staan er voor in, dat je ons allen nog heelhuids terugvindt, zonder gebroken ledematen en dat het dak nog op het huis zal staan.”

„En het eten?”

„Dat komt ook terecht, daar zorg ik voor,” zei Thea.

Mevrouw van Welderen liet zich overhalen, ze had zelf zoo’n lust om te gaan en nu haar man er zoo op aandrong, kon ze geen weerstand bieden.

Ze ging zich dus kleeden en kwam kort daarop weer binnen met mantel en hoed, tot niet geringe verbazing van Ita en Jan, die juist beneden kwamen en niets van de zaak wisten. [176]

„Gaat u uit, Moes? Vanmorgen al?” vroeg Ita.

„Ja, wat zeg je daarvan, en nog wel uit de stad.”

„Uit de stad?” herhaalde Jan.

Moeder uit de stad, maar dat gebeurde immers nooit!

„Vin’ je dat zoo gek, Janneman? Laat Vader of Thea je maar een uitleg geven, ik moet nu weg, anders kom ik te laat voor den trein. Thealief zul je zorgen, dat het Vader aan niets ontbreekt? En kinderen, wees jullie niet te druk, beloof je het me? Mag die kleine zondaar weer uit den hoek, Vader, als hij belooft zoet te zijn?” en Moeder kuste haar benjamin, waarop ze nooit lang boos kon zijn.

Vader gaf zijn toestemming en Nico, als van een druk bevrijd, liep dadelijk naar Bets, met wie hij als de beste maatjes het wonder begon te bespreken, van Moeder, die uit de stad ging.

Ita had zich intusschen vlug aangekleed.

„Ik breng u weg, Moes,” zei ze.

„Naar de tram dan, graag, verder hoeft niet, ik heb liever, dat je maar weer vlug naar huis gaat en Thea wat helpt.”

„Best. Hè, ik wou, dat ik mee mocht, zoo’n dagje uit de stad zou ik zoo leuk vinden.”

Toen Moeder en Ita vertrokken waren, zei Thea:

„Nu moeten jullie eens allemaal luisteren. Zooals je weet, is Moes over vier weken jarig. Dat is nog wel lang, maar een gelegenheid als vandaag, komt misschien nooit meer terug.”

Verbaasd keken allen, Vader incluis, haar aan. [177]

„Wat bedoel je, kind?” vroeg hij.

„Dat zal ik u zeggen. Ik wou voor Moeders verjaardag een portret laten maken van ons allen vijf en nu moeten we vanochtend maar gaan, Moes merkt er dan niets van en het is juist mooi weer. Mina is er ook nog en u blijft dus niet alleen in huis. Zou u het niet aardig vinden, zoo’n portret?”

„Heel aardig, maar beste, het zal nogal wat kosten.”

„Dat weet ik wel, maar ik heb er in Brussel al voor opgespaard, om het in de vacantie te laten maken. Vindt u dus goed, dat wij vanmorgen gaan, Vader, wilt u met Mina alleen blijven?”

„Wat mij betreft, ik heb er niets tegen, ik vind het een heel aardig idee van je.”

„Heerlijk, dan gaan we. Ik zal nu gauw de kleintjes verkleeden, wilt u dan aan Iet, als ze thuiskomt, alles vertellen en haar vragen, of ze zich dadelijk wil opknappen?”

Haar vader beloofde het.

Nu stuurde ze Jan ook naar boven en een goed half uur later, was het vijftal opweg naar den photograaf.

Daar aangekomen werden ze in de wachtkamer gelaten, de photograaf was met een ander bezig.

Bets en Nico liepen eerst wat rond en amuseerden zich met de verschillende portretten te bekijken, die hier en daar neergezet waren. Spoedig echter begonnen ze zich te vervelen en werden lastig.

„Toe Bets, hang zoo niet, je kreukelt je zoo,” vroeg Thea.

Bets ging wat netter zitten en geeuwde. [178]

„Ik verveel me zoo,” zei ze.

„Nu, amuseeren doen we ons geen van allen,” zei Ita, „als je straks zoo’n gezicht zet, zal het wel lief staan.”

Nico zocht afleiding door Jan te plagen en hem aan zijne ooren te trekken.

„Schei uit,” zei Jan.

„Wat zit je haar netjes, Jantje,” spotte Ita, „hoe lang heb je voor den spiegel gestaan?”

„Net zoo lang als jij, denk ik,” zei Jan.

Eensklaps klom Nico achter op Jan’s stoel en zijn vijf vingers door het haar van zijn broertje halend, plaagde hij:

„Wil ik het nog eens voor je opkammen?”

Dat werd Jan te machtig, hij had werkelijk zijn best gedaan, om zijn meestal verwarden bol netjes in orde te hebben voor het portret en toen hij nu voelde, dat Nico de met moeite verkregen scheiding in de war bracht, werd hij driftig en zich omkeerend, gaf hij Nico een klinkende oorvijg.

Een paar seconden keek Nico verschrikt, toen begon hij hardop te huilen.

Thea nam hem bij zich en trachtte hem te doen bedaren, maar Nico was geschrokken en niet gemakkelijk tot kalmte te brengen, terwijl Ita Jan een standje maakte, over de scène, die hij verwekt had.

Daar stak de photograaf zijn hoofd door de deur.

„Is er iets gebeurd, dames, is de jongeheer gevallen?”

Met een kleur van verlegenheid verzekerde Thea, [179]dat het niets was, haar broertje had zich een beetje bezeerd, maar het had niets te beduiden.

„Gelukkig, ik was al bang, dat er een ongeluk had plaats gehad, de jongeheer gilde zoo. Nog een oogenblikje geduld, dames, ik zal u dadelijk helpen.”

Het oogenblikje groeide aan tot een kwartier en eindelijk mochten ze binnen komen. Maar toen de moeite en last, voordat de groep behoorlijk gevormd was!

Eindelijk zaten ze naar den zin van den photograaf.

„Nu een beetje vriendelijk kijken, als ’t u blieft. De groote jongeheer ziet er uit, of hij het land heeft, dat mag toch niet op een portret.”

Jan, die zijn boosheid van straks nog niet te boven was, vooral omdat hij zijn haar niet meer in de plooi had kunnen krijgen en niet wist, dat hij er nu veel aardiger uitzag, dan met dat stijfgekapte hoofd, keek nog knorriger.

„’k Kan toch niet grinniken als een idioot,” bromde hij.

„Dat behoeft ook niet, daar u toch zeker geen idioot is,” veronderstelde de photograaf.

Dit antwoord werd door Nico zoo geestig gevonden, dat hij van louter pret van houding veranderde en de groep in de war bracht.

Met moeite werd hij weer in de gepaste houding gezet.

„Zoo is het aardig, nu opgepast,” verzocht de photograaf.

Op het oogenblik dat de opname gedaan zou worden grinnikte Bets zachtjes. [180]

De photograaf begon zijn geduld te verliezen.

„Zoo gaat het niet,” zei hij, „wat is er nu te lachen, jongejuffrouw?”

Bets wou niet zeggen, dat ze had moeten lachen om zijn gewichtig gezicht, ze zei dus niets, maar daar ze een zenuwachtig kind was, kon ze niet zoo dadelijk ophouden en lachte door.

Ita werd boos.

„Nu zal ik jullie eens wat zeggen,” zei ze, „wie het waagt nog eens de groep in de war te sturen, wordt er uit gezet en dan moet maar aan moeder verteld worden, waarom er een niet op het portret staat.”

„Laat me dan even uitlachen,” verzocht Bets, „daarna zal ik heusch stil zijn, ik kan het echt niet helpen.”

Een oogenblik later zaten allen weer in positie en werd de opname eindelijk gedaan.

„Heel goed,” zei, de photograaf, „nu nog eens, als ’t u blieft.”

„Nog eens,” zuchtte Thea, „zou het niet goed zijn, zoo?”

„Ik kan er niets van zeggen, dame, het is veiliger nog een opname te doen.”

Dezen keer ging het beter en met een verlucht hart stapten Thea en Ita naar huis, terwijl Bets en Nico druk pratend vooruit liepen. Jan was naar een vriend gegaan, onder protest van Thea, omdat hij zijn beste pak aan had.

Thuis gekomen werd er een uitvoerig verslag aan Vader gedaan, die niet weinig pret in het verhaal had. [181]

„U hadt de woede van Jan moeten zien, toen zijn scheiding in de war gemaakt werd,” lachte Ita, „en toen die photograaf, die kwam vragen, of er een ongeluk gebeurd was, het was eenig.”

„Nou lach je, maar toen werd je lekker kwaad,” merkte Bets op.

„Omdat jij zoo flauw was,” antwoordde Ita bits.

„Nu,” zei Vader grappig, „ik denk, dat het wel een vroolijk portret zal worden, Ita boos, Bets flauw, Jan bars, Nico met een behuild gezicht en Thea, als gevolg van dat alles, hoogst bezorgd. Ik zie het al voor me.”

Bets sloeg hare armen om zijn hals.

„Lekkere, grappige Paatje, u bent een echte snoes. De meisjes op school vragen wel eens, of ik het niet vervelend vind, dat u niet loopen kunt en nooit met ons wandelen of spelen, maar ik zeg altijd, dat u toch heel lief is. Ze zeggen, dat ze toch liever een gewonen Pa hebben, maar het kan mij niks schelen, hoor.”

Thea keek bezorgd naar haar vader en Ita verschrikt. Hoe wreed waren de woorden van het kind en toch meende ze het zoo goed, die kleine Bets, ze wilde juist haar liefde voor haar vader uiten.

Deze kuste zijn dochtertje, maar zijn oogen hadden weer die intreurige uitdrukking, die ze altijd kregen, als hij op een of andere wijze bijzonder aan zijn invaliditeit werd herinnerd.

„Ga nu maar wat spelen, poes,” zei hij, „en neem Nico mee, vóór hij al de balletjes van de gordijnenfranje heeft afgeplukt.” [182]

Toen de kinderen de kamer verlaten hadden, ging Thea naar haar vader toe, en boog zich over hem heen. Ze had behoefte, hem iets liefs te zeggen, iets, dat hem zou opwekken, maar ze wist zoo gauw niet wat.

„Zal ik een paar eieren voor u bakken bij de koffie?” vroeg ze, om toch wat te zeggen.

Zijne gedachten waren ver weg van koffiedrinken en eieren eten.

„De kinderen lijden er toch wel onder,” zei hij, „je hoort, hoe de vriendinnetjes van Bets over mij spreken.”

Thea zette zich bij hem neer.

„Maar u hoort ook, hoe ze u boven alles stelt. Als er ooit een vader is geweest, die goed voor zijn kinderen was, dan bent u het. Denk u soms, dat niet juist uw leven, zooals het is, een voorbeeld voor ons is, dat we juist van u leeren, hoe verdriet te dragen en om te zetten in iets goeds?”

„Als ik maar niet soms zoo ongeduldig kon worden en driftig.”

„U ongeduldig!” viel Ita in, die al dien tijd stil had staan luisteren, „als ik zoo leven moest als u en ik had maar een tiende van uw geduld, dan zou ik al blij zijn,” zei ze hartstochtelijk.

Toen, hare vochtige oogen afvegend, veranderde ze eensklaps van toon en vroeg aan Thea, of ze niet eens voor de koffie zouden gaan zorgen, het was meer dan tijd.

Zuchtend stond Thea op, die vervelende materieele zorgen, veel liever had ze nog wat met Vader gepraat [183]en getracht zijn gedachten een andere richting te geven. Maar het was waar, Jan zou ook dadelijk thuiskomen en dan moesten de kinderen hunne boterhammen hebben, vooruit dus maar.

Jan kwam thuis en Vader plaagde hem een beetje met zijn fatterigheid.

„Doe zoo meteen je beste pak uit,” voegde hij er bij.

Jan verklaarde niets liever te willen, hij voelde zich veel meer op zijn gemak in zijn schoolpak en zijn haar wilde hij met genoegen als een wildeman opstrijken.

„Als je maar niet gephotografeerd hoeft te worden,” plaagde Ita.

Jan trok zijn schouders met een onverschillig gezicht omhoog en stond op.

„Wat ga je vanmiddag doen?” vroeg Vader.

„Ik heb met Kees afgesproken om te wandelen.”

„En werk je dan vandaag niets?”

Jan keek mistroostig.

„Dat eeuwige werken, een jongen mag toch wel eens vacantie hebben.”

„We hadden afgesproken, dat je iederen dag een paar uur werken zoudt voor de vakken, waar in je onvoldoende hebt.”

„Nou ja, ’s morgens, maar vanmorgen moest ik voor dat lamme portret uit.”

„Heel gracieus gezegd tegenover de zuster, die dat portret van jullie heeft laten maken. Ik vind het beter, dat je nu vanmiddag werkt.”

Jan wierp zich met een knorrig gezicht in een [184]gemakstoel en schopte ongeduldig met zijn eene been.

„Op die manier heb je een aardige vacantie,” bromde hij, „Kees wacht op me.”

„Toe Vader,” zei Thea, „laat hem voor vandaag maar gaan. Dat portretmaken was nu juist niet voor zijn pleizier, vooral niet dat lange zitten in die wachtkamer. Ik zou hem vanmiddag maar vrij af geven, het weer is zoo mooi, morgenochtend zal hij dan dubbel flink werken, niet waar Jan?”

„Enfin, omdat jij zoo voor hem pleit. Voor dezen keer dan Jan, omdat Thea het voor je vraagt.”

Jan’s gezicht veranderde plotseling van knorrig in opgewekt. Hij sprong op en liep de kamer uit naar boven, een vroolijk deuntje fluitend.

Thea keek hem lachend na.

„Hij is toch ook nog een kind,” merkte ze op, „het is wel saai voor hem geen enkelen heelen vacantiedag te hebben.”

„Dat had hij zich vroeger moeten bedenken. Als ik alles maar zoo onverschillig opneem, komt er nooit iets van zijn werk terecht. Denk je soms, dat ik het prettig vind, hem zoo te moeten behandelen, veel liever gunde ik hem een vrije vacantie.”

Ita knikte hem eens toe.

„U heeft groot gelijk, Theetje is een sentimenteele lieverd. Zeg Thea, weet je wat we doen moesten, vanmiddag samen de wasch doen, dan vindt Moes die klaar, als ze thuis komt.”

Thea vond het goed. Ze had er wel niets geen [185]lust in, maar vond het toch een best denkbeeld van Ita, anders moest Moes haar uitstapje met een dubbel drukken dag betalen.

Zoo gezegd, zoo gedaan. Vader zou Nico wat bezighouden en Bets mocht helpen bandjes uithalen, wat deze jongejuffrouw een heel gewichtige bezigheid vond. Ita was in een dolle bui, zooals ze het noemde en vol gekheid, maar toch kwam de wasch bij tijds klaar, tot niet geringe verrassing van Moeder, toen die ’s avonds, heel voldaan over haar uitstapje, thuis kwam.

[187]

[Inhoud]
Vijftiende Hoofdstuk.

Vijftiende Hoofdstuk.

Een moeielijk begin.

D

e zesde klasse van de school van juffrouw Lettinga verkeerde in spanning: er zou een nieuwe juffrouw komen.

Louise Terlaag, de belhamel der klasse, verheugde er zich bijzonder op. Ze was vijftien jaar, dus eigenlijk te oud voor deze klasse en dat gaf haar een zeker overwicht op de andere meisjes. Ongelukkig genoeg, wendde ze dien invloed niet ten goede aan, integendeel, ze werd door de onderwijzeressen een beetje als het zwarte schaap van de kudde beschouwd. De meisjes mochten haar in ’t algemeen wel, omdat ze vroolijk was en durfde, zoodat ze hare medeleerlingen dikwijls amuseerde. Toch waren er onder de meisjes ook, die haar wat al te brutaal vonden en die gevoelden, dat ze de geest in de klasse bedierf, maar dezen vormden de [188]minderheid en konden er niet veel aan veranderen.

Het was niet heelemaal de schuld van Louise, dat ze zoo was. Ze was een wees en de menschen, bij wie haar voogd haar in huis gedaan had, toonden haar niet veel liefde en hartelijkheid. Ze kregen steeds klachten over haar en daar ze het vermogen misten, dieper te zien dan de oppervlakte, beschouwden ze haar als een oproerig element, dat zooveel mogelijk door strengheid moest worden in bedwang gehouden.

De uitwerking van deze methode was, dat Louise hoe langer hoe brutaler werd, ze hield niet van mevrouw en mijnheer en dus kon het haar weinig schelen, of ze boos op haar waren. Kreeg ze straf, dan droeg ze die zoo onverschillig mogelijk, ze beweerde er met genoegen iets voor over te hebben, als ze maar pret kon maken.

Toch vond ze soms zelf, dat ze te ver ging, haar succes onder de meisjes, maakte haar overmoedig. Maar als van tijd tot tijd haar geweten begon te spreken, onderdrukte ze dat gevoel zoo spoedig mogelijk, wat kon het haar schelen, of ze anderen hinderde en verdriet deed, niemand hield toch echt van haar, de meisjes vonden haar leuk, maar niet lief, dat wist ze wel, haar voogd was blij, als hij zich niet met haar behoefde te bemoeien en mijnheer en mevrouw hadden een hekel aan haar, dus.… en Louise haalde hare schouders eens op en schudde het hoofd, alsof ze iets van zich af wilde werpen, maar haar mond behield nog eenigen tijd den bitteren trek, dien hare gedachten daarom gegroefd hadden. [189]

Zoo was het invloedrijkste meisje uit de klasse, waaraan Thea voortaan les zou moeten geven.

„Zeg Lous,” vroeg Meta Verhoog, een klein ding van dertien jaar, „weet je wel, wie we krijgen?”

„Neen, jij?”

„Ja, verbeeld je, die kleine zuster van Bets van Welderen, je weet wel, uit de vierde.”

„Och neen!” en Louise schaterde het uit.

„Echt, ik weet het van Rie en die heeft het van Bets zelf.”

„Hoe eenig! Nu zullen we pret hebben. Ik geloof niet, dat ze veel grooter is dan jij, peuter.”

Meta richtte haar klein figuurtje zoo hoog mogelijk op.

„Peuter, zeg, heb je soms nog iets?”

Toen lachte ze en zei:

„Zóó klein is ze nu niet, je overdrijft en ze heeft een beeld van een gezichtje.”

„Dat vind ik ook,” viel een ander meisje in, de twaalfjarige Anna Verloef, „ik heb zoo’n idee, dat ze een lieve juffrouw zal zijn, ze heeft zulke echt vriendelijke oogen en wat komt het er nu op aan, of ze groot of klein is.”

Louise streek Anna met een spotachtig gezicht beschermend over het hoofd.

„Pas jij maar braaf op, heilige Anna, je bent steeds de glorie van onze klasse geweest en van de onderwijzeressen de teerbeminde leerling.”

Toen zich op haar knieën slaande, schaterde ze het weer uit. [190]

„Dat kleine van Welderentje, ’t is gewoon eenig! Wat zullen we een pret hebben, jongens, maar denk er aan, dadelijk toonen, wat ze aan ons heeft. Het is natuurlijk, zij de baas, of wij en ik behoef jullie niet te zeggen, wat ik verkies. Hoera!”

Anna Verloef trok haar aan haar mouw.

„Je weet, ik doe niet mee, maak het niet al te bont, hè?”

Louise keek haar weer spottend aan.

„Wij zullen het zonder de hulp van onze heilige stellen, maar je blijft er buiten hoor, pas op, als je ons verraadt.”

„’k Ben geen spion,” zei Anna, „maar die zuster van Bets van Welderen lijkt me zoo’n zacht meisje, ik vind het gemeen, om het haar dadelijk lastig te maken.”

„’t Staat je vrij, een eigen opinie te hebben, zanik nou niet langer.”

Daar ging de deur open en op den drempel vertoonden zich juffrouw Lettinga en Thea.

„Op je plaats, meisjes, zoo dadelijk gaat de bel.”

De meisjes haastten zich te gaan zitten, nieuwsgierig naar Thea kijkend, die het een vreeselijk gevoel vond, al die meisjesoogen, die op haar gezicht waren.

Juffrouw Lettinga ging voor de klasse staan.

„Zooals jullie weet, meisjes,” begon ze, „is juffrouw Jansen ziek en is er zelfs geen kans, dat ze vooreerst weer les zal mogen geven. Dat zal jullie natuurlijk erg spijten en ik hoop met jullie, dat haar ziekte haar niet beletten zal, nog eens bij ons terug te komen. Ondertusschen [191]zal juffrouw van Welderen haar plaats hier innemen en ik hoop en verwacht, dat je allen je best zult doen, het haar zoo aangenaam mogelijk te maken. Dat beloven jullie me allen, jij ook, nietwaar Louise?”

Louise kleurde een beetje, de directrice was zoowat de eenige persoon, waarvoor ze respect had.

„Nu juffrouw van Welderen,” ging ze voort, zich tot Thea wendend, „zal ik de klasse maar aan u overlaten, het eerste uur heeft u rekenles, zooals u weet.”

Nauwelijks had juffrouw Lettinga het lokaal verlaten, of een gegons van stemmen brak los. In bijna alle banken fluisterden de meisjes tegen elkaar, terwijl ze naar Thea keken. Deze voelde zich heel verlegen, maar begreep, dat ze nu eerst stilte moest zien te verkrijgen.

Ze plaatste zich dus midden voor de klasse en zei:

„Stilte nu, als ’t je blieft, we beginnen.”

De meeste meisjes zwegen, maar eenige babbelden door.

„Nu zwijgen, meisjes, de bel is gegaan,” zei Thea en wachtte nog een oogenblik, tot er werkelijk stilte was.

Daar stak Louise haar vinger op.

„Wou je iets zeggen? Hoe heet je?”

„Ik heet Louise Terlaag, juffrouw,” zei deze op een zoetsappigen toon, „ik wilde vragen, of ik soms een voetbankje voor u halen wilde, of een stoof.”

Thea keek vreemd op.

„Waarom Louise, ik ga niet zitten.”

„Neen juffrouw, dat bedoel ik ook niet, ik dacht, dat u er soms op zoudt willen gaan staan, ik kan u niet goed zien.” [192]

Een algemeen gegichel volgde op deze woorden en Thea voelde, dat ze heel rood werd.

Een oogenblik bedacht ze, wat te zeggen.

Toen sprak ze, schijnbaar kalm, hoewel ze moeite had, haar stem te beheerschen.

„Dank je Louise, als je mij niet goed zien kunt, mag je wel wat meer vooraan komen zitten.”

Bij deze kalme woorden verstomde het gegichel.

Louise was een oogenblik overbluft, toen zei ze:

„Och neen, laat ik het eerst maar zoo eens probeeren.”

„Zooals je wilt,” en Thea begon haar les, met onrustig kloppend hart, maar voor het uiterlijk bedaard en kalm.

Het eerste kwartier ging rustig voorbij, toen stak, tot haar schrik, Louise haar vinger weer op.

„Wat is er nu weer, kind?”

Louise zette een heel dom gezicht.

„Juffrouw, ik begrijp niet goed, waarom twee maal twee vier is.”

Dadelijk hadden de meisjes weer pret en Thea, die begreep voor den gek gehouden te worden, dacht, dat ze het best deed, met niet op dergelijke flauwe vragen te antwoorden en wilde dus met de les voortgaan.

Maar dat was niet de bedoeling van Louise.

„Toe juffrouw, leg me dat nu eens uit,” hield ze vol.

„Geen gekheden,” zei Thea, „daar kunnen we ons niet mee ophouden.”

„Ik maak geen gekheid, ik weet wel, dat het zoo is, maar waarom?” [193]

Thea beet zich op hare lippen, ze voelde zich zenuwachtig.

„Dan zal je naar de eerste klasse terug moeten, daar leer je de beginselen.”

Louise trok een hevig verontwaardigd gezicht.

„Als je niet eens meer vragen moogt, wat je niet begrijpt,” zei ze. Toen Meta, die naast haar zat, aanstootend, fluisterde ze:

„Nou jij.”

Meta stak nu haar vinger op.

„Ik begrijp het ook niet, juffrouw.”

Thea deed, alsof ze geen opgestoken vinger zag en geen vraag hoorde. Als het niet de eerste dag geweest was, dan zou zij de lastige vraagster gezegd hebben, dat ze haar na twaalven dat wel zou uitleggen, maar ze wilde nu nog geen schoolblijfsters hebben, te meer, daar juffrouw Lettinga haar op het hart gedrukt had, dat ze moest trachten de orde te bewaren, zonder veel te straffen en voor schoolblijven was de directrice niet.

Ze ging dus door, hoewel ze hoorde zeggen: ze weet het zelf niet.

Ze keerde zich tot het bord, om eenige getallen op te schrijven en terwijl ze daar mee bezig was, hoorde ze voetgeschuivel en gegichel en toen ze omkeek, stond Meta buiten de bank. Ze wilde weer haastig gaan zitten, maar Thea zei:

„Blijf daar maar staan, Meta, je schijnt genoeg van het zitten te hebben.” [194]

Op hetzelfde oogenblik zag ze, dat Louise verdwenen was.

„Waar is Louise?” vroeg ze.

Meta lachte.

„Ik weet het niet, juffrouw,” zei ze.

Thea keek de klasse eens rond, of ze niet een gezicht zag, dat ze zou kunnen vertrouwen.

Haar oog viel op Anna Verloef.

„Weet jij ook, waar Louise is gebleven,” vroeg ze haar.

Anna kreeg een kleur, ze mocht de meisjes niet verraden en ze had nergens meer hekel aan, dan aan jokken.

Toch fluisterde ze:

„Neen juffrouw.”

Thea keek haar aan en zag haar kleuren.

„Je jokt, kind,” zei ze, „hoe heet je?”

„Anna Verloef.”

„Zoo,” en Thea schreef iets achter dien naam in haar boekje.

Anna’s oogen vulden zich met tranen. Nu zag de juffrouw haar voortaan voor leugenachtig aan en wat moest ze gedaan hebben, ze kon toch niet voor klikspaan spelen en zeggen, dat Louise zich onder de bank had laten glijden.

Thea keerde zich weer naar het bord om haar som verder af te schrijven.

Weer geschuivel en toen ze zich omkeerde, was het eerste, wat ze zag, Louise, die met een doodonschuldig [195]gezicht in haar bank zat. De meisjes lachten nu allen, sommige met gebogen hoofden over haar lessenaars, andere van Thea naar Louise kijkend.

Thea voelde, dat het haar te machtig werd. Ze moest alle krachten inspannen, om niet driftig te worden.

„Waar ben je geweest, Louise?”

Deze keek heel verbaasd. Meta stikte bijna van het onderdrukte lachen en begon hevig te hoesten. De meisjes richtten zich op in de banken, om Louise te zien.

„Blijf zitten, meisjes,” beval Thea kortaf, „Meta, ga in de gang uithoesten, je maakt een spektakel, dat ik mijne eigen woorden niet verstaan kan. Nu Louise, waar was je zooeven?”

„Ik, juffrouw, wel hier.”

„Dat is niet waar, ik wil weten, waar je geweest bent. Je zat niet in je bank.”

Louise trok een nog dommer gezicht, wat een nieuwe proestbui bij hare medeleerlingen verwekte.

„Ik ben de klasse niet uit geweest, heusch niet, dan hadt u toch wel de deur hooren openen en dicht gaan.”

Dat was waar, Thea wist zeker, dat de deur noch geopend, noch gesloten was.

„Zag u me niet meer, straks?” vervolgde Louise, „dat begrijp ik niet. Waarom vondt u ook niet goed, dat ik een voetenbank voor u haalde.”

Nu barstte de klasse uit in een niet te bedaren lach.

Thea was ten einde raad. Wat moest ze beginnen? Ze wilde den eersten ochtend de hulp der directrice niet inroepen, door Louise weg te sturen en toch, hoe moest [196]ze handelen. Daarenboven, ze kon niets bewijzen, Louise was niet brutaal, deed zich alleen maar heel dom voor.

Na eenige oogenblikken zei ze:

„Ben jullie nu klaar met lachen, meisjes? Het schijnt, dat Louise gewoon is voor clown te spelen in deze klasse; ze heeft daar zeker het voornaamste deel van haar schooltijd mee doorgebracht, daarom zit ze nu nog in de zesde klasse met veel jongere meisjes.”

Een paar meisjes fluisterden: „lekker,” want hoewel ze om Louise lachten, vonden ze het toch wel aardig, dat ze ook eens getroefd werd.

Louise zelf, die merkte, dat een paar der jongste meisjes haar spottend aankeken, werd boos. Haar gezicht stond nu niet dom meer en Thea dacht een oogenblik, dat ze misschien heel onverstandig gehandeld had, met zich dat meisje tot vijandin te maken. Maar ze kon toch niet met haar mond vol tanden staan tegenover die plaaggeest, die het er blijkbaar op toegelegd had, haar bespottelijk te maken.

Een oogenblik keken onderwijzeres en leerling elkander aan, beiden voelden, dat de strijd tusschen hen ontbrand was, aan wie zou de overwinning zijn?

Thea verzamelde al hare krachten, tot vier uur moest ze het nog uithouden en nu was ze al doodop, niet zoo zeer naar het lichaam, dan wel naar den geest.

Hoe vervelend, dat ze tusschen den middag niet naar huis mocht, maar een deel harer klasse bleef over en daar moest ze bij blijven. Gelukkig ging haar [197]kwelgeest naar huis en bleven er een paar lieve meisjes over, waaronder Anna Verloef.

Deze kwam naar Thea toe, zoodra de niet blijvende meisjes vertrokken waren.

„Juffrouw,” zei ze, „u moet niet gelooven, dat ik jok.”

Thea keek naar haar oprecht gezichtje en zei:

„Het verwonderde me ook hard, maar Anna, vanmorgen sprak je toch geen waarheid.”

Anna kleurde weer.

„U moet me zooiets niet vragen, juffrouw, als ’t u belieft, doe dat niet weer, ik weet dan niet, wat ik antwoorden moet, ik vind het vreeselijk om te jokken, maar klikken wil ik toch ook niet.”

Thea bedacht zich een oogenblik.

„Toch vind ik niet, dat je neen mag zeggen, als het antwoord ja zou moeten zijn. Zeg dan ronduit, dat je het liever niet zegt.”

Anna keek haar verrast aan.

„En vindt u dat dan goed?”

„Beter, dan dat je jokt.”

„Juffrouw Jansen zou heel boos geworden zijn, als ik haar dat geantwoord had, maar als u het goed vindt, ben ik heel blij.”

Thea zuchtte eens, toen Anna zich bij de andere meisjes voegde. Had ze nu goed gehandeld, met zoo tegen haar te spreken? Ze hoopte het, ze zou het vanmiddag eens aan Vader vragen, ze had nog zoo weinig ervaring.

De middag ging tamelijk rustig voorbij. Louise scheen beleedigd, ze zat met een uitdagend gezicht in haar bank, [198]maar hield zich gelukkig kalm en de andere meisjes, die nu niet telkens wat te lachen hadden, waren ook stiller. Toch kostte het Thea groote inspanning, de orde te bewaren en onderwijl goed onderwijs te geven. Ze was dan ook doodmoe, toen ze thuis kwam, te moe haast, om te praten. Toch moest ze op de belangstellende vragen van Vader en Moeder antwoorden, terwijl Ita er ook alles van weten wilde. Ze vertelde maar wat opgewekt en zei enkel, dat zoo’n eerste dag op een school lesgeven natuurlijk een groote inspanning voor haar geweest was. Van Louise vertelde ze niet veel, alleen toen Bets vroeg, of het waar was, dat Louise zoo’n leuk kind was, antwoordde ze een beetje weemoedig: „Erg leuk, ze amuseert de meisjes dol.”

Haar vader keek haar eens aan. Zou die Louise haar geplaagd hebben? Maar als zij er niets van vertelde, wilde hij haar ook niets vragen, ze moest het moeilijke begin zelf doorvechten, dat was het beste.

Op raad van Moes ging ze dien avond vroeg naar bed. Vóór ze insliep, dacht ze, hoe graag ze morgen thuis zou blijven en hoe ze er tegenop zag, weer te moeten beginnen. Ze voelde zich zoo gedrukt en zoo moedeloos, maar ze was ook zoo moe. Morgen, als ze uitgerust wakker werd, zou ze de zaken wel anders inzien, dat wist ze bij ondervinding en met die gedachte sliep ze in.

[199]

[Inhoud]
Zestiende Hoofdstuk.

Zestiende Hoofdstuk.

Een overwinning.

D

en volgenden morgen ging Thea met goeden moed naar school. Ze had zich zoo vast voorgenomen, het dezen dag beter te maken, dan gisteren, dat het, naar ze dacht, niet anders kon, of ze moest daarin slagen.

Nauwelijks was ze evenwel het lokaal binnen gegaan, waar zich al verscheidene meisjes bevonden, of ze voelde haar moed zakken en graag had ze rechtsomkeert gemaakt. Het eerste namelijk, waar haar oog op viel, was een caricatuurteekening op het bord, een heel klein persoontje voorstellend, dat op een bankje stond.

Zwijgend veegde ze het krabbeltje uit en hing de kaart van Europa over het bord, want het eerste uur zou ze aardrijkskunde moeten onderwijzen.

Het viel de meisjes blijkbaar niet mee, dat ze totaal [200]geen notitie van het spotprentje nam en ze begonnen met Louise te fluisteren.

Daar ging de bel. Sommige meisjes namen hunne plaatsen in, maar de meeste deden, alsof ze niets hoorden.

„Zitten gaan, meisjes,” zei Thea.

Met een overdreven haast vloog Louise de bank in.

„Is de bel al gegaan, juffrouw, gunst, neem me als ’t u belieft niet kwalijk,” en recht als een kaars met hare handen voor zich op den lessenaar, zooals de kindertjes in de bewaarschool wel zitten, trok Louise een heel zoetsappig gezicht.

Natuurlijk gevolg van deze houding: gelach van hare klasgenooten. Thea had zich voorgenomen, zoo weinig mogelijk op de plagerijen van Louise te letten, dan zou ze er het eerst uitscheiden, wanneer ze er geen eer van had, zou het haar wel vervelen.

„Nu opletten, meisjes,” verzocht ze, „Anna wil jij eens beginnen met je les.”

„Hè juffrouw, mag ik niet beginnen?” zeurde Louise, „ik zat zoo netjes.”

Thea deed alsof ze de vraag niet gehoord had.

„Kom Anna, begin,” zei ze.

Louise trok een meewarig gezicht.

„Ze is doof ook,” fluisterde ze heel hoorbaar.

„Louise heeft een afkeuring voor praten,” zei Thea.

Een oogenblik keek Louise met opgetrokken wenkbrauwen naar haar, toen zei ze op een toon van de uiterste verbazing:

„Ze durft.” [201]

Nu werd het Thea te machtig, ze voelde, dat ze bloedrood werd en er niet aan denkend, dat het pas de tweede dag was, dat ze op deze school les gaf en dat de directrice het misschien niet goed zou vinden, als ze nu al een meisje naar haar toe stuurde, zei ze driftig:

„En nu jij er uit, als ’t je blieft, ga dadelijk naar de directrice en zeg, dat ik je voor den verderen ochtend heb weggestuurd.”

Een oogenblik schrok Louise. Naar de directrice gestuurd te worden was iets, dat op deze school niet veel voor kwam, daar deze het beter vond, dat de onderwijzeressen het zelf klaar speelden met hare leerlingen. Als het een enkelen keer gebeurde, kwam de schuldige er niet gemakkelijk af. Ze besloot dan ook dadelijk niet te gaan en bleef dus kalm in haar bank zitten.

Nu was het doodstil in de klasse, ieder wachtte met spanning af, wat er gebeuren zou.

„Hoor je me niet, Louise?” vroeg Thea.

„Jawel, maar ik ga niet.”

Thea beet zich op hare lippen, haar hand balde zich tot een vuist en ze drukte hare nagels diep in het vleesch bij de poging, die ze deed, haar drift meester te blijven.

„Je gaat direct,” zei ze streng.

„Ik ga niet,” en Louise met hare ellebogen op tafel en haar hoofd in hare handen, keek brutaal rond.

Eenige oogenblikken stond Thea in beraad, wat te doen. Ze kon er haar toch niet bij een arm uitzetten, daarvoor was ze niet sterk genoeg en dat wilde ze trouwens ook niet. [202]

Toen zei ze, met moeite haar stem vastheid gevend:

„Je verzet je dus tegen mijn bevel? Heel goed, ik zal na twaalven de directrice er kennis van geven. Anna, ga nu door met je les.”

De morgen verliep verder bijzonder rustig. Louise, die best begreep, dat ze te ver gegaan was, zat quasi onverschillig rond te kijken, maar voelde zich lang niet op haar gemak. Daarenboven verveelde ze zich, daar Thea absoluut geen notitie van haar nam en net deed, of ze er niet was. De meeste meisjes waren onder den indruk van het voorgevallene, ze vonden dat Louise al te brutaal was geweest en voelden medelijden met Thea, die nu heel bleek zag. Een paar konden niet nalaten te fluisteren, maar vergeleken bij gisteren was de klasse bijzonder rustig. Dat viel juffrouw Lettinga bepaald mee, toen ze eens kwam kijken, hoe het ging en blijkbaar heel tevreden, ging ze weer weg.

Des te meer verwonderd keek ze op, toen Thea na twaalven bij haar kwam en vertelde, wat er dien morgen was voorgevallen.

„Dat is kras,” zei ze, „zoo brutaal is Louise nog niet geweest. Ik wist wel, dat ze een moeielijke leerling was, maar bij juffrouw Jansen zou ze dat toch niet gedurfd hebben.”

Thea had groote lust te schreien en slechts met moeite gelukte het haar, hare tranen in te houden. Ze zweeg maar, ze wist niets te antwoorden. De directrice keek een beetje medelijdend naar het kleine meisjesfiguurtje, dat daar zoo terneergeslagen voor haar stond. [203]

„Ja, lieve kind, alle begin is moeielijk, en je moet je best maar doen. Je hebt een fout begaan, met Louise naar mij toe te willen sturen, zoo kort, nadat je in die klasse gekomen waart. Je moet trachten, zelf de orde te bewaren, dat steunen op mij, dient tot niets. Natuurlijk zal ik Louise straffen voor haar brutaliteit, misschien zal haar dat kalmeeren, maar de achting voor je, waardoor je haar meester zou kunnen worden, moet je zelf veroveren.”

Toen Thea de kamer der directrice verliet, voelde ze zich heel klein. Ze wist maar al te goed, dat deze gelijk had, wilde ze een blijvenden invloed op de meisjes uitoefenen, dan moest ze dien door eigen kracht veroveren.

Wat was de zesde klasse dien middag in spanning, bij den aanvang der lessen! De meisjes wisten, dat Thea naar de directrice geweest was en ze begrepen, dat ze daar wel meer van zouden hooren.

Nog vóór de les begonnen was, kwam juffrouw Lettinga binnen en na de juffrouw en de klasse gegroet te hebben, zei ze tot Louise:

„Ik heb van juffrouw van Welderen gehoord, hoe buitengewoon brutaal je je dezen morgen gedragen hebt. Ik wil nu niet in bijzonderheden treden, ik heb je alleen maar te zeggen, dat ik je voor twee dagen naar huis stuur en je voogd en mijnheer Asser daar beiden kennis van heb gegeven, zoodat ze weten, dat je de twee volgende dagen niet op school moogt komen en dus hunne maatregelen kunnen nemen.” [204]

Louise keek heel verslagen. Weggestuurd worden voor twee dagen? Nu sloot mijnheer Asser, bij wien ze woonde, haar zeker die dagen op, ze kende dat. En dat hield ze niet uit, alles liever, dan haar vrijheid missen. Weet je wat, ze ging voorloopig niet naar huis.

Het was, alsof de directrice hare gedachten raadde.

„Maak je klaar,” zei ze, „de conciërge wacht er op, om je naar huis te brengen.”

Met een ruk richtte Louise zich op.

„Ik kan wel alleen gaan,” zei ze.

„De conciërge brengt je,” herhaalde de directrice, „en ga nu kalm mee en maak geen onnoodige drukte, want dat verergert de zaak maar.”

Louise zag dat wel in en stond onwillig op. Juffrouw Lettinga moest ze gehoorzamen, dat voelde ze. En het gekste was, dat van dit alles haar nog het meest kon schelen, dat die boos op haar was.

Ze ruimde hare boeken dus op en ging gedwee mee.

Nu volgden een paar tamelijk rustige dagen voor Thea. Hoewel alles nog niet was, zooals het had moeten zijn, bracht ze het toch met veel inspanning zoo ver, dat er niet al te veel rumoer in de klasse heerschte. Den derden dag kwam Louise terug. Ze had eerst op bevel van de directrice Thea excuus moeten vragen voor haar brutaliteit en nu had ze besloten zich te wreken. Ze zou wel oppassen niets meer te doen, waardoor ze zoo in den kijker liep, als dien laatsten keer, maar ze was uitgeslapen in allerlei kleine plagerijen, [205]waardoor de geest in de klasse bedorven werd, zonder dat men de schuldige kon aanwijzen.

De dagen, die nu volgden, waren misschien wel de vreeselijkste, die Thea ooit beleefd had. Ze was het slachtoffer van allerlei plagerijen, de klasse had steeds iets rumoerigs, er was geen rust te verkrijgen, straffen hielp niets, te meer daar ze nooit met zekerheid wist, wie de eigenlijke schuldigen waren. Ze wilde de directrice er niet meer inhalen, bang, dat deze haar ongeschikt zou vinden. Kwam die zoo nu en dan eens kijken, dan was het dadelijk doodstil, als de meisjes hare voetstappen op de gang hoorden, zwegen ze als muizen.

De toestand was voor Thea bijna onhoudbaar; ze begreep heel goed, dat het in de school bekend was, hoe rumoerig haar klasse was, trouwens, ze had het, tot haar groote vernedering, van Bets gehoord.

En het ergste was, dat er tijding gekomen was, dat juffrouw Jansen haar betrekking moest opgeven en ze dus een vaste aanstelling had kunnen krijgen, als ze maar geschikt had gebleken te zijn.

Na een wanhopenden dag vroeg ze ’s avonds Vader eens alleen te mogen spreken, ze moest zijn raad inwinnen over iets, waarop ze haar laatste hoop gevestigd had, maar waarvan ze niet zeker wist, of ze er goed mee handelde.

„Je kunt het probeeren, lieve kind,” zei Vader, nadat hij haar aangehoord had en hij kuste haar overspannen gezichtje. „Als dat geen invloed ten goede heeft, dan moet je die betrekking maar opgeven, ze is waarschijnlijk te zwaar voor je.” [206]

„En dan Vader? Wie zal mij dan willen hebben? Juffrouw Lettinga kan natuurlijk niets goeds van me zeggen, hoe kom ik dan aan een nieuwe plaats. O, waarom zijn die meisjes toch zoo wreed, ik wil zoo graag goed werk leveren, ik doe zoo mijn best, als ze maar een beetje wilden meewerken, zou alles prachtig gaan, waarom zijn ze toch zoo!”

Thea snikte het nu uit. Haar moeder, die ondertusschen was binnengekomen, boog zich over haar heen.

„Je moet er maar een eind aan maken, kindje, je zoudt er ziek van worden.”

Maar Thea schudde ontkennend het hoofd en haar vader zei:

„Ze wil nog een poging wagen, laat haar maar stil haar gang gaan, hoe moeielijker de strijd, hoe heerlijker de overwinning.”

Den volgenden morgen ging Thea naar school, met nog onrustiger kloppend hart, dan anders. Hoe zou de dag afloopen, zou ze zich voor goed onmogelijk maken, of zou ze overwinnen en zich een vaste plaats veroveren?

Nauwelijks was de les begonnen, of het oude rumoer werd weer gehoord, er werd met proppen gegooid, steeds van den kant, waar Thea toevallig niet naar toe keek en er heerschte een geroesemoes van belang.

Thea’s hart begon onstuimig te kloppen, nu moest zij het doen. Ze slikte eens en nog eens, trachtte het trillen van hare lippen te bedwingen, tikte met een lineaal op haar tafeltje en zei:

„Meisjes, luistert allen eens, ik heb je wat te zeggen.” [207]

De klank van haar stem had iets in zich, waardoor ze dadelijk de aandacht op zich vestigde, het rumoer verstomde, zelfs Louise zat stil en keek vol verwachting naar de juffrouw, benieuwd wat er komen zou.

Thea voelde, dat ze rood werd en daarna bleek, ze slikte nog eens en toen ving ze aan met spreken.

„Meisjes, wat ik jullie nu ga zeggen, is misschien nog nooit door een onderwijzeres tot hare leerlingen gezegd en ik geloof, dat dit juist de reden is, waarom zooveel meisjes zoo ondoordacht handelen en het hun onderwijzeressen zoo onnoodig moeilijk maken. Ik kan niet gelooven, dat je allemaal zoo wreed en zonder medegevoel bent, als je er je den schijn van geeft.”

Haar stem, die eerst een beetje getrild had, was nu vast geworden, hare wangen gloeiden en onwillekeurig werden allen door haar geboeid en luisterden gretig.

„Waarom maak je het mij zoo moeilijk. Denk je, dat het voor louter plezier is, dat ik hier sta, om jullie te onderwijzen? Neen, niet waar, je begrijpt heel goed, dat zelfs in een lievere klasse dan deze, de onderwijzeres toch altijd nog een zware taak heeft. Het spreekt vanzelf, dat wij, met liefde voor het onderwijs vervuld, het prettig vinden te mogen meewerken tot de ontwikkeling van het opgroeiend geslacht en dat wij hopen, ook een beetje invloed ten goede te hebben op de jonge karakters, die aan onze zorgen zijn toevertrouwd. Wij komen de leerlingen met de meeste welwillendheid en de beste bedoelingen te gemoet, waarom ons dan tegengewerkt? Je begrijpt toch wel, dat het in de eerste plaats in je [208]eigen belang is, wanneer er goed gewerkt wordt, waarom dan de rust verstoord en gemaakt, dat er niets uitgevoerd kan worden?

Het behoeft daarom nog geen saaie, vervelende les te worden, wij kunnen heel goed samen eens een pretje hebben en een vroolijken geest in de klasse vind ik iets heerlijks. Ik hoop, dat jullie me tot zoover begrepen hebt, nu wil ik de zaak nog eens van een anderen kant bezien.”

Hier zweeg Thea even, alsof ze het moeielijk vond, door te gaan.

Vol verwachting zagen de meisjes haar aan, wat sprak die kleine juffrouw goed, je moest naar haar luisteren, of je wilde of niet.

„Zie je, meisjes,” vervolgde ze, „jullie bent oud genoeg om te weten, dat de meeste menschen hun eigen brood moeten verdienen en als men onderwijzeres wordt, is dat dus ook bijna altijd, om geld te verdienen en in zijn onderhoud te kunnen voorzien. Al heeft men nog zooveel liefde voor zijn vak, dat komt er toch meestal bij. Wanneer jullie het me nu onmogelijk maken, hier op school te blijven, heb ik natuurlijk niet zoo dadelijk een nieuwe betrekking en ben ik dus niet in staat, niettegenstaande groote werklust, en veel goeden wil, mijn brood te verdienen. Heb jullie dat wel eens bedacht? Als jullie je verbeeldt, dolle pret te hebben, door mij met allerlei kleinigheden te plagen, heb jullie er dan wel eens over nagedacht, hoe wreed je eigenlijk bent? [209]

Neen, niet waar, zoo heb jullie het niet bedoeld, daar ben ik zeker van. Je wilde alleen maar wat pret hebben, al was het dan ook een treurig soort genoegen en ik moest daar het slachtoffer van zijn. Maar nu doe ik een beroep op je eergevoel, ik verzoek je dringend, mij niet meer tegen te werken en niet de oorzaak te zijn, dat ik mijn betrekking zou moeten verliezen. Ik wil hier niets meer bijvoegen, denk eens over mijn woorden na, ik hoop zoo van harte, dat wij elkander nu beter zullen begrijpen en nog langen tijd prettig samen zullen werken. Laat ons nu aan ons werk gaan.”

Zoo rustig was de klasse nog nooit geweest, maar men kon aan menig jong gezichtje zien, dat de aandacht niet volkomen op het werk gevestigd was, dat er iets was, dat die jeugdige hoofden bezighield.

Om twaalf uur verlieten al de meisjes de school, daar ze dien middag vrijaf hadden en er dus niemand over behoefde te blijven.

Op het schoolplein vormden zich weldra groepjes en werd het gebeurde van dien ochtend druk besproken. Bijna allen waren het er over eens, dat juffrouw van Welderen gelijk had en namen zich voor, voortaan beter bij haar op te passen.

„Ze is ook niet gek,” merkte Louise schamper op, „ze weet ook wel wat ze doet, met haar mooie praatjes over eergevoel, maar bij mij zal het haar niet veel helpen.”

Nu werden een paar meisjes bepaald boos.

„Hoor eens,” zei er een, „je moet er nu ook mee [210]uitscheiden. Het is grootendeels jou schuld, dat we ons zoo aangesteld hebben, ik schaamde me vanochtend geducht en ik vind het wat flink van juffrouw van Welderen, dat ze zoo ronduit voor de zaak uitkwam.”

„Ik ook,” zei een ander, „ik geloof, dat het eigenlijk een lief mensch is, we hebben ons schandelijk gedragen, en om je de waarheid te zeggen, het begon me zelf al te vervelen.”

„Als je daar op komt,” zei een derde, „wij leerden op zoo’n manier letterlijk niets. En wij hebben gemeen gehandeld, daar had ze gelijk aan, maar net als ze zei, wij hebben er nooit over nagedacht.”

„Poeh, wat een braafheid, ik word er wee van, adieu, ik ga,” en Louise, die voelde, dat haar rijk uit was en dat het gedaan was met haar macht, liep met opgericht hoofd en spottend gezicht weg.

„Laat ze maar gaan,” zei Anna Verloef, „ik ben blij, dat jullie er nu zoo over denkt en wat haar betreft, als Louise alleen blijft opspelen, zal ze wel aan het kortste eindje trekken, één meisje zal de juffrouw best aan kunnen. Wil ik jullie eens wat zeggen, morgen ga ik naar juffrouw van Welderen toe en beloof haar uit ons aller naam beterschap. Vin’ jullie dat goed?”

Ze vonden het best en zooals de volksgunst soms plotseling omslaat, gaat het ook met de gunst van schoolmeisjes. Ze voelden, dat ze werkelijk schuldig waren geweest en wilden het nu goed maken.

Den volgenden dag beloofde Anna Verloef uit aller naam, dat ze voortaan goed zouden oppassen en hun [211]best doen en van dien dag af had Thea weinig moeite meer met haar klasse. Wel trachtte Louise de orde van tijd tot tijd te verstoren, maar ze vond geen steun meer bij de andere meisjes, zoodat er voor haar het pleizier ook gauw afging en ze, de klasse voor een lammen boel verklarend, zich geen moeite meer gaf, om een troep sufferds, zooals ze het uitdrukte, te amuseeren.

Nu alles zoo goed ging, zag juffrouw Lettinga er geen bezwaar in, Thea voor vast aan te stellen en zoo kwam de dag, waarop deze vol vreugde naar huis ging, om haar ouders de goede tijding te brengen van haar benoeming.

[213]

[Inhoud]
Zeventiende Hoofdstuk.

Zeventiende Hoofdstuk.

Thea en Louise.

V

an toen af begon voor Thea een heel ander leven. De meeste meisjes hadden diep gevoeld, hoe baldadig, hoe onrechtvaardig, ja hoe wreed ze geweest waren. Toen de eerste indruk van Thea’s woorden voorbij was, werden ze wel weer wat drukker en lastiger, maar vergeleken bij vroeger, was het toch heel rustig in de klasse en Thea, die met hart en ziel onderwijzeres geworden was, en in het begin van haar loopbaan zoo bitter teleurgesteld was, voelde zich nu werkelijk gelukkig in haar werkkring. Wel kostte het volbrengen van haar taak haar voortdurend groote inspanning, maar daar zag ze niet tegen op, als de resultaten maar goed waren.

En die waren goed, de meisjes begonnen haar te interesseeren, ze stelde niet alleen belang in hun leeren, [214]maar ook in de vorming voor hun karakters, dat laatste zelfs vooral hield haar veel bezig. Het eenige, werkelijk oproerige element in haar klasse was nog altijd Louise, die het haar niet vergeven kon, dat ze haar invloed op de meisjes gefnuikt had en dan ook niet naliet haar te plagen, als de gelegenheid daartoe zich voordeed.

Thea deed haar best ook dien weerspannigen geest voor zich te winnen, maar tot nog toe was haar dat niet best gelukt.

Het mooiste van de zaak was, dat Louise van Thea begon te houden, dat ze inzag, hoe goed haar onderwijzeres het met haar meende en dat ze voelde, hoe rechtvaardig en welwillend deze steeds was. Maar ze wilde dat niet bekennen. Het kostte haar soms moeite, Thea door kleinigheden te plagen, maar de gedachte, wat de meisjes er wel van zeggen zouden, als ze zich overwonnen verklaarde, hield haar terug te handelen, zooals haar hart haar ingaf.

Spoedig kwam ook de wrevel weer boven en drong de goede opwelling terug. Daarenboven kon ze niet uitstaan, dat Thea blijkbaar niet om hare onaardigheden gaf, als het niet te erg was, nam deze er totaal geen notitie van, alleen als ze het tegenover de andere meisjes niet laten kon, strafte ze haar en dan voelde Louise zich vernederd, te meer, daar geen der meisjes haar partij meer opnam.

In den grond van de zaak had Thea diep medelijden met Louise. Ze zag in haar één van die moeielijke karakters, die zichzelve in den weg zijn, die geen liefde [215]weten op te wekken en daardoor weinig liefde ondervinden.

En het kind had geen ouders meer en geen broers of zusters!

Telkens nam Thea zich voor, haar door vriendelijkheid en welwillendheid tot zich te trekken, maar telkens stuitte ze op het wantrouwen, dat zoo’n groote plaats in Louise’s hart innam.

Deze kon niet begrijpen, dat iemand zich, enkel uit belangstelling voor haar persoon, moeite voor haar zou geven en als Thea vriendelijk tegen haar was, dacht ze dadelijk, dat het een manier was, om te trachten haar te temmen en geen last meer van haar te hebben.

Zoo ging de tijd voorbij, zonder dat onderwijzeres en leerling elkander veel nader kwamen, tot op een dag Louise in de klasse ontbrak.

„Weet iemand ook, waarom Louise er niet is?” vroeg Thea.

„Ja juffrouw,” antwoordde een der meisjes, „ze is ziek.”

„Wat scheelt haar?”

„Ik weet het niet, ze hoestte al lang en nu heeft ze koorts.”

Toen Louise eenige dagen daarna nog steeds afwezend was, besloot Thea haar eens te gaan opzoeken. Ze dacht er aan, dat het meisje bij vreemden in huis was en dat ze wel eens gehoord had, dat ze het daar niet zoo heel prettig had. Misschien kon ze nog wat voor haar doen, arm kind, zij, die zoo bijzonder aan Vader, Moeder, [216]broertjes en zusjes gehecht was, had zoo’n medelijden met het weesje, dat hare ouders bijna niet gekend had.

Dien middag had ze juist vrij van school en tegen een uur of twee stapte ze naar de straat, waar ze gehoord had, dat Louise woonde. Eerst ging ze nog even naar een bloemenwinkel, om eenige mooie rozen te koopen.

Ze zag een beetje tegen dat bezoek op, ze wist niet zeker, of het Louise aangenaam zou zijn. Ze vreesde zelfs van niet, maar ze zou meer dan ooit haar best doen, dat hartje te ontdooien, misschien was dit een gelegenheid en zou ze slagen. In ieder geval wilde ze het probeeren.

Ze schelde aan en op haar verzoek, even bij Louise te mogen gaan, werd ze in een soort spreekkamertje gelaten. Het meisje, dat haar opengedaan had, zou eens gaan hooren, of Louise bezoek mocht ontvangen.

Toen ze alleen gelaten was, keek Thea eens rond. Een klein, ongezellig kamertje, niets dan een tafel en een paar stoelen bevattend, en een plank, waarop ze Louise’s schoolboeken zag staan. Op tafel een inktkoker, verder niets.

Het meisje kwam terug en zei, dat mevrouw dadelijk bij haar zou komen, of ze even wachten wilde.

Eenige oogenblikken later trad een net gekleede, maar stijve dame binnen, die zich voorstelde als mevrouw Asser.

Thea maakte zich bekend als juffrouw van Welderen, Louise’s onderwijzeres op school en vroeg wat haar eigenlijk scheelde en hoe het met haar ging.

„Wat zal ik u zeggen, juffrouw, ze heeft waarschijnlijk [217]kou gevat en heeft nu koorts en hoest leelijk. Ze is hard ziek, maar het is haar eigen schuld, ze wil nooit luisteren. Als ik haar aanraad niet op den tocht te gaan zitten, zal ze het juist doen. U zult ook wel ondervonden hebben, welk een moeilijk meisje het in den omgang is.”

Thea keek naar het gezicht tegenover haar. Het was wat koud en streng, maar toch niet geheel onsympathiek en ze dacht, dat hier waarschijnlijk ook al weer een elkaar niet begrijpen de schuld was van de weinige hartelijkheid, die blijkbaar tusschen deze vrouw en haar pupil bestond.

„Een moeielijk karakter heeft ze,” beaamde Thea, „vooral moeielijk voor zichzelve, ik heb een gevoel van medelijden met haar.”

Mevrouw Asser lachte een beetje sarcastisch.

„Medelijden behoeft u niet met haar te hebben, ze heeft het bij ons heel goed, maar ze is in hooge mate eigenzinnig en brutaal en u begrijpt, dat mijn man en ik, die voor haar opvoeding moeten zorgen, dat zooveel mogelijk tegen moeten gaan.”

Thea kreeg een kleur, mevrouw Asser begreep haar niet, ze had niets willen zeggen, dat deze kwetsen kon.

„Mag ik even bij haar gaan?” vroeg ze, om het gesprek een andere wending te geven.

„Jawel, als u er lust in heeft. U zult er niet veel aan hebben, want ze heeft steeds koorts en ligt meestal stil, zonder veel te spreken. Ik geloof, dat ze liefst alleen is.”

„Ik wil haar toch graag even goeden dag zeggen en haar deze bloemen brengen.” [218]

„Goed, zooals u wil, mag ik u dan even voorgaan.”

Mevrouw Asser stond op en Thea volgde haar naar boven, naar het kamertje van Louise.

Ook hier trof Thea de keurige netheid, maar nog meer de groote ongezelligheid.

Louise lag met haar hoofd afgewend, toen Thea binnentrad en draaide het niet om, voor deze haar goeden dag zei.

Toen keek ze verrast op.

„U hier?” en hare, van koorts verhitte wangen kleurden zich nog donkerder.

„Ja beste, ik wilde zelf eens zien, hoe het eigenlijk met je was, ik mis je al een dag of vijf op school.”

Louise glimlachte een beetje ondeugend.

„U zult het wel rustig gehad hebben, nu uw plaaggeest er niet was.”

Thea liet dit gezegde als ongehoord voorbij gaan en gaf haar de rozen, die ze voor haar meegebracht had.

Louise’s gezichtje look op.

„Wat prachtige rozen, zijn die voor mij?”

„Ja, ik dacht, dat ze je pleizier zouden doen.”

„En U hebt die voor mij meegebracht?”

„Vin’ je ze zoo mooi? Heb je een vaasje om ze in te zetten?”

Louise scheen deze vraag niet te hooren.

„Juffrouw van Welderen brengt bloemen voor mij mee,” dacht ze, „stel je voor, zij brengt rozen voor mij mee.”

Daarna keerde ze haar gezicht naar den muur en [219]toen Thea, die bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had, zich weer tot haar wendde, zag ze, dat ze bitter lag te schreien. Het bed schudde er van en Thea boog zich niet weinig ontsteld over haar heen.

.... bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had,...

.… bij gebrek aan een vaas de bloemen in het waterglas gezet had,…

(Bladz. 219)

„Louise, kind, wat doe je nu? Wat scheelt er aan?”

Louise schreide door en niet goed wetend, wat te doen, stond Thea met haar glas met rozen in de hand bij het bed en zei zoo iets van nu bedaard zijn en op te houden met schreien, daar ze anders niet bij haar durfde blijven, bang haar te veel op te winden.

Het snikken verminderde, een van koortshitte gloeiende hand greep de hare en drukte die stevig.

Thea beantwoordde dien handdruk hartelijk en zei, zoo opgewekt ze kon, ofschoon ze zelf moeite had, haar aandoening te bedwingen:

„Zal ik het glas met rozen op je nachttafeltje zetten? Kun je ze zoo goed zien? Wil ik nu nog een oogenblikje bij je blijven praten, of ben je daar te moe voor?”

Louise, die nu bedaard was, zei heel graag een beetje met haar te willen praten. Ze verveelde zich zoo, ze sprak niemand dan mijnheer en mevrouw.

„Zijn die nogal aardig voor je, nu je ziek bent?” vroeg Thea.

„O jawel, mevrouw zorgt goed voor me, maar ze houdt niet van me en mijnheer ook niet. Ik geloof, dat niemand van me houdt,” en de tranen begonnen al weer te vloeien.

Thea greep haar hand. [220]

„Ik denk, dat je je daarin vergist, beste, en als het zoo was.… maar laten wij daar nu niet over praten, als je weer beter bent, moet je mij eens komen opzoeken, dan bespreken wij dat alles eens samen en dan ontdekken we misschien wel, dat hier een misverstand aan het werk is. Heeft geen van de meisjes je eens opgezocht?”

„Neen, nog niet, maar ik ben ook nog pas vijf dagen ziek. Ik heb niemand gezien, dan mijnheer en mevrouw Asser en den dokter. Dat is een lieve man.”

„Ja? Wie is je dokter?”

„Dokter Heger.”

„Heger? Ik heb als kind veel met een jongen gespeeld, die Heger heette, ja, zelfs als schoolmeisje kwam ik nog bij zijne ouders aan huis. Toen ik zoowat veertien jaar was, zijn ze verhuisd. Is het eene jonge dokter?”

„Ja, hij is nog jong, hoe oud weet ik natuurlijk niet precies.”

„Het zou best kunnen, dat het dezelfde was, weet je ook, of hij Karel heet?”

„Dat kan, want hij heeft een K. voor Heger staan. Hoe grappig, dat u hem gekend hebt. Mag ik het hem vertellen? Het is zoo’n lieve man.”

Daar had Thea niets tegen, want ze wilde wel eens graag weten, of hij dezelfde was, waar ze als kind mee gespeeld had. Het zou best mogelijk zijn, want hij was een jaar of zes ouder dan zij.

Na nog een poosje met Louise gepraat te hebben, [221]ging ze weg, maar niet voordat ze beloofd had, spoedig terug te komen. Louise drong er op aan, haar den eerst volgenden vrijen middag terug te zien en zoo gebeurde het, dat Thea tweemaal in de week even naar haar patiëntje ging, om haar wat afleiding te geven.

De ziekte van Louise duurde veel langer, dan men gedacht had, maanden lang kwam de koorts bij tusschenpoozen terug, wat haar erg verzwakte, maar eindelijk bleef die toch weg en toen kwam het er maar op aan, haar weer op krachten te brengen.

Meermalen ontmoette Thea bij haar ziekbed den dokter, die toch werkelijk haar vroegere speelkameraad bleek te zijn.

„Vindt u hem ook niet lief?” vroeg Louise eens, toen ze reeds herstellende was en de dokter hen juist verlaten had met de belofte, dat ze nu spoedig geheel beter zou zijn.

Thea kleurde een beetje.

„Zeker, een heel aardige dokter, wat is hij altijd vriendelijk voor je.”

Louise keek haar lachend aan.

„Hij is ook bijzonder vriendelijk tegen u, vindt u niet? Weet u wat zoo grappig is? Dat hij altijd op de middagen komt, dat u me bezoekt.”

Thea had het opeens druk met het verschikken van een paar bloemen, die ze voor Louise had meegebracht.

Louise’s woorden omtrent den dokter negeerend, zei ze: [222]

„Nu moet ik je toch eens wat grappigs vertellen, dat vanochtend op school is voorgevallen. Je moet weten, ik vertelde bij de geschiedenis van de Egyptenaren van het balsemen der lijken en dat er vele mummies teruggevonden waren, die nu in musea bewaard werden. Ik zei toen ook, dat men in Leiden, in het museum van Oudheden verscheidene mummies had en dat het wel eens interessant was, ze te gaan zien.

Toen vroeg Coba Stevens, of daar veel menschen naar kwamen kijken en toen ik zei van ja, merkte ze op, dat het toch niet pleizierig voor de familie was, dat die lijken daar zoo tentoongesteld werden.”

Louise moest hartelijk lachen en Thea had haar doel bereikt en het gesprek een andere wending gegeven.

„Ze dacht zeker, dat de familie van Ramses den Groote in den Haag woonde, hè, juffrouw, wat heb je toch domme kinderen!”

„Meer onnadenkend, als ze nagedacht had, vóór te spreken, zou ze zoo’n onzin niet gezegd hebben.”

„Vertel u me nog eens iets, van toen u in Brussel was?” vroeg Louise.

Thea had haar namelijk een en ander verteld van hare eerste leerlingetjes, vooral van Constance, om haar te beduiden, dat er wel meer meisjes waren, die het niet in alle opzichten naar hun zin hadden.

„Hebt u in lang iets van Stans gehoord?”

„Ja, ik heb juist eergisteren een brief van haar gehad. Ze maakt het goed en vindt het leven op kostschool wel prettig, nu ze er aan gewend is. Ze vindt het vooral [223]heerlijk, onder andere meisjes te zijn, eerst was haar dat wel vreemd, maar nu vindt ze het heel gezellig. Ze voelde zich thuis zoo eenzaam.”

„Ja, je eenzaam voelen is vreeselijk, dat weet ik bij ondervinding. Ik kan er tegenop zien, weer beter te zijn, nu ik ziek ben, is iedereen wel lief voor me, maar als ik beter ben, zal dat natuurlijk weer uit zijn.”

„Dat behoeft heelemaal niet. Het zal heusch van jezelf afhangen, mevrouw Asser heeft je toch goed verzorgd en je zegt zelf, dat je niet gedacht had, dat ze zoo hartelijk kon zijn.”

„Ja, juffrouw, maar als ik in bed lig en me ziek en zwak voel, is er zoo weinig gelegenheid om in botsing te komen. Ik ben zoo bang, dat ik, als ik beter ben, weer brutaal en koppig word en dat ze dan weer allemaal het land aan me krijgen.”

Thea moest even lachen.

„Maar Louise, alsof je brutaal en koppig moet zijn. Malligheid, hoor, ik weet zeker, dat je heel lief kunt zijn, als je wilt en ik hoop ook, dat het je voortaan aan den wil niet ontbreken zal. Je zult eens zien, hoeveel gelukkiger je dan zult zijn.”

Louise antwoordde niet, ze lag stil over de woorden van Thea na te denken. Daarbij keek ze naar het vriendelijke, lieve gezicht van haar juffrouw, zooals ze Thea nu in gedachte noemde en ze begreep niet, hoe ze haar ooit had kunnen plagen.

„Wil u me helpen?” vroeg ze, „het zal heusch heel moeielijk voor me zijn. Nu ik weer sterker word, [224]voel ik den lust tot weerspannigheid alweer bij me opkomen. Maar ik zal mijn best doen, ik zal altijd u hebben op school, om mij te helpen, dat is ten minste één troost.”

Thea kuste haar en zei, dat ze nu moest zien een beetje te slapen. Zij zelf moest weg, ze had Vader beloofd hem nog wat voor te lezen voor het eten en het werd al laat. Ze stopte haar eens lekker in en verliet haar toen.

Op weg naar huis liep ze er over te peinzen, dat het niet voor heel lang zou zijn, dat ze Louise nog les zou geven. Bij die gedachte helderde haar gezicht op, als bij iets heerlijks en toch hield ze bepaald van Louise en wilde niets liever, dan haar helpen.

Maar ze had een zoet geheim, een geheim, dat nu nog alleen Vader, Moeder en Ita kenden, maar dat over eenige dagen geen geheim meer zijn zou.

En Karel wilde niet lang wachten met trouwen. Waarom zou hij ook, hij had een goed bestaan en verlangde haar als zijn vrouwtje in huis te mogen voeren. Wat een gelukskind was ze toch, maar ze zou haar beschermelingetje niet vergeten, al was ze getrouwd, zou ze toch de handen niet van haar aftrekken, ze bleven immers in dezelfde stad wonen.

Ze was Louise eigenlijk grooten dank verschuldigd, als die niet ziek was geworden en ze haar niet bezocht had, had ze misschien Karel niet meer ontmoet en dan.…

„Waarom lach je zoo genoegelijk,” hoorde ze eensklaps [225]Ita vragen, die haar achterop gekomen was, „zeker iemand gezien?”

Thea stak haar arm door dien van haar zuster.

„Zou er wel een gelukkiger mensch op de wereld zijn, dan ik, Iet?” vroeg ze.

„Een gewichtige vraag,” lachte Ita, „waarop ik maar niet zoo dadelijk een antwoord kan geven. Vraag er Karel eens naar, misschien weet die er bescheid op.”

[227]

[Inhoud]
Achttiende Hoofdstuk.

Achttiende Hoofdstuk.

Het engagement.

K

arel wist er bescheid op.

Toen een paar dagen later zijn engagement met Thea publiek werd, verklaarde hij zich ongevraagd voor den gelukkigsten mensch.

„Je legt het af, Theetje,” schertste Ita, „Karel is de gelukkigste, je hoort het.”

Thea lachte en bloosde.

Karel keek nieuwsgierig. Hij trok zijn meisje naar zich toe en haar gezichtje wat oplichtend, zoodat ze elkaar in de oogen keken, vroeg hij:

„Waarmee legt mijn meisje het af?”

Thea bloosde nog sterker.

„Och, flauwigheid, ventje, ’t is heusch niets. Iet wil maar eens aardig zijn.”

Maar hier was Karel niet mee tevreden. [228]

„En als ik nu die flauwigheid zoo graag weten wil?”

Thea was op het punt, het verlangde antwoord te geven, toen Ita inviel:

„Niks zeggen, Theetje, dan wordt hij pedant, luister nu naar je wijze en niet verliefde zuster en leer hem bij tijds zijn nieuwsgierigheid bedwingen.”

Karel was er nu natuurlijk meer dan ooit opgesteld, te weten, waarover de questie ging en Thea voerde hem mee naar de serre, waar ze hem in het oor fluisterde, wat Ita vond, dat hij niet weten mocht.

Dat was me een pret voor de jonge leden van het gezin, toen „meneer de dokter,” zooals Nico hem noemde, dien middag zou blijven eten en aan hen voorgesteld werd, als hun aanstaande broer.

Nico verklaarde zich dadelijk zeer met de zaak ingenomen.

„Ik vind het leuk,” zei hij, „en als we nou voortaan ziek zijn, kan meneer de dokter ons beter maken.”

„Dat is het engagement van den praktischen kant beschouwen,” lachte Ita, „je hoort het Karel, Nico vindt het aangenaam en nuttig een dokter in de familie te hebben.”

Karel trok Nico zacht aan zijn oor.

„Als ik geen dokter was, zou je dan niet blij zijn, me voor broer te krijgen?” vroeg hij.

„Natuurlijk wel,” antwoordde Thea in haar broertjes plaats, terwijl ze haar arm om haar aanstaande heensloeg en liefkoozend tegen hem aanleunde.

Maar Nico vond, dat hij zelf wel kon antwoorden. [229]

„Wat weet jij daarvan?” vroeg hij snibbig, „neen, ik vind het juist leuk, omdat hij ons nooit iets zal durven voorschrijven, dat niet lekker is en als hij het toch deed, zou ik tegen hem zeggen, dat ik het niet innam en dat zou ik tegen onzen ouden dokter nooit durven.”

Mijnheer van Welderen schudde ontevreden het hoofd.

„Hou je een beetje bedaard, baasje,” zei hij, „sinds wanneer heeft het jongste jongentje hier het hoogste woord?”

Nico was echter door de groote gebeurtenis zoo opgewonden, dat hij geen acht sloeg op zijn vaders woorden en er uitflapte:

„Als Thea met Karel getrouwd is, dan krijgen ze kleine jongentjes en dan ben ik lekker niet meer de jongste.”

Thea liet Karel los en had plotseling iets te verschikken aan de vaas met bloemen op den schoorsteenmantel.

Karel keek uit het raam en Ita liep de kamer uit, omdat ze niet wilde laten zien, dat ze lachen moest.

Maar mijnheer van Welderen lachte niet.

„Zou het niet beter zijn, Moeder,” vroeg hij zijn vrouw, die juist binnenkwam, „dat Nico vanmiddag in de keuken at?”

Mevrouw van Welderen keek verwonderd en Nico werd rood van schrik.

„Moet Nico in de keuken eten vanmiddag, waarom Vader, is hij stout geweest?”

Vóór haar man had kunnen antwoorden was Nico [230]op haar toegevlogen en riep, zich aan haar vastklemmend:

„Ik heb niets gedaan, Moesje, heusch niet, ik wil niet in de keuken eten.”

Zijn moeder weerde hem zacht af.

„Is er iets gebeurd, man? Is hij stout?”

„Och hij is zoo opgewonden, dat je er geen stokje tusschen kunt steken, als dat zoo voort gaat, zal je nog gekke dingen beleven, vóór we van tafel gaan.”

Mevrouw van Welderen streek Nico over zijn haar en zei sussend:

„Hij zal wel stil zijn, Vader, als hij belooft, ongevraagd niets te zeggen, mag hij dan binnen blijven?”

Vader, die het zoo erg niet meende, gaf zijn toestemming en opgewekt ging het gezin aan tafel.

Bets en Jan hadden zich tot nog toe geen van beiden uitgelaten, over den indruk, die het groote nieuws op hen gemaakt had. Bets zat haar nieuwen broer, zooals ze hem in gedachte noemde, maar aan te staren, zoodat ze er zelfs haar eten door vergat.

„Eet door, Bets,” zei Moeder, „anders ben je niet tegelijk met ons klaar.”

Bets schrok op uit haar gepeins en opende haar mond om iets te zeggen, maar er kwam geen geluid uit.

„Wat is er, meiske?” vroeg Vader.

„Mag ik het morgen op school vertellen?” fluisterde ze, kleurend.

Jan lachte hardop.

„Dat is voor Bets natuurlijk het voornaamste van de heele geschiedenis, of ze het op school mag vertellen.” [231]

Bets keek boos.

„Nou ja, daar hoef jij niet om te lachen,” zei ze snibbig, „natuurlijk vind ik het leuk, om het aan de meisjes te vertellen. Ik geloof niet, dat er één in de klasse is, die een geëngageerde zuster heeft,” voegde ze er vol enthousiasme bij. „Laatst had er één een broertje gekregen, maar dat was een kleintje, lang zoo echt niet.”

Nu lachte het heele gezin.

„Die Bets!” fluisterde Thea met een paar wangen, als roode roozen.

„Een beste meid,” knikte Karel haar toe, „ze vindt het veel gemakkelijker in eens een volwassen exemplaar te krijgen. Dat hoeft ze niet te wiegen en zoet te houden en misschien brengt zoo’n groote broer wel chocolade voor haar mee, inplaats van muisjes.”

Bets’ oogen glinsterden.

„Echt?” vroeg ze, Karel verlangend aankijkend.

„Echt,” beloofde deze.

„Voor mij ook,” riep Nico, die zich tot nog toe stil gehouden had.

„St,” zei Vader.

„Nou ja, maar hij hoeft niet alleen voor Bets.…”

„Nico!” en Vader keek streng.

„Ik lust ook wel chocolade,” mompelde Nico, nauwelijks hoorbaar.

„Je zult ze hebben, hoor vent,” troostte Karel goedig, „een lekkere, groote plak.”

Nico vergat alle beloften van stil zijn en liet een schreeuw van plezier. [232]

„Karel, Karel,” lachte zijn aanstaande schoonvader, „begin je nu al met de kinderen te bederven. Pas maar op, daar kun je nog last van krijgen.”

„Karel is zoo goed,” en Thea legde zacht haar hand in de zijne.

Nu nam Jan het woord.

„Dat’s te hopen, want als hij niet goed was.…”

Verrast keken allen Jan aan, die woorden kwamen er zoo gemeend uit.

„Wat dan, Janbroer?” vroeg Karel schertsend.

Maar Jan zweeg, het leek wel, of die woorden hem ontsnapt waren.

„Wat bedoelde je, Jan? vroeg Thea, „waarom zeg je zoo dreigend: als hij niet goed was?”

„Och niks.”

„Jawel, toe zeg ’t nou.”

„Dan mocht hij jou niet hebben, nou weet je het,” en Jan dronk zijn glas uit en begon over wat anders.

Karel keek Jan verrukt aan.

„Hij weet het, Papa en Mama, ik ben het volkomen met hem eens. Ik ben alleen maar bang, mijn schat niet waard te zijn.”

Thea legde haar handje op zijne lippen.

„Zeg toch zulke dingen niet,” verzocht ze.

Daar tikte haar vader tegen zijn glas.

Allen zwegen.

„Beste kinderen,” begon hij, „naar aanleiding van Jan’s woorden, wil ik graag even wat zeggen. Hij heeft [233]gelijk, wie onze Thea tot vrouw krijgt, moet een goed man zijn, wil hij haar verdienen.”

„Maar Vadertje,” fluisterde Thea.

Haar vader liet zich niet storen en ging door:

„Hij krijgt een best vrouwtje, want hij trouwt een meisje, dat altijd een liefhebbende dochter is geweest. Niemand, dan wij weet, niet waar Moeder, wat onze oudste dochter steeds voor ons geweest is. Wij staan haar noode af, maar haar geluk moet vóór gaan en als zij gelukkig is, zijn wij het ook. Mijn jongen, we geven je een schat in bewaring, wees altijd goed voor haar, ze verdient het.”

Zijne oogen waren vochtig en bij deze laatste woorden trilde zijn stem een beetje.

Thea had zich, terwijl haar vader sprak, op hare lippen staan bijten, om zich goed te houden. Nauwelijks zweeg hij echter, of ze vloog naar hem toe en verborg schreiend haar gezichtje aan zijn schouder.

„Lief vadertje,” fluisterde ze, „al ben ik nu ook van Karel, ik blijf toch immers uw eigen dochtertje.”

Hij kuste haar teeder en duwde haar toen, zenuwachtig lachend, weg.

„Nu geen tranen meer, veeg die maar gauw af en laten we allen vroolijk klinken op ons toekomstig bruidje. Van harte, mijn jongen,” en hij stootte bij Karel aan.

Deze was niet minder aangedaan, dan zijn meisje.

„Papa, Mama,” zei hij, zijn glas opheffend, „ik dank u voor mijn schat en ik beloof plechtig, dat ik haar steeds zal weten te waardeeren.” [234]

Daar bromde Jan’s jongensstem:

„Gek, dat er altijd bij zoo iets gehuild moet worden, dat zal je nou altijd zien.”

Nu maakte de ernst plaats voor vroolijkheid en opgewondenheid. Men schaterde het uit om Jan’s woorden.

„Lang leve onze Jan!” gilde Ita, haar glas in de hoogte, „laten we hem plechtig beloven, dat wij, als hij eens geëngageerd is, niet huilen zullen.”

„Dat beloven we,” riepen allen.

Maar Jan schudde bedenkelijk zijn hoofd.

„Daar zou ik maar geen belofte op doen, dat kun jullie toch niet laten. Enfin, het is nog zoo ver niet.”

Toen het middagmaal was afgeloopen, vroeg Thea een beetje verlegen, of het gek zou zijn, als ze met Karel even een straatje omging.

„Gek, poes, natuurlijk niet, waarom? vroeg haar vader, „heb je er behoefte aan een luchtje te scheppen?”

Thea antwoordde niet dadelijk, maar keek Karel aan en lachte.

„Weet je wat het is,” riep Iet, „ze wil met hem gearmd loopen op straat, ze kan niet tot morgen wachten, zoo’n lekkere snoes.”

Thea werd nog verlegener en allen lachten.

„Is het dat, hartje?” fluisterde Karel haar toe.

Ze knikte en zag er zoo snoezig verlegen uit, dat hij haar graag even gepakt had, maar hij durfde niet goed, zoo omringd van allen.

„Dan gaan we,” zei hij vroolijk. „Toe Iet, haal een [235]hoed en een mantel voor haar, ze heeft gelijk, we moeten vanavond nog samen gearmd uit.”

Ita vloog weg om het gevraagde te halen en weldra bevond het paartje zich op straat. Thea vond het eigenlijk maar goed, dat het al wat donker begon te worden, want ze verbeeldde zich, dat iedereen naar haar keek.

Dan gaf ze Karel’s arm een zacht drukje, dat deze natuurlijk dadelijk beantwoordde en dan keken ze elkander eens in de oogen en voelden zich in den zevenden hemel.

Wat ze echter niet wisten, was, dat Nico en Bets hen op een afstandje volgden; de groote Bets met den veel kleineren Nico gearmd en trouw iedere beweging van het voor hen uitgaand paartje nadoend.

Ze waren stilletjes ontsnapt; toen ze hoorden, dat Thea met Karel zou uitgaan, besloten ze het hunne te hebben van dat eerste wandelingetje. Nu hadden ze dolle pret.

„Nou drukt ze hem weer op zijn arm,” fluisterde Bets giechelend, „zóó,” en ze kneep Nico’s arm plat tegen zich aan.

„Au, je doet me pijn,” zei pseudo-Karel, die veel tengerder was, dan zijn gewaand meisje.

„Hou je mond toch,” fluisterde dit verschrikt, „als ze omkijken en ons zien, nou.…”

„Je moet meer naar me kijken” beweerde Nico, „neen je doet het niet goed, je moet rood worden en lachen met kuiltjes in je wangen. Dat deed ze vanmiddag den heelen tijd. Je doet het niks aardig, ajakkes.”

Bets verzekerde hem, dat ze haar best deed, maar [236]ze kon geen kuiltjes lachen, die had ze nooit en rood zag ze al genoeg.

Op dat oogenblik, in een verlaten straat, waagde Karel het, Thea’s gezichtje even naar zich toe te halen. Hij had eerst rond gekeken, of niemand hen zien kon, maar had de kinderen niet ontdekt, die nog juist tijd gehad hadden, zich achter een vooruitstekenden gevel te verbergen.

„O!” riep Bets, Nico een kneep gevend, „zag je dat?”

Nou je hoeft me niet zoo te knijpen,” beweerde Nico, vrij hard.

„St,” fluisterde Bets.

Thea keek onrustig om.

„Hoorde je niets?” vroeg ze.

Maar Karel had niets gehoord, hij was te veel verdiept geweest in de beschouwing van zijn meisje.

Ze liepen door.

Bets en Nico volgden hen.

„Nou moet je me ook kussen,” beweerde Bets, „anders is het niet echt.”

Nico wilde wel, maar hij kon er niet goed bij, Bets was zooveel grooter dan hij.

„Je moet je bukken, anders kan ik het niet.”

Maar dat vond Bets niet echt, zooals ze zich uitdrukte.

„Weet je wat,” zei ze, „laat ik voor Karel spelen en jij voor Thea, ik ben de grootste, net als Karel.”

„Dank je lekker, dan moet ik voor meisje spelen, ik [237]ben een jongen, en ik wil geen meisje zijn. Ik ben Karel.”

Dat was niet naar Bets’ zin.

„Wees nou niet flauw, anders ga ik naar huis.”

„Ga naar huis. Je zult nog al geen standje krijgen, je bent stil weggeloopen.”

„Jij zeker niet. Je mag blij zijn, als je enkel een standje krijgt.”

„In ieder geval heb jij het verzonnen.”

Dat was Bets te veel.

„Akelige jongen!” riep ze, „wil je dat vertellen, omdat ik alleen straf zal krijgen, daar.…” en driftig gaf ze hem een klap om zijne ooren, die tamelijk hard aankwam.

Nico gilde het uit.

Hevig verschrikt keken Thea en Karel om.

Ze zagen op een afstandje twee kinderen, die elkaar flink te lijf gingen met schoppen en trappen.

„Wat een kinderen, ze zullen elkaar bezeeren. Toe Karel, ga ze scheiden.”

Karel liep hard in de richting van het vechtende tweetal, maar nauwelijks zag dit hem aankomen, of het koos het hazenpad. Lachend kwam Karel bij Thea terug.

„Het leken wel Nico en Bets,” zei hij.

„Nico en Bets? Wel neen, dat kan niet, je moet je vergist hebben, hoe zouden die hier in de straat komen.”

„Op hun beentjes, nog al gemakkelijk, ons nageloopen, begrijp je.”

Thea stond stil van schrik. [238]

„Denk je dat heusch? Denk je dat ze al dien tijd achter ons geloopen hebben?

„Best mogelijk.”

„Hè neen, zeg dat nu niet. Ik zou het zoo naar vinden, als ze het geweest waren. Stel je voor, al dien tijd achter ons aan!”

Karel lachte en zei, dat hij zich wel vergist kon hebben. Ze moest er maar niet verder over denken, ze waren het bepaald niet geweest.

Intusschen zaten de heer en mevrouw van Welderen in grooten angst: de kleintjes waren nergens te vinden.

„Ze zijn zeker ook nog uitgegaan,” veronderstelde Ita.

„Onmogelijk, zonder het ons te vragen, doen ze dat na het eten nooit,” beweerde haar moeder.

„Het zal toch wel zoo zijn,” zei haar man, waar kunnen ze anders zijn.”

Jan en Ita werden uit gestuurd om hun broertje en zusje te zoeken in de omliggende straten, maar kwamen onverrichter zaken terug. Men wist niet, wat te doen en besloot voorloopig nog een half uurtje te wachten. Waren ze dan nog niet thuis, dan kon men verder zien.

Het half uur verliep en juist beraadslaagde men, of men naar het bureau van politie zou gaan, toen Ita, die nog eens uitgeloopen was om naar hen uit te zien, terug kwam, de kleine zondaars voor zich uit duwend.

„Hier zijn ze de deugnieten, ik vond ze in de straat.”

Moeder, in de groote verluchting die hun behouden terugkomst haar gaf, kuste hen, maar Vader keek heel donker en verzocht zijn vrouw dat niet te doen. [239]

„Waar zijn jullie geweest?” vroeg hij barsch.

Onder tranen en snikken deden ze hun verhaal, hoe ze Karel en Thea hadden nageloopen en hoe grappig deze gedaan hadden.

Ita beet haar zakdoek bijna stuk, terwijl Jan het uitbrulde.

„Ga jij zoolang naar je kamer, Jan,” verzocht Vader.

Zich toen tot de kinderen wendend, zei hij hen, oogenblikkelijk naar bed te gaan.

„En we hadden ter eere van Thea mogen opblijven,” snikte Bets.

„Dat heb je verspeeld. Vooruit, naar bed, gauw en wees blij, dat je er zoo afkomt.”

Zoo eindigde voor de twee jongste leden van het gezin de dag minder prettig, dan ze gedacht hadden.

[241]

[Inhoud]
Negentiende Hoofdstuk.

Negentiende Hoofdstuk.

Uit Thea’s dagboek.

D

e laatste avond, dien ik als jong meisje in mijn ouders huis doorbreng!

Ik zal morgen mijn liefsten wensch in vervulling zien gaan en toch drukt de gedachte aan dezen laatsten avond mij neer; want al hoop ik veel terug te krijgen, ik laat ook heel veel achter.

Als ik er aan denk, hoeveel onbaatzuchtige liefde ik hier ondervonden heb, hoeveel opofferingen Vadertje en Moes zich steeds voor ons allen getroost hebben, dan bekruipt mij de vrees, dat ik niet altijd dankbaar genoeg geweest ben. Ik kwam wel eens in opstand, als andere meisjes zooveel meer pretjes hadden, dan ik, ik toonde, dat ik ook meer genoegens verlangde en ik wist toch, dat ze mij die niet verschaffen konden. Ik [242]was wel eens ongeduldig, driftig, och laat ik maar niet alles opnoemen, laat ik de laatste bladzijden van dit boek liever gebruiken, om mijn dankbaarheid te uiten voor alles, wat het leven mij gegeven heeft. Ik zit hier nu zoo rustig, iedereen slaapt, ik was ook al in bed, maar de gedachte, dat deze avond mijn jong meisjesleven afsluit, liet me niet met rust en ik had behoefte uitdrukking te geven aan verschillende gevoelens, die mij bestormden. Slapen kon ik toch niet, dus toen maar vlug opgestaan en mijn trouw dagboek voor den dag gehaald.

In de eerste plaats dus dank ik Vader en Moeder voor alles, alles, hun liefde, hun zorg, hun heerlijk voorbeeld, dat zeker niet het minst heeft bijgedragen, tot hetgeen goed in mij is.

En dan de lieve Ita, mijn trouw zusje, dat voor mij altijd zoo’n heerlijk vertrouwelingetje is geweest. En kleine Bets en de broertjes, die lieve, goede kinderen. Ik kan me nu niet begrijpen, dat ik soms zoo driftig kon worden op Nico en zoo boos op Jan, als ik mij verbeeldde, dat hij zijn best niet deed. Nico is nog zoo jong, zijn ondeugendheidjes zijn niet erger, dan die van andere jongens en Jan kan nu eenmaal niet gemakkelijk leeren.

O, ik zal hen allemaal wel missen, als ik alleen met Karel zal zijn.

En toch, wat een heerlijke gedachte, altijd samen, alles voor elkander kunnen zijn en te weten, dat we elkaars hoogste geluk uitmaken. Zooals Vadertje laatst zei, terwijl hij Moeders hand greep, elkanders lief en [243]leed te deelen en daardoor de vreugde grooter en het leed lichter te doen schijnen.

Want ik weet heel goed, dat mij niet enkel lief, maar ook leed te wachten staat. In welk menschenleven komt geen verdriet voor? Maar mij dunkt, dat het niet zwaar te dragen zal zijn, met zoo’n besten man om je te helpen en ik zal het als een geluk beschouwen zijn leed te mogen verzachten.

En alle menschenleed!

Wij hebben zulke heerlijke voornemens, wij willen trachten alle smart, die wij ontmoeten, te lenigen, wegnemen zal niet altijd mogelijk zijn, maar verminderen, dat zal wel kunnen. Hij komt door zijn beroep met zooveel ellende in aanraking, dat ik, als zijn trouwe helpster, zeker in staat zal zijn veel goed te doen.

Het is alleen jammer, dat we niet rijk zullen zijn, en ons dus altijd in het weldoen zullen moeten beperken, maar Vader zei, toen hij mij dat hoorde opperen, dat men soms met een vriendelijk woord en waarachtig medegevoel al veel goed kan doen. De lieveling was zoo dwaas te beweren, dat het zien van mijn vriendelijk gezichtje al een weldaad was en natuurlijk werd dat ten volle beaamd door Karel, maar dat zegt niets, die ziet nu eenmaal enkel goeds in mij.

Als ik hem maar niet tegenval! Maar hij zal wel begrijpen, dat ik ook maar een mensch ben en ik zal mijn best doen, zooveel mogelijk op het ideale wezen te lijken, waar hij mij voor houdt, dat neem ik me heilig voor. [244]

Het eigenaardigste is, dat hij bang is mij tegen te vallen!

Alsof ik niet heel goed weet, dat ik geen heilige trouw, maar enkel een door en door goed mensch, een schat, wiens kleine gebreken mij nog liever zijn, dan de deugden van anderen.

Wat zijn allen lief voor mij geweest dezen laatsten tijd, hoe hartelijk waren de meisjes op school, toen ik afscheid van hen nam en hoe ongelukkig mijn arme Louise. Wie had kunnen denken, dien eersten zwaren tijd op school, dat ik met tranen in mijne oogen van diezelfde klasse afscheid zou nemen, die mij eerst zoo vreeselijk toescheen. Louise moet maar veel bij me komen, ze doet nu zoo haar best hare ondeugende opwellingen te bedwingen. Er zit veel goeds in dat meisje, ze heeft een sterken wil, als we dien maar op het goede kunnen richten, komt alles in orde.

Ik had mijn trouwen nog wat willen uitstellen, niet omdat ik er niet naar verlang, Karels vrouwtje te zijn, maar met het oog op de opvoeding der kinderen. Ik heb Vader natuurlijk veel gekost, voordat ik zelf in mijn onderhoud kon voorzien en had mij altijd voorgenomen, dat zooveel mogelijk terug te geven, door de opvoeding der jongste kinderen te helpen bestrijden. Ik was daar nu juist mee begonnen en ik vond, dat ik daar nu niet dadelijk mee mocht uitscheiden. Ik wilde les blijven geven, totdat Ita volwassen was, dan zou die kunnen helpen, maar Karel was zoo ongelukkig, toen ik dat voorstelde, dat Vader medelijden met hem had en zei, dat ik hem zijn [245]zin maar moest geven en alle bekommernis van mij afzetten, hij zou het wel klaarspelen totdat Ita volwassen was, daarop behoefde ik niet te wachten om gelukkig te worden.

„Ik ben nu ook gelukkig,” verzekerde ik.

„Zonder mij?” zei Karel verwijtend.

Maar ik lachte hem uit, ik had hem immers nu ook, ik behoefde hem toch niet af te staan, al trouwden wij niet dadelijk. Vader bleef vinden, dat Karel zijn zin moest hebben en dat ik mijne zorgen nu van mij af moest zetten.

„En als Ita nu ook eens trouwen wil?” vroeg ik eensklaps.

„Dan gaat ze haar gang,” lachte Vader, mij naar zich toetrekkend, „mal kindje, denk je nu, dat ik mijne dochters zou beletten haar bestemming te volgen, omdat ik door hen onderhouden wil worden, je hebt een aardig denkbeeld van me, dat moet ik zeggen.”

Ik kuste hem, nu zelf lachend, alsof die beste, onegoïste vader er niet alles voor zou over hebben, om het geluk van zijne kinderen te bevorderen. Maar één ding heb ik toch bedongen. Karel en ik blijven voor Nico’s schoolgeld zorgen, zoolang Vader Ita’s verdere opvoeding nog bekostigen moet. Het heeft ons veel moeite gekost, dat door te zetten, maar eindelijk hebben wij alle tegenkanting van Vader overwonnen en kan ik de gelukkige gedachte hebben, dat mijn huwelijk daarin ten minste geen verandering brengt.

Ik begin nu toch moe te worden, ik zal moeten eindigen, anders ben ik morgen niet frisch. [246]

Zoo neem ik dan afscheid van dit dagboek, ik zal er nooit meer in schrijven. Ik zal nu voortaan altijd iemand bij mij hebben, aan wien ik mijn hart kan uitstorten, als ik daar behoefte aan heb.

Lief boekje, je hebt me dikwijls geholpen, als het mij te zwaar werd, alles alleen te dragen, eerst in Brussel en later hier, toen ik Vader en Moeder niet verontrusten wilde, door hen mijn verdriet te vertellen en ik toch zoo’n behoefte had mijne gedachten tot klaarheid te brengen. Nu moet ik glimlachen, als ik er aan denk, hoe onbeduidend toch eigenlijk alles was, wat ik beleefd heb, vóór ik Karel ontmoette, maar toen vond ik dat niet. Als wij elkander eens niet gevonden hadden?

Nu, dan was ik ook wel gelukkig geworden op mijn manier, ik had pleizier in mijn werk en de troostende gedachte, voor mij zelf te kunnen zorgen. Dat was ook een soort geluk geweest, ik had hem dan niet gekend, en dus geen vergelijking kunnen maken, tusschen mijn leven, zooals het dan geweest was en zooals het nu worden zal.

Morgen, dat weet ik, begint voor mij het grootste geluk, dat er op aarde voor mij is weggelegd, morgen.….

[247]

[Inhoud]

INHOUD.

Blz.
Eerste Hoofdstuk. Het examen 5
Tweede Hoofdstuk.,, Een kloek besluit 15
Derde Hoofdstuk.,, Afscheid 31
Vierde Hoofdstuk.,, Van huis 41
Vijfde Hoofdstuk.,, Kennismaking 55
Zesde Hoofdstuk.,, Uit Thea’s dagboek 69
Zevende Hoofdstuk.,, Een moeielijke taak 79
Achtste Hoofdstuk.,, De verdwenen armband 95
Negende Hoofdstuk.,, Uit Thea’s dagboek 105
Tiende Hoofdstuk.,, De ontdekking 113
Elfde Hoofdstuk.,, Naar huis 127
Twaalfde Hoofdstuk.,, Jan’s rapport 139
Dertiende Hoofdstuk.,, Thea krijgt een nieuwe betrekking 157
Veertiende Hoofdstuk.,, Een vacantiedag 171
Vijftiende Hoofdstuk.,, Een moeielijk begin 187
Zestiende Hoofdstuk.,, Een overwinning 199
Zeventiende Hoofdstuk.,, Thea en Louise 213
Achttiende Hoofdstuk.,, Het engagement 227
Negentiende Hoofdstuk.,, Uit Thea’s dagboek 241

[248]

[Inhoud]

Oorspronkelijke rug.

 

Oorspronkelijke achterkant.

Inhoudsopgave

I. Het examen. 5
II. Een kloek besluit. 15
III. Afscheid. 31
IV. Van huis. 41
V. Kennismaking. 55
VI. Uit Thea’s dagboek. 69
VII. Een moeielijke taak. 79
VIII. De verdwenen armband. 95
IX. Uit Thea’s dagboek. 105
X. De ontdekking. 113
XI. Naar huis. 127
XII. Jan’s rapport. 139
XIII. Thea krijgt een nieuwe betrekking. 157
XIV. Een vacantiedag. 171
XV. Een moeielijk begin. 187
XVI. Een overwinning. 199
XVII. Thea en Louise. 213
XVIII. Het engagement. 227
XIX. Uit Thea’s dagboek. 241
INHOUD. 247

Colofon

Codering

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

Documentgeschiedenis

Verbeteringen

De volgende 96 verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:

Bladzijde Bron Verbetering Bewerkingsafstand
7, 163, 183, 184, 229 van middag vanmiddag 1
8, 37, 43, 103, 119, 119, 166, 169, 234 [Niet in bron] 1
12, 53, 125, 132, 146, 187 [Niet in bron] , 1
13 omstuimig onstuimig 1
17, 208, 209, 222, 238 [Niet in bron] 1
20, 207 van zelf vanzelf 1
36, 90, 142, 149, 207 . ? 1
42 bizonders bijzonders 1
47 jonge mensch jongemensch 1
51 Neem Neemt 1
51, 99, 100, 105, 181, 187, 202, 202, 215, 221 bizonder bijzonder 1
66, 221 op eens opeens 1
73 te te te 3
86, 183, 197 van morgen vanmorgen 1
89 , . 1
89, 93, 93, 94, 235 van avond vanavond 1
95 Zij Hij 1
95 hare zijne 4
98 Op eens Opeens 1
102 tafreel tafereel 1
106, 117, 119, 121, 144, 184, 233 , [Verwijderd] 1
107 sympatieker sympathieker 1
117 weg genomen weggenomen 1
131 opaan op aan 1
153 bewegenloos bewegingloos 2
168 zes honderd zeshonderd 1
176 Van morgen Vanmorgen 1
178 scéne scène 1 / 0
180 photohraaf photograaf 1
184 weetje weet je 1
187 klassse klasse 1
199 rechtsomkeer rechtsomkeert 1
203 bizonderheden bijzonderheden 1
204, 204 concierge conciërge 1 / 0
210 van ochtend vanochtend 1
217 Aseer Asser 1
221 patientje patiëntje 1 / 0
221 niëerend negeerend 3 / 2
224 [Verwijderd] 1
235 gichelend giechelend 1
236 „„ 1
253, 253 . , 1
254, 255 [Niet in bron] . 1
255 wetenswaardigeden wetenswaardigheden 1
255 [Niet in bron] van 4
*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK 78835 ***